Verzamelbrief Eerstelijnszorg
Brontekst
Versie 4204e4b938f8706a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202533 578EerstelijnszorgNr. 121 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGE-ZONDHEID, WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 25 oktober 2024In deze verzamelbrief eerstelijnszorg informeren we uw Kamer in aanloopnaar het commissiedebat eerstelijnszorg over sectorale ontwikkelingenbinnen de eerstelijnszorg, in het bijzonder over openstaande moties entoezeggingen. Het betreft de sectoren huisartsenzorg, wijkverpleging,paramedische zorg, eerstelijns apotheekzorg en tijdelijk verblijf/de inzetvan de specialist ouderengeneeskunde in de eerste lijn.HuisartsenzorgStand van zaken huisvesting van huisartsenpraktijken en gezondheids-centraHuisvesting van huisartsen en gezondheidscentra kan in de praktijk eendrempel vormen voor het starten of uitbreiden van een praktijk. Dit kan totproblemen leiden in de continuïteit van zorg. In december 2023 heeft devorige Minister van VWS daarom samen met de LHV, VNG, ZN, InEen,NZa en het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties(BZK), de handreiking huisvestingsproblematiek huisartsen en gezond-heidscentra opgesteld. De handreiking biedt op regionaal en lokaal niveauhandelingsperspectieven als een huisarts of gezondheidscentrum methuisvestingsproblemen kampt. Inmiddels is de handreiking bijna een jaaroud en zien we steeds meer plekken waar gemeenten, zorgverzekeraarsen huisartsen samenwerken om knelpunten op te lossen.Om het effect van de handreiking inzichtelijk te maken hebben debetrokken partijen op verzoek van de Minister van VWS een uitvraaggedaan onder hun leden of zij bekend zijn met de handreiking en wat zijervan vinden. De partijen laten weten dat een groot deel van de (onder-vraagde) leden bekend is met de handreiking en dat zij zich blijveninzetten om de bekendheid van de handreiking onder hun leden tevergroten. In hun feedback geven de leden van de LHV en InEen aan datzij behoefte hebben aan concretisering van de handreiking en oplossingen kst-33578-121ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1211 voor financiële knelpunten rondom huisvesting. In juli heeft de NZa denieuwe tarieven in de huisartsenzorg voor 2025 vastgesteld. In principedekken de tarieven de huisvestingskosten van huisartsenpraktijken. Inspecifieke gevallen kunnen financiële knelpunten echter een rol spelen bijhuisvestingsproblematiek.Daarom laat de Minister van VWS onderzoeken uitvoeren naar de aard enomvang van deze financiële knelpunten. Zoals eerder toegezegd wordt uwKamer over de uitkomsten hiervan geïnformeerd voor het einde van hetjaar. De Minister zal de informatie uit ledenpeiling van partijen en deverschillende onderzoeken naar de financiële knelpunten gebruiken om dehandreiking met betrokken partijen te actualiseren en te concretiseren.Stand van zaken bedrijfsketens in de huisartsenzorgZoals de voormalig Minister van VWS en Minister voor Medische Zorg inde Kamerbrief van 18 april hebben toegezegd1, informeert de Minister vanVWS u over de uitkomsten van de gesprekken met veldpartijen metbetrekking tot de aanbevelingen van toezichthouders IGJ en NZa over deopkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg2. De opkomst van(bedrijfs)ketens staat soms op gespannen voet met de kernwaarden vande huisartsenzorg en kan risico’s vormen voor de kwaliteit en toeganke-lijkheid van de huisartsenzorg.Situaties zoals bij Co-Med zijn zeer onwenselijk. Het leidt tot grote onrusten onzekerheid bij patiënten en mensen krijgen niet de toegang tot enkwaliteit van zorg die zij op dat moment nodig hebben. Daarom neemt deMinister van VWS maatregelen om te voorkomen dat dit soort situaties inde toekomst weer ontstaan. De aanbevelingen van NZa en IGJ in hetrapport over de opkomst van bedrijfsketens in de huisartsenzorg zijndaarbij het uitgangspunt. De Minister van VWS heeft met de beroeps-groep Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), het Nederlands HuisartsenGenootschap (NHG), Ineen, Zorgverzekeraars Nederland (ZN), Patiëntenfe-deratie, en het Zorginstituut concrete afspraken gemaakt hoe wijgezamenlijk uitvoering gaan geven aan aanbevelingen in het genoemderapport ten aanzien van kwaliteit van zorg, digitale