KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de derde voortgangsrapportage Toekomstagenda ‘zorg en ondersteuning voor mensen met een beperking’ (Kamerstuk 24170-398)

18 jun 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie f7cd41519ad04989 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202624 170GehandicaptenbeleidNr. 406 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 19 juni 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport over de brief van 8 april 2026 over dederde voortgangsrapportage Toekomstagenda «zorg en ondersteuningvoor mensen met een beperking» (Kamerstuk 24 170, nr. 398).De vragen en opmerkingen zijn op 20 mei 2026 aan de Minister vanLangdurige Zorg, Jeugd en Sport voorgelegd. Bij brief van 18 juni 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Sjerp kst-24170-406ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4061 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie9Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie9Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie11II.Reactie van de Minister12 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dederde voortgangsrapportage Toekomstagenda «zorg en ondersteuningvoor mensen met een beperking». Daartoe hebben deze leden enkelevragen.De leden van de D66-fractie waarderen de eerste stappen die gezet zijn inbewustwording en agendering van samenwerking tussen de gehandicap-tenzorg en de ggz. Deze leden lezen dat er in 2026 een plan van aanpakontwikkeld gaat worden. Daartoe vragen deze leden door wie dit plan vanaanpak ontwikkeld wordt. Welke partijen zitten aan tafel? Op welke wijzewordt er gezorgd voor een goede vertegenwoordiging van het veld?Wanneer wordt het plan van aanpak verwacht, en op welke wijze wordt deKamer hierover geïnformeerd?De tekorten op de arbeidsmarkt nemen toe, en dat is ook te merken in degehandicaptenzorg. Op welke wijze is de Minister voornemens het andersorganiseren en goed werkgeverschap te stimuleren in de gehandicap-tenzorg, zodat deze belangrijke vorm van zorg beschikbaar blijft vooriedereen die dat nodig heeft?Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er hard gewerkt wordt omde behoeften van mensen met een levenslange en levensbrede beperkingmeer onder de aandacht te brengen bij gemeenten en professionals; ditachten deze leden zeer belangrijk. Daartoe vragen genoemde leden opwelke termijn de resultaten verwacht worden over of en hoe gemeenten alwerken met een langere beschikkingsduur in de Wmo 2015 en deJeugdwet. Op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?De inzet van ervaringsdeskundigheid is ontzettend waardevol, bijvoor-beeld bij het verbeteren en tot stand brengen van beleid, maar ook binnenhet dagelijkse reilen en zeilen van zorgorganisaties. De leden van deD66-fractie lezen dat het inzetten van ervaringsdeskundigheid in depraktijk nog versnipperd is, en afhankelijk is van lokale initiatieven.Daartoe vragen deze leden op welke wijze de Minister de bredere inzetvan ervaringsdeskundigheid stimuleert.De leden van de D66-fractie lezen dat er steeds meer gewerkt wordt metinnovaties, waarbij er ook steeds meer kennis opgedaan wordt over watwel en niet werkt in de praktijk. Echter lezen deze leden ook dat organi-saties soms geneigd zijn vast te houden aan hun eigen bekendewerkwijzen. Ondanks dat dit heel begrijpelijk is, achten de leden van deD66-fractie het van groot belang dat organisaties meer gaan werken metpassende innovaties om toekomstbestendig te blijven. Daartoe vragendeze leden op welke wijze de Minister erop toeziet dat de opgedaneTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4062 inzichten en methodieken breder toegepast en verankerd worden in degehandicaptenzorg.Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het gebruik vandata-ondersteund werken om ondersteuning en zorg te verbeteren nogweinig wordt toegepast. Op welke wijze gaat de Minister ervoor zorgendat het gebruik van de InnovatieRoute toeneemt, en dat deze makkelijkervindbaar en bruikbaar is voor organisaties in de gehandicaptenzorg?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dederde voortgangsrapportage van de Toekomstagenda «zorg en onder-steuning voor mensen met een beperking». Zij zijn blij om te zien dat er insamenwerking met de sector mooie stappen zijn gezet om de zorg voormensen met een beperking te verbeteren. Hierover hebben zij nog enkelevragen.De leden van de VVD-fractie hebben met plezier gekeken naar de video’sdie gemaakt zijn voor deze derde voortgangsrapportage. Op welke manieris de Minister van plan om deze video’s te verspreiden? Wat genoemdeleden betreft zou dit een bijdrage kunnen leveren aan niet alleen deontwikkeling van de sector, maar ook aan het bewustzijn in de samen-leving.De leden van de VVD-fractie zijn in het verlengde van vorige vraagbenieuwd hoe leerpunten en best practices gedeeld worden metzorgaanbieders. Welke rol ziet de Minister daarin voor zichzelf? Hierbijgraag een reflectie op het bereiken van niet-deelnemende zorgaanbieders.De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de VG7-plus zorgprestatieinmiddels is ingevoerd. Kan de Minister al iets delen over de ervaringenhiermee in het veld? Zo nee, wanneer denkt zij dit wel te kunnen?De leden van de VVD-fractie zijn erg enthousiast dat steeds meergemeenten één vaste cliëntondersteuner beschikbaar stellen. Denkt deMinister dat gemeenten ertoe in staat zijn om dit concept breder uit terollen, of ziet zij voor zichzelf een rol in de opschaling hiervan? Graagspecifiek aandacht hierbij voor de overgang van de Wmo naar de Wlz.De leden van de VVD-fractie zien grote meerwaarde in de Innovatie-impuls. Denkt de Minister dat een soortgelijke aanpak voor meerzorgsectoren van toegevoegde waarde kan zijn? Zo ja, hoe wil zij dittoepassen? Zo nee, waarom niet?De leden van de VVD-fractie denken dat het een goede ontwikkeling is dater een transparantieregister ontstaat voor pgb-gefinancierde wooninitia-tieven. Zij denken dat dit een goede schakel kan zijn in de controle ofpgb-gelden doelmatig en rechtmatig besteed worden. Kan de Ministeraangeven wanneer zij hier meer over kan delen met de Kamer?De leden van de VVD-fractie zijn tot slot blij om te lezen dat er meeringezet wordt op bestrijding van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag.Welke rol ziet de Minister hierin weggelegd voor de Inspectie Gezond-heidszorg en Jeugd (IGJ)?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4063 Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de derdevoortgangsrapportage van de Toekomstagenda «Zorg en ondersteuningvoor mensen met een beperking» (hierna: Toekomstagenda). Zij hebbenhierover nog enkele vragen.De leden van de PRO-fractie lezen dat er bij deze derde voortgangsrap-portage weer specifiek is ingezet op een toegankelijke manier vanrapporteren, bijvoorbeeld door middel van video’s. Genoemde ledenonderstrepen het belang van toegankelijkheid van (overheids)communi-catie. Hoe wordt de toegankelijkheid breder geborgd bij overheidsdocu-menten en -communicatie? Zij constateren dat de Toekomstagenda inieder geval loopt tot eind 2026. Zou nader toegelicht kunnen worden opwelke wijze de Toekomstagenda een vervolg zal vinden?De leden van de PRO-fractie lezen dat geconstateerd wordt dat er meernodig is en dat organisaties soms geneigd zijn vast te houden aan huneigen bekende werkwijzen. Daarnaast lezen zij dat geconstateerd wordtdat het noodzakelijk is om verder op te schalen en de inzichten enmethodieken die werken een plek te geven in het zorgsysteem, bijvoor-beeld in de zorginkoop, de werkwijze van gemeenten of door effectieveinterventies te beschrijven. Welke rol ziet de Minister voor zichzelfweggelegd hierin en hoe zou zij deze concreet invullen, welke taken horendaar bijvoorbeeld bij?De leden van de PRO-fractie lezen dat er een plan van aanpak in ontwik-keling is voor de bewustwording en agendering van samenwerking tussende gehandicaptenzorg en de ggz. Zou nader toegelicht kunnen wordenwat volgens de Minister op dit moment de grootste knelpunten zijn bijrespectievelijk de bewustwording en de samenwerking tussen degehandicaptenzorg en de ggz? Kan er een tijdspad geschetst worden voordeze plan van aanpak en de presentatie ervan aan de Kamer?De leden van de PRO-fractie lezen dat er nog onvoldoende bewust-wording is in alle leefdomeinen om mensen met een licht verstandelijkebeperking te herkennen en tijdig passende zorg en ondersteuning tebieden. Hoe gaat deze bewustwording in alle leefdomeinen alsnoggerealiseerd worden en welke concrete maatregelen worden hiervoorgenomen? Zij lezen daarnaast dat er steeds meer bekend is over hoe jeervaringsdeskundigheid kunt inzetten bij beleidsvorming, maar dat er ookaandacht nodig is om dit structureel te borgen binnen organisaties. Welkerol ziet de Minister voor zichzelf hierbij? Op welke wijze wordt de inzet vanervaringsdeskundigheid ook beloond, zodat het niet louter afhankelijk isvan liefdadigheid, maar ervaringsdeskundigen ook een eerlijkevergoeding ontvangen voor hun werk?De leden van de PRO-fractie lezen dat de overgang vanWmo-cliëntondersteuning naar Wlz-cliëntondersteuning niet altijd soepelverloopt in de praktijk. Zij lezen dat de Minister daarom de komendeperiode met het veld zal blijven werken aan het verbeteren van deorganisatie van cliëntondersteuning.Wat zijn volgens de Minister de grootste knelpunten bij deze overgang?Welke concrete, mogelijke oplossingsrichtingen ziet zij per knelpunt? Opwelke wijze worden cliënten en hun vertegenwoordigende organisatiesbetrokken bij dit traject?De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2026 inzichtelijk wordt gemaaktof en hoe gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur in deWmo 2015 en de Jeugdwet. Wanneer kunnen deze resultaten verwachtTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4064 worden? Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten te stimuleren totlangdurige indicaties en welke rol ziet de Minister voor zichzelf hierin?De leden van de PRO-fractie lezen dat het aantal cliënten met aanspraakop zorgprofiel VG7 sinds 2018 het sterkst gestegen is, vergeleken metzorgprofiel VG6 en het totaal aantal VG-cliënten. Waardoor zou dezestijging verklaard kunnen worden? Zij lezen daarnaast dat er vanuit debestuurlijke afspraken rondom complexe zorg door ZorgverzekeraarsNederland (ZN) wordt gewerkt aan het verder inzichtelijk maken van allewachtenden. Zou nader toegelicht kunnen worden op basis waarvan hetinzicht wordt verbreed en wanneer de resultaten verwacht kunnenworden?De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2025 meer dan de helft van degemeenten een Lokale Inclusie Agenda had. Hoeveel gemeenten hebben,volgens de meest recent beschikbare gegevens, een Lokale InclusieAgenda? Hoeveel gemeenten hebben hierbij mensen met een beperkingbetrokken? Zou nader toegelicht kunnen worden waarom sommigegemeenten nog geen Lokale Inclusie Agenda hebben?De leden van de PRO-fractie constateren dat mensen met een beperking inNederland in rap tempo geconfronteerd zullen worden met een opeensta-peling van maatregelen, zoals bijvoorbeeld het wijzigen van het tariefvoor de Wmo, het afschaffen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo, hetverhogen van het eigen risico en bezuinigingen op de sociale zekerheid.Op welke wijze worden de effecten van deze maatregelen in hun geheelop deze groep gemonitord? Hoe rijmt dit met het feit dat mensen met eenbeperking gemiddeld gezien al vaak veel meer kosten maken wegens hunbeperking en ook vaker geconfronteerd worden met armoede? Hoeverhouden dergelijke maatregelen zich tot de conclusies en bevindingenvan het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015?Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de derdevoortgangsrapportage van de Toekomstagenda «Zorg en ondersteuningvoor mensen met een beperking» en hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de PVV-fractie constateren dat de Toekomstagenda loopt toten met 2026 en dat de Minister zelf aangeeft dat de stap naar borging aanhet einde van de looptijd nog niet volledig zal zijn afgerond. Deze ledenvragen wat dit concreet betekent. Welke onderdelen worden na 2026voortgezet, welke niet en op basis waarvan wordt dat besloten? Kan deMinister toezeggen dat succesvolle onderdelen niet verdwijnen in nieuweoverlegtafels of tijdelijke programma’s, maar daadwerkelijk structureelterechtkomen in de dagelijkse praktijk van zorgorganisaties, zorgkantoren,gemeenten en gezinnen?Naar aanleiding van het thema Complexe zorg. De leden van dePVV-fractie maken zich zorgen over de stijging van het aantal mensen meteen complexe zorgvraag. Uit de monitor blijkt dat het aantal mensen meteen complexe zorgvraag in 2025 met meer dan twintig procent isgestegen ten opzichte van 2018. Wat is volgens de Minister de belang-rijkste verklaring voor deze stijging? Is er daadwerkelijk sprake van eentoename van de zorgzwaarte, van betere registratie of van een systeemwaarin passende zorg te laat wordt georganiseerd, waardoor problemenverergeren?Deze leden vragen hoeveel mensen met een VG6- of VG7-profiel op ditmoment wachten op een passende plek, uitgesplitst naar actiefwachtenden, wenswachtenden, urgent plaatsbaren en mensen dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4065 formeel niet op een wachtlijst staan maar in de praktijk wel nergensterechtkunnen. Herkent de Minister het probleem van schaduwwacht-lijsten? Zo ja, hoe groot is dit probleem en wanneer krijgt de Kamer hiereindelijk een helder landelijk beeld van?De leden van de PVV-fractie lezen dat er wordt gewerkt aan beter zicht opwachtlijsten en dat zorgkantoren en zorgaanbieders knelpuntenbespreken. Deze leden vragen waarom dit anno 2026 nog steeds niet goedop orde is. Hoe kan het dat gezinnen met zeer complexe zorgvragen vaakbeter weten waar het misgaat dan het systeem zelf? Welke hardeafspraken maakt de Minister met zorgkantoren over hun verantwoorde-lijkheid om passende zorg te organiseren?Welke ervaringen zijn er tot nu toe opgedaan met de invoering vanVG7-plus?De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de samenwerkingtussen gehandicaptenzorg en ggz. De Minister schrijft dat er eerstestappen zijn gezet en dat in 2026 een plan van aanpak wordt ontwikkeld.Waarom is er nog steeds slechts sprake van een plan van aanpak, terwijlde problemen bij mensen met een verstandelijke beperking en ernstigegedragsproblematiek al jaren bekend zijn? Wanneer komt er een landelijkewerkwijze waardoor mensen niet meer tussen gehandicaptenzorg, ggz,Wlz, Wmo en crisiszorg blijven vallen?Naar aanleiding van het thema Licht verstandelijke beperking (LVB). Deleden van de PVV-fractie lezen dat de bewustwording over mensen meteen licht verstandelijke beperking toeneemt, maar dat deze groep nogonvoldoende in alle leefdomeinen wordt herkend. Deze leden vragen watde Minister hiermee concreet gaat doen. Hoe wordt voorkomen datmensen met een LVB te laat worden herkend bij gemeenten, huisartsen,schuldhulpverlening, justitie, onderwijs, werk en zorg?Deze leden vragen hoeveel gemeenten op dit moment structureel beleidhebben voor mensen met een LVB en hoeveel gemeenten vooralafhankelijk zijn van tijdelijke projecten of losse initiatieven? De leden vande PVV-fractie vragen specifiek naar waakvlamondersteuning. Hoeveelgemeenten bieden dit daadwerkelijk aan? Hoe wordt gecontroleerd of ditook in de praktijk beschikbaar is en niet alleen in beleidsstukken staat?Deelt de Minister de mening dat korte indicaties en telkens opnieuw jeverhaal moeten doen juist bij mensen met een levenslange of levensbredebeperking onnodige stress, escalatie en uiteindelijk hogere zorgkostenveroorzaken?Naar aanleiding van het thema Cliëntondersteuning. De leden van dePVV-fractie vinden onafhankelijke en gespecialiseerde cliëntondersteuningvan groot belang, juist voor gezinnen die vastlopen in een versnipperdzorgstelsel. Uit de stukken blijkt dat gespecialiseerde cliëntondersteuningwordt ingezet bij complexe problematiek op meerdere levensdomeinen endat Metgezel in 2025 1.386 nieuwe aanmeldingen ontving, waarvan 60procent in ondersteuning is genomen. Deze leden vragen wat er gebeurtmet de 37 procent die is doorverwezen. Komen deze mensen daadwer-kelijk op de juiste plek terecht of verdwijnen zij opnieuw in het systeem?Deze leden vragen waarom de overgang van Wmo-cliëntondersteuningnaar Wlz-cliëntondersteuning nog steeds niet soepel verloopt. Wie ishiervoor verantwoordelijk? Welke concrete verbeteringen moeten uiterlijkeind 2026 merkbaar zijn voor cliënten en naasten?De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister de gespecialiseerdecliëntondersteuning na afloop van de subsidieperiode wil borgen. Kan deMinister uitsluiten dat gezinnen die nu eindelijk één vaste gespeciali-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4066 seerde ondersteuner hebben, straks weer opnieuw moeten beginnenomdat financiering of organisatie verandert?Deze leden vragen ook hoe wordt voorkomen dat cliëntondersteuning eenextra loket wordt in plaats van een oplossing voor mensen die alverdwaald zijn in het systeem. Hoe borgt de Minister dat cliëntonder-steuners voldoende doorzettingsmacht hebben richting gemeenten,zorgkantoren, zorgaanbieders en andere instanties?Naar aanleiding van het thema Zorgtechnologie en innovatie. De ledenvan de PVV-fractie staan positief tegenover zorgtechnologie wanneer diemensen met een beperking meer regie geeft, naasten ontlast en zorgver-leners ondersteunt. Deze leden zijn echter kritisch op technologie dievooral wordt gepresenteerd als oplossing voor personeelstekorten,zonder dat duidelijk is wat cliënten, naasten en medewerkers ervanvinden.Deze leden vragen welke technologieën in de gehandicaptenzorgaantoonbaar leiden tot betere kwaliteit van leven, minder werkdruk ofmeer veiligheid. Welke innovaties zijn inmiddels bewezen effectief enwelke bevinden zich nog vooral in de fase van pilots, routes en kennis-deling? Hoe wordt het gebruikt van innovaties gedeeld en verderuitgerold? Wat doet de Minister om hierin te ondersteunen?Naar aanleiding van het thema Vakmanschap en arbeidsmarkt. De ledenvan de PVV-fractie maken zich grote zorgen over de werkdruk in degehandicaptenzorg. Uit de monitor blijkt dat ongeveer twee op de vijfwerknemers binnen de gehandicaptenzorg in 2025 een veel te hogewerkdruk ervaart. Deze leden vragen wat de Minister concreet gaat doenom zorgverleners in de gehandicaptenzorg te behouden.De leden van de PVV-fractie willen bureaucratie en managementlagenschrappen en zorgverleners meer zeggenschap geven over hun werk.Genoemde leden vragen daarom hoeveel tijd medewerkers in degehandicaptenzorg kwijt zijn aan administratie, verantwoording, regis-traties en overleg. Welke concrete registraties of verantwoordingsplichtenworden geschrapt? Kan de Minister een overzicht geven van maatregelendie zorgverleners in 2026 daadwerkelijk minder papierwerk opleveren?Sluit de Minister aan bij de AZWA doelstelling van maximaal 20%regeldruk?Deze leden vragen ook hoe de Minister aankijkt tegen de waarschuwingdat vakbekwaamheid niet mag worden uitgehold door personeelste-korten. Hoe voorkomt de Minister dat mensen zonder passende