KamerkringInloggen
Kamerbrief

Voortgangsrapportage monitoring Wet toekomst pensioenen - winter 2026

22 jan 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 133be3f4f0a84ec5 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202632 043Toekomst pensioenstelselNr. 694 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 22 januari 2026Voor meer dan de helft van de Nederlanders is het nieuwe pensioenstelselrealiteit. Inmiddels heeft namelijk ruim de helft van het aantal deelnemers(actieve deelnemers, gewezen deelnemers en gepensioneerden) deoverstap naar het nieuwe pensioenstelsel gemaakt. De pensioentransitieis één van de grootste stelselherzieningen van de afgelopen jaren. De Wettoekomst pensioenen (Wtp) is op 1 juli 2023 in werking getreden.Sindsdien is er al veel gebeurd. De sociale partners, pensioenfondsen,verzekeraars, premiepensioeninstellingen (PPI’s), adviseurs, toezicht-houders en alle andere professionals in de sector werken hard om detransitie naar het nieuwe pensioenstelsel tijdig en zorgvuldig te realiseren.Tegelijkertijd moet meer dan de helft van de pensioenfondsen/-kringen deoverstap nog maken. Hierbij geldt in bijzonder dat de transitie voorverzekerde regelingen nog achter blijft. Werkgevers met een verzekerderegeling zullen dan ook spoedig in actie moeten komen om dezeregelingen tijdig om te zetten.De hervorming van het pensioenstelsel gaat over de pensioenen vanmiljoenen Nederlanders, nu en in de toekomst. Het is daarom belangrijkdat uw Kamer de voortgang van de transitie goed kan volgen. Om dezereden stuur ik u hierbij de vierde voortgangsrapportage monitoring Wettoekomst pensioenen (hierna: de voortgangsrapportage). Hierin staat deactuele stand van zaken over de voortgang van de pensioenhervorming.1In figuur 1 is weergegeven waar de transitie zich in de tijd bevindt.1Deze voortgangsrapportage en de onderliggende stukken zijn een momentopname van destand van zaken, omdat de sector volop in beweging is. Daarnaast betreft het een algemeenbeeld van de transitie. Er is geen oordeel opgenomen over de door de betrokken partijengemaakte keuzes, noch wordt ingegaan op individuele casussen. kst-32043-694ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6941 Opzet van de monitorDe monitor is uitgevoerd conform het plan van aanpak monitoring.2Onderdeel hiervan zijn de in opdracht van SZW door EY Adviseurs B.V.(hierna: EY) uitgevoerde transitiemonitor (bijlage 1), de doelstellingenmo-nitor uitgevoerd door SEO (bijlage 2), de deelnemersmonitor van Netspar(bijlage 3) en de deelnemersmonitor van IPSOS (bijlage 4), de Publieks-monitor Vertrouwen Pensioenstelsel (bijlage 5) en het advies van deregeringscommissaris transitie pensioenen (bijlage 6). Daarnaast wordtgebruik gemaakt van de informatie van toezichthouders DNB en AFM enoverige onderzoeken.3Voor deze rapportage zijn de gesprekken die mijn ministerie voert metveel van de bij de pensioentransitie betrokkenen partijen, zowel opbestuursniveau als op werkvloerniveau, een belangrijke bron vaninformatie. Zo hebben onder andere de sociale partners, vertegenwoor-digers van jongeren- en ouderenorganisaties, de pensioenuitvoerders, depensioenkoepels en de toezichthouders hun ervaringen, vragen enknelpunten van het afgelopen half jaar gedeeld. Dit heeft waardvolleinzichten opgeleverd omtrent de voortgang van de pensioentransitie. Ikwil ze opnieuw bedanken voor hun betrokkenheid en openheid en blijfuiteraard ook de komende tijd openstaan voor signalen uit de uitvoerings-praktijk. De sector kan dergelijke signalen bijvoorbeeld delen [email protected] of kan de ambtenaren van mijnministerie aanspreken tijdens congressen en seminars in het pensioen-domein.LeeswijzerIn deze rapportage vindt u allereerst de beleidsconclusies die wordengetrokken op basis van de beschikbare informatie. Hoofdstuk 2 gaatspecifiek in op de ervaringen van de pensioenfondsen en toezichthoudersrondom het invaren, en die van de werkgevers, adviseurs en verzekeraarsrondom het activeren van ondernemers in het midden- en kleinbedrijf. Inhoofdstuk 3 wordt de reactie op het advies van de regeringscommissarisgegeven. De hoofdstukken 4 t/m 6 bieden achtereenvolgens inzicht in devoortgang van de transitie, de eerste bevindingen uit de doelstellingen-monitor en de ervaringen van de deelnemer met de pensioentransitie. Alslaatste volgt een hoofdstuk over de (voorgenomen) wet- en regelgevingen de stand van zaken ten aanzien van een aantal moties (hoofdstuk 7). Inde bijlage (onderdeel van deze brief) vindt u de wijze waarop invulling isof wordt gegeven aan de moties en toezeggingen die betrekking hebbenop het verloop en de monitoring van de transitie naar het nieuwepensioenstelsel.2Kamerstukken II, 2022/23, 36 067, nr. 191.3De data die afkomstig zijn uit de DNB uitvraag WTP Q4–2025 dateren van 24 november 2025.Figuur 1: Transitieperiode – mijlpalenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6942 1. Beleidsconclusies Zo’n 10 miljoen deelnemers hebben de transitie gemaaktVoor meer dan de helft van de deelnemers is het nieuwe pensioenstelselrealiteit. Zij bouwen inmiddels pensioen op of ontvangen pensioen opbasis van de nieuwe pensioenregels.4 De ingevaren pensioenfondsen/-kringen hebben gemiddeld genomen de pensioenen kunnen verhogendankzij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel. Gemiddeld zijn deingevaren pensioenen met 14% gestegen.5 Dit betreft in beginsel eenstructurele verhoging. Hiervoor zijn de buffers uit het oude pensioen-stelsel verdeeld. In het nieuwe stelsel krijgen gepensioneerden extrabescherming via een solidariteits- of risicodelingsreserve en wordt er voorhen minder risicovol belegd. In het geval van een positief economischscenario stijgt de uitkering verder, maar bij een aanhoudend negatiefeconomisch scenario is er ook kans dat er wordt gekort. De pensioenenvan de vijf pensioenfondsen die in de eerste helft van 2025 zijn ingevarenzijn ook verhoogd, de verhoging bevindt zich dít jaar tussen de 0,6% en2,7%.6 De verschillen tussen de pensioenfondsen hangen onder anderesamen met het behaalde beleggingsresultaat en de mate waarin ditresultaat wordt uitgesmeerd over meerdere jaren. Dit zorgt voor meer rusten stabiliteit. Ook pensioenfondsen/-kringen die nog niet zijn overgestaptnaar het nieuwe pensioenstelsel en dus nog een regeling uitvoeren onderhet oude pensioenstelsel hebben de pensioenen van hun deelnemersverhoogd (indexatie). Gemiddeld genomen betreft dit een indexatie vanongeveer 2,5%. De versoepeling van de indexatieregels, vooruitlopend ophet nieuwe stelsel, wordt door meer fondsen aangevoerd als een redenvoor een relatief ruimhartige indexatie.Afgelopen half jaar ontvingen deze deelnemers via hun pensioenuit-voerder al informatie over wat het nieuwe pensioenstelsel voor henbetekent. De deelnemers waarvan het pensioen op 1 januari 2026 isovergegaan, hebben tot nu toe de voorlopige transitie-informatieontvangen. Deze informatie heeft als doel deelnemers vroegtijdig opcorrecte, duidelijke en evenwichtige wijze te informeren over de persoon-lijke gevolgen van de wijziging van de pensioenregeling. Zo moetendeelnemers onder meer geïnformeerd worden over de verwachte hoogtevan het pensioen bij voortzetting van de huidige regeling en in de nieuwepensioenregeling. De deelnemers met een regeling die op 1 januari of inde loop van 2025 is ingevaren, hebben inmiddels in de definitievetransitie-informatie gezien wat de transitie daadwerkelijk voor hunpensioen betekent. Hierin zijn ook eventuele verschillen met de voorlopigetransitie-informatie toegelicht.Naast de verplichte informatie hebben de sociale partners en pensioen-fondsen hun deelnemers ook aanvullend meegenomen om verdereinformatie te geven en om vragen te beantwoorden die onder deelnemersleven. Zo heeft Pensioenfonds Werk en Re-Integratie (PWRI) een magazineuitgebracht waarin alles wordt uitgelegd over het nieuwe pensioen en dedefinitieve transitie-informatie. Hierin staat waar deelnemers op moetletten en wat goed is om te weten. Pensioenfonds Schoonmaak gaatTextBuddy gebruiken om anderstalige en laaggeletterde deelnemers teondersteunen. TextBuddy is een app die teksten vertaald en waar mogelijkversimpeld. Pensioenfonds Schoonmaak kan op deze manier een veelgrotere groep deelnemers voorzien van begrijpelijke informatie over hun4Hierbij dient opgemerkt te worden dat sommige mensen de transitie vaker dan een keerdoormaken omdat ze bij meerdere pensioenuitvoerders zitten.5Aon: Pensioenen bij ingevaren fondsen gemiddeld 14% hoger | Pensioen Pro6Pensioenverhogingen bij koplopers lager dan inflatie | Pensioen ProTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6943 pensioen. De rapportage «Dialoog en communicatie over de overstap»van de Pensioenfederatie (bijlage 7) biedt een overzicht van de verschil-lende instrumenten waarmee pensioenfondsen in dialoog zijn met hundeelnemers en hoe zij hen informeren over de veranderingen in hunpensioen en de pensioentransitie. Daarnaast bevat deze rapportageverschillende voorbeelden uit de praktijk.Afgelopen najaar was de campagne pensioenduidelijkheid 2025 via radio,online en geprinte media, weer te zien en horen. Met deze campagneworden Nederlanders geïnformeerd over de nieuwe regels voor pensioenen de pensioentransitie.De campagne heeft, naast de inzet vanuit pensioenuitvoerders en socialepartners, eraan bijgedragen dat steeds meer mensen weten wat denieuwe regels betekenen voor hun eigen pensioen en waar ze verdereinformatie over hun eigen pensioen kunnen vinden. De deelnemersmo-nitor bevestigt dat deelnemers op de hoogte zijn de pensioentransitie.7 Zoblijkt uit deze monitor dat negen op de tien Nederlanders over de nieuwepensioenregels heeft gehoord en één op de vijf Nederlanders zichzelfinhoudelijk goed op de hoogte acht. Daarnaast geeft tweederde van dedeelnemers aan dat zij er vertrouwen in