KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs (Kamerstuk 31293-738)

25 okt 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 91518f799349382a · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 293Primair Onderwijs31 289Voortgezet OnderwijsNr. 757 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 25 oktober 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief van 27 juni 2024 inzakede verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs(Kamerstuk 31 293, nr. 738).De vragen en antwoorden zijn op 10 september 2024 aan de Staatssecre-taris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van25 oktober 2024 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Arends kst-31293-757ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7571 InhoudIVragen en opmerkingen vanuit de fracties2•Inbreng van de leden van de VVD-fractie2•Inbreng van de leden van de NSC-fractie2•Inbreng van de leden van de D66-fractie3•Inbreng van de leden van de BBB-fractie4•Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie4IIAntwoord/reactie van de Staatssecretaris5 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie danken de Staatssecretaris voor het toesturenvan de verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezetonderwijs en hebben daar de volgende vragen over.Deze leden lezen dat vrijwel alle leerplichtambtenaren een stijging zien inhun regio voor een vrijstelling op grond van richtingsbezwaren. Zijn hierexacte cijfers van bekend?Daarnaast lezen zij dat ouders ook bezwaren hebben tegen het onderwijsals zodanig. Welke bezwaren worden daar precies mee bedoeld?De leden van deze fractie vragen eveneens hoeveel scholen in aanmerkingzouden komen voor een samenwerkingsschool.Daarnaast vragen zij in hoeverre scholen bekend zijn met de samenwer-kingsscholen. Scholen kunnen er namelijk ook voor kiezen een aanvraagte doen bij het ministerie om een kleine school te laten bestaan.Tenslotte vragen voornoemde leden of scholen die een aanvraag doen bijhet ministerie om een kleine school te mogen blijven, worden ingelichtover de mogelijkheid van de samenwerkingsscholen.Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de verzamelbriefmoties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs. Deze ledenhebben over verschillende thema’s nog een aantal opmerkingen envragen.Digitalisering in het funderend onderwijsDe leden van de NSC-fractie staan niet onwelwillend tegenover digitali-sering in het funderend onderwijs en zien dat dit ook zeker positieveeffecten kan hebben. Innovaties op het gebied van beveiliging enprocesoptimalisatie worden van harte onderschreven. Deze leden stellenechter wel vragen over het groeiende gebruik van digitale leermiddelen.Dit moet immers niet nog meer ten koste gaan van bijvoorbeeld de lees-en schrijfvaardigheid. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar de relatie tussende grote groei in het gebruik van digitale leermiddelen en de achter-uitgang van de basisvaardigheden?Eerste resultaat monitoronderzoek wachtlijsten in het gespecialiseerdonderwijsDe leden van de NSC-fractie vinden het opvallend dat de Staatssecretarisgeen uitspraken kan doen over het totaal aantal leerlingen dat inNederland op een wachtlijst staat en vragen hier een duidelijk beeld vante schetsen. Deze leden merken op dat de periode 2024–2027 behoorlijklang is om de monitor in te voeren. Kan de Staatssecretaris aangeven ofer eerder al resultaten gedeeld kunnen worden? Wat wil de Staatssecre-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7572 taris op de korte termijn doen om de groeiende wachtlijsten aan tepakken?Fries in het onderwijsDe leden van de NSC-fractie willen graag door de Staatssecretaris op dehoogte worden gehouden over hoe de structurele middelen metafspraken, met het vervallen van de SPUK1, vanaf 2025 worden uitgekeerdaan de provincie Fryslân. Deze leden lezen ook dat niet alle leerlingen inFryslân de kans krijgen het Fries te leren door het lerarentekort. Is dit deenige oorzaak of zijn er nog andere belangrijke oorzaken te noemen? Zoja, welke?Gemakkelijk in gesprek over mentale gezondheid van jongerenDe leden van de NSC-fractie merken op dat de Staatssecretaris summierbeschrijft dat persoonlijke hulp erg belangrijk is en dat die hulp in demeeste gevallen goed toegankelijk is. Deze leden vinden dat deze hulpniet op het bordje van de leraar/docent moet komen wanneer dit verdergaat dan een gesprekje met docent of mentor en dat er voldoendemiddelen en mogelijkheden beschikbaar moeten zijn voor preventievejeugdhulp. Kan de Staatssecretaris concrete informatie en cijfersoverleggen over die mogelijkheden om in gesprek te gaan in zowel hetfunderend onderwijs, als het vo2 en het mbo3?Uitstel inwerkingtreding urennorm lichamelijke opvoeding voDe leden van de NSC-fractie lezen dat er veel gedoe is rondom hetinvoeren van de urennorm lichamelijke opvoeding en vragen of, met deinformatie die de Staatssecretaris inmiddels heeft en de signalen die ervanuit het veld komen, het niet verstandiger is af te zien van eenverplichte urennorm bewegingsonderwijs. Hoe kijkt de Staatssecretarishier tegenaan?Inbreng van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deverzamelbrief van de Staatssecretaris met betrekking tot de uitvoering vanenkele moties en toezeggingen.De leden van de D66-fractie zijn in het bijzonder geïnteresseerd in deuitvoering van de motie van het lid Hagen4, waarin wordt gevraagd naarmeer kwalitatief onderzoek ten aanzien van kinderen die op verzoek vanhun ouders worden vrijgesteld van de leerplicht vanwege richtingsbe-zwaren. Deze leden maken zich grote zorgen om de verdriedubbeling vanvrijstellingen op basis van richtingsbezwaren. In de motie wordtgesproken over de noodzaak van kwalitatief onderzoek naar de specifiekebeweegredenen van ouders, om hun kind vrij te stellen van de leerplicht.Daarnaast wordt verzocht om te bezien of uit dit onderzoek lessen kunnenworden getrokken voor leerplichtambtenaren en scholen. Deze ledenvragen of de Staatssecretaris bereid is om meer informatie te delen vanuithet op 23 mei 2024 gehouden rondetafelgesprek over thuiszitters enthuisonderwijs en of de Staatssecretaris voornemens is om verderonderzoek te doen naar de exacte beweegredenen van ouders en daarbijook ouders en kinderen te spreken, gezien uit het rondetafelgesprek is1SPUK: specifieke uitkering2vo: voortgezet onderwijs3mbo: middelbaar beroepsonderwijs4Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 21Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7573 gebleken dat leerplichtambtenaren niet of slechts moeizaam contactkrijgen met de ouders. Daarbij lezen deze leden geen lessen die kunnenworden getrokken voor leerplichtambtenaren en scholen, zijn deze er wel,zo vragen deze leden. En indien deze lessen niet getrokken kunnenworden op basis van het rondetafelgesprek, is het dan niet wenselijk omverder verdiepend onderzoek te doen waarbij onder andere ook metouders en kinderen wordt gesproken, zo vragen zij. Tot slot vragen dezeleden of de Staatssecretaris de zorgen deelt die leven onder leerplicht-ambtenaren over kinderen die vrijgesteld zijn van de leerplicht wegensrichtingsbezwaren en wat zij hieraan gaat doen.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de verzamelbriefmoties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs. Deze ledenhebben enige vragen en opmerkingen bij de brief.De leden van de BBB-fractie hebben met betrekking tot de afronding vanDPIA5 en DTIA6 op Google Workspace for Education en ChromeOSprimair onderwijs beheerde Chromebooks de volgende vraag. Kan naderworden toegelicht waarom het voor een cloudproduct als GoogleWorkspace for Education noodzakelijk is dat scholen en schoolbesturenzelf een aantal nieuwe instellingen doorvoeren?Over het eerste resultaat monitoronderzoek wachtlijsten in het gespeciali-seerd onderwijs hebben deze leden de vraag of de verzamelde gegevensgebruikt kunnen worden voor een opzet van een centrale databank. Metbetrekking tot de onaangekondigde bezoeken door de Inspectie van hetOnderwijs (hierna: inspectie) hebben de voornoemde leden de vraag metwelke vertegenwoordigers van het veld de inspectie gesprekken heeftgevoerd.Ten aanzien van de eindevaluatie Samenwerkingsscholen vragen de ledenvan de BBB-fractie waarom twee van de 14 samenwerkingsscholeninmiddels zijn gestopt. Hebben betrokkenen van deze voormaligesamenwerkingsscholen meegewerkt aan het onderzoek? Kan daarnaastnader worden toegelicht hoe met de aanbevelingen van de onderzoekersaan de slag zal worden gegaan?Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van deverzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs.Deze leden hebben hierover nog een enkele vraag.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Staatssecretarisvoornemens is een wetsvoorstel uit te werken waarin minimale eisen aanhet thuisonderwijs worden gesteld en ook een vorm van toezicht zalworden georganiseerd. Deze leden merken op dat er in diverse landen alsDenemarken, Finland en de Belgische deelstaat Vlaanderen reeds toezichtvoor thuisonderwijs bestaat. Is de Staatssecretaris bereid om eenvergelijkend onderzoek uit te laten voeren naar hoe in andere Europeselanden eisen worden gesteld aan het thuisonderwijs en hoe het toezichtdaar vorm krijgt, om daar lessen uit te trekken voor de vormgeving vanhet toezicht in het voorgenomen wetsvoorstel?5DPIA: Data Protection Impact Assessment6DTIA: Data Transfer Impact AssessmentTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7574 II Antwoord/reactie van de Staatssecretaris VVDDe leden van de VVD-fractie danken de Staatssecretaris voor het toesturenvan de verzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezetonderwijs en hebben daar de volgende vragen over. Deze leden lezen datvrijwel alle leerplichtambtenaren een stijging zien in hun regio voor eenvrijstelling op grond van richtingsbezwaren. Zijn hier exacte cijfers vanbekend? Daarnaast lezen zij dat ouders ook bezwaren hebben tegen hetonderwijs als zodanig. Welke bezwaren worden daar precies meebedoeld?Het aantal beroepen op vrijstelling vanwege richtingsbezwaren isopgenomen in de Rapportage leerplichtwet7. Deze rapportage is op10 mei 2024 met de brief «Passend Onderwijs: blijven bouwen aan debasis»8 gedeeld met uw Kamer. Hierin wordt een landelijke stijging vanhet aantal vrijstellingen in de afgelopen jaren zichtbaar. Per gemeente isvanwege vergelijkbaarheid en privacy technische redenen met percen-tages aangegeven welk gedeelte van de kinderen in de leerplichtigeleeftijd gebruik maakt van een vrijstelling.Ouders kunnen alleen een beroep doen op de vrijstelling vanwegerichtingsbezwaren op basis van een concreet en zwaarwegend bezwaartegen de richting van de scholen in de omgeving, waarbij zij ookaangeven welke welbepaalde geloofsovertuiging of levensbeschouwingzij aanhangen of belijden. Uit bepaalde levensovertuigingen zijn erbezwaren tegen de richting van het onderwijs van scholen in de omgevingdie dicht aanliggen tegen de onderwijspraktijk. Het gaat hierbij bijvoor-beeld om hoe deze ouders aankijken tegen de relatie tussen leraar enleerling. Hier raken de bezwaren tegen de richting aan de bezwaren tegenschoolonderwijs als zodanig.De leden van de VVD-fractie vragen eveneens hoeveel scholen inaanmerking zouden komen voor een samenwerkingsschool. Daarnaastvragen zij in hoeverre scholen bekend zijn met de samenwerkingsscholen.Scholen kunnen er namelijk ook voor kiezen een aanvraag te doen bij hetministerie om een kleine school te laten bestaan. Tenslotte vragenvoornoemde leden of scholen die een aanvraag doen bij het ministerieom een kleine school te mogen blijven, worden ingelicht over demogelijkheid van de samenwerkingsscholenEen samenwerkingsschool kan tot stand komen als daardoor de continu-ïteit van het openbaar of het bijzonder onderwijs gehandhaafd kan blijven.Die continuïteit wordt bedreigd indien een school onder de ophef-fingsnorm zit of dreigt te komen. In 2024 zaten 509 basisscholen onder deopheffingsnorm. In theorie zouden al deze scholen een samenwerkings-school kunnen vormen met een andere school (bijzonder in combinatiemet openbaar onderwijs). In de praktijk zien we dat samenwerkings-scholen alleen tot stand komen wanneer openbaar onderwijs of eenrichting binnen het bijzonder onderwijs dreigt te verdwijnen. Het is nietbekend hoeveel scholen weten van de mogelijkheid om een samenwer-kingsschool te vormen. Wel weten profielorganisaties, zoals Verus enVOS/ABB, van het bestaan deze mogelijkheid. Scholen die met opheffingworden bedreigd laten zich vaak adviseren en ondersteunen doorprofielorganisaties. Op de site van de Rijksoverheid worden scholen7Rapportage leerplichtwet G-gemeenten, schooljaar 2022–2023, Definitieve eindstand | Rapport |Rijksoverheid.nl8Kamerstukken II 2023/24, 31 497, nr. 475Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7575 geïnformeerd over de mogelijkheden als opheffing dreigt, zoals een fusieof de vorming van een samenwerkingsschool. Mijn ministerie zal bekijkenof de mogelijkheid om een samenwerkingsschool te vormen beter onderde aandacht kan worden gebracht bij scholen die onder de ophef-fingsnorm vallen.NSCDe leden van de NSC-fractie staan niet onwelwillend tegenover digitali-sering in het funderend onderwijs en zien dat dit ook zeker positieveeffecten kan hebben. Innovaties op het gebied van beveiliging enprocesoptimalisatie worden van harte onderschreven. Deze leden stellenechter wel vragen over het groeiende gebruik van digitale leermiddelen.Dit moet immers niet nog meer ten koste gaan van bijvoorbeeld de lees-en schrijfvaardigheid. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar de relatie tussende grote groei in het gebruik van digitale leermiddelen en de achter-uitgang van de basisvaardigheden?De achteruitgang van basisvaardigheden kent veel verschillendemogelijke oorzaken, zoals het toenemende aantal taken voor scholen, hettekort aan leraren en schoolleiders en een verouderd en overladencurriculum. Bredere maatschappelijke trends zoals niet-educatieveschermtijd dragen hier eveneens aan bij.Om het tij te keren zet het Ministerie van OCW volop in op ondersteuningvan scholen bij een effectieve inzet van leermiddelen om de basisvaardig-heden van leerlingen te verbeteren. Via het Masterplan Basisvaardig-heden en het Groeifondsprogramma Impuls Open Leermateriaal,onderzoekt het Ministerie van OCW welke leermiddelen – zowel digitaalals papier – effectief zijn voor specifieke lesdoelen en leerlingen. Dezeinzichten worden gebruikt om een kwaliteitskader voor leermiddelen op testellen.Digitale media spelen hierbij een belangrijke rol, omdat ze kansen biedenom verhalen op nieuwe, interactieve manieren te presenteren en kinderenbeter te ondersteunen bij het lezen. Het Groeifondsprogramma NationaalOnderwijslab AI onderzoekt momenteel de mogelijkheden hiervoor.Tegelijkertijd worden maatregelen getroffen om te voorkomen datkinderen enkel korte, oppervlakkige teksten online lezen, wat ten koste kangaan van «diep» lezen. Het nieuwe curriculum verplicht scholen daaromom rijke, kwalitatief hoogstaande teksten aan te bieden, zoals origineleartikelen uit kranten, tijdschriften en passages uit literatuur. Om eensociale en geconcentreerde leeromgeving te bevorderen heb ik met eenbrede vertegenwoordiging uit het onderwijs afgesproken datniet-educatief gebruik van mobiele telefoons en andere persoonlijkedevices niet langer is toegestaan in de klas. Deze afspraak werpt nu al zijnvruchten af. Docenten en leerlingen voelen zich veiliger, werken gecon-centreerder en zijn socialer blijkt uit landelijk onderzoek.De leden van de NSC-fractie vinden het opvallend dat de Staatssecretarisgeen uitspraken kan doen over het totaal aantal leerlingen dat inNederland op een wachtlijst staat en vragen hier een duidelijk beeld vante schetsen. Deze leden merken op dat de periode 2024–2027 behoorlijklang is om de monitor in te voeren. Kan de Staatssecretaris aangeven ofer eerder al resultaten gedeeld kunnen worden? Wat wil de Staatssecre-taris op de korte termijn doen om de groeiende wachtlijsten aan tepakken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7576 Zoals ik u in de verzamelbrief van juni j.l. schreef kan ik om twee redenenhelaas geen uitspraken doen over het totaal aantal leerlingen dat inNederland op een wachtlijst staat voor gespecialiseerd onderwijs. Op ditmoment wordt er niet centraal geregistreerd hoeveel leerlingen er op eenwachtlijst staan. Daarom is deze monitor, uitgevoerd door Oberon,gestart. Maar ook deze monitor biedt geen volledig inzicht. De eerstereden daarvoor is dat leerlingen soms bij meerdere scholen tegelijkertijdworden aangemeld. Dat betekent dus ook dat ze op meerdere wachtlijstenkunnen staan en dat geeft een vertekend beeld van het totaal. Daarnaastvullen (nog) niet alle scholen de vragenlijst van Oberon in. Ik verwacht bijde volgende meting in het najaar reactie van meer scholen. Dit omdatdeze peiling, eerder dan vorige keer, aangekondigd is bij de scholen.Ik heb uw Kamer via de brief over passend onderwijs in mei 2024geïnformeerd over de acties waarmee ik samen met het veld en deMinisteries SZW en VWS de komende periode deze wachtlijsten aan wilpakken (Kamerstuk 31 497, nr. 490). Ik herhaal graag een aantal van devoorgenomen acties in het kort:•Korte termijnoplossingen: verspreiden van goede voorbeelden omregulier en gespecialiseerd onderwijs beter op elkaar aan te latensluiten.•Middellange termijnoplossingen: onderzoek naar het beter stroomlij-nen van de aanmeldprocedure en tlv-afgifte zodat scholen beterkunnen anticiperen op de instroom.•Lange termijnoplossingen: er komt met de Ministeries SZW, OCW enVWS een geïntegreerd plan van aanpak voor de druk op de ketenkinderopvangonderwijs-zorg.In het voorjaar van 2025, bij de volgende Kamerbrief over passendonderwijs, informeer ik uw Kamer conform de motie Kwint/Van der Hul9over de uitkomsten van de komende meting en de voortgang op degenoemde acties.De leden van de NSC-fractie willen graag door de Staatssecretaris op dehoogte worden gehouden over hoe de structurele middelen metafspraken, met het vervallen van de SPUK10, vanaf 2025 worden uitge-keerd aan de provincie Fryslân. Deze leden lezen ook dat niet alleleerlingen in Fryslân de kans krijgen het Fries te leren door het leraren-tekort. Is dit de enige oorzaak of zijn er nog andere belangrijke oorzaken tenoemen? Zo ja, welke?Het kabinet heeft besloten in principe specifieke uitkeringen over tehevelen naar het gemeente- en provinciefonds. In het Hoofdlijnenakkoord(bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 37) is namelijk aangegeven dat speci-fieke uitkeringen gemeenten en provincies beperkt in hun autonomie enstrikte eisen en zware controlelasten met zich mee brengen. Met demiddelen uit de Decentrale Uitkering (DU) kan de provincie Frieslandinvulling geven aan de afspraken in de Bestjoersôfspraak Fryske taal enkultuer (BFTK), maar de DU is in zichzelf bestedingsvrij. Hierover wordtnog overleg gevoerd met de betrokken ministeries (BZK en Financiën). Deredenen waarom niet alle leerlingen in Fryslân de mogelijkheid krijgen omFries te leren variëren van onderwijskundige redenen tot moeilijkheden bijhet vinden van voldoende bevoegde leraren Fries. Dankzij de inzet van deprovincie van de afgelopen jaren, gesteund door de departementen OCWen BZK, zien we dat steeds minder, en dat is een goede ontwikkelinggezien de status van het Fries als tweede rijkstaal. Tegelijkertijd is erinderdaad ook in Fryslân sprake van een lerarentekort. In de BFTK zijn dan9Kamerstukken II 2020–2021, 31 497, nr. 37710SPUK: specifieke uitkeringTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7577 ook maatregelen opgenomen om dit aan te pakken, zodat alle leerlingenin het Friese taalgebied de kans krijgen de taal te leren.De leden van de NSC-fractie merken op dat de Staatssecretaris summierbeschrijft dat persoonlijke hulp erg belangrijk is en dat die hulp in demeeste gevallen goed toegankelijk is. Deze leden vinden dat deze hulpniet op het bordje van de leraar/docent moet komen wanneer dit verdergaat dan een gesprekje met docent of mentor en dat er voldoendemiddelen en mogelijkheden beschikbaar moeten zijn voor preventievejeugdhulp. Kan de Staatssecretaris concrete informatie en cijfersoverleggen over die mogelijkheden om in gesprek te gaan in zowel hetfunderend onderwijs, als het vo11 en het mbo12?Leraren en docenten hebben een belangrijke signaleringsfunctie, maar ikben het er volledig mee eens dat dergelijke zorgtaken niet op hun bordjethuishoren. Daarom zorgen scholen en onderwijsinstellingen er in veelgevallen voor dat er bijvoorbeeld zorgprofessionals op locatie werkzaamzijn. Zo hebben sommige scholen een psycholoog in dienst of er isiemand van een jeugdhulpinstelling een dag per week aanwezig. Daarkunnen leerlingen of studenten mee in gesprek gaan als dat nodig is. Hoedat precies geregeld is, kan per sector en per school of onderwijsinstellingverschillen. Dit omdat de invulling zeer afhankelijk is van de schoolpopu-latie en lokale context.Daarnaast treedt naar verwachting per 1 augustus 2026 de wettelijkeverplichting in om in het funderend onderwijs een interne (en externe)vertrouwenspersoon aan te stellen. Daarbij wordt ook de positie van devertrouwenspersoon versterkt door eisen vast te leggen ten aanzien vandiens taken. Er moet bijvoorbeeld voldoende tijd beschikbaar wordengesteld voor de uitvoering van die taken en er komen eisen aan dedeskundigheid van de vertrouwenspersoon.De leden van de NSC-fractie lezen dat er veel gedoe is rondom hetinvoeren van de urennorm lichamelijke opvoeding en vragen of, met deinformatie die de Staatssecretaris inmiddels heeft en de signalen die ervanuit het veld komen, het niet verstandiger is af te zien van eenverplichte urennorm bewegingsonderwijs. Hoe kijkt de Staatssecretarishier tegenaan?Het vak lichamelijke opvoeding is het enige schoolvak in het voortgezetonderwijs (vo) waarvoor een wettelijke urennorm bestaat. De signalen uithet veld gaan vooral over de onduidelijke formulering van deze norm: hetuitgangspunt is momenteel dat vo-scholen het aantal uur van vóór 2005moeten aanhouden om de kerndoelen te kunnen behalen. Hier staatechter geen concrete urennorm bij. Dat geeft in de praktijk verwarring,omdat scholen niet altijd weten hoeveel uren lichamelijke opvoeding zijmoeten aanbieden. Om scholen te helpen is het dus van belang om deurennorm voor het voortgezet onderwijs alsnog te concretiseren, zodathet glashelder is waar scholen aan moeten voldoen. Dit is ook conformhet amendement Hamer-Mosterd.13 Daarom blijft het de intentie om eenconcreet aantal uren op te nemen in de Wet Voortgezet Onderwijs (WVO),net als dit onlangs is gebeurd in de Wet Primair Onderwijs (WPO). Deverduidelijking van de urennorm in het voortgezet onderwijs heeft geengevolgen voor het primair onderwijs.11vo: voortgezet onderwijs12mbo: middelbaar beroepsonderwijs13Kamerstukken II 2005/06, 30 187, nr. 25Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7578 D66De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deverzamelbrief van de Staatssecretaris met betrekking tot de uitvoering vanenkele moties en toezeggingen. De leden van de D66-fractie zijn in hetbijzonder geïnteresseerd in de uitvoering van de motie van het lid Hagen,waarin wordt gevraagd naar meer kwalitatief onderzoek ten aanzien vankinderen die op verzoek van hun ouders worden vrijgesteld van deleerplicht vanwege richtingsbezwaren. Deze leden maken zich grotezorgen om de verdriedubbeling van vrijstellingen op basis van richtings-bezwaren. In de motie wordt gesproken over de noodzaak van kwalitatiefonderzoek naar de specifieke beweegredenen van ouders, om hun kindvrij te stellen van de leerplicht. Daarnaast wordt verzocht om te bezien ofuit dit onderzoek lessen kunnen worden getrokken voor leerplichtambte-naren en scholen. Deze leden vragen of de Staatssecretaris bereid is ommeer informatie te delen vanuit het op 23 mei 2024 gehouden rondetafel-gesprek over thuiszitters en thuisonderwijs en of de Staatssecretarisvoornemens is om verder onderzoek te doen naar de exacte beweegre-denen van ouders en daarbij ook ouders en kinderen te spreken, gezien uithet rondetafelgesprek is gebleken dat leerplichtambtenaren niet of slechtsmoeizaam contact krijgen met de ouders. Daarbij lezen deze leden geenlessen die kunnen worden getrokken voor leerplichtambtenaren enscholen, zijn deze er wel, zo vragen deze leden. En indien deze lessen nietgetrokken kunnen worden op basis van het rondetafelgesprek, is het danniet wenselijk om verder verdiepend onderzoek te doen waarbij onderandere ook met ouders en kinderen wordt gesproken, zo vragen zij. Totslot vragen deze leden of de Staatssecretaris de zorgen deelt die levenonder leerplichtambtenaren over kinderen die vrijgesteld zijn van deleerplicht wegens richtingsbezwaren en wat zij hieraan gaat doen.Ik deel de zorgen van de D66-fractie en van de leerplichtambtenaren overde snelle stijging van het aantal leerlingen met een vrijstelling vanwegerichtingsbezwaren. Om die reden werken we ook aan maatregelen op ditgebied, waarmee we de gesignaleerde problemen kunnen aanpakken. Ikwil met de maatregelen garanderen dat deze kinderen in ieder geval enigonderwijs van een zekere kwaliteit wordt geboden. Dit in het belang vanhun ontwikkeling en binding met de samenleving. Over de beoogdemaatregelen zal ik uw Kamer later dit jaar nader informeren.In het kader van de motie van het lid Hagen (D66) zijn in maart vanuit mijnministerie gesprekken gevoerd met leerplichtambtenaren over dezegroep. De belangrijkste opbrengsten van de gesprekken met leerplicht-ambtenaren zijn met uw Kamer gedeeld in de verzamelbrief. De belang-rijkste les uit deze gesprekken was dat regelgeving en toezicht dringendgewenst is, omdat deze groep op dit moment niet in beeld is. Hetrondetafelgesprek van 23 mei jl. waar u ook naar verwijst, was eengesprek van uw Vaste Kamercommissie over thuiszitters en thuison-derwijs. Nader onderzoek onder de groep ouders die beroep doet op eenvrijstelling ligt moeilijk, omdat de ouders niet landelijk geregistreerdworden en dus niet als zodanig te benaderen zijn. Met de thuisonderwijs-organisaties is regelmatig contact. Zij vertegenwoordigen een belangrijkgedeelte van de doelgroep, maar kunnen ook niet alle ouders die beroepdoen op een vrijstelling tot hun achterban rekenen. Bij de uitwerking vanmaatregelen worden zowel de ouders, via de thuisonderwijsorganisaties,als de leerplichtambtenaren betrokken. In het geval van een internetcon-sultatie bij wetgeving krijgt vervolgens iedereen de mogelijkheid eenzienswijze op het wetsvoorstel kenbaar te maken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 7579 BBBDe leden van de BBB-fractie hebben met betrekking tot de afronding vanDPIA14 en DTIA15 op Google Workspace for Education en ChromeOSprimair onderwijs beheerde Chromebooks de volgende vraag. Kan naderworden toegelicht waarom het voor een cloudproduct als GoogleWorkspace for Education noodzakelijk is dat scholen en schoolbesturenzelf een aantal nieuwe instellingen doorvoeren?Niet alle scholen die gebruik maken van Google Workspace doen dat opdezelfde manier. Het is daarom niet mogelijk om instellingen dievoortvloeien uit de afspraken met Google automatisch voor iedereen doorte voeren. Wel is geprobeerd om het voor scholen zo makkelijk mogelijk temaken. Voor onderwijsinstellingen met minderjarige leerlingen is er eensnelkoppeling voor de juiste privacy-instellingen beschikbaar. Dit is dezogenoemde K-12 instelling (de Amerikaanse term voor school metleerlingen onder de 18 jaar). Veel van de handmatig uit te voereninstellingen worden door het inschakelen van deze K-12 knop doorge-voerd. Het advies is dat instellingen in het mbo en hoger onderwijs dezeoptie ook inschakelen. Verder moeten onderwijsinstellingen een licentieaanschaffen. Voor scholen die gebruik maken van Chromebooks is er eenprivacyvriendelijke versie (de data processor mode) beschikbaar inChromeOS (het besturingssysteem van Chromebooks). Scholen dienen deChromebook in beheer te nemen in Workspace for Education en dezeprivacyvriendelijke modus te starten. SIVON en SURF, de ICT-coöperatiesvoor respectievelijk het funderend en hoger onderwijs die onderhande-lingen met Google uitgevoerd hebben, hebben op hun websites meerinformatie en technische handleidingen opgenomen over hoe deaanpassingen in zijn werk gaan. Daar staat ook een duidelijke beschrijvingvan welke onderwijsinstellingen zij moeten doorvoeren.Over het eerste resultaat monitoronderzoek wachtlijsten in het gespeciali-seerd onderwijs hebben de leden van de BBB-fractie de vraag of deverzamelde gegevens gebruikt kunnen worden voor een opzet van eencentrale databank.Dit lijkt me nu niet passend, omdat deze centrale databank geenbetrouwbaar totaalbeeld kan geven van het aantal leerlingen op eenwachtlijst omdat leerlingen soms bij meerdere scholen tegelijkertijdworden aangemeld en dus ook op meerdere wachtlijsten kunnen staan.Via de jaarlijkse monitor zet ik wel in op een zo goed mogelijk beeld vande ontwikkeling van de wachtlijsten.Met betrekking tot de onaangekondigde bezoeken door de Inspectie vanhet Onderwijs (hierna: inspectie) hebben de voornoemde leden de vraagmet welke vertegenwoordigers van het veld de inspectie gesprekken heeftgevoerd.De inspectie heeft gesproken met leraren, schoolleiders, directeuren,intern begeleiders, zorgcoördinatoren, bestuurders, beleidsadviseurs,opleidingsmanagers en de directeur van Ouders & Onderwijs.Ten aanzien van de eindevaluatie Samenwerkingsscholen vragen de ledenvan de BBB-fractie waarom twee van de 14 samenwerkingsscholeninmiddels zijn gestopt. Hebben betrokkenen van deze voormaligesamenwerkingsscholen meegewerkt aan het onderzoek? Kan daarnaast14DPIA: Data Protection Impact Assessment15DTIA: Data Transfer Impact AssessmentTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75710 nader worden toegelicht hoe met de aanbevelingen van de onderzoekersaan de slag zal worden gegaan?Betrokkenen van één van de twee gestopte samenwerkingsscholenhebben meegewerkt aan de wetsevaluatie. Deze school bevindt zich opSchiermonnikoog. Het bleek lastig een bestuur te behouden. In overleg isvervolgens besloten het bestuur bij de gemeente te beleggen en daarmeeis de school officieel openbaar geworden. In de praktijk functioneert deschool nog als een samenwerkingsschool. Zo heeft de school nog steedseen identiteitscommissie en heet de school nog steeds samenwerkings-school. De aanbeveling om bij vormen van een samenwerkingsschoolmeer uit te gaan van één nieuwe verbonden identiteit, in plaats van hetwaarborgen van twee identiteiten, gaat mijn ministerie toepassen bij hetcontact met scholen die interesse hebben in de vorming van eensamenwerkingsschool. Een andere aanbeveling is om alle scholen, ookdie niet met opheffing worden bedreigd, de mogelijkheid te geven om eensamenwerkingsschool te vormen. Het Ministerie van OCW neemt dezeaanbeveling mee in het omvormen van de opheffingssystematiek in hetbasisonderwijs. Mijn ministerie onderzoekt daarbinnen de mogelijkheidom een samenwerkingsschool te vormen al vóór opheffing dreigt. Diemogelijkheid kan, zeker in dunbevolktere gebieden, een welkom alter-natief zijn om een kwalitatief goed onderwijs te kunnen borgen.Tot slot merken de leden van de BBB-fractie met betrekking tot de motievan de leden Van Zanten, Stoffer, Ceder, De Kort en Krul16 op dat zijuitkijken naar de verdere ontwikkeling van beleid rondom opheffings-normen en de toepassing van de kleinescholentoeslag, waarover deKamer in het najaar wordt geïnformeerd.ChristenUnieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van deverzamelbrief moties en toezeggingen primair en voortgezet onderwijs.Deze leden hebben hierover nog een enkele vraag.De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat de Staatssecretarisvoornemens is een wetsvoorstel uit te werken waarin minimale eisen aanhet thuisonderwijs worden gesteld en ook een vorm van toezicht zalworden georganiseerd. Deze leden merken op dat er in diverse landen alsDenemarken, Finland en de Belgische deelstaat Vlaanderen reeds toezichtvoor thuisonderwijs bestaat. Is de Staatssecretaris bereid om eenvergelijkend onderzoek uit te laten voeren naar hoe in andere Europeselanden eisen worden gesteld aan het thuisonderwijs en hoe het toezichtdaar vorm krijgt, om daar lessen uit te trekken voor de vormgeving vanhet toezicht in het voorgenomen wetsvoorstel?Met het aangekondigde wetsvoorstel zal worden vastgelegd dat oudersdie een beroep doen op een vrijstelling vanwege richtingsbezwarenvervangend onderwijs moeten geven dat voldoet aan bepaalde minimum-normen en daarnaast zal het toezicht op dit onderwijs worden geregeld.Hierbij wordt vanzelfsprekend ook gekeken naar goede voorbeelden uithet buitenland. Met de collega’s uit Vlaanderen is hierover bijvoorbeeld alcontact. Ook van andere landen leren we graag en zoeken we uitwisseling.Daarbij wil ik wel voorkomen dat eventueel nader onderzoek leidt totverdere vertraging van het wetstraject, omdat het zicht op het onderwijsdat deze kinderen krijgen op dit moment ontbreekt en we dat zicht welgraag snel willen kunnen krijgen in het belang van de betreffendekinderen.16Kamerstuk 36 410 VIII, nr. 79Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 293, nr. 75711

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 1666dbbd982c3a60

14 okt 2026 · a85605f1bc7afbe1

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.