Stand van zaken verbetermogelijkheden ANBI-regeling
Brontekst
Versie 2747fc7288f4bc31 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 126 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 1 juni 2026Op 1 juli 2025 heeft mijn ambtsvoorganger de kabinetsreactie op hetrapport «evaluatie ANBI- en SBBI-regelingen»1 naar uw Kamer gestuurd.2In de kabinetsreactie is aangegeven dat de belangrijkste boodschap uit deevaluatie is dat de verbetering van de dataverzameling voor het toezichtop ANBI’s met de introductie van de ANBI-portal prioriteit moet hebbenen dat naast de eigen toezichtsactiviteiten van de Belastingdienst meeringezet zou kunnen worden op vormen van sectorale regelgeving, codesen zelfregulering. Aan het slot van de kabinetsreactie is een aantalmaatregelen en nadere onderzoeken naar aanpassingsmogelijkhedenaangekondigd. Met deze brief informeer ik u over de stand van zaken vandeze maatregelen en onderzoeken. Daarnaast informeer ik u over deuitvoering van de moties Bakker-Klein3, Diederik van Dijk4 en Stultiens enDijk.5Graag benadruk ik vooraf dat het kabinet zeer grote waardering heeft voororganisaties die zich inzetten voor het algemeen belang. Deze organisatiesvervullen een onmisbare rol in onze samenleving, doordat zij bijvoorbeeldbijdragen aan het behoud van cultureel erfgoed en aan het uitvoeren vanwaardevol wetenschappelijk onderzoek. Ik vind het daarom ook belangrijkdat deze organisaties door de ANBI-status fiscaal erkend worden endaarmee ook de ruimte krijgen om zich hiervoor in te blijven zetten. Ditbetekent tegelijkertijd wel dat organisaties die zich niet inzetten voor hetalgemeen belang ook niet in aanmerking zouden moeten kunnen komenvoor een ANBI-status en daarmee gepaarde fiscale voordelen. Om de1Kamerstukken II 2024/25, 36 600-IX, nr. 42.2Kamerstukken II 2024/25, 36 600-IX, nr. 46. Daarin is tevens ingegaan op het rapport «Fiscaalonderzoek naar het vermogen in familiestichtingen» voor zover dat betrekking heeft opalgemeen nut beogende instellingen (ANBI’s).3Kamerstukken I 2024/25, 36 602, N.4Kamerstukken II 2025/26, 30 950, nr. 472.5Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1490. kst-36812-126ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1261 goedwillende maatschappelijke organisaties niet te belemmeren, richt ikmij daarom op het voorkomen van oneigenlijk gebruik van deANBI-regeling.1. Motie Bakker-Klein De regeling «geven uit de vennootschap» werd per 1 januari 2024ingevoerd. Als gevolg van het Belastingplan 2025 is de regeling echter per1 januari 2025 weer afgeschaft. Een amendement op het Belastingplan2025 om de afschaffing van de regeling «geven uit de vennootschap» per1 januari 2025 niet te laten doorgaan6, is niet aanvaard met als gevolg datdeze regeling uiteindelijk maar één jaar heeft bestaan. Wel is tijdens debehandeling in de Eerste Kamer van het Belastingplan 2025 de motieBakker-Klein (CDA), Van der Goot (OPNL) en Holterhues (CU)7 aange-nomen. Deze motie verzoekt het kabinet om met de sector in overleg tetreden over de impact van het afschaffen van de regeling «geven uit devennootschap» en mogelijke alternatieven daarvoor in samenspraak metde sector te verkennen. Gelet op de korte bestaansduur en het ontbrekenvan gegevens uit de aangiften over 2024 valt er op dit moment (nog) nietste zeggen over de impact van de afschaffing. De planning is dat degiftenaftrek in 2028 wordt geëvalueerd. Deze evaluatie zal zich richten opde belangrijkste wijziging van de afgelopen jaren, namelijk de beperkingvan de periodieke giftenaftrek per 2023 tot een bedrag van € 250.000 perjaar en sinds 2025 € 1.500.000 per jaar. Vanwege de inhoudelijkesamenhang met de afschaffing van de regeling «geven uit vennootschap»zal deze afschaffing ook worden meegenomen. Op dat moment zijn degegevens uit de aangiften over 2024 – het jaar waarin de regeling «gevenuit de vennootschap» van kracht is geweest – ook bekend.In de gesprekken met de filantropiesector komt naar voren dat de sectorhet betreurt dat de regeling «geven uit de vennootschap» zonderalternatief is afgeschaft. Daarom hebben Goede Doelen Nederland en hetInterkerkelijk Contact in Overheidszaken (CIO) de adviescommissieRinnooy Kan gevraagd hierover te adviseren. In dit advies wordt naderingegaan op de vormgeving van een alternatief voor de regeling «gevenuit de vennootschap» en wordt gepleit voor de introductie van datalternatief. Zoals ik heb aangekondigd in het Commissiedebat interna-tionale en nationale fiscaliteit, kom ik voor de zomer met een reactie op ditadvies waarin ook nader zal worden ingegaan op het voornemen van hetkabinet om rentmeestervennootschappen in de wet als rechtsvorm op tenemen.8Uit de eerdere evaluatie van de giftenaftrek kwam het invoeren van eengeefsubsidie als een mogelijk alternatief voor de giftenaftrek naar voren.Mijn ambtsvoorganger heeft op 30 juni 2025 een ambtelijk rapport over deaanpak van fiscale regelingen aan uw Kamer aangeboden waarin hetalternatief van een geefsubsidie is verkend.9 Bij een geefsubsidie ontvangtde ANBI een subsidiepercentage dat samenhangt met de hoogte van deontvangen giften. Uit de verkenning blijkt dat een geefsubsidie eenvou-diger en doenlijker zou kunnen zijn voor de donateur. Voor de ontvan-gende instellingen zullen de administratieve lasten wel (beperkt)toenemen. Naar verwachting zou de uitvoering van een geefsubsidie weleen flinke opgave zijn. Daarnaast zijn de kosten voor de ontwikkeling enimplementatie van een dergelijk «geefsubsidie platform» in dit stadium6Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 89.7Kamerstukken I 2024/25, 36 602, N.8Kamerstukken II 2025/26, 36 812, 123.9Kamerstukken II 2024/25, 32 140, nr. 266, bijlage p. 119–121. Giftenaftrek (2): omvorming totgeefsubsidie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1262 nog lastig in te schatten. Ook is de filantropiesector erg kritisch over degeefsubsidie. Het kabinet vindt het belangrijk om giften fiscaal aantrek-kelijk te houden en heeft dit dan ook opgenomen in het Coalitieakkoord.10Het kabinet is dan ook niet voornemens om een geefsubsidie alsalternatief voor de giftenaftrek verder te verkennen.2. Motie Van Dijk Het lid Diederik van Dijk (SGP) heeft op 23 september jl. een motieingediend die het kabinet verzoekt om beleid te ontwikkelen zodatorganisaties die zich antisemitisch uitlaten, terreur verheerlijken ofhaatpredikers uitnodigen hun ANBI-status verliezen.11 In 2024 heeft dit lideen vrijwel identieke motie12 ingediend die mijn ambtsvoorganger heeftvoorzien van een appreciatie.13 Voor mijn appreciatie van de motie van23 september jl. verwijs ik naar de appreciatie van mijn ambtsvoorgangerop de in 2024 ingediende motie. Net als bij