zorg en regionalesamenwerking. De toezichthouders zullen daar waar nodig een toelichtinggeven op de aanbevelingen en kunnen aangeven wat er nodig is omtoezicht te kunnen houden op de kernwaarden.Genoemde partijen zullen samen met VWS werken aan concretevoorstellen hoe en op welke termijn de kernwaarden «persoonsgericht»en «continu» vertaald kunnen worden naar werkbare uitgangspuntenen/of veldnormen die de IGJ het in haar toezicht en zorgverzekeraars bijde zorginkoop kunnen gebruiken. De Minister verwacht eind dit jaar eenverkenning, inclusief een voorstel met een tijdpad hoe hieraan gevolgwordt gegeven. Daarnaast heeft de Minister conform de aanbeveling vanIGJ en NZa partijen gevraagd om in het voorjaar van 2025 met eenafwegingskader voor digitale huisartsenzorg te komen dat helderheidverschaft onder welke voorwaarden digitale zorg geleverd door de eigenhuisarts of door derden (niet zijnde de eigen huisarts), van meerwaardekan zijn of tijdelijk noodzakelijk is (bijvoorbeeld omdat geen fysiekehuisarts beschikbaar is). De Minister heeft het Zorginstituut bereidgevonden om vanuit hun expertise en wettelijke taak partijen bij ditproces te ondersteunen om tot concrete eindresultaten te komen.1Kamerstukken II 2023/24, 33 578, nr. 1162Kamerstukken II 2023/24, 33 578, nr. 114Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1212 Om regionale continuïteit van huisartsenzorg te garanderen, is goedesamenwerking noodzakelijk. Daarom zullen de partijen samen met VWSinventariseren hoe regionale verantwoordelijkheden voor toegankelijkheidscherper vastgelegd kunnen worden. Hierbij is aandacht voor de rol vande Regionale Huisartsen Organisatie (RHO), de zorgverzekeraar en deindividuele huisarts(enpraktijk). Omdat op dit punt al veel goedevoorbeelden bestaan, zullen partijen op verzoek van de Minister van VWSeen inventarisatie maken met good practices van acties die regionaalbijdragen aan de continuïteit van huisartsenzorg, inclusief de wijzewaarop deze gefinancierd kunnen worden. Dit moet niet alleen bijdragenaan kennisdeling in de rest van het land, maar ook helpen om regio’s aante spreken die dit soort best practices nog niet hebben ingevoerd. Dezeinventarisatie staat gepland voor het einde van dit jaar.In de eerste helft van 2025 zal de Minister van VWS met uw Kamer delenof en hoe normering van de kernwaarden mogelijk is, een afwegingskadergepaste inzet digitale zorg beschikbaar is en hoe regionale verantwoorde-lijkheden scherper vastgesteld kunnen worden.Wijziging in wetgevingParallel wordt er aan een wijziging van de Wet kwaliteit klachten engeschillen zorg (Wkkgz) gewerkt waarin aangescherpt wordt dat samen-werking in de regio met andere zorgaanbieders onderdeel moet zijn vangoede zorg.De Minister van VWS is met de NZa en de IGJ in gesprek over demogelijkheden die de toezichthouders zien om de aanbeveling over goedbestuur (deskundigheid bestuur, financiële bedrijfsvoering, financiëleratio’s) verder te onderbouwen en concretiseren.De aanbeveling over de zorgspecifieke fusietoets, waarbij geadviseerdwordt om een meer inhoudelijke beoordeling van fusies, wordt verderuitgewerkt. In de brief over marktwerking in de zorg3 zal de Minister haarvoornemens hierop met u delen. Met bovengenoemde acties omongewenste ketenvorming tegen te gaan, geeft de Minister invulling aande motie van de leden Hijink en Van den Berg4, die zij hiermee afdoet.Stand van zaken Co-MedIn dit onderdeel van de brief informeert de Minister van VWS uw Kamerover de stand van zaken van de afwikkeling van het faillissement vanCo-Med. Dit doet zij mede naar aanleiding van eerder door uw Kamergestelde vragen.Overdracht medische dossiers Co-MedUw Kamer heeft in het debat over de Verzamelwet gegevensverwerkingVWS I meerdere vragen gesteld over de overdracht van de medischedossiers in de afwikkeling van het faillissement van Co-Med en hethandelen van de curatoren hierbij. In het eerste faillissementsverslag vande curatoren van 12 september jl., hebben zij hierover ook een passageopgenomen5. Ten aanzien van de overdracht van de medische dossiers isvolgens de curatoren een onjuiste beeldvorming ontstaan, onder meer datcuratoren de medische dossiers als handelswaar zouden hebben gebruikt.Zij geven aan in het verslag dat dit pertinent onjuist is. Ook