Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Brontekst
Versie 8767e2105ba89a93 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 XIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Infrastructuur en Waterstaat (XII)voor het jaar 2026Nr. 10 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 21 november 2025 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, belast met hetvoorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uitte brengen in de vorm van een lijst van vragen met de daarop gegevenantwoorden.De vragen zijn op 02 oktober 2025 voorgelegd aan de Minister enStaatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Bij brief van19 november 2025 zijn ze door de Minister en Staatssecretaris vanInfrastructuur en Waterstaat beantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de commissie,Peter de GrootDe griffier van de commissie,Schukkink kst-36800-XII-10ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 101 Vragen en Antwoorden1Vraag:Kunt u een concreet overzicht geven van de uitwerking van de 22 procentbezuiniging op apparaatslasten vanuit het regeerprogramma? Graag ineen tabel waarin is aangegeven op welke organisaties of organisatieon-derdelen deze bezuiniging neerslaat, en per organisatieonderdeel hoeveelexterne inhuur teruggedrongen wordt, hoeveel fte verdwijnen en welktype functies het daar betreft.Antwoord:De apparaatstaakstelling bedraagt € 22,8 miljoen in 2025 en loopt op tot€ 90,3 miljoen structureel vanaf 2029. De focus bij de verdeling van detaakstelling lag op het maken van heldere keuzes; het behouden van eenbalans tussen beleid, uitvoering, inspectie, kennis, staf en bedrijfsvoering;en het bijdragen aan de visie waar IenW voor staat. Hierbij is hetuitgangspunt dat alle onderdelen bijdragen in het kader van solidariteit,maar dat de uitvoering zoveel mogelijk wordt ontzien. Deze besluit-vorming resulteert in een bezuiniging op het apparaat van het kerndepar-tement van 9,7% vanaf 2029 en op het apparaatsbudget van de overigeorganisatieonderdelen wordt stapsgewijs 0,5% per jaar bezuinigd,oplopend tot 2,5% structureel in 2029. Deze verwerking van de taakstellinggenereert een opbrengst die gelijk staat aan de financiële opgave die voorIenW voortvloeit uit het Hoofdlijnenakkoord (HLA).In tabel 1 (bijlage) is aangegeven hoe de bezuiniging op apparaatslastenvanuit het regeerprogramma voor Hoofdstuk XII neerslaat op deorganisatie.2Vraag:Lopen er gesprekken met de NS om de prijsstijging van treinkaarten in2026 te voorkomen? Hoeveel zou het kosten om de prijsstijging tevoorkomen?Antwoord:Eerder dit jaar hebben er gesprekken met NS plaatsgevonden over detariefontwikkeling in de komende jaren. De Kamer is op 16 juli jl. over deuitkomsten geïnformeerd (Kamerstukken 29 984, nr. 1260). Waar eerst in2026 een stijging van de NS-tarieven van ca. 12% werd voorzien, is hetgelukt om dit terug te brengen tot circa 6% tot 9%. NS maakt hettariefbesluit voor 2026 in november bekend.Om de verwachte tariefstijging in 2026 volledig tot nul terug te brengen,inclusief de reguliere tariefstijging op basis van inflatie, kost dat ongeveer€ 85 miljoen (bij 6%) tot € 130 miljoen (bij 9%) per jaar (prijspeil 2025).Het blijvend afwenden van prijsstijgingen kan alleen met structurelemiddelen. Als incidentele middelen worden ingezet, wordt de tarief-stijging niet voorkomen, maar wordt deze met een jaar opgeschoven. Inhet jaar daarop moet de doorgeschoven tariefstijging dan opgeteldworden bij de tariefstijging op dat moment.3Vraag:Hoeveel zou het kosten om de btw op openbaar vervoer op nihil testellen?Antwoord:Deze kosten worden ingeschat op circa € 350 miljoen per jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 102 4Vraag:Hoeveel zou het kosten om de prijzen in het openbaar vervoer met 10procent te verlagen?Antwoord:Op basis van het globale beeld zoals geschetst in het antwoord op vraag7, wordt dit ingeschat op circa € 360 miljoen per jaar (10% van dereizigersinkomsten). Hierbij is nog geen rekening gehouden metgedragseffecten.5Vraag:Hoeveel zou het kosten om de prijzen in het openbaar vervoer met25 procent te verlagen?Antwoord:Op basis van het globale beeld zoals geschetst in het antwoord opvraag 7, wordt dit ingeschat op circa € 0,9 miljard per jaar (25% van dereizigersinkomsten). Hierbij is nog geen rekening gehouden metgedragseffecten.6Vraag:Hoeveel zou het kosten om de prijzen in het openbaar vervoer met 50procent te verlagen?Antwoord:Op basis van het globale beeld zoals geschetst in het antwoord op vraag7, wordt dit ingeschat op circa € 1,8 miljard per jaar (halvering reizigersin-komsten). Hierbij is nog geen rekening gehouden met gedragseffecten.7Vraag:Hoeveel zou het kosten om het openbaar vervoer gratis te maken?Antwoord:Vanwege bedrijfsgevoelige informatie kan slechts een globaal beeldworden geschetst: de totale vervoerskosten voor 2024 worden geschat opcirca € 5,7 miljard per jaar. Dit bedrag wordt bekostigd door reizigersin-komsten (circa 3,6 miljard), door de OV-studentenkaart (OCW-begroting,circa € 1 miljard) en door exploitatiesubsidies (o.a. via Provinciefonds enIenW-begroting (BDU Verkeer en Vervoer), circa € 1,1 miljard).De totale kosten voor het gratis maken van het openbaar vervoer vallennaar verwachting hoger uit, omdat er in deze kostenraming geen rekeningmee is gehouden dat bij gratis openbaar vervoer de vraag naar openbaarvervoer stijgt en de kosten voor (bijvoorbeeld) OV-personeel en materieeltoenemen.8Vraag:Heeft u zicht op het aantal NS-medewerkers dat vrijwillig een bodycam wildragen? Zo ja, hoeveel zou het kosten om hoofdconducteurs met eenbodycam op te leiden tot boa?Antwoord:In afstemming met NS kan aangegeven worden dat NS voornemens isalle medewerkers in het domein Hoofdconducteuren (HC) uit te rustenmet een bodycam. Hoewel het exacte aantal medewerkers dat vrijwilligTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 103 een bodycam wil dragen nog niet in kaart is gebracht is, is de insteek vanNS om dit breed uit te rollen, omdat daarmee het grootste effect wordtbereikt.In de subsidieaanvraag van NS voor de uitbreiding van het aantalbodycams, wordt uitgegaan van 4300 bodycams, waarvoor een bedragvan 12 miljoen euro is begroot. Het is momenteel niet inzichtelijk hoeveelhet zou kosten om HC’s op te leiden tot boa’s. HC’s binnen NS zijntoezichthouder. Dit wijzigt niet als gevolg van het uitrusten van HC’s meteen bodycam.9Vraag:Klopt het dat in het verkeer een hoge leeftijd een groter ongevalsrisicoheeft dan alcohol en drugs?Antwoord:Nee, er spelen twee verschillende zaken: de kans op een ongeval en dekans op overlijden. Deze zaken zijn niet met elkaar te vergelijken.Bij alcohol (en drugs) is er sprake van een verhoogde kans om bij eenongeval betrokken te raken, ongeacht het individu. Die kans neemt sterktoe naarmate het promillage