hebben dat hun pensioenuit-voerder bij de transitie zal handelen in hun belang. Daarbij wordtaangegeven dat de informatievoorziening van hun uitvoerder van belangis voor hun waardering. Daarnaast blijken mensen die beter begrijpenwaarom pensioen anders geregeld moet worden, hier minder negatievegevoelens over te ervaren. Bijkomstig neemt de algemene interesse inpensioen toe zo blijkt onder andere uit het toenemend aantal vragen ensignalen. Denk bijvoorbeeld aan vragen bij deelnemers over eerderstoppen met werken of het wisselen van baan tijdens de pensioentran-sitie. Waar moeten zij rekening mee houden en welke opties hebbendeelnemers? Deelnemers kunnen op verschillende plekken terecht metdergelijke vragen. Bijvoorbeeld bij de websites en helpdesks van depensioenuitvoerders en via de vele deelnemersbijeenkomsten vanpensioenuitvoerders in het land. Ook op de website pensioenduidelijk-heid.nl is veel praktische informatie te vinden. Blijvende inzet opbegrijpelijke, feitelijke uitleg via pensioenuitvoerders en pensioenduide-lijkheid.nl is dan ook cruciaal.De grootste groep pensioenfondsen moet de overstap nog makenOp 1 januari 2026 hebben 24 pensioenfondsen/-kringen de overstapgemaakt naar het nieuwe pensioenstelsel, boven op de zes pensioen-fondsen die deze stap in 2025 hebben gezet. Dat betekent dat het grootstedeel van de pensioenfondsen/-kringen de transitie nog moet maken. Dezepensioenfondsen/-kringen zijn momenteel bezig met het treffen van devoorbereidingen op deze overstap, waaronder het doen van een invaar-melding bij DNB. DNB beoordeelt de invaarmelding en laat aan hetpensioenfonds/-kring weten of er wel of geen verbod opgelegd gaatworden. Uit de praktijk blijkt dat veel pensioenfondsbesturen tot vlak voorde uiterste deadline iteraties hebben gehad met DNB, om zo te komen toteen zo evenwichtig mogelijk besluit. Zie hiervoor ook de beschouwingenuit de sector, samengevat in paragraaf 2.1. Ook moet de transitiecommu-nicatie op tijd met de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden zijngedeeld, en moet de overstap op een beheerste manier kunnen wordenuitgevoerd. Dankzij het verzamelbesluit zijn de laatste drempels voor deuitvoering weggenomen.8 Daarnaast leidt een tussentijds transitie-moment, bijvoorbeeld een overgang op 1 oktober, tot een spreiding van7Ipsos I&O (2026), monitor deelnemerservaringen Wet toekomst pensioenen.8Stb. 2025, nr. 439Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6944 de werkzaamheden van alle betrokken partijen. Dit is in 2025 zichtbaargeworden en vermindert de druk op de «standaard» invaarmomenten.Afgelopen jaar hebben bestuursbureaus, besturen, pensioenfondsor-ganen (verantwoordingsorgaan, belanghebbendenorgaan en Raad vanToezicht), adviseurs en pensioenuitvoeringsorganisaties veel werk verzetom de pensioenfondsen/-kringen voor te bereiden op een beheersteovergang naar het nieuwe stelsel. Zij hebben daarbij gewerkt op basis vanhet transitieplan van de sociale partners, met daarin de kaders voor eenevenwichtige transitie voor alle deelnemersgroepen.Vervolgens vindt een eigen afweging plaats van het fondsbestuur, opbasis waarvan het implementatieplan wordt ingediend bij toezichthouderDNB. In afgelopen transitiejaar is door de fondsen veel aandacht besteedaan de onderbouwing voor het invaren, namelijk hoe zij de belangen vanalle deelnemers hebben meegewogen bij het besluit om in te varen en hetpensioenvermogen te verdelen. Zo is DNB met een aantal guidancesgekomen om pensioenfondsen/-kringen van dienst te zijn en ook in hetPlatform Pensioentransitie zijn inzichten met de sector gedeeld.9 De AFMgeeft aan de vooruitgang ook te zien in de communicatieplannen voor depensioentransitie.Extra inzet op (kleine) werkgevers met een verzekerde regelingTot op heden is er slechts een beperkt deel van de pensioenregelingen bijeen verzekeraar of premiepensioeninstelling (PPI) omgezet naar hetnieuwe pensioenstelsel. Van de werkgevers met een regeling die isondergebracht bij een PPI heeft 31% een besluit genomen over het soortcontract van de nieuwe pensioenregeling en voor verzekeraars ligt ditpercentage op 22%. Vooral kleine werkgevers vertonen uitstelgedragomdat de verwachting is dat er nog voldoende tijd is om het proces tedoorlopen, zo blijkt uit de transitiemonitor. Voor ondernemers in hetmidden- en kleinbedrijf met een verzekerde regeling is het daarombelangrijk om snel in actie te komen, om te zorgen dat de pensioenre-geling van hun werknemers uiterlijk in 2027 voldoet aan de nieuwe regels.Bovenstaande leidt ertoe dat veel verzekerde regelingen de komendejaren zullen worden omgezet, zodat alle regelingen vanaf 1 januari 2028passen binnen de kaders van de Pensioenwet. Dit legt een grote druk opde adviescapaciteit van adviseurs en de pensioenuitvoering. Sinds dezomer werkt mijn ministerie samen met VNO-NCW en MKB-Nederland,FNV, Verbond van Verzekeraars en Adfiz onder de titel: «Actie PensioenenKleinbedrijf (APK)». Het doel van deze werkgroep is om (gezamenlijke)acties in te zetten om samen met adviseurs en verzekeraars, werkgeverste activeren om zo snel mogelijk bezig te gaan met het omzetten van hunpensioenregelingen. Hiervoor zijn inmiddels goede gesprekken gevoerdmet de vertegenwoordigers van accountants en boekhouders, belasting-adviseurs en andere partijen die regelmatig in contact zijn met kleinewerkgevers. Daarnaast gaat de aandacht uit naar specifieke sectoren metveel verzekerde regelingen, zoals de IT-sector en de leasemaatschappijen.Er is informatie in de vorm van een brochure voor werkgeversbeschikbaar gesteld. In de brochure staat informatie over hoe eenwerkgever kan beginnen, welke keuzes er zijn, wat de gevolgen zijn vanniet-tijdig handelen en welke stappen nodig zijn richting een nieuwe9Het platform pensioentransitie, opgericht door DNB, de AFM en de sector, heeft als doel hettijdig signaleren en bespreken van sectorbrede aandachtspunten en dilemma’s in depensioentransitie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6945 pensioenregeling. Er dient opgemerkt te worden dat er geen gevolgen zijnvoor reeds gepensioneerden en gewezen deelnemers.10, 11Komende tijd wordt bezien welke aanvullende maatregelen nodig zijn alshet nog niet snel genoeg gaat. Dit vraagstuk vereist, zoals ook inparagraaf 2.2 wordt beschreven, een proactieve houding van alle partijen.De voortgang wordt nauwgezet gemonitord en het streven is om snelinzicht te krijgen op het aantal werkgevers dat al in actie is gekomen.Hiervoor zal ook actuele voortgangsinformatie van verzekeraars en PPI’snoodzakelijk zijn. Zo kan indien nodig tijdig aanvullende acties wordenondernomen en bijgestuurd.De uiterste transitiedatum 1 januari 2028 is ongewijzigdDe pensioensector is hard aan het werk om de transitie tijdig enzorgvuldig te realiseren. Met de aanname van de Wet verlenging van detransitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel is de transitieperiodeverlengd naar 1 januari 2028. Gelet op de voortgang van de transitie en devoorbereidingen die op dit moment in de sector worden getroffen, is ergeen aanleiding om de uiterste transitiedatum te verschuiven. Ook deregeringscommissaris transitie pensioenen bevestigt dit in haar advies.Daarnaast brengt het verschuiven van deze datum risico’s met zich mee,zoals het risico dat bij een langere transitie er ook lang onduidelijkheidbestaat voor (gewezen) deelnemers en gepensioneerden, bijvoorbeeld tenaanzien van het pensioen dat zij kunnen verwachten. De uiterste transitie-datum blijft daarom staan op 1 januari 2028.De komende tijd blijft de transitie gemonitord worden, zodat het zichtbaaris of de voortgang op schema blijft liggen. De voorgenomen transitiedatavan de groep pensioenfondsen die nog gaat invaren en gespreid is in deperiode tot 1 januari 2028 geeft geen aanleiding om de transitie teverlengen. Ook zal in de loop van 2026 blijken of de nazorg voor defondsen die op 1 januari 2026 zijn ingevaren, waaronder het versturen vande definitieve transitie-informatie, effect heeft op de planning vanpensioenuitvoeringsorganisaties (PUO’s). Waarbij onder andere wordtbezien of dit effect heeft op de planning van de pensioenfondsen dievoornemens zijn om in de loop van 2026 of op 1 januari 2027 in te varen.Mocht blijken dat er knelpunten ontstaan, zal in nauwe samenwerking metde sector worden bepaald welke aanvullende acties er nodig zijn.2. De overstap naar het nieuwe pensioenstelsel in de praktijk Sociale partners (of de werkgever) geven het pensioenfonds de opdrachtom de nieuwe pensioenovereenkomst uit te voeren. Vanaf dat moment ishet pensioenfonds aan zet om de benodigde stappen te zetten om deoverstap naar de nieuwe pensioenregeling te maken. Ook werkgevers meteen verzekerde regeling uitgevoerd door een verzekeraar of PPI dienenvanaf 1 januari 2028 hun regeling te hebben omgezet naar een premiere-geling met een vlakke premie. Indien zij gebruik maken van hetovergangsrecht, door te kiezen voor eerbiedigende werking, moet alleenvoor nieuwe werknemers de regeling worden gewijzigd.Dit hoofdstuk biedt op basis van de in de praktijk opgedane ervaringeneen aantal geleerde lessen voor de pensioenfondsen/-kringen, verzeke-raars en PPI’s die in de komende periode overstappen naar het nieuwe10Brochure voor werkgevers: Uw pensioenregeling moet uiterlijk in 2027 aangepast zijn |Werken aan ons Pensioen11Memo fiscale gevolgen niet tijdig aanpassen pensioenregelingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6946 pensioenstelsel. Het gaat in dit hoofdstuk om algemene lessen die geldenvoor de sector in den brede. Alle betrokken partijen worden opgeroepenhun voordeel te doen met deze lessen in combinatie met de informatie opWerkenaanonspensioen.nl en de informatie die door de toezichthouderswordt gedeeld.2.1 Pensioenfondsen Net als vorig jaar zijn de Pensioenfederatie, AFM en DNB gevraagd om