Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. stand van zaken van een aantal moties in het domein Landelijk Gebied, Stikstof en Mest (Kamerstuk 35334-415)
Brontekst
Versie 9d113d709e3c674e · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202635 334Problematiek rondom stikstof en PFASNr. 428 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 19 februari 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van19 september 2025 over o.a. stand van zaken van een aantal moties in hetdomein Landelijk Gebied, Stikstof en Mest (Kamerstuk 35 334, nr. 415).De vragen en opmerkingen zijn op 2 februari 2026 aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van19 februari 2026 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,PodtDe griffier van de commissie,Jansma kst-35334-428ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4281 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de voorliggende stukken. Deze leden hechten aan een voortvarendeaanpak van de stikstofcrisis, maar benadrukken dat maatregelen nooit ineen vacuüm staan. Een integrale blik is cruciaal om te voorkomen datwinst op het gebied van emissies ten koste gaat van het welzijn van dedieren in de veehouderij. De Kamer heeft derhalve moties aangenomenom te zorgen dat de stikstofmaatregelen getoetst worden op hun bijdrageaan dierwaardigheid. Kan de Minister aangeven op welke wijze de huidigeen voorgestelde stikstofmaatregelen reeds wetenschappelijk wordengetoetst op de impact op dierwaardigheid en door welke instanties dezetoetsing wordt uitgevoerd? Hoe borgt de Minister dat de integralebenadering leidend is bij het ontwerp van nieuwe regelingen, zodatmaatregelen die emissies reduceren niet contraproductief werken voorhet welzijn van het dier? Voorts vragen deze leden op welke manier deMinister voorkomt dat een eenzijdige focus op, of prioritering van, snelleemissiereductie de uitvoering van de afspraken uit het convenant«Stappen naar een dierwaardige veehouderij» bemoeilijkt of zelfstegenwerkt.AntwoordIk deel de oproep voor een integrale blik op het ontwikkelen van beleid enhet inzetten van maatregelen. Het beleid en verschillende maatregelen dievoor verschillende opgaven wordt gemaakt, wordt daarom zoveelmogelijk integraal aangevlogen. Immers, het komt allemaal samen op hetboerenerf. Zo wil ik zo veel mogelijk voorkomen dat beleid gericht op deene opgave ingaat tegen andere opgaven waar agrarische ondernemersook aan werken en dat maatregelen elkaar juist zo veel mogelijkversterken. Er zijn veel maatregelen waarin dierenwelzijn en het vermin-deren van de stikstofuitstoot hand in hand gaan, zoals bij stalinnovatiesdie bijdragen aan zowel het verminderen van emissies als een hogerdierenwelzijn. Daarnaast worden maatregelen die raken aan de bedrijfs-voering en het dier, zoals aanpassingen in het voer, wetenschappelijkgevolgd en getoetst. Zo wordt op de Dairy Campus onder gecontroleerdeomstandigheden onderzoek gedaan naar de effecten van verschillende,relatief lage eiwitniveaus in het rantsoen op diergezondheid en dieren-welzijn. Dit onderzoek wordt uitgevoerd door onafhankelijke kennisinstel-lingen en dierenwelzijnsdeskundigen en biedt belangrijke inzichten in degrenzen waarbinnen emissiereductie mogelijk is zonder negatievegevolgen voor het dier.Ook geldt het andersom en kunnen sommige maatregelen ten behoevevan dierwaardigheid effecten hebben op de stikstofopgaven en breder opemissies van broeikasgassen, fijnstof en geur. Samen met partijen van hetconvenant dierwaardige veehouderij zullen onderzoek en pilots wordeningezet om tot oplossingen hiervoor te komen.De leden van de D66-fractie vragen in het kader van integraliteit naar denieuwbouw van stallen in de buurt van stikstofgevoelige natuurgebieden.Erkent de Minister dat het onwenselijk en inconsistent zou zijn als eenveebedrijf op dit moment nog een nieuwe stal bouwt nabij een stikstofge-voelig natuurgebied, terwijl deze locatie op korte termijn mogelijk inaanmerking komt voor een uitkoopregeling in het kader van de stikstof-aanpak? Kan de Minister reflecteren op de doelmatigheid van publiekemiddelen wanneer er enerzijds vergunningen voor uitbreiding wordenverleend, terwijl er anderzijds miljarden worden uitgetrokken voor debeëindiging van locaties op diezelfde locaties? Welke instrumenten heeftde Minister op dit moment om dergelijke kapitaalvernietiging teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4282 voorkomen? Kan de Minister inzicht geven in hoe de vergunningverleningvoor nieuwbouw op kwetsbare locaties tijdelijk kan worden beperkt ofkritischer getoetst in afwachting van de gebiedsgerichte aanpak?AntwoordVergunningverlening voor nieuwbouw moet voldoen aan alle milieu- ennatuureisen, waaronder de eisen in verband met de ligging in de nabij eenstikstofgevoelig Natura 2000-gebied. Het zal niet vaak voorkomen dat eenveehouderij op dit moment nog een nieuwe stal kan bouwen nabij eenstikstofgevoelig Natura 2000-gebied en als deze wil salderen, moetworden voldaan aan het additionaliteitsvereiste. Als dit aan de orde is zijnprovincies (Gedeputeerde Staten) bevoegd gezag om te beoordelen of hetproject kan doorgaan. Daarmee zijn er dus reeds zeer stevige beperkingenaan het bouwen van nieuwe stallen naast natuurgebieden. Bovendiengeldt dat de staatssteunkaders voorschrijven dat stallen jonger dan vijfjaar niet in aanmerking komen voor subsidie bij beëindiging.Daarnaast geldt dat in de vormgeving van toekomstig instrumentariumook prioriteit gegeven wordt aan kwetsbare gebieden. Zo wordt in deaangekondigde vrijwillige beëindigingsregeling voorrang gegeven aanbedrijven in een straal van één kilometer rondom overbelaste stikstofge-voelige N2000-gebieden.De leden van de D66-fractie maken zich tevens zorgen over de uitvoe-ringskracht op lokaal en provinciaal niveau. De urgentie van natuurherstelis groot, maar de tekorten op de arbeidsmarkt en de beperkte ambtelijkecapaciteit dreigen een flessenhals te vormen. Erkent de Minister dat eentekort aan menskracht momenteel een reëel risico vormt voor de snelheidvan ruimtelijke ontwikkelingen en de afwikkeling van stikstofdossiers? Kande Minister toelichten hoe expertise worden gegroepeerd om concur-rentie tussen overheden te voorkomen?AntwoordIk herken het risico van een tekort aan menskracht. Uit de «Voortgangs-rapportage provinciale maatregelen» over uitvoeringsjaar 2024, die ik indecember 2025 met uw Kamer heb gedeeld, komt ook naar voren datvoortdurende inzet van gemeenten, provincies, Rijk en andere betrok-kenen noodzakelijk blijft om de komende jaren verdere stappen te zettenrichting de realisatie van de doelen. Daarom werk ik er aan om decapaciteit die bij het Rijk voorhanden is zo goed mogelijk in te zetten endaarbij de samenwerking te zoeken met de mede-overheden. Dat doe ikop verschillende manieren. Met de gestarte «extra rijksinzet voorgebieden en boerenerven» ondersteunt het Rijk met focus op de 5 cluster-gebieden1 actief bij de uitvoering om onder regie van de provincie waarmogelijk verdere versnelling teweeg te brengen. In het kader van deaanpak Veluwe wordt zelfs al gewerkt aan de opzet van een samenwer-kingsverband tussen overheden om expertise te bundelen. Daarnaastversterkt het Rijk de uitvoeringskracht van medeoverheden met de inzetvan het Rijksuitvoeringsnetwerk Landelijk Gebied (RUN). In opdracht vanhet Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)ondersteunt dit netwerk provincies en andere gebiedspartijen bij deaanpak van opgaven in het landelijk gebied. RUN bestaat uit zes Rijksuit-voeringsorganisaties in het fysieke domein (de Rijksdienst voor Onder-nemend Nederland, Staatsbosbeheer, het Kadaster, Rijksvastgoedbedrijf,Rijkswaterstaat en de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed) en levertspecialistische expertise, data en kennis voor gebieden met de grootsteopgaven voor landbouw en natuur. Tevens ondersteun ik medeoverhedenmet kennisdeling en handreikingen voor de vergunningverlening in1Veluwe, Peel, Noordwest-Overijssel, Groene Hart en Hart van het NoordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4283 gebieden met veehouders die met behulp van regelingen hun bedrijfbeëindigen in het kader van de aanpak piekbelasting. Veehouders zelf biedik ondersteuning met de inzet van zaakbegeleiders die ondernemersbegeleiden en ondersteunen bij het leggen van contacten met medeover-heden, bijvoorbeeld in verband met vergunningen.De leden van de D66-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen vande berichtgeving dat de Staatssecretaris persoonlijk heeft aangedrongenop de publicatie van een stikstofrapport dat door experts als«rammelend» werd bestempeld (NRC, 26 januari 2026, «StaatssecretarisRummenie duwde rammelend stikstofrapport er persoonlijk door»,(https://www.nrc.nl/nieuws/2026/01/26/staatssecretaris-rummenie-duwde-rammelend-stikstofrapport-er-persoonlijk-door-a4918389)). Deze ledenvragen de Minister aan te geven welke specifieke wijzigingen na deinterventie van de Staatssecretaris zijn doorgevoerd en hoe dit zichverhoudt tot de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het onderzoek.Het baart deze leden ernstige zorgen dat politieke wenselijkheid hier lijktte prevaleren boven feitelijkheid, wat de juridische houdbaarheid van hetbeleid direct in gevaar brengt. Waarom is er besloten de waarschuwingenterzijde te leggen en het rapport toch met een stellige politieke conclusienaar buiten te brengen? Kan de Minister de relevante beslisnota’s met deKamer delen?Deze leden vragen de Minister aan te geven welke specifieke wijzigingenna de interventie van de Staatssecretaris zijn doorgevoerd en hoe dit zichverhoudt tot de wetenschappelijke onafhankelijkheid van het onderzoek.Waarom is er besloten de waarschuwingen terzijde te leggen en hetrapport toch met een stellige politieke conclusie naar buiten te brengen?Kan de Minister de relevante beslisnota’s met de Kamer delen?AntwoordVan interventie van de Staatssecretaris ten behoeve van inhoudelijkeaanpassingen van het rapport is geen sprake. De Staatssecretaris vanLVVN heeft na het ontvangen van het eindconcept van het rapport eenonafhankelijke review laten uitvoeren door de heer Arthur Petersen. Opbasis van deze review heeft de heer Meester zelf nog enkele aanpassingenin zijn rapport doorgevoerd. Naar aanleiding van een informatieverzoekvanuit uw Kamer zijn de definitieve versie van het rapport en de review inoktober jl. openbaar gepubliceerd2. In de kabinetsreactie op het rapport iste lezen hoe het kabinet dit rapport beoordeelt3. Alle relevante beslisnota’sin het kader van het onderzoek van de heer Meester zijn reeds openbaargeworden door middel van een Woo-verzoek4.De leden van de D66-fractie constateren dat het concept 8e Actiepro-gramma Nitraatrichtlijn (AP) op verschillende punten een versoepelingbevat ten opzichte van het 7e AP, terwijl de dwingende KaderrichtlijnWater (KRW)-doelen van 2027 juist in zicht komen. Kan de Ministermotiveren hoe een programma dat inzet op verruiming van stikstofge-bruiksnormen, het versmallen van bufferstroken en het laten vervallenvan de 20 procent korting in voormalige met nutriënten verontreinigdegebieden (NV-gebieden), valt te rijmen met de Europese resultaatsver-plichting om achteruitgang van de waterkwaliteit te voorkomen? Op welkeandere punten was het 8e AP niet in lijn met de KRW-doelen? Delandsadvocaat waarschuwt expliciet voor een «duidelijk risico» dat eenrechter een streep zet door deze verruimingen, juist omdat niet kan2Kamerstuk 35 334, nr. 4183Kamerstuk 35 334, nr. 4254https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-landbouw-visserij-voedselzekerheid-en-natuur/documenten/publicaties/2026/01/21/documenten-bij-besluit-woo-verzoek-totstandkoming-rapport-over-stikstofTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4284 worden uitgesloten dat er verslechtering optreedt (Kamerstuk2026D03556). Hoe rechtvaardigt de Minister het risico op een juridischvacuüm en nieuwe blokkades voor de sector als gevolg van dezeonvoldoende onderbouwde koers?AntwoordHet 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn is door het kabinet niet vastgesteld.Op 19 december 2025 heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd over ditbesluit. Hiermee is uitvoering gegeven aan de motie Grinwis c.s.Aangezien het 8e actieprogramma niet is vastgesteld, kunnen vragen overde inhoud ervan niet beantwoord worden. Besluitvorming over eninvulling van het 8e actieprogramma, wordt daarmee overgelaten aan hetnieuwe kabinet.De leden van de D66-fractie maken zich bovendien ernstig zorgen over dewijze waarop de Minister de KRW-toets hanteert. Waar de Nitraatrichtlijnzich primair richt op een norm van 50 milligram per liter nitraat ingrondwater, stelt de KRW andere eisen aan zowel grond- als oppervlakte-water om eutrofiëring tegen te gaan. Uit ambtelijke stukken blijkt dat doorde voorgestelde versoepelingen de uitspoeling van stikstof naar hetoppervlaktewater vrijwel overal zal toenemen (Kamerstuk 2026D03460).Dit staat haaks op het achteruitgangsverbod, waarbij negatieve effectenper waterlichaam en per stof niet mogen worden gesaldeerd. Kan deMinister bevestigen dat het 8e AP per individueel waterlichaam wordtgetoetst op zowel de verbeteringsverplichting als het achteruitgangs-verbodw en kan zij daarbij garanderen dat wetenschappelijke onzeker-heden volgens het voorzorgsbeginsel niet worden gebruikt om verrui-mingen door te voeren?AntwoordIn de brief van 19 december 2025 is aangegeven dat het kabinet heeftbesloten om het 8e actieprogramma niet vast te stellen en de besluit-vorming over het 8e actieprogramma over te laten aan het volgendekabinet.De leden van de D66-fractie vragen aandacht voor de voorgesteldedoelsturing en de rol van fosfaat. Het concept 8e AP lijkt geen maatregelenmeer te bevatten voor fosfor, terwijl in 46 procent van de waterlichamende doelen voor fosfaat niet worden gehaald. Waarom ontbreken dezeessentiële maatregelen in het programma? Ten aanzien van doelsturingwijzen ambtelijke adviezen erop dat het versoepelen van streefwaardenop percelen die aan de norm voldoen het gebiedsgemiddelde omhoogbrengt, terwijl een equivalent voor aanscherping op overschrijdendepercelen ontbreekt. Hierdoor is het vrijwel zeker dat de doelen nooit zullenworden gehaald. Kan de Minister toelichten hoe deze systematiek in lijnzou zijn met de Nitraatrichtlijn en de doelen van de KRW?AntwoordHet 8e actieprogramma is niet vastgesteld, zie hiervoor ook mijn eerdereantwoord.De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief over devoortgang van het mestbeleid. Deze leden constateren dat de Ministerzwaar inzet op de export van organische meststoffen en het vergroten vande mestverwerkingscapaciteit. Kan de Minister nader toelichten hoe deaanbevelingen van de meststoffengezant, zoals het investeren inkennisontwikkeling in importerende landen, zich verhouden tot denoodzaak voor een structurele krimp van het mestoverschot aan de bron?Op welke termijn en in welke mate verwacht de Minister dat de voorge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4285 stelde publiek-private samenwerking en de pilots in het buitenland leidentot een meetbare ontlasting van de Nederlandse mestmarkt?AntwoordIn september 2024 heb ik de aanpak mestmarkt aan de Kamer gestuurd. Indeze Kamerbrief informeerde ik u over mijn aanpak, die bestaat uit eenmix van maatregelen voor de korte termijn en langere termijn. Hetvergroten van exportmogelijkheden was één van deze beschrevenmaatregelen die ook op de kortere termijn effect zou kunnen hebben.Onderdeel van deze aanpak waren de drie exportmissies