KNMI'23-klimaatscenario’s en doorwerking in Rijksbeleid
Brontekst
Versie 3826f4695839cab9 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 813Kabinetsaanpak KlimaatbeleidNr. 1386 BRIEF VAN DE MINISTER VAN INFRASTRUCTUUR ENWATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 8 mei 2024Dat het klimaat verandert is steeds duidelijker merkbaar. Afgelopen jaarwas zowel het warmste als het natste jaar in Nederland sinds het beginvan de metingen. De nieuwe klimaatscenario’s die het Koninklijk Neder-lands Meteorologisch Instituut (KNMI) op 9 oktober 2023 heeft gepubli-ceerd, laten zien dat we in de toekomst nog vaker dan nu het geval iszullen worden blootgesteld aan de gevolgen van klimaatverandering1.Gevolgen die bovendien steeds extremer worden, zoals zwaardereregenbuien, hogere temperaturen en langere perioden van droogte enhitte. De nieuwe scenario’s laten duidelijk de noodzaak zien tot versnellingvan het klimaatbestendig maken van Nederland.Met deze brief informeer ik u mede namens de Minister voor Klimaat enEnergie, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, deMinister van Landbouw, Natuur en Voedselveiligheid, de Minister voorNatuur en Stikstof, de Minister voor Medische Zorg, de Staatssecretarisvan Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de gevolgen voor verschillendebeleidsterreinen en hoe we de nieuwe scenario’s benutten om Nederlandnog beter voor te bereiden op klimaatverandering.Belangrijkste bevindingen uit de KNMI’23 klimaatscenario’sNederland is ruim 2 graden warmer dan bij het begin van de metingen in1901 en de zeespiegel is sinds 1900 met ongeveer 20 centimeter gestegen.Dat deze veranderingen doorzetten is zeker, maar hoe dat eruit gaat zienhangt sterk af van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Het KNMIheeft daarom twee uitstootscenario’s doorgerekend. In het hoge uitstoot-scenario blijft de uitstoot van broeikasgassen tot 2080 toenemen en vlaktdaarna af. In het lage uitstootscenario vermindert de uitstoot snel enworden broeikasgassen uit de atmosfeer verwijderd, in lijn met de1Kamerstuk 32 813, nr. 1299. kst-32813-1386ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13861 Overeenkomst van Parijs. De twee scenario’s geven de bandbreedtewaarbinnen de veranderingen in Nederland zich zullen ontwikkelen.De Nederlandse zomers zullen droger worden en de winters natter, maarde mate waarin hangt, naast de ontwikkeling in de uitstoot van broeikas-gassen, af van de ligging van lage- en hogedrukgebieden in de toekomst.Omdat daarin onzekerheden bestaan, zijn per uitstootscenario tweevarianten doorgerekend. In de natte variant is uitgegaan van sterk natterewinters en licht drogere zomers en in de droge variant van licht natterewinters en sterk drogere zomers. De combinatie van de twee uitstootsce-nario’s met de beide varianten levert de vier nieuwe KNMI’23-klimaatscenario’s op.De temperatuurstijging zet in alle scenario’s door. Het aantal zomersedagen en tropische nachten neemt aanzienlijk toe en het aantal dagen meteen maximumtemperatuur onder nul (ijsdagen), daalt sterk. Doorveranderende neerslagpatronen wordt de winter, en in mindere mate delente en de herfst, natter en de zomer droger. Buien zullen bovendienzwaarder zijn, waarbij er in kortere tijd meer regen kan vallen.De zeespiegel blijft stijgen, waarbij na 2050 een mogelijke versnelling tezien is in de scenario’s. Ook na 2100 stijgt de zeespiegel verder. Vanaf 2050is er een groot verschil te zien in zeespiegelstijging tussen het hoge en hetlage uitstootscenario. Dat verschil blijft toenemen tot ver na 2300.Wanneer de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd afneemt in lijn metde afspraken uit de Overeenkomst van Parijs, dan zal naar verwachting in2100 de zeespiegelstijging in Nederland ten opzichte van begin deze eeuwminimaal 30 centimeter bedragen. Als de uitstoot van broeikasgassen nietvermindert kan de zeespiegel voor de Nederlandse kust rond 2100 stijgenmet 1,2 meter ten opzichte van het huidige niveau. Als het smelten van deijskap op de Zuidpool verder versnelt, is in 2100 een nog hogere zeespie-gelstijging mogelijk.Algemene appreciatie KNMI’23-klimaatscenario’sDe droge zomers in 2018, 2019 en 2020, de wateroverlast in Limburg in2021, het droge voorjaar in 2022 en een extreem nat najaar in 2023, latenzien dat klimaatverandering nu al enorme impact heeft op Nederland. Denieuwe klimaatscenario’s maken duidelijk dat de veranderingen zichsneller voltrekken dan verwacht. De impact wordt in de toekomst dusalleen maar groter als we ons niet snel voorbereiden op wat er op ons afkomt. Het kabinet spant zich in om de veiligheid, gezondheid enleefbaarheid in Nederland te beschermen, voor nu en in de toekomst enintensiveert daarom haar inspanningen met betrekking tot klimaatbesten-digheid.De Rijksoverheid werkt, samen met medeoverheden, al intensief aan eenklimaatbestendig Nederland. De Nationale Adaptatiestrategie (NAS) bevatde overkoepelende strategie en laat zien hoe we de negatieve effecten vanklimaatverandering verkleinen, of in ieder geval beheersbaar houden. HetDeltaprogramma draagt bij aan het bereiken van de doelstellingen van deNAS op de onderwerpen waterveiligheid, beschikbaarheid van zoetwateren ruimtelijke adaptatie. Het Nationaal Uitvoeringsprogramma Klimaat-adaptatie beschrijft de inzet van de Rijksoverheid voor de komende jaren2.Om inzicht te krijgen in de gevolgen voor de verschillende beleids-terreinen, werkt het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) samen metdiverse wetenschappelijke instituten aan doorvertaling van de klimaatsce-2Kamerstuk 31 710, nr. 83.