tereflecteren op het transitieproces van afgelopen jaar, zie respectievelijkbijlage 8 t/m 10 voor hun bijdrage. Daarnaast heeft ook het KoninklijkActuarieel Genootschap (hierna: AG) de ervaringen bij de fondsen dierecent zijn ingevaren en de belangrijkste leerpunten voor de sector oppapier gezet (bijlage 11).Nadat eerst een algemeen beeld wordt geschetst, wordt er een aantalaspecten uitgelicht. Achtereenvolgens zal worden ingegaan op het belangvan het betrekken van deelnemers, de ervaringen met het bewerkstelligenvan een evenwichtige transitie en het samenspel met de pensioenuit-voerder.Algemeen beeldDe ervaringen van de pensioenfondsen die in 2025 zijn ingevaren zijnbreed met de sector gedeeld, zodat ook andere fondsen daar hunvoordeel mee konden doen. Wanneer gekeken wordt naar de pensioen-fondsen die per 1 januari 2026 zijn ingevaren, blijkt dat men geleerd heeftvan de eerste ervaringen en dat de processen zijn verbeterd. Zo schetsthet AG een duidelijke verbetering in de samenwerking tussen pensioen-fondsen en DNB, waarbij DNB in de laatste maanden meer doorlopendmet de bestuurders én hun adviseurs in overleg is geweest. Dat leidtveelal tot meer begrip en wordt door de meeste fondsen als prettigervaren. Ook is de doorlooptijd tussen indiening van het implementa-tieplan en de invaarbeschikking daarmee korter geworden. Daarentegenzijn er ook nu nog verbeteringen mogelijk. Zo stelt de AFM dat de kwaliteitvan transitieoverzichten een stijgende lijn laat zien, maar dat er deson-danks nog altijd belangrijke aandachtspunten zijn voor de transitiecom-municatie. Daarnaast is DNB voornemens het beoordelingsprocesefficiënter vorm te geven, zodat in het vervolg eerder in de beoordeling defocus gelegd zal worden op de onderbouwing van de evenwichtigheid vande besluitvorming. Naar verwachting van DNB zal de inzet op devoorgenoemde onderbouwing eraan bijdragen dat voor de aankomendeinvarende pensioenfondsen/-kringen de invaarbeschikking met eengrotere tijdsmarge tot aan het invaarmoment kan worden uitgestuurd.Betrekken van deelnemersCommunicatie door pensioenuitvoerders is, zoals geschreven door deAFM, een kernproces dat een doorlopend en onlosmakelijk onderdeel vande uitvoering is. Onderdeel daarvan is dat het deelnemersperspectieftijdig wordt betrokken in de besluitvorming van pensioenuitvoerders. Ditdraagt bij aan een pensioenstelsel dat het vertrouwen heeft van alledeelnemers. Ten opzichte van het begin van de transitie merkt de AFM opdat er een verbetering in de diepgang van de communicatieplannen zit.De Pensioenfederatie geeft aan dat communicatie een uitdaging blijft. Detransitie naar de nieuwe pensioenregeling legt een hoge druk op desector, waarbij de aandacht voor de deelnemer niet verloren mag gaan.De deelnemer heeft belang bij duidelijke informatie over de transitie enwat dit voor hem betekent. De AFM geeft ook aan dat pensioentranspa-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6947 rantie op deelnemersniveau van belang is, ook omdat de uitvoerder doordeze transparantie verantwoording aflegt aan de deelnemer. De AFMbenadrukt het belang van zorgvuldige informatieverstrekking, datbijdraagt aan realistische verwachtingen van deelnemers, wat op haarbeurt het vertrouwen van deelnemers in het pensioenstelsel ondersteunt.Evenwichtige transitieDeelnemers moeten zich bij de transitie op evenwichtige wijze vertegen-woordigd kunnen voelen en geen onevenwichtig nadeel van het invarenondervinden. Sociale partners zijn samen met pensioenfondsbesturenverantwoordelijk voor een evenwichtige overstap naar de nieuwepensioenregeling. Ook het interne toezicht en het verantwoordings- ofbelanghebbendenorgaan hebben hierbij een belangrijke rol.Dat dit ook in de praktijk gebeurt, onderschrijft de Pensioenfederatie inhaar reflectie: de soms stevige discussies in de verantwoordings- enbelanghebbendenorganen en de Raden van Toezicht zorgen voor extrascherpte in de integrale afweging en meer draagvlak onder deelnemers enwerkgevers.Sociale partners en pensioenfondsen nemen besluiten om te komen toteen evenwichtige transitie. In dat kader moeten zij nadenken over zakendie binnen het wettelijk kader vallen, bijvoorbeeld over de mate vancompensatie en het kader voor het omrekenen van het collectiefvermogen. Om sociale partners en pensioenfondsen hierbij te onder-steunen is in 2023 ook de Handreiking Evenwichtige Transitie opgesteld.12Ook is er in februari 2025 een good practice «Stappenplan onderbouwingevenwichtige transitie door pensioenfondsen die beogen in te varen»gepubliceerd op de website van DNB.13 Het AG geeft aan dat ditstappenplan tot op zekere hoogte succesvol is: de good practice verduide-lijkt welke stappen pensioenfondsen/-kringen moeten hebben doorlopenen welke toetsing hierbij plaatsvindt. Vervolgens toetst DNB een besluitvan een pensioenfonds tot invaren op het besluitvormingsproces, definanciële en andere risico’s, de financiële effecten, de collectieveactuariële gelijkwaardigheid en de evenwichtige belangenafweging doorhet pensioenfonds.14 Afhankelijk van deze toets kan het zijn datpensioenfondsen/-kringen aanpassingen moeten doen aan hun invaar-melding om te komen tot evenwichtige besluitvorming. Zo hebbenpensioenfondsen, bijvoorbeeld hun besluitvorming moeten bijstellen alsgevolg van de hoge dekkingsgraden. Dat sectorpartijen hun besluit-vorming rondom de evenwichtige besluitvorming hebben bijgesteld,onderschrijft ook het AG.Samenspel met de pensioenuitvoeringsorganisatiesMet het invaren van veel pensioenfondsen op 1 januari 2026 hebben allegrote PUO’s voor minimaal één pensioenfonds de overstap naar hetnieuwe stelsel inclusief invaren gemaakt, een enkele zelfs voor al hunpensioenfondsen. Dat betekent dat bijna alle PUO’s inmiddels ervaringhebben met de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en daar hunvoordeel mee kunnen doen voor de pensioenfondsen die de komende tijdoverstappen. Een zorgvuldige aanpassing van de IT-systemen is daarbijessentieel, zowel voor de transitie als voor de uitvoering van de nieuwe12Kamerstukken II, 2022/23, 32 042, nr. 614.Handreiking evenwichtige transitie (evenwichtigheid) | Werken aan ons Pensioen13Good practice: stappenplan onderbouwing evenwichtige transitie door pensioenfondsen diebeogen in te varen | De Nederlandsche Bank14Q&A Redenen voor DNB om een verbod op invaren op te leggen | De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6948 pensioenregelingen. In de praktijk is gebleken dat de benodigde tijd voorhet aanpassen van de IT-systemen over het algemeen langer heeftgeduurd dan initieel ingeschat. Dit heeft er voor verschillende fondsen toegeleid dat zij hun beoogde invaardatum hebben moeten uitstellen.Hoewel voor het invaren van de resterende pensioenfondsen/-kringen,waaronder verschillende zelfadministrerende fondsen, nog forseinspanningen nodig zullen zijn, is het de verwachting van DNB dathiermee een grote stap ten aanzien van de voor de transitie benodigdeimplementatie van IT-systemen is gezet. En hoewel zelfstandig administre-rende pensioenfondsen minder profijt zullen hebben van de ervaringen bijde uitvoeringsorganisaties, kunnen zij indirect wel profiteren van degeleerde lessen bij zowel de ingevaren pensioenfondsen als de toezicht-houders. Ook deze lessen worden periodiek verspreid via onder anderewerkenaanonspensioen.nl, via het WAOP-congres en via andere kanalenvoor kennisdeling binnen de pensioensector.Daarnaast kan op basis van de eerste ervaringen worden gesteld dat ookde fase na invaren de nodige aandacht behoeft. Zo geeft de Pensioenfede-ratie aan dat pensioenuitvoerders na invaren nog druk zijn met nazorg. Inde loop van 2026 zal blijken of deze «nazorg» effect heeft op de planningvan PUO’s en wat de gevolgen hiervan zijn.In de transitiemonitor winter 2025 geven PUO’s aan dat de implementa-tiefase veel werk en aandacht vergt. Zo wordt genoemd dat deevenwichtige besluitvorming zowel vanuit bestuurlijke als vanuituitvoeringsperspectief een complexe opdracht is. Om hier als PUO grip opte houden, wordt er strak gestuurd en wordt de planning periodiekgeactualiseerd. Daarnaast worden er korte lijntjes onderhouden met allebetrokken partijen en wordt er open en transparant gecommuniceerd overde uitdagingen. Verschillende pensioenfondsen hebben in samenspraakmet hun PUO besloten om de oorspronkelijke beoogde invaardatum uit testellen. Deze langere doorlooptijd draagt bij aan een beheerst proces. Uitonderzoek van Eraneos onder PUO’s blijkt dat PUO’s indien de situatie zichvoordoet ook kijken naar invaarmomenten gedurende het jaar.15 Op diemanier kan de druk op de sector beter worden verspreid over het jaarheen.Tot slot staat de PUO-markt niet stil, ook niet gedurende deze transitiepe-riode. Zo wordt een verdere consolidatieslag in het aantal PUO’sverwacht. En ook dat heeft zijn invloed op deze pensioentransitie. Uit hethiervoor genoemde onderzoek van Eraneos komt naar voren dat PUO’sbeperkte ruimte hebben voor nieuwe pensioenfondsen. Een kwart van depensioenuitvoerders zegt ruimte te hebben voor nieuwe pensioen-fondsen. De overige uitvoerders hanteren strikte voorwaarden of staan erniet open voor. Nu één van de PUO’s heeft aangeven om op korte termijnte stoppen met de pensioenuitvoering, en eentje kort na 2028, ontstaat ervoor de pensioenfondsen die bij deze uitvoerders zitten een bijkomendeuitdaging. Ook hiervoor geldt dat in de loop van 2026 zal blijken wat degevolgen voor deze pensioenfondsen zijn. Ook de toezichthoudershouden hierbij vinger aan de pols. Voor de pensioenfondsen die (een deelvan) hun werkzaamheden hebben uitbesteed aan deze PUO’s betekent diteen aantal grote gebeurtenissen kort op elkaar, zowel een wisseling vanPUO als de overgang naar het nieuwe stelsel. Beide zijn complexe entijdsintensieve processen. Het belang van de betreffende deelnemers in aldeze situaties