Gewijzigd amendement van de leden Grinwis en Bontenbal ter vervanging van nr. 28 over doorzettingsmacht voor verenigingen van eigenaren voor een aansluitovereenkomst op een collectieve warmtevoorziening
Brontekst
Versie 6abfb044223cb20b · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 70 GEWIJZIGD AMENDEMENT VAN DE LEDEN GRINWIS ENBONTENBAL TER VERVANGING VAN DAT GEDRUKT ONDER NR.28Ontvangen 19 juni 2025 De ondergetekenden stellen het volgende amendement voor:Na hoofdstuk 7 wordt een nieuw hoofdstuk ingevoegd, luidende:HOOFDSTUK 7a. BESLUIT VERENIGING VAN EIGENAARS TOTAANSLUITING OP WARMTE Artikel 7a.1 besluit vereniging van eigenaars tot aanvaardingaanbod warmtebedrijf in geval van artikel 2.25 1. Een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm stelt haar leden gedurende twee maanden na het aanbod vaneen aangewezen warmtebedrijf, bedoeld in artikel 2.25, in de gelegenheidbij de vereniging en het aangewezen warmtebedrijf kenbaar te makengeen aansluitovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf te willenaangaan.2. Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm een aanbod van een aangewezen warmtebedrijf als bedoeldin artikel 2.25 al dan niet stilzwijgend aanvaardt, sluit het bestuur van dezevereniging namens al haar leden de overeenkomst met het aangewezenwarmtebedrijf voor het aansluiten op een collectieve warmtevoorzieningvan de gedeelten van het gebouw die voor verblijf van personen bestemdzijn op een collectieve warmtevoorziening.3. De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, geldt niet ten aanzienvan een lid dat aan het aangewezen warmtebedrijf en deze verenigingmeldt geen aansluitovereenkomst te willen aangaan, indien het als gevolgdaarvan redelijkerwijs technisch niet onmogelijk is de aanleg, instand-houding en verwijdering van de collectieve warmtevoorziening in hetgebouw te realiseren, en de kosten van het realiseren van de aanleg,instandhouding en verwijdering van de collectieve warmtevoorzieningvoor de andere appartementseigenaars daardoor ook niet significanthoger worden. kst-36576-70ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 701 4. De overeenkomst, bedoeld in het tweede lid, geldt uitsluitend tenaanzien van de appartementseigenaars die rechthebbende zijn van eenappartementsrecht, dat de bevoegdheid omvat tot het uitsluitend gebruikvan bepaalde gedeelten van het gebouw die blijkens hun inrichtingbestemd zijn of worden om als afzonderlijk geheel te worden gebruikt envoor verblijf van personen bestemd zijn.Artikel 7a.2 bezwaar leden vereniging van eigenaars tegenaansluiting op een collectieve warmtevoorziening 1. Het aangewezen warmtebedrijf adviseert binnen twee maanden na demelding van een lid van een vereniging als bedoeld in artikel 7a.1, eerstelid, dit lid en deze vereniging of aan de voorwaarden van dat artikel wordtvoldaan.2. Naar aanleiding van het advies, bedoeld in het eerste lid, kan het liden de vereniging een klacht indienen bij het aangewezen warmtebedrijfovereenkomstig de procedure, bedoeld in artikel 2.38.3. Na een melding van een lid als bedoeld in artikel 7a.1, eerste lid,besluit de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm over het aanbod van een aangewezen warmtebedrijf alsbedoeld in artikel 2.25 niet eerder dan:a. twee maanden na ontvangst van het advies van het aangewezenwarmtebedrijf als bedoeld in het eerste lid, enb. indien een klacht bij het aangewezen warmtebedrijf tegen het adviesovereenkomstig het tweede lid is ingediend, na de afhandeling van dezeklacht door het aangewezen warmtebedrijf.Artikel 7a.3 kostenverdeling vereniging van eigenaars bijaansluiting op een collectieve warmtevoorziening 1. De kosten en schulden die voortvloeien uit de overeenkomst, bedoeldin artikel 7a.1, tweede lid, en de financiering van die overeenkomst,komen in afwijking van artikel 113, tweede lid, van Boek 5 van hetBurgerlijk Wetboek voor rekening van de gezamenlijke appartementseige-naars namens wie de overeenkomst is aangegaan.2. De gezamenlijke appartementseigenaars namens wie de overeen-komst is aangegaan dragen jegens de vereniging van eigenaars voor elkappartementsrecht een gelijk deel bij in de kosten en schulden, bedoeld inhet eerste lid.3. Indien bij reglement een andere verhouding is bepaald, als bedoeld inartikel 113, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, dragen degezamenlijke appartementseigenaars namens wie de overeenkomst isaangegaan, in afwijking van het tweede lid, jegens de vereniging vaneigenaars op basis van deze andere verhouding bij in de kosten enschulden, bedoeld in het eerste lid, tenzij de aard van deze andereverhouding zich hier tegen verzet.4. Indien bij reglement een andere verhouding is bepaald, als bedoeld inartikel 113, tweede lid, van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij tenaanzien van ten minste twee te onderscheiden categorieën kosten andereverhoudingen gelden, dan bepaalt de vergadering van eigenaars welkeandere verhouding, waarvan de aard zich hier niet tegen verzet, wordttoegepast in de situatie, bedoeld in het derde lid.5. In de overeenkomst, bedoeld in artikel 7a.1, tweede lid, kan wordenbepaald dat het aangewezen warmtebedrijf, in afwijking van het tweedeen derde lid, zonder tussenkomst van de vereniging van eigenaars dekosten en schulden in rekening brengt bij de appartementseigenaarsnamens wie de overeenkomst is aangegaan, onverminderd hetgeen in hettweede, derde en vierde lid, is bepaald ten aanzien van de verdeling vande kosten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 702 Artikel 7a.4 verplichtingen leden vereniging van eigenaars bijaansluiting op een collectieve warmtevoorziening 1. Indien het bestuur van een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm een aansluitovereenkomst met het aangewezenwarmtebedrijf als bedoeld in artikel 7a.1, tweede lid, aangaat, is een lidvan deze vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering van dewerkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn ten behoeve van deaanleg, instandhouding en verwijdering van de collectieve warmtevoor-ziening in de betreffende gedeelten van het gebouw, met inbegrip van degedeelten die bestemd zijn om als afzonderlijk geheel door hem teworden gebruikt.2. In de situatie, bedoeld in het eerste lid, meldt een lid dat geenleveringsovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf wil afsluiten,dit binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn aan hetaangewezen warmtebedrijf en de vereniging.3. Indien in de situatie, bedoeld in het eerste lid, een lid een aansluito-vereenkomst met een distributiesysteembeheerder voor gas als bedoeldin artikel 3.41 van de Energiewet heeft, en dat lid een leveringsovereen-komst met het aangewezen warmtebedrijf wil afsluiten, verleent hijmedewerking aan de werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk zijnten behoeve van het verwijderen van deze gasaansluiting na beëindigingvan de gasaansluitovereenkomst.4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing als het lid met eenaansluitovereenkomst met een distributiesysteembeheerder voor gas alsbedoeld in artikel 3.41 van de Energiewet aan het aangewezen warmtebe-drijf en de vereniging meldt geen leveringsovereenkomst met hetaangewezen warmtebedrijf te willen afsluiten, indien het als gevolgdaarvan redelijkerwijs technisch onmogelijk is de aanleg, instandhoudingen verwijdering van de collectieve warmtevoorziening in het gebouw terealiseren, of de kosten van het realiseren van de aanleg, instandhoudingen verwijdering van de collectieve warmtevoorziening voor de andereappartementseigenaars daardoor significant hoger worden. Artikel 7a.2 isvan overeenkomstige toepassing.5. Indien een lid van een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm het gebruik van de gedeelten van het gebouwdie bestemd zijn om als afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt,in gebruik heeft verstrekt aan een andere natuurlijke persoon of rechts-persoon, is deze natuurlijke persoon of rechtspersoon verplichtmedewerking te verlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden,bedoeld in het eerste, derde en vierde lid, en kan deze natuurlijke persoonof rechtspersoon de melding doen, bedoeld in het tweede lid.6. Een aangewezen warmtebedrijf dat het voornemen heeft dewerkzaamheden, bedoeld in het eerste lid, uit te voeren, stelt de leden vande vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm danwel de andere natuurlijke persoon of rechtspersoon, bedoeld in het vijfdelid, binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn schriftelijk inkennis van dit voornemen.7. Een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm verstrekt het aangewezen warmtebedrijf persoonsgegevensvan haar leden dan wel van de natuurlijke persoon of rechtspersoon,bedoeld in het vijfde lid, voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoeringvan de overeenkomst, bedoeld in artikel 7a.1, tweede lid, en voor deschriftelijke kennisgeving, bedoeld in het zesde lid.8. Dit artikel is niet van toepassing op een lid van een vereniging vaneigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm, ten aanzien waarvande bevoegdheid, bedoeld in artikel 7a.1, tweede lid, niet geldt krachtenshet derde en vierde lid van dat artikel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 703 Artikel 7a.5 besluit vereniging van eigenaars tot aansluiting opeen klein collectief warmtesysteem 1. De artikelen 7a.1, eerste lid, en 7a.2 zijn van overeenkomstigetoepassing op het besluit van een vereniging van eigenaars of eendaarmee vergelijkbare rechtsvorm om een aanbod van een warmtebedrijfom het gebouw aan te sluiten op een klein collectief warmtesysteem alsbedoeld in artikel 2.25, gelezen in samenhang met artikel 3.7, al dan nietstilzwijgend te aanvaarden.2. Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm besluit om een aanbod van het warmtebedrijf als bedoeld inhet eerste lid al dan niet stilzwijgend te aanvaarden, zijn de artikelen 7a.1,tweede tot en met vierde lid, 7a.3 en 7a.4 van overeenkomstigetoepassing.Artikel 7a.6 besluit vereniging van eigenaars tot aansluiting opeen collectieve warmtevoorziening of een klein collectiefwarmtesysteem in geval van levering van warmte aan tenhoogste 10 natuurlijke personen of rechtspersonen en in gevalvan doorlevering van warmte 1. De artikelen 7a.1, eerste lid, en 7a.2 zijn van overeenkomstigetoepassing op het besluit van een vereniging van eigenaars of eendaarmee vergelijkbare rechtsvorm, om al dan niet een aanbod van eenwarmtebedrijf om het gebouw aan te sluiten op een collectieve warmte-voorziening of klein collectief warmtesysteem als bedoeld in artikel 2.25 aldan niet stilzwijgend te aanvaarden waardoor:a. warmte wordt geleverd als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeela, ofb. warmte wordt doorgeleverd als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid,onderdeel b.2. Indien een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm besluit om een aanbod van een warmtebedrijf als bedoeld inhet eerste lid al dan niet stilzwijgend te aanvaarden, zijn de artikelen 7a.1,tweede tot en met vierde lid, 7a.3 en 7a.4 van overeenkomstigetoepassing.Artikel 7a.7 besluit vereniging van eigenaars om aan zijn eigenleden warmte te leveren 1. In het geval een vereniging van eigenaars of een daarmee verge-lijkbare rechtsvorm eigenaar is van een gebouw dat zich bevindt binneneen warmtekavel en waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gestelddie in een gebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorzieningvan gebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorzieningvan milieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, enwaarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen,zijn op het besluit van deze vereniging, om aan zijn leden warmte televeren waarvoor op grond van artikel 4.1, eerste lid, een verplichtinggeldt dit te melden aan het college, de artikelen 7a.1, eerste lid, en 7a.2van overeenkomstige toepassing.2. In geval van een besluit van een vereniging van eigenaars of eendaarmee vergelijkbare rechtsvorm als bedoeld in het eerste lid, zijn deartikelen 7a.1, tweede tot en met vierde lid, 7a.3 en 7a.4 van overeenkom-stige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 704 Toelichting 1. Algemeen Dit amendement regelt dat een VvE, in de Wcw gedefinieerd alsgebouweigenaar, bevoegd is om namens al haar leden een aansluitover-eenkomst met een aangewezen warmtebedrijf aan te gaan, wanneer deVvE hiertoe besluit. Deze bevoegdheid geldt niet ten aanzien van een lidvan de VvE dat aangeeft niet aangesloten te willen worden op eencollectieve warmtevoorziening en als dit geen onredelijke technische offinanciële consequenties heeft voor de overige leden. De bevoegdheid diehiermee voor de VvE is geregeld geldt alleen in het geval een gemeentegebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid op grond van de Wetgemeentelijke instrumenten warmte (hierna: de Wgiw) een gebied aan tewijzen die van het gas af moet, en het gebouw waar de VvE gebouwei-genaar van is in dat gebied is gelegen.Op basis van de Wgiw krijgt een gemeente een aanwijsbevoegdheid.Deze aanwijsbevoegdheid houdt in dat een gemeente binnen haargrondgebied gebieden kan aanwijzen, waar het transport van aardgas naeen redelijke termijn van minimaal 8 jaar kan worden beëindigd. Voor diegebieden bepaalt de gemeente na de eerdere aankondiging in hetwarmteprogramma in het omgevingsplan dat er op een bepaald momentniet langer meer gebruik mag worden gemaakt van fossiele brandstoffenen dat op dat moment het transport van aardgas (door de netbeheerder)wordt beëindigd. Een gebied kan een hele wijk beslaan, maar ook slechtseen of meer gebouwen binnen een wijk. Voordat een gemeente eendergelijk besluit mag nemen moet zij onder andere toetsen of er eenalternatieve warmtevoorziening beschikbaar is en of de betaalbaarheidvoldoende op orde is. De waarborgen ten aanzien van betaalbaarheidworden nader uitgewerkt in het Besluit gemeentelijke instrumentenwarmtetransitie (hierna: Bgiw) en beslaan niet alleen de eindverbruikers-tarieven maar ook de investeringen die een gebouweigenaar moet doenom de overstap naar de alternatieve warmtevoorziening te maken.In het gebied waar het aardgas wordt afgesloten komt dus eenalternatieve betaalbare, energievoorziening met duurzame energie. Ditkan een warmtenet zijn. Indien er een warmtenet wordt aangelegd zijngebouweigenaren niet verplicht om op het warmtenet aan te sluiten. Zijmogen ook zelf voor een alternatieve duurzame warmtevoorziening, zoalsindividuele warmtepompen, zorgen. Wanneer een gebouweigenaar nietzelf aangeeft van aansluiting op een warmtenet af te zien, wordt zeaangesloten op het warmtenet. Zo wordt voorkomen dat een gebouwzonder voorziening voor verwarming en warm tapwater komt te zitten.De leden van een Vereniging van Eigenaars (VvE) zullen in gebiedenwaar het aardgas wordt afgesloten – net als individuele gebouweigenaren– een besluit moeten nemen over hun toekomstige warmtevoorziening.De Wet collectieve warmte (hierna: Wcw) stelt dat het de VvE is die alsgebouweigenaar besluit over al dan niet aansluiten op een warmtenet. Opdit moment ontbreekt een duidelijke juridische basis voor VvE’s omnamens het collectief besluiten te nemen over aansluiting op eenwarmtenet – zeker als dit consequenties heeft voor het privédomein vanindividuele appartementseigenaren. Hierdoor wordt besluitvormingbelemmerd en kan de situatie ontstaan dat een VvE niet actief kanbesluiten over een aansluiting op het warmtenet. Ook is het onduidelijkhoe een warmtebedrijf een aansluiting van een VvE op het warmtenetregelt als een besluit om af te zien van een aansluiting, uitblijft. Dit kan totgevolg hebben dat VvE’s in gebieden waar de Wgiw wordt ingezet niet ofniet tijdig op een warmtenet kunnen worden aangesloten. In het kader vande uitvoering van de Wgiw is het dus essentieel dat VvE’s in staat wordengesteld om tijdig en effectief te kunnen besluiten over de aansluiting opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 705 een warmtenet. Dit amendement voorziet in de noodzakelijke juridischebasis en is daarmee volgens de indieners cruciaal voor de voortgang vande warmtransitie.Dit amendement regelt immers ook dat de leden van de VvE, als de VvEeen aansluitovereenkomst heeft gesloten, vervolgens ook verplicht zijnmedewerking te verlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden dieredelijkerwijs noodzakelijk zijn om de collectieve warmtevoorziening terealiseren. Deze meewerkplicht geldt voor zowel de gezamenlijke delenvan het gebouw, zoals het trappenhuis of een technische ruimte, als deprivédelen van een VvE-lid, zoals een woonruimte of winkel. De(eenmalige) kosten voor de aansluiting worden op evenredige wijze overalle appartementseigenaars verdeeld die worden aangesloten op decollectieve warmtevoorziening, tenzij in het reglement een andereverhouding is bepaald. Dit is een vergaande, maar noodzakelijkebevoegdheid voor VvE’s om het grijze gebied rondom bevoegdheden,medewerking en privégedeelten expliciet te regelen en zo juridischeconflicten dan wel langdurige procedures te voorkomen. Immers, (1) krijgtde VvE deze bevoegdheid niet, dan kan door onderlinge technischeafhankelijkheden, een individueel lid van de VvE de aansluiting op eencollectieve warmtevoorziening voor de gehele VvE blokkeren, terwijl eenalternatief niet altijd voorhanden is, of leidt de weigering tot (veel) hogerekosten voor andere appartementseigenaars. Ook wordt hiermee (2)voorkomen dat slechts een deel van de VvE de initiële aansluitkostendraagt, terwijl uiteindelijk alle appartementseigenaars, ook op een latermoment, gebruik zullen maken van de getroffen voorziening.(1) In appartementsgebouwen is er vaak sprake van onderlingetechnische afhankelijkheid bij aansluiting op een collectieve warmtevoor-ziening (bijv. gedeelde leidingen of technische ruimtes). Als één eigenaarbezwaar maakt, kan dit de aansluiting van het hele gebouw blokkeren.Hierdoor wordt de mogelijkheid voor een overstap naar een collectievewarmtevoorziening beperkt, terwijl alternatieven zoals warmtepompentechnisch of financieel onhaalbaar kunnen zijn.(2) De aansluitkosten voor een gebouw zijn grotendeels onafhankelijkvan het aantal deelnemende appartementen. Als slechts een deel van debewoners aansluit, stijgen de kosten voor deze groep onevenredig. Laterprofiteren achterblijvers mogelijk van lagere kosten, wat mogelijkuitstelgedrag in de hand werkt ondank het eindigen van een aardgas inhet gebied.In geval van warmtelevering door het warmtebedrijf via een individueleleveringsaansluiting, kan een appartementseigenaar op individuele basisbepalen om een leveringsovereenkomst met het warmtebedrijf aan tegaan. Alleen in die gevallen wordt er een afleverset en meetinrichtinggeplaatst. Wanneer het om een centrale leveringsaansluiting gaat, waarbijde VvE de warmte doorlevert of wanneer de VvE zelf warmteleverancieris, ligt het in de rede dat alle VvE-leden die worden aangesloten, warmtegeleverd krijgen. Bij een centrale leveringsaansluiting zal de VvE deleveringsovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf aangaan.Een besluit van een VvE om aan te sluiten op een collectief warmte-systeem kan ingrijpend zijn, maar tegelijk noodzakelijk zijn als dat hetbeste alternatief is voor aardgas. Het is van belang dat het warmtebedrijfdat de aansluiting realiseert rekening houdt met de belangen van deindividuele appartementseigenaars. De voorgestelde aanpassingenmoeten proportioneel zijn en niet op een minder ingrijpende manierkunnen worden gerealiseerd.In de regel zal bij het aanleggen van een collectieve warmtevoorzieningin een