die hebbenplaatsgevonden naar het oosten van Frankrijk (juli 2025), het westen vanPolen en het oosten van Duitsland (oktober 2025) op basis waarvan deheer Knops aanbevelingen heeft gedaan. De afzet van dierlijke mest in hetbuitenland is afhankelijk van goede relaties en wederzijdse bekendheidmet personen en procedures. Deze missies waren een mooie eerste stapvoor een verdere duurzame samenwerking in de komende jaren. Deomvang van de export van mest zal onder andere afhankelijk zijn van deontwikkelingen in Nederland ten aanzien van de mestproductie en deplaatsingsruimte en de vraag vanuit andere landen, en in hoeverre deweersomstandigheden de aanwending van mest toelaten.De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de brief over de wijziging van de uitvoeringsregelgeving in verbandmet de introductie van RENURE (Kamerstuk 22 112, nr. 4200). Deze ledenverwelkomen de mogelijkheid om kunstmest te vervangen doorhoogwaardige meststoffen uit dierlijke mest, mits dit gepaard gaat meteen daadwerkelijke verbetering van de milieukwaliteit en een reductie vande totale stikstofemissies.Kan de Minister toelichten hoe zij borgt dat de inzet van RENURE-producten, zoals mineralenconcentraat en ammoniumzouten, niet leidt toteen hogere totale stikstofbelasting op de bodem, aangezien het Europesevoorstel toestaat om jaarlijks tot 80 kilogram stikstof per hectareaanvullend op de bestaande 170 kilogram uit dierlijke mest aan tewenden? Welke aanvullende monitoring zet de Minister op om de effectenvan deze verhoogde stikstofaanwending op de waterkwaliteit en deuitspoeling van nutriënten nauwgezet te volgen? Voorts vragen dezeleden naar de voorwaarde dat het aantal dieren en de mestproductie nietmag toenemen bij de implementatie van RENURE. Hoe effectief acht deMinister de huidige regulering via productierechten en mestproductiepla-fonds om deze absolute grens te bewaken, zeker in het licht van de wenstot opschaling van mestverwerking? Met betrekking tot de kwaliteitseisenconstateren deze leden dat er strikte criteria gelden voor pathogenen enmaximale gehalten aan koper en zink. Op welke wijze wordt het toezichtop deze kwaliteitseisen ingericht en wie draagt de verantwoordelijkheidindien de gebruikte RENURE-producten in de praktijk niet aan dezeveiligheidsnormen voldoen? Tot slot vragen deze leden naar de tijdelijkeregistratie- en analyseverplichting voor producenten zolang een defini-tieve verankering in de Meststoffenwet nog uitblijft. Hoe voorkomt deMinister dat dit leidt tot onnodige administratieve lasten, terwijl tegelij-kertijd een sluitende borging van de meststromen noodzakelijk blijft omfraude en onbedoelde emissies tegen te gaan?AntwoordHet uitgangspunt bij de toepassing van Renure-producten is dat dezekunstmest vervangen en geen additionele stikstofinput vormen. In denationale uitwerking wordt daarom geborgd dat het gebruik van Renureuitsluitend mogelijk is binnen de bestaande stikstofgebruiksnormen. Ditbetekent dat toepassing van Renure gepaard gaat met een verminderingvan het gebruik van kunstmest, waardoor de aanwending van de totaleTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4286 hoeveelheid stikstof uit meststoffen per hectare niet toeneemt en binnende stikstoftotaalnorm blijft.Daarnaast wordt via gebruiksvoorschriften gestuurd op het moment vanaanwenden en het emissiearm aanwenden van Renure, zodat het risico opemissies en nutriëntenuitspoeling wordt beperkt. De effecten van Renureop waterkwaliteit en nutriëntenuitspoeling worden gevolgd via bestaandemonitoringssystemen, waaronder het Landelijk Meetnet effectenMestbeleid.Hier geldt vanuit de Europese Commissie de voorwaarde dat de imple-mentatie van Renure niet mag leiden tot een toename van het aantaldieren of van de mestproductie. Voor wat betreft de mestproductie moetworden voldaan aan de bestaande regulering via productierechten enmestproductieplafonds in de Meststoffenwet. Ook gelden beperkingen diezijn opgenomen in natuurvergunningen.Ik acht het stelsel van productierechten geschikt om de geldendemestproductieplafonds te borgen. De introductie van Renure heeft inNederland daarmee geen invloed op deze plafonds en biedt geen ruimtevoor uitbreiding van de veestapel of een toename van de mestproductie.Voor het kunnen toepassen van Renure boven op de norm van170 kilogram stikstof per hectare per jaar geldt dat de Renure geprodu-ceerd moet zijn door, en afgenomen moet zijn van, een producent diedoor de Minister als zodanig is geregistreerd, of van een producent die isgecertificeerd door een conformiteitsbeoordelende instantie (CBI) op basisvan het door de Minister aangewezen certificeringsschema Renugarant5.Deze producenten zijn primair verantwoordelijk voor het voldoen aan devastgestelde kwaliteitseisen, waaronder eisen ten aanzien van patho-genen, koper en zink. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit(NVWA) houdt risicogericht toezicht op geregistreerde producenten enkan bij overschrijding van de normen handhavend optreden, waaronderhet schorsen of schrappen van de registratie. Bij gecertificeerde produ-centen worden de audits uitgevoerd door CBI’s. Indien de normen wordenoverschreden, kan de CBI het certificaat schorsen of intrekken. De NVWAhoudt hierbij tweedelijns toezicht op de CBI’s.Tot slot vragen de leden van de D66-fractie naar de tijdelijke registratie- enanalyseverplichting voor producenten zolang een definitieve verankeringvan certificering in de Meststoffenwet nog ontbreekt. Er is geenverplichting voor producenten van Renure om zich tijdelijk te latenregistreren.6 Producenten kunnen er ook voor kiezen zich, vooruitlopendop de wettelijke verankering van certificering in de Meststoffenwet, telaten certificeren als producent van Renure.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken metbetrekking tot het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid. Deze ledenhebben geen aanvullende vragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie betreuren de achteruitgang ophet landbouwdossier van de afgelopen periode. Daarin staan deze ledenniet alleen. Alleen al in de onderliggende adviezen met betrekking tot het8e AP zien zij zich bevestigd door stevige kritiek van onder andere5Kamerstukken II, 2024–2025, 22 112, nr. 42006Kamerstukken II, 2024–2025, 22 112, nr. 4200Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4287 Wageningen Environmental Research (WENR), de Commissie Milieuef-fectrapportage (MER), het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL), deLandsadvocaat, de Europese Commissie (EC), de Vereniging vanNederlandse Gemeenten (VNG), de Unie van Waterschappen (UvW), hetInterprovinciaal Overleg (IPO) en zelfs het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (I&W). Zij waarschuwen onder andere voor verslechtering vande waterkwaliteit en meer stikstofuitstoot, nieuwe rechtszaken, eenEuropese infractie en een tweede stikstofcrisis. Dat op deze kritiek enwaarschuwingen nauwelijks is geacteerd is typerend voor het afgelopenkabinet en desalniettemin betreurenswaardig.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie kijken dan ook met interesse uitnaar de plannen van een volgend kabinet. Wat deze leden betreft, biedt detransitie van de landbouw kansen om Nederland mooier te maken, omboeren weer perspectief te geven, boeren en omwonenden gezonder temaken en dieren een beter leven te geven. Deze leden benadrukkendaarbij dat het oplossen van de problemen in de landbouw wat henbetreft niet nog langer vooruitgeschoven kan worden en dat het dusnoodzakelijk is voortgang op korte termijn te realiseren en te borgen.De leden van de GroenLinks-PvdA fractie constateren dat het derogatie-verzoek definitief is afgewezen en de mestderogatie daarmee dit jaardefinitief vervalt. Wat zijn de meest recente cijfers over de overschrijdingvan de mestplafonds en wat zijn de meest recente prognoses voor hoe ditzich gedurende dit jaar ontwikkelt? Wat is de precieze opdracht die deNitraatrichtlijn geeft aan Nederland in het geval van een overschrijdingvan het mestplafond en zijn hiervoor scenario’s uitgewerkt en doorge-rekend en zo ja, welke? Welke concrete maatregelen kunnen wordengenomen om op korte termijn onder het plafond uit te komen? Wat zijnvan elk van deze de geschatte ecologische, financiële en juridischegevolgen en op welke termijnen zijn ze mogelijk?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vergelijkbare vragenover stikstof. Kan de Minister bevestigen dat de Greenpeace-uitspraak(Rechtbank Den Haag, 22-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578) bindend is,ook in afwachting van het hoger beroep, en dat dat dus de realiteit iswaarmee rekening moet worden gehouden? Zijn er maatregelpakkettenvoorbereid en doorgerekend waarmee aan de Greenpeace-uitspraakwordt voldaan? Zo ja, hoe zien die eruit? Zo nee, waarom niet? Wat zijnconcrete maatregelen om versneld stikstofruimte vrij te maken voornatuurherstel en vergunningverlening?AntwoordHet CBS stelt op verzoek van LVVN aan het einde van ieder kwartaal eenberekening samen van de verwachte mestproductie in het lopende jaar.Op 20 november 20257 heb ik uw Kamer geïnformeerd over de publicatievan de derde kwartaalrapportage 2025. Op basis van de derde kwartaal-rapportage 2025 is de verwachting dat de mestproductie in de pluimvee-houderij in 2025 zowel wat betreft stikstof als fosfaat onder de sectoralemestproductieplafonds zal blijven. Voor de varkenshouderij is deinschatting dat de mestproductie als gevolg van de deelname aan de Lbven Lbv-plus op termijn, en mogelijk in 2026, ook onder de sectoralemestproductieplafonds uitkomt. Daarentegen is de inschatting dat demestproductie in de melkveehouderij, ook na deelname aan de Lbv enLbv-plus, op termijn niet onder het sectorale fosfaatproductieplafond zalkomen. Daarom is besloten het huidige afromingspercentage van 30% inde melkveesector te handhaven. Overigens is in de inschatting van demestproductie in de melkveehouderij nog geen rekening gehouden methet mogelijke effect deelname aan de in ontwikkeling zijnde Landelijke7Kamerstukken II, 33 037, nr. 626Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4288 vrijwillige beëindigingsregeling veehouderijlocaties (Vbr) en Subsidiere-geling extensivering melkveehouderij (Sem).In de Meststoffenwet is het nationale mestproductieplafond dat volgt uitde voorwaarden van de derogatiebeschikking 2022–2025 vastgelegd. Dehoogte van de sectorale mestproductieplafonds, die – op grond van het6e Actieprogramma Nitraatrichtlijn – eveneens in de Meststoffenwet zijnopgenomen, zijn hiermee in lijn gebracht. Als blijkt dat de mestproductiein 2025 hoger is dan het nationale plafond, of één van de sectoraleplafonds, dan kan dit aanleiding zijn voor de Europese Commissie voorhet stellen van vragen of het op een andere wijze ondernemen van actie.De uitspraak van de rechtbank Den Haag is uitvoerbaar bij voorraad. Datbetekent dat inderdaad, zoals de leden van de GroenLinks-PvdA-fractiestellen, er uitvoering moet worden gegeven aan de uitspraak, wat ookwordt gedaan. Het kabinet is ter voldoening aan het vonnis van derechtbank doorgegaan met het beleid gericht op vermindering van destikstofbelasting van de Natura 2000-gebieden. Daarvoor is, tevensvanwege de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raadvan State over intern salderen, de Ministeriële Commissie voor Economie& Natuurherstel (hierna: MCEN) ingesteld.8 In het kader van de MCEN iser via verschillende sporen gewerkt aan Nederland van het slot krijgen.Een van deze sporen betrof het treffen van maatregelen. Dit moet leidentot een voorstel voor een maatregelpakket voor geborgde stikstofemissie-reductie, natuurbehoud en -herstel met als doel het voldoen aan dehuidige wettelijke doelen en verplichtingen. Dat heeft vervolgens geleidtot het zogeheten start- en vervolgpakket «Nederland van het slot».9 Dezemaatregelen zien op het oplossen van de problematiek met het additiona-liteitsvereiste vanwege de staat van de natuur die op meerdere plekken inNederland nog niet op orde is. Er is niet extra ingezet op het vrijmakenvan stikstofruimte die kan worden ingezet voor vergunningverlening,omdat er eerst gereduceerd moet worden ten behoeve van natuurherstel.Verder is er naar andere oplossingen gezocht om vergunningverlening tevergemakkelijken. Er is daarnaast, vanwege de zorgen over de uitvoer-baarheid en maatschappelijke impact, in het kader van het hoger beroepdat is ingesteld onderzoek gedaan naar de maatschappelijke impact vanmogelijke, theoretische maatregelpakketten als in 2030 aan de uitspraakvan de rechtbank moet zijn voldaan. Daarvoor hebben de WUR(Wageningen University Research) en CE Delft onderzoeken verricht. Debetreffende onderzoeken, die zijn voorgelegd aan het Gerechtshof in hetkader van het hoger beroep, zijn op 4 november aan uw Kamergestuurd.10De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat de mest- en stikstofdos-siers niet los kunnen worden gezien van andere landbouw- en natuurdos-siers, zoals de Europese Natuurherstelwet. Wat is de voorgenomenplanning voor het opstellen van het nationale conceptplan en hoe wordtde Kamer hierbij betrokken?AntwoordOp dit moment wordt gewerkt aan het opstellen van het ontwerp-Natuurplan. Het ontwerp natuurplan wordt uiterlijk 1 september 2026ingediend bij de Europese Commissie. Het zal dan ook ter inzage wordengelegd en PBL zal hierop een reflectie uitvoeren. Het kabinet zal hetontwerp-Natuurplan gelijktijdig met de verzending naar de EuropeseCommissie naar uw Kamer sturen. Vragen over het ontwerp-Natuurplan8Kamerstukken II 35 334, nr. 332.9Zie reflectie van het kennisconsortium, bestaande uit PBL, Deltares, RIVM en WUR, Kamer-stukken II 35334, nr. 409.10Kamerstukken II 35 334, nr. 416.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 4289 en voorstellen voor het definitief Natuurplan vanuit uw Kamer kunnen zosamen met inspraak uit de ter inzagelegging, inzicht uit de planMER enfeedback van de Europese Commissie, worden meegenomen in hetdefinitieve natuurplan. Het definitief Natuurplan dient uiterlijk1 september 2027 te worden ingediend bij de EC.Rond het meireces zal de Kamer nader worden geïnformeerd over devoortgang van het ontwerp natuurplan via een voortgangsbrief over denatuurherstelverordening. Ook zal het kabinet daarbij ingaan op debenodigde uitvoeringswetgeving.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie maken gebruik van de gelegenheid om grotezorgen en kritiek te uiten op de koers die dit kabinet vaart met betrekkingtot het stikstof- en mestbeleid. Terwijl onze boeren de ruggengraatvormen van onze voedselzekerheid, worden zij geconfronteerd metverstikkende regelgeving en onrealistische plafonds die zijn gebaseerd opdrijfzand.De leden van de PVV-fractie vinden het goed dat de Minister in haar briefingaat op knelpunten bij de uitvoering van de Landelijke beëindigingsre-geling veehouderijlocaties (Lbv) en de Landelijke beëindigingsregelingveehouderijlocaties met piekbelasting (Lbv-plus) en erkent dat onder-nemers in de praktijk vastlopen (Kamerstuk 35 334, nr. 400). Tegelijkertijdbevestigt deze brief opnieuw het fundamentele probleem van hetNederlandse stikstof- en mestbeleid. Beleid dat is gevormd tot eenjuridisch en administratief doolhof waarin boeren die jarenlang volgensde regels hebben gehandeld, alsnog de rekening krijgen gepresenteerd.De leden van de PVV-fractie zijn van mening dat de Minister terechtvaststelt dat uit onderzoek blijkt dat bepaalde emissiearme stalsystemenin de praktijk hogere ammoniakemissies veroorzaken dan eerder werdaangenomen. Deze leden benadrukken echter dat deze systemen destijdsdoor de overheid zijn goedgekeurd, opgenomen in de Regeling ammoniaken veehouderij (Rav) en actief zijn gestimuleerd. Boeren hebben hier tegoeder trouw en vaak tegen hoge kosten in geïnvesteerd. Dat alternatieveemissiecijfers zijn toegestaan om deze ondernemers alsnog toegang tegeven tot de Lbv- en Lbv-plus-regelingen is dan ook geen gunst, maar eenkwestie van elementaire rechtvaardigheid.