mijn ambtsvoorganger is ookbij mij geen twijfel dat het verwerpelijk is wanneer organisaties –ongeacht of deze de ANBI-status hebben – zich antisemitisch uitlaten,terreur verheerlijken of sprekers uitnodigen die een gevaar vormen voorde nationale veiligheid. Het uitgangspunt is dat dergelijke handelingenstrafrechtelijk moeten zijn afgedaan, voordat de fiscale wetgeving hieraangevolgen kan verbinden. De belastinginspecteur mag en kan niet op destoel van de strafrechter gaan zitten. De zogenoemde integriteitstoets inde wet14 biedt al de mogelijkheid om in gevallen waar strafrechtelijkegrenzen zijn overschreden, bijvoorbeeld ingeval van onherroepelijkeveroordelingen wegens haatzaaien of toepassing van of aanzetten totgeweld, de ANBI-status af te wijzen of in te trekken. Deze toets houdtkortgezegd in dat de ANBI-status door de inspecteur wordt ingetrokken alshet hem kenbaar is dat de instelling of een bestuurder, feitelijk leidingge-vende of gezichtsbepalend persoon van die instelling onherroepelijk isveroordeeld wegens het – in die hoedanigheid – opzettelijk een in deANBI-regelgeving genoemd misdrijf heeft gepleegd. Sinds 2021 kan deANBI-status ook worden ingetrokken of worden geweigerd bij onherroe-pelijke veroordelingen voor (groeps)belediging, aanzetten tot haat,discriminatie of geweld. De Belastingdienst onderhoudt hiervoor contactmet het Openbaar Ministerie (OM). De ANBI-status wordt eveneensingetrokken als de inspecteur gerede twijfel heeft over de integriteit vande instelling of van bovengenoemde betrokken personen én de instellingof persoon ondanks een verzoek daartoe van de inspecteur, niet binnenzestien weken een verklaring omtrent gedrag (VOG) kan overleggen.Gerede twijfel veronderstelt dat de inspecteur niet te lichtvaardig kanovergaan tot het opvragen van een VOG.15 De wet biedt dus nu al demogelijkheid om in gevallen waar strafrechtelijke grenzen zijnoverschreden de ANBI-status af te wijzen of in te trekken. De motie kandan ook niet worden uitgevoerd, omdat deze overbodig is.10Coalitieakkoord 2026–2030 D66, VVD en CDA. Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 31, bijlagen.11Kamerstukken II 2025/26, 30 950, nr. 472.12Kamerstukken II 2023/24, 30 950, nr. 387. «Constaterende dat een instelling alleen een anbi kanzijn als ze zich nagenoeg geheel inzet voor het algemeen belang; overwegende dat organi-saties die terreur verheerlijken en haatpredikers uitnodigen afbreuk doen aan het algemeenbelang; verzoekt de regering zich met de Belastingdienst in te spannen om de anbistatus in tetrekken van organisaties die zich antisemitisch uitlaten, terreur verheerlijken of sprekersuitnodigen die een gevaar vormen voor de nationale veiligheid.»13Kamerstukken II 2023/24, 30 950, nr. 398.14Artikel 5b, achtste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.15Kamerstukken II 2019/20, 35 437, nr. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1263 3. Toezicht op ANBI’s Het toezicht op ANBI’s door de Belastingdienst wordt versterkt enverbeterd. Deze intensivering vindt plaats vooruitlopend op de verbe-tering van de informatiepositie van de Belastingdienst door het introdu-ceren van een ANBI-portal. Het ANBI-portal zal naar verwachting rond2030 volledig operationeel zijn. In de Fiscale Verzamelwet 2026, dieinmiddels in het Staatsblad is gepubliceerd, is de wettelijke grondslagvoor de ANBI-portal geregeld.16 Inmiddels is een verkenning gestart omhet ANBI-portal technisch mogelijk te maken.Daarop kan de verbetering van het toezicht op de circa 45.000 ANBI’s nietwachten. Mijn ambtsvoorganger heeft daarom toegezegd om op kortetermijn het toezicht op de ANBI’s te verbeteren en te versterken. Hiervooris een tactisch handhavingsplan ANBI’s opgesteld. In het plan wordtbeschreven welke stappen er worden gezet om inzicht te verkrijgen in detotale doelgroep met als doel het toezicht op ANBI-instellingen teversterken en te verbeteren. Daarnaast zal onder andere aandacht zijnvoor:•Het intensiveren van het toezicht op ANBI’s.•Verbeteren van de beschikbaarheid van data over ANBI’s.•Versterken en uitbreiden van de samenwerking met de filantropischesector.Samenwerking met de filantropische sectorSamenwerking tussen de Belastingdienst en de filantropische sector isefficiënt doordat de verschillende toezichthouders elkaar kunnenvertrouwen en daarmee kunnen leunen op elkaars werk. Ook verlicht ditvaak de regeldruk van de instellingen. Het op 2 december 2025 onderte-kende samenwerkingsconvenant van de Belastingdienst met GoedeDoelen Nederland, de Commissie Normstelling en het CBF: Toezicht opgoeddoen is daar een mooi voorbeeld van.17 Met dit vernieuwdeconvenant spreken partijen uit dat zij op elkaars beoordeling kunnenvertrouwen waar de normenkaders gelijkwaardig zijn en zijn er duidelijkeafspraken gemaakt over de samenwerking op de vlakken waarop denormenkaders van elkaar verschillen. Het CBF vervult een signaalfunctierichting goede doelen en het ANBI-team van de Belastingdienst. Dekomende periode zal de Belastingdienst zich blijven inzetten om desamenwerking met de filantropische sector te versterken en uit te breiden.Aanpak regeldruk en groepsbeschikkingenHet kabinet heeft voortkomend uit het onderzoek regeldruk bij vrijwilli-gersorganisaties en filantropische instellingen18 in 2023 een concreteaanpak regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropische instellingenaangekondigd.19 Zo wordt in het Handboek Meting Regeldrukkostenvoortaan expliciet aandacht besteed aan de mate van regeldruk voorvrijwilligersorganisaties en filantropische instellingen. Ook is inmiddelseen brede samenwerkingsstructuur met een kerngroep opgericht door de16Wet van 4 december 2025 tot wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten(Fiscale verzamelwet 2026). Stb 2025, nr. 431.17https://www.belastingdienst.nl/wps/wcm/connect/bldcontentnl/themaoverstijgend/brochures_en_publicaties/convenant-belastingdienst-erkenningsregeling-goede-doelen18Kamerstukken II 2022/23, 29 515, nr. 485. Eindrapport onderzoek regeldruk bij vrijwilligersorga-nisaties en filantropische instellingen uitgevoerd door Sira Consulting.19Kamerstukken 2024/2025 29 515, nr. 494. Staatssecretaris Maeijer (Langdurige en Maatschap-pelijke Zorg) en Staatssecretaris Struycken (Rechtsbescherming) informeren de Tweede Kamerover een concrete aanpak van regeldruk bij vrijwilligersorganisaties en filantropischeinstellingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1264 Ministeries van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en Justitie enVeiligheid met daarin een groep maatschappelijke partners. Binnen dezestructuur wordt toegewerkt naar concrete oplossingen voor de tien meestregeldruk veroorzakende