Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen – winter 2025
Brontekst
Versie 01222b597b199823 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 043Toekomst pensioenstelselNr. 681 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 30 januari 2025Voor u ligt de tweede voortgangsrapportage monitoring Wet toekomstpensioenen (hierna: de voortgangsrapportage). Hierin staat de actuelestand van zaken omtrent de voortgang van de transitie naar het nieuwepensioenstelsel.1 In figuur 1 wordt weergegeven waar de transitie zichbevindt in de tijd. Op basis van de informatie die ik tot mijn beschikkingheb, blijkt dat de pensioensector hard werkt aan de transitie naar hetnieuwe pensioenstelsel. De transitie vordert gestaag. De eerste driepensioenfondsen zijn per 1 januari 2025 ingevaren naar een nieuweregeling. Voor circa 92,5% van de (gewezen) deelnemers en gepensio-neerden die een pensioenregeling hebben die wordt uitgevoerd door eenpensioenfonds, is het transitieplan afgerond.2 Daarnaast blijkt dat vier vande negen verzekeraars en alle premiepensioeninstellingen (PPI’s) eenimplementatieplan hebben ingediend, waarin de implementatie voor deduizenden regelingen die zij uitvoeren wordt uitgewerkt.3 Maar er moetook nog veel gebeuren. De transitie naar het nieuwe pensioenstelsel isvoor iedereen nieuw en ieder begin is ingewikkeld. Daarbij is het vancruciaal belang dat knelpunten uit de uitvoeringspraktijk worden opgepakten dat het lerend vermogen van de sector wordt aangesproken om detransitie tijdig af te kunnen ronden. Ik zie dat de sectorpartijen deknelpunten op verschillende manieren adresseren en tot oplossingenkomen.Bij een stelselwijziging als de pensioentransitie is het belangrijk dat de(gewezen) deelnemers en gepensioneerden goed worden meegenomen.1Deze voortgangsrapportage en de onderliggende stukken betreffen een momentopname vande stand van zaken, omdat de sector volop in beweging is. Daarnaast betreft het een algemeenbeeld van de transitie. Ik geef daarbij geen oordeel over de gemaakte keuzes, noch ga ik in opindividuele casussen.2EY, 14 januari 2025, Wtp transitiemonitor, winterrapportage 2024. Dit betreft het gewogengemiddelde van het aantal deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden.3Data afkomstig uit de uitvraag DNB. kst-32043-681ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6811 Een graadmeter hierbij is het vertrouwen ten aanzien van het pensioen-stelsel. De publieksmonitor pensioenen (bijlage 6) laat in het najaar van2024 een licht stijgende trend zien van het vertrouwen, die stabiliseert inQ4. Daarnaast blijkt dat twee derde van de Nederlanders inmiddelsbekend is met het nieuwe pensioenstelsel.De monitor is uitgevoerd conform het plan van aanpak monitoring.4Onderdeel hiervan zijn de in opdracht van SZW door EY Adviseurs B.V.(hierna: EY) uitgevoerde transitiemonitor (bijlage 1), de deelnemersmo-nitor5, de doelstellingenmonitor6, het advies van de regeringscommissaristransitie pensioenen (bijlage 2), de informatie van toezichthouders DNB enAFM, overige onderzoeken en de gesprekken die ik met de pensioensectorvoer, onder andere met de sociale partners, de pensioenuitvoerders en de-koepels en de toezichthouders. Daarnaast heeft mijn ministerie in deafgelopen periode contact gehad met pensioenfondsen en verzekeraars,zowel op bestuursniveau als op werkvloerniveau, pensioenuitvoerders,adviesbureaus, de advocatuur, OR-adviseurs, koepelorganisaties zoalsAdfiz, KPS, VITP en het Actuarieel Genootschap, hoorrechtverenigingenen gepensioneerdenorganisaties en de wetenschappers van onder meerNetspar. Mijn gesprekspartners hebben hun ervaringen, vragen enknelpunten gedeeld en meegedacht over het zo goed mogelijk latenverlopen van de transitie. Ik wil ze bedanken voor hun betrokkenheid enopenheid. LeeswijzerIn het eerste hoofdstuk geef ik aan welke conclusies ik verbind aan debevindingen uit de verschillende monitoren, adviezen en gesprekken. Inhoofdstuk 2 wordt ingegaan op de ervaringen van de koplopers.Hoofdstuk 3 gaat in op het advies van de regeringscommissaris transitiepensioenen (hierna: regeringscommissaris). Hoofdstuk 4 bevat eenverdere uiteenzetting van de stand van zaken van de transitie en degemaakte keuzes. Daarbij ga ik primair in op de moties, toezeggen enonderwerpen die in de debatten over de voortgang van de transitie aanbod zijn gekomen. Als gedurende de transitie blijkt dat de informatiebe-hoefte verandert, zullen er in de transitiemonitor en in deze rapportageandere accenten worden gelegd. In hoofdstuk 5 ga ik dieper in op het4Kamerstuk 36 067, nr. 191.5De deelnemersmonitor wordt momenteel uitgevoerd door Netspar in samenwerking metMWM2. Meer over deze monitor zal volgen naarmate er meer informatie beschikbaar komt.Naar verwachting zal dit bij de derde voortgangsrapportage zijn.6De offerteprocedure voor de doelstellingenmonitor is gestart. Naar verwachting zullen deeerste resultaten uit de doelstellingenmonitor bij de vierde voortgangsrapportage wordengedeeld.Figuur 1: Transitieperiode – mijlpalenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6812 vertrouwen van de deelnemer. De stand van zaken rondom (voorge-nomen) wet- en regelgeving volgt in hoofdstuk 6. In de bijlage is eenoverzicht en de huidige stand van zaken te vinden van de moties entoezeggingen die betrekking hebben op de monitoring van de transitienaar het nieuwe pensioenstelsel.BeleidsconclusiesDe pensioensector werkt hard aan de transitie naar het nieuwepensioenstelsel ...De transitie vordert gestaag. Er wordt door alle bij de transitie betrokkenpartijen hard gewerkt om de transitie naar het nieuwe pensioenstelselzorgvuldig te doorlopen. Zoals geconstateerd door de regeringscommis-saris is deze inzet en doorzettingsvermogen nodig om de voortgang vande transitie te waarborgen. Ik wil waardering uitspreken aan de partijendie druk aan de slag zijn met deze transitie. De partijen die hun pensioen-regeling hebben ondergebracht bij een pensioenfonds hebben nagenoegallemaal tijdig de arbeidsvoorwaardelijke fase afgerond. Voor circa 92,5%van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden die een pensioenre-geling hebben die wordt uitgevoerd door een pensioenfonds, is hettransitieplan afgerond.7 Na de arbeidsvoorwaardelijke fase gaat depensioenuitvoerder aan de slag met de implementatie van de gewijzigdepensioenregeling (de implementatiefase), daarbij gaat het bijvoorbeeldom het aanpassen van ICT-systemen. Uit de transitiemonitor blijkt dat 46%van de gevraagde pensioenfondsen comfort heeft dat de uitvoeringsorga-nisatie in staat is om de transitie vanuit IT-perspectief tijdig en beheerstkan laten verlopen. Nog eens 46% is daar neutraal over, en de overige 8%is het daarmee oneens. Tevens blijkt dat de meeste pensioenfondsen(70%) in gesprek zijn met hun vermogensbeheerder over de implemen-tatie van de Wtp. De transitie wordt afgerond met de overstap naar denieuwe regeling. Tegelijk met de overstap naar deze gewijzigde regelingverwacht 77% van de pensioenfondsen in te varen. Met het invaren doorde eerste drie pensioenfondsen zijn er minder pensioenfondsen per1 januari 2025 overgestapt dan op basis van de eerste voortgangsrap-portage werd verwacht. Ik begrijp de afweging die pensioenfondsbe-stuurders hierbij maken. Uiteindelijk zijn zij verantwoordelijk voor eenzorgvuldige transitie, zowel inhoudelijk als bijvoorbeeld rondom hetinformeren van hun (gewezen) deelnemers en gepensioneerden. Partijenhouden echter zo lang mogelijk vast aan de afgesproken transitiedatum.Veruit de meeste pensioenfondsen (67) zijn dan ook nog steedsvoornemens om in 2026 in te varen. Bovendien constateert de regerings-commissaris dat een besluit tot een verschuiving van de transitiedatum inhet algemeen niet lichtvaardig wordt genomen.Voor de verzekeraars en PPI’s ligt de mijlpaal voor het afronden van dearbeidsvoorwaardelijke en implementatiefase later in de tijd. Uit detransitiemonitor blijkt de verwachting dat per 1 januari 2025 circa 36% vanhet aantal contracten ondergebracht bij een verzekeraar is omgezet naarhet nieuwe stelsel en dat dit bij PPI’s naar verwachting voor circa 31% vande regelingen geldt. De regeringscommissaris merkt daarbij op dat eenaanzienlijk aantal van de omzettingen (circa 40%) naar verwachting op hetlaatste transitiemoment (1 januari 2028, wat thans in wetgeving voorligt)plaatsvindt. Daarbij moet worden voorkomen dat de hoeveelheidwerkgevers dat zich op het laatste moment meldt voor het omzetten vanhet contract zo groot zal zijn dat verzekeraars dat niet meer tijdig kunnenverwerken. Werkgevers geven aan dat bij bestaande premieregelingen7EY, 14 januari 2025, Wtp transitiemonitor, winterrapportage 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6813 met leeftijdsafhankelijke premies in 80% van de gevallen gekozen is voorhet toepassen van de eerbiedigende werking.Met de toezegging aan de Eerste Kamer om de uiterste transitietermijn teverlengen naar 1 januari 2028, is er voldoende tijd om de transitiezorgvuldig te doorlopen. Het advies van de regeringscommissaris, debevindingen in de transitiemonitor en overige signalen maken dat ik detransitiedatum vooralsnog niet verder zal aanpassen dan het voorstel datnu ter behandeling voorligt in de Tweede Kamer.... en er moet ook nog veel gebeuren ...Er is al veel werk verricht, maar er is geen tijd om op de handen te gaanzitten. Om de wettelijke mijlpaal van 1 januari 2028 te halen, is het vanbelang dat alle betrokken partijen de voortgang in het transitieprocesbehouden. In navolging van het tussentijds advies van de regeringscom-missaris om onder andere de piekbelasting als gevolg van het indienenvan alle implementatieplannen op één datum te voorkomen, ben ikvoornemens de uiterste inleverdatum van deze plannen door pensioen-fondsen te dynamiseren.8 Hierdoor kunnen werkzaamheden beter wordengespreid en is een zorgvuldige transitie voor iedereen beter mogelijk.Ook voor pensioenregelingen uitgevoerd door verzekeraars of PPI’s is hetbelangrijk dat de transitie naar het nieuwe stelsel wordt voortgezet.Daartoe zijn nu vooral de (kleine) werkgevers en de pensioenadviseursaan zet. Ik roep hen dan ook op om met hun pensioenuitvoerder goedeafspraken te maken over de planning. Dit om te voorkomen dat deplanning niet gehaald kan worden omdat iedereen op hetzelfde momentover wil stappen. Mijn ministerie is, aansluitend op advies van deregeringscommissaris, in overleg met werkgeversorganisaties, verzeke-raars, PPI’s en adviseurs om te bezien hoe de voortgang verloopt, waarondersteunende acties geboden kunnen worden en waar partijen kunnenleren van elkaars ervaringen. Daarbij komt ook tijdige verstrekking van detransitie-informatie aan bod, onder meer rondom de (uitzonderlijke)situatie dat het arbeidsvoorwaardelijke traject bij een door een verze-keraar uit te voeren regeling kort voor de transitiedatum wordt afgeronden het niet mogelijk is om de deelnemer op tijd te informeren. Dekomende voortgangsrapportages blijf ik rapporteren in welke materegelingen daadwerkelijk zijn omgezet naar het nieuwe pensioenstelsel enhoe dit aansluit bij de eerdere verwachtingen. Gezien de ontwikkelingendie ik de afgelopen periode heb gezien, heb ik er alle vertrouwen in depensioensector dat zij deze slag kan maken.... knelpunten uit de uitvoeringspraktijk worden opgepakt...Bij alle betrokken partijen zie ik een grote mate van bevlogenheid gepaardgaan met een grote mate van voorzichtigheid. Veel is nieuw, zowel binnende eigen organisaties als in de onderlinge verhoudingen, bijvoorbeeldtussen sociale partners, pensioenuitvoerders en toezichthouders. Hierdoormoesten werkzaamheden en processen opnieuw worden ingericht en pasgedurende de uitwerking dan wel uitvoering doen zich knelpunten voordie oplossing behoeven alvorens de transitie voortgezet kan worden.Ik zie dat de sectorpartijen de knelpunten op verschillende manierenadresseren en tot oplossingen komen. De meest geëigende plek daarvooris het Platform Pensioentransitie, met daarin de pensioenuitvoerders entoezichthouders DNB en AFM. Aandachtspunten en dilemma’s wordenwaar nodig opgepakt en kennis hierover wordt in de sector verspreid. Ik8Kamerstuk 32 043, nr. 657.