stijgt: bij een bloedalcoholgehalte (BAG) van0,5‰ ongeveer 1,4 keer hoger is dan bij nuchter rijden, bij 1,0‰ is hetrisico bijna vijf keer zo hoog, en bij een BAG van 1,5‰ is het ongevals-risico meer dan twintig keer zo hoog als dat van een nuchtere bestuurder.Bij een hogere leeftijd speelt vooral de kwetsbaarheid een rol. Daardoor isbij ouderen vooral de kans op een dodelijk ongeval verhoogd. Ongevallenwaarbij ouderen betrokken zijn, hebben vaker een dodelijke afloop,waarbij zij zélf overigens vaak het dodelijke slachtoffer zijn. De kans opoverlijden neemt toe naarmate men ouder is. Hoe groot de kans opoverlijden is, is echter ook afhankelijk van de persoon: de ene 80-jarige isfitter dan de ander.10Vraag:Wanneer komt de circulaire-economiewet naar de Kamer?Antwoord:De Circulaire Economiewet, of CE-wet, gaat naar verwachting begin 2026in internetconsultatie. De Kamer zal hierover worden geïnformeerd. Nahet verwerken van de reacties op de consultatie en de input uit de toetsenwordt het wetsvoorstel na akkoord van de ministerraad doorgeleid naarde Raad van State. Vervolgens kan de Kamerbehandeling starten. Dit zalnaar verwachting eind 2026 zijn.11Vraag:Welke beleidsprogramma’s en middelen zijn gericht op het afbouwen vande lineaire economie en het opbouwen van de circulaire economie?Antwoord:Verschillende beleidsprogramma’s en instrumenten dragen bij aan decirculaire economie. Dit komt allemaal samen in het NationaalProgramma Circulaire Economie. Het onderscheid tussen het afbouwenvan de lineaire economie en het opbouwen van de circulaire economieniet eenvoudig te maken, dit is namelijk een gelijktijdig effect. Alsvoorbeeld een norm gericht op toepassing van gerecycled materiaal innieuwe producten: dit vergroot de markt voor gerecycled materiaal, en isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 104 zodoende helpend bij het opbouwen van de circulaire economie. De normzorgt echter evengoed voor de afname van de vraag naar primairematerialen en zorgt dus voor afbouw van het lineaire systeem.12Vraag:Welke beleidsmatige ontwikkelingen die genoemd worden, vormen nieuwof reeds ingezet Nederlands beleid?Antwoord:De beleidsinzet zoals opgenomen in de begroting vindt allemaal plaats in2026. Dit is echter slechts een beperkte weergave van de veelheid aanbeleid dat wordt uitgevoerd ter realisatie van de circulaire economie. Op14 oktober is het geactualiseerde Nationaal Programma CirculaireEconomie aan de Kamer gestuurd (Kamerstukken 32 852, nr. 392). Hierin– en in de achterliggende documenten – wordt een compleet overzichtgegeven van de beleidsmaatregelen.13Vraag:Welke beleidsmatige ontwikkelingen die genoemd worden, vormen nieuwof reeds ingezet Europees beleid?Antwoord:Bij de beleidsmatige ontwikkelingen onder artikel 21 (circulaire economie)wordt een aantal Europese ontwikkelingen genoemd, zoals de inzet opeen gelijk Europees speelveld en inwerkingtreding van EU-wetgeving. Ditbetreft allemaal reeds ingezet Europees beleid, dat ofwel van kracht wordtin 2026, ofwel waarvoor inzet zal plaatsvinden in 2026. De Europese inzetten aanzien van circulaire economie is opgenomen in onder andere hetNationaal Programma Circulaire Economie (NPCE).14Vraag:Welke beleidsmatige ontwikkelingen dragen bij aan het stimuleren vantweedehands consumptie?Antwoord:Het NPCE stimuleert het verlengen van de levensduur van producten,waarbij tweedehands gebruik een belangrijke rol speelt (Kamerstukken32 852, nr. 225). Binnen dit beleid is uitgebreide producentenverantwoor-delijkheid een belangrijk instrument: producenten blijven verantwoordelijkvoor inzameling, recycling en hergebruik van hun producten. HetMinisterie van IenW werkt daarnaast samen met Circulaire Ambachts-centra om hergebruik en reparatie te bevorderen1 en financiert via MilieuCentraal een campagne voor refurbished ICT-apparaten2.15Vraag:Welke beleidsmatige ontwikkelingen dragen bij aan het stimuleren vanminder consumptie?Antwoord:Het stimuleren van efficiënt grondstofgebruik is één van de vier strate-gieën binnen het NPCE en vormt daarmee onderdeel van de beleidsinzet.Hierbij wordt ingezet op een duurzamere omgang met producten enmaterialen, bijvoorbeeld door «product als een dienst», hergebruik en1https://circulairambachtscentrum.nl2https://www.milieucentraal.nl/spullen-en-kleding/kies-refurbished/Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 105 deelinitiatieven te bevorderen. Deze ontwikkelingen maken het voorconsumenten en bedrijven makkelijker om circulair te handelen en zo devraag naar nieuwe grondstoffen te beperken.16Vraag:Wat zijn de financiële ontwikkelingen (hoeveelheid, welke subsidies, welkemiddelen, allocatie van de middelen) sinds 2015 op het gebied vanfinanciering van de circulaire economie?Antwoord:In de bijlage is in tabel 2 het overzicht opgenomen van de financiëleontwikkelingen op het artikel 21 van het jaar 2015 tot 2030. De gespecifi-ceerde uitgave per subsidie zijn opgenomen in de subsidiebijlage van dejaarverslagen.17Vraag:Wat is de verhouding tussen uitgaven aan agentschappen en aan definanciering van circulariteit zelf ten opzichte van de afgelopen vijf jaar,uitgesplitst per jaar?Antwoord:In de bijlage is in tabel 3 opgenomen welk aandeel van de middelenbestemd is voor de financiering van de agentschappen ten opzichte vanhet totaal. Het is belangrijk om daarbij te vermelden dat ook de bijdragenaan de agentschappen ten bate zijn van de transitie naar circulaireeconomie.18Vraag:Welk bedrag zou nodig zijn om de gestelde doelen voor de circulaireeconomie te bereiken in 2030? En welk bedrag om de doelen van 2035 tehalen?Antwoord:De kosten voor het realiseren van de beleidsdoelen voor 2035 hangen afvan het gevoerde beleid, dat deels toekomstige kabinetsperiodes zalbeslaan en afhankelijk is van het beleid in de EU. Hierdoor kan nu geeneenduidig antwoord worden gegeven op deze vraag. Door het instellenvan ketentafels van de prioritaire productgroepen gaan we in gesprek metde betrokken partijen uit de keten over hoe we de doelen gezamenlijkkunnen halen.19Vraag:Hoeveel investeert u nog in circulaire ambachtscentra (CA’s)?Antwoord:In de afgelopen jaren heeft het Ministerie van IenW specifieke uitkeringenverstrekt aan gemeenten voor het realiseren van circulaire ambachts-centra. Onder andere door de forse teruggang in het budget voorcirculaire economie is het niet mogelijk om deze regeling voor gemeentenvoort te zetten. Er worden dus geen nieuwe specifieke uitkeringenvoorzien. Wel blijft het ministerie onverminderd circulaire ambachtscentrastimuleren en ondersteunen door middel van kennis en netwerken.Hiervoor is in 2026 € 270.000 aan projectgeld en 1,9 fte aan capaciteitbeschikbaar gesteld bij Rijkswaterstaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 106 20Vraag:Hoeveel van het budget rondom CA’s komt terecht in