KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 (Kamerstuk 21501-32-1792)

20 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 2a857e1f02eddbe5 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1810 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 20 mei 2026 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 13 mei2026 over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 26 mei2026 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1792).De vragen en opmerkingen zijn op 19 mei 2026 aan de Minister vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van20 mei 2026 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,SteenAdjunct-griffier van de commissie,Bosman kst-21501-32-1810ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18101 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deagenda van de formele Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Dezeleden willen in het bijzonder stilstaan bij het vraagstuk van de beschik-baarheid en betaalbaarheid van meststoffen, omdat dit vraagstuk naarhun oordeel niet alleen een economisch, maar ook een fundamenteelstrategisch karakter heeft. De Europese landbouw staat voor groteuitdagingen: klimaatverandering, biodiversiteitsverlies en geopolitiekespanningen ondermijnen op termijn de voedselzekerheid op onscontinent. De huidige prijsstijgingen van kunstmest, mede veroorzaaktdoor verstoringen in de energiemarkt en de handelsroutes rond de Straatvan Hormuz, laten zien hoe kwetsbaar ons voedselsysteem is wanneer hetsterk leunt op importen van buiten de Europese Unie (EU). Deze leden zijndan ook blij dat de Europese Commissie (EC) op 19 mei 2026 eenactieplan voor meststoffen heeft gepresenteerd en dat het kabinet werkmaakt van maatregelen om de directe problemen te verzachten. Tegelijkhopen zij dat dit moment ook wordt aangegrepen om de koers voor delangere termijn te bepalen.De leden van de D66-fractie vragen de Minister hoe hij het actieplan vande EC beoordeelt en in hoeverre de daarin opgenomen maatregelen, zoalssteun aan boeren, versterking van de Europese productie, precisie-landbouw en de ontwikkeling van biobased en lage-CO2-meststoffen,aansluiten bij de Nederlandse inzet. Deze leden vragen ook of de Ministervan mening is dat dit actieplan voldoende ambitie toont voor de middel-lange en lange termijn, of dat aanvullende stappen nodig zijn.AntwoordTen algemene sta ik positief tegenover het inzetten op precisielandbouwen biobased en circulaire meststoffen, zoals RENURE. Het actieplan vande Europese Commissie (hierna: Commissie) lijkt hiervoor concreteaangrijpingspunten te bieden. Het actieplan bevat daarnaast eenverscheidenheid aan maatregelen die diverse beleidsterreinen raken. Hetkabinet zal via het gangbare BNC-traject de Tweede Kamer op kortetermijn voorzien van een appreciatie.De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de discussie overeen mogelijke tijdelijke uitzondering op de Carbon Border AdjustmentMechanism (CBAM)-heffing voor geïmporteerde kunstmest. Deze ledenbegrijpen dat hoge inputkosten druk leggen op boeren, maar vragen deMinister hoe hij aankijkt tegen het risico dat een tijdelijke vrijstelling deprikkel wegneemt om te investeren in duurzamere alternatieven zoalsRenure en de Europese kunstmestindustrie te versterken. Welk effect heeftdeze vrijstelling op Europese kunstmestproducenten? Zij vragen voorts ofde Minister het voorstel van rapporteur Canfin in het Europees Parlement(EP) kent en hoe hij dit idee waardeert als mogelijke brug tussen klimaat-ambities en de bestaanszekerheid van boeren. Is de Minister het met dezeleden eens dat het terugvloeien van de gelden niet alleen direct naar hetboerenerf is, maar ook wordt ingezet om duurzamer alternatieven testimuleren, zoals meer grondgebonden landbouw?AntwoordOver de inzet van het kabinet is de Kamer door middel van een BNC-fichegeïnformeerd. Het kabinet bestudeert alle voorstellen vanuit het EuropeesParlement in deze onderhandelingen doorlopend in lijn met de inzet zoalsverwoord in het BNC-fiche. De Commissie heeft in haar voorstel voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18102 herziening van de CBAM-verordening een nieuwe clausule (artikel 27a)opgenomen, waarmee in het geval van uitzonderlijke en onvoorzieneomstandigheden een CBAM-goed tijdelijk kan worden uitgezonderd vanCBAM-heffingen. Het kabinet ziet dat de huidige discussie rondom hetCBAM en meststoffen tot onzekerheid leidt voor Europese kunstmestpro-ducenten en agrariërs, hoewel de voorgestelde CBAM-herziening(inclusief artikel 27a) zich momenteel nog in de onderhandelingsfasebevindt en nog niet van kracht is. Het kabinet is, conform de positie in hetBNC-fiche, geen voorstander van het voorgestelde artikel 27a en roept inEuropees verband op tot het schrappen ervan in de herziening.De leden van de D66-fractie wijzen erop dat Europa voor een aanzienlijkdeel afhankelijk is van import van kalium- en fosfaatmeststoffen uitRusland en Belarus en dat ook de afhankelijkheid van energie endiervoeder uit het buitenland de weerbaarheid van ons voedselsysteembeperkt. Deze leden vragen de Minister hoe hij deze geopolitiekekwetsbaarheid weegt in de Nederlandse inzet bij de Raad en welkeconcrete stappen Nederland bepleit om de strategische autonomie van deEU op het gebied van meststoffen te vergroten. Zij vragen ook of deMinister bereid is om bij de Raad te pleiten voor een ambitieuzerdiversificatiebeleid waarbij de EU actief inzet op alternatieve bronnen enhet verminderen van importafhankelijkheid op de lange termijn.AntwoordOm de afhankelijkheid van de import van kunstmestsoorten uit Belarus enRusland af te bouwen en de Europese strategische autonomie enproductiecapaciteit te borgen, heeft de Commissie reeds in 2025 hetvoorstel gedaan om importheffingen op te leggen voor deze goederen.Deze zijn sinds medio 2025 ook van kracht, waarbij de heffing in drie jaarstapsgewijs oploopt. Over de appreciatie van het kabinet van de maatre-gelen zoals opgenomen in het Actieplan Meststoffen zal de Kamer perBNC-fiche geïnformeerd worden. De Staatssecretaris van Landbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) werkt daarnaast mede inreactie op de geopolitieke situatie aan een Strategische Agenda Voedsel-zekerheid en zal de Kamer over de contouren daarvan voor de zomerinformeren. Hierin zal ook aandacht zijn voor de inzet op het verminderenvan strategische afhankelijkheden.De leden van de D66-fractie zijn ervan overtuigd dat de structureleoplossing voor de mestproblematiek, de geopolitieke kwetsbaarheid en deuitdagingen op natuur hand in hand gaat met de omschakeling naar eenmeer grondgebonden landbouw. Wanneer de hoeveelheid vee beter inbalans is met het eigen landareaal, verminderen niet alleen de uitstootvan stikstof en broeikasgassen, maar ook de afhankelijkheid van geïmpor-teerd diervoeder en kunstmest. Deze leden vragen de Minister hoe hij derelatie ziet tussen de kortetermijnmaatregelen rond mestbeschikbaarheiden de langetermijnambitie voor een grondgebonden landbouwsysteem.Zij vragen ook of de Minister van mening is dat het actieplan van de ECvoldoende aandacht besteedt aan deze structurele omslag, of dat hieraanvullend beleid voor nodig is.AntwoordInderdaad kan een meer grondgebonden landbouw een relevante manierzijn om de afhankelijk van externe inputs te verminderen. Tegelijkertijd zaler ook in een grondgebonden landbouwsysteem een rol weggelegd zijnvoor kunstmest, bijvoorbeeld uit voedselveiligheidsoverwegingen. Dediscussie over een meer grondgebonden landbouw is vooral in deNederlandse context relevant. Het Europese plan besteed daar minderaandacht aan. Om deze reden werkt het kabinet aan aanvullend beleidTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18103 door uiterlijk in 2032 een eenvoudige grondgebondenheidsnorm in tevoeren, zoals genoemd in het Coalitieakkoord.De leden van de D66-fractie willen in dit verband een concreet instrumentuitlichten, Renure: kunstmestvervangers geproduceerd uit dierlijke mest.Deze technologie biedt een aantrekkelijk perspectief, omdat zij tegelijk dedruk op de kunstmestmarkt vermindert, de kringloop van nutriënten sluiten de afhankelijkheid van geïmporteerde meststoffen terugdringt.Tegelijkertijd hebben deze leden ook zorgen bij het uitrollen van Renure,omdat dit alleen bijdraagt aan een grondgebonden kringlooplandbouw alsdit onder de juiste voorwaarden wordt toegepast. In tegenstelling totbijvoorbeeld kunstmest dat buiten de mestnorm valt. Deze leden vragende Minister of Renure een expliciete plek krijgt in het Europese actieplanvoor meststoffen en hoe de Europese regelgeving op dit punt zichontwikkelt. Zij hechten eraan dat de regelgeving voor Renure zodanigwordt vormgegeven dat het middel echt bijdraagt aan grondgebon-denheid en niet verworden tot een omweg om de mestoverschotproblematiek te verdoezelen. Zij vragen de Minister hoe hij borgt dat denormen voor RENURE streng genoeg zijn om dit te garanderen, maartegelijk voldoende werkbaar om innovatie en praktijkadoptie testimuleren.AntwoordRENURE heeft inderdaad een concrete plek gekregen in het ActieplanMeststoffen van de Commissie. Daarbij heeft de Commissie aangegevendat zij onderzoekt of bepaalde vormen van digestaat kunnen voldoen aande criteria. Mocht dit betekenen dat hiervoor technische aanpassingen vande Nitraatrichtlijn nodig zijn, dan zal de inzet van Nederland erop gerichtzijn dat dit gebeurt op een manier die recht doet aan zowel boer alsmilieu.De leden van de D66-fractie onderschrijven het belang van precisie-landbouw en innovatie als middelen om het gebruik van meststoffen teverminderen zonder de productiviteit te schaden. Nederland heeft op ditvlak een sterke kennispositie. Deze leden vragen de Minister op welkemanier Nederland deze expertise inbrengt in de Europese discussie overhet actieplan voor meststoffen en hoe hij borgt dat de Europese aanpakvoldoende ruimte biedt voor vernieuwing en de toepassing van biobasedalternatieven. Zij vragen tot slot of de Minister mogelijkheden ziet om debestaande kennis en technologie op het gebied van duurzame meststoffenen kringlooplandbouw beter te benutten als onderdeel van de Europesestrategie voor strategische autonomie en voedselzekerheid.AntwoordMet diverse lopende onderzoeksprojecten, zoals de Privaat-PubliekeSamenwerking (PPS) Reinventing Circular Dairy Farming, de PPSNitriNure en de PPS «Op weg naar circulaire en klimaatneutralemeststoffen» draagt Nederland bij aan het ontwikkelen van duurzamemeststoffen en het zoveel mogelijk sluiten van kringlopen. Ook op basisvan bestaande onderzoeksresultaten, zoals uit de pilot Mineralenconcen-traat en de Kunstmestvrije Achterhoek, kan het Europees beleid mogelijkworden versterkt. In de te voeren discussies over de implementatie vanhet actieplan voor meststoffen zal Nederland deze kennis zoveel mogelijkbenutten en onder de aandacht brengen bij de relevante partijen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukkenaangaande de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze ledenhebben hierover een aantal opmerkingen en vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18104 Europees mestbeleid, beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffenDe leden van de VVD-fractie zien dat Europese boeren opnieuw wordengeraakt door geopolitieke onrust en stijgende kosten. Waar eerder deenergiecrisis en de oorlog in Oekraïne tot forse kunstmestprijsstijgingenleidden, zorgen spanningen in het Midden-Oosten opnieuw vooronzekerheid over beschikbaarheid en betaalbaarheid van meststoffen.Tegelijkertijd staat op de agenda van de Landbouw- en Visserijraad hetEuropese actieplan voor meststoffen, gericht op ondersteuning vanlandbouwers en het versterken van veerkrachtige voedselsystemen.De leden van de VVD-fractie vinden dat Europa hier niet passief kantoekijken. Boeren moeten kunnen beschikken over betaalbare productie-middelen, zonder dat voedselproductie in Europa verder onder druk komtte staan. Strategische autonomie betekent immers ook voedselzekerheid.Daarom hebben deze leden de volgende vragen aan de Minister. Hoebeoordeelt de Minister de berichten dat de EC werkt aan aanvullendesteunmaatregelen om boeren te beschermen tegen oplopende kunstmest-prijzen? Welke opties liggen volgens de Minister op tafel en steuntNederland een gerichte Europese aanpak om prijsschokken op te vangen?Kan de Minister aangeven hoe het Europese actieplan concreet gaatbijdragen aan meer leveringszekerheid en lagere afhankelijkheid vaninstabiele externe markten voor kunstmestgrondstoffen? Wordt daarbijook gekeken naar het versterken van Europese productiecapaciteit?AntwoordHet Actieplan Meststoffen dat op 19 mei jl. door de Commissie isgepubliceerd, bevat een verscheidenheid aan maatregelen die diversebeleidsterreinen raken. Het kabinet zal via het gangbare BNC-traject deKamer op korte termijn voorzien van een nadere appreciatie.De leden van de VVD-fractie zien tegelijkertijd kansen in innovatie encirculariteit. Nederland heeft veel kennis op het gebied van hoogwaardigemestverwerking. Kan de Minister bevestigen dat Nederland in Brusselactief inzet op het sneller toelaten en opschalen van circulairemeststoffen, zoals onder andere Renure, als volwaardig alternatief voorkunstmest?AntwoordIk zet mij inderdaad in voor het beter mogelijk maken van het gebruik vancirculaire meststoffen. Een belangrijke stap daarin is de implementatievan de huidige mogelijkheden voor RENURE-meststoffen, waarvan deverwachting is dat deze rond de zomer afgerond zal zijn. Daarnaast wordtin het Actieplan Meststoffen de meerwaarde van het gebruik van meerRENURE-waardige meststoffen, bijvoorbeeld uit digestaat, benadrukt. Ikkijk uit naar de voorstellen van de Commissie om dit te bewerkstelligen.De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister de mening deelt datEuropese regelgeving innovatie nu te vaak belemmert, terwijl juistmodernisering en technologische ontwikkeling boeren weerbaarderkunnen maken. Kan de Minister daarnaast toezeggen dat bij de Neder-landse appreciatie van het Europese actieplan nadrukkelijk wordt gekekennaar zowel betaalbaarheid op de korte termijn als structurele versterkingvan de concurrentiekracht en strategische autonomie van de Europeselandbouw?AntwoordHet kabinet zal via het gangbare BNC-traject de Kamer op korte termijninformeren over de kabinetsappreciatie van het Actieplan Meststoffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18105 Hierin zal inderdaad ook worden ingegaan op de effecten van dit plan opzowel de betaalbaarheid, als de versterking van de concurrentiekracht enstrategische autonomie.Nieuwe Genomische Technieken (NGT’s)De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stand vanzaken rondom de Europese onderhandelingen over Nieuwe GenomischeTechnieken (NGT’s). Deze leden constateren dat de Europese Raad reedsgroen licht heeft gegeven op het onderhandelingscompromis en datbehandeling in het EP naar verwachting zal plaatsvinden tijdens deENVI-commissie van 1 tot en met 6 juni 2026 en de plenaire stemming van15 tot en met 18 juni 2026.De leden van de VVD-fractie onderstrepen het grote belang van innovatiebinnen de land- en tuinbouw, zeker in het licht van voedselzekerheid,weerbaarheid, verduurzaming en het toekomstige verdienvermogen vanNederland. Deze leden zien NGT’s als een belangrijke technologie omsneller en gerichter gewassen te ontwikkelen die beter bestand zijn tegenziekten, droogte en veranderende omstandigheden. Zij constaterentegelijkertijd dat op het onderhandelingscompromis verschillendeamendementen zijn ingediend die volgens betrokken sectorpartijenkunnen leiden tot aanzienlijke vertraging van het proces of zelfs hetstilvallen van het gehele voorstel. Zij vragen de Staatssecretaris om eenappreciatie van de huidige stand van zaken binnen het EP. Hoe beoordeeltde Staatssecretaris de risico’s voor vertraging of heropening van deonderhandelingen indien amendementen worden aangenomen?AntwoordIn de triloog over het voorstel over Nieuwe Genomische Technieken(NGTs) zijn het Voorzitterschap van de Raad en de rapporteur van hetEuropees Parlement tot een akkoord gekomen dat op meerderheden inbeide wetgevende organen kan rekenen. Aangezien op de voorliggendetekst een akkoord in de triloog is bereikt, ga ik ervan uit dat deNGT-verordening zonder amendementen zal worden aangenomen doorhet Europees Parlement.Daarnaast vragen deze leden welke gevolgen een langdurige vertraging ofmogelijke intrekking van het voorstel zou hebben voor de Nederlandseveredelingssector, de concurrentiepositie van Nederland en het Europeseinnovatieklimaat. De leden van de VVD-fractie lezen dat verschillendeamendementen zien op aanvullende verplichtingen rondom traceer-baarheid, etikettering, detectiemethoden en octrooiering. Deze ledenvragen de Staatssecretaris in hoeverre dergelijke aanvullende eisenvolgens het kabinet proportioneel, uitvoerbaar en werkbaar zijn voorveredelingsbedrijven en kennisinstellingen. Ook vragen deze leden hoe deStaatssecretaris aankijkt tegen amendementen die ertoe kunnen leidendat lidstaten aanvullende nationale maatregelen kunnen nemen rondomNGT’s. Acht de Staatssecretaris het wenselijk dat hierdoor opnieuwversnippering binnen de Europese interne markt ontstaat?AntwoordIk steun het akkoord uit het triloog en ben van mening dat daarmee eenproportioneel en uitvoerbaar wetgevend kader tot stand komt. Voortgangop het NGT-dossier is zeer van belang voor de internationale concurrentie-positie van de Nederlandse en Europese veredelingssector. Nederland zetzich hiervoor dan ook actief in de Raad voor in. De amendementen,waarover het Europees Parlement zich momenteel buigt, zetten deproportionaliteit en uitvoerbaarheid van de wetgeving onder druk. In hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18106 geval dat het Europees Parlement amendementen aanneemt, zal hetNGT-voorstel teruggaan naar de triloog.Aanvullende eisen rondom traceerbaarheid, etikettering, detectieme-thoden en octrooiering zetten de proportionaliteit van de wetgeving onderdruk en kunnen nu niet op mijn steun rekenen. Mijn inzet voor categorie 1NGT-planten is dat deze zo veel mogelijk op dezelfde manier gereguleerdworden als klassiek veredelde planten, aangezien deze planten ook metklassieke veredeling tot stand kunnen komen. Daarom vind ik dataanvullende nationale maatregelen voor categorie 1 NGT-planten nietproportioneel zijn. Aangezien categorie 2 NGT-planten onder de regel-geving voor genetisch gemodificeerde organismen (GGO’s) blijven vallen,zijn aanvullende nationale maatregelen voor categorie 2 NGT-planten welmogelijk.De leden van de VVD-fractie wijzen daarnaast op de breed aangenomenmotie-Den Hollander c.s. waarin het kabinet is verzocht te komen tot eenambitieuze innovatieagenda voor de tuinbouw-, zaadveredelings- enbiotechnologiesector (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 49). Deze leden zienvoortgang op het NGT-dossier als een belangrijk onderdeel daarvan. Zijvragen de Staatssecretaris daarom welke inzet het kabinet de komendeperiode richting het EP en andere lidstaten pleegt om voortgang op hetNGT-voorstel te ondersteunen en het belang van een werkbaar eninnovatievriendelijk Europees kader te onderstrepen.AntwoordNederland brengt het belang van een proportioneel wetgevend kader voorNGT-planten en het snel tot stand komen van de NGT-verordening actiefin Raadsvergaderingen en in bilaterale overleggen met andere lidstatennaar voren. Het Europees Parlement is echter een eigen wetgevendorgaan en mag een eigen afweging maken. Daarbij is het natuurlijk welvan belang dat het Europees Parlement waarde hecht aan het akkoord datis bereikt in de triloog.Visserijakkoorden met derde landenDe leden van de VVD-fractie onderstrepen het belang van een sterke entoekomstbestendige Nederlandse visserijsector. Deze leden vinden hetvan groot belang dat Nederlandse vissers kunnen blijven investeren ininnovatie, verduurzaming en efficiëntere vistechnieken. De pelagischevisserij is daar volgens deze leden een belangrijk voorbeeld van.Tegelijkertijd constateren zij dat innovatieve Nederlandse visserijme-thoden in Europees verband regelmatig onder druk staan, terwijlNederlandse vissers juist investeren in verduurzaming en lagere brand-stofkosten. Zij vragen de Staatssecretaris daarom op welke wijze hij zichin Europees verband inzet voor een gelijk speelveld en voor behoud vanruimte voor innovatieve en duurzame vistechnieken binnen de Neder-landse visserijsector.AntwoordDe Staatssecretaris zet onder andere bij de totstandkoming van nieuweregelgeving in het kader van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid in opeen gelijk speelveld tussen lidstaten en daarmee ook tussen vissers, daarwaar ze in dezelfde wateren actief zijn.Voor innovatie en duurzame vangsttechnieken is met name de TechnischeMaatregelen verordening een belangrijk kader. Nederland vraagt binnende diverse Europese gremia aandacht voor het mogelijk maken vannieuwe technieken om zo bij te dragen aan het toewerken naar eenduurzamere visserij.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18107 De leden van de VVD-fractie hebben daarnaast kennisgenomen van delopende onderhandelingen over de visserijakkoorden met Mauritanië enMarokko. Deze leden constateren dat de voorwaarden binnen hetpartnerschap met Mauritanië steeds verder onder druk staan, onder meerdoor afnemende vangstmogelijkheden, hoge operationele kosten enoneerlijke concurrentie met niet-EU-vloten. Ook constateren deze ledendat er nog weinig duidelijkheid bestaat over de voortgang van een nieuwakkoord met Marokko, terwijl dit van groot belang is voor de Nederlandsepelagische visserijsector. Zij vragen de Staatssecretaris daarom naar deactuele stand van zaken van de onderhandelingen met Mauritanië enMarokko. Welke inzet pleegt het kabinet in Brussel om te komen totwerkbare afspraken, eerlijke concurrentievoorwaarden en toekomstbe-stendige toegang voor de Nederlandse pelagische sector? Kan deStaatssecretaris daarnaast aangeven of hij mogelijkheden ziet om hetproces rondom een nieuw akkoord met Marokko actief te ondersteunen ofte versnellen?AntwoordDe onderhandelingen met Mauritanië en Marokko zijn twee verschillendeprocessen. Eerder is de inzet van het kabinet met de Kamer gedeeld(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1736). Het proces met Mauritanië loopt sinds hetbegin van dit jaar en het streven van de Commissie is om rond dezezomer een akkoord te kunnen sluiten. Een gelijk speelveld van deEU-visserij met andere vissende landen is essentieel om te komen tot eenwerkbaar akkoord. Er is intensief overleg met de Commissie en deNederlandse sector over deze onderhandelingen, met name ook over detoegang tot duurzame en toekomstbestendige quota.De Commissie en de betrokken lidstaten, waaronder dus Nederland,streven ernaar om nog voor de zomer een finaal voorstel bij de Mauri-taanse regering voor te leggen. De onderhandelingen met Marokko zijnnog niet begonnen, maar hebben de volle aandacht van het kabinet. Hetstreven is om rond de zomer voldoende duidelijkheid van de Marokkaanseregering te krijgen om de onderhandelingen snel te kunnen latenbeginnen. Nederland stelt alles in het werk om ook hier snel duurzame entoekomstbestendige afspraken te maken over de toegang tot en visserij-mogelijkheden in de Marokkaanse wateren.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda. Deze leden hebben vragen en opmerkingenhierover en dragen enkele diversenpunten aan over visserij.Verslag 3–5 meiDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn in beginsel kritisch over devereenvoudingsvoorstellen van de EC. Deze leden lezen dat enkele landenhebben opgeroepen om een Omnibusvoorstel voor de visserij tepresenteren. Zij horen graag meer over welke lidstaten dit bepleiten enwat volgens hen onderdeel zou moeten zijn van een dergelijk voorstel. Ditverbaast deze leden, omdat de evaluatie van het GemeenschappelijkVisserijbeleid (GVB) aangaf dat knelpunten vooral een probleem zijn metimplementatie of lagere regelgeving. Hoe kijkt het kabinet hiernaar? Dezeleden lezen dat Nederland de controleverordening aandroeg als mogelijkpunt om te vereenvoudigen. Kan het kabinet duidelijk uitleggen wat haarkritiek is op de controleverordening (en ander beleid wat volgens haar«simpeler» moet) en of het kabinet (impliciet) steun heeft uitgesprokenvoor een Omnibusvoorstel voor de visserij? Is het kabinet bereid om zichactief tegen de komt van een Omnibus voor visserij uit te spreken en voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18108 wezenlijke problemen in de bureaucratie te kijken naar hoe bestaandbeleid praktischer uitvoerbaar gemaakt kan worden, zonder het beleid ansich aan te passen? Deze leden wijzen erop dat vereenvoudiging nooit eendoel op zich is en niet ten koste mag gaan van publieke belangen zoalsgezondheid en dierenwelzijn.AntwoordZoals in het Coalitieakkoord is aangegeven, wil het kabinet aan de slagmet het vereenvoudigen van bestaande wet- en regelgeving. Dedoelstelling van het kabinet sluit aan bij de ambitie van de Commissie diebestaande administratieve lasten met 25% wil verminderen1. Hetopstellen van visserijwet- en regelgeving valt grotendeels onder deexclusieve competentie van de EU. Het kabinet zet daarom in ombestaande visserijwet- en regelgeving ten algemene te versimpelen enadministratieve lasten te verlichten zonder daarbij de ambities van hetGVB te versoepelen. Het vereenvoudigen van bestaande wet- enregelgeving moet als doel hebben om de uitvoerbaarheid, handhaaf-baarheid en proportionaliteit in de praktijk te verbeteren voor zowel devisserijsector als de uitvoerende diensten. Hierbij is de Controleveror-dening een van de onderdelen waarnaar gekeken kan worden, omdat deimplementatie van controlemaatregelen een grote impact heeft in depraktijk. Bij controlemaatregelen moet er goed gekeken worden welkegegevens er nodig zijn voor effectieve en efficiënte handhaving en nietenkel naar de technische mogelijkheden om gegevens te genereren.Nederland ziet onder andere mogelijkheden om het aanleveren vancontrolegegevens door de visserijsector te versimpelen en hiermee deadministratieve lasten voor zowel de vissers als de controlediensten teverlichten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat ook het grote aantalafwijzingen van eco-activiteiten is besproken met sectorvertegenwoor-digers. Welke boerenorganisaties zijn betrokken geweest? Deze ledenvragen zich af welke concrete uitkomsten dit gesprek had. Welke actiesvolgen voor het kabinet naar aanleiding van het gesprek? Welke nieuweinzichten heeft dit opgeleverd?AntwoordVertegenwoordigers van de Nederlandse land- en tuinbouw (LTO), deNederlandse Akkerbouw Vakbond (NAV), het Nederlands AgrarischJongeren Kontakt (NAJK) en een aantal bedrijfsadviseurs warenaanwezig. Tijdens deze gesprekken is uitleg gegeven over de werking vanhet Areaal Monitoring Systeem (AMS) en is een aantal casussen naarvoren gekomen waarin mogelijk sprake is van onjuiste beoordeling vaneco-activiteiten. Deze casussen zijn door RVO bekeken en naast de bij RVObeschikbare gegevens gelegd. Hieruit blijkt niet dat sprake is vanstructureel onjuiste beoordelingen door het AMS. De conclusie is dat hetAMS op zichzelf een goed functionerend systeem is. Er is bij de mense-lijke beoordeling aandacht nodig voor de doodgevroren gewassen.Tijdens het overleg is er door de sectorpartijen op gewezen dat tijdige engerichte communicatie via het AMS nodig is om boeren op de hoogte tehouden van hun subsidieaanvraag. Ik onderzoek samen met RVOmomenteel wat mogelijk is.Verslag 27 april 2026De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de grenzen voorinkomenssteun ter discussie lagen. Deze leden steunen de Nederlandseinzet wat betreft het gericht inzetten van inkomenssteun ter bevordering1028ce7d5-e328-4416-8f0d-35c8884acaa8_enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 18109 van publieke belangen en het halen van juridische doelen. Zoals ook in demotie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780) is gesteld, zijn dezeleden van mening dat de bandbreedte van inkomenssteun beperkt moetworden ten gunste van het bekostigen van ecosysteemdiensten. Echterlezen zij alleen dat de ondergrens van de inkomenssteun ter sprake isgekomen en niet de bovengrens ter discussie is gesteld. Hoe kijkt hetkabinet naar het beperken van beide kanten van de bandbreedte? Is dit inde Landbouw- en Visserijraad van 27 april 2026 ook ter sprake gekomenen zo ja, welke opvattingen bestonden hierover?AntwoordIn lijn met de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780) is inEuropees verband gesproken over het verlagen van de DABIS-bandbreedte wat betreft de inkomenssteun voor boeren. Daarbij heeftNederland in overleggen zowel