KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de nadere reactie op de aangenomen moties van het lid Joseph n.a.v. het plenaire debat over oversterfte (Kamerstuk 25295-2178)

4 sep 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 71f7fefd6fb86246 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202425 295InfectieziektenbestrijdingNr. 2199 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 4 september 2024 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 15 april 2024 inzakede nadere reactie op de aangenomen moties van het lid Joseph naaraanleiding van het plenaire debat over oversterfte (Kamerstuk 25 295,nr. 2178).De vragen en opmerkingen zijn op 31 mei 2024 aan de Staatssecretarisvan Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van4 september 2024 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,EerdmansDe griffier van de commissie,Esmeijer kst-25295-2199ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21991 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie5II.Reactie van de Staatssecretaris5 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben de reacties op de aangenomenmoties van lid Joseph naar aanleiding van het debat over oversterfte(Kamerstuk 25 295, nrs. 2156, 2157, 2161, 2162 en 2163) gelezen enhebben hierover op dit moment geen aanvullende vragen of opmer-kingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de naderereactie op de aangenomen moties van het lid Joseph naar aanleiding vanhet plenaire debat over oversterfte. Zij hebben hierbij nog een enkelevraag.Met betrekking tot de motie over een onafhankelijk en integraal weten-schappelijk onderzoek naar de redenen en oorzaken van oversterfte sinds2020, hebben de leden van de VVD-fractie inmiddels kennisgenomen vanhet advies van de begeleidingscommissie van ZorgOnderzoek Nederlanden het gebied Medische Wetenschappen (ZonMw). De leden van deVVD-fractie begrijpen waarom de begeleidingscommissie geen noodzaakziet voor een overkoepelend integraal onderzoek en hebben om dezelfdereden de motie niet gesteund.De leden van de VVD-fractie hebben meermaals gevraagd naar deeffecten van maatregelen die zijn genomen tijdens de coronapandemie.De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wanneer de uitkomstenvan het onderzoek naar deze middellangetermijneffecten verwachtworden.De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het advies met betrekking totde vraag naar een overkoepelende duiding van de resultaten van hetdeelprogramma oversterfte, is om te wachten tot alle onderzoeksresul-taten van lijn 3 beschikbaar zijn. Kan de Minister een inschatting gevenwanneer dit ongeveer zal zijn? En is de Minister het eens met dit adviesom te wachten? Zo nee, waarom niet?Tot slot gebruiken de leden van de VVD-fractie dit schriftelijk overleg omnog een vraag te stellen over de reactie op vragen die door genoemdeleden zijn gesteld tijdens het plenaire debat over oversterfte. Wanneer isduidelijk of de planning voor het komen tot een centraal vaccinatieover-zicht haalbaar is? En kan de Minister aangeven hoe groot de vertraging inde realisatie en implementatie kan zijn, indien het niet mogelijk blijkt omfinanciële middelen hiervoor vrij te maken?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21992 Vragen en opmerkingen NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de naderereactie op de aangenomen moties van het lid Joseph naar aanleiding vanhet plenaire debat over oversterfte.Tijdens het debat over oversterfte heeft de NSC-fractie samen met anderefracties een motie ingediend voor een integraal onderzoek naaroversterfte die met een ruime meerderheid door de Kamer is aange-nomen. Sinds 2020 is oversterfte aanhoudend aanwezig in Nederland,waarmee er een nieuwe dreiging is ontstaan in de volksgezondheid.COVID-19 is een onderdeel van deze oversterfte, echter de wetenschapkan niet alles verklaren vanuit de acute fase van COVID. Dit kunnen weniet onopgemerkt voorbij laten gaan. De hogere sterfte behoeft grondigeronderzoek, we praten immers over mensenlevens. Wat zijn de oorzakenen de gevolgen voor mens en maatschappij? Wat kunnen we hiervanleren voor de toekomst? Kunnen we effectieve (preventieve) maatregelennemen? Wat betekent dit voor het overheidsbeleid, een volgendepandemie, de