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13862 nario’s3. Deze scenario’s worden daartoe afgezet tegen maatschappelijketrends en mogelijke beleidsscenario’s. Begin 2026 zal de rapportage vanhet PBL beschikbaar zijn. Gezien de urgentie kan echter niet tot 2026worden gewacht met het herzien van het nationale adaptatiebeleid. Methet herzien van de NAS, waarbij departementen gezamenlijk werken aanhet aanscherpen van het huidige beleid, is daarom al gestart4. Met hetPBL is bekeken welke informatie zij tussentijds kunnen opleveren omherziening van de NAS optimaal te ondersteunen.De nieuwe KNMI-klimaatscenario’s laten duidelijk het belang zien van hetterugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Alleen bij sterkereductie van die uitstoot, in lijn met de afspraken uit de Overeenkomst vanParijs, zullen de klimatologische veranderingen vanaf 2050 beperkt zijn.Temperatuur en neerslag zullen dan na 2050 ongeveer stabiel blijven,terwijl het hoge uitstootscenario een sterke toename laat zien. Het verschilin zeespiegelstijging tussen het hoge en lage uitstootscenario neemt na2050 sterk toe en blijft toenemen tot 2300 en ver daarna. De keuzes die wenu maken hebben dus grote gevolgen voor de generaties na ons. Hetkabinet blijft zich daarom inzetten voor ambitieuze klimaatdoelen opnationaal, Europees en mondiaal niveau om klimaatverandering tebeperken en de doelen uit de Overeenkomst van Parijs te behalen.Hieronder wordt voor de vier domeinen uit het Nationaal Uitvoeringspro-gramma Klimaatadaptatie aangegeven hoe de nieuwe klimaatscenario’sdoorwerken in beleid. Het gaat om de domeinen «Water», «Landbouw,natuur en milieu», «mens en cultuur» en «wonen en werken». CaribischNederland is in een aparte paragraaf opgenomen.Domein WaterWaterkwaliteit en beschikbaarheidDe verwachte toename in zeer warme, natte én droge periodes, zorgt inde rivieren voor een grotere kans op periodes met enerzijds extreem hoogwater en anderzijds langdurig en extreem laagwater. Hoogwaterpieken enwatertekorten bedreigen de waterveiligheid, watervoorziening, bevaar-baarheid, leefomgeving, natuur en economische ontwikkeling. Lagererivierafvoeren leiden, in combinatie met zeespiegelstijging, ook tot eentoename van de verzilting in de kustgebieden. Omdat zowel neerslag alsdroogte toenemen moet worden gezocht naar strategieën om op beidetegelijk voorbereid te zijn. Op basis van de nieuwe klimaatscenario’s heeftDeltares berekend dat we vaker dan tot nu toe gedacht te maken krijgenmet lage rivierafvoeren van de Rijn en de Maas. Aangezien de watervraagtoeneemt door sociaaleconomische ontwikkelingen, zoals economischegroei, bevolkingsgroei, drinkwatergebruik, het tegengaan van bodem-daling in de laagveengebieden en het tegengaan van verzilting, zullen inde zomerperiode hierdoor vaker watertekorten optreden. Aanhoudendedroogte en hogere temperaturen hebben ook effect op de waterkwaliteitdoordat verontreinigingen minder verdund worden en hogere watertem-peraturen ook effect hebben op de ecologie. Een hogere watertempe-ratuur leidt daarmee tot een beperking in de mogelijkheden voor het lozenvan koelwater.WaterveiligheidZeespiegelstijging vraagt steeds grotere inspanningen om Nederlandveilig en leefbaar te houden. Wat dit betekent wordt onderzocht in het3Kamerstuk 27 625, nr. 567.4Kamerstuk 31 710, nr. 83.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13863 Kennisprogramma Zeespiegelstijging. In de tussenbalans daarvan, dieonlangs aan de Kamer is aangeboden, is aangegeven wat zeespiegel-stijging betekent voor onderhoud van de kust met zand, voor de sterkte enomvang van de waterkeringen en voor de beschikbaarheid van zoet waterin de toekomst5. Het vervolg van het programma ziet mede op onderzoeknaar de effecten op functies en landgebruik en naar alternatieve oplos-singsrichtingen voor de lange termijn binnen de kaders van Europeseverplichtingen, zoals voor natuurbescherming en ecologische waterkwa-liteit. Ook wordt bekeken of er maatregelen kunnen worden getroffen omde huidige aanpak te optimaliseren. Dit alles leidt tot het ontwikkelen vanmogelijke keuzepaden om vanuit het huidige systeem richting verschil-lende oplossingsrichtingen op de lange termijn te komen. De klimaatsce-nario’s zijn van essentieel belang voor het inzicht in de invloed van desnelheid van zeespiegelstijging op keuzes voor de toekomst. Ook zalvanuit het kennisprogramma onderzoek worden gedaan om zicht tehebben op mogelijke gebeurtenissen met grote impact zoals het versneldsmelten van West Antarctica, zodat Nederland zich tijdig bewust is van dedaarmee samenhangende risico’s.Waterveiligheid bij rivieren komt vooral in het geding bij hoogwa-terpieken. De al genoemde afvoerscenario’s voor Rijn en Maas laten ziendat de gemiddelde winter- en voorjaarsafvoeren omhooggaan. Ook voorhet toekomstbestendig maken én houden van het rivierengebied geldt duseen grotere opgave dan gedacht. Rijkwaterstaat en de waterschappenbeoordelen en ontwerpen dijken aan de hand van de nieuwe afvoerscena-rio’s en de klimaatscenario’s helpen bij het ontwerpen van dijkverster-kingen in het Hoogwaterbeschermingsprogramma. Het is van belang dater ruimte blijft voor toekomstige dijkversterking en rivierverruiming.WateroverlastDe toename van extreme zomerbuien en nattere winters die op basis vande nieuwe KNMI-scenario’s worden verwacht, vergroten de kans opwateroverlast als er geen aanvullende maatregelen worden genomen. Dezomer van 2021 heeft het risico van stapeling van neerslag en hogerivierafvoeren laten zien. Het volledig voorkomen van schade bij extremeneerslag is onmogelijk, zo concludeerde de beleidstafel wateroverlast enhoogwater in haar eindadvies6. Maatschappelijke ontwrichting moetechter worden voorkomen. Daarvoor is het cruciaal dat iedereen op dehoogte is van de mogelijke risico’s. Inmiddels is een plan opgesteld omNederlanders aan te zetten tot anders handelen7.Een andere aanbeveling van de beleidstafel is om bovenregionalestresstesten uit te voeren om de impact van extreme neerslag op eenschaalniveau zoals in 2021 in Limburg en grensgebieden beter te kunnenvoorspellen, en om mogelijke cascade-effecten in beeld te brengen. Dezebovenregionale stresstesten zijn nodig in aanvulling op de bestaandelokale en regionale stresstesten uit het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie.Op dit moment vindt de voorbereiding voor de uitvoering van debovenregionale stresstesten plaats. Op basis van de uitkomsten van allestresstesten gaan partijen gezamenlijk aan de slag met maatregelen dieelkaar moeten aanvullen op verschillende schaalniveaus. Het Rijk stelt opbasis van de uitgevoerde bovenregionale stresstesten een landelijk beeldop.5Kamerstuk 36 410 J, nr. 5.6Kamerstuk 32 698, nr. 74.7Kamerstuk 27 625, nr. 659.