de ondergrens benoemd als de boven-grens. Het naar beneden brengen van de bovenkant van de bandbreedteverplicht andere EU-lidstaten om de gelden aan andere GLB-instrumentente besteden. Het verlagen van de onderkant van de bandbreedte creëertde mogelijkheid voor lidstaten om gelden aan andere GLB-interventies uitte geven. Nederland zet zich voor beide doelen in en zoekt hierbijuiteraard naar coalities in Europees verband.In de afgelopen Raad is het verlagen van de bandbreedte kort en meer inalgemene zin besproken, maar in voorbereidende overleggen van de Raadis ook explicieter de bovengrens benoemd. Er zijn meer lidstaten naastNederland die vraagtekens stellen bij de bandbreedte. Zij doen dit vanuitverschillende motieven. Er zijn lidstaten die de ondergrens zouden willenverlagen, omdat dit bijdraagt aan flexibiliteit voor lidstaten om gelden inte zetten voor bijvoorbeeld verduurzaming, maar ook voor doelen alsplattelandsontwikkeling, innovatie en het lange termijn concurrentiever-mogen. Zij hebben bijvoorbeeld onvoldoende GLB-budget om het niveauvan 130 euro per hectare uit te kunnen betalen of er blijft dan te weiniggeld over voor andere GLB-interventies. Wat betreft de bovengrens van deDABIS-bandbreedte van 240 euro per hectare verloopt de discussieanders. Er zijn lidstaten die überhaupt geen plafond of beperkendevoorwaarden willen stellen aan de degressieve areaal gebondeninkomenssteun (DABIS) zoals degressiviteit, plafonnering en de DABIS-bandbreedte (130 tot 240 euro). Een enkele lidstaat vindt de bovenkantvan de bandbreedte te laag. Het merendeel van de lidstaten lijkt hetplafond van de DABIS-bandbreedte niet ter discussie te willen stellen.Nederland pleit voor een toekomstig GLB met voldoende gezamenlijkegroene ambitie en zal hierin de samenwerking opzoeken in Europeesverband.Geannoteerde agendaDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat de motie-Bromet/Podt (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1780 ) wordt ingebracht bij dezediscussie. Deze leden verzoeken het kabinet expliciet om zowel deondergrens als de bovengrens van de bandbreedte voor inkomenssteunter discussie te stellen. Verder vragen zij hoe deze motie verder wordtuitgevoerd en met welke lidstaten het kabinet hierin optrekt. Is er bredesteun voor dit voorstel, of hoe denkt het kabinet dat te kunnen vergaren?Volgens deze leden is dit nodig voor een Gemeenschappelijk Landbouw-beleid (GLB) dat effectief de doelen voor klimaat en natuur behaalt.AntwoordIn lijn met de motie-Bromet/Podt (Kamerstukken 21 501-32, nr. 1780) is erin Europees verband gesproken over het verlagen van de DABIS-bandbreedte wat betreft de inkomenssteun voor boeren. Nederland pleitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181010 voor een toekomstig GLB met voldoende gezamenlijke groene ambitie enzal hierin de samenwerking opzoeken in Europees verband.Diversenpunt: VisserijDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele opmer-kingen en vragen over de visserij. Deze leden verwijzen naar de uitspraakvan de rechtbank in Den Haag over onvergunde sleepnetvisserij op deDoggersbank (NRC, 11 mei 2026, «Zonder vergunning geen sleepnetvis-serij meer in een beschermd zeegebied», https://www.nrc.nl/nieuws/2026/05/11/zonder-vergunning-geen-sleepnetvisserij-meer-in-een-beschermd-zeegebied-a4927549 ). Deze leden zijn benieuwd hoe het kabinet op dezeuitspraak reageert en welke gevolgen de uitspraak heeft voor bodembe-roerende visserij die plaatsvindt op andere plekken in de Noordzee. Is hetkabinet bereid om, als vervolg op de uitspraak, de controle en handhavingop bodemberoerende visserij in beschermde gebieden te versterken? Hoereageert het kabinet op de uitspraak dat vissers voor «miljoenen» in hunjaaromzet geraakt worden door deze uitspraak? Graag ontvangen zij eenonderbouwing waaruit blijkt wat de economische waarde is van visserijop de Doggersbank.AntwoordHet kabinet beraadt zich op dit moment over de uitspraak en de mogelijkegevolgen en eventueel hoger beroep. De Kamer zal hier op een latermoment over worden geïnformeerd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen het kabinet om uit teleggen hoe zij de motie-Kostic´/Bromet (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1782)uitvoert. Ziet het kabinet ruimte om dit bij de Landbouw- en Visserijraad inte brengen? Welke specifieke acties neemt het kabinet om opvolging tegeven aan de motie?AntwoordDe Kamer zal vóór het Commissiedebat Visserij en Landbouw- enVisserijraad van 16 juni 2026 worden geïnformeerd over hoe de Staatsse-cretaris opvolging wil geven aan de motie-Kostic´/Bromet.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de stukkenaangaande de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze ledenhebben hierover een aantal opmerkingen en vragen.De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om dediscriminatie van schaalvergroting te stoppen. Grote bedrijven borgenonze voedselzekerheid en mogen niet worden afgestraft voor hunefficiency.AntwoordIn de voorstellen voor het nieuwe Gemeenschappelijk Landbouwbeleid(GLB) wordt voorgesteld om de basisinkomenssteun degressief toe tepassen. Dat wil zeggen dat er een afbouw in de steun zit als het aantalhectaren toeneemt. In de kabinetsappreciatie van het Commissievoorstel,zoals vastgelegd in het BNC-fiche, heeft het kabinet aangegeven ditvoorstel als positief te beoordelen, omdat het GLB hierdoor doelgerichterkan worden ingezet. Dit voorstel heeft een beperkt effect voor deNederlandse boeren. Lidstaten moeten inkomenssteun richten oplandbouwers die actief bijdragen aan voedselzekerheid en zich daarbijbeperken tot agrariërs wier primaire activiteit landbouw is. TegelijkertijdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181011 moeten lidstaten verzekeren dat kleine boeren met multifunctionelelandbouwbedrijven niet buitengesloten worden.De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om ervarenboeren niet uit te sluiten van steun. Het uitsluiten van pensioengerech-tigde boeren leidt tot het verdwijnen van landbouwgronden enproductiecapaciteit.AntwoordHet kabinet onderzoekt het voorstel voor het verplicht koppelen van depensioenleeftijd aan afbouw van de basisinkomenssteun en kijkt wat deimpact precies zal zijn voor de Nederlandse situatie en voor de betref-fende boeren. Het kabinet is kritisch omdat hiermee actieve boeren diezich volledig in blijven zetten voor de Nederlandse en Europese voedsel-zekerheid, na het behalen van de pensioengerechtigde leeftijd geen steunmeer kunnen ontvangen. Ik wil het definitieve standpunt mede latenafhangen van de uitwerking van de regelingen voor generatievernieuwingen van de verdere onderhandelingen over het landbouwdeel van hetMeerjarig Financieel Kader (MFK).De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is Renure perdirect te erkennen als kunstmestvervanger en de opschorting vanCBAM-heffingen om de kosten direct te verlagen.AntwoordBegin dit jaar is reeds een aanpassing van de Nitraatrichtlijn doorgevoerddie het mogelijk maakt enkele RENURE-producten boven de gebruiksnormvoor dierlijke mest toe te passen. Nederland werkt momenteel aan deimplementatie van deze wijziging, waarbij de verwachting is dat deze rondde zomer afgerond zal zijn. In het Actieplan Meststoffen heeft deCommissie aangekondigd verder te willen kijken naar bepaalde vormenvan digestaat die kunnen voldoen aan de RENURE-eisen. Het kabinet kijktuit naar de voorstellen van de Commissie op dit vlak.CBAM kan een belangrijke rol spelen bij de inzet op circulaire meststoffen,zoals de ontwikkeling van RENURE, en het efficiënter gebruik vannutriënten. De Commissie heeft in haar voorstel voor de herziening van deCBAM-verordening een nieuwe clausule (artikel 27a) opgenomen,waarmee in het geval van uitzonderlijke en onvoorziene omstandighedeneen CBAM-goed tijdelijk kan worden uitgezonderd van CBAM-heffingen.Het kabinet ziet dat de huidige discussie rondom het CBAM enmeststoffen tot onzekerheid leidt voor Europese kunstmestproducentenen agrariërs, hoewel de voorgestelde CBAM-herziening (inclusiefartikel 27a) zich momenteel in de onderhandelingsfase bevindt en nogniet van kracht is. Het kabinet is, conform de positie in het BNC-fiche,geen voorstander van het voorgestelde artikel 27a en roept in Europeesverband op tot het schrappen ervan in de herziening.De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is een einde temaken aan de Brusselse regelzucht. Dat de Minister zweeg over deadministratieve lasten van gewasbeschermingsmiddelen is een breuk methet belang van de sector. Wat deze leden betreft zou Nederland juist destrijd moeten aanvoeren tegen de afvinklijstjes uit Brussel.AntwoordIn het Coalitieakkoord staat dat het verminderen van regeldruk bij nieuwebeleidsvorming en bestaande regels, ook voor boeren en vissers, een vande prioriteiten van het kabinet is. Het kabinet zet in op werkbare nieuwenationale en Europese regelgeving voor boeren, vissers en andereondernemers in de agroketen. Het kabinet staat dan ook in beginselTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181012 positief tegenover het Omnibuspakket voedsel en diervoeder en onder-schrijft de doelstelling van vereenvoudiging, versnelling en harmonisatievan EU-regelgeving, zolang het beschermingsniveau voor mens, dier enmilieu wordt gehandhaafd. Door bij de ontwikkeling van nieuwe regelsvroegtijdig aandacht te besteden aan uitvoerbaarheid en regeldruk, wordtvoorkomen dat beleid dat bedoeld is om maatschappelijke doelen terealiseren in de praktijk leidt tot onnodige administratieve lasten ofcomplexe uitvoeringssituaties.De leden van de PVV-fractie vragen of het kabinet bereid is om onzenationale soevereiniteit te plaatsen boven sector overstijgende EUbemoeienis met betrekking tot ons landbeheer. Onze grond en onslandschap zijn van Nederland, niet van Brussel.AntwoordNederland is als EU-lidstaat in gezamenlijkheid verantwoordelijk voor hetin EU-verband vastgestelde beleid en nationaal verantwoordelijk voor deimplementatie daarvan op eigen grondgebied.De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister bereid is om kritisch teonderzoeken in hoeverre de huidige, zeer strikte normen voor waterkwa-liteit en het waterbeheer onbedoeld bijdragen aan het verdwijnen van denoodzakelijke leefomgeving voor vissoorten zoals de ansjovis. DeOosterschelde verliest door een gebrek aan brak water haar functie alspaaigebied. Erkent het kabinet dat het handhaven van dergelijke hogenormen in de toekomst kan leiden tot het verdwijnen van meer vissoortenen het definitief verloren gaan van eeuwenoud Nederlands visserij-erfgoed?AntwoordDe normen voor waterkwaliteit zijn de bevoegdheid van de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat. Ik zal deze vraag naar hem doorgeleiden.De leden van de PVV-fractie blijven strijden voor een sector die gewaar-deerd wordt om wat zij doet, het voeden van ons volk, zonder de knoetvan onnodige EU-dogma’s.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorde Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 en hebben hierover enkelevragen.De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de op 13 mei jongstleden gepresenteerde Uitvoeringsagenda van deWerktafel Visserij, waarmee concrete acties zijn vastgelegd voor eentoekomstbestendige visserij- en aquacultuursector. Is de Minister bereidde Kamer te informeren op welke wijze deze uitvoeringsagenda wordtbetrokken bij de Nederlandse inbreng in de Raad en hoe het kabinet inEuropees verband aandacht zal vragen voor voldoende ruimte voorinnovatieve en duurzame vangsttechnieken, in lijn met de ambities uit hetregeerakkoord?AntwoordDe uitvoeringsagenda bevat acties van alle bij de visserij betrokkenpartijen. Daarbij zijn ook enkele acties op Europees niveau. Dat betekentniet dat deze acties allemaal ingebracht moeten worden in de Raad. Hetkabinet zal in lijn met de ambities uit het regeerakkoord de actiesuitvoeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181013 De leden van de CDA-fractie constateren dat de EC de evaluatie van hetGVB voorbereidt. Het regeerakkoord benadrukt het belang van samen-werking met Noordzeelanden en duidelijke Europese regelgeving voor devisserijsector. Kan de Minister uiteenzetten welke positie Nederlandinneemt ten aanzien van een eventuele herziening van de GVB-basisver-ordening en deelt de Minister de opvatting van deze leden dat hetbestaande GVB-kader in de kern voldoende instrumenten bevat en dat deprioriteit moet liggen bij volledige en consequente uitvoering van hethuidige beleid, in plaats van een langdurig en onzeker herzieningstraject?AntwoordDe Commissie heeft begin deze maand de uitkomsten van de evaluatievan het Gemeenschappelijk Visserijbeleid (GVB) gepresenteerd. In deRaad van juni a.s. zal gesproken worden over deze evaluatie. De Staatsse-cretaris zal zijn inschatting van de GVB-evaluatie en de inzet ten aanzienvan het GVB op korte termijn met de Kamer delen.De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat het ActieplanMeststoffen op 19 mei wordt gepubliceerd. Kan de Minister toelichten inhoeverre het Actieplan Meststoffen concrete ruimte biedt voor deerkenning en opschaling van Renure als volwaardig alternatief voorkunstmest? Is de Minister bereid zich in de Raad hard te maken voor eensnellere Europese erkenning van Renure, zodat Nederlandse veehoudersen akkerbouwers hier op korte termijn van kunnen profiteren?AntwoordIn het Actieplan Meststoffen heeft de Commissie aangekondigd verder tewillen kijken naar bepaalde vormen van digestaat die kunnen voldoen aande RENURE-eisen. Ik kijk uit naar de voorstellen van de Commissie op ditvlak. Begin dit jaar is reeds een aanpassing van de Nitraatrichtlijndoorgevoerd die het mogelijk maakt enkele RENURE producten boven degebruiksnorm voor dierlijke mest toe te passen. Nederland werktmomenteel aan de implementatie van deze wijziging, waarbij deverwachting is dat deze rond de zomer afgerond zal zijn.