volksgezondheid, maar ook bijvoorbeeld voor de pensi-oenen?De leden van de NSC-fractie begrijpen uit de reactie van de Minister dat zijde wens om onderzoek te doen naar en verklaringen te vinden vooroversterfte ondersteunt. De Minister wijst op diverse onderzoeken diehebben plaatsgevonden en nog lopen, gefinancierd via ZorgOnderzoekNederland en het gebied Medische Wetenschappen (ZonMw). De Ministergeeft daarbij aan dat ze er belang aan hecht om de uitkomsten van hetlopende onderzoek te betrekken bij de afweging om nieuw onderzoek telaten verrichten. Daarnaast heeft de Minister op 29 mei 2024 een adviesvan ZonM.w naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin het bestuur vanZonMw adviseert geen overkoepelend integraal vervolgonderzoek naaroversterfte uit te (laten) voeren. Met de aangenomen motie vanuit deTweede Kamer is het volgens de leden van de NSC-fractie echter niet devraag of we een nieuw onderzoek moeten verrichten zoals de Minister enhet bestuur van ZonMw lijken te stellen, maar is het de vraag wanneer hetnieuwe integrale onderzoek naar oversterfte gaat starten. Deelt deMinister deze mening?De leden van de NSC-fractie horen graag wat de Minister als beperkingenziet van een integraal onderzoek en wat er volgens de Minister nodig isom een integraal onderzoek te laten slagen. De leden van de NSC-fractiekijken graag naar wat er wel kan ten behoeve van de volksgezondheid.Graag ontvangen deze leden hier een antwoord op van de Minister.De leden van de NSC-fractie zijn het met de Minister eens dat het vanbelang is de uitkomsten van de gedane en bijna afgeronde onderzoeken tebetrekken bij de opzet van het nieuwe integrale onderzoek. Een groot deelvan de onderzoeken gefinancierd vanuit ZonMw is al afgerond en deleden van de NSC-fractie hebben begrepen dat Minister bij alle onder-zoeken die nog lopen ook al uitvraag heeft gedaan naar de resultaten totnog toe. Kan de Minister de Kamer inlichten over die resultaten? Kan deMinister, op basis van deze resultaten, een visie schetsen over de teverwachten oversterfte in de toekomst en hoe de Minister daarnaar wilgaan handelen?De leden van de NSC-fractie vinden het van belang om niet langer tewachten met het integrale onderzoek naar oversterfte. De onderzoekengefinancierd vanuit ZonMw waren niet integraal maar erg gefragmen-teerd. Ze gaan over kleine onderdelen die mogelijk oorzaak zijn van eendeel van de oversterfte, bijvoorbeeld: het effect van uitgestelde dottering-repen onder hartpatiënten op de oversterfte in 2021, het effect van leefstijlTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21993 in het verleden op oversterfte in 2021, het effect van vermeden huisartsen-bezoeken op oversterfte in 2021. Daarnaast gaan de onderzoeken over eenzeer korte tijdsperiode, namelijk de jaren 2020 en 2021, terwijl we nu alzien dat de oversterfte veel langer voortduurt. De leden van de NSC-fractieondersteunen dan ook de suggestie van de ZonMw onderzoekscommissieom de oversterfte in de jaren 2022, 2023 en 2024 ook te onderzoeken.Echter de zorgen van genoemde fractie liggen bij het punt dat hiermee deoversterfte (nog) niet wordt voorkomen en dat er dus haast bij is om overte gaan op preventie van de oversterfte. Kan de Minister al conclusiesverbinden aan de gefragmenteerde onderzoeken die er nu liggen wathelpend kan zijn voor de toekomst?Tijdens het debat over oversterfte hebben de leden van de NSC-fractiemet andere partijen ook een motie ingediend om ervoor te zorgen datdata eenvoudig en goedkoop beschikbaar blijven in de Centraal Bureauvoor de Statistiek (CBS) Remote Acces omgeving voor wetenschappelijkevervolgonderzoeken. Waarbij niet alleen gedacht wordt aan vervolgon-derzoek naar oversterfte, maar bijvoorbeeld ook voor onderzoek naarpost-COVID. Ofwel onderzoeken waarvoor grotendeels dezelfde datanodig is, maar dezelfde onderzoekers weer opnieuw dezelfde rekeningenmoeten betalen voor het inrichten van een nieuwe remote accesomgeving voor het nieuwe onderzoek. De Minister geeft aan dat hetkabinet van mening is dat het CBS reeds passende invulling geeft aan dewens van de Kamer voor wat betreft de toegang tot de remote accesomgeving. En dat het CBS niet kan voldoen aan de wens van de kamerom marginale kosten in rekening te brengen aan