werkprogramma’sen op de werkvloer? Hoeveel van het budget blijft binnen ministeries enhoeveel bij Rijkswaterstaat?Antwoord:Rijkswaterstaat voert sinds 2019, in opdracht van het Ministerie van IenW,het Programma Circulaire Ambachtscentra uit om gemeenten bij hetontwikkelen van circulaire ambachtscentra te ondersteunen door middelvan kennis, netwerken en specifieke uitkeringen.In de periode 2019–2025 is € 3,4 miljoen beschikbaar gesteld aanspecifieke uitkeringen voor gemeenten. In aanvulling daarop is in dezelfdeperiode € 1,4 miljoen ter beschikking gesteld aan Rijkswaterstaat voor hetontwikkelen van kennis en het bouwen en onderhouden van netwerken.Voor 2026 is € 270.000 gereserveerd bij Rijkswaterstaat voor de uitvoeringvan het programma. Onder andere door de forse teruggang in het budgetvoor circulaire economie is het niet mogelijk om de specifieke uitkeringvoor gemeenten in 2026 voort te zetten.21Vraag:Wat is de beleidsmatige evaluatie van het verlagen van het budget voorde circulaire economie? Welke keuzes zitten hierachter, en dragen deze bijaan het halen van de circulariteitsdoelstellingen?Antwoord:De enige reden dat de middelen in 2026 lager zijn dan in voorgaande jarenis dat een incidentele verhoging van de afgelopen jaren is afgelopen. Aanhet verlagen van de budgetten liggen dan ook geen beleidsmatigeoverwegingen ten grondslag.22Vraag:Waarvoor kunnen de KF – DEI + CE-gelden (Klimaatfonds – regelingDemonstratie Energie- en Klimaatinnovatie Circulaire economie) preciesingezet worden?Antwoord:Het Ministerie van IenW zet de Klimaatfondsmiddelen in voor demaatregel «continuering DEI+ CE». Dit heeft betrekking op programma’sdie innovaties rondom Circulaire Economie proberen op te schalen om zoop lange termijn CO2-uitstoot te verminderen. Deze middelen wordengebruikt voor subsidies en inzet van capaciteit. Zo worden ondernemersmet een kapitaalbehoefte tijdens de opschalingsfase(s) van een innovatiedoor de regeling DEI+ CE ondersteund. Deze regeling stelt ondernemers instaat hun innovatie toe te passen in een pilot of demonstratieproject.Gesubsidieerde projecten houden zich bijvoorbeeld bezig met hetopnieuw gebruiken van reststromen en producten, en het besparen vanmaterialen. In 2025 was € 80 miljoen beschikbaar voor de DEI+ CEregeling. De middelen kunnen niet buiten de kaders van het Klimaatfondsingezet worden.23Vraag:Waarvoor kunnen de KF-circulair-doen-en-gedrag-gelden precies ingezetworden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 107 Antwoord:Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat zet de Klimaatfondsmid-delen in voor opdrachten, subsidies en capaciteit binnen het programmaCirculair doen. De middelen worden gebruikt voor de uitvoering van deonderwijs en circulair gedrag maatregelen uit het NPCE (Zie ook Kamer-stukken 32 852, nr. 392, p. 64).De inzet draagt bij aan het doel van het programma: mensen helpen omduurzaam en circulair te handelen door kennis en vaardigheden aan tereiken en het gewenste gedrag te stimuleren. De middelen kunnen nietbuiten deze kaders ingezet worden omdat ze vanuit het Klimaatfondsexpliciet daartoe zijn bestemd.24Vraag:In welke mate is NEN betrokken bij het versimpelen van de CENELEC/WEEELABEX-reparatievereisten?Antwoord:Er is geen sprake van versimpeling van de CENELEC norm. Wel wordtgewerkt aan een aanpassing van de regeling afgedankte elektrische enelektronische apparatuur (AEEA), waardoor kleine reparateurs niet langergecertificeerd hoeven te zijn op basis van die norm, maar in plaatsdaarvan zich moeten houden aan een aantal voorschriften in de regelingAEEA. Omdat er geen sprake is van aanpassing van de norm zelf is NENniet actief betrokken bij dit proces.25Vraag:Wordt de gezondheidseffectrapportage (GER) meegenomen bij deversterking van het stelsel van vergunningverlening, toezicht enhandhaving (VTH-stelsel)?Antwoord:De versterking van het VTH-stelsel is in 2022 in gang is gezet met hetInterbestuurlijk programma Versterking VTH-stelsel. Via de KamerbriefVersterking VTH-stelsel van 8 juli 2022 (Kamerstukken 22 343, nr. 336) is deKamer geïnformeerd over de context en inhoud van het programma envia het bijbehorende programmaplan over de concrete acties. Daar is deGER niet opgenomen. Het programmaplan is echter niet exclusief enlimitatief. Uiteraard kan het ook langs andere wegen komen tot eenversterking van het stelsel. Over de GER zal de Kamer naar verwachtingeind dit jaar geïnformeerd worden via de voortgangsbrief ActieagendaIndustrie en Omwonenden.26Vraag:Wordt er bij het efficiënt en effectief functioneren van het VTH-stelsel ookgedacht aan de onafhankelijkheid van de omgevingsdiensten, zodat dezeniet bestuurlijk onder druk (kunnen) worden gezet bij het verlenen vanvergunning?Antwoord:Ja, het is belangrijk dat omgevingsdiensten hun taken onafhankelijkkunnen uitvoeren. De Kamer heeft hier eerder aandacht voor gevraagd viade aangenomen motie van het lid Gabriëls (Kamerstukken 22 343, nr. 412).In de Kamerbrief Voortgang versterking VTH-stelsel van 14 juli 2025(Kamerstukken 22 343, nr. 429), is beschreven hoe invulling is gegevenaan deze motie. Een belangrijk instrument hierbij is het interbestuurlijkTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 108 vastgestelde modelmandaat dat de positie van de directeur uniformeerten verstevigt qua onafhankelijkheid.27Vraag:Wordt er in de monitor Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwa-liteit (NSL) ook gekeken naar het effect op de gezondheid van inwoners?Antwoord:Het effect van luchtverontreiniging op de gezondheid van inwoners wordtmeegenomen in de tweejaarlijkse voortgangsmeting van het SchoneLucht Akkoord (SLA). Binnen het SLA werken decentrale overheden en deRijksoverheid aan het doel 50% gezondheidswinst in 2030 ten opzichtevan 2016. De meest recente voortgangsmeting is in juni 2024 aan deTweede Kamer gestuurd (Kamerstukken 30 175 nr. 464). In 2026 ontvangtde Kamer een nieuwe voortgangsmeting.Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is hetNationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit en de bijbehorendemonitoring komen te vervallen. Onder de Omgevingswet wordt deluchtkwaliteit nog steeds jaarlijks door het RIVM gemonitord. De TweedeKamer ontvangt jaarlijks in december de resultaten van deze monitoring.28Vraag:Wordt er in de jaarlijkse monitoring luchtkwaliteit van het Rijksinstituutvoor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) rekening gehouden met hetfijnstof dat vrijkomt door houtstook?Antwoord:Ja, bij de monitoring van luchtkwaliteit wordt ook rekening gehouden metde fijnstofemissies door houtstook.29Vraag:Gezien het feit dat in de begroting IenW 2026 staat opgenomen datov-boa’s toegang krijgen tot het rijbewijzenregister, maar er niets staatover toegang tot de strafrechtketendatabank en de Basisvoorzieningvreemdelingen, en er sprake is van uitstel van beantwoording vanschriftelijke vragen hierover; wanneer kan de Kamer hier antwoord opverwachten?Antwoord:In de Kamerbrief «stand van zaken identificatie door ov-boa’s» van10 oktober jl. is de Kamer geïnformeerd over de stand van zaken rondomde informatievoorziening aan boa’s (Kamerstukken 23 645, nr. 872).Hierin is onder andere opnieuw vermeld dat ov-boa’s vanaf medio 2026toegang krijgen tot het rijbewijzenregister. Daarnaast wordt vermeld dathet Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat en het Ministerie vanJustitie en Veiligheid werken aan de brede juridische borging van dewerkwijze die wordt ingezet binnen de pilot tussen het Real-TimeIntelligence Center (RTIC) van de politie en de RET en de pilot tussen deNS en de Eenheid Landelijke Expertise en Operatie van de politie. DeKamer wordt eind 2025 geïnformeerd over de volgende stappen.Tot slot wordt vermeld dat het Ministerie van Asiel en Migratie hetmogelijk wil maken dat gegevens over de vreemdeling ook beschikbaarkomt voor de boa. De wijze waarop en de juridische verankering wordt opdit moment onderzocht. De Kamer wordt daarover eind 2025 nadergeïnformeerd. Uiteraard wordt ook gezorgd dat een antwoord op deschriftelijke vragen zo spoedig mogelijk volgt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 109 30Vraag:Kunt u aangeven hoe groot het financieringstekort is voor het projectZuidasdok?Antwoord:Elk halfjaar wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang van hetprogramma via de Halfjaarrapportages van Zuidasdok. In de tweedehalfjaarrapportage 2024 is aan de Kamer gemeld dat er, naast het aleerder verwachte tekort van € 600 mln. tot € 800 mln., rekeninggehouden moet worden met een aanvullend risico op hogere aanbie-dingen in verband met marktwerking. De Kamer wordt in de MIRT-brief– begin november – nader over het (verwachte) tekort geïnformeerd.31Vraag:Wat is het tijdpad en de planning om dit financieringstekort te dichten?Antwoord:De opdrachtgevers hebben afgesproken uiterlijk in de tweede helft van2025 een besluit te nemen. De Kamer wordt in de MIRT-brief hierovernader geïnformeerd.32Vraag:Wanneer komt het project Zuidasdok in de knel qua planning en aanbe-steding, als het financieringstekort niet wordt opgelost?Antwoord:Eind 2026.33Vraag:Klopt het dat de Noord/Zuidlijn randvoorwaardelijk is voor het vergrotenvan het aantal internationale treinverbindingen?Antwoord:Een van de belangrijkste doelstellingen van het project OV-verbindingAmsterdam-Haarlemmermeer is het vrijmaken van de capaciteit van deSchipholspoortunnel.Deze capaciteit in de spoortunnel maakt verdere groei van het aantalnationale en internationale treinen mogelijk.34Vraag:Hoe staat het met de planning van de Noord/Zuidlijn? Hoe verhoudt deplanning in het Regeerprogramma, waarin staat dat er in 2026 eenvoorkeursbesluit wordt genomen, zich tot de financiering?Antwoord:De huidige planning is er op gericht om eind 2026 een Voorkeursbe-slissing te kunnen nemen. In het geval van een Voorkeursbeslissingmoeten er voldoende (100%) financiële middelen beschikbaar zijn om dePlan- en studiefase te starten.35Vraag:Hoe belangrijk is de Schipholtunnel als onderdeel van de kritiekeinfrastructuur? En hoe kwetsbaar is het systeem bij incidenten in dezetunnel?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1010 Antwoord:De Schipholtunnel levert een belangrijke bijdrage aan de doorstroming ophet hoofdwegennet. De Schipholtunnel is van groot belang voor debereikbaarheid van en naar Amsterdam vanuit het zuiden en de bereik-baarheid van Schiphol vanuit Amsterdam en het noorden. Verminderdecapaciteit van de Schipholtunnel leidt tot hoge maatschappelijke kosten,vanwege het forse reistijdverlies en omgereden kilometers.Een incident in een tunnel leidt sneller tot een rijstrook- of rijbaanaf-sluiting dan een incident op een regulier wegvak. Voor tunnels geldennamelijk strenge veiligheidseisen. In de Schipholtunnel zijn, net als in veelandere tunnels, geen vluchtstroken aanwezig. Ook een eenvoudigpechgeval zal daarom leiden tot een rijstrookafsluiting. In het uiterstegeval wordt de tunnel volledig afgesloten. Naast een verkeersincident kandit ook komen door uitval van een van de tunneltechnische installaties(TTI), waardoor niet aan de veiligheidseisen voldaan wordt. Capaciteits-vermindering in de Schipholtunnel leidt tot een sterke vermindering vande doorstroming op het hoofdwegennet. Het functioneren van hetwegensysteem is dus erg kwetsbaar bij incidenten in deze tunnel.De planning is, afhankelijk van de nog benodigde financiële dekking, omde tunnel in 2031 te vernieuwen. De TTI naderen namelijk het einde vande levensduur of hebben die al bereikt. TTI zijn bedoeld voor debediening, besturing en bewaking van de tunnel. Voorbeelden van TTI zijnde ventilatie-, camera- en omroepsystemen en het snelheidsonderschrij-dingssysteem (voor signaleren van plotselinge snelheidsverminderingen).Falen heeft een direct gevolg voor de beschikbaarheid en/of veiligheid. Bijde vernieuwingsopgave zal een groot deel van de TTI worden vervangenof krijgt een upgrade. Daarnaast krijgt de civiele constructie eenopknapbeurt.Op 1 juli jl. is het Meerjarenplan Instandhouding Rijkswaterstaat naar deKamer gestuurd. Het Meerjarenplan Instandhouding biedt onder meerzicht op de voorbereidingen en maatregelen die Rijkswaterstaat treft omde grote instandhoudingsopgave in productie te nemen. Het vernieuwenvan de Schipholtunnel is een van de werkzaamheden die momenteel invoorbereiding is, maar waarvoor momenteel geen budget beschikbaar isen waarover nog financiële besluitvorming moet plaats vinden. Indien ervoor de Schipholtunnel geen financiële middelen voorhanden zijn kan detunnel niet in 2031 worden vernieuwd. Dit levert extra risico’s op voorongeplande hinder, storingen en beperkingen. Tot het moment vanvernieuwen is de tunnel kwetsbaar. De beheersorganisatie zorgt dat deveiligheid voor de weggebruikers geborgd blijft en de beschikbaarheidbeheersbaar blijft. Dat gebeurt aan de hand van een op maat gemaakteoverbruggingsstrategie. Indien noodzakelijk worden installaties,waaronder de TTI, extra geïnspecteerd, getest of onderhouden.36Vraag:Hoeveel middelen zijn er vanaf 2026 beschikbaar voor het verbeteren vande verkeersveiligheid, en zijn deze toereikend om de doelstellingen tebehalen?Antwoord:In 2026 is € 20,9 mln. beschikbaar voor verkeersveiligheid op HXII. Ook inde periode 2027–2030 is jaarlijks tussen de € 15 mln. en € 20 mln.beschikbaar op HXII. Er zijn daarnaast binnen het Mobiliteitsfonds enkelebudgetten van grotere omvang beschikbaar voor het verbeteren van deverkeersveiligheid:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1011 •Er is nog € 116 mln. beschikbaar van de Investeringsimpuls Verkeers-veiligheid. Het tweede aanvraagtijdvak van de derde tranche staatvanaf 12 november 2025 open. Alle medeoverheden kunnen hiervoorbudget aanvragen.