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister of hij uiteen kan zettenhoe het aankijkt tegen de oproep vanuit delen van de Europese landbouw-sector om de CBAM-heffingen op geïmporteerde kunstmest tijdelijk op teschorten, mede in het licht van de hoge kosten voor boeren en deconcurrentiepositie van de Europese landbouw en is de Minister bereidzich in Europees verband in te zetten voor tijdelijke verlichting, zolang ernog geen gelijk speelveld bestaat voor Europese producenten enagrariërs.AntwoordNederland is een voorstander van het CBAM. Het is een cruciaalinstrument om de klimaatdoelstellingen te behalen en draagt bovendienbij aan het concurrentievermogen van de Europese én Nederlandseindustrie. Het CBAM creëert een gelijker speelveld tussen EU-lidstaten enderde landen en maakt tevens investeringen in verduurzaming aantrekke-lijker. Dit raakt ook aan de opgave om de Europese strategischeautonomie te versterken en risicovolle afhankelijkheden van derde landente beperken. Het is voor Nederland daarom belangrijk de integriteit vanhet CBAM te bewaken.Het kabinet begrijpt de zorgen voor de prijsstijgingen in de agrarischesector, inclusief de meststoffensector (waar reeds een tijdelijk verlaagdeCBAM-markup van 1% geldt). Het CBAM draagt er juist aan bij dat er eengelijk speelveld ontstaat en producenten een prikkel krijgen om teverduurzamen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181014 De Commissie heeft in het voorstel voor de herziening van deCBAM-verordening een nieuwe clausule (artikel 27a) opgenomen,waarmee in het geval van uitzonderlijke en onvoorziene omstandighedeneen CBAM-goed tijdelijk kan worden uitgezonderd van CBAM-heffingen.Het kabinet ziet dat de huidige discussie rondom het CBAM enmeststoffen tot onzekerheid leidt voor Europese kunstmestproducentenen agrariërs, hoewel de voorgestelde CBAM-herziening (inclusiefartikel 27a) zich momenteel in de onderhandelingsfase bevindt en nogniet van kracht is. Het kabinet is, conform de positie in het BNC-fiche,geen voorstander van het voorgestelde artikel 27a en roept in Europeesverband op tot het schrappen ervan in de herziening.De leden van de CDA-fractie zijn van mening dat een gelijk speelveldbinnen Europa een harde randvoorwaarde is voor een gezonde Neder-landse veehouderijsector. Is de Minister bereid zich er in de Raad voor inte zetten dat de EU Livestock Strategy gepaard gaat met afdwingbareEuropese minimumnormen voor dierenwelzijn, zodat Nederlandseveehouders niet worden benadeeld ten opzichte van concurrenten uitandere lidstaten of uit derde landen die aan lagere eisen hoeven tevoldoen, zodat er een gelijk speelveld wordt nagestreefd?AntwoordIn Europees verband is reeds inzet gepleegd om verbeteringen door tevoeren bij de voorgenomen herziening van de Europesedierenwelzijnswet- en regelgeving en om tegelijkertijd duidelijke,geharmoniseerde (minimum-)regels vast te stellen die zowel het welzijnvan dieren als de concurrentiepositie van onze veehouders ondersteunen.Ook gelijkwaardige minimum-dierenwelzijnseisen voor import vandierlijke producten uit derde landen zijn daarbij van belang. Nederlandheeft de Commissie al opgeroepen om bij de herziening van deEU-dierenwelzijnsregelgeving nadrukkelijk te kijken naar welke ten minstegelijkwaardige eisen kunnen worden gesteld aan geïmporteerdeproducten uit derde landen, met in achtneming van de regels van deWTO. Bovenstaande blijft punt van inzet.De leden van de CDA-fractie hechten grote waarde aan een inzet opstrategische autonomie en voedselzekerheid gezien de geopolitieksituatie. Is de Minister bereid zich er in Europees verband in het kader vande EU livestock strategy in te zetten voor een balans tussen enerzijdsverduurzamingsdoelen en anderzijds het behoud van voldoendeproductiecapaciteit binnen de Europese Unie, zodat de afhankelijkheid vanimport uit derde landen niet verder toeneemt en het verdienvermogenvan Europese boeren blijft behouden?AntwoordHet kabinet onderschrijft het belang van voedselzekerheid en openstrategische autonomie. De Staatssecretaris werkt mede in reactie op degeopolitieke situatie aan een Strategische Agenda Voedselzekerheid en zalde Kamer hierover voor de zomer informeren. Anderzijds staat de sectorvoor een belangrijke verduurzamingsopgave. Deze opgaven hoevenelkaar niet in de weg staan. Het kabinet zal in het BNC-fiche over de EULivestock Strategy het uiteindelijke voorstel appreciëren en daarin dezebeide belangen meenemen.De leden van de CDA-fractie wijzen erop dat de in de Handels- enSamenwerkingsovereenkomst met het Verenigd Koninkrijk (VK)afgesproken quotumoverdracht eind 2026 afloopt. Kan de Ministeraangeven wat de stand van zaken is van de onderhandelingen over devisserijafspraken met het VK na 2026 en hoe de Minister zich ervoor inzetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181015 dat de belangen van de Nederlandse visserijsector daarbij wordengeborgd?AntwoordEr is een politiek akkoord bereikt op de EU-VK-top van 19 mei 2025 overde verlenging van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst (HSO)voor wat betreft visserij. Hierbij is de toegang tot de wateren van het VKgecontinueerd; die zou verlopen in juni 2026. De EU en het VK hebben nuafgesproken dat de visserijbepalingen uit de HSO, waaronder de toegangvoor Europese vissers tot Britse wateren tot 30 juni 2038 verlengd zalworden, en ook zullen de huidige quotaverdelingen gehandhaafd blijventot die datum.De leden van de CDA-fractie maken zich zorgen over de toenemenderuimtedruk op de Noordzee als gevolg van onder meer de uitrol vanwindparken op zee. Het regeerakkoord benadrukt dat windmolens op zeenatuurversterkend worden gebouwd, met oog voor de visserij. Is deMinister bereid zich er in de Raad voor in te zetten dat bij de integraleNoordzeeaanpak, inclusief de uitvoering van de Natuurherstelveror-dening, voldoende ruimte voor de visserij behouden blijft en datmedegebruik van windparkgebieden door vissers actief wordt bevorderd?AntwoordMet het Programma Noordzee geeft het Rijk invulling aan onder anderehet Maritiem Ruimtelijk Plan. Dit verplichte programma op grond vanartikel 3.9 van de Omgevingswet organiseert de ruimtelijke ordening opde Noordzee en gaat over de integrale Noordzeeaanpak. Dat is dus geenbevoegdheid van de Raad. Het is de verwachting dat de Kamer begin 2027wordt geïnformeerd over het ontwerp van het PNZ 28-33.De leden van de CDA-fractie wijzen op de diesel- en CO2-afhankelijkheidvan de visserijsector. Deze leden wijzen in dat verband op het Deensemodel van een gefaseerde CO2-heffing op visserijbrandstoffen met eenhoog terugbetalingspercentage, bedoeld om ondernemers te prikkelen teinvesteren in zuiniger vistuig en motoren. Denemarken heeft dit modelvoor 2026–2028 opgeschort, mede omdat omliggende landen nietvolgden. Is de Minister bereid in de Raad te pleiten voor een gecoördi-neerde Europese CO2-prijsprikkel voor de visserij, zodat een gelijkspeelveld wordt geborgd en investeringen daadwerkelijk ten goedekomen aan verduurzaming? Hoe wil het kabinet de verduurzaming van devloot nationaal versnellen, in lijn met de Uitvoeringsagenda WerktafelVisserij?AntwoordHet Europese emissiehandelssysteem voor fossiele brandstoffen (ETS-2)is onderdeel van het Fit for 55-pakket en dient ertoe de uitstoot van CO2kosteneffectief te verminderen. Doordat de CO2-emissies in de betreffendesectoren onder een aflopend EU-breed emissieplafond moeten blijven,biedt het ETS-2 zekerheid dat de CO2-emissies in de EU afnemen endaarmee ook duidelijkheid voor consumenten en bedrijven. Het is aanlidstaten zelf om hier invulling aan te geven. De Kamer is op 15 april 2024geïnformeerd over het besluit van het kabinet om het Europese emissie-handelssysteem voor fossiele brandstoffen (ETS-2) uit te breiden via eenzo breed mogelijke opt-in (Kamerstuk 32 813, nr. 1374). Hierbij heeft hetkabinet aangegeven de visserijsector buiten het ETS-2 te laten wegensgebrek aan handelingsperspectief en Europeesrechtelijke beperkingen insubsidieverlening voor verduurzaming. Zoals aangegeven in de Visie opvoedsel uit zee en grote wateren en de bijbehorende uitvoeringsagendawordt ingezet op het toekomstbestendig maken van de vloot. Hiertoebehoort ook de inzet op brandstofbesparing en verduurzaming. Daarin zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181016 nog grote stappen te zetten. Om de visserij op de langere termijnweerbaarder en schokbestendiger te maken stelt de Staatssecretaris inseptember een energie-efficiëntieregeling voor de visserij open(Kamerstuk 36 933, nr. 1; en Kamerstuk 21 501-32, nr. 1795).Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vande stukken voor de Landbouw en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze ledenhebben hierover een aantal vragen en opmerkingen.De leden van de JA21-fractie begrijpen dat bij de vorige Landbouw enVisserijraad is gesproken over het GVB. Nederland benoemde ook dat erop evenwichtige wijze rekening moet worden gehouden met ecologischeen sociaaleconomische doelstellingen. Een aantal lidstaten gaf daarop aandat de ecosysteem-benadering op dit moment niet goed werkt en dat dezemeer in evenwicht moet zijn. Welke bezwaren zijn er precies tegen dieecosysteembenadering en op welke manier beoogt men daar meerevenwicht in te brengen?AntwoordDe Commissie heeft begin deze maand de uitkomst van de evaluatie vanhet GVB gepresenteerd. In de Raad van juni zal gesproken worden overdeze evaluatie. De Staatssecretaris zal zijn inzet op het GVB en deevaluatie op korte termijn met de Kamer delen, waarin ook dit punt zalworden meegenomen.Welke plannen zijn er om aquacultuur te stimuleren?AntwoordAquacultuur in den brede bestaat uit verschillende deelsectoren. In hetCoalitieakkoord zijn innovatieve vormen van aquacultuur (schelp- enschaaldieren en zeewier) als kansen benoemd voor een duurzamevisserijsector. Voor de kweek van zeewier wordt op dit moment door deStaatssecretaris gewerkt aan een beleidskader, dat hij voornemens is eindvan dit jaar met de Kamer te delen. Verder verkent de Staatssecretaris ofen welke verbredingsmogelijkheden er zijn voor landgebonden viskweek.Voor de schelpdierkweek is vooral ruimte in de kustzone belangrijk. HetRijk verkent momenteel kansrijke gebieden die eventueel gebruikt kunnenworden. Tot slot is later dit jaar voorzien in een openstelling van deinnovatieregeling voor de aquacultuur onder het European MairitimeFisheries and Aquaculture Fund (EMFAF).Op welke manier is bij die vorige raad de pulsvisserij aan de ordegekomen?AntwoordOp de Landbouw- en Visserijraad van jl. april is pulsvisserij niet aan deorde gekomen.Onlangs verscheen het onderzoek naar Klimaatimpact- en voedings-waarde van in Nederland geproduceerd en geconsumeerd voedsel uit zeeen de CO2 productie bij vis, maar daarin is een aantal belangrijkeNederlandse vissoorten niet onderzocht (Wageningen University andResearch, 2 maart 2026, «Klimaatimpact en voedingswaarde van voedseluit zee», https://open.overheid.nl/documenten/e549427f-5642-4443-9ff5-44675c3eeedb/file). Is de Minister van mening dat het goed is om dit ookte onderzoeken voor soorten als de paling, zeebaars, schelvis, wijting,kabeljauw en voor schelpdieren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181017 AntwoordIn het onderzoek naar de klimaatimpact van voedsel uit zee zijn de18 meest gegeten vissoorten – en dus niet alle soorten – onderzocht.Kabeljauw komt in het onderzoek aan bod, evenals zeebaars en schelp-dieren. Het onderzoek bevat een verantwoording van de onderzochtesoorten, zoals wijting. Ik vind het niet nodig om hiernaast nog anderesoorten zoals paling en schelvis te onderzoeken op klimaatimpact.De leden van de JA21 fractie vragen of de Minister de zorg deelt datBrusselse regels in de praktijk vernieuwing, veiligheid en verduurzamingvan vissersschepen kunnen blokkeren, terwijl het recente EU-rapporterkent dat de sector kampt met een verouderende vloot en hoge kosten.(Europese Commissie, 28 april 2026, «European Union’s fishing fleet:evolution, challenges and future», https://cinea.ec.Europa.eu/publications/digital-publications/study-european-unions-fishing-fleet-evolution-challenges-and-future_en). Hoe reageert de Minister op de bevindingen indat rapport?AntwoordDe Staatssecretaris heeft kennisgenomen van het rapport en vindt het vanbelang dat regelgeving uitvoerbaar en handhaafbaar is en geen belem-mering moet zijn voor de energietransitie. Het kabinet zet zich in voorvereenvoudiging. De Staatssecretaris heeft reeds aandacht gevraagd inBrussel voor het wegnemen van belemmeringen in regelgeving op hetgebied van de energietransitie. Zoals ook in de Visie voedsel uit zee engrote wateren en bijbehorende uitvoeringsagenda is verwoord, wordtingezet op het toekomstbestendig maken van de vloot.De leden van de JA21-fractie vragen de Minister wat hij verwacht tenaanzien van de stijging van de kunstmestprijzen als gevolg van hetgerommel in de straat van Hormuz voor het komende seizoen. Met welkeprijsstijgingen moeten boeren rekening houden?AntwoordIndien de blokkade van de Straat van Hormuz voortduurt, kunnen deprijzen van aardgas en daarmee stikstofkunstmest verder stijgen. De prijsvan stikstofkunstmest is direct gekoppeld aan die van aardgas. Mogelijkkan daarmee een situatie ontstaan waarin de productie in Nederland nietlanger rendabel is, zoals in 2022 kort is voorgekomen.2 Hiervoor moetende gasprijzen echter nog significant stijgen, ook ten opzichte van dewereldprijs van stikstofkunstmest uit andere landen. In de brief aan deTweede Kamer van 20 april 2026 heeft het kabinet uiteengezet wat deverwachting is ten aanzien van de gasprijs.3Zoals in die Kamerbrief isaangegeven, is de impact op prijzen en leveringszekerheid in Nederlandminder groot dan in 2022.De leden van de JA21-fractie vragen welk standpunt de Minister gaatbepleiten ten aanzien van CBAM en de invoering van CO2 belasting opmeststoffen en specifiek ten aanzien van de mogelijkheid voor de EC omsectoren uit te sluiten van de heffing. Welke bredere geopolitiekegevolgen voorziet de Minister hiervan met betrekking tot de beschik-baarheid van en handel in voedsel, en de effecten voor Nederland?AntwoordOver de inzet van het Kabinet is de Kamer door middel van een BNC-fichegeïnformeerd. De Commissie heeft in het voorstel voor de herziening van2https://nos.nl/artikel/2442901-steeds-meer-productie-wordt-stilgelegd-vanwege-de-hoge-energieprijs3Kamerstukken II, 2025–2026, 36 933, nr. 