onderzoekers, maar dathet CBS de integrale kostprijs moet doorberekenen. De leden van deNSC-fractie begrijpen dat het CBS een prijs voor de door hun gemaaktekosten moet doorberekenen aan onderzoekers, maar hebben niet voorniets de motie ingediend. Hoe verhoudt zich deze stellingname tot deaangenomen motie?Onderzoekers die oversterfte hebben onderzocht via financiering vanZonMw zijn tegen hoge kosten opgelopen in de dataverzameling. Iedereonderzoeker voor zich moest dezelfde data opvragen, betalen enkoppelen. Het gaat daarbij over data uit verschillende bronnen die iederop zich weer betaald moeten worden en geüpload in de remote accesomgeving van het CBS, denk aan kosten voor bij het CBS zelf, Vektis(business intelligence centrum voor zorg), DHD (zorg voor data) en hetRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De kosten stapelenzich op voor ieder afzonderlijk onderzoek. Deelt de Minister de mening datdit allemaal kosten zijn die vervolgens niet meer besteedt kunnen wordenaan het onderzoek zelf?Daarnaast hebben de leden van de NSC-fractie vernomen dat diedataverzameling bij de eerdere oversterfteonderzoeken ontzettend veeltijd heeft kost, wat ten koste ging van de tijd die overbleef voor hetwerkelijk uitvoeren van het onderzoek. Dezelfde problemen ondervindende onderzoekers die nu bezig zijn met onderzoek naar post-COVID, waardezelfde data voor nodig zijn. Deelt de Minister deze mening? De ledenvan de NSC-fractie hebben begrepen dat het «doelbindingsprincipe»hierbij in de weg kan staan wat wetenschappers ervan weerhoudt om eeneerder ingerichte veilige Remote Access omgeving met data koppelingente hergebruiken voor gelieerde vervolgonderzoeken. Het CBS vraagt hende opstartkosten opnieuw te betalen, alsmede de rekeningen van externedatabronnen als Vektis. Deelt de Minister de mening dat deze dubbelekosten verspilling zijn van publiek geld? Is de Minister ervan op de hoogtedat dit volgens de onderzoekers in strijd is met artikel 2 en 5 van deAlgemene verordening gegevensbescherming (AVG) en kan de Ministerhierop reflecteren? Is de Minister het met de leden van de NSC-fractieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21994 eens dat het zonde is van de overheidsgelden als ieder deelonderzoekapart dezelfde data moet financieren? Kan de Minister aangeven wat hetdoelbindingsprincipe inhoudt? Of het doelbindingsprincipe in devoorgenoemde voorbeelden noodzakelijk is? En bij welk mandaat ditdoelbindingsprincipe wordt gehandhaafd en gerechtvaardigd?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de naderereactie op de aangenomen moties van het lid Joseph n.a.v. het plenairedebat over oversterfte. De leden hebben geen vragen aan de Minister.II. Reactie van de Staatssecretaris De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de naderereactie op de aangenomen moties van het lid Joseph naar aanleiding vanhet plenaire debat over oversterfte. Zij hebben hierbij nog een enkelevraag.Met betrekking tot de motie over een onafhankelijk en integraal weten-schappelijk onderzoek naar de redenen en oorzaken van oversterfte sinds2020, hebben de leden van de VVD-fractie inmiddels kennisgenomen vanhet advies van de begeleidingscommissie van ZorgOnderzoek Nederlanden het gebied Medische Wetenschappen (ZonMw). De leden van deVVD-fractie begrijpen waarom de begeleidingscommissie geen noodzaakziet voor een overkoepelend integraal onderzoek en hebben om dezelfdereden de motie niet gesteund.De leden van de VVD-fractie hebben meermaals gevraagd naar deeffecten van maatregelen die zijn genomen tijdens de coronapandemie.De leden van de VVD-fractie vragen de Minister wanneer de uitkomstenvan het onderzoek naar deze middellangetermijneffecten verwachtworden.Mijn ambtsvoorganger heeft eerder het RIVM opdracht gegevenonderzoek te doen naar de effectiviteit van combinaties van verschillendemaatregelen. Het RIVM heeft over het grootste deel van hun onderzoekengerapporteerd in het rapport: «Epidemiologische impact en effectiviteitvan COVID-19 maatregelen».1 Veel internationale projecten lopen langerdoor waardoor een klein gedeelte van het project doorgang vindt tot eind2027, ten eerste om aansluiting te garanderen bij internationale projecten,ten tweede om continuïteit voor onderzoek op dit gebied binnen