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister hoe zij voorkomt datboeren in de toekomst opnieuw slachtoffer worden van falende emissie-modellen en welke structurele verbeteringen zij doorvoert om debetrouwbaarheid van emissiefactoren te vergroten.AntwoordOm de betrouwbaarheid van emissiefactoren, zoals bedoeld in bijlage Ven VI van de Omgevingsregeling (voorheen de Regeling ammoniak enveehouderij) te vergroten, werk ik samen met de Staatssecretaris vanIenW aan een vernieuwing van het stelsel van stalbeoordeling. Het stelselvan stalbeoordeling dient om (innovatieve) systemen, technieken enmaatregelen te beoordelen op de mate waarin emissies van ammoniak,fijnstof, geur en optioneel broeikasgassen daarmee worden verminderd.Het stelsel van stalbeoordeling vormt daarmee een bouwsteen voorvergunningverlening, doelsturing, toepassing van continu meten en hetmet vertrouwen toepassen van maatregelen. Het doel van het Programmavernieuwing stalbeoordeling is het verbeteren van het stelsel langs driehoofdlijnen: publiek-private verantwoordelijkheid voor stalbeoordeling;toevoegen van de mogelijkheid tot continue bedrijfsmetingen; enintegrale beoordeling van stalmaatregelen. Een onderdeel hiervan is hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42810 opstellen van NEN-normen, samen met alle betrokken partijen enorganisaties, zodat er aan gedeeld vertrouwen in het stelsel wordtgebouwd. Bij brief van 22 september 202511 heeft de Staatssecretaris vanIenW uw Kamer, mede namens mij, geïnformeerd over de voortgang.Ook het dossier rond de wintergarten illustreert volgens de leden van dePVV-fractie hoe regelgeving en praktijk structureel langs elkaar heenlopen. Deze leden waarderen dat uiteindelijk is erkend dat deze scharrel-ruimte onder voorwaarden als dierenverblijf kan gelden. Tegelijkertijdblijft het onverteerbaar dat ondernemers zonder stalcertificaat, maar meteen feitelijk identieke situatie, alsnog worden uitgesloten. Dat leidt totrechtsongelijkheid. Deze leden vragen de Minister of zij bereid isaanvullende, objectieve bewijsmiddelen toe te staan, zodat de feitelijkesituatie leidend wordt in plaats van papieren formaliteiten.Deze leden waarderen dat uiteindelijk is erkend dat deze scharrelruimteonder voorwaarden als dierenverblijf kan gelden. Tegelijkertijd blijft hetonverteerbaar dat ondernemers zonder stalcertificaat, maar met eenfeitelijk identieke situatie, alsnog worden uitgesloten. Dat leidt totrechtsongelijkheid. Deze leden vragen de Minister of zij bereid isaanvullende, objectieve bewijsmiddelen toe te staan, zodat de feitelijkesituatie leidend wordt in plaats van papieren formaliteiten.AntwoordVeehouders die gebruikmaken van een subsidieregeling voor beëindigingkunnen aanspraak maken op een vergoeding voor het waardeverlies vande productiecapaciteit. De hoogte van de vergoeding wordt daarbijgebaseerd op de oppervlakte en leeftijd van de individuele dierenver-blijven. De oppervlakte van een scharrelruimte – in de praktijk vaakaangeduid als Wintergarten – kan tot het dierenverblijf gerekend wordenen daarmee voor een vergoeding voor het waardeverlies in aanmerkingkomen als deze op grond van artikel 2.70 van het Besluit houders vandieren kwalificeert als leefruimte (de bruikbare oppervlakte voor hethouden van dieren). Het is aan een ondernemer om hiervoor bewijs aan televeren. De vaststelling of een scharrelruimte kwalificeert als leefruimtedient door een onafhankelijk certificeringsbureau te zijn uitgevoerd. Hetdaarbij afgegeven bewijsstuk dient op het moment van de subsidieaan-vraag nog geldig te zijn en voorzien te zijn van een ondertekening. Ditbewijsstuk kan bestaan uit een stalcertificaat, maar inmiddels is geblekendat ook andere certificaten of verklaringen zijn mogelijk, zolang aangenoemde vereisten wordt voldaan en vaststaat dat de betreffendescharrelruimte kwalificeert als leefruimte.De leden van de PVV-fractie zien een terugkerend knelpunt in de afhanke-lijkheid van boeren van de capaciteit en doorlooptijden bij bevoegdegezagen. Dat de termijn voor het wijzigen of intrekken van vergunningenis verruimd, was noodzakelijk. Het kan niet zo zijn dat ondernemersfinancieel worden gestraft voor trage procedures waar zij zelf geen enkeleinvloed op hebben.Deze leden vragen de Minister welke structurele maatregelen zij neemtom vergunningverlening bij provincies te versnellen en hoe zij voorkomtdat dit probleem zich bij toekomstige regelingen opnieuw voordoet.AntwoordIk ben het met de leden van de PVV-fractie eens dat het niet zo kan zijn datondernemers de dupe worden van trage procedures. Daarom heb ik determijnen waarbinnen boeren aan (subsidie)voorwaarden moetenvoldoen aangepast in de LBV-regelingen.11Kamerstuk 28 973, nr. 283Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42811 Een belangrijke redenen waarom provincies in bepaalde gevallen niettijdig een vergunning af hebben kunnen geven is dat door de uitsprakenvan de Raad van State eind 2024 er een periode onduidelijkheid bestondof vergunningverlening weer mogelijk gemaakt kon worden. Dieduidelijkheid is er gekomen met een handelingsperspectief voorbestaande regelingen dat provincies concrete handvatten geeft omnieuwe activiteiten tot 15% van de bestaande toegestane emissie tekunnen toestaan middels een natuurvergunning. Sindsdien zijn provinciesvoortvarend begonnen met een inhaalslag. Een fors aantal natuurvergun-ningen zijn al onherroepelijk. Ik blijf met provincies in gesprek om deuitvoering van de regelingen zo goed mogelijk te ondersteunen.De leden van de PVV-fractie constateren ten aanzien van het starten vaneen nieuwe economische activiteit op een beëindigde veehouderijlocatiedat recente uitspraken van de Raad van State opnieuw voor onzekerheidzorgen. Hoewel de handreiking voor medeoverheden welkom is, blijft deverplichting tot het aanvragen van een nieuwe natuurvergunning voorveel ondernemers een forse drempel. Dit is wrang, omdat deze onder-nemers per saldo juist bijdragen aan stikstofreductie. Deze leden vragenof de Minister, samen met provincies, bereid is te zoeken naar eeneenvoudiger en voorspelbaarder overgangsregime.AntwoordMijn ervaring is dat ondernemers graag over een natuurvergunningbeschikken voor hun activiteiten. Met een handelingsperspectief voor deLBV-regelingen, dat provincies concrete handvatten geeft om nieuweactiviteiten tot 15% van de bestaande toegestane emissie te kunnentoestaan middels een natuurvergunning, is duidelijkheid gekomen over demogelijkheden voor vergunningverlening na de uitspraken van de Raadvan State van eind 2024. Op deze manier kan daaraan tegemoet wordengekomen en krijgen ondernemers ook de rechtszekerheid die zijverdienen. Tegelijkertijd realiseer ik mij dat de aanvraag van een nieuwenatuurvergunning ook inzet vergt van ondernemers.Ik blijf met provincies in gesprek om de uitvoering van de regelingen, ookop dit punt, zo goed mogelijk te ondersteunen.De leden van de PVV-fractie hebben ook vragen over de sloopverplichtingbinnen de Lbv-regelingen. De mogelijkheid tot ontheffing is positief, maarhet volledig vervallen van de vergoeding voor niet-gesloopte onderdelenkan ondernemers ontmoedigen om te investeren in een nieuwe econo-mische toekomst. Deze leden begrijpen de beperkingen van het staats-steunkader, maar vragen de Minister of zij zich in Brussel actief wilinzetten voor meer flexibiliteit bij toekomstige beëindigingsregelingen.Deze leden begrijpen de beperkingen van het staatssteunkader, maarvragen de Minister of zij zich in Brussel actief wil inzetten voor meerflexibiliteit bij toekomstige beëindigingsregelingen.AntwoordOm aanspraak te maken op een vergoeding op grond van de Lbv-regelingen moet voldaan worden aan een aantal vereisten, waaronder desloop van de productiecapaciteit. Bij het ontwerp van deze regelingen isgezocht naar maximale flexibiliteit aangaande het ontplooien van nieuweeconomische activiteiten op de locatie. Deze is vormgegeven in demogelijkheid om een ontheffing te verkrijgen ten aanzien van desloopverplichting voor (een deel van) de productiecapaciteit. Dit betekentlogischerwijs dat het deel van de productiecapaciteit dat niet wordtbeëindigd en de waarde verliest, niet voor een bijdrage in het waarde-verlies in aanmerking komt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42812 De leden van de PVV-fractie vragen ook aandacht voor de eis van vijf jaarbedrijfseconomisch gangbaar gebruik. Het ontbreken van maatwerk, zelfswanneer leegstand buiten de schuld van de ondernemer is ontstaan,wordt als onrechtvaardig ervaren. Juist dit soort harde en onbuigzameregels voedt het gevoel van willekeur en onbegrip onder boeren. Dezeleden vragen zich af of de Minister kan aangeven hoe zij hiernaar kijkt.AntwoordZoals ik ook in mijn brief van 16 juni 2025 (Kamerstuk 35 334, nr. 400) hebaangegeven, vind ik het belangrijk te zoeken naar oplossingen alsondernemers knelpunten ervaren binnen de Lbv-regelingen. Dit geldt ookvoor de zogenoemde vijfjaarseis. Ik wil daarbij aantekenen dat ik dezevoorwaarde uit het staatssteunkader na overleg met de EuropeseCommissie ruimer mag invullen. In de steunkaders wordt gesproken overvijf jaar «onafgebroken gebruik». Ik heb dit in de Lbv-regelingen kunneninvullen als vijf jaar «gebruik op bedrijfseconomisch gangbare wijze». Datbiedt echt een verruiming, omdat ondernemers in bepaalde omstandig-heden toch aan de Lbv-regelingen kunnen deelnemen als er tijdelijk geendieren in de stal hebben gestaan. Er volgt namelijk geen afwijzing van deaanvraag als de kortdurende leegstand het gevolg is van omstandighedendie passen in het normale bedrijfsproces. Het betekent echter nog steedsdat er ondernemers zijn waarvan de subsidie-aanvraag is afgewezen,omdat niet is te onderbouwen dat de leegstand economisch gangbaarwas. Ik kan hier helaas niet verder gaan dan de regelingen voorschrijven.Dat is ook in het belang van de ondernemer. Ik wil niet dat hij of zij na desluiting van de veehouderijlocatie wordt geconfronteerd met terugvor-dering van niet toegestane staatssteun.De leden van de PVV-fractie benadrukken dat vrijwillige regelingen altijdte verkiezen zijn boven gedwongen onteigening. Vrijwilligheid kan echteralleen bestaan als regelingen uitvoerbaar, rechtvaardig en betrouwbaarzijn. De ervaringen met de Lbv en Lbv-plus laten zien dat het stikstofbeleidfundamenteel eenvoudiger moet met minder juridisering en meervertrouwen in de boer. Die les mag de overheid bij toekomstigeregelingen niet opnieuw negeren. Deze leden zouden hier graag eenreactie van de Minister op hebben.AntwoordVrijwilligheid staat voor dit kabinet in het stikstofbeleid voorop. En datregelingen rechtvaardig, betrouwbaar en uitvoerbaar moeten zijnonderschrijf ik. Regelingen zoals de Lbv en Lbv-plus moeten daarnaastook voldoen aan het Europese steunkader om aangemerkt te kunnenworden als geoorloofde staatssteun. Ik vind het, net als de leden van defractie van de PVV, van belang dat beleid waar mogelijk ruimte moetbieden aan en vertrouwen moet hebben in boeren. Maar het is ook mijnverantwoordelijkheid om het risico op ongeoorloofde staatssteun endaarmee op terugvordering tot een minimum te beperken, in het belangvan individuele boeren. Daarvoor is het noodzakelijk dat in subsidierege-lingen zoals de Lbv en Lbv-plus duidelijke voorwaarden voor subsidiever-leningen en vereisten voor subsidieverstrekking worden opgenomen endat deze voorwaarden en vereisten consequent worden gecontroleerd engehandhaafd.Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie constateren dat het Europese RENUREvoorstel positief is beoordeeld en dat Nederland inzet op snelle nationaleimplementatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42813 De leden van de JA21-fractie constateren dat regelgeving vooral toezietop gebruik en kwaliteit van RENURE, maar vergunningverlening rondomRENURE-installaties op boerderijniveau nog onduidelijkheid wekt. Eeninstallatie kan worden beoordeeld als normale agrarische bedrijfsvoeringof als industrie. Hoe wordt geborgd dat vergunningverlening voorRENURE-installaties op boerenbedrijven niet vastloopt door interpretatie-verschillen bij provincies en gemeenten?AntwoordDe technieken voor de productie van Renure-meststoffen zullen over hetalgemeen worden gecombineerd met in ieder geval een mestscheidingwaarbij drijfmest in een dunne en dikke fractie wordt gescheiden.Hiervoor zal ten algemene een omgevingsvergunning milieu, waarvooralgemene regels gelden, en een omgevingsvergunning natuur vereist zijn.Dit is afhankelijk van de specifieke omstandigheden. De bevoegdheid voorhet verlenen van vergunningen ligt bij provincies en gemeenten. Zijbeoordelen op basis van de specifieke bedrijfssituatie of met eenaanvraag aan vergunningsvoorwaarden wordt voldaan. Om hen hierbij teondersteunen heb ik in eind 2024 een bestuurlijk versneller12 aangesteldom het knelpunt rondom vergunningverlening bij mestverwerking aan tepakken. Het advies13 van deze bestuurlijke versneller heb ik op 24 februari2025 aangeboden aan de Tweede Kamer. Een van de adviezen betreft hetvergroten van kennis, zoals met een handreiking vergunningverlening.Hiervoor sluit ik aan bij het Expertisecentrum Groen Gas dat RVO inopdracht van KGG opricht, waarover ik uw Kamer op 16 september 202514heb geïnformeerd.De leden van de JA21-fractie benadrukken dat RENURE een toepasbareoplossing is als regelgeving, vergunningverlening en financieringvoorspelbaar zijn ingericht. Zonder die samenhang dreigt RENURE geenlevensvatbaar concept te zijn. Welke financiële instrumenten of subsidiesacht de Minister noodzakelijk om uitrol van RENURE in Nederlandsuccesvol te maken?AntwoordAllereerst heb ik geen twijfels dat Renure als concept levensvatbaar is.Om de uitrol van Renure in Nederland te stimuleren is de Subsidiere-geling Hoogwaardige Mestverwerking (HMV) beschikbaar. Deze regelingstimuleert de bouw en aanpassing van grote installaties die Renure-producten produceren. Daarnaast heb ik in mijn kamerbrief van13 september 202415 aangegeven in te zetten op een nieuwe subsidiere-geling voor de productie van Renure. Deze regeling is nog in ontwikkeling.Met deze regeling ben ik voornemens de investering in de verwerkingsca-paciteit ok op boerderijniveau, verder te faciliteren, bijvoorbeeld viauitbreiding van de bestaande subsidieregeling hoogwaardigemestverwerking.Kan de Minister een actuele stand van zaken geven over de beant-woording van deze vragen en de planning richting de start van de formelenotificatie en publicatie van de regeling?AntwoordDe vragen die de Europese Commissie in het kader van de prenotificatieheeft gesteld over de aard en de opzet van de Subsidieregeling extensi-vering melkveehouderij (Sem) zijn op 23 januari jl. beantwoord. De12Kamerstukken II 2024/25, 33 037, nr. 580.13Kamerstukken II 2024/25, 33 037, nr. 583.14Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 610.15Kamerstukken II 2024/25, 33 037, nr. 559.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42814 beantwoording bevat de door de Commissie verzochte aanvullende,onafhankelijke onderbouwing van de opzet en de werking van de regeling.Deze onderbouwing is opgesteld door Wageningen Social & EconomicResearch.De prenotificatie is ondertussen afgerond en de formele notificatie bij deEuropese Commissie is gestart. Na formele goedkeuring door deCommissie zal ik de Sem zo snel als mogelijk publiceren.