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13864 Uitvoering in programma’sDe opgave om Nederland weerbaar te maken tegen droogte en waterte-korten is zoals geschetst groter dan gedacht. De huidige zoetwaterstra-tegie uit het Nationaal Waterprogramma en het Deltaprogramma isdaardoor zeer waarschijnlijk minder lang houdbaar. Structurerende keuzesin de ruimtelijke inrichting zijn nodig, waarbij water en bodem sturendzijn. Op basis van de nieuwe klimaatscenario’s zijn nieuwe deltascenario’sontwikkeld die op 24 april 2024 zijn gepubliceerd.8 Die herziene deltasce-nario’s worden gebruikt bij het herzien van de deltabeslissingen en devoorkeursstrategie voor zoetwater bij de tweede Herijking van hetDeltaprogramma in 2026.Met het programma Integraal Riviermanagement (IRM) wordt onsrivierengebied voorbereid op de gevolgen de het veranderende klimaatmet zich meebrengt. Het programma beoogt voor toekomstige generatieseen nieuwe balans te vinden tussen het gebruik en de waarden van hetrivierengebied. De verwachting dat er zowel frequentere en hogerehoogwaters worden verwacht alsook langdurigere en lagere laagwaters,geeft nieuwe opgaves voor waterveiligheid, scheepvaart, zoetwatervoor-ziening, natuur en ecologie. In het kader van het IRM worden hiervoor dekomende jaren maatregelen uitgewerkt. In december 2023 is de Kamergeïnformeerd over de concept-inhoud en de planning van het programmaIRM9.Met de Programmatische Aanpak Grote Wateren (PAGW) wordengunstige uitgangssituaties ontwikkeld voor een toekomstbestendignetwerk van grote wateren met ecologisch goed functionerend water enhoogwaardige natuur. De werkzaamheden die in dit kader wordenuitgevoerd, scheppen meer ruimte voor natuurlijke processen in en langshet water, zorgen voor betere verbindingen tussen grote wateren en hunomgeving, en voegen ontbrekende leefgebieden toe. Gebruik en beheervan de grote wateren moet passen binnen de randvoorwaarden van hetecosysteem van die wateren. De te nemen inrichtingsmaatregelen wordenmede aan de hand van de nieuwe klimaatscenario’s ontworpen.Domein Landbouw, natuur en milieuLandbouwDe land- en tuinbouw zal in de toekomst, net als vele andere sectoren, temaken krijgen met de zwaarder wordende gevolgen van klimaatveran-dering, maar de impact kan verschillen per sector, teelt, bodemsoort engebied. Piekbuien kunnen in heel Nederland voor wateroverlast zorgen. Inmidden- en laag-Nederland zullen de uiterwaarden van rivieren in tijdenvan aanhoudende neerslag vaker onder water staan, ook in het groei-seizoen, wat een risico oplevert voor gewassen die hier niet tegen bestandzijn. In het Heuvelland van Limburg reageren de Maas en haar zijtakkenmet extremere en snellere hoogwaterstanden op piekbuien. Langdurigeredroogte is met name een risico op de hoge zandgronden zonder water-aanvoer in Oost- en Zuid-Nederland. Voor de veenweidegebieden inlaag-Nederland betekent langdurige droogte meer risico op bodemdaling.In het westen en noorden van het land langs de kust, en in Flevoland, isverzilting in combinatie met droogte en bodemdaling een risico, wat deland- en tuinbouw in de zuidwestelijke delta en kapitaalintensieve8https://www.deltaprogramma.nl/binaries/deltacommissaris/documenten/publicaties/2024/04/24/deltascenarios-2024-hoofdrapport/Deltascenario%27s+2024+Hoofdrapport.pdf9Kamerstuk 31 710, nr. 84.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13865 zoutgevoelige teelten raakt, zoals de boomteelt (Boskoop), de teelt vanbloembollen (Duin- en bollenstreek, kop van Noord-Holland) en pootaard-appelen in Noord-Nederland. Bij de fruitteelt spelen risico’s doornachtvorst, hitte en zonnestraling. Extremer weer leidt tot hittestress bijlandbouwhuisdieren in stallen, weiden en bij transport, minder voer vaneigen land, en dieren die in extreme natte of warme perioden minder naarbuiten kunnen.Om de land- en tuinbouw weerbaarder te maken heeft het Ministerie vanLandbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) in 2019, samen met hetMinisterie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW), de Land- en TuinbouwOrganisatie Nederland (LTO), de Unie van Waterschappen (UvW), hetInterprovinciaal Overleg (IPO), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten(VNG) en het Verbond van Verzekeraars, het Actieprogramma klimaat-adaptatie landbouw ontwikkeld10. Dit programma is bedoeld omondernemers in de land- en tuinbouw in 2030 voorbereid te laten zijn opklimaatverandering. In juli 2022 is over de voortgang aan de Kamergerapporteerd en aangegeven dat het programma in de periode2023–2027 wordt gecontinueerd en verdiept, passend bij de opgaven opkorte, middellange en langere termijn11. De nieuweKNMI-klimaatscenario’s worden daarbij gebruikt om het actieprogrammaactueel te houden en het belang van klimaatadaptatie te blijvenbenadrukken. De scenario’s worden door het Ministerie van LNV ookgebruikt om nieuwe acties voor beleid voor klimaatrobuuste landbouw ingang te zetten en voor het ontwikkelen van de klimaatstresstest voorboerenbedrijven, alsook voor het opstellen van impactkaarten voorklimaatkwetsbare landbouwgebieden.NatuurZonder ingrijpen leidt klimaatverandering