het RIVMte behouden. De Kamer zal regelmatig op de hoogte gehouden wordenmet updates van bevindingen uit deze onderzoeken.Daarnaast heeft ZonMw dit jaar een meerjarig programma opgezet omonderzoek te faciliteren naar de middellangetermijneffecten van maatre-gelen. Deze verschillende onderzoeken zullen dit jaar starten en deresultaten daarvan worden verwacht in 2025, 2026 en 2027. Ook hier zalde Kamer geregeld een update over krijgen.De leden van de VVD-fractie begrijpen dat het advies met betrekking totde vraag naar een overkoepelende duiding van de resultaten van hetdeelprogramma oversterfte, is om te wachten tot alle onderzoeksresul-taten van lijn 3 beschikbaar zijn. Kan de Minister een inschatting gevenwanneer dit ongeveer zal zijn? En is de Minister het eens met dit adviesom te wachten? Zo nee, waarom niet?1https://www.rivm.nl/publicaties/epidemiologische-impact-en-effectiviteit-van-covid-19-maatregelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21995 De laatste resultaten van de onderzoeken in lijn 3 worden eind augustusvan dit jaar verwacht. Ik ben het ermee eens eerst alle onderzoeksresul-taten af te wachten en daarna pas tot een overkoepelende duiding tekomen, zodat alle onderzoeksresultaten hierin kunnen worden meege-nomen.Tot slot gebruiken de leden van de VVD-fractie dit schriftelijk overleg omnog een vraag te stellen over de reactie op vragen die door genoemdeleden zijn gesteld tijdens het plenaire debat over oversterfte. Wanneer isduidelijk of de planning voor het komen tot een centraal vaccinatieover-zicht haalbaar is? En kan de Minister aangeven hoe groot de vertraging inde realisatie en implementatie kan zijn, indien het niet mogelijk blijkt omfinanciële middelen hiervoor vrij te maken?Ik kan u mededelen dat, naast de COVID-19-vaccinatiegegevens, inmiddelsook de HPV-vaccinaties voor 16- en 17-jarigen inzichtelijk zijn via hetburgerportaal van het RIVM en de persoonlijke gezondheidsomgevingen(PGO’s). Zowel het burgerportaal als de PGO’s zullen de komende tijd stapvoor stap worden uitgebreid met andere RVP-vaccinatiegegevens dievanuit het RIVM worden ontsloten. Inzage van deze gegevens zal vanafnovember 2024 mogelijk zijn. Vooralsnog zijn er geen aanwijzingen datdeze planning zou moeten worden bijgesteld.De vervolgstap is om te bezien of ook vaccinatiegegevens van anderebronnen dan het RIVM, zoals reizigersvaccinaties en vaccinatiegegevensvan huisartsen en arbodiensten, kunnen worden ontsloten naar de PGO’s.Een precieze planning hiervoor is niet te geven, omdat de haalbaarheidafhankelijk is van veel factoren en verschillende betrokken partijen. Ookvalt niet te zeggen hoe groot de vertraging in realisatie en implementatiezal zijn indien er onvoldoende financiële middelen kunnen wordenvrijgemaakt. In het meest gunstige scenario is het merendeel van devaccinatiegegevens eind 2025 inzichtelijk via de PGO’s. Eind dit jaar zal ermeer duidelijkheid zijn in hoeverre dit tijdspad haalbaar is.De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de naderereactie op de aangenomen moties van het lid Joseph naar aanleiding vanhet plenaire debat over oversterfte.Tijdens het debat over oversterfte heeft de NSC-fractie samen met anderefracties een motie ingediend voor een integraal onderzoek naaroversterfte die met een ruime meerderheid door de Kamer is aange-nomen. Sinds 2020 is oversterfte aanhoudend aanwezig in Nederland,waarmee er een nieuwe dreiging is ontstaan in de volksgezondheid.COVID-19 is een onderdeel van deze oversterfte, echter de wetenschapkan niet alles verklaren vanuit de acute fase van COVID. Dit kunnen weniet onopgemerkt voorbij laten gaan. De hogere sterfte behoeft grondigeronderzoek, we praten immers over mensenlevens. Wat zijn de oorzakenen de gevolgen voor mens en maatschappij? Wat kunnen we hiervanleren voor de toekomst? Kunnen we effectieve (preventieve) maatregelennemen? Wat betekent dit voor het overheidsbeleid, een volgendepandemie, de volksgezondheid, maar ook bijvoorbeeld voor de pensi-oenen?De leden van de NSC-fractie begrijpen uit de reactie van de Minister dat zijde wens om onderzoek te doen naar en verklaringen te vinden vooroversterfte ondersteunt. De Minister wijst op diverse onderzoeken diehebben plaatsgevonden en nog lopen, gefinancierd via