dient een belangrijke rol te spelen.15Eraneos 2025), Onderzoek voortgang en inrichting voortbrengingsketen Wtp 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 6949 2.2 Verzekerde regelingen De partijen van de APK-werkgroep is gevraagd om een duiding te gevenvanuit de praktijk, het Verbond van Verzekeraars (bijlage 12) en VNO-NCW(bijlage 13) hebben hun reflectie schriftelijk gedeeld. Daarnaast is metAdfiz contact gelegd om hun duiding van de praktijk mee te nemen indeze paragraaf. Partijen onderschrijven het belang van de gezamenlijkeaanpak binnen de werkgroep APK. Partijen geven aan dat er volop wordtingezet op het in actie brengen van werkgevers. Voor veel kleinewerkgevers is pensioen en het aanpassen van de pensioenregeling geendagelijkse kost.Het Verbond van Verzekeraars wijst erop dat als de piek van de omzet-tingen in 2027 ligt, dit ook voor verzekeraars en PPI’s kan leiden tot eengrote administratieve druk in korte tijd. De voortgang wordt door hetVerbond en Adfiz gemonitord en best practices worden gedeeld.VNO-NCW en MKB-Nederland zien als risico dat omzettingstrajectenlanger duren dan verwacht, bijvoorbeeld door extra kennissessies ofuitblijvende instemming van werknemers. Zij blijven zich actief inzettenmet campagnes om werkgevers zo vroeg mogelijk in actie te laten komen.Uit navraag bij Adfiz blijkt dat voor het grootste deel van de pensioenadvi-seurs het aanpassingstraject inmiddels «top of mind» is. De druk bijpensioenkantoren is hoog en zal verder toenemen; zorgvuldig plannen enherplannen is noodzakelijk om alles tijdig gereed te krijgen. Pensioencon-tracten zonder vast verlengingsmoment vormen een extra uitdaging enmoeten volgens Adfiz zoveel mogelijk in 2026 worden opgepakt.Kortom, werkgeversorganisaties, verzekeraars, PPI’s en adviseurs zienrisico’s maar zetten zich actief in om werkgevers tijdig in actie te latenkomen zodat deze mogelijke risico’s zoveel mogelijk worden voorkomen.Het blijft van groot belang om hierop in de komende periode concrete,navolgbare resultaten te boeken. Want anders dan bij de pensioen-fondsen, is de voortgang van de transitie van verzekerde regelingen nogonvoldoende op stoom.3. Advies van de regeringscommissaris De regeringscommissaris heeft op 13 januari 2026 haar vierde reguliereadvies uitgebracht. Om tot haar advies te komen, spreekt ze veelverschillende partijen in het pensioenveld. Zij betrekt de bij haar binnen-gekomen signalen bij haar advisering over het verloop van de transitie. Indeze voortgangsrapportage wordt dankbaar gebruik gemaakt van haargedegen onderzoek en haar goede adviezen.PensioenfondsenDe regeringscommissaris geeft in haar advies aan dat het proces naar1 januari 2026 een intensief proces is geweest. Er is een grote stap gezetin de transitie en de voortgang bij pensioenfondsen verloopt over hetalgemeen beheerst. Het aantal pensioenfondsen/-kringen dat de transitiein de tweede helft van 2027 en op 1 januari 2028 gaat maken, is toege-nomen. De regeringscommissaris merkt daarbij op dat in de cijfers van dedeelnemersaantallen de effecten beperkt blijven. Dit betekent dat vooralde kleinere pensioenfondsen/-kringen hebben uitgesteld. Wanneer er dekomende periode opnieuw sprake is van uitstel, zullen meerpensioenfondsen/-kringen de overgang naar het nieuwe pensioenstelselop de laatst mogelijke transitiedatum plannen. Daarbij merkt zij op datverder uitstel kan leiden tot druk om de uiterste transitiedatum uit testellen. In het vorige advies van de regeringscommissaris heeft zij echtertoegelicht dat dit een keuze is waaraan belangrijke nadelen kleven. UitstelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69410 van de uiterste transitiedatum is wat haar betreft dan ook een «ultimumremedium».Van alle (grotere) PUO’s is per 1 januari 2026 inmiddels minimaal éénpensioenfonds/-kring overgegaan naar het nieuwe stelsel. De komendemaanden zullen de PUO’s verder gaan met de nazorg die bij de transitiekomt kijken. De opgedane kennis bij de PUO’s zal helpen bij de komendetransities.Verzekerde regelingenDe regeringscommissaris merkt op dat het tempo van de omzettingen vanverzekerde regelingen nog steeds laag is. De transitie bij verzekeraars enPPI’s begeeft zich naar het kritieke pad.Verzekeraars, PPI’s en adviseurs maken zich eveneens zorgen als devertraging verder oploopt. De regeringscommissaris stelt dat er eenaantal oorzaken zijn voor de vertraging bij deze groep voor het omzettenvan de regeling:−Onwetendheid en onderschatting van het omzettingsproces door metname kleine werkgevers−Werkdruk bij adviseurs en het soms ontbreken van een adviseur−Contractvorm, met name werkgevers met een contract zonder vasteeinddatum of met een einddatum ná 1 januari 2028 zijn moeilijker teovertuigen om nu al in actie te komen.Aangezien er nog ongeveer anderhalf jaar resteert in de transitie, zou deovergang tijdig gerealiseerd moeten kunnen worden. Dit wordt bevestigddoor zowel verzekeraars en PPI’s als de adviseurs. Het is dan wel vangroot belang dat alle betrokken partijen tempo gaan maken. Ik ben hethier met de regeringscommissaris eens en roep alle betrokken partijendan ook met klem op om concrete stappen te gaan zetten. Van uitstel-gedrag kan geen sprake meer zijn.Uiterste transitiedatumDe regeringscommissaris doet in ieder regulier advies een uitspraak overhet al dan niet verlengen van de uiterste transitiedatum. Gelet op dealgemene voortgang in de transitie, is er wat de regeringscommissarisbetreft vooralsnog geen reden om de transitieperiode te verlengen.4. Voortgang transitie De pensioensector is hard aan het werk om de pensioentransitie tijdig terealiseren. Het blijft echter belangrijk om kritisch te blijven kijken naar water beter kan. Dit hoofdstuk schets zowel de stand van zaken aan de kantvan de pensioenfondsen (paragraaf 4.1) als aan de kant van verzekeraarsen PPI’s (paragraaf 4.2).4.1. Pensioenfondsen Voor verreweg de meeste pensioenfondsen/-kringen is het transitieplanbekend en daarmee is de arbeidsvoorwaardelijke fase afgerond. Dezeparagraaf gaat dan ook vooral in op de implementatiefase. Waarbij eenbeeld wordt geschetst van het aantal ingevaren pensioenfondsen en deplanning voor de komende jaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69411 4.1.1. Invaardata pensioenfondsen Er zijn per 1/1/26 in totaal 30 pensioenfondsen/-kringen overgestapt eningevaren naar de nieuwe regeling. Deze 30 pensioenfondsen/-kringenvertegenwoordigen circa 10 miljoen gepensioneerden en (gewezen)deelnemers die over zijn naar het nieuwe stelsel. De verwachting is dat inhet restant van de eerste helft van 2026 nog 6 fondsen de overstap zullenmaken, en in de tweede helft van 2026 zijn er nog eens 15 fondsen dieover zullen stappen naar de nieuwe regeling.16Uit figuur 2 is op te maken dat, sinds de vorige voortgangsrapportage, hetaantal pensioenfondsen dat de transitie naar het nieuwe stelsel heeftuitgesteld beperkt is. De piek van invaarmomenten van pensioenfondsenblijft op 1/1/27, en qua deelnemersaantallen is naar verwachting op 1/1/27reeds tweederde van het totaal aantal deelnemers ingevaren.Dat duidt erop, zoals ook aangegeven in het advies van de regeringscom-missaris, dat met name kleinere pensioenfondsen hun transitiedatumhebben aangepast. Dankzij de inwerkingtreding van de Wet verlengingtransitieperiode naar het nieuwe pensioenstelsel is de uiterste transitie-datum uit de Wtp verschoven naar 1/1/28 en daarmee kunnen deinvaarmomenten breder in de tijd worden gespreid. Tot slot vaart eenbeperkt aantal pensioenfondsen niet in. Daar zijn zoals in de vorigevoortgangsrapportage toegelicht verschillende redenen voor.17Het is en blijft aan pensioenfondsbestuurders om gedurende de voorbe-reidingen op het invaren de afweging tot uitstel van de transitiedatum temaken. Zij zijn immers verantwoordelijk voor een zorgvuldige transitie,zowel inhoudelijk als bijvoorbeeld rondom het informeren van hun(gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. Om de werkdruk tespreiden, heeft DNB ook de mogelijkheid tot het uitvoeren van eenpartiële beoordeling, waardoor een deel van het implementatieplan aleerder beoordeeld kan worden. Deze deelbeoordeling van het implemen-tatieplan kan zien op de datakwaliteit, het contract of de risicohouding. Ophet moment van de DNB uitvraag zijn er 78 partiële beoordelingenafgerond, en zijn er nog 27 partiële beoordelingen onderhanden.1816Dit betreft een momentopname, voortschrijdend inzicht kan ertoe leiden dat er per 1 juli 2026minder pensioenfondsen invaren.17Kamerstukken II, 2024/25, 32 043, nr. 68718Wtp uitvraag voor pensioenfondsen Q4–2025, De Nederlandsche BankTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69412 1 De 30 fondsen die overgaan in H1 2026, zijn niet allemaal ingevaren op1 januari. Dit wordt gespreid in een periode tussen 1 januari 2026–30 juni2026. Hetzelfde geldt voor de fondsen die in H2 van een jaar invaren, dit isde periode tussen 1 juli–31 december.4.2. Verzekeraars en premiepensioeninstellingen De pensioentransitie kent voor verzekeraars en PPI’s andere mijlpalen danvoor pensioenfondsen. De mijlpaal voor het afronden van de arbeidsvoor-waardelijke en implementatiefase voor regelingen uitgevoerd doorverzekeraars en PPI’s is met het inwerkingtreden van het wetsvoorstelverlenging van de pensioentransitie op 1 oktober 2027 komen te liggen.Deze extra tijd betekent niet dat ondernemers in het midden- en kleinbe-drijf met een regeling ondergebracht bij een verzekeraar of PPI op hunhanden kunnen gaan zitten. Juist nu is het moment om besluiten tenemen over het soort contract, zodat ook de deelnemers met eenverzekerde regeling tijdig een pensioen hebben dat voldoet aan de nieuweregels. De pensioenregeling kan immers enkel met instemming van dewerknemers en/of OR worden aangepast. Dat vergt tijd. Ook is decapaciteit van adviseurs beperkt, waardoor er een