Verslag van een schriftelijk overleg over de uitkomsten van de Actieagenda Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28089-346)
Brontekst
Versie 0b68df9cad2ad9d0 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202628 089Gezondheid en milieuNr. 352 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 7 mei 2026 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infra-structuur en Waterstaat over de brief van 19 december over de uitkomstenvan de Actieagenda Industrie en Omwonenden (Kamerstuk 28 089,nr. 346).De vragen en opmerkingen zijn op 13 februari 2026 aan de Staatssecre-taris van Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 7 mei 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,HuizengaAdjunct-griffier van de commissie,Koerselman kst-28089-352ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3521 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieVoor de leden van de D66-fractie staat één uitgangspunt centraal:gezondheid moet leidend zijn, en het bevoegd gezag moet daadwerkelijkde ruimte hebben om dat juridisch en praktisch waar te maken. Deindustrie is een essentiële motor voor onze economie en voor de groenetransitie. Maar een toekomstbestendige industrie kan alleen bestaanwanneer zij opereert binnen duidelijke gezondheidskundige grenzen enonder een vergunningenstelsel dat uitvoerbaar, handhaafbaar en juridischrobuust is. Het beschermen van omwonenden en werknemers is geensluitstuk, maar een randvoorwaarde.De leden van de D66-fractie delen de zorgen van diverse maatschappelijkeorganisaties dat slachtoffers van milieuhinder en -delicten vaakonzichtbaar blijven door een gebrek aan erkenning en complexe juridischeprocessen. Zij vragen de Staatssecretaris hoe hij borgt dat het perspectiefvan omwonenden en werknemers structureel wordt meegewogen bijvergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH). Hoe wordt gewaar-borgd dat participatie, informatievoorziening en rechtsbescherming vanomwonenden daadwerkelijk worden versterkt binnen het VTH-stelsel, enniet afhankelijk zijn van de mate van assertiviteit of juridische draagkrachtvan betrokken burgers?Antwoord: Participatie is een belangrijk onderdeel van deOmgevingswet. Via bijvoorbeeld het Informatiepunt Leefom-geving is uitgebreide informatie beschikbaar hoe die participatiekan en moet worden vormgegeven1. Als overheden instrumentenvan de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe dehierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij detotstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten datheeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappenmoeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebbeningevuld. Bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moetjuist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, enzo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat deresultaten hiervan zijn.De leden van de D66-fractie hebben ten aanzien van de aangekondigdeverkenning naar een effectiever systeem van vergunningverlening enkelespecifieke vragen. Zij constateren dat bevoegde gezagen momenteel vaakafhankelijk zijn van de vrijwillige medewerking van bedrijven bij ambts-halve wijzigingen van vergunningen. Deelt de Staatssecretaris de meningdat een heldere informatieplicht voor de vergunninghouder bij elkewijziging, ook bij ambtshalve aanpassingen naar aanleiding van nieuwebeste beschikbare technieken (BBT), essentieel is voor een slagvaardigbevoegd gezag?Antwoord: Het kabinet deelt de mening dat adequate informatieover activiteiten in de leefomgeving essentieel is voor hetslagvaardig opereren van het bevoegd gezag. Die is, net alsadequate informatie over de staat van de leefomgeving, nodigvoor het beoordelen of regels moeten worden aangepast die voorde activiteit op die locatie gelden.1https://iplo.nl/regelgeving/omgevingswet/participatie/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3522 Wordt in de verkenning onderzocht hoe de actualiseringsplicht zodanigkan worden verduidelijkt of aangescherpt dat informatievoorziening in depraktijk altijd gewaarborgd is?Antwoord: In de verkenning zal de mogelijkheid om periodiek toteen integraal herbeoordelingsmoment van vergunningen tekunnen komen worden onderzocht. De gedachte is dat eenherbeoordeling kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteitvan de leefomgeving en de gezondheid van omwonenden. In deverkenning zal daarom worden bekeken of en hoe op een meerefficiënte en effectieve manier gekomen kan worden tot eenwijziging van vergunningen of vergunningvoorschriften. Daarbijzal in elk geval worden verkend in welke gevallen het initiatiefvoor de herbeoordeling zou moeten liggen bij degene die eenactiviteit uitvoert (ook in verband met de bewijslast) en welkeinformatie en (onderzoeks)gegevens daarvoor beschikbaarzouden moeten zijn.De leden van de D66-fractie vragen daarnaast nadrukkelijk naar deeffectiviteit van de periodieke herziening van vergunningen. Biedt dehuidige systematiek van actualisatie en ambtshalve wijziging daadwer-kelijk voldoende handelingsperspectief om te sturen op milieugebruiks-ruimte, cumulatie van emissies en nieuwe wetenschappelijke inzichten?Antwoord: Hoewel er binnen de huidige wet- en regelgevingjuridische instrumenten bestaan om vergunningen aan te passenof aan te scherpen2, blijken deze in sommige situaties in depraktijk lastig uitvoerbaar te zijn. Aan de motivering vanbesluiten worden hoge eisen gesteld. Dat is begrijpelijk want omte kunnen blijven concurreren en vernieuwen moeten industriëlebedrijven erop kunnen vertrouwen dat een verleende vergunningniet zomaar wordt gewijzigd. Hoe ingrijpender een wijzigingsbe-sluit, hoe hoger de eisen. In sommige gevallen komt daardoor debeleidsmatig wenselijke aanpassing of aanscherping niet totstand. Soms vanwege een informatietekort, soms vanwegeontbrekende capaciteit of middelen. In de praktijk leidt dit totknelpunten. Dit blijkt ook uit het Juridisch Onderzoek Omgaan3met onzekere risico’s dat eerder aan de Kamer is aangeboden.Het wijzigen en actualiseren van vergunningen is slechts één vande instrumenten waarmee gestuurd kan worden op milieuge-bruiksruimte. In veel gevallen zijn algemene rijksregels ofdecentrale regels over activiteiten een geschikter instrument omde milieugebruiksruimteproblematiek aan te pakken.Is het huidige instrumentarium toereikend om – ook zonder uitbreiding ofwijziging van activiteiten – emissiegrenswaarden aan te scherpenwanneer daaruit gezondheidskundig of milieukundig perspectiefaanleiding toe bestaat?Antwoord: De Omgevingswet biedt mogelijkheden voormaatwerk om gezondheid extra te beschermen. Zo kan er opbasis van de omgevingsvisie en het omgevingsplan dergelijkmaatwerk worden toegepast. Dit vereist wel dat in omgevings-visie en omgevingsplan minimaal heldere streefwaarden voor de2De wet- en regelgeving kent een aantal gronden voor het ambtshalve wijzigen van devergunning (afdeling 8.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, Bkl) en is grotendeelsimplementatie van Europees recht.3Bijlage bij Kamerstukken II, 2024–2025, 28 089, nr. 335Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3523 leefomgeving worden vastgelegd. Bovendien kunnen normenworden aangepast op basis van innovaties en nieuwe inzichten(bijvoorbeeld na onderzoek van het RIVM), zodat de industrie naeen actualisatie van de vergunning met state-of-the-art techno-logie werkt en de uitstoot daalt richting de EU-doelstelling zeropollution in 2050.Wordt expliciet onderzocht hoe nieuwe wetenschappelijke inzichten,bijvoorbeeld rond cumulatieve blootstelling of zeer zorgwekkende stoffen,sneller en minder procedureel belastend kunnen worden vertaald naaraangepaste vergunningvoorschriften?Antwoord: Het vertalen van nieuwe wetenschappelijke inzichtennaar regelgeving is een continu beleidsproces, waar snelheid vanimplementatie en procedurele druk altijd onderdeel van hetonderzoek en de afwegingen zijn. Dit wordt per inhoudelijkonderwerp bekeken. Zowel in het Impulsprogramma ChemischeStoffen als de Actieagenda Industrie en Omwonenden wordtonderzoek gedaan naar cumulatie. De resultaten hiervan zullenzeker worden meegenomen in de verdere beleidsontwikkelingenmet name op Europees niveau. Cumulatie is immers een breedEuropees vraagstuk.Deze leden achten het essentieel dat vergunningen geen statischedocumenten zijn, maar dynamische instrumenten die meebewegen metnieuwe kennis en veranderende inzichten.De leden van de D66-fractie vinden dat een gezonde leefomgeving om eenstevige verankering van gezondheid in besluitvorming vraagt. Zijvernemen graag welke specifieke elementen van de gezondheidseffect-rapportage (GER) als toegevoegde waarde worden gezien voor debestaande milieueffectrapportage (MER). Op welke termijn worden dezeelementen structureel geïntegreerd in de MER-systematiek? Hoe wordtvoorkomen dat dit leidt tot onnodige vertraging of verhoging van deregeldruk, terwijl de gezondheidstoetsing inhoudelijk wordt versterkt?Antwoord: Op dit moment vindt een pilot van een GER (gezond-heidseffectrapportage) plaats bij Tata Steel. Na de afronding vandie pilot bij Tata Steel wordt bekeken wat de meerwaarde is van(elementen van) de GER, hoe deze een plek kunnen krijgen in wet-en regelgeving, en op welk moment in het vergunningsproces dithet meeste effect zou hebben. Dit is in lijn met de motie-Gabriëls c.s.4 Hierbij wordt ook gekeken naar de balans tussen denoodzaak inzicht te hebben in het effect op de gezondheid vanomwonenden en de noodzaak de regeldruk te beperken.Is de Staatssecretaris bereid de gezondheidscomponent structureel teverankeren bij alle vergunningsaanvragen waarvoor reeds een MER-plichtgeldt?Antwoord: In de bestaande MER-regelgeving is gezondheid alverankerd. Zoals ook is aangegeven in het antwoord op de vorigevraag, kan nu niet vooruit worden gelopen op de resultaten vande GER-pilot bij Tata Steel (GER-TSN). Tijdens het plenair debatover de JLoI met Tata Steel (7 april jl.) heb ik aangegeven dat ikalles op alles ga zetten om in ieder geval rond de zomer deGER-TSN zover te hebben dat we die kunnen inzetten voor demaatwerkafspraak.4Kamerstukken II, 2023–2024, 28 089, nr. 287Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3524 De leden van de D66-fractie merken op dat de rol van de gemeentelijkegezondheidsdienst (GGD) cruciaal is om gezondheid daadwerkelijkleidend te maken. Hoe wordt de GGD stevig verankerd als onafhankelijkadviseur binnen de VTH-structuur en onder de Omgevingswet?Antwoord: Het doel van de pilot versteviging GGD-advies is om tebevorderen dat gezondheid op voorhand wordt meegewogen bijkeuzes over de ruimtelijke inpassing en voorwaarden. De pilot isgericht op planvorming en niet op vergunningverlening of deVTH-structuur. Uit de resultaten van de pilot zal blijken of eraanleiding is om de juridische status van GGD-adviezen aan tepassen. Op dit moment zijn de GGD-adviezen niet verplicht ofbindend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 december jl.is het uitgangspunt nu om geen stapeling van eisen bovenop hetbestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren.Een wijziging van de Omgevingswet is daarmee vooralsnog nietaan de orde.Hoe wordt de kennisinfrastructuur en structurele financiering van de GGDversterkt, zodat deze zijn rol als gezondheidskundige duider richtingbevoegd gezag én richting omwonenden adequaat kan vervullen?Antwoord: Op dit moment ondersteunt het RIVM in opdracht vanhet Ministerie van VWS de GGD’en bij hun medisch-milieukundigetaken, onder andere met accounthouders, een vragenloket,kennisdocumenten en kennisbijeenkomsten. Daarbij is deafgelopen jaren ook meer samengewerkt met omgevingsdiensten.Voor eventuele vervolgstappen worden eerst de uitkomsten vande pilot afgewacht.De leden van de D66-fractie steunen het voorstel om BBT-conclusies directte laten gelden via algemene regels, om zo actualisaties te versnellen eneen gelijk speelveld te creëren. Tegelijkertijd constateren zij dat debandbreedte van emissiegrenswaarden zoals voortvloeit uit de RichtlijnIndustriële Emissies (RIE) in de praktijk tot terughoudendheid kan leiden.Wanneer bevoegde gezagen kiezen voor een grenswaarde aan deonderzijde van de BBT-range – dus een relatief strenge norm – leidt ditregelmatig tot juridische procedures door bedrijven. Deelt de Staatssecre-taris de analyse dat dit een remmend effect kan hebben op het hanterenvan ambitieuze, gezondheidsbeschermende grenswaarden? In hoeverreziet hij ruimte om bevoegde gezagen juridisch steviger te positioneren bijde keuze voor de onderkant van de BBT-bandbreedte, bijvoorbeeld vialandelijke beleidskaders, standaardmotiveringen of verduidelijking van debeoordelingsruimte binnen de RIE? Kan hij aangeven of het huidigejuridische kader voldoende waarborgen biedt dat een keuze voor destrengste, passende grenswaarde binnen de BBT-range in beginselstandhoudt bij de bestuursrechter? Deze leden achten het van belang dathet bevoegd gezag niet terughoudend hoeft te zijn uit angst voorlangdurige procedures, maar met vertrouwen kan kiezen voor hetbeschermingsniveau dat binnen de Europese kaders mogelijk is.Antwoord: Het klopt dat vergunnen aan de strenge kant(onderkant) van bandbreedte van de beste beschikbaretechnieken (BBT) regelmatig leidt tot juridische procedures doorbedrijven. Door de implementatie van de herziene Richtlijnindustriële emissies worden bevoegde gezagen juridisch stevigergepositioneerd en wordt hun informatietekort aangepakt. In deimplementatie van de herziene Richtlijn industriële emissies ishet uitgangspunt dat aan de onderkant van de BBT-bandbreedtevergund moet worden. Indien bedrijven een minder strengeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3525 vergunning willen krijgen, hebben zij de plicht om voor huninstallaties een analyse te doen van de hele BBT-bandbreedte enaan te tonen waarom zij niet kunnen voldoen aan de onderkantvan de bandbreedte. Het bevoegd gezag heeft de ruimte om aante geven dat zij niet voldoende informatie heeft gekregen om diesoepelere vergunning af te geven. Met de implementatie van deherziene Richtlijn is het uitgangspunt in heel Europa hetaanhouden van ambitieuze, gezondheidsbeschermendegrenswaarden.De leden van de D66-fractie maken zich zorgen over de uitvoerbaarheidvan deze ambities in het licht van de capaciteitsproblemen bij omgevings-diensten. Bij het onderbouwen van strengere grenswaarden wordtmomenteel vaak een zeer uitgebreide motivering verlangd, mede uitvoorzorg voor juridische procedures. Dit leidt ertoe dat schaarse capaciteitverschuift van toezicht en handhaving naar juridisch defensieve onder-bouwing. Acht de Staatssecretaris het mogelijk om, binnen de kaders vanrechtsbescherming en Europese regelgeving, te komen tot een meergestandaardiseerde of proportionele motiveringssystematiek?Antwoord; De verwachting is dat met de implementatie van deherziene Richtlijn industriële emissies er juridisch voldoendewaarborgen zijn om vergunningen die uitgaan van de onderkantvan de BBT-bandbreedte te laten standhouden bij de rechter.Een meer gestandaardiseerde motiveringssystematiek ligt niet inde lijn der verwachting, maar voor de proportionaliteit wordt eenkostenmethodiek ontwikkeld door Europa die in Nederlandovergenomen zal worden. Dat leidt tot een meer gestandaardi-seerde aanpak van de proportionaliteitsvraag.Wordt in de verkenning betrokken of landelijke richtsnoeren, modelvoor-schriften of een vorm van bewijsvermoeden bij toepassing van deonderkant van de BBT-range kunnen bijdragen aan vermindering vanadministratieve lasten voor bevoegde gezagen, zonder afbreuk te doenaan rechtsbescherming?Antwoord: Doordat de herziene Richtlijn industriële emissies deonderkant van de BBT-bandbreedte als uitgangspunt heeft, is deverwachting dat de administratieve lasten voor de bevoegdegezagen verminderen omdat bedrijven als zij aanspraak willenmaken op maatwerk (i.e. een soepelere vergunning), zelf eenanalyse moeten doen van de gehele BBT-bandbreedte en zelfmoeten aantonen waarom zij niet aan de onderkant van deBBT-bandbreedte kunnen voldoen. Landelijke richtsnoeren ofmodelvoorschriften worden daarom niet onderzocht. Wel richt deverkenning zich op het mogelijke instrument om vergunningen naeen zekere periode te herbeoordelen.De leden van de D66-fractie vragen tot slot naar de opvolging van «actie8» uit de agenda, betreffende aanvullende maatregelen voor de industrie.Wat is de actuele stand van zaken?Antwoord: In het initiële onderzoek in het kader van actie 8(Onderzoek financiële prikkels ter vermindering luchtvervuilendeuitstoot) bleek dat er al veel informatie en onderzoeken bestaanmet betrekking tot het belasten van luchtvervuiling. Omdatkeuzes moesten worden gemaakt bij de verdeling van schaarsecapaciteit en financiële middelen, is daarom in de afgelopenperiode geen nader verdiepend onderzoek uitgevoerd. Wel is erTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3526 op basis van de bestaande informatie en onderzoeken voorgekozen om de mogelijkheden voor positieve financiële prikkelste gaan verkennen.Kan de Staatssecretaris bevestigen dat alle mogelijke aanvullendemaatregelen – ongeacht het huidige politieke draagvlak – feitelijk wordenonderzocht, zodat het maatschappelijke debat kan worden gevoerd opbasis van een volledige analyse?Antwoord: Dit is in de afgelopen periode de werkwijze geweesten dat blijft zo. Zoals de factsheets in de bijlage bij de Kamerbriefvan 19 december jl. laten zien, is op basis van de verrichteonderzoeken een breed scala aan beleidsopties geformuleerd.Vervolgens heeft politieke besluitvorming plaatsgevonden overdie opties; deze zijn in het kader van transparantie en tenbehoeve van politiek en maatschappelijk debat integraal met deKamer gedeeld.