ZorgOnderzoekNederland en het gebied Medische Wetenschappen (ZonMw). De Ministergeeft daarbij aan dat ze er belang aan hecht om de uitkomsten van hetlopende onderzoek te betrekken bij de afweging om nieuw onderzoek teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21996 laten verrichten. Daarnaast heeft de Minister op 29 mei 2024 een adviesvan ZonM.w naar de Tweede Kamer gestuurd, waarin het bestuur vanZonMw adviseert geen overkoepelend integraal vervolgonderzoek naaroversterfte uit te (laten) voeren. Met de aangenomen motie vanuit deTweede Kamer is het volgens de leden van de NSC-fractie echter niet devraag of we een nieuw onderzoek moeten verrichten zoals de Minister enhet bestuur van ZonMw lijken te stellen, maar is het de vraag wanneer hetnieuwe integrale onderzoek naar oversterfte gaat starten. Deelt deMinister deze mening?Ik hecht er belang aan dat de onderzoeken die namens mij wordenuitgezet voldoende toegevoegde waarde hebben op de reeds bestaandeinzichten. Met de drie uitgezette lijnen binnen het deelprogrammaoversterfte is veel kennis over de oversterfte opgedaan. Om die redenheeft mijn ambtsvoorganger naar aanleiding van de door u ingediendemotie de onafhankelijke begeleidingscommissie (hierna: de commissie)gevraagd of er vanuit wetenschappelijk oogpunt een noodzaak is voor eenoverkoepelend integraal vervolgonderzoek. In het advies dat mijnambstvoorganger 28 mei jl. naar uw Kamer heb gezonden adviseert decommissie geen overkoepelend integraal vervolgonderzoek uit te voeren.De reden die de commissie aangeeft, is dat de onderzoeken uit hetdeelprogramma oversterfte een convergerend beeld schetsen; het zijnverdiepende onafhankelijke academische analyses op het overkoepelendeonderzoek van het CBS en RIVM. Er is volgens de commissie op ditmoment geen aanleiding te verwachten dat een groot integraal onderzoekmet dezelfde data tot nieuwe inzichten zou leiden. Daarnaast benoemt decommissie dat momenteel een ZonMw programma «effectiviteit vanmaatregelen tijdens een pandemie» loopt, dat verder onderzoek doet naarde middellangetermijneffecten van maatregelen die genomen zijn tijdensde COVID-19 pandemie.Gezien de geringe meerwaarde van een integraal vervolgonderzoek zie ikgeen noodzaak om vanuit mijn ministerie extra onderzoek hiernaar tefinancieren. Ik hecht er belang aan om te benoemen dat het weten-schappers vrij staat om zelf onderzoek te doen naar de oorzaken vanoversterfte. Samen met u ziet het Ministerie van VWS de resultaten vantoekomstig onderzoek met belangstelling tegemoet.De leden van de NSC-fractie horen graag wat de Minister als beperkingenziet van een integraal onderzoek en wat er volgens de Minister nodig isom een integraal onderzoek te laten slagen. De leden van de NSC-fractiekijken graag naar wat er wel kan ten behoeve van de volksgezondheid.Graag ontvangen deze leden hier een antwoord op van de Minister.De beperkingen van een integraal vervolgonderzoek zijn, zoals ik bij mijnvorige antwoord schetste, dat deze naar verwachting geen nieuweinzichten zal opleveren, terwijl het wel aanzienlijke kosten met zichmeebrengt. Ik vind het daarom niet passend dit onderzoek te latenverrichten.Zoals de adviescommissie concludeert, kunnen wel relevante vervolg-vragen gesteld worden, bijvoorbeeld als het gaat om de langetermijnef-fecten van de pandemie te blijven monitoren en eventueel onderzoek metdatasets uit vervolgjaren 2022, 2023 en 2024 te verrichten. Zoals mijnambtsvoorganger noemde in haar brief van 18 maart jl. wordt eroptoegezien dat de benodigde gegevens voor vervolgonderzoek in deCBS-omgeving staan en dat onderzoekers deze kunnen benutten vooronderzoek. Het Ministerie van VWS zal erop toezien dat zoveel mogelijkvan deze gegevens van het RIVM en de GGD’en hiervoor beschikbaar zijnen blijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21997 De leden van de NSC-fractie zijn het met de Minister eens dat het vanbelang is de uitkomsten van de gedane en bijna afgeronde onderzoeken tebetrekken bij de opzet van het nieuwe integrale onderzoek. Een groot deelvan de onderzoeken gefinancierd vanuit ZonMw is al afgerond en deleden van de NSC-fractie hebben begrepen dat Minister bij alle onder-zoeken die nog lopen ook al uitvraag heeft gedaan naar de resultaten totnog toe. Kan de