opleidingof begeleiding worden ingezet op zware groepen, waardoor risico’sontstaan voor cliënten en medewerkers?De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast wat de Minister doet tegenagressie en onveiligheid op de werkvloer. Hoeveel meldingen zijn er in degehandicaptenzorg van agressie, bedreiging of geweld tegenmedewerkers? Welke maatregelen neemt de Minister om medewerkersbeter te beschermen?Naar aanleiding van het thema Levenslang en levensbreed. De leden vande PVV-fractie vinden het zeer herkenbaar dat mensen met een levens-lange en levensbrede beperking vastlopen door versnippering tussenWmo, Jeugdwet, Zorgverzekeringswet en Wlz. Hoe kijkt de Minister naaréén wettelijke regeling voor mensen met een levenslange en levensbredebeperking? Is zij bereid dit te onderzoeken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4067 Deze leden vragen of de Minister erkent dat het huidige stelsel voor dezedoelgroep vaak onnodig ingewikkeld is. Waarom moeten mensen met eenlevenslange beperking of hun ouders steeds opnieuw bewijzen dat debeperking niet overgaat? Waarom worden indicaties nog steedskortdurend afgegeven bij mensen die hun hele leven ondersteuning nodigzullen hebben? Wat gaat de Minister concreet doen om «het doorgeslagenindicatiecircus» zoals verwoord in het coalitieakkoord te stoppen? Welkeacties onderneemt zij om ervoor te zorgen dat «niemand hoeft zijnchronische ziekte of beperking meer periodiek aan te tonen» zoalsverwoord in het coalitieakkoord? Kan de Minister per wet uitsplitsen welkeaanvullende acties zij hierop onderneemt en wanneer?Deze leden vragen daarnaast hoe de Minister ervoor zorgt dat gemeentenniet alleen mooie woorden gebruiken over integraal werken, maar ookdaadwerkelijk één plan, één regisseur en langdurige ondersteuningbieden waar dat nodig is. Welke gemeenten doen dit goed en welkeblijven achter?Naar aanleiding van het thema Mantelzorgers en naasten. De leden vande PVV-fractie benadrukken dat ouders, partners, broers, zussen enandere naasten vaak jarenlang de gaten in het systeem dichten. Dezemensen zijn van onschatbare waarde, maar raken ook overbelast.Genoemd leden vragen hoe de Minister de belasting van naasten in degehandicaptenzorg structureel monitort.Deze leden vragen hoeveel respijtzorg, logeerzorg en crisisopvangbeschikbaar is voor gezinnen met een kind of volwassene met eencomplexe beperking. Waar zijn tekorten? Hoe lang zijn de wachttijden?Wat doet de Minister om te voorkomen dat gezinnen pas hulp krijgenwanneer zij al zijn vastgelopen? Welke aanvullende acties onderneemt deMinister om respijtzorg te ondersteunen?De leden van de PVV-fractie vragen hoe mantelzorgers beter ondersteundworden. Wordt bij de verdere uitwerking van de Toekomstagenda ookgekeken naar de positie van mantelzorgers die structureel en langdurigzorg verlenen aan iemand met een beperking?Naar aanleiding van het thema Monitoring en resultaten. De leden van dePVV-fractie lezen dat de eerste monitor nog geen volledig beeld geeft, datvoor diverse indicatoren sprake is van een eerste meting en dat sommigeindicatoren ontbreken omdat dataverzameling te belastend, te complex ofte tijdrovend is. Deze leden vragen hoe de Kamer dan kan beoordelen ofde Toekomstagenda werkt.Deze leden vragen welke indicatoren ontbreken en waarom. Gaat het juistom indicatoren die iets zeggen over de echte problemen in de praktijk,zoals wachtlijsten, crisisplaatsingen, doorzettingsmacht, overbelastingvan naasten, personeelstekorten en misstanden? Wanneer zijn dezegegevens wel beschikbaar?De leden van de PVV-fractie vragen de Minister om bij de volgenderapportage niet alleen procesresultaten te melden, zoals bijeenkomsten,kennisproducten, programma’s of websites, maar vooral concreteuitkomsten voor cliënten, naasten en zorgverleners. Kan de Ministertoezeggen dat de volgende rapportage duidelijk maakt hoeveel mensensneller passende zorg kregen, hoeveel gezinnen minder vastliepen,hoeveel medewerkers minder werkdruk ervaren en hoeveel bureaucratiedaadwerkelijk is verminderd?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4068 Naar aanleiding van het thema Toezicht, misstanden enpgb-wooninitiatieven. De leden van de PVV-fractie vinden het van grootbelang dat kwetsbare mensen met een beperking beschermd wordentegen misstanden, verwaarlozing, grensoverschrijdend gedrag, fraude enslechte zorg. Deze leden vragen wat de stand van zaken is van hettransparantieregister voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Wanneeris dit register volledig operationeel en toegankelijk voor toezichthouders?Deze leden vragen of de IGJ voldoende capaciteit heeft om toezicht tehouden op kleinschalige wooninitiatieven en andere kwetsbare vormenvan zorg. Hoe vaak heeft de IGJ in 2025 toezicht gehouden oppgb-gefinancierde wooninitiatieven? Hoeveel signalen, meldingen,waarschuwingen, aanwijzingen of handhavende maatregelen zijn ergeweest?De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat kwaadwil-lende zorgaanbieders kwetsbare mensen gebruiken als verdienmodel.Welke concrete maatregelen neemt de Minister om fraude, slechte zorg enmisbruik van pgb-geld harder aan te pakken? Worden opbrengsten vanboetes en teruggevorderd zorggeld weer ingezet voor betere zorg?Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister om de Kamer voorhet einde van 2026 een concreet overzicht te sturen van wat de Toekomst-agenda heeft opgeleverd, welke onderdelen structureel worden geborgd,wat dit kost, welke bureaucratie wordt geschrapt en hoe wordt toegewerktnaar eenvoudiger zorg voor mensen met een levenslange beperking.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister en hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de CDA-fractie zouden graag zien dat er een concreetvervolg op de Toekomstagenda komt in de vorm van een inhoudelijkbestuurlijk akkoord met de gehandicaptenzorgsector. Deze leden vragenof de Minister kan aangeven wat de stand van zaken is ten aanzien van degesprekken hierover.De leden van de CDA-fractie vragen verder naar de uitvoering van demotie-Westerveld en Krul (Kamerstuk 24 170, nr. 314) over regelen dat inalle zorgwetten langdurige indicaties worden afgegeven voor mensen meteen levenslange beperking en cliënten inspraak geven op de herindicatie-termijn. Het is voor deze leden onduidelijk hoe er per zorgwet wordtgewerkt aan langdurige indicaties. Daarom vragen deze leden of deMinister dit per zorgwet concreet uiteen kan zetten, ook in het licht van deafspraken uit het coalitieakkoord dat niemand zijn chronische ziekte ofbeperking meer periodiek hoeft aan te tonen. Is al inzichtelijk welkegemeenten wel en niet werken met een langere beschikkingsduur in deWmo? Zo nee, wanneer hoort de Kamer hier meer over? Deelt de Ministerde mening dat het niet voldoende is om alleen een brief naar allegemeenten te sturen? Wanneer hoort de Kamer meer over het langdurigtoekennen van meerzorg bij het persoonsgebonden budget (pgb)?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de derdevoortgangsrapportage Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voormensen met een beperking» en de bijbehorende onderzoeken en bijlagen.Deze leden zien dat in de praktijk nog veel mensen met een levenslangeen levensbrede ondersteuningsvraag vastlopen in versnipperde onder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 4069 steuning, wisselende contactpersonen, wachtlijsten en bureaucratie. Zijhebben hierover nog enkele vragen.De leden van de BBB-fractie lezen in het rapport Langdurig en levens-breed dat inwoners en gezinnen in verschillende gemeenten aangeven datsprake is van versnipperde ondersteuning, beperkte samenwerking tussendomeinen en het ontbreken van één integraal plan of één vastaanspreekpunt. Deze leden lezen bovendien dat mensen regelmatigopnieuw hun verhaal moeten doen en dat verschillen tussen gemeentengroot zijn. Hoe reflecteert de Minister op deze bevindingen? Juist mensenmet een levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag hebbenbehoefte aan continuïteit, stabiliteit en regie. Deelt de Minister deopvatting dat een integraal plan en een vast aanspreekpunt voor dezedoelgroep in veel gevallen essentieel zijn om passende ondersteuning teorganiseren? Zo ja, welke concrete inzet pleegt de Minister richtinggemeenten om dit meer de norm te maken?De leden van de BBB-fractie lezen in het onderzoek verschillendevoorbeelden waarbij ondersteuning onvoldoende integraal werdgeorganiseerd en waarbij inwoners of ouders zelf de regie moestenvoeren tussen verschillende loketten, wetten en organisaties. Hoevoorkomt de Minister dat mensen met een beperking of hun oudersfeitelijk zelf zorgcoördinator moeten zijn binnen een complex systeem?Daarnaast blijkt dat verschillen tussen gemeenten grote invloed kunnenhebben op de kwaliteit, snelheid en toegankelijkheid van ondersteuning.Zo ontstaat toenemende postcodeongelijkheid in de zorg en onder-steuning. Hoe kijkt de Minister naar het risico dat de kwaliteit vanondersteuning in sterke mate afhankelijk wordt van de gemeente waariniemand woont? Is goed in beeld hoe groot de ongelijkheid is en in welkegemeenten mensen met een beperking beduidend slechter af zijn dangemiddeld? Als de ongelijkheid onvoldoende in beeld is, hoe kan danactief beleid gevoerd worden op het verkleinen van de ongelijkheid enwelke specifieke stappen zet de Minister om de ongelijkheid te verkleinen?De leden van de BBB-fractie vragen in dit verband ook aandacht voorrecente signalen van de Vereniging Artsen Volksgezondheid en de KoepelArtsen Maatschappij + Gezondheid over medische beoordelingen voorkwetsbare inwoners. Zij lezen dat inwoners soms honderden euro’s kwijtzijn aan medische keuringen, zonder garantie op toekenning vanondersteuning of voorzieningen, en dat de kosten en werkwijzen sterkverschillen per gemeente. Deelt de Minister de zorg dat hierdoorrechtsongelijkheid ontstaat? Welke mogelijkheden ziet de Minister ommeer uniformiteit, kwaliteit en toegankelijkheid van medische beoorde-lingen te organiseren?De leden van de BBB-fractie lezen bovendien dat een tekort aan specifiekopgeleide artsen ertoe leidt dat complexe beoordelingen steeds vakerworden uitgevoerd door basisartsen. Hoe beoordeelt de Minister derisico’s hiervan voor de kwaliteit en zorgvuldigheid van beoordelingen vankwetsbare inwoners? Is de Minister bereid te onderzoeken hoe deopleiding tot arts Medisch Advies structureler ondersteund kan worden?De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van de voorbeelden vanstress en onzekerheid rondom herindicaties, terwijl het gaat om mensenmet een levenslange beperking of ondersteuningsvraag. Deze ledenvragen hoe de Minister reflecteert op signalen dat mensen steedsopnieuw moeten bewijzen dat zij ondersteuning nodig hebben. Welkestappen zet de Minister om langdurige indicaties en meer continuïteit inondersteuning vaker mogelijk te maken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40610 De leden van de BBB-fractie begrijpen verder dat de Minister aangeeft dater aandacht blijft voor ouderenzorg, medisch-generalistische zorg entoekomstbestendige ondersteuning. Tegelijkertijd staan gemeenten enzorgorganisaties onder grote financiële druk en worden verdere bezuini-gingen op de zorg voorzien door het huidige kabinet. Hoe rijmt deMinister de ambities uit de Toekomstagenda met deze financiële ontwikke-lingen? Hoe rijmt de Minister de specifieke bezuinigingen die hetMinisterie van VWS wil doorvoeren op ouderengezondheid met dezeambities? Kan de Minister toelichten hoe de bezuinigingen van invloedgaan zijn op de zorg, nu het huidige kabinet nog grotere bezuinigingenvoorstelt dan voorheen voorzien waren?De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om daarbij specifiek in tegaan op welke gevolgen de Minister verwacht van de voorgenomenbezuinigingen voor wachtlijsten, personeelscontinuïteit, gespecialiseerdecliëntondersteuning en de beschikbaarheid van passende zorg enondersteuning voor mensen met een beperking. Tot slot vragen de ledenvan de BBB-fractie hoe de Minister wil voorkomen dat mensen met eenlevenslange en levensbrede ondersteuningsvraag juist door financiëledruk, personeelstekorten en versnipperde uitvoering tussen wal en schipraken.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben de derde voortgangsrapportageToekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met eenbeperking» gelezen. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingenover. Zij benadrukken dat het erg belangrijk is dat er nu eindelijk vaartwordt gemaakt met de uitvoering van het VN-Verdrag Handicap en hetverbeteren van de positie van mensen met een beperking.De leden van de SP-fractie benadrukken dat het met het huidige beleiddweilen met de kraan open lijkt om het VN-Verdrag Handicap goed uit tevoeren. De geplande bezuinigingen op zowel de zorg als de socialezekerheid dreigen mensen met een beperking extra te raken, waardoorhun mogelijkheden om gelijkwaardig mee te doen in de samenleving juistkleiner dreigen te worden. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Hoe verwacht zijde positie van mensen met een beperking te kunnen vergroten, terwijltegelijkertijd de voorzieningen waarvan veel mensen met een beperkingafhankelijk zijn worden verslechterd of zelfs helemaal verdwijnen?De leden van de SP-fractie vragen de Minister daarom ook wanneer zij demotie Dobbe c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 174) gaat uitvoeren, die vroegom «onafhankelijk in kaart te laten brengen wat de gevolgen van hetmaatregelenpakket uit het regeerakkoord zijn voor de positie van mensenmet een beperking en hoe zich dit zich verhoudt tot het standstillprincipevan het VN-verdrag Handicap, voordat deze maatregelen wordendoorgevoerd». De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer enhoe zij de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 107), die de regeringverzocht om niet te bezuinigen op de gehandicaptenzorg, gaat uitvoeren.De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer en hoe zij demotie Dobbe (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 176), die de regering verzocht«om op basis van de aanbevelingen uit het rapport over hetVN-Vrouwenverdrag plannen te maken om de positie van vrouwen meteen beperking te verbeteren», gaat uitvoeren.De leden van de SP-fractie benadrukken dat het bezoeken van eenziekenhuis voor mensen met een beperking vaak een grotere uitdagingvormt. Dit kan de toegankelijkheid van de zorg voor deze mensenverkleinen, terwijl zij vaak juist meer zorg nodig hebben. Is de MinisterTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40611 bereid om meer stappen te zetten om ziekenhuiszorg beter toegankelijk temaken voor mensen met een beperking en de zorg hier beter wordtafgesteld op hun behoeften?De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer zij gaat ingrijpenom de onuitlegbare verschillen tussen gemeenten in de voorzieningenvoor mensen met een beperking tegen te gaan. Deelt de Minister demening dat de rechten van deze mensen belangrijker zijn dan debeleidsvrijheid van gemeenten om te weinig te doen om de rechten vandeze mensen in de praktijk te brengen?De leden van de SP-fractie constateren ten slotte dat er grote ongelijkheidbestaat tussen gemeenten in de kosten voor het aanvragen van gehandi-captenparkeerkaart. Deelt de Minister de mening dat dit onuitlegbaar is endat het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart gratis zou moetenzijn? Daarnaast vragen zij welke maatregelen de Minister gaat nemen voorhet terugdringen van het tekort aan artsen die dit soort keuringen kunnenuitvoeren.II. Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dederde voortgangsrapportage Toekomstagenda «zorg en ondersteuningvoor mensen met een beperking». Daartoe hebben deze leden enkelevragen.De leden van de D66-fractie waarderen de eerste stappen die gezet zijn inbewustwording en agendering van samenwerking tussen de gehandicap-tenzorg en de ggz. Deze leden lezen dat er in 2026 een plan van aanpakontwikkeld gaat worden. Daartoe vragen deze leden door wie dit plan vanaanpak ontwikkeld wordt. Welke partijen zitten aan tafel? Op welke wijzewordt er gezorgd voor een goede vertegenwoordiging van het veld?Wanneer wordt het plan van aanpak verwacht, en op welke wijze wordt deKamer hierover geïnformeerd?Het plan van aanpak wordt ontwikkeld in samenwerking met betrokkenpartijen uit de gehandicaptenzorg en de ggz, waaronder vertegenwoor-digers van aanbieders, professionals, cliëntorganisaties, CCE (Centrumvoor Consultatie en Expertise) en branchepartijen. Hiermee wordtgeborgd dat het plan aansluit bij de uitvoeringspraktijk en de behoeftenvan mensen met een verstandelijke beperking en psychische aandoening.De aanbevelingen uit de rapporten1 vormen de basis voor het plan vanaanpak. Partijen hebben gezamenlijk een eerste prioritering verkend enwelke verbeteracties hierbij op korte termijn in gang gezet kunnen wordenom de samenwerking tussen beide sectoren te versterken. Voor het eindevan het jaar wordt inzichtelijk welke acties worden opgepakt en welkepartijen daarbij betrokken zijn. De Kamer zal in de volgende voortgangs-rapportage van de Toekomstagenda geïnformeerd worden over dezeconcrete stappen.De tekorten op de arbeidsmarkt nemen toe, en dat is ook te merken in degehandicaptenzorg. Op welke wijze is de Minister voornemens het andersorganiseren en goed werkgeverschap te stimuleren in de gehandicap-tenzorg, zodat deze belangrijke vorm van zorg beschikbaar blijft vooriedereen die dat nodig heeft?1Rapportages samenwerking GHZ en GGZ | Regelhulp – Ministerie van VWSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40612 Op verschillende manieren stimuleer ik het anders werken en goedwerkgeverschap in de sector. Een voorbeeld hiervan is het Actie LeerNetwerk2. Dit initiatief haalt voorbeelden op van innovatieve oplossingenvoor de arbeidsmarkt. Met thema’s als komen werken, blijven werken enanders werken laten zij voorbeelden zien die bijdragen aan het oplossenvan de personeelstekorten.Vanuit de Toekomstagenda zijn er dialoogsessies georganiseerd overGoed werk. Deze sessies zijn georganiseerd door Vilans in samenwerkingmet de Hogeschool van de Kunsten Utrecht (HKU) en de AmbassadeursGehandicaptenzorg. Tijdens deze sessies werkten mensen uit de praktijkop een creatieve manier aan beelden van goed werk en manieren omgoed werk te stimuleren. Dit heeft geresulteerd in een verzameling vanzogeheten «nieuwe goede gewoontes», die te raadplegen is via hetKennisplein Gehandicaptensector3Het arbeidsmarktekort is een complex probleem dat vele oorzaken kentzonder een eenduidige oplossing. Het vraagt iets van de hele sector, deoverheid en de maatschappij. Op dit moment spreek ik met werkgevers,beroepsverenigingen, gemeenten, cliëntorganisaties en zorgkantoren overde aanpak van problemen op onder andere de korte termijn, zoals dekrapte op de arbeidsmarkt. Onderwerpen zoals anders werken en goedwerkgeverschap zijn thema’s die tijdens deze gesprekken aan bod komen.Het is mijn inzet dat deze gesprekken leiden tot bestuurlijke afspraken.Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat er hard gewerkt wordt omde behoeften van mensen met een levenslange en levensbrede beperkingmeer onder de aandacht te brengen bij gemeenten en professionals; ditachten deze leden zeer belangrijk. Daartoe vragen genoemde leden opwelke termijn de resultaten verwacht worden over of en hoe gemeenten alwerken met een langere beschikkingsduur in de Wmo 2015 en deJeugdwet. Op welke wijze wordt de Kamer hierover geïnformeerd?In december 2025 is door VWS en de Vereniging van NederlandseGemeenten (VNG) een opdracht verleend aan Significant om inzichtelijk temaken hoe gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur waarpassend. De resultaten hiervan worden medio 2026 opgeleverd en daarnagedeeld met de Kamer. Onderdeel van de opdracht aan Significant is ookom een indicator te ontwikkelen, zodat in de toekomst structureelgemonitord kan worden in hoeverre gemeenten werken met een langerebeschikkingsduur waar passend.De inzet van ervaringsdeskundigheid is ontzettend waardevol, bijvoor-beeld bij het verbeteren en tot stand brengen van beleid, maar ook binnenhet dagelijkse reilen en zeilen van zorgorganisaties. De leden van deD66-fractie lezen dat het inzetten van ervaringsdeskundigheid in depraktijk nog versnipperd is, en afhankelijk is van lokale initiatieven.Daartoe vragen deze leden op welke wijze de Minister de bredere inzetvan ervaringsdeskundigheid stimuleert.Door het Ministerie van VWS is een subsidie verstrekt aan de AlliantieVN-verdrag Handicap, bestaande uit MIND, Vereniging LFB, Per Saldo enIeder(in), om invulling te geven aan het NOOZO-project (Niet Over Ons,Zonder Ons) voor de jaren 2026 en 2027. De focus van de Alliantie ligt ophet inbrengen, het verbinden en betrekken van ervaringsdeskundigen enachterban bij bestuurlijke partners, verschillende departementen enandere voor de implementatie van het VN-verdrag Handicap relevanteorganisaties en stakeholders. Hierin wordt de samenwerking gezocht2Actie Leer Netwerk3Kennisplein GehandicaptensectorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40613 Movisie en de VNG voor het inzetten van ervaringsdeskundigen bijgemeenten. De VNG geeft in de ondersteuning die zij biedt aangemeenten bij de ontwikkeling van een Lokale Inclusie Agenda nadruk-kelijk het «Niets over ons, zonder ons»-principe mee als voorwaarde.De leden van de D66-fractie lezen dat er steeds meer gewerkt wordt metinnovaties, waarbij er ook steeds meer kennis opgedaan wordt over watwel en niet werkt in de praktijk. Echter lezen deze leden ook dat organi-saties soms geneigd zijn vast te houden aan hun eigen bekendewerkwijzen. Ondanks dat dit heel begrijpelijk is, achten de leden van deD66-fractie het van groot belang dat organisaties meer gaan werken metpassende innovaties om toekomstbestendig te blijven. Daartoe vragendeze leden op welke wijze de Minister erop toeziet dat de opgedaneinzichten en methodieken breder toegepast en verankerd worden in degehandicaptenzorg.Tijdens mijn werkbezoeken bij zorgorganisaties heb ik al veel voorbeeldenkunnen zien hoe innovaties worden ingezet. Ook heb ik daar bemerkt dathet inzetten van innovaties, en daarmee het veranderen van de zorgpro-cessen, een lastig proces kan zijn. Onder de vlag van de Toekomstagendazijn daarom verschillende ondersteuningsprogramma’s gestart omorganisaties hierbij te helpen. Denk bijvoorbeeld aan het Ontwikkelpro-gramma Complexe Zorg, Leren Werken met Data in de gehandicaptenzorgof de Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2. In al deze programma’s is eruitgebreid aandacht voor het inzetten en borgen van innovaties of nieuwemethodieken. Deze kennis wordt daarnaast voor iedereen beschikbaargemaakt, zowel binnen als buiten de gehandicaptenzorg.Daarnaast lezen de leden van de D66-fractie dat het gebruik vandata-ondersteund werken om ondersteuning en zorg te verbeteren nogweinig wordt toegepast. Op welke wijze gaat de Minister ervoor zorgendat het gebruik van de InnovatieRoute toeneemt, en dat deze makkelijkervindbaar en bruikbaar is voor organisaties in de gehandicaptenzorg?Ik vind het belangrijk om onderscheid te maken tussen data-ondersteundwerken en de scope van de InnovatieRoute. Data-ondersteund werken ishet inzetten van data binnen de zorgorganisatie om de zorg te verbeteren,bijvoorbeeld door snel te kunnen zien hoe het met een bewoner gaat opbasis van gegevens uit het elektronisch cliëntdossier (ECD). Ik geefbekendheid en een impuls aan data-ondersteund werken in de gehandi-captenzorg via het programma Leren Werken met Data in de gehandicap-tenzorg. Samen met de sector identificeert het programma waar dekansen liggen, aan welke voorwaarden voldaan moet worden en hoegebruik van data onderdeel kan worden van de zorgprocessen.Daarnaast heb ik de InnovatieRoute ontwikkeld: een interactief instrumentbedoeld om projectleiders door een implementatie- en opschalingstrajectvan zorgtechnologie te leiden. Dit jaar geef ik met een online- enofflinecampagne meer bekendheid aan de InnovatieRoute. Dezecampagne wordt uitgevoerd door het programma Innovatie-impulsGehandicaptenzorg 2. We zien dat het aantal bezoekers en aantalgemaakte routes daardoor toeneemt.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dederde voortgangsrapportage van de Toekomstagenda «zorg en onder-steuning voor mensen met een beperking». Zij zijn blij om te zien dat er insamenwerking met de sector mooie stappen zijn gezet om de zorg voormensen met een beperking te verbeteren. Hierover hebben zij nog enkelevragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40614 De leden van de VVD-fractie hebben met plezier gekeken naar de video’sdie gemaakt zijn voor deze derde voortgangsrapportage. Op welke manieris de Minister van plan om deze video’s te verspreiden? Wat genoemdeleden betreft zou dit een bijdrage kunnen leveren aan niet alleen deontwikkeling van de sector, maar ook aan het bewustzijn in de samen-leving.De video’s zijn online op twee plekken beschikbaar. De video’s van dit jaarstaan op de webpagina Rijksoverheid > Leven met een beperking4.Daarnaast maken de video’s onderdeel uit van een serie over toekomstbe-stendige zorg. De gehele reeks staat op YouTube. Direct na de publicatie iseen van de video’s op LinkedIn van het Ministerie van VWS en vanZorgakkoorden.nl geplaatst. De video’s werden ook getoond op hetcongres Toekomstagenda dat 450 bezoekers had. Ten slotte worden devideo’s via het netwerk van de Toekomstagenda, waaronder alle betrokkenorganisaties in de video’s verder verspreid.De leden van de VVD-fractie zijn in het verlengde van vorige vraagbenieuwd hoe leerpunten en best practices gedeeld worden metzorgaanbieders. Welke rol ziet de Minister daarin voor zichzelf? Hierbijgraag een reflectie op het bereiken van niet-deelnemende zorgaanbieders.De best practices en leerpunten worden gedeeld met zorgaanbieders. Bijde subsidie- of opdrachtverlening van de verschillende ondersteunings-programma’s heeft VWS aandacht gehad voor de kennisverspreiding. Deervaringen, kennis en onderzoek zijn beschikbaar voor deelnemende enniet deelnemende organisaties via de website van Kennisplein gehandi-captenzorg en via www.innovatieroute.nu. Alle ervaringen van hetOntwikkelprogramma Complexe Zorg worden gedeeld op de websitewww.opcz.nl. Er vinden ook themabijeenkomsten plaats voor nietdeelnemende aanbieders, zodat de leerervaring breder wordt verspreid.De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de VG7-plus zorgprestatieinmiddels is ingevoerd. Kan de Minister al iets delen over de ervaringenhiermee in het veld? Zo nee, wanneer denkt zij dit wel te kunnen?Vanaf de invoering van VG7+ wordt bij verschillende betrokken partijen(waaronder cliëntenorganisaties) elke zes weken kwalitatieve informatieopgehaald met betrekking tot de ervaringen met de nieuwe prestatie.Kwalitatief gezien geven aanbieders over het algemeen aan een verbe-tering te zien in de VG7-plus prestatie ten opzichte van de inzet vanmeerzorg. Structurele kosten voor deze groep worden nu met structurelemiddelen bekostigd. Wel zijn er nog vragen over enkele voorwaarden enpraktische toepassingen van de prestatie. Vanaf begin juni is kwantitatievedata beschikbaar over het eerste kwartaal van 2026. De kwantitatieve nochde kwalitatieve informatie levert momenteel signalen op die het nodigmaken om bij te sturen. Het komende jaar wordt gebruikt om de data aante vullen, te analyseren en te koppelen met de kwalitatieve informatie. Omvervolgens het juiste gesprek te kunnen voeren met betrokken partijenover de conclusies met betrekking tot de effecten en voorwaarden vandeze prestatie.De leden van de VVD-fractie zijn erg enthousiast dat steeds meergemeenten één vaste cliëntondersteuner beschikbaar stellen. Denkt deMinister dat gemeenten ertoe in staat zijn om dit concept breder uit terollen, of ziet zij voor zichzelf een rol in de opschaling hiervan? Graagspecifiek aandacht hierbij voor de overgang van de Wmo naar de Wlz.4https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/leven-met-een-beperking/videoserie-over-zorg-voor-mensen-met-een-beperkingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40615 Ik juich de pilots toe waarbij aanbieders van onafhankelijke cliëntonder-steuning (OCO), gemeenten en zorgkantoren samenwerken om iemandeen vaste cliëntondersteuner te bieden, ook als hij/zij van de Wmo (Wetmaatschappelijke ondersteuning) overgaat naar de Wlz (Wet langdurigezorg). De pilots worden nog geëvalueerd, maar de eerste signalen zijnpositief. De resultaten van deze pilots zouden meer gemeenten,aanbieders van OCO en zorgkantoren ertoe kunnen bewegen om opdezelfde manier te gaan werken.Dit raakt ook aan de toekomstige organisatie van OCO, waar onderzoeks-bureau AEF een verkenning naar heeft uitgevoerd. Voor het zomerrecesinformeer ik uw Kamer hierover in de brief over de Wmo.De leden van de VVD-fractie zien grote meerwaarde in de Innovatie-impuls. Denkt de Minister dat een soortgelijke aanpak voor meerzorgsectoren van toegevoegde waarde kan zijn? Zo ja, hoe wil zij dittoepassen? Zo nee, waarom niet?Alle kennis en ervaring uit de Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 1 en 2heb ik gebundeld in de InnovatieRoute. Ik ben van mening dat deInnovatieRoute van toegevoegde waarde kan zijn voor andere sectoren.Hierin zijn namelijk alle methodes en aanpakken te raadplegen binnen eenvolgorde. Projectleiders kunnen takenlijstjes maken en afvinken en krijgenhandige tips. Ook worden ervaringsverhalen van andere zorgaanbiedersgedeeld. Daarom is op dit moment het samenwerkingsverband «Zorgver-nieuwing in Versnelling», samen met ontwikkelaar Greenberry, op mijnverzoek bezig met het ontwikkelen van een InnovatieRoute voor deouderenzorg. Daarnaast kan iedere zorgsector gebruik maken van deInnovatieRoute en daarmee de aanpak van de Innovatie-impuls.De leden van de VVD-fractie denken dat het een goede ontwikkeling is dater een transparantieregister ontstaat voor pgb-gefinancierde wooninitia-tieven. Zij denken dat dit een goede schakel kan zijn in de controle ofpgb-gelden doelmatig en rechtmatig besteed worden. Kan de Ministeraangeven wanneer zij hier meer over kan delen met de Kamer?Zoals in eerdere beantwoording aangegeven kost het aanpassen vanregelingen en het creëren van een vereiste grondslag voor gegevensuit-wisseling tijd. Daarbij wordt in verband hiermee verkend of het een optieis het register in fasen te vullen. Ik verwacht dat binnenkort meer duidelijkis over de mogelijkheden hiervan. Zodra meer bekend is zal ik uw Kamerhierover informeren.De leden van de VVD-fractie zijn tot slot blij om te lezen dat er meeringezet wordt op bestrijding van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag.Welke rol ziet de Minister hierin weggelegd voor de Inspectie Gezond-heidszorg en Jeugd (IGJ)?Het tegengaan van (seksueel) grensoverschrijdend gedrag in de gehandi-captenzorg is een aandachtspunt voor de Inspectie Gezondheidszorg enJeugd (IGJ). In de bestrijding van (seksueel) grensoverschrijdend gedragheeft de IGJ de rol van toezichthouder. De IGJ controleert risico gestuurdde kwaliteit en veiligheid van geleverde zorg. Bij meldingen van onderandere (seksueel) grensoverschrijdend gedrag kan de IGJ onderzoekdoen. Waar nodig treedt de IGJ op. Ten slotte heeft de IGJ een stimule-rende rol richting zorgpartijen. De IGJ biedt handvatten om grensover-schrijdend gedrag te voorkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40616 Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractieDe leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de derdevoortgangsrapportage van de Toekomstagenda «Zorg en ondersteuningvoor mensen met een beperking» (hierna: Toekomstagenda). Zij hebbenhierover nog enkele vragen.De leden van de PRO-fractie lezen dat er bij deze derde voortgangsrap-portage weer specifiek is ingezet op een toegankelijke manier vanrapporteren, bijvoorbeeld door middel van video’s. Genoemde ledenonderstrepen het belang van toegankelijkheid van (overheids)communi-catie. Hoe wordt de toegankelijkheid breder geborgd bij overheidsdocu-menten en -communicatie? Zij constateren dat de Toekomstagenda inieder geval loopt tot eind 2026. Zou nader toegelicht kunnen worden opwelke wijze de Toekomstagenda een vervolg zal vinden?De Wet digitale overheid (Wdo) eist dat overheidsorganisaties hunwebsites en apps, en alle content op deze websites en apps toegankelijkmaken en houden. De Wdo verwijst specifiek naar een Europese normvoor digitale toegankelijkheid EN 301 549. Deze norm bevat een indelingop principe niveau. Deze principes zijn: waarneembaar, bedienbaar,begrijpelijk en robuust. De werkagenda van het VN-verdrag Handicapbesteedt in het bijzonder aandacht aan de begrijpelijkheid en toeganke-lijkheid van overheidscommunicatie. Het Ministerie van BinnenlandseZaken en Koninkrijkrelaties (BZK) heeft de strategische doelstelling datdienstverlening van de overheid duidelijk en begrijpelijk moet zijn.Concrete maatregelen voor toegankelijke communicatie zijn onder andereondertiteling voor slechthorenden en voorleesfuncties voor slechtzienden.Ten slotte is er een meldpunt voor producten of diensten die niettoegankelijk zijn.Voor de periode na 2026 heeft het kabinet blijvende aandacht voormensen met een beperking. Het kabinet zet zich in voor uitvoering van hetVN-verdrag Handicap. Ik ben daarnaast in gesprek met cliëntorganisaties,beroepsorganisaties, Zorgverzekeraars Nederland (ZN) en de VerenigingGehandicaptenzorg Nederland (VGN) om te komen tot bestuurlijkeafspraken over de opgaven voor de gehandicaptenzorg voor de komendejaren. Ook na afronding van het programma Toekomstagenda blijf ikwerken aan de zes thema’s complexe zorg, licht verstandelijke beperking,cliëntondersteuning, zorgtechnologie en innovatie, vakmanschap enarbeidsmarkt, en levenslang, levensbreed Wmo. De onderwerpencliëntondersteuning en levenslang en levensbreed worden concreetopgepakt in de uitwerking van de nationale strategie VN-verdragHandicap. Complexe zorg, vakmanschap en arbeidsmarkt, en zorgtechno-logie en innovatie zijn belangrijke onderwerpen voor de bestuurlijkeafspraken over de gehandicaptenzorg.In de eindrapportage in voorjaar van 2027 van de Toekomstagenda wordtaangegeven op welke manier de verschillende onderdelen geborgdworden.De leden van de PRO-fractie lezen dat geconstateerd wordt dat er meernodig is en dat organisaties soms geneigd zijn vast te houden aan huneigen bekende werkwijzen. Daarnaast lezen zij dat geconstateerd wordtdat het noodzakelijk is om verder op te schalen en de inzichten enmethodieken die werken een plek te geven in het zorgsysteem, bijvoor-beeld in de zorginkoop, de werkwijze van gemeenten of door effectieveinterventies te beschrijven. Welke rol ziet de Minister voor zichzelfweggelegd hierin en hoe zou zij deze concreet invullen, welke taken horendaar bijvoorbeeld bij?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40617 Tijdens mijn werkbezoeken bij zorgorganisaties heb ik al veel voorbeeldenkunnen zien hoe innovaties en methodieken worden ingezet. Ook heb ikdaar bemerkt dat het inzetten van innovaties en daarmee het veranderenvan de zorgprocessen een lastig proces kan zijn. Ik zie mijn rol vooral alsfaciliterend. Onder de vlag van de Toekomstagenda ben ik daaromverschillende ondersteuningsprogramma’s gestart om organisaties hierbijte helpen. Denk bijvoorbeeld aan het Ontwikkelprogramma ComplexeZorg, Leren Werken met Data in de gehandicaptenzorg of de Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2. In al deze programma’s is er uitgebreidaandacht voor het inzetten en borgen van innovaties of nieuwe metho-dieken. Deze kennis wordt daarnaast voor iedereen beschikbaar gemaakt,zowel binnen als buiten de gehandicaptenzorg.De leden van de PRO-fractie lezen dat er een plan van aanpak in ontwik-keling is voor de bewustwording en agendering van samenwerking tussende gehandicaptenzorg en de ggz. Zou nader toegelicht kunnen wordenwat volgens de Minister op dit moment de grootste knelpunten zijn bijrespectievelijk de bewustwording en de samenwerking tussen degehandicaptenzorg en de ggz? Kan er een tijdspad geschetst worden voordeze plan van aanpak en de presentatie ervan aan de Kamer?Naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken vanuit de Toekomstagendazijn er in een tweetal rapporten aanbevelingen gedaan waar op in tezetten om de samenwerking tussen de gehandicaptenzorg en de ggz teversterken5. Op basis daarvan worden nu de eerste concrete stappenuitgewerkt. De rapporten laten onder andere zien dat het momenteelontbreekt aan een gedeelde visie en een gezamenlijk gevoel van urgentierondom de samenwerking tussen de sectoren. Beide sectoren moetenkeuzes maken in de inzet van schaarse tijd en capaciteit.Daarnaast verschillen de sectoren in cultuur, werkwijze en organisatie, wathet versterken van de samenwerking complex maakt en een gezamenlijkeinspanning vraagt. Uit de rapporten komt daarnaast naar voren datpartijen belemmeringen in het systeem ervaren waardoor de samen-werking wordt bemoeilijkt.Voor het einde van het jaar wordt inzichtelijk welke acties wordenopgepakt en welke partijen daarbij betrokken zijn. De Kamer zal in devolgende voortgangsrapportage van de Toekomstagenda geïnformeerdworden over deze concrete stappen.De leden van de PRO-fractie lezen dat er nog onvoldoende bewust-wording is in alle leefdomeinen om mensen met een licht verstandelijkebeperking te herkennen en tijdig passende zorg en ondersteuning tebieden. Hoe gaat deze bewustwording in alle leefdomeinen alsnoggerealiseerd worden en welke concrete maatregelen worden hiervoorgenomen? Zij lezen daarnaast dat er steeds meer bekend is over hoe jeervaringsdeskundigheid kunt inzetten bij beleidsvorming, maar dat er ookaandacht nodig is om dit structureel te borgen binnen organisaties. Welkerol ziet de Minister voor zichzelf hierbij? Op welke wijze wordt de inzet vanervaringsdeskundigheid ook beloond, zodat het niet louter afhankelijk isvan liefdadigheid, maar ervaringsdeskundigen ook een eerlijkevergoeding ontvangen voor hun werk?Het creëren van bewustwording over licht verstandelijke beperking (LVB)in alle leefdomeinen zie ik als een gedeelde verantwoordelijkheid van hetRijk, medeoverheden en (uitvoerings-)organisaties in de praktijk. In deafgelopen jaren zijn meerdere projecten ondersteund