hebben wij de3Debat over de Regeringsverklaring van 4 juli jl.4Kamerstukken II 2022/23, 36 200 XVI, nr. 535https://insolventies.rechtspraak.nl/Services/VerslagenService/getPdf/03_lim_24_149_F_V_02Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1213 Inspectie voor Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) om een reactie gevraagd.De IGJ heeft laten weten dat met de opgelegde bestuursdwang de inzageen overdracht van de patiëntendossiers mogelijk gemaakt is voor denoodoplossing van de zorgverzekeraars6. Kort hierna ging Co-Med failliet.Daarna hebben de curatoren, die vanaf dat moment verantwoordelijkhiervoor werden, deze inzage en overdracht geborgd. En dat is tot opheden nog steeds het geval volgens de IGJ. De opgelegde bestuursdwangen alle andere maatregelen van de IGJ zijn inmiddels dan ookopgeheven7.Stand van zaken overdracht oud Co-Med praktijkenDe IGJ en de NZa houden de Minister van VWS nog steeds op de hoogtevan alle relevante ontwikkelingen bij de afhandeling van het faillissement.Het belangrijkste is dat alle (oud) Co-Med patiënten zo snel als mogelijkweer een vaste huisarts krijgen. Voor alle praktijken, met uitzondering vande praktijk in Bergen op Zoom, is er een structurele oplossing voorhandenofwel van kracht. In Bergen op Zoom is recent een passantenspreekuuropgestart door Huisartsencoöperatie West-Brabant. Hier kunnen depatiënten van Co-Med terecht met een zorgvraag. De NZa heeft latenweten dat zorgverzekeraars medio september gestart zijn met gesprekkenin Bergen op Zoom voor een structurele oplossing. De verwachting is datvoor 1 februari 2025 alle praktijken zijn overgedragen. Het is positief datbetrokken partijen adequaat en gezamenlijk hebben opgetreden ompatiënten zo snel mogelijk naar een nieuwe (tijdelijke of vaste) huisartsen-praktijk te helpen.Griepvaccinaties bij Co-MedCo-Med heeft nagelaten om, zoals gebruikelijk is begin juni, de griepvacci-naties te bestellen. De curatoren zijn, in samenwerking met de zorgverze-keraars, druk bezig om de griepvaccinatie voor (oud) Co-Med patiëntenmogelijk te maken. Dit is een behoorlijke organisatorische uitdaging maarheeft prioriteit van de betrokkenen. De IGJ heeft laten weten ervertrouwen in te hebben dat dit zal lukken. Hetzelfde geldt voor depneumokokkenvaccinaties die gepland staan voor dit najaar.EvaluatieToenmalig Minister voor Medische Zorg heeft in haar brief van 27 juni jl.laten weten het van groot belang te vinden om deze casus te evalueren enhieruit lessen te trekken voor de toekomst8. Ook de Minister van VWSonderschrijft dit belang. Zij is daarom momenteel samen met de IGJ enNZa deze evaluatie aan het vormgeven. De Minister zal de Kamerinformeren over de gekozen opzet en het tijdspad en uiteindelijk over deresultaten.Motie pijnbestrijding bij plaatsen van spiraalTot slot van het onderdeel «huisartsenzorg» in deze brief informeert deMinister van VWS u over de uitvoering van de motie van het lid Slagt-Tichelman9 over passende pijnbestrijding bij het plaatsen van een spiraalen het bevorderen van voorlichting/begeleiding hierbij. Het is belangrijkdat iedereen in Nederland goede zorg ontvangt gebaseerd op professi-6https://www.igj.nl/actueel/nieuws/2024/07/03/inzage-in-patientendossiers-co-med-mogelijk7https://www.igj.nl/actueel/nieuws/2024/09/18/alle-maatregelen-tegen-huisartsenorganisatie-co-med-beeindigd8Kamerstukken II 2023/24 33 578, nr. 1199Kamerstukken II 2023/24, 31 765, nr. 864Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1214 onele richtlijnen en kwaliteitsstandaarden. Dit geldt ook voor de zorgrondom het plaatsen van een spiraal. De Minister van VWS gaat niet overde manier waarop zorgverleners zorg verlenen voor zover het medisch-inhoudelijke overwegingen betreft. In het huidige zorgstelsel zijn deberoepsgroepen zelf verantwoordelijk voor de inhoud van zorg. Wel vindtde Minister het belangrijk dat beroepsgroepen bij het opstellen enactualiseren van richtlijnen aandacht hebben voor het perspectief van depatiënt en signalen uit de maatschappij. Daarom heeft zij, mede naaraanleiding van deze motie, het Nederlands Huisartsengenootschap (NHG)gevraagd om de signalen over pijn bij het plaatsen van een spiraal serieuste nemen. Het NHG heeft laten weten dat zij mede op basis van de recentesignalen