tot onomkeerbare gevolgenvoor de al sterk onder druk staande natuur. Verdroging in natuurgebiedenzal toenemen, met verdere schade en verlies aan natuur door het lokaaluitsterven van soorten, de grotere kans op natuurbranden en het snellerdroogvallen van vennen en beken. Veranderende standplaatscondities(zoals waterbeschikbaarheid en waterkwaliteit, een vroeger groei- enbloeiseizoen) kunnen leiden tot vertrek van dier- en plantensoorten uit hunleefgebied. Aangezien veel soorten het snel veranderend klimaat nietkunnen bijbenen treedt er een afname in biodiversiteit op. Veranderingenbinnen ecosystemen werken door in de diensten die deze systemenleveren, zoals waterzuivering, kustbescherming, het vastleggen van CO2,beheersing van ziekten en plagen, en recycling van nutriënten.Toename van hitte en droogte, zoals geschetst in de nieuwe klimaatscena-rio’s, vergroot het risico op natuurbranden. Meer, grotere en gelijktijdigeonbeheersbare natuurbranden hebben een negatieve invloed op devolksgezondheid, tasten mogelijk vitale infrastructuur aan en leiden totverlies van natuurwaarde. Daarom is het noodzakelijk natuurbrandpre-ventie en -bestrijding in Nederland te versterken. In lijn met het deVeiligheidsstrategie voor het Koninkrijk der Nederlanden, wordt eenlandelijk crisisplan vastgesteld en de mogelijkheid verkend voor eenlandelijk expertisecentrum. De komende jaren zal verder uitgewerktmoeten worden hoe het natuurbrandrisico structureel meegenomen kanworden in de ruimtelijke ordening en het beheer van de natuur.Invasieve exoten kunnen schadelijk zijn voor biodiversiteit en ecosys-temen, volksgezondheid, economie en andere terreinen. Klimaatveran-10Kamerstuk 35 300 XIV, nr. 70.11Kamerstuk 35 925 XIV, nr. 159.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13866 dering vergroot de vestigingskans en verspreiding van dergelijke exoten,zoals termieten waarvoor ons klimaat voorheen te koud was. Klimaatver-andering kan ook de gevolgen van invasieve exoten vergroten enonvoorspelbaarder maken. Door weersextremen wordt de inheemsenatuur extra kwetsbaar, wat ruimte schept voor invasieve exoten.Verdroging, verzilting en overstromingen spelen hierbij een rol. Nederlandgeeft uitvoering aan de Europese Exotenverordening, waarbij preventie,beheer en herstel centraal staan. Het Ministerie van LNV stelt samen metprovincies en andere betrokkenen een voorstel op voor een landelijkaanvalsplan zoals gevraagd door de Kamer via de motie Van Campen c.s.en de motie Van der Plas12.Klimaatverandering vergroot de kwetsbaarheid van sommige soorten enhabitattypen die beschermd zijn onder de EU Vogel- en Habitatrichtlijn(VHR) voor drukfactoren zoals stikstofbelasting en een ontoereikendewaterkwaliteit en -kwantiteit. Nu al wordt voor veel soorten en habitat-typen de gunstige staat van instandhouding, de centrale verplichting vande VHR, niet gehaald. Maatregelen tot herstel van natuur zijn dus vangroot belang. In veel gevallen gaan deze maatregelen gelijk op metklimaatrobuuste maatregelen. De Europese Commissie kan in geval vanklimaatverandering afwijken van de verplichtingen uit de VHR opvoorwaarde dat er geen andere verklarende factoren zijn die het nietnakomen van die verplichtingen veroorzaken.Om te kunnen omgaan met de effecten van klimaatverandering op denatuur en deze in te perken én om natuur in te zetten bij klimaatadaptatiein de fysieke leefomgeving, wordt het Actieprogramma KlimaatadaptatieNatuur ontwikkeld. Samen met medeoverheden en terreinverantwoorde-lijken wordt ingezet op optimaliseren van de huidige situatie zoalsefficiënter omgaan met het beschikbare water (korte termijn strategie),meebewegen met klimaatverandering door aanpassen aan de natuurlijkeomstandigheden (middellange termijn strategie), en transformeren doorfundamentele en systemische veranderingen, zoals een levend water- enbodemsysteem en natuurinclusiviteit leidend laten zijn in ruimtelijkekeuzes (lange termijn strategie).Klimaatadaptatie en -mitigatie met natuurNatuur biedt ook kansen om negatieve gevolgen van klimaatveranderingvoor de samenleving te beperken en kruisbestuiving met andere opgavente realiseren. Dit komt bijvoorbeeld naar voren bij de inzet van AgendaNatuurinclusief. Deze publiek-private samenwerking bevordert het gebruikvan natuurinclusieve maatregelen en op de natuur gebaseerde oplos-singen om klimaatbestendigheid van onze woon-, werk en leefomgevingte vergroten. De maatregelen hebben daarnaast positieve effecten oponder andere gezondheid, welzijn en biodiversiteit.Deze kruisbestuiving staat ook centraal in het Nationaal ProgrammaLandelijk Gebied (NPLG), waarmee integraal en gebiedsgericht wordttoegewerkt naar een leefbaar, gezond, vitaal en toekomstbestendiglandelijk gebied. Water, natuur en klimaat worden in samenhang bekekenzodat in één keer de noodzakelijke stappen kunnen worden genomen. Zovergroot het gebruik van landschapselementen voor groenblauwedooradering, bijvoorbeeld het waterbergend vermogen en creëert het eentoevluchtsoord en migratiemogelijkheden voor biodiversiteit in hetlandelijk gebied. Daarmee wordt bijgedragen aan zowel de vitaliteit vande natuur, alsook aan de weerbaarheid van de landbouwsector en onzevoedselvoorziening.12Kamerstuk 36 410 XIV nrs. 11 en 12Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13867 Kruisbestuiving is ook mogelijk bij veenweidegebieden die een belang-rijke rol spelen bij zowel aanpassing aan klimaatverandering als hettegengaan van klimaatverandering. Veenweidegebieden zijn in staat omveel water vast te houden en zo bij te dragen aan het tegengaan vanverdroging. Dit vraagt wel om keuzes over flexibel peilbeheer viameebewegen met natuurlijke omstandigheden, passend bij het natuur-doeltype. In de droge zomermaanden is het wenselijk het waterpeil in deveenweidegebieden hoog te houden om zo veenoxidatie te verminderenter