Minister de Kamer inlichten over die resultaten? Kan deMinister, op basis van deze resultaten, een visie schetsen over de teverwachten oversterfte in de toekomst en hoe de Minister daarnaar wilgaan handelen?De adviescommissie heeft aangegeven een overkoepelende duiding tegeven van alle resultaten zodra alle onderzoeken zijn afgerond. Deonderzoeksresultaten worden, zodra deze definitief zijn, gepubliceerd opde website van ZonMw. Ik wil niet op deze duiding vooruitlopen en wachtdeze dan ook graag af. Daarnaast blijven we de komende jaren oversterftenauwgezet in de gaten houden en zullen we indien nodig daarop actieondernemen.De leden van de NSC-fractie vinden het van belang om niet langer tewachten met het integrale onderzoek naar oversterfte. De onderzoekengefinancierd vanuit ZonMw waren niet integraal maar erg gefragmen-teerd. Ze gaan over kleine onderdelen die mogelijk oorzaak zijn van eendeel van de oversterfte, bijvoorbeeld: het effect van uitgestelde dottering-repen onder hartpatiënten op de oversterfte in 2021, het effect van leefstijlin het verleden op oversterfte in 2021, het effect van vermeden huisartsen-bezoeken op oversterfte in 2021. Daarnaast gaan de onderzoeken over eenzeer korte tijdsperiode, namelijk de jaren 2020 en 2021, terwijl we nu alzien dat de oversterfte veel langer voortduurt. De leden van de NSC-fractieondersteunen dan ook de suggestie van de ZonMw onderzoekscommissieom de oversterfte in de jaren 2022, 2023 en 2024 ook te onderzoeken.Echter de zorgen van genoemde fractie liggen bij het punt dat hiermee deoversterfte (nog) niet wordt voorkomen en dat er dus haast bij is om overte gaan op preventie van de oversterfte. Kan de Minister al conclusiesverbinden aan de gefragmenteerde onderzoeken die er nu liggen wathelpend kan zijn voor de toekomst?Ik heb kennisgenomen van de reeds gepubliceerde onderzoeksresultaten.De adviescommissie noemt in haar advies dat de onderzoeken eenconvergerend beeld schetsen; het zijn verdiepende onafhankelijkeacademische analyses op het overkoepelende onderzoek van het CBS enRIVM. Ik heb de adviescommissie gevraagd om een overkoepelendeduiding van de resultaten van het deelprogramma oversterfte teverzorgen en volg graag het advies van ZonMw om te wachten op deduiding totdat alle resultaten bekend zijn alvorens nu zelf conclusies tetrekken. Deze overkoepelende duiding zal in het najaar volgen.Tijdens het debat over oversterfte hebben de leden van de NSC-fractiemet andere partijen ook een motie ingediend om ervoor te zorgen datdata eenvoudig en goedkoop beschikbaar blijven in de Centraal Bureauvoor de Statistiek (CBS) Remote Acces omgeving voor wetenschappelijkevervolgonderzoeken. Waarbij niet alleen gedacht wordt aan vervolgon-derzoek naar oversterfte, maar bijvoorbeeld ook voor onderzoek naarpost-COVID. Ofwel onderzoeken waarvoor grotendeels dezelfde datanodig is, maar dezelfde onderzoekers weer opnieuw dezelfde rekeningenmoeten betalen voor het inrichten van een nieuwe remote accesomgeving voor het nieuwe onderzoek. De Minister geeft aan dat hetkabinet van mening is dat het CBS reeds passende invulling geeft aan dewens van de Kamer voor wat betreft de toegang tot de remote accesomgeving. En dat het CBS niet kan voldoen aan de wens van de kamerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21998 om marginale kosten in rekening te brengen aan onderzoekers, maar dathet CBS de integrale kostprijs moet doorberekenen. De leden van deNSC-fractie begrijpen dat het CBS een prijs voor de door hun gemaaktekosten moet doorberekenen aan onderzoekers, maar hebben niet voorniets de motie ingediend. Hoe verhoudt zich deze stellingname tot deaangenomen motie?Ik beantwoord deze vraag namens de Minister van Economische Zaken. Inde reactie2 en nadere reactie3 op de motie van lid Joseph heeft mijnambtsvoorganger namens de, destijds, Minister van Economische Zakenen Klimaat gereageerd. In die reactie heeft mijn ambtsvoorgangeraangegeven dat het CBS integrale kosten in rekening brengt voor hetverlenen van toegang tot microdata zoals de Beleidsregel taakuitoefeningCBS in artikel 5 voorschrijft. Daarbij heeft mijn ambtsvoorgangeraangegeven dat deze vergoedingen kostendekkend moeten zijn omkruissubsidiëring te voorkomen. De beleidsregel heeft tot doel