hierover de NHG-standaard Anticonceptie gaan herzien. Het NHGzal op korte termijn met de herziening van de NHG-standaard Anticon-ceptie starten. De verwachting is dat de herziening van dezeNHG-standaard halverwege 2026 gereed is. Het NHG hanteert voor hetontwikkelen/herzien van richtlijnen een vaste werkwijze, waarbij verschil-lende fases doorlopen worden om te komen tot zorgvuldige richtlijnont-wikkeling. Voor de NHG-standaard Anticonceptie zal de werkgroep hetwetenschappelijk bewijs voor lokale pijnstillingsmethodes beoordelen eneen aanbeveling formuleren. NHG benadrukt dat bij het komen tot goedtoepasbare aanbevelingen ook andere factoren dan algehele kwaliteit vanhet wetenschappelijk bewijs een rol spelen, zoals de balans tussengewenste en ongewenste effecten van een interventie en waarden envoorkeuren van een patiënt.De Minister heeft het NHG daarnaast gevraagd om – vooruitlopend op deherziening – aandacht te hebben voor goede en begrijpelijke communi-catie over dit onderwerp richting vrouwen en huisartsen. Dit om vrouwendie overwegen een spiraal te laten plaatsen te helpen bij hun afwegingenen bij de voorbereiding op de plaatsing. Het NHG heeft aangegeven dat zijbegrijpelijke communicatie over dit onderwerp richting vrouwen enhuisartsen uitermate belangrijk vinden. Mede daarom betrekt het NHGook patiënten, bijvoorbeeld Stichting Ava, bij de herziening. Zij wordenbenaderd om knelpunten aan te leveren, en om commentaar te leveren opde conceptstandaard in de externe commentaarronde. Ook heeft het NHGhuisartsen reeds via een nieuwsbericht geïnformeerd over het belang vanbegrijpelijke communicatie, daarnaast zal in de herziening van deNHG-standaard Anticonceptie hier ook aandacht voor zijn.Met bovenstaande acties doet de Minister van VWS de motie van het lidSlagt-Tichelman af.WijkverplegingDoorontwikkeling bekostiging wijkverplegingIn april 2024 is de motie van de leden Joseph en Agema10 aangenomenom het registreren van cliëntprofielen niet meer te verplichten. Naaraanleiding hiervan heeft de Staatssecretaris LMZ op 16 oktober jl. de NZaeen aanwijzing11 gegeven om het experiment bekostiging wijkverplegingdoor te laten gaan met behoud van integrale prestaties en tarieven, maarzonder verplichting van registratie van cliëntprofielen. Het experiment zalnog steeds een looptijd houden tot en met 2028. Het is al bekend dat deintegrale prestaties tot minder administratieve lasten leiden dan de oudebekostiging met maximumtarieven voor verschillende losse prestaties. DeNZa blijft dit gedurende het experiment ook verder monitoren. Met het10Kamerstukken II 2023/24, 29 509, nr. 8011Kamerstukken II 2023/24, 23 235, nr. 243Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1215 vervallen van de cliëntprofielen, is de motie van het lid Dijk12 over hetafzien van de bekostiging via cliëntprofielen wanneer dit tot meeradministratieve lasten leidt afgedaan.Samen met het veld werken we aan de realisatie van de visie eerste-lijnszorg. De bekostiging van de wijkverpleging moet de rol van dewijkverpleging daarbij ondersteunen. Daarom zet de Staatssecretaris LMZde komende periode in op twee sporen. Ten eerste is zij in gesprek met deNZa en veldpartijen om te bezien onder welke voorwaarden de integraleprestaties uit het experiment na afloop van het experiment kunnenovergaan naar de reguliere bekostiging. Ten tweede onderzoekt zij of erextra stappen nodig zijn op het gebied van de bekostiging van dewijkverpleging om bij te dragen aan de beleidsdoelen in de eerste-lijnszorg. Hierover gaat de Staatssecretaris de komende periode metbetrokken veldpartijen en experts uit het veld in gesprek. Buurtzorg zal zijhierbij actief betrekken, waarmee zij uitvoering geeft aan de motieAgema13 over het betrekken van Buurtzorg. In de eerste helft van 2025 zaluw Kamer over de uitkomsten van deze gesprekken worden geïnfor-meerd.Paramedische zorgIn het Commissiedebat Zorgverzekeringsstelsel van 19 juni 2024(Kamerstuk 29 689, nr. 1265) zijn door uw Kamer onder andere vragengesteld over het Kwaliteitskader Fysiotherapie en Oefentherapie (Kwali-teitskader) en het kijken naar een bredere kosten-bateneffectiviteit(inclusief maatschappelijke effecten) van fysio- en oefentherapie in debasisverzekering. Deze vragen hebben betrekking op het