mogelijk opstroopeffectaan het einde van de transitie kan ontstaan.Kortom, het is van groot belang dat werkgevers met een verzekerderegeling in actie komen om een keuze te maken voor de pensioenen die zijaanbieden. Deze oproep is ook door de regeringscommissaris transitiepensioenen gedaan in haar derde reguliere advies, en daarna heeft zij datkracht bijgezet door er via de NOS aandacht voor te vragen bij werkgeversen het brede publiek.19, 20 Ook het vierde advies van de regeringscommis-saris bevat deze oproep.21 In deze voortgangsrapportage wordt het belanghiervan nog eens extra benadrukt. Mijn ministerie helpt hierbij doorinformatie voor werkgevers beschikbaar te maken en de te nemen19Kamerstukken II, 2024/25, 32 043, nr. 687 bijlage 320Fiscale strop dreigt voor 1,6 miljoen pensioenverzekerden – Nos.nl21Zie bijlage 6 bij deze voortgangsrapportage voor het Vierde reguliere advies van de regerings-commissaris transitie pensioenen.Figuur 2: Invaardata Pensioenfondsen1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69413 stappen helder uit te leggen.22 Ook werknemer kunnen actief stappenzetten, bijvoorbeeld door de werkgever te benaderen en hem te vragennaar de stand van zaken.4.2.1. Keuze transitiemoment verzekeraars en PPI’s Verzekeraars en PPI’s verwachten dat de meeste werkgevers de transitie in2026 en 2027 zullen gaan maken. Op basis van de gesprekken die deregeringscommissaris heeft gevoerd met partijen in deze keten, is deindruk ontstaan dat het omzettingstempo nog niet substantieel toeneemt.Daarom hebben verzekeraars hun inspanningen verhoogd om er samenmet de adviseurs voor te zorgen dat deze contracten de komende tweejaar ook daadwerkelijk worden omgezet. In figuur 3 is te zien voor dewerkgevers met een regeling uitgevoerd door een verzekeraar of PPI endie op het moment van de uitvraag nog niet zijn overgegaan welktransitiemoment er wordt gekozen.1 Ten tijde van de uitvraag was het wetsvoorstel voor verlenging van detransitieperiode nog niet behandeld, waardoor 1 januari 2028 geenantwoordoptie was. Wel kon gekozen worden voor de optie «anders»,maar daar is geen gebruik van gemaakt. Formeel eindigen contractenoverigens op 31 december. Mogelijk is dat bedoeld door de respondenten.4.2.2. Contractkeuze van verzekeraars en PPI’s Figuur 4 laat het aantal werkgevers met een regeling ondergebracht bijeen verzekeraar of PPI zien dat heeft besloten over het soort contract voorde nieuwe pensioenregeling. Deze figuur heeft de data uit de transitiemo-nitor van zomer 2025 afgezet tegen de nieuwe data. Er is een toename inhet aantal werkgevers dat een contractkeuze heeft gemaakt. Tegelijkertijdheeft het merendeel van de werkgevers met een regeling ondergebrachtbij een verzekeraar of PPI nog geen besluit genomen. Het is belangrijk datdeze werkgevers in beweging komen om de transitie tijdig te kunnendoorlopen.22Brochure voor werkgevers: Uw pensioenregeling moet uiterlijk in 2027 aangepast zijn |Werken aan ons PensioenFiguur 3: Transitiemoment van Verzekeraars en PPI’s1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69414 1 In deze grafiek wordt verwezen naar «zomer 2025» en «winter 2026».Voor de gelijkende EY-rapportage dient voor deze wintereditie gekeken teworden naar «winter 2025».4.2.3 Invulling nieuwe pensioenregeling Het is, zoals in de inleiding van deze paragraaf beschreven, nu hetmoment om keuze te maken. Aangezien er steeds meer besluitvormingplaatsvindt over het contract zal het beeld in de komende transitiemoni-toren steeds completer worden. Deze paragraaf gaat achtereenvolgens inop de tot op heden gemaakte keuzes ten aanzien van de beschikbarepremie voor het oudedagspensioen, op het nabestaandenpensioen en opde gemaakte afspraken over compensatie en eerbiedigende werking.Premiehoogte ouderdomspensioenDe premie na de transitie blijft bij zowel verzekeraars (72%) als PPI’s (65%)in de meeste gevallen gelijk aan de premie voor de transitie. Daarnaast isbij verzekeraars is in 18% van de gevallen sprake van een verhoging en in11% van een verlaging en voor PPI’s geldt dat in 29% van de gevallen eenverhoging plaatsvindt en 6% van de gevallen een verlaging kent. Demeeste verzekeraars en PPI’s geven daarbij aan dat de mediaan van dehoogte van de premie zich bevindt binnen een bandbreedte van 10–15%.Dit is exclusief regelingen waar gebruik wordt gemaakt van eerbiedigendewerking. Zoals ook in de voortgangsrapportage monitoring zomer 2025 isgeschreven, hanteren verzekeraars en PPI’s een netto premie, waarbijrisicopremies en kosten voor de uitvoering apart bij de werkgever inrekening worden gebracht.NabestaandenpensioenIn de transitiemonitor worden ook de afspraken rondom het nabestaan-denpensioen gemonitord, waarmee invulling wordt gegeven aan de motievan de leden Ceder (CU) en Stoffer (SGP)23. Hieruit blijkt dat het grootstedeel van de verzekeraars en PPI’s, net zoals bij de oude pensioenregeling,afspraken maakt over het nabestaandenpensioen. Voor verzekeraars geldtdat in 75% van de gevallen een nabestaandenpensioen voor en na depensioendatum is afgesproken en in 25% van de regelingen zijn er alleen23Kamerstukken II, 2022/23, 36 067, nr. 158Figuur 4: Besluiten over het soort contract bij Verzekeraars en PPI’s1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69415 afspraken gemaakt over het nabestaandenpensioen vóór pensioendatum.Bij PPI’s zijn in 60% van de pensioenregelingen afspraken gemaakt overhet nabestaandenpensioen voor en na de pensioendatum.24 De overige40% is gelijk verdeeld over nabestaandenpensioen in de regelinguitsluitend vóór (20%) of ná (20%) pensioendatum. De mediaan van dehoogte van het nabestaandenpensioen ligt op 30% van het laatstverdiende salaris. Hierbij dient opgemerkt te worden dat dit een tussen-tijds beeld betreft aangezien nog maar een beperkt deel van dewerkgevers afspraken heeft gemaakt over de nieuwe pensioenregeling.Compensatie en eerbiedigende werkingVeel werkgevers die hun regeling onder hebben gebracht bij eenverzekeraar of PPI hebben gekozen voor eerbiedigende werking, onderandere omdat het daarmee het compensatievraagstuk vereenvoudigt endaarmee de transitie eenvoudiger maakt.25 Voor de regelingen waarvaneen besluit is genomen over de invulling van het contract blijkt dat in 76%van de gevallen bij regelingen ondergebracht bij een verzekeraar isgekozen voor eerbiedigende werking. Bij PPI’s is dit bij 66% van degevallen gedaan. Doordat werkgevers veelal gebruik maken van eerbiedi-gende werking, is een aanvullende compensatieregeling niet nodig. Ingeval dat er wel een compensatieregeling wordt afgesproken, gebeurt ditvrijwel altijd in de loonsfeer.4.3. Kosten Een stijging van de kosten in verband met de pensioentransitie isvoorzien. Uit de transitiemonitor blijkt onder andere dat PUO’s additioneleoperationele en IT-kosten hebben voor het omzetten van de contractennaar het nieuwe stelsel. Daarnaast geven pensioenuitvoerders aan dat dejaarlijkse uitvoeringskosten over de gehele transitieperiode toenemen,maar de omvang daarvan hangt sterk af van de pensioenuitvoerder.Volgens het Bell-rapport naar de kosten over 2024, waar 174 pensioen-fondsen aan hebben meegedaan die ongeveer 10,7 miljoen actieven engepensioneerden representeren, zijn de kosten gestegen. De totalepensioenbeheerkosten stegen in 2024 met € 220 miljoen naar€ 1.461 miljoen. Dit is een stijging van 17,7%.26 Deze stijging kan voor eendeel verklaard worden door de voorbereidingen op de transitie, maar ookwordt de pensioentransitie aangegrepen om noodzakelijk ICT-onderhouduit te voeren.Het is lastig om een uitsplitsing te maken tussen de kosten die pensioen-fondsen maken in het kader van de pensioentransitie, en kosten die dezefondsen sowieso hadden gemaakt, bijvoorbeeld kosten voor noodzakelijkonderhoud. Ook kunnen hogere kosten worden veroorzaakt door eenhoger afgesproken serviceniveau, en door loon- en prijsstijgingen.24In de onderliggende uitvraag is niet meegenomen of de werkgever elders een nabestaanden-pensioen vóór pensioendatum heeft verzekerd.25Bij een keuze voor eerbiedigende werking blijven bestaande werknemers in een premiere-geling met een leeftijdsafhankelijke staffel en wordt alleen voor nieuwe werknemers eenvlakke premieregeling geïntroduceerd. Daardoor is er voor bestaande werknemers geensprake van gemiste toekomstige pensioenopbouw. Het compensatievraagstuk is daarmeeopgelost.26Bell-rapport – Inzicht in de pensioenbeheer-, vermogensbeheer- en transactiekosten vanNederlandse PensioenfondsenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69416 Naar verwachting is het zwaartepunt van de transitie na 1 januari 2027voorbij. De verwachting is dat de kosten voor pensioenbeheer na dieperiode weer zullen dalen. De kosten blijven een belangrijk onderdeel vande monitoring, ook in de toekomstige voortgangsrapportages.4.4. Transitiecommissie Sociale partners dan wel werkgever en werknemers vertegenwoordigddoor bijvoorbeeld vakbonden of de OR die hun regeling laten uitvoerendoor een pensioenfonds kunnen tot 1 april 2026 voor bindend advies over(een deel van) deze afspraken in het transitieplan terecht bij de transitie-commissie.27 Indien de regeling wordt uitgevoerd door een verzekeraarkunnen deze partijen daar tot 1 januari 2027 terecht voor bindendadvies.28In de periode 1 juli en 31 december 2025 is er één zaak, die een verzoek totbindend advies betrof, voorgelegd aan de transitiecommissie. Inmiddelsheeft de transitiecommissie bindend advies uitgebracht. Deze zaak isgepubliceerd op de website van de SER.295. Doelstellingen van de Wtp Aan de Wtp lagen de volgende drie doelstellingen ten grondslag:1)Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen;2)Een transparanter en meer persoonlijk pensioenstelsel;3)Betere aansluiting bij ontwikkelingen in de samenleving en op dearbeidsmarkt.Aan uw Kamers is toegezegd om u periodiek te informeren