in appartementsrechten gesplist gebouw het systeem van leidingenen installaties om alle appartementen en andere verblijfsruimten aan teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 706 sluiten op een collectieve warmtevoorziening een samenhangend geheelvormen. In die situaties is het om bovengenoemde redenen redelijk datiedereen in de VvE meewerkt en meebetaalt aan de aansluitkosten vooreen collectieve warmtevoorziening. Er zijn situaties waarin dezetechnische en financiële onderlinge afhankelijkheid van VvE-leden nietbestaat, of slechts een deel van de VvE beslaat. Bijvoorbeeld wanneer eropgetopt is (met appartementen die bijvoorbeeld al een warmtepomphebben), of wanneer de VvE een combinatie is van woningen en winkels,waarbij de winkels een eigen individuele warmtenetaansluiting nodighebben, die de gemiddelde aansluitkosten opdrijven. In deze situaties ishet mogelijk om een deel van de VvE uit te zonderen van de verplichtingom aangesloten te worden op een collectieve warmtevoorziening en meete betalen aan de aansluiting.De bevoegdheid om namens al haar leden te beslissen over al dan nietaansluiten op een collectieve warmtevoorziening, krijgt een VvE alleen tenaanzien van een collectieve warmtevoorziening en een klein collectiefwarmtesysteem in het geval een gemeente gebruik heeft gemaakt vanhaar bevoegdheid in het kader van de Wgiw een gebied aan te wijzen omvan het gas af te gaan. Deze bevoegdheid geldt dus niet wanneer een VvEin andere situaties het aanbod van een aangewezen warmtebedrijf totaansluiten op een warmtenet overweegt, of wanneer een VvE andereverduurzamingsmaatregelen wil treffen. Uitbreiding van de rechten vande VvE ten aanzien van andere verduurzamingsmaatregelen vallenimmers buiten de scope van de Wcw. De inzet van de privaatrechtelijkebevoegdheden wordt verbonden met de inzet van de Wgiw, een publiek-rechtelijke regeling, mede in het licht van de voorlichting van de Raad vanState. De aanwijsbevoegdheid van de gemeente op grond van de Wgiwmag alleen ingezet worden in situaties waar een alternatieve warmtevoor-ziening beschikbaar is en de betaalbaarheid voldoende op orde is. Dedefinitie van betaalbaarheid wordt nader uitgewerkt in het Bgiw.De bevoegdheden die het amendement regelt ten aanzien van de VvE’smet betrekking tot de aanleg van een collectieve warmtevoorzieninggelden als een specifieke invulling van het generieke appartementsrecht(zoals opgenomen in titel 9 van Boek 5 van het Burgerlijk Wetboek).Omdat VvE’s naast woningcorporaties onderdeel zijn van de startmotorvoor het realiseren van nieuwe warmtenetten en VvE’s nu reeds te makenhebben met de realisatie van nieuwe warmtenetten, menen de indienersdat deze bevoegdheden voor VvE’s vooruitlopend op in voorbereidingzijnde wetgeving ten aanzien van besluitvorming in VvE’s reeds moetworden geregeld, zoals opgenomen in de VvE-versnellingsagenda.1 In ditamendement wordt ten aanzien van de besluitvorming aangesloten bij dehuidige wetgeving en wordt niet vooruitgelopen op de versnellingsa-genda.Omdat een besluit van een VvE om aan te sluiten op een collectiefwarmtesysteem ingrijpend kan zijn voor individuele appartementseige-naars én complex voor het vrijwillig VvE-bestuur menen de indieners dater voldoende waarborgen moeten zijn voor de eigenaars en het bestuur.Zo moet er voldoende inzicht zijn in het aanbod van het aangewezenwarmtebedrijf en moet er aandacht zijn voor ondersteuning van hetVvE-bestuur als wel voor de financiële draagkracht van de individueleeigenaar.Alle appartementseigenaars moeten goed in staat worden gesteld hunzienswijze te geven. Het amendement voorziet hierin met een bezwaar-termijn van twee maanden. Binnen deze termijn kunnen leden aangevenniet te willen deelnemen, waarna getoetst kan worden of zij technisch en1Kamerstukken II 2022/23, 30 196, nr. 817.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 707 financieel redelijkerwijs van de collectieve aansluiting kunnen wordenuitgesloten. Het is wel belangrijk dat het aanbod van het warmtebedrijfvoldoende transparant en begrijpelijk is. Inzicht in kosten, voorwaarden engevolgen is essentieel om goed geïnformeerd een besluit te kunnennemen. Indieners wijzen op artikel 2.24, vijfde lid, waarmee middels AMvBnadere eisen kunnen worden gesteld aan de informatie die het aange-wezen warmtebedrijf aan de appartementseigenaars verstrekt. Zo kandaarin bijvoorbeeld worden vastgelegd dat een warmtebedrijf moetaangeven welke specifieke aanpassingen van het gebouw of de instal-laties noodzakelijk zijn om aan te kunnen sluiten op het warmtenet. Tenslotte blijft beroep bij de rechter openstaan om het besluit van de VvE totaansluiting op redelijkheid en billijkheid te laten toetsen (artikel 5:130 BW).Indieners beseffen tevens dat het ingrijpend is voor vrijwilligeVvE-bestuurders als zij bij hun buren moeten afdwingen om medewerkingte verlenen aan het VvE-besluit. Daarbij is de besluitvorming technisch,juridisch en communicatief complex. Begeleiding door gemeenten en/ofwarmtebedrijven, met voldoende goed opgeleide procesbegeleiders, isessentieel, zowel in de voorbereidings- als in de implementatiefase.2. Eigendomsrechtelijke aspecten Op grond van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM (EP EVRM)genieten burgers bescherming tegen onrechtmatige inmenging door deoverheid in hun eigendom. Allereerst moet worden vastgesteld of devoorgestelde maatregelen een regulering van het eigendomsrechtbetreffen. Regulering van eigendom is aan de orde indien de gebruiks-mogelijkheden van of beschikkingsmogelijkheden over het eigendomworden beperkt, zonder dat het beschikkingsrecht over het eigendom(geheel) verloren gaat. Indien dat het geval is, moet worden vastgesteld ofvoldaan wordt aan de vereisten uit artikel 1 EP EVRM, namelijk of dezeinmenging op het eigendomsrecht is gerechtvaardigd aangezien deze aande legaliteitstoets, de legitimiteitstoets en de evenredigheidstoets («fairbalance») voldoet.De VvE krijgt in de voorgestelde regeling de bevoegdheid om eenbesluit te nemen dat als consequentie kan hebben dat een individueleappartementseigenaar tegen zijn wil wordt aangesloten op een collectievewarmtevoorziening. Dit is het geval als deze individuele appartementsei-genaar geen aansluiting op een collectieve warmtevoorziening wil, maardie aansluiting om technische of financiële redenen wel noodzakelijk isom een collectieve warmtevoorziening aan te kunnen leggen. Daarnaastzal in bepaalde gevallen de appartementseigenaar medewerking moetenverlenen aan de uitvoering van de werkzaamheden die redelijkerwijsnoodzakelijk zijn ten behoeve van de aanleg, instandhouding en verwij-dering van de collectieve warmtevoorziening in de betreffende gedeeltenvan het gebouw, met inbegrip van de privégedeelten. Het gaat hier omeen uitbreiding van de bestaande bevoegdheid van de VvE de gemeen-schappelijke ruimten te beheren (artikel 5:126 BW). Al deze maatregelenkunnen al dan niet direct leiden tot een materiële wijziging in de rechtenen plichten van de appartementseigenaars en kunnen dan ook wordenaangemerkt als een regulering van (het gebruik van) het eigendomsrechtvan deze appartementseigenaars. Of er daadwerkelijk sprake is vaninmenging in de eigendomsrechten van de individuele appartementseige-naars in de zin van artikel 1 EP EVRM hangt echter af van de omstandig-heden van het geval en zal niet voor iedere appartementseigenaarhetzelfde zijn. Indien aanpassingen noodzakelijk zijn in privégedeelten danwel sprake is van een sterke onderlinge, technische afhankelijkheid van devoorzieningen die nodig zijn voor een collectieve warmtevoorziening, zaleerder sprake zijn van een dergelijke inmenging. In de gevallen waarin deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 708 appartementseigenaars echter een individuele aansluiting hebben en dezetechnisch te scheiden is van het gehele systeem, zal geen inmengingnoodzakelijk zijn. Hierdoor is in algemene zin niet op voorhand te bepalenof de regeling in het amendement tot regulering van de eigendom leidt ineen specifiek geval.Dan moet vervolgens voor de gevallen dat er sprake kan zijn van eeninmenging van het eigendomsrecht worden beoordeeld of dit eengeoorloofde inmenging op het eigendomsrecht betreft. Hiertoe moet deregeling worden getoetst aan de voorwaarden die artikel 1 EP EVRM steltaan de inmenging in het eigendomsrecht. Een inbreuk op het eigendoms-recht is gerechtvaardigd als deze aan de legaliteitstoets, de legitimiteits-toets en de evenredigheidstoets («fair balance») voldoet.De toets van legaliteit brengt met zich mee dat de inmenging in heteigendomsrecht voorzien moet zijn bij wet. Daarnaast dient de wettelijkeregeling precies, toegankelijk en voorzienbaar te zijn. Aan dezevoorwaarde wordt voldaan doordat de maatregelen als een speciale,wettelijke voorziening voor de aanleg op een collectieve warmtevoor-ziening in de Wcw worden opgenomen. De maatregelen gelden als eenspecifieke invulling van het generieke appartementsrecht in Boek 5 vanhet Burgerlijk Wetboek voor uitsluitend de aanleg op een collectievewarmtevoorziening. Daarmee is de wettelijke basis gegeven. Daarnaast isdeze wettelijke basis voldoende toegankelijk, precies en voorzienbaardoordat de artikelen duidelijk en precies omschrijven wanneer de VvEgerechtigd is namens haar leden een aansluitovereenkomst met eenaangewezen warmtebedrijf aan te gaan. Ook worden de consequentiesvan deze overeenkomst voor haar leden expliciet geregeld.De legitimiteitstoets houdt in dat de inmenging enkel mag plaatsvindenin overeenstemming met het algemeen belang en dat deze een legitiemdoel dient. Ook hieraan wordt voldaan. Dit amendement regelt dat eenVvE in de situatie dat een gemeente een gebied heeft aangewezen van hetgas af te gaan bevoegd is om namens al haar leden een aansluitovereen-komst met een aangewezen warmtebedrijf aan te