Nota van wijziging
Brontekst
Versie 1d7be07fa59bec81 · officiële bron36 924 Wijziging van de Wet op het financieel toezicht, Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, de Wet handhaving consumentenbescherming en de Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek ter implementatie van Richtlijn (EU) 2023/2225 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten (Implementatiewet herziene richtlijn consumentenkrediet) Nr. 9 NOTA VAN WIJZIGING Ontvangen 23 september 2026 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd: A Artikel I, onderdeel A, eerste subonderdeel, komt te luiden: 1. In de definitie van “krediet” komt onderdeel a te luiden: a. het aan een consument ter beschikking stellen van een geldsom en het verlenen van uitstel van betaling, ter zake waarvan de consument gehouden is een of meer betalingen te verrichten, met uitzondering van doorlopende dienstverlening en doorlopende levering van dezelfde soort roerende zaken, financieel instrumenten of beleggingsobjecten, waarbij de consument gehouden is in termijnen te betalen zolang de doorlopende dienstverlening of doorlopende levering plaatsvindt; B Artikel I, onderdeel B, komt te luiden: B In artikel 1:16, tweede lid, wordt ”zesde lid’ vervangen door “vijfde lid”. C In artikel I wordt na onderdeel B een nieuw onderdeel ingevoegd, luidende: Ba Na artikel 1:16 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende: Artikel 1:16a In afwijking van artikel 1:16, eerste lid, zijn het eerste, tweede en vierde deel van deze wet alsmede de daarop berustende bepalingen, van toepassing op een dienst van de informatiemaatschappij als bedoeld in artikel 15d, derde lid, van Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek, voor zover de financiëledienstverlener met zetel of vestiging in een andere lidstaat, in Nederland krediet, niet zijnde hypothecair krediet, aanbiedt, of daarin bemiddelt, en voor zover de kredietovereenkomst valt binnen het toepassingsgebied als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn consumentenkrediet. D Artikel I, onderdeel E, komt te luiden: E In artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a, onder 11°, wordt na “onderdeel b” ingevoegd “, vierde lid, onderdeel b en vijfde lid, onderdeel b”. E Artikel I, onderdeel G, wordt als volgt gewijzigd: 1. Het eerste subonderdeel komt te luiden: 1.Onder vernummering van het vierde lid tot het zesde lid worden twee leden ingevoegd, luidende: 4. Artikel 2:80, eerste lid, is niet van toepassing op het bemiddelen in krediet in de vorm van uitstel van betaling, indien: a. de bemiddelaar een leverancier van roerende zaken of diensten is die: 1° geen micro-, kleine of middelgrote onderneming is als bedoeld in de Aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422); 2° als nevenactiviteit voor een of meerdere aanbieders bemiddelt in kredietovereenkomsten die voorzien in uitstel van betaling van ten hoogste drie maanden na de levering van de zaak of de dienst; en 3° de bemiddelaar de consument niet adviseert over het financiële product waarin hij bemiddelt; en b. een aanbieder de bemiddelaar heeft aangemeld als bemiddelaar in de zin van onderdeel a bij de Autoriteit Financiële Markten. 5. Artikel 2:80, eerste lid, is niet van toepassing op het bemiddelen in krediet, bedoeld in de definitie van krediet, onderdeel b in artikel 1:1, indien: a. de bemiddelaar een leverancier van roerende zaken of diensten is die: 1°. geen micro-, kleine of middelgrote onderneming is als bedoeld in de Aanbeveling van 6 mei 2003 van de Commissie betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422); 2°. als nevenactiviteit voor een of meerdere aanbieders bemiddelt in krediet waarbij de looptijd van het krediet niet langer is dan de verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak, of dan de periode van dienstverlening en dat niet dient ter verschaffing van het genot van beleggingsobjecten of financiële instrumenten aan een consument; en 3°. de bemiddelaar niet adviseert over krediet; en b. een aanbieder de bemiddelaar heeft aangemeld als bemiddelaar in de zin van onderdeel a bij de Autoriteit Financiële Markten. 2. In het tweede subonderdeel wordt “vijfde lid” vervangen door “zesde lid” en wordt de aanduiding “5” vervangen door “6”. F In artikel I, onderdeel L, wordt het voorgestelde artikel 4:34a Wft als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt na “Een aanbieder van krediet” ingevoegd “of bemiddelaar in krediet”. 