over de matewaarin deze drie doelstellingen worden behaald. De eerste drieparagrafen gaan achtereenvolgens op deze doelstellingen in. Inparagraaf 4 wordt, conform de motie van de leden Palland (CDA) en Ceder(ChristenUnie), inzicht geboden in de in het Pensioenakkoord opgenomenrandvoorwaarden.30 SEO Economisch Onderzoek heeft de opdrachtgekregen om jaarlijks een doelstellingenmonitor op te leveren die hierinzicht in biedt. De eerste doelstellingenmonitor is als bijlage toegevoegd(bijlage 2).Op het moment waarop deze doelstellingenmonitor werd vervaardigd,had slechts een beperkt aantal pensioenfondsen de overgang naar hetnieuwe pensioenstelsel gemaakt en is een klein deel van de regelingenuitgevoerd door verzekeraars en PPI’s omgezet. Om die reden zijn in dezemonitor ook de nog niet-ingevaren pensioenfondsen en de nog nietomgezette regelingen betrokken. Daarnaast worden sommige effecten pasop termijn duidelijk. De eerste doelstellingenmonitor geeft dan ook eenverwachtingsbeeld van de mate waarin de doelstellingen van de Wtpworden gerealiseerd. Naarmate meer pensioenuitvoerders een pensioen-regeling conform de Wtp uitvoeren, zal het beeld in de doelstellingenmo-nitor steeds meer een afspiegeling zijn van de gehele pensioensector. Totslot dient vooraf opgemerkt te worden dat de doelstellingen en randvoor-waarden niet eenduidig gedefinieerd zijn en daarmee ruimte laten voorverschillende interpretaties van de uitkomsten. Op basis van hetsamenspel van indicatoren kan dus geen eenduidige conclusie wordengetrokken per doelstelling of randvoorwaarde in deze rapportage. Omdeze redenen is dit hoofdstuk vooral beschrijvend van aard.27Stb. 2025, nr. 43928Stb. 2025, nr. 42329Transitiecommissie Pensioen30Kamerstukken II, 2022/23, 36 067, nr. 148.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69417 5.1 Eerder perspectief op een koopkrachtig pensioen Met de Wtp is er ruimte gekomen voor pensioencontracten die eerderperspectief bieden op een koopkrachtig pensioen, met behoud vanrisicodeling binnen en tussen generaties. Gerealiseerd rendement komt indeze contracten eerder beschikbaar voor het verhogen van de ingeganepensioenuitkeringen en de voor het pensioen gereserveerde vermogens,respectievelijk de opgebouwde pensioenvermogens.Zo verwachten pensioenfondsen dat de jaarlijkse kans op een nominaleverhoging van de ingegane pensioenen groter is (meer dan 20%), dan dekans op een nominale verlaging (meestal minder dan 2,5%). Maar, als ereen verlaging voorkomt, is deze gemiddeld van grotere omvang dan deverhoging. Daarbij dient opgemerkt te worden dat in scenario’s waarineen mogelijke daling van pensioen plaats zou kunnen vinden, in het oudepensioenstelsel de pensioenen naar verwachting ook gekort haddenmoeten worden.In het nieuwe stelsel is het inflatierisico over meerdere jaren kleiner endaarmee koopkrachtbehoud over meerdere jaren groter doordat beleg-gingsrisico’s beter aangesloten kunnen worden op de risicohouding vandeelnemers en rendementen eerder kunnen worden uitgekeerd. Denadruk ligt in het nieuwe pensioenstelsel minder op het jaarlijks volgenvan de feitelijke inflatie. Zo kunnen in het nieuwe stelsel rendementenworden gespreid wat ertoe leidt dat er minder kans is op verlagingen vande uitkering, maar ook dat uitkeringen minder snel stijgen.Wanneer naar inflatierisico wordt gekeken, verwachten verzekeraars dat inhet nieuwe contract het inflatierisico doorgaans (veel) lager of gelijk blijftten opzichte van het pensioencontract in het oude pensioenstelsel. Bijpensioenfondsen geldt ook dat de meeste pensioenfondsen het inflatie-risico lager of gelijk inschatten. Ongeveer een kwart van de fondsen schathet inflatierisico juist hoger in. Bij een lager inflatierisico is de kans groterdat pensioenuitkeringen de prijsstijgingen kunnen bijhouden, wat de kansop een koopkrachtig pensioen vergroot. Een verklaring voor verschillentussen uitvoerders is naar verwachting te vinden in de verschillendeweging van pensioenuitvoerders daar waar het gaat om het korte enlange termijn inflatierisico.Tot slot is er in het nieuwe pensioenstelsel meer ruimte om beleggings-risico te nemen in de opbouwfase, wat naar verwachting leidt tot hogererendementen en daarmee tot perspectief op koopkrachbehoud. Bijpensioenfondsen stijgt vooral voor jonge deelnemers het beleggings-risico. Zij worden meer blootgesteld aan beleggingsrisico’s dan ouderedeelnemers en gepensioneerden, om zo een hoger rendement enuiteindelijk een beter pensioen te kunnen realiseren. Dit kan gepaard gaanmet meer onzekerheid in de pensioenuitkomst. De oudere deelnemers engepensioneerden worden minder blootgesteld aan beleggingsrisico’s omzo een stabielere uitkering te waarborgen.In aanvulling op de mogelijkheden die het nieuwe stelsel reeds biedt,heeft de kamer verzocht om mogelijke additionele instrumenten teonderzoeken binnen de kaders van het Pensioenakkoord. In het voorjaarverwacht ik de Kamer te informeren over deze analyse.5.2 Een transparanter en meer persoonlijk pensioenstelsel De nieuwe pensioencontracten dienen bij te dragen aan het transparantermaken van pensioen. De vraag is hoe deelnemers deze informatieervaren. In hoofdstuk 6 wordt hier uitgebreid op ingegaan. Aanvullendblijkt uit de doelstellingenmonitor dat de meeste pensioenfondsenaangeven op meerdere keuzemomenten begeleiding te bieden aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69418 deelnemers. Overigens kunnen pensioenfondsen begeleiding in meerderevormen aanbieden bijvoorbeeld ook via digitale hulpmiddelen op dewebsite of het portaal in lijn met de regelgeving. Bij een kwart van deverzekeraars en PPI’s is er sprake van «uitgebreide persoonlijke keuzebe-geleiding» op belangrijke keuzemomenten. Dat betekent echter niet dat dedeelnemers bij de andere verzekeraars en PPI’s geen keuzebegeleidingontvangen, dat is immers een wettelijke verplichting op basis van artikel48a Pensioenwet. Zij zullen dat dan in een andere vorm doen bijvoorbeeldvia digitale hulpmiddelen op de website of het portaal. Veel pensioenuit-voerders gebruiken meerdere communicatiekanalen om wijzigingen in hetnabestaandenpensioen of in het arbeidsongeschiktheidspensioen toe telichten.Een persoonlijker en transparanter pensioen komt daarnaast tot uiting inde mate waarin rekening wordt gehouden met de kenmerken van dedeelnemer bij de vormgeving van de pensioenregeling. Pensioenuit-voerders differentiëren zoals wettelijk is voorgeschreven vooral naarleeftijdscohorten bij het bepalen van de risicohouding, inclusief derisicohouding voor gepensioneerden. Deze risicohouding perleeftijdscohort leidt tot toedelingsregels van het beleggingsrendement dieleeftijdsafhankelijk zijn.Met de overgang naar de nieuwe pensioenregeling ontstaat er meerduidelijkheid over de relatie tussen premie en opbouw. Ongeveerdriekwart van de pensioenfondsen geeft aan dat deelnemers bij overgangnaar de nieuwe pensioenregeling via een persoonlijk dashboard inzichtkrijgen in de ontwikkeling van het pensioenvermogen. Veel pensioen-fondsen weten nog niet hoe zij het te verwachten pensioen onderverschillende scenario’s gaan communiceren. Verzekeraars en PPI’s doendit veelal via persoonlijke digitale dashboards.5.3 Betere aansluiting bij ontwikkelingen in de samenleving en op dearbeidsmarkt In de huidige, dynamische arbeidsmarkt in samenhang met een vergrij-zende samenleving is het niet meer vanzelfsprekend dat iemand bereid isom in zijn jonge jaren via de doorsneesystematiek extra bij te dragen, alssteeds minder zeker is dat dat dit wordt terugbetaald zodra hij of zij ouderis. Daarnaast leidt de doorsneesystematiek niet alleen tot een herver-deling tussen generaties, maar ook tot benadeling van sommige groepenen een afname van pensioendraagvlak. De doorsneesystematiek werktook verstorend op arbeidsmarktbeslissingen, hetgeen wordt versterktdoor de toegenomen dynamiek op de arbeidsmarkt en de grotere variëteitin arbeidsvormen, loopbanen en pensioenregelingen. Eén van de met deWtp genomen maatregelen is dan ook het afschaffen van de doorsneesys-tematiek en de overstap naar premieregelingen met een vlakke premie.Een tweede maatregel die het pensioenstelsel beter laat aansluiten op deontwikkelingen op de arbeidsmarkt, is het standaardiseren van hetnabestaandenpensioen. Het nieuwe nabestaandenpensioen gaat beter ommet life-events, omdat het diensttijd onafhankelijk is (gebaseerd op hetlaatste loon in plaats van het pensioeninkomen) en dankzij de verplichteuitloopdekkingen. Werkgevers en vakbonden hebben eerder aangegevendat in bijna alle gevallen het nabestaandenpensioen zowel in de oude alsin de nieuwe situatie onderdeel is van de pensioenregeling voor en na depensioendatum.31 Dit wordt bevestigd in de eerste zes onderzochteimplementatieplannen. Ook verzekeraars geven aan dat het nabestaan-denpensioen onderdeel is van de pensioenregeling. Dat geldt zowel voor31Transitiemonitor Wtp – Winterrapportage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69419 het nabestaandenpensioen voor als na de pensioendatum (inparagraaf 4.2.3 is hier nader op ingegaan).Ook de omvang van de buffers en de wijze waarop deze buffers(solidariteits- of risicodelingsreserve) worden gevuld, kunnen van invloedzijn op arbeidsmarktbeslissingen, aangezien bij individuele waardeover-dracht alleen het persoonlijk pensioenvermogen kan worden meege-nomen. De meerderheid van de onderzochte pensioenfondsen geeft aandat de totale buffer (veel) lager is dan in het oude pensioenstelsel. Hetmerendeel van de pensioenfondsen vult de solidariteits- of risicodelings-reserve niet vanuit de premie, maar uit het overrendement (dit kan alleenin de solidaire premieregeling) of uit het kapitaal bij toetreding tot hetcollectief toedelingsmechanisme (dit kan alleen bij de flexibele premiere-geling).5.4 Randvoorwaarden Wtp De doelstellingenmonitor gaat daarnaast in