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie onderschrijven het regeerakkoord, waarinwordt ingezet op versnelling van industriële verduurzaming met behoudvan concurrentiekracht, een gelijk Europees speelveld en een stabiel envoorspelbaar langetermijnbeleid als randvoorwaarde voor investeringen.Zij bezien de aangekondigde pilots, maatregelen en verkenningen in ditlicht en benadrukken dat een vitale en concurrerende industrie meer kanbijdragen aan een gezonde leefomgeving, mits omwonenden daadwer-kelijk gezondheidswinst ervaren, de overheid beschikt over betrouwbareinformatie en de industrie duidelijkheid heeft over vergunningenkaders enbeleid.De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen. Zij vragen hoegezondheid in de pilot gericht op het versterken van het GGD-adviesconcreet en vroegtijdig wordt meegenomen bij het opstellen vanomgevingsvisies en -plannen. Wat wordt verstaan onder het vroegtijdigen volwaardig inbrengen van gezondheidsexpertise en hoe ziet hetafwegingskader eruit?Antwoord: Het doel van deze pilot is om te bevorderen datgezondheid op voorhand wordt meegewogen bij keuzes over deruimtelijke inpassing en voorwaarden. De GGD heeft deskun-digen op het terrein van medische milieukunde en gezondeleefomgeving die in het kader hiervan kunnen adviseren overgezondheidsaspecten van besluiten en ontwikkelingen in deleefomgeving. Door deze expertise vroegtijdig in het besluitvor-mingsproces bij omgevingsplannen waar er sprake is vaninpassing van industriële activiteiten of hindergevoelige functieste betrekken, zijn er meer mogelijkheden om planvorming nogaan te passen, waardoor gezondheidsbelangen beter kunnenworden meegewogen.De pilot is gericht op planvorming en niet op vergunningverleningof de VTH-structuur. Uit de resultaten van de pilot zal blijken ofer aanleiding is om de juridische status van GGD-adviezen aan tepassen. Op dit moment zijn de adviezen niet verplicht of bindend.Wanneer weegt het belang van gezondheid zwaarder dan anderebelangen en wanneer niet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3527 Antwoord: Dit valt op voorhand niet te zeggen. Besluitvorming enhet maken van een integrale belangenafweging over welkebelangen zwaarder wegen en wanneer, is aan het bevoegd gezag.Het is ook aan het bevoegd gezag om verantwoording af teleggen over deze keuzes aan de gemeenteraad of provincialestaten.Wat mag van omwonenden worden gevraagd te accepteren en waar ligtvoor de Staatssecretaris de grens?Antwoord: De Onderzoeksraad voor Veiligheid heeft in 2023geoordeeld dat de gezondheid van omwonenden nu onvoldoendewordt beschermd. Nederland is een dichtbevolkt land waar veelverschillende activiteiten in elkaars nabijheid plaatsvinden. Insommige gevallen zullen mensen dat merken. Daarom is eenbalans belangrijk tussen de leefomgeving en industriële activi-teiten, waarbij zowel gezondheidsbelangen en economischebelangen een belangrijke rol spelen. Rondom vergunningplichtigeindustriële bedrijven die vanwege hun aard en omvang eensignificante negatieve impact kunnen hebben op de gezondeleefomgeving is het goed om gericht zoveel mogelijk risico’s tebeperken.De leden van de VVD-fractie onderschrijven het belang van goed,consistent en betrouwbaar meten. Meten kan discussie voorkomen, mitsdit zorgvuldig gebeurt. Zij constateren dat momenteel wordt gewerkt metzowel geaccrediteerde meetbedrijven als met eigen metingen. Hoe borgtde Staatssecretaris dat er voldoende geaccrediteerde meetcapaciteit inNederland beschikbaar is?Is de Staatssecretaris het met deze leden eensdat zonder voldoende meetcapaciteit discussie over meetgegevens blijftbestaan door ruimte voor interpretatie en betwisting?Antwoord: Wettelijke- of in de vergunning voorgeschreven regelskennen eisen ten aanzien van kwaliteit en onafhankelijkheid.Bedrijven zijn zelf verantwoordelijk voor het naleven van dezeeisen. Daarbij reguleert de markt bij de bedrijfsmetingen debeschikbaarheid van voldoende geaccrediteerde meetcapaciteitbij meetbureaus.In het kader van hun toezichtstaak kunnen bevoegde gezagenmetingen bij bedrijven aan marktpartijen uitbesteden, maar zijkunnen ook in eigen beheer metingen uitvoeren. Diverseomgevingsdiensten hebben recent het initiatief genomen om teinvesteren in meer eigen meetcapaciteit.Meer meetcapaciteit hoeft overigens niet altijd een voorwaardete zijn voor vertrouwen in meetresultaten. De gebruikte meetme-thode, betere informatievoorziening daarover en transparantieover de resultaten kunnen daar ook een positieve invloed ophebben. Deze invalshoeken worden meegenomen in de pilotmeten.De leden van de VVD-fractie hechten aan het belang van het in gesprekblijven tussen omwonenden, overheid en industrie. Zonder structureeloverleg bestaat het risico dat partijen zich ingraven in eigen standpunten.Hoe borgt de Staatssecretaris dat de industrie zich daadwerkelijkcommitteert aan de landelijke gesprekstafel en de uitkomsten serieusneemt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3528 Antwoord: Het commitment van de industrie wordt geborgd dooreen afgevaardigde van de industrie als vast lid van de landelijkegesprekstafel op te nemen. De tafel richt zich bovendien op hetversterken van de onderlinge relatie en transparantie en opconcrete verbeteringen in de praktijk. De tafel wordt in eersteinstantie voor twee jaar ingesteld en zal in het tweede jaarworden geëvalueerd. In deze evaluatie zal het ervarencommitment van alle betrokken partijen een belangrijke rolspelen. Op basis daarvan kan worden besloten of, en zo ja hoe ereen vervolg komt. De industrie wordt ook goed betrokken bij deinrichting van de lokale pilots.Hoe wordt gewaarborgd dat de vertegenwoordiging van de fysiekeleefomgeving een representatieve afspiegeling vormt van alle gevoelensdie in een gebied leven, inclusief die van de zogenoemde zwijgendemeerderheid die bereid is tot op zekere hoogte overlast te accepterenvanwege de economische betekenis van de industrie?Antwoord: De vertegenwoordiging wordt geborgd door allereerstte zorgen dat de perspectieven van zowel omwonenden enindustrie als overheden/bevoegde gezagen vertegenwoordigd zijnaan de gesprekstafel. Daarnaast wordt, door in verschillenderegio’s en op verschillende locaties langs te gaan, een variëteitaan beelden en signalen opgehaald. Er is immers niet één typeomwonende of industrieel bedrijf.De leden van de VVD-fractie vragen ten aanzien van de verkenning naareen herbeoordelingsmoment van vergunningen hoe wordt voorkomendat dit bedrijfseconomisch knellend wordt.Antwoord: Het doel van deze verkenning is het krijgen van eenbeeld over hoe het systeem van vergunningverlening effectieverkan worden, door onder andere herbeoordelingsmoment vanvergunningen. Deze verkenning zal breed opgesteld worden, metoog voor het concurrentievermogen van bestaande industrie. Dekosteneffectiviteit zal hierin meegenomen worden. Mocht uit deverkenning blijken dat het wenselijk is om wet- en regelgevingaan te passen, dan wordt hierbij regeldruk expliciet meegewogen.Ook wordt hierbij een bedrijfseffectentoets uitgevoerd.In het licht van de implementatie van de herziene RIE, waarbij vergunning-verlening plaatsvindt aan de strengste kant van de bandbreedte van deBBT, kan een te vroeg herbeoordelingsmoment investeringsbeslissingenonder druk zetten. Hoe wordt rekening gehouden met de geldigheidsduurvan bestaande vergunningen, investeringsafwegingen en afschrijvingster-mijnen?Antwoord: Deze elementen zullen worden meegenomen bij deverkenning. Zie ook antwoord op voorgaande vraag.Is de Staatssecretaris bereid te kiezen voor een gedifferentieerde aanpakper sector en waar nodig per bedrijf, waarin naast gezondheid enleefbaarheid ook haalbaarheid, betaalbaarheid en concurrentievermogenworden meegewogen?Antwoord: De verkenning onderzoekt onder meer of en op welkemanier het wenselijk zou kunnen zijn om een herbeoordelings-moment van vergunningen te introduceren. Hierbij zal bekekenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 3529 worden of een herbeoordelingsmoment voor specifieke vergun-ningen zou moeten gelden of algemeen toepasbaar zou moetenzijn.Binnen het huidige wettelijke kader moet het bevoegd gezagreeds bij vergunningverlening het milieu- en bedrijfsbelangafwegen. Bij het bedrijfsbelang wordt ook de kosteneffectiviteitvan een te nemen maatregel meegenomen.De leden van de VVD-fractie constateren dat de Staatssecretaris aangeeftdat er beperkte mogelijkheden zijn voor sluitende investeringsprikkels dieaantoonbaar gezondheidswinst opleveren, terwijl subsidies dit welkunnen doen. Is de Staatssecretaris bereid hiervoor actief te pleiten inEuropese Milieuraadsvergaderingen, met oog voor een gelijk speelveld enhet verkleinen van de investeringskloof tussen milieudoelen enbeschikbare stimulering?Antwoord: Momenteel lopen de onderhandelingen voor hetnieuwe meerjarig financieel kader van de EU (MFK). Deze lopenniet via de Europese Milieuvergadering, maar via speciaaldaarvoor ingerichte ad-hoc raadswerkgroepen. Besluitvormingvindt dan plaats in de Raad Algemene Zaken ter voorbereiding opbespreking in de Europese Raad. In de onderhandelingen vraagthet kabinet, waar passend, onder meer aandacht voor een goedeborging van de elementen die in het huidige LIFE-programma5voorkomen. Daarnaast bepleit het kabinet in Brussel ook hetbelang van investeringen in de groene transitie en daarom staathet kabinet positief tegenover het voorstel van de Commissie omminimaal 35% van de EU-uitgaven te richten op klimaat enmilieu.De huidige Europese staatssteunregels staan steun aan boven-wettelijke milieumaatregelen onder voorwaarden overigens reedstoe.De leden van de VVD-fractie merken tot slot op dat de Staatssecretariszich terecht beperkt tot de in de Kamerbrief aangekondigde maatregelen.Focus is noodzakelijk om effectief te kunnen sturen. Te snelle of te bredemaatregelen kunnen de concurrentiekracht en het verdienvermogen vande industrie onder druk zetten, terwijl deze juist essentieel zijn voor deNederlandse economie en de verduurzamingsopgave. Deze leden achtenhet van belang dit traject zorgvuldig en in goede afstemming met de vasteKamercommissie voor Infrastructuur en Waterstaat en de betrokkenministeries voort te zetten.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat het voorge-stelde beleid hinkt op twee verschillende en deels tegenstrijdige uitgangs-punten. Industriële uitstoot leidt tot milieuvervuiling en gezondheids-schade. Veel schadelijke uitstoot kan worden voorkomen door hetdwingend voorschrijven van technische maatregelen, door wettelijkeemissie-eisen, strenge vergunningverlening, beter meten en rapporterenen handhaving van regels. Maar de Staatssecretaris wil vooral absoluut5LIFE is een Europese subsidie voor projecten die in actie komen tegen klimaat-, milieu ennatuurvervuiling onder het huidig MFK (2021–2027). In de voorstellen voor het nieuwe MFKstelt de Commissie voor om het LIFE-programma als afzonderlijk financieringsinstrument teschrappen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35210 voorkomen dat de vervuilers last krijgen van de bestaande regels of meerregels. Meer en strengere regels of het effectief handhaven van bestaanderegels zou immers kunnen leiden tot hogere kosten voor bedrijven.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Staatssecretaris of hijde mening deelt dat kostenbesparingen voor de industrie, door het nietverminderen van gezondheidsschadelijke vervuiling, betekenen datomwonenden voor die kostenbesparing betalen met hun gezondheid. Dusdat de gezondheid van de ene burger onvrijwillig wordt omgezet individend voor de andere.Antwoord: Het kabinet zoekt altijd naar een goede balans bij hetaanpakken van de verschillende maatschappelijke opgaven. Perbeleidsterrein wordt daarvoor afgewogen wat de gevolgen zijnvoor mens en milieu, en wat de economische baten en lasten zijn.Daarin speelt ook mee hoe kosten in de tijd verdeeld (kunnen)worden.Nederland is een dichtbevolkt land waar (intensieve) industrie,wonen en natuur nauw met elkaar verbonden zijn en de ruimteschaars is. Het zoeken naar een goede balans tussen het benuttenvan de fysieke leefomgeving en de bescherming ervan is daaromextra uitdagend.Het verder brengen van het principe «de vervuiler betaalt» endaarmee de milieuschade die bedrijven veroorzaken onderdeellaten worden van de prijs van diensten en producten is hetuiteindelijke doel, dat vooral Europees gerealiseerd moet worden.Daarbij wil het kabinet ook innovaties bevorderen.Voor de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie moet de bescherming vande gezondheid van mens en milieu uitgangspunt zijn voor het beleid. Datbepaalt de ruimte waarbinnen economische activiteiten kunnen plaats-vinden. Deze leden vinden dat er geen recht op vervuiling mag zijn, als ditten koste gaat van de gezondheid van mensen. Zeker niet, als dievervuiling en gezondheidsschade vermijdbaar zijn en het product van dievervuiling een geringe maatschappelijke meerwaarde heeft. Beide zoudengetoetst moeten worden en onderdeel moeten zijn van het vergunningen-proces en de handhaving.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met grote belangstellingkennisgenomen van het rapport van de Onderzoeksraad voor Veiligheid(OVV). Deze leden zien eigenlijk geen goede redenen om de acties uit deactieagenda niet allemaal volledig uit te voeren. Ze dragen allemaal bijaan een gezondere leefomgeving en zijn daarom nodig. Het uitgangspuntvan de Staatssecretaris dat er geen regels of regelingen bij mogen komen,delen deze leden nadrukkelijk niet.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie onderscheiden twee uitgangs-punten voor een effectief beleid op industriële vervuiling. Ten eerstewordt geen vervuiling vergund die vermijdbaar of overbodig is, of degezondheid van mens en milieu onevenredig aantast. Dus de schoonstetechnieken moeten altijd leidend zijn en als ook die niet schoon genoegzijn, kan de activiteit niet worden vergund. Ten tweede moet de overheidin staat zijn om dit effectief te handhaven. De omgevingsdiensten, deInspectie Leefomgeving en Transport (ILT), het Rijksinstituut voorVolksgezondheid en Milieu (RIVM), de GGD en anderen moeten overvoldoende mensen, middelen en kennis beschikken en voldoendejuridische mogelijkheden hebben om te toetsen en te controleren. Is deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35211 Staatssecretaris bereid om hiernaartoe te werken, op weg naar «zeropollution 2050»?Antwoord: Het eerste uitgangspunt dat de GroenLinks-PvdAfractie beschrijft, is ook het uitgangspunt van de Europesedoelstelling om stap voor stap toe te werken naar een situatievan zero pollution in 2050. Zoals eerder aan uw Kamer gemeldsteunt het kabinet deze inzet. De implementatie van de herzienerichtlijn Industriële Emissies6 en de richtlijn Luchtkwaliteit7(2024/2881) zijn in dit kader waardevolle stappen. Er is in hetkader van de Actieagenda een eerste verkenning uitgevoerd naarde omvang van de opgave voor een gezonde, schone en veiligeleefomgeving in 2050 gefocust op luchtkwaliteit. De verkenningis bijgevoegd bij de Kamerbrief8 van 19 december 2025.Voor wat betreft het tweede uitgangspunt geldt het volgende.Het is goed gebruik om medeoverheden te betrekken bij beleids-wijzigingen die leiden tot nieuwe taken voor medeoverheden;zeker als die substantieel van aard zijn. Nieuwe structurele takenvoor medeoverheden zijn in het kader van deze fase van deActieagenda Industrie en Omwonenden niet voorzien. Mochtennaar aanleiding van de pilots en verkenningen beleidswijzigingenals optie in beeld komen waar dat wel voor geldt, dan zal alsonderdeel van de besluitvorming de bijbehorende financierings-behoefte in kaart worden gebracht.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie concluderen, gezien de reactiesin de inspraak en de ontvangen brieven, dat de vervuilers in het algemeenzeer positief zijn over de keuzes, terwijl de slachtoffers van de vervuilingen hun vertegenwoordigers zeer kritisch zijn. Is de Staatssecretaris, geziende reacties, nog steeds van mening dat de uitkomsten van de actieagendavoldoende en in balans zijn?Antwoord: De aandachtspunten vanuit alle belanghebbenden,waaronder kritische (organisaties van) omwonenden, zijnmeegewogen tijdens de totstandkoming van de Kamerbrief en debesluitvorming over de beschikbare beleidsopties. Juist omdathet kabinet een afweging moest maken over aanpassingen aaneen balans tussen allerlei belangen zijn deze aandachtspunten alvroeg in het besluitvormingsproces opgehaald om deze te kunnenwegen. De in de brief aangekondigde acties zijn het resultaat vandie weging.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen de nadruk leggen op eenaantal acties uit de actieagenda die wat deze leden betreft alsnog moetenworden overgenomen. Deze leden merken op dat actie 3 vraagt om hetvastleggen van de BBT in algemene regels. Deze leden zijn van meningdat het onuitlegbaar is dat milieu en gezondheid schade oplopen dievermijdbaar is, doordat bedrijven betere technieken toepassen. DeBBT-regels worden nu amper gehandhaafd, lozings- en emissievergun-ningen zijn soms nog steeds voor eeuwig, of revisie is niet automatisch. Isde Staatssecretaris bereid om alle vergunningen voor schadelijke6Richtlijn (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 tot wijzigingvan Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies(geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) en Richtlijn 1999/31/EG van deRaad betreffende het storten van afvalstoffen7Richtlijn (EU) 2024/2881 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024 betref-fende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (herschikking)8Kamerstuk 28 089, nr. 346Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35212 emissies standaard periodiek te laten toetsen inclusief mogelijke beteretechnieken en deze eveneens automatisch dwingend voor te schrijven? Isde Staatssecretaris bereid om dit in een algemene maatregel van bestuur(AMvB) te regelen?Antwoord: Met de implementatie van de herziene Richtlijnindustriële emissies9 wordt de onderkant (strengste kant) van deBBT-bandbreedte het uitgangspunt voor vergunningverlening.Indien bedrijven door middel van maatwerk een minder strengevergunning willen krijgen, hebben zij de plicht om voor huninstallaties een analyse te doen van de hele BBT-bandbreedte enaan te tonen waarom zij niet kunnen voldoen aan de onderkantvan de bandbreedte.Met betrekking tot het standaard periodiek toetsen van vergun-ningen, wordt op dit moment in het kader van de actieagendauitgezocht of een integrale herbeoordelingsmoment van vergun-ningen mogelijk en wenselijk is. Over de uitkomst van dit trajecten eventuele vervolgstappen zult u te zijner tijd geïnformeerdworden.