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben de onderliggende stukken voor hetschriftelijk overleg over Stikstof en mestbeleid met interesse gelezen.Deze leden hebben hierover nog een aantal vragen en opmerkingen.De leden van de BBB-fractie hebben een aantal vragen specifiek bij deaanvraag voor derogatie en de afwijzing die daarop gekomen is op22 december 2025 van Eurocommisaris Roswall (2025D54012). In dielaatste brief lezen deze leden namelijk het volgende: «the nitrogen surplusbeing four times higher than the EU average, with 50% coming fromagriculture.» Deze leden zijn over die bewoording zeer verbaasd, omdatuit de meest recente bronnenanalyse is gebleken dat 31 procent van hetstikstofsurplus uit de landbouw komt. Waar komt de volstrekt onjuisteindruk bij de Eurocommissaris vandaan dat de landbouw zo een grootaandeel zou hebben? Met welke informatie en welke bijlagen is hetderogatieverzoek onderbouwd geweest? Is er contact gezocht met deEurocommissaris om dit grove misverstand recht te zetten en zo nee,waarom niet?AntwoordDe Europese Commissie heeft in haar reactie op het verzoek voor eennieuwe derogatie een analyse opgenomen van de ontwikkeling van dewaterkwaliteit. Hierbij heeft de Europese Commissie zich voor de analysesvan de waterkwaliteit gebaseerd op de Nitraatrapportage over de periode2020–2023. De bronverdeling in de Nitraatrapportage is gebaseerd op deEmissieregistratie, waarin de uit- en afspoeling van landbouwgrondenniet wordt uitgesplitst naar afzonderlijke bronnen. Bij de meest recentebronnenanalyse, die vorig jaar is uitgevoerd door Wageningen Environ-mental Research (WEnR), is dat wel gedaan. Van de afzonderlijke bronnendie bijdragen aan de uit- en afspoeling van landbouwgronden zijn alleende effecten van de huidige en historische mestgiften toegerekend aan delandbouw. Dit verklaart het verschil tussen de beide onderzoeken.Daarnaast is in beide trajecten erfafspoeling en directe bemesting van hetwater toegerekend aan de landbouw. De Europese Commissie is op 14 juli2025 geïnformeerd over de Landelijke bronnenanalyse van WEnR.Daarnaast lezen deze leden dat de Eurocommissaris het onderzoek vanWageningen University & Research (WUR) dat gedaan is in 2023(2023D32853) verkeerd lijkt te interpreteren. Eurocommissaris Roswallschrijft in haar brief dat uit dit onderzoek blijkt dat het afbouwen van dederogatie geen risico zou zijn voor de waterkwaliteit. Terwijl in ditonderzoek juist letterlijk het volgende staat: «Het is niet ondenkbaar datmelkveebedrijven die eerst derogatie verkregen hadden hun areaalmaisland zullen uitbreiden ten koste van het areaal grasland. Of datvanwege een mogelijke vermindering van de veestapel het areaal opmelkveebedrijven zal afnemen. Als dit het geval is, kan ervoor gekozenworden om de krimp te laten plaatsvinden ten koste van het grasland-areaal. Op melkveebedrijven is er in het kader van eiwitarmer voeren eenbehoefte aan een verandering in de verhouding mais gras. Omdat ondermaisland meer nitraat uitspoelt dan onder grasland, zou hierdoor e deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42815 gemiddelde nitraatconcentratie toe kunnen nemen.» Vervolgens wordt indat rapport alleen voor de zand-regio’s een berekening gemaakt van deuiteindelijke gevolgen. Die zouden daar klein zijn, maar juist de overigeregio’s zijn van belang in dit verhaal. Waarom is dat niet meegenomen inde onderbouwing bij de aanvraag van de derogatie? Daarnaast staat in debrief dat de KDW-doelen verder buiten bereik zouden komen met eenderogatie, maar wordt niet meegenomen dat dankzij een derogatie juistde klimaatdoelen dichterbij komen, dankzij verhoogde koolstofvastleggingin de bodem. Kan de Minister hierop reflecteren en is dit specifieke puntook gecommuniceerd met de Eurocommissaris bij aanvraag van dederogatie?AntwoordIn mijn brief aan de Europese Commissie van 11 juli 202516, waarin hetkabinet vraagt om een nieuwe, regiospecifieke derogatie, heb ik hetpositieve effect van grasland voor de waterkwaliteit aangedragen als eenbelangrijke motivatie voor de derogatie. Voor een verdere toelichting opde onderbouwing bij de aanvraag van de derogatie, verwijs ik u graagnaar mijn brief die ik op 11 juli 2025 heb verstuurd aan de EuropeseCommissie en met uw Kamer heb gedeeld17.Daarnaast verwijst de Eurocommissaris naar een rapport van19 december 2024, waarin de afbouw van derogatie nog als grootstefactor in het verlagen van stikstofdepositie in stikstofgevoelige natuurwordt gezien (PBL, 19 december 2024, «Toelichting geraamde ontwik-keling ammoniakemissie uit de landbouw», (https://www.pbl.nl/publicaties/toelichting-op-de-geraamde-ontwikkeling-van-de-ammoniakemissie-uit-de-landbouw-tot-2030-en-2035)). In dit onderzoek isdus uiteraard niet de inzet van de Ministeriële commissie Economie enNatuurherstel (MCEN) meegenomen, waardoor een ernstig vertekendbeeld ontstaat. Waarom is de Eurocommissaris niet gewezen op het feitdat dit onderzoek verouderd is? Is het beleid van dat voorgesteld is doorMCEN ook aan de Eurocommissaris voorgelegd en zo nee, waarom niet?AntwoordOp 25 april is het startpakket aan maatregelen van de Ministeriëlecommissie Economie en Natuurherstel (MCEN) verstuurd aan de Kamer.18In de begeleidende Kamerbrief ben ik ook ingegaan op de Europese inzeten de dialoog die wordt gevoerd met de Europese Commissie hierover.Op 16 september 2025 is vervolgens ook de kamerbrief VervolgpakketNederland van het slot verstuurd.19 Emissieramingen worden tweejaar-lijks opgesteld door PBL. Het genoemde rapport is dan ook het meestrecent. Eind dit jaar zullen nieuwe emissieramingen gemaakt worden,waarbij de maatregelen uit de MCEN meegewogen zullen worden.Nederland en LVVN zijn in doorlopend contact met de EuropeseCommissie en beide pakketten zijn dan ook onder haar aandacht gebracht.De Europese Commissie is dus op de hoogte van deze plannen enrefereert hier ook naar in bijlage bij de brief van Eurocommissaris Roswallvan 22 december jl., daarbij verwijst zij naar onderzoek van hetPlanbureau voor de Leefomgeving waaruit zou blijken dat de maatregelenvan de MCEN ontoereikend zijn in het terugbrengen van ammoniak-emissies.2016Kamerstukken II 2024/25, 33 037, nr. 60617Kamerstukken II 2024/25, 33 037, nr. 60618Kamerstukken II, 2024/25, 35 334, nr. 362.19Kamerstukken II, 2025/26, 35 334, nr. 413.20https://www.pbl.nl/system/files/document/2025-08/pbl-2025-Reflectie-op-MCEN-maatregelenpakket-spoor-2-PBL-WUR-Deltares-RIVM-5923.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42816 Uit de brief van de Eurocommissaris blijkt verder dat zij de indruk krijgtdat het percentage overschrijdingen van 50 milliliter per liter in grond-water zou zijn gestegen van 14 procent naar 18,7 procent. Dat zou uit het«Report under the Nitrates Directive by The Netherlands for the period2020–2023» (RIVM, 28 november 2024, «Agricultural practices and waterquality in the Netherland: status (2020–2023) and trends (1992–2023)»,(https://www.rivm.nl/publicaties/agricultural-practices-and-water-quality-in-netherlands-status-2020-2023-and-trends)) gedestilleerd zijn. De ledenvan de BBB-fractie kunnen deze berekening niet terugzien in het rapportzelf. Daarin worden drie soorten grondwater apart benoemd, ondiepgrondwater, midden-diep grondwater en zeer diep grondwater. Alleen inde zand-zuid regio is de nitraatconcentratie gemiddeld te hoog in ondiepgrondwater, in de rest van Nederland niet. Voor de diepere lagen is hetgemiddelde over heel Nederland niet te hoog. Het verbaast deze ledendaarom dat de Eurocommissaris lijkt te rekenen met andere cijfers. Kan deMinister daarop reflecteren?AntwoordIn haar presentatie van de Nederlandse waterkwaliteitsgegevens, heeft deEuropese Commissie zich gebaseerd op de waterkwaliteitsgegevens diezijn aangeleverd door Nederland in het kader van de Nitraatrapportage. Inde Nitraatrapportage worden de waterkwaliteitsgegevens per meetnetweergegeven en wordt ook ingegaan op de toestand van de waterkwa-liteit op de verschillende meetdieptes. De Europese Commissie heeftervoor gekozen de gegevens uit de verschillende grondwatermeetnetten(Landelijk Meetnet effecten Mestbeleid, Landelijk Meetnet Grondwater-kwaliteit en meetnetten drinkwaterbedrijven) te aggregeren.Waar het gaat om oppervlaktewater refereert de brief aan onder andere de«Report under the Nitrates Directive by The Netherlands for the period2020–2023» (RIVM, 28 november 2024, «Agricultural practices and waterquality in the Netherland: status (2020–2023) and trends (1992–2023)»,(https://www.rivm.nl/publicaties/agricultural-practices-and-water-quality-in-netherlands-status-2020-2023-and-trends)). In dat rapport lezen dezeleden dat het percentage oppervlaktewater dat meer dan 50 milligram perliter stikstof bevat in de afgelopen jaren alleen maar is gedaald. Toch lijktde Eurocommissaris daar geen rekening mee te houden. Is daarover metde Eurocommissaris contact gezocht? Klopt het dat Nederland een grootdeel van het oppervlaktewater «vervuild» noemt bij een lager gehalte dan50 milligram per liter nitraat? Waarom is ervoor gekozen om op diemanier te rapporteren in Europa, met als gevolg dat een groter aandeelvan het oppervlaktewater «niet voldoet»? De Eurocommissaris is ookspecifiek niet tevreden met het aantal wateren in Nederland dat «eutroof»of «potentieel eutroof» is. In de laatstgenoemde rapportage staan ook hetaantal eutrofe wateren. Deze leden willen weten of eutrofiëring in allelanden gelijkwaardig wordt beoordeeld. Het lijkt erop dat voor «te veelstikstof» een andere classificatie wordt gebruikt dan de 50 milliliter perliter, waardoor meer wateren als «met risico op eutrofiëring» wordengeclassificeerd. Kan de Minister hierop reflecteren? Waarom is daarvoorgekozen als een andere benadering in Europa ook is toegestaan?AntwoordDe norm van 50 milligram nitraat per liter uit de Nitraatrichtlijn geldt voorhet grondwater en is bedoeld als norm voor de veilige productie vandrinkwater. Bij de beoordeling van de ecologische toestand van hetoppervlaktewater voor de Kaderrichtlijn Water (KRW) staan de biologischedoelen voorop (bescherming van planten en vissen). Hierbij wordt ookgekeken naar de nutriëntenconcentratie in het oppervlaktewater. Omconform de KRW een goede ecologische toestand te kunnen bereiken, zijnlagere normen dan de 50 milligram nitraat per liter noodzakelijk. Om dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42817 reden liggen de doelen voor de concentratie van totaal stikstof in hetoppervlaktewater voor de meeste oppervlaktewaterlichamen tussen de2 en 4 milligram nitraat per liter. Deze strengere normen dienen ook omeutrofiëring van oppervlaktewater (een ander doel uit de Nitraatrichtlijn)te verminderen.Bij de bepaling of een waterlichaam eutroof is, wordt in Nederlandonderscheid gemaakt tussen eutroof, potentieel eutroof en niet-eutroof opbasis van de biologische toestand en/of de nutriëntentoestand van deoppervlaktewaterlichamen... Voor meer informatie hierover en over deverschillen in normen tussen lidstaten en hoe de Nederlandse normenzich verhouden met de omliggende buurlanden, verwijs ik u graag naar deKamerbrief die op 13 maart 2025 door de Minister van Infrastructuur enWaterstaat is verstuurd aan de Eerste Kamer (Kamerstuk 21 501-08, AL).Deze leden willen daarnaast weten of bij de beoordeling van wateren ookrekening is gehouden met de aanwezigheid van de Amerikaanserivierkreeft, waardoor eutrofiëring niet aan de landbouw toe te wijzen zouzijn. Zeker gezien het feit dat vrijwel alle wateren minder dan 50 milligramper liter stikstof bevatten. Is die informatie ook met de Eurocommissarisgedeeld in dit verband? Zo nee, waarom niet?AntwoordBij de beoordeling van KRW-waterlichamen wordt rekening gehouden metde aanwezigheid van de Amerikaanse rivierkreeft. Als de goede toestandvan een waterlichaam niet wordt gehaald als gevolg van de aanwezigheidvan de rivierkreeft, dan kan onder voorwaarden gebruik gemaakt wordenvan een KRW-uitzondering. Hierbij is het wel de voorwaarde dat al hetmogelijke gedaan moet worden om het effect van de rivierkreeften tegente gaan. Hier wordt aan gewerkt door bijvoorbeeld sloten natuurvrien-delijk in te richten en te beheren. Als de effecten van de overblijvenderivierkreeften op waterplanten en waterdieren bekend is op basis van eenlangjarige reeks monitoringsgegevens, dan kunnen ook de referentiecon-dities voor watertypen worden aangepast. Dit is een traject dat onderregie van de Europese Commissie loopt. Vervolgens kunnen waterbe-heerders de doelen voor specifieke waterlichamen aanpassen.Kan de Minister van alle genoemde getallen en alle «feiten» op basiswaarvan de Eurocommissaris de derogatie-aanvraag heeft afgewezen deherkomst benoemen en uitleggen of de Eurocommissaris die getallen enfeiten correct leest en beoordeelt?AntwoordDe Eurocommissaris heeft in de brief van 22 december 2025 de stellingingenomen dat op dit moment niet wordt voldaan aan de voorwaardenom een derogatie te verlenen. In de bijlage bij deze brief is een analyseopgenomen van de waterkwaliteit in Nederland. De Europese Commissiebaseert zich hierbij op diverse rapporten, waaronder de Nitraatrapportage,waarnaar in de bijlage van de analyse door de Europese Commissie wordtverwezen.De leden van de BBB-fractie zijn benieuwd of tegen het besluit van deEurocommissaris nog bezwaar gemaakt kan worden. Zo nee, waaromniet? Als dat wel kan, hoe gaat de Minister dat doen?AntwoordMet de brief heeft Eurocommissaris Roswall aangegeven dat de EuropeseCommissie geen aanleiding ziet om de onderhandelingen met Nederlandover een nieuwe derogatie te starten. Hiertegen kan geen bezwaar wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42818 gemaakt, en er zijn helaas ook geen andere juridische mogelijkheden omalsnog een derogatie te verkrijgen.De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over het aanwijzen vanhet volledige Nederlandse grondgebied als «kwetsbare zone». Deze ledenconstateren dat in het Commissie van Deskundigen Meststoffenwet(CDM)-advies wordt gesteld dat de nitraatconcentraties in het grondwatervan klei- en veengebieden al jaren onder de norm van 50 milligram perliter liggen. Deelt de Minister de mening dat dat een reden zou kunnen zijnom niet langer heel Nederland als kwetsbaar gebied aan te wijzen?AntwoordHet advies over Kwetsbare zones Nitraatrichtlijn van de Commissie vanDeskundigen Meststoffenwet (CDM) is op 27 januari jl. met uw Kamergedeeld21. Als gevolg van de motie Grinwis c.s. heeft het kabinet het8e actieprogramma niet vastgesteld, en daarmee is ook geen inhoudelijkstandpunt ingenomen op dit advies van de CDM. Dit is aan het volgendekabinet.De leden van de BBB-fractie lezen dat het grootste deel van de nutriënten-belasting van de Noordzee afkomstig is uit het buitenland en dat debijdrage vanuit Nederlandse klei- en veengebieden extreem beperkt is.Hoe rechtvaardigt de Minister extra nationale maatregelen in dezegebieden, terwijl het effect op de nutriëntenbelasting van de Noordzeemarginaal is?AntwoordWelke maatregelen nodig zijn om de waterkwaliteit te beschermen in lijnmet de verplichtingen uit de Nitraatrichtlijn is een weging die wordtovergelaten aan het volgende kabinet bij de besluitvorming over het8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.De leden van de BBB-fractie constateren dat het CDM-advies aangeeft dateutrofiëring in klei- en veengebieden voor circa 60 procent een mogelijkeontwikkeling betreft en geen vastgestelde overschrijding. Acht de Ministerhet proportioneel om op basis van risico-inschattingen generiekemaatregelen op te leggen?AntwoordWelke maatregelen nodig zijn om de waterkwaliteit te beschermen in lijnmet de verplichtingen uit de Nitraatrichtlijn is een weging die wordtovergelaten aan het volgende kabinet. Het volgende kabinet zal invullinggeven aan het nog op te stellen 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn.De leden van de BBB-fractie missen in het CDM-advies een integralebeschouwing van bestaand beleid, zoals het huidige mestbeleid,gebruiksnormen en fosfaatrechten. Kan de Minister toelichten waaromdeze bestaande borging niet is meegenomen in de risico-inschatting? Kande Minister daarnaast aangeven waarom voorgenomen maatregelengericht op emissiereductie naar de lucht, waaronder maatregelen dievolgen uit de MCEN, niet zijn meegewogen bij de beoordeling van risico’svoor waterkwaliteit? Hoe beoordeelt de Minister de effecten van diemaatregelen op het risico op verslechtering van de waterkwaliteit als ergaan actieprogramma meer zou zijn voor klei- en veengebieden?AntwoordNederland heeft, conform de Nitraatrichtlijn, ervoor gekozen om het7e actieprogramma op het gehele grondgebied van toepassing te latenzijn. In dat geval gelden de regels als opgenomen in de actieprogramma’s21Kamerstukken II 2025/26, 33 037, nr. 639.