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6814 vind het belangrijk dat op deze manier alle partijen hun verantwoorde-lijkheid voor een zorgvuldige transitie pakken. De pensioenuitvoerdersdoor (onder andere) aandacht te vragen voor de vertaling van de opdrachtvan de sociale partners in een evenwichtig en uitvoerbaar implementa-tieplan, de toezichthouders door in hun toezichtskader invulling te gevenaan de wettelijke vereisten die als waarborg dienen voor een zorgvuldigetransitie.Ik blijf openstaan voor signalen uit de uitvoeringspraktijk. De sector kandergelijke signalen bijvoorbeeld delen via Werkenaanonspensioen.nl en,in geval van fiscale vraagstukken, ook via het Centraal AanspreekpuntPensioenen van de Belastingdienst. Ook wordt breed het net opgehaalddoor werkbezoeken aan de sector, door het organiseren van informatie-bijeenkomsten met de sector en door reguliere contacten met branchever-enigingen en kenniskringen van pensioenprofessionals. Daarnaast is mijnministerie aanwezig tijdens lezingen, congressen en seminars in hetpensioendomein. Ook de regeringscommissaris is op meerdere manierenbenaderbaar voor professionals en partijen in de sector. Zij betrekt de bijhaar binnengekomen signalen bij haar advisering over het verloop van detransitie.Met betrokken partijen zorg ik dat eventuele knelpunten voortvarendkunnen worden verholpen. Dit vergt soms dat op een aantal puntennadere verduidelijking van wet- en regelgeving nodig is. Bij het oplossenvan deze knelpunten is het uitgangspunt steeds geweest om zo snelmogelijk duidelijkheid te geven over waaraan de sector precies moetvoldoen en hoe zij dat ook op een werkbare manier kan doen. Dat heeftonder andere geleid tot een uitbreiding van de standaardregel binnen destandaardmethode. Deze is in december 2024 in werking getreden. Ookbleek dat er, naar aanleiding van de ervaringen van de eerste driepensioenfondsen die zijn ingevaren, behoefte was aan concretehandvatten voor een praktische aanpak van het proces rondom debeoordeling van evenwichtigheid in de implementatieplannen (zieparagraaf evenwichtigheid in hoofdstuk 2). Daarnaast is er momenteel inde pensioensector nadere verduidelijking nodig over de vraag of hetwettelijk mogelijk is om de solidariteits- of risicodelingsreserve in te zettenvoor het kunnen aanvullen van pensioenuitkeringen die kort na detransitie lager zijn dan op het moment onmiddellijk voor de transitie. Hetpunt hierbij is dat de solidariteits- of risicodelingsreserve dan na transitiezal worden ingezet voor een gevolg van de (gemaakte keuzes bij) degehanteerde omrekenmethodiek bij invaren die leidt tot een lagerepensioenuitkering in vergelijking met de pensioenuitkering onmiddellijkvoorafgaand aan de transitie. In box 1 is verduidelijking over dezeuitvoeringsvraag opgenomen. Dit is besproken met DNB, de Pensioenfe-deratie en diverse sectorexperts.Box 1: Inzet reserve direct na transitieDe solidariteits- of risicodelingsreserve is een collectieve vermogens-reserve waarmee financiële mee- of tegenvallers kunnen wordengedeeld.9 Bij de totstandkoming van de Wtp is beoogd dat eenlagere pensioenuitkering van een pensioengerechtigde onmiddellijkna transitie in vergelijking met de pensioenuitkering onmiddellijkvoorafgaand aan de transitie (omzetting) ook wordt aangemerkt alseen financiële tegenvaller. Een dergelijke lagere pensioenuitkeringkan worden geschaard onder een financiële tegenvaller als bedoeldin de artikelen 10d en 10e Pensioenwet waarvoor de solidariteits- ofrisicodelingsreserve ingezet kán worden.9Artikel 1 Pensioenwet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6815 Het is een bevoegdheid van sociale partners dan wel pensioenfonds-besturen om doelstellingen voor de solidariteits- of risicodelingsre-serve te formuleren, passend bij het specifieke karakter van hetpensioenfonds en de deelnemerspopulatie. Pensioenfondsbesturenstellen regels vast die evenwichtig, onderling consistent en voorlangere tijd vastgelegd zijn. Het uitgangspunt van de regering is datpensioenfondsbesturen zelf in staat zijn om een solidariteits- ofrisicodelingsreserve voor hun specifieke situatie evenwichtig vorm tegeven, die meerwaarde biedt voor de deelnemers in hun pensioenre-geling. De evenwichtigheid van afspraken rond deze reserves wordtdoor het pensioenfonds beoordeeld en in de besluitvorming over dereserve op de voorgeschreven wijze onderbouwd.In de wet zijn meerdere instrumenten bruikbaar voor het opvangenvan lagere pensioenuitkeringen bij de transitie. Het is tijdens detransitie mogelijk om ook bij lage dekkingsgraden reeds ingeganepensioenuitkeringen te ontzien via het toekennen van extrapensioenvermogen om op die manier tot een evenwichtigetransitiebeslissing te komen. De mogelijkheid dat de reserve kanworden ingezet voor het opvangen van lagere uitkeringen onmid-dellijk na de transitie in vergelijking met de pensioenuitkeringonmiddellijk voorafgaand aan de transitie biedt een extrainstrument. Het is aan pensioenfondsbesturen om een evenwichtigeafweging te maken of de solidariteits- of risicodelingsreserve kanworden ingezet voor het opvangen van lagere uitkeringen, bijvoor-beeld onmiddellijk na de transitie.Uit bovenstaande toelichting volgt dat er geen wettelijke belem-mering is voor pensioenuitvoerders om direct na de transitie lagerepensioenuitkeringen te voorkomen via de solidariteitsreserve.Kaders bij inzet solidariteits- of risicodelingsreserveIn de wet zijn reeds kaders gesteld waar partijen bij het gebruik vande solidariteits- of risicodelingsreserve niet buiten mogen treden. Zomoet het vullen van de reserve bij transitie passend zijn binnen dekaders van de artikel 150n van de Pensioenwet. In de wet zijn ookreeds governance vereisten opgenomen rondom de evenwichtigetransitie (bijvoorbeeld transitie- en implementatieplan). Dezewettelijke kaders zijn ook van toepassing als de solidariteits- ofrisicodelingsreserve wordt gebruikt voor het opvangen van lagereuitkeringen, bijvoorbeeld onmiddellijk na de transitie.Ook stelt de pensioenuitvoerder regels vast voor doelstellingen vande solidariteits- of risicodelingsreserve en het vullen en uitdelen vande reserve. Deze regels zijn evenwichtig, transparant, onderlingconsistent en worden voor langere tijd vastgesteld.10 Ook moetendoor middel van de solidariteits- of risicodelingsreserve financiëlemee- of tegenvallers zodanig collectief gedeeld worden dat dezerisicodeling op voorhand leidt tot gemiddeld stabielere of hogeretoekomstige en al ingegane pensioenuitkeringen voor allegeneraties.11 Om die reden is het bijvoorbeeld niet toegestaan viadeze reserves een puur omslagelement in het nieuwe stelsel teintroduceren, waarbij naar verwachting sommige generaties alleenprofiteren van deze reserves en andere generaties alleen betalen aandeze reserves.1210Artikel 10d, vierde lid, Pensioenwet.11Kamerstuk 36 067, nr. 3.12Kamerstuk 36 067, nr. 11.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6816 Tot slot zal het bij lage dekkingsgraden kunnen voorkomen dat doorinzet van de reserve voor het op peil houden van pensioenuitke-ringen tijdens de transitie de reserve sneller leeg raakt ten opzichtevan een situatie waarin de pensioenuitkeringen tijdens de transitieniet op peil worden gehouden door de inzet van de reserve. Alsgevolg daarvan kan in een later stadium de kans en impact vanverlagingen toenemen. Pensioenfondsen dienen evenwichtig teinformeren over de regels en procedures die gelden ten aanzien vande solidariteits- en risicodelingsreserve. Daarmee hebbendeelnemers realistische verwachtingen over hun pensioen.... tevens is daarbij het lerend vermogen van de sector vancruciaal belang om de transitie tijdig af te ronden.Nu de eerste ervaringen zijn opgedaan, is het belangrijk dat hier lessen uitworden getrokken en deze lessen worden verspreid binnen de sector. Datgeldt niet alleen voor de pensioenuitvoerders maar ook voor de toezicht-houders. Via Werkenaanonspensioen.nl wordt regelmatig aanvullendeinformatie verspreid, zoals over de toepassing van eerbiedigendewerking, de werking van de beoogde dynamisering van de inleverdatumvan het implementatieplan en het opstellen van een communicatieplan.Daarnaast heeft in juni 2024 het tweede Werken aan ons pensioen congresplaatsgevonden, met opnieuw ongeveer 400 deelnemers uit de helepensioensector.Ook deze dag stond het uitwisselen van bruikbare inzichten en geleerdelessen centraal, zowel in het plenaire deel als in de 25 deelsessiesverzorgd door ervaringsdeskundigen. Op 12 maart 2025 volgt de derdeeditie van het congres.Het leren van ervaringen die eerder en/of door anderen zijn opgedaan,vormt zoals hiervoor aangegeven een belangrijke succesfactor om detransitie tijdig te realiseren. Bij het delen van ervaringen geldt dat deervaringen van de eerste pensioenfondsen die overstappen naar hetnieuwe stelsel en invaren belangrijke input vormen voor de groep die datlater in de tijd doet. In hoofdstuk 2 wordt nader ingegaan op deervaringen met de koplopersfondsen. Ook worden de ervaringen zoweldoor de pensioenfondsen, als door de toezichthouders gedeeld. Deregeringscommissaris merkt dit ook op, zij geeft aan dat beide toezicht-houders al voorzien in kennisdeling door het versturen van sectorbrieven,het publiceren van nadere uitwerkingen (Q&A’s) en door het organiserenvan rondetafelbijeenkomsten en webinars waar praktische kwestiesworden behandeld. Deze activiteiten worden gewaardeerd en zijn blijvendnodig. De eerste resultaten van deze activiteiten worden al waargenomen.Bij verzekeraars en PPI’s gebeurt het leren van elkaar en het delen vanbest practices met name binnen de koepelorganisatie het Verbond vanVerzekeraars. Dit is wel enigszins begrensd, omdat verzekeraars en PPI’stegelijkertijd met elkaar concurreren.Ervaringen met de koplopersfondsenDe motie Joseph (NSC) c.s. heeft de regering verzocht om een evaluatieuit te voeren van de pensioenfondsen die per 1 januari 2025 zijningevaren. Ik heb aangeven de motie te kunnen uitvoeren, door de eerstebeelden en geleerde lessen bij betrokken partijen uit te vragen. Daartoeheb ik de pensioenfondsen bij monde van de Pensioenfederatie gevraagdom de ervaringen en de geleerde lessen op te halen bij de koplopersgroep(zie bijlage 3 voor de brief van de Pensioenfederatie). Aan de toezicht-houders DNB en AFM heb ik ook gevraagd om de geleerde lessen uiteente zetten (zie bijlage 4 en bijlage 5). Hieronder worden de eerste geleerdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6817 lessen en aanbevelingen weergeven, zodat de pensioenfondsen die in2026 en 2027 gaan invaren deze kunnen gebruiken in hun eigen transitie-proces. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het om algemene lessengaat en vanwege de toezichtvertrouwelijkheid niet om individuelecasuïstiek. Dit zijn eerste geleerde lessen en ik ben voornemens om in dehierop volgende voortgangsrapportage halverwege 2025 nog een nadereevaluatie te sturen, waarbij ook meer betrokken partijen worden gevraagdhun ervaringen te delen.Algemeen beeldPer 1 januari 2025 hebben de eerste drie pensioenfondsen de stap gezetnaar het nieuwe pensioenstelsel: de nieuwe pensioenregeling is gestarten zij zijn ingevaren. Zowel DNB als de pensioenfondsen geven aan dat inhet afgelopen jaar uitdagingen aan de oppervlakte zijn gekomen, dievooraf niet volledig te voorspellen waren. Dat is inherent aan eenstelselwijziging van deze omvang, en vraagt om nauw contact tussen desector en de toezichthouders. Ook de AFM ziet dat pensioenuitvoerderseen uitdagende taak hebben, wat leidt tot voortschrijdende inzichten enleereffecten. Zowel de pensioenfondsen als de toezichthouders gebruikende ervaringen uit dit transitiejaar om lessen te trekken, om in de toekomsthet proces te vereenvoudigen en versnellen. Op dit punt noemt dePensioenfederatie een aantal stappen om te zetten in het transitieproces:goed te investeren in de stakeholders door bijvoorbeeld bijpraatsessies enkorte lijnen, goede afspraken te maken over rollen en verantwoordelijk-heden en transparant te zijn over de complexiteit van de operatie. Ookheeft het de koplopers geholpen om kennis op te halen bij anderepensioenfondsen en expertise en ervaringen te delen.Wettelijk kaderDNB concludeert dat het wet- en regelgevingskader een goede basis isgebleken voor de transitie, en dat op onderdelen is ingespeeld opgewenste verduidelijking met lagere regelgeving. De Pensioenfederatiegeeft aan dat de koplopers in de praktijk al eerder dan de inwerkingtredingvan de wet voortvarend zijn begonnen aan hun implementatietraject, endus moesten ontdekken welke eisen toezichthouders stelden aan depensioenfondsen bij de invulling van bepaalde open normen. Hierover issoms intensief overleg gevoerd tussen de sector, de toezichthouder enmijn ministerie. DNB heeft verduidelijking kunnen geven via het invaar-sjabloon, de partiële beoordeling en handvatten in de vorm van goodpractices, factsheets en Q&A’s. Dit leidde er wel toe dat de pensioen-fondsen die al verder in het proces waren hierdoor ook werk opnieuwhebben moeten doen. De Pensioenfederatie blijft graag in gesprek met detoezichthouders en mijn ministerie over een aantal onderdelen waaropnog nadere verduidelijking gewenst is.DNB constateert dat de benodigde aanpassing van IT-systemen eenomvangrijke klus blijkt. Dit was voor verschillende pensioenfondsen redenom hun invaarplanning bij te stellen. De koplopersfondsen geven vanuithun ervaring met dit proces de volgende lessen mee: houd een gedetail-leerd invaardraaiboek bij, voer meerdere proeftransities uit en borg deinzichten uit het Kader Datakwaliteit.13 DNB geeft aan dat de aangekon-digde wijziging van de transitiemijlpaal voor het implementatieplan voorpensioenfondsen die later dan 1 juli 2026 invaren partijen meer mogelijk-heden geeft om de transitiewerkzaamheden in de tijd te spreiden en teleren van eerdere ervaringen.13Kader datakwaliteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6818 Het afgelopen jaar heeft de AFM bewust gekozen om mee te kijken bij detotstandkoming van de transitieoverzichten, en in een vroegtijdig stadiumhaar observaties aan zowel individuele partijen als sectorbreed terug tekoppelen. Ook organiseert de AFM regelmatig rondetafelgesprekken,publiceert zij Q&A’s, inzichten in haar Transitiebulletin en op haar website.Hoewel deze publieke uitingen soms als verrassing zijn ervaren door desector, is dit voor de AFM een middel om de hele sector te bereiken omdathet onderhouden van een doorlopende accounttoezichtrelatie nietmogelijk is.EvenwichtigheidZowel DNB als de Pensioenfederatie zijn ingegaan op de ervaringenrondom evenwichtigheid en de uitdaging om deze robuust te onder-bouwen. Het beoordelingskader hiervoor was voor de pensioenfondsenop voorhand niet bekend. De eerste drie pensioenfondsen hebbenhierdoor na indiening van het implementatieplan nog veel aanvullendekwantitatieve analyses moeten uitvoeren voor de onderbouwing van deevenwichtigheid van de transitie en moeten afstemmen met socialepartners en pensioenfondsorganen. DNB, de Pensioenfederatie en mijnministerie werken op dit moment aan een stappenplan voor onder-bouwing van de evenwichtigheid van de transitie. Hierin worden deaandachtspunten van DNB voor de pensioenfondsbesturen meegenomen,zoals het expliciteren van de effecten voor deelnemersgroepen, definanciële effecten van de transitie, het expliciteren hoe deze financiëleeffecten aansluiten bij de door partijen beoogde doelen, zorgen dat hetbesluit robuust is voor wijziging van economische omstandigheden enzorgen voor grip op de bij de besluitvorming gehanteerde berekeningen.Dit stappenplan wordt binnenkort gepubliceerd en via diverse uitingen bijsectorpartijen onder de aandacht gebracht. Denk hierbij onder meer ookaan kennissessies.DeelnemerscommunicatieDe AFM ziet dat er op het gebied van deelnemerscommunicatie goedestappen worden gezet door de pensioensector en dat de ontwikkeling vandeelnemerscommunicatie in deze fase van de transitie hoger op deagenda lijkt te komen. Er zijn wel geleerde lessen, die zowel de pensioen-fondsen als de toezichthouder kunnen trekken. Allereerst ziet de AFM inde praktijk dat de verschillende informatiemomenten gezamenlijk nog nietaltijd een evenwichtig beeld scheppen en dat verschillende boodschappenniet één verhaal vertellen dat in samenhang begrijpelijk is voor dedeelnemer. De Pensioenfederatie constateert dat het geheel aan wettelijkeeisen ten aanzien van de transitiecommunicatie leidt tot een omvangrijkpakket aan informatie, vooral als de communicatie op papier plaatsvindt.Het is een uitdaging gebleken om de wettelijke verplichte communicatieen wenselijke communicatie, bijvoorbeeld de reguliere communicatie,goed op elkaar af te stemmen en te veel of (te) verschillendeboodschappen te voorkomen. Hierover is doorlopend overleg met deAFM.Ten tweede werken de pensioenfondsen, naar aanleiding van zorgen overeen mogelijk onrealistisch beeld van het toekomstig pensioen bijdeelnemers, met gelaagdheid in de communicatie en het geven van eenpersoonlijke toelichting bij de scenariobedragen. De AFM vraagt daarbijaandacht voor het toespitsen van informatie op de specifieke situatie vande deelnemer waarbij ook de actuele situatie van de deelnemer ismeegenomen (mede in relatie tot de peildatum).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 6819 Tot slot constateert de AFM dat in de praktijk sprake is geweest van (tevoorkomen) fouten in het prognose transitieoverzicht; de AFM verwachtdat de pensioenuitvoerder hierover transparant is richting haardeelnemers. Geadviseerd wordt om parallel aan het proces bij DNB eentermijn aan te houden waarbinnen zij voldoende tijd hebben om deelne-merscommunicatie goed in te richten en te controleren, en niet tewachten op de verklaring van geen bezwaar van DNB.BeoordelingsprocesDit jaar is het beoordelingsproces van DNB voor het eerst doorlopen. Er ishard gewerkt door alle betrokkenen om de invaardatum te kunnen halen:medewerkers, bestuur, adviseurs en uitvoerders van pensioenfondsen,leden van verantwoordings- of belanghebbendenorganen en de toezicht-houders. De Pensioenfederatie constateert dat de beschikbare capaciteitniet toereikend is om de processen in dezelfde intensiteit in 2025 en 2026op tijd tot een goed einde te brengen. DNB heeft aangegeven een aantalstappen te zetten om het proces soepel te laten verlopen. Allereerst zalDNB zo vroeg mogelijke focus op de meest relevante aspecten van debeoordeling leggen en daarbij communiceren over de belangrijkste doorhet pensioenfonds te zetten stappen. Onderdeel hiervan vormt hetvroegtijdig aangeven van aspecten die pensioenfondsen ook ná invarenkunnen adresseren. Om het beoordelingsproces voorspelbaarder entransparanter te maken communiceert DNB voortaan de verwachteresterende doorlooptijd van de beoordeling. De pensioenfondsenwaarderen dat DNB er blijk van geeft steeds ook kritisch naar de eigeninzet en processen te kijken en openstaat voor feedback over het stellenvan prioriteiten. Ook de pensioenfondsen zelf kunnen stappen zetten omhet proces soepel te laten verlopen, zo blijkt uit de ervaringen van dekoplopers. Belangrijk daarvoor zijn zorgen voor bestuurlijke betrokkenheid(beschikbaarheid en flexibiliteit), de uitingen van de toezichthoudersgebruiken als handvat, gebruik maken van de partiële beoordelingen enhet goed vastleggen van de (tussentijdse) besluitvorming.Ik roep de pensioenfondsen die in 2026 en 2027 gaan invaren op om vandeze lessen samen met de informatie op Werkenaanonspensioen.nl en deinformatie die door de toezichthouders wordt gedeeld om tot kennisdelingte komen, te gebruiken in hun eigen transitieproces. Daarnaast zie ik datde toezichthouders deze lessen gebruiken om hun werkwijze kunnenverbeteren. Ik moedig alle betrokken partijen dan ook aan om dat teblijven doen.Advies regeringscommissarisDe regeringscommissaris heeft op 14 januari jl. haar tweede reguliereadvies uitgebracht. Daarnaast heeft zij op 4 september 2024 een tussen-tijds advies uitgebracht, ten aanzien van het dynamiseren van deindieningsdatum voor implementatieplannen. In deze voortgangsrap-portage maak ik dankbaar gebruik van haar gedegen onderzoek en haargoede adviezen.De regeringscommissaris concludeert dat de transitie over het algemeengoed verloopt, maar veel vraagt van alle betrokkenen in de sector, zekernu de druk op het proces verder oploopt. Nu de transitie daadwerkelijkgerealiseerd wordt, komen diverse partijen voor uitdagende situaties testaan. Zij geeft aan dat dit voor een transitie van deze omvang encomplexiteit onvermijdelijk is. De regeringscommissaris constateert dat ervooralsnog geen aanleiding is om de uiterste transitiedatum verder teverschuiven. Om de transitie binnen de gestelde termijn te kunnen halen,geeft zij aan dat het belangrijk is dat de doorlooptijden van alle bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68110 transitie betrokken partijen worden verkort. Dit