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 5 vraagt ombetere normen voor de luchtkwaliteit. Luchtvervuiling is één van degrootste factoren van vermijdbare ziekte en sterfte en de grootste factordie mensen niet zelf in de hand hebben. Anderen vervuilen de lucht diewij inademen. De burger heeft hier geen keus. De maatschappelijkeschade loopt in de miljarden. Is de Staatssecretaris bereid de normen vande Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) voor luchtkwaliteit wettelijk teverankeren en juridisch afdwingbaar te maken?Antwoord: In lijn met de Europese Zero Pollution Ambition voor2050 wordt toegewerkt naar de advieswaarden van de Wereldge-zondheidsorganisatie WHO in 2050. Dit is in lijn met de MotieBouchallikh c.s. uit 2021, waarin de Kamer onder andere heeftuitgesproken dat de advieswaarden van de WHO leidend moetenzijn in het huidige en toekomstige luchtkwaliteitsbeleid10. Denieuwe normen voor 2030 voor de belangrijkste luchtvervuilendestoffen, zoals Europees overeengekomen in de herziene richtlijnLuchtkwaliteit, vormen een belangrijke tussenstap op weg naarde advieswaarden. De richtlijn bevat hiervoor een stappenplan, inde vorm van de verplichtingen om na 2030 de gemiddeldeblootstelling te blijven verminderen. Gemiddelde concentraties instedelijke gebieden zullen dan geleidelijk moeten dalen, totdat deadvieswaarden van de WHO bereikt zijn.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 10 over decontrole van industriële emissies gaat. Zij zijn van mening dat we moetenmeten om te weten en dat dan veel meer kennis nodig is. Een goedmeetnetwerk en lokale metingen bij en rond installaties zijn een belangrijkinstrument in de handhaving. Het huidige netwerk is gebrekkig en decontrole te zwak. Alle meetresultaten, ook die bij installaties, moetenopenbaar zijn. Het is immers de lucht van iedereen en burgers moetenweten wat ze inademen. Is de Staatssecretaris bereid om te investeren in9Richtlijn (EU) 2024/1785 van het Europees Parlement en de Raad van 24 april 2024 tot wijzigingvan Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies(geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) en Richtlijn 1999/31/EG van deRaad betreffende het storten van afvalstoffen10Tweede Kamer, vergaderjaar 2021–2022, 30 175, nr. 387Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35213 meer en betere metingen, metingen aan installaties door onafhankelijkepartijen te laten uitvoeren en meetresultaten te publiceren?Antwoord: Het kabinet wil toewerken naar een systeem waarinemissies en immissies van relevante vervuilende stoffen goed enop de juiste momenten worden gemeten, dichterbij de bedrijven,waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn.Om te bepalen hoe dit het beste kan worden vormgegeven, wordtgestart met een aantal praktijkgerichte en risicogestuurdemeetpilots op het gebied van het betrouwbaarder en toeganke-lijker maken van immissie- en emissiemetingen bij een aantalindustriële locaties. Op iedere locatie is de problematiek en debehoefte anders. Daarom starten we in de praktijk en worden hetbedrijf en omwonenden betrokken door het bevoegd gezag (enhet Rijk). Bij immissiemetingen worden GGD’en en het RIVMbetrokken. Hiermee worden de behoefte, de problematiek en demogelijke oplossingen scherp en kan de pilot per locatie passendworden vormgegeven. De resultaten van de pilot landen in eenadvies over het wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen.Op basis daarvan kan worden besloten of, en zo ja hoe er eenvervolg komt. Verder kan vermeld worden dat diverse bevoegdegezagen in het kader van hun toezichtstaak recent geïnvesteerdhebben in meer eigen meetcapaciteit.Meer meetcapaciteit hoeft overigens niet altijd een voorwaardete zijn voor vertrouwen in meetresultaten. De gebruikte meetme-thode, betere informatievoorziening daarover en transparantieover de resultaten kunnen daar ook een positieve invloed ophebben. Deze invalshoeken worden meegenomen in de pilot.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 12 vraagtom het meewegen van gezondheid in de Omgevingswet. Er moet eenwettelijke methode komen die de cumulatieve effecten van vervuiling opgezondheid weegt en laat meetellen in de vergunningverlening. Met namekleine overheden hebben amper mogelijkheden om hierop te controlerenof te sturen. Een GGD-advies bij een omgevingsvisie en een GER in deMER met een verplichte MER bij grote projecten, is van grote waarde. Isde Staatssecretaris bereid dit in beleid en regelgeving om te zetten enlokale overheden hierin te ondersteunen?Antwoord: In de bestaande MER-regelgeving is gezondheid alverankerd. Op dit moment vindt een pilot van een GER plaats bijTata Steel. Na de afronding van die pilot bij Tata Steel wordtbekeken wat de meerwaarde is van (elementen van) de GER, hoedeze een plek kan krijgen in wet- en regelgeving, en op welkmoment in het vergunningsproces dit het meeste effect zouhebben.In de pilot over de versteviging van het GGD-advies is het debedoeling om te bevorderen dat gezondheid op voorhand wordtmeegewogen bij keuzes over de ruimtelijke inpassing envoorwaarden. De pilot is gericht op planvorming en niet opvergunningverlening of de VTH-structuur. Uit de resultaten van depilot zal blijken of er aanleiding is om de juridische status vanGGD-adviezen aan te passen. Op dit moment zijn de adviezen nietverplicht of bindend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van19 december jl. is het uitgangspunt nu om geen stapeling vaneisen bovenop het bestaande instrumentarium van wet- enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35214 regelgeving te creëren. Een wijziging van de Omgevingswet isdaarmee vooralsnog niet aan de orde.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat actie 13 vraagtom een sterkere adviesrol voor de GGD. Gezien de vaak zwakke kennispo-sitie van lagere overheden die vergunningen moeten beoordelen ofhandhaven, is de kennis over gezondheid van de GGD van groot belang.Is de Staatssecretaris bereid om de rol van de GGD bij de beoordeling vangezondheidseffecten en de communicatie hierover, wettelijk teverankeren?Antwoord: Zoals aangegeven in de Kamerbrief is hetuitgangspunt nu om geen stapeling van eisen bovenop hetbestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren.De pilot GGD-advies gaat in beeld brengen of en hoe hetGGD-advies beter verankerd kan worden. Over de resultatenwordt u eind 2027 geïnformeerd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie willen ten slotte benoemen datgeen enkele regel of afspraak effectief is als deze niet kan wordengehandhaafd. Al vele jaren spreken we over de grote gebreken in hetVTH-stelsel. Zowel de landelijke als lokale handhavende instanties zijnondergefinancierd en onderbemensd en beschikken te vaak niet over dejuiste kennis of het juridische instrumentarium dat nodig is om deomgeving voldoende en volgens de wet te beschermen. Is de Staatssecre-taris bereid om hier de komende periode extra middelen voor beschikbaarte stellen?Antwoord: Binnen het VTH-stelsel milieu zijn de gemeenten enprovincies bevoegd gezag voor de uitvoering van deVTH-milieutaken en zij zijn eigenaar en opdrachtgever van deomgevingsdiensten. Gemeenten en provincies zijn dus primairverantwoordelijk voor de financiering en de kwaliteit van deomgevingsdiensten. Zij gebruiken daarvoor middelen uit hetgemeente- en provinciefonds. Deze middelen zijn voor degemeenten en provincies vrij besteedbaar. De inzet van demiddelen is daarom vooral een lokale afweging. Het is deverantwoordelijkheid van de bevoegde gezagen om vanuit dezemiddelen de reguliere taken van de omgevingsdiensten tefinancieren.Vanuit het Ministerie van IenW wordt structureel geïnvesteerd inde versterking van het VTH-stelsel milieu in het algemeen en deversterking van omgevingsdiensten in het bijzonder11. Inzet omde omgevingsdiensten te versterken gaat onder andere viainvestering in kennisontwikkeling en via het traject om te komentot robuuste omgevingsdiensten. Hiervoor heeft het ministeriereeds financiële middelen beschikbaar gesteld. Er is momenteelniet voorzien in aanvullende middelen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben over de nieuwe maatregelen enkelevragen. Deze leden lezen dat de nieuwe maatregelen vooral toezien op hetverstevigen van GGD-advies, meten (pilots) en het uitvoeren van tweeverkenningen. Welke maatregelen, bevoegdheden of aanscherpingenworden nu al ingezet om de gezondheid te verbeteren, los van deuitkomsten van de pilots?11Kamerstukken 22 343, nr. 401 en Kamerstukken 22 343, nr. 419.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35215 Antwoord: Op pagina’s 10–12 van de Kamerbrief van19 december jl., en in bijlage 1 bij die brief, staat opgesomdwelke andere maatregelen het kabinet in de breedte neemt om degezondheidsrisico’s voor omwonenden van industrie te vermin-deren. Dit betreft onder andere de versterking van hetVTH-stelsel, het uitvoeren van een aantal verbeteringen in hetbeleid inzake zeer zorgwekkende stoffen, het implementeren vande Europese richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit enindustriële emissies, het verduurzamen van de industrie enverdere kennisontwikkeling.De leden van de CDA-fractie vragen naar de mogelijkheden om de RIEwettelijk te verankeren, zodat bedrijven periodiek inzicht geven in detoepassing van BBT. Kan de Staatssecretaris uiteenzetten welke juridischeen praktische mogelijkheden hiervoor bestaan en tegen welke belemme-ringen wordt aangelopen bij de toetsing op basis van BBT?Antwoord: De Richtlijn industriële emissies is verankerd in onzenationale wetgeving. Vanuit de richtlijn bestaat de verplichtingdat IPPC-installaties moeten voldoen aan BBT. Als eenBref-document (dat is een document waarin wordt vastgelegdwat BBT voor bepaalde installaties is) wordt gepubliceerd doorEuropa, moeten bedrijven met die installaties binnen vier jaarvoldoen aan de nieuwe BBT. Daar hoort bij dat vergunningenworden geactualiseerd. Voor de actualisatie van een vergunningmoeten bedrijven inzicht geven aan de bevoegde gezagen in detoepassing van BBT in hun installaties. Omdat Bref-documenteniedere 8 jaar herzien zouden moeten worden, zou dat in principeiedere 8 jaar moeten gebeuren. In de praktijk duurt de herzieningvan Bref-documenten langer. Daarmee is de termijn waarbinnen(opnieuw) naar de toepassing van BBT wordt gekeken ook langer.Met implementatie van de herziene Richtlijn Industriële Emissiesworden bevoegde gezagen overigens juridisch steviger gepositio-neerd en wordt hun informatietekort aangepakt. In dezeherziening is het uitgangspunt dat aan de onderkant van deBBT-bandbreedte vergund moet worden.De leden van de CDA-fractie lezen dat er veel aandacht is voor meten.Deze leden zien zorgen rondom de onafhankelijkheid, capaciteit enbetrouwbaarheid van de metingen. Een voorbeeld hiervan is Tata Steel,waar eerder is gewerkt met «Hollandse Luchten», geluidsmeters van dedorpsraad en een snuffelauto. Welke aanvullende alternatieven ziet deStaatssecretaris als kansrijk om meer vertrouwen te krijgen in dezemeetresultaten? Tevens vragen deze leden om een reflectie op de kansenom technologische innovaties in te zetten, waaronder het gebruik vandrones.Antwoord: De meet-pilot in het kader van de opvolging van deactieagenda heeft het doel om deze vraag te beantwoorden. Depilot kijkt naar het verbeteren van de betrouwbaarheid, transpa-rantie en bruikbaarheid van emissie- en immissiemetingen rondindustriële activiteiten. Voor de mogelijke technische verbete-ringen die kunnen worden toegepast vormen de uitkomsten vanactie 10 van de actieagenda het vertrekpunt. Het is de intentieom in de meetpilot ook innovatieve meetmethoden een plek tegeven, waaronder de inzet van drones en sensoren.De leden van de CDA-fractie onderschrijven dat gezondheid en economiehand in hand moeten gaan en dat een sterke industrie van belang is voorhet verdienvermogen en de strategische autonomie van Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35216 Tegelijkertijd constateren zij dat in de actieagenda verschillende nieuwemaatregelen en verkenningen worden aangekondigd. Deze leden hechteneraan dat bestaande maatwerkafspraken met bedrijven over verduur-zaming en emissiereductie leidend blijven en niet tussentijds eenzijdigworden aangepast. Zij vragen hoe de Staatssecretaris borgt dat de in deactieagenda aangekondigde pilots en verkenningen niet leiden totimpliciete aanscherpingen van verplichtingen die raken aan reedsgemaakte of lopende maatwerkafspraken. Kan worden toegelicht hoe desamenhang tussen deze actieagenda en lopende maatwerktrajecten wordtbewaakt?Antwoord: Met de Actieagenda Industrie en Omwonenden en dedaaruit voortvloeiende maatregelen (zoals de pilots), wordt eenstap gezet om een goed evenwicht te realiseren tussen debescherming van de gezondheid van omwonenden en eenkrachtige Nederlandse industrie. Mocht er uit deze pilots op eenof andere manier een gevolg zijn voor regelgeving, dan wordthierbij regeldruk en het effect op bestaand beleid (zoals demaatwerkafspraken) meegewogen. Ook wordt in dat geval eenbedrijfseffectentoets uitgevoerd.De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de gezondheid vanomwonenden en de kwaliteit van de leefomgeving structureel wordenverbeterd. Zij vragen hoe de Staatssecretaris de voortgang op het gebiedvan emissiereductie, vermindering van hinder en verbetering vanluchtkwaliteit concreet en inzichtelijk maakt voor omwonenden.Antwoord: Het is belangrijk dat omwonenden informatie over hunleefomgeving snel en eenvoudig kunnen vinden. De AtlasLeefomgeving biedt toegankelijke informatie en kaarten over deleefomgeving in Nederland. Om relevante informatie vooromwonenden te bundelen, wordt momenteel in samenwerkingmet het RVIM verkend op welke manier informatie over deleefomgeving nabij industrie beschikbaar kan worden gesteldvoor omwonenden.Op welke wijze wordt gemonitord of de in de actieagenda genoemdemaatregelen daadwerkelijk bijdragen aan meetbare verbetering van deleefomgeving rond industriële clusters?Antwoord: Het kabinet werkt in brede zin aan het verbeteren vande leefomgeving rond industrie. Omdat deze inspanningentegelijk plaatsvinden, en economische activiteiten zich onder-tussen autonoom ontwikkelen, is het zonder extra onderzoek nietmogelijk om een direct causaal verband te leggen tussen speci-fieke acties uit de Kamerbrief en specifieke meetbare verbete-ringen in de leefomgeving. Uiteraard wordt onder meer doorevaluatiegesprekken met betrokkenen wel goed in kaart gebrachtwelke positieve uitkomsten de acties opleveren. De Kamer wordteind 2026 over de voortgang van de pilots, de gesprekstafel ende verkenningen geïnformeerd en eind 2027 over de resultaten.De leden van de CDA-fractie vragen voorts hoe wordt geborgd datomwonenden tijdig en transparant worden geïnformeerd over ontwikke-lingen die hun leefomgeving raken.Antwoord: In veel gevallen is het verplicht om informatie over deleefomgeving en ontwikkelingen die de leefomgeving rakenactief openbaar te maken. Dit volgt onder andere uit het VerdragTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35217 van Aarhus12. De precieze invulling hiervan moet van geval totgeval worden bepaald en valt daarom onder de respectievelijkebevoegde gezagen.Kan worden toegelicht welke instrumenten worden ingezet om hetvertrouwen tussen industrie, overheid en omwonenden te versterken,zonder dat dit leidt tot onduidelijkheid over verantwoordelijkheden ofstapeling van procedures?Antwoord: De Kamerbrief van 19 december jl. kondigt, naast detwee pilots en de twee verkenningen, ook een landelijkegesprekstafel aan. De tafel biedt een plek om de perspectievenvan omwonenden, industrie en overheden samen te brengen. Ditis erop gericht het onderlinge begrip te vergroten en er voor tezorgen dat signalen worden opgepakt, zonder dat hier allerleiextra procedures aan vast hangen.