die een bijdrage5Rapportages samenwerking GHZ en GGZ | Regelhulp – Ministerie van VWSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40618 geleverd hebben aan de ontwikkeling van kennis over LVB, het bundelenvan deze kennis en het verspreiden hiervan. Zo is het project LVB in theSpotlight ondersteund. Doel van het project was het bundelen en borgenvan bestaande kennis over LVB en het verspreiden van kennis over LVBbinnen de ggz, het onderwijs en sectoren rondom gezinnen met multipro-blematiek.In een ander project heb ik ingezet op het vergroten van bewustwordingover LVB voor professionals werkzaam binnen de huisartsenzorg.Daarvoor zijn ook hulpmiddelen ontwikkeld voor deze professionals omhun zorg en ondersteuning beter te laten aansluiten op mensen met eenLVB. De volgende stap in het vergroten van bewustwording ligt in hetimplementeren van de kennis, ofwel de ontwikkelde kennis bij deprofessional op de werkvloer krijgen. Om dit te stimuleren ben ik met eenaantal partijen in gesprek. Ik wil echter benadrukken dat medeoverhedenen (uitvoerings-)organisaties aan zet zijn, want de kennis over LVB is mededankzij inzet vanuit de Toekomstagenda beschikbaar.Met middelen vanuit VWS wordt het project «LVB in de gemeente»uitgevoerd door de LFB (landelijke belangenorganisatie door en voormensen met een verstandelijke beperking) bij twee pilotgemeenten. Eind2026 wordt dit project opgeleverd en wordt er gezocht naar manieren omde resultaten hiervan onder de aandacht te brengen bij zoveel mogelijkgemeenten. Denk hierbij aan het beschikbaar stellen van handvatten omervaringsdeskundigen met een LVB te betrekken bij het verbeteren van detoegang en toegankelijkheid van de gemeente, en het verkennen vanmogelijkheden om de inzet van deze ervaringsdeskundigheid structureelte borgen binnen de organisatie. Dit project levert inzichten op voorgemeenten die zij kunnen benutten om het betrekken van ervaringsdes-kundigen in hun eigen organisatie vorm te geven. De VNG besteedtdaarnaast nadrukkelijk aandacht aan het «Niets over ons, zonderons»-principe bij het ontwikkelen van lokaal inclusiebeleid.De Alliantie VN-verdrag Handicap bestaande uit MIND, Vereniging LFB,Per Saldo en Ieder(in), levert expertise aan samenwerkingspartners. Daarwaar ervaringsdeskundigen worden ingezet zorgen de partners zelf voorvergoedingen voor de inzet van ervaringsdeskundigheid indien dit aan deorde is. Daarnaast ben ik bezig met rijksbrede afspraken over vergoe-dingen van ervaringsdeskundigen. De Alliantie heeft aangegeven mee tewillen denken over een eerlijke vergoeding. Gesprekken hierover zijn noggaande.De leden van de PRO-fractie lezen dat de overgang vanWmo-cliëntondersteuning naar Wlz-cliëntondersteuning niet altijd soepelverloopt in de praktijk. Zij lezen dat de Minister daarom de komendeperiode met het veld zal blijven werken aan het verbeteren van deorganisatie van cliëntondersteuning. Wat zijn volgens de Minister degrootste knelpunten bij deze overgang? Welke concrete, mogelijkeoplossingsrichtingen ziet zij per knelpunt? Op welke wijze worden cliëntenen hun vertegenwoordigende organisaties betrokken bij dit traject?Het grootste knelpunt bij de overgang is dat mensen waarbij al eencliëntondersteuner vanuit de Wmo betrokken was na het krijgen van eenWlz-indicatie in veel gevallen te maken krijgen met een nieuwe cliënton-dersteuner en soms ook nieuwe OCO-aanbieder. Dit betekent dat mensenopnieuw hun verhaal moeten doen en opnieuw een band moetenopbouwen met hun cliëntondersteuner. Daarnaast is een knelpunt bij dezeovergang dat de kennis over de Wlz en de gevolgen van een Wlz-indicatie,zoals de eigen bijdrage, bij het aanvragen van de Wlz-indicatie soms nietvoldoende is waardoor mensen niet goed op de hoogte zijn van degevolgen van de overgang naar de Wlz. Het tijdig inzetten vanWlz-expertise, zoals de cliëntondersteuner vanuit de Wlz, zou hierbijkunnen helpen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40619 Sinds 2024 kunnen zorgkantoren cliëntondersteuning aanbieden aanpersonen die zicht hebben op een Wlz-indicatie. Dit biedt de mogelijkheidom al in een eerder stadium Wlz-expertise in te zetten en dit knelpunt teverminderen. Deze mogelijkheid wordt in de praktijk echter nog niet benutdoor de zorgkantoren, mede omwille van schaarste.Daarnaast zijn er in het kader van de Toekomstagenda diverse actiesopgezet om de kennis over en kwaliteit van cliëntondersteuning teverbeteren. Deze acties worden gezamenlijk uitgevoerd door VWS, ZN,VNG, BCMB, Ieder(in), Sien en Movisie.Parallel hieraan zijn het afgelopen jaar een aantal andere onderzoekennaar cliëntondersteuning uitgevoerd. Hierover wordt u voor het zomer-reces geïnformeerd.De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2026 inzichtelijk wordt gemaaktof en hoe gemeenten al werken met een langere beschikkingsduur in deWmo 2015 en de Jeugdwet. Wanneer kunnen deze resultaten verwachtworden? Welke mogelijkheden zijn er om gemeenten te stimuleren totlangdurige indicaties en welke rol ziet de Minister voor zichzelf hierin?In december 2025 is door VWS en de VNG een opdracht verleend aanSignificant om inzichtelijk te maken hoe gemeenten al werken met eenlangere beschikkingsduur waar passend. De resultaten hiervan wordenmedio 2026 opgeleverd en daarna gedeeld met de Kamer. Onderdeel vande opdracht is om een indicator te ontwikkelen, zodat in de toekomststructureel gemonitord kan worden in hoeverre gemeenten werken meteen langere beschikkingsduur waar passend. De uitkomsten van hetonderzoek bieden input voor aanvullende acties om de passendebeschikkingsduur nog verder te stimuleren bij gemeenten en invulling tegeven aan de ambities beschreven in het Regeerakkoord. Ook ga ik verdermet het ondersteuningstraject Verrassend Passend, waarbinnengemeenten worden gefaciliteerd en ondersteund om (waar passend) voorlangere duur te beschikken. Hierover ben ik consequent in gesprek metgemeenten om dit onder de aandacht te brengen en steeds beter in beeldte krijgen welke belemmeringen ervaren worden om dit te doen.De leden van de PRO-fractie lezen dat het aantal cliënten met aanspraakop zorgprofiel VG7 sinds 2018 het sterkst gestegen is, vergeleken metzorgprofiel VG6 en het totaal aantal VG-cliënten. Waardoor zou dezestijging verklaard kunnen worden? Zij lezen daarnaast dat er vanuit debestuurlijke afspraken rondom complexe zorg door ZorgverzekeraarsNederland (ZN) wordt gewerkt aan het verder inzichtelijk maken van allewachtenden. Zou nader toegelicht kunnen worden op basis waarvan hetinzicht wordt verbreed en wanneer de resultaten verwacht kunnenworden?Eerder is onderzocht welke factoren hier mogelijk aan bijdragen6, 7. Deconclusie die hieruit getrokken kan worden is dat een samenspel van veleverschillende factoren zorgen voor deze ontwikkeling. Belangrijk hierbij isdat de eerste levensjaren cruciaal zijn voor het mogelijk ontwikkelen vancomplexiteit op latere leeftijd en dit vraagt om tijdige herkenning entoegang tot passende ondersteuning en zorg. Daarnaast zijn er verschil-lende maatschappelijke en beleidsmatige ontwikkelingen die mogelijk deafgelopen jaren hebben bijgedragen aan deze ontwikkeling, waaronderhet complexer worden van de maatschappij, arbeidsmarktproblemen,social media, individualisering van de maatschappij, schotten tussen deverschillende domeinen en tekorten aan huisvesting.6Instroom jongeren van 12–27 jaar in VG7 | Publicatie | rijksoverheid.nl7Rapporten van onderzoek naar de in- en doorstroom van complexe zorg in de gehandicap-tenzorg | Kamerstuk | rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40620 Meerdere elementen dragen bij aan een oplossing voor méér inzicht inwachtenden. Vanuit de bestuurlijke afspraken rondom complexe zorggehandicaptenzorg wordt gewerkt aan:–Oplossingen op het gebied van dossierhouderschap. Als de cliënt meteen Wlz-indicatie een opnamewens heeft of zorg wil ontvangen opbasis van Volledig Pakket Thuis (VPT) geeft de cliënt aan bij welkeaanbieder men die zorg wil ontvangen. Die zorgaanbieder vanvoorkeur is dan de dossierhouder. Voor het zorgkantoor en cliënt is dedossierhouder het eerste aanspreekpunt voor het organiseren van dezorg. Door samenwerkingen tussen aanbieders zijn aanbieders eerdergeneigd het dossierhouderschap op zich te nemen, waardoor er dusméér cliënten zichtbaar worden op de wachtlijst. Een pilot in West-Brabant laat dit als positief neveneffect zien.–Het dashboard van de VGU (Vereniging Gehandicaptenzorg Utrecht)helpt ook om een actueler inzicht te krijgen in de wachtlijst per regio,door o.a. dubbelingen eruit te halen. Dit dashboard brengt daarnaastde zorgvraag in de regio breder in kaart, waardoor het gemakkelijker isom het aanbod met de vraag te matchen. Dit dashboard wordt nu invijf regio’s vanuit zorgkantoor Zilveren Kruis en in twee regio’s vanzorgkantoren CZ en VGZ uitgerold.–Er zijn echter ook oorzaken waar zorgkantoren minder invloed ophebben; bijvoorbeeld cliënten die nog geen Wlz-indicatie hebben endie komen vanuit jeugd of detentie, en daarom niet (tijdig) in beeld zijnbij zorgkantoren.Er wordt dus gewerkt aan verschillende oplossingsrichtingen, het is nogniet te zeggen wanneer dit precies tot een concreet resultaat leidt.De leden van de PRO-fractie lezen dat in 2025 meer dan de helft van degemeenten een Lokale Inclusie Agenda had. Hoeveel gemeenten hebben,volgens de meest recent beschikbare gegevens, een Lokale InclusieAgenda? Hoeveel gemeenten hebben hierbij mensen met een beperkingbetrokken? Zou nader toegelicht kunnen worden waarom sommigegemeenten nog geen Lokale Inclusie Agenda hebben?De meest recente cijfers van VNG tonen dat 215 gemeenten een LokaleInclusie Agenda (LIA, 62%) hebben, 57 gemeenten werken aan een LIA(17%) en 70 gemeenten nog geen LIA hebben.In de Flitspeiling 20258 is door Movisie uitgevraagd hoe ervaringsdeskun-digen betrokken worden bij de ontwikkeling van een LIA. De Flitspeilingwerd ingevuld door in totaal 145 gemeenten, waarvan 83 gemeenten dieeen LIA hebben. Hiervan gaven 76 gemeenten aan mensen met eenbeperking te hebben betrokken bij de ontwikkeling van hun LIA. Van degemeenten die nog een LIA aan het ontwikkelen zijn (45 gemeenten in deFlitspeiling) gaf driekwart aan daarbij ervaringsdeskundigen te betrekken.De VNG geeft in de ondersteuning die zij biedt aan gemeenten bij deontwikkeling van een LIA nadrukkelijk het «Niets over ons, zonderons»-principe mee als voorwaarde.Daarnaast is in de Flitspeiling uitgevraagd waarom gemeenten nog geenLIA hebben. In totaal deden 17 gemeenten zonder LIA deden mee aan hetonderzoek. De meeste van deze gemeenten gaven aan dat zij in het beleidals geheel aandacht hebben voor inclusie van mensen met een beperking,maar geen aparte LIA hebben.De leden van de PRO-fractie constateren dat mensen met een beperking inNederland in rap tempo geconfronteerd zullen worden met een opeensta-peling van maatregelen, zoals bijvoorbeeld het wijzigen van het tariefvoor de Wmo, het afschaffen van de huishoudelijke hulp uit de Wmo, het8Flitspeiling 2025 VN-verdrag Handicap in gemeentenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40621 verhogen van het eigen risico en bezuinigingen op de sociale zekerheid.Op welke wijze worden de effecten van deze maatregelen in hun geheelop deze groep gemonitord? Hoe rijmt dit met het feit dat mensen met eenbeperking gemiddeld gezien al vaak veel meer kosten maken wegens hunbeperking en ook vaker geconfronteerd worden met armoede? Hoeverhouden dergelijke maatregelen zich tot de conclusies en bevindingenvan het Houdbaarheidsonderzoek Wmo 2015?De leden van de PRO-fractie noemen meerdere maatregelen uit hetcoalitieakkoord die gevolgen hebben voor de inkomenspositie vanmensen met een beperking. Er is inderdaad een mogelijkheid dat dezemaatregelen stapelen voor mensen met een beperking. De regering is viaeen motie van het lid Stoffer verzocht voorafgaand aan alle voorgenomenmaatregelen die ingrijpen op de portemonnee van mensen in de socialezekerheid en zorg, de gevolgen daarvan voor kwetsbare groepen in kaartte brengen. In de procesbrief9 aan uw Kamer over de uitwerking van demoties Stoffer en Dobbe is geschetst dat de analyse naar de effecten vande maatregelen uit het coalitieakkoord ook met specifieke aandacht voormensen met chronische ziekten en/of beperking zal plaatsvinden.Een aantal van de maatregelen raken aan de Wmo 2015 en daarmee hetHoudbaarheidsonderzoek Wmo 2015. Dit onderzoek laat zien dat de(toegang tot ondersteuning vanuit de) Wmo 2015 onder druk staat. Hetonderzoek toont aan dat er maatregelen nodig zijn om deze onder-steuning ook in de toekomst houdbaar en toegankelijk te houden voormensen die daar niet zonder kunnen, zoals mensen met een levenslangeen levensbrede beperking. Het invoeren van een inkomens- en vermo-gensafhankelijke eigen bijdrage in de Wmo 2015 is één van dezemaatregelen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de derdevoortgangsrapportage van de Toekomstagenda «Zorg en ondersteuningvoor mensen met een beperking» en hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de PVV-fractie constateren dat de Toekomstagenda loopt toten met 2026 en dat de Minister zelf aangeeft dat de stap naar borging aanhet einde van de looptijd nog niet volledig zal zijn afgerond. Deze ledenvragen wat dit concreet betekent. Welke onderdelen worden na 2026voortgezet, welke niet en op basis waarvan wordt dat besloten? Kan deMinister toezeggen dat succesvolle onderdelen niet verdwijnen in nieuweoverlegtafels of tijdelijke programma’s, maar daadwerkelijk structureelterechtkomen in de dagelijkse praktijk van zorgorganisaties, zorgkantoren,gemeenten en gezinnen?Voor de periode na 2026 heeft het kabinet blijvende aandacht voormensen met een beperking. Het kabinet zet zich in voor uitvoering van hetVN-verdrag Handicap. Ik ben daarnaast in gesprek met cliëntorganisaties,beroepsorganisaties, ZN en VGN om te komen tot bestuurlijke afsprakenover de opgaven voor de gehandicaptenzorg voor de komende jaren. Ookna afronding van het programma Toekomstagenda blijf ik werken aan dezes thema’s complexe zorg, licht verstandelijke beperking, cliëntonder-steuning, zorgtechnologie en innovatie, vakmanschap en arbeidsmarkt enlevenslang, levensbreed Wmo. De onderwerpen cliëntondersteuning enlevenslang en levensbreed worden concreet opgepakt in de uitwerkingvan de nationale strategie VN-verdrag Handicap. Complexe zorg,vakmanschap en arbeidsmarkt, en zorgtechnologie en innovatie zijn9Kamerstukken II, 2025/2026, 36 848, nr. 79Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40622 belangrijke onderwerpen voor de bestuurlijke afspraken over de gehandi-captenzorg. In de eindrapportage in het voorjaar van 2027 van deToekomstagenda wordt aangegeven op welke manier de verschillendeonderdelen geborgd worden.Naar aanleiding van het thema Complexe zorg. De leden van dePVV-fractie maken zich zorgen over de stijging van het aantal mensen meteen complexe zorgvraag. Uit de monitor blijkt dat het aantal mensen meteen complexe zorgvraag in 2025 met meer dan twintig procent isgestegen ten opzichte van 2018. Wat is volgens de Minister de belang-rijkste verklaring voor deze stijging? Is er daadwerkelijk sprake van eentoename van de zorgzwaarte, van betere registratie of van een systeemwaarin passende zorg te laat wordt georganiseerd, waardoor problemenverergeren?Eerder is onderzocht welke factoren hier mogelijk aan bijdragen10, 11. Deconclusie die hieruit getrokken kan worden is dat een samenspel van veleverschillende factoren zorgt voor deze ontwikkeling. Belangrijk hierbij isdat de eerste levensjaren cruciaal zijn voor het mogelijk ontwikkelen vancomplexiteit op latere leeftijd en dit vraagt om tijdige herkenning entoegang tot passende ondersteuning en zorg. Daarnaast zijn er verschil-lende maatschappelijke en beleidsmatige ontwikkelingen die mogelijk deafgelopen jaren hebben bijgedragen aan deze ontwikkeling, waaronderhet complexer worden van de maatschappij, arbeidsmarktproblemen,social media, individualisering van de maatschappij, schotten tussen deverschillende domeinen en tekorten aan huisvesting.Deze leden vragen hoeveel mensen met een VG6- of VG7-profiel op ditmoment wachten op een passende plek, uitgesplitst naar actiefwachtenden, wenswachtenden, urgent plaatsbaren en mensen dieformeel niet op een wachtlijst staan maar in de praktijk wel nergensterechtkunnen. Herkent de Minister het probleem van schaduwwacht-lijsten? Zo ja, hoe groot is dit probleem en wanneer krijgt de Kamer hiereindelijk een helder landelijk beeld van?In de tabel hieronder zijn de aantallen voor de wachtenden metzorgprofiel VG6 en VG7 uitgesplitst naar urgentie te vinden. Dit zijn decijfers voor het eerste kwartaal van 2026.VG6VG7Wacht op voorkeur / Niet-actief wachtend238105Urgent plaatsen02Actief plaatsen10871Totaal wachtenden346178 Het probleem van schaduwwachtlijsten is bekend. Vanuit de bestuurlijkeafspraken rondom complexe zorg gehandicaptenzorg wordt door dezorgkantoren langs verschillende lijnen gewerkt aan het beter in beeldkrijgen van de wachtenden. Het is nog niet te zeggen wanneer dit preciestot een concreet resultaat leidt.Daarnaast werken zorgkantoren in samenspraak met partijen, in hetverlengde van NZa-verbeterpunten (Nederlandse Zorgautoriteit),afspraken in het Hoofdlijnenakkoord Ouderenzorg (HLO) en ervaringen uit10Instroom jongeren van 12–27 jaar in VG7 | Publicatie | rijksoverheid.nl11Rapporten van onderzoek naar de in- en doorstroom van complexe zorg in de gehandicap-tenzorg | Kamerstuk | rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40623 de praktijk aan noodzakelijke verbetering van de wachtlijstsystematiek omonder meer beter inzicht te krijgen op:–cliënten die wachten op zorgvormen thuis;–cliënten die al verblijfszorg krijgen, maar niet (meer) passend;–opnamebereidheid van cliënten ten behoeve van passende zorg.Medio 2026 is de verwachting dat betrokken partijen samen hebbenkunnen besluiten welke verbeteringen er per 2027 kunnen wordendoorgevoerd in het iWlz, de landelijk vastgestelde standaard voor deelektronische gegevensuitwisseling.De leden van de PVV-fractie lezen dat er wordt gewerkt aan beter zicht opwachtlijsten en dat zorgkantoren en zorgaanbieders knelpuntenbespreken. Deze leden vragen waarom dit anno 2026 nog steeds niet goedop orde is. Hoe kan het dat gezinnen met zeer complexe zorgvragen vaakbeter weten waar het misgaat dan het systeem zelf? Welke hardeafspraken maakt de Minister met zorgkantoren over hun verantwoorde-lijkheid om passende zorg te organiseren?Welke ervaringen zijn er tot nu toe opgedaan met de invoering vanVG7-plus?Meerdere elementen moeten bijdragen aan een oplossing voor méérinzicht in wachtenden. Naast het antwoord op de vorige vraag is hetvolgende relevant.De Nza ziet erop toe of zorgkantoren zich voldoende inspannen omverzekerden te voorzien van tijdige, bereikbare en kwalitatief goede zorg(zorgplicht). Wat er precies nodig is om dit te bereiken, hangt af van deomstandigheden. De zorgkantoren hebben daarom, namens deWlz-uitvoerders, een eigen verantwoordelijkheid om hier invulling aan tegeven.Vanaf de invoering van VG7+ wordt bij verschillende betrokken partijen(waaronder cliëntenorganisaties) elke zes weken kwalitatieve