vermindering van de uitstoot van broeikasgassen.Ook bossen spelen een belangrijke rol bij zowel mitigatie als adaptatie. Inhet klimaatakkoord is afgesproken dat 0,4 tot 0,8 Mton CO2 wordtvastgelegd in bomen, bos en natte natuur (mitigatie). Daarnaast dragenbossen bij aan het verbeteren van hydrologische condities en hetverkoelen van de omgeving (adaptatie). Omdat uitbreiding van weerbaarbos dus voor zowel mitigatie als adaptatie noodzakelijk is, bevat delandelijke Bossenstrategie de ambitie om in Nederland tien procent meerbos te realiseren en bestaand bos te revitaliseren.Domein Mens en CultuurGezondheidKlimaatverandering kan grote gevolgen hebben voor de volksgezondheid,zoals extra doden en ziekte door hitte, meer huidkanker door een grotereblootstelling aan uv-straling, verandering van infectieziekterisico’s enblootstelling aan allergenen (met name pollen), een toename aanoverstroming gerelateerde gezondheidsklachten en meer mentalegezondheidsklachten (na extreemweer-gebeurtenissen alsook algemenegevoelens van onmacht of doemdenken). Een risico is ook dat maatre-gelen die worden genomen om klimaatverandering aan te pakken, zoalsmeer groen, naast positieve effecten voor de gezondheid, ook negatieveeffecten op kunnen leveren zoals een toename van infectieziekten enallergieën. In de loop van 2024 start de Gezondheidsraad samen met deWetenschappelijke Klimaatraad met het in kaart brengen van de stand vanwetenschap over gezondheidseffecten van klimaatverandering. Op hitteen infectieziekten wordt hieronder verder ingegaan.De klimaatscenario’s laten zien dat we in de toekomst vaker te makenkrijgen met langere en intensievere hittegolven. Hitte beïnvloedt degezondheid en het welzijn van kwetsbare groepen en leidt tot dalendeleer- en arbeidsprestaties op zeer warme dagen als gebouwen niethittebestendig zijn. Het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu(RIVM) heeft berekend dat nu al ongeveer 30% van de oversterfte tijdenshittegolven toe te schrijven is aan klimaatverandering. Hitte vereist eenaanpak op alle beleidsterreinen, omdat actie nodig is op de niveaus«gebied, gebouw en gedrag». Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijnen Sport (VWS) speelt een belangrijke rol bij voorlichting over gezondheiden het bevorderen van gezond gedrag, en heeft de stelsel-verantwoorde-lijkheid voor de inzet van zorginstellingen voor hun patiënten. Anderedepartementen, provincies en gemeenten hebben de bevoegdheden enmogelijkheden die om onze leefomgeving (gebied en gebouw) geschikterte maken voor een warmer klimaat.Momenteel vindt evaluatie van het Nationaal Hitteplan plaats, alsvoorbereiding op herziening om de Nederlandse bevolking beter voor tebereiden op hittegolven. In het Gezond en Actief Leven Akkoord zijnafspraken met gemeenten vastgelegd over de voorbereiding op hitte-golven via maatregelen in de leefomgeving en gezondheidsbevordering.Het akkoord beschrijft de rol van gemeenten in de coördinatie vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13868 bescherming van kwetsbare mensen tijdens hittegolven, inclusief de optieom lokale hitteplannen te ontwikkelen. In opdracht van het Ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) is de Menukaart Hitteontwikkeld, die gemeenten helpt bij het voorbereiden op hittegolven viahet opstellen van een integraal hitteplan13. Hitte wordt in (dicht)bebouwde gebieden nog versterkt door het hitte-eilandeffect. Specialeaandacht is nodig om gezondheidsverschillen te voorkomen doordatmaatregelen niet bij iedereen in gelijke mate terecht komen, waardoorgezondheidsachterstanden kunnen ontstaan.Klimaatverandering heeft ook invloed heeft op de mate waarin zoönosenen vector-overdraagbare infectieziekten voorkomen. Door stijgendetemperatuur en veranderende neerslagpatronen verandert de aanwe-zigheid, populatieomvang en seizoensritmiek van de dragers van deziekteverwekkers, de zogenaamde vectoren, zoals muggen, teken enzandvliegen, en van de ziekteverwekkers zelf. Bovendien kunnenadaptatiemaatregelen ongewild het leefgebied voor vectoren en ziektever-wekkers vergroten, bijvoorbeeld door toepassing van meer groen enblauw in de stedelijke omgeving. De kans op contact met ziekteverwekkerszal dus toenemen, zeker nu we als gevolg van klimaatverandering onsgedrag veranderen en vaak meer buitenactiviteiten ondernemen.Kwantificatie van het toekomstige risico is nog niet mogelijk, maar het isvan belang om nu al samen met provincies, waterschappen engemeenten, maatregelen te nemen tegen de nieuwe risico’s opinfectieziekten.Kwetsbare burgersToekomstbestendig wonen gaat niet alleen over bouwtype of locatie,maar ook over gezondheid, energietransitie, klimaatadaptatie en-mitigatie, armoedebestrijding en verduurzamen van woningen.Kwetsbare burgers zijn als gevolg van hun woonsituatie (huur), sociale offinanciële situatie, vaak niet in staat ervoor te zorgen dat hun woningtoekomstbestendig is. De woning is daardoor mogelijk niet bestand tegenhitte en kou of tegen verzakkingen en wateroverlast. Omdat mensenmogelijk forse kosten moeten maken, of zichzelf (nog verder) in deschulden moet steken, om hun woning te verzekeren, schade te herstellenof een andere woning te zoeken, kan de kwetsbare groep door klimaatver-andering nog kwetsbaarder worden. Dit wordt overigens niet alleenveroorzaakt door een gebrek aan financiële middelen, maar ook doorbeperkingen in het doenvermogen.Aandacht is dus nodig om te voorkomen dat klimaatverandering tottoename van bestaansonzekerheid voor kwetsbare groepen leidt. Het gaatniet alleen om hulp bij isolatie van huizen, maar ook om aanpak vanwijken. Versteende wijken, vaak met veel hoogbouw, zijn kwetsbaaromdat de hitte hier vastgehouden wordt. Inzet op vergroening is nodigom deze hitte-effecten tegen te gaan, waarbij voor de soortkeuze welrekening moet worden gehouden met de eisen die het veranderendeklimaat stelt. Het eindrapport «Keuzewijzer Klimaat en Energie»14 en hetNationaal Plan Energiesysteem15 vragen ook extra aandacht voor hetrichten van de verduurzamingsaanpak op huizen in de meest kwetsbarewijken. In het kader van de eerdergenoemde Nationale Aanpak Klimaat-adaptatie voor de gebouwde omgeving wordt ook gekeken naarbestaande bouw, zij het dat dit nog minder vergevorderd is in vergelijking13https://infographics.rvo.nl/klimaatadaptatie/menukaart-hitte/14Kamerstuk 32 813, nr. 1317.15Kamerstuk 32 813, nr. 1319.