kan worden bereiktdoordat alle partijen leren van eerdere ervaringen in de sector. Inhoofdstuk 1 en 2 is hier nader op ingegaan.De eerste drie pensioenfondsen hebben bewezen dat het mogelijk is omover te gaan naar het nieuwe stelsel. De regeringscommissaris merktdaarbij op dat de doorlooptijd van het transitieproces relatief lang was, ende beoordeling van de implementatie- en communicatieplannen door detoezichthouders een intensief traject was tussen de pensioenfondsen ende toezichthouders. De doorlooptijd moet korter om de transitie naar hetnieuwe pensioenstelsel tijdig te kunnen maken.Ten aanzien van verzekerde regelingen roept de regeringscommissariswerkgevers en hun pensioenadviseurs op om tijdig in actie te komen.Want hoewel er nu nog tijd is, is het belangrijk te voorkomen dat er eenopstroopeffect ontstaat. Dit vergt inspanning en flexibiliteit van allebetrokken partijen. Ik onderschrijf het belang van spreiding van detransitiedatum voor regelingen uitgevoerd door een verzekeraar of PPI.Deze spreiding kan voorkomen dat straks veel regelingen tegelijk omgezetmoeten worden. Daarbij blijkt dat meerdere werkgevers met een aflopendcontract er niet voor kiezen om de afloopdatum van het bestaandecontract te gebruiken als transitiemoment naar het nieuwe stelsel. Inplaats daarvan kiezen ze er soms voor om het oude contract nog enkelejaren voort te zetten. Door het uitstel van het omzetten van het aflopendcontract is de kans groter dat er een opstroopeffect ontstaat.Ik onderschrijf het advies van de regeringscommissaris en blijf daarnaastmet (vertegenwoordigers van) sociale partners, pensioenfondsen,verzekeraars en PPI’s, pensioenuitvoeringsorganisaties, toezichthouders,koepelorganisaties en overige autoriteiten in gesprek over het verloop vande transitie, om te bezien waar ondersteunende acties geboden kunnenworden en om gevolg te geven aan de adviezen.Voortgang transitieDe transitiemonitor biedt inzicht in de voortgang van zowel de arbeids-voorwaardelijke fase als de onderbrenging en implementatie bij pensioen-uitvoerders. Daarnaast wordt inzichtelijk gemaakt wat in de verschillendefases de knelpunten en de succesfactoren zijn. Tevens biedt de transitie-monitor inzicht in de door partijen gemaakte keuzes. In het vervolg van dithoofdstuk sta ik stil bij de moties en de onderwerpen die in de debattenover de voortgang van de transitie aan bod zijn gekomen. Aangezien ersinds de vorige rapportage meer informatie beschikbaar is gekomen, zijnde cijfers geactualiseerd en zijn de beelden aangepast.Een rode draad die door de gehele transitie naar het nieuwe pensioen-stelsel loopt is de «evenwichtige belangenafweging». Dit betekent datzowel in de arbeidsvoorwaardelijke fase als in de implementatiefase debelangen van deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerdenevenwichtig worden afgewogen ten aanzien van ieder besluit dat in hetkader van de transitie plaatsvindt. Het betreft de transitie als geheel. In dewet zijn hiervoor verschillende collectieve waarborgen, waaronder hethoorrecht, opgenomen.Dit hoofdstuk gaat als eerste in op de arbeidsvoorwaardelijke fase(paragraaf 4.1). In paragraaf 4.2 komt de implementatiefase aan bod, waarhet zwaartepunt van de voortgangsrapportages langzaam naar zal gaanverschuiven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68111 Arbeidsvoorwaardelijke faseIn de transitieperiode worden de pensioenregelingen gewijzigd zodat zijpassen binnen het nieuwe wettelijke kader. In de arbeidsvoorwaardelijkefase van de transitie geven sociale partners of de werkgever enwerknemers de gewijzigde pensioenovereenkomsten vorm of wordt hetproduct dat binnen de wettelijke kaders van de Wtp past door verzeke-raars en PPI’s vormgegeven. In het transitieplan legt de werkgevers ofleggen de sociale partners de afspraken en overwegingen die hebbengeleid tot de gewijzigde pensioenregeling vast. Tevens wordt er in hettransitieplan verantwoording afgelegd over de evenwichtigheid van debesluitvorming.Indien de regeling wordt uitgevoerd door een verzekeraar of PPI danverloopt het proces anders. De mijlpaal voor het indienen van zowel hettransitieplan als het implementatieplan wordt 1 oktober 2027. Zij hebbendus langer de tijd voor de arbeidsvoorwaardelijke fase. Ik merk hierbij opdat dit geen reden is om achterover te leunen. Ik roep werkgevers die hunregeling hebben ondergebracht bij een verzekeraar of PPI op om in actiete komen. Ik zal daartoe met betrokken partijen, waaronder werkgevers,verzekeraars en financieel adviseurs, in overleg treden om te bezien hoede transitie verloopt en bespreken of en welke aanvullende inspanningennodig zijn. In figuur 2 is het verwachte verloop van de pensioentransitiebij verzekeraars en PPI’s gedurende de transitie inzichtelijk gemaakt. Bijhet vormgeven en de transitie van deze regelingen vervult de OR veelaleen belangrijke rol.In 2024 is geïnvesteerd in het vergroten van de kennis van ondernemings-raden over de pensioentransitie en hun rol in de transitie. De informatieop het platform Werkenaanonspensioen.nl is verder aangescherpt voordeze doelgroep. Daarnaast was mijn ministerie namens het informatie-platform aanwezig bij diverse bijeenkomsten voor ondernemingsraden,waar workshops zijn verzorgd en informatie is gedeeld. Verder zijn viaspecifieke kanalen advertenties geplaatst, artikelen geschreven enbijdragen geleverd aan themanummers over pensioenen om OR’en aan temoedigen actie te ondernemen en ze te verwijzen naar het informatie-platform voor meer informatie. In 2025 worden deze kanalen opnieuwingezet. Figuur 2: Ontwikkeling van de omzetting van contracten naar het nieuwe stelselgedurende de transitieperiode door verzekeraars en PPI’sBron: De Nederlandsche Bank, uitvraag gedaan door SZWTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68112 De sociale partners of werkgever (hierna; sociale partners) waarvan hunpensioenregeling wordt uitgevoerd door een pensioenfonds hadden tot1 januari 2025, de eerste mijlpaal in het transitieproces, de tijd om dearbeidsvoorwaardelijke fase af te ronden en een transitieplan op testellen. Veel pensioenfondsen en -kringen zijn nu druk bezig met hetbeoordelingsproces van de evenwichtigheid en de uitvoerbaarheid van degewijzigde regeling en de transitie daarnaar toe. Dit is een belangrijkonderdeel van de vervolgfase in de transitie; de implementatiefase(waarover meer in paragraaf 4.2).Wanneer besloten is over de gewijzigde regeling wordt een transitieplanopgesteld. Een deel van de betrokken partijen heeft deze transitieplannenook openbaar gemaakt. Op 30 november had EY inzicht in 61 transitie-plannen die nader geanalyseerd zijn. Alhoewel dit betekent dat er slechtsvan 34% van de pensioenfondsen een transitieplan openbaar heeftgemaakt, geven de geanalyseerde transitieplannen een goed beeld van detijdens de arbeidsvoorwaardelijke keuzes aangezien deze transitieplannengezamenlijk 94% van de actieve deelnemers, 92% van de slapers en 92%van de pensioengerechtigden betreft. Aangezien het beeld hiermee voorwat betreft de regelingen uitgevoerd door pensioenfondsen compleet is,zal deze fase in de hierna volgende voortgangsrapportages alleen nog aanbod komen indien er ontwikkelingen zijn die daar aanleiding toe geven. Indeze paragraaf wordt ingegaan op de arbeidsvoorwaardelijke afsprakendie sociale partners hebben gemaakt, bijvoorbeeld ten aanzien van hetpensioencontract, het ouderdomspensioen, het nabestaandenpensioen, ofer een verzoek tot invaren wordt gedaan en op welke wijze er compen-satie plaatsvindt en in hoeverre gebruik wordt gemaakt van eerbiedigendewerking.ContractkeuzeIn het nieuwe pensioenstelsel kunnen partijen kiezen uit een solidairepremieovereenkomst, een flexibele premieovereenkomst of een premie-uitkeringsovereenkomst. Uit de uitvraag van EY blijkt dat in circa 55% vande pensioenregelingen voor het solidaire contract en circa 45% kiest voorhet flexibele contract. Dit betreft zowel pensioenregelingen die door eenpensioenfonds/-kring worden uitgevoerd, als pensioenregelingen die bijeen verzekeraar of een PPI zijn ondergebracht. Uit de DNB Sectorbeelden,gericht op pensioenfondsen en -kringen, blijkt dat in 64% van de gevallengekozen wordt voor het solidaire contract, in 33% van de gevallen voorhet flexibele contract en in 3% voor beide.14, 15 Wanneer een uitsplitsingnaar soort pensioenfonds wordt gemaakt blijkt uit de transitieplannen datruim 90% van de BPF’en en 75% van OPF’en een solidaire regeling gaatuitvoeren. Hieruit valt op te maken dat de meeste deelnemers bij detransitie overgaan naar de solidaire premieregeling.Uit de geanalyseerde transitieplannen blijkt daarnaast dat de socialepartners in alle gevallen een reserve overeen zijn gekomen (solidariteits-reserve of risicodelingsreserve).16 De hoogte van deze reserves varieerttussen de 2% en 15%.17 De vulling van de reserve is bij 36 pensioen-fondsen (59%) afhankelijk van de dekkingsgraad bij transitie.Indien in het oude pensioenstelsel sprake is van een beschikbarepremieregeling met een leeftijdsafhankelijke staffel is het mogelijk om te14Terugkoppeling WTP-vragenlijst Q4-2024 (V6) sector en risicobeelden| DNB15Dit betreft uitsluitend regelingen die zijn ondergebracht bij pensioenfondsen/kringen16Voor verplichtgestelde bedrijfstakpensioenfondsen is het verplicht om een reserve op tenemen in de regeling.17EY, 14 januari 2025, Wtp transitiemonitor, winterrapportage 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68113 kiezen voor eerbiedigende werking. Hoewel deze regelingen veelalworden uitgevoerd door verzekeraars en PPI’s staat deze mogelijkheid ookopen voor partijen die hun pensioenregeling hebben ondergebracht bijeen pensioenfonds. Ten behoeve van de transitiemonitor gevenwerkgevers aan dat bij bestaande premieregelingen (met leeftijdsafhanke-lijke premies) in 80% van de gevallen gekozen is voor het toepassen vande eerbiedigende werking. Zoals ik heb toegezegd tijdens het debat metde vaste commissie van SZW van 21 november jl. is tevens nagegaan omte bezien voor hoeveel deelnemers dit geldt. Verzekeraars stellen dat ditnu in 39% van de totale portefeuille zo is. PPI’s hebben deze informatieniet verstrekt, maar herkennen dit beeld. Als redenen om te kiezen voor deeerbiedigende werking noemen partijen het vereenvoudigen van hetcompensatievraagstuk, het als geheel eenvoudiger maken van de transitieen kostenoverwegingen (de premielast stijgt nauwelijks).Doelen van de regelingIn de transitieplannen maken sociale partners ook afspraken over dedoelstelling(en) van de nieuwe pensioenregeling. De meeste transitie-plannen bevatten meer dan één doelstelling. Geen verlaging van deopgebouwde aanspraken tijdens de transitie, solidariteit en hetvoorkomen van fluctuaties van pensioen zijn de top 3 meest voorkomendedoelstellingen in de geanalyseerde transitieplannen.18 Verder worden hetbeperken van complexiteit en een succesvolle transitie ook vaakgenoemd. Minder vaak worden hogere pensioenopbouw, een fiscaalmaximale regeling en het bieden van meer keuzemogelijkhedengenoemd.Daarnaast