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181018 de CBAM-verordening een nieuwe clausule (artikel 27a) opgenomen,waarmee in het geval van uitzonderlijke en onvoorziene omstandighedeneen CBAM-goed tijdelijk kan worden uitgezonderd van CBAM-heffingen.Het kabinet ziet dat de huidige discussie rondom het CBAM enmeststoffen tot onzekerheid leidt voor Europese kunstmestproducentenen agrariërs, hoewel de voorgestelde CBAM-herziening (inclusiefartikel 27a) zich momenteel nog in de onderhandelingsfase bevindt ennog niet van kracht is. Het kabinet is, geen voorstander van het voorge-stelde artikel 27a en roept in Europees verband op tot het schrappenervan in de herziening, conform de positie in het BNC-fiche.Welke wetenschappelijke inzichten gaat het kabinet vanuit ten aanzien vande milieu- en klimaatgevolgen van het gebruik van kunstmest versusdierlijke mest voor de meest voorkomende Nederlandse bodemomstan-digheden, met betrekking tot de effecten op de kwaliteit van de boden, deecologische gevolgen en de CO2 uitstoot, mede gezien de hoeveelheidgas die voor de productie wordt gebruikt?AntwoordDe milieu- en klimaatgevolgen van het gebruik van kunstmest versusdierlijke mest zijn sterk contextafhankelijk. Ammoniakemissies zijn lagerbij (kunst)mestsoorten met een laag aandeel ammonium en een hoogaandeel nitraat en/of organisch gebonden stikstof, en bij (kunst)mest-soorten die goed in de bodem kunnen worden geïnjecteerd. Daarte-genover staat een hoger risico op nitraatuitspoeling naar het grondwaterbij hevige regen of mineralisatie van de organische stikstof buiten hetgroeiseizoen van het gewas.Wat betreft bredere effecten op de bodem kent (onbewerkte) dierlijke mestover het algemeen een hoger aandeel koolstof en organische stof, watpositieve effecten met zich brengt voor de bodem. Een vergelijking inCO2-uitstoot tussen dierlijke mest en kunstmest hangt af van in hoeverrede broeikasgasemissies uit de veehouderij worden toegeschreven aan deproductie van dierlijke mest en of bijvoorbeeld de kunstmest gebruikt bijproductie van het veevoer hier onderdeel van is.Is de Minister het eens met deze leden dat de meest eenvoudige manierom minder afhankelijk te worden van kunstmest is om meer dierlijke mestof Renure te gebruiken? Hoe beoordeelt de Minister het actieplan vanmeststoffen dat op 19 mei 2026 wordt gepresenteerd om de problemenmet betrekking tot de betaalbaarheid en beschikbaarheid van meststoffente beperken?AntwoordIk deel de opvatting dat het inzetten op het gebruik van RENURE eeneffectieve manier is om minder afhankelijk te worden van kunstmest. HetActieplan Meststoffen lijkt hiervoor concrete aangrijpingspunten tebieden. Daarnaast zie ik een rol voor bijvoorbeeld precisiebemesting, enook biologische landbouw kan een manier zijn om de afhankelijkheid vankunstmest te verminderen. Mocht de vraag zien op het gebruik vanonbewerkte dierlijke mest, dan zou dit een nieuwe derogatie op deNitraatrichtlijn vereisen. Hier zie ik, zoals eerder aan de Kamer gemeld(Kamerstuk 33 037, nr. 643), op dit moment geen ruimte voor. HetActieplan Meststoffen bevat daarnaast een verscheidenheid aan maatre-gelen die diverse beleidsterreinen raken. Het kabinet zal via het gangbareBNC-traject de Kamer op korte termijn voorzien van een nadereappreciatie.Welke mogelijkheden ziet de Minister om de inzet en productiecapaciteitvan Renure voor Nederland te versnellen en wat gaat hij daarvoor doen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181019 Wat is de stand van zaken van de plannen voor de subsidieregeling om deproductie van Renure op te schalen?AntwoordZoals vermeld in de brief van 8 april 2026 (Kamerstuk 33 037, nr. 643), ligtde regelgeving voor de nationale implementatie van de aanpassing vande Nitraatrichtlijn, die het mogelijk maakt RENURE te gebruiken, voornotificatie voor in Brussel. De verwachting is dat rond de zomer van 2026de regelgeving in werking zal treden en dat dan gestart kan worden methet gebruik van RENURE-meststoffen bovenop de norm dierlijke mest diegeldt vanuit de Nitraatrichtlijn (80 kg stikstof per hectare extra boven opde norm van 170 kg stikstof per hectare per jaar uit dierlijke mest).Om de productie van RENURE op te schalen wordt ook gewerkt aan eensubsidieregeling voor het opstarten van kleine installaties op veehouderij-bedrijven en voor grootschalige installaties voor mestverwaarding totRENURE-producten. Het is daarbij van belang stappen te zetten in destikstofproblematiek, zodat er voldoende ruimte ontstaat voor vergun-ningen voor deze installaties. Het kabinet heeft daarnaast extra middelenbeschikbaar gesteld om de afhankelijkheid van energie en kunstmest in deland- en tuinbouwsector te verminderen. Hierover is de Kamer in de briefvan 20 april 2026 (Kamerstuk 36 933, nr. 1) geïnformeerd.De leden van de JA21-fractie vragen welke mogelijkheden de Minister zietom, mede gezien de bevindingen van het recente rapport «De Neder-landse stikstofcrisis. Van verwarring naar verbinding», meer en snellerstappen te nemen om bodemkwaliteit van natuurgebieden te verbeterenen herstellen dor het toevoegen van calcium, kalium en magnesium (Roset al., maart 2026, «De Nederlandse stikstofcrisis. Van verwarring naarverbinding», https://edepot.wur.nl/711347)?AntwoordHet toevoegen van mineralen is een bekende experimentele maatregelom de ergste effecten van bodemverzuring door stikstof in natuurge-bieden tegen te gaan. Dergelijke maatregelen hebben echter ook nadelenen kunnen dus alleen met zorgvuldig onderzoek en maatwerk wordentoegepast. Het vormt geen alternatief voor het verminderen vanstikstofdepositie.Vragen en opmerkingen van de leden van de FvD-fractieDe leden van de FvD-fractie hebben kennisgenomen van de stukkenaangaande de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze ledenhebben hierover een aantal opmerkingen en vragen. Klopt het dat erresiduen van gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland niet zijntoegestaan, worden gevonden op geïmporteerd voedsel (Institut Veblen,april 2026, «Residues of pesticides banned in the EU in imported food:ending a dangerous and unjust double standard», https://www.veblen-institute.org/Residues-of-pesticides-banned-in-the-EU-in-imported-food-ending-a-dangerous-and.html)? Waarom kiest het kabinet ervoor om in testemmen met strengere regels voor gewasbeschermingsmiddelen in deEU en daarmee Nederland en tegelijkertijd ook in te stemmen met importvanuit niet-EU landen waarin deze strengere regels niet gelden?AntwoordHet kan kloppen dat er residuen op geïmporteerd voedsel wordengevonden van gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland niet zijntoegestaan. Wanneer een stof of middel niet is toegestaan binnen de EU,worden zeer strenge eisen gesteld aan de residuen van deze stof oplevensmiddelen, de zogenaamde maximale residu limiet (MRL). Derdelanden kunnen bij het produceren van levensmiddelen afwijkendeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181020 landbouwpraktijken gebruiken, waarbij het gebruik van gewasbescher-mingsmiddelen resulteert in residuen die in aard of in hoeveelheidafwijken van die welke het gevolg zijn van legale toepassingen in de EU.Derde landen kunnen, als de landbouwkundige praktijk in dat derde landtot een ander residuniveau leidt, bij de Europese Commissie verzoekenindienen voor aanpassingen vanop deze strenge MRL’s, (zogenaamdeimporttoleranties). Een importtolerantie wordt toegekend als uit risico-analyse blijkt dat de residuen van de gebruikte stof geen risico voor devoedselveiligheid opleveren.De leden van de FvD-fractie vragen verder of de Staatssecretaris zich bijde Landbouw- en Visserijraad in gaat zetten, gebaseerd op de aange-nomen motie-Russcher/Van Duijvenvoorde (Kamerstuk 21 501-32nr. 1773), om de EU vast te laten houden aan het historische aandeel vancirca 23 procent in de makreelvangst.AntwoordDe Staatssecretaris zal zich inderdaad inzetten voor het behoud van hethistorisch aandeel. Overigens is dit nu ook de basis geweest bij de voordit jaar definitieve vaststelling van het EU-deel in de totale Atlantischevangstmogelijkheden (TAC) voor makreel (Raadsverordening 2026/786van 30 maart 2026).Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieVisserijDe leden van de BBB-fractie hebben de geannoteerde agenda voor deLandbouw- en Visserijraad (mei) met interesse gelezen en hebbendaarover enkele vragen.De leden van de BBB-fractie merken op dat in de motie-Van der Plas(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1770) is opgeroepen om in gesprek te gaan metde sector om tot alternatieven te komen voor de aanlandplicht en vragenhoe het staat met de uitvoering van de motie en welke concrete stappenhierin inmiddels zijn gezet?AntwoordHet kabinet ziet een registratieplicht als mogelijk alternatief op deaanlandplicht. Om hier invulling aan te geven werkt het kabinet samenmet onderzoekers van Wageningen Marine Research (WMR), WageningenPlant Research (WPR) en Wageningen Universiteit (WU) en sectorverte-genwoordigers aan de doorontwikkeling van Fully Documented Fisheries(FDF). FDF lijkt een zeer kansrijke innovatie die kan dienen als eenmogelijk en werkbaar alternatief voor de huidige aanlandplicht, in lijn metde motie-Van der Plas. Binnenkort ontvangt de Kamer een routekaart overhet lopende FDF-onderzoek, de gebruiksmogelijkheden en de eventuelebenodigde stappen in de doorontwikkeling van dit systeem om te komentot een alternatief voor de aanlandplicht.De leden van de BBB-fractie vragen of het klopt dat het voornemenbestaat om de schoolbox formeel op te heffen en wat hiervan deonderliggende redenen zijn.AntwoordIn het Noordzeeakkoord is de afspraak gemaakt om de geldende visserij-beperkingen in het Nederlandse deel van de scholbox op te heffen. Dezeafspraak is op verzoek van de Nederlandse visserijsector opgenomen inhet Noordzeeakkoord. Voor het daadwerkelijk opheffen van de geldendebeperkingen in het Nederlandse deel van de scholbox is instemming vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181021 alle Noordzee-lidstaten nodig. Dit vergt een internationaal proces, datmomenteel loopt.De leden van de BBB-fractie vragen in hoeverre er in het verledenonderzoek is gedaan naar de houting populatie in Nederland en specifiekin het IJsselmeer en wat de meest recente stand van deze populatie is. Deleden van de BBB-fractie vragen voorts of de uitkomsten van dit recentevis onderzoek ook zijn of worden gedeeld met het Voedingscentrum.AntwoordHouting maakt onderdeel uit van de monitoringsprogramma’s voorvissen. De soort komt buiten het IJsselmeergebied beperkt voor alstrekvispopulatie tussen mariene wateren en zoete wateren. Specifiek ophet IJsselmeer is een grotere houtingpopulatie aanwezig diewaarschijnlijk niet tussen mariene wateren en het zoete water migreert.De omvang van deze populatie wordt jaarlijks gemonitord in dezogenaamde A-toomkuil bemonstering op het IJsselmeer. Deze laat ziendat houting vooral op het IJsselmeer wordt aangetroffen en minder op hetMarkermeer. De aantallen zijn daarbij over de afgelopen jaren stabiel,waarbij de laatste jaren wel sprake is van een afname in de aantallenjonge houting. De uitkomsten hiervan worden niet gedeeld met hetVoedingscentrum. Houting heeft een beschermde status onder bijlage IIvan de Habitatrichtlijn en is in lijn daarmee ook beschermd onder deVisserijwet waar een jaarrond terugzetverplichting voor deze soort geldt.De soort mag daarmee dus niet voor verhandeling en consumptie wordenaangeleverd.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om met eenconcreet tijdpad en duidelijke data te komen voor de uitvoering van debrandstofsteun voor de visserij, zodat de sector eindelijk weet waar zij aantoe is conform de toezegging in het vorige debat over de Landbouw- enVisserijraad. De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretariswaarom de passieve visserij niet wordt meegenomen in de regeling voorbrandstofsteun, terwijl ook deze sector te maken heeft met hoge kosten.AntwoordZoals aangekondigd in de Kamerbrief Energie-efficiëntieregeling visserijen steunmaatregel conflict in het Midden-Oosten (Kamerstuk 21 501-32,nr.1795) en in overeenstemming met motie-Flach c.s. (Kamerstuk 23 432,nr. 713), werkt de Staatssecretaris met spoed een steunmaatregel onderhet EMFAF uit voor de gestegen bedrijfskosten van de visserij ten gevolgevan het conflict in het Midden-Oosten. De regeling zal met terugwerkendekracht betrekking hebben op de periode vanaf het ingaan van het conflictin het Midden-Oosten (28 februari 2026) tot en met de openstelling van deenergie-efficiëntieregeling eind september. Onderdeel van de uitwerkingis welke doelgroep in aanmerking komt. De Staatssecretaris zal de Kamerspoedig nader informeren.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om zo snelmogelijk in gesprek te gaan met Rijkswaterstaat en de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat (I&W) over de nieuwe concept-beheer-plannen voor de Waddenzee en de grote gesloten gebieden daarin. Deleden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe de nieuwegesloten gebieden van de concept beheerplannen zich verhouden totbestaande afspraken uit onder andere het mosselconvenant en hethandkokkelconvenant. De leden van de BBB-fractie vragen de Ministerhoe wordt voorkomen dat beheerplannen gebaseerd worden op theore-tische referentiewaarden die onnatuurlijk hoog zijn vastgesteld. Waarwordt op dit moment een onafhankelijke review op wordt uitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181022 AntwoordOp ambtelijk niveau vinden er al gesprekken plaats met het Ministerie vanInfrastructuur en Waterstaat en Rijkswaterstaat (RWS) over de actuali-sering van de beheerplannen voor onder meer de Waddenzee. Bij hetnemen van maatregelen, waaronder het zoeken naar eventueel extra tesluiten gebieden voor bodemberoerende visserij, zal rekening wordengehouden met de afspraken uit het mosselconvenant en het handkokkel-convenant. De beheerplannen worden gebaseerd op de best beschikbarewetenschappelijke kennis. De volgende stap is dat RWS een aantalonderzoeksalternatieven met daarin een pakket aan beheermaatregelen ineen plan-MER laat toetsen. De definitieve keuze wordt dus nu nog nietgemaakt en de resultaten van een onafhankelijke review kunnen dus nogmeegenomen worden bij de definitieve keuze. De keuze voor de maatre-gelen zal worden gemaakt door de Minister en Staatssecretaris van LVVN.