verplichtingen, binnen de vastgestelde wettelijkekaders. Ten aanzien van de wettelijke verplichtingen waar al verbeter- ofonderzoekstrajecten over lopen of beleidsopties zijn omschreven zal bij devervolgstappen de kerngroep om advies worden gevraagd. Eén van dieverplichtingen betreft de ANBI-regelgeving, waarover in het genoemdeonderzoeksrapport de aanbeveling is gedaan om meer met groepsbe-schikkingen te werken. Door groepen op basis van bepaalde kenmerkeneen groepsbeschikking ANBI te geven, zou de ervaren regeldruk moetenafnemen. In de «evaluatie ANBI- en SBBI-regelingen»20 is geconstateerddat de mogelijkheid om een groepsbeschikking aan te vragen, bekend isbij de meerderheid van de ANBI’s maar dat de voorwaarden waaraan degroepsbeschikking is gebonden niet altijd bekend lijken te zijn. Dat terwijlde groepsbeschikking voor de Belastingdienst betere mogelijkheden kanbieden voor informatieverzameling, toezicht en handhaving ten opzichtevan alleenstaande ANBI’s.Een categorie instellingen of een groep met elkaar verbonden instellingenkan een verzoek indienen om bij één beschikking (groepsbeschikking)aangemerkt te worden als ANBI of culturele instelling. Het initiatief vooreen groepsbeschikking kan ook bij de inspecteur liggen. Er is sprake vaneen groep met elkaar verbonden instellingen indien de instellingen quaalgemeen nuttige doelstelling met elkaar zijn verbonden en de aanvragervan de groepsbeschikking bevoegd is om namens de andere instellingeneen dergelijke beschikking aan te vragen. Van belang hierbij is dat deinstellingen die deel uitmaken van die categorie of groep elk afzonderlijkaan alle ANBI-voorwaarden dienen te voldoen.Het doel van de groepsbeschikking is vooral een besparing op administra-tieve lasten van de betrokken instellingen omdat één groepsaanvraagvolstaat in plaats van individuele aanvragen. Daarnaast kan de groepsbe-schikking ertoe dienen om instellingen die bij elkaar horen, ook adminis-tratief bij elkaar te houden. Denk bijvoorbeeld aan ANBI’s met eensteunstichting ANBI. Voorts kan een groepsbeschikking de basis vormenom samen te werken op het gebied van informatie-uitwisseling of zelfsafspraken op het gebied van horizontaal toezicht te maken. Daarom zal opde communicatiekanalen van de Belastingdienst meer aandacht wordenbesteed aan de mogelijkheid tot het indienen van een verzoek tot eengroepsbeschikking.Andere verbeteringen om de regeldruk te verminderen, zijn (1) demogelijkheid om sinds voorjaar 2023 de ANBI-beschikking digitaal aan tevragen en (2) het online ANBI-loket van de Belastingdienst. Dit loket isbedoeld voor kleine en middelgrote aanvragers van een ANBI-status diebehoefte hebben aan praktische uitleg over het opzetten van een ANBI ende eisen die daaraan worden gesteld. Bezoekers van de website kunnenbovendien via het loket contact opnemen met het ANBI-team.Internationaal werkende ANBI’sTijdens het commissiedebat fiscaliteit van 11 maart jongstleden heb iktoegezegd in deze brief ook in te gaan op de vraag van het TweedeKamerlid Grinwis over de mogelijkheden voor ANBI’s om (financiële)ondersteuning te bieden aan – al dan niet buitenlandse – (partner)organi-saties zonder ANBI-status. Zoals mijn ambtsvoorganger in zijn brief van20Kamerstukken II 2024/25, 36 600 IX, nr. 42, par. 4.3.3. en p. 75.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1265 1 juli 202521 reeds heeft opgemerkt, is het ANBI’s in beginsel toegestaanom hun algemeen nuttige doelstelling in samenwerking met of via andere(buitenlandse) instellingen te verwezenlijken.Meer specifiek moeten op basis van de wettelijke systematiek tweesoorten instellingen worden onderscheiden. De eerste betreft dezogenoemde steunstichting, zoals bijvoorbeeld een «Vriendenvan»-stichting van een museum. Dergelijke steunstichtingen hebben alsdoelstelling om een andere instelling (financieel) te ondersteunen. In deANBI-regeling is dit als algemeen nuttig aangemerkt, op voorwaarde datde ontvangende instelling de ANBI-status heeft. Op die manier wordtverzekerd dat de gelden ten goede komen aan het algemeen nut.Daarnaast zijn er instellingen die een eigen algemeen nuttige doelstellingnastreven. Dergelijke instellingen mogen financiële ondersteuning biedenaan andere instellingen zonder ANBI-status, mits zij aannemelijk kunnenmaken dat de gelden worden besteed in lijn met die algemeen nuttigedoelstelling. Als een ANBI gelden bestemt voor een algemeen nuttigproject of een algemeen nuttige activiteit van een andere instelling enerop toeziet dat de gelden daadwerkelijk hieraan worden besteed, zal overhet algemeen aan deze bewijslast zijn voldaan. Dat geldt ook wanneer datproject of die activiteit een langere looptijd kent. Wanneer financiëleondersteuning wordt geboden aan een instelling zonder ANBI-status engeen afspraken zijn gemaakt over de besteding, zal het in de praktijklastiger zijn om aannemelijk te maken dat de gelden ten goede komen aanhet algemeen nut. Dat neemt niet weg dat beoordeling moet plaatsvindenop basis van de feiten en omstandigheden van het geval. De Belasting-dienst zal bezien of het mogelijk is om de praktijk handvatten te biedendoor enkele omstandigheden aan te geven die van belang (kunnen) zijn bijde beoordeling. Als de onduidelijkheid onvoldoende is weggenomen, kandat ook aan de orde komen in het reguliere overleg dat het ministerie opambtelijk niveau met de filantropische sector heeft.4. Minimumaantal bestuurders In de kabinetsreactie op de evaluatie van de ANBI-regeling van 1 juli 2025is ingegaan op de conclusies uit het rapport over familiestichtingen voorzover deze ANBI’s betreffen.22 Uit dat rapport blijkt dat van de 1.220feitelijke familiestichtingen met meer dan € 100.000 vermogen ongeveerde helft (660) slechts één of twee bestuurders heeft. Als we kijken naar alleNederlandse ANBI-stichtingen (32.600 begin 2022), dan heeft bijna 10%slechts één of twee bestuurders (3.000). Voor deze analyse zijn deeventuele toezichthouders in een raad van toezicht of de commissarissenin een raad van commissarissen meegeteld als bestuurders. Vanuit hetoogpunt van onafhankelijkheid en een goede governance achtte mijnambtsvoorganger het wenselijk om een minimumaantal bestuurders bijANBI’s te verlangen. Zoals toegezegd is onderzocht of en zo ja, op welkewijze een minimumaantal bestuurders voor ANBI’s kan worden verlangd.Ook ben ik hierover in gesprek gegaan met de filantropiesector.Verkenning minimumaantal bestuurdersKernvoorwaarde voor de ANBI-status is dat de instelling uitsluitend ofnagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en dus geen particulierbelang beoogt en behartigt.23 De voorwaarden die gelden om deANBI-status te verkrijgen en te behouden, zijn er mede op