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 13869 met nieuwbouw als gevolg van de grotere uitdagingen en complexiteit bijbestaande situaties.Cultureel erfgoedCultureel erfgoed is onderdeel en mede vormgever van het ruimtelijkdomein. Het biedt kennis over het verleden en houvast in een snelveranderend landschap. De klimaatscenario’s bevestigen de urgentie in deaanpak ten aanzien van cultureel erfgoed. Zelfs in het meest optimistischescenario krijgen de vaak kwetsbare monumenten, musea, cultuurland-schappen, archieven en tradities te maken met de gevolgen van klimaat-verandering. Zo kan droogte schade veroorzaken aan de funderingen vanwaardevolle gebouwen, historische parken, natte archeologie enlandgoederen. Kunstcollecties in musea kunnen bijvoorbeeld te makenkrijgen met waterschade. De nieuwe scenario’s en de nog uit te voerenklimaatstresstesten in 2025 helpen bij bewustwording over klimaatveran-dering en bij het in beeld brengen van de mogelijke gevolgen en risico’svan klimaatverandering op cultureel erfgoed.Domein Wonen en WerkenDe gebouwde omgeving en ruimtelijke ordeningIn de gebouwde omgeving is de impact van klimaatverandering grootdoor het samenkomen van functies als wonen, werken en recreëren.Naast de hierboven al besproken gevolgen van toenemende hitte, kunnenook andere weersextremen flinke overlast en schade veroorzaken in deopenbare ruimte en aan woningen en andere gebouwen. De klimaatsce-nario’s bevestigen dat we niet kunnen wachten, maar dat onze dorpen ensteden versneld klimaatbestendig moeten maken.Aanpassen aan klimaatverandering betekent ook dat we ons land dekomende eeuw anders moeten inrichten en gebruiken. De doelstelling inde contourennotitie Nota Ruimte is Nederland ondanks de effecten vanklimaatverandering op langere termijn veilig en leefbaar te houden16.Door een gezonde en veilige leefomgeving vroegtijdig en volwaardig inbesluitvorming mee te wegen, blijft erin Nederland ook in de toekomstruimte voor duurzame economische en ruimtelijke ontwikkelingen. HetRuimtelijk afwegingskader voor een klimaatadaptieve gebouwdeomgeving helpt provincies en andere overheden bij het maken van eenklimaatbestendige locatiekeuze bij nieuwbouw, in het licht van detoenemende klimaatrisico’s zoals wateroverlast, overstromingen,bodemdaling en drinkwaterbeschikbaarheid17. Het water- en bodem-systeem is hierbij leidend, zoals aangekondigd in de Kamerbrief Water enBodem Sturend18. In de Nota Ruimte wordt een doorkijk gegeven naar deruimtelijke inrichting van Nederland in 2100, rekening houdend met denieuwe klimaatscenario’s.Om klimaatbestendigheid van de bebouwde omgeving te vergoten heefthet Ministerie van BZK samen met de Ministeries van IenW en LNV deNationale Aanpak Klimaatadaptatie voor de gebouwde omgevingontwikkeld19. Als uitwerking daarvan is de landelijke Maatlat voor eengroene klimaatadaptieve gebouwde omgeving gepresenteerd, om bijnieuwbouw rekening te kunnen houden met de klimaateffecten voor dethema’s wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen,16Kamerstuk 29 435, nr. 264.17Kamerstuk 27 625, nr. 666.18Kamerstuk 27 625, nr. 592.19Kamerstuk 32 813, nr. 1149.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 138610 bodemdaling en biodiversiteit20. De grotere urgentie die volgt uit denieuwe klimaatscenario’s, benadrukt het belang om beleid voor deklimaatadaptieve gebouwde omgeving juridisch te borgen.De Programmatische aanpak Groen in en om de Stad is gericht op hetmeenemen van groen in de stedelijke ontwikkelingen door de functies vangroen, zoals gezondheid, klimaatadaptatie, biodiversiteit en aantrekke-lijkheid integraal te bezien21. Er is een nauwe samenwerking tussen dezeprogrammatische aanpak en de inzet op de Nationale aanpak Klimaat-adaptatie Gebouwde Omgeving.Veiligheid en crisisbeheersingAangezien klimaatverandering tot steeds extremere en zelfs maatschappijontwrichtende situaties kan leiden, zoals overstromingen en natuur-branden, is het een belangrijk aandachtspunt binnen de Veiligheidsstra-tegie voor het Koninkrijk der Nederlanden22. Actielijn 9 van deze strategiericht zich specifiek op intensivering van klimaatadaptatie en mitigatie.Daarnaast zijn de gevolgen van klimaatverandering ook een belangrijkthema binnen andere actielijnen, zoals de bescherming van de vitaleinfrastructuur (actielijn 10) en versterking van de crisisbeheersing enparaatheid van de samenleving (actielijn 12).De vitale infrastructuur is het fundament waarop de Nederlandsesamenleving draait. Elektriciteit, toegang tot internet, drinkwater enbetalingsverkeer zijn hier voorbeelden van. Uitval, verstoring of manipu-latie van deze processen kan grote gevolgen hebben voor het functio-neren van de Nederlandse en Europese economie en maatschappij, en inhet uiterste geval zelfs een bedreiging vormen voor de nationaleveiligheid. Het is belangrijk de vitale infrastructuur te beschermen tegendreigingen, waaronder klimaatverandering. Binnen de Aanpak vitaalwerken overheden, bedrijven en organisaties nauw samen aan hetverhogen van de weerbaarheid van de vitale infrastructuur23.Het beoordelen van de risico’s van klimaatverandering voor vitaleinfrastructuur en het nemen van passende maatregelen, wordt juridischverankerd met de implementatie van de EU Critical Entities