•Er is eerder € 200 miljoen beschikbaar gesteld voor de verkeersveilig-heid van Rijks-N-wegen. Rijkswaterstaat werkt nu aan de planuitwer-king van de grootschalige verkeersveiligheidsmaatregelen uit tranche2, voor de N36 en N50 Kampen-Ramspol (circa € 172 mln.). Met devoorjaarsbesluitvorming 2025 is € 115 mln. extra beschikbaar gesteldvoor de N36 en toegevoegd aan het programmabudget voor Rijks-N-wegen. Binnen de verkeersveiligheidsaanpak Rijks-N-wegen is geenfinanciële vrije ruimte voor aanvullende maatregelen.•Er was € 50 mln. beschikbaar voor fietsveiligheid, waarvan momenteelnog € 47 mln. beschikbaar is. Dit bedrag wordt vanaf 2026 ingezetvoor het Meerjarenplan Fietsveiligheid 2025–2029 (Kamerstukken29 398, nr. 1181).Er wordt met deze inzet al veel gedaan om risico’s op verkeersongevallenzo laag mogelijk te houden, conform de doelstelling van het kabinet-Schoof. Zoals gemeld in de brief Uitkomst traject Trendbrekers verkeers-veiligheid van 10 juli 2025 zijn er extra maatregelen denkbaar die hetaantal verkeersslachtoffers verder flink kunnen verminderen (Kamer-stukken 29 398, nr. 1180). Dit vergt aanvullende financiering en beleids-keuzes. Er is eerder een grove schatting gemaakt van de kosten om deinfrastructurele maatregelen voor alle wegbeheerders gezamenlijk terealiseren en dat is een brede opgave (Kamerstukken 2023D49060). Deinvulling van verdere aanvullende maatregelen is gezien de demissionairestatus aan een volgend kabinet.37Vraag:Welke middelen worden besteed aan de veiligheid in het ov en wordenalle aanbieders van reizigersvervoer per spoor hier gelijkelijk inondersteund?Antwoord:Naast de € 2,4 miljoen die is toegekend aan station Maarheeze voor degemaakte kosten rondom de extra beveiligingsmaatregelen in 2024, is er€ 32 miljoen beschikbaar gesteld voor de brede aanpak van veiligheid inhet openbaar vervoer. Gegeven de concessierelatie tussen IenW en NS isvan dit bedrag € 12 miljoen specifiek gereserveerd voor de inzet vanbodycams voor NS-personeel. De overige € 20 miljoen is voor hetprogramma «Een veilig station: altijd voor iedereen!». Bij dit programmaligt de focus op stations en de stationsomgevingen, die niet goed scorenop sociale veiligheid; ongeacht de vervoerder. Los hiervan hebbenverantwoordelijke partijen natuurlijk ook reguliere uitgaven ten behoevevan de veiligheid van de reizigers en het personeel.38Vraag:Wat is de inschatting van het aantal fatbikes dat momenteel rondrijdt inNederland?Antwoord:Het Ministerie van IenW heeft geen zicht op het exact aantal fatbikes datmomenteel rondrijdt in Nederland. Een fatbike is een elektrische fiets ende verkoop hiervan wordt niet centraal geregistreerd. Voor voertuigen meteen kenteken worden aantallen bijgehouden door de Dienst Wegverkeer(RDW).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1012 Brancheverenigingen BOVAG en de RAI Vereniging laten wel jaarlijksonderzoek uitvoeren naar het aantal nieuw verkochte fietsen in Nederland,onderverdeeld in verschillende categorieën. (Rapportage «mobiliteit incijfers Tweewielers») Dit jaar zijn voor het eerst de verkoopaantallenonderzocht van elektrische fietsen die zij op basis van eigen criteriacategoriseren als fatbikes. Op basis van die inschattingen zijn in 2024111.033 fatbikes verkocht.39Vraag:Hoe wordt gehandhaafd op de verkoop en handel van illegale fatbikes?Antwoord:Er wordt fysiek en online toezicht gehouden op de verkoop en handel,zowel projectmatig als naar aanleiding van meldingen. Daarnaast wordenplatformen geïnformeerd over wet- en regelgeving ten behoeve van hetverwijderen en/of weren van advertenties als deze kenmerken hebben vaneen ongekeurde bromfiets. Ook wordt er samengewerkt met de Douane,die toezicht houdt op de fiscale aspecten van het invoeren van goederen.De samenwerking met de Douane richt zich op het delen van informatie.Voor de fiets (met trapondersteuning) is in de handelsfase de NederlandseVoedsel- en Warenautoriteit (NVWA) de toezichthouder. De InspectieLeefomgeving en Transport (ILT) is in de handelsfase toezichthouder opvoertuigen waarbij een (type)goedkeuring verplicht is (zoals bijvoorbeeldbromfietsen).40Vraag:Welke acties worden ondernomen om verkoop van goedkope illegalefatbikes op de Beverwijkse bazaar te stoppen?Antwoord:Fatbikes zijn een legaal product, mits zij aan de geldende regels voldoen.Deze producten kunnen daarom vrij worden verhandeld. Het signaal dater bij de Beverwijkse Bazaar mogelijk fatbikes worden verkocht die nietvoldoen, wordt door NVWA en ILT in gezamenlijkheid opgepakt.41Vraag:Kan in een schema worden weergegeven hoeveel het rijk en de medeo-verheden bijdragen aan de ov-concessies?Antwoord:De ov-concessies worden door de verschillende overheden bekostigd viaexploitatiesubsidies. Het geld hiervoor komt voor de provincies groten-deels vanuit het Provinciefonds; hierbinnen is geen sprake van geoor-merkt geld voor het regionale ov.Daarnaast ontvangen sommige decentrale overheden ook een aanvul-lende bijdrage vanuit het Rijk voor de exploitatie van het regionaalvervoer.De vervoerregio’s MRDH en VRA verkrijgen hun middelen grotendeels vanhet Rijk via de Brede Doeluitkering (BDU) op de begroting van hetMinisterie van Infrastructuur en Waterstaat.De in de meest recente jaren verstrekte exploitatiesubsidies per concessie-verlener zijn opgenomen in tabel 4 die als bijlage is bijgevoegd.Daarnaast hebben verenigingen van ov-bedrijven en NS een privaatrech-telijke overeenkomst gesloten met het Ministerie van OCW over hetstudentenreisproduct. De totale omvang van deze contracten bedraagtongeveer 1 miljard euro per jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1013 Voor de exploitatie van de hoofdrailnetconcessie door NS verstrekt hetMinisterie van IenW in 2025 een concessiesubsidie van € 17 miljoen.42Vraag:Hoeveel is er in miljoenen euro’s beschikbaar voor het ontsluiten van(nieuwe) woningbouwlocaties, en in welke jaren (graag een meerjareno-verzicht in tabelvorm)?Antwoord:Het kabinet-Schoof I heeft € 2,5 miljard beschikbaar gemaakt voor deontsluiting en bereikbaarheid van nieuwe woningbouwlocaties. De€ 2,5 miljard wordt ingezet voor twee verschillende type woningbouwlo-caties; woningbouwlocaties door heel Nederland waar op korte termijnextra woningen gebouwd kunnen worden en grootschalige woningbouw-locaties. Om bestuurlijke afspraken te kunnen maken en deze te kunnenvertalen in regelingen en beschikkingen zijn deze middelen bij de eerstesuppletoire begroting 2025 (samenhangende met de Voorjaarsnota)opgevraagd vanuit de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiënen in een realistisch uitvoerbaar kasritme toegevoegd, aan de begrotingvan IenW. De meerjarenraming is hieronder in de tabel weergegeven.Jaar2026202720282029203020312032203320342035TotaalBedrag (* € 1 mln)25100150300450550475250150502.500 43Vraag:Staat bij de VTH de gezondheid van omwonenden centraal?Antwoord:Leidraad bij de uitvoering van de VTH-taken zijn de normen en aanwij-zingen die vastgelegd zijn in wet- en regelgeving. Gezondheid is een vande aspecten die daarbij meegewogen wordt. Met de actieagenda Industrieen Omwonenden werkt het kabinet aan een gezonde toekomst vooromwonenden van de industrie. Naar verwachting ontvangt de Kamer einddit jaar een voortgangsbrief over de actieagenda.44Vraag:Welke maatregelen heeft u nu op het oog als het gaat om deeindsprintfase van het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water(KRW), zoals u dit noemde in het commissiedebat Water? Wanneer kan deKamer een brief hierover verwachten?Antwoord:In de KRW-voortgangsbrief van 18 juli jl. (Kamerstukken 27 625, nr. 716) ishet totaaloverzicht opgenomen van alle extra inzet en maatregelen om deKRW-doelen te halen. De komende maanden krijgt de uitwerking hiervanvorm, waaronder extra inzet voor de afvalwaterketen en op het gebiedvan vergunningverlening, toezicht en handhaving. Zoals in het laatstecommissiedebat Water afgesproken ontvangt de Kamer in mei 2026 dezeuitwerking. Onderdeel daarvan is, zoals ook in dat debat besproken, hetdashboard met de stand van zaken bij de indirecte lozingen.45Vraag:Ziet u een rol voor het rijk voor u om een platform te creëren waar grotegrondwateropgaven die bestuurlijke grenzen overschrijden met decen-trale overheden gezamenlijk kunnen worden besproken en aangepakt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1014 Antwoord:Het Bestuurlijk Overleg Water (BOW) is het platform om de grotegrondwateropgaven te bespreken met decentrale overheden. De Ministervan IenW is hier voorzitter van. In dit overleg worden alle opgaven voorwater, dus ook voor grondwater, besproken met vertegenwoordigers vanprovincies, waterschappen, gemeenten en drinkwaterbedrijven. Binnen destructuur van het BOW is er ook de Landelijke Werkgroep Grondwaterwaarin provincies en Rijk o.a. de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water ende Grondwaterrichtlijn afstemmen. Hierbij sluiten ook vertegenwoor-digers van de Vewin en de Unie van Waterschappen aan.46Vraag:Wordt er naast de bijdrage van wegverkeer ook gekeken naar de uitstootvan andere stoffen, zoals van veehouderijen, houtstook en industrie?Antwoord:Ja, bij de monitoring van de luchtkwaliteit worden de emissies van veleverschillende bronnen betrokken, waaronder ook veehouderijen,houtstook en industrie. In de basis wordt er gebruik gemaakt vanGrootschalige Concentratiekaarten voor heel Nederland (GCN).47Vraag:Wordt in de 15e Monitoringsrapportage NSL ook rekening gehouden metde WHO-advieswaarden? En bent u bereid deze te betrekken bij derapportage?Antwoord:Nee, hierover wordt niet gerapporteerd in de monitoringsrapportageluchtkwaliteit. Deze jaarlijkse monitoring is gericht op het toetsen van deluchtkwaliteit in Nederland aan de grenswaarden die volgen uit deEuropese richtlijn luchtkwaliteit. In 2024 is deze Europese richtlijn herzien,met aangescherpte grenswaarden vanaf 2030. Die richtlijn bevat ook dedoelstelling van zero pollution richting 2050 en betrekt daarbij de meestrecente advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO). Hetgaat dan om concentratiedoelstellingen voor gemiddelde blootstellingwaar naartoe gewerkt moet worden vanaf 2030. Bij de implementatie vande herziene richtlijn wordt gekeken hoe te rapporteren ten aanzien van deWHO-advieswaarden.48Vraag:Ziet u, mede gezien het stijgend aantal fietsslachtoffers (door de intro-ductie van nieuwe vormen van mobiliteit), de noodzaak om ook eencampagne op te zetten rond gedrag op de fiets?Antwoord:Momenteel lopen er al diverse landelijke campagnes gericht op hetverbeteren van de fietsveiligheid. Het gaat om MONO (afleiding), AAN(fietsverlichting), Zet ’m op (fietshelmgebruik) en ’t kan hard gaan (tegenopvoeren elektrische fietsen). Daarnaast is er binnen het MeerjarenplanFietsveiligheid ruimte voor het (door)ontwikkelen en opschalen vangedragsinterventies om de fietsveiligheid te bevorderen. Een nieuwe ofextra campagne wordt nu niet overwogen.49Vraag:In hoeverre speelt het Meerjarenplan Fietsveiligheid in op recenteontwikkelingen rond bijvoorbeeld de fatbike?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1015 Antwoord:Binnen het Meerjarenplan Fietsveiligheid is aandacht voor de campagnes«Zet ’m op» en «’t Kan hard gaan». Hiermee stimuleert het Ministerie vanIenW de fietshelm en worden de risico’s van het opvoeren van elektrischefietsen onder de aandacht gebracht bij jongeren en hun ouders. Daarnaastspeelt het plan in op de toegenomen diversiteit en drukte op het fietspad.Samen met medeoverheden worden pilots uitgevoerd om maatregelen inde praktijk te testen. Ook komt er ruimte voor onderzoek en innovatierondom thema’s als drukte op het fietspad, risicogedrag, snelheid enenkelvoudige fietsongevallen. Naast het Meerjarenplan Fietsveiligheid isop 28 augustus 2025 ook een Kamerbrief gestuurd met aanvullendemaatregelen op de problematiek rondom e-bikes en fatbikes (Kamer-stukken 29 398, nr. 1183).50Vraag:Kunt u aangeven op welke wijze de inzet op valpreventie vanuit hetMinisterie van VWS wordt meegenomen in het plan als het gaat omouderen?Antwoord:Via het Meerjarenplan Fietsveiligheid wordt € 41 mln. uitgetrokken vooreen kennisprogramma van ZonMw. Dit programma richt zich onder meerop het doorontwikkelen en vervolgens uitvoeren van effectieve inter-venties die het valrisico voor fietsers verkleinen. De inzichten en kennisover de ketenaanpak valpreventie van het Ministerie van VWS wordenhierbij meegenomen. Daarbij gaat extra aandacht uit naar oudere fietsers.51Vraag:Op welke wijze wordt aandacht besteed aan gedragsinterventies binnenhet plan?Antwoord:Het Meerjarenplan Fietsveiligheid zet in op gedragsinterventies viacampagnes als Zet ’m op, ’t kan hard gaan, MONO en AAN. Daarnaast iser ruimte voor het (door)ontwikkelen en opschalen van gedragsinter-venties om de fietsveiligheid te bevorderen.52Vraag:Kunt u aangeven hoe wordt gewaarborgd dat goede data over fietsslacht-offers beschikbaar blijven, aangezien politiedata onvoldoende inzichtgeven in deze kwetsbare groep verkeersslachtoffers?Antwoord:De SWOV maakt jaarlijks in de Staat van Verkeersveiligheid uitgebreideanalyses die inzicht geven in de verkeersveiligheid op nationaal niveauwaaronder ook die van fietsslachtoffers. Dergelijke analyses kunnen opverzoek ook voor provincies en grotere gemeenten worden uitgevoerd.Ook op dat niveau is deze informatie dus beschikbaar. Daarbij worden nietalleen politiedata gebruikt om een compleet beeld te krijgen maar ookdata vanuit ziekenhuizen.Ziekenhuisdata bevat geen locatiegegevens van ongevallen, waardoorvan een groot aantal