Kabinetsreactie op het rapport 'Grip op informatie'
Brontekst
Versie 72a89910decacac4 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202528 362Reikwijdte van artikel 68 GrondwetNr. 72 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN ENKONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 januari 2025Een adequate informatievoorziening is noodzakelijk voor een optimaalsamenspel tussen kabinet en parlement. Het is van belang om als kabineten Kamers samen op te trekken in het maken van afspraken die bijdragenaan een betere en effectiever samenspel de praktijk. Dit draagt bij aan hetgemeenschappelijke doel van een sterke democratische rechtsstaat, metaan de basis een kwalitatief goede democratische besluitvorming.Informatievoorziening verdient daarom aandacht en het kabinet is dewerkgroep Informatieafspraken dan ook zeer erkentelijk voor de verrichteinspanning. Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van hetrapport Grip op informatie, dat een goed uitgangspunt vormt voor hetverder bespreken van kwesties rondom informatievoorziening. Dehoeveelheid informatie die door het kabinet aan de Kamers wordtgestuurd is hierbij een belangrijk aandachtspunt, evenals de hoeveelheidinformatie die door de Kamers aan het kabinet wordt gevraagd. Hetkabinet zoekt naar een werkwijze die voldoet aan de behoefte van deKamers en voor de departementen hanteerbaar is. Ook in het licht van detaakstelling op apparaatsuitgaven moet zorgvuldig worden omgegaanmet ambtelijke capaciteit.De gesprekken van leden van het vorige kabinet en Rijksambtenaren metde werkgroep, waar in een open sfeer gedachten en beelden zijngewisseld, zijn als plezierig en waardevol ervaren. In deze gesprekken iswederzijds begrip getoond voor elkaars vak en zijn de verschillendebelevingswerelden nader tot elkaar gebracht. Het kabinet zou dezegesprekken graag voortzetten. Dit kan, zoals ook de werkgroep voorstelt,tussen de bewindspersonen en de vaste Kamercommissies gebeuren. Bijdiverse departementen zijn reeds goede ervaringen met dit soortgesprekken. Daarnaast wenst het kabinet dit gesprek blijvend ook inbreder verband met de Kamer te voeren, met zowel kabinetsleden alsRijksambtenaren. Door het voortzetten van deze gesprekken en daarmeede uitwisseling van beelden en werkwijzen, kan gewerkt worden aangezamenlijke werkafspraken om de informatie-uitwisseling verder te kst-28362-72ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 362, nr. 721 verbeteren. Hieronder wordt ingegaan op specifieke punten uit hetrapport, met name de aandachtspunten en aanbevelingen die zich tot hetkabinet richten.Het tijdig verstrekken van informatieHet tijdig aanleveren van stukken voor een debat is van belang om hetdebat goed te kunnen voeren. Waar gewenst kunnen hier tussen vasteKamercommissies en bewindspersonen specifieke afspraken over wordenvastgesteld. Het zal blijven voorkomen dat het niet lukt om binnen deafgesproken termijn informatie te versturen, bijvoorbeeld wanneer opkorte termijn extra informatie wordt verzocht. Informatieverzoeken metdergelijke korte deadlines vragen veel van een departement. Hoewel eraltijd gewerkt wordt aan zowel tijdige als volledige beantwoording, kanhier niet altijd binnen de gevraagde termijn aan voldaan worden.Artikel 68 Grondwet en beroep op het belang van de staatDe werkgroep doet enkele aanbevelingen aan de Kamer ten aanzien vanhet beroep op het belang van de staat en de motiveringsgronden voor hetweigeren van het ter beschikking stellen van informatie door het kabinet.Sindsdien heeft de Kamer ingestemd met het voorstel tot het oprichtenvan een tijdelijke commissie grondrechten en constitutionele toetsing, dieadviserend kan optreden bij constitutionele vraagstukken zoals detoepassing van een