wordt in 10 van de 61 transitieplannen het doel «reëleverhogingen» genoemd. Dit geeft aan dat sociale partners in de afwegingtussen nominale stabiliteit en meer perspectief op koopkracht stabiliteitzwaarder lijkt te wegen. Dit is gezien de overgang van een stelsel met veelbuffers en dus nominale stabiliteit naar een stelsel met een variabeleuitkering niet verrassend. Uit de cijfers kan niet geconcludeerd worden ofde aandacht voor inflatie minder is dan onder het oude pensioenstelsel.De doelstellingenmonitor zal ingaan op de vraag in hoeverre de driedoelstellingen die ten grondslag lagen aan de Wtp worden behaald,waaronder de doelstelling: eerder perspectief op een koopkrachtigpensioen. Naar verwachting zullen de eerste resultaten uit de doelstellin-genmonitor bij de vierde voortgangsrapportage (die begin 2026 zalverschijnen) worden gedeeld.Premiehoogte ouderdomspensioenAangezien de pensioentransitie niet tot doel heeft om de pensioenen teversoberen, is het daarnaast van belang om te bezien hoe de nieuwafgesproken premie zich verhoudt tot de premie die vóór de transitie isafgesproken. De transitiemonitor zet daartoe, op basis van de geanaly-seerde transitieplannen, de nieuwe premie af tegen het huidige premie-niveau (2024). En hoewel enige voorzichtigheid geboden is bij deinterpretatie van deze vergelijking, kan geconcludeerd worden dat innagenoeg alle gevallen de premie (nagenoeg) niet wijzigt ten opzichte vanhet oude stelsel. Daarnaast blijkt uit de transitiemonitor dat vakbondenaangeven dat de mediaan van de hoogte van de premie zich bevindtbinnen een bandbreedte van 25–30%. Financieel adviseurs noemen eenbandbreedte van 20–25% als mediaan.18EY, 14 januari 2025, Wtp transitiemonitor, winterrapportage 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68114 NabestaandenpensioenIn de transitiemonitor worden ook de afspraken rondom het nabestaan-denpensioen gemonitord, in opvolging van de motie van de leden Ceder(CU) en Stoffer (SGP)19. Werkgevers en vakbonden geven in de uitvraagaan dat in bijna alle gevallen het nabestaandenpensioen zowel in de oudeals in de nieuwe situatie onderdeel is van de pensioenregeling voor en nade pensioendatum. Financieel adviseurs, met name actief voor verzekerderegelingen, herkennen die waarneming voor de oude situatie, maarstellen wel dat dit in de nieuwe situatie slechts voor 67% van de gevallenafspraken zijn gemaakt over het nabestaandenpensioen. Daarbij dientopgemerkt te worden dat de reeds opgebouwde nabestaandenpensioen-aanspraken conform het overgangsrecht behouden blijven.Voor wat betreft de hoogte van het partnerpensioen bij overlijden vóórpensioendatum blijkt uit de geanalyseerde transitieplannen dat 56% vande gevallen een overlijdensdekking van minder dan 35% voorzien. In 44%van de transitieplannen is een dekking van meer dan 35% voorzien.Aanvullend op het nabestaandepensioen wordt bij 30 pensioenregelingen(50% van de geanalyseerde transitieplannen) gebruik gemaakt van eentijdelijk nabestaandenpensioen in de vorm van een vast bedrag per jaar.De hoogte van het tijdelijke nabestaandenpensioen varieert tussen€ 4.000 en € 25.000 per jaar, waarbij in de meeste gevallen gekozen isvoor een vast bedrag van € 5.000 per jaar. Er is verder onderzoek gedaannaar de mogelijkheid om de risicodekking vrijwillig voort te zetten doormiddel van uitruil. Sociale partners en financieel adviseurs geven aan datdit in de meeste gevallen mogelijk is. De gewezen deelnemer heeft demogelijkheid om de vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen voortte zetten na de standaard uitloopperiode, dan wel na afloop van deWW/ZW-periode, rekening houdend met de bestaande wettelijkebepalingen.CompensatieVoor pensioenregelingen bij pensioenfondsen/kringen blijkt uit degeanalyseerde transitieplannen dat in alle gevallen sprake is van eencompensatieregeling voor het afschaffen van de doorsneeopbouw, zij hetdat in 6 (10%) van de gevallen alleen gecompenseerd wordt bij eenminimaal gedefinieerde dekkingsgraad. Compensatie vindt in 92% van degevallen binnen de pensioenregeling plaats. De duur van de compensatie-regeling is in de meeste gevallen (75%) gelijk aan 10 jaar. Er zijn viermogelijke scenario’s voor het financieren van de compensatie binnen deregeling (de % geven aan in hoeveel procent van de regelingen daarvooris gekozen):1)alleen bij voldoende dekkingsgraad (15%);2)altijd gecompenseerd uit de dekkingsgraad (56%);3)altijd gecompenseerd uit premie (5%);4)bij voorkeur uit dekkingsgraad, anders uit premie (13%).Voor de overgebleven 11% van de pensioenfondsen is het nog onbekendhoe de financiering van de compensatieregeling zal plaatsvinden.20Daarnaast is uit de transitieplannen op te maken dat de compensatiere-geling niet altijd van toepassing is op alle deelnemers. In 47% van degevallen is de compensatieregeling voor een beperkt aantal leeftijdsco-horten beschikbaar. In algemene zin kan gesteld worden dat naarmate debetreffende leeftijdscohorten meer «nadeel ondervinden» hebben van het19Kamerstuk 36 067, nr. 158.20EY, 14 januari 2025, Wtp transitiemonitor, Winterrapportage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68115 afschaffen van de doorsneesystematiek zij vaker voor compensatie inaanmerking komen.Voor pensioenregelingen uitgevoerd door verzekeraars en PPI’s geldt,zoals in paragraaf 4.1.1 beschreven dat veelal voor eerbiedigende werkingwordt gekozen, omdat dit het compensatievraagstuk vereenvoudigd.Daarnaast blijkt uit de transitiemonitor dat werkgevers tot nu toe nietkiezen voor een compensatieregeling binnen de pensioenregeling.HoorrechtHet primaat voor arbeidsvoorwaarden ligt bij sociale partners. Dewerkgever en werknemer (of sociale partners op collectief niveau) komende wijziging van de pensioenovereenkomst overeen en besluiten of zij eenverzoek tot invaren doen. De belangen van alle (gewezen) deelnemers engepensioneerden zullen bij de transitie naar de nieuwe pensioenregelinggeborgd moeten worden. Binnen de bestaande governance zijn reedschecks and balances ingebouwd om een evenwichtige belangenafwegingte waarborgen. Het hoorrecht in de arbeidsvoorwaardelijke fase bijregelingen die worden uitgevoerd door een pensioenfonds/kring vormtéén van de aanvullende waarborgen tijdens de transitie.Uit de geanalyseerde transitieplannen is gebleken dat in 39 van de 61plannen (64%) is opgenomen dat verenigingen van gepensioneerdenrespectievelijk verenigingen van gewezen deelnemers zich hebbengemeld. Dat was voor het grootste deel het geval bij bedrijfstakpensioen-fondsen. Dat wil niet zeggen dat in de overige gevallen geen sprake isgeweest van het hoorrecht. In de overige transitieplannen is niet specifiekiets vermeld over een procedure, dit is ook niet wettelijk verplicht. Sindsde publicatie van de vorige rapportage leidt het hoorrecht vaker totaanpassingen.Nu de arbeidsvoorwaardelijke fase bij de sociale partners die hun regelinghebben ondergebracht bij de meeste pensioenfondsen is afgerond, blijktdat de deelnemers en/of hoorrechtverenigingen die het hoorrecht hebbenuitgeoefend wisselend tevreden zijn over de uitvoering van hethoorrecht.21 In hoofdlijnen komt dit overeen met het beeld dat deregeringscommissaris heeft gekregen in de gesprekken die zij afgelopenjaar met het veld heeft gevoerd. De motie Joseph (NSC) c.s. heeft deregering verzocht te verkennen hoe verenigingen van slapers en gepensi-oneerden blijvend betrokken kunnen worden bij de implementatie van degemaakte afspraken alsook daarna.22 In box 2 wordt hier nader opingegaan.Box 2: Hoorrecht in relatie tot de implementatiefase doorpensioenfondsenZoals ik in de verzamelbrief pensioenonderwerpen najaar 2024 hebaangegeven, is een goede invulling van het hoorrecht in het belangvan alle betrokken partijen. Het hoorrecht voor deze verenigingenlevert immers een positieve bijdrage aan de belangenafweging.Zowel in het arbeidsvoorwaardelijke proces als rondom deevenwichtigheidsbesluitvorming door het pensioenfonds. Het isdaarom van belang om de uitkomst van het hoorrecht te betrekkenbij de evenwichtigheidsbesluitvorming door het pensioenfonds. Inde implementatiefase neemt het pensioenfondsbestuur immers hetinvaarbesluit en daar zijn de waarborgen in de bestaande gover-21Kamerstuk 32 043 nr. 666.22Kamerstuk 32 043 nr. 672.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68116 nance rondom besluitvorming versterkt door de extra waarborgenvanuit de Wtp. Vanwege deze formele (en directe rol) heeft hetpensioenfondsbestuur er alle baat bij om ook informeel in gesprek teblijven met de bij het hoorrecht betrokken partijen. Tijdens derondetafelbijeenkomst over het hoorrecht, waar ik verschillende bijhet hoorrecht betrokken partijen heb gesproken, werd bevestigd datqua proces de (informele) rol van het pensioenfonds waardevol is bijde vormgeving en uitvoering van het hoorrecht. En juist in de fasenadat de arbeidsvoorwaardelijke fase is afgerond en het pensioen-fonds met betrokken partijen zowel formeel als informeel overlegt.Pensioenfondsen en hoorrechtverenigingen bevestigen de waardevan deze voortgezette contacten. Een formele, wettelijk vastgelegderol in het implementatieproces vind ik niet passend. Enerzijds geziende bestaande governance, waarbij bijvoorbeeld vertegenwoordigersvan gepensioneerden al reeds zitting hebben in het pensioenfonds-bestuur en in het verantwoordingsorgaan en anderzijds omdat ereen pakket aan collectieve waarborgen is opgenomen aansluitend bijieders rol en verantwoordelijkheid.Ook de regeringscommissaris onderschrijft in haar advies het belangvan het hoorrecht als onderdeel van de waarborgen voor eenevenwichtige transitie. Daarnaast schaart zij zich achter mijn eerdereadvies aan pensioenfondsen om de hoorrechtverenigingen tebetrekken in de vervolgstappen van het transitieproces, zeker in diegevallen waar het hoorrecht in de arbeidsvoorwaardelijke fase nietoptimaal is verlopen. Om hier in de praktijk handen en voeten aan tegeven, roep ik om te beginnen, via deze rapportage en via Werken-aanonspensioen.nl, pensioenfondsbesturen op die nog niet ingesprek zijn met de betreffende hoorrechtverenigingen om deze(informele) gesprekken alsnog te initiëren om daar hun voordeelmee te doen. Daarnaast ga ik in overleg met pensioenfondsen enouderenverenigingen om te verkennen hoe hoorrechtverenigingenna de arbeidsvoorwaardelijke fase betrokken kunnen worden bij deimplementatie van de gemaakte afspraken en hoe goede praktijk-voorbeelden onder de aandacht kunnen worden gebracht. Voor watbetreft de lange termijn zal in het onderzoek naar de governance nainvoering van het nieuwe pensioenstelsel specifiek worden ingegaanop de positie van gewezen deelnemers en gepensioneerden.TransitiecommissieSociale partners dan wel werkgever en werknemers vertegenwoordigddoor bijvoorbeeld vakbonden of de OR die hun regeling laten uitvoerendoor een pensioenfonds konden tot 1 juli 2024 voor een bindend adviesterecht bij de transitiecommissie. Indien de regeling wordt uitgevoerddoor een verzekeraar kunnen deze partijen tot 1 januari 2026 terecht bij detransitiecommissie voor bemiddeling en tot 1 januari 2027 voor bindendadvies.23In de periode vanaf de eerste voortgangsrapportage tot 1 december 2024zijn er geen nieuwe zaken voorgelegd aan de transitiecommissie. Hetaantal aan de transitiecommissie voorgelegde zaken is nog steeds drie.23Deze data zijn van toepassing vanaf het moment dat de uiterste transitiedatum is verlengd tot1 januari 2028.