traject «Naar eenpassende aanspraak fysio- en oefentherapie» (PAFOZ). Ook is gevraagdwat er gebeurd is met het kostenonderzoek paramedische zorg datuitgevoerd is in het kader van de bestuurlijke afspraken van 2019, enwaarom dit onderzoek niet in de praktijk wordt toegepast. De toenmaligeMinister voor medische zorg (MZ) heeft toegezegd op deze vragenschriftelijk terug te komen. Dat doet de Staatssecretaris LMZ hieronder.Daarnaast doet de Minister van VWS in deze passage een motie af overhet beoordelingskader dat gebruikt wordt door het Zorginstituut bijpakketbeoordelingen van de effectiviteit multidisciplinaire zorg.Het PAFOZ-trajectFysiotherapie en oefentherapie zitten gedeeltelijk in het basispakket vande zorgverzekering. Patiënten kunnen zich aanvullend verzekeren voorfysio- en oefentherapie die niet in de basisverzekering zitten. Op verzoekvan de toenmalige Minister van VWS onderzoekt het ZorginstituutNederland sinds 2021 hoe de vergoeding van eerstelijns fysio- enoefentherapie uit het basispakket passend vorm kan krijgen, en hoedaarmee voor patiënten de toegankelijkheid van deze zorg verbeterd kanworden.Eind 2024 levert het Zorginstituut het eindrapport van het PAFOZ-trajectop. Hierin is ook een budgetimpactanalyse en maatschappelijke impact-analyse opgenomen. Het rapport is in concept voorgelegd aan develdpartijen en hun reacties worden in het eindrapport betrokken. Overhet rapport en de reactie van de Staatssecretaris LMZ wordt uw Kamerbegin 2025 geïnformeerd.12Kamerstukken II 2022/23, 23 235, nr. 23813Kamerstukken II 2022/23, 23 235, nr. 237Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1216 Uw Kamer wordt daarbij ook geïnformeerd over de stand van zaken vanhet Kwaliteitskader. Het Kwaliteitskader maakt duidelijk welke kwaliteitpatiënten en zorgverzekeraars van (basisverzekerde) eerstelijns fysio- enoefentherapeutische zorg mogen verwachten, en dus ook welke kwaliteitfysio- en oefentherapeuten moeten leveren. In de brief van 7 juni 2024over «Ontwikkelingen fysiotherapie en oefentherapie»14 liet de toenmaligeMinister voor MZ uw Kamer weten dat het Kwaliteitskader niet door allebetrokken veldpartijen is geaccordeerd en daarom niet door de partijengezamenlijk kon worden aangeboden aan het Register van het Zorgin-stituut15. Het Zorginstituut heeft daarna een verkenning uitgevoerd onderde betrokken partijen. Daaruit blijkt dat er nog mogelijkheden zijn om hetKwaliteitskader gezamenlijk aan te bieden aan het Register. Hier voert hetZorginstituut gesprekken over met de veldpartijen. De StaatssecretarisLMZ volgt deze ontwikkelingen nauwgezet.Vraag kostenonderzoek en opvolgingHet kostenonderzoek paramedische zorg (uitgevoerd door GuptaStrategists) volgde uit de Bestuurlijke afspraken paramedische zorg2019–202216. Op basis van het kostenonderzoek paramedische zorg zijn in2020 door veldpartijen aanvullende bestuurlijke afspraken gemaakt overpassende en toekomstbestendige tariefontwikkeling, kwaliteit, innovatieen betaalbaarheid in de paramedische zorg. De conclusie was hierbij dater zowel aan de kant van zorgaanbieders als zorginkopers stappen gezetmoesten worden voor een eenduidige benadering van de kwaliteit eneffectiviteit van de geleverde zorg en daarbij passende prijsafspraken. Deafgelopen jaren hebben zorgverzekeraars gemiddeld hogere prijsaf-spraken gemaakt. Zoals eerder genoemd, is er op het vlak van kwaliteitdoor partijen gezamenlijk gewerkt aan de totstandkoming van hetKwaliteitskader.De NZa heeft weinig signalen dat op dit moment de zorgplicht in hetgedrang is en doet hier momenteel geen onderzoek naar. De Staatssecre-taris LMZ heeft wel richting de zorgverzekeraars aangegeven belang tehechten aan een toekomstbestendige paramedische sector en hierovergraag ook met hen en alle partijen in gesprek te blijven. In de beant-woording van de Kamervragen van het lid Dijk over het bericht «Fysiothe-rapeuten rennen het vak uit» en het onderzoek van Fysiovakbond FDV17heeft zij aangegeven in overleg te gaan met de NZa of het zinvol is omonderzoek te doen naar het functioneren van de markt voor fysiotherapieop de langere termijn. De Staatssecretaris is voornemens om ditmarktonderzoek met betrekking tot de paramedische zorg te doen. Dit zalmet de betrokken veldpartijen, en