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris of vogelonder-zoekers kunnen meevaren op kotters om in de praktijk te onderzoeken watde daadwerkelijke effecten van visserij op vogelsoorten en leefgebiedenzijn in plaats van model aannamen te gebruiken.AntwoordIn het kader van de Toekomstvisie garnalenvisserij werkt de Staatssecre-taris, samen met WMR, aan een onderzoeksagenda. Onderdeel van dezeagenda is meer kennis te verzamelen over het gedrag van de zwartezee-eend. De Staatssecretaris zet erop in om met behulp van dronesbepaalde praktijksituaties te kunnen monitoren. Mocht het toch nodig zijnonderzoekers te laten meevaren op kotters om de effecten van de visserijop vogelsoorten nog beter in kaart te brengen, dan zal de Staatssecretarisdat zeker mogelijk maken.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij zich ervoorgaat inzetten dat de positieve inzichten over maritieme eiwitten daadwer-kelijk landen in toekomstige voedingsadviezen.AntwoordHet kabinet vindt het belangrijk dat meer Nederlanders vaker vis op hetmenu zetten. In de Uitvoeringsagenda van de Visie voedsel uit zee engrote wateren zijn concrete acties voor voedsel uit zee opgenomen zoalshet opstellen van een narratief voor vis, schaal- en schelpdieren met hetdoel dat meer Nederlanders ten minste één keer per week duurzame viszullen eten en marien voedsel een aantrekkelijk onderdeel is van devoedselomgeving (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1793). De wetenschappelijkegezondheidsadviezen worden opgesteld door de Gezondheidsraad.Inhoudelijk is de Rijksoverheid hier niet bij betrokken.De leden van de BBB-fractie vragen de Minister wanneer de nieuwewetgeving voor de rivierkreeftvisserij eindelijk naar de Kamer wordtgestuurd, aangezien de consultatie al in januari is afgerond.AntwoordDe aangekondigde nieuwe regelgeving om het gebruik van selectieverivierkreeftvistuigen verbreed toe te staan aan waterschappen en andereoverheden heeft betrekking op een wijziging van het Reglement voor deBinnenvisserij (algemene maatregel van bestuur (AMvB)) en eenbijbehorende uitwerking in de Uitvoeringsregeling Visserij. De betreffenderegelgeving is inmiddels in internetconsultatie geweest. De reactieshierop worden op dit moment verwerkt. Daarna kan de regelgevingworden voorgelegd aan de Raad van State ter advisering. DezeAMvB-wijziging kent geen voor- of nahangprocedure en hoeft derhalveniet in de Kamer te worden vastgesteld. Het streven is dat de regelgevingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181023 na de nog noodzakelijke procedurestappen per medio volgend jaar inwerking zal treden.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om met deMinister van I&W en vertegenwoordigers uit de sector in gesprek te gaanover de toenemende frequentie van controles op vissersschepen. Hoewordt gewaarborgd dat controles binnen de visserij rationeel en proporti-oneel blijven?AntwoordHet toezicht op zee is erop gericht om illegale visserij tegen te gaan, denaleving van visserijwet- en regelgeving te waarborgen en het gelijkespeelveld tussen Nederlandse en Europese vissers te bewaken. InNederland is de NVWA verantwoordelijk voor de uitvoering van decontroles op zee door middel van fysieke controles met inspectievaar-tuigen en luchtwaarnemingen en toezicht op afstand met bijvoorbeeldlocatiebepaling door VMS-systemen. De NVWA werkt hierbij samen metde controleautoriteiten van andere EU-lidstaten en neemt deel aan JointDeployment Plans onder coördinatie van het Europees Bureau voorVisserijcontroles (EFCA). De controles op zee worden risico-gebaseerdingericht op basis van Europese wetgeving waarbij proportionaliteit enuitvoerbaarheid worden afgewogen tegen de mogelijke risico’s opniet-naleving van wet- en regelgeving. Tussen de visserijsector, de NVWAen LVVN is structureel overleg om diverse aandachtspunten uit dedagelijkse praktijk van de controle en handhaving van de visserijsector enmogelijke toekomstige ontwikkelingen te bespreken. Indien nodig kunnensignalen doorgegeven worden aan andere overheidsdiensten.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris hoe hij ervoor gaatzorgen dat economie en sociale belangen binnen het GVB weer beter inbalans worden gebracht.AntwoordDe Staatssecretaris zet zich in voor een goed functionerend GVB, inclusiefeen balans tussen de drie pijlers (ecologisch, economisch en sociaal).Hieraan geeft de Staatssecretaris uitvoering door middel van zijn inzet inEuropees verband maar ook via de onlangs met uw kamer gedeeldeUitvoeringsagenda voor de Visie voedsel uit zee en grote wateren.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris welke concretemaatregelen hij ziet om bureaucratie binnen het GVB te verminderen enhet toekomstperspectief voor jonge vissers te verbeteren.AntwoordOp dit moment is er nog geen sprake van een herziening van het GVB.Mocht hier in de toekomst sprake van zijn dan zet de Staatssecretaris zichin voor een goed functionerend GVB, waarbij onnodige bureaucratiezoveel mogelijk moet worden vermeden. Via allerlei verschillendetrajecten zet de Staatssecretaris zich in voor het verbeteren van hettoekomstperspectief voor jonge vissers, zoals bijvoorbeeld met deonlangs met de Kamer gedeelde Uitvoeringsagenda. De daarinopgenomen acties dragen alle bij aan een toekomstbestendige duurzamevisserij.LandbouwDe leden van de BBB-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgenvan de huidige instabiele geopolitieke situatie. Deze leden zijn verheugdom te lezen dat het mestactieplan door de EC bekend gemaakt zal worden.Zij willen in dat licht nogmaals benadrukken dat op dit moment de situatieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181024 bestaat dat door strenge regels dierlijke mest verplicht vervangen wordtdoor kunstmest. Op dit moment wordt van de toegestane stikstofgift eenbeperkt deel stikstof uit dierlijke mest toegestaan. Het overige aandeelwordt dus verplicht als kunstmest gegeven. Hoewel de ruimte voorgebruik van kunstmest moet blijven bestaan voor die gewassen ofmomenten van toedienen waar dierlijke vaste- of drijfmest niet mogelijkeis, of op een andere manier als onderdeel van een goed en compleetbemestingsplan, is het afdwingen van een groot gebruiksaandeelkunstmest volgens deze leden een slecht idee. Het zorgt ten slotte vooreen even grote stikstofgift, maar met hogere klimaat-, milieu- en natuur-belasting. Wanneer boeren de ruimte krijgen om waar mogelijk een veelgroter aandeel van de stikstofgift uit dierlijke mest te halen, is datbewezen beter voor de waterkwaliteit en wordt de natuurlijke kringloopvan de landbouw veel beter gesloten. De grote afhankelijkheid vanNederland en Europa van kunstmest die grotendeels uit het buitenlandkomt, is bovendien dus een groot risico op dit moment. Hoewel Renureeen deel van de kunstmest kan vervangen, kan de afhankelijkheid vankunstmest veel sneller en milieuvriendelijker afgebouwd worden als eengroter aandeel van de stikstofgift niet langer verplicht uit kunstmestgehaald wordt. Deze leden vragen de Minister om hierop te reflecteren.Als de Minister het niet eens is met de bovenstaande redenatie kan hij danaangeven waarom niet? Welke onderzoeken liggen eraan ten grondslagom te zeggen dat het beter zou zijn om het aandeel stikstof uit dierlijkemest te beperken ten koste van stikstof uit kunstmest? Als de Minister heteens is met deze leden dat het beter zou zijn om een groter aandeel vande toegestane stikstofgift uit dierlijke mest toe te staan, kan hij dantoezeggen hierop inzet te plegen in Europa? Zo nee, waarom niet?AntwoordIk deel de opvatting dat niet zozeer de bron, maar vooral de vorm, deplaats, het tijdstip van toediening en de hoeveelheid van stikstof bepaaltwat de milieubelasting bij de toepassing is. Ik zet mij ook om die reden invoor het beter mogelijk maken van het gebruik van circulaire meststoffen.Een belangrijke stap daarin is de implementatie van de huidige mogelijk-heden voor RENURE-meststoffen, waarvan de verwachting is dat dezerond de zomer afgerond zal zijn. Daarnaast wordt in het ActieplanMeststoffen de meerwaarde van het gebruik van meer RENURE-waardigemeststoffen, bijvoorbeeld uit digestaat, benadrukt. Ik kijk uit naar devoorstellen van de Commissie om dit te bewerkstelligen. Mocht de vraagzien op het gebruik van onbewerkte dierlijke mest, dan zou dit een nieuwederogatie op de Nitraatrichtlijn vereisen. Ik zie daar, zoals eerder aan deKamer gemeld (Kamerstuk 33 037, nr. 643), op dit moment geen ruimtevoor.De leden van de BBB-fractie zijn tot slot erg bezorgd over de onrust die delaatste weken is ontstaan door het niet toekennen van de premie voor eenaantal eco-activiteiten bij een aanzienlijk deel van de deelnemers van deeco-regelingen. Deze leden vragen de Minister om in Europa aan te gevendat bij extreme weersomstandigheden in sommige gevallen kennelijk nietgekozen kan worden voor een resultaatverplichting, soms zelfs achteraf.De onzekerheid van uitbetaling van deze premies geeft het risico datboeren niet langer mee willen doen. Aangezien deze regelingen niet alsinkomenssteun werken, maar boeren hiervoor land braak laten liggen ofeen zeer kleine opbrengst accepteren ten gunste van natuurdoelen, is ditvoor hen een onoverkomelijk risico. Als de deelname aan dit soortregelingen door dit soort onzekerheden onderdruk komt te staan, is datuiteindelijk slecht voor natuur en milieu, niet voor de ondernemers, wantzij zullen dan eerder weer kiezen voor hoogproductieve gewassen. Hoeziet de Minister dit en kan hij hierop inzet tonen bij de komendeLandbouw- en Visserijraad?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181025 AntwoordIk begrijp de onrust die is ontstaan over het niet toekennen van de premiedoor de afwijzing van een aantal eco-activiteiten. Het toekennen vansubsidie op basis van de gerealiseerde milieudoelen en ecologischeprestaties, in plaats van een inspanningsverplichting, is in lijn met hetambitieniveau dat ik met de eco-regeling voor ogen hebben. Bijovermacht binnen het GLB kunnen boeren, als zij door uitzonderlijke ofonvoorziene omstandigheden niet aan de voorwaarden kunnen voldoen,de situatie melden bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO)om kortingen op subsidies te voorkomen.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan onder meer de geannoteerde agenda. Deze leden hebben nog enkelevragen.De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen naar aanleiding vanhet overleg in de laatste Landbouw- en visserijraad over het risicoma-nagement in de Europese landbouwsector. Deze leden horen graag hoehet voorzitterschap dit onderwerp verder wil behandelen. Zij willen in ditverband het blijvende belang van inzet op een weerbare voedselvoor-ziening en voedselzekerheid benadrukken. Zo wees een recent rapport vande Pan-European Commission on Climate and Health op de kwets-baarheid van de Europese voedselvoorziening voor klimaatverandering.(Pan European Commission on Climate and Health, 17 mei 2026,«Pan-European Commission on Climate and Health: Call to Action»,https://www.who.int/Europe/publications/m/item/pan-european-commission-on-climate-and-health--call-to-action) Deze leden horen graaghoe Nederland ervoor zorgt dat voedselzekerheid op de agenda blijft, nietalleen wat betreft de uitvoering van de Europese voedselstrategie, maarook in beleidsvorming rond gewasbescherming en de Nitraatrichtlijn(minder afhankelijkheid van kunstmest).AntwoordHet Cypriotisch voorzitterschap heeft tijdens de informele Raad van3–5 mei jl. het risicomanagement in de Europese landbouwsectorgeagendeerd om hier aandacht voor te vragen vanwege de toenemenderisico’s voor boeren. Vanaf 1 juli 2026 zal Ierland het voorzitterschap vande Raad overnemen van Cyprus. Nederland en de EU kennen een hogemate van voedselzekerheid, maar door geopolitieke spanningen enconflicten en door klimaatverandering en extremer weer manifesterenzich steeds meer risico’s, zoals verstoring van de aanvoer van belangrijkegrondstoffen voor de voedselvoorziening en tegenvallende oogsten.Daarom is het belangrijk de weerbaarheid van het voedselsysteem tewaarborgen. Het kabinet deelt de opvatting dat dit een aandachtspunt isen zal zich hier, waar opportuun, ook op Europees niveau voor inzetten.De inze van het kabinet hierop zal worden neergelegd in een StrategischeAgenda Voedselzekerheid. De Staatssecretaris zal de Kamer hierover voorde zomer informeren.Ook de Commissie heeft veel aandacht voor de weerbaarheid encrisisparaatheid van de landbouwsector. Dit komt onder meer terug in hetEuropean Food Security Crisis Response Mechanism, de PrepeparednessUnion Strategy en de nieuwe voorstellen op crisispraatheid in deVerordening Gemeenschappelijke Marktordening.De leden van de SGP-fractie hebben begrepen dat 19 mei 2026 hetActieplan Meststoffen wordt gepresenteerd. Deze leden ontvangen graageen eerste reactie op het voorgestelde Actieplan. Welke mogelijkhedenziet de Minister voor meer ruimte voor toepassing van Renure-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181026 meststoffen, onder meer door beperkende voorwaarden te verruimen ofaan te passen, en voor gerichte derogatie? Hoe gaat hij aanknopings-punten hiervoor benutten? Deze leden hebben begrepen dat er opEuropees niveau discussie is over het omgaan met de CBAM-heffing voorkunstmeststoffen. Zij hebben begrepen dat er door de rapporteur van hetEP een voorstel is gedaan om het voorgestelde tijdelijke fonds voordecarbonisatie ook open te stellen voor akkerbouwers. Zij horen graag ofde Minister dit voorstel steunt.AntwoordTen algemene sta ik positief tegenover het inzetten op precisielandbouwen biobased en circulaire meststoffen, zoals RENURE. Het ActieplanMeststoffen lijkt hiervoor concrete aangrijpingspunten te bieden. Ik kijk uitnaar de voorstellen van de Commissie om dit te bewerkstelligen. Watbetreft een nieuwe derogatie op de Nitraatrichtlijn zie ik, zoals eerder aande Kamer gemeld (Kamerstuk 33 037, nr. 643), op dit moment geen ruimtehiervoor.Het Actieplan Meststoffen bevat daarnaast een verscheidenheid aanmaatregelen die diverse beleidsterreinen raken. Het kabinet zal via hetgangbare BNC-traject de Kamer op korte termijn voorzien van een nadereappreciatie.De Commissie heeft het voorstel voor een herziening van de CBAM-verordening gepubliceerd op 17 december 2025. Over de inzet van hetkabinet is de Kamer door middel van een BNC-Fiche geïnformeerd(Kamerstuk 22 112, nr. 4283). Het kabinet bestudeert alle voorstellenvanuit het Europees Parlement in deze onderhandelingen doorlopend inlijn met de inzet, zoals verwoord in het BNC-fiche.De leden van de SGP-fractie hebben enkele vragen naar aanleiding van deterugkoppeling van het sectoroverleg over de ecoregeling. Deze ledenwaarderen de inzet om bij alle dossiers met een afwijzing voor deeco-activiteit groenbedekking alsnog een menselijke beoordeling te doen.Zij hebben in dit verband wel een vraag: niet alle boeren hebben foto’sgemaakt als bewijsmateriaal om te kunnen laten zien dat sprake was vandoodgevroren groenbedekking. Hoe wordt hiermee omgegaan? Wat zijnde mogelijkheden om in de toekomst min of meer automatisch, dus kortna de opname(s), een melding te geven als het Areaal MonitoringSysteem aangeeft dat niet aan de voorwaarden voldaan zou zijn? Danhebben telers de gelegenheid om zelf bewijsmateriaal te verzamelen.AntwoordBij de herbeoordeling maakt RVO gebruik van al het aanwezige bewijsma-teriaal, waarbij nadrukkelijk wordt meegewogen of er sprake kan zijn vaneen doodgevroren gewas. Daarnaast onderzoek ik samen met RVO opwelke manier de tweewegcommunicatie over de bevindingen van hetAreaal Monitoring Systeem kan worden verbeterd om landbouwers beterte ondersteunen.Deze leden hebben ook een vraag wat betreft het (te) laat opkomen vankruidenmengsels bij groene braak voor voldoende groenbedekking(minimaal 80 procent). Wordt coulance betracht in verband met dedroogte in het voorjaar? Deze leden willen erop wijzen dat telers wel debetreffende percelen braak hebben laten liggen en zo teeltopbrengstenzijn misgelopen.AntwoordIn overleg met de sectorpartijen heb ik RVO de opdracht gegeven om,door de droogte in het voorjaar 2025, de bedekkingsgraad per 1 juli tecontroleren in plaats van per 31 mei. In het geval deze eco-activiteit nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181027 kan worden gehaald door extreme droogte, kan een agrariër overmachtaanvragen bij de RVO.