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de Staatssecretarisvoornemens is uitvoering te geven aan het uitgangspunt dat regelgevingeenvoudiger en voorspelbaarder moet worden.Welke concrete stappenworden gezet om te voorkomen dat de actieagenda leidt tot extra lagenvan toezicht, aanvullende toetsmomenten of cumulatie van verplich-tingen? Hoe wordt bij de verdere uitwerking van pilots en verkenningengetoetst of zij bijdragen aan vereenvoudiging in plaats van complexiteit?Antwoord: Het Ministerie van IenW werkt proactief mee aan dekabinetsbrede inzet om regeldruk te verminderen, met behoudvan het beschermingsniveau van mens en milieu. Extra stappenzijn nu niet aan de orde omdat de in de brief aangekondigdeacties juist expliciet binnen het bestaande kader van wet- enregelgeving kunnen worden uitgevoerd.Indien aan de orde, dan worden de mogelijke effecten vantoekomstig, structureel beleid op voorhand getoetst op uitvoer-baarheid (via een uitvoerbaarheidstoets), administratieve lasten,kosten en regeldruk. Mocht naar aanleiding van de resultaten vandeze pilots besloten worden tot structurele maatregelen, danwordt hierbij regeldruk expliciet meegewogen. Ook wordt hierbijeen bedrijfseffectentoets uitgevoerd.De leden van de CDA-fractie hebben over de voorgestelde verstevigingvan de adviesrol van de GGD enkele vragen. Zij vragen hoe wordtvoorkomen dat deze pilot in de praktijk leidt tot extra procedurele stappenof vertraging in ruimtelijke besluitvorming rond industriële activiteiten.Opwelke wijze wordt geborgd dat het vroegtijdig betrekken van gezondheids-advies ondersteunend is aan een integrale afweging, zonder dat ditfeitelijk resulteert in een nieuwe, verzwarende toets naast bestaandewettelijke kaders? Hoe verhoudt deze pilot zich tot de bestuurlijke ruimtevan gemeenten en provincies om binnen de Omgevingswet eigenafwegingen te maken?Antwoord: In de Omgevingswet is opgenomen dat provincies engemeenten verplicht rekening moeten houden met hetbeschermen van de gezondheid bij de toedeling van functies aanlocaties. Anders gezegd: de gezondheid is integraal onderdeelvan de ruimtelijke ordening.12Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot derechter inzake milieuaangelegenheden (1998)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35218 In de pilot over de versteviging van het GGD-advies is het debedoeling om te bevorderen dat gezondheid op voorhand wordtmeegewogen bij keuzes over de ruimtelijke inpassing envoorwaarden. De pilot is gericht op planvorming en niet opvergunningverlening of de VTH-structuur. Uit de resultaten van depilot zal blijken of er aanleiding is om de juridische status vanGGD-adviezen aan te passen. Op dit moment zijn de adviezen nietverplicht of bindend. Zoals aangegeven in de Kamerbrief van19 december jl. is het uitgangspunt nu om geen stapeling vaneisen bovenop het bestaande instrumentarium van wet- enregelgeving te creëren. Een wijziging van de Omgevingswet isdaarmee vooralsnog niet aan de orde.De leden van de CDA-fractie hebben over de meetpilot enkele vragen. Zijonderschrijven het belang van betrouwbare en transparante meetge-gevens, maar vragen hoe wordt gewaarborgd dat deze pilot niet leidt toteen structurele uitbreiding van meetverplichtingen zonder duidelijkewettelijke grondslag en proportionele afweging. Kan worden toegelichthoe wordt voorkomen dat bedrijven in de praktijk worden geconfronteerdmet aanvullende eisen die verder gaan dan bestaande vergunningvoor-schriften of maatwerkafspraken? Op welke wijze wordt geborgd datmeetresultaten zorgvuldig worden geduid en niet leiden tot bestuurlijkedruk tot aanvullende eisen buiten het bestaande kader?Antwoord: Uitgangspunt voor de in de Kamerbrief van19 december jl. aangekondigde acties, waaronder de pilot meten,is om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande instrumen-tarium van wet- en regelgeving te creëren. Er wordt gestart meteen aantal praktijkgerichte en risicogestuurde meetpilots op hetgebied van het betrouwbaarder en toegankelijker maken vanimmissie- en emissiemetingen bij een aantal industriële locaties.Op iedere locatie is de problematiek en de behoefte anders.Daarom starten we in de praktijk en worden het bedrijf enomwonenden betrokken door het bevoegd gezag (en het Rijk). Bijimmissiemetingen worden GGD’en en het RIVM betrokken.Hiermee worden de behoefte, de problematiek en de mogelijkeoplossingen scherp en kan de pilot per locatie passend wordenvormgegeven. De resultaten van de pilot landen in een adviesover het wel of niet zetten van mogelijke vervolgstappen. Opbasis daarvan kan worden besloten of, en zo ja hoe er een vervolgkomt. Mocht er uit deze pilots op een of andere manier eengevolg zijn voor regelgeving, dan wordt hierbij regeldrukexpliciet meegewogen. Ook wordt hierbij een bedrijfseffecten-toets uitgevoerd.De leden van de CDA-fractie hebben over de verkenning naar eenherbeoordelingsmoment voor vergunningen enkele vragen. Zij vragenhoe deze verkenning zich verhoudt tot het uitgangspunt van rechtsze-kerheid voor bedrijven die binnen de geldende vergunningen opereren.Kan worden toegelicht hoe wordt voorkomen dat een herbeoordelings-moment in de praktijk leidt tot tussentijdse wijziging van eerder gemaakteafspraken of tot onzekerheid over investeringen?Antwoord: Uitgangspunt voor de in de Kamerbrief van19 december jl. aangekondigde acties, waaronder de pilot meten,is om geen stapeling van eisen bovenop het bestaande instrumen-tarium van wet- en regelgeving te creëren De verkenning doetdaarom geen afbreuk aan bestaande rechten en verplichtingen,noch aan wet- en regelgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35219 Zoals hierboven al is aangegeven, moet de verkenning nogstarten. Hier kan niet op vooruit worden gelopen. Mocht er uitdeze verkenning op een of andere manier een gevolg zijn voorregelgeving, dan wordt hierbij regeldruk expliciet meegewogen.Ook wordt hierbij een bedrijfseffectentoets uitgevoerd.De leden van de CDA-fractie hebben over de verkenning naar positievefinanciële prikkels enkele vragen. Zij vragen hoe deze prikkels zichverhouden tot bestaande subsidieregelingen en maatwerkafspraken oververduurzaming.Antwoord: Bestaande subsidieregelingen om verduurzaming testimuleren, waaronder maatwerksubsidies, hebben als primairdoel het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen. Waarmogelijk worden koppelkansen binnen de huidigemaatwerkaanpak verzilverd om tegelijk bovenwettelijke verbete-ringen voor de leefomgeving te realiseren. Daarmee is deverbetering voor de leefomgeving «bijvangst» in plaats van eendoel op zich. Bij de beoordeling van de concept Joint Letter ofIntent (JLoI) van de Rijksoverheid met Coöperatie KoninklijkeCosun heeft de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduur-zaming Industrie het kabinet vorig jaar al ter overweging meege-geven om te onderzoeken hoe meer samenhang kan wordenaangebracht met doelen voor de integrale leefomgeving(Kamerstuk 29 826, nr. 259). De verkenning van positievefinanciële prikkels heeft als doel om te verkennen op welkemanier bovenwettelijke emissiereducties die aantoonbaargezondheidswinst opleveren gestimuleerd kunnen worden.Hierbij wordt naar zowel nieuwe als bestaande instrumentengekeken.Kan worden toegelicht op welke wijze wordt voorkomen dat via financiëleinstrumenten indirect nieuwe verplichtingen ontstaan voor bedrijven diereeds in een maatwerktraject zitten?Antwoord: Zoals in de Kamerbrief van 19 december jl. is aange-geven, geldt dat áls het kabinet naar aanleiding van de pilots enverkenningen zou besluiten tot beleidswijzigingen, regeldruk indie besluitvorming expliciet wordt meegewogen en een bedrijfs-effectentoets wordt uitgevoerd.De leden van de CDA-fractie hebben over de context en vervolgstappenenkele vragen. Zij lezen dat er een eerste verkenning is uitgevoerd naarluchtkwaliteit in het kader van de EU-doelstelling «zero pollution 2050».Deze leden vragen hoe het staat met het Schone Lucht Akkoord (SLA), endan met name het verplichtende karakter daarvan. Ziet de Staatssecretarisal een toegenomen inzet door provincies en gemeenten, waar industriëleclusters aanwezig zijn?Antwoord: Het Schone Luchtakkoord (SLA) is een akkoord waaroverheden op vrijwillige basis aan kunnen deelnemen, deelnameis niet juridisch verplicht. De afspraken uit het SLA over strengervergunnen leiden tot toegenomen inzet van provincies engemeenten. Alle provincies nemen deel aan SLA. Dit geldt ookvoor veel gemeenten waar industriële clusters gevestigd zijn.Provincies vervullen de rol van bevoegd gezag bij de groterebedrijven in de industriële clusters, die ook de meeste vervui-lende stoffen uitstoten. Bij het herzien van vergunningen en hetafgeven van nieuwe vergunningen houden zij rekening met deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35220 afspraken uit het SLA. Dit leidt nu al tot strengere vergunningenen lagere emissies naar de omgeving.De leden van de CDA-fractie vragen of de Staatssecretaris voornemens isde bevindingen van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli),waaronder onderzoeken naar toezicht en handhaving en naar leefom-geving en gezondheid, te betrekken bij het vervolg van deze actieagenda.Antwoord: De Rli is samen met de Gezondheidsraad en de Raadvoor Volksgezondheid en Samenleving, mede op verzoek van hetkabinet, een onderzoek gestart naar hoe gezondheid volwaardigmeegewogen kan worden naast allerlei andere belangen. Waarzinvol zullen de uitkomsten van dit onderzoek worden benut voorbeleidsvorming.De leden van de CDA-fractie hebben over de betrokkenheid van stake-holders enkele vragen. Deze leden lezen dat niet alle aangedragensuggesties van betrokken stakeholders zijn overgenomen en dat uit debeslisnota een complex spanningsveld blijkt tussen Rijk en decentraleoverheden. Welke inzichten zijn opgedaan als het gaat om afsprakenrondom bevoegd gezag, het delen van kennis en andere vormen vansamenwerking? Met name als het gaat om een gezonde leefomgeving,waar de bestaande procedures niet altijd tot bescherming leiden.Antwoord: Het kabinet heeft begrip voor partijen die om verder-gaande maatregelen vragen en voor de belangrijke positie die deindustrie heeft voor onze economie en de lastige situatie waarinzij zich bevindt. Niet alles kan en niet alles kan tegelijk. Ditkabinet kiest ervoor om te starten met pilots en verkenningen diemeer inzicht zullen geven in wat aan verbetering nodig enmogelijk is. Uitgangspunt bij deze pilots is dat deze haalbaar zijnvoor de industrie en probleem- en risicogericht zijn: ze lossen deproblemen op waar ze bestaan en verhogen niet de regeldrukvoor bedrijven die het al goed doen. Daarnaast continueert hetkabinet de brede inspanningen om de gezonde leefomgeving enhet VTH-stelsel te versterken, zoals beschreven op pagina 11 vande Kamerbrief en in bijlage 1 bij die brief.De leden van de CDA-fractie vragen hoe belemmeringen voor lagereoverheden worden weggenomen, zoals het ontbreken van concretegezondheidsnormen en een wettelijke methode voor het beoordelen vancumulatieve gezondheidseffecten, zodat gezondheid daadwerkelijkzwaarder kan meewegen onder de Omgevingswet.Antwoord: Hoewel er binnen de huidige wet- en regelgevingjuridische instrumenten bestaan om vergunningen aan te passenof aan te scherpen13, blijken deze in sommige situaties in depraktijk lastig uitvoerbaar te zijn. Aan de motivering vanbesluiten worden hoge eisen gesteld. Dat is begrijpelijk, want omte kunnen blijven concurreren en vernieuwen moeten industriëlebedrijven erop kunnen vertrouwen dat een verleende vergunningniet zomaar wordt gewijzigd. Hoe ingrijpender een wijzigingsbe-sluit, hoe hoger de eisen voor motivering. In sommige gevallenkomt daardoor een wenselijke aanpassing of aanscherping niettot stand. Soms vanwege een informatietekort, soms vanwegeontbrekende capaciteit of middelen. In de praktijk leidt dit tot13De wet- en regelgeving kent een aantal gronden voor het ambtshalve wijzigen van devergunning (afdeling 8.10 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, Bkl) en is grotendeelsimplementatie van Europees rechtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35221 knelpunten. Dit blijkt ook uit het Juridisch Onderzoek Omgaanmet onzekere risico’s dat eerder aan de Kamer is aangeboden.Op dit moment is er voor gekozen om de verkenning te richten opde (on)mogelijkheden van een integrale herbeoordeling vangeldende vergunningen van bestaande bedrijven na verloop vaneen bepaalde tijd. De gedachte is dat een herbeoordeling kanbijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit van de leefom-geving en de gezondheid van omwonenden. In de verkenning zaldaarom worden bekeken of en hoe op een meer efficiënte eneffectieve manier gekomen kan worden tot een wijziging vanvergunningen of vergunningvoorschriften. Daarbij zal in elk gevalworden verkend in welke gevallen het initiatief voor de herbeoor-deling zou moeten liggen bij degene die een activiteit uitvoert(ook in verband met de bewijslast) en welke informatie en(onderzoeks)gegevens daarvoor beschikbaar zouden moeten zijn.De andere kant van de balans is dat een herbeoordeling passendmoet zijn voor het bedrijf (bijdrage aan economische activiteit) inhaar omgeving (omwonenden) en in de al bestaande regels enplichten (regeldruk). In het onderzoek dat gaat worden uitgevoerdwordt dit ook meegenomen.De leden van de CDA-fractie vragen hoe wordt geborgd dat omgevings-diensten over voldoende uitvoeringscapaciteit en deskundigheidbeschikken om de in de actieagenda voorgestelde maatregelen zorgvuldigtoe te passen.Op welke wijze wordt bewaakt dat nieuwe taken passenbinnen bestaande verantwoordelijkheden en prioritering?Antwoord: De pilots worden in nauwe afstemming met (ondermeer) omgevingsdiensten voorbereid en uitgevoerd. Het Minis-terie van IenW heeft budget beschikbaar om de pilots mogelijk temaken; de inrichting van de pilots wordt afgestemd op debeschikbare middelen.Het is goed gebruik om medeoverheden te betrekken bij beleids-wijzigingen die leiden tot nieuwe taken voor medeoverheden;zeker als die substantieel van aard zijn. Nieuwe structurele takenvoor medeoverheden zijn in het kader van de ActieagendaIndustrie en Omwonenden niet voorzien. Mochten naar aanleidingvan de pilots en verkenningen beleidswijzigingen als optie inbeeld komen waar dat wel voor geldt, dan zal als onderdeel vande besluitvorming de bijbehorende financieringsbehoefte in kaartworden gebracht.De leden van de CDA-fractie vragen tot slot hoe de Staatssecretaris desamenhang bewaakt tussen de actieagenda en het bredere industrie- enklimaatbeleid. Op welke wijze wordt verzekerd dat aanvullende acties terbescherming van de gezondheid van omwonenden bijdragen aandraagvlak en vertrouwen?Antwoord: Zowel op politiek als op ambtelijk niveau wordt nauwsamengewerkt tussen de betrokken ministeries en medeover-heden om de genoemde opgaves integraal aan te pakken. Demaatwerkaanpak industrie is een mooi praktijkvoorbeeld waar,met een primaire focus op CO2 emissiereductie, gekeken wordtnaar de meekoppelkansen voor gezondheidswinst. Ook draagthet bredere industrie- en klimaatbeleid vaak bij aan gezondheids-winst, bijvoorbeeld door de elektrificatie van fossiele processen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35222 Aanvullende acties zullen onder meer via de landelijke gespreks-tafel en door participatie van omwonenden in pilots op lokaalniveau worden getoetst op draagvlak. Mocht er uit de pilots ofverkenningen op een of andere manier een gevolg zijn voorregelgeving, dan wordt hierbij regeldruk expliciet meegewogenen zal ook participatie moeten plaatsvinden.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris de analyse deeltdat Nederland in hoog tempo industriële capaciteit verliest, met name inde chemische sector?Zo ja, hoe weegt hij dit risico mee in de uitvoeringvan de Actieagenda Industrie en Omwonenden?Antwoord: Zoals weergegeven in de paragraaf «De sterksteeconomie van Europa» van het coalitieakkoord staat het verdien-vermogen van Nederland onder druk en wil het kabinet datverdienvermogen versterken. Daarbij geldt dat gezondheid eneconomie hand in hand moeten gaan. Bedrijven zorgen voorwerkgelegenheid en inkomen en voor producten die van belangzijn voor een welvarend Nederland. Tegelijkertijd beperkt eenverantwoordelijk bedrijf de schade aan de omgeving. Er moet dusslim worden nagedacht over de juiste balans tussen het benuttenvan de fysieke leefomgeving en de bescherming ervan. In depilots en de verkenningen uit de Actieagenda wordt deze balansnadrukkelijk in de gaten gehouden.Deze leden vragen hoe het kabinet voorkomt dat goedbedoelde maatre-gelen uit de Actieagenda onbedoeld bijdragen aan verdere verplaatsingvan industrie naar het buitenland (carbon leakage en banenverlies)?De leden van de BBB-fractie vragen of er een integrale impactanalyse isgemaakt van de Actieagenda op investeringsbeslissingen van industriëlebedrijven. Zo nee, waarom niet?Antwoord: Uitgangspunt voor de in de Kamerbrief van19 december jl. aangekondigde pilots en verkenningen is omgeen stapeling van eisen bovenop het bestaande instrumentariumvan wet- en regelgeving te creëren. Daarom is een impactanalyseniet nodig. Mocht er uit de uitkomsten op een of andere maniereen gevolg zijn voor regelgeving, dan wordt hierbij regeldrukexpliciet meegewogen. Ook wordt hierbij een bedrijfseffecten-toets uitgevoerd. Verder verwijst het kabinet naar de afspraken inhet coalitieakkoord met betrekking tot een gelijk Europeesspeelveld. Voor wat betreft de maatschappelijke «license tooperate» ligt er ook een verantwoordelijkheid bij bedrijven zelfom, aanvullend op hun wettelijke verplichtingen, een «goedebuur» te zijn voor de omgeving.De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecretaris de mening deeltdat de industrie essentieel is voor onze banen, ons verdienvermogen ende strategische weerbaarheid van Nederland en Europa?Antwoord: Ja, net zoals het kabinet van mening is dat eengezonde leefomgeving essentieel is. Er moet dus slim moetenworden nagedacht over hoe een goede balans gevonden wordttussen het benutten van de fysieke leefomgeving en debescherming ervan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35223 De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Staatssecretaris borgt dat deActieagenda niet doorslaat in een eenzijdige focus op risico-uitsluiting,maar dat de license to operate van onze zware industrie en het behoudvan een gelijk Europees speelveld altijd als randvoorwaarde blijvengelden bij nieuwe maatregelen?Antwoord: Zoals hierboven al is beschreven, wordt regeldruktelkens expliciet meegewogen. Verder verwijst het kabinet naarde afspraken in het coalitieakkoord met betrekking tot een gelijkEuropees speelveld. Voor wat betreft de maatschappelijke«license to operate» ligt er ook een verantwoordelijkheid bijbedrijven zelf om, aanvullend op hun wettelijke verplichtingen,een «goede buur» te zijn voor de omgeving.De leden van de BBB-fractie lezen dat in de RIVM-kennisnotitie overChemelot wordt geëxperimenteerd met de Hazard Index, een methodewaarbij risico’s van stoffen die individueel aan de norm voldoen, bij elkaarworden opgeteld. De leden van de BBB-fractie vragen of de Staatssecre-taris erkent dat dit soort nieuwe, wetenschappelijk nog volop in ontwik-keling zijnde rekenmodellen leiden tot grote onzekerheid bij onder-nemers? Deze leden vragen of de Staatssecretaris kan bevestigen datbedrijven die netjes binnen hun huidige vergunning en de wettelijkenormen opereren, niet de dupe worden van pilots met dit soortstapelings-berekeningen?Antwoord: Het RIVM heeft in opdracht van het Ministerie vanInfrastructuur en Waterstaat naar aanleiding van de motieGrinwis14 een onderzoek uitgevoerd hoe cumulatie bij emissiesvan zeer zorgwekkende stoffen meegenomen kan worden in devergunningverlening. Onderdeel van het onderzoek is hetopstellen van diverse kennisnotities. In april 2025 verscheen indat kader kennisnotitie «Risicobeoordeling mengsels van stoffenbij de industriële uitstoot naar lucht: casus Chemelot»15. In aldeze casussen is onderzocht of een specifieke methode(HI methode) toepasbaar is in de al bestaande immissietoets dieonderdeel is van de vergunningverlening van zeer zorgwekkendestoffen (ZZS).De HI-methodiek is op dit moment niet verankerd in een wettelijkkader dat kan worden toegepast bij vergunningverlening.Desondanks zijn er, binnen het huidig wettelijk kader, mogelijk-heden die de provincie Limburg als bevoegd gezag zou kunnenbenutten om opvolging te geven aan de conclusies uit deRIVM-kennisnotitie. Het is verder aan het bevoegd gezag of hiergebruik van wordt gemaakt.De leden van de BBB-fractie lezen dat er een pilot wordt gestart om hetadvies van de GGD structureel mee te wegen aan de voorkant van deruimtelijke ordening. Deze leden vragen of de Staatssecretaris kanconcretiseren welke juridische status het GGD-advies krijgt in deomgevingsplannen en vergunningprocedures? De leden vragen of dit eenzwaarwegend of een bindend advies wordt.Antwoord: Het doel van deze pilot is om te bevorderen datgezondheid op voorhand wordt meegewogen bij keuzes over deruimtelijke inpassing en voorwaarden. De pilot is gericht opplanvorming en niet op vergunningverlening of de VTH-structuur.14Kamerstuk 32 813, nr. 83315Bijlage bij Kamerstuk 28 089, nr. 335Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35224 Uit de resultaten van de pilot zal blijken of er aanleiding is om dejuridische status van GGD-adviezen aan te passen. Op dit momentzijn de adviezen niet verplicht of bindend. Zoals aangegeven in deKamerbrief van 19 december jl. is het uitgangspunt nu om geenstapeling van eisen bovenop het bestaande instrumentarium vanwet- en regelgeving te creëren. Een wijziging van deOmgevingswet is daarmee vooralsnog niet aan de orde.De leden van de BBB-fractie vragen aan de Staatssecretaris hoe wordtvoorkomen dat versterking van de GGD-rol leidt tot extra vertragingen invergunningverlening, terwijl bedrijven juist behoefte hebben aanvoorspelbaarheid en snelheid?Antwoord: Zoals hierboven al beschreven is, is deze pilot isgericht op planvorming en niet op vergunningverlening of deVTH-structuur. Daarmee zou deze pilot geen effect moetenhebben op de doorlooptijden van de vergunningverlening.Deze leden vragen of GGD’en momenteel beschikken over voldoendetechnische kennis van industriële processen om realistische enuitvoerbare adviezen te geven?Antwoord: De kennis van de GGD’en betreft de gezondheidsge-volgen van besluiten en ontwikkelingen in de leefomgeving. DeGGD’en kunnen een gezondheidskundige risicobeoordelingmaken. Deze kennis is aanvullend op de kennis van industriëleprocessen die aanwezig is bij de Omgevingsdiensten. Als hetbevoegde gezag een integrale afweging maakt, op basis vaninformatie van diverse deskundigen, kan tot betere besluit-vorming worden gekomen.De leden van de BBB-fractie lezen dat «veel bedrijven» geconfronteerdzullen worden met aanzienlijk strengere eisen dan zij nu gewend zijn, watkan leiden tot een sterke toename van maatwerkverzoeken en juridischeprocedures. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris hoeveel bestaandeNederlandse installaties in de problemen dreigen te komen doortoepassing van de strengste kant van de BBT-bandbreedte?Antwoord: Onder de Richtlijn industriële emissies is maatwerkmogelijk voor bedrijven met installaties die niet aan de strengstenorm kunnen voldoen. Bedrijven moeten in dat geval een analysedoen van de volledige BBT-bandbreedte en aantonen waarom huninstallaties niet kunnen voldoen aan de strengste kant van deBBT-bandbreedte. Deze eisen gelden in alle lidstaten van deEuropese Unie, voor alle bedrijven die onder deze regelgevingvallen.Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel extra investeringen dit naarverwachting vergt van de industrie?Antwoord: De Europese Commissie heeft in het kader van deherziening van de Richtlijn Industriële Emissies een impactassessment uitgevoerd en gepubliceerd. Hieruit blijkt dat dealgehele voordelen van de herziening aanzienlijk opwegen tegende kosten16.16Zie: https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=CELEX%3A52022SC0111&qid=1710420235405Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35225 Deze leden vragen of er flankerend beleid is voorzien (subsidies, energie-infrastructuur, vergunningversnelling) om deze investeringen überhauptmogelijk te maken.Antwoord: In lijn met het hoofdstuk «Grote keuzes voorNederland» in het coalitieakkoord zet het kabinet breed in op hetstimuleren van duurzame industrie, het aanpakken van netcon-gestie en het vereenvoudigen van regelgeving en vergunningver-lening voor bedrijven.Flankerend beleid, zoals subsidies, zijn alleen mogelijk voorinvesteringen die meer vragen van de industrie dan zij vanuitwettelijk oogpunt al zouden moeten doen. Dus voor het voldoenaan de BBT-bandbreedte kunnen geen subsidies gegeven worden,wel voor een versnelling van verduurzaming bijvoorbeeld of voorextra (bovenwettelijke) maatregelen die bijdragen aan deleefomgeving.De leden van de BBB-fractie lezen dat vertegenwoordigers van deindustrie (VNO-NCW/VNCI) waarschuwen voor de risico’s van hetverdwijnen van de sector uit Nederland. Deze leden stellen dat het verliesvan de industriële ruggengraat leidt tot verlies van banen, kennis en regieover duurzame productie, tot een toenemende afhankelijkheid van landenmet lagere milieu- en veiligheidsnormen, en tot een bedreiging van decontinuïteit van essentiële productie als gevolg van geopolitiekespanningen en stapelende regelgeving. Deze leden vragen hoe dezeActieagenda zich verhoudt tot het bredere Europese doel van strategischeautonomie, met name in de chemische sector? Deelt de Staatssecretarisde zorg dat Europa – en Nederland in het bijzonder – steeds afhankelijkerwordt van China en India voor essentiële chemische producten zoalsmedicijnen en vitamines? Deze leden vragen aan de Staatssecretaris of inde Actieagenda expliciet rekening wordt gehouden met dit geopolitiekerisico?Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie of de Staatssecretaris deopvatting deelt dat zonder een sterke industrie ook de middelen ontbrekenom te investeren in gezondheid, duurzaamheid en leefomgeving?Antwoord: Zoals in de Kamerbrief van 19 december jl. vermeldziet het kabinet onze industrie als essentieel voor het verdienver-mogen, onze dagelijkse voorzieningen en voor de strategischeweerbaarheid van Nederland en Europa. Ook is de industrie dekatalysator van innovatie en transities, zoals de energietransitie,verduurzaming en transitie naar een circulaire economie. Dezeletterlijke en figuurlijke waarde van de industrie moet hand inhand gaan met het belang van bescherming van de gezondheidvan omwonenden van die industrie. Dit zijn twee kanten vandezelfde medaille, die allebei een eigen waarde vertegenwoor-digen.Zo ja, hoe wordt dit uitgangspunt concreet verankerd in de verdereuitwerking van de Actieagenda?Antwoord: Waar nodig worden de mogelijke effecten op uitvoer-baarheid (via een uitvoerbaarheidstoets), administratieve lasten,kosten en regeldruk getoetst, en wordt gekeken hoe deze tevoorkomen. Mocht er uit deze pilots op een of andere manier eengevolg zijn voor regelgeving, dan wordt hierbij regeldrukexpliciet meegewogen. Ook wordt hierbij een bedrijfseffecten-toets uitgevoerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35226 Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor deDieren-fractieDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie kunnen uit de stukken,waaronder de beslisnota, concluderen dat eigenlijk vooral de industriever-tegenwoordigers tevreden zijn, maar medeoverheden, gezondheidsex-perts, maatschappelijke organisaties en omwonenden niet. Dat isveelzeggend. Drie jaar nadat het OVV-rapport Industrie en Omwonendenhad geconcludeerd dat de overheid omwonenden onvoldoendebeschermt tegen de ziekmakende uitstoot van de industrie, zijn er nogsteeds geen dwingende maatregelen genomen om omwonenden beter tebeschermen. In 2024 heeft de Kamer tijdens het debat over hetOVV-rapport in meerderheid al negatief gereageerd op de toen gepresen-teerde Actieagenda Industrie en Omwonenden, waarbij partijen van linkstot rechts benadrukten dat ze weinig actie zagen, maar vooral veelonderzoeken en doorschuiven. Er is beterschap beloofd, met concreteacties die tot daadwerkelijke verbetering voor omwonenden zoudenleiden en bijbehorende deadlines. Maar er is nauwelijks verbeteringgekomen. Het kabinet blijft hangen in onderzoeken, verkenningen,processen, gesprekstafels en kleine pilots, zonder concrete resultaten enverbeteringen. Deze leden verwachten samen met gezondheidsexperts,medeoverheden en toezichthouders beter en hebben een aantal vragen.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie roepen hierbij ook hetnieuwe kabinet op om het tij in dit dossier te keren en, conform het adviesvan ambtenaren in de beslisnota, meer tegemoet te komen aan deaanbevelingen en opmerkingen van de omgevingsdiensten, medeover-heden, maatschappelijke organisaties, omwonenden en gezondheidsex-perts. Graag ontvangen deze leden een reflectie van de Staatssecretarishierop.Antwoord: Het kabinet heeft begrip voor partijen die om verder-gaande maatregelen vragen. Ook heeft zij begrip voor de belang-rijke positie die de industrie heeft voor onze economie en delastige situatie waarin zij zich bevindt. Niet alles kan en niet alleskan tegelijk. Dit kabinet kiest ervoor om te starten met pilots enverkenningen die meer inzicht zullen geven in wat aan verbe-tering nodig en mogelijk is. Uitgangspunt bij deze pilots is datdeze haalbaar zijn voor de industrie en probleem- en risicogerichtzijn: ze lossen de problemen op waar ze bestaan en verhogen nietde regeldruk voor bedrijven die het al goed doen. Daarnaastcontinueert het kabinet de brede inspanningen om de gezondeleefomgeving en het VTH-stelsel te versterken, zoals beschrevenop pagina 11 van de Kamerbrief en in bijlage 1 bij die brief.ProcesDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat al in 2021 istoegezegd om te verkennen wat er nog meer kan worden gedaan om degezondheid van de omwonenden van Tata Steel beter te beschermen. Erzouden eventueel tussendoelen komen. Ook zou er gekeken worden naarnationale stappen, als Europese stappen niet opschieten. Bevoegdegezagen vragen ook al jaren om concrete actie. Eerst kwam er eenActieagenda Industrie en Omwonenden die, zoals hierboven geschetst enbevestigd door de Tweede Kamer in 2024, bol stond van vaagheden enonderzoeken. Wat nu voorligt, is een resultaat van de in 2024 aange-nomen motie-Kostic´ (Kamerstuk 28 089, nr. 321) om de Actieagenda aante scherpen en concrete acties toe te voegen. Een half jaar later dangepland, is dat stuk eind december naar de Kamer gestuurd. Als ondermeer deze leden in debatten vroegen om omwonenden te beschermen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35227 werden ze telkens verwezen naar de nog te komen voortgangsbrief overde Actieagenda. Nu de die brief er is, zien deze leden geen echteaanscherping in lijn met adviezen van experts, omgevingsdiensten,medeoverheden en omwonenden.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de Staatssecretarisop zoek is naar een balans tussen de verschillende belangen. Is deStaatssecretaris het met deze leden eens dat dat nog niet gelukt is, gezienhet feit dat ook uit beslisnota blijkt dat vooral de industrievertegenwoor-digers tevreden zijn met het beleid, maar maatschappelijke organisaties,medeoverheden, toezichthouders en omwonenden niet?Antwoord: De aandachtspunten vanuit alle belanghebbenden,waaronder kritische (organisaties van) omwonenden, zijnmeegewogen tijdens de totstandkoming van de Kamerbrief en debesluitvorming over de beschikbare beleidsopties. Bij het zoekennaar een juiste balans heeft het kabinet deze aandachtspunten alvroeg in het besluitvormingsproces opgehaald om deze te kunnenwegen. De in de brief aangekondigde acties zijn het resultaat vandie weging.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat onder anderemedeoverheden meer verdergaande maatregelen willen, waaronderwijziging van regelgeving. Kan de Staatssecretaris toezeggen opnieuw tekijken naar deze scheve balans, en voor het eerstvolgende debat met eenbrief te komen waarin hij uitlegt hoe hij medeoverheden, maatschappe-lijke organisaties en burgers meer tegemoet komt, zoals optie 4 uit deambtelijke beslisnota adviseert?Antwoord: Nee. Zoals hierboven al beschreven, heeft het kabinetbegrip voor partijen die om verdergaande maatregelen vragen envoor de belangrijke positie die de industrie heeft voor onzeeconomie en de lastige situatie waarin zij zich bevindt. Niet alleskan en niet alles kan tegelijk. Alle adviesdocumenten zijn reedsgewogen en de Kamerbrief van 19 december jl. geeft weer welkeconclusies het kabinet aan die weging heeft verbonden.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de Staatsse-cretaris in de brief doet alsof de maatregelen die hij neemt in lijn zijn metadviezen van de Expertgroep Gezondheid IJmond. Terwijl de ambtelijkenota duidelijk stelt: «De maatregelen die de Expertgroep adviseert gaanwel veel verder dan wat in de brief wordt voorgesteld.» Erkent deStaatssecretaris dat hij een onjuist beeld richting de Kamer heeftgeschetst over hoe de Expertgroep over zijn beleid oordeelt?Antwoord: Nee. Twee zaken zijn tegelijkertijd waar: in het adviesdat zij hebben uitgebracht over de Actieagenda kiest de Expert-groep speerpunten die overeenkomen met die van de pilots enverkenningen die in deze brief worden aangekondigd; en, zoalsde PvdD-fractie citeert uit de beslisnota, de maatregelen die deExpertgroep adviseert gaan wel veel verder dan wat in de briefwordt voorgesteld. Zoals aangegeven heeft het kabinet allebelangen gewogen; de in de brief aangekondigde acties zijn hetresultaat van die weging.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat juridischafdwingbare maatregelen die aantoonbaar leiden tot reductie vangezondheidsrisico’s en risico’s voor de leefomgeving van mensenontbreken. Dat beeld wordt nadrukkelijk ook door Omgevingsdienst NLgeschetst, die in zijn kritische notitie stelt dat zonder aanpassing van wet-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35228 en regelgeving en zonder duidelijk normatief kader de bescherming vanomwonenden onvoldoende kan worden gerealiseerd. Kan de Staatssecre-taris hierop uitgebreid reflecteren? Is de Staatssecretaris bereid omOmgevingsdienst NL in al zijn punten tegemoet te komen en, zo ja, opwelke wijze?De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de toezicht-houders aangeven dat zij binnen hun huidige mandaat handelen, maaronvoldoende instrumenten hebben om daadwerkelijk in te grijpen,wanneer gezondheid onder druk staat. Kan de Staatssecretaris hieropreflecteren?Antwoord: Het kabinet heeft dit signaal van Omgevingsdienst NLmeegewogen in de besluitvorming. Tegelijkertijd is hetuitgangspunt geweest om geen stapeling van eisen bovenop hetbestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren,onder meer om niet nu de regeldruk te verhogen voor bedrijvendie het al goed doen.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat ook de systeem-kritiek van de OVV wordt bevestigd: verantwoordelijkheden zijn verdeeld,maar niet gedragen. Er mist een eindverantwoordelijke voor debescherming van omwonenden van vervuilende industrie. Kan deStaatssecretaris toelichten wie bestuurlijk eindverantwoordelijk is voor defeitelijke gezondheidsuitkomst voor omwonenden van industriëleclusters? Wie is aanspreekbaar, indien blijkt dat de gezondheidssituatieniet aantoonbaar is verbeterd?Antwoord: Gezondheidsverbetering is een gezamenlijke verant-woordelijkheid van de overheid (zie artikel 21 en 22 van deGrondwet). Elke bestuurslaag voert het beleid waarvoor hetbevoegd is en is daarop aanspreekbaar.Hoe reageert de Staatssecretaris op de constatering van OmgevingsdienstNL dat het huidige wettelijke instrumentarium onvoldoende handelings-ruimte biedt om gezondheidsrisico’s effectief te beperken?Antwoord: Het kabinet heeft dit signaal van Omgevingsdienst NLserieus meegewogen in de besluitvorming. Tegelijkertijd is hetuitgangspunt geweest om geen stapeling van eisen bovenop hetbestaande instrumentarium van wet- en regelgeving te creëren,onder meer om niet nu de regeldruk te verhogen voor bedrijvendie het al goed doen.Op welke adviezen van experts en wetenschappers baseert de Staatsse-cretaris zich dan (graag meesturen)? Of is de afweging politiek geweest?Antwoord: De Kamer heeft als bijlages bij de Kamerbrief van19 december jl. alle adviesdocumenten van belanghebbenden,alle onderzoeksrapporten en alle beleidsopties die ambtelijk zijnvoorbereid (factsheets) ontvangen. Daarmee is de balans tussende verschillende belangen politiek gewogen.Waarom kiest de Staatssecretaris er niet voor om normatieve uitkomstver-antwoordelijkheid institutioneel te borgen, bijvoorbeeld via een onafhan-kelijke autoriteit, zoals ook door omwonenden is bepleit?Is deze optie wel verkend? Zo nee, waarom niet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35229 Antwoord: Ja, deze optie is verkend. Een onafhankelijkeautoriteit zoals omwonenden deze wensen zou leiden totdubbeling van taken en verantwoordelijkheden en tot bestuur-lijke drukte. Bovendien is een dergelijke autoriteit in strijd methet huidige bestel van democratische besluitvorming over regels,vergunningverlening met bezwaar en beroep, en handhavingsbe-voegdheden. Het OFL heeft mede daarom die wens omgezet inhet advies een gezaghebbende, onafhankelijke en volwaardigeCommissaris Gezonde Leefomgeving nabij Industrie aan testellen. Het is echter onwaarschijnlijk dat er een goede taakafba-kening en invulling van de rol van een dergelijke commissaris tevinden is, die aan de wensen en verwachtingen van omwonendenvoldoet. Het resultaat dat deze commissaris kan bereiken, zalbeperkt zijn. In het juridische stelsel is geen ruimte voor eenfunctionaris die besluiten kan herroepen of maatregelen af kandwingen. De landelijke gesprekstafel in combinatie met deandere gepresenteerde maatregelen geven op een andere manierinvulling aan de functies die deze commissaris zou hebben.