gaan, wanneer devereniging besluit én dit noodzakelijk is om de collectieve warmtevoor-ziening voor het gehele gebouw te realiseren. De leden van de VvE zijnvervolgens ook verplicht medewerking te verlenen aan de uitvoering vande werkzaamheden die redelijkerwijs noodzakelijk zijn om de collectievewarmtevoorziening te realiseren. Dit is een vergaande, maar ook eennoodzakelijke bevoegdheid voor VvE’s om uitvoering te kunnen geven aanhet besluit van de VvE over te gaan op warmte. Immers, krijgt de VvE dezebevoegdheid niet, dan kan door onderlinge technische afhankelijkheden,een individueel lid van de VvE de aansluiting op een collectieve warmte-voorziening voor de gehele VvE blokkeren, terwijl een alternatief niet altijdvoor handen is of leidt tot een significante verhoging van de kosten voorandere VvE leden. Ook wordt hiermee voorkomen dat slechts een deelvan de VvE de initiële aansluitkosten draagt, terwijl uiteindelijk alleVvE-leden, ook op een later moment, gebruik kunnen maken van degetroffen voorziening. Het EHRM laat de lidstaten een ruime beoorde-lingsmarge bij het vaststellen van wat als een legitieme doelstelling in hetkader van het algemeen belang kan gelden. De met dit amendementbeoogde verruiming van de bevoegdheden van de VvE ten aanzien van debesluitvorming over de aansluiting op een collectieve warmtevoorzieningin het geval een appartementsgebouw van het gas af moet, betreft eendwingende reden van algemeen belang, namelijk het borgen van dewarmtetransitie in gebieden waar zich appartementsgebouwen bevinden.Er zijn geen andere, minder ingrijpende maatregelen mogelijk omditzelfde doel te bereiken. Daarbij zij opgemerkt dat de aansluitovereen-komsten die de VvE mag aangaan namens haar leden, niet ook leidt totTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 709 warmtelevering. Daarvoor zal ieder VvE-lid in voorkomend geval eeneigen leveringsovereenkomst moeten aangaan. Bij het aangaan van deleveringsovereenkomst zal in het privégedeelte van een VvE-lid eenafleverset en een meetinrichting worden geplaatst.De evenredigheidstoets vraagt tot slot om een beoordeling of met ditamendement sprake is van een rechtvaardig en evenwichtig resultaat,oftewel «fair balance», tussen het algemeen belang en de belangen vanhet individu dat wordt geraakt door de inmenging in het eigendomsrecht,in casu de appartementseigenaars. Bij de beoordeling of sprake is van een«fair balance» dienen verschillende aspecten in ogenschouw te wordengenomen, in het licht van de met dit amendement te dienen belangen. Ineen VvE is er vaak sprake van technische onderlinge afhankelijkheid bijhet aansluiten op een collectieve warmtevoorziening. Het warmtebedrijfzal deze technische afhankelijkheid niet altijd kunnen voorkomen ofondervangen door een andere wijze van aansluiten aan te bieden.Wanneer de VvE niet bevoegd is om namens haar leden tot dit besluitover te gaan, kan in deze situaties van technische afhankelijkheid, eenindividuele appartementseigenaar een aansluiting op een collectievewarmtevoorziening voor de gehele VvE of een deel hiervan blokkeren.Hierdoor wordt de vrijheid van appartementseigenaars om te beslissenover aansluiten op een collectieve warmtevoorziening sterk ingeperkt. Ditis onwenselijk, zeker omdat alternatieven, zoals een individuelewarmtepomp, technisch niet altijd mogelijk zijn, of duurder kunnen zijn.Een besluit tot het aanleggen van dat systeem kan dan alleen genomenworden indien alle appartementseigenaars instemmen met dat besluit.Een unaniem besluit binnen de VvE zal in de praktijk vaak niet realistischzijn. Deze situatie is onwenselijk gezien het maatschappelijk belang dat insituaties dat gebieden over moeten gaan op een andere warmtevoor-ziening, de VvE ook daartoe daadwerkelijk moet kunnen besluiten. Maardeze situatie is ook onwenselijk omdat daarmee de uitvoering van eenlegitiem genomen besluit in de VvE onmogelijk kan zijn, terwijl het juist inde aard van een VvE ligt dat individuele appartementsgerechtigden in huneigen doen en nalaten rekening hebben te houden met de gerechtvaar-digde belangen van hun mede-eigenaren. Om aan deze onwenselijkesituatie een einde te maken is het noodzakelijk individuele appartements-eigenaars onder omstandigheden te verplichten een aansluitovereen-komst met het aangewezen warmtebedrijf te accepteren en te verplichtenmee te werken aan de aanleg van deze collectieve warmtevoorziening(inclusief het opruimen van gasleidingen), ook als het om hun privéappar-tementen gaat. Er is sprake van een fair balance omdat rekening kanworden gehouden met de individuele belangen van de appartementseige-naars. Er zijn diverse processuele waarborgen in de regeling opgenomenom met de belangen van de appartementseigenaars die geen aansluitingop de collectieve warmtevoorziening willen, rekening te houden.Individuele appartementseigenaars die geen aansluitovereenkomst willenkunnen dit bij het aangewezen warmtebedrijf en de VvE melden. Naaraanleiding van deze melding zal het aangewezen warmtebedrijf moetenadviseren over de financiële en technische consequenties van het in standhouden van de individuele aansluiting van deze appartementseigenaarvoor de aanleg van de collectieve warmtevoorziening. Naar aanleidingvan dit advies kan de betreffende appartementseigenaar een klachtindienen bij het aangewezen warmtebedrijf. De VvE kan niet eerder eenbesluit over het aanbod van het aangewezen warmtebedrijf nemen dannadat deze procedures zijn doorlopen. Tegen het besluit van de VvE staattot slot voor de appartementseigenaar de mogelijkheid open eenvordering tot vernietiging van dat besluit bij de kantonrechter overeen-komst artikel 5:130 BW in te dienen. De kantonrechter zal vervolgensbeoordelen of de VvE in alle redelijkheid en billijkheid – gezien het adviesvan het aangewezen warmtebedrijf – tot het besluit om het aanbod teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7010 aanvaarden, heeft kunnen komen. Indien het technisch mogelijk is en dekosten van de aanleg van een collectieve warmtevoorziening voor deoverige appartementseigenaars daardoor niet significant hoger worden,wordt de wens van deze appartementseigenaars om hun individueleaansluiting te behouden, geaccepteerd. De – collectief – door de VvEafgesloten aansluitovereenkomst geldt dan niet voor hen en zij zijn nietonderworpen aan de medewerkingsverplichtingen. Ook hoeft deindividuele appartementseigenaar dan niet mee te betalen aan deaansluitovereenkomst die door de VvE wordt gesloten. Hij is dan immersook niet gebonden door deze overeenkomst. Bij de uitvoering van dewerkzaamheden zal het aangewezen warmtebedrijf rekening moetenhouden met de belangen van de individuele appartementseigenaars (dewerkzaamheden moeten namelijk «redelijkerwijs noodzakelijk zijn»). Alseen warmteleiding technisch gezien ook buitenlangs kan wordengeplaatst (en niet door het privégedeelte) zonder buitensporige extrakosten voor de andere leden, zal het aangewezen warmtebedrijf dit doen.Wil sprake zijn van een geoorloofde inmenging in het eigendomsrechtvan appartementseigenaars, dan dient het instrument dat hetamendement beoogt te regelen ook effectief te kunnen werken in depraktijk. De Afdeling advisering wijst hier in haar voorlichting op ditamendement terecht op (zie onder 3 in deze toelichting). Voor hetdraagvlak binnen een VvE voor het nemen van een besluit over eencollectieve warmtevoorziening, is de financiële aantrekkelijkheid daarvanessentieel. De aanwijsbevoegdheid van de gemeente op grond van deWgiw mag alleen ingezet worden in situaties waar een alternatievewarmtevoorziening beschikbaar is en de betaalbaarheid voldoende oporde is. De definitie van betaalbaarheid wordt nader uitgewerkt in hetBgiw en beslaat niet alleen de eindverbruikerstarieven maar ook deinvesteringen die een gebouweigenaar moet doen om de overstap naarde alternatieve warmtevoorziening te maken. Daar waar de aanwijsbe-voegdheid wordt ingezet is dus met zekerheid te stellen dat de betaal-baarheid van de overstap gewaarborgd is. Om de effectiviteit van hetinstrument dat het amendement voor de VvE regelt zo goed mogelijk tewaarborgen, kiezen de indieners er daarom voor de regeling toe te spitsenop de situatie van een VvE van een appartementsgebouw dat ligt in eengebied die een gemeente op basis van de Wgiw heeft aangewezen waarde gasaansluiting zal worden beëindigd.3. Voorlichting van de Raad van State Bij brief van 5 juni 2025 heeft de Minister van Klimaat en Groene Groeiop de voet van artikel 21a van de Wet op de Raad van State aan deAfdeling advisering van de Raad van State (hierna: Afdeling advisering)gevraagd haar van voorlichting te dienen over het amendement van deindieners. De voorlichting is gevraagd over de doorzettingsmacht inverband met de mogelijke inmenging in het eigendomsrecht vanappartementseigenaars, in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bijhet EVRM. Verder is om voorlichting verzocht over de vraag of devoorgestelde regeling een geschikt instrument is om de effectiviteit enuitvoerbaarheid van de besluitvorming van VvE’s over een aansluiting opeen collectieve warmtevoorziening te verbeteren.De Afdeling advisering merkt over de effectiviteit en uitvoerbaarheidvan het amendement op dat de Wcw een publiek doel dient, terwijl hetappartementsrecht de privaatrechtelijke verhoudingen tussen apparte-mentseigenaars regelt. De structuur van het (privaatrechtelijke) apparte-mentsrecht verschilt van die van het publiekrecht. De Afdeling adviseringmeent dat voor het bereiken van het publieke doel van de warmtetransitie,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7011 publiek(rechtelijk)e middelen in dit geval meer aangewezen zijn danprivaatrechtelijke middelen.De indieners hebben er daarom voor gekozen de doorzettingsmacht vande VvE te beperken tot de situatie dat de appartementen die deeluitmaken van