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42819 Nitraatrichtlijn op het gehele grondgebied. Die zien op het huidigemestbeleid, waaronder gebruiksnormen en fosfaatrechten. Hetvoornoemde CDM-advies over Kwetsbare zones Nitraatrichtlijn betreft eenanalyse in hoeverre het niet aanwijzen van gebieden als kwetsbare zoneonder de Nitraatrichtlijn mogelijk is. Deze analyse ziet naast de waterkwa-liteitstoestand ook op de vraag of bij het niet meer nemen van maatre-gelen uit een actieprogramma een verslechtering van de waterkwaliteit iste verwachten. De CDM concludeert in haar advies dat eerst kwantitatiefonderzoek nodig is om de effecten inzichtelijk te maken van verschillendemaatregelen op de waterkwaliteit evenals het risico van het niet meertreffen van maatregelen in actieprogramma’s. Het advies van de CDM kandoor het volgende kabinet worden meegewogen in de besluitvorming vanhet 8e actieprogramma.De leden van de BBB-fractie zien dat het beleid steeds meer inzet opdoelsturing. Deelt de Minister de opvatting dat doelsturing mogelijkhedenbiedt om individuele bedrijven aan te spreken, in plaats van gehelegebieden generiek aan te wijzen als kwetsbare zone? Hoe ziet de Ministerdie samenhang en deelt zij de mening dat dit mee kan wegen in het nietlanger aanwijzen van klei- en veengebieden als kwetsbare zone?AntwoordDoelsturing biedt geen alternatief voor de aanwijzing van kwetsbarezones. Doelsturing betreft een systeemomslag van middelvoorschriften(regels voortkomend uit de actieprogramma’s) naar doelvoorschriften. Ikhecht belang aan de keuzevrijheid voor agrariërs en met doelsturingkunnen agrariërs zelf de passende maatregelen kiezen om te voldoen aande gestelde doelen. Het systeem van doelsturing is momenteel volop inontwikkeling. Zoals ik altijd heb benadrukt, moet doelsturing op water-kwaliteit tenminste een vergelijkbaar effect op de waterkwaliteit hebbenals het generiek beleid en moet dit passen binnen de Europese kaders. Inhoeverre gebieden in Nederland niet worden uitgezonderd in deaanwijzing als kwetsbare zone onder de Nitraatrichtlijn, waar de regelsvan de actieprogramma’s niet zouden gelden, is een weging die door hetvolgende kabinet wordt gemaakt bij de besluitvorming over het 8e actie-programma Nitraatrichtlijn.De leden van de BBB-fractie constateren dat in het CDM-advies doelenvoor de concentratie van totaal stikstof in oppervlaktewater wordengenoemd van 2 tot4 milligram Nitraat per liter. Op welke wetenschappe-lijke studies zijn deze normen gebaseerd? Is wetenschappelijk vastgestelddat bij overschrijding van deze concentraties in alle typen waterlichamendaadwerkelijk eutrofiëring optreedt? Kan de Minister aangeven welkenormen voor totaal stikstof in oppervlaktewater worden gehanteerd inandere Europese Unie (EU)-lidstaten en hoe deze zich verhouden tot de inNederland gehanteerde waarden?AntwoordMet het oog op eutrofiëring zoals benoemd in de Nitraatrichtlijn wordtvoor wat betreft de concrete invulling daarvan gebruikt gemaakt van deleidraad inzake eutrofiëring ter uitvoering van de Kaderrichtlijn Water. DeCDM geeft in haar advies over Kwetsbare zones Nitraatrichtlijn aan dat dekwaliteitseisen die in dat verband aan nutriënten worden gesteld voorstikstof tussen de 2–4 mg stikstof per liter liggen per KRW-waterlichaam.Deze reikwijdte is gebaseerd op de normen per waterlichaam uit de KRWstroomgebiedbeheersplannen. De normen voor nutriënten in regionalewaterlichamen zijn op aangeven van de waterschappen door provinciesvastgesteld. Waterschappen hebben zich gebaseerd op het rapportReferenties en maatlatten en andere studies die zijn vastgesteld in diverserapporten van de Stichting Toegepast Onderzoek Waterbeheer (STOWA).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42820 Waar het gaat om de normen voor totaal stikstof in oppervlaktewateren inandere lidstaten van de Europese Unie verwijs ik u naar de brief aan deEerste Kamer van mijn collega van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat van 13 maart 2025 over onder andere de wijze waarop anderelidstaten omgaan met normering van nutriënten onder de KaderrichtlijnWater22.De leden van de BBB-fractie kennen het document «Beste beschikbaretechnieken emissiearm aanwenden dierlijke meststoffen en zuive-ringsslib» (Informatiepunt Leefomgeving, «Beste beschikbare techniekenemissiearm aanwenden dierlijke meststoffen en zuiveringsslib», (https://iplo.nl/regelgeving/regels-voor-activiteiten/milieubelastende-activiteiten-hoofdstuk-3-bal/activiteiten/bodem-brengen-meststoffen/beste-beschikbare-technieken-emissiearm-aanwenden/)) en willen wetenwaarom de toepassing van verschillende toevoegmiddelen aan drijfmestniet in dit document opgenomen zijn. Wanneer is dit document voor hetlaatst herzien en wanneer wordt opnieuw onderzocht of er mogelijknieuwe technieken zijn die als optie aan dit document toegevoegd kunnenworden?AntwoordIn het door de leden van de BBB-fractie genoemde BBT-documentemissiearm aanwenden worden de Best Beschikbare Technieken voor hetaanwenden van dierlijke mest en zuiveringsslib voorgeschreven. Het doeldaarvan is het voorkomen van emissies naar de lucht.Het huidige BBT-document is sinds 1 januari 2024 verplicht en schrijft voordat het aanwenden van dierlijke mest en zuiveringsslib conform ditBBT-document dient plaats te vinden. Emissiearm aanwenden vandierlijke mest zelf is al verplicht sinds 1991 toen de verplichting werdopgenomen in het Besluit gebruik dierlijke meststoffen. Indien daaraanleiding toe is, kan het document worden aangepast. Zo wordt er op ditmoment bijvoorbeeld een wijziging voorbereid zodat emissiearmeaanwendingstechnieken worden voorgeschreven voor spuiwater enureumhoudende kunstmeststoffen.23 Ik verken momenteel of en op welkewijze de mestregelgeving aanpassing behoeft voor toevoegmiddelen voordierlijke mest (additieven).De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over de term«meemesten van sloten». Deze leden lezen dat het zogeheten KantstrooiAdvies Systeem (KAS) uit 1989 nog steeds de basis vormt voor deberekening van het «meemesten van sloten» en daarmee voor detoerekening van stikstof- en fosforbelasting van oppervlaktewater aan delandbouw. Zij zien in de praktijk dat het zogenaamde «meemesten vansloten» al jaren niet meer voorkomt. Boeren worden door dezebenadering onnodig verantwoordelijk gehouden voor iets dat al jaren nietmeer bestaat. Deze leden vinden dit zeer problematisch. Zij vragen of hetklopt dat dit systeem sinds de ontwikkeling eind jaren tachtig nietinhoudelijk is geactualiseerd op basis van nieuwe metingen of herbereke-ningen van mesttoedieningstechnieken. Zij constateren bijvoorbeeld datin het KAS expliciet wordt gerekend met mesttoedieningsmethoden zoalseen Schuitemaker SR 10000 L met spreidplaat voor drijfmest en volveldsekunstmeststrooiers zonder kantstrooivoorziening en merken op dat dezetechnieken destijds representatief waren voor de praktijk, maar inmiddelsverboden zijn of structureel zijn vervangen door andere systemen.Sommige technieken zijn op dit moment zelfs al jaren verboden.22Kamerstukken I, 2024/25, 21 501-08, AL.23kamerstuk 33 037, nr. 636Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42821 AntwoordIn de landelijke bronnenanalyse van nutriënten in regionale oppervlakte-waterlichamen uit 202524 is gebruikt gemaakt van de meest actuele,beschikbare data. Dit zijn onder andere de data die zijn opgenomen in deEmissieregistratie.25 De instituten die gezamenlijk werken aan deEmissieregistratie (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) stellen in onderlingoverleg vast op welke wijze de emissies worden geregistreerd entoegerekend.De emissiecijfers in de Emissieregistratie worden geactualiseerd enbeschreven in factsheets. Deze factsheets worden geactualiseerd als ermethodewijzigingen hebben plaatsgevonden of dat er verbeterpunten zijndoorgevoerd. Dit is een continue proces.De factsheet ten aanzien van «meemesten sloten» geeft de overeenge-komen registratie. Inderdaad is het basisrapport niet veranderd in deregistratie. Wel zijn door middel van correctiefactoren de emissiecijfersvoor «meemesten sloten» aangepast naar gelang de ingeschatte effectenvan veranderingen in het mestbeleid, waaronder regels ten aanzien vanaanwending van dierlijke mest en bufferstroken. Voornoemde institutendie gezamenlijk werken aan de Emissieregistratie hebben eerder bepaalddat de emissie van «meemesten sloten» door de bufferstrookfactor wordtafgebouwd en vanaf 2027 uitkomt op 0.De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat drijfmest tegenwoordigemissiearm wordt toegediend, veelal via injectie- of sleuftechniek, datkunstmeststrooiers verplicht zijn uitgerust met kantstrooivoorzieningen endat daarnaast bemestingsvrije bufferstroken langs watergangen wettelijkverplicht zijn. Deze leden vragen of de Minister het ermee eens is dat dezemaatregelen ertoe leiden dat direct meemesten van sloten in de huidigepraktijk sterk is verminderd en feitelijk niet meer voorkomt.Antwoord.Ja, dat klopt.De leden van de BBB-fractie lezen verder dat de effecten van gewijzigdbeleid en gewijzigde toedieningsmethoden niet zijn doorgerekend in eennieuw rekenmodel, maar uitsluitend zijn verwerkt via correctiefactoren opde uitkomsten van het oorspronkelijke KAS. Deze leden vragen waaromervoor is gekozen om geen volledige herberekening uit te voeren op basisvan actuele mesttoedieningstechnieken, maar te blijven werken metcorrecties op een verouderde rekenkern.AntwoordIn de factsheet wordt aangegeven dat een dergelijke actualisatie eenverbeterpunt is. Hieraan is nog geen uitvoering gegeven door Emissiere-gistratie. Het is aan de instituten die gezamenlijk werken aan de Emissie-registratie (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) om een prioritering aan tebrengen in het uitvoeren van verbeterpunten op basis van inhoudelijke enfinanciële argumenten. Zie verder het antwoord op de vorige vraag.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast op basis van welkeempirische gegevens of metingen deze correctiefactoren zijn vastgesteld.Deze leden vragen tevens waarom deze factoren niet specifiek zijndoorgerekend voor verschillen tussen grasland en bouwland, terwijl juistbij deze vormen van landgebruik de mesttoedieningsmethoden en risico’sop emissies sterk verschillen.24Bijlage bij Kamerstuk 33 037, nr. 607.25https://www.emissieregistratie.nl/.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42822 AntwoordDit is een expertoordeel in het kader van Emissieregistratie op basis vande wijzigingen in het mestbeleid, waaronder de invoering van emissiearmaanwenden van dierlijke mest en zuiveringsslib en de invoering vanbufferstroken.De leden van de BBB-fractie constateren dat aan de emissiefactor voor hetmeemesten van sloten een betrouwbaarheidspercentage van 100 procentis toegekend, wat duidt op een grote onzekerheid. Deze leden vragen hoedeze hoge onzekerheid zich verhoudt tot het gebruik van deze cijfers in debronverdeling van nutriëntenbelasting van oppervlaktewater en tot debeleidsmatige consequenties die hieraan worden verbonden.De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister het mogelijk acht datdoor het gebruik van een verouderd rekeninstrument, gecombineerd metglobale correctiefactoren, het aandeel van de landbouw in de berekendenutriëntenbelasting van oppervlaktewater structureel wordt overschat.Deze leden wijzen erop dat de bronverdeling direct van invloed is op dehaalbaarheid en proportionaliteit van waterkwaliteitsdoelen. Zij vragenwelke gevolgen een mogelijke bijstelling van het aandeel «meemestenvan sloten» zou hebben voor de totale toerekening van stikstof en fosforaan de landbouw en voor de haalbaarheid van de geldende waterkwali-teitsdoelen.AntwoordDe Emissieregistratie gaat over de registratie van de emissies. Aan elkoordeel in de emissies wordt een inschatting gemaakt van de betrouw-baarheid wat betekent dat de emissies hoger of lager zouden kunnenuitvallen. Deze onzekerheid wordt in rapporten en adviezen ook gerappor-teerd en meegenomen. Beleidsmatig wordt ten algemene de onzekerheidzoals aangegeven in bandbreedtes in rapporten en adviezen meege-wogen.Daarbij opgemerkt dat in de uitgevoerde landelijke bronnenanalyse debron «meemesten sloten» ongeveer 1% is van alle stikstofbronnen en 0%van alle fosforbronnen.De leden van de BBB-fractie lezen tot slot in de factsheet zelf dat eenupdate van emissies op basis van huidige toedieningsmethodennoodzakelijk wordt geacht. Deze leden vragen of de Minister bereid is hetrekeninstrumentarium voor het meemesten van sloten te laten actuali-seren op basis van actuele mesttoedieningstechnieken en praktijkme-tingen, zodat de toerekening van nutriënten aan sectoren beter aansluit bijde huidige landbouwpraktijk.AntwoordAls aangegeven in het antwoord op een voorgaande vraag van de ledenvan de BBB-fractie is de in het kader van de Emissieregistratie ingeschatteemissie van «meemesten sloten» vanaf 2027 geregistreerd als 0. Tenalgemene is het aan de instituten die gezamenlijk werken aan deEmissieregistratie (CBS, RIVM, Deltares, WUR en PBL) om een prioriteringaan te brengen in het uitvoeren van verbeterpunten op basis vaninhoudelijke en financiële argumenten.De leden van de BBB-fractie hebben ook een vraag over de meest recentebronnenanalyse van nutriënten in water. Omdat belasting vanuit hetbuitenland niet meegerekend wordt, lijkt te belasting door landbouwgroter dan die daadwerkelijk is. Waarom wordt daarvoor gekozen?Deze leden zouden graag van de Minister een overzicht per gebiedontvangen van de landbouwbijdrage aan stikstof als rekening gehoudenwordt met de belasting uit het buitenland én met de correctie voor het feitdat «meemesten van sloten» niet meer bestaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42823 AntwoordIedere lidstaat is verantwoordelijk voor zijn eigen bijdrage. Nederlanddient de belasting die er vanuit eigen land is op de waterkwaliteit aan tepakken. Om de belasting uit het buitenland te adresseren kan de betref-fende lidstaat waaruit deze belasting afkomstig is worden aangesproken.Daarnaast kan bij het toepassen van uitzonderingen voor het niet tijdighalen van waterkwaliteitsdoelen de bijdrage vanuit