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat de Staatssecretarisinzet op nog meer gesprekstafels met omwonenden, overheid enindustrie. Terwijl we weten dat omwonenden helemaal niet tevreden zijnmet zulke gesprekstafels afgelopen jaren. Omwonenden van bedrijven alsSchiphol en Tata Steel krijgen keer op keer te maken met bedrijven die degesprekstafels vooral gebruiken voor hun pr, maar ondertussen zichonbetrouwbaar gedragen en zich niet eens aan de wet houden. Toch zethet kabinet dit soort tafels voort alsof ze oplossingen bieden en gaat danpas weer over twee jaar evalueren. Is de Staatssecretaris zich ervanbewust dat de meeste omwonenden niet zien dat zulke gesprekstafelsverbeteringen opleveren voor hun leefomgeving?Antwoord: Het doel van de tafel is om verbinding te leggen, dedialoog tussen omwonenden, industrie en overheid te faciliterenen lokaal signalen op te halen en indien nodig om te zetten inactie. Opgehaalde signalen kunnen overigens leiden tot maatre-gelen op het passende niveau die wel degelijk waarneembareverbetering opleveren voor de leefomgeving. Daarbij komt datomwonenden begrijpelijkerwijs niet altijd allemaal dezelfdemening hebben. Het kabinet kan dus niet vooruitlopen op deuitkomsten van de gesprekken.Is de Staatssecretaris zich ervan bewust dat grote bedrijven zulke tafelszonder concrete resultaatverplichtingen kunnen gebruiken voor hun pr,om hun beleid te groenwassen en om echte verbeteringen in het verlagenvan schadelijke emissies uit te stellen?Antwoord: Om een constructief gesprek te voeren is het vanbelang dat alle partijen aan tafel zitten en dat dus ook hetperspectief van de industrie vertegenwoordigd is aan tafel. Detafel kan daarmee een bijdrage leveren aan het vergroten vanwederzijds begrip en aan het in gang zetten van concreteoplossingen voor problemen.Aan welke gesprekstafels was de meerderheid van omwonenden tot nutoe tevreden over de resultaten en welke resultaten waren dat dan?Antwoord: In het kader van de Actieagenda Industrie enOmwonenden is eerder geprobeerd een dialoogtafel op te zetten.Voor een groot deel van de daarbij betrokken omwonenden heeftdie niet het gewenste resultaat opgeleverd. Daarom is het des teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35230 meer van belang om bij deze landelijke gesprekstafel heel helderte zijn over de verwachtingen en het doel dat de tafel dient,namelijk om verbinding te leggen, de dialoog tussenomwonenden, industrie en overheid te faciliteren en lokaalsignalen op te halen en indien nodig om te zetten in actie.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het tekenendis dat de brief over de uitvoering van de Actieagenda Industrie enOmwonenden begint met het belang van de industrie, die «essentieel»wordt genoemd. De ambtelijke beslisnota bij de brief van de Staatssecre-taris laat zien dat achteraf nog veel formuleringen zijn aangepast om deeconomische belangen van industrie maar goed te blijven borgen. Erstaat: «We hebben door de hele brief heen meer aandacht voor concurren-tievermogen en verdienvermogen van de industrie.» Terwijl de aanleidingvoor het opstellen van de Actieagenda juist de conclusie van de onafhan-kelijke OVV was, dat de belangen van burgers onvoldoende wordenbeschermd ten opzichte van de belangen van de industrie.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Staatssecretaris ofhij begrijpt dat het pijnlijk en ongepast is – zeker voor omwonenden – dathij dan toch extra de belangen van de industrie gaat benadrukken in eenstuk dat gericht is op het herstellen van de balans voor omwonenden. Kande Staatssecretaris hierop reflecteren? Waarom zijn de belangen van deindustrie extra benadrukt, in een stuk dat bedoeld is om in lijn met hetOVV-rapport juist meer nadruk te leggen op de belangen vanomwonenden? Is dit een politieke keuze geweest?Kan de Staatssecretarishierop terugkomen en een nieuw stuk sturen waarin meer tegemoetwordt gekomen aan de kern van het OVV-rapport en de bezwaren van deomgevingsdiensten, gezondheidsexperts en maatschappelijkeorganisaties?Antwoord: Zoals in de Kamerbrief van 19 december jl. aange-geven: er zijn geen snelle maatregelen die deze complexeproblematiek in één keer oplossen. Het kabinet heeft begrip voorpartijen die om verdergaande maatregelen vragen en voor debelangrijke positie die de industrie heeft voor onze economie ende lastige situatie waarin zij zich bevindt. Niet alles kan en nietalles kan tegelijk. Zoals aangegeven heeft het kabinet allebelangen gewogen; de in de brief aangekondigde acties zijn hetresultaat van die weging.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat de overheidvolgens de OVV tekortschiet in de waarborging van de gezondheid en degezonde leefomgeving van omwonenden van industrie. Niemand neemtde eindverantwoordelijkheid. Waarom kiest de Staatssecretaris er explicietvoor geen onafhankelijke autoriteit in te richten die normatief kaningrijpen, wanneer de gezondheid van omwonenden geschaad wordt,ondanks herhaalde signalen van de OVV en burgers dat gedeeldeverantwoordelijkheid niet tot bescherming leidt?Antwoord: Dit zou leiden tot dubbeling van taken en verantwoor-delijkheden en tot bestuurlijke drukte. Daarnaast is een derge-lijke autoriteit in strijd met het huidige bestel van democratischebesluitvorming over regels, vergunningverlening met bezwaar enberoep, en handhavingsbevoegdheden.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het voorzorgs-beginsel onvoldoende wordt meegenomen, ondanks aangenomen motiesvan de Kamer en het OVV-rapport. Het blijft ook een vaag begrip. Dit iseen politieke keuze. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris of vanuitTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35231 experts voorbeelden bekend zijn in andere landen waar ze het voorzorgs-beginsel sterker invullen dan in Nederland. Zijn er voorbeelden vanlanden waar ze het concreter maken, zodat omgevingsdiensten ermakkelijker mee uit de voeten kunnen?Antwoord: Nee, er zijn bij het Ministerie van IenW geenvoorbeelden bekend van andere landen waar het voorzorgsbe-ginsel sterker is ingevuld of concreter is gemaakt.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen dat de nieuwe stappenvolgens de Staatssecretaris maatregelen bevatten die mogelijk gaanbijdragen aan de verbetering van processen rond vergunningverlening,toezicht, handhaving, monitoring en advisering. Kan de Staatssecretariselk kwartaal een update geven over welke concrete stappen genomenworden, hoe de voortgang is en welke concrete resultaten het oplevertvoor de daadwerkelijke bescherming van omwonenden en hun leefom-geving tegen schadelijke uitstoot van de industrie?Antwoord: Zoals aangegeven in de Kamerbrief van 19 decemberjl. wordt de Kamer eind 2026 geïnformeerd over de stand vanzaken rondom de pilots, gesprekstafel en verkenningen. Eenhogere frequentie acht ik niet wenselijk omdat dit ten koste gaatvan de inhoudelijke werkzaamheden die nodig zijn om de pilotsen verkenningen uit te voeren.Uitstel zonder resultaatDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het heleproces van betere bescherming van omwonenden resulteert in uitstel opuitstel. Hierna volgen wat voorbeelden. In 2024 is aan deze ledentoegezegd om te onderzoeken hoe zorgkosten voor inwoners nabijindustrie kunnen worden bepaald. In april 2025 kregen deze leden tehoren dat het in plaats van medio 2025 eind 2025 zou worden, en nu is hetuitgesteld naar «de loop van 2026», omdat de onderzoeken nog niet zijnafgerond. Kan de Staatssecretaris verklaren hoe het kan dat dit relatiefkleine onderzoek zo veel langer duurt, en met een concrete datum naar deKamer komen wanneer het definitief gereed is?Antwoord: Het ministerie heeft naar aanleiding van bovenstaandetoezegging een opdracht gegeven aan een extern onderzoeks-bureau om te starten met het ontwikkelen van een methode omde zorgkosten veroorzaakt door industrie in een specifiekindustriecluster te berekenen. Deze methode zou dan door lokalebevoegde gezagen kunnen worden gebruikt. Dit onderzoek isinderdaad een aantal keer vertraagd. De reden hiervoor is dat heteen relatief complex onderzoek is gebleken, waarvoor bovendientoegang tot (privacy)gevoelige CBS-microdata vereist is. Hetbleek om die reden niet mogelijk om deze data te ontsluiten naarhet externe onderzoeksbureau. Daarom is de vraag naar ditonderzoek nu aan het RIVM gesteld als onderdeel van deopdracht voor de komende jaren.Komt het onderzoek ook echt met een onderzoeksmethode om dezorgkosten in de toekomst altijd goed en eenvoudig te bepalen of is ditonderzoek slechts een verkenning, waarna een volgend onderzoek deonderzoeksmethode moet vaststellen?Antwoord: Dit is op voorhand niet te zeggen. RIVM pakt ditonderdeel op als onderdeel van de opdracht om tot eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35232 handreiking te komen voor het bepalen van de gezondheidsri-sico’s als gevolg van industriële activiteiten.RIVM maakt hiervoor inzichtelijk welke informatie er op dit vlakal ligt (bijvoorbeeld handleidingen die de GGD’en gebruiken),samen met de leerpunten uit de onderzoeken die afgelopen jarenzijn gedaan. Waar nodig vult het RIVM dit aan om kennislacuneste dichten. Een van die onderdelen betreft zorgkosten. Naarverwachting levert RIVM na de zomer het eerste deel van dezestudie op (inzicht in bestaand materiaal met lessen uit uitgevoerdonderzoek). De overige onderdelen, waaronder het onderdeelover zorgkosten, volgen daarna. Bij dit onderdeel zal het RIVMstarten met een verkenning van de mogelijkheden en onmogelijk-heden van het ontwikkelen van een methode om de zorgkostenveroorzaakt door industrie inzichtelijk te maken, waarbij expertsaangeven dat het zinvol kan zijn om te kijken naar specifiekekosten of naar specifieke aandoeningen.En kan alvast gedeeld worden wat er tot nu toe is gedaan in het onderzoeken welke conclusies daaruit kunnen worden getrokken?Antwoord: Door het externe onderzoeksbureau zijn in 2025 tweeopties geschetst om invulling te geven aan de oproep tot naderonderzoek, rekening houdend met en aansluitend op het(destijds) lopende onderzoek in het kader van de ActieagendaIndustrie en Omwonenden:1.Een methode ontwikkelen om de zorgkosten veroorzaakt doorindustrie in een specifiek industriecluster te berekenen. Dezemethode kan dan door lokale bevoegde gezagen wordengebruikt.2.Een methode ontwikkelen waarmee de maatschappelijkekosten en baten van emissiereducerende maatregelen doorindustrie kunnen worden berekend zodat deze kunnen wordenmeegewogen bij vergunningverlening.Door IenW is destijds besloten dat optie 1 het beste aansloot opde toezegging. Vervolgens bleek dat de hiervoor benodigde datavoor het externe bureau niet toegankelijk waren.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hadden afgelopen maart eenaangenomen motie om zo snel mogelijk alle passende en preventievemaatregelen te nemen om de uitstoot van schadelijke stoffen door grotevervuilers te minimaliseren en de gezondheid van omwonenden enmedewerkers te beschermen (Kamerstuk 28 089, nr. 294). Deze motie zouzijn afgedaan met de voortgang Actieagenda Industrie en Omwonenden,die we nu bespreken. Kan de Staatssecretaris aanwijzen welke preventie-maatregelen uit het stuk dat voorligt ervoor zorgen dat de gezondheid vanomwonenden en medewerkers beter beschermd wordt en welkegezondheidsrisico’s zijn afgenomen dankzij extra stappen vanuit deActieagenda?Antwoord: Het kabinet werkt in brede zin aan het verbeteren vande leefomgeving rond industrie, zoals weergegeven in bijlage 1bij de Kamerbrief van 19 december jl. Omdat deze inspanningentegelijk plaatsvinden, en economische activiteiten zich onder-tussen autonoom ontwikkelen, is het niet mogelijk om een directcausaal verband te leggen tussen specifieke acties uit deKamerbrief en specifieke verbeteringen in de leefomgeving.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35233 De Staatssecretaris gaf aan trots te zijn dat gezondheidseffectenvolwaardig meegewogen gaan worden. Kan hij een voorbeeld geven waardit nu gebeurt en wat dit specifiek heeft betekend?Antwoord: Het kabinet kan dit citaat zonder bronvermelding ofnadere context niet plaatsen. Ook verwijst het citaat naar detoekomst («gaan worden»), maar gaat de vraag over het heden(«nu gebeurt») en het verleden («heeft betekend»). Deze vraagkan helaas niet inhoudelijk worden beantwoord.En kan het kabinet verklaren waarom bij de Joint Letter of Intent (JLOI)met Tata Steel toch duidelijk blijkt dat gezondheidseffecten middels deGER toch zeker niet volwaardig worden meegewogen?Antwoord: Het kabinet deelt de in de vraag besloten stellingnameniet. De Kamer is eerder geïnformeerd over de relatie tussen deGER Tata Steel en de JLoI met Tata Steel (referentie 2025Z19208,antwoord op vraag 37).Erkent het kabinet dat de Expertgroep Gezondheid IJmond de JLOIonvoldoende vindt om de gezondheid van omwonenden te borgen? Zonee, kan het kabinet daarvan een schriftelijke bevestiging van deExpertgroep naar de Kamer sturen?Antwoord: Nee. De Expertgroep Gezondheid IJmond heeft, zoalsaangegeven in de beantwoording van vergelijkbare vragen,samen met de Adviescommissie Maatwerkafspraken Verduur-zaming Industrie (AMVI) integraal geadviseerd over de concept-JLoI. Zoals eerder aan de Kamer medegedeeld (Kamerstuk29 826, nr. 266) – en vervolgens nog meermaals herhaald in debeantwoording van vergelijkbare vragen – zijn veel adviezen vooraanscherpingen overgenomen in de definitieve JLoI. Zoals ookmeermaals met de Kamer gedeeld zijn niet alle adviezen van deExpertgroep haalbaar; dat vraagt meer maatregelen, meermiddelen en meer tijd. De borging van de reductiedoelen vindtplaats in de maatwerkafspraak en de uitwerking hiervan loopt opdit moment.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat is toegezegddat als er voor eind 2025 onderzoeksresultaten zijn die laten zien dat er aleerder actie ondernomen kan worden, zonder dat dit de integraleafweging belemmert, dan hiermee aan de slag wordt gegaan. Wat is metde uitvoering van deze toezegging gebeurd? Hoe kan het dat er geenenkel onderzoekresultaat was waar eerder actie op kon worden genomendan eind 2025?Antwoord: Het kabinet brengt in herinnering dat het de afgelopenjaren in de breedte maatregelen heeft genomen, en de komendejaren blijft nemen, om de gezondheidsrisico’s voor omwonendenvan industrie te verminderen (zie bijlage 1 bij de Kamerbrief van19 december jl.). Op basis van de conceptonderzoeksresultatenzijn op ambtelijk niveau in de zomer van 2025 al opties voorvervolgacties verkend. Juist omdat de inzet van het kabinet opdit gebied breder is dan de Actieagenda Industrie enOmwonenden, hebben de concept- en definitieve onderzoeksre-sultaten geen zogenaamd «laaghangend fruit» opgeleverd.De ambtelijke verkenning heeft wel de basis gelegd voor debeleidsopties waarover, op basis van de definitieve onderzoeksre-sultaten die medio september 2025 zijn opgeleverd, besluit-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35234 vorming heeft plaatsgevonden. De Kamer heeft alle beleidsoptiester informatie ontvangen: zie de bijlage met factsheets bij deKamerbrief van 19 december jl.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zouden volgens toezeg-gingen in deze voortgang van de Actieagenda Industrie en Omwonendenhoren hoe cumulatieve effecten kunnen worden meegenomen in beleiden regelgeving. In de brief wordt het echter weer doorgeschoven naarbegin 2026, en we hebben nog steeds niets gehoord. Wanneer komt dezeinformatie echt? En komt er een wettelijk kader over hoe omgegaan moetworden met cumulatie?Antwoord: Het RIVM doet onderzoek naar de mogelijkheden omcumulatie van chemische stoffen in vergunningverlening mee tewegen. Dit onderzoek duurt langer dan oorspronkelijk gepland enwordt nu op korte termijn verwacht. Naar verwachting kan in hettweede kwartaal een beeld worden geschetst hoe cumulatie vanchemische stoffen in beleid kan worden meegenomen. Daarbij isde inzet om dit op Europees niveau te regelen, aangeziencumulatie een Europees vraagstuk is.Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat niet uitgesloten kanworden dat cumulatieve effecten tot onwenselijke gezondheidsrisico’s enschade leiden en dat daarom uit voorzorg hiermee al rekening moetworden gehouden in de uitvoering en wet- en regelgeving, voordat erdefinitief uitsluitsel is vanuit wetenschappelijk onderzoek?Antwoord: Het kan niet uitgesloten worden dat cumulatieveeffecten tot onwenselijke gezondheidsrisico’s en schade kunnenleiden. Dit is ook de reden dat hier onderzoek naar wordt gedaan.Daarnaast wordt onderzocht hoe voorzorg kan worden toegepastin relatie tot de vergunningverlening voor de emissie vanchemische stoffen uit industriële activiteiten.Is er een «noodrem» mogelijk waarmee emissies kunnen worden beperkt,wanneer cumulatie tot gezondheidsrisico’s leidt, ook als individuelenormen niet worden overschreden?Antwoord: De Omgevingswet bevat een algemene zorgplicht. Diehoudt in dat overheden, bedrijven en burgers verantwoordelijkzijn voor een veilige en gezonde leefomgeving. Naast dealgemene zorgplicht bevat de Omgevingswet ook een algemeenverbod. Het is verboden een activiteit te verrichten of na te latenals door het verrichten of nalaten daarvan aanzienlijke nadeligegevolgen voor de fysieke leefomgeving ontstaan of dreigen teontstaan. Een en ander is opgenomen in afdeling 1.3 van deOmgevingswet.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat het er in debrief van Staatssecretaris op lijkt dat de Kamer weer tot eind 2026 moetwachten om alleen al over de stand van zaken rondom de pilots,gesprekstafel en verkenningen te horen. Deze leden vragen de Staatsse-cretaris: kan dit versneld worden?Antwoord: Op dit moment worden de pilots en verkenningenvormgegeven en opgezet. Dit kost tijd. Eind 2026 zal de Kamerover de stand van zaken worden ingelicht. Dat betekent dus nietdat we in de tussentijd stilzitten. Het kabinet zet parallel aandeze acties onder de Actieagenda Industrie en Omwonenden nogmeer stappen om de bescherming tegen gezondheidsrisico’s teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35235 versterken. Een compleet overzicht van alle acties op dit gebiedis opgenomen in bijlage 1 bij de Kamerbrief van 19 december jl.En wanneer worden de pilots en verkenningen precies afgerond?Antwoord: De pilots en verkenningen worden in 2027 afgerond.De Kamer wordt eind 2027 geïnformeerd over de resultaten enmogelijke vervolgstappen. Eind 2026 wordt aan de Kamergerapporteerd over de voortgang van zowel de pilots als deverkenningen.