de VvE zich in een (deel van een) gebied bevinden die doorde gemeente op grond van haar bevoegdheden in het kader van de Wgiwis aangewezen om van het gas af te gaan. Hiermee komt het publiekrech-telijke instrumentarium van de Wgiw meer naar de voorgrond ten aanzienvan het bereiken van de publieke doelstellingen. De indieners zijn vanmening dat het niettemin noodzakelijk is wijzigingen aan te brengen in deprivaatrechtelijke verhoudingen voor de gevallen waarin de Wgiw wordtingezet, omdat de VvE in een positie moet worden gebracht waarin zij opeen adequate wijze, omkleed met voldoende waarborgen voor deindividuele appartementseigenaars, kan reageren op een aanbod van eenwarmtebedrijf. Dit dient niet alleen het publieke belang van de warmte-transitie in algemene zin, maar ook het belang van de appartementseige-naars om op een ordentelijke manier een alternatieve warmtebron tekunnen realiseren in de gevallen waarin hun gebouw van het gas af gaat.Het is belangrijk dat de gezamenlijke appartementseigenaars in de VvEbeter in staat worden gesteld om een keuze te maken ten aanzien van deaansluiting op een warmtenet en daarnaast de gemaakte keuze ookkunnen effectueren.Daarbij zijn volgens de Afdeling advisering in het amendement niet derandvoorwaarden vervuld om tot een effectief en uitvoerbaar resultaat tekomen. De betaalbaarheid van een aansluiting van een appartementen-complex op een collectief warmtesysteem is niet gewaarborgd. Om hetdraagvlak binnen een VvE voor het nemen van verduurzamingsmaatre-gelen te vergroten is het van belang dat VvE-leden daarvoor financiëlemogelijkheden zien. Het is daarom noodzakelijk is om te voorzien inflankerende maatregelen om de aansluiting van VvE’s op een collectiefwarmtesysteem betaalbaar en daarmee aantrekkelijk te maken. In hetwetsvoorstel Wcw en in het amendement is daarin volgens de Afdelingadvisering op dit moment niet in voorzien. Hierdoor dreigt het gevaar dathet amendement zijn doel uiteindelijk niet zal bereiken, omdat VvE-ledenbij onvoldoende financiële middelen eerder geneigd zullen zijn om tegenhet aansluiten op een collectief warmtesysteem te stemmen.Voor het besluitvormingsproces binnen een VvE om al dan niet over tegaan op een collectief warmtesysteem is de financiële aantrekkelijkheidvan dat systeem inderdaad een essentiële randvoorwaarde. Dit geldt nietalleen vanwege het maatschappelijk belang de aanleg van een collectievewarmtevoorziening te kunnen realiseren. Binnen een VvE speelt eveneensmee dat de aanleg van een collectieve warmtevoorziening mogelijk eeninmenging in eigendomsverhoudingen te weeg kan brengen. Daarommoet ten aanzien van de bevoegdheden die het amendement regelt vooreen VvE die een aansluiting op een collectieve warmtevoorzieningoverweegt, extra zware eisen worden gesteld. Eisen die niet alleen geldenten aanzien van de procedure van besluitvorming binnen de VvE en diegaranderen dat leden – indien dat technisch en financieel mogelijk is – nietgebonden worden aan een aansluitovereenkomst met een aangewezenwarmtebedrijf als zij dat niet willen. Maar ook de betaalbaarheid van hetcollectieve warmtesysteem moet zo goed mogelijk worden geborgd.Voorkomen moet worden dat appartementseigenaars gedwongen wordenwarmte af te nemen die in vergelijking tot andere warmtevoorzieningenduurder is. Wil sprake zijn van een geoorloofde inmenging in heteigendomsrecht van appartementseigenaars dan dient het instrument dathet amendement beoogt te regelen ook effectief te kunnen werken in depraktijk. Om de betaalbaarheid van de overstap naar collectieve warmteTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7012 voor gebouweigenaren en verbruikers te verbeteren is er verschillendflankerend beleid: het Nationaal Warmtefonds biedt leningen aangebouweigenaren, waaronder VvE’s, en verduurzaming van VvE’s wordtgestimuleerd via de Subsidieregeling verduurzaming voor vereniging vaneigenaars (SVVE). Op het moment van inwerkingtreding van de Wcwworden warmtetarieven nog bepaald op basis van een gasreferentie,waardoor eindverbruikers de zekerheid hebben dat ze niet meer betalenvoor hun warmte dan een gemiddelde verbruiker betaalt voor aardgas.Met de Wcw wordt de overstap naar een kostengebaseerd tarief geïntro-duceerd. Consumenten hebben daardoor meer zekerheid dat ze niet meerbetalen dan de efficiënte kosten van het warmtenet waarop zij aange-sloten zijn. Om de relatieve betaalbaarheid van warmte ten opzichte vangangbare alternatieven ook in bij deze tariefsystematiek te borgen isverschillend flankerend beleid voorgesteld, waaronder een prijsgarantievoor consumenten en verschillende subsidieregelingen voor warmtebe-drijven. De indieners hebben naar aanleiding van dit punt van de Afdelingadvisering de regeling in het amendement beperkt tot gebieden die opgrond van de Wgiw worden aangewezen. Voor die gebieden geldenmeerdere waarborgen voordat de gemeente een gebied kan aanwijzen ineen zogenoemd warmtetransitiegebied in het omgevingsplan, waaronderwaarborgen over de betaalbaarheid. Gemeenten gaan zelf over degeometrische begrenzing van het warmtetransitiegebied, dus de wijk,buurt of dorpskern waar een gemeente de aanwijsbevoegdheid wilinzetten. Dit kan ook één gebouw betreffen. Naar aanleiding van hetamendement Erkens c.s. bij de Wgiw2 worden in het Bgiw en in deRegeling gemeentelijke instrumenten warmtetransitie instructieregelsover de betaalbaarheid uitgewerkt. Voor de betaalbaarheid wordt dangerekend met alle kosten en baten die behoren bij de verduurzamings-maatregelen om het gebouw op de alternatieve energie-infrastructuur aante sluiten. Dit betreft alle kosten die aan de orde zijn voor isolatie,installatie, ventilatie, onderhoud- en gebruik en financiering. Inpandigekosten worden meegenomen in het begrip «betaalbaarheid». Deinstructieregels betaalbaarheid voor eindgebruikers3 bestaan uit tweeinstructieregels, die als toets werken op de vraag of het plan vangemeente betaalbaar is voor de eindgebruikers in het warmtetransitie-gebied, en onderliggende (zogenoemde) rekenregels, die stellen welkeelementen de gemeente moet meenemen in de berekening van debetaalbaarheid van de aanpak. De eerste toetsregel is dat gemeenten debetaalbaarheid voor de eindgebruikers binnen het warmtetransitiegebiedmoeten waarborgen door in acht te nemen dat de kosten en baten van deverduurzamingsmaatregelen over de looptijd van de investering voor hetovergrote deel van de bewoners in een gebied in verhouding zijn. Dat wilzeggen dat de kosten de baten in de levensduur niet mogen overstijgen.Hiermee wordt gewaarborgd dat het plan van de gemeente vanuitfinancieel economisch oogpunt redelijk is voor het gebied. Dit is een toetsvooraf bij het aanwijzen van het gebied in het omgevingsplan. De tweedetoetsregel is dat gemeenten rekening houden met de financiëlehaalbaarheid van de verduurzamingsmaatregelen voor de bewoners vanhet gebied. Gemeenten moeten daartoe rekening houden met 1) de matewaarin bewoners, in het bijzonder kwetsbare afnemers, de gevolgen voorde maandlasten kunnen dragen en 2) de mogelijkheden voor bewonersom de verduurzamingsmaatregelen te financieren, bijvoorbeeld via eenhypothecaire lening. De betaalbaarheid van de alternatieve warmtevoor-ziening is door aan te sluiten bij de bevoegdheden van gemeenten opgrond van de Wgiw wettelijk geborgd. Daarmee wordt appartementseige-naars het perspectief geboden op een financiële aantrekkelijkheid van de2Kamerstukken II 2023/24, 36 387, nr. 20.3Het Bgiw zal ook een instructieregel bevatten die ziet op de betaalbaarheid vanuit nationaalperspectief.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7013 alternatieve warmtevoorziening die noodzakelijk is om effectief eenbesluit over het al dan niet overgaan op deze voorziening te kunnennemen. Dit draagt bij aan de mogelijkheid voor VvE’s om tot eenweloverwogen en uitvoerbaar beluit te komen.Ten slotte stelt de Afdeling advisering nog een aantal meer technischepunten aan de orde, namelijk de stemverhoudingen, deopt-outmogelijkheid in het amendement in verhouding tot artikel 2.25Wcw en de Wgiw, en de plaats van het amendement in de Wcw.Naar aanleiding van de voorlichting van de Afdeling advisering is deregeling met betrekking tot de stemverhouding, namelijk dat het besluitvan de VvE om een aanbod van een warmtebedrijf te aanvaarden met eenmeerderheid van 50% +1 kan worden genomen, komen te vervallen.Daarmee sluit het amendement aan bij hetgeen is geregeld in artikel 5:127lid 1 BW. Uitgangspunt is dan dat besluiten in de vergadering vaneigenaars genomen worden met een volstrekte meerderheid, oftewel metten minste meer dan de helft van de uitgebrachte stemmen. Het is echtermogelijk om in het reglement van de VvE af te wijken van dituitgangspunt en een hogere besluitvormingseis voor te schrijven. Hetbesluit om een aanbod van een aangewezen warmtebedrijf te aanvaardenzal in de regel onder de hogere besluitvormingseis vallen, bijvoorbeeldtwee-derde van het totale aantal aanwezige stemmen, aangezien deze eisin de regel geldt voor het aanbrengen voor nieuwe installaties en vooruitgaven boven een bepaald bedrag. Besloten is nu niet vooruit te lopende VvE-versnellingsagenda verduurzaming, waarin is aangekondigd datde wet zal worden gewijzigd, zodat voor alle VvE’s een meerderheid van50% +1 van de stemmen gaat gelden voor het nemen van een besluit voorverduurzamingsmaatregelen.4Ook stelt de Afdeling advisering vragen over het instemmingsrecht vanhuurders. In het geval van een gemengde VvE worden in het appartemen-tencomplex ook woningen verhuurd. Wanneer er binnen het gebouw tienof meer appartementen worden verhuurd, is de instemming van 70% vande huurders noodzakelijk om een besluit te nemen over renovatie (artikel7:220, tweede en derde lid, van het BW).In de huurregelgeving is inderdaad het instemmingsrecht van dehuurder opgenomen. Dit is een belangrijke waarborg voor de huurder tenopzichte van keuzes van de verhuurder. In een gemengde VvE (koop- enhuurwoningen) is het de verhuurder als appartementseigenaar die zijnstem uitbrengt binnen de VvE. Het is belangrijk dat de verhuurder daarbijhet instemmingsrecht van de huurder in acht neemt.Het amendement bevat een opt-outmogelijkheid voor individueleappartementseigenaars, omdat zij kenbaar kunnen maken niet aange-sloten te willen worden op een collectieve warmtevoorziening. Dit verzoekwordt erkend als daardoor de aanleg van het warmtenet redelijkerwijstechnische niet onmogelijk is of de kosten significant hoger worden. Dezeleden worden dan niet gebonden door de aansluitovereenkomst die deVvE dan namens alle leden sluit met het aangewezen warmtebedrijf. Dezeopt-outmogelijkheid moet worden onderscheiden van die in artikel 2.25Wcw. Deze opt-out ziet op het besluit dat een VvE neemt naar aanleidingvan een aanbod van een warmtebedrijf als bedoeld in artikel 2.25. Als eenVvE niet binnen de termijn die daarvoor gegeven wordt niet te kennengeeft dit aanbod niet te aanvaarden, wordt de VvE als gebouweigenaargeacht het aanbod stilzwijgend aanvaard te hebben. Binnen 14 dagenheeft de VvE dan nog de mogelijkheid de overeenkomst zonder opgavevan redenen te ontbinden. De opt-out van artikel 2.25 van de VvE gaat4Kamerstukken II 2022/2023, 30 196, nr. 817, p. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7014 vooraf aan die van de individuele appartementseigenaar. Die van de VvEziet op de mogelijkheid terug te komen op een stilzwijgende aanvaardingvan het aanbod van het aangewezen warmtebedrijf, die van de individueleappartementseigenaars op de mogelijkheid niet gebonden te worden aande aansluitovereenkomst die de VvE sluit namens alle leden met datwarmtebedrijf.De opt-outmogelijkheid in de Wcw sluit aan op de Wgiw. Met de Wgiwen het Bgiw krijgen gemeenten de bevoegdheid om een warmtetransitie-gebied in het omgevingsplan aan te wijzen. Het warmtetransitiegebied ishet gebied dat wordt aangewezen om over te stappen van aardgas op eenduurzame energievoorziening zoals een warmtenet. Woning- en gebou-weigenaren, waaronder appartementseigenaars, zijn niet verplicht om aante sluiten op het (collectieve) alternatief voor aardgas dat de gemeentekiest. Een gebouweigenaar of een appartementseigenaar die eenappartementsrecht bezit kan, in plaats van mee te gaan met het door degemeente gekozen duurzame alternatief, dus kiezen voor een anderalternatief. Deze keuzevrijheid zal tot uitdrukking worden gebracht in hetBgiwNaar aanleiding van de voorlichting is de regeling van de bevoegd-heden van de VvE ten aanzien van de aansluiting op een collectievewarmtevoorziening in de situatie dat een gemeente een gebied heeftaangewezen van het gas af te gaan, ondergebracht in een aparthoofdstuk. Daarmee komt beter de specifieke aard van de regeling,namelijk de civielrechtelijke problematiek rondom besluitvorming binnenVvE’s die warmte afnemen, tot uitdrukking. Ook is het daardoor duidelijkerdat de regeling ziet op meerdere vormen van warmtelevering.Gevolgen voor de rechterlijke machtMet dit amendement wordt beoogd te regelen dat VvE’s vaker zullenkunnen besluiten om een aansluitovereenkomst aan te gaan. Hiertegenstaat rechtsbescherming open, in de eerste plaats bij de kantonrechter.Aangezien hierdoor naar verwachting vaker aansluitovereenkomstenzullen worden gesloten is het niet onwaarschijnlijk dat dit leidt tot eenstijging in het aantal rechtszaken. Het amendement heeft voor de werklastvan de rechterlijke macht ook verlichtende effecten. Het doel van hetamendement is om een duidelijker juridisch kader te creëren voor VvE’som over te gaan op een collectieve warmtevoorziening. In bepaaldegevallen kan dit ertoe leiden dat een gang naar de rechter niet langernodig is.Artikelsgewijs Artikel 7a.1In de artikelen 7a.1 tot en met 7a.4 wordt de bevoegdheid van de VvEgeregeld bij een aanbod van een aangewezen warmtebedrijf om aan tesluiten op een collectieve warmtevoorziening indien deze VvE eigenaar isvan een gebouw dat zich bevindt in een gebied waarvan op grond van deWgiw is bepaald dat het transport van aardgas wordt stopgezet. Het gaatdan om een aanbod van een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld inartikel 2.25 van de wet.– In het geval dat een gemeente in het kader van de Wgiw gebruikmaakt van haar bevoegdheid een gebied aan te wijzen om van het gas afte gaan, en een collectieve warmtevoorziening als alternatievevoorziening is aangewezen, is het aangewezen warmtebedrijf verplichtom een gebouweigenaar die in dit gebied is gelegen, een aanbod vooreen aansluitovereenkomst te doen (artikel 2.25 Wcw). De VvE moet danbinnen een bepaalde termijn reageren op dit aanbod. Indien daar niet opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7015 tijd op wordt gereageerd wordt de VvE geacht het aanbod stilzwijgendaanvaard te hebben (met de mogelijkheid binnen 14 dagen de aansluito-vereenkomst kosteloos nog te ontbinden). Deze procedure geldt als eenopt-outmogelijkheid voor de VvE als collectief. Uiteraard staat het de VvEvrij ook het aanbod expliciet te aanvaarden. Artikel 7a.1, eerste lid, regeltdat de VvE na het aanbod van het warmtebedrijf haar leden gedurendetwee maanden in de gelegenheid stelt bij de vereniging en het aange-wezen warmtebedrijf kenbaar te maken geen aansluitovereenkomst methet aangewezen warmtebedrijf te willen aangaan. Omdat naar aanleidingvan dit besluit de VvE namens al haar leden een aansluitovereenkomstmet het aangewezen warmtebedrijf aangaat, moeten leden eerst demogelijkheid hebben om daartegen bezwaar te maken. Deze mogelijkheidkan worden beschouwd als een opt out mogelijkheid voor de individueleappartementseigenaars. Naar aanleiding van deze melding zal hetaangewezen warmtebedrijf dit lid en de VvE adviseren over de financiëleen technische consequenties van het in stand houden van de individueleaansluiting van deze appartementseigenaar voor de aanleg van decollectieve warmtevoorziening. Naar aanleiding van dit advies kan debetreffende appartementseigenaar een klacht indienen bij het aange-wezen warmtebedrijf. De VvE kan niet eerder een besluit nemen over hetaanbod van het aangewezen warmtebedrijf dan nadat deze procedureszijn doorlopen (artikel 7a.2).Het besluit van de VvE wordt overeenkomstig artikel 5:127 lid 1 BWgenomen met een volstrekte meerderheid, oftewel met ten minste meerdan de helft van de uitgebrachte stemmen. Het is echter mogelijk om inhet reglement van de VvE af te wijken van dit uitgangspunt en een hogerebesluitvormingseis voor te schrijven. Het besluit om een aanbod van eenaangewezen warmtebedrijf te aanvaarden zal in de regel onder de hogerebesluitvormingseis vallen, bijvoorbeeld twee-derde van het totale aantalaanwezige stemmen, aangezien deze eis in de regel geldt voor hetaanbrengen voor nieuwe installaties en voor uitgaven boven een bepaaldbedrag.– Het tweede lid regelt de gevolgen van het besluit van een VvE om eenaanbod van aansluiting op een collectieve warmtevoorziening teaanvaarden. Als gevolg van het besluit van de VvE gaat het bestuur vande VvE namens alle appartementseigenaars die deel uitmaken van de VvEen die gedeelten van een gebouw bezitten die bestemd zijn voor verblijfvan personen, een aansluitovereenkomst aan met het aangewezenwarmtebedrijf. Het gaat dan om de aansluitovereenkomst die uit deaanvaarding van dat aanbod voortvloeit. Het aangewezen warmtebedrijfhoeft dus niet meer met de afzonderlijke appartementseigenaarsindividuele aansluitovereenkomsten te sluiten. Dit geldt eveneens in hetgeval een VvE niet reageert op het aanbod van het aangewezen warmte-bedrijf en daardoor het aanbod stilzwijgend wordt aanvaard (artikel 2.25,derde lid, Wcw). De aansluitovereenkomst die de VvE aangaat met hetaangewezen warmtebedrijf ziet op de aansluiting van alle gedeelten vanhet gebouw die voor verblijf van personen bestemd zijn. Voor debetekenis van het begrip «verblijf van personen» wordt verwezen naar determinologie zoals die ook wordt gebruikt in het Besluit bouwwerkenleefomgeving en het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het gaat dan om eenverblijfsgebied met een minimumniveau van verblijven van personen. Bijbijvoorbeeld een kantoor moeten de werkvertrekken voor administratievewerkzaamheden en bij een school de klaslokalen als dergelijke verblijfsge-bieden worden aangemerkt. Ook bijvoorbeeld een winkel in de plint vaneen gebouw is bedoeld voor verblijven van personen. Hiervan is geensprake bij gedeelten met een overige gebruiksfunctie waarin activiteitenplaatsvinden waarbij het verblijven van personen een ondergeschikte rolspeelt, zoals een opslagruimte of een ondergrondse parkeergarage. Of bijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7016 gedeelten met een industriefunctie, zoals een opslagloods, een kas en eenstal. Een winkelfunctie of een kantoorfunctie is wel bedoeld voorverblijven van personen.Het betreft hier een uitbreiding van de bevoegdheden van een VvE tenopzichte van hetgeen is geregeld in artikel 5:126 BW. Alle leden van deVvE (alle individuele appartementseigenaars van het gebouw waar de VvEbetrekking op heeft) worden daarmee aangesloten op een collectievewarmtevoorziening. Het uitgangspunt dat iedereen wordt aangeslotencreëert een heldere, juridische situatie, waarbij wordt aangesloten bij hetbelang van de meerderheid van de appartementseigenaars en technischcomplexe en daardoor kostbare, uitvoeringsproblemen wordenvoorkomen. Iedere appartementseigenaar heeft vervolgens demogelijkheid als verbruiker een leveringsovereenkomst met het aange-wezen warmtebedrijf te sluiten. Indien een appartementseigenaar zijnappartement laat gebruiken door een andere persoon, kan deze verbruikereen leveringsovereenkomst afsluiten. Een appartementseigenaar die geenleveringsovereenkomst als bedoeld in artikel 2.30 met het aangewezenwarmtebedrijf wil afsluiten, kan dat doorgeven aan het aangewezenwarmtebedrijf zodat daarmee rekening kan worden gehouden bij deaanleg van het systeem door zijn appartement (bijvoorbeeld geenindividueel afleverset of meetinrichting). Zie voorgesteld artikel 7a.4,tweede lid.