buitenlandse bronnenin de motivatie worden meegenomen door waterbeheerders. Over deinzet richting buurlanden en de toepassing van uitzonderingen is deKamer afgelopen zomer geïnformeerd.26De leden van de BBB-fractie zijn verbaasd over de strikte hantering vanhet «achteruitgangsverbod» als het gaat over het 8e AP. Ook daaroverhebben deze leden een aantal vragen. Waarom wordt bijvoorbeeld hetachteruitgangsverbod als het gaat om de landbouwbijdrage veel striktergenomen dan als het gaat om de bijdrage vanuit rioolwater? Alsvoorbeeld willen deze leden het aansluiten van nieuwe woningen op deriolering noemen. Omdat rioolwaterzuiveringen een groot aandeel van destikstofbelasting veroorzaken én in veel gevallen nog overstorten bestaan,is iedere nieuwe aansluiting op de riolering een reëel risico op achter-uitgang van de toestand van het water. Er worden echter nog steedsnieuwe woningen (en zelfs wijken) aangesloten op bestaande rioolnet-werken die zorgen voor overbelasting van bestaande rioolwaterzuive-ringen. In dat geval wordt kennelijk een afweging van belangen gemaakt.Waarom bestaat die mogelijkheid niet als het gaat om de landbouw endan met name de bemestingsnormen van vollegrondsgroenten? Metname de teelt van verschillende vollegrondsgroenten kan onmogelijkworden zonder versoepeling van de normen, hoe wordt daarmeeomgegaan? Waarom wordt daar geen belangenafweging gemaakt? Dezeleden vragen de Minister om niet alleen in te gaan op de mogelijkheid toteen belangenafweging bedrijfseconomische effecten, maar ook demogelijke effecten op de voedselvoorziening en dus de belangenafwegingvan de voedselvoorziening van de Nederlandse samenleving. Voedsel isten slotte niet alleen een economisch product, maar ook zonder twijfelnoodzakelijk voor de samenleving. De belangen van (mogelijk) iets minderstikstof in het water moet dus altijd ook afgewogen worden tegen debelangen van voedsel voor de samenleving. Daarnaast zijn er verschil-lende regels uit het 7e AP waarvan algemeen bekend is dat ze niet (ofhooguit zeer marginaal) bijdragen aan de waterkwaliteit. Het advies vande landsadvocaat laat zien dat het mogelijk is om die maatregelen te latenvervallen (of vervangen door effectieve maatregelen). Hoe gaat dit adviesworden meegenomen in de vaststelling van het volgende AP? Alsniet-effectieve maatregelen blijven bestaan, hoe groot is dan het risico datbelangengroepen of individuele ondernemers deze maatregelen zullenaanvechten? Kan de Minister reflecteren op de risico’s van het niet latenvervallen van maatregelen die niet of slechts zeer marginaal effectief zijnvoor de waterkwaliteit?AntwoordHet achteruitgangsverbod is onderdeel van de verplichtingen dievoortvloeien uit de Kaderrichtlijn Water, die in een afzonderlijk waterli-chaam per stof of kwaliteitselement wordt bekeken. Het gaat hierbij nietalleen om nutriënten, maar ook om andere stoffen die op grond van deKaderrichtlijn Water worden genormeerd. De afweging welke maatregelenin het 8e actieprogramma nodig zijn ter bescherming van de waterkwa-liteit en de relatie met de bedrijfeconomische en sociaal-economischeeffecten van die maatregelen wordt overgelaten aan het volgende kabinet.26Kamerstukken II, 2024–2025, 27 625, nr. 716.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42824 Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie constateren dat vorig jaar via 81 duizend tonrundveemest 386 duizend kilogram fosfaat en 616 duizend kilogramstikstof is geëxporteerd. Tegelijkertijd is met de import van 132 duizendton rundveemest 251 duizend kilogram fosfaat en 580 duizend kilogramstikstof geïmporteerd. Deze leden vinden het opvallend dat nog zoveelrundveemest wordt geïmporteerd en de fosfaat- en stikstofgehaltesdaarbij substantieel lager liggen. Kan de Minister dit nader duiden?AntwoordDe import en export van dierlijke mest wordt gepubliceerd door RVO. Decijfers over 2025 staan op de website van RVO.27 Voor de import en exportvan mest gelden naast de mestregelgeving ook de regels van deVerordening Dierlijke Bijproducten (1069/2009). Rundveedrijfmest kanonverwerkt met een gezondheidscertificaat en verwerkt, over hetalgemeen door middel van scheiding en hygiënisatie waarbij de dikkefractie de grens over gaat, worden geëxporteerd. Onverwerkte rundvee-drijfmest heeft ongeveer een verhouding van ongeveer 1 tot 3 (fosfaat /stikstof). Voor vaste rundveedrijfmest is dat 1 tot 2 (fosfaat / stikstof).28 Deimport van rundveedrijfmest Nederland betreft veelal import vanonverwerkte rundveedrijfmest, met lagere gehaltes dan vasterundveemest, rechtstreeks naar landbouwpercelen in de provincieZeeland. De export van rundveedrijfmest vanuit Nederland betreft vooreen groot deel vaste rundveemest en dikke fractie na mestscheiding methogere fosfaat- en stikstofgehalten dan onverwerkte rundveedrijfmest.De leden van de SGP-fractie hebben een vraag in verband met deaangenomen motie-Flach/Grinwis (Kamerstuk 28 973, nr. 278) waarinwordt gevraagd om in te zetten op het beperken van de aanwijzing vanheel Nederland als een kwetsbaar gebied door graslandregio’s als hetrivierengebied, waar weinig problemen zijn met de waterkwaliteit, nietaan te wijzen dan wel een apart AP hiervoor op te stellen. Wil de Ministerhet toegezegde advies van de CDM per ommegaande naar de Kamersturen (Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2025–2026, nr. 766)? Is deveronderstelling juist dat als Nederland ervoor kiest dit jaar bijvoorbeeldhet rivierengebied niet aan te wijzen als kwetsbaar gebied er dan in iedergeval dit jaar voor dit gebied meer ruimte kan worden gecreëerd voor hetuitrijden van dierlijke mest, omdat voor het al dan niet aanwijzen van heelNederland als kwetsbaar gebied geen toestemming vooraf nodig is?AntwoordOp 27 januari jl. zijn de documenten die zijn gebruikt in de voorbereidingvan en de besluitvorming over het 8e actieprogramma Nitraatrichtlijn naarde Tweede Kamer gestuurd29. Onderdeel van deze documenten is hetCDM-advies over Kwetsbare zones Nitraatrichtlijn. In het geval Nederlander voor zou kiezen over te gaan op een systeem van aanwijzing vankwetsbare zones als bedoeld in de Nitraatricthlijn (in plaats vantoepassing op het hele grondgebied) en er daarbij voor zou kiezengebieden uit te zonderen van een aanwijzing als kwetsbare zones, isvoorafgaande goedkeuring van de Europese Commissie geen vereiste.Wel zal de Europese Commissie hiervan in kennis moeten worden gestelden zal zij dit beoordelen in het licht van de verplichtingen van de Nitraat-richtlijn. Zoals in het antwoord op voorgaande vragen is aangegevenkunnen de conclusies van het CDM-advies inzake kwetsbare zones doorhet volgende kabinet worden meegenomen bij de besluitvorming over het8e actieprogramma.27https://www.rvo.nl/onderwerpen/mest/import-export28Zie hiervoor bijlage I Uitvoeringsregeling Meststoffenwet.29Kamerstukken II, 2025/26, 33 037, nr. 639.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42825 De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering de aanwijzingvan NV-gebieden niet wil aanpassen op basis van geactualiseerde data endaarbij verwijst naar de oproep van de Kamer om de geïmplementeerdemaatregelen uit het 7e AP ongewijzigd voort te zetten. Deze leden willenerop wijzen dat de Kamer ook heeft gevraagd om actualisering van deaanwijzing van NV-gebieden (Kamerstuk 28 973, nr. 278) en dat het bij deactualisering van de lijst met NV-gebieden niet gaat om de overstap naaraandachtsgebieden of een wijziging van maatregelen in het 7e AP, maarom een aanpassing van de lijst van gebieden (waar specifieke geïmple-menteerde maatregelen van toepassing zijn) volgens de huidige criteria inhet huidige AP. Deelt de Minister de mening dat de gevraagde actualisatievan NV-gebieden in lijn is met de wensen van de Kamer? Is zij alsnogbereid deze actualisatie door te voeren?AntwoordDe aanwijzing van de aandachtsgebieden stikstof en fosfaat die ook eenactualisering van de met nutriënten verontreinigde gebieden(NV-gebieden) inhield, was onderdeel van het 8e actieprogramma. Het8e actieprogramma Nitraatrichtlijn is door het kabinet niet vastgesteld. Op19 december 2025 heeft het kabinet uw Kamer geïnformeerd over ditbesluit. De besluitvorming over het 8e actieprogramma wordt overgelatenaan het volgende kabinet. Daaronder valt ook een mogelijke actualisatievan de NV-gebieden.De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister bereid isboomkwekerijgewassen toe te voegen aan de lijst met rustgewassenonder het 7e AP.AntwoordOver het verzoek van de boomkwekerijsector om meerjarige boomkwe-kerij gewassen gedurende het 7e actieprogramma Nitraatrichtlijn alsrustgewas op te nemen, heeft het kabinet nog geen besluit genomen. Debesluitvorming hierover is aan het volgende kabinet.De leden van de SGP-fractie horen graag of de Subsidieregeling BehoudGrasland de komende jaren wordt voortgezet, gelet op de blijvende drukop omzetting van grasland in meer uitspoelinggevoelig bouwland.AntwoordDe subsidieregeling behoud grasland liep van 2023 tot en met 2025 enwas bedoeld om gedurende het afbouwpad van de derogatie, deelnameaan derogatie te stimuleren en het grasland op deze bedrijven tebehouden. Daarnaast werden de ondernemers ondersteund om extrakosten als gevolg van de afbouw van de derogatie op te vangen. Het isaan het nieuwe kabinet om te besluiten over eventuele voortzetting nadeze tijd.De leden van de SGP-fractie ontvangen graag inzicht in de hoeveelhedenfosfaatrechten die in de opeenvolgende jaren 2022, 2023, 2024 respectie-velijk 2025 in de rundveehouderij zijn verhandeld.AntwoordIn onderstaande tabel vindt u een overzicht van het aantal fosfaatrechtendat in de betreffende jaren is verhandeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42826 Tabel: Overzicht van geëffectueerde hoeveelheid overgedragen fosfaatrechten(bron: RVO)20226.783.53120234.431.31220246.224.09020256.730.974 De leden van de SGP-fractie constateren dat de excretieforfaits voormelkvee de daadwerkelijke excretie overschatten. De regering wil dewettelijke excretieforfaits nog niet actualiseren in verband met deverwachte extra dieren die dan aangehouden zullen worden. Dat betekentevenwel ook dat melkveehouders nu meer mest moeten afvoeren dannodig is, terwijl de mestmarkt al gespannen is door de afschaffing van dederogatie. Deze leden horen graag welke mogelijkheden de Minister zietom ervoor te zorgen dat melkveehouders niet meer mest hoeven af tevoeren dan nodig is.AntwoordMelkveehouders hebben de mogelijkheid om in het kader van de vrijebewijsleer onder voorwaarden gebruik te maken van de Handreikingbedrijfsspecifieke excretie melkvee (Handreiking BEX). Hiermee kunnen zijaantonen dat de hoeveelheid stikstof en fosfaat die op hun bedrijf wordtgeproduceerd afwijkt van de met de wettelijke (forfaitaire) excretieforfaitsberekende hoeveelheid stikstof en fosfaat. Daardoor hoeven dezemelkveehouders niet meer mest af te voeren dan nodig.De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat enkele steden, zoalsArnhem, ’s Hertogenbosch en Veenendeel, pal naast stikstofgevoeligeNatura 2000-gebieden liggen en derhalve grote problemen ondervindenbij onder meer woningbouw en de energietransitie. Deze leden horengraag of de Minister wil investeren in gerichte maatregelen voor stedelijkeemissiereductie om maatschappelijk noodzakelijke ontwikkelingen in dezesteden mogelijk te houden.AntwoordHet Rijk investeert middels het programma Schoon en emissieloosbouwen (SEB) ruim een miljard om de transitie naar een schone enemissieloze bouwsector te versnellen. Veel gemeenten naast stikstofge-voelige Natura 2000-gebieden doen mee aan SEB en kunnen on onder-steund worden wanneer zij emissieloos materieel uitvragen bij hetaanbesteden van het bouwrijp maken van grond en bij het aanleggen vaninfrastructuur. Vanuit SEB wordt momenteel met de convenantpartijeneen uitvoeringsagenda 2026–2027 voorbereid om de transitie verder opkoers te houden. Het volgende kabinet zal de Tweede Kamer in Q2hierover informeren.De leden van de SGP-fractie horen graag wanneer de Minister de SEMgaat openstellen. Is dit op de kortst mogelijke termijn?AntwoordZoals ik in mijn antwoord op de vraag van de leden van de JA21-fractieheb aangegeven, zijn de vragen die de Europese Commissie in het kadervan de prenotificatie heeft gesteld over de aard en de opzet van deSubsidieregeling extensivering melkveehouderij (Sem) op 23 januari jl.beantwoord. De prenotificatie is ondertussen afgerond en de formelenotificatie bij de Europese Commissie is gestart. Voor het proces vannotificatie dient rekening te worden gehouden met een duur van tweemaanden, waarbij het van belang is om aan te geven dat afhankelijk vaneventuele vragen of verzoeken van de Commissie dit proces langer kanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42827 duren. Na formele goedkeuring door de Commissie zal ik de Sem zo snelals mogelijk publiceren.De leden van de SGP-fractie constateren dat wordt gesuggereerd dat dooremissiereductie natuurherstel wordt gerealiseerd en dat vergunningver-lening pas op gang kan komen als sprake is van natuurherstel. Deze ledenwillen erop wijzen dat wetenschappelijk onderzoek laat zien dat vanwegeopgehoopte neerslag over langere tijd emissiereductie in verschillendeNatura 2000-gebieden op korte termijn op zichzelf geen zichtbaarnatuurherstel zal opleveren. Dat zou betekenen dat het opgang brengenvan de vergunningverlening nog heel lang op zich laat wachten. Dezeleden horen graag hoe de Minister dit weegt.AntwoordMet de SGP-fractie deel ik dat vergunningverlening zo snel mogelijk opgang moet komen. Daarom heeft het Kabinet stevige inzet getoond doorde Ministeriële Commissie Economie en Natuurherstel in te stellen, dieeen startpakket en een vervolgpakket gemaakt gericht om van hetstikstofslot te komen. Tegelijkertijd vergt het op gang brengen vanvergunningverlening een aantal stappen, zodat de natuurvergunningenook stand houden voor de rechter. Om salderen mogelijk te maken(bestaande toegestane stikstofruimte inzetten voor een nieuw of gewijzigdproject) is het niet nodig dat maatregelen al hebben geleid tot natuur-herstel, er moet wel zijn aangetoond dat er voldoende andere maatre-gelen worden genomen om verslechtering van natuur tegen te gaan eninstandhoudingsdoelstellingen te realiseren (additionaliteit). Als behoudvan een gebied is geborgd, is het voldoende dat aannemelijk kan wordengemaakt dat sprake is van een blijvende daling. Als behoud niet geborgdis en er nog geen zicht is op het behalen van instandhoudingsdoelstel-lingen, moet worden gemotiveerd welke andere maatregelen zijn of zullenworden getroffen om dit wel te realiseren, binnen welk tijdpad dezemaatregelen worden uitgevoerd, en wanneer verwacht wordt dat dezeeffectief zijn.Het is juist dat alleen stikstofreductie niet per definitie leidt tot het kunnenhervatten van vergunningverlening. Mede om die reden heeft dit kabinetextra ingezet op het meten van de exacte staat van de natuur, zodat meergerichte maatregelen kunnen worden genomen.De leden van de SGP-fractie horen graag welke afweging het kabinetinmiddels heeft gemaakt ten aanzien van de gevraagde juridischeduidelijkheid over het opnemen van intern salderen in de voortoets alsactiviteiten onlosmakelijk aan elkaar verbonden zijn (Kamerstuk 35 334,nr. 392).AntwoordDe motie Flach (SGP) c.s. verzoekt de regering te bezien hoe dooraanpassing van de Omgevingsregeling juridische duidelijkheid gegevenkan worden over de ruimte voor intern salderen in de voortoets als sprakeis van activiteiten die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, en dit meete nemen bij de