duide-lijkheid te scheppen over de rolverdeling tussen private statistischedienstverleners en het CBS bij het uitvoeren van opdrachten. Het CBSblijft gebonden aan het rekenen van de integrale kostprijs voor toegangtot microdata.De toegang tot microdata via de remote access faciliteit van het CBS iseen aanvullende statistische dienst zoals bedoeld in de «Beleidsregeltaakuitoefening CBS» (hierna: beleidsregel) en de «Regeling werkzaam-heden derden CBS» (hierna: ministeriële regeling). Bij de vraag of het CBSde aangewezen partij is om een statistisch onderzoek te verrichten spelentwee publieke belangen een rol. Het is een publiek belang dat praktijk,beleid en wetenschap toegang hebben tot hoogwaardige statistischeinformatie. Tegelijk is het een publiek belang dat voldoende ruimte is voorprivate statistische dienstverleners. Omdat een aantal jaar geleden doorde sterke toename van databronnen en het aantal aanbieders vanstatistische diensten onduidelijkheid was ontstaan over de rolverdelingtussen het CBS en markpartijen, zijn op 1 juli 2020 de ministeriële regelingen de beleidsregel in werking getreden. Deze beogen meer duidelijkheidte scheppen over die rolverdeling en doen dit ook volgens een recenteonafhankelijke evaluatie van KWINK Groep. De ministeriële regeling regeltin welke situaties en onder welke voorwaarden het CBS statistischewerkzaamheden voor derden mag verrichten. In de beleidsregel wordt hetproces rondom aanvullende statistische dienstverlening (aan derden enniet derden) van het CBS gespecificeerd.Momenteel zijn de ministeriële regeling en de beleidsregel onderwerp vaneen rechtszaak tussen Data & Insights Network (D&IN, voorheen deMarktOnderzoekAssociatie.nl) en de Staat der Nederlanden en het CBSwaarvan de mondelinge behandeling van het hoger beroep is voorzien op11 juli 2024. In het commissiedebat Marktordening en Consumentenbe-scherming van woensdag 24 april 2024 heeft de Minister van Econo-mische Zaken en Klimaat aangekondigd te kijken naar de Beleidsregel inrelatie tot de doelstelling waarmee zij is ingesteld. Daarover zal uw Kamerin het vierde kwartaal van dit jaar geïnformeerd worden.Onderzoekers die oversterfte hebben onderzocht via financiering vanZonMw zijn tegen hoge kosten opgelopen in de dataverzameling. Iedereonderzoeker voor zich moest dezelfde data opvragen, betalen enkoppelen. Het gaat daarbij over data uit verschillende bronnen die iederop zich weer betaald moeten worden en geüpload in de remote accesomgeving van het CBS, denk aan kosten voor bij het CBS zelf, Vektis2Kamerstukken II 2023–2024, 25 295, nr. 21683Kamerstukken II 2023–2024, 25 295, nr. 2178Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 21999 (business intelligence centrum voor zorg), DHD (zorg voor data) en hetRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM). De kosten stapelenzich op voor ieder afzonderlijk onderzoek. Deelt de Minister de mening datdit allemaal kosten zijn die vervolgens niet meer besteedt kunnen wordenaan het onderzoek zelf?Het CBS is op grond van de Beleidsregel taakuitoefening CBS van deMinister van Economische Zaken verplicht de integrale kostprijs inrekening te brengen voor onderzoeken die op de CBS-data viaRA-omgeving worden uitgevoerd. Die kosten moeten dus voor elk projectin rekening worden gebracht.De kostprijs wordt, naast de kosten die het CBS maakt om de dienstver-lening in te richten voor de genoemde casuïstiek, ook nog bepaald doorkosten die bronhouders in rekening brengen voor het gebruik van de data.Ik hecht er belang aan om te benadrukken dat het CBS de kosten voor hundienstverlening in rekening brengt en dus niet kosten voor de data zelf.Waar het gaat om de kosten van bronhouders sluiten onderzoekers zelfcontracten af met partijen zoals Vektis en DHD; de facturering daarvangaat buiten het CBS om. Als het CBS een bericht krijgt van partijen zoalsDHD of Vektis dat zij akkoord zijn, geeft het CBS toegang tot deze data.Hieraan voorafgaand heeft het CBS haar goedkeuring gegeven in hetkader van het doelbindingsbeginsel. Het CBS heeft geen invloed op deprijsstelling van DHD en Vektis.Daarnaast hebben de leden van de NSC-fractie vernomen dat diedataverzameling bij de eerdere oversterfteonderzoeken ontzettend veeltijd heeft kost, wat ten koste ging van de