– Het derde lid biedt de individuele appartementseigenaar demogelijkheid niet gebonden te zijn aan de aansluitovereenkomst die deVvE sluit met het aangewezen warmtebedrijf namens al haar leden, indienhij geen aansluiting op een collectieve warmtevoorziening wil en dezewens kan worden gerespecteerd zonder dat daarmee de aanleg van eencollectieve warmtevoorziening voor de overige appartementseigenaars ingevaar komt of significant duurder wordt. Deze appartementseigenaar zaldit moeten melden bij zijn VvE en het aangewezen warmtebedrijf zodrahet aanbod van dit warmtebedrijf bekend is bij de VvE. Het besluit van deVvE om het aanbod van het aangewezen warmtebedrijf al dan niet teaanvaarden kan niet eerder genomen worden dan nadat individueleappartementseigenaars gedurende twee maanden in de gelegenheid zijngesteld deze melding te doen (eerste lid). Als deze appartementseigenaarvoldoet aan de voorwaarden van het derde lid, kan hij zijn eigenaansluiting behouden. Omdat hij niet gebonden wordt door de aansluito-vereenkomst die de VvE sluit overeenkomstig artikel 7a.1, tweede lid, zalhij ook niet met de kosten van deze aansluitovereenkomst kunnen wordengeconfronteerd.– Het vierde lid regelt dat de overeenkomst bedoeld in het tweede lidalleen wordt gesloten namens appartementseigenaars die een apparte-mentsrecht bezitten dat bestemd is voor verblijf van personen. Dit sluitaan bij het tweede lid, waarin is geregeld dat de overeenkomst alleen zietop het aansluiten van de gedeelten van het gebouw die voor verblijf vanpersonen bestemd zijn op een collectieve warmtevoorziening. Indien eenappartementseigenaar geen appartementsrecht bezit dat bestemd is voorverblijf van personen, is hij dus niet gebonden aan de aansluitovereen-komst.Artikel 7a.2– Een lid van een VvE die bezwaar heeft tegen een aansluiting op eencollectieve warmtevoorziening kan dit binnen twee maanden nadat hetaanbod door het aangewezen warmtebedrijf aan de VvE is gedaan,melden bij de VvE en het aangewezen warmtebedrijf. Het aangewezenwarmtebedrijf zal naar aanleiding van deze melding adviseren over devraag of het verzoek van dit lid niet aangesloten te worden voldoet aan devoorwaarden van artikel 7a.1, derde lid (eerste lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7017 – Naar aanleiding van dit advies kan zowel het lid van de VvE als de VvEeen klacht bij het aangewezen warmtebedrijf indienen als ze het niet meeeens zijn met het advies (tweede lid). Het aangewezen warmtebedrijf moetop grond van artikel 2.28 van de Wcw een klachtenprocedure inrichten.Doel is daarmee een weloverwogen en goed toegelicht standpunt van hetaangewezen warmtebedrijf te verkrijgen over de financiële en technischemogelijkheid om een individuele aansluiting van een lid in stand tehouden als deze niet wil overgaan op de collectieve warmtevoorziening(tweede lid).– Na dit advies en eventueel de afhandeling van de klachtenprocedurenaar aanleiding van dit advies, kan de VvE een besluit nemen over hetaanbod van een aangewezen warmtebedrijf (derde lid). Als het betref-fende lid het vervolgens niet eens is met het besluit dat de VvE vervolgensneemt, kan dit besluit door hem overeenkomstig artikel 5:130 BW voorvernietiging worden voorgedragen bij de kantonrechter.Artikel 7a.3– In artikel 7a.3, eerste lid, wordt geregeld dat de kosten die voort-vloeien uit de aansluitovereenkomst voor rekening komen van degezamenlijke appartementseigenaars namens wie de overeenkomst isaangegaan. De kosten komen dus niet voor rekening van de appartement-seigenaar namens wie de overeenkomst niet gesloten wordt, in het gevaleen appartementseigenaar gebruik maakt van de mogelijkheid die wordtgeregeld in artikel 7a.1, derde lid, of indien deze geen rechthebbende isvan een appartementsrecht dat bestemd is voor verblijf door personen.Het gaat bij dit voorschrift om de kosten die direct voortvloeien uit deaansluitovereenkomst evenals de kosten en schulden die worden gemaaktter financiering van de kosten en schulden van die aansluitovereenkomst,zoals de kosten en schulden die voortvloeien uit een financieringsover-eenkomst met een derde partij. Waar in dit artikel wordt verwezen naar«de kosten en schulden bedoeld in het eerste lid» wordt verwezen naarzowel de kosten en schulden die voortvloeien uit de aansluitovereenkomstals de kosten en schulden die voortvloeien uit de financiering van dieovereenkomst.– In het tweede lid wordt geregeld dat de kosten in beginsel wordenverdeeld over de appartementseigenaars die overgaan op de collectievewarmtevoorziening op basis van het aantal appartementsrechten dat zijbezitten. Hiermee wordt aangesloten bij hetgeen wettelijk is geregeld inartikel 5:113, tweede lid, BW. De appartementseigenaars dragen hieraanbij jegens de vereniging van eigenaars, die gehouden is de financiëleverplichtingen die voortvloeien uit de aansluitovereenkomst aan hetaangewezen warmtebedrijf te voldoen. Het voorgestelde tweede lid wijktechter af van artikel 5:113, tweede lid, BW omdat deze kosten niet behorentot de gezamenlijke kosten van alle appartementseigenaars, maaruitsluitend die appartementseigenaars wier appartementsrecht op decollectieve warmtevoorziening wordt aangesloten. In het geval dat eenverkrijger via toedeling of overdracht rechthebbende wordt van hetappartementsrecht, zullen de kosten die voortvloeien uit de aansluitover-eenkomst en waarvoor de verkrijger van het appartementsrecht aanspra-kelijk wordt, moeten blijken uit de in artikel 5:122, vijfde lid, BW bedoeldeverklaring.– Op grond van artikel 5:113, tweede lid, BW kan in het splitsingsre-glement een verdeelsleutel worden opgenomen die afwijkt van dewettelijke regeling dat de appartementseigenaars in gelijke delenbijdragen in de kosten op basis van het aantal appartementsrechten. InTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7018 modelreglement (MR) 1983 en latere modelreglementen5 is voorzien ineen verdeling van de kosten op basis van het aantal breukdelen. Deverdeling van het aantal breukdelen is opgenomen in de splitsingsakte engeeft de verhouding tussen het betreffende appartementsrecht en hettotaal aantal appartementsrechten in de VvE weer. De breukdelen wordenin de meeste gevallen gebaseerd op de omvang of de waarde van deappartementen. In eerdere modelreglementen6 is opgenomen dat dekosten in gelijke delen tussen de appartementseigenaars wordenverdeeld. Met het derde lid wordt beoogd te regelen dat een dergelijke inhet reglement opgenomen verdeling van toepassing is op de kosten dievoortvloeien uit de aansluitovereenkomst. Dit betekent dat de apparte-mentseigenaars die worden aangesloten de kosten verdelen op basis vande in het reglement opgenomen verdeling, waarbij de appartements-rechten (en de daaraan verbonden breukdelen) die niet worden aange-sloten buiten beschouwing worden gelaten, in zoverre deze alternatieveverdeling zich hier niet tegen verzet.– Een alternatieve verdeling die zeer nauw toegespitst is op een bepaaldtype kosten, waarvoor een bijzondere verdeling aangewezen is, is eenvoorbeeld van een alternatieve verdeling die zich verzet tegen overeen-komstige toepassing op de kosten en schulden van een collectievewarmtevoorziening. Hierbij kan worden gedacht aan een alternatieveverdeling die alleen betrekking heeft op de kosten voor de lift.7In een splitsingsreglement kan ook worden opgenomen dat ten aanzienvan verschillende kosten verschillende andere verhoudingen wordenvastgesteld. Met het vierde lid wordt beoogd voor deze gevallen duide-lijkheid te scheppen over welke andere verhouding dan moet wordentoegepast. Deze keuze is aan de vergadering van eigenaars gelaten, metdien verstande dat de aard van de andere verdeling die zij kiezen zich hierniet tegen verzet, zoals toegelicht bij het derde lid. Tegen een dergelijkbesluit van de VvE staat rechtsbescherming open. Een individueleappartementseigenaar zou bijvoorbeeld kunnen menen dat de aard vande gekozen andere verhouding zich hiertegen verzet, of dat de keuze instrijd is met de redelijkheid en billijkheid, en op grond hiervan vernietigingvan het VvE-besluit verlangen bij de kantonrechter.8– In het vijfde lid wordt geregeld dat in afwijking van het tweede enderde lid de appartementseigenaars namens wie de overeenkomst wordtgesloten niet gehouden is jegens de vereniging van eigenaars in dekosten bij te dragen, maar dat – indien dit in de overeenkomst is bepaald –het aangewezen warmtebedrijf deze kosten direct bij de individueleappartementseigenaars in rekening brengt. Hiervoor kan bijvoorbeeldworden gekozen om de VvE op administratief gebied te ontlasten.Artikel 7a.4– Het eerste lid regelt een medewerkingsplicht voor alle leden van deVvE die het besluit heeft genomen het aanbod van een aangewezenwarmtebedrijf al dan niet stilzwijgend te aanvaarden en daartoe eenaansluitovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf namens al zijnleden sluit. Deze plicht betreft «alle werkzaamheden die redelijkerwijs5I&O research, «Drijfveren en barrières van leden VvE’s bij verduurzamingsopgave», 2023, p. 42.MR 1983, artikel 2; MR 1992, artikel 2; Reglement ondersplitsing 2006, artikel 8; MR 2006, artikel8; MR Kleine Vereniging van Eigenaars, artikel 6.6Het betreft MR 1973 evenals Reglement serviceflats 1987 en Reglement serviceflats 1975.7In voorkomende gevallen wordt bijvoorbeeld voor de lift een specifieke verdeelsleutelopgesteld om rekening te houden met het feit dat de bewoners van de begane grond geengebruik maken van de lift. Hierom kan in het splitsingsreglement zijn bepaald dat zij nietbijdragen