Resiliencedirective (CER-richtlijn). Deze richtlijn biedt een wettelijk kader voorverbetering van de weerbaarheid van vitale infrastructuur tegen fysiekerisico’s. Bij het beoordelen van risico’s voor de vitale infrastructuur tengevolge van klimaatverandering wordt rekening gehouden met de nieuweklimaatscenario’s. Departementen en aanbieders van vitale processenzullen deze gebruiken bij het uitwerken van de weerbaarheid van vitaleprocessen die onder hun verantwoordelijkheid vallen. Waar nodig wordenmaatregelen genomen om de continuïteit van hun diensten tewaarborgen.De voorbereiding op mogelijke rampen en crises vraagt, gegeven deuitdagingen die extreem weer met zich meebrengt, in toenemende mateom zowel regionale als landelijke aandacht. Gezamenlijke voorbereidingvan Rijk, veiligheidsregio’s en andere crisispartners krijgt mede vorm inlandelijke crisisplannen op het gebied van hoogwater en overstroming,natuurbranden en infectieziekten. De eerder genoemde bovenregionalestresstesten kunnen hieraan bijdragen. Het Nederlands Instituut PubliekeVeiligheid is een meerjarig kennisprogramma gestart om de nieuwe20Kamerstuk 32 813, nr. 119521Kamerstuk 33 576, nr. 352.22Kamerstuk 30 821, nr. 178.23Kamerstuk 30 821, nr. 182.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 138611 scenario’s door te vertalen naar de betekenis voor de hulpverlening encrisispraktijk. Ook wordt ingezet op ondersteuningsmiddelen ten behoevevan de advisering door onder meer veiligheidsregio’s aan bevoegdegezagen over de veiligheid in relatie tot te nemen klimaatadaptatiemaatregelen.Een goed functionerende early warning keten is een (kosten)effectievemaatregel voor aanpassing aan het klimaat en om schade en slachtofferste voorkomen. Het KNMI Early Warning Center vormt hiervoor de basis.InfrastructuurKlimaatverandering heeft gevolgen voor het hoofdvaarwegen, spoor- enwegen-net en het hoofdwatersysteem. Bij beslissingen over aanleg,vervanging en renovatie, alsook het beheer, onderhoud en gebruik vaninfrastructuur, moet rekening worden gehouden met deze gevolgen. Viaeen risicoanalyse, uitgaande van de nieuwe klimaatscenario’s, kunnenmaatregelen zo actueel mogelijk worden afgewogen, rekening houdendemet de begroting, kosten en te leveren prestaties.Rijkswaterstaat en ProRail werken met een langjarige planning voorvervanging, renovatie en beheer en onderhoud op het hoofdvaar/spoor/weg-net en het hoofdwatersysteem. Om inzichtelijk te maken of deKNM’23-klimaatscenario’s nieuwe risico’s met zich meebrengen, voertRijkswaterstaat een tussentijdse quickscan uit. Het Ministerie van IenW zalbekijken hoe met die risico’s moet worden omgegaan. Rijkswaterstaat enProRail gebruiken de klimaatscenario’s ook bij de stresstesten uit hetDeltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie.Ook de drinkwaterinfrastructuur loopt door klimaatverandering risico’s.Uit de nieuwe klimaatscenario’s blijkt dat risico’s voor de beschikbaarheidvan drinkwater groter zijn dan tot op heden werd aangenomen. Drinkwa-tervoorziening is een eerste levensbehoefte en behoort daarom tot devitale infrastructuur. Grootschalige uitval of verstoring leidt tot aanzien-lijke maatschappelijke en economische schade en kan een bedreigingvormen voor de nationale veiligheid. Aanpassing aan klimaatveranderingis door de aanbieders van aan drinkwatervoorziening verbondenprocessen als primair belang aangemerkt.EnergieOok de elektriciteitsvoorziening behoort tot de vitale infrastructuur. Eenmogelijk gevolg voor het energiesysteem door klimaatverandering, is eenafname van de energievraag voor verwarmen tijdens warmere winters. Inwarmere zomers zal er daarentegen een toenemende energievraag zijnvoor koeling, maar de extra zonneschijn is gunstig voor de productie vanduurzame energie. Voor de productie van waterstof is de beschikbaarheidvan zoetwater belangrijk en toename van droogte en verzilting zet ditonder druk. Als rivierwater warmer wordt, neemt bovendien de beschik-baarheid van koelwater voor elektriciteitsproductie af.Omdat energie de basis is voor veel dagelijkse processen is het essentieeldat het energiesysteem altijd functioneert. We hebben in Nederland eengrote mate van leveringszekerheid, maar klimaatverandering leidt totnieuwe risico’s voor het energiesysteem. Overstromingen en weersex-tremen kunnen bijvoorbeeld leiden tot een grotere kans op het uitvallenvan energienetwerken. Als het energiesysteem te maken krijgt met degevolgen van klimaatverandering kan dit mogelijk ook weer doorwerkenin andere sectoren, de zogeheten cascade-effecten, wat mogelijk leidt toteen hoger risico op maatschappelijke ontwrichting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 138612 De netbeheerders signaleren risico’s met betrekking tot uitval van vitaleenergie-infrastructuur en passen waar nodig maatregelen toe om uitval tevoorkomen. Via de Aanpak Vitaal wordt gewerkt aan het beperken van dekans op uitval van vitale infrastructuur, waaronder energie-infrastructuur,mede als gevolg van de effecten klimaatverandering. In het NationaalUitvoeringsprogramma Klimaatadaptatie is daarnaast geconstateerd dater behoefte is aan een concretere uitwerking van beleidsdoelen voor deklimaatbestendigheid van het energiesysteem. Deze concretere doelenzullen de komende tijd worden ontwikkeld en in het proces richtingherijking van de Nationale Klimaatadaptatiestrategie worden meege-nomen.LuchtvaartDe nieuwe klimaatscenario’s laten een toename van de frequentie enhevigheid van extreem weer zien, wat mogelijk een grote impact heeft opde luchtvaart. Het belangrijkste risico is een instabiele atmosfeer waarbijvalwinden ontstaan die, als deze zich kort voor de landing of kort na destart voordoen, een toestel kunnen laten neerstorten. In extreme gevallenkunnen bij hevige neerslag motoren uitvallen. Helikopters kunnen tijdensextreem weer minder of