2. In het tweede lid wordt na “de aanbieder” ingevoegd “of bemiddelaar”. G In artikel I, onderdeel L, wordt in het voorgestelde artikel 4:34c na “aanbieder van krediet” ingevoegd “en bemiddelaar in krediet”. Toelichting Met deze nota van wijziging wordt een aantal wijzigingen doorgevoerd in het voorstel van wet. De belangrijkste wijzigingen zijn een registratieregime voor grote bemiddelaars die als nevenactiviteit bemiddelen in goederenkrediet en een verduidelijking van de toepassing van de Wft op aanbieders van diensten van de informatiemaatschappij die diensten op het gebied van krediet verlenen vanuit een andere lidstaat. Daarnaast worden twee voorgestelde artikelen mede van toepassing verklaard op bemiddelaars en wordt de definitie van krediet gewijzigd. Dit volgt direct uit de herziene richtlijn consumentenkrediet (hierna: de richtlijn)[voetnoot 1]. Hieronder is per wijzigingsonderdeel een toelichting opgenomen. Deze nota van wijziging wordt mede aangeboden namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. A De uitzondering op de definitie van krediet (in artikel 1:1 Wft) in het geval van doorlopende dienstverlening of doorlopende levering van dezelfde soort roerende zaken, financieel instrumenten of beleggingsobjecten, waarbij de consument gehouden is in termijnen te betalen zolang de doorlopende dienstverlening of doorlopende levering plaatsvindt, wordt ook aan onderdeel a toegevoegd. Deze uitzondering volgt uit artikel 3, derde lid, van de richtlijn. De uitzondering stond enkel opgenomen in onderdeel b, terwijl deze uitzondering bredere werking heeft. B en C In het wetsvoorstel boden de voorgestelde wijzigingen in artikel 1:16 Wft nog onvoldoende duidelijkheid over de van toepassing zijnde regels op een in een andere lidstaat gevestigde financiëledienstverlener die in Nederland (online) krediet aanbiedt of (online) bemiddelt in krediet en over de situatie in het geval van gebruikmaking door een financiëledienstverlener van een ‘Europees paspoort’. Hiervan is sprake als een financiëledienstverlener met een vergunning in de lidstaat van herkomst bepaalde diensten ook in andere lidstaten verleent, zonder daarvoor over een aparte vergunning te beschikken. Dergelijke grensoverschrijdende dienstverlening is bijvoorbeeld mogelijk met een bankvergunning of een vergunning voor betaaldienstverlening. Om deze onduidelijkheid weg te nemen, worden de onderdelen A en B van Artikel I aangepast. Artikel I, onderdeel B, eerste lid, van het wetsvoorstel bevatte wijzigingen aan artikel 1:16 Wft. Deze wijzigingen komen met deze nota van wijziging te vervallen. Daarvoor in de plaats wordt een nieuw artikel 1:16a Wft ingevoegd dat – anders dan artikel 1:16 Wft – alleen ziet op consumptief krediet. Het artikel wijkt af van de regel van artikel 1:16 Wft dat de Wft behoudens uitzonderingen niet van toepassing is op financiële diensten van de informatiemaatschappij (veelal online diensten) die vanuit een andere lidstaat in Nederland worden aangeboden. Het nieuwe artikel 1:16a Wft maakt duidelijk dat delen 1, 2 en 4 van de Wft, alsmede de daarop berustende bepalingen, wél van toepassing zijn op – kort gezegd – krediet dat vanuit een andere lidstaat online in Nederland wordt aangeboden of waarin online in Nederland wordt bemiddeld en voor zover de kredietovereenkomst binnen het toepassingsbereik van de richtlijn valt (vastgesteld in artikel 2 van de richtlijn).[voetnoot 2] Voornoemde wijziging brengt de Wft in lijn met de richtlijn en wordt hieronder toegelicht. Op grond van de richtlijn geldt voor consumptief krediet bij grensoverschrijdende dienstverlening – ongeacht of dat online of offline is – dat de kredietregels van de lidstaat van ontvangst van toepassing zijn. Dit blijkt onder meer uit overwegingen 6 en 10 van de preambule. Hier wordt beschreven hoe de regels van de eerste (nog niet herziene) richtlijn consumentenkrediet uit 2008 onvoldoende waren geharmoniseerd. Dit had ertoe geleid dat aanbieders uit de ene lidstaat bij het grensoverschrijdend aanbieden naar een andere lidstaat te veel rekening moesten houden met nationale verschillen, wat de dienstverlening belemmerde en de interne markt beperkte. Van dergelijke belemmeringen was geen sprake geweest indien bij