informatieopgehaald met betrekking tot de ervaringen met de nieuwe prestatie.Kwalitatief gezien geven aanbieders over het algemeen aan een verbe-tering te zien in de VG7-plus prestatie ten opzichte van de inzet vanmeerzorg. Structurele kosten voor deze groep worden nu met structurelemiddelen bekostigd. Wel zijn er nog vragen over enkele voorwaarden enpraktische toepassingen van de prestatie. Vanaf begin juni is kwantitatievedata beschikbaar over het eerste kwartaal van 2026. De kwantitatieve nochde kwalitatieve informatie levert momenteel signalen op die het nodigmaken om bij te sturen. Het komende jaar wordt gebruikt om de data aante vullen, te analyseren en te koppelen met de kwalitatieve informatie. Omvervolgens het juiste gesprek te kunnen voeren met betrokken partijenover de conclusies met betrekking tot de effecten en voorwaarden vandeze prestatie.De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast naar de samenwerkingtussen gehandicaptenzorg en ggz. De Minister schrijft dat er eerstestappen zijn gezet en dat in 2026 een plan van aanpak wordt ontwikkeld.Waarom is er nog steeds slechts sprake van een plan van aanpak, terwijlde problemen bij mensen met een verstandelijke beperking en ernstigegedragsproblematiek al jaren bekend zijn? Wanneer komt er een landelijkewerkwijze waardoor mensen niet meer tussen gehandicaptenzorg, ggz,Wlz, Wmo en crisiszorg blijven vallen?Naar aanleiding van de bestuurlijke afspraken vanuit de Toekomstagendazijn er aanbevelingen gedaan waar op in te zetten om de samenwerkingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40624 tussen de gehandicaptenzorg en de ggz te versterken12. Op basis daarvanworden nu concrete stappen uitgewerkt. De rapporten laten onder anderezien dat het momenteel ontbreekt aan een gedeelde visie en eengezamenlijk gevoel van urgentie rondom de samenwerking tussen desectoren. Beide sectoren moeten keuzes maken in de inzet van schaarsetijd en capaciteit. Daarnaast verschillen de sectoren in cultuur, werkwijzeen organisatie, wat het versterken van de samenwerking complex maakten een gezamenlijke inspanning vraagt.Het kabinet vindt het van groot belang dat mensen met complexe endomeinoverstijgende zorgvragen niet tussen verschillende vormen vanzorg en ondersteuning terechtkomen. De rapporten laten zien dat hiervooronder andere betere samenwerking nodig is.Er wordt daarom samen met betrokken partijen gewerkt aan hetversterken van de samenwerking en het maken van duidelijke afsprakenhierover voor deze doelgroep. Het doel daarvan is om te komen tot meereenduidigheid en betere samenwerking, zodat mensen tijdig passendezorg ontvangen en niet tussen systemen of organisaties terechtkomen. DeKamer wordt over de voortgang geïnformeerd via de voortgangsrap-portage van de Toekomstagenda.Naar aanleiding van het thema Licht verstandelijke beperking (LVB). Deleden van de PVV-fractie lezen dat de bewustwording over mensen meteen licht verstandelijke beperking toeneemt, maar dat deze groep nogonvoldoende in alle leefdomeinen wordt herkend. Deze leden vragen watde Minister hiermee concreet gaat doen. Hoe wordt voorkomen datmensen met een LVB te laat worden herkend bij gemeenten, huisartsen,schuldhulpverlening, justitie, onderwijs, werk en zorg?Ik vind het belangrijk dat mensen met een LVB zoveel mogelijk tijdigworden herkend en daarbij passende zorg en ondersteuning ontvangen.Om te voorkomen dat de ondersteuningsvraag van mensen met een LVBniet of te laat wordt herkend door professionals in het sociaal en medischdomein is de afgelopen jaren ingezet op het ontwikkelen van kennis overLVB, het bundelen van versnipperde kennis en het verspreiden van kennisover LVB onder professionals binnen deze domeinen.Daartoe zijn de afgelopen jaren verschillende projecten ondersteund. Zo ishet project LVB in the Spotlight ondersteund. Doel van het project was hetbundelen en borgen van bestaande kennis over LVB en het verspreidenvan kennis over LVB binnen de ggz, het onderwijs en sectoren rondomgezinnen met multiproblematiek. In een ander project is ingezet op hetvergroten van bewustwording over LVB voor professionals werkzaambinnen de huisartsenzorg. Daarvoor zijn ook hulpmiddelen ontwikkeldvoor deze professionals om hun zorg en ondersteuning beter te latenaansluiten op mensen met een LVB.Het is daarom belangrijk om de nadruk te blijven leggen op bewust-wording, kennisverspreiding over LVB en kennisimplementatie over LVBonder professionals werkzaam in alle domeinen.Dit is echter niet een taak van VWS alleen en een gedeelde verantwoorde-lijkheid tussen het Rijk, medeoverheden, uitvoeringsorganisaties enandere organisaties in het land. De kennis is ontwikkeld en toegankelijkgemaakt. Het is van belang dat partijen nu hier hun voordeel mee doen enhun professionals in positie stellen om de kennis tot zich te nemen.Deze leden vragen hoeveel gemeenten op dit moment structureel beleidhebben voor mensen met een LVB en hoeveel gemeenten vooralafhankelijk zijn van tijdelijke projecten of losse initiatieven? De leden vande PVV-fractie vragen specifiek naar waakvlamondersteuning. Hoeveelgemeenten bieden dit daadwerkelijk aan? Hoe wordt gecontroleerd of dit12Rapportages samenwerking GHZ en GGZ | Regelhulp – Ministerie van VWSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40625 ook in de praktijk beschikbaar is en niet alleen in beleidsstukken staat?Deelt de Minister de mening dat korte indicaties en telkens opnieuw jeverhaal moeten doen juist bij mensen met een levenslange of levensbredebeperking onnodige stress, escalatie en uiteindelijk hogere zorgkostenveroorzaken?Er wordt geen overzicht bijgehouden van de hoeveelheid gemeenten dieop dit moment structureel beleid hebben voor mensen met een LVB enook niet hoeveel gemeenten afhankelijk zijn van tijdelijke projecten oflosse initiatieven.Gemeenten richten zich in het algemeen op breed inclusiebeleid (in deLokale Inclusie Agenda). Beleid voor mensen met een LVB kan daarvandeel uitmaken. Bij andere gemeenten wordt er via acties aandacht besteedaan het herkennen van LVB en het bieden van passende ondersteuningvoor mensen met een LVB.Dat gaat bijvoorbeeld om aanvragen voor aanvullende individueleondersteuning via het lokale team. De inwoner wordt dan gekoppeld aaneen aanbieder of cliëntondersteuner met expertise op het vlak van LVB.Een ander voorbeeld is het geven van trainingen over LVB aanmedewerkers van de gemeente werkzaam in de toegang (en dienstver-lening).Uit onderzoek van Regioplan13 uit 2020 bleek dat zo’n 15% van degemeenten destijds een waakvlamvoorziening had ingericht. Er is geenrecenter landelijk overzicht beschikbaar van het aantal gemeenten datwaakvlamondersteuning aanbiedt. Gemeenten hebben beleidsvrijheid omondersteuning vorm te geven op een wijze die aansluit bij de behoeftenvan inwoners. Voor de zomer stuur ik uw Kamer een brief over de Wmo2015 waarin ik hierop terugkom.Ik deel de mening dat mensen met een langdurige stabiele ondersteu-ningsvraag, hun verhaal niet steeds opnieuw zouden moeten doen, terwijlduidelijk is dat hun ondersteuningsvraag van blijvende aard is. Eenlangere indicatieduur is dan passender. Het toekennen van een passendebeschikkingsduur levert meer rust en zekerheid op en leidt tot minderadministratieve lasten voor zowel de inwoner als de gemeente. Juiste(vroegtijdige) ondersteuning kan ook escalatie voorkomen.Naar aanleiding van het thema Cliëntondersteuning. De leden van dePVV-fractie vinden onafhankelijke en gespecialiseerde cliëntondersteuningvan groot belang, juist voor gezinnen die vastlopen in een versnipperdzorgstelsel. Uit de stukken blijkt dat gespecialiseerde cliëntondersteuningwordt ingezet bij complexe problematiek op meerdere levensdomeinen endat Metgezel in 2025 1.386 nieuwe aanmeldingen ontving, waarvan 60procent in ondersteuning is genomen. Deze leden vragen wat er gebeurtmet de 37 procent die is doorverwezen. Komen deze mensen daadwer-kelijk op de juiste plek terecht of verdwijnen zij opnieuw in het systeem?Metgezel verwijst cliënten die niet binnen de criteria vallen altijd «warm»door naar een passende organisatie of vorm van cliëntondersteuning.Daarbij wordt actief meegedacht over welke partij het beste aansluit bij deondersteuningsvraag. In veel gevallen betreft dit onafhankelijke cliënton-dersteuning vanuit de Wlz of de Wmo en zorgorganisaties.Op basis van de ervaringen in de regio’s lijkt een groot deel van dedoorverwezen cliënten daadwerkelijk op een passende plek terecht tekomen, met name binnen de OCO-organisaties. Tegelijkertijd is niet metzekerheid vast te stellen hoe dit voor alle cliënten verloopt, omdat13Regioplan – Vinger aan de pols: onderzoek naar waakvlamondersteuning bij mensen met eenLVB, 2020.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40626 structurele follow-up op doorverwijzingen in de praktijk niet uitvoerbaar isgezien de omvang van het aantal aanmeldingen.Wel wordt bij iedere doorverwijzing expliciet aangegeven dat cliëntenopnieuw contact mogen opnemen wanneer de ondersteuning nietpassend blijkt of wanneer zij alsnog vastlopen in het systeem. Inincidentele gevallen gebeurt dit ook daadwerkelijk. Daarnaast signaleertMetgezel dat sommige cliënten terugkeren doordat wachtlijsten eldersoplopen of omdat de problematiek dermate complex is dat integraleondersteuning van het hele systeem nodig blijkt.Deze leden vragen waarom de overgang van Wmo-cliëntondersteuningnaar Wlz-cliëntondersteuning nog steeds niet soepel verloopt. Wie ishiervoor verantwoordelijk? Welke concrete verbeteringen moeten uiterlijkeind 2026 merkbaar zijn voor cliënten en naasten?De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister de gespecialiseerdecliëntondersteuning na afloop van de subsidieperiode wil borgen. Kan deMinister uitsluiten dat gezinnen die nu eindelijk één vaste gespeciali-seerde ondersteuner hebben, straks weer opnieuw moeten beginnenomdat financiering of organisatie verandert?Zorgkantoren en gemeenten zijn verantwoordelijk voor de uitvoering vanWlz-cliëntondersteuning en Wmo-cliëntondersteuning en hebben ook deverantwoordelijkheid om met elkaar afspraken te maken over dezeovergang. Dit is ook één van de acties in de Toekomstagenda. Het gaatechter om een groot aantal partijen tussen wie afspraken gemaakt moetenworden (13 zorgkantoren en 342 gemeenten) waardoor dit nog niet op alleplekken is gebeurd. We zien op een aantal plekken in het land welsamenwerkingen ontstaan waar gemeenten en zorgkantoren gezamenlijkcliëntondersteuning inkopen of pilots waarbij zorgkantoren, gemeentenen OCO-aanbieders samen ervoor zorgen dat er een vaste cliëntonder-steuner ingezet kan worden bij de overgang van Wmo naar Wlz. Ik moedigdan ook aan dat dit wordt voortgezet, zodat ook op andere plekkeninwoners hier gebruik van kunnen maken indien nodig.Wat betreft de gespecialiseerde cliëntondersteuning is mijn voornemendat er ook na afloop van de huidige subsidieperiode (tot juli 2028)gespecialiseerde cliëntondersteuning beschikbaar zal zijn voor mensenmet complexe, chronische en levensbrede problematiek en ondersteu-ningsbehoefte. Het voornemen is om Metgezel hiervoor subsidie teverlenen, zodat continuïteit en kwaliteit gewaarborgd wordt. Mijn strevenis om hiervoor € 10 miljoen aan extra structurele middelen toe te voegen,bovenop de reeds € 10 miljoen structurele middelen.Deze leden vragen ook hoe wordt voorkomen dat cliëntondersteuning eenextra loket wordt in plaats van een oplossing voor mensen die alverdwaald zijn in het systeem. Hoe borgt de Minister dat cliëntonder-steuners voldoende doorzettingsmacht hebben richting gemeenten,zorgkantoren, zorgaanbieders en andere instanties?Cliëntondersteuners hebben een onafhankelijke positie in het stelsel enhebben het belang van de inwoner/cliënt voorop staan. Dit betekent dat zijde inwoner/cliënt kunnen bijstaan in het gesprek met gemeenten,zorgkantoren, zorgaanbieders en anders instanties met als doel om ersamen uit te komen. In het uiterste geval kunnen cliëntondersteuners ookbegeleiden bij een bezwaar- of klachtenprocedure.Het is nadrukkelijk niet de bedoeling dat deze onafhankelijke positie en demogelijkheid om in het belang van de inwoner op te treden, wordtbelemmerd door de inkoper. De onafhankelijkheid van cliëntonder-steuning is dan ook wettelijk vastgelegd. Deze onafhankelijke positieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40627 betekent echter ook dat cliëntondersteuners niet gaan over het uiteinde-lijke besluit.Naar aanleiding van het thema Zorgtechnologie en innovatie. De ledenvan de PVV-fractie staan positief tegenover zorgtechnologie wanneer diemensen met een beperking meer regie geeft, naasten ontlast en zorgver-leners ondersteunt. Deze leden zijn echter kritisch op technologie dievooral wordt gepresenteerd als oplossing voor personeelstekorten,zonder dat duidelijk is wat cliënten, naasten en medewerkers ervanvinden.Deze leden vragen welke technologieën in de gehandicaptenzorgaantoonbaar leiden tot betere kwaliteit van leven, minder werkdruk ofmeer veiligheid. Welke innovaties zijn inmiddels bewezen effectief enwelke bevinden zich nog vooral in de fase van pilots, routes en kennis-deling? Hoe wordt het gebruikt van innovaties gedeeld en verderuitgerold? Wat doet de Minister om hierin te ondersteunen?Het programma Innovatie-impuls 2 doet onderzoek naar de effectiviteitvan technologieën in de gehandicaptenzorg. Zo loopt er momenteelonderzoek naar digiborden, spraakgestuurd rapporteren en beeldzorgwaarvan de resultaten volgend jaar worden verwacht. Ik wil hierbijopmerken dat het aantonen van effecten vaak lastig is aangezien ditsamenhangt met een goede implementatie. Als iets niet goed geïmple-menteerd wordt, is het resultaat dat de technologie niet gebruikt wordt endaardoor het effect uitblijft. Daarom zet ik met het programma Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2 vol in op het goed implementeren vaninnovaties.In 2023 heb ik een inventarisatie laten uitvoeren naar welke technologieëner in de praktijk worden ingezet14. De inventarisatie geeft een goed beeldvan welke technologieën er in de sector worden gebruikt. Er wordtvoornamelijk technologie ingezet ten behoeve van dagstructuur, zelfred-zaamheid en eigen regie. Eind 2026 wordt de inventarisatie nogmaalsuitgevoerd.Ik geef een impuls aan het gebruik van innovaties en het delen van kennisvia de Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2 en de InnovatieRoute. DeInnovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2 stimuleert zorgaanbieders bij deimplementatie en opschaling van technologie. Alle kennis en ervaring uitde Innovatie-impuls Gehandicaptenzorg 2 (en de eerdere Innovatie-impulsGehandicaptenzorg 1) is gebundeld in de InnovatieRoute. Dit onlineimplementatie-instrument is te raadplegen voor iedereen.Naar aanleiding van het thema Vakmanschap en arbeidsmarkt. De ledenvan de PVV-fractie maken zich grote zorgen over de werkdruk in degehandicaptenzorg. Uit de monitor blijkt dat ongeveer twee op de vijfwerknemers binnen de gehandicaptenzorg in 2025 een veel te hogewerkdruk ervaart. Deze leden vragen wat de Minister concreet gaat doenom zorgverleners in de gehandicaptenzorg te behouden.In de Toekomstagenda is het binden van medewerkers een belangrijkaandachtspunt. De Beroepsvereniging voor professionals in social work(BPSW) heeft een vierjarige subsidie gekregen om te werken aan hetverstevigen van de positie van begeleiders in de gehandicaptenzorg.Hiermee zijn zij onder andere de leergang ambassadeurs gehandicap-tenzorg gestart. Al meer dan 70 bevlogen zorgprofessionals uit degehandicaptenzorg ontwikkelden zich tot ambassadeurs, die binnen enbuiten de eigen organisatie kansen benutten om het werk van begeleidersop de kaart te zetten en te verbeteren. Ook voert de BPSW de pilot14Welke technologie gebruiken organisaties in de gehandicaptenzorg bij de zorg en onder-steuning van hun cliënten en medewerkers? Resultaten uit inventarisatie 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40628 beroepsregistratie uit. In deze pilot wordt onderzocht wat beroepsregis-tratie betekent voor de professionalisering van het beroep. Al meer dan200 deelnemers hebben gebruikt gemaakt van de gratis training enopleidingen die de pilot aanbiedt.Zoals ik al eerder heb opgemerkt, ben ik op dit moment in gesprek met desector over de aanpak van problemen op de korte termijn, zoals krapte opde arbeidsmarkt.De leden van de PVV-fractie willen bureaucratie en managementlagenschrappen en zorgverleners meer zeggenschap geven over hun werk.Genoemde leden vragen daarom hoeveel tijd medewerkers in degehandicaptenzorg kwijt zijn aan administratie, verantwoording, regis-traties en overleg. Welke concrete registraties of verantwoordingsplichtenworden geschrapt? Kan de Minister een overzicht geven van maatregelendie zorgverleners in 2026 daadwerkelijk minder papierwerk opleveren?Sluit de Minister aan bij de AZWA doelstelling van maximaal 20%regeldruk?Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) meet de administratievelasten in de zorg door middel van een werknemersenquête. Werknemersin de gehandicaptenzorg ervaren dat ze in totaal ongeveer 30% van huntijd besteden aan registratie. Ruim 13% daarvan wordt besteed aan hetregistreren van informatie voor organisatie, management en/of beleid enruim 16% aan de verlening van zorg en/of ondersteuning aan cliënten.Er zijn concrete registraties of eisen die worden geschrapt, een deeldaarvan levert in 2026 al minder papierwerk op. De vereenvoudiging enversnelling van het systeem van herindicaties wordt in de langdurigezorg, waaronder dus de gehandicaptenzorg, ingevoerd. Concreet betekentdit dat het aanvraagformulier met twee derde verkort wordt, waardoorzorgverleners minder informatie hoeven aan te leveren. Ook wordt opvoorhand duidelijk welke informatie aangeleverd moet worden doordat ermet standaardgegevenssets gewerkt gaat worden. Op het moment wordtgewerkt aan een nieuw zaaksysteem door het CIZ. Zodra dit operationeelis, kan versnelde en vereenvoudigde proces van herindicaties geïmple-menteerd worden. De verwachting is dat dit in de tweede helft van 2026is.Zorgaanbieders kunnen in 2026 verder met het gebruik van het vereen-voudigde stappenplan Wzd (Wet zorg en dwang), in aanloop naar deherziening van de Wzd.Ook kunnen zorgaanbieders aan de slag om de regeldruk binnen de eigenorganisatie aan te pakken onder andere met de kennis en tools van Vilans,waaronder een overzicht van wettelijk verplichte registraties (dat eenupdate heeft gehad in 2025). Méér dan dat registreren is niet wettelijkverplicht. Verder kunnen ook al in 2026 goede voorbeelden van zorgaan-bieders worden nagevolgd, zoals het afschaffen van de getekendezorgovereenkomst en stoppen met overbodige lijstjes en handtekeningen.Mochten zorgaanbieders tegen verantwoordingseisen aanlopen dankunnen ze een experiment starten onder een NZa experimenteerbeleids-regel, zodat ook de rest van de sector hier uiteindelijk van kan profiteren.Zinnig en Simpel verantwoorden is aangewezen als doorbraakproject inhet AZWA, hiervoor is subsidie beschikbaar gesteld. Dit betreft opschalingvan de werkwijze in de langdurige zorg die aantoonbaar leidt tot minderadministratietijd, zinvolle registratie in het cliëntdossier, verminderen vandubbele controles en vereenvoudiging van materiële controle. Dit kan algauw een half uur per medewerker per dag opleveren. In 2026 zijnkoplopers in de gehandicaptenzorg aan zet, dit kan later uitgebreidworden naar andere zorgaanbieders.Ik sluit me dan ook zeker aan bij de doelstelling van het AZWA om deregeldruk te verlagen tot 20%. Daarom is het goed dat de VGN isaangesloten bij de Regiegroep Aanpak Regeldruk. Hierdoor is er eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40629 werkagenda voor de gehandicaptenzorg waarin we met gezamenlijkeacties van partijen de administratieve lasten fors verlagen. Want dit kan ikniet alleen bereiken, daarvoor zijn alle partijen nodig.Deze leden vragen ook hoe de Minister aankijkt tegen de waarschuwingdat vakbekwaamheid niet mag worden uitgehold door personeelste-korten. Hoe voorkomt de Minister dat mensen zonder passende opleidingof begeleiding worden ingezet op zware groepen, waardoor risico’sontstaan voor cliënten en medewerkers?Ik vind het onwenselijk als er medewerkers zonder passende opleiding ofbegeleiding worden ingezet op «zware» groepen. Het is daarom belangrijkom te blijven investeren in vakmanschap en professionalisering vanbegeleiders. Ik realiseer mij dat dit een investering vraagt die door kraptevan personeel soms lastig te doen is. Maar tegelijkertijd zie ik dit wel alseen noodzakelijke investering om de juiste mensen aan te trekken en tebehouden voor het vak.Door middel van projecten zoals de pilot beroepsregistratie en het projectWAVE (- Het vervolg) is er aandacht voor training en scholing vanmedewerkers die worden ingezet op onder andere «zware» groepen.Sinds 2022 ontvangt de BPSW subsidie voor de uitvoering van het projectWAVE (- Het vervolg). Dit project richt zich specifiek op begeleiders in decomplexe zorg. Daarbij gaat het om de vraag wat zij nodig hebben vanandere professionals en betrokkenen, maar ook aan kennis en kunde, omhun werk zo goed mogelijk te kunnen doen. Daarbij wordt ook onderzochthoe dit georganiseerd kan worden vanuit scholing/training en welkebasisvoorwaarden er nodig zijn in het werk vanuit teams en organisaties.In november 2026 vindt de eindbijeenkomst plaats waar ook de bevin-dingen gepresenteerd worden.Met het Ontwikkelprogramma Complexe Zorg (OPCZ) worden zorgorgani-saties ondersteund om beter in te spelen op de behoeften van mensenmet een intensieve zorgvraag en onbegrepen gedrag (VG6- enVG7-zorgprofiel). Een van primaire thema’s in dit programma is«medewerkers» en wat je kunt doen als organisatie om hen te behoudenen aan te trekken. Hier blijkt dat de mogelijkheden tot ontwikkeling, hetecht gezien en gewaardeerd worden en stabiele teams belangrijkefactoren in zijn. Vanuit het ontwikkelprogramma worden themabijeen-komsten en leernetwerken rondom het thema medewerker georganiseerdom kennis met andere organisaties uit te wisselen.De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast wat de Minister doet tegenagressie en onveiligheid op de werkvloer. Hoeveel meldingen zijn er in degehandicaptenzorg van agressie, bedreiging of geweld tegenmedewerkers? Welke maatregelen neemt de Minister om medewerkersbeter te beschermen?In 2025 gaf 55% van de medewerkers in de gehandicaptenzorg aan dat zijhet afgelopen jaar te maken hebben gehad met agressie op het werk doorpatiënten of cliënten15. Op basis van de Arbeidsomstandighedenwethebben werkgevers een zorgplicht voor de veiligheid en gezondheid vanhun werknemers. Ik ondersteun hierbij werkgevers op verschillendemanieren.In 2022 zijn subsidiegelden beschikbaar gesteld aan vertegenwoordigersvan werkgevers en werknemers in zorg en welzijn. De subsidie wasgericht op het ontwikkelen van een aanpak tegen agressie, die specifiekaansluit op de situatie en ondersteuningsbehoefte in de eigen branche.15Dit percentage komt uit de resultaten van de Werknemersenquête van kwartaal 4 van 2025.Deze enquête is onderdeel van het onderzoeksprogramma Arbeidsmarkt Zorg en Welzijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40630 Daarnaast is in juni 2025 een publiekscampagne gestart tegen verbaleagressie tegen medewerkers in zorg en welzijn. Werkgevers kunnen hetcampagnemateriaal downloaden tot in juni 2026 om dit binnen hunorganisatie te verspreiden.De Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Genees-kunst (KNMG) ontvangt subsidie om een handelingskader op te stellenvoor zorgverleners als zij te maken krijgen met agressie. De KNMG doetdit in samenwerking met andere beroepsverenigingen en het handelings-kader is breed te gebruiken in de zorg. De KNMG is van plan dit hande-lingskader voor de zomer te publiceren.Tot slot heeft VWS afgelopen jaren regionale bijeenkomsten georgani-seerd over het doen van aangifte bij agressie. Op deze manier wil ikwerkgevers stimuleren om aangifte te doen bij agressie tegen hunwerknemers.Naar aanleiding van het thema Levenslang en levensbreed. De leden vande PVV-fractie vinden het zeer herkenbaar dat mensen met een levens-lange en levensbrede beperking vastlopen door versnippering tussenWmo, Jeugdwet, Zorgverzekeringswet en Wlz. Hoe kijkt de Minister naaréén wettelijke regeling voor mensen met een levenslange en levensbredebeperking? Is zij bereid dit te onderzoeken?Ik ben me ervan bewust dat de verschillende zorgwetten niet altijd opelkaar aansluiten. Daarom verken ik eerst de mogelijkheden omzorgwetten beter op elkaar af te stemmen. Eind 2026 is deze verkenninggereed. Ondertussen werk ik aan verbeteringen in de toegang tot zorg enondersteuning, onder andere via de werkagenda VN-verdrag Handicap.Bijvoorbeeld door het verkennen van onafhankelijke domeinoverstijgendecliëntondersteuning, het ontwikkelen van één digitaal informatiepunt ofhet stimuleren van vroegtijdige en integrale samenwerking door aan tesluiten bij de overheidsbrede loketten. Eind dit jaar wordt een voortgangs-brief van de werkagenda naar de Kamer gestuurd.Deze leden vragen of de Minister erkent dat het huidige stelsel voor dezedoelgroep vaak onnodig ingewikkeld is. Waarom moeten mensen met eenlevenslange beperking of hun ouders steeds opnieuw bewijzen dat debeperking niet overgaat? Waarom worden indicaties nog steedskortdurend afgegeven bij mensen die hun hele leven ondersteuning nodigzullen hebben? Wat gaat de Minister concreet doen om «het doorgeslagenindicatiecircus» zoals verwoord in het coalitieakkoord te stoppen? Welkeacties onderneemt zij om ervoor te zorgen dat «niemand hoeft zijnchronische ziekte of beperking meer periodiek aan te tonen» zoalsverwoord in het coalitieakkoord? Kan de Minister per wet uitsplitsen welkeaanvullende acties zij hierop onderneemt en wanneer?Ik begrijp en deel de wens om voor mensen met een levenslangebeperking of een stabiele ondersteuningsvraag te werken met langdurigeindicaties. Het moet voor hen niet nodig zijn om telkens opnieuw hunchronische ziekte of beperking te bewijzen. Het blijft tegelijkertijd welbelangrijk om naar de individuele ondersteuningsbehoefte te kijken en opbasis daarvan een passende Wmo-indicatie af te geven. Onderdeeldaarvan zijn tussentijdse momenten om gezamenlijk te evalueren of degeïndiceerde ondersteuning nog voldoende is.In de Wlz is geregeld dat indicaties levenslang worden afgegeven als ersprake is van een intensieve zorgvraag waarbij voor onbepaalde tijd24-uurszorg in de nabijheid nodig is of sprake is permanent toezicht. EenWlz-indicatie vervalt niet, maar kan later wel worden verhoogd als decliënt meer zorg nodig heeft.Voor een persoonsgebonden budget (pgb) vanuit de Zorgverzekeringswet(Zvw) kunnen indicaties afgegeven worden voor maximaal vijf jaar als erTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40631 sprake is van een chronische en stabiele zorgvraag. Ook bij een zorgvraagdie stabiel lijkt, kan de hulpbehoefte veranderen, omdat bijvoorbeeld decontext verandert. De herbeoordeling is bedoeld om ervoor te zorgen dathet pgb aansluit bij de actuele hulpbehoefte. Ook helpt een periodiekeherbeoordeling bij het voorkomen van misbruik.Ik onderneem verschillende acties, gezamenlijk met de VNG, om eenlangere beschikkingsduur waar passend te stimuleren. We gaan verdermet het ondersteuningstraject Verrassend Passend, waarbinnengemeenten worden gefaciliteerd en ondersteund om waar passend voorlangere duur te beschikken. Ik ga ook consequent in gesprek metgemeenten om dit onder de aandacht te brengen en steeds beter in beeldte krijgen welke belemmeringen ervaren worden om dit te doen. Indecember 2025 is door VWS en de VNG een opdracht verleend aanSignificant om inzichtelijk te maken hoe gemeenten al werken met eenlangere beschikkingsduur. De resultaten hiervan worden juli 2026opgeleverd. Op basis daarvan kunnen we ook gerichtere vervolgstappenzetten en ga ik in gesprek met de VNG over hoe gezamenlijk verderinvulling gegeven kan worden aan het toepassen van langdurigeindicaties.Deze leden vragen daarnaast hoe de Minister ervoor zorgt dat gemeentenniet alleen mooie woorden gebruiken over integraal werken, maar ookdaadwerkelijk één plan, één regisseur en langdurige ondersteuningbieden waar dat nodig is. Welke gemeenten doen dit goed en welkeblijven achter?Vanuit de werkagenda VN-verdrag Handicap onderneem ik verschillendeacties samen met de VNG zodat de ondersteuning voor mensen met eenlevenslange en levensbrede beperking verbetert bij alle gemeenten.Bijvoorbeeld het stimuleren van een langere beschikkingsduur waar datpassend is, met het ondersteuningstraject Verrassend Passend. Ook blijf ikin gesprek gaan met gemeenten om dit onder de aandacht te brengen ensteeds beter in beeld te krijgen welke belemmeringen ervaren worden omdit te doen. Daarnaast werk ik aan het verbeteren van de toegang totondersteuning. Dat doe ik door het ontwikkelen van één digitaal informa-tiepunt waar mensen betrouwbare informatie kunnen vinden over zorg enondersteuning, zodat ze sneller de plek vinden voor hun aanvraag.Daarnaast investeer ik, samen met het Ministerie van BZK en anderebetrokken partijen, in de samenwerking over de domeinen heen, zodatmensen, bij welk loket ze ook aankloppen, goed geholpen worden. In dezesamenwerking ligt de nadruk op het zoveel mogelijk integraal beant-woorden van hulpvragen.Naar aanleiding van het thema Mantelzorgers en naasten. De leden vande PVV-fractie benadrukken dat ouders, partners, broers, zussen enandere naasten vaak jarenlang de gaten in het systeem dichten. Dezemensen zijn van onschatbare waarde, maar raken ook overbelast.Genoemd leden vragen hoe de Minister de belasting van naasten in degehandicaptenzorg structureel monitort.Sinds 2014 brengt het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) periodiek inkaart hoe de aard, omvang en belasting van mantelzorgers zichontwikkelt. In mei jl. is het rapport «Mantelzorg in beweging» gepubli-ceerd met kerncijfers en trends tussen 2014 en 2024. Daarbinnen wordt eronder meer uitgesplitst naar de beperking van de hulpontvangers (onderandere langdurig lichamelijke, verstandelijke, en psychosociale beper-kingen, maar ook ouderdom en dementie), en wordt per categoriegekeken in welke mate de betrokken mantelzorgers ernstig belast zijn. Opdie manier wordt de belasting van bepaalde doelgroepen gemonitord,waarvan een deel mantelzorger van cliënten in de gehandicaptenzorg is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40632 Deze leden vragen hoeveel respijtzorg, logeerzorg en crisisopvangbeschikbaar is voor gezinnen met een kind of volwassene met eencomplexe beperking. Waar zijn tekorten? Hoe lang zijn de wachttijden?Wat doet de Minister om te voorkomen dat gezinnen pas hulp krijgenwanneer zij al zijn vastgelopen? Welke aanvullende acties onderneemt deMinister om respijtzorg te ondersteunen?Er is op dit moment geen landelijk beeld in precieze vraag naarrespijtzorg, logeerzorg en crisisopvang voor gezinnen met een kind ofvolwassene met een complexe beperking.Het Ministerie van VWS heeft het afgelopen jaar gesprekken gevoerd metzorgkantoren en de NZa over logeren. ZN heeft bij de NZa signaleningediend rondom de financiering van logeren in de Wlz. De NZa heeft mijrecent laten weten dat zij naar aanleiding van het signaal een werkgroeplogeren heeft ingericht met de NZa, ZN, VGN en de Vereniging Gehandi-captenzorg Utrecht. De doelstelling is dat partijen (NZa, VGN, Valente, deNederlandse ggz, ZN, zorgkantoren, cliëntvertegenwoordigers)gezamenlijk binnen de langdurige zorg het gebruik van logeerzorgstimuleren daar waar de meerwaarde het grootst is. De nadruk hierbij ligtop de gehandicaptenzorg. De ggz-partijen haken aan als eventueleproblemen in de ggz zijn geconcretiseerd. Naar verwachting hebbenpartijen voor eind 2026: 1. goede voorbeelden in kaart gebracht engedeeld; 2. cijfermatig inzicht in vraag en aanbod van logeerzorg per regioen per doelgroep; 3. financiële drempels weggenomen door redelijkerwijskostendekkende tarieven vast te stellen en (daar waar nodig) gedifferenti-eerde tarieven; 4. duidelijke informatie beschikbaar gemaakt over inhouden declaratieregels rondom logeren voor zowel zorg in natura als pgb; en5. inzichtelijk gemaakt waar logeeraanbod ontbreekt, zodat zij gerichtverbetermogelijkheden kunnen stimuleren.De leden van de PVV-fractie vragen hoe mantelzorgers beter ondersteundworden. Wordt bij de verdere uitwerking van de Toekomstagenda ookgekeken naar de positie van mantelzorgers die structureel en langdurigzorg verlenen aan iemand met een beperking?In de Toekomstagenda heeft mantelzorgondersteuning en respijtzorg eenbelangrijke plek gekregen. De focus lag daarbij op het in beeld brengenvan de ondersteuningsbehoefte van mantelzorgers die intensief zorgdragen voor naasten met een levenslange, levensbrede beperking.Parallel aan de Toekomstagenda loopt de Mantelzorgagenda 2023–2026.Op dit moment werk ik aan een breed mantelzorgplan, zoals de Kamermet de motie Struijs16 heeft gevraagd. Daarin neem ik het perspectief ende positie van mantelzorgers die structureel en langdurig zorg verlenennadrukkelijk mee.Naar aanleiding van het thema Monitoring en resultaten. De leden van dePVV-fractie lezen dat de eerste monitor nog geen volledig beeld geeft, datvoor diverse indicatoren sprake is van een eerste meting en dat sommigeindicatoren ontbreken omdat dataverzameling te belastend, te complex ofte tijdrovend is. Deze leden vragen hoe de Kamer dan kan beoordelen ofde Toekomstagenda werkt.Aan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) is deopdracht gegeven een aanpak te maken voor de monitoring en evaluatievan de doelstelling van de Toekomstagenda, namelijk de beweging naartoekomstbestendige zorg en ondersteuning voor mensen met eenbeperking in beeld brengen.16Kamerstukken II, 2025/2026, 36 848, nr. 96Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40633 De eerste monitor heeft uw Kamer in april 2026 ontvangen17. Dezemonitor geeft aan de hand van indicatoren, gerelateerd aan de zesonderwerpen uit de Toekomstagenda, een beschrijving van wat de standvan zaken is binnen zorg en ondersteuning voor mensen met eenbeperking. De tweede monitor wordt maart 2027 afgerond. Deze monitorlaat op basis van de indicatoren en reflectie daarop zien of en in hoeverreer een beweging zichtbaar is richting toekomstbestendige zorg enondersteuning voor mensen met een beperking. Het RIVM rondt deevaluatie eind 2027 af. Deze evaluatie laat aan de hand van kwalitatiefonderzoek zien of en waar de Toekomstagenda heeft bijgedragen aan eenbeweging naar toekomstbestendige zorg en ondersteuning voor mensenmet een beperking.Het RIVM wijst erop dat bij het monitoren en evalueren van de Toekomst-agenda verschillende kanttekeningen en onzekerheden een rol spelen. Eénvan de kanttekeningen is dat veranderingen tijd kosten en daardoor nogniet of slechts gedeeltelijk binnen een paar jaar te zien zullen zijn. Het isniet altijd mogelijk eventuele geconstateerde veranderingen direct terelateren aan de ingezette acties van de Toekomstagenda. De Toekomst-agenda staat immers niet op zichzelf.Ook andere ontwikkelingen zijn van invloed op de zorg en ondersteuningvoor mensen met een beperking, zoals de doelgroep die steeds ouderwordt (waardoor de zorgvraag verandert), een stijgende zorgvraag, maarook de steeds complexer wordende maatschappij. En er kunnen ookandere overheidsprogramma’s van invloed zijn op de organisatie van zorgen ondersteuning. Hierdoor kunnen veranderingen niet zomaar toege-schreven worden aan de Toekomstagenda alleen.Het RIVM zal daarom met diverse groepen experts reflecteren op deresultaten uit de monitor en verkennen in hoeverre deze veranderingen terelateren zijn aan de inspanningen die gedaan zijn vanuit de Toekomst-agenda.Omdat dataverzameling de hierboven geschetste aandachtspunten kent,is ook gekozen om ervaringen in beeld te brengen. Er is drie jaar op rij eenvideoreeks gemaakt van concrete ervaringen en resultaten uit deToekomstagenda op de zes hoofdstukken van de Toekomstagenda.Deze leden vragen welke indicatoren ontbreken en waarom. Gaat het juistom indicatoren die iets zeggen over de echte problemen in de praktijk,zoals wachtlijsten, crisisplaatsingen, doorzettingsmacht, overbelastingvan naasten, personeelstekorten en misstanden? Wanneer zijn dezegegevens wel beschikbaar?In hoofdstuk 2.1 van de eerste monitor geeft het RIVM aan welkeindicatoren ontbreken. Er zijn zes indicatoren vervallen ten opzichte vande oorspronkelijke indicatorenset omdat dataverzameling om diverseredenen niet haalbaar bleek. Het gaat niet om indicatoren zoals wacht-lijsten, crisisplaatsingen, doorzettingsmacht, overbelasting van naasten,personeelstekorten en misstanden. Het gaat om de volgende indicatoren:–Aantal aanmeldingen bij het team Complexe casuïstiek bij hetzorgkantoor: te belastend voor het veld (Complexe zorg).–Percentage zorgorganisaties dat ervaringsdeskundigheid benut bij hetmaken van beleid: te complex qua interpretatie (LVB);–Aantal deelnemende overheidsorganisaties aan Direct Duidelijk: biedtte beperkt beeld (LVB);–Percentage mensen met een beperking zonder Wlz-indicatie datgebruikmaakt van Wlz-cliëntondersteuning: te complex qua interpreta-tie (Cliëntondersteuning);–Aantal (zorg)opleidingen waarin technologie een standaard onderdeelis: te complex qua interpretatie (Zorgtechnologie en sociale innovatie);17Kamerstukken II, 2025/2026, 24 170, nr. 398Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40634 –Percentage zorgprofessionals dat aangeeft dat naasten en vrijwilligersonderdeel uitmaken van het team: te veel overlap met indicator AV8(zie tabel 2.1e) (Arbeidsmarkt en vakmanschap).De leden van de PVV-fractie vragen de Minister om bij de volgenderapportage niet alleen procesresultaten te melden, zoals bijeenkomsten,kennisproducten, programma’s of websites, maar vooral concreteuitkomsten voor cliënten, naasten en zorgverleners. Kan de Ministertoezeggen dat de volgende rapportage duidelijk maakt hoeveel mensensneller passende zorg kregen, hoeveel gezinnen minder vastliepen,hoeveel medewerkers minder werkdruk ervaren en hoeveel bureaucratiedaadwerkelijk is verminderd?Uw Kamer ontvangt nog een eindrapportage van de Toekomstagenda(voorjaar 2027), tweede RIVM-monitor (voorjaar 2027) en evaluatie van deToekomstagenda door het RIVM (voorjaar 2028). De eindrapportage zalinzicht geven in de activiteiten die zijn opgepakt en resultaten die zijnbereikt ten aanzien van de in de Toekomstagenda geformuleerdespeerpunten. Op verschillende onderdelen, zoals gespecialiseerdecliëntondersteuning en bij het Ontwikkelprogramma Complexe Zorgwordt aandacht besteed aan het effect voor naasten en cliënten. Deevaluatie van het RIVM zal een beeld geven of er een beweging naartoekomstbestendige zorg is en wat de Toekomstagenda daaraan heeftbijgedragen.Naar aanleiding van het thema Toezicht, misstanden enpgb-wooninitiatieven. De leden van de PVV-fractie vinden het van grootbelang dat kwetsbare mensen met een beperking beschermd wordentegen misstanden, verwaarlozing, grensoverschrijdend gedrag, fraude enslechte zorg. Deze leden vragen wat de stand van zaken is van hettransparantieregister voor pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Wanneeris dit register volledig operationeel en toegankelijk voor toezichthouders?Zoals eerder aangegeven kost het aanpassen van regelingen en hetcreëren van een vereiste grondslag voor gegevensuitwisseling tijd.Daarbij wordt in verband hiermee verkend of het een optie is het registerin fasen te vullen. Ik verwacht dat binnenkort meer duidelijk is over demogelijkheden hiervan. Zodra meer bekend is zal ik uw Kamer hieroverinformeren.Deze leden vragen of de IGJ voldoende capaciteit heeft om toezicht tehouden op kleinschalige wooninitiatieven en andere kwetsbare vormenvan zorg. Hoe vaak heeft de IGJ in 2025 toezicht gehouden oppgb-gefinancierde wooninitiatieven? Hoeveel signalen, meldingen,waarschuwingen, aanwijzingen of handhavende maatregelen zijn ergeweest?De IGJ beschikt over inspecteurs die toezichthouden op aanbieders voorintramurale gehandicaptenzorg, waaronder pgb-wooninitiatieven. Binnende afdeling Gehandicaptenzorg (GHZ) werken momenteel 28 inspecteurs.Als onderdeel van de Toekomstagenda is de capaciteit van de afdelingGHZ tijdelijk uitgebreid met 8 fte waarvan 6 inspecteurs. De huidigebezettingvan 28 fte is inclusief die 6 inspecteurs. Naar aanleiding van gesprekkenmet de IGJ heb ik besloten deze uitbreiding in 2027 en 2028, ook na afloopvan de Toekomstagenda, te ondersteunen. Gelet op de capaciteit aaninspecteurs, het grote veld aan ondertoezichtstaanden en daaruitvoortvloeiende veelheid van meldingen, thema’s en trajecten moet de IGJkeuzes maken en prioriteren. Dat doet zij risicogestuurd en onafhankelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40635 De IGJ heeft in 2025 200 bezoeken gebracht aan aanbieders van gehandi-captenzorg. Daaronder zijn ook pgb-gefinancierde wooninitiatieven. Definancieringsvorm maakt echter geen deel uit van de risico-informatievoorafgaand aan een bezoek. Daarom is geen exact antwoord te geven opde vraag hoeveel van de bezochte zorgaanbieders pgb-gefinancierd zijn.In haar toezicht en de ingezette toetsingskaders maakt de inspectie geenonderscheid tussen pgb-zorg en zorg in natura. Verder ziet de IGJ veelmengvormen: aanbieders die zowel pgb-gefinancierd zijn als zorg innatura leveren en ook door de Wmo gefinancierd zijn. Deze aanbiedersbieden vaak zorg aan cliënten met uiteenlopende zorgvragen (gehandi-captenzorg, ggz, jeugd, ouderenzorg).De IGJ ziet dat in de gehandicaptenzorg regelmatig sprake is van zorg aanmensen in een erg kwetsbare positie. Het kost aanbieders soms moeiteom deze complexe zorg goed te organiseren. In recente publicaties van deIGJ wordt hier nader op ingegaan18.De leden van de PVV-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat kwaadwil-lende zorgaanbieders kwetsbare mensen gebruiken als verdienmodel.Welke concrete maatregelen neemt de Minister om fraude, slechte zorg enmisbruik van pgb-geld harder aan te pakken? Worden opbrengsten vanboetes en teruggevorderd zorggeld weer ingezet voor betere zorg?Met het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn middelenbeschikbaar gekomen om de aanpak van zorgfraude daadwerkelijk teverstevigen. Met betrokken partners werkt het kabinet concreet aan onderandere de volgende maatregelen: intensievere toetsing van nieuwe enherstartende zorgaanbieders, de uitbreiding van de capaciteit vanuitvoeringsinstanties, de verbreding van de doelgroep van de vergunning-plicht, het vergroten van bewustwording en de weerbaarheid vanbranche- en beroepsorganisaties en het versterken van een multidiscipli-naire aanpak tussen de betrokken instanties om de slagkracht van deketen te versterken. Zeer recent heeft uw Kamer een brief ontvangenwaarin onder andere deze maatregelen uitgebreid zijn toegelicht.Het geld dat door zorgverzekeraars wordt teruggevorderd bij constate-ringen van fraude komt ten goede aan de zorg. Ook de geïnde boetes doorde NZa vloeien terug naar de zorg via het Zorgverzekeringsfonds en hetFonds Langdurige Zorg, dan wel naar de algemene middelen van het Rijk.Het opwerpen van barrières aan de voorkant zorgt er uiteindelijk voor datzorggelden doelmatiger kunnen worden besteed en er meer tijd en geldwordt besteed aan de zorg.Specifiek voor het pgb wil ik toewerken naar een situatie waarin het pgballeen beschikbaar is voor mensen die weloverwogen kiezen voor eenpgb. Voor mij staat voorop dat een budgethouder regie voert op dezorgverlening. De budgethouder is daarmee verantwoordelijk voor hetinkopen van kwalitatief goede en doelmatige zorg. Door kritisch te zijn opwie een pgb ontvangt, verkleinen we de kans op problemen, zoals hetontvangen van geen of minder zorg of zorg van slechte kwaliteit. Als hetpgb is voorbehouden aan vaardige en onafhankelijke budgethouders diecontroleren of de afspraken worden nagekomen, vermindert dit het risicoop fraude. Als iemand sterk afhankelijk of kwetsbaar is met weinig totgeen sociaal netwerk, is zorg in natura een veiligere optie.Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie de Minister om de Kamer voorhet einde van 2026 een concreet overzicht te sturen van wat de Toekomst-agenda heeft opgeleverd, welke onderdelen structureel worden geborgd,wat dit kost, welke bureaucratie wordt geschrapt en hoe wordt toegewerktnaar eenvoudiger zorg voor mensen met een levenslange beperking.18Toezicht op complexe zorg in Groningen | Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd en Meerdeskundigheid nodig voor passende Wlz-zorg aan kwetsbare ggz cliënten | Inspectie Gezond-heidszorg en JeugdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40636 Een aantal van de projecten, zoals de Innovatie-impuls en het Ontwikkel-programma Complexe Zorg lopen door tot eind van dit jaar. Daaromrapporteer ik in het voorjaar van 2027 over de Toekomstagenda. UwKamer ontvangt nog een eindrapportage van de Toekomstagenda(voorjaar 2027), tweede RIVM-monitor (voorjaar 2027) en evaluatie van deToekomstagenda door het RIVM (voorjaar 2028).De eindrapportage zal inzicht geven in de activiteiten die zijn opgepakt enresultaten die zijn bereikt ten aanzien van de in de Toekomstagendageformuleerde speerpunten. Op verschillende onderdelen, zoals gespecia-liseerde cliëntondersteuning en bij het Ontwikkelprogramma ComplexeZorg, wordt aandacht besteed aan het effect van naasten en cliënten. Deevaluatie door het RIVM zal een beeld geven of er een beweging naartoekomstbestendige zorg is en wat de Toekomstagenda daaraan heeftbijgedragen.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister en hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de CDA-fractie zouden graag zien dat er een concreetvervolg op de Toekomstagenda komt in de vorm van een inhoudelijkbestuurlijk akkoord met de gehandicaptenzorgsector. Deze leden vragenof de Minister kan aangeven wat de stand van zaken is ten aanzien van degesprekken hierover.In de brief van 28 mei jl. over de budgettaire ontwikkelingen in de Wlz202719 heb ik de Kamer geïnformeerd over de bestuurlijke gesprekken metde sector. In het kort licht ik in die brief toe dat ik sinds oktober 2025bestuurlijk overleggen voer met verschillende partijen uit de sector. Aandeze gesprekken nemen een vertegenwoordiging van cliëntenorgani-saties, zorgaanbieders, zorgkantoren, de beroepsgroepen, het Ministerievan VWS en sinds kort ook de gemeenten deel.Op dit moment spreken we over wat een gezamenlijk toekomstbeeld isvoor de sector en wat er nodig is om dit te bereiken. Parallel spreken weover de aanpak van problemen op de korte termijn, zoals de krapte op dearbeidsmarkt en het organiseren van voldoende plekken voor mensen metcomplexe zorgvragen. De acties en maatregelen die daaruit voortkomenwil ik ook in samenhang bezien met de afloop van de Toekomstagendagehandicaptenzorg eind dit jaar.De leden van de CDA-fractie vragen verder naar de uitvoering van demotie-Westerveld en Krul (Kamerstuk 24 170, nr. 314) over regelen dat inalle zorgwetten langdurige indicaties worden afgegeven voor mensen meteen levenslange beperking en cliënten inspraak geven op de herindicatie-termijn. Het is voor deze leden onduidelijk hoe er per zorgwet wordtgewerkt aan langdurige indicaties. Daarom vragen deze leden of deMinister dit per zorgwet concreet uiteen kan zetten, ook in het licht van deafspraken uit het coalitieakkoord dat niemand zijn chronische ziekte ofbeperking meer periodiek hoeft aan te tonen. Is al inzichtelijk welkegemeenten wel en niet werken met een langere beschikkingsduur in deWmo? Zo nee, wanneer hoort de Kamer hier meer over? Deelt de Ministerde mening dat het niet voldoende is om alleen een brief naar allegemeenten te sturen? Wanneer hoort de Kamer meer over het langdurigtoekennen van meerzorg bij het persoonsgebonden budget (pgb)?Ik begrijp en deel de wens om voor mensen met een levenslangebeperking of een stabiele ondersteuningsvraag te werken met langdurigeindicaties. Het moet voor hen niet nodig zijn om telkens opnieuw hun19Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800 XVI, nr. 196Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40637 chronische ziekte of beperking te bewijzen. Het blijft tegelijkertijd welbelangrijk om naar de individuele ondersteuningsbehoefte te kijken en opbasis daarvan een passende Wmo-indicatie af te geven. Onderdeeldaarvan zijn tussentijdse momenten om gezamenlijk te evalueren of degeïndiceerde ondersteuning nog voldoende is.In de Wlz is geregeld dat indicaties levenslang worden afgegeven als ersprake is van een intensieve zorgvraag waarbij voor onbepaalde tijd24-uurszorg in de nabijheid nodig is of sprake is permanent toezicht. EenWlz-indicatie vervalt niet, maar kan later wel worden verhoogd als decliënt meer zorg nodig heeft.Voor een pgb vanuit de Zvw kunnen indicaties afgegeven worden voormaximaal vijf jaar als er sprake is van een chronische en stabielezorgvraag. Ook bij een zorgvraag die stabiel lijkt, kan de hulpbehoefteveranderen, omdat bijvoorbeeld de context verandert. De herbeoordelingis bedoeld om ervoor te zorgen dat het pgb aansluit bij de actuelehulpbehoefte. Ook helpt een periodieke herbeoordeling bij het voorkomenvan misbruik.Het is op dit moment nog niet inzichtelijk welke gemeenten wel en nietwerken met een langere beschikkingsduur in de Wmo. In december 2025is door VWS en de VNG een opdracht verleend aan Significant ominzichtelijk te maken hoe gemeenten al werken met een langere beschik-kingsduur waar passend. De resultaten hiervan worden medio 2026opgeleverd en daarna gedeeld met uw Kamer. Onderdeel van de opdrachtaan Significant is ook om een indicator te ontwikkelen, zodat in detoekomst structureel gemonitord kan worden in hoeverre gemeentenwerken met een langere beschikkingsduur waar passend. Op basis van deresultaten van het onderzoek van Significant kunnen we ook gerichterevervolgstappen zetten en ga ik in gesprek met de VNG over hoegezamenlijk verder invulling gegeven kan worden aan het toepassen vanlangdurige indicaties.Eind juni ontvangt uw Kamer een brief over meerzorg. Daarin zal ik ingaanop de termijn van toekenning van meerzorg bij het pgb.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de derdevoortgangsrapportage Toekomstagenda «zorg en ondersteuning voormensen met een beperking» en de bijbehorende onderzoeken en bijlagen.Deze leden zien dat in de praktijk nog veel mensen met een levenslangeen levensbrede ondersteuningsvraag vastlopen in versnipperde onder-steuning, wisselende contactpersonen, wachtlijsten en bureaucratie. Zijhebben hierover nog enkele vragen.De leden van de BBB-fractie lezen in het rapport Langdurig en levens-breed dat inwoners en gezinnen in verschillende gemeenten aangeven datsprake is van versnipperde ondersteuning, beperkte samenwerking tussendomeinen en het ontbreken van één integraal plan of één vastaanspreekpunt. Deze leden lezen bovendien dat mensen regelmatigopnieuw hun verhaal moeten doen en dat verschillen tussen gemeentengroot zijn. Hoe reflecteert de Minister op deze bevindingen? Juist mensenmet een levenslange en levensbrede ondersteuningsvraag hebbenbehoefte aan continuïteit, stabiliteit en regie. Deelt de Minister deopvatting dat een integraal plan en een vast aanspreekpunt voor dezedoelgroep in veel gevallen essentieel zijn om passende ondersteuning teorganiseren? Zo ja, welke concrete inzet pleegt de Minister richtinggemeenten om dit meer de norm te maken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40638 Ik ben het met de leden van de BBB-fractie eens dat mensen met eenlevenslange en levensbrede beperking behoefte hebben aan continuïteit,stabiliteit en regie.Daarom werk ik via de werkagenda VN-verdrag Handicap aan hetverbeteren van de toegang tot ondersteuning. Dat doe ik door hetontwikkelen van één digitaal informatiepunt waar mensen betrouwbareinformatie kunnen vinden over zorg en ondersteuning. Zodat ze sneller deplek vinden voor hun aanvraag. Daarnaast investeer ik, samen met hetMinisterie van BZK en andere betrokken partijen, in de samenwerkingover de domeinen heen. Zodat mensen, bij welk loket ze ook aankloppen,goed geholpen worden. In deze samenwerking ligt de nadruk op hetzoveel mogelijk integraal beantwoorden van hulpvragen.Daarnaast moet het voor mensen met een levenslange beperking ofstabiele ondersteuningsvraag niet nodig zijn om telkens opnieuw hunchronische ziekte of beperking te bewijzen. Het verminderen van stress enadministratieve lasten bij herindicaties is daarbij een belangrijkuitgangspunt. Dit is dan ook de reden dat ik met gemeenten inzet op eenpassende beschikkingsduur, die langer is bij een stabiele ondersteunings-vraag. Het blijft tegelijkertijd wel belangrijk om naar de individueleondersteuningsbehoefte te kijken en op basis daarvan een passendeWmo-indicatie af te geven.De leden van de BBB-fractie lezen in het onderzoek verschillendevoorbeelden waarbij ondersteuning onvoldoende integraal werdgeorganiseerd en waarbij inwoners of ouders zelf de regie moestenvoeren tussen verschillende loketten, wetten en organisaties. Hoevoorkomt de Minister dat mensen met een beperking of hun oudersfeitelijk zelf zorgcoördinator moeten zijn binnen een complex systeem?Daarnaast blijkt dat verschillen tussen gemeenten grote invloed kunnenhebben op de kwaliteit, snelheid en toegankelijkheid van ondersteuning.Zo ontstaat toenemende postcodeongelijkheid in de zorg en onder-steuning. Hoe kijkt de Minister naar het risico dat de kwaliteit vanondersteuning in sterke mate afhankelijk wordt van de gemeente waariniemand woont? Is goed in beeld hoe groot de ongelijkheid is en in welkegemeenten mensen met een beperking beduidend slechter af zijn dangemiddeld? Als de ongelijkheid onvoldoende in beeld is, hoe kan danactief beleid gevoerd worden op het verkleinen van de ongelijkheid enwelke specifieke stappen zet de Minister om de ongelijkheid te verkleinen?Met het door de VNG vastgestelde richtinggevend kader, de afsprakenmo-dules en het wetsvoorstel Reikwijdte werken gemeenten en het Rijk aaneen landelijk herkenbaar basisniveau voor lokale teams. Hierdoor kunneninwoners in elke gemeente rekenen op ondersteuning bij zelfregie enbegeleiding, terwijl er ruimte blijft voor lokale invulling. Iedere gemeenteis zelf verantwoordelijk voor de inkoop van de benodigde ondersteuning,die past bij wat inwoners nodig hebben en wat de lokale context vraagt. Indit decentrale stelsel is het in eerste instantie aan de gemeenteraad om tebepalen welke verschillen met andere gemeenten als aanvaardbaarworden gezien. Er is geen landelijk overzicht van hoe deze ondersteuningprecies is ingericht per gemeente en een dergelijk overzicht zouonmogelijk goed te duiden zijn. Passende ondersteuning hangt namelijkvan heel veel verschillende factoren af, bijvoorbeeld van de beschikbareinitiatieven en voorzieningen in een buurt of de samenstelling van degemeentelijke bevolking. Het duiden van deze cijfers als kwalitatief goedof fout is daardoor onmogelijk.Ik stuur uw Kamer voor het notaoverleg over de initiatiefnota Westerveld«Ons land is beperkt» van 22 juni a.s. de verkenning naar gemeentelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40639 verschillen die de VNG liet uitvoeren in het kader van de werkagendaVN-verdrag Handicap.In het jaarlijks bestuurlijk overleg dat ik voer met de VNG over deuitvoering van het VN-verdrag Handicap, zal ik dit rapport en de opvolgingervan met VNG bespreken. Op die manier kunnen we gezamenlijkvaststellen wat nodig is om aspecten te verbeteren die voor inwoners meteen beperking kwetsbaar of problematisch zijn.De leden van de BBB-fractie vragen in dit verband ook aandacht voorrecente signalen van de Vereniging Artsen Volksgezondheid en de KoepelArtsen Maatschappij + Gezondheid over medische beoordelingen voorkwetsbare inwoners. Zij lezen dat inwoners soms honderden euro’s kwijtzijn aan medische keuringen, zonder garantie op toekenning vanondersteuning of voorzieningen, en dat de kosten en werkwijzen sterkverschillen per gemeente. Deelt de Minister de zorg dat hierdoorrechtsongelijkheid ontstaat? Welke mogelijkheden ziet de Minister ommeer uniformiteit, kwaliteit en toegankelijkheid van medische beoorde-lingen te organiseren?Ik vind het onwenselijk als de kosten voor medische keuringen voorondersteuning en voorzieningen hoog oplopen voor mensen. Daaromonderzoek ik de mogelijkheden voor de samenvoeging van verschillendelandelijke indicatiestellingstrajecten. In 2026 wordt gekeken naar demogelijkheden voor het samenvoegen van de trajecten die mensenmoeten doorlopen voor het aanvragen van Valys Standaard, Valys HoogPKB, sportvervoer en de OV-begeleiderskaart.Met deze samenvoeging wordt een verbetering voor de aanvrager beoogdwaarbij de aanvraag voor indicatiestelling(en) efficiënter en minderbelastend wordt voor de aanvrager, omdat er dan geen separatemedische keuring en administratieve taken voor elke indicatiestellingnodig zijn. Ook wordt het tijdens de aanvraag overzichtelijker wat deondersteuningsbehoefte is en kunnen daardoor de relevante voorzie-ningen in één keer aangevraagd worden.De toegang tot gemeentelijke regelingen en voorzieningen is eengemeentelijke verantwoordelijkheid. Gemeenten bepalen vanuit hundecentrale bevoegdheid hoe ze dit inrichten en de tarieven komen totstand op basis van lokaal gemaakte democratische keuzes en lokalekostenverschillen. Gemeenten kunnen bij het contracteren van partijenaanvullende voorwaarden stellen. Te denken valt bijvoorbeeld aan eisenaan de kwaliteit en bedrijfsvoering, alsook het toepassen van een goedetariefdifferentiatie.De leden van de BBB-fractie lezen bovendien dat een tekort aan specifiekopgeleide artsen ertoe leidt dat complexe beoordelingen steeds vakerworden uitgevoerd door basisartsen. Hoe beoordeelt de Minister derisico’s hiervan voor de kwaliteit en zorgvuldigheid van beoordelingen vankwetsbare inwoners? Is de Minister bereid te onderzoeken hoe deopleiding tot arts Medisch Advies structureler ondersteund kan worden?In beginsel geldt dat complexe beoordelingen ook door basisartsenverricht mogen worden, mits zij daartoe bekwaam zijn. De opdrachtne-mende partij (werkgever) moet voldoen aan de gestelde eisen van degemeente in de inkoopuitvraag. De opdrachtnemer is daarmee ookverantwoordelijk voor een zorgvuldige uitvoering van de opdracht en voorhet waarborgen van het benodigde kennis- en deskundigheidsniveau.Verder is het beroep van basisarts wettelijk gereguleerd in artikel 3 van deWet BIG, met het oog op het bewaken van de kwaliteit van de individueleberoepsuitoefening en het borgen van de patiëntveiligheid. Onder meerdoor de verplichte vijfjaarlijkse herregistratie in het BIG-register wordt dekwaliteit van de betreffende zorgprofessional geborgd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40640 De leden van de BBB-fractie zijn geschrokken van de voorbeelden vanstress en onzekerheid rondom herindicaties, terwijl het gaat om mensenmet een levenslange beperking of ondersteuningsvraag. Deze ledenvragen hoe de Minister reflecteert op signalen dat mensen steedsopnieuw moeten bewijzen dat zij ondersteuning nodig hebben. Welkestappen zet de Minister om langdurige indicaties en meer continuïteit inondersteuning vaker mogelijk te maken?Ik begrijp en deel de wens om voor mensen met een levenslangebeperking of een stabiele ondersteuningsvraag te werken met langdurigeindicaties. Het moet voor hen niet nodig zijn om telkens opnieuw hunchronische ziekte of beperking te bewijzen. Het verminderen van stress enadministratieve lasten bij herindicaties is daarbij een belangrijkuitgangspunt. Het blijft wel belangrijk om naar de individuele ondersteu-ningsbehoefte te kijken en op basis daarvan een passende Wmo-indicatieaf te geven.Daarom is deze ambitie een belangrijk onderdeel in de werkagendaVN-verdrag Handicap. We gaan verder met het ondersteuningstrajectVerrassend Passend, waarbinnen gemeenten worden gefaciliteerd enondersteund om waar passend voor langere duur te beschikken. Ik ga ookconsequent in gesprek met gemeenten om dit onder de aandacht tebrengen en steeds beter in beeld te krijgen welke belemmeringen ervarenworden om dit te doen.Het onderzoek dat Significant in opdracht van VWS en de VNGmomenteel uitvoert, en wat juli 2026 afgerond wordt, geeft meer inzicht inde huidige praktijk. Op basis daarvan kunnen we ook gerichtere vervolg-stappen zetten en ga ik in gesprek met de VNG over hoe gezamenlijkverder invulling gegeven kan worden aan het toepassen van langdurigeindicaties.De leden van de BBB-fractie begrijpen verder dat de Minister aangeeft dater aandacht blijft voor ouderenzorg, medisch-generalistische zorg entoekomstbestendige ondersteuning. Tegelijkertijd staan gemeenten enzorgorganisaties onder grote financiële druk en worden verdere bezuini-gingen op de zorg voorzien door het huidige kabinet. Hoe rijmt deMinister de ambities uit de Toekomstagenda met deze financiële ontwikke-lingen? Hoe rijmt de Minister de specifieke bezuinigingen die hetMinisterie van VWS wil doorvoeren op ouderengezondheid met dezeambities? Kan de Minister toelichten hoe de bezuinigingen van invloedgaan zijn op de zorg, nu het huidige kabinet nog grotere bezuinigingenvoorstelt dan voorheen voorzien waren?In een brief van 28 mei 2026 over de budgettaire ontwikkelingen in delangdurige zorg en invulling van moties gehandicaptenzorg20 is uw Kamergeïnformeerd dat in 2027 aan de wens van de Kamer tegemoet kanworden gekomen om de tariefmaatregelen meerjarig contracteren,Wlz-behandeling en opschaling digitale zorg in dat jaar niet door tevoeren. In bestuurlijk overleg met de sector spreken we over hoe we deopgaven voor de sector kunnen aanpakken met het geld dat beschikbaaris voor de gehandicaptenzorg en hoe we op de korte termijn financiëlerust in deze sector kunnen brengen. Het kabinet streeft ernaar om met desector uiterlijk in februari 2027 afspraken te maken. Het kabinet zal deKamer blijven informeren over de voortgang van deze gesprekken.In een brief van 29 mei 202621 ter voorbereiding van het commissiedebatouderenzorg van 4 juni 2026 is uw Kamer onder andere geïnformeerdover de voortgang van het HLZ. In die brief van 29 mei is opgenomen datzonder nadere afspraken de totale Wlz-uitgaven aan zorg in natura binnen20Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800 XVI, nr. 19621Kamerstukken II, 2025/2026, 29 389, nr. 166Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40641 de contracteerruimte en persoonsgebonden budgetten per saldo met€ 6,2 miljard toenemen van € 40,0 miljard in 2026 tot een niveau van€ 46,2 miljard in 2031. Dat is een toename van ruim 15%. Dit betreft nietalleen de ouderenzorg, maar ook de gehandicaptenzorg en de langdurigeggz. Deze toename is ook exclusief de reguliere jaarlijkse bijstelling voorloon- en prijsontwikkeling. Inzet van het kabinet is deze groei te beperkentot € 5,2 miljard tot een niveau van € 45,2 miljard in 2031. Door debeweging die nu is ingezet verwacht het kabinet dat het, met hetbeschikbare budget, mogelijk is om mensen met een Wlz-indicatiepassende ondersteuning en zorg te bieden.De leden van de BBB-fractie vragen de Minister om daarbij specifiek in tegaan op welke gevolgen de Minister verwacht van de voorgenomenbezuinigingen voor wachtlijsten, personeelscontinuïteit, gespecialiseerdecliëntondersteuning en de beschikbaarheid van passende zorg enondersteuning voor mensen met een beperking. Tot slot vragen de ledenvan de BBB-fractie hoe de Minister wil voorkomen dat mensen met eenlevenslange en levensbrede ondersteuningsvraag juist door financiëledruk, personeelstekorten en versnipperde uitvoering tussen wal en schipraken.In een brief van 28 mei over de budgettaire ontwikkelingen in delangdurige zorg en invulling van moties gehandicaptenzorg22 bent ugeïnformeerd over de overleggen over een gezamenlijk toekomstbeeldvoor de sector gehandicaptenzorg en wat er nodig is om dat te bereiken.De overleggen gaan ook over het aanpakken van problemen op de kortetermijn in de sector, zoals de krapte op de arbeidsmarkt en het organi-seren van voldoende plekken voor mensen met complexe zorgvragen. Deacties en maatregelen die daaruit voortkomen wil het kabinet ook insamenhang bezien met de afloop van de Toekomstagenda gehandicap-tenzorg eind dit jaar. Mogelijk zijn de korte termijn acties samen tebrengen. Het kabinet streeft ernaar om met de sector uiterlijk in februari2027 afspraken te maken.Tot slot vragen de leden van de BBB-fractie hoe de Minister wilvoorkomen dat mensen met een levenslange en levensbrede ondersteu-ningsvraag juist door financiële druk, personeelstekorten en versnipperdeuitvoering tussen wal en schip raken.Ik vind het belangrijk dat we voortdurend oog houden voor de gevolgenvan beleid voor mensen over wie het gaat, zodat mensen niet tussen walen schip raken. Het kabinet heeft in reactie op de motie Stoffer c.s. enmotie Lahlah c.s.23 toegezegd om het effect van de verschillendemaatregelen op het besteedbaar inkomen in kaart te brengen. In deprocesbrief heeft het kabinet aangegeven de uitkomsten van deze analysevoor de zomer naar de Kamer te sturen. De analyse is echter complex envergt meer tijd. Het kabinet is voornemens de uitkomsten van de analysein augustus in bredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabineteen integrale weging maken hoe de enveloppe tegemoetkomingzorgkosten chronisch zieken (CA 33) het beste ingezet kan worden. Overde uitkomsten van deze analyse, de invulling van de motie Stoffer en demotie Lahlah en de inzet van de enveloppe zal het kabinet de Kamer na dezomer informeren.Als coördinerend bewindspersoon voor het VN-verdrag Handicap zet ikme ervoor in dat bij de ontwikkeling van beleid en wetten die mensen meteen beperking raken, samen wordt gewerkt met (vertegenwoordigers van)mensen met een beperking. Zij kunnen immers het beste aangeven wat22Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800 XVI, nr. 19623Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 79, Kamerstuk 36 800 XV, nr. 52 en Kamerstuk 36 800, nr.98.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40642 de mogelijke gevolgen zijn van beleid en wetten voor hun dagelijks leven.Om de zorg en het leven van mensen met een beperking te verbeteren,voert het kabinet het VN-Verdrag Handicap uit. Met de werkagendaVN-verdrag Handicap werk ik aan de verdere uitvoering van het Verdrag.Bijvoorbeeld als het gaat om eenvoudige toegang tot zorg en onder-steuning of domeinoverstijgende samenwerking binnen de zorg en hetsociaal domein. Eind dit jaar ontvangt uw Kamer de eerste voortgangs-brief over deze werkagenda.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben de derde voortgangsrapportageToekomstagenda «zorg en ondersteuning voor mensen met eenbeperking» gelezen. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingenover. Zij benadrukken dat het erg belangrijk is dat er nu eindelijk vaartwordt gemaakt met de uitvoering van het VN-Verdrag Handicap en hetverbeteren van de positie van mensen met een beperking.De leden van de SP-fractie benadrukken dat het met het huidige beleiddweilen met de kraan open lijkt om het VN-Verdrag Handicap goed uit tevoeren. De geplande bezuinigingen op zowel de zorg als de socialezekerheid dreigen mensen met een beperking extra te raken, waardoorhun mogelijkheden om gelijkwaardig mee te doen in de samenleving juistkleiner dreigen te worden. Hoe kijkt de Minister hiernaar? Hoe verwacht zijde positie van mensen met een beperking te kunnen vergroten, terwijltegelijkertijd de voorzieningen waarvan veel mensen met een beperkingafhankelijk zijn worden verslechterd of zelfs helemaal verdwijnen?Het kabinet heeft in reactie op de motie Stoffer c.s. en motie Lahlah c.s.24toegezegd om het effect van de verschillende maatregelen op hetbesteedbaar inkomen in kaart te brengen. In de procesbrief heeft hetkabinet aangegeven de uitkomsten van deze analyse voor de zomer naarde Kamer te sturen. De analyse is echter complex en vergt meer tijd. Hetkabinet is voornemens de uitkomsten van de analyse in augustus inbredere samenhang te bezien. Vervolgens zal het kabinet een integraleweging maken hoe de enveloppe tegemoetkoming zorgkosten chronischzieken (CA 33) het beste ingezet kan worden. Over de uitkomsten van dezeanalyse, de invulling van de motie Stoffer en de motie Lahlah en de inzetvan de enveloppe zal het kabinet de Kamer na de zomer informeren.Ondertussen blijf ik met mijn collega’s in het kabinet de werkagendaVN-verdrag Handicap uitvoeren. We zetten daarmee belangrijke stappenom toe te werken naar een meer toegankelijke samenleving en verbete-ringen op alle domeinen van het leven.De leden van de SP-fractie vragen de Minister daarom ook wanneer zij demotie Dobbe c.s. (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 174 ) gaat uitvoeren, dievroeg om «onafhankelijk in kaart te laten brengen wat de gevolgen vanhet maatregelenpakket uit het regeerakkoord zijn voor de positie vanmensen met een beperking en hoe zich dit zich verhoudt tot het standstill-principe van het VN-verdrag Handicap, voordat deze maatregelen wordendoorgevoerd». De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer enhoe zij de motie Bikker c.s. (Kamerstuk 36 848, nr. 107 ), die de regeringverzocht om niet te bezuinigen op de gehandicaptenzorg, gaat uitvoeren.De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer en hoe zij demotie Dobbe (Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 176 ), die de regering verzocht«om op basis van de aanbevelingen uit het rapport over het24Kamerstukken II 2025/26, 36 848, nr. 79, Kamerstuk 36 800 XV, nr. 52 en Kamerstuk 36 800, nr.98.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40643 VN-Vrouwenverdrag plannen te maken om de positie van vrouwen meteen beperking te verbeteren», gaat uitvoeren.Recent heb ik u geïnformeerd over de uitvoering van deze en andereaangenomen moties uit het Wetgevingsoverleg Gehandicaptenbeleid van9 maart 202625. De regering is ook via een motie van lid Stoffer verzochtvoorafgaand aan alle voorgenomen maatregelen die ingrijpen op deportemonnee van mensen in de sociale zekerheid en zorg, de gevolgendaarvan voor kwetsbare groepen in kaart te brengen26. In de procesbriefaan uw Kamer over de uitwerking van de moties Stoffer en Dobbe isgeschetst dat de analyse naar de effecten van de maatregelen uit hetcoalitieakkoord ook specifiek voor mensen met chronische ziekten en/ofbeperking zal plaatsvinden27.Op 28 mei jl. stuurde ik een brief aan de Kamers der Staten-Generaal overde invulling van de motie-Bikker28. Hierin is aangegeven dat de drievoorgenomen tariefmaatregelen binnen de Wlz, namelijkWlz-behandeling, meerjarig contracteren en opschaling digitale zorg, in2027 niet worden doorgevoerd.De geraamde besparing van deze maatregelen bedraagt gezamenlijk€ 171 miljoen in 2027, waarvan € 158 miljoen betrekking heeft op degehandicaptenzorg en € 13 miljoen op de langdurige geestelijkegezondheidszorg. Het kabinet komt hiermee tegemoet aan de wens vande Kamer om deze maatregelen in 2027 niet door te voeren. Hiervoor zijnmiddelen gereserveerd binnen het Wlz-kader. Met dit besluit biedt hetkabinet voorafgaand aan de start van de zorginkoop 2027 duidelijkheidaan de gehandicaptenzorgsector en de sector langdurige ggz.Voor de jaren 2028 en verder is het kabinet voornemens om de bovenge-noemde tariefmaatregelen te bezien in relatie tot de opgave vanuit hetcoalitieakkoord om te komen tot bestuurlijke akkoorden met de sectorenbinnen de Wlz.De motie Dobbe wordt bezien in het kader van de WerkagendaVN-verdrag Handicap 2025–2030. De Kamer wordt in de voortgangsbriefover de werkagenda, die eind 2026 aan de Kamer wordt gezonden,geïnformeerd over de voortgang van de opvolging van de aanbevelingenuit het rapport over het VN-Vrouwenverdrag.De leden van de SP-fractie benadrukken dat het bezoeken van eenziekenhuis voor mensen met een beperking vaak een grotere uitdagingvormt. Dit kan de toegankelijkheid van de zorg voor deze mensenverkleinen, terwijl zij vaak juist meer zorg nodig hebben. Is de Ministerbereid om meer stappen te zetten om ziekenhuiszorg beter toegankelijk temaken voor mensen met een beperking en de zorg hier beter wordtafgesteld op hun behoeften?Er zijn al goede initiatieven om de toegankelijkheid te verbeteren, zoals inde regio Brabant. Door Platform VG Brabant is in samenwerking metZorgbelang Brabant een wegwijzer ontwikkeld. Deze «Wegwijzer voorouders en persoonlijk begeleiders» is tot stand gekomen samen metouders, vertegenwoordigers van woon-/zorginstellingen en ziekenhuizen.De wegwijzer bestaat uit twee delen, het eerste deel betreft hetoverdrachtsformulier, het tweede deel bestaat uit adviezen. Het zijnhulpmiddelen om de zorg en behandeling af te kunnen stemmen op dezorgbehoefte en het gedrag van het kind/de cliënt vóór, tijdens en na een25Kamerstukken II, 2025/2026, 24 170, nr. 40026Kamerstukken II, 2025/2026, 36 848, nr. 7927Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800, nr. 9828Kamerstukken II, 2025/2026, 36 800, nr. 196Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40644 ziekenhuisopname. Het gaat hierbij om maatwerk, om specifieke,persoonlijke zorg. Naast de wegwijzer en aanbevelingen is er de notitie«Aandacht voor mensen met een verstandelijke beperking bij een opnamein het ziekenhuis. Een uitwerking voor de praktijk». Hierin zijn ookpraktijkvoorbeelden opgenomen.Ziekenhuizen kunnen op basis van deze documenten hun toegankelijkheidverbeteren. Zo heeft het Jeroen Bosch Ziekenhuis afspraken gemaaktrondom de zorg voor kinderen en volwassenen met een verstandelijkebeperking. Deze afspraken zijn vastgelegd in een protocol dat allemedewerkers in het ziekenhuis kunnen raadplegen.De leden van de SP-fractie vragen de Minister wanneer zij gaat ingrijpenom de onuitlegbare verschillen tussen gemeenten in de voorzieningenvoor mensen met een beperking tegen te gaan. Deelt de Minister demening dat de rechten van deze mensen belangrijker zijn dan debeleidsvrijheid van gemeenten om te weinig te doen om de rechten vandeze mensen in de praktijk te brengen?Met de Wmo zijn veel zorg- en ondersteuningstaken gedecentraliseerd.Gemeenten kunnen hierdoor beter aansluiten bij de specifieke ondersteu-ningsvragen van hun inwoners, de lokale context en wat daar nodig is.Het lokale maatwerk is van belang voor mensen met een beperking meteen specifieke ondersteuningsvraag. Het kan helaas ook leiden totonwenselijke situaties. In het decentrale stelsel is het primair aan degemeenteraad om te bepalen welke verschillen met andere (al dan nietnaburige) gemeenten aanvaardbaar worden geacht.In de werkagenda VN-verdrag Handicap is de maatregel opgenomen datVWS en de VNG verschillen tussen gemeenten in kaart brengen die doormensen met een beperking als oneerlijk worden ervaren om op basisdaarvan te bepalen welke stappen gezet kunnen worden om dezeverschillen te verkleinen. Voor het notaoverleg initiatiefnota Westerveld«Ons land is beperkt» van 22 juni a.s. ontvangt u in een separate briefdeze verkenning en de reactie daarop. In het jaarlijks bestuurlijk overlegdat ik voer met de VNG over de uitvoering van het VN-verdrag Handicap,zal ik dit rapport en de opvolging ervan met de VNG bespreken. Op diemanier kunnen we gezamenlijk vaststellen wat nodig is om aspecten teverbeteren die voor inwoners met een beperking kwetsbaar of problema-tisch zijn.De leden van de SP-fractie constateren ten slotte dat er grote ongelijkheidbestaat tussen gemeenten in de kosten voor het aanvragen van gehandi-captenparkeerkaart. Deelt de Minister de mening dat dit onuitlegbaar is endat het verkrijgen van een gehandicaptenparkeerkaart gratis zou moetenzijn? Daarnaast vragen zij welke maatregelen de Minister gaat nemen voorhet terugdringen van het tekort aan artsen die dit soort keuringen kunnenuitvoeren.Ik herken de signalen dat de tarieven voor het aanvragen van bijvoorbeeldeen gehandicaptenparkeerkaart sterk uiteenlopen. Toch is dat vooralonderwerp van gemeentelijk beleid. Uit onderzoek blijkt een bandbreedtevan € 0 tot ruim € 300 per aanvraag. De verantwoordelijkheid voor hetvaststellen van leges ligt bij de gemeenteraad. Op grond van de Gemeen-tewet geldt als harde norm dat leges niet hoger mogen zijn dan dewerkelijke kosten. Gemeenten zijn vrij om een lager bedrag te vragen ofde kaart gratis aan te bieden. Een aantal gemeenten doet dat ook. Bij mijzijn er geen signalen bekend dat dit problemen oplevert voor de keuringen afgifte van de gehandicaptenparkeerkaart.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 24 170, nr. 40645

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · cb1cf95fbc9bb4ac

14 okt 2026 · 8e0422d6a866f854

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.