helemaal niet worden gebruikt, wat gevolgenheeft voor de inzet van bijvoorbeeld kustwacht en politie, maar ook voorbemensing en bevoorrading van platforms op de Noordzee. Hevigeneerslag leidt tot verminderd zicht wat het risico vergroot op ongelukken.Tijdens het taxiën levert verminderd zicht een beperkt risico op, maaromdat in zulke gevallen zekerheidshalve de luchthavencapaciteit beperktwordt, treden toch vertragingen op.Een hogere temperatuur heeft een beperkt positief effect voor deluchtvaart. Door afname in het aantal ijsdagen zijn start- en landingsbanenbeter beschikbaar en treedt «icing», waarbij ijs zich vastzet op vleugels ofwieken, pas op grotere hoogte op. Er is dan minder behoefte aan de-icingop de grond en helikopters kunnen hoger vliegen, wat leidt tot mindergeluidshinder. Anderzijds daalt bij extreem hoge temperaturen deluchtdichtheid waardoor meer snelheid nodig is om de benodigdehoeveelheid lift te krijgen of te houden. Er is dan een grotere baanlengtenodig om op te stijgen of te landen en er is meer vermogen nodig watleidt tot een toename van de uitstoot van verbrandingsgassen entoestellen luider zijn.ToerismeAfgelopen zomer heeft laten zien dat klimaatverandering ook gevolgenheeft voor de toerisme- en recreatiesector. Bestemmingen wereldwijdkunnen veranderen, net als het toeristisch aanbod en de toeristischeaantrekkelijkheid van Nederland. Klimaatverandering kan dus zowel eenbedreiging zijn voor de recreatie- en toerismesector, maar ook kansenbieden. De exacte gevolgen moeten nog worden bepaald, maar belang-rijke randvoorwaarden voor de sector, zoals waterkwaliteit, landschap entoegankelijkheid, kunnen veranderen. Meer inzicht in het effect van hetveranderende klimaat op toeristisch Nederland zal ondernemers helpenbij ontwikkeling van adaptatiestrategieën. Daarom wordt de komendemaanden bekeken hoe het Rijk, samen met branches, het NederlandsBureau voor Toerisme en Congressen (NBTC) en kennisinstellingen eendoorvertaling kan maken.Financiële SectorFinanciële instellingen zijn steeds meer bezig om duurzaamheidsrisico’s teidentificeren en te beheersen, waaronder beheersing van aanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 138613 klimaatverandering-gerelateerde risico’s zoals overstromingen, droogteen extreem weer. Om dat goed te kunnen doen is het belangrijk datinstellingen inzicht hebben in de mogelijke gevolgen van klimaatveran-dering. Hiervoor zijn de klimaatscenario’s van het KNMI cruciaal. Degevolgen van extreem weer voor de financiële stabiliteit lijken uitonderzoeken vooralsnog beheersbaar, maar analyses met deKNMI-klimaatscenario’s zijn nodig om meer zekerheid te krijgen.Caribisch NederlandDe klimaatscenario’s laten zien dat Bonaire, Saba en Sint Eustatius sterkgetroffen kunnen worden door klimaatverandering. In CaribischNederland nemen de temperatuur en de windsnelheid toe en de neerslagaf. Bij het lage uitstootscenario neemt de neerslag enigszins af en stijgt detemperatuur tot 2050 waarna ze ongeveer gelijk blijft. Bij het hogeuitstootscenario neemt de neerslag meer af en blijft de temperatuurstijgen, ook na 2050. Sint Eustatius en Saba krijgen in de toekomst vakerte maken met zware orkanen met veel regen. Voor Bonaire geldt dat niet.Naar verwachting zal de zeespiegel bij Bonaire rond 2050 circa 14–37centimeter zijn gestegen ten opzichte van het huidige niveau. Rond 2100zal dit naar verwachting 31–127 centimeter zijn. Voor Sint Eustatius enSaba wordt een iets minder sterke zeespiegelstijging verwacht. Ook voorCaribisch Nederland geldt dat als onzekere processen, zoals het afsmeltenvan de ijskap op de Zuidpool, al vóór 2100 optreden, een veel sterkestijging mogelijk is.Om de uitdagingen van de eilanden voor veiligheid, gezondheid,bestaanszekerheid, economie, biodiversiteit en cultureel erfgoed hethoofd te bieden, werkt het kabinet samen met de bestuurscolleges vanBonaire, Saba en Sint Eustatius aan een klimaatplan per eiland24. Dieklimaatplannen zien zowel op adaptatie als op mitigatie, moeten eenoplossing bieden voor de bedreigingen rond klimaatverandering, eninzicht geven in de kansen die er voor de eilanden liggen. Voorop staat datde klimaatplannen tot stand moeten komen dóór en vóór de inwoners vanBonaire, Saba en Sint Eustatius en rekening moeten houden met lokaleomstandigheden.Gezien de urgentie van het klimaatbestendig maken van CaribischNederland, werkt het kabinet tijdens de demissionaire periode volop door,samen met de Openbare Lichamen. De openbare lichamen Bonaire, St.Eustatius en Saba zijn ook aangesloten bij International Panel for Deltasand Coastal Areas (IPDC). Deltares, de penvoerder van IPDC, werkt samenmet het KNMI en stichting Climate Adaptation Services (CAS) aan het inbeeld brengen van klimaatrisico’s en klimaatscenario’s die als basisfungeren voor toekomstig beleid. Het kabinet biedt hierbij ondersteuningen een duidelijk aanspreekpunt vanuit Europees Nederland. Voorondersteuning van het opstellen van de klimaatplannen, wil het kabinetstarten met een eerste investering van € 1 miljoen, in afwachting van devoorjaarsbesluitvorming. Dit zal worden gedekt via de begrotingen van deMinisteries van BZK, EZK en IenW. De investering is bedoeld voor lokaleondersteuning, aanvullende kennisvragen, het betrekken van inwoners inde klimaatplannen en adequate informatievoorziening. Het bedrag komtboven op de bestaande investeringen rond mitigatie en adaptatie.24Kamerstuk 32 813, nr. 1312.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 138614 Besluitvorming over de nieuwe klimaatplannen en de extra middelen voorCaribisch Nederland zal naar verwachting plaatsvinden door een volgendkabinet.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,M.G.J. HarbersTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 813, nr. 138615
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.