gericht dit te21Kamerstukken II 2024/25, 36 600-IX, nr. 46.22Kamerstukken II 2024/25, 36 602, nr. 38. Kabinetsreactie op een onderzoek naar het vermogenin familiestichtingen.23Artikel 5b Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1266 waarborgen. Zo geldt onder andere het beschikkingsmachtcriterium.24Deze voorwaarde houdt in dat uit de statuten van de instelling en de feitenmoet blijken dat geen enkele natuurlijk persoon of rechtspersoon over hetvermogen van de instelling kan beschikken alsof het zijn eigen vermogenis. Daaruit volgt dat een bestuurder of beleidsbepaler geen doorslagge-vende zeggenschap mag hebben over het vermogen van de instelling. DeANBI-regelgeving schrijft niet een minimumaantal bestuurders voor, maaruit het beschikkingsmachtcriterium vloeit voort dat één bestuurderonvoldoende is. Twee bestuurders is slechts voldoende als voor hetnemen van een besluit beiden dienen in te stemmen. Als één van de tweebestuurders een doorslaggevende stem heeft, dan wordt niet voldaan aanhet beschikkingsmachtcriterium. Dit hoeft echter niet altijd te leiden totintrekking van de ANBI-status, omdat het kan voorkomen dat doorbijvoorbeeld een openstaande vacature(s) een ANBI tijdelijk één of tweebestuurders heeft. Het is dus momenteel afhankelijk van de omstandig-heden van het geval. De goede doelen aangesloten bij Goede DoelenNederland en de fondsen die zijn aangesloten bij Fondsen in Nederland(FIN) hebben in de regel meer dan twee bestuurders. Onderstaandworden twee opties om het beschikkingsmachtcriterium aan te scherpentoegelicht.Optie 1: geen meerderheid zeggenschap in de ANBI door een familieUitgangspunt bij deze optie is dat familieleden onvoldoende onafhankelijkzouden kunnen opereren in een bestuur waardoor de facto één persoonde zeggenschap kan hebben of een particulier (familie-)belang wordtbehartigd. In dat geval voldoet de organisatie op grond van de huidigewet- en regelgeving reeds niet aan de ANBI-voorwaarden, maar dezesituaties zijn lastig te handhaven. Dit pleit voor de invoering van ditvereiste. Tegelijkertijd betekent een beleidsbepalend orgaan van eenorganisatie waarin familieleden een meerderheid vertegenwoordigen nietdat de organisatie niet uitsluitend of vrijwel uitsluitend het algemeen nutkan beogen en behartigen. Dit is afhankelijk van de feiten en omstandig-heden van het geval. Als alle familieleden evenveel stemrecht hebben,zou kunnen worden gesteld dat een kritisch familielid onafhankelijker isdan een derde die vaak ook zal worden aangezocht door de zittendebestuursleden. Bij een keuze voor deze optie is het voorts van belang datfamiliebanden moeten worden afgebakend (alleen bloedverwanten of ookaanverwanten en tot welke graad, partners?). Deze maatregel leidt er invoorkomende gevallen toe dat ANBI’s onder andere de statuten moetenaanpassen en de samenstelling van het beleidsbepalend orgaan moetenwijzigen. Het vinden van andere geschikte bestuurders/beleidsbepalers (ineen eventuele raad van toezicht of raad van commissarissen) is lastig,zeker voor kleinere organisaties. Overwogen kan worden om dit vereisteenkel voor ANBI’s met een bepaalde omvang (bijvoorbeeld met eenANBI-vermogen van meer dan € 100.000 of een ANBI die verplicht is destandaardformulieren voor de internetpublicatie te gebruiken) te latengelden.Optie 2: een minimumaantal bestuurders bij ANBI’sEen minimumaantal bestuurders voor elke ANBI zou drie bestuursledenkunnen zijn. Een getalsmatig minimum kan leiden tot een meer verbe-terde onafhankelijke sturing van de instelling. Ook is een verplichtminimumaantal bestuursleden gemakkelijker te controleren voor deBelastingdienst dan op grond van het huidig beschikkingsmachtcriterium,omdat nu per ANBI de feitelijke situatie moet worden nagegaan. Het24Op grond van artikel 1a, eerste lid, onderdeel c, van de Uitvoeringsregeling Algemene wetinzake rijksbelastingen 1994 (URAWR).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1267 aantal bestuursleden volgt daarentegen uit de jaarlijkse publicatieplicht enblijkt uit de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Tegelijkertijd laateen minimumaantal bestuursleden geen ruimte over voor maatwerk. Ookorganisaties met een bestuur van minder dan drie bestuursleden kunnenuitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogen en behar-tigen. Een klein bestuur hoeft niet te betekenen dat er een particulierbelang wordt behartigd. Ook zou een verplicht minimumaantal bestuurs-leden per ANBI tot (eenmalige) extra administratieve lasten voorinstellingen leiden die momenteel nog niet aan dit minimum voldoen.Daarnaast heeft het CIO aangegeven nog te bezien hoe een eis vanminimaal drie bestuursleden zich zou verhouden tot de inrichtingsvrijheidvoor kerkelijke genootschappen op grond van art. 2:2 Burgerlijk Wetboek(BW). Ook bij deze optie kan eventueel overwogen worden om dit vereisteenkel voor ANBI’s met een bepaalde omvang (bijvoorbeeld met eenANBI-vermogen van meer dan € 100.000 of een ANBI die verplicht is destandaardformulieren voor de internetpublicatie te gebruiken) te doengelden.Bijna 10% van alle ANBI-stichtingen (32.600) heeft slechts één of tweebestuurders (3.000). Dit kan ertoe leiden dat niet aan het beschikkings-machtcriterium wordt voldaan. Teneinde de regeldruk niet onnodig tevergroten, stel ik voor vooralsnog het beschikkingsmachtcriterium nietaan te scherpen. Het betreft namelijk een relatief kleine groep ANBI’s diemogelijk niet aan het huidig beschikkingsmachtcriterium voldoet. Omdatdit diverse redenen kan hebben, zal mijn inziens het aanscherpen van dewettelijke criteria niet effectief zijn. De bereidheid om compliant te zijn lijkter namelijk wel te zijn.5. NSW-landgoederen in een ANBI In de kabinetsreactie van 1 juli jl. is naar aanleiding van het rapportfamiliestichtingen een situatie beschreven waarbij een NSW-landgoed ineen ANBI is geplaatst. Daarbij kan van de giftenaftrek gebruik wordengemaakt als aan de voorwaarden daarvoor is voldaan. Er kan een zekerspanningsveld ontstaan, indien de voormalige eigenaren van hetlandgoed gerechtigd blijven om op het landgoed te blijven wonen(bijvoorbeeld op grond van een eeuwigdurende huurovereenkomst) en zijhet landgoed nog als hun (familie)bezit zien. Dat komt doordat de kernvan de ANBI-regeling is dat een ANBI het algemeen nut moet beogen envoor ten minste 90% moet dienen. Dit betekent dat er voor minder dan10% sprake mag zijn van een particulier belang. Zoals in de kabinetsre-actie van 1 juli 2025 is vermeld, wordt deze situatie momenteeldiepgaander bezien, niet alleen om de voor- en nadelen in kaart tebrengen maar ook vanuit de handhaving door de Belastingdienst. Met deresultaten daarvan kan een afweging worden gemaakt of wettelijkeaanpassingen wenselijk en noodzakelijk zijn. Ik verwacht dat de eersteresultaten van dit onderzoek in de tweede helft van 2026 bekend zullenzijn. Hiermee wordt tevens uitvoering gegeven aan de motie Stultiens enDijk over het versturen van beleidsopties naar uw Kamer om in hetrapport genoemde belastingconstructies tegen te gaan.2525Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1490.