beroep op het belang van de staat.1 Het kabinet heeftkennisgenomen van het voornemen om de tijdelijke commissie overzichten expertise te laten opbouwen over dit thema en haar een adviserenderol te laten spelen ten aanzien van de deugdelijkheid van de (openbare)motivering van de regering voor beroepen op het belang van de staat. DeKamer stelt ook in haar verslag vast dat de tijdelijke commissie zich nietuitspreekt over of inlichtingen door het kabinet terecht aangeboden ofgeweigerd zijn.De concretisering van artikel 68 van de Grondwet vindt plaats in destaatsrechtelijke praktijk tussen kabinet en parlement. Het kabinet hechtdaarom veel waarde aan het overleg met de Kamer over de invulling vanhet informatierecht. Het kabinet heeft eerder aangeboden nader ingesprek te gaan met de leden van de werkgroep Informatieafspraken overhet onderwerp beroep op het belang van de staat. Helaas heeft ditgesprek nog niet kunnen plaatsvinden. Het kabinet zou dit gesprek graagalsnog voeren met de leden van de werkgroep en de leden van de nieuwetijdelijke commissie grondrechten en constitutionele toetsing, om vangedachten te wisselen over de wijze waarop binnen de constitutionelekaders invulling gegeven kan worden aan het versterken van hetinformatierecht.Beantwoording van KamervragenKamerleden hebben diverse instrumenten tot hun beschikking ominformatie van het kabinet te verzoeken, bijvoorbeeld via de vasteKamercommissies, het vragen van een brief van het kabinet tijdens deregeling van werkzaamheden of het stellen van mondelinge of schriftelijkevragen. Het rapport vraagt specifiek aandacht voor de tijdige beant-woording van schriftelijke vragen. Het kabinet erkent dat de tijdigebeantwoording van Kamervragen beter kan. De informatierelatie tussenkabinet en Kamer is afhankelijk van interactie. De hoeveelheid informatiedie door het kabinet aan de Kamer wordt gestuurd is hierbij een belangrijkaandachtspunt, evenals de hoeveelheid informatie die door de Kamer met1Kamerstukken II 2024/25, 36 642, nr. 1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 362, nr. 722 het behulp van verschillende instrumenten aan het kabinet wordtgevraagd. Het aantal informatieverzoeken, de hoeveelheid informatie ende afstemming die voor de beantwoording van deze vragen is vereist,spelen hier uiteraard een belangrijke rol in. De hoeveelheid vragen in éénset Kamervragen is vaak groot, wat een hoge druk op het ambtenarenap-paraat met zich meebrengt. Daarnaast wordt geregeld verzocht om eenbeantwoording sneller dan de gebruikelijke termijn van drie weken. Hetkabinet vraagt de Kamer hier aandacht voor te hebben.Het kabinet gaat graag met de Kamer in gesprek over de hoeveelheid enomvang van informatieverzoeken, om het samenspel te verbeteren. Hetkabinet verwacht dat door het gezamenlijk werken aan een betereinformatievoorziening de omvangrijke informatiestroom getemperd kanworden. Mogelijk kan meer (informeel) contact tussen departementen ende Kamer hier een bijdrage aan leveren. Zo kunnen bijvoorbeeld feitelijkevragen snel worden beantwoord via de parlementair contactpersonen.Ook is het mogelijk dat de parlementair contactpersonen contactopnemen met de indiener(s) van het informatieverzoek, om de focus enhet doel achter het verzoek scherp te krijgen. Dit kan ertoe leiden dat debeantwoording sneller volgt en beter aansluit bij het verzoek. Doorverschillende departementen wordt hier (in toenemende mate) positieveervaring mee opgedaan.Het kabinet is reeds aan de slag met het versnellen van de beantwoordingvan schriftelijke Kamervragen en heeft daarbij oog voor de regulieretermijn van drie weken voor de beantwoording. Hierbij houdt het kabinetook oog voor de eenheid van kabinetsbeleid en de daarvoor benodigdeinterdepartementale