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat Omgevingsdienst NLexpliciet onder andere pleit voor: 1. wettelijke verankering van de RIE metduidelijke actualisatieverplichtingen, 2. expliciete verplichting totperiodieke herziening van vergunningen, 3. versterking van juridischegrondslagen voor ingrijpen bij gezondheidsrisico’s en 4. duidelijkerenormstelling. Deze leden vragen wanneer de RIE expliciet en dwingendwordt verankerd in nationale wetgeving, inclusief een vierjaarlijkseactualisatieplicht.Antwoord: De Richtlijn industriële emissies is op dit moment alvolledig geïmplementeerd in de Omgevingswet en onderliggenderegelgeving. Op dit moment wordt gewerkt aan de implementatievan de herziene Richtlijn17, waar vermoedelijk op wordt gedoeld.In het derde kwartaal van dit jaar is de implementatie naarverwachting gereed.Welke extra ruimte geeft de EU aan lidstaten om de gezondheid enleefomgeving van mensen beter te beschermen en op welke manier gaatde Staatssecretaris daar gebruik van maken?Antwoord: Afhankelijk van de specifieke wetgeving hebbenlidstaten ruimte om nationaal strengere normen te hanteren danbijvoorbeeld in Europese richtlijnen zijn opgenomen. De ambitievan het kabinet, in lijn met het coalitieakkoord, is om onnodigenationale koppen op Europese regels te schrappen. Europeserichtlijnen en regelgeving worden sneller en zoveel mogelijk1-op-1 geïmplementeerd.Wanneer wordt wettelijk vastgelegd dat vergunningen verplicht periodiekworden herzien op basis van nieuwste BBT-conclusies én gezondheidsin-zichten?Antwoord: Voor IPPC-installaties (dus installaties die onder de Rievallen) geldt nu al dat binnen vier jaar na het publiceren vannieuwe BBT-conclusies (in de zogeheten Bref-documenten)installaties moeten voldoen aan de nieuwe Bref dan wel datbedrijven maatwerk moeten aanvragen voor de vergunningen vanhun installaties (artikel 8.99 van het Besluit kwaliteit leefom-geving).Zoals aangekondigd gaat het kabinet een verkenning uitvoerennaar het periodiek herzien van vergunningen op basis van denieuwste wetenschappelijke inzichten. Zoals aangegeven in deKamerbrief van 19 december jl. is het uitgangspunt nu om geenstapeling van eisen bovenop het bestaande instrumentarium van17Wijziging van de Omgevingswet, de Wet milieubeheer en de Wet belastingen op milieu-grondslag in verband met de implementatie van de herziening van de Richtlijn industriëleemissies en de uitvoering van de PIE-verordening | Tweede Kamer der Staten-GeneraalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35236 wet- en regelgeving te creëren. Een wijziging van deOmgevingswet is daarmee vooralsnog niet aan de orde. Hetbevoegd gezag heeft daarnaast nu al de verplichting om vergun-ningvoorschriften aan te scherpen als de kwaliteit van het milieuen de leefomgeving zich negatief ontwikkelt. Hiermee wordtbeoogd een zo groot mogelijke bescherming voor de fysiekeleefomgeving te realiseren.Per wanneer worden vergunningen verplicht integraal herzien op basisvan de nieuwste gezondheidsinzichten en waar wordt dat geregeld?Antwoord: Hier is op dit moment geen wijziging voor herzien. Deverkenning herbeoordelingsmoment vergunningen wordt op ditmoment uitgevoerd. Afhankelijk van de uitkomsten van dezeverkenning kan besloten worden om wijzigingen in wet- enregelgeving door te voeren.Waarom ligt de bewijslast nog steeds niet expliciet bij bedrijven om aan tetonen dat zij maximale gezondheidsbescherming realiseren en wanneerwil de Staatssecretaris dit bewerkstelligen?Antwoord: Bedrijven zijn (onder meer) verantwoordelijk voor huneigen uitstoot, niet voor de algehele gezondheid van burgersomdat die ook door andere factoren wordt beïnvloed. Debewijslast voor het voldoen aan de wet- en regelgeving metbetrekking tot uitstoot ligt reeds bij bedrijven. De normen uitwet- en regelgeving volgen grotendeels uit Europees recht. Bij devaststelling van deze normen zijn ook gezondheidseffectenmeegenomen. In het kader van de herziene Richtlijn industriëleemissies is het uitgangspunt dat bedrijven aan de strengste kant(onderkant) van de BBT-bandbreedte vergund worden. Indienbedrijven soepeler vergund willen worden, ligt de bewijslast bijhet bedrijfsleven.Waarom wordt het SLA niet juridisch bindend gemaakt voor vergunning-verlening?Antwoord: De afspraak die in het kader van het Schone LuchtAkkoord was gemaakt om aan de strengste kant van deBBT-bandbreedte te vergunnen, is overgenomen in de herzieningvan de Richtlijn industriële emissies die op dit moment innationale regelgeving wordt geïmplementeerd. Daarmee wordtdeze afspraak bindend voor vergunningverlening.PFASDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat bijna alleNederlanders volgens het RIVM meer dan de gezondheidskundigegrenswaarde aan PFAS in hun bloed hebben. Desondanks komt erdagelijks extra PFAS in onze leefomgeving en worden nieuwe, grotevergunningen verleend om extra PFAS te kunnen lozen. De Vereniging vanNederlandse Gemeenten (VNG) heeft in juni 2025 unaniem een motieaangenomen die vraagt om een nationaal PFAS-verbod op productie enproducten. Gemeenten staan voor de gezondheid van hun inwoners endoen daarom met klem een beroep op provincies en het Rijk. Op welkewijze gaat de Staatssecretaris opvolging geven aan de VNG-motie vanjuni?Antwoord: Voor de goede orde moet worden opgemerkt dat eenmotie van de leden van de VNG is gericht aan het VNG-bestuur enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35237 niet aan het kabinet. In juli 2025 is de Kamer geïnformeerd(Kamerstuk 35 334, nr. 406) dat de inzet van het Rijk gericht is ophet tot stand brengen van een Europees verbod van PFAS. In diebrief is ook aangegeven waarom een nationaal PFAS-verbod(onderdeel van de VNG-motie) niet effectief is. Wel is eronderzoek gestart naar de mogelijkheid van een gedeeltelijkPFAS-lozingsverbod. Andere aspecten van de VNG-motie zijn alonderdeel van het Rijksbeleid. Zo is er ook in 2026 financiëleondersteuning voor gemeenten voor de PFAS-opgave en onder-steunt het Rijk onderzoeken naar een PFAS-vrije samenleving.Het Rijk stimuleert daarnaast diverse innovatieprogramma’s voorde verwijdering en afbraak van PFAS in bodem en water en erloopt een onderzoeksprogramma bij het RIVM naar de mogelijk-heden om de bloostelling aan PFAS te verminderen.Waarom worden nieuwe vergunningen verleend voor PFAS-gerelateerdestoffen, terwijl gezondheidsrisico’s structureel aanwezig zijn?Antwoord: Voor zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) zoals PFAS is inde vergunningssystematiek een extra beoordelingsstap voorge-schreven: de immissietoets. Bij deze toets wordt de concentratievan een ZZS in de leefomgeving (voor lucht) of lozing in eenwaterlichaam getoetst aan een (indicatief) maximaal toelaatbaarrisico (MTR voor lucht) of een (indicatieve) milieukwaliteitsnorm(MKN). Het MTR of de MKN is een wetenschappelijk onder-bouwde grenswaarde die aangeeft tot welke concentratie vaneen stof in het milieu (lucht, water, bodem) geen negatieveeffecten worden verwacht voor mensen, dieren of ecosystemen.Als wordt voldaan aan de immissietoets zijn er dus niet directgezondheidsrisico’s te verwachten en kan een vergunning wordenverleend.Ook indien een vergunning kan worden verleend geldt vooremissies van zeer zorgwekkende stoffen altijd de doorlopendeverplichting tot het minimaliseren van de lozing met eenvermijdings- en reductieprogramma (VRP). De doelstelling vaneen VRP moet het voorkomen van ZZSemissies zijn (nul uit depijp) en als dat (nog) niet mogelijk is het nog verder reduceren(haalbaar en betaalbaar) van de emissies. Het bevoegd bezagmoet elke 5 jaar worden geïnformeerd over het VRP.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben nog vragen specifiekover Chemours. Er wordt gesteld dat er weinig tot geen juridischemogelijkheden zijn om Chemours deels of gedeeltelijk stil te leggen,omdat moet worden onderzocht of kan worden volstaan met eenaanpassing van de vergunningsvoorschriften. Kunnen vergunningsvoor-schriften op het moment strenger worden gesteld dan de BBT, als ditnodig is om de gezondheid van omwonenden beter te beschermen, of isdit ook juridisch lastig?Antwoord: De wet- en regelgeving kent instrumenten om meerdan BBT-maatregelen te kunnen voorschrijven. Zie voorgaandantwoord over de immissietoets voor ZZS. Indien niet kanworden voldaan aan de immissietoets zal het bevoegd gezagextra maatregelen bovenop BBT eisen.Ook kan het bevoegd gezag een maatwerkvoorschrift opleggenals het wenselijk is dat extra maatregelen worden getroffen. Ditkan in individuele gevallen met maatwerkvoorschriften ofvergunningvoorschriften (afdeling 2.5 van het Bal). Daarmee kanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35238 het bevoegd gezag de landelijke regels meer toespitsen op deconcrete situatie of de locatie; denk aan onvoorziene situaties,bijzondere gevallen, lokale omstandigheden en/of het bereikenvan ambities voor de kwaliteit van de fysieke leefomgevingElk besluit staat open voor bezwaar en beroep waarbij demotivatie van het bevoegd gezag voor het opleggen van extramaatregelen getoetst kan worden. Deze mogelijkheid is reedsvastgelegd in artikel 8.30 van het Besluit kwaliteit leefomgevingen is één-op-één een implementatie van de Richtlijn industriëleemissies.Welke mogelijkheden zijn er om de vergunningsvoorschriften zo in terichten dat er geen PFAS meer in de omgeving terechtkomt?Antwoord: Bedrijven die PFAS emitteren, moeten (in hetalgemeen) een vermijdings- en reductieprogramma (VRP)opstellen waarbij het bevoegd gezag periodiek wordt geïnfor-meerd over de (haalbare en betaalbare) mogelijkheden totvermijden of reduceren. Het bevoegd gezag kan maatregelen uithet VRP aan de vergunning verbinden.Er wordt gesteld dat er met Chemours wordt gesproken over eenintentieverklaring om PFAS-emissies te verminderen. Is het kabinet hetmet deze leden eens dat dit niet strookt met de aangenomen motie-Van Esch c.s. «nul uit de pijp» (Kamerstuk 27 625, nr. 644) en nul garantiesgeeft voor de omwonenden?Antwoord: De motie-Van Esch c.s. (Kamerstuk 27 625, nr. 644)spreekt de ambitie uit om PFAS-emissies verder terug te dringen.PFAS behoren tot de groep van zeer zorgwekkende stoffen (ZZS),waarvoor het uitgangspunt geldt dat emissies zoveel mogelijkworden voorkomen en, waar dit niet mogelijk is, tot eenminimum worden beperkt. Zoals ook is toegelicht in een eerdereKamerbrief (Kamerstuk 22 343, nr. 428) kunnen zolang PFASwordt geproduceerd restemissies niet volledig worden uitge-sloten. Het kabinet zet daarom in op verdere emissiereductie viavergunningverlening, toepassing van beste beschikbaretechnieken en aanvullende afspraken met bedrijven. De voorge-nomen intentieverklaring met Chemours past binnen deze inzet.Deze leden vinden het zorgwekkend dat er over vrijblijvende intentiever-klaringen wordt gesproken, terwijl het – sinds eind 2024 ook officieel –over zeer zorgwekkende stoffen gaat. En hoe staat het met de verdereuitwerking van het gedeeltelijke PFAS-lozingsverbod?Antwoord: Op dit moment loopt een verkennend onderzoek naarde mogelijkheden van een gedeeltelijk PFAS-lozingsverbod. Zoalseerder met de Kamer gedeeld vraagt dit om zorgvuldigeafweging, omdat PFAS alomtegenwoordig zijn en een verbod ofsterke aanscherping van normen ook praktische en maatschappe-lijke consequenties kan hebben. De Minister van IenW zal deKamer op korte termijn nader informeren over de stand vanzaken van deze verkenning.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben nog een laatste vraagover PFAS-lozingen: op welke juridische gronden zou het kabinet dePFAS-lozing van CFS Weert kunnen tegenhouden, als de Kamer dat zouwensen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35239 Antwoord: De beoordeling van een vergunningaanvraag zoals dievan CFS is op grond van de Omgevingswet een verantwoorde-lijkheid van het bevoegd gezag, in dit geval de provincie Limburg.Dit past binnen het uitgangspunt «decentraal, tenzij», waarbijmedeoverheden binnen het wettelijke kader zelfstandig besluitennemen over individuele vergunningen. Het kabinet heeft daarbijgeen rol in de inhoudelijke beoordeling of besluitvorming overeen individuele vergunningaanvraag. Het is aan het bevoegdgezag om de aanvraag te toetsen aan de geldende wettelijkeeisen en daarbij alle relevante belangen te betrekken. Zie ook deeerdere beantwoording van schriftelijke vragen over de lozingenbij CFS Weert (referentie 2025Z14995 en 2025Z21368).StaalslakkenDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie concluderen daarnaast datstaalslakken nog steeds worden ingezet in projecten in Nederland. Steedsmeer gemeentes besluiten ze niet meer te gebruiken en zelfs plekken metstaalslakken te saneren, zodat inwoners er niet meer aan blootgesteldworden. Uit onderzoek van de ILT blijkt dat er milieuschade is opgetredenbij negen van de tien onderzochte locaties waar staalslak is ingezet. DeStaatssecretaris zou, zoals ook gevraagd door de Kamer, een totaalverbodinvoeren, totdat was aangetoond dat het gebruik veilig is en nietschadelijk voor het milieu, maar is uiteindelijk toch voor een gedeeltelijkverbod gegaan van een jaar. Zijn er nog gedachten over wat er gebeurt,nadat we een jaar een tijdelijk staalslakken verbod hebben?Antwoord: Het maken en vastleggen van regelgeving kost veeltijd. Over de opvolging van de tijdelijke regeling worden nu eenaantal scenario’s uitgewerkt. Als daar een besluit over genomenis zal de Kamer daarover worden geïnformeerd.Welke mogelijkheden zijn er concreet om het om te zetten in eenpermanent verbod?Antwoord: Het omzetten naar een permanent verbod is één vande opties die wordt meegenomen bij de besluitvorming over deopvolging van de tijdelijke regeling; er worden verschillendemogelijkheden verkend.En zijn er nog nieuwe onderzoeksresultaten die nog niet met de Kamerzijn gedeeld?Antwoord: Nee, die zijn er nog niet.Hoe staat het met de Taskforce staalslakken? Wie zitten daar precies aantafel? Hoeveel overleggen zijn er al precies met wie geweest en wat isdaar tot nu toe concreet uitgekomen?Antwoord: Op 28 november jl. is de Taskforce Bestaande Toepas-singen Staalslak opgericht. De Taskforce is een samenwerkingtussen het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat,Vereniging Nederlandse gemeente, Interprovinciaal Overleg enUnie van Waterschappen, met deelname van Omgevingsdienst NLen GGD GHOR Nederland, onder leiding van een onafhankelijkvoorzitter. Het eerste startoverleg heeft 19 maart jl. plaatsge-vonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35240 Wat staat er komend half jaar concreet op de agenda van de taskfor-ce?Gaat het om alleen overleggen of worden er ook onderzoekenuitgezet?Antwoord: De eerste bijeenkomst van de Taskforce heeft19 maart jl. plaatsgevonden. In de Kamerbrief van 18 december202518 staat beschreven dat de Taskforce Bestaande Toepas-singen Staalslak (TBTS) komt tot een gezamenlijke aanpak metals doel:•Het risicogericht inventariseren van bestaande toepassingenvan staalslak. Deze inventarisatie is in lijn met de tijdelijkeregeling. Daar waar sprake is van evident risicovolle toepas-singen voor mens en milieu worden passende maatregelengenomen;•Zich gezamenlijk in te spannen om relevante kennis overtoepassing van staalslak en eventuele risico’s beschikbaar testellen aan burgers en bedrijven.De uitwerking van de opdracht voor de Taskforce en de verdereinrichting wordt gezamenlijk opgepakt. Daarbij wordt zoveelmogelijk aangesloten bij de bestaande samenwerkingsvormen enbestuurlijke afspraken.Is de Staatssecretaris bereid om Rijkswaterstaat de opdracht te geven omin alle projecten, zeker bij waterwerken, geen staalslakken meer tegebruiken (in lijn ook met hoe daaraan tegemoet is gekomen in Zeeland)?Antwoord: Nee, aan RWS worden geen andere eisen gesteld danaan andere toepassers.In Zeeland is voor toepassingen in de Scheldes in afstemmingmet Rijkswaterstaat afgesproken dat er gedurende de (reguliere)looptijd van de Tijdelijke regeling (pauzeknop) geen staalslakfysiek in de Ooster- en Westerschelde wordt toegepast inopdracht van Rijkswaterstaat. Dat betreft derhalve de periode tot23 juli 2026. Samen met de Zeeuwse partijen benut ik deze tijdom met elkaar in gesprek te gaan over de zorgen die er zijn, enover de kennisbehoefte vanuit Zeeland met betrekking totstaalslak in grote wateren.MetingenDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat afgelopenseptember aan hen is toegezegd dat in deze voortgangsbrief de Kamergeïnformeerd zou worden over de mogelijkheden om onafhankelijk temeten bij Tata Steel. Deze leden lezen hier in de Actieagenda echter nietsconcreets over. Het gaat enkel over pilots om onafhankelijk te gaan meten,maar het is niet duidelijk of dit bij Tata Steel gaat zijn. Waar gaan de pilotsplaatsvinden?En gaat een van die locaties Tata Steel zijn? Zo nee, waaromniet? En wanneer zullen de pilots precies van start gaan?Antwoord: Deze vragen kunnen nog niet worden beantwoord.Momenteel wordt, in afstemming met betrokken (lokale) partijen,gewerkt aan een plan van aanpak voor de meetpilots.Het project dat nu dankzij omwonenden bezig is van Hollandse luchtenom fijnstof te meten op het terrein van Tata Steel is geen alternatief voorde onafhankelijke metingen aan de pijp. Op de website van Tata Steel isook al te lezen dat de sensoren «niet geschikt zijn voor nauwkeurigefijnstofmetingen of vergelijkingen met wettelijke normen of de gezond-18Kamerstuk 30 015, nr. 140Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35241 heidskundige advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie(WHO)».De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Staatssecretaris ofhij een concreet en duidelijk stappenplan, met deadlines, kan geven overhoe we gaan komen tot echte transparantie over emissies bij de vervui-lende industrie en zij vragen hem om er hiermee voor te zorgen dat debevoegde gezagen overal onafhankelijk kunnen meten en niet meerafhankelijk zijn van de resultaten die de industrie zelf met ze deelt.Antwoord: Het bevoegd gezag heeft in het kader van zijnwettelijke toezichtstaak reeds de bevoegdheid om onafhanke-lijke, eigen metingen uit te voeren bij bedrijven. Dat gebeurt in depraktijk ook. Het bevoegd gezag is dus niet afhankelijk van demeetresultaten van de industrie zelf. In het kader van demeet-pilot zal worden onderzocht welke randvoorwaarden ensystemen nodig zijn om inzicht te geven in de resultaten van(continue) meetgegevens van bedrijvenDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie lezen in de factsheets oververbetering van meetnetten, snellere toegang tot data en betere informa-tievoorziening voor burgers. Daar zijn ook duidelijke aanbevelingen overvan de Expertgroep Gezondheid IJmond en er ligt een heldere aange-nomen motie-Teunissen c.s. (Kamerstuk 28 089, nr. 302) hierover, die hetkabinet niet goed uitvoert. Toch blijft het kabinet inzetten op pilots.Waarom wordt geen landelijke verplichting ingevoerd voor onafhankelijk,continu en fijnmazig meten van gevaarlijke stoffen, waarbij burgers enoverheden veel meer direct en zoveel mogelijk real-time inzage hebben inde uitstoot?Antwoord: Het kabinet wil toewerken naar een systeem waarinemissies en immissies van relevante vervuilende stoffen goed enop de juiste momenten worden gemeten, dichterbij de bedrijven,waarbij meetgegevens transparanter en beter controleerbaar zijn.De in de vraag beschreven verplichting is echter dermateambitieus dat de uitvoeringskosten niet proportioneel zoudenzijn.Waarom blijven bevoegde gezagen afhankelijk van bedrijfsrapportages enhet wachten daarop? Wanneer wordt real-time openbaarmaking vanemissiegegevens verplicht?Zoals eerder aangegeven heeft het bevoegd gezag in het kadervan zijn wettelijke toezichtstaak de bevoegdheid om onafhanke-lijke, eigen metingen uit te voeren bij bedrijven. Dit levert inzichtin de emissiesituatie van bedrijven. Daarnaast kan het bevoegdgezag emissiemetingen die door bedrijven worden uitgevoerdbijwonen en controleren. En dat gebeurt in de praktijk ook. In hetkader van de meet-pilot zal worden verkend wat nodig is omreal-time openbaarmaking van emissiegegevens mogelijk temaken.Monetaire milieuschadeDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat hetPlanbureau voor de Leefomgeving (PBL) berekent dat de veroorzaaktemilieuschade circa 47 miljard euro per jaar bedraagt. Hoe verhoudt hettoestaan van structurele externe milieuschade zich tot het uitgangspuntdat kosten niet mogen worden doorgeschoven naar volgende generaties?