de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa),verder opgezet worden. De inzet is dat het marktonderzoek in het najaarvan 2025 bruikbare handvatten oplevert om de paramedische zorg in deeerste lijn verder te versterken.Met dit onderzoek en de toezegging over de uitgebreidere reactie op deverdere opvolging van het rapport PAFOZ, doet de Staatssecretaris detoezegging aan het lid Krul, zoals gedaan in het CommissiedebatZorgverzekeringsstelsel van 19 juni 2024, af.14Kamerstukken II 2023/24, 31 765, nr. 85315Het Register bevat een (digitaal) overzicht van kwaliteitsstandaarden dat goede zorg beschrijft,zoals een kwaliteitskader. Onder goede zorg wordt verstaan zorg van goede kwaliteit en vangoed niveau waarbij zorgaanbieders en zorgverleners handelen in overeenstemming met deop hen rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de professionele standaard en deKwaliteitsstandaarden. Op Zorginzicht vindt u alle kwaliteitsproducten opgenomen op hetRegister: Kwaliteitsinstrumenten | Zorginzicht.16Kamerstukken II 2018/19, 33 578, nr. 6717Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 2349Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1217 Beoordelen van multidisciplinaire zorgNaar aanleiding van de motie van het lid Tielen18 heeft de Minister vanVWS het Zorginstituut gesproken over het beoordelingskader dat gebruiktwordt bij het beoordelen van multidisciplinaire zorg (waaronder prehabili-tatie). Multidisciplinaire zorg is zorg waarbij zorgverleners van verschil-lende disciplines in overleg en met onderlinge samenhang zorg verlenenaan de patiënt. Multidisciplinaire zorg is dus meer dan alleen de optelsomvan de individuele monodisciplinaire onderdelen. Voor de duidelijkheidmerkt de Minister van VWS hierbij wel op dat het Zorginstituut zelf overde beoordelingskaders gaat. Dit is een eigen bevoegdheid van hetZorginstituut. VWS kan dit niet wijzigen.Het beoordelingskader is een uitwerking van het wettelijk criterium «standvan de wetenschap en praktijk». Dat betekent dat wordt getoetst of dezorg effectief is. De wijze van beoordelen is van toepassing op alle zorg,ook multidisciplinaire zorg. Het is mogelijk om de meerwaarde van demultidisciplinaire aanpak te vergelijken met de monodisciplinaire inzetvan individuele onderdelen.Het Zorginstituut ziet bij multidisciplinaire zorg dat vaak wordt gesteld datdeze vorm van zorg voor alle patiënten effectief zou zijn. Dit blijkt echter –bijvoorbeeld in het geval van prehabilitatie – lastig te bewijzen waardoorhet Zorginstituut deze zorg beoordeelt als niet effectief. Volgens hetZorginstituut is het bij multidisciplinaire behandelingen daarombelangrijk/nodig om eerst scherp in kaart te brengen voor welke specifiekesubgroepen de multidisciplinaire behandeling de meeste meerwaardeheeft. Naar verwachting zullen eventuele positieve effecten voor speci-fieke patiëntgroepen op deze manier sneller kunnen leiden tot eenpositieve beoordeling. Er is daarmee op dit moment geen aanleiding omhet Zorginstituut te verzoeken haar beoordelingskader op het gebied vanmultidisciplinaire zorg te herzien. De Minister van VWS doet hiermee dezemotie af.Eerstelijns apotheekzorgIedereen die medicijnen gebruikt moet kunnen rekenen op goedefarmaceutische zorg in de eerste lijn. De groep patiënten die veelverschillende medicijnen gebruikt neemt naar verwachting de komendejaren stevig toe. Gelijktijdig zien we ook problemen met de beschik-baarheid van medicijnen. Het zoeken naar (vervangende) medicatie en debegeleiding van patiënten vraagt veel van de eerstelijnszorg. Tenslottewillen we ook niet dat mensen onnodig medicijnen gebruiken en is hetnodig dat er voldoende aandacht is voor begeleiding bij juist medicijnge-bruik en minderen en stoppen van medicijnen. En de uitdagingen voor dearbeidsmarkt gelden ook in de apotheek. Allemaal vraagstukken diepatiënten, voorschrijvers, apothekers en zorgverzekeraars raken enwaarvoor de Minister van VWS samen met hen aan oplossingen werkt.Voortgang veldtraject extramurale farmaceutische zorgDe toename aan patiënten en de druk op de hele eerstelijnszorg makenhet noodzakelijk dat apothekers en hun team een belangrijkere rolinnemen als zorgverlener. Mensen kunnen tenslotte laagdrempelig enzonder afspraak bij hun apotheek terecht. Daarom werken