afstemming, die tijd kost. Deze afstemming istoenemend nodig, omdat steeds meer informatieverzoeken vanuit deKamer het beleid van meerdere departementen raken. Daarom wordtRijksbreed bezien hoe nog efficiënter samen te werken om de onderlingeafstemming te versnellen, bijvoorbeeld door de informatiehuishouding teverbeteren.In de praktijk komt het geregeld voor dat de beantwoording van Kamer-vragen grotendeels gereed is, maar dat nog niet alle gevraagde informatiebeschikbaar is. Er kan vaker gebruik worden gemaakt van de mogelijkheidom de beantwoording (gedeeltelijk) binnen de reguliere termijnen teverzenden, maar een toezegging te doen om de overige gevraagdeinformatie, zodra deze beschikbaar is, separaat schriftelijk aan de Kamerte zenden. Op deze wijze krijgt het parlement alvast de beschikking overde op dat moment beschikbare informatie, zonder afbreuk te doen aan dezorgvuldigheid van de beantwoording.Het kabinet heeft begrip voor de wens van de Kamer om meer inzicht tekrijgen in de redenen voor een langere beantwoordingstermijn. Dedepartementen bekijken ieder de werkwijze van versturen van uitstelbe-richten. Sommige departementen sturen bijvoorbeeld uitgebreidereuitstelberichten, waar andere departementen kiezen voor contact doorparlementair contactpersoon met de indiener. Er wordt door het kabinetniet lichtvaardig omgegaan met zowel tijdige beantwoording alszorgvuldige uitstelberichten. Dit blijft het uitgangspunt bij bovenge-noemde initiatieven.Het kabinet houdt de zorgvuldigheid en volledigheid van beantwoordingin ogenschouw bij de verkenning naar oplossingen in het proces. Hetkabinet verkent graag gezamenlijk met de Kamer hoe met de verschil-lende beschikbare instrumenten om informatie te verzoeken een tijdige,zorgvuldige en volledige beantwoording kan worden gewaarborgd. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 362, nr. 723 kabinet hecht nadrukkelijk aan de ideeën en wensen vanuit de Kamerhierover.Meer direct contactEen goed samenspel tussen kabinet en parlement maakt verschillendevormen van informatie-uitwisseling mogelijk. Niet alleen schriftelijk, maarjuist ook mondeling. Een goed gesprek kan soms meer inzicht geven daneen brief. Het is van toegevoegde waarde wanneer ambtenaren zelftechnische uitleg kunnen geven over onderwerpen waar zij inhoudelijkspecialist op zijn. Het biedt tevens de mogelijkheid tot het stellen vanverduidelijkende vragen. Democratie is uiteindelijk mensenwerk. Goedeinformatie-uitwisseling kan pas plaatsvinden als kabinet, ambtenaren enKamerleden elkaar weten te vinden. Het is van belang dat niet alleen deschriftelijke informatiestroom op orde is, maar ook met elkaar gesprokenwordt.Net als de werkgroep pleit ook het kabinet voor meer direct contact tussende Kamers en ambtenaren, zoals aangegeven in de kabinetsreactie op debrief van de Kamervoorzitter inzake informatie- en werkafspraken van4 mei 2022.2 Dit kan op initiatief van Kamerleden of hun medewerkers, enook op initiatief van ambtenaren. Aanwijzing 6 van de Aanwijzingeninzake externe contacten van rijksambtenaren, waarin is opgenomen datambtenaren slechts op aanwijzing van de betrokken Minister contactopnemen met een Kamerlid, sluit dit niet uit. De reden achter aanwijzing 6is de ministeriële verantwoordelijkheid. De ministeriële verantwoorde-lijkheid is voor het parlement essentieel om de controlerende functie uit teoefenen: de Minister is het scharnier tussen de gekozen volksvertegen-woordiging en de onder hem ressorterende ambtenaren. Contact op eigeninitiatief van ambtenaren en zonder toestemming van de betrokkenMinister brengt het risico met zich dat er directe verantwoordingslijnenontstaan met ambtenaren. Dat verhoudt zich niet tot de ministeriëleverantwoordelijkheid. Daarom vindt