uitwerking van het startpakket Nederland van het slot.Naar deze mogelijkheid is gekeken. Vastgesteld is dat op dit moment in dewetgeving geen regels zijn gesteld over de voortoets. Er zijn alleen regelsgesteld over de reikwijdte van de vergunningplicht voor Natura2000-activiteiten, in artikel 5.1 van de Omgevingswet en paragraaf 11.1.2van het Besluit activiteiten leefomgeving, een algemene maatregel vanbestuur op grond van de Omgevingswet. Daarnaast zijn regels gesteldover de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunning vooreen Natura 2000-activiteit, in paragraaf 8.6.1 van het Besluit kwaliteitleefomgeving, eveneens een algemene maatregel van bestuur op grondvan de Omgevingswet. In de Omgevingsregeling, een ministeriëleregeling, kunnen technische regels worden gesteld over de aanvraag voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42828 een omgevingsvergunning en daarbij over te leggen gegevens. Er isechter geen grondslag om in die regeling een nieuwe toets te introdu-ceren die vooraf gaat aan het al dan niet aanvragen van een vergunningen om over de invulling daarvan – bijvoorbeeld in relatie tot activiteitendie onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn – nadere regels te stellen. Datzou een wetswijziging vergen. Besluitvorming daarover is aan het nieuwekabinet.De leden van de SGP-fractie horen graag of de Minister de opgekochtestikstofruimte in het kader van de opkoopregelingen tijdelijk wil inzettenrichting provincies om handhaving bij Programma Aanpak Stikstof(PAS)-melders af te kunnen houden.AntwoordStikstofreductie uit natuurmaatregelen (zoals de Lbv-plus) kan doorbevoegd gezagen worden gebruikt in de onderbouwing dat handhavingvan de PAS-melder onevenredig is. Er wordt door het Rijk een toolontwikkeld waarmee deze reductie inzichtelijk wordt. Ruimte vanuitregelingen die bedoeld is voor mitigatie (zoals Srv en MGA-1) wordtingezet voor legaliseren van PAS-meldingen.De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen over de Subsidiere-geling Brongerichte Verduurzaming (Sbv). De deelname van melkvee-houders aan deze regeling is minimaal vanwege de zware eisen. Dezeleden hebben de indruk dat zo kansen worden gemist. Welke ruimte zietde Minister voor het tijdelijk ondersteunen van innovatieve technieken enmanagementmaatregelen, waarbij de uitstootreductie via monitoringgevolgd moet worden? Welke mogelijkheden ziet de Minister om dehuidige eis van minimaal 85 procent emissiereductie te versoepelen,zodat meer technieken en managementmaatregelen, al dan nietgestapeld, in aanmerking komen?AntwoordIn de afgelopen jaren heb ik ingezet op het ondersteunen van enerzijdsonderzoek en ontwikkeling (innovatiemodule) en anderzijds toepassing(investeringsmodule) van technische en managementmaatregelen via deSubsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaat-regelen (Sbv). Ik heb uw Kamer op 8 september 2025 geïnformeerd overde stand van zaken en de uitgevoerde beleidsevaluatie30. Het doel van demeest recente openstelling van de Sbv-investeringsmodule was hetsignificant reduceren van stikstofemissies voor de doelgroep die onder deaanpak piekbelasting viel. Hierbij was de Sbv onderdeel van het«Trappetje van Remkes» (innoveren, extensiveren, verplaatsen enstoppen). Besluitvorming over nieuwe openstellingen of nieuweregelingen die zien op het tijdelijk ondersteunen van innovatievetechnieken en managementmaatregelen is aan het nieuwe kabinet.Daarbij kan ook gekeken worden naar de specifieke eisen en voorwaardenbinnen die openstelling of regeling en de middelen die subsidiabelworden gesteld. Bij die weging kunnen ervaringen van eerdere regelingenen ook signalen vanuit de Kamer worden meegewogen.De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in het kader vanhet «Vervolgpakket Nederland van het slot» 50 miljoen euro heeftgereserveerd voor een gebiedsgerichte aanpak voor het Rotterdamsehavengebied. Ook andere havengebieden, zoals North Sea Port, kampenmet de stikstofproblematiek. Worden deze havengebieden ook meege-nomen in de genoemde gebiedsgerichte aanpak? Zo nee, waarom niet?30Kamerstuk 28 973, nr. 281Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42829 AntwoordDe stikstofproblematiek speelt in heel Nederland. Bij het vervolgpakket iser een indicatieve keuze gemaakt om met de beschikbare middelen op eenaantal plekken een gebiedsgerichte aanpak te verkennen. Het is aan eenvolgend kabinet om te besluiten hoe zij verder wil met de gebiedsgerichteaanpak en welke middelen ze hiervoor beschikbaar wil stellen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorhet schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid en hebben hier nog eenaantal vragen over.De leden van de PvdD-fractie constateren dat de Minister van Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) er sinds haar aantreden allesaan heeft gedaan om maatregelen tegen te houden en verslechteringendoor te voeren. In de praktijk heeft dit er niet alleen toe geleid dat erkostbare tijd is verspild, maar ook dat de problemen, die al zeer ernstigwaren, nog meer zijn vergroot. Hierdoor moeten er op zeer korte termijnmaatregelen komen om alle problemen die worden veroorzaakt door deveehouderij, zoals de stikstof- en watercrisis, achteruitgang van de natuuren gezondheidsproblemen voor Nederlands, op te lossen. Boeren zijn innog meer onzekerheid gestort en door het afbraakbeleid van hetafgelopen kabinet komt er nog meer op hen af. In stukken van hetMinisterie van I&W lezen deze leden dat ambtenaren van I&W zich steviguitspreken tegen het functioneren van het Ministerie van LVVN. Zospreken zij van een «nietus-wellus spel», «onjuiste vergelijking»,«eufemisme voor verslechtering» en «appels met peren vergelijken»(2026D03468). Wat vindt de Minister van deze stevige kritiek op hetfunctioneren van haar ministerie?AntwoordHet concept 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn, dat op 14 juli 202531 metuw Kamer is gedeeld als ook in de documenten waar de leden van dePvdD naar verwijzen, bevatte een gebalanceerd pakket aanpassingen omde huidige waterkwaliteit te behouden en aanscherpingen door te voerenop plekken met een waterkwaliteitsopgave. Als gevolg van de motieGrinwis heeft het kabinet geen definitief 8e Actieprogramma vastgesteld.Verder wil ik in algemene zin benadrukken dat ik volledig achter waarde-ringen en inschattingen van mijn ambtenaren sta.De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het landbouwbeleid al jarenwordt gekenmerkt door een gefragmenteerde aanpak waarin wordtgestuurd op deelproblemen. Op het ene moment focust de politiek zich opstikstof en wordt daarop gestuurd, op het andere moment op fosfaatre-ductie of vermindering van de ammoniakuitstoot, verbetering van dewaterkwaliteit en verbetering van dierenwelzijn. Deze leden zijn vanmening dat het nodig is dat er duidelijkheid komt over de toekomst van delandbouw, zodat boeren een richting hebben waar ze op een integralemanier naartoe kunnen. Deze leden hebben hier een aantal vragen over:welke maatregelen van de Minister dragen integraal bij aan de stikstof-aanpak en dierwaardigheid? Heeft de Minister een totaaloverzicht in kaartlaten brengen van maatregelen die én de stikstofaanpak en de transitienaar een dierwaardige veehouderij in uiterlijk 2040 moeten realiseren?Hoe heeft zij uitvoering gegeven aan de motie die de regering verzoektom stikstofmaatregelen die dierenwelzijn raken wetenschappelijk te latentoetsen op dierwaardigheid en in kaart te brengen welke maatregelengetroffen kunnen worden die integraal bijdragen aan de stikstofaanpak endierwaardigheid (Kamerstuk 35 334, nr. 391)? Deelt de Minister de visiedat de focus op emissiereductie in stikstof- en mestbeleid niet moet leidentot maatregelen die het dierenwelzijn verslechteren, zoals dichte stallen31Kamerstuk 33 037, nr. 607Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42830 met luchtwassers, aanpassingen in voer (zoals eiwitbeperking en Bovaer)die risico’s voor de diergezondheid met zich meebrengen en beperkingvan weidegang (vanwege hoge mestafzetkosten), maar dat er in plaatsdaarvan moet worden gekeken naar integrale oplossingen voor alleuitdagingen in de landbouw? Zo nee, waarom niet?De leden van de PvdD-fractie lezen in de appreciatie van het maatregel-pakket stikstof door het PBL dat een deel van de ammoniakreductie in deveehouderij moet worden bereikt door een toename van het aandeel ende effectiviteit van emissiearme stallen, met name bij varkens en kippen.Deze leden merken ook op dat het kabinet voornemens is om meersubsidie uit te trekken voor technologische innovaties die stikstofreduceren en daarentegen veel minder budget beschikbaar stelt voor deopschaling van een dierwaardige veehouderij. Hoe voorkomt de Ministerdat een toename in emissiearme stalsystemen voor met name varkens enpluimvee de transitie naar een dierwaardige veehouderij vertraagt of zelfstegenwerkt? Hoe kan de Minister borgen dat eiwitnormen in veevoer nietonder veterinair vastgestelde gezondheidsgrenzen uitkomen? Volgens deVolkskrant voeren melkveehouders minder eiwit in verhouding tot dehoeveelheid energie om de stikstofuitstoot van hun dieren te verlagen(Volkskrant, 17 oktober 2025, (https://www.volkskrant.nl/wetenschap/koeien-varkens-en-kippen-gaan-gebukt-onder-stikstofbeleid-diergezondheid-staat-bijna-altijd-achteraan~bb893692/)). Kan de Ministereen inschatting geven van de schaal van deze trend (aantal dieren ofaantal bedrijven)? Volgens de Volkskrant zien pathologen ook steeds vakergevallen van leververvetting en baarmoederontsteking rond het afkalven.Kan de Minister dit bevestigen en verklaren?AntwoordZoals ook aangegeven op de vragen van de D66-fracie deel ik de oproepvoor een integrale blik op het ontwikkelen van beleid en het inzetten vanmaatregelen. Immers, het komt allemaal samen op het boerenerf. Er zijnveel maatregelen waarin dierenwelzijn en het verminderen van destikstofuitstoot hand in hand gaan, zoals bij weidegang of stalinnovatiesdie bijdragen aan zowel het verminderen van emissies als een hogerdierenwelzijn. Daarom wordt bijvoorbeeld bij regelingen t.b.v. innovatieook de eis gesteld dat deze moet bijdragen aan dierenwelzijn en wordt degezondheid van koeien goed in de gaten gehouden bij ontwikkelingen inveevoer. Specifiek bij aanpassingen in het ruw-eiwitgehalte van hetrantsoen wordt dit geborgd door wetenschappelijk onderzoek ondergecontroleerde omstandigheden op de Dairy Campus. In dit onderzoekwordt door onafhankelijke kennisinstellingen onderzocht wat de effectenzijn van verschillende, relatief lage eiwitniveaus op diergezondheid endierenwelzijn, zodat tijdig kan worden bijgestuurd indien risico’s optreden.Ik deel daarom niet de visie dat de inzet op innovatie en aanpassingen inhet voer het dierenwelzijn verslechteren.Sterker nog, uit voorzorg is de afgelopen jaren veel aandacht besteed aande relatie ruw eiwit en diergezondheid, bovenop de gebruikelijkediergezondheidsmonitoring die op elk bedrijf gebeurt onder toezicht vande dierenarts. Een belangrijk onderdeel hiervan is de pilot Koe en Eiwit,waarin praktijkervaringen en onderzoeksresultaten worden verzameld engeanalyseerd. Maar ook andere signalen zijn hier belangrijk.Het artikel in de Volkskrant gaat in op zo’n signaal namelijk de inwendigevervetting bij melkkoeien die is geconstateerd in de sectiezaal van RoyalGD. Het is belangrijk om dit in de goede context te plaatsen. De dieren diein de sectiezaal terechtkomen, worden ingestuurd vanwege gezondheids-problemen en vormen daarom geen representatieve afspiegeling van detotale melkveepopulatie. Deze bevindingen kunnen daarom niet zondermeer worden geëxtrapoleerd naar de hele sector. Bovendien zijn ermeerdere factoren die een rol kunnen spelen bij het ontstaan vaninwendige vervetting. GD heeft inwendige vervetting verder onderzochtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42831 door middel van verschillende pilotstudies. Dit heeft veel waardevolleinformatie opgeleverd, maar vooralsnog kan men geen conclusie trekkenover de oorzaak van de inwendige vervetting. Er wordt nagedacht oververvolgonderzoek om de verschillende hypotheses te toetsen en alsMinister volg ik dit op de voet.En binnen de pilot Koe en Eiwit heeft een deelonderzoek uitgewezen dathet verlagen van het ruw eiwitgehalte in het rantsoen geen negatieveeffecten had op de diergezondheid32, 33, 34, 35. En ook de eerste resultatenen signalen uit het onderzoek op de Dairy Campus geven vooralsnog geenaanleiding tot zorgen over de diergezondheid bij de eiwitgehalten die daarworden onderzocht. Gezien de aard van de sectorafspraak (vrijwilligebasis) en de vele onderzoeken die lopen, acht ik de diergezondheid inrelatie tot deze afspraak hiermee geborgd.En uiteraard is het van belang om waakzaam te blijven dat beleidsinitia-tieven die ingrijpen op de levensomstandigheden van dieren geen nadeligeffect op de diergezondheid en dierenwelzijn.Heeft u kennisgenomen dat het beleid van de provincie Gelderland ommet zones van 500 meter (rond de Veluwe/landgoederen Brummen) tewerken slechts 55 procent emissiereductie in 2035 beoogt, waarvanslechts 11 procent extra boven op het autonome pad. Kunt u bevestigendat de Veluwe het grootste Natura 2000-gebied van Nederland is, waarbovendien het gros van de Urgente Lijst die centraal staat in de Green-peace-rechtszaak (Rechtbank Den Haag, 22-01-2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:578), zich bevindt? Kunt u bevestigen dat het vonnis toeziet op 2030,en het beleid van provincie Gelderland onvoldoende is om dit te halen?Hoe kan worden voorkomen dat deze aanpak onterechte verwachtingenschept over zowel het tempo als opgave die vervolgens tot weerstandleidt omdat er, overduidelijk, meer nodig is? Erkent de Minister dat hetgebrek aan nationale sturing ertoe leidt dat provincies hun eigen,ontoereikende invulling aan de opgave bieden? Ook provincies zijnimmers verplicht invulling te geven aan het Greenpeace-vonnis. Hoe valtde keuze voor enerzijds slechts een 500 meter zone rond het grootsteNatura 2000-gebied, evenals een enclave binnen de Veluwe, zonder extraopgave, volgens u te verklaren en uit te leggen aan de rest van het land?AntwoordIk heb kennisgenomen van het beleid van de provincie Gelderland.Daarnaast kan ik bevestigen dat een groot deel van het areaal van dehabitats op de Urgente Lijst uit het rapport van Bobbink en Tomassen,36dat door Greenpeace is ingebracht bij de rechtbank ter onderbouwing vanhaar standpunt, zich bevindt op de Veluwe. Er staan echter ook veelhabitats op de Urgente Lijst die zich (ook) in andere Natura 2000-gebiedenbevinden. Verder kan ik bevestigen dat in het vonnis de Staat wordtbevolen om uiterlijk op 31 december 2030 het doel van 50% stikstofge-voelige habitats onder de KDW te behalen, waarbij prioriteit moet wordengegeven aan habitats die staan op de door u aangehaalde Urgente Lijst. Ikconstateer echter dat het nog niet 31 december 2030 is en dus kan ik nietconcluderen dat niet wordt voldaan aan het vonnis. Er is nog bijna 5 jaarom aanvullend beleid verder tot uitvoering te brengen en maatregelen tetreffen. Daarbij vind ik het wel van belang te benadrukken dat niet hetonhaalbare van onze maatschappij kan worden gevraagd. Het vonnisvraagt om een combinatie van generiek beleid en waar nodig gebiedsge-richt beleid waarvan de effecten elkaar bovendien beïnvloeden. Het is dan32https://koeeneiwit.nl/nieuws/resultaten-2-jaar-diergezondheidsmonitoring/33https://koeeneiwit.nl/nieuws/kalf-en-koe-gezond-bij-minder-eiwit-cijfers-geven-vertrouwen/34https://koeeneiwit.nl/nieuws/geen-reden-tot-zorg-koeien-blijven-gezond-met-minder-ruw-eiwit/35https://koeeneiwit.nl/nieuws/ook-met-minder-eiwit-blijven-koe-en-kalf-gezond/36Bobbink