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1268 6. Verplichtingen voormalige ANBI’s De ANBI-status heeft een aantal fiscale voordelen. Daarbij hoort ook eenaantal voorwaarden zoals het vereiste dat het vermogen geheel ofnagenoeg geheel aan het algemeen nut moet worden besteed.26 Als deANBI-status van een instelling door de Belastingdienst is ingetrokken, kandeze geen gebruik meer maken van de voordelen en hoeft niet meer teworden voldaan aan de ANBI-voorwaarden. Voor instellingen waarvan deANBI-status is ingetrokken geldt wel nog een informatieverplichting(renseigneringsverplichting27) zolang het ANBI-vermogen van devoormalige ANBI € 25.000 of meer bedraagt.28 Het niet, niet tijdig, onjuistof onvolledig verstrekken van de gegevens en inlichtingen wordtaangemerkt als een overtreding.29 Indien deze overtreding te wijten is aanopzet of grove schuld van de voormalige ANBI, vormt het een vergrijp terzake waarvan de Belastingdienst een bestuurlijke boete van ten hoogste€ 27.500 kan opleggen.30In de praktijk is het vaak lastig een dergelijke boete op te leggen, omdat(vergrijp)boete-onderzoek een arbeidsintensief traject is.De reden voor invoering van deze informatieverplichting was datschenkingen door voormalige ANBI’s in beginsel belast zijn met schenkbe-lasting en dit mogelijk niet voor elke voormalige ANBI en voor deontvanger van een schenking afkomstig van die voormalige ANBIvanzelfsprekend is.31 In de literatuur wordt tegen deze verplichtingwisselend aangekeken. Sommige auteurs achten deze verplichtingoverbodig en wijzen erop dat bij andere schenkingen niet een dergelijkeverplichting geldt. Daarnaast wordt als bezwaar genoemd dat deinformatieverplichting alleen geldt voor in Nederland gevestigdevoormalige ANBI’s.32 Indien de voormalige ANBI in het buitenland isgevestigd, is de informatieverplichting niet van toepassing. De redendaarvan is dat schenkingen van instellingen slechts onder de schenkbe-lasting kunnen vallen als deze in Nederland zijn gevestigd.33Ook constateert de Belastingdienst dat in enkele gevallen, in het bijzonderbij familiestichtingen, de ANBI-status op verzoek van de instelling isingetrokken kort nadat van fiscale voordelen gebruik is gemaakt.34 De26Een ANBI mag niet meer vermogen aanhouden dan redelijkerwijs nodig is voor de continuïteitvan de algemeen nuttige werkzaamheden van de instelling (bestedingscriterium), ook wel deanti-oppoteis genoemd.27https://download.belastingdienst.nl/belastingdienst/docs/opg-vermog-schenk-anbi-ib0741z41fol.pdf .28Zie artikel 75 van de Successiewet 1956 en artikel 10e van het Uitvoeringsbesluit Successiewet1956.29Artikel 10e, zevende lid, Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.30Bij niet (of te laat) nakomen van de informatieverplichting kan jaarlijks op grond van artikel10e, lid 7 UBSW een vergrijpboete opgelegd worden van maximaal € 27.500. Bij grove schuldbedraagt de boete in beginsel € 6.875 (25%) en bij opzet bedraagt de boete in beginsel€ 13.750 (50%).31Zie Besluit van 20 november 2014 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit SW 1956 in verbandmet de vastlegging van de informatieplicht voor bepaalde financiële ondernemingen alsmedeinvoering van een informatieplicht voor voormalige algemeen nut beogende instellingen (Stb.2014, nr. 464).32Kamerstukken II 2013/14, 33 753, nr. 5, p. 2–5 artikelsgewijze toelichting artikel 75 van deSuccessiewet 1956. Schenkingen door deze voormalige ANBI’s zijn niet langer vrijgesteld endus bij de begiftigde in beginsel belast met schenkbelasting, mits de voormalige ANBI inNederland gevestigd is en de begiftigde niet zelf een ANBI is.33NvW, Kamerstukken II 2013/14, 33 753, nr. 5, p. 2–5; toelichting artikel 75 SW 1956. «Schen-kingen door deze voormalige ANBI’s zijn niet langer vrijgesteld en derhalve bij de begiftigde inbeginsel belast met schenkbelasting, mits de voormalige ANBI in Nederland gevestigd is ende begiftigde niet zelf een ANBI is.»34Ministerie van Financiën (2025), «Fiscaal onderzoek naar het vermogen in familiestichtingen»,p. 24.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 1269 onderzoekers concluderen dat de informatieverplichting niet altijd eeneffectief middel is om ervoor te zorgen dat in alle situaties het voormaligeANBI-vermogen algemeen nuttig wordt besteed. Het ANBI-vermogen kanaan een niet algemeen nuttig doel worden besteed of onbeperkt lang inde voormalige ANBI blijven zitten.Deze conclusies met betrekking tot de informatieverplichting roepen devraag op of het mogelijk is om de verplichtingen voor voormalige ANBI’szo vorm te geven dat gewaarborgd wordt dat het vermogen ook naintrekking van de ANBI-status algemeen nuttig wordt besteed. In dekabinetsreactie van 1 juli 2025 heeft mijn ambtsvoorganger daaromaangekondigd om in overleg met de filantropiesector te onderzoeken opwelke wijze de verplichtingen voor voormalige ANBI’s het beste kunnenworden aangescherpt en uw Kamer zo snel mogelijk over de uitkomsteninformeren. Hierbij is hij uitgegaan van de drie aanpassingsmogelijkhedendie in de evaluatie zijn opgenomen:1.Het verplichten van alle voormalige ANBI’s om het ANBI-vermogenbinnen een afzienbare tijd aan algemeen nuttige doelstellingen tebesteden.2.Het invoeren van een fiscale eindheffing bij het verlies van deANBI-status. Hierbij kan ervoor worden gekozen om deze heffingachterwege te laten indien de voormalige ANBI het ANBI-vermogenaan een andere ANBI uitkeert of in het kader van het algemeen nutbesteedt.3.Invoeren van een algemene belastingplicht voor stichtingen enverenigingen. Dit betreft een alternatief voor de informatieplicht.Populatie voormalige ANBI’sVoordat wordt ingegaan op de eerste twee opties, wordt ingezoomd op depopulatie van voormalige ANBI’s. Volgens een recente, nadere analysevan de Belastingdienst hebben in de periode 2020–2023 jaarlijks 1.050 tot1.450 instellingen de ANBI-status verloren. In de periode 2020–2023 ligthet aantal voormalige ANBI’s dat informatieplichtig is in de meeste jarenrond de 2.100.35 Uit die analyse blijkt ook dat er over de periode 2013 toten met 2024 8.069 voormalige ANBI’s waren die gedurende één kalen-derjaar informatieplichtig waren en 1.260 voormalige ANBI’s diegedurende meer dan één kalenderjaar informatieplichtig waren. Vanaf2018 is een jaarlijkse daling