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda vande Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026. Deze leden hebbenhierover nog enkele vragen en opmerkingen.Bescherming van vissen, vogels en oceanenDe leden van de PvdD-fractie hebben opgemerkt dat vertegenwoordigersvan de Europese visserij-industrie in Brussel hard lobbyen voorafzwakking van de Europese visserijregels. (Europêche, 30 april 2026,«Europêche calls for a targeted revision of the CFP following Commissionevaluation», https://Europeche.org/Europeche-calls-for-a-targeted-revision-of-the-cfp-following-commission-evaluation/). Deze leden merkenop dat visserij-lobbyisten pleiten voor verzwakking van het Gemeenschap-pelijk Visserijbeleid, inclusief afschaffing van het verbod op overboordgooien van ondermaatse vis, verzwakking van de regels voor de toegangtot de diepzee, verzwakking van de controleregels op illegale enniet-gerapporteerde visserij en het subsidiëren van de overcapaciteit vande Europese vloot. Zij merken op dat de visserij-industrie een steedsgrotere vat krijgt op het EP en de EC en dat het idee om de Europesevisserijregels fors af te zwakken dreigt te worden overgenomen door dezeinstellingen. Tegelijkertijd merken deze leden op dat uit een recenteevaluatie van de EC blijkt dat de duurzaamheid van de Europese visserijmaar langzaam verbetert en dat oceaanbeschermingsdoelen niet behaaldzijn (Europese Commissie, 30 april 2026, «Commission evaluation showsslow progress in fishing sustainability and ongoing challenges for EUfishers», https://ec.Europa.eu/commission/presscorner/detail/en/ip_26_938). Deelt de Staatssecretaris de zorgen van deze leden over hetniet behalen van de beschermingsdoelen? Deelt de Staatssecretaris dezorgen over het niet naleven van de internationale en wettelijkeverplichting om overbevissing uiterlijk te stoppen tegen 2020 en over hetfeit dat zowel in Europese wateren als daarbuiten nog forse overbevissingplaatsvindt? Deelt de Staatssecretaris de zorgen over het feit dat uit deevaluatie blijkt dat er maar beperkt voortgang is gemaakt op hettoepassen van selectievere en milieuvriendelijkere visserijmethodes?AntwoordDe Commissie heeft begin deze maand de uitkomsten van de evaluatievan het GVB gepresenteerd. In de Raad van juni a.s. zal gesproken wordenover deze evaluatie. De reactie op de evaluatie van het GVB en de inzetvan Nederland zal op korte termijn met de Kamer worden gedeeld.Deelt de Staatssecretaris de mening dat er op dit moment geen enkelegegronde reden is om het bestaande visserijbeleid af te zwakken, geziende huidige regels al niet voldoende zijn gebleken om de overbevissing enschadelijke exploitatie van onze zeeën te stoppen? Zo ja, is de Staatssecre-taris bereid om zich in Brussel uit te spreken tegen afzwakkingen van hetEuropese visserijbeleid? Is de Staatssecretaris met deze leden van meningdat beter ingezet kan worden op goede implementatie van de huidigevisserij en natuurbeschermingswetgeving dan op het afzwakken daarvan?AntwoordDe Staatssecretaris heeft kennisgenomen van de evaluatie van het GVB enzal zijn reactie hierop en de inzet op het GVB en de Vision 2040 op kortetermijn met de Kamer delen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181028 De leden van de PvdD-fractie merken op dat uit de evaluatie van de ECblijkt dat veel vissers «ongewenste soorten» die zij vangen nog steedsoverboord gooien in strijd met de aanlandplicht. Deze leden maken zichzorgen over het feit dat 70 tot 80 procent van deze overboord gegooidevissen alsnog sterven, maar niet worden afgetrokken van de beschikbarevisserijquota. Deelt de Staatssecretaris de mening dat het overboordgooien van ongewenste vissen een verspillende praktijk is? Kan hetillegaal overboord gooien van ongewenste vissen volgens de Staatssecre-taris bijdragen aan overbevissing? In hoeverre hecht de Staatssecretarisaan goede controle op het verbod op het overboord gooien vanongewenste vissen en zijn de controles daarop scherp genoeg? Waarompleit het Nederlandse kabinet in Brussel voor het versoepelen van decontroleregels, terwijl veel visserijregels op dit moment niet wordennageleefd? (Agence Europe, 31 maart 2026, «Germany and othercountries call for European fisheries legislation to be simplified»,https://agenceurope.eu/en/bulletin/article/13840/6/germany-and-other-countries-call-for-european-fisheries-legislation-to-be-simplified). Ziet deStaatssecretaris een verband tussen het niet naleven van de visserijregelsen de blijvende overbevissing door de Europese vloot?AntwoordEen van de hoofddoelen van de aanlandplicht is om de verspilling vanvoedsel tegen te gaan. Nederland zet in op het verhogen van de selecti-viteit van vismethoden om zo de hoeveelheid ongewenste bijvangst teverkleinen en daarnaast op het verhogen van de overleving van bijvangst.Uit de evaluatie van de Commissie van het GVB blijkt dat de huidigeaanlandplicht, die in 2013 werd ingevoerd, niet bijdraagt aan de beoogdebeleidsdoelstellingen en niet werkt in de praktijk. Nederland deelt dezeconclusie en pleit daarom voor een herziening van de huidige aanland-plicht om de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid te verbeteren. Dehuidige praktijk leidt daarbij overigens niet tot overbevissing, omdat er inde vangstadviezen rekening wordt gehouden met geregistreerde enongeregistreerde discards.Voor de huidige en mogelijk herziene aanlandplicht is een effectief enefficiënt systeem van controle en handhaving noodzakelijk om derandvoorwaarden van de aanlandplicht, alsmede het gelijke speelveldtussen vissers, te waarborgen. De mogelijkheden voor het toezicht op zeezullen per 10 januari 2028 worden aangevuld met sensor- en camerasys-temen (REM/CCTV) die op basis van de Europese Controleverordening(Verordening (EG) 1224/2009) voor een deel van de vloot verplicht zullenworden gesteld. Naar verwachting zal de Commissie op korte termijn meteen voorstel komen om de verplichting voor REM/CCTV nader uit tewerken in een uitvoeringsverordening. De inzet van Nederland is eropgericht om per 10 januari 2028 te voldoen aan de Europese verplichtingen.Daarbij zet het kabinet ook in om bestaande wet- en regelgeving tenalgemene te versimpelen en administratieve lasten te verlichten zonderdaarbij de ambities van het GVB te versoepelen.De leden van de PvdD-fractie hebben vorig jaar kennisgenomen van hetrapport van Compassion in World Farming en willen hier graag nogaandacht voor vragen. (Compassion in World Farming, NB, «The GrowingThreat of Carnivorous Aquaculture», https://www.ciwf.nl/media/dayhg4fj/ciwfgb-_251008_cam-_endit-_octopus-report_en-_print-and-web_published.pdf). Deze leden hebben namelijk geconstateerd dat er eenzorgwekkende ontwikkeling van toename in viskwekerijen. Kan deStaatssecretaris een reactie geven op het rapport? Onderschrijft hij denoodzaak om carnivore aquacultuur te beperken? Zo nee, waarom niet? Ishij bereid om zich hiervoor in de EU hard te maken? Zo nee, waarom niet?Hoe oordeelt de Staatssecretaris over de «Keep them wild-pledge»?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181029 (Compassion in World Farming, «Keep Them Wild: Sign the GlobalPledge», https://www.ciwf.org/programmes/endit/keep-them-wild/global-pledge/). Is hij bereid deze pledge te ondersteunen? Zo nee, waarom niet?AntwoordDe Staatssecretaris heeft kennisgenomen van dit rapport en zal voor hetkomende zomerreces met een reactie komen op het rapport. Daarbijverwijst de Staatssecretaris ook hier naar het Coalitieakkoord, waarin hetkabinet heeft aangegeven aquacultuur als kans te zien voor een duurzamevisserijsector. Hierbij is het van belang dat ook aquacultuur op land(viskweek) op een duurzame manier plaatsvindt. De Staatssecretaris wil indit verband aangeven dat de sector zich al langere tijd inzet op hetterugdringen van vismeel en visolie in het voer.De leden van de PvdD-fractie ontvangen graag de stand van zakenomtrent de aangenomen motie om op korte termijn met maatregelen tekomen om pijlinktvissen beter te beschermen, in Europees verband tepleiten voor voorzorgsbeheer, met aandacht voor het verbeteren van demonitoring, het kunnen opleggen van tijdelijke vangstbeperkingen en hetbehouden van een gezonde pijlinktvispopulatie (Kamerstuk 21 501-32,nr. 1782). Kan de Staatssecretaris zijn plannen hierover in ieder geval vóórhet commissiedebat Visserij en Landbouw- en Visserijraad op 16 juni 2026naar de Kamer sturen?AntwoordDe Staatssecretaris zal de Kamer vóór het Commissiedebat Visserij enLandbouw- en Visserijraad op 16 juni 2026 informeren over de stand vanzaken van de aangenomen motie om pijlinktvissen beter te beschermen.De leden van de PvdD-fractie vragen tevens naar de uitvoering van deaangenomen motie-Kostic/Bromet over het verzetten tegen EU-plannenom meer aalscholvers te doden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1756). Eerderliet het kabinet weten de Kamer hierover «op korte termijn» te informeren(Kamerstuk 36 915 XIV, nr. 6). Indien deze informatie nu nog niet kanworden verschaft, ontvangen deze leden graag een tijdsaanduidingwanneer de Kamer hierover wel zal worden geïnformeerd.AntwoordDe reactie met daarin de uitvoering van de aangenomen motie isopgenomen in een verzamelbrief visserij. Deze brief is op 19 mei 2026 aande Kamer toegezonden (Kamerstuknummer nog niet toegewezen).Belangrijk punt uit de brief is dat de Staatssecretaris het verplichtafschieten van aalscholvers niet als onderdeel ziet van een gezamenlijkeEuropese beheeraanpak.StierengevechtenDe leden van de PvdD-fractie vinden het onbegrijpelijk dat de Ministeraangeeft dat hij het de verantwoordelijkheid van individuele lidstatenvindt om subsidies voor stierengevechten te beëindigen (Kamerstuk28 625, nr. 381). Deze leden vinden deze uitspraken niet rijmen met debreed gedeelde wens in de Kamer om een einde te maken aan subsidiesvoor stierengevechten (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1292). Zij vragen deMinister of hij alsnog bereid is om zich bij de onderhandelingen over hetGLB 2028–2034 in te zetten om fokkers van de «toro de lidia» expliciet uitte sluiten van deelname aan directe GLB-betalingen en fondsen voorplattelandsontwikkeling, verantwoording en transparantie te versterkenom te voorkomen dat subsidies voor de veehouderij worden omgebogennaar de stierenvechtsector en dierenwelzijn prioriteit te geven bij deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181030 onderhandelingen over het GLB. Deze leden hopen dat de Minister dit wiltoezeggen.AntwoordIk begrijp de zorgen rondom het stierenvechten en de subsidies die via hetGLB uitkomen bij de fokkers van stieren. In het kader van subsidiariteit ishet een verantwoordelijkheid van de individuele lidstaten om toe te ziendat deze subsidies op verantwoordelijke wijze verstrekt worden. Nationalekeuzes voor het volgende GLB dienen in samenhang te worden bepaald.Dierenwelzijn wordt daar als prioriteit nadrukkelijk bij betrokken.Transporten van piepjonge kalfjes van Ierland naar NederlandDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de tijdlijn vande Staatssecretaris met betrekking tot het bestrijdingsprogrammainfectieuze boviene rhinotracheïtis. Deze leden vragen waarom deStaatssecretaris ervoor kiest om de goedkeuring van de EC uiterlijk vierjaar na inwerkingtreding van de algemene maatregel van bestuur (AMvB)aan te vragen? Wat wordt bedoeld met «uiterlijk» vier jaar? Deze ledenvinden vier jaar na inwerkingtreding van de AMvB namelijk een erg langeperiode om vreselijke langeafstandstransporten met piepjonge kalfjes instand te houden. Houdt de Staatssecretaris er nadrukkelijk rekening meedat deze goedkeuring ook eerder kan worden aangevraagd. Zo ja, hoeveeleerder? Zo nee, waarom niet? Is de Staatssecretaris bereid om dezetermijn zoveel mogelijk in te korten? Zo nee, waarom niet?AntwoordDe Staatssecretaris begrijpt goed dat er wordt gevraagd om een einde aanlange transporten van dieren, zeker voor ongespeende dieren. DeStaatssecretaris wilt zelf ook die beëindigd zien, vanwege de negatieveimpact op dierenwelzijn. De bestrijding van Infectieuze Boviene Rhino-tracheïtis (IBR) in Nederland heeft echter primair tot doel om de algehelegezondheid van de rundveestapel in Nederland te verbeteren, en niet omlange transporten te beëindigen. Zoals de Staatssecretaris ook in zijn briefaan de Kamer van 12 mei jl. (Kamerstuk 28 286, nr. 1435) heeftgeschreven, staat de bestrijding van IBR en de tijdlijn richting eengoedgekeurd programma wat hem betreft los van wat hij vindt van langetransporten van dieren. De Staatssecretaris vindt het snel latengoedkeuren van de bestrijdingsprogramma’s dus niet de juiste methodeom deze transporten te beëindigen; dierziektebestrijdingsprogramma’sdienen een ander doel.Daar komt bij dat de