het kabinet het niet wenselijk dat(alle) ambtenaren op eigen initiatief contact kunnen opnemen metKamerleden. Om deze reden is deze rol belegd bij de parlementaircontactpersonen en de politiek adviseurs.Sinds de herziening van de Aanwijzingen externe contacten rijksambte-naren in december 2020 zijn goede ervaringen opgedaan met contactentussen ambtenaren en Kamerleden, waaronder contacten waarbij hetinitiatief bij ambtenaren lag. Uitgangspunt is dat deze contacten technischvan aard zijn. De parlementair contactpersoon is hierbij altijd hetaanspreekpunt tussen de Kamers en het ministerie. Het kabinet is het eensmet het in het rapport genoemde belang van goed contact tussen deambtelijke staf van Kamercommissies en ambtenaren, via de parlementaircontactpersonen. Naast het feit dat de parlementair contactpersoon hetaanspreekpunt voor beide kanten is, heeft deze ook aandacht voor hetgelijkelijk informeren van alle Kamerleden binnen een commissie. Met deinvoering van de parlementair contactpersoon bij ieder departement iseen praktijk ontstaan waarbij de parlementair contactpersoon metinachtneming van de ministeriële verantwoordelijkheid ook op verzoekvan ambtenaren contact kan opnemen met Kamerleden, zoals ingeval vanverduidelijkende vragen bij de beantwoording van Kamervragen. Binnende kaders van de ministeriële verantwoordelijkheid ziet het kabinetdaarom ruimte voor (technische) contacten tussen ambtenaren enKamerleden en zet het zich er voor in dat de bestaande mogelijkheden inde toekomst nog meer benut worden. Om te benadrukken dat deAanwijzingen reeds voorzien in de mogelijkheid dat ook ambtenaren via2Kamerstukken II 2021/22, 35 925 VII, nr. 148Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 362, nr. 724 de parlementair contactpersoon contact kunnen opnemen met Kamer-leden, past het kabinet bij een volgende herziening van de Aanwijzingende toelichting aan met deze verduidelijking.Binnen alle departementen is de rol van parlementair contactpersoonbelegd. Feit is dat de invulling van deze rol niet uniform is. Dit heeft temaken met verschillende organisatiestructuren van departementen. Hetdoel is echter hetzelfde, namelijk voorzien in de informatiebehoefte van deKamer én het departement. De invulling van de rol zal duidelijk wordengecommuniceerd tussen departement en de vaste Kamercommissie(s). Derol kan vervolgens verder (per departement) worden ontwikkeld, waarbijervaringen over en weer worden meegenomen.Het kabinet sluit zich aan bij het aandachtspunt meer bekendheid te gevenaan de rol van parlementair contactpersonen en deze nog beter aan telaten sluiten bij de behoeften van het parlement. Ook de kabinetsledenzetten zich hier voor in, door aan de vaste Kamercommissies verschil-lende mogelijkheden aan te bieden waarop over onderwerpen van hetbetreffende departement informatie uitgewisseld kan worden. Het kabinetnodigt uw Kamer uit om deze mogelijkheden, zoals de technischebriefings, werkbezoeken aan ambtelijke diensten als ook het stellen vaninhoudelijke en procesmatige vragen aan de parlementair contactper-sonen, te blijven verkennen en benutten. Om het zicht op de uitvoeringverder te verbeteren is het belangrijk om het contact tussen de TweedeKamer en ambtenaren van uitvoeringsorganisaties laagdrempeliger temaken, zo concludeert ook de Parlementaire Enquête Fraudebeleid enDienstverlening. Het programma Werk aan Uitvoering werkt aan hetversterken van de relatie tussen politiek, beleid en uitvoering, onder meerdoor te stimuleren dat uitvoeringsorganisaties en parlement met elkaar ingesprek gaan over de uitvoerbaarheid van beleidskeuzes.VragenuurDe Kamer doet in het rapport de suggestie om het vragenuur teevalueren. Het kabinet stelt voor bij deze evaluatie ook het perspectief