van tussen de 5% en 10% ten opzichte van hetjaar van ontstaan van de informatieplicht te zien bij de voormalige ANBI’sdie gedurende meer dan één kalenderjaar informatieplichtig waren. Het isopmerkelijk dat een substantieel deel van de groep voormalige ANBI’s inde eerste jaren als voormalige ANBI geen uitgaven aan een algemeennuttig doel heeft gedaan en een deel geen beheersuitgaven heeft. Dit kanertoe leiden dat een deel van deze voormalige ANBI’s tot in de lengte derdagen onder de informatieverplichting blijven vallen. Het merendeel vande voormalige ANBI’s onder de informatieverplichting bevindt zich in decategorie welzijn, cultuur of ontwikkelingssamenwerking. Voor de jaren2023, 2024 en 2025 is ook de reden van de intrekking nagegaan. Bijna 60%van de intrekkingen betreft ontbindingen (inclusief fusies), 28% volgt na35Volgens de evaluatie verloren in de periode 2020–2023 jaarlijks in totaal 800 tot 2.300instellingen de ANBI-status. In de evaluatieperiode ligt het aantal voormalige ANBI’s datinformatieplichtig is in de meeste jaren rond de 1.300. Deze verschillen met de recente, nadereanalyse door de Belastingdienst vallen enerzijds te verklaren doordat in het evaluatierapport isuitgegaan van de intrekkingsdatum terwijl voor de infoplicht ex-ANBI het jaar van einddatumvan belang is (in verband met terugwerkende kracht intrekkingen) en anderzijds omdat deaantallen in het gebruikte publicatiebestand (op internet) niet een getrouw beeld gavennaarmate het oudere jaren betreft (in concreto 2020).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 12610 toezicht (inclusief toezicht op de publicatieplicht) van de Belastingdienst36en 15% betreft intrekking op verzoek van de instelling. Op basis van debeschikbare gegevens is echter niet te achterhalen welk soort instellingenniet aan de informatieplicht voldoen, noch welke redenen er zijn voor hetniet (tijdig) naleven van deze verplichting.Onderstaand wordt ingegaan op de eerste twee opties. De overeenkomsttussen deze twee opties is het introduceren van een zogeheten beste-dingsverplichting voor voormalige ANBI’s. Daarom zal eerst wordeningegaan op de bestedingsverplichting. Vervolgens zal worden ingegaanop de mogelijkheid om een fiscale eindheffing te introduceren ingeval devoormalige ANBI het ANBI-vermogen niet binnen een afzienbare periodeaan een algemeen nuttig doel heeft besteed. Zoals in de kabinetsreactie isaangegeven zal uw Kamer afzonderlijk geïnformeerd worden over dederde optie om een algemene belastingplicht voor stichtingen enverenigingen in te voeren.Verkenning bestedingsverplichting voormalige ANBI’sDe bestedingsverplichting in beide opties beoogt te bewerkstelligen datde voormalige ANBI het ANBI-vermogen binnen een afzienbare periodeaan een algemeen nuttige doelstelling besteedt. De voorwaarde vanbesteding aan een algemeen nuttige doelstelling betekent dat hetvermogen door de instelling algemeen nuttig moet worden besteed, maarook dat besteding mag plaatsvinden in de vorm van een uitkering aan eenandere ANBI. Die uitkering is vrijgesteld van schenkbelasting bij deontvanger. Dit kan ook het geval zijn bij fusie met een ANBI of ontbindingvan de voormalige ANBI waarbij het batig liquidatiesaldo37 aan eenandere ANBI toekomt.Bij de bestedingsverplichting is van belang dat een «afzienbare periode»moet worden gedefinieerd. Een periode van twee jaar lijkt redelijk. Als hetstatusverlies op initiatief van de ANBI is, dan heeft het bestuur er van tevoren over kunnen nadenken en er op kunnen anticiperen. Indien sprakeis van intrekking van de ANBI-status door de Belastingdienst metterugwerkende kracht zou deze periode van twee jaar moeten ingaan opde datum van de beschikking. In dat geval lijkt een periode van twee jaarevenzeer redelijk.Op het eerste oog zou een periode van twee jaar voldoende tijd moetengeven voor een ordentelijke afwikkeling, zonder dat het vermogenjarenlang «geparkeerd» kan worden. Uit de recente analyse kan geenconclusie worden getrokken over de vraag of een periode van twee jaar inde praktijk realistisch is. Deze analyse gaat uit van de huidige situatie en inde analyse is geen onderscheid gemaakt tussen bijvoorbeeld stamver-mogen en andere vermogensbestanddelen, maar ik verwacht dat eentermijn van twee jaar een aansporing tot actie voor voormalige ANBI’s is.Ik vind het belangrijk dat voormalige ANBI’s het nog aanwezigeANBI-vermogen binnen een afzienbare periode algemeen nuttig bestedenen niet eindeloos oppotten. Daarvoor zijn de ANBI-faciliteiten niet36Indien de status als gevolg van toezicht door de Belastingdienst wordt ingetrokken, kan datmet terugwerkende kracht vanaf het moment dat een instelling niet meer aan de voorwaardenvoor de ANBI-regeling voldoet.37Artikel 1a, eerste lid, onderdeel h, URAWR. Indien en zolang uit de regelgeving van deinstelling blijkt dat bij opheffing van de instelling een batig liquidatiesaldo wordt besteed tenbehoeve van een algemeen nut beogende instelling of van een buitenlandse instelling dieuitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt maar indien het een cultureleinstelling als bedoeld in artikel 1d betreft, ten behoeve van een algemeen nut beogendeinstelling met een soortgelijke doelstelling of van een buitenlandse instelling die uitsluitend ofnagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt en die een soortgelijke doelstelling heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 12611 bedoeld. Daarom wil ik voorstellen om de afzienbare periode vooralsnogte stellen op twee jaar (nagenoeg drie jaar met inbegrip van het jaar vanintrekking op basis van de datum van de beschikking). Gedurende dezetwee jaar geldt de bestaande informatieverplichting onverkort. Indien nietis voldaan aan de bestedingsverplichting, zal de Belastingdienst eenbestuurlijke boete kunnen opleggen.Ik stel voor de bestedingsverplichting op te nemen in de URAWR met alsingangsdatum 1 januari 2029. Daarbij stel ik voor dat deze bestedingsver-plichting ook van toepassing zal zijn op informatieplichtige voormaligeANBI’s die per 1 januari 2029 nog steeds informatieplichtig zijn. Dit allesonder voorbehoud van de gebruikelijke toetsen bij aanpassing vanregelgeving zoals een uitvoeringstoets.Verkenning intrekkingsbelasting/afrekening voormalige ANBIBij de tweede optie wordt niet alleen een bestedingsverplichting voorinformatieplichtige voormalige ANBI’s maar bovendien een fiscale heffinggeïntroduceerd die van toepassing zal zijn voor zover het ANBI-vermogenniet binnen die afzienbare periode van twee jaar aan het algemeen nut isbesteed. Deze heffing heeft geen budgettair doel maar is bedoeld als stokachter de deur. Het kerndoel van deze heffing bij het verliezen van eenANBI-status