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68117 ImplementatiefaseNa de arbeidsvoorwaardelijke fase volgt de implementatiefase. 77% vande pensioenfondsen verwacht in te varen.24 Redenen om niet in te varenzijn bijvoorbeeld dat sociale partners van mening zijn dat invaren tot eenonevenwichtig nadeel zal leiden of omdat het pensioenfonds zal liqui-deren. In figuur 3 zijn de huidig voorgenomen invaardata van pensioen-fondsen weergegeven. Hierin is een verschuiving van de voorgenomeninvaardata van pensioenfondsen ten opzichte van de voorgaanderapportage te zien. Veruit de meeste pensioenfondsen (67) zijnvoornemens in te varen in 2026. En hoewel het aantal pensioenfondsendat in 2027 en 2028 in zal varen is toegenomen, naar respectievelijk 55 in2027 en 7 in 2028, wordt relatief weinig voor deze transitiedata gekozen. Inde woorden van de regeringscommissaris een verstandige keuze.Hierdoor blijft er ruimte voor eventuele verdere verschuiving van detransitiedatum bij niet-voorziene tegenvallers. 16% van de door DNBbevraagde pensioenfondsen verwacht in de komende 5 jaar te stoppen alszelfstandig pensioenfonds. 9% van de pensioenfondsen weet dit nog nietzeker. De meeste pensioenfondsen die liquideren verwachten dat of in2025 (31%) of in 2027 (35%) te doen.De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is een omvangrijke encomplexe transitie. Er komt veel werk op de sector af. De eerste pensioen-fondsen die al ingevaren zijn op 1 januari 2025 waren aan het pionieren.Gedurende de transitieperiode krijgen partijen in de sector beter zicht opwat nodig is voor een zorgvuldige transitie. De sector is zich bewust vanhet feit dat zij verantwoordelijk is voor een, integere, beheerste enzorgvuldige transitie. Om dit goed te kunnen borgen is er soms meer tijdnodig dan in een eerste planning werd verwacht. Als redenen voor uitstelvan de invaardatum zijn het goed afronden van het implementatieplan enhet goed inregelen van de IT zodat de regelingen correct kunnen wordenuitgevoerd, genoemd. Een andere reden voor uitstel van de invaardatumbij pensioenfondsen en -kringen zijn interpretatievragen over dewetgeving. Op basis hiervan en de gesprekken die ik met de pensioen-sector voer, valt op te maken dat de sector gebaat is bij stabiliteit en24Terugkoppeling WTP-vragenlijst Q4-2024 (V6) sector en risicobeelden | DNBFiguur 3: Invaardata PensioenfondsenBron: De Nederlandsche Bank11 Terugkoppeling WTP-vragenlijst Q4-2024 (V6) sector en risicobeelden | DNBTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68118 duidelijkheid over wet- en regelgeving. De regeringscommissarisbevestigt dit in haar advies.Pensioenfondsen kunnen gebruikmaken van een partiële beoordeling,waarbij een deel van het implementatieplan al door de toezichthouderbeoordeeld kan worden. Uit gegevens van DNB (zie bijlage 4) blijkt dat detoezichthouder heeft aangegeven dat er 63 partiële beoordelingen zijnontvangen, waarvan er inmiddels 28 zijn afgerond. Er lopen momenteel18 invaarmeldingen bij DNB. De komende periode verwacht DNB ruim10 meldingen per maand. En de eerste drie pensioenfondsen zijn per1 januari 2025 ingevaren.Datakwaliteit en ITEen belangrijk onderdeel van het goed kunnen uitvoeren van eenbeheerste en zorgvuldige transitie zijn goede datakwaliteit en IT. In hetimplementatieplan is er in het bijzonder aandacht voor datakwaliteittijdens en na de overstap op het nieuwe stelsel. Bovendien wordt ookaandacht gegeven aan de geschiktheid van het pensioenadministratie-systeem.Uit de DNB sectorbeelden Q4 2024 blijkt dat 46% van de gevraagdepensioenfondsen comfort heeft dat de uitvoeringsorganisatie in staat isom de transitie vanuit IT-perspectief tijdig en beheerst te laten verlopen.Nog eens 46% is daar neutraal over, en de overige 8% is het daarmeeoneens. Uit deze cijfers is op te maken dat net iets meer dan de helft vande pensioenfondsen aangeeft dat zij nog niet voldoende comfort hebbendat de PUO in staat zal zijn om de transitie vanuit IT-perspectief tijdig enbeheerst te laten verlopen. De meeste pensioenfondsen (94%) hebbeninmiddels afspraken gemaakt met een externe accountant of IT-auditorover de werkzaamheden en op te leveren rapportages ten aanzien van dedatakwaliteit. Daarnaast zijn de meeste pensioenfondsen (70%) ook methun vermogensbeheerder in gesprek over de implementatie van de Wtp.26Een pensioenbeheersysteem is het geheel van geautomatiseerdesystemen waarmee de nieuwe pensioenregeling wordt uitgevoerd,bestaande uit de rekenkern voor de rechtenadministratie, gerelateerdetoepassingen zoals incasso, excasso, ontsluiting van informatie aandeelnemers en koppelingen met het vermogensbeheer. Een groot deelvan de pensioenfondsen is afhankelijk van de pensioenuitvoeringsorgani-satie en/of de softwareleverancier voor de implementatie van het nieuwepensioenbeheersysteem. Vanwege de complexiteit van IT-processen en deschaarse capaciteit ontstaat druk op de tijdslijnen om de beoogdebeheerste transitie te waarborgen. Zoals eerder genoemd is dit eenbelangrijke reden waarom pensioenfondsen kunnen besluiten tot uitstelvan het invaarmoment.KostenEen grote stelselwijziging kan niet plaatsvinden zonder tijdelijk verhoogdeuitvoeringskosten. Dit is ook in de memorie van toelichting (MvT) van deWtp aangegeven.27 De MvT geeft aan dat pensioenfondsen verwachten inde jaren tot aan de implementatie van de wet jaarlijks (2022–2027)ongeveer € 200 miljoen extra kosten zullen hebben. In totaal betreft ditnaar verwachting ongeveer € 1 miljard aan extra uitvoeringskosten. In hetlicht van de doelstellingen van de wet is de geraamde kostenstijging uitde MvT aanvaardbaar. Een transitie zonder kosten is immers onmogelijk.26Terugkoppeling WTP-vragenlijst Q4-2024 (V6) sector en risicobeelden | DNB27Kamerstuk 36 067, nr. 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68119 In DNB-data is te zien dat de pensioenbeheerskosten met ruim 0,1 miljardstegen in de periode 2022–2023.28 Daaruit is op te maken dat de uitvoe-ringskosten inderdaad zijn gestegen, maar niet hoger zijn dan deverwachting uit de MvT. Daarbij dient opgemerkt te worden dat sinds hetmaken van die achterliggende berekeningen er sprake is geweest van(forse) inflatie, onder andere op lonen en diensten zoalsIT-dienstverlening. Daarnaast betreft de transitie een eenmalige overstapwaarbij kwaliteit van belang is om tot robuuste besluitvorming te komenen ervoor te zorgen dat de administratie op orde is en blijft. Extrainspanningen aan de voorkant van de transitie mitigeren de kans op hetachteraf moeten corrigeren, wat kostenrisico’s met zich meebrengt.Bovendien is het niet altijd makkelijk een onderscheid te maken tussenkosten die gerelateerd zijn aan de transitie in het kader van de Wtp, enkosten voor vernieuwing en onderhoud aan de uitvoering die er ookzonder de transitie waren geweest. In de praktijk zie ik dat de transitie ookwordt aangegrepen om achterstallig onderhoud uit te voeren. Zo grijpenpensioenuitvoerders de transitie bijvoorbeeld aan om de administratiesys-temen te vernieuwen of de datakwaliteit te verbeteren. Deze (incidentele)kosten worden nu gemaakt in samenhang met de transitie, maar warenook zonder transitie een keer gekomen. Beide ontwikkelingen verklareneen deel van de kostenstijgingen.Ook de transitiemonitor biedt inzicht in de transitiekosten.29 Naasttransitiekosten geeft het ook een beeld van de structurele kosten van desituatie ná de transitie. Dat betreft vooralsnog verwachtingen. Rondomdeze verwachtingen zijn er grote verschillen. 41% van ondervraagden bijeen bijeenkomst tussen pensioenfondsen en PUO’s, gaf aan dat zijverwachten dat de incidentele transitiekosten hoger uitvallen dangebudgetteerd, maar de structurele kosten lager. Daarnaast zijn erpensioenfondsen die aangeven te verwachten dat zowel de incidentele alsde structurele kosten na transitie hoger zullen zijn (43%). Zij geven aan datde structurele kosten hoger zullen zijn door additionele werkzaamhedenonder andere als gevolg van de toegenomen complexiteit van het nieuwestelsel, keuzebegeleiding en deelnemerscommunicatie. In algemene zinzijn de kosten daarmee ook afhankelijk van keuzes die sociale partnersmaken in de dienstverlening die ze van het pensioenfonds verwachten.Een ophoging van de uitvoeringskosten kan daarmee uitlegbaar zijn alshet door de sociale partners gewenste serviceniveau van bijvoorbeeld dekeuzebegeleiding voor deelnemers wordt uitgebreid. Kortom, er bestaatnog geen eenduidig beeld of de kosten van en na de transitie hoger zijndan verwacht.Dat neemt niet weg dat het belangrijk is dat pensioenuitvoerders kritischkijken naar de kosten die worden gemaakt en daar transparant over zijn.Zo kijken de pensioenuitvoerders zelf kritisch naar hun eigen kosten in hetkader van een beheerste en integere bedrijfsvoering. Pensioenfondsenmoeten in het bestuursverslag verantwoording afleggen over deuitvoeringskosten en deze kosten kritisch evalueren en waar mogelijkverbeteringen doorvoeren. Ook de AFM heeft pensioenfondsen daartoeopgeroepen. Belangrijk om op te merken is dat niet ieder pensioenfondsin het jaarverslag onderscheid maakt tussen structurele uitvoeringskosten,en kosten die specifiek gerelateerd zijn aan de transitie. Dat is wettelijkook niet verplicht, maar dat neemt niet weg dat het daardoor lastig is tebeoordelen of de gemaakte kosten incidenteel zijn van aard, dus gerela-teerd aan de transitie naar het nieuwe stelsel, of ook kosten voorachterstallig onderhoud bevatten. Beide toezichthouders houden hier28Ter illustratie: De totale uitvoeringskosten zijn jaarlijks in de orde van 0,1% van het totalepensioenvermogen van pensioenfondsen.29EY, 14 januari 2025, Wtp transitiemonitor, Winterrapportage 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68120 ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid toezicht op. DNB houdttoezicht op de beheerste en integere bedrijfsvoering, de AFM houdttoezicht op de transparantie en informatievoorziening aan deelnemers vanpensioenuitvoerders met betrekking tot kosten. Zij zijn van mening dattransparantie op dit onderwerp het vertrouwen in de sector als geheel tengoede komt. Daarnaast zorgt een goede verantwoording ervoor dat dediscussie op het juiste niveau gevoerd wordt: niet alleen over de hoogtevan de kosten, maar juist ook over de hoogte van de kosten in relatie totwat de deelnemer hiervoor terugkrijgt. Pensioenuitvoerders dienen dedeelnemers via het UPO jaarlijks informatie te verstrekken over deingehouden kosten.Vertrouwen van de deelnemerDe basis van ons pensioenstelsel en de manier waarop de bestaansze-kerheid van ouderen in dit land wordt veiliggesteld is stevig. Dat