vande ambtenaren mee te nemen, door bijvoorbeeld gesprekken te voerenmet parlementair contactpersonen en beleidsambtenaren om hunervaringen met (de voorbereiding van) het vragenuur mee te nemen indeze evaluatie. Het is voor de departementen behulpzaam dat sinds enigetijd de Kamer eerder op de dinsdagochtend besluit over de aangemeldeonderwerpen voor het mondelinge vragenuur. Indien de Kamer verdereafspraken zou willen verkennen, dan staat het kabinet daar positieftegenover. Op dit moment is het zo dat wekelijks circa veertig dossiersworden voorbereid, waarvan er slechts twee of drie aan de orde komen.Indien bijvoorbeeld op maandagmiddag de selectie van twee of drievragen al bekend zou zijn (met de mogelijkheid één of meerdere van dievragen op dinsdagochtend door een nieuw ingediende vraag tevervangen) zou dat veel werk schelen.Naar een betere en effectievere informatievoorzieningHet kabinet neemt de aanbeveling ter harte om nieuwe stappen tenaanzien van de informatievoorziening aan de Kamer in samenspraak metde Kamer te zetten. Zo kan worden bezien in hoeverre een voorgenomenstap voorziet in een behoefte aan de zijde van de Kamer. Van geval totgeval zal bepaald moeten worden of en in welke vorm overleg mogelijk is.Het werken met een hoofdlijnenbrief, zoals de werkgroep voorstelt, isdaarbij een goed denkbare mogelijkheid. Daarnaast is het kabinet altijdbereid het gesprek te voeren over genomen maatregelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 362, nr. 725 De werkgroep noemt het actief verstrekken van beslisnota’s als voorbeeldvan een stap die onvoldoende in samenspraak met de Kamer is gezet,waardoor het de vraag is of deze stap voldoende aansluit bij de wensenvan de Kamer. De vaste Kamercommissie voor Binnenlandse Zaken heeftbesloten de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties van 13 juni 2022 over de Beleidslijn actieve openbaarmakingnota’s 2022 te agenderen voor een commissiedebat over informatie- enwerkafspraken op 22 januari 2025.3 Tevens is op dit moment een evaluatienaar de actieve openbaarmaking van beslisnota’s gaande, waarbij ookKamerleden worden bevraagd naar hun ervaringen.4 De Kamer isnadrukkelijk uitgenodigd zich bij deze gelegenheden uit te spreken over devraag of het actief verstrekken van beslisnota’s voorziet in een behoefte.De evaluatie wordt naar verwachting in het voorjaar van 2025 afgerond enaan de Kamer aangeboden.Tot slotHet kabinet acht een optimaal samenspel tussen kabinet en parlement vangroot belang voor de opgaven waar we gezamenlijk voor staan. Eenconstructieve samenwerking, waarin ieder zijn grondwettelijke rol speelt,komt goed bestuur en de democratische besluitvorming ten goede. Hetkabinet staat positief tegenover meer direct contact tussen ambtenaren enparlement, maar hecht ook aan het beschermen van de positie van deambtelijke dienst. Voorkomen dat ambtenaren onderdeel worden van hetpublieke debat is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van regering enparlement.Laat dit rapport, en de gesprekken die hier onder andere aan tengrondslag liggen, het startpunt zijn voor het verder wegnemen vanknelpunten rond informatievoorziening bij zowel kabinet als Kamer, hetmaken van verbeterde afspraken daarover en het versoepelen van deonderlinge samenwerking. Sinds enige tijd worden periodiek gesprekkengevoerd tussen de Minister-President, de Minister van BinnenlandseZaken en de voorzitter van de Tweede Kamer. Het kabinet zou dezegesprekken graag voortzetten.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,J.J.M. Uitermark3Kamerstukken II 2021/22, 28 362, nr. 594Kamerstukken II 2023/24, 2024D25313Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 362, nr. 726
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.