tijd die overbleef voor hetwerkelijk uitvoeren van het onderzoek. Dezelfde problemen ondervindende onderzoekers die nu bezig zijn met onderzoek naar post-COVID, waardezelfde data voor nodig zijn. Deelt de Minister deze mening? De ledenvan de NSC-fractie hebben begrepen dat het «doelbindingsprincipe»hierbij in de weg kan staan wat wetenschappers ervan weerhoudt om eeneerder ingerichte veilige Remote Access omgeving met data koppelingente hergebruiken voor gelieerde vervolgonderzoeken. Het CBS vraagt hende opstartkosten opnieuw te betalen, alsmede de rekeningen van externedatabronnen als Vektis. Deelt de Minister de mening dat deze dubbelekosten verspilling zijn van publiek geld? Is de Minister ervan op de hoogtedat dit volgens de onderzoekers in strijd is met artikel 2 en 5 van deAlgemene verordening gegevensbescherming (AVG) en kan de Ministerhierop reflecteren? Is de Minister het met de leden van de NSC-fractieeens dat het zonde is van de overheidsgelden als ieder deelonderzoekapart dezelfde data moet financieren? Kan de Minister aangeven wat hetdoelbindingsprincipe inhoudt? Of het doelbindingsprincipe in devoorgenoemde voorbeelden noodzakelijk is? En bij welk mandaat ditdoelbindingsprincipe wordt gehandhaafd en gerechtvaardigd?Ik ben van mening dat het waarborgen van privacy en het goed onder-bouwen en monitoren van vraagstukken omtrent gegevensuitwisselingvoor wetenschappelijk onderzoek geen verspilling is van publiekemiddelen. Wel heeft mijn ambtsvoorganger reeds aangegeven dat het totstand komen van de gegevensuitwisseling voor het onderzoek naar deoorzaken van oversterfte te lang heeft geduurd. Daarom zijn inmiddelsacties in gang gezet die het gegevenslandschap voor pandemischeparaatheid klaar moet maken voor de toekomst.44Kamerstukken II 2023–2024, 25 295, nr. 2173.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 219910 De Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) biedt een kadervoor het rechtmatig verwerken van persoonsgegevens en de beschermingvan persoonsgegevens. Artikel 2 van de AVG regelt wanneer de AVG vantoepassing is. Het is mij niet helder wat het verband is tussen degesignaleerde knelpunten en artikel 2 uit de AVG.In artikel 5 van de AVG staan enkele algemene beginselen die vantoepassing zijn op het verwerken van persoonsgegevens, waaronder hetdoelbindingsbeginsel. Dat beginsel houdt samengevat in dat persoonsge-gevens uitsluitend voor welbepaalde, uitdrukkelijk omschreven engerechtvaardigde doeleinden mogen worden verzameld en dat diepersoonsgegevens vervolgens niet verder mogen worden verwerkt opeen manier die onverenigbaar is met die (initiële) doeleinden. Datbetekent dat verwerkingsverantwoordelijken persoonsgegevens nietmogen gebruiken voor andere doeleinden dan de doeleinden waarvoor degegevens initieel zijn verzameld. Verwerkingsverantwoordelijken mogende initieel verzamelde persoonsgegevens dus niet zomaar voor anderwetenschappelijk onderzoek gebruiken. Het is aan de verwerkingsverant-woordelijken zelf om te beoordelen of dat al dan niet het geval is.Een ander beginsel betreft dat van dataminimalisatie. Dat beginsel houdtin dat persoonsgegevens alleen mogen worden verwerkt voor zover datnoodzakelijk is voor de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt. Ditbeginsel kan in deze kwestie met zich meebrengen dat niet onnodig enherhaaldelijk persoonsgegevens worden uitgewisseld, mede omdat dathet risico in zich bergt dat persoonsgegevens op een onrechtmatige wijzeworden verwerkt of in handen van onbevoegden komen. Het is dan ookeen misvatting dat onderzoekers de data financieren. De in artikel 89 lid 1van de AVG genoemde passende waarborgen zijn namelijk niet gratis.Deze maatregelen zijn van belang om eventuele onthulling te voorkomenen moeten voor nieuwe onderzoeken opnieuw worden getoetst aan het inartikel 5 genoemde beginsel van dataminimalisatie.Elke verwerkingsverantwoordelijke die persoonsgegevens verwerkt, moetvoldoen aan deze beginselen. De Autoriteit Persoonsgegevens houdt hieronafhankelijk toezicht op.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 25 295, nr. 219911

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 02d52c85cc734af5

14 okt 2026 · d509591e93ae9683

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.