op de randvoorwaarden, dienaast de drie doelen, zijn opgenomen in het Pensioenakkoord. Het betreftde volgende randvoorwaarden:I.De ouderdomspensioenen blijven levenslang;II.De herziening is geen versobering;III.Er blijft voldoende ruimte om de huidige doelstelling voor het teverwachten pensioen te realiseren;IV.De premies en de pensioenuitkeringen moeten zo stabiel mogelijkzijn;V.De overstap moet voor alle belanghebbenden en generatiesevenwichtig uitpakken;VI.Eventuele nadelen van de transitie worden adequaat gecompen-seerd;VII.Bestaande pensioenaanspraken en pensioenuitkeringen worden zoveel mogelijk meegenomen naar het nieuw gekozen pensioencon-tract;VIII.Pensioenuitvoerders moeten voldoende ruimte houden ombeleggingsrendementen te boeken;IX.De overgang moet uitvoerbaar zijn en financieel haalbaar.De randvoorwaarden zijn verschillend en divers van aard. Zo betreftrandvoorwaarde I een wettelijke verplichting.Een aantal randvoorwaarden heeft vooral betrekking op de transitie enwordt daarom gemonitord via de transitiemonitor uitgevoerd door EY. Hetgaat hier om randvoorwaarden II, V, VI en IX, en randvoorwaarde VII voorregelingen uitgevoerd door een pensioenfonds. Daarbij dient opgemerktte worden dat er sprake is van evenwichtige besluitvorming voordat erdaadwerkelijk overgegaan kan worden naar de nieuwe pensioenregeling.Om te beginnen dragen de sociale partners en het pensioenfonds iedereen zelfstandige verantwoordelijkheid voor de evenwichtigheid van detransitie. Pensioenfondsen wegen bij de besluitvorming de belangen vande bij het pensioenfonds betrokken deelnemers, gewezen deelnemers,andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgevermee. Daarnaast zorgt het bestuur ervoor dat deze groepen deelnemerszich op een evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen.Bovendien worden de deelnemersorganen, waarin de verschillendedeelnemersgroepen vertegenwoordigd zijn, betrokken bij de besluit-vorming door het pensioenfondsbestuur. Kortom, het pensioenfondsweegt alle belangen mee voordat het een besluit neemt. Tot slot toetstDNB of de evenwichtige belangenweging aan de wettelijke vereistenvoldoet voordat er overgestapt kan worden naar de nieuwe pensioenre-geling en kan worden ingevaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69420 Voor randvoorwaarde IV «De premies en de pensioenuitkeringen moetenzo stabiel mogelijk zijn», geldt dat de premie voor meerdere jaren wordtvastgesteld. Uit de transitiemonitor blijkt verder dat van de 61 geanaly-seerde transitieplannen er 26 als doel hebben om fluctuaties in hetpensioen te voorkomen. Tot slot, blijkt uit de gevoerde gesprekken dat eronder de Wtp voldoende ruimte blijft om de huidige doelstellingen voorhet te verwachten pensioen te realiseren en ervaren pensioenuitvoerdersvoldoende tot ruim voldoende ruimte om beleggingsresultaten te boeken.6. Ervaringen van de deelnemer Van alle bij de transitie betrokken partijen wordt verwacht dat dedeelnemer op een goede manier wordt meegenomen.Om eenvoudige en eerlijke publiekscommunicatie te realiseren, werkt eengroep communicatiespecialisten van vakbonden, werkgevers, pensioen-uitvoerders en mijn ministerie nauw samen. Zij stemmen samen decommunicatie af over de transitie gericht op Nederlanders. De uitgangs-punten die zij hanteren zijn afkomstig uit (wetenschappelijk) onderzoek enpraktijkervaring van hele pensioensector. Dit komt onder andere tot uitingin de communicatie van pensioenuitvoerders, werkgevers en vakbonden,op mijnpensioenoverzicht.nl en in de campagne Pensioenduidelijkheid. Zoinformeert SZW samen met alle stakeholders binnen de pensioensectorhet grote publiek over de vernieuwing van het pensioenstelsel.Paragraaf 6.1 gaat in op de resultaten van de inspanning op publiekscom-municatie.Daarnaast worden de ervaringen van de deelnemer tijdens de transitiegemonitord. Dit gebeurt aan de hand van de volgende drie onderdelen:De publieksmonitor (paragraaf 6.2), de deelnemersmonitor (paragraaf 6.3)en het aantal zaken voorgelegd aan de Geschilleninstanties en het aantalpensioenzaken in het kader van de Wtp bij de Raad voor de Rechtspraak(paragraaf 6.4). In dit hoofdstuk wordt u meegenomen in de laatste standvan zaken van deze monitoring die toegespitst is op de deelnemer.In de zomerrapportage bent u ook meegenomen in de cijfers van deNationale Enquête Arbeidsomstandigheden (NEA). Deze cijfers wordenjaarlijks gepubliceerd, en kunnen dus alleen in de zomerrapportagesworden meegenomen.6.1. Publiekscommunicatie Afgelopen najaar was de campagne Pensioenduidelijkheid tussen1 september en 27 oktober te horen en zien via radio, online en geprintemedia. Voor meer informatie werd in iedere uiting doorverwezen naarpensioenduidelijkheid.nl. Deze campagne is ontwikkeld samen metvakbonden, werkgeversorganisaties en pensioenuitvoerders.Op basis van ervaringen in 2024, is in 2025 in de campagne gefocust ophet bereiken van de pensioengeoriënteerden (55–67 jaar) en gepensio-neerden. Uit onderzoek blijkt dat behoefte aan informatie onder dezedoelgroepen het grootst is. Dit komt door de relevantie en urgentie vanhet onderwerp voor hen.Uit het campagne-effectonderzoek (bijlage 14) blijkt dat onder pensioen-georiënteerden (55–67 jaar) en gepensioneerden dat na de campagnepe-riode de kennis over wat de nieuwe regels betekenen voor hun eigenpensioen, is gestegen van 34% naar 40%. De kennis over waar zeinformatie over hun eigen pensioen kunnen vinden is gestegen van 67%naar 76%.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69421 Naast de communicatie door pensioenuitvoerders en sociale partners,heeft de campagne bijgedragen aan dit resultaat. Het onderzoek kan hetspecifieke aandeel van de campagne hierin echter niet benoemen. Eenkwart van de doelgroep heeft minstens een van de (voor hen relevante)uitingen herkend. Dat ligt iets onder de benchmark voor overheidscam-pagnes. De campagne krijgt gemiddeld een 6,6 van de doelgroep, wat inlijn ligt met de benchmark.De doelgroep ziet de campagne als zeer informatief (57%) en relevantvoor hen (55%). Op beide aspecten scoort de campagne aanzienlijk bovende benchmark (circa 30%). Op sommige aspecten scoort de campagneechter lager dan de benchmark.6.2. Publieksmonitor Sinds februari 2022 wordt ieder kwartaal een meting gedaan in het kadervan de Publieksmonitor Vertrouwen Pensioenstelsel. De publieksmonitorheeft als doel om doorlopend het vertrouwen van de Nederlandsebevolking in het pensioenstelsel inzichtelijk te maken. Primair ligt hierbijde nadruk op het meten van vertrouwen in het stelsel en de partijendaarachter. Secundair ligt de nadruk op het meten van basiskennis overen het gedrag ten aanzien van pensioenen. De publieksmonitor pensi-oenen geeft aanknopingspunten om de communicatie rondom destelselwijziging richting alle burgers te verbeteren.De publieksmonitor pensioen (bijlage 5), laat in het vierde kwartaal van2025 een handhaving zien in het vertrouwen ten aanzien van pensioen. Devertrouwensscore heeft hiermee het hoogste punt vastgehouden sinds destart van de metingen in Q1 2022. De score in Q4 2025 is met 6,2 neutraalte noemen; in Q2 2025 was deze ook 6,2. De vertrouwensscore wordtgemeten op een schaal van 1 tot 10. Een score lager dan 4 duidt op weinigvertrouwen. Bij een score tussen 4 en 7 is het vertrouwen neutraal tenoemen en een score boven de 7 toont aan dat er veel vertrouwen is.6.3. Deelnemersmonitor In aanvulling op de publieksmonitor, waarbij het vertrouwen in hetpensioenstelsel in het algemeen wordt uitgevraagd, vindt er sinds 2025een deelnemersmonitor plaats. Netspar voert een deelnemersmonitor uitin samenwerking met diverse pensioenfondsen. In aanvulling hierop heeftIpsos I&O een panelonderzoek met een zoveel mogelijk identiekevragenlijst uitgevoerd, onder andere om de deelnemerservaringen bijverzekeraars en PPI’s goed mee te kunnen nemen in deze rapportage.Door de grote steekproef bij de Netspar-deelnemersmonitor, en deaanvullende weging voor een representatief beeld onder groependeelnemers bij Ipsos I&O, ligt er een solide basis om de ervaring vandeelnemers goed in kaart te brengen.Uit beide deelnemersmonitoren blijkt dat de bekendheid over de komstvan het nieuwe pensioenstelsel groot is. Negen op de tien Nederlanderszeggen over de nieuwe pensioenregels gehoord te hebben en zeven op detien Nederlanders zagen in de zes maanden voorafgaand aan hetonderzoek informatie van hun pensioenuitvoerder over de nieuwepensioenregeling, zo blijkt uit de rapportage van Ipsos I&O. Wanneer naeen specifiek communicatiemoment wordt gemeten, liggen deze cijfersnog hoger zo blijkt uit de Netspar-monitor. In dat geval is 95% van deondervraagde deelnemers op de hoogte van het nieuwe pensioenstelsel,en heeft meer dan driekwart van de deelnemers ook informatie over huneigen nieuwe pensioenregeling gezien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69422 Uit beide deelnemersmonitoren komt een op hoofdlijnen gelijk beeld naarvoren. Zo heeft tweederde van de deelnemers er vertrouwen in dat hunpensioenuitvoerder zorgt voor een goede overgang, en de helft vertrouwterop dat er oog is voor de belangen van alle leeftijdsgroepen. Met nameonder gepensioneerden is dit vertrouwen in de eigen pensioenuitvoerderen het vertrouwen dat pensioenuitvoerders ervoor zullen zorgen dat zij erniet op achteruitgaan, groter. Gewezen deelnemers en actieve deelnemerszijn minder vaak gerustgesteld.Qua informatievoorziening en communicatie liggen er voor de pensioen-uitvoerders duidelijk nog kansen, zo blijkt uit de deelnemersmonitoring.Tevens blijkt uit deze monitoring dat deze kansen ook worden benut. Zogeeft de helft van de mensen aan dat de informatievoorziening van hunuitvoerder van belang is voor hun waardering, en is terug te zien in hetgeven van hogere rapportcijfers (gemiddeld een 7,6) aan pensioenuit-voerders. De informatievoorziening