Staatssecretaris de stappen richting een uiteindelijkeEuropese IBR-vrij-status voor Nederland samen met de betrokkensectorpartijen wil zetten. De sector zelf heeft het verzoek om regelgevinggedaan. Het draagvlak onder al betrokken partijen is nodig om debestrijding te laten slagen. Met de sectoren is afgesproken om voor IBReen overgangsperiode van maximaal vier jaar te hanteren tussen start vande nationale bestrijding en het laten goedkeuren van het programma inEuropa. Deze periode geeft sectoren tijd om zich aan te passen aan denieuwe situatie en om handelsstromen te verleggen. Dit is een belangrijkevoorwaarde om draagvlak voor de bestrijding te behouden. De sectorenhebben toegezegd zich in te zetten om zich zo snel mogelijk aan te passenen inspanning te leveren om deze periode korter dan vier jaar te laten zijn.Indien mogelijk zal de Staatssecretaris het programma in goed overlegeerder ter goedkeuring indienen. Hierover blijft de Staatssecretaris met desectoren in gesprek.Na goedkeuring van de programma’s worden diergezondheidseisen bijimport aangescherpt en moet aan aanvullende voorwaarden, zoalsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181031 quarantaine en testen, worden voldaan. Hiermee wordt aanvoer uitbepaalde andere lidstaten bemoeilijkt, maar niet onmogelijk. Dit betekentdat lange transporten dan nog steeds mogelijk zullen zijn, maar welmoeilijker uitvoerbaar. Ook is dit afhankelijk van de IBR-status van anderelidstaten op dat moment. Wanneer bijvoorbeeld Ierland binnen enkelejaren een EU-vrije status voor IBR zou halen, wordt de aanvoer vankalveren weer mogelijk omdat Ierland en Nederland dan dezelfde statushebben. Daarom vindt de Staatssecretaris dat de focus moet liggen opeen algeheel verbod op lange transporten (zeker voor ongespeendedieren), in plaats van op vrije statussen voor dierziekten of bepaaldebestrijdingsprogramma’s per lidstaat. De Staatssecretaris blijft opEuropees niveau pleiten voor een dergelijk verbod, zoals ook aangegeventijdens het Kamerdebat van 23 april 2026.Schadelijke subsidieregelingenDe leden van de PvdD-fractie zijn benieuwd naar de opvolging van hetKunming Montreal Global Biodiversity Framework (2022) en het Rijks-dienst voor Ondernemend Nederland (RVO)-rapport «Quickscan effectenvan het LNV instrumentarium op natuur en biodiversiteit» (RVO, 30 juni2023, «Quickscan LNV instrumentarium op natuur en biodiversiteit»,https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/bijlage-quickscan-lnv-instrumentarium-op-natuur-en-biodiversiteit). Nederlandheeft zich gecommitteerd om in 2025 het nationale beleid, inclusief allesubsidieregelingen, onderzocht te hebben op mogelijk schadelijkeeffecten voor biodiversiteit. Kan de Minister aangeven wat de stand vanzaken is omtrent dit onderzoek dat wordt uitgevoerd door WageningenUniversity & Research en CE Delft en wanneer deze naar de Kamer wordtgestuurd?AntwoordHet onderzoek «Beoordeling van de effecten van financiële en fiscalerijksmiddelen op biodiversiteit» is inmiddels uitgevoerd door eenconsortium van Wageningen Social & Economic Research (WSER), CEDelft en Naturalis Biodiversity Center. Dit onderzoek is uitgevoerd inopdracht van het Ministerie van LVVN in samenwerking met de Minis-teries van Infrastructuur en Waterstaat, Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening, Economische Zaken en Klimaat en Financiën. Het onderzoekwordt uiterlijk in de week van 25 mei a.s. met een begeleidende brief aande Kamer gestuurd.Landbouwgif en Omnibus Food & Feed PackageDe leden van de PvdD-fractie blijven ook met veel aandacht de ontwikke-lingen rondom landbouwgif en in het bijzonder het Omnibus Food & FeedPackage volgen en hebben hier aanvullende vragen over. Uit de brief vande Staatssecretaris over de Standing Committee on Plants, Animals, Foodand Feed (SCoPAFF)-vergadering kan worden opgemaakt dat Nederlandgrotendeels blijft meebewegen met de Europese procedure voorverlening van toelating van gevaarlijke stoffen zoals onder anderetebuconazool (Kamerstuk 27 858, nr. 746). In een aangenomen motie-Ouwehand uit 2013 (Kamerstuk 27 858, nr. 208) werd expliciet gevraagdom een uitfaseringspad van deze en vier andere azoolfungiciden. De brieflaat duidelijk zien dat er erkenning is voor de risico’s, maar blijft ookvasthouden aan bestaande praktijken. Deze leden vragen waarom deStaatssecretaris de verlening van toelating van gevaarlijke stoffen blijfttoestaan terwijl de risico’s bekend zijn. In het licht van het veel besprokenOmnibus Food & Feed Package vragen deze leden ook of de Staatssecre-taris zich zal houden aan zijn uitspraak tijdens het plenaire debat over deFood and Feed Safety Simplification Omnibus om tegen het pakket teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181032 stemmen als duidelijk is dat het zal leiden tot een verslechtering van debescherming van mens, dier en milieu en het niet leidt tot het toelaten vanduurzame middelen en hiervoor te pleiten op Europees niveau.AntwoordDe Staatssecretaris vindt het belangrijk dat de goedkeuring van stoffenalleen wordt verlengd wanneer is aangetoond dat deze veilig kunnenworden toegepast. Voor iedere stof wordt hiervoor een uitvoerig Europees(her)beoordelingstraject doorlopen. In voorliggend geval is besluit-vorming over deze stof, buiten de schuld van de aanvrager om, nog nietafgerond waardoor de Commissie juridisch gehouden is om eenverlenging van de goedkeuring voor te stellen. De Staatssecretaris vindtbet belangrijk dat het al dan niet vernieuwen van de goedkeuring vanstoffen gebaseerd is op zorgvuldige procedures en besluitvorming. Bij deEuropese stemming heeft de Staatssecretaris dan ook, in navolging vande aangenomen motie-Ouwehand uit 2013 (Kamerstuk 27 858, nr. 208),aangegeven niet akkoord te gaan met de verlenging van goedkeurings-termijn voor tebuconazool, maar in te stemmen met het totale pakket vanstoffen.Wat betreft de onderhandelingen over de Omnibus Food & Feed Packageklopt het dat Nederland vindt dat het pakket niet mag leiden tot verslech-tering van de bescherming van mens, dier en milieu. Dit is de Neder-landse inzet in Brussel. Het uiteindelijke standpunt van het kabinet zal pasworden bepaald, wanneer een daadwerkelijk voorstel aan de lidstatenwordt voorgelegd. Ik zal de Kamer hier uiteraard over informeren.NatuurbrandenDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de Nederlandsepositie ten aanzien van het voorstel Integrale Natuurbrandbeheersing.Deze leden vragen of de Minister bereid is om bij de onderhandelingenook te wijzen op de gevaren van Defensie activiteiten voor de natuur enhet risico op natuurbranden dat daarbij gepaard gaat. Gaat de Ministerdelen wat er in de afgelopen weken is gebeurd in Nederland metverschillende natuurbranden door toedoen van Defensie activiteiten innatuurgebieden met explosieve middelen?AntwoordIk ben mij bewust van de zorgen die deze leden uitspreken over demogelijke effecten van defensieactiviteiten op natuurgebieden, waaronderhet risico op natuurbranden. Bij oefeningen en andere activiteiten vanDefensie wordt nadrukkelijk rekening gehouden met geldende veiligheids-voorschriften, natuurwetgeving en de omstandigheden ter plaatse, zoalsdroogte en brandgevaar. Ik acht het van belang dat lessen uit incidentenworden betrokken bij toekomstige besluitvorming, zodat risico’s voornatuur, omwonenden en hulpdiensten zoveel mogelijk worden beperkt.Wanneer relevant zal ik daarom ook aandacht vragen voor eenzorgvuldige afweging tussen Defensieactiviteiten, veiligheid en natuurbe-scherming. Daarbij kan ik ook wijzen op recente ervaringen in Nederland.Vragen en opmerkingen van de leden van Groep MarkuszowerDe leden van Groep Markuszower hebben kennisgenomen van de agendavan de Landbouw- en Visserijraad van 26 mei 2026 en hebben hierovernog enkele vragen en opmerkingen.De leden van Groep Markuszower zijn van mening dat het onze Neder-landse boeren niet gemakkelijk wordt gemaakt. Aan de ene kant wordenzij gedwongen om dure kunstmest aan te schaffen. Aan de andere kantmoeten zij hun eigen dierlijke mest, een waardevolle grondstof, tegenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181033 hoge kosten afvoeren vanwege starre Europese regels. Hoe kan het datwe boeren opzadelen met torenhoge kosten, terwijl we tegelijkertijd eenperfect bruikbaar alternatief weg reguleren? Hoe kijkt de Minister zelf naardeze tegenstrijdigheid en belangrijker: wat gaat hij hier in Europa concreetaan doen? De EC komt met een actieplan voor meststoffen, maar laten weeerlijk zijn: zolang Nederland braaf achter elke Brusselse regel aan blijftlopen, verandert er niets. Boeren hebben nu praktische maatregelen nodigom hun bedrijf draaiende te houden. Deze leden vragen daarom aan deMinister of hij bereid is om zich hard te maken voor meer ruimte voor hetgebruik van dierlijke mest. Op zijn minst tijdelijk, zolang kunstmestprijzenhoog zijn, moeten boeren hun eigen mest kunnen benutten in plaats vandie verplicht af te voeren. Een subsidie vanuit Europa klinkt misschienmooi, maar is de wereld op zijn kop, daar draait namelijk de belastingbe-taler voor op. (De Telegraaf, 19 mei 2026, «Europese Commissie werkt aanmegasteun voor boeren na kunstmestschok door Midden-Oosten-oorlog;voedselprijzen gaan anders drastisch omhoog», https://www.telegraaf.nl/binnenland/Europese-commissie-werkt-aan-megasteun-voor-boeren-na-kunstmestschok-door-midden-oosten-oorlog-voedselprijzen-gaan-anders-drastisch-omhoog/152007862.html?utm_medium=referral&utm_campaign=share). Terwijl het alternatief dierlijke mest een vele malen logischereoplossing zou kunnen zijn. Is de Minister het met deze leden eens? Zo nee,waarom niet?AntwoordHet Actieplan Meststoffen bevat een verscheidenheid aan maatregelen diediverse beleidsterreinen raken. Het kabinet zal via het gangbareBNC-traject de Kamer op korte termijn voorzien van een nadere appre-ciatie.Het kabinet zet zich in voor het beter mogelijk maken van het gebruik vancirculaire meststoffen. Een belangrijke stap daarin is de implementatievan de huidige mogelijkheden voor RENURE-meststoffen, waarvan deverwachting is dat deze rond de zomer afgerond zal zijn. Daarnaast wordtin het Actieplan Meststoffen de meerwaarde van het gebruik van meerRENURE-waardige meststoffen, bijvoorbeeld uit digestaat, benadrukt. Hetkabinet kijkt uit naar de voorstellen van de Commissie om dit tebewerkstelligen.De leden van Groep Markuszower hebben dan nog enkele vragen over hetMercosur-akkoord. Een akkoord dat volgens dit kabinet goed zou zijn voorde economie, met een marginale bbp-groei van 0,02 procent. Maar tegenwelke prijs? Landen als Frankrijk, Oostenrijk, Hongarije en Ierland hebbenniet voor niets grote bezwaren. Inmiddels heeft ook Polen dit akkoordaangevochten bij het Europese Hof van Justitie, omdat het akkoordEuropese boeren blootstelt aan oneerlijke concurrentie. Boeren inZuid-Amerika produceren onder lagere standaarden. Minder regels, lagerekosten. Ondertussen moeten onze boeren voldoen aan de strengste eisenter wereld. Laten we trots zijn op onze landbouwsector en zeer goedoppassen voor het wegconcurreren van onze eigen landbouw. Terwijl wijhier onze boeren uitkopen en beperken, importeren we productenwaarvoor elders veel lagere standaarden voor dierenwelzijn en milieube-scherming gelden. Deze leden vragen de Minister dan ook hoe hij ditrechtvaardigt tegenover Nederlandse boeren en naar de Nederlandseconsument. Wat gaat de inzet van Nederland worden om de concurrentieeerlijker te maken? Steeds meer boeren stoppen. De kosten stijgen, deregels stapelen zich op en perspectief ontbreekt. Ondertussen wordt onzevoedselzekerheid steeds afhankelijker van het buitenland. In een tijd vangeopolitieke spanningen is dat geen verstandig beleid en dat is een risico.Nederland moet weer kiezen voor zijn eigen boeren. Voor voedselpro-ductie op eigen bodem.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181034 De leden van Groep Markuszower zijn van mening dat het nu tijd is datdeze Minister opkomt voor de Nederlandse belangen en de Nederlandseagrarische sector. Wat gaat daarbij de Nederlandse inzet zijn?AntwoordNederland heeft als economie met een open karakter een bijzonder belangbij een open en op regels gebaseerd internationaal handelssysteem. Zo isexport van goederen en diensten goed voor bijna een derde van hetNederlands bruto binnenlands product en zo’n 30% van de werkgele-genheid in Nederland. Uit handelscijfers blijkt dat Nederland een sterkeexportpositie heeft in landbouwgoederen. Ook de landbouwsector heeftdaarom baat bij handelsafspraken, waaronder in bilaterale handelsak-koorden.In het EU-Mercosur-akkoord zijn bovendien afspraken opgenomen over debescherming van gevoelige Europese landbouwsectoren door invoer-quota, waardoor import tegen gunstigere tarieven beperkt is. Bovendienis er de mogelijkheid om vrijwaringsmaatregelen te nemen, wanneer ereen ernstige marktverstoring plaatsvindt of dreigt plaats te vinden.Het is inderdaad zo dat er tussen landen verschillen zitten in de wijzewaarop een product geproduceerd wordt, zogeheten productiestan-daarden. Productiestandaarden worden immers door ieder land zelfbepaald. Bij het opstellen van deze regels baseren overheden zich oplokale omstandigheden, zoals infrastructuur, geografische ligging,sociaaleconomische situatie, klimaat en milieu. Enkel uit het gegeven datproductiestandaarden in ieder land anders zijn kan derhalve niet (explicietof impliciet) worden geconcludeerd dat er geen gelijk speelveld is.Bovendien wordt het concurrentievermogen van ondernemers door veelverschillende factoren bepaald. Productiestandaarden zijn één van diefactoren, naast bijvoorbeeld investeringsklimaat, geografische ligging,infrastructuur, toegang tot goed opgeleide arbeidskrachten, importta-rieven en (landbouw)subsidies. De EU kan een ander land niet zomaardezelfde eisen opleggen voor productie zoals die gelden binnen de EU. DeEU zou dat andersom ook niet accepteren. Wel kunnen handelsakkoordenzoals het EU-Mercosur-akkoord bijdragen aan het verkleinen van dieverschillen door bijvoorbeeld afspraken te maken over arbeids- enmilieustandaarden, evenals over het aangaan van een dialoog overproductiestandaarden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 181035

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · ba38a9072c69af7a

14 okt 2026 · 42195e543e97096b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.