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35242 Antwoord: Het kabinet zoekt altijd naar een goede balans bij hetaanpakken van de verschillende maatschappelijke opgaven. Perbeleidsterrein wordt daarvoor afgewogen wat de gevolgen zijnvoor mens en milieu, en wat de economische baten en lasten zijn.Daarin speelt ook mee hoe kosten in de tijd verdeeld (kunnen)worden.Nederland is een dichtbevolkt land waar (intensieve) industrie,wonen en natuur nauw met elkaar verbonden zijn en de ruimteschaars is. Het zoeken naar een goede balans tussen het benuttenvan de fysieke leefomgeving en de bescherming ervan is daaromextra uitdagend. Industriële activiteiten hebben, net als andereactiviteiten soms een negatieve invloed op de gezondheid vanmens en ecosystemen. Toch is het behoud van onze industrie ookessentieel, voor onder andere onze welvaart, het verdienver-mogen, onze dagelijkse voorzieningen en innovatie. Industrie eneen gezonde, schone en veilige leefomgeving kunnen wat hetkabinet betreft hand in hand gaan.De (Rijks)overheid weegt milieuschade mee op het niveau van eenbeleidsterrein of voor een individueel project, bijvoorbeeld viaeen maatschappelijke kosten-batenanalyse (mkba). Het verderbrengen van het principe «de vervuiler betaalt» en daarmee demilieuschade die bedrijven veroorzaken onderdeel laten wordenvan de prijs van diensten en producten is het uiteindelijke doel,dat vooral Europees gerealiseerd moet worden. Nederlandsebedrijven werken binnen een Europees speelveld waarbinnen zijconcurrerend moeten kunnen zijn.Kan worden toegezegd dat voortaan bij elke begroting expliciet wordtgerapporteerd hoe milieuschadekosten zijn betrokken bij beleidskeuzes?Antwoord: Bij beleidsontwikkeling worden milieuschadekostenmee afgewogen evenals economische baten. Dit gebeurt veelalvia een maatschappelijke kosten-baten analyse (mkba) op hetniveau van een beleidsterrein of voor een individueel project. Ditinzicht in milieukosten helpt bij het steeds verdere integreren vanhet beginsel «de vervuiler betaalt» in beleid en wetgeving. Depolitieke afweging die daar vervolgens op volgt en wat dit quabeleidsinzet betekent, krijgt vervolgens zijn (financiële) weerslagin de begroting. Ook is deze afweging veelal in beleidsstukkenwaaronder Kamerstukken terug te vinden. Het expliciet rappor-teren in de begroting hoe milieuschadekosten betrokken zijn bijbeleidskeuzes, is daarom onnodig en niet aan de orde.FactsheetDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie merken op dat er najarenlang onderzoeken wel een lijst ligt van concrete maatregelen,samengevat in een factsheet die de Staatssecretaris naar de Kamer heeftgestuurd. Maar veel effectieve maatregelen worden niet opgepakt. Kan deStaatssecretaris per factsheet-maatregel aangeven of deze is overge-nomen, gedeeltelijk overgenomen of niet overgenomen? Kan perniet-overgenomen maatregel worden gemotiveerd waarom deze isafgewezen en hoe dat rijmt met de kennis en adviezen van experts? Is bijdie afweging het concurrentievermogen van de industrie zwaardergewogen dan gezondheidsbescherming?Antwoord: Met de Actieagenda Industrie en Omwonenden en dedaaruit voortvloeiende acties die in de Kamerbrief vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35243 19 december jl. staan beschreven, wordt een stap gezet om eengoed evenwicht te realiseren tussen de bescherming van degezondheid van omwonenden en een krachtige Nederlandseindustrie. Bij de besluitvorming over deze beleidsopties is verderhet uitgangspunt geweest om geen stapeling van eisen bovenophet bestaande instrumentarium van wet- en regelgeving tecreëren. Ook heeft het kabinet meegewogen dat, gegeven debeperkte middelen, niet alles tegelijk kan.Op basis van deze overwegingen worden de hieronder aange-geven beleidsopties (nu) niet overgenomen.Daarbij weegt ook mee, zoals in bijlage 1 bij de Kamerbrief van19 december jl. vermeld, dat het kabinet in de breedte maatre-gelen neemt om de gezondheidsrisico’s voor omwonenden vanindustrie te verminderen. Dit betreft onder andere de versterkingvan het VTH-stelsel, het uitvoeren van een aantal verbeteringen inhet beleid inzake zeer zorgwekkende stoffen, het implementerenvan de Europese richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit enindustriële emissies, het verduurzamen van de industrie enverdere kennisontwikkeling.Het gevraagde overzicht met welk besluit over elke beleidsoptieis genomen, is als volgt:1 Versterken van de contacten met omwonen-denEr komt een landelijke gesprekstafel maar deprecieze uitvoering moet nog nader vormge-geven worden.2a Vastleggen adviesrol GGD in Omgevings-wetEr komt een pilot om te onderzoeken opwelke wijze gezondheid/GGD-advies goedkan worden meegewogen in besluitvorming.2b Uitwerken resultaten pilot GER in nieuweregelgevingOver deze optie kan pas worden besloten alsde GER inzake Tata Steel is afgerond.2c Opstellen handreiking nieuwe begrippenOmgevingswet en BklNu niet overgenomen.3 Vergroten transparantie omtrent metingenHet doel wordt meegenomen in de pilotmeten.4a Pilots voor het voorkomen van piekemis-siesNu niet overgenomen.4b Verplichten integrale herbeoordelingvergunningenEr wordt een nadere verkenning van dezeoptie uitgevoerd.4c Ondersteunen vergunningsverlenersNu niet overgenomen.5a Pilots voor betere controle op de emissiesvan industriële installatiesDit wordt meegenomen in de pilot meten.5b Versterken onafhankelijkheid en controle inhet systeem van industriële metingenEr wordt een pilot meten uitgevoerd dieinzichten kan opleveren voor toekomstigebesluitvorming hierover.5c Verruimen wettelijk kader voor «vinger aande pols» bij industrie ter bescherming vanomwonendenEr wordt een pilot meten uitgevoerd dieinzichten kan opleveren voor toekomstigebesluitvorming hierover.6 Verbeteren metingen luchtkwaliteit endepositie rondom industrieEr wordt een pilot meten uitgevoerd dieinzichten kan opleveren voor toekomstigebesluitvorming hierover.7a Uitbreiden financiële ondersteuning voorschone industrieEr wordt een nadere verkenning van dezeoptie uitgevoerd.7b Uitwerken belasting op vervuilendeuitstootNu niet overgenomen.8a Uitvoeren samenwerkingsprogrammaoverheden rond cumulatieNu niet overgenomen.8b Doorontwikkelen methodiek cumulatieNu niet overgenomen.9 Verkennen transitiepad naar Zero Pollution2050Het verkennen van transitiepaden krijgt eenplaats in het Nationaal Milieuprogramma. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn positief over de concretemaatregelen, zoals het uitwerken van een belasting op vervuilendeuitstoot, het vergroten van transparantie omtrent metingen en hetverplichten van een integrale herbeoordeling van vergunningen na eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35244 bepaalde termijn. Welke maatregelen uit de factsheet die nog niet zijnopgepakt door het kabinet, worden in de nieuwe periode wel opgepakt?Welke acties uit de factsheet hebben volgens gezondheidsexperts demeest positieve effecten voor de omwonenden en is de Staatssecretarisbereid die over te nemen?Antwoord: Omdat het ongelijksoortige opties betreft, is degevraagde rangschikking niet te maken. De inspanningen van hetkabinet zijn er nu op gericht om de in de Kamerbrief van19 december jl. aangekondigde acties uit te voeren. Vervolgenskan, op basis van de uitkomsten van de pilots en verkenningen ende evaluatie van de landelijke gesprekstafel, worden beslotenover mogelijke nieuwe stappen.Waarom zijn specifiek het onderzoek over belasting op vervuilendeuitstoot en de verkenning transitiepad naar «zero pollution 2050» alleenals optie uitgewerkt, maar is het onderzoek nog niet uitgevoerd?Antwoord: Bij het opstarten van het onderzoek naar eenmogelijke belasting op vervuilende uitstoot bleek dat er al veelinformatie en onderzoek was op dit gebied. Omdat keuzesmoesten worden gemaakt bij de verdeling van schaarsecapaciteit, is daarom in de afgelopen periode geen naderverdiepend onderzoek uitgevoerd. Op basis van de bestaandeinformatie en onderzoeken is gekozen nu de mogelijkheden voorpositieve financiële prikkels te gaan verkennen.Voor het transitiepad naar «zero pollution 2050» is wel eeneerste verkenning uitgevoerd. Deze verkenning is in de bijlagemet alle onderzoeksrapporten bij de Kamerbrief meegestuurd. Eris in deze eerste verkenning alleen gekeken naar de omvang vande opgave voor luchtkwaliteit, aangezien deze in het verlengdelag van de focus van de Actieagenda. Zoals in de Kamerbrief isaangegeven zal dit vanuit de breedte en het langetermijnkaraktervan het vraagstuk hoe de situatie van «zero pollution» kanworden bereikt, verder worden opgepakt vanuit het NationaalMilieuprogramma (NMP). Hierbij zal dan niet alleen naar lucht-kwaliteit maar ook naar de bodem- en waterkwaliteit en anderemilieuaspecten worden gekeken.Als dit wel was gebeurd, kon het volgende kabinet sneller aan de slaggaan. Is de Staatssecretaris bereid om dit jaar nog deze twee voorstellenom te zetten in concrete acties?Antwoord: Nee. Het kabinet richt zich op de verschillende actiesen maatregelen zoals omschreven in de Kamerbrief van19 december jl.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie missen in de Actieagendaacties die de positie van omwonenden echt zouden versterken. De OVVstelt dat de gezonde leefomgeving leidend moet zijn en bedrijven vergundkrijgen op basis van wat de leefomgeving aankan. Dit gebeurt nu niet,terwijl de Omgevingswet hier wel handvatten voor biedt. Donderdag12 februari jl. is er ook een rapport van WODC over milieucriminaliteitnaar buiten gekomen dat concludeert dat de juridische mogelijkheden erwel zijn om giftige uitstoot en lozingen te bestraffen, maar dat dehandhaving tekortschiet. Er is een capaciteitstekort bij handhaving, trageprocedures en versnipperd toezicht. Ziet de Staatssecretaris ook dat deOmgevingswet meer mogelijkheden biedt om handhavend op te treden?Zo ja, waarom zet hij er niet op in om omgevingsdiensten deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35245 Omgevingswet zo in te laten zetten om de omgeving beter te kunnenbeschermen?Antwoord: De Omgevingswet biedt een gedegen instrumentariumom bestuursrechtelijk handhavend op te treden, met de mogelijk-heden tot het opleggen van een last onder dwangsom, last onderbestuursdwang en een bestuurlijke boete. Het Bestuurlijkomgevingsberaad heeft in 2022 de Landelijke handhavingsstra-tegie omgevingsrecht (LHSO) vastgesteld. De LHSO biedt eenafwegingsinstrument om in concrete gevallen afgestemd,eenduidig, effectief en evenredig te kunnen interveniëren en iseen nadere invulling van reeds bestaand instrumentarium in deOmgevingswet. Daarnaast is de handreiking Regionale Beleids-cyclus beschikbaar voor medeoverheden die ook ondersteunendis bij bestuursrechtelijke handhaving.En is hij bereid een factsheet op te stellen waarin staat hoe de omgevings-diensten de Omgevingswet zo in kunnen zetten dat het voorzorgprincipeen gezondheid leidend zijn en cumulatie van stoffen beter wordtmeegenomen?Antwoord: Via het Impulsprogramma Chemische stoffen werkenOmgevingsdiensten, het ministerie en andere betrokken partijenaan het verduidelijken van het toepassen van het voorzorgsbe-ginsel. Een ander project richt zich op het kunnen meewegen vancumulatie van stoffen. Dit voorjaar zal de Kamer een rapporthierover ontvangen en worden geïnformeerd over hoe cumulatiekan worden meegewogen in vergunningverlening.En hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat er extra capaciteit komtvoor de omgevingsdiensten, zodat ze echt kunnen gaan handhaven?Antwoord: Gemeenten en provincies zijn primair verantwoor-delijk voor de financiering en de kwaliteit van de omgevings-diensten. Zij gebruiken daarvoor middelen uit het gemeente- enprovinciefonds. Deze middelen zijn voor de gemeenten enprovincies vrij besteedbaar. De inzet van de middelen is daaromvooral een lokale afweging. Het is de verantwoordelijkheid vande bevoegde gezagen om vanuit deze middelen de reguliere takenvan de omgevingsdiensten te financieren, waaronder taken ophet terrein van handhaving.Bij Tata Steel hebben de provincie en de omgevingsdienst expliciet in hetbeleid besloten om «scherper aan de wind» te zeilen als het gaat omtoezicht, handhaving en vergunningverlening bij Tata Steel, om mensen,dieren en hun leefomgeving te kunnen beschermen. Is de Staatssecretarishet met deze leden eens dat dit een goede zet is en dat dit aangemoedigdzou moeten worden in andere provincies waar vergelijkbare problemenmet vervuilende bedrijven spelen?Antwoord: Binnen de gestelde kaders is het aan het bevoegdgezag hoe het invulling geeft aan de taken op het gebied vanvergunningverlening, handhaving en toezicht.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien dat er geen eerlijkspeelveld is tussen de bevoegde gezagen en de industrie. De industrieheeft heel veel capaciteit en kennis over haar emissies en de bevoegdegezagen staan op achterstand en zijn afhankelijk van de (levering) vandata vanuit de industrie. Daarom staan de bevoegde gezagen altijd 1–0Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35246 achter. Daadkrachtige acties zijn nodig van de overheid om deze balans teverbeteren en de overheid meer in control te laten zijn.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen wanneer hetwetsvoorstel Versterking toezicht en handhaving wordt ingediend en hoedat proces verloopt.Antwoord: De internetconsultatie is recent gesloten. Op ditmoment wordt gewerkt aan het analyseren van de inbreng uit deinternetconsultatie en de uitgevoerde toetsen. Op basis van dieverzamelde inbreng zal het wetsvoorstel op onderdelen wordenaangepast. De volgende formele processtap is om dit gewijzigdewetsvoorstel via de ministerraad aan te bieden aan de Raad vanState voor advies. Het streven is om dat in het tweede kwartaalvan dit jaar te doen.Wat zijn de maatschappelijke kosten van het gebrekkig functioneren vanhet huidige VTH-stelsel?Antwoord: In de meerjarenstrategie van de Inspectie Leefom-geving en Transport (ILT) wordt gebruik gemaakt van de ILT-brederisicoanalyse die inzicht geeft in welke overtredingen van de wetde meeste maatschappelijke risico’s en schade kunnen veroor-zaken. Er is ons echter geen rapport bekend dat een uitspraakdoet over maatschappelijke kosten die direct toe te kennen zijnaan het functioneren van het huidige VTH-stelsel in de vollebreedte.Welke extra bevoegdheden krijgen omgevingsdiensten concreet?Antwoord: In lijn met het advies van de commissie Van Aartsenwerkt het Ministerie van IenW aan versterking van hetVTH-stelsel milieu binnen de bestaande kaders. Dit betekent dater niet wordt geschoven met bevoegdheden. Ook bevat hetwetsvoorstel geen extra bevoegdheden voor omgevingsdiensten.Omgevingsdiensten voeren hun taken in mandaat uit voor hunopdrachtgevers (gemeenten en provincies). Het bevoegd gezagbeslist, binnen de wettelijke kaders, welk mandaat zij toekentaan een omgevingsdienst en dus welke bevoegdheden deomgevingsdienst krijgt.Hoeveel extra inspecties per jaar worden gerealiseerd?Antwoord: Omgevingsdiensten en hun opdrachtgevers makenonderling afspraken over de realisatie van beleidsdoelen. Zomaken zij onderling ook afspraken over het aantal inspecties datjaarlijks moet worden gerealiseerd. Het is op voorhand niet tezeggen of het wetsvoorstel versterking VTH-stelsel milieu directleidt tot extra inspecties. Dit is afhankelijk van de keuzes die hetbevoegd gezag en de omgevingsdienst samen maken.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hopen dat het volgendekabinet echt durft door te pakken en minstens alle voorstellen in defactsheet uitvoert en een onafhankelijke autoriteit in gaat richten dienormatief kan ingrijpen wanneer de gezondheid van omwonendengeschaad wordt. Zonder die concretisering blijft de Actieagenda eendoorschuifagenda.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Staatssecretaris ofhij kan toezeggen dat de Actieagenda Industrie en Omwonenden binnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35247 een jaar echt tot merkbare resultaten zal leiden voor de gezondheid vanmensen en hun leefomgeving en niet enkel andere procedures, uitleg enmeer en meer rapporten en meer gesprekstafels. Hoe gaat de Staatssecre-taris de resultaten onafhankelijk toetsen?De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen tot slot wanneer hetbeleid gaat verschuiven van procesverbetering naar normatieve enjuridisch afdwingbare bescherming van omwonenden.Antwoord: Met de Actieagenda Industrie en Omwonenden en dedaaruit voortvloeiende acties die in de Kamerbrief van19 december jl. staan beschreven, wordt een stap gezet om eengoed evenwicht te realiseren tussen de bescherming van degezondheid van omwonenden en een krachtige Nederlandseindustrie. Eind 2026 zal de Kamer over de voortgang van depilots, verkenningen en gesprekstafel worden geïnformeerd. Eind2027 zal de Kamer worden geïnformeerd over de resultaten eneventuele vervolgstappen.De leden van de Partij voor de Dieren-fractie verzoeken de Staatssecretarisbij de beantwoording van bovenstaande vragen steeds, waar mogelijk,concreet te maken: wat de deadlines zijn, welke norm verandert, perwanneer, hoe naleving wordt afgedwongen, welke gezondheidswinstwordt verwacht, en wie verantwoordelijk is, als deze uitblijft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 28 089, nr. 35248
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.