fietsongevallen onbekend is waar deze hebbenplaatsgevonden. Wanneer een persoon na een fietsongeval in hetziekenhuis is beland, zonder dat er politie bij het ongeval aanwezig isgeweest, zit deze persoon wel in de ziekenhuisdata, maar niet in depolitieregistratie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1016 Wanneer deze persoon met een ambulance naar het ziekenhuis isgebracht, kan met ambulancedata meer informatie worden verkregenover de locatie. Ontsluiting van ambulancedata met locatiegegevens biedtdan meerwaarde. Met diverse partijen verkent IenW of en hoe eentoekomstbestendige inwinning van ambulancedata mogelijk is.53Vraag:Kunt u toelichten hoe de middelen van het Actieplan Verkeersveiligheidconcreet worden ingezet en wat de verwachte effecten zijn?Antwoord:De middelen voor de maatregelen binnen het Landelijk ActieplanVerkeersveiligheid 2022–2025 worden ingezet voor specifieke maatregelenverdeeld over vijf thema’s: Veilige infrastructuur, Langzaam verkeer,Veilige voertuigen en rijhulpsystemen, Veilig gedrag en Rijden onderinvloed. In het Landelijk Actieplan zijn de verwachte effecten van demaatregelen beschreven. De laatste stand van zaken over de voortgang ismet de verzamelbrief verkeersveiligheid in juni naar de Kamer verstuurd(bijlage bij Kamerstukken 29 398, nr. 1175).54Vraag:Kunt u aangeven op welke wijze actuele kennis wordt betrokken bij hetthema gedragsbeïnvloeding?Antwoord:In aanloop naar nieuwe campagnes wordt altijd gedragskundig adviesingewonnen, wordt de doelgroep betrokken en worden onderzoeksresul-taten uit eerdere/andere bonnen betrokken. Zo sluiten de interventies zogoed mogelijk aan bij de doelgroep. Daarnaast worden de groterecampagnes zoals Bob en MONO na elke periode geëvalueerd. Op basisvan waardering, houding en zelfgerapporteerd gedrag wordt eencampagne dan eventueel bijgesteld.55Vraag:Constaterende dat onder «opdrachten» onderzoeken en activiteiten in hetkader van het Landelijk Actieprogramma Verkeersveiligheid vallen,onderdeel van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid 2030, en dat dit o.a.beleidsontwikkeling voor beginnende bestuurders (0,1 miljoen euro),maatregelen fietsveiligheid (0,4 miljoen euro) en het verbeteren van deverkeersveiligheid voor specifieke doelgroepen zoals ouderen betreft; kuntu toelichten hoe deze middelen concreet worden ingezet en wat deverwachte effecten zijn?Antwoord:Onder «Opdrachten verkeersveiligheid» (Kamerstukken 36 800 XII, nr. 2,p. 80) is per abuis een tekst uit een eerdere begroting opgenomen. Demiddelen uit het opdrachtenbudget voor verkeersveiligheid worden einddit jaar definitief toegewezen aan de verschillende beleidsdossiers. Hierbijwordt zo veel mogelijk ingezet op actuele risico’s en ontwikkelingen ophet gebied van verkeersveiligheid.56Vraag:Kunt u specifieker aangeven hoe de bedragen verdeeld zijn?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 55.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1017 57Vraag:Kunt u aangeven welke andere doelgroepen dan ouderen in beeld zijn?Antwoord:In het kader van het Strategisch Plan Verkeersveiligheid en LandelijkActieplan Verkeersveiligheid wordt ingezet op een breed scala aandoelgroepen. Er zijn bijvoorbeeld ook interventies die specifiek gericht zijnop de doelgroepen fietsers, scholieren en zware overtreders.58Vraag:Wat is de staat van de haven van West-Terschelling?Antwoord:Zoals in de brief van 14 juli 2025 aan de Kamer gemeld (Kamerstukken29 684, nr. 294) heeft de gemeente Terschelling voor haar deel van dehaven van West-Terschelling geconstateerd dat de kades en damwandenaan het einde van hun levensduur zijn. De gemeente werkt daarom aan devoorbereiding van de vervanging en renovatie hiervan. Naast devervangingsopgave werkt de gemeente aan een mobiliteitsvisie voor hethavengebied, zodat de bereikbaarheid van de haven op de lange termijngewaarborgd blijft. De gemeente heeft aan het Ministerie van Infra-structuur en Waterstaat aangegeven dat zij een grote en urgente opgaveop zich af ziet komen die de gemeente Terschelling overstijgt. HetMinisterie heeft aangeboden om hierbij mee te denken. Het Ministerie vanInfrastructuur en Waterstaat, de Provinsje Fryslân en de gemeente zijnhierover in gesprek.59Vraag:Wat is de mogelijke invloed van stagnatie in de renovatieplannen van dehaven van West-Terschelling op de bereikbaarheid van het eiland?Antwoord:De kade van gemeente Terschelling nadert einde levensduur. Als hetproject van de gemeente stagneert, zal Terschelling mogelijk minder goedbereikbaar worden voor gemotoriseerd vervoer en vracht. Dit heeft ookgevolgen voor de veerdienst.Stagnatie kan optreden door uitstel van de keuze of bij onvoldoendefinancieringsmogelijkheden van de gemeente Terschelling. IenW is geeneigenaar van deze kade en heeft daarom geen middelen gereserveerd opde begroting. Zie ook het antwoord bij vraag 58.60Vraag:Zijn er voldoende middelen gereserveerd om de veerinstallaties aan walvan de Waddenveren in een goede staat te behouden, gezien het grootaantal reizigers dat er gebruik van maakt, bijvoorbeeld de walinstallatie opTexel?Antwoord:De veerinstallaties worden op verschillende momenten vernieuwd. Aande veerinstallaties vindt regelmatig regulier en groot onderhoud plaats.Dit is nodig om de veerinstallaties tot het moment van vernieuwing ingebruik te houden.Met uitzondering van de veerinstallaties op Ameland en Texel-Den Helderbevindt de vernieuwing van de veerinstallaties zich in de afrondende fase.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1018 Deze worden volgend jaar afgerond. De start van de vernieuwing van deveerinstallatie op Ameland staat voor volgend jaar gepland.De vernieuwing van de veerinstallaties Texel-Den Helder is gepland in2030. Hiervoor is momenteel nog geen zicht op financiering. Uiteraard iser de wens om deze financiering zo snel mogelijk rond te krijgen, maar datkan niet los gezien worden van de bredere opgave op de instandhoudingvan de Rijksinfrastructuur als geheel. Rijkswaterstaat werkt aan degrootste instandhoudingsopgave ooit. Deze opgave is vele malen groterdan er aan budget beschikbaar is. De beheersorganisatie zorgt dat deveiligheid voor de gebruikers geborgd blijft en de beschikbaarheidbeheersbaar blijft. Dat gebeurt aan de hand van een op maat gemaakteoverbruggingsstrategie. De voorbereiding is inmiddels gestart om deveerinstallaties Texel-Den Helder in 2030 te vernieuwen. Dit zodatRijkswaterstaat met de vernieuwing aan de slag kan, zodra de financiëledekking er is.61Vraag:Hoe gaat u ervoor zorgen dat overal in Nederland aan de aangescherpteEU-grenswaarden in 2030 wordt voldaan? En hoe zorgt u ervoor dat,ondanks het teruggebrachte budget, de doelstellingen nog steeds behaaldworden?Antwoord:Uit de tussenanalyse van het RIVM3 komt naar voren dat we naarverwachting nog niet overal