en Tomassen, Update urgentietabel 2023: Herstelbaarheid van door stikstofdepositieaangetaste natura 2000-habitattypen, 9 februari 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42832 ook niet mogelijk om op basis van de individuele ambitie van een enkelgebied een uitspraak te doen over de haalbaarheid van nationale doelenen rechterlijke uitspraken. Daarbij hebben zowel het Rijk als provincieseen verantwoordelijkheid in het licht van de Habitatrichtlijn, maar kan nietworden gezegd dat de provincies direct gebonden zijn aan het vonnis inde procedure tussen de Staat der Nederlanden enerzijds en GreenpeaceNederland anderzijds.Vragen en opmerkingen van de leden van de CU-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie maken zich ernstige zorgen dat ernog geen zicht is op het van het stikstofslot komen van ons land. Na jarensteggelen over welk natuur- en stikstofbeleid precies nodig is – of ervooral focus moet zijn op emissiereductie en natuurherstel of vooral focusop aanpassing van regelgeving of een combinatie van die beide – om uitde stikstoffuik te zwemmen, is er nog steeds geen zekerheid dat stap x, yen z leiden tot het vlot verstrekken van nieuwe Natuurbeschermingswet-vergunningen (NB-vergunningen) die stand houden voor de rechter. Devraag van deze leden is daarom of nog één keer kan worden uiteengezetwat nodig is om met 100 procent kans een verstrekte natuurvergunningde rechtbank te laten overleven? Of is die garantie niet te bieden bij dehuidige Vogel- en Habitatrichtlijn en de vigerende interpretatie daarvan?Als dat zo is, welke consequentie trekt het kabinet daar dan uit? Immers,er staat veel op het spel: woningen die moeizaam gebouwd kunnenworden, infrastructuur die niet aangelegd kan worden, bedrijven die nietkunnen innoveren en verduurzamen en anderzijds boerenbedrijven diemogelijk worden opgeofferd voor een onzeker resultaat in de rechtbank.Graag een goed onderbouwde en diepgaande reactie op deze funda-mentele zorg. In de tussentijd wordt onder de huidige wet- en regelgevinggewerkt aan het verhogen van de rekenkundige ondergrens in de AeriusCalculator, namelijk naar een wetenschappelijk onderbouwde ondergrensvan 0,5 mol per hectare per jaar. Hoe staat het daar nu mee, welkestappen worden wanneer gezet en vanaf wanneer rekent Aerius met dezenieuwe rekenkundige ondergrens? Welke flankerende maatregelen wil hetkabinet nemen om de kans te vergroten dat de verhoogde ondergrensstand houdt voor de rechter? In welke mate zijn de wensen en eisen vande provincies ingevuld door het kabinet? Stel dat de nieuwe rekenkundigeondergrens geen stand houdt, wordt met het oog daarop in de tussentijdgewerkt aan een nieuwe bouwvrijstelling voor stikstofoxiden uitstoot,aangezien zo een vrijstelling met meer kennis en zekerheid dan een aantaljaar geleden is te onderbouwen en vorm te geven, zo vragen deze leden.Waarom lukt het niet de opvolger van het legalisatieprogrammaPAS-melders voor 1 mei 2026 van kracht te laten zijn? Tijdens dewetsbehandeling was toch al bekend dat er afstemming met derden zouworden gezocht? Wordt er wel voldoende prioriteit aan het oplossen vande onzekerheid voor PAS-melders gegeven, zo vragen deze leden.AntwoordIk ben het met de ChristenUnie-fractie eens dat het huidige stikstofslotzorgt voor grote beperkingen en onzekerheid waar het gaat omwoningbouw, infrastructuur, innovatie en toekomst voor de agrarischesector. Alleen als er (blijvend) voldoende maatregelen worden genomenwaarmee voor de Natura 2000-gebieden verslechtering wordt voorkomenof gestopt en er zicht blijft op het behalen van de gunstige staat vaninstandhouding, is het mogelijk om additionaliteit te kunnen aantonen enzo stappen te zetten om vergunningverlening weer mogelijk te maken. Datzal niet meteen overal kunnen: het verschilt per gebied waar de Natura2000-gebieden liggen en in welke mate deze overbelast zijn. Er is naastgeneriek ook gebiedsgericht beleid nodig om te onderbouwen dat ervoldoende bron- en natuurherstelmaatregelen genomen worden voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42833 specifieke Natura 2000-gebieden. Daarom heeft het kabinet met deMinisteriële Commissie Economie en Natuurherstel zich met volleovertuiging ingezet om te komen tot het beleid dat nodig is, en heeft eenstartpakket en een vervolgpakket gemaakt. Bij het vervolgpakket heeft hetkabinet echter wel benadrukt dat de inmiddels demissionaire statusbescheidenheid vraagt en dat ook met dit vervolgpakket Nederland nogniet volledig van het slot kan.37 Een nieuw kabinet kan voortbouwen opdeze pakketten om Nederland van het slot te krijgen.Tijdens de wetsbehandeling was toch al bekend dat er afstemming metderden zou worden gezocht? Wordt er wel voldoende prioriteit aan hetoplossen van de onzekerheid voor PAS-melders gegeven?AntwoordIk vind het, net als uw Kamer, belangrijk dat we zo snel mogelijk eenoplossing vinden voor de PAS-melders. Daarbij hoort een programma dathierbij helpt en waarvan de inhoud door betrokken wordt gedragen. Dewetsbehandeling in zowel de Tweede als Eerste Kamer heeft langergeduurd dan geanticipeerd, en ook die input is van belang om tot eengedragen programma te komen. Daarom heb ik eerder aan beide Kamersgemeld dat ik voornemens was om uiterlijk op 1 mei 2026 de versie voorinternetconsultatie vast te stellen en aan beide Kamers te doen toekomen.De definitieve vaststelling van het programma zou dan voor het zomer-reces kunnen plaatsvinden. Besluitvorming daarover is uiteraard aan mijnopvolger.In de tussentijd wordt onder de huidige wet- en regelgeving gewerkt aanhet verhogen van de rekenkundige ondergrens in de Aerius Calculator,namelijk naar een wetenschappelijk onderbouwde ondergrens van0,5 mol per hectare per jaar. Hoe staat het daar nu mee, welke stappenworden wanneer gezet en vanaf wanneer rekent Aerius met deze nieuwerekenkundige ondergrens?AntwoordEind vorig jaar zijn er stappen gezet richting de invoering van derekenkundige ondergrens, en hebben rijk en provincies de vraagstukkendie daarbij spelen samen verder uitgediept. Op een aantal punten is nogaanvullend werk nodig. Daar gaan we de komende periode met volleaandacht mee door. Er wordt onder andere gewerkt aan de aanpassingvan AERIUS en een handreiking voor de vergunningverlening.Ik reken erop dat het nieuwe kabinet voortvarend doorgaat met deinvoering van de rekenkundige ondergrens.Welke flankerende maatregelen wil het kabinet nemen om de kans tevergroten dat de verhoogde ondergrens standhoudt voor de rechter? Inwelke mate zijn de wensen en eisen van de provincies ingevuld door hetkabinet?AntwoordHet kabinet en provincies zijn op dit moment in gesprek over verdereuitdieping van het flankerend beleid. Het is helaas niet meer haalbaar omnog in deze kabinetsperiode definitieve afspraken hierover te maken. Datis aan het nieuwe kabinet.Stel dat de nieuwe rekenkundige ondergrens geen standhoudt, wordt methet oog daarop in de tussentijd gewerkt aan een nieuwe bouwvrijstellingvoor stikstofoxiden uitstoot, aangezien zo een vrijstelling met meer kennisen zekerheid dan een aantal jaar geleden is te onderbouwen en vorm tegeven, zo vragen deze leden.AntwoordEr wordt momenteel gekeken naar mogelijkheden voor projecten met eenkleine, tijdelijke depositiebijdrage, dit is echter niet in de vorm van eenbouwvrijstelling. Er wordt gewerkt aan een AMvB voor een verduidelijking37Kamerstuk 35 334, nr.413Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42834 van vergunningvrije verduurzamingsactiviteiten die een tijdelijke toenamevan depositie veroorzaken en vervolgens een permanente reductie.Daarnaast wordt er gewerkt aan een handreiking voor projecten met eenkleine, tijdelijke depositiebijdrage, zodat duidelijker wordt wanneervolstaan kan worden met een voortoets en wanneer sprake is van eenvergunningplicht. Ook wordt onderzocht in hoeverre voor woningbouw-activiteiten kan worden gemotiveerd dat deze activiteiten mogelijk kunnenworden gemaakt door de impact van deze activiteiten in kaart te brengen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben een aantal vragen aan deregering. In de eerste plaats willen deze leden weten of er naast noodzake-lijke agrarische ondersteuning, ook Rijksmiddelen beschikbaar komenvoor natuurherstel en stedelijke/lokale emissiereductie in steden endorpen die direct grenzen aan Natura 2000-gebieden. Ook vragen dezeleden hoe de regering borgt dat de nationale woningbouwopgave van100.000 woningen per jaar haalbaar blijft, ook in steden die binnen destikstof-emissiestroken rond Natura 2000-gebieden liggen. Verderconstateren deze leden dat het vervolgpakket financieel vooral agrarisch isgericht, en vragen zij of in de verdere uitwerking ook expliciet middelengeboden worden voor natuurherstel en stedelijke emissiereductie insteden als Arnhem, Veenendaal en ’s-Hertogenbosch, die pal naast zwaarbelaste Natura 2000-gebieden liggen en waar woningbouw dreigt vast telopen door onder andere 5 tot 15 procent meerkosten voor emissieloosbouwen. Wil de regering deze middelen toezeggen? Voorts vragen dezeleden of de regering bereid is om gemeentelijke natuurherstelprojectenrond Natura 2000-gebieden mee te laten tellen als structurele stikstof-maatregelen binnen de landelijke aanpak. Kan de regering dit nadertoelichten? Deze leden vragen de regering of zij deze punten expliciet meewil geven aan een volgend kabinet, zodat in de verdere uitwerking van hetstikstof- en natuurbeleid structureel rekening wordt gehouden met stedenen dorpen die direct grenzen aan Natura 2000-gebieden.AntwoordDit kabinet heeft maatregelen aangekondigd om Nederland van het slot tehalen middels het Startpakket en Vervolgpakket Nederland van het slot.Aanvullende maatregelen of het beschikbaar stellen van extra Rijksmid-delen is aan het volgende kabinet. Middelen uit het vervolgpakket wordendoor de nieuwe coalitiepartijen ingezet als dekking voor de beleidsambitiein het Coalitieakkoord «Aan de slag». Het is aan het nieuwe kabinet hierverder invulling aan te geven.Hoe staat het met de uitvoering van de volgende onderdelen uit hetdictum van de motie-Grinwis (Kamerstuk 33 037, nr. 631): «Verzoekt deregering onderwijl in overleg te gaan met de waterschappen over eenheldere en voor ieder navolgbare aanwijzing van de aandachtsgebieden»en «verzoekt de regering conform de motie-Vedder c.s. (Kamerstuk 33 037,nr. 593) de ingroei naar doelsturing, zoals beschreven in het concept 8e AP,onverdroten voort te zetten, zodat geen tijd verloren gaat en agrariërs(onder andere in de aandachtsgebieden) komend najaar op perceelniveauhet stikstofbodemoverschot kunnen gaan meten.». Welke acties zijn reedsuitgevoerd en welke acties moeten nog ondernomen worden omaanpassing van de aandachtsgebieden en de gevraagde doelsturing in hetnajaar door te voeren? Wat is in het kader van het 8e AP overigens dereactie van het kabinet op de brief van Eurocommissaris Roswall?AntwoordIn lijn met de motie Grinwis wordt de ontwikkeling voor een ingroeipadvan bedrijfsgerichte doelsturing op grondwaterkwaliteit voortgezet. Devorm en reikwijdte van dit systeem van doelsturing op waterkwaliteit, laatik aan een volgend kabinet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42835 De Eurocommissaris heeft in haar brief aangegeven dat Nederland nogeen opgave heeft voor nitraat en stikstof. Het verlenen van een nieuwederogatie helpt volgens de Europese Commissie niet bij het voldoen aandeze opgave. De Europese Commissie geeft daarbij aan Nederland tewillen ondersteunen in de zoektocht naar (structurele) oplossingen om demilieuopgaven te adresseren.Voor 2026 krijgt Nederland geen nieuwe derogatie. Daarnaast zullen,vanwege het niet vaststellen van het 8e actieprogramma, de in hetconcept 8e actieprogramma voorgenomen wijzigingen van regelgevingniet worden doorgevoerd. Dit betekent ook dat de voorgenomenwijzigingen in het concept 8e AP die een aanpassing zouden hebbenbetekend van maatregelen uit de derogatiebeschikking, zoals deaanwijzing van aandachtsgebieden, nu niet ingaan.Een en ander betekent ten algemene dat in 2026 alle mestregels geldendie op 31 december 2025 golden zoals de regels opgenomen in deMeststoffenwet of de daarop gebaseerde regelgeving (UitvoeringsbesluitMeststoffenwet (Ubm), de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (Urm)), demestregels opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) ende Omgevingsregeling. Dit betreft voorschriften die niet gericht zijn totbedrijven waaraan een derogatievergunning was verleend.Met het aflopen van de looptijd van de derogatiebeschikking (2022–2025)kunnen vanaf 2026 geen derogatievergunningen aan bedrijven wordenverleend. Dat betekent dat de aan die vergunning verbonden verplich-tingen voor derogatiebedrijven niet meer van toepassing zijn. Doordat deEuropese Commissie geen derogatie aan Nederland verleent voor 2026,geldt voor alle bedrijven de gebruiksnorm van 170 kg stikstof uit dierlijkemest per hectare per kalenderjaar in 2026. Dit volgt uit de Nitraatrichtlijn.In de Kamerbrief met nadere duiding ten aanzien van de brief van deEuropese Commissie over het verzoek van Nederland om een nieuwederogatie treft u per onderwerp aan op welke wijze de regels ter imple-mentatie van de bepalingen van de derogatiebeschikking al dan nietblijven gelden, zoals de aanwijzing met nutriënten verontreinigdegebieden (NV-gebieden) en de mestproductieplafonds. Uw Kamerontvangt deze Kamerbrief gelijktijdig met de beantwoording van ditschriftelijk overleg.Ten slotte vragen de leden van de ChristenUnie-fractie welke gevolgen hetkabinet ziet voor het vervolg van 2026 van het verlies van de derogatie,zowel bedrijfseconomisch als milieu- en bodemkundig, en of en welkebeleidsreactie wordt overwogen.AntwoordIk realiseer mij dat het aflopen van de derogatie een grote invloed heeftop de Nederlandse veehouderij. Zoals ik ook in mijn brief van23 december 2025 al aangaf heeft het beëindigen van de derogatie eengrote impact op het inkomen en het toekomstperspectief van agrariërs.Ook is het risico groot dat grasland zal worden omgezet naar (economischmeer perspectiefvol) bouwland. Dit kan potentieel een negatief effecthebben op de waterkwaliteit in Nederland. Ik heb de Europese Commissieook meermaals op dat risico gewezen.Om de negatieve effecten van de afbouw van de derogatie voor demestmarkt te mitigeren, heb ik reeds in september 2024 een aanpakmestmarkt38 gepresenteerd, waarvan ook de inzet op een nieuwederogatie onderdeel was. Nu duidelijk is dat er in 2026 geen nieuwederogatie komt, blijft het van belang om de inzet op de andere in dezeaanpak opgenomen maatregelen voort te zetten, waaronder de inzet opmestverwerking en mestexport. Ik ben dan ook verheugd dat na depositieve stemming over het Renure-voorstel nu ook de bezwaartermijn38Kamerstukken II, 2024/25, 33 037, nr. 559.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42836 van de Europese Raad en het Europees Parlement is verlopen. Naarverwachting zal de Europese Commissie het voorstel binnenkort formeelvaststellen en publiceren. Op dit moment wordt gewerkt aan debenodigde nationale regelgeving ter implementatie hiervan. De inzet isom deze nog in het voorjaar van 2026 in werking te laten treden.Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower hebben voor nu geen vragen enopmerkingen aangaande het schriftelijk overleg Stikstof en mestbeleid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 334, nr. 42837
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.