we, VWS enbetrokken koepels19, naast de eerstelijnsvisie aan een apart traject voor de18Kamerstukken II 2023/24, 32 793, nr. 75119ASKA, FMS, KNMP, LHV, NApCo, NHG, NVZA, Optima Farma, Patiëntenfederatie Nederland,V&VN, ZNTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1218 eerstelijns apotheekzorg. Aan de hand van zeven onderwerpen maken weconcrete afspraken die ons voorbereiden op de uitdagingen die komen.Deze onderwerpen zijn samenwerking binnen de eerstelijn, samenwerkingtussen eerste- en tweedelijn, apotheekzorg voor kwetsbare groepen, de(on)mogelijkheden van online zorg, mogelijke verbeteringen in organi-satie van zorg en logistiek, de plek van preventie en leefstijl bijapotheekzorg, en hoe we meer impuls kunnen geven aan de farmaceu-tische zorg. De veldpartijen hebben onder leiding van VWS de eersteconcrete werkafspraken gemaakt. De komende maanden werken wij dooraan afspraken op de resterende onderwerpen. Daarbinnen is in iedergeval aandacht voor kwetsbare groepen, onder meer op basis van hetEindrapport Optimaliseren medicijngebruik bij ouderen dat de Kamereerder dit jaar heeft ontvangen20.De Minister van VWS heeft toegezegd om voor het eind van dit jaar deKamer te berichten over ontwikkelingen binnen de eerstelijnsapotheekzorg. In de komende maanden worden meer werkafspraken overeerstelijns apotheekzorg gemaakt die relevant zijn voor het totaalbeeld.Verder vindt de Minister het belangrijk meer inzicht te hebben in deontwikkelingen in de arbeidsmarktsituatie in de apotheek. We moetentenslotte weten of wat we vragen van de eerstelijns apotheekzorg ookuitvoerbaar is met de mensen die deze zorg aan en achter de balieleveren. Daar laat de Minister nu extra onderzoek naar doen. Daarbo-venop is inmiddels duidelijk dat op korte termijn het Onderzoek Medicatie-veiligheid wordt afgerond. Dit onderzoek bevat onderwerpen die zeerrelevant zijn voor de eerstelijns apotheekzorg.De bovengenoemde zeven onderwerpen vragen om een passendebekostiging. Dit sluit aan bij de wens van de Tweede Kamer21 om teonderzoeken hoe de bekostiging meer zorg in de apotheek mogelijk maaktnaast het verstrekken van medicijnen. De komende maanden gaat deMinister hier met de KNMP en ZN mee aan de slag. Om een completerbeeld te kunnen geven over de stand van zaken in de apotheekzorg wachtde Minister de voortgang op deze punten af en informeert zij uw Kamerdaarom volgend voorjaar.Tijdelijk verblijf en de specialist ouderengeneeskunde in de eerstelijnKwetsbare mensen hebben in de eerste lijn soms specialistischer zorgnodig dan de huisarts kan bieden. Sinds 2020 kan de specialist ouderen-geneeskunde ook vanuit de Zorgverzekeringswet in de eerste lijn wordeningezet. Er zijn al veel initiatieven waar de specialist ouderengeneeskunde(SO) wordt ingezet als patiënten lang thuis zorg nodig hebben. Insommige gevallen neemt de specialist ouderengeneeskunde zelfs de regieover van de huisarts.Hieronder informeert de Minister van VWS u over de uitvoering van tweemoties op dit gebied. In het commissiedebat ouderenzorg met uw Kamerop 16 oktober jl. zijn daarnaast vragen gesteld over de betaaltitels voor despecialist ouderengeneeskunde. Hierop zal na afstemming met de NZaworden teruggekomen in de Kamerbrief over het Programma Wonen,Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) die uw Kamer voor heteinde van het jaar ontvangt.20Kamerstukken II 2023/2024, 29 477, nr. 88821Kamerstukken II 2022/23, 36 343, nr. 6Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1219 Sterkere positie van de specialist ouderengeneeskunde in de eerste lijnOm de inzet van de SO nog beter mogelijk te maken, heeft de Neder-landse Zorgautoriteit (NZa) per 1 januari 2025 nieuwe betaaltitelsvastgesteld binnen de geneeskundige zorg voor specifieke patiënten(gzsp). Hierdoor is er betere afstemming mogelijk om aan te sluiten op dezorgbehoeften van patiënten met een complexe zorgvraag. De nieuwebetaaltitels stellen de specialist ouderengeneeskunde, samen met deandere betrokken zorgverleners zoals wijkverpleegkundigen en-verzorgenden, huisartsen en het netwerk van de patiënt, beter in staat ompassende zorg te leveren in de omgeving van de patiënt. Met de vastge-stelde regelgeving van de NZa doet de Minister van VWS de motie vanhet lid Sahla over de juiste