in Nederland in 2030 de aangescherpteEuropese grenswaarden halen. Het RIVM geeft aan dat dit het geval is ineen aantal binnensteden, bij een aantal veehouderij locaties en sterkgeïndustrialiseerde gebieden en langs snelwegen. Er wordt op ditmoment in beeld gebracht via scenario’s met welke type pakketten aanmaatregelen de grenswaarden tijdig kunnen worden gehaald en welkextra benodigd budget (bandbreedte) daarbij hoort. Hier is momenteelgeen financiële dekking voor. De maatregelen zullen uiteindelijk wordenvastgelegd in zogeheten routekaart(en), mits uitvoerbaar en financiëlemiddelen beschikbaar zijn (zie ook Kamerstukken 21 109, nr. 274)62Vraag:In hoeverre vindt u dat de Europese richtlijn Luchtkwaliteit aansluit bij deadvieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) uit 2021?Antwoord:In 2024 is de richtlijn luchtkwaliteit herzien. Met deze herziening is derichtlijn luchtkwaliteit in lijn gebracht met de nieuwste advieswaarden vande WHO uit 2021. De in deze richtlijn afgesproken normen voor 2030komen overeen met het door de WHO geadviseerde interim target(tussendoel).63Vraag:Ziet u een rol voor organisaties, zoals het Longfonds, KWF Kankerbe-strijding en Natuur & Milieu, om te helpen bij het effectiever maken enbehalen van de streefwaarden en doelstellingen omtrent luchtkwaliteit ende uitvoering van het Schone Lucht Akkoord?3Kennisnotitie RIVM «Tussenrapportage overschrijdingen EU-grenswaarden in 2030», KenmerkKN-2025-0066, 22 augustus 2025. Te raadplegen via https://www.rivm.nl/publicaties/tussenrapportage-overschrijdingen-eu-grenswaarden-in-2030Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1019 Antwoord:Ja, de genoemde organisaties hebben zeker een rol. Het Ministerie vanIenW heeft regelmatig contact met diverse maatschappelijke organisatieszoals het Longfonds, KWF Kankerbestrijding en Natuur en Milieu. Zijvervullen een waardevolle rol in bijvoorbeeld het informeren van desamenleving over het belang van schone lucht en het geven vanpraktische tips over wat burgers zelf kunnen doen. Ook vertegenwoor-digen zij patiënten en/of stimuleren zij wetenschappelijk onderzoek. Hunkennis en adviezen kunnen worden ingebracht bij het maken van beleidten aanzien van schone lucht, evenals de kennis en adviezen vanbijvoorbeeld andere overheden en bedrijfsleven.64Vraag:Welke stappen onderneemt u om de toelating van biologische gewasbe-schermingsmiddelen te versnellen, gezien de knelpunten en vertragingenbij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen enbiociden (Ctgb) en de Europese toelatingsprocedures en de herzieningvan de biocidenverordening in 2026?Antwoord:Nederland zet zich, samen met het College voor de Toelating vanGewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) in EU-verband in omdraagvlak te verkrijgen voor een efficiëntere en meer passende beoor-deling van biologische middelen, die beter aansluit bij de aard enkenmerken ervan. Dit heeft begin 2025 geleid tot een publicatie van eenvernieuwende risicobeoordeling: «Using problem formulation for anefficient, fit-for-purpose risk assessment of microbial plant protectionproducts».De Europese Commissie heeft aangekondigd dit najaar met een Omnibus-wetsvoorstel te komen die onder meer moet voorzien in concretewijzigingen van de Verordening Gewasbeschermingsmiddelen (EU)1107/2009 om de beschikbaarheid van biologische gewasbeschermings-middelen te versnellen. Hiervoor heeft de Europese Commissie op16 september jl. een zogeheten call for evidence gepubliceerd om input teontvangen van belanghebbenden op gewenste vereenvoudiging,verduidelijking en modernisering. Ook Nederland heeft input geleverd. DeMinister van LVVN stuurt de Kamer de volledige reactie op de call forevidence toe. Eén van de punten die Nederland voorstelt voor gewasbe-schermingsmiddelen is om binnen de EU één zone aan te houden voor detoelating van producten die werkzame stoffen of microbiële stoffen meteen laag risico bevatten. Nederland blijft actief bijdragen aan dit traject.Daarnaast heeft de Europese Commissie aangekondigd aan het eind van2025 een evaluatie van het functioneren van de Biocidenverordening testarten met een publieke raadgeving. Het kabinet bereidt zich al voor opdeze evaluatie. Het zal in lijn met het strategisch kader biociden (Kamer-stukken 27 858, nr. 637) op de aangekondigde publieke raadplegingreageren. Daarbij zal het de knelpunten en vertragingen in het Europesetoelatingssysteem aankaarten en aandringen op verbetering, vereenvou-diging en versnelling van de wetgeving zonder dat dit ten koste gaat vande beschermdoelen van deze verordening.65Vraag:Is de huidige capaciteit bij de vergunningverlenende instanties (zoalsRIVM/Bureau GGO en COGEM) voldoende om de aantallen aanvragen,zoals weergegeven in tabel 97 tijdig te verwerken? Wordt er rekeningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1020 gehouden met een mogelijke toename van aanvragen door nieuweEuropese regelgeving (zoals de Biotech Act of NGT-wetgeving)?Antwoord:Op dit moment is het met de huidige capaciteit van de betrokkeninstanties bij de ggo-vergunningverlening in nagenoeg alle gevallenmogelijk om de aanvragen tijdig te verwerken. Om de beschikbarecapaciteit bij deze instanties en bij de aanvragers zo efficiënt mogelijk in tezetten, zijn er de afgelopen jaren onder andere mogelijkheden geïntrodu-ceerd om bredere aanvragen in te kunnen dienen en is het proces vanindienen en behandelen van de aanvragen, inclusief de introductie vaneen nieuw ICT-systeem dat dit ondersteunt, verder geoptimaliseerd.Daarbij zien de betrokken organisaties dat de complexiteit van deaanvragen toeneemt, wat de beoordeling intensiever maakt.Het is lastig om op dit moment te voorspellen wanneer de aangekondigde(deels overkoepelende) nieuwe Europese regelgeving exact in werkingtreedt en welke invloed dit heeft op het aantal en de complexiteit van deaanvragen. Het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat bereidt zich, insamenwerking met de andere betrokken ministeries, hierop voor door bijrelevante Europese overleggen aan te sluiten en het Nederlandsestandpunt te behartigen. Naast de inhoudelijke inzet op het borgen vanmilieuveiligheid in nieuwe Europese regelgeving, is de inzet óók omprocedures zo efficiënt mogelijk in te richten, zowel voor de aanvragersals voor de vergunningverlenende instanties.66Vraag:Welk deel van de apparaatsuitgaven van het ministerie heeft betrekkingop apparaatskosten voor infrastructurele ontsluiting van woningbouw? Isde meerjarenraming hiervan in de afgelopen maanden ineens significantgestegen en, zo ja, waarom?Antwoord:De met het programma Woningbouw en Mobiliteit beoogde resultatenvragen de nodige inzet. Het is van belang dat gemeenten ondersteundworden en dat de juiste randvoorwaarden voor succesvolle uitvoering vanhet programma worden gