Verslag van een schriftelijk overleg inzake Kabinetsreactie op advies Gezondheidsraad over een Meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen (Kamerstuk 28089-329)
Brontekst
Versie 058be7dd7c312394 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202528 089Gezondheid en milieuNr. 332 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 5 februari 2025 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 7 november 2024inzake Kabinetsreactie op advies Gezondheidsraad over een Meetpro-gramma voor blootstelling aan chemische stoffen (Kamerstuk 28 089,nr. 329).De vragen en opmerkingen zijn op 17 december 2024 aan de Staatssecre-taris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van5 februari 2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-28089-332ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3321 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie6II.Reactie van de Staatssecretaris7 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dekabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad over een Meetpro-gramma voor blootstelling aan chemische stoffen en zijn benieuwd naarde modelleringsstudie van het RIVM, waarin verschillende varianten inkaart worden gebracht inclusief de inschatting van de bijbehorendekosten. Genoemde leden zien de kabinetsreactie met de uiteindelijkeafweging over het instellen van een meetprogramma voor blootstellingaan chemische stoffen graag tegemoet. De leden van de PVV-fractievragen de Staatssecretaris de Kamer voor het einde van 2025 nader teinformeren over de stand van zaken.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de kabinetsreactie op het advies van de Gezondheidsraad overeen Meetprogramma voor blootstelling aan chemische stoffen. Dezeleden maken zich veel zorgen over de impact van de industrie op degezondheid van de inwoners van dit land en vinden het daarom van grootbelang dat inzichtelijk wordt in hoeverre burgers worden blootgesteld aanchemische stoffen. De reactie van de Staatssecretaris op het advies van deGezondheidsraad om een meetprogramma hiervoor op te starten, vindendeze leden dan ook zeer teleurstellend en zij hebben daarover meerderevragen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat er grote gezondheidsri-sico’s zijn rondom de blootstelling aan chemische stoffen. Zo consta-teerde RTL-nieuws recent nog dat inwoners van dertien gebieden metzware industrie ruim € 145 meer kwijt zijn aan zorg, tot wel € 314 voorinwoners van Delfzijl1. In de buurt van Tata Steel leven omwonendengemiddeld 2,5 maand korter2 en is de sterfte onder fabrieksarbeidersanderhalve keer zo hoog als het landelijk gemiddelde3. Niet-afbreekbarePFAS-stoffen worden overal in het land aangetroffen en kunnen het1Skipr, 27 juni 2024, «145 euro meer kwijt aan zorg bij zware industrie in de buurt: grotebezorgdheid bij experts» (145 euro meer kwijt aan zorg bij zware industrie in de buurt: grotebezorgdheid bij experts)2RIVM, 22 september 2023, «Directe relatie tussen uitstoot Tata Steel en hinder en kans opziekte» (Directe relatie tussen uitstoot Tata Steel en hinder en kans op ziekte | RIVM)3EenVandaag, 10 december 2024, «Sterfte onder fabrieksarbeiders Tata Steel blijkt 1,5 keer zohoog als landelijk gemiddelde: «Topje van de ijsberg» (Sterfte onder fabrieksarbeidersTata Steel blijkt 1,5 keer zo hoog als landelijk gemiddelde: «Topje van de ijsberg» –EenVandaag)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3322 immuunsysteem verzwakken en zelfs kanker veroorzaken4. Kortom: deleden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien voldoende aanleiding om hetstevige advies van de Gezondheidsraad om een structureel, periodiekmeetprogramma in te richten voor de blootstelling van mensen aanchemische stoffen op te volgen. Zij zijn van mening dat er pas adequaatbeleid kan worden gemaakt, wanneer goed in kaart is gebracht waar degrootste risico’s zijn. Deelt de Staatssecretaris de opvatting dat biomoni-toring een onmisbaar instrument is voor het monitoren van trends en omde voortgang en effectiviteit van milieu- en gezondheidsbeleid te toetsenen waar nodig bij te sturen? Deelt hij ook dat het ontbreken van zo’nprogramma het onmogelijk maakt om te beoordelen of regelgeving enbeleidsinterventies effectief en/of aanvullend nodig zijn? Hoe zal biomoni-toring structureel worden ingebed in de beleids- en besluitvorming,bijvoorbeeld om emissienormen en regelgeving aan te scherpen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het echt ondermaats dater pas in de eerste helft van 2026 de afweging wordt gemaakt over het welof niet instellen van een meetprogramma. Wat zijn de specifieke lacunesin de informatie die maken dat het kabinet eerst een modelleringsstudiewil uitvoeren, in plaats van direct te starten met een kleinschalige pilot?Op welke wijze worden succesvolle programma’s zoals in Duitsland enVlaanderen geïntegreerd in de Nederlandse aanpak? Waarom is er geengedetailleerde inschatting van de kosten, terwijl vergelijkbareprogramma’s in andere landen hier ervaring mee hebben? Is de Staatsse-cretaris het ermee eens dat de jaarlijkse zorgkosten van € 1,2 miljard alsgevolg van chemische stoffen een sterke prikkel zouden moeten zijn omeen meetprogramma snel te starten? Is de Staatssecretaris bereid om inieder geval te beginnen met een meetprogramma in de dertien gebiedenmet zware industrie? Is hij bereid om op korte termijn in gesprek te gaanmet de Gezondheidsraad om die optie te verkennen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de brief van deStaatssecretaris niets over bestrijdingsmiddelen, terwijl dat ookchemische stoffen zijn. Wordt in het programma bestrijdingsmiddelen ookals chemische stof meegenomen? In de brief wordt meer waarde gehechtaan buitenlandse onderzoeken waarbij in de discussie rondom bestrij-dingsmiddelen (wat ook onder chemische stoffen valt) altijd buitenlandseonderzoeken en de generaliseerbaarheid daarvan op Nederland in twijfelwordt getrokken. Wordt nu ook meer waarde gehecht aan buitenlandseonderzoeken die de associatie tussen bestrijdingsmiddelen en Parkinsonaantonen? Zo nee, des te belangrijker dat dit wel gebeurd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de Staatssecre-taris van Infrastructuur en Waterstaat heeft aangegeven dat er rondom declusters Tata Steel, Chemelot en Chemours wel gezondheidseffectengemeten gaan worden, zodat deze methodiek ook kan worden toegepastin de andere industrieclusters. In hoeverre werken de bewindspersonensamen op dit dossier? En in hoeverre is die toezegging in lijn met hetadvies van de Gezondheidsraad?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op het advies van de Gezondheidsraad over een meetprogrammavoor blootstelling aan chemische stoffen. Zij merken op dat er nog veelonduidelijk is over een dergelijk meetprogramma, hoe dit vormgegevenmoet worden en wat de effecten zouden (kunnen) zijn. Het is daarom goeddat er een modelleringsstudie wordt uitgevoerd die verschillendevarianten in kaart brengt.4De Volkskrant, 28 april 2024, «Iedere Nederlander krijgt te veel pfas binnen: hoe groot is hetgezondheidsgevaar?» (Iedere Nederlander krijgt te veel pfas binnen: hoe groot is het gezond-heidsgevaar? | de Volkskrant)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3323 Momenteel worden in Nederland enkel voor specifieke stoffen onder-zoeken uitgevoerd waarvoor opdracht wordt gegeven als er zorgen zijnover een bepaalde stof. De leden van de VVD-fractie vragen zich af of eenstructureel meetprogramma naar zoveel stoffen met onbekende gezond-heidseffecten niet kan zorgen voor onnodige onrust? En met betrekkingtot de communicatie over de stoffen en de onbekende gezondheidsef-fecten vragen de genoemde leden hoe hierin wordt voorzien.Zoals eerder opgemerkt moet veel nog worden uitgewerkt en de ledenvan de VVD-fractie zetten dan ook enige vraagtekens bij de uitvoer-baarheid van een structureel meetprogramma. In hoeverre zijn adminis-tratieve lasten en regeldruk onderdeel van de modelleringsstudie? Bij wiekomen de administratieve lasten terecht en is dit proportioneel in relatietot de onbekendheid en waarde van de uitkomsten?Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op het advies van de Gezondheidsraad over een Meetprogrammavoor blootstelling aan chemische stoffen.De leden van de NSC-fractie onderstrepen de waarde van kwalitatiefgoede data voor adequaat beleid. Deze leden vragen zich echter wel af inhoeverre minimaal 1.500 deelnemers een goede weerspiegeling kunnengeven van regionale en sociale verschillen. Is de Staatssecretaris het metdeze leden eens dat het ook belangrijk is om juist deze verschillen in beeldte brengen?Deze leden lezen in de kabinetsreactie dat er een totale inschatting van debijdrage van chemische stoffen aan de ziektelast in Nederland ontbreekt.Kan de Staatssecretaris toelichten waarom dit zo is? En kan hij toelichtenof dit in de toekomst misschien wel mogelijk is?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de onderhavigestukken. Zij lezen dat de Gezondheidsraad het kabinet adviseert om eenstructureel, periodiek meetprogramma in te richten voor de blootstellingvan mensen aan chemische stoffen. Genoemde leden zijn hiervoorstander van. Tegelijkertijd zijn er ook recent zorgen geuit, onderandere door Diederik Gommers5, over mogelijke gezondheidsschade doorwindmolens. De leden van de BBB-fractie vragen daarom aan deStaatssecretaris of hij wil toezeggen een structureel meetprogramma in terichten om de mogelijke gezondheidsschade van windmolens temonitoren.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsreactieop advies Gezondheidsraad over een Meetprogramma voor blootstellingaan chemische stoffen. Zij hebben hier nog enkele vragen en opmer-kingen over.De leden van de SP-fractie lezen dat het kabinet het RIVM opdracht wilgeven «tot het uitvoeren van een modelleringsstudie, waarin verschil-lende varianten in kaart worden gebracht». Zij vragen de Staatssecretarisof in deze scenario’s en in het uitwerken van het Meetprogramma voorblootstelling aan chemische stoffen in het algemeen ook specifiekeaandacht wordt besteed aan specifieke risicogebieden, zoals de omgeving5De Telegraaf, 28 november 2024, «Diederik Gommers haalt uit naar RIVM om «WC-eend-onderzoeken» windmolens: «Steeds meer signalen dat het zeer ernstig kan zijn» (DiederikGommers haalt uit naar RIVM om «WC-eend-onderzoeken» windmolens: «Steeds meersignalen dat het zeer ernstig kan zijn» | Binnenland | Telegraaf.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3324 van industrie waarbij veel chemische stoffen worden uitgestoot.Daarnaast vragen zij hem ook of er hierbij specifieke aandacht zal wordenbesteed aan risicogroepen die via hun werk op grotere schaal wordenblootgesteld aan chemische stoffen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de reactie vande Staatssecretaris op het advies van de Gezondheidsraad over hetinstellen van een meetprogramma voor blootstelling aan chemischestoffen en hebben daar een aantal vragen over. Genoemde leden vragenof de Staatssecretaris het ermee eens is dat de jaarlijkse zorgkosten van€ 1,2 miljard als gevolg van chemische stoffen een sterke prikkel zoudenmoeten zijn om een meetprogramma snel te starten? Is de Staatssecre-taris het met genoemde leden eens dat voor de bekostiging van ditprogramma vooral moet worden gekeken naar de maatschappelijkekosten en baten van het programma, aangezien de onderzoeksresultatenaanpak van vervuiling van chemische stoffen kunnen versimpelen endaarmee gezondheidskosten kunnen gaan beperken.De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat data een belangrijkebasis is van beleid. De juiste en relevante data verzamelen is dan ookcruciaal om als overheid aan de zorgplicht te voldoen. Het is daardooronbegrijpelijk dat de Staatssecretaris nog twee jaar wil wachten, want hetmeetprogramma kan ontbrekende gegevens aanvullen. Gezien deurgentie die de Gezondheidsraad benadrukt, vragen deze leden waaromhet tot minstens 2026 moet duren voordat de Staatssecretaris eenbeslissing neemt over de invoering van een meetprogramma. Waaromwordt er gewacht terwijl er geen belemmeringen zijn (technischemogelijkheden op het gebied van biomonitoring zijn de laatste jaren juisttoegenomen)?De leden van de PvdD-fractie zijn namelijk van mening dat het deeffectiviteit van beleid ten goede zou kunnen komen, en de overheid eenvollerere gereedschapskist zou geven om de volksgezondheid te bewakenen bevorderen en in te spelen op regionale verschillen en/of verschillentussen bevolkingsgroepen. Generiek beleid is niet genoeg. Welke stappenonderneemt de Staatssecretaris al om nu al de blootstelling aan schade-lijke chemische stoffen te monitoren en te verminderen, totdat eenstructureel meetprogramma wordt ingevoerd?De leden van de PvdD-fractie constateren dat in een tussentijdse versievan het Nationaal Milieu Programma dat door het Ministerie vanInfrastructuur en Waterstaat wordt ontwikkelend, de overheid zichzelf dedoelstellingen heeft opgelegd een dalende trend te realiseren van ZeerZorgwekkende Stoffen tegen 2030. Hoe kan deze dalende trend in gangworden gezet als pas op z’n vroegst in 2026 een afweging gemaakt kanworden over het eventueel instellen van een meetprogramma? Waaromwordt hier niet meer prioriteit aan gegeven? Hoe kan de overheid zondereen meetprogramma met zekerheid weten wat de effecten van het beleidzijn?Het vertrouwen in de overheid daalt en genoemde leden zijn van meningdat het invoeren van een structureel meetprogramma ook ten goede kankomen van het vertrouwensband dat er moet zijn tussen burgers enoverheid. Uitstellen naar 2026 doet dat echter niet. De leden van dePvdD-fractie constateren dat er grote zorgen leven in de maatschappijover blootstelling aan chemische stoffen. Zie ook de recenteRIVM-verkenning over PFAS rondom Chemours en de Westerscheldewaar de zorgen van burgers goed naar voren kwamen. Hierin werd ookgeconcludeerd dat inwoners onderzoek naar hun gezondheid heelbelangrijk vinden, maar dit niet mag leiden tot vertraging in echte actieom de vervuilingsbron weg te nemen. Hoe gaat de Staatssecretaris erconcreet voor zorgen dat dit onderzoek niet zal leiden tot onnodigeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3325 vertraging van het aanpakken van de vervuilingsbron, waar de burgersterecht bang voor zijn? De leden van de PvdD-fractie lezen dat biomoni-toring in Nederland alleen incidenteel plaats vindt, meestal in reactie opmaatschappelijke onrust en dat daardoor belangrijke gegevens overblootstelling die nodig zijn voor het controleren en optimaliseren vanbeleid ontbreken. Preventie betekent proactief zijn. Waarom voert deStaatssecretaris in die zin geen proactief beleid als het gaat om hetbeperken van gezondheidsschade als gevolg van blootstelling aanchemische stoffen?De leden van de PvdD-fractie vragen de Staatssecretaris of en hoe ditsamenhangt met het RIVM PFAS-onderzoeksprogramma. Hoe wil deStaatssecretaris de onderzoeksgroep gaan samenstellen? Zal hier ookspecifiek rekening gehouden worden met representatie uit gebiedenrondom SEVESO-inrichtingen en Arie-bedrijven?De leden van de PvdD-fractie lezen in de reactie van de Staatssecretaris ophet advies dat er veel vraagtekens zijn bij uitvoerbaarheid en dat er nogeen «flink aantal keuzes gemaakt moeten worden». Aangezien er alincidenteel gemeten wordt en in andere landen dit onderzoek al wordtuitgevoerd, vragen de leden van de PvdD-fractie om deze keuzes op eenrij te zetten. Wat zouden de risico’s zijn om zo’n meetprogramma zo snelmogelijk op te zetten en uit te voeren? Kan de Staatssecretaris middelseen tijdlijn toelichten en aangeven wat er eventueel versnelt zou kunnenworden? Speelt het een rol dat de Staatssecretaris bang is voor deuitkomsten van het onderzoek?De leden van de PvdD-fractie vragen ten slotte of de Staatssecretaris eenbevestiging kan geven dat een dergelijk biomonitoringsprogrammadoorgang zal krijgen, gezien het feit dat de Staatssecretaris zelf in zijnreactie op het advies aangeeft veel toegevoegde waarde in het meetpro-gramma te zien.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de kabinetsre-actie op het advies van de Gezondheidsraad over een Meetprogrammavoor blootstelling aan chemische stoffen. Zij hebben hierover een enkelevraag.De Gezondheidsraad heeft het kabinet geadviseerd om een structureel,periodiek meetprogramma in te richten voor de blootstelling van mensenaan chemische stoffen. De leden van de SGP-fractie constateren dat opbasis van het advies van de Gezondheidsraad we nog onvoldoendeinformatie over de beste invulling van een meetprogramma en debijbehorende kosten hebben. Om die reden geeft de Staatssecretaris hetRIVM de opdracht tot het uitvoeren van een modelleringsstudie, waarinverschillende varianten in kaart worden gebracht en een realistischeinschatting wordt gemaakt van de bijbehorende kosten. Op basis van diemodelleringsstudie zal de Staatssecretaris een afweging maken over hetinstellen van een meetprogramma voor blootstelling aan chemischestoffen. De Staatssecretaris geeft aan dat hierop op zijn vroegst in deeerste helft van 2026 terug wordt gekomen. De leden van de SGP-fractievinden dit best lang duren, mede gelet op het feit dat er in andere landenal meetprogramma’s lopen. Zijn er mogelijkheden om dit RIVM-onderzoekte versnellen? Kan de Staatssecretaris toezeggen dat dit onderzoek in 2025wordt afgerond?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3326 II. Reactie van de Staatssecretaris Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie vragen de Staatssecretaris de Kamer voor heteinde van 2025 nader te informeren over de stand van zaken. Dat zal ikdoen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie wijzen op verschillende cijfersdie zij associëren met de blootstelling aan chemische stoffen, maar diecijfers zijn niet allemaal direct gerelateerd aan chemische stoffen. Dehogere zorgkosten in dertien gebieden met zware industrie wordenwaarschijnlijk voor een deel veroorzaakt door blootstelling aan chemischestoffen, maar ook door andere factoren. Gezondheid wordt bepaald dooreen combinatie van persoonsgebonden factoren, leefstijl en gewoontenen leef-, woon- en werkomgeving.De leden vragen of ik de opvatting deel dat biomonitoring een onmisbaarinstrument is. Het gebruik van biomonitoring in het milieu- en gezond-heidsbeleid staat echter niet ter discussie. Het advies van de Gezond-heidsraad richt zich op de inrichting van een structureel meetprogrammadat gebruik maakt van biomonitoring. Wat ik graag met de modellerings-studie wil uitzoeken is hoe we zo’n structureel meetprogramma het bestekunnen inrichten en wat de kosten en baten daarvan zijn. Op basis van deuitkomsten kan het kabinet concluderen dat een structureel meetpro-gramma onvoldoende meerwaarde heeft voor het beleid in verhoudingtot de kosten. In dat geval blijft biomonitoring echter geschikt alsincidenteel instrument, zoals nu bijvoorbeeld in het PFAS Onderzoekspro-gramma bij het RIVM.6De leden vragen ook naar de structurele inbedding in de beleids- enbesluitvorming. De Gezondheidsraad heeft hier in haar advies ookexpliciet aandacht aan besteed. In de reactie op dit advies heeft hetkabinet een korte schets gegeven van het brede beleid ten aanzien vanchemische stoffen. Dat verandert in essentie niet door de toevoeging vaneen meetprogramma. De beleidsafwegingen voor nieuw beleid en nieuwenormen blijven vergelijkbaar. Een structureel meetprogramma biedtvooral signalen over de cumulatieve blootstelling aan bepaalde stoffen,die vanuit verschillende bronnen in het menselijke lichaam terechtkomen.Als het kabinet tot de conclusie komt dat bepaalde signalen zorgelijk zijnen beleid nodig is, maken we gebruik van de reguliere aanpak waarbij hetprobleem en mogelijke oplossingen in kaart worden gebracht. Vervolgenshebben het kabinet, provincies en gemeenten diverse instrumenten omproblemen aan te pakken, waaronder emissienormen en regelgeving.De leden hebben ook vragen gesteld over de modelleringsstudie. Demodelleringsstudie wordt uitgevoerd om een beter besluit te kunnennemen. Ten eerste gaat dat om de invulling van het meetprogramma. DeGezondheidsraad heeft een minimumvariant beschreven die we echter opmeerdere manieren kunnen uitvoeren. Daarnaast wil het kabinet datkunnen vergelijken met een uitgebreidere variant, die extra informatie zoukunnen bieden. Voor die verschillende varianten heeft het kabinet nu noggeen goede indicatie van de kosten. En het kabinet wil de kosten en batentegen elkaar kunnen afwegen. Het RIVM maakt in ieder geval gebruik vande voorbeelden uit Duitsland, Vlaanderen en Luxemburg. Het6Kamerstukken II 2024/2025, 35 334, nr. 303.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3327 uitgangspunt voor de modelleringsstudie is dat een Nederlands meetpro-gramma moet aansluiten bij de methodieken en technieken die inEuropees verband worden gebruikt, zodat gebruik gemaakt kan wordenvan gezamenlijk ontwikkelde kennis en zodat de gegevens van verschil-lende landen elkaar kunnen aanvullen. Het is lastig om de kosten vandergelijke programma’s met elkaar te vergelijken, omdat er verschillen zijntussen de organisatie van de programma’s in verschillende landen. Voorde modelleringsstudie zal het RIVM daarom onderzoeken hoe de kosten inDuitsland en Vlaanderen zijn opgebouwd en een indicatie geven voor devertaling daarvan in Nederland. Het gaat daarbij niet alleen om hetuitvoeren van (laboratorium)analyses van stoffen in lichaamsmateriaal,maar ook om de coördinatie en organisatie van het onderzoek, demonstername, de interpretatie van resultaten, de publicatie en decommunicatie.De leden vragen ook of de zorgkosten van 1,2 miljard euro een sterkeprikkel zijn om een meetprogramma snel te starten. De 1,2 miljard eurozorgkosten die worden genoemd, betreffen de zorgkosten als gevolg vanziektelast die is gekoppeld aan het milieu, zoals dat berekend is in deVolksgezondheid Toekomst Verkenning van het RIVM uit 2018.7 Hetovergrote deel van de zorgkosten uit deze berekening wordt veroorzaaktdoor blootstelling aan fijnstof. Daar heeft het kabinet beleid voor, ookzonder een meetprogramma zoals dat geadviseerd is door de Gezond-heidsraad.Het feit dat er gezondheidsschade optreedt bij mensen door blootstellingaan chemische stoffen en de zorgkosten die daarmee samenhangen, zijnechter in het algemeen wel redenen om beleid te maken voor hetbeperken van blootstelling aan chemische stoffen. Of en hoe eenmeetprogramma een goede toevoeging is aan dat beleid wil ik graag opbasis van de modelleringsstudie beoordelen.De leden vragen of ik bereid ben een meetprogramma te starten in dedertien industriegebieden die genoemd zijn in een nieuwsartikel van RTLomdat daar hogere dan gemiddelde zorgkosten zijn en of ik daarover inoverleg wil gaan met de Gezondheidsraad. In de modelleringsstudiewordt een minimumvariant beschreven en een uitgebreidere variant voorhet meetprogramma, die extra informatie zou kunnen bieden overregionale verschillen. Het kabinet wil die modelleringsstudie afwachtenom de kosten en baten van de varianten te beoordelen.Het doen van metingen in de omgeving van deze bedrijven is deverantwoordelijkheid van het bevoegd gezag. Wel is de Staatssecretarisvan Infrastructuur en Waterstaat stelselverantwoordelijk voor hetVTH-stelsel milieu en wordt er onder de Actieagenda Industrie enOmwonenden8 onderzoek gedaan naar het versterken van de informatie-positie van burgers en het bevoegd gezag, en het intensiveren vancontrolemetingen. Daarnaast is de Staatssecretaris van Infrastructuur enWaterstaat voornemens om dit jaar een subsidie te verstrekken aanOmgevingsdienst NL om omgevingsdiensten te ondersteunen bij deaanschaf van meer meetapparatuur om tot een landelijk dekkend netwerkvan meetdiensten te komen.9 Ook wordt de subsidie door Omgevings-dienst NL ingezet voor een verkenning naar het opzetten van extrameetdiensten. Tot slot wordt in het kader van de Actieagenda Industrie enOmwonenden ook onderzocht of er een methode ontwikkeld kan wordenwaarmee een relatie gelegd kan worden tussen uitstoot van industrie en7Kamerstukken II 2017–1018, 32 793, nr. 313.8Kamerstukken II 2023–2024, 28 089, nr. 273.9Kamerstukken II 2024–2025, 22 343, nr. 401.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3328 zorgkosten in de directe omgeving. Daarmee zou het bevoegd gezag dierelatie dan ook kunnen onderzoeken.De leden vragen of «bestrijdingsmiddelen» ook worden meegenomen inhet meetprogramma en of het kabinet daarbij waarde hecht aan buiten-landse onderzoeken. Gewasbeschermingsmiddelen en biociden worden inde brief genoemd als belangrijke toepassingen van chemische stoffen. Hetligt voor de hand dat daar ook een aantal stoffen van wordt meegenomenin een meetprogramma, maar die keuzes zijn nu nog niet gemaakt.Het kabinet neemt de zorgen over de mogelijke relatie tussen gewasbe-schermingsmiddelen en de ziekte van Parkinson zeer serieus. Om diereden heeft het kabinet aan het RIVM opdracht gegeven tot het uitvoerenvan het onderzoek bestrijdingsmiddelen en omwonenden 2 (OBO-2).10Hierin wordt onderzoek gedaan naar mogelijke relatie tussen de bloot-stelling van omwonenden aan gewasbeschermingsmiddelen en verschil-lende ziektebeelden, waaronder Parkinson. Daarnaast werkt het RIVM ookin opdracht van het kabinet aan een specifiek wetenschappelijk onderzoekwaarin een teststrategie wordt ontwikkeld om de mogelijke relatie tussengewasbeschermingsmiddelen, waaronder glyfosaat, en de ziekte vanParkinson te onderzoeken.De leden vragen ook in hoeverre de bewindslieden samenwerken op hetonderzoeken van gezondheidseffecten rondom de clusters Tata Steel,Chemelot en Chemours. De Staatssecretaris van Infrastructuur enWaterstaat is eerstverantwoordelijke als het gaat om milieubeleid,waaronder het beleid voor de uitstoot van chemische stoffen doorindustrieën. Ik ben echter ook betrokken bij onderwerpen als de Actie-agenda Industrie en Omwonenden, het PFAS Onderzoeksprogramma enhet Nationaal Milieu Programma, vanwege het belang voor de volksge-zondheid. In het kader van de Actieagenda Industrie en Omwonendenverken ik bijvoorbeeld of het mogelijk is de (wettelijke) positie van deGGD’en te versterken bij besluitvorming over de leefomgeving. Daarbijverwacht ik dat de GGD’en meerwaarde kunnen bieden met hun kennisover de gezondheid van inwoners en een brede blik op de totale gezond-heidsbelasting waar inwoners mee te maken hebben.De leden vragen ook in hoeverre de toezegging van de Staatssecretarisvan IenW om gezondheidseffecten rond Tata Steel, Chemelot enChemours te onderzoeken in overeenstemming is met het advies van deGezondheidsraad. Het gaat hier echter om verschillende soortenonderzoek. Een meetprogramma chemische stoffen brengt in beeld welkechemische stoffen aanwezig zijn in lichaamsmateriaal. Soms kan daar ookeen risico bij vermeld worden voor de volksgezondheid. Een meetpro-gramma zoals geadviseerd door de Gezondheidsraad meet echter geengezondheidseffecten bij omwonenden. Daar is ander onderzoek voornodig.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de fractie van de VVD vragen zich of een meetprogrammadat veel stoffen onderzoekt kan leiden tot onnodige onrust en mededaarom ook hoe de communicatie over het programma wordt voorzien.De resultaten van een meetprogramma kunnen ongerustheid veroorzakenbij mensen. Omgekeerd kan het ontbreken van gegevens over bloot-stelling ook ongerustheid veroorzaken. En de blootstellingsgegevenskunnen eveneens ongerustheid wegnemen, omdat mensen beter wetenwaar ze aan toe zijn en er gerichtere maatregelen getroffen kunnen10Kamerstukken II 2023–2024, 27 858, nr. 653.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 3329 worden. Dat vraagt inderdaad zorgvuldigheid en inlevingsvermogen bij depublicatie en de communicatie. Het is belangrijk dat mensen die zichzorgen maken betrouwbare antwoorden kunnen vinden op hun vragen ofdaarover met een deskundige kunnen praten. Het is ook onderdeel van demodelleringsstudie om in beeld te brengen wat ervoor nodig is om ditgoed te organiseren.De leden vragen in hoeverre administratieve lasten en regeldrukonderdeel zijn van de modelleringsstudie en of dat proportioneel is. Hetdoel van de modelleringsstudie is om in beeld te brengen welke activi-teiten er allemaal verricht moeten worden en door wie dat gedaan zoukunnen worden. Er zullen verschillende organisaties aan mee moetenwerken die daarvoor ook vergoed zullen moeten worden, denk aanonderzoeksinstituten en laboratoria. Verder gaat het natuurlijk om demensen wiens lichaamsmateriaal verzameld en onderzocht wordt. Zoalsin de kabinetsreactie vermeld gaan we hierbij uit van vrijwillige deelname.Niemand wordt verplicht om mee te werken. Ik verwacht niet dat voor deuitvoering van dit onderzoek de regeldruk bij bedrijven verhoogd hoeft teworden, maar als uit de modelleringsstudie blijkt dat dat wel zo is, zullenwe de proportionaliteit daarvan meewegen bij de besluitvorming.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie vragen zich af of het minimale aantal van1.500 deelnemers een goede weerspiegeling kan geven van groepen enregio’s. Het is inderdaad heel belangrijk dat het meetprogramma eengoede weerspiegeling geeft. De Gezondheidsraad heeft geadviseerd dat1.500 een minimumaantal is om dat te kunnen doen. In de modellerings-studie vragen we het RIVM om ook een uitgebreidere variant in beeld tebrengen. Een groter aantal deelnemers levert naar verwachting meermogelijkheden op om gedetailleerder te kijken naar specifieke regio’s engroepen, maar dat zal ook duurder zijn. De modelleringsstudie moet dekosten en baten van die varianten met elkaar vergelijkbaar maken.De leden vragen waarom er geen totale inschatting is van de bijdrage vanchemische stoffen aan de ziektelast in Nederland en of het wel mogelijk isdat in de toekomst te leveren. De totale inschatting is een lastige vraag.Ten eerste omdat er heel veel chemische stoffen zijn die zich in hetmenselijke lichaam kunnen bevinden. Alle stoffen meten is daardoor nogonmogelijk. In het beschermingsbeleid tegen blootstelling aan chemischestoffen richten overheden zich daarom op de stoffen die als (potentieel)gevaarlijk worden gezien voor mens, dier of milieu. Die chemische stoffenkunnen op verschillende manieren ons lichaam binnenkomen (viainademen, inslikken en via contact met de huid) en hebben verschillendegevolgen voor de gezondheid. Het is heel ingewikkeld om dat voor zoveelstoffen bij elkaar op te tellen en te vertalen in gezondheidseffecten. Op ditmoment hebben we niet een voldoende en betrouwbare techniek om aldie stoffen in verhouding tot elkaar te beoordelen. Daar wordt wel aangewerkt, waaronder in het Europese Partnership for the Assessment ofRisks of Chemicals (PARC) waar ook Nederland aan meewerkt.De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) heeft in 2021 de resultaten vaneen onderzoek gepubliceerd waarmee zij een poging heeft gedaan om dewereldwijde impact van chemische stoffen op de publieke gezondheid tekwantificeren. Dat was een vervolg op onderzoeken die de WHO in 2012en 2016 heeft uitgevoerd. Zij heeft daarbij ook beschreven wat debeperkingen en uitdagingen van het onderzoek zijn. Met al die beper-kingen schat de WHO de wereldwijde gezondheidsschade als gevolg vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 33210 chemische stoffen in 2019 op 53 miljoen daily adjusted life years (DALY)en 2 miljoen vroegtijdige overlijdens.11Het is hierbij goed om te bedenken dat chemische stoffen ook gebruiktworden voor de bescherming en bevordering van onze gezondheid, zoalsbij geneesmiddelen, zonnebrandmiddelen en tandpasta. In het beleid voorchemische stoffen gaat het vaak om een afweging van positieve ennegatieve effecten.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie zijn voorstander van een structureelmeetprogramma en vragen om ook een structureel meetprogramma in terichten voor de mogelijke gezondheidsschade van windmolens. Vanwindmolens is bekend dat mensen daar ernstige hinder van kunnenondervinden, met name als gevolg van slagschaduw en geluid. Dat is ookde reden dat er beleid wordt gevoerd om gezondheidsgevolgen tebeperken.Een meetprogramma zoals dat geadviseerd wordt door de Gezond-heidsraad richt zich echter op het meten van stoffen in lichaamsmateriaal,niet op het meten van gezondheidsschade. Er zijn in de afgelopen jarenwel verschillende onderzoeken gedaan naar de gezondheidsgevolgen vanwindturbines en het kabinet heeft een Expertisepunt windenergie engezondheid ingesteld dat ervoor zorgt dat de wetenschappelijke kennisover dit onderwerp actueel is en wordt toegepast. Daarnaast wordt op ditmoment een uitgebreid onderzoek uitgevoerd naar de samenhang tussengeluidniveaus en de ervaren gezondheidseffecten in Nederland. UwKamer is daar eerder over geïnformeerd.12Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie vragen of het ook de bedoeling is om in demodelleringsstudie en het meetprogramma aandacht te hebben voorrisicogebieden, zoals industriegebieden, en voor specifieke groepen, zoalsbepaalde werknemers. Het is inderdaad de bedoeling van de modelle-ringsstudie om in beeld te brengen hoe verschillende varianten inzichtkunnen bieden in risicogebieden en specifieke groepen en welke kostendaarmee samenhangen.Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie vragen of de zorgkosten van 1,2 miljard euroeen sterke prikkel zijn om een meetprogramma te starten en dat daarbijvooral naar de maatschappelijke kosten en baten moet worden gekeken.De 1,2 miljard euro zorgkosten die worden genoemd, betreffen dezorgkosten als gevolg van ziektelast die is gekoppeld aan het milieu, zoalsdat berekend is in de Volksgezondheid Toekomst Verkenning van het RIVMuit 2018.13 Het overgrote deel van de zorgkosten uit deze berekeningwordt veroorzaakt door blootstelling aan fijnstof. Daar heeft het kabinetbeleid voor, ook zonder een meetprogramma zoals dat geadviseerd isdoor de Gezondheidsraad.Het feit dat er gezondheidsschade optreedt bij mensen door blootstellingaan chemische stoffen en de zorgkosten die daarmee samenhangen, zijnechter in het algemeen wel redenen om beleid te maken voor hetbeperken van blootstelling aan chemische stoffen. Of en hoe een11WHO. The public health impact of chemicals: knowns and unknowns: data addendum for2019. Geneva, 2021.12Kamerstukken II 2021–2022, 32 813, nr. 1085.13Kamerstukken II 2017–1018, 32 793, nr. 313.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 33211 meetprogramma een goede toevoeging is aan dat beleid wil ik graag opbasis van de modelleringsstudie beoordelen.De leden vragen waarom het nog tot 2026 moet duren voordat er eenbesluit wordt genomen, terwijl er geen technische belemmeringen zijnvoor de uitvoering van het onderzoek. De modelleringsstudie wordtuitgevoerd om een beter besluit te kunnen nemen. Ten eerste gaat dat omde invulling van het meetprogramma. De Gezondheidsraad heeft eenminimumvariant beschreven die we echter op meerdere manieren kunnenuitvoeren. Daarnaast wil het kabinet dat kunnen vergelijken met eenuitgebreidere variant, die extra informatie zou kunnen bieden. Voor dieverschillende varianten heeft het kabinet nu nog geen goede indicatie vande kosten. En het kabinet wil de kosten en baten tegen elkaar kunnenafwegen. Met het RIVM heb ik nu afgesproken om de modelleringsstudieeind 2025 af te ronden. De reactie van het kabinet zal dan echter nogenkele maanden later zijn omdat er een beleidsafweging moet wordengemaakt op basis van de resultaten van de studie. Daarom heb ikaangegeven daar op zijn vroegst in de eerste helft van 2026 op terug tekunnen komen.De leden vragen ook welke stappen ik nu al neem om de blootstelling aanschadelijke chemische stoffen te monitoren en te verminderen. In dekabinetsreactie heeft het kabinet een korte schets gegeven van het bredebeleid ten aanzien van chemische stoffen. Dat betreft onder andereuitstoot van industrie, verkeer en landbouw, voedsel- en productveiligheiden arbeidsveiligheid. Voor specifieke stoffen, zoals PFAS, doet het kabinetnu ook biomonitoringsonderzoek.De leden van de PvdD vragen hoe het kabinet doelen voor het terug-dringen van zeer zorgwekkende stoffen kan realiseren als er geenstructureel meetprogramma beschikbaar is. De uitstoot van zeer zorgwek-kende stoffen (ZZS) wordt ook op andere manieren gevolgd dan doorbiomonitoring. Beleid om zeer zorgwekkende stoffen terug te dringen kandaarmee ook geëvalueerd worden. Met dit doel werkt het RIVM bijvoor-beeld stapsgewijs aan het ontwikkelen van een ZZS-dashboard met eencombinatie van verschillende indicatoren. Eén van deze indicatoren is deZZS-emissiedatabase waarin bedrijven eenmaal in de vijf jaar gegevensover emissies van ZZS naar lucht en water moeten aanleveren aan hetbevoegd gezag. Met ingang van 1 januari 2025 zijn bedrijven verplicht omdeze gegevens in de ZZS-emissiedatabase te registreren. Dat neemt nietweg dat het voor de gezondheid uiteindelijk ook gaat om het terugdringenvan de blootstelling van de mens, waardoor een structureel meetpro-gramma met biomonitoring een goede aanvulling zou kunnen zijn. Dekosten en baten daarvan wil het kabinet graag afwegen op basis van demodelleringsstudie.De leden vragen ook hoe ik ervoor ga zorgen dat de benodigde termijnom tot goede besluitvorming te komen, niet ten koste gaat van hetaanpakken van vervuilingsbronnen waar nu zorgen over zijn. Hetvoorbeeld van PFAS-vervuiling dat door de leden wordt genoemd, is eengoed voorbeeld van beleid dat al gestart is. Nederland heeft samen metvier andere landen een voorstel ingediend bij de Europese Unie voor eenrestrictie op PFAS op basis van de REACH-verordening. Ook wordt nu aldoor bevoegd gezagen (provincies en gemeenten) gewerkt aan scherperevergunningverlening en andere afspraken als er zorgen zijn overgevaarlijke stoffen. Een structureel meetprogramma kan de kennis over deblootstelling aan stoffen verbeteren, maar ook zonder dat programmakunnen maatregelen worden getroffen en geëvalueerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 33212 De leden vragen waarom ik dit advies van de Gezondheidsraad nietaangrijp om proactiever beleid te voeren. De kans die een structureelmeetprogramma biedt, is voor mij echter juist een belangrijke reden omte laten onderzoeken of en hoe een meetprogramma een geschiktetoevoeging is aan het beleid om blootstelling aan chemische stoffen tebeperken. Dat wil ik graag op basis van de modelleringsstudie beoor-delen.De leden vragen naar de samenhang met het PFAS-onderzoeks-programma. In het driejarige PFAS-onderzoeksprogramma wordt ook eenbiomonitoringsonderzoek uitgevoerd. Als het kabinet besluit eenstructureel meetprogramma in te stellen, ligt het voor de hand dat ookenkele PFAS gemonitord zullen worden, al wil ik benadrukken dat diekeuzes nu nog niet gemaakt zijn. In dat geval zou een apart biomonito-ringsonderzoek voor PFAS waarschijnlijk niet nodig zijn, al kan het altijdwenselijk of nodig zijn om verdiepend onderzoek te doen.De leden vragen hoe ik de onderzoeksgroep ga samenstellen en of ikdaarbij rekening ga houden met representatie uit gebieden rondomSEVESO en Arie-bedrijven. Op dit moment heb ik daar nog geen keuzes ingemaakt. Het is de bedoeling van de modelleringsstudie om in beeld tebrengen hoe verschillende varianten inzicht kunnen bieden in regionaleverschillen en welke kosten daarmee samenhangen. Naar verwachtingbiedt de modelleringsstudie ook informatie en afwegingen voor hetsamenstellen van de onderzoeksgroep, maar de keuzes daarvoor zullenpas gemaakt worden als besloten is om een meetprogramma in te stellen.De leden vragen naar de extra informatie die de modelleringsstudie moetbieden en welke risico’s er zijn om eerder te beginnen. De modellerings-studie wordt uitgevoerd om een beter besluit te kunnen nemen. Teneerste gaat dat om de invulling van het meetprogramma. De Gezond-heidsraad heeft een minimumvariant beschreven die we echter opmeerdere manieren kunnen uitvoeren. Daarnaast wil het kabinet datkunnen vergelijken met een uitgebreidere variant, die extra informatie zoukunnen bieden. Voor die verschillende varianten heeft het kabinet nu noggeen goede indicatie van de kosten. En het kabinet wil de kosten en batentegen elkaar kunnen afwegen. Het risico om eerder te beginnen is dat hetkabinet nog niet weet of publiek geld dan verstandig besteed wordt.De leden vragen om een tijdlijn en opties om de besluitvorming teversnellen. Met het RIVM heb ik nu afgesproken om de modellerings-studie eind 2025 af te ronden. Mogelijk kan het nog net voor het kerst-reces gepubliceerd worden of aan het begin van het nieuwe jaar. Ik benvan mening dat dit een geschikte termijn is voor het zorgvuldig uitvoerenvan de studie. De reactie van het kabinet zal dan nog enkele maandenlater zijn omdat er een beleidsafweging moet worden gemaakt op basisvan de resultaten van de studie. Daarom heb ik aangegeven daar op zijnvroegst in de eerste helft van 2026 op terug te kunnen komen. Ik begrijpdat u graag sneller wil starten, maar ik denk dat het onverstandig is omdeze termijn te versnellen.De leden vragen of ik bang ben voor de uitkomsten van het onderzoek. Ikneem aan dat de leden dan doelen op de uitkomsten van een structureelmeetprogramma. Ik ben daar zeker niet bang voor. Het is voor mij juist demotivatie om te laten onderzoeken of we een meetprogramma kunnenopzetten.Tot slot vragen de leden of ik een bevestiging kan geven dat een meetpro-gramma doorgang zal krijgen. Dat kan ik nog niet. Zoals ik heb aange-geven ben ik gemotiveerd om de mogelijkheden van dit instrument beterTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 33213 te onderzoeken, maar een besluit wil ik pas nemen op basis van deresultaten van de modelleringsstudie.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie vragen of het mogelijk is om het RIVM-onderzoek te versnellen en het onderzoek in 2025 af te ronden. Met hetRIVM heb ik nu afgesproken om de modelleringsstudie eind 2025 af teronden. Mogelijk kan het nog net voor het kerstreces gepubliceerdworden of aan het begin van het nieuwe jaar. De reactie van het kabinetzal dan echter nog enkele maanden later zijn omdat er een beleidsaf-weging moet worden gemaakt op basis van de resultaten van de studie.Daarom heb ik aangegeven daar op zijn vroegst in de eerste helft van2026 op terug te kunnen komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 28 089, nr. 33214
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.