in de kosten die hiermee gemoeid zijn. Een dergelijke verdeling is niet van overeen-komstige toepassing, omdat deze redenering niet redelijkerwijs toepasbaar is op de kostenvoor een warmtenet.8Artikel 5:130, eerste lid, BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7019 noodzakelijk zijn» ten behoeve van het realiseren van de aansluiting, maarziet ook op het onderhoud dat daarna nodig is, alsook eventuele toekom-stige verwijdering van leidingen e.d. Het aangewezen warmtebedrijf is bijhet verrichten van de werkzaamheden gehouden rekening te houden metde belangen van de individuele appartementseigenaars (aanpassingenmoeten proportioneel zijn en niet minder ingrijpend kunnen wordengerealiseerd). Dit geldt met name als een appartementseigenaar heeftdoorgegeven niet op warmtelevering over te zullen gaan (tweede lid).Daarbij is expliciet bepaald dat de medewerkingsplicht ook ziet op hetprivégedeelte van de appartementseigenaar, «het deel dat bestemd is omals afzonderlijk geheel door hem te worden gebruikt» (artikel 5:106 BW).Een appartementseigenaar moet dus meewerken aan het aanleggen vanleidingen door de gemeenschappelijke gedeelten van het gebouw maarook door zijn appartement, indien en voor zover dat redelijkerwijsnoodzakelijk is om een aansluiting van het gebouw op een collectievewarmtevoorziening te realiseren. Het gaat meer concreet om hetaanleggen van een collectieve warmtevoorziening met toebehoren in hetappartementsgebouw tot aan de hoofdaansluiters in de appartementen.Het plaatsen van de individuele afleverset en de meetinrichting gebeurtpas bij het sluiten van de leveringsovereenkomst. De VvE kan zo nodig denaleving van de verplichting voor de rechter afdwingen door op grondvan artikel 611a Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering nakoming vande verplichting onder betaling van een dwangsom te vorderen van een liddat medewerking weigert.– Het tweede lid regelt dat een lid van de VvE die niet op warmte wilovergaan en dus geen leveringsovereenkomst gaat sluiten met hetaangewezen warmtebedrijf, dit kan melden aan dit warmtebedrijf, opdatdeze bij de noodzakelijke aanpassingen in het appartement ten behoevevan de aansluiting op een collectieve warmtevoorziening hiermeerekening kan houden (bijvoorbeeld geen afleverset en meetinrichtinginstalleren). Het betreffende lid zal echter wel aan de kosten van deaansluiting moeten meebetalen omdat hij wel wordt aangesloten opgrond van de aansluitovereenkomst van de VvE, bedoeld in artikel 7a.1,tweede lid. De aansluitovereenkomst wordt immers gesloten door devereniging van eigenaars namens alle leden. De kosten die op grond vandeze overeenkomst worden gemaakt komen dan ook ten laste van degezamenlijke appartementseigenaars die door deze overeenkomst wordengebonden en behoren tot de gemeenschappelijke kosten. Deze kostenworden op grond van artikel 7a.3 evenredig verdeeld over de apparte-mentseigenaars, tenzij in het reglement een andere verhouding isbepaald. Indien het reglement niet voorziet in een kostenverdeling komende kosten op grond van artikel 5:113, tweede lid, BW in gelijke delen voorrekening van de appartementseigenaars die worden aangesloten. Voorhet aansluiten schrijft de Wcw en het daarop gebaseerde Besluit collec-tieve warmtevoorziening voor dat er een eenmalig aansluitbedrag inrekening kan worden gebracht. De appartementseigenaars die meldengeen aansluitovereenkomst met het warmtebedrijf te willen aangaan envoldoen aan de voorwaarden van artikel 7a.1, derde lid, zullen daar ookniet door gebonden worden. Aan hen kunnen daarom ook geen aansluit-kosten in rekening worden gebracht.– Het derde lid regelt dat een lid van de VvE die het besluit heeftgenomen het aanbod van een aangewezen warmtebedrijf te aanvaarden,en dat een aansluitovereenkomst met een distributiesysteembeheerdervoor gas heeft, meewerkt aan het verwijderen van zijn gasaansluiting. Hijzal ook in zijn privégedeelten aan het verwijderen van de gasleidingen ende daarmee verbonden hulpmiddelen moeten meewerken. Hij zal voor hetbeëindigen van zijn gasaansluiting contact moeten opnemen met zijndistributiesysteembeheerder. Deze zal in nauw overleg met het aange-wezen warmtebedrijf het moment van het afsluiten van het gas enaansluiten op een collectieve warmtevoorziening bepalen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7020 – Op grond van het vierde lid zal de verplichting om mee te werken aanhet verwijderen van de gasaansluiting ook gelden voor een lid dat geenleveringsovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf wil afsluiten,maar waarbij het verwijderen van deze aansluiting om financiële oftechnische redenen noodzakelijk is om het gebouw aan te sluiten op eencollectieve warmtevoorziening (vergelijk artikel 7a.1, derde lid).– In het vijfde lid is geregeld dat – indien een appartementseigenaar zijnappartement heeft verhuurd – de huurder als verbruiker aan dezelfdemedewerkingsverplichting is gehouden als de appartementseigenaar alslid van de VvE. Indien hij geen leveringsovereenkomst wil afsluiten, meldthij dit aan het aangewezen warmtebedrijf.– Het zesde lid regelt dat het aangewezen warmtebedrijf de apparte-mentseigenaars dan wel de verbruikers, bedoeld in het vijfde lid, binneneen bij ministeriële regeling te bepalen termijn schriftelijk informeert overde werkzaamheden die moeten gebeuren voor het realiseren van deaansluiting. Het zal dan in de regel gaan om het informeren over hettijdstip, de aard van de werkzaamheden en de wijze waarop dezeuitgevoerd gaan worden. Daarbij ligt het in de rede dat het aangewezenwarmtebedrijf duidelijk maakt op welke wijze met de belangen van deonderscheidene appartementseigenaars rekening zal worden gehouden.– Een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm verstrekt het aangewezen warmtebedrijf persoonsgegevensvan haar leden voor zover dat noodzakelijk is voor de uitvoering van deaansluitovereenkomst die zij sluit (bijvoorbeeld facturering) en om hetaangewezen warmtebedrijf in staat te stellen de schriftelijke kennisgeving,bedoeld in het zesde lid, te doen (zevende lid).– Het achtste lid sluit aan bij de mogelijkheid van een appartementsei-genaar om krachtens artikel 7a.1, derde lid, te melden dat hij geenaansluitovereenkomst met het aangewezen warmtebedrijf wil aangaan.Hij wordt dan niet gebonden aan de aansluitovereenkomst die de VvEnamens haar leden sluit met het aangewezen warmtebedrijf indiendaardoor tenminste de aanleg van een collectieve warmtevoorzieningredelijkerwijs technisch niet onmogelijk wordt en de kosten voor deandere appartementseigenaars daardoor niet significant hoger worden. Indat geval valt hij ook niet onder de verplichtingen, geregeld in artikel 7a.4.Dit geldt eveneens voor de appartementseigenaars van een apparte-mentsrecht dat betrekking heeft op gedeelten van een gebouw die nietvoor verblijf van personen bestemd zijn (artikel 7a.1, vierde lid).Artikel 7a.5Dit artikel regelt de bevoegdheid van een VvE bij een aanbod van eenwarmtebedrijf als bedoeld in artikel 2.24 en 2.25, om het gebouw aan tesluiten op een klein collectief warmtesysteem. Deze artikelen worden inartikel 3.7 van overeenkomstige toepassing verklaard op kleine collectievesystemen. In dat geval zijn de artikelen 7a.1 tot en met 7a.4 (met uitzon-dering van het tweede lid, in geval van een aanbod van een warmtebedrijfals bedoeld in artikel 2.25) van overeenkomstige toepassing.Artikel 7a.6Artikel 7a.6 regelt de bevoegdheid van een VvE bij een aanbod van eenwarmtebedrijf als bedoeld in artikel 2.25 tot aan te sluiten op eencollectieve warmtevoorziening of een klein collectief warmtesysteem alshet gaat om de levering van warmte, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid,onderdeel a. Het gaat dan om de levering van warmte aan ten hoogste 10natuurlijke personen of rechtspersonen (artikel 1.2 eerste lid, onderdeel d).Ook ziet dit artikel op de doorlevering van warmte door een VvE alsbedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onderdeel b. Alsdan zijn de artikelen 7a.1,tweede en derde lid, tot en met 7a.4 van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7021 Hoewel in deze situatie het warmtebedrijf voor deze levering geenaanwijzing nodig heeft noch een meldplicht richting het college geldt, entevens slechts enkele voorschriften uit het wetsvoorstel gelden, is ervoorgekozen voor deze situatie regels op te stellen en daarbij aan te sluiten bijhetgeen geregeld is in de artikelen 7a.1 tot en met 7a.4. Ook hier spelenimmers de problemen binnen VvE’s die in het algemeen deel van detoelichting zijn geschetst.Artikel 7a.7In dit artikel wordt de situatie geregeld dat de VvE zelf leverancier is.Hoewel deze situatie valt onder de ontheffingsmogelijkheid van artikel 4.2en slechts enkele voorschriften uit het wetsvoorstel in dat geval gelden, iservoor gekozen ook voor deze situatie regels te stellen en daarbij aan tesluiten bij de artikelen 7a.1 tot en met 7a.4. Het gaat dan om het besluitvan een VvE warmte te leveren waarvoor op grond van artikel 4.1, eerstelid, een verplichting geldt dit te melden aan het college. De bevoegdheidgeldt alleen in de situatie dat een gemeente in het kader van de Wgiw eengebied heeft aangewezen om van het gas af te gaan en het gebouw vande VvE binnen dit gebied ligt.GrinwisBontenbalTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 576, nr. 7022
Gerelateerde bronnen
- Gewijzigd amendement van de leden Grinwis en Bontenbal ter vervanging van nr. 28 over doorzettingsmacht voor verenigingen van eigenaren voor een aansluitovereenkomst op een collectieve warmtevoorziening
Gewijzigd amendement van de leden Grinwis en Bontenbal ter vervanging van nr. 28 over doorzettingsmacht voor verenigingen van eigenaren voor een aansluitovereenkomst op een collectieve warmtevoorziening
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.