is om een extra prikkel te geven het ANBI-vermogen conformde algemeen nuttige doelstelling van de instelling binnen een redelijktijdsbestek te besteden en niet nodeloos aan te houden.38 Het introdu-ceren van een dergelijke heffing is echter wetstechnisch niet eenvoudig enbrengt ook bepaalde afbakeningsvraagstukken met zich. Ook is bij heteventueel introduceren van de eindheffing van belang dat de heffingproportioneel en gericht is.Een afrekening na het verliezen van een ANBI-status zou moreel kunnenwringen. Een donateur geeft om een doelstelling te bevorderen. Eenafrekening na intrekking van de ANBI-status treft vermogen dat doorderden is ingebracht met de intentie het algemeen nut te dienen. Diederden hadden geen zeggenschap over het (bestuurs)handelen dat totintrekking leidde. De afrekening onttrekt hun giften aan de algemeennuttige bestemming waarvoor zij bedoeld waren en leidt het vermogennaar de staatskas.Tegelijkertijd zou Nederland met het introduceren van de verplichting omhet ANBI-vermogen binnen een bepaald tijdsbestek na het verlies van deANBI-status algemeen nuttig te besteden niet uniek zijn. Zo kent bijvoor-beeld Canada voor «registered charities» een zogeheten «revocation tax»als een instelling haar status verliest. De heffing bedraagt 100% van dewaarde van de resterende activa verminderd met de schulden. Deinstelling is de heffing niet verschuldigd indien de resterende activaalsnog aan liefdadigheidsactiviteiten ten goede komen of binnen 1 jaar nade datum van de kennisgeving van het voornemen tot intrekking van destatus worden overgedragen aan een andere «registered charity». Ookkan de instelling de heffing voorkomen indien zij voldoet aan de volgendecumulatieve voorwaarden:38Een ander doel zou kunnen zijn om met deze heffing de eerder verleende fiscale voordelengerelateerd aan de ANBI-regeling terug te halen voor zover deze nog niet tot bestedingconform de ANBI-regelgeving hebben geleid. Dit is voorstelbaar in het geval de ANBI-statusop verzoek van de instelling wordt ingetrokken kort nadat van fiscale voordelen gebruik isgemaakt. De praktijk is echter zeer uiteenlopend. Zo kan er ook sprake zijn van voormaligeANBI’s die al decennia als ANBI hebben bestaan en er geen gegevens zijn over de omvang vande ooit verleende fiscale faciliteiten aan die ANBI’s. Het bepalen van een tarief dat ook dientter compensatie voor de gemiste inkomsten- en vennootschapsbelasting vanwege onderandere de giftenaftrek is ondoenlijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 12612 •De instelling vraagt binnen een jaar na het verliezen van de status eenherregistratie aan en krijgt deze toegekend;•De instelling betaalt vóór de datum van herregistratie alle anderebelastingen, boetes en rente die zij verschuldigd is;•De instelling dient vóór de datum van herregistratie alle ontbrekendeinformatieaangiften en de financiële overzichten in.39Ook in Duitsland moet bij het verlies van de status de bestemming van devermogensbestanddelen duidelijk zijn. Indien het niet zeker is dat het nogaanwezige vermogen algemeen nuttig wordt besteed, dan wordt eralsnog belasting geheven met een terugwerkende kracht van 10 jaar.40Vormgeving intrekkingsbelasting/afrekening bij verlies ANBI-statusDe eindheffing voor voormalige ANBI’s zou enkel – in lijn met dedoelstelling van de ANBI-regeling – als stok achter de deur dienen om tebereiken dat het ANBI-vermogen algemeen nuttig wordt besteed. Deeindheffing ontslaat een voormalige ANBI ook niet van de bestaandeinformatieverplichting gedurende deze twee jaar en bijvoorbeeld van deverplichting om het vermogen in lijn met de doelstelling in de statuten uitte geven. Het (resterende) ANBI-vermogen dient ook na de eindheffingconform de algemeen nuttig doelstelling besteed te worden. Bij intro-ductie van de eindheffing kan de informatieverplichting vervallen op hetmoment dat de voormalige ANBI de eindheffing heeft voldaan.Vastgesteld moet worden in welke belastingwet de heffing zou moetenworden ondergebracht. De heffing zou onderdeel kunnen worden van deAWR omdat deze de essentialia van de ANBI-regelgeving bevat. Ander-zijds is de AWR een algemene wet die geen heffingen bevat, dus in die zinpast een heffing in de AWR niet. De Successiewet ligt dan voor de handaangezien de voormalige ANBI in haar ANBI-periode heeft geprofiteerdvan de vrijstellingen schenk- en erfbelasting voor ANBI’s. Het opnemenvan de heffing in een nieuwe materiële belastingwet is ook denkbaar,maar dit staat wel haaks op de ambitie om het belastingstelsel tevereenvoudigen.Om wetstechnisch een fiscale eindheffing te kunnen introduceren zullende volgende elementen moeten worden vastgesteld:1.Subject.2.Belastbaar feit.3.Heffingsgrondslag.4.Tarief.5.Tijdstip van heffing.6.Wijze van heffing.Daarnaast is uiteraard ook de uitvoerbaarheid van de heffing voor zowelde Belastingdienst als de voormalige ANBI’s van belang. Bij devormgeving van de heffing kan vooruitlopend op een gesprek met de39https://www.canada.ca/en/revenue-agency/services/charities-giving/charities/revoking-registered-status/revocation-tax-t2046-tax-return.html, geraadpleegd op 1 oktober 2025.40Zie artikel 61, derde lid van de Duitse belastingwet (Abgabenordnung of AO). Voor de vertalinguit het Duits is op 12 november 2025 gebruikgemaakt van de officiële vertaling van hetMinisterie van Justitie op https://www.gesetze-im-internet.de/englisch_ao/englisch_ao.html#p0480. Artikel 61, derde lid AO luidt:«If the provision on the dedication of assets is subsequently amended so that it no longerconforms to the requirements of section 55(1) number 4 it shall be deemed from the outset tohave been insufficient for tax purposes. Section 175(1), first sentence, number 2 shall applywith the proviso that tax assessment notices may be issued, cancelled or amended insofar asthey relate to taxes which have arisen within the ten calendar years preceding the amendmentof the provision on the dedication of assets».Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 12613 Belastingdienst en de sector rekening gehouden worden met mogelijkeknelpunten. Onderstaand worden de bovenstaande elementen ophoofdlijnen langsgelopen zodat bepaald kan worden of nadere uitwerkinggewenst en haalbaar is. Een eerste inschatting op basis van de onder-staande contouren is dat een dergelijke heffing uitvoerbaar zou moetenzijn, maar of deze inschatting juist is zou moeten blijken uit een uitvoe-ringstoets.Dit geldt ook voor de mate waarin de administratieve lasten al dan nietworden verhoogd.SubjectDe eindheffing zou zien op ANBI’s die na de datum van inwerkingtredingvan de eindheffing de ANBI-status verliezen. Met andere woorden, deheffing zou van toepassing zijn op voormalige ANBI’s.Bezien kan worden of de heffing ook moet gelden voor in het buitenlandgevestigde voormalige ANBI’s. De informatieverplichting geldt weliswaarniet voor in het buitenland gevestigde voormalige ANBI’s maar het isdenkbaar om de eindheffing wel van toepassing te verklaren op in hetbuitenland gevestigde voormalige ANBI’s. Hiermee zou een sluitendsysteem ontstaan.Belastbaar feitHet belastbaar feit is het feit dat als rechtsgevolg heeft dat de eindheffingis verschuldigd. In dit geval zou het belastbaar feit mogelijk kunnen zijn:de aanwezigheid van ANBI-vermogen aan het einde van de termijnwaarbinnen het ANBI-vermogen algemeen nuttig besteed moet zijn.Het invoeren van deze heffing betekent wel dat de drempel om op eigenverzoek de ANBI-status te laten intrekken – bijvoorbeeld vanwege deadministratieve lasten – hoger kan komen te liggen. Tegelijkertijd leidt diter vermoedelijk wel toe dat het aanvragen van een ANBI-status doororganisaties beter afgewogen zal worden, omdat intrekking van eenANBI-status ook fiscale gevolgen kan hebben.HeffingsgrondslagDe mogelijke heffingsgrondslag is het nog resterende ANBI-vermogen ophet tijdstip nadat de afzienbare periode na de intrekking van deANBI-status is verstreken. Hiervoor zou aansluiting kunnen wordengezocht bij de definitie van ANBI-vermogen voor de huidige informatie-verplichting.41 Voor deze heffing zal dan onder het ANBI-vermogenworden verstaan: het eigen vermogen van de instelling42 op het tijdstipmet ingang waarvan deze ingevolge artikel 5b, zevende of achtste lid, vande Algemene wet inzake rijksbelastingen niet meer als algemeen nutbeogende instelling is aangemerkt, verminderd met de bedragen dievanaf dat tijdstip (gedurende twee jaar) zijn besteed ter verwezenlijkingvan haar doelstelling en aan de daarmee verband houdende beheer-kosten.Overwogen kan worden om te bepalen dat de ANBI aannemelijk moetmaken welk bedrag na intrekking van de ANBI-status aan de algemeennuttige doelstelling is besteed.41Zie artikel 10e, vierde lid, Uitvoeringsbesluit Successiewet 1956.42Om het eigen vermogen te kunnen bepalen moeten de bezittingen en schulden wordengewaardeerd naar de waarde in het economisch verkeer op het tijdstip van de heffing. Vooronroerende zaken kan worden aangesloten bij de waarde op de WOZ-beschikking.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 12614 Of het resterende ANBI-vermogen inderdaad een goede heffings-grondslag zou zijn, zou verder onderzoek vergen. Het eigen vermogen zalin de praktijk afkomstig zijn van uiteenlopende bronnen en niet alleen uitdonaties.TariefVoor het tarief kan aansluiting gezocht worden bij het tarief in de schenk-en erfbelasting voor derden van 30% voor een belaste verkrijging tot enmet € 158.669 en 40% voor zover de verkrijging hoger is (2026).43 Dittarief van 30% of 40% zou immers ook van toepassing zijn voor verkrij-gingen door en van een ANBI indien de vrijstelling van schenk- enerfbelasting daarvoor niet zou gelden. Omdat het resterendeANBI-vermogen kan bestaan uit verkrijgingen die in de loop der jaren zijnontvangen, zou een tarief van ten hoogste 30% passend zijn. Recon-structie van de totstandkoming van het reserverende ANBI-vermogen zalwaarschijnlijk niet altijd mogelijk zijn.Tijdstip van heffingDe eindheffing is verschuldigd op het moment dat de afzienbare periodena het verliezen van de ANBI-status is verstreken. Om misbruik tevoorkomen kan worden bezien of het gewenst en juridisch houdbaar zouzijn om zekerheden te laten stellen of om een conserverende aanslag opte leggen ingeval een voormalige ANBI naar het buitenland verhuist.Wijze van heffingDe vraag is of de belasting wordt geheven bij wege van aanslag. Devoormalige ANBI dient hiervoor een aangifte in binnen (een nader tebepalen) aantal maanden na afloop van het kalenderjaar waarin deafzienbare periode (na intrekking van de ANBI-status) ten einde isgekomen.Uitkomst verkenning eindheffing/ intrekkingsbelasting bij verliesANBI-statusHet is wetstechnisch mogelijk om de ANBI-regeling zodanig te wijzigendat van voormalige ANBI’s wordt geëist dat ze het ANBI-vermogen binneneen afzienbare periode algemeen nuttig besteden (bestedingsver-plichting). Zoals uit bovenstaande verkenning naar voren komt, is deinvoering van een eindheffing daarentegen zeer complex en kent ooknadelen. Daarom kies ik er nu voor om alleen verder te gaan met deuitwerking van de optie om verplicht te stellen dat voormalige ANBI’s hetnog aanwezige ANBI-vermogen binnen een afzienbare tijd aan eenalgemeen nuttige doelstellingen besteden. Ik ben voornemens eendergelijke bestedingsverplichting met ingang van 1 januari 2029 in deUitvoeringsregeling AWR op te nemen.ConclusieMet deze brief heb ik u geïnformeerd over de stand van zaken van deaangekondigde maatregelen en onderzoeken naar aanleiding van deevaluatie van de ANBI-regeling. Samenvattend doe ik naar aanleidinghiervan de volgende toezeggingen:•Ik kom voor de zomer met een reactie op het advies Beter Geven III vande commissie Rinnooy Kan waarin wordt gepleit voor een alternatiefvoor de regeling «geven uit de vennootschap».43Zie artikel 24, eerste lid, Successiewet 1956.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 12615 •Het kabinet vindt het belangrijk om giften fiscaal aantrekkelijk tehouden en is dan ook niet voornemens om een geefsubsidie alsalternatief voor de giftenaftrek verder te verkennen.•Het toezicht door de Belastingdienst wordt versterkt en verbeterd.•De Belastingdienst zal de mogelijkheid tot het indienen van eenverzoek tot een groepsbeschikking meer aandacht geven in decommunicatie-uitingen.•De Belastingdienst zal met betrekking tot internationaal werkendeANBI’s bezien of het wenselijk en mogelijk is om de praktijk handvattente bieden door enkele omstandigheden aan te geven die van belang(kunnen) zijn bij de beoordeling.•Ik verwacht dat de eerste resultaten van het diepgaandere onderzoeknaar de situatie van NSW-landgoederen in een ANBI in de tweede helftvan 2026 bekend zullen zijn en zal u dan daarover informeren.•Op basis van de verkenning met betrekking tot de verplichtingen voorvoormalige ANBI’s kom ik tot de conclusie dat het wenselijk is om eenbestedingsverplichting (uitkeringsverplichting) voor voormalige ANBI’sin te voeren teneinde zeker te stellen dat het ANBI-vermogen binneneen periode van twee jaar na verlies van de ANBI-status aan eenalgemeen nuttige doelstelling wordt besteed. Daarom ben ik voorne-mens deze verplichting op te nemen in de Uitvoeringsregeling AWRmet ingang van 1 januari 2029.De Staatssecretaris van Financiën,E. EerenbergTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 12616
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.