grensoverschrijdende, online dienstverlening enkel de regels van de lidstaat van herkomst van toepassing waren geweest (in dat geval had immers een Duitse kredietaanbieder zonder belemmering in de gehele EU kunnen aanbieden indien de aanbieder aan Duits recht voldeed). Hieruit volgt dat bij consumptief krediet de regels van de lidstaat van ontvangst gelden. Het maakt daarbij niet uit of er sprake is van online of offline dienstverlening; de richtlijn maakt hierin geen onderscheid. Weliswaar geldt – zoals beschreven in de artikelsgewijze toelichting van artikel I, onderdeel B, van het wetsvoorstel – op grond van de e-commercerichtlijn[voetnoot 3] – kort gezegd – bij online dienstverlening in beginsel het oorspronglandbeginsel. Dit houdt in dat online dienstverleners ‘slechts’ hoeven te voldoen aan het geldende recht van hun lidstaat van vestiging. Deze richtlijn uit 2000 geldt echter als vangnetbepaling en laat toekomstige communautaire harmonisatie onverlet, zo blijkt onder meer uit overwegingen 11, 21 en 27 van de preambule.[voetnoot 4] Als lex specialis gaat de herziene richtlijn consumentenkrediet in dit geval dus ‘voor’ op de e-commercerichtlijn, waardoor het hierboven beschreven uitgangspunt geldt. Bovendien geldt op grond van de Rome I-verordening[voetnoot 5] dat op een consumentenovereenkomst in beginsel het recht van de lidstaat waar de consument zijn gewone verblijfplaats heeft. Contracteert een buitenlandse krediet-dienstverlener met een in Nederland gevestigde consument, dan geldt dus het Nederlands recht. Ook hier maakt het geen verschil of er sprake is van online of offline dienstverlening. Met de invoeging van het nieuwe artikel 1:16a Wft worden deze regels ten aanzien van het toepasselijk recht verduidelijkt. Over het vergunningvereiste van de richtlijn en de werking van het paspoortregime wordt tot slot het volgende opgemerkt. In artikel 37, eerste lid, van de richtlijn is bepaald dat lidstaten zowel kredietaanbieders als kredietbemiddelaars moeten onderwerpen aan een adequate toelatingsprocedure. Aanbieders van krediet die vanuit een andere lidstaat in Nederland krediet aanbieden, dienen daarvoor de op grond van artikel 2:60 Wft vereiste vergunning te hebben. Op grond van artikel 37, tweede lid, van de richtlijn, mag een aanbieder in bepaalde gevallen ook diensten in een andere lidstaat aanbieden met een reeds bestaande vergunning (bijvoorbeeld een kredietinstelling) en dus ook in een andere lidstaat (door middel van een paspoort). Dit volgt in Nederland uit afdeling 2.2.6.1 en 2.2.6.2 Wft en de Vrijstellingsregeling Wft. Biedt een aanbieder via dit paspoortregime of met een Nederlandse vergunning diensten aan in Nederland – zij het offline of online – dan is de Wft van toepassing. Voor de gedragsregels uit deel 4 Wft volgt de toepassing op dienstverlening op basis van een Europees paspoort uit afdeling 4.1.1 Wft. Artikel 37 van de richtlijn voorziet – kortom – niet in de mogelijkheid om (al dan niet grensoverschrijdend) in Nederland diensten met betrekking tot krediet aan te bieden zonder dat daarop Nederlands recht van toepassing is. D Dit artikel wijzigt als gevolg van de wijzigingen in artikel E van deze nota van wijziging. In artikel 2:81 Wft wordt een nieuw lid ingevoegd, ter opname van een nieuwe categorie bemiddelaars die worden onderworpen aan een registratieplicht. Daardoor wordt deze categorie ook toegevoegd aan artikel 1:107, tweede lid, onderdeel a, onder 11°, Wft. E Dit onderdeel voegt aan het voorgestelde artikel 2:81 Wft een nieuwe groep bemiddelaars toe die worden onderworpen aan een registratieplicht in plaats van een vergunningplicht. Het voorgestelde vierde lid bevatte reeds een registratieplicht voor grote bemiddelaars[voetnoot 6] die als nevenactiviteit voor een of meerdere aanbieders bemiddelen in kredietovereenkomsten die voorzien in uitstel van betaling van ten hoogste drie maanden na de levering van de zaak of de dienst (‘koop nu, betaal later’). Dit onderdeel voegt daar een groep aan toe en neemt voor beide groepen het vereiste op van het niet tevens mogen verlenen van advies door de bemiddelaar. In het voorgestelde vijfde lid wordt de bemiddelaar in goederenkrediet die niet kwalificeert als mkb-onderneming[voetnoot 7] onderworpen aan een registratieplicht. Het gaat om de leverancier van roerende zaken of diensten, die als nevenactiviteit voor een of meerdere aanbieders bemiddelt in goederenkrediet dat i) dient ter verschaffing van het genot van een roerende zaak, dan wel het verlenen van een dienst ii) waarbij de looptijd van het goederenkrediet niet langer is dan de verwachte economische levensduur van de verschafte roerende zaak of de periode van dienstverlening en iii) dat niet dient ter verschaffing van het genot van beleggingsobjecten of financiële instrumenten aan een consument. Deze groep bemiddelaars is op dit moment nog volledig vrijgesteld van de vergunningplicht en registratieplicht. Een volledige vrijstelling is echter op grond van artikel 37, derde lid, onderdeel a, van de richtlijn niet meer toegestaan. De daar geboden vrijstelling kan alleen gelden voor micro-, kleine of middelgrote ondernemingen, niet voor grootbedrijven. In de praktijk gaat het bijvoorbeeld om grote telecomwinkels of webshops die telefoons op krediet verkopen en zo bemiddelen in een kredietovereenkomst. Die vrijstelling wordt in de Vrijstellingsregeling Wft dus beperkt tot mkb-bemiddelaars in goederenkrediet. Voor de grote bemiddelaars in goederenkrediet wordt aangesloten bij een zo licht mogelijk regime als toegestaan op grond van artikel 37, eerste lid, van de richtlijn, namelijk registratie op grond van artikel 2:81, vijfde lid, onderdeel b, Wft. Met deze wijziging is beoogd de twee groepen bemiddelaars zo veel mogelijk gelijk te behandelen. Het gaat in de praktijk om winkels die bijvoorbeeld uitstel van betaling aanbieden dan wel een telefoon op krediet aanbieden. Voor beide groepen geldt dat de hoofdactiviteit een andere is dan het bemiddelen in krediet, namelijk het verkopen van roerende zaken of diensten. Zij hoeven daarom aan minder toelatingseisen te voldoen dan andere bemiddelaars, om de regeldruk voor deze (retail)sector zo veel mogelijk te beperken. Als voorwaarde wordt voor beide groepen gesteld dat deze bemiddelaars niet mogen adviseren over het krediet. Dit wordt toegevoegd om te verduidelijken dat het hier moet gaat om bemiddelaars die slechts zich in hoofdactiviteit bezig houden met de verkoop van roerende zaken of diensten. Indien tevens advies zou worden verleend, zou dit het verlagen van de toetredingsdrempel niet goed rechtvaardigen. F Dit onderdeel breidt het verbod voor aanbieders van krediet om bijzondere persoonsgegevens of persoonsgegevens die via digitale sociale netwerken zijn verkregen te betrekken bij de kredietwaardigheidsbeoordeling, uit naar de bemiddelaar. Daarmee wordt voorzien in de implementatie van artikel 19, vijfde lid, van de richtlijn. Deze gegevens mogen op grond van de richtlijn niet worden verwerkt, omdat deze niet gebruikt mogen worden om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen.[voetnoot 8] G Zowel aanbieders als bemiddelaars moeten op grond van artikel 15, van de richtlijn, aan artikel 7:58a BW voldoen. Het is daarom passend om ook de bemiddelaar toe te voegen aan artikel 4:34c Wft, om naleving van artikel 7:58a BW te waarborgen. De Minister van Financiën, E. Heinen Richtlijn (EU) 2023/2225 van het Europees Parlement en de Raad, 18 oktober 2023 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 2008/48/EG. In de transponeringstabel bij het wetsvoorstel is verduidelijkt op welke wijze deze bepaling is omgezet in de Nederlandse wetgeving. Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt. Overweging 11 van richtlijn 2000/31/EG (de e-commercerichtlijn) stelt dat de richtlijn het in de communautaire besluiten vastgestelde niveau van bescherming van met name volksgezondheid en consumentenbelangen onverlet laat en geeft meerdere voorbeelden van richtlijnen die ‘van essentieel belang’ zijn voor de bescherming van de consument op contractueel gebied en daarmee ‘in volle omvang van toepassing zijn op diensten van de informatiemaatschappij’. Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I). Die niet kwalificeren als kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422)van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen. Kleine, middelgrote en micro-ondernemingen in de zin van Aanbeveling van de Commissiebetreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PbEU 2003, C 1422) van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen. Overweging 57 van de preambule van de richtlijn.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.