bekostigingsvoorwaarden voor het leveren vanextramurale zorg af22.Structurele financiering voor innovatieve initiatieven die de zorgaantoonbaar beter en goedkoper makenTijdens het plenair debat over de woon- en zorgplannen voor ouderen op23 maart 2023 is door de leden Ellemeet (GroenLinks-PvdA) en Bevers(VVD) een motie ingediend waarin de regering wordt verzocht innovatieveinitiatieven, zoals de WijkKliniek in de Bijlmer en ouderenpraktijk in Velp,structureel te financieren als kan worden aangetoond dat deze initiatievende zorg verbeteren en goedkoper maken23. De Minister van VWSbeschrijft hieronder hoe uitvoering wordt gegeven aan deze motie.Achtereenvolgens gaat zij in op de bekostiging van de twee in de motiegenoemde initiatieven: «MESO» en «de Wijkkliniek».De Multidisciplinaire Eerstelijnsouderenzorg met een Specialist Ouderen-geneeskunde (MESO), zoals aangeboden binnen de ouderenpraktijk inVelp, kan per januari 2025 gebruik maken van twee nieuwe prestaties diede NZa in juli 2024 heeft vastgesteld voor de geneeskundige zorg voorspecifieke patiëntgroepen (gzsp). Hiermee is er na jaren van experiment-bekostiging nu een structurele bekostiging voor dit soort initiatieven: eenbelangrijk resultaat. Eén prestatie is voor een traject van drie maanden enéén prestatie voor een maandelijks vervolgtraject. Tot nu toe wordt deinzet van de specialist ouderengeneeskunde alleen per uur gedeclareerd.Met de twee nieuwe prestaties wordt de zorg tijdens de opstartfase perdrie maanden gedeclareerd en daarna vervolgd per maand. De structurelebekostiging voor de twee trajecten gaat per 1 januari 2025 in.De Wijkkliniek betreft tijdelijk verblijf voor ouderen die daar laag-complexe medisch specialistische zorg krijgen. Het is een voorbeeld vanzorg die tussen de eerste en tweede lijn in valt. De financiering van deWijkkliniek en soortgelijke initiatieven neemt de Minister van VWS mee ineen breder experiment dat is gericht op de bekostiging voor het tijdelijkverblijf. Tijdelijk verblijf omvat zorgvormen om kwetsbare mensen tijdelijkop te vangen, anders dan het ziekenhuis. In het bekostigingsexperimentworden het eerstelijnsverblijf (elv), de geriatrische revalidatiezorg (grz) enhet tijdelijk verblijf met laag complexe medisch-specialistische zorg, zoalsin de Wijkkliniek wordt geleverd, meegenomen. Doel van het experimentis om te verkennen of een nieuwe vorm van bekostigen beter aansluit opde praktijk en leidt tot zorg die beter aansluit op de behoefte van mensendan de huidige bekostiging. De Minister gaat de NZa een aanwijzinggeven voor dit experiment en stuurt u daaraan voorafgaand een brief metnadere toelichting op het experiment en de voorgenomen aanwijzing.22Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 75323Kamerstukken II 2022/23, 31 765, nr. 739Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 12110 Dit experiment vormt een belangrijke stap richting structurele bekostigingvoor innovatieve initiatieven zoals de Wijkkliniek. De experimentbekos-tiging gaat per 1 januari 2026 in. Maar alleen bekostiging is nog geengarantie dat dit soort innovatieve initiatieven vaker van de grond komen.Hiervoor is het ook van belang dat zorgverzekeraars deze initiatieven gaancontracteren. De Minister zal dit de komende periode goed volgen enwaar nodig aanvullende afspraken met het veld maken.Tot slotWij zetten ons in voor de versterking van de eerstelijnszorg. Een belangrijkdeel daarvan doen we via het verbeteren van de samenwerking. In debrief «versterking eerstelijnszorg» die uw Kamer tegelijkertijd met dezebrief heeft ontvangen, beschrijven wij hoe wij uitvoering geven aan deafspraken hierover in het hoofdlijnenakkoord, het regeerprogramma en debeleidsagenda.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,M-F. AgemaDe Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V. MaeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 12111
Gerelateerde bronnen
- De minister zegt toe de Kamer eind dit jaar een brief te sturen waarin zij nader ingaat op de vragen die de heer Krul heeft gesteld over fysiotherapie.
De minister zegt toe de Kamer eind dit jaar een brief te sturen waarin zij nader ingaat op de vragen die de heer Krul heeft gesteld over fysiotherapie.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.