is volgens de respondenten ookbelangrijker voor dit cijfer dan de hoogte van het pensioen zelf.Ook blijkt dat er kansen zijn op het gebied van gevoelens bij de pensioen-transitie. Zo blijkt uit de Netspar-monitor dat mensen die beter begrijpenwaarom pensioen anders geregeld moet worden, hier minder negatievegevoelens over te ervaren.De informatievoorziening van pensioenuitvoerders wordt al goedbeoordeeld wat betreft begrijpelijkheid en duidelijkheid. Veel mensengeven echter aan niet goed in te kunnen schatten of de informatie ookvolledig, transparant of voldoende passend bij hun situatie is. Ook zijngewezen deelnemers gemiddeld gezien iets negatiever over de informa-tievoorziening. Hier kunnen pensioenuitvoerders nog extra op inzetten.6.4. Klachten – en geschillencommissies en Raad voor de Rechtspraak Het aantal klachten en geschillen over de Wtp blijkt in deze fase van detransitie beperkt te zijn. Hoewel het grootste deel van het aantal geschillenniet gerelateerd is aan de Wtp wijzen signalen van de geschilleninstanties(GIP voor pensioenfondsen en Kifid voor verzekeraars en PPI’s) erop dathet aantal Wtp-gerelateerde vragen en geschillen toeneemt naarmate detransitie – en daarmee dus ook het aantal overstappende deelnemers –vordert. De ontwikkeling van klachten en geschillen blijft daarom eenbelangrijk aandachtspunt in deze monitoring.Uit de cijfers van de GIP blijkt dat in de verslagperiode in totaal426 geschillen zijn geregistreerd. De aard van deze geschillen heeftvoornamelijk betrekking op pensioenberekening en -betaling, detoepassing van wet- en regelgeving en informatieverstrekking. Eenaanzienlijk deel van de zaken wordt afgehandeld via bemiddeling (73%). In27% van de gevallen is sprake van directe beslechting. Van de afgerondezaken leidt 70% tot een bindende uitspraak. De gemiddelde doorlooptijdvan afgeronde zaken bedraagt 143 werkdagen. De GIP merkt op dat hettotaal aantal geschillen lager ligt dan verwacht, mogelijk als gevolg vanhet uitstel van de invaren door pensioenfondsen. Tegelijkertijd is sprakevan een duidelijke toename van het aantal Wtp-gerelateerde vragen engeschillen in de laatste maanden van de verslagperiode.Bij het Kifid zijn in de verslagperiode 36 geschillen geregistreerd die(mede) betrekking hebben op de Wtp. Deze zaken zien met name oponderwerpen als (het uitblijven van) indexatie, het bijzonder nabestaan-denpensioenen en waardeoverdrachten. Een deel van de klachten wordtopgelost via bemiddeling of ingetrokken voordat het tot een uitspraakkomt. Van de zaken die tot een uitspraak leiden, is circa tweederdeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69423 bindend. De gemiddelde doorlooptijd bij het Kifid bedraagt 228 dagen.Het Kifid geeft aan dat de aard van de klachten divers is en dat deinhoudelijke complexiteit per zaak kan verschillen.De Raad voor de Rechtspraak heeft aangegeven dat het aantal bij deciviele rechter aanhangig gemaakte zaken met betrekking tot de Wtp in deverslagperiode beperkt is gebleven en nog steeds minder dan tienbedraagt. Dit duidt erop dat geschillen over de Wtp vooralsnog inoverwegende mate worden afgewikkeld via buitengerechtelijke geschilbe-slechting.Tabel 1: Overzicht zaken bij geschilleninstantiesGeschilleninstantieGIPKifidAantal geschillen42636Aard van de geschillenPensioenberekeningAlgemeen: toepassing vanWet- en regelgeving(Uitblijven van) indexatie(Bijzonder) nabestaanden-pensioenInformatieverstrekkingWaardeoverdrachtenPercentage bemiddeling73%Percentage beslechting (direct)27%Percentage bindend/niet-bindend70% bindend30% niet bindend66% bindend28% niet bindend 6% geenkeuzeDoorlooptijden (in werkdagen)14312281 Doorlooptijden gemeten over de afgeronde zaken. Er zijn zeker langer lopende dossiers, maardie komen pas na afronding van het geschil mee in de telling. De meting van Kifid liep van 1 juni2025 tot 1 december 2025. De meting van GIP is een totaal tot 31 december 2025. 7. Stand van zaken (voorgenomen) wet- en regelgeving en moties Het Verzamelbesluit pensioentransitie is op 20 december 2025 in werkinggetreden.32 Per 1 januari 2026 zijn vervolgens de Wet verlenging van detransitie naar het nieuwe pensioenstelsel en het besluit transitietermijnenin werking getreden. Het Vrijstellings- en boetebesluit en de Regelingvrijstellingen Wet Bpf 2000 en de Regeling vrijstellingen Wet Bpf 2000deden dit al in de loop van het najaar van 2025.Wetsvoorstel toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpenDit wetsvoorstel geeft uitvoering aan de tijdens de behandeling van deWtp gedane toezeggingen aan de Eerste Kamer, namelijk: het mogelijkmaken van vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen, het unifor-meren van het kindbegrip en het verruimen van het overgangsrecht oppremievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid. Dit wetsvoorstel bevatdaarnaast een aantal technische aanpassingen. Aanvullend wordt eenaanpassing gedaan van het vulritme van de risicodelingsreserve bijgebruik van de collectieve uitkeringsfase. Vanaf 20 november 2025 is hetwetsvoorstel aanhangig bij de Afdeling Advisering van de Raad van Statevoor advisering. Na het verkrijgen van het advies, zal dit wetsvoorstel ditvoorjaar bij de Tweede Kamer worden ingediend.PerformancetoetsOp grond van het Vrijstellings- en boetebesluit wordt op verzoek van eenwerkgever door een bedrijfstakpensioenfonds vrijstelling verleend van deverplichtstelling aan dat bedrijfstakpensioenfonds indien sprake is vanonvoldoende beleggingsrendement. Om vast te stellen of hier sprake van32De bepaling over de kwalitatieve duiding waarom niet wordt afgezien van invaren, is vanaf1 januari 2026 van toepassing. De termijn waarbinnen een aanvraag bij de transitie-commissiekan worden gedaan, staat met terugwerkende kracht open vanaf 1 juli 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69424 is, wordt een performancetoets uitgevoerd. In de wijzigingsregelingworden aanpassingen voorgesteld in verband met actualisatie van deperformancetoets. Deze regeling is tot en met 23 januari 2026 in internet-consultatie geweest. Na de verwerking van de reacties op de internetcon-sultatie zal overgegaan worden tot publicatie van deze regeling.KoopkrachtIn de vorige voortgangsrapportage is aangegeven dat er is toegezegd teonderzoeken of het denkbaar en praktisch uitvoerbaar is om additionelekoopkrachtinstrumenten vorm te geven binnen de kaders van hetPensioenakkoord.33 DNB heeft intussen een nadere kwantitatieve analysevoor enkele koopkrachtvarianten uitgevoerd. Op dit moment wordt dezeanalyse nader bestudeerd. Daarbij wordt ook een eerste kwalitatievebeoordeling van de varianten gegeven. Uw Kamer zal in het voorjaar van2026 geïnformeerd worden over de uitkomsten van deze analyses.8. Afsluitend De transitie naar het nieuwe stelsel ligt op koers. Inmiddels is meer dan dehelft van de deelnemers met een pensioenregeling uitgevoerd door eenpensioenfonds ingevaren naar de nieuwe pensioenregeling. En ookverzekeraars en PPI’s hebben de eerste stappen naar het nieuwepensioenstelsel gezet. Tegelijkertijd is het van belang om koers te houdenen door te pakken, dat geldt zowel voor de pensioenfondsen als voor de(kleine) werkgevers met een pensioenregeling uitgevoerd door eenverzekeraar of PPI. Er is immers nog veel werk aan de winkel voordat alleactieve deelnemers pensioen opbouwen in het nieuwe pensioenstelsel.Conform het plan van aanpak monitoring dat met uw Kamer is gedeeld,wordt de transitie ook de komende jaren gemonitord. Om dat zo goedmogelijk te doen, een zo compleet mogelijk beeld van de voortgang vande transitie te krijgen en eventuele knelpunten zo snel mogelijk weg tenemen, is de medewerking van vele partijen nodig. Deze partijen wordenopgeroepen om te blijven meewerken aan de verschillende monitoren enhun ervaringen via de verschillende gremia te delen.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,M.L.J. Paul33Kamerstukken II, 2024/2025, 32 043, nr. 673Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69425 MOTIE- EN TOEZEGGINGENOVERZICHT – VOORTGANGSRAP-PORTAGE MONITORING WTP – WINTER 2026MotieNaamStand van zaken36 067-118Motie van het lid Smals over gedurende detransitieperiode monitoren of pensioenfondseneen carve-out nodig hebben in verband met eenevenwichtige belangenafweging.In uitvoering36 067-148Motie van de leden Palland en Ceder over bij demonitoring de randvoorwaarden meenemen diezijn opgenomen in het Pensioenakkoord.In uitvoering36 067-158Motie van de leden Ceder en Stoffer over denieuwe vormgeving van het nabestaandenpensi-oen zo snel mogelijk evalueren en monitoren.In uitvoering36 067-163Motie van het lid Stoffer c.s. over het regelmatiguitvoeren van invoeringstoetsen na inwerkingtre-ding van de Wtp.In uitvoering36 067-166Motie Maatoug c.s. over een uitvoeringsmonitorover de arbeidsvoorwaardelijke afspraken en in2026 bezien of het invaren op tijd en verantwoordkan worden ingevoerd.In uitvoering36 067-177Motie van de leden Smals en Stoffer over hetmonitoren van afspraken over compensatie en deobstakels die sociale partners ondervinden omdeze te realiseren.In uitvoeringTZ202411-092In de monitoring van de transitie ook de compen-satie bij pensioenregelingen bij verzekeraarsmonitoren.In uitvoeringTZ202411-093Via de Voortgangsrapportage monitoring Wtpterugkoppelen voor hoeveel personen met eenpremieregeling met een stijgende premie er isgekozen voor de eerbiedigende werking.In uitvoeringEK T03630Kamer periodiek informeren over voortgangtransitie.In uitvoeringEK T01964Jaarlijkse rapportage aan het parlement over depremieontwikkeling bij de pensioenfondsen.In uitvoering BIJLAGE:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 32 043, nr. 69426

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · b583914b2eb21e1d

14 okt 2026 · 8422bae8a77b7acc

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.