is zo, datwas zo en dat blijft zo. Het nieuwe pensioenstelsel heeft dan ook als doelom een koopkrachtiger, transparanter pensioen te realiseren, dat beteraansluit bij de moderne arbeidsmarkt, om zo het vertrouwen vandeelnemers in het pensioenstelsel te vergroten. Daarnaast is het doel dathet pensioen voor de deelnemer transparanter en persoonlijker wordt. Zokrijgen deelnemers meer inzicht in hun eigen pensioen en in hunpersoonlijke, voor de uitkering gereserveerde, pensioenvermogen.Pensioenuitvoerders zijn hierop voorbereid. Zo kunnen (gewezen)deelnemers en gepensioneerden bijvoorbeeld bij vragen contactopnemen met het klantencontactcentrum van hun pensioenuitvoerder. Datneemt niet weg dat de Wtp ook tot enige onrust leidt onder sommigeburgers en belangenorganisaties. Zij hebben mij de afgelopen periodebenaderd met hun vragen en zorgen over het nieuwe pensioenstelsel.Naast de informatie die (gewezen) deelnemers en gepensioneerden viahun pensioenuitvoerder ontvangen, informeert SZW samen met allestakeholders binnen de pensioensector het grote publiek over devernieuwing van het pensioenstelsel (paragraaf 4.1). Daarbij is hetbelangrijk om goed inzicht te hebben in het draagvlak voor het stelsel. Ditdraagvlak wordt gedefinieerd als vertrouwen: vertrouwen in hoe pensioengeregeld is in Nederland, vertrouwen in de organisaties die dat geregeldhebben en het gevoel dat het zorgvuldig en eerlijk gaat (paragraaf 4.2).Daarnaast voert Netspar gedurende de transitieperiode een deelnemers-monitor uit, zoals uiteengezet in de voorgaande voortgangsrapportagemonitoring Wtp.30 Aanvullend heb ik eind 2024 een aantal focusgroepengeorganiseerd. Het onderzoek wordt met deze voortgangsrapportage aanuw Kamer aangeboden (bijlage 6) en in paragraaf 4.3 vindt u de kabinets-reactie hierop. Zoals toegezegd wordt het aantal geschillen en rechtszakengemonitord, de stand van zaken is in paragraaf 4.4 weergeven. In devoorgaande rapportage is ook ingegaan op de cijfers van de NationaleEnquête Arbeidsomstandigheden (NEA). Deze cijfers worden jaarlijks inhet tweede kwartaal gepubliceerd en zullen dus in de volgende voort-gangsrapportage weer worden meegenomen.PubliekscampagneMet de inwerkingtreding van de Wtp in 2023 is ook de publiekscommuni-catie gestart, met als doel om in de periode tot en met 2027 de kennisover pensioen en de nieuwe regels te vergroten bij personen van 18 jaaren ouder. Sociale partners en pensioenuitvoerders zijn betrokkengedurende deze periode in alle fases. In samenwerking met deze partijenis een communicatiestrategie en campagne ontwikkeld. Deze wordt30Kamerstuk 32 043, nr. 653.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68121 uitgedragen via betaalde media en de eigen kanalen van SZW, socialepartners en pensioenuitvoerders. Op basis van de resultaten worden devervolgstappen gezamenlijk bepaald. De website pensioenduidelijkheid.nlis de centrale plek voor informatie en de wegwijzer naar meer persoon-lijke informatie.In november en december 2024 is gecommuniceerd over de nieuwepensioenregels naar het brede Nederlandse publiek. Er wordt bij dezecommunicatie onderscheid gemaakt tussen vier leeftijdssegmenten(18–35, 36–55, 55+, 67+/gepensioneerden) met voor elke groep eengerichte boodschap. Deze sluit aan bij de belangrijkste vraag die binnenhet segment leeft.Daarnaast is ook in deze fase de rol van de deelnemerscommunicatievanuit de pensioenuitvoerders van belang. Een grote landelijke aankon-diging van de nieuwe regels voor pensioen kan niet zonder opvolgingvanuit de pensioenuitvoerders richting de deelnemers. Landelijk ligt defocus primair op uitleg van het (algemene) proces van transitie. Voor meerinformatie wordt in iedere uiting doorverwezen naar pensioenduidelijk-heid.nl. Gedurende deze campagneperiode zijn radio, online advertisingen print uitingen ingezet. De impact van deze campagne op de kennis enhouding van burgers wordt geëvalueerd via een campagne-effectonderzoek. De resultaten hiervan zijn in het voorjaar bekend.PublieksmonitorSinds februari 2022 wordt ieder kwartaal een meting gedaan in het kadervan de Publieksmonitor Vertrouwen Pensioenstelsel.31 De publieksmo-nitor pensioenen heeft als doel om doorlopend het vertrouwen van deNederlandse bevolking in het pensioenstelsel inzichtelijk te maken.Primair ligt hierbij de nadruk op het meten van vertrouwen in het stelselen de partijen daarachter. Secundair ligt de nadruk op het meten vanbasiskennis over en het gedrag ten aanzien van pensioenen. De publieks-monitor pensioenen geeft aanknopingspunten om de communicatierondom de stelselwijziging richting alle burgers te verbeteren.De publieksmonitor pensioenen (bijlage 6), laat in het najaar van 2024 eenlicht stijgende trend zien van het vertrouwen ten aanzien van hetpensioenstelsel, die stabiliseert in Q4. De score in Q4 2024 is met 5,9neutraal te noemen; in Q3 was deze 6,0.32 Gepensioneerden en financieelhooggeletterden hebben een bovengemiddeld vertrouwen in hetpensioenstelsel. Twee derde van de Nederlanders is inmiddels bekendmet het nieuwe pensioenstelsel. Daarbij is het nieuws de belangrijkstebron, gevolgd door berichten van het eigen pensioenfonds of verzekeraar.De kennis over basiskenmerken van het pensioen ligt stabiel op een hoogniveau.FocusgroepenIn aanvulling op het algemene beeld uit de Publieksmonitor pensioenenheeft onderzoeksbureau Ruigrok in opdracht van SZW kwalitatiefonderzoek uitgevoerd naar vertrouwen in het pensioen door middel vaneen aantal focusgroepen. Het onderzoek onder pensioendeelnemers enwerkgevers die pensioen aanbieden, geeft inzichten in vertrouwen datmensen hebben in pensioen in de brede zin; het stelsel, het eigen31Publieksmonitor Vertrouwen Pensioenstelsel32De vertrouwensscore wordt gemeten op een schaal 1–10, daarbij is: <4 = weinig vertrouwen;4–7 = neutraal; >7 = veel vertrouwen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68122 pensioen en communicatie daarover.33 Omdat het gebaseerd is opgesprekken met circa dertig respondenten is het niet mogelijk uitsprakente doen die representatief zijn voor groepen deelnemers of werkgevers.Wel vormen deze gesprekken een belangrijke bron om nadere duiding tegeven bij andere onderzoeken zoals de publieksmonitor en bij de verderebeleidsontwikkeling.Op basis van het rapport ontstaat een beeld hoe mensen pensioenervaren. Dit beeld sluit aan bij de bevindingen van de publieksmonitor. Uitde gesprekken blijkt dat werknemers erop vertrouwen dat ze in detoekomst pensioen ontvangen, maar twijfels hebben of het voldoende zalzijn. Gebrek aan kennis over het pensioenstelsel maakt dat werknemershun vertrouwen (of wantrouwen) in pensioen baseren op aannames engevoel in plaats van op feiten. Het huidige maatschappelijke tijdsbeeldmaakt dat werknemers met onzekerheid naar de toekomst kijken en naarpensioen. Ook de veranderingen in het pensioenstelsel en dat dat in hetnieuws is, geven werknemers het gevoel dat pensioen onstabiel is en inde toekomst ook weer kan veranderen. Dit gaat ook over de AOW-leeftijd.De werknemers geven in de gevoerde gesprekken aan regelmatig eengebrek aan inzicht te ervaren in de eigen pensioenopbouw. Tegelijkertijdvoelen ze te weinig urgentie en veel drempels om zich te verdiepen in hunpensioen. Maar als werknemers zich er wel in verdiepen, dan blijkt deinformatie niet zo ingewikkeld als gedacht. Ook ervaringsverhalen uit deomgeving en/of media zorgen voor bepaalde verwachtingen over heteigen pensioen en kunnen het vertrouwen positief of negatiefbeïnvloeden. De manier van communiceren en bekendheid met depensioenuitvoerder hebben invloed op het vertrouwen van werknemers inhun pensioen.Werknemers zijn vooral op zoek naar informatie over de huidige waardeen de verwachte hoogte van het pensioen. Dit maakt het eigen pensioentastbaarder en draagt daarom bij aan het vertrouwen. Werknemershebben behoefte aan inzicht in hun complete toekomstige financiëlesituatie om te bepalen of hun (pensioen)inkomen dan toereikend zal zijn.Een totaaloverzicht op mijnpensioenoverzicht.nl (MPO) lijkt meervertrouwen te geven dan het zien van één pensioen op het UPO of in deMijn-omgeving van de pensioenuitvoerder. Het overzicht op het MPO isnamelijk netto per maand, volledig (van verschillende werkgevers eninclusief AOW) en duidelijk door visuele informatie.Werkgevers die het belangrijk vinden om pensioen aan te bieden, zien ditals hun zorgplicht en als uiting van goed werkgeverschap. Dit blijkt uit degevoerde gesprekken. Terwijl het gevoel heerst dat pensioen in Nederlandin de basis goed geregeld is, ervaren deze werkgevers enige onzekerheidover de houdbaarheid van de eigen pensioenregeling in de toekomst. Dewerkgevers vinden het informeren van werknemers over de pensioenre-geling belangrijk. Het verschilt hoe(veel) deze werkgevers werknemersinformeren. Daarbij zit de uitdaging niet alleen in het informeren, maar(juist) ook in het betrekken van werknemers.Klachten- & geschillencommissies en Raad voor de RechtspraakMet de Wtp is de afhandeling van klachten en geschillenbeslechtingversterkt en geïnstitutionaliseerd. Geschillenbeslechting komt in depraktijk pas aan bod, nadat een individu zijn of haar ontevredenheid heeftgeuit bij de pensioenuitvoerder zelf. Er is dan sprake van een «klacht».Pensioenuitvoerders zijn zelf verantwoordelijk voor het inrichten van de33Ruigrok, Vertrouwen in Pensioen (2025).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68123 (interne) klachtenprocedure. Mocht een individu niet verder komen bij depensioenuitvoerder, dan bestaat de mogelijkheid een geschil aanhangig temaken bij één van de twee geschillencommissies of bij de rechter.34Het verstevigen van de interne klachtenprocedure en de externe geschil-leninstanties hebben tot doel om de extra belasting van het civielerechtspraaksysteem zoveel als mogelijk te voorkomen. Om vinger aan depols te houden, monitor ik zowel de geschillen die worden voorgelegdaan de geschilleninstanties als de (eventuele) druk op de rechtspraak. Intabel 1 is het aantal, de aard en de soort procedure (bemiddeling/beslechting) over 2024 weergeven.35Tabel 1: Overzicht zaken bij geschilleninstantiesGeschilleninstantieKifidGIPPeriode1 jan – 30 mei 20241 juni – 30 nov 20241 jan – 30 nov 2024Aantal geschillen53343931Aard van de geschillenLifecyclePensioenberekeningIndexatieWet- en regelgeving (algemeen)Informatie-verstrekkingInformatie-verstrekkingPercentage bemiddeling40%47%85%Percentage beslechting – direct7,50%26%15%Percentage beslechting – na bemiddelingn.v.t.n.v.t.26%Percentage bindend/niet-bindendn.v.t.n.v.t.50%/50%Doorlooptijden (in werkdagen)onbekendonbekend431 inclusief circa 40 geschillen overloop vanuit de Ombudsman Pensioenen uit 2023 Bij de tabel merk ik op dat deze geschillen betrekking hebben op debestaande regeling. Zo lopen er in 2024 nog circa 40 geschillen uit 2023,afkomstig vanuit de Ombudsman Pensioenen (hierna: OMP). Ook is op temerken dat in de eerste drie kwartalen weinig tot geen vragen in relatietot de Wtp zijn gesteld aan de GIP. In het vierde kwartaal van 2024 beginthet aantal vragen over de Wtp wel op gang te komen. De GIP constateertdat met name de laatste tijd het weleens voorkomt dat er telefonischvragen/opmerkingen binnenkomen over de transitie naar het nieuwestelsel. De GIP ziet daarnaast een stijging ten opzichte van de situatie bijde OMP. Het totaal aantal contactmomenten (vragen en geschillen inbehandeling) ligt hoger. Dezelfde tendens is waarneembaar bij Kifid. Kifidheeft op dit moment nog geen specifieke klachten ontvangen over detransitie in het kader van de Wtp. Verzekeraars hebben echter al decen-nialang premieregelingen in hun portefeuille, zodat de komst van de Wtpvooralsnog niet tot een nieuwe of extra klachtenstroom heeft geleid. Welvalt het op dat de laatste jaren het aantal pensioenklachten bij Kifid lichttoeneemt en dat de overgrote meerderheid van die dossiers betrekkingheeft op onduidelijkheid bij de deelnemer over de werking van dezepremieregelingen. Bij Kifid was in 2023 de instroom van pensioenklachten70. In 2024 was de instroom van pensioenklachten gestegen naar 90.34De geschilleninstantie voor deelnemers met een regeling die wordt uitgevoerd door eenpensioenfonds is de GIP en indien de regeling wordt uitgevoerd door een verzekeraar is datKifid.35Voor de monitoring Wet toekomst pensioenen ontvangt SZW van zowel GIP als Kifid tweemaalkeer per jaar een overzicht met daarin de aantallen, percentages en ontwikkelingen tenaanzien van de geschillen over de betreffende periode.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68124 Om te bezien hoe het staat met de (eventuele) druk op de rechtspraak,wordt per kwartaal gemeten hoeveel gewone zaken (bodemprocedure) enhoeveel voorlopige voorzieningen (kort geding) er zijn. Uit de eerstecijfers blijkt dat zowel het aantal gewone zaken als het aantal voorlopigevoorzieningen de afgelopen vier kwartaalmetingen in alle gevallen kleinerdan 10 zaken is. Dat geldt eveneens voor de instroom van hoger beroeps-zaken bij Gerechtshoven. Zo is er in het vierde kwartaal van 2024 door eengepensioneerde deelnemer een kort geding aangespannen over hetinvaren door het Beroepspensioenfonds Loodsen. De vordering van dezegepensioneerde deelnemer om twee maanden uitstel te krijgen voor hetinvaren, is afgewezen. Op het moment dat het aantal juridische proce-dures toeneemt, vindt aanvullend een enquête onder een aantal rechtersen gerechtsjuristen plaats om inzicht te krijgen in de werklast van de«nieuwe» pensioenzaken. Daar is nu geen aanleiding voor.Naast inzicht in de belasting van het civiele rechtspraaksysteem kunnenlopende en afgehandelde geschillen lessen bevatten voor zowel de sectorals de wetgever. Op deze manier wordt ervoor gezorgd dat het behan-delen van geschillen in de toekomst een kwaliteitsslag kent, wat hetvertrouwen in de rechtsbescherming en de rechtszekerheid ten goedekomt. Ik ben dan ook voornemens om met de geschilleninstanties en desector te evalueren wat er in algemene zin geleerd kan worden van debevindingen.Stand van zaken (voorgenomen) wet- en regelgevingDeze voortgangrapportage en het advies van de regeringscommissarisgeven geen aanleiding tot aanvullende maatregelen of een verdereverlenging van de uiterste transitiedatum. In de vervolgwetgeving wordtom die reden alleen invulling gegeven aan de toezeggingen aan de EersteKamer, waaronder de eerder toegezegde aanpassing van de uiterstetransitiedatum van 1 januari 2027 naar 1 januari 2028, en het dynamiserenvan de uiterste datum voor het indienen van het implementatieplan.Hieronder wordt de stand van zaken weergegeven van de tweewetsvoorstellen.Wetsvoorstel verlenging van de transitieperiode naar het nieuwepensioenstelselDeze wet regelt dat de transitiedata uit de Wtp worden overgeheveld naareen AMvB. Dit wetsvoorstel komt voort uit een toezegging gedaan doormijn ambtsvoorganger aan de Eerste Kamer. In die toezegging is tevenstoegezegd de transitieperiode met één jaar te verlengen, tot 1 januari2028. Deze verlenging wordt geregeld in het besluit transitietermijnen,waar de transitiedata naar overgeheveld worden met het wetsvoorstel.Het overhevelen van de transitiedata naar een besluit heeft als voordeeldat het in de toekomst eenvoudiger is om de mijlpalen van de transitie,indien dat voor de uitvoering nodig is en er geen alternatieven zijn, teverlengen. Dit is geen beslissing die lichtvaardig genomen moet worden.Het besluit waarin de transitie met een jaar wordt verlengd, is op20 december 2024 met de Tweede Kamer gedeeld (kamerstuk 36 578,nr. 7). In dit besluit wordt ook de tussenliggende mijlpaal van 1 juli 2025gedynamiseerd in navolging van het tussentijds advies van de regerings-commissaris. Dankzij deze maatregel wordt de termijn tussen hetindieningsmoment van het implementatieplan en het daadwerkelijkeinvaren verkort, kunnen de werkzaamheden die gepaard gaan met depensioentransitie beter worden gespreid in de tijd, en wordt ook hetlerend vermogen in de sector gestimuleerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68125 Wetsvoorstel toezeggingen pensioenonderwerpenDit wetsvoorstel geeft uitvoering aan de tijdens de behandeling van deWtp gedane toezeggingen aan de Eerste Kamer. Uw Kamer is hier eerderover geïnformeerd in de verzamelbrief pensioenonderwerpen.37 Er istoegezegd de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen mogelijk temaken en het kindbegrip te uniformeren. In het wetsvoorstel wordt ookeen verruiming van het overgangsrecht voor premievrije voortzetting vanpensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid, voor zowel geslotenpensioenfondsen als verzekeraars geregeld. Als laatste bevat hetwetsvoorstel enkele technische aanpassingen en verduidelijkingen vanwetsartikelen. Voor de zomer van 2025 zal dit wetsvoorstel met uw Kamerworden gedeeld.AfsluitendEr is de afgelopen tijd door alle betrokken partijen hard gewerkt om detransitie naar het nieuwe pensioenstelsel op beheerste wijze met oog voorhet belang van de deelnemers te realiseren. De transitie is op stoom envordert gestaag. De eerste pensioenfondsen zijn per 1 januari ingevaren inhet nieuwe stelsel en de verzekeraars/PPI’s voeren inmiddels verschillenderegelingen uit passend binnen het nieuwe pensioenstelsel. Tegelijkertijd iser nog veel werk aan de winkel en is het nu zaak om door te pakken metoog voor zorgvuldigheid. Een grote stelseltransitie zoals deze pensioen-transitie kost immers tijd, daarmee is rekening gehouden in de transitiepe-riode. Met de toezegging aan de Eerste Kamer hebben partijen tot1 januari 2028 de tijd om deze overstap te maken. Tevens is hetvoornemen om de tussenliggende mijlpaal voor het indienen van hetimplementatieplan te dynamiseren, zodat partijen in de sector meer tijden ruimte krijgen voor de transitie. In aansluiting op het advies van deregeringscommissaris roep ik alle partijen op te leren van eerdereervaringen, zodat doorlooptijden kunnen worden verkort. Daarbij is hetbelangrijk dat het transitieproces zorgvuldig wordt doorlopen en wordtbewaakt dat alle relevante partijen, zoals de hoorrechtverenigingen,worden betrokken.Ik volg de transitie conform het plan van aanpak monitoring.38 Om een zocompleet mogelijk beeld te krijgen van de voortgang van de transitie eneventuele knelpunten zo snel mogelijk kunnen worden weggenomen, ishet van belang dat partijen meewerken aan de verschillende monitoren enhun ervaringen via de verschillende gremia blijven delen.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van Hijum37Kamerstuk 32 043, nr. 666.38Kamerstuk 36 067, nr. 191.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68126 Motie- & toezeggingen overzicht – VoortgangsrapportageMonitoring Wtp – winter 2025MotieNaamStand van zaken36 067, nr. 118Motie van het lid Smals over gedurende de transitieperiodemonitoren of pensioenfondsen een carve-out nodig hebben inverband met een evenwichtige belangenafweging.In uitvoering36 067, nr. 127Motie van de leden Van Beukering-Huijbregts en Den Haan overdeelnemers onafhankelijk informeren over het invaren van hunpensioen en over de plaats waar zij terechtkunnen met klachtenUitgevoerd36 067, nr. 148Motie van de leden Palland en Ceder over bij de monitoring derandvoorwaarden meenemen die zijn opgenomen in hetpensioenakkoord.In uitvoering36 067, nr. 158Motie van de leden Ceder en Stoffer over de nieuwe vormge-ving van het nabestaandenpensioen zo snel mogelijk evaluerenen monitoren.In uitvoering36 067, nr. 163Motie van het lid Stoffer c.s. over het regelmatig uitvoeren vaninvoeringstoetsen na inwerkingtreding van de Wtp.In uitvoering36 067, nr. 166Motie Maatoug c.s. over een uitvoeringsmonitor over dearbeidsvoorwaardelijke afspraken en in 2026 bezien of hetinvaren op tijd en verantwoord kan worden ingevoerd.In uitvoering36 067, nr. 177Motie van de leden Smals en Stoffer over het monitoren vanafspraken over compensatie en de obstakels die socialepartners ondervinden om deze te realiseren.In uitvoering32 043, nr. 639Motie Joseph en Vermeer over onafhankelijk laten onderzoekenof het hoorrecht in de praktijk voldoet aan de wensen van dedeelnemers en juridisch voldoet.Uitgevoerd32 043, nr. 650Motie Inge van Dijk over een quickscan naar hoe het hoorrechttot nu toe wordt ingevuld bij verschillende pensioenfondsen.Uitgevoerd32 043, nr. 672Motie Joseph c.s. over verkennen hoe verenigingen van slapersen gepensioneerden blijvend betrokken kunnen worden bij deimplementatie van de transitieplannenIn uitvoering32 043, nr. 674Motie Joseph c.s. over een evaluatie van het invaren van deeerste drie pensioenfondsenIn uitvoering ToezeggingNaamT03630Kamer periodiek informeren over voortgang transitie.In uitvoeringTZ202411-092In de monitoring van de transitie ook de compensatie bijpensioenregelingen bij verzekeraars monitoren.In uitvoeringTZ202411-093Via de Voortgangsrapportage monitoring Wtp terugkoppelenvoor hoeveel personen met een premieregeling met eenstijgende premie er is gekozen voor de eerbiedigende werking.In uitvoering Bijlage:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 043, nr. 68127
Gerelateerde bronnen
- De minister zegt toe in de voortgangsbrief over Wet toekomst pensioenen in te gaan op de (uitvoerings)kosten van de transitie en hiervoor o.a. informatie op te
De minister zegt toe in de voortgangsbrief over Wet toekomst pensioenen in te gaan op de (uitvoerings)kosten van de transitie en hiervoor o.a. informatie op te halen bij de AFM.
- De minister zegt toe via de Voortgangsrapportage monitoring Wtp terug te koppelen voor hoeveel personen met een premieregeling met een stijgende premie er is ge
De minister zegt toe via de Voortgangsrapportage monitoring Wtp terug te koppelen voor hoeveel personen met een premieregeling met een stijgende premie er is gekozen voor de eerbiedigende werking.
- De minister zegt toe in de monitoring van de transitie ook de compensatie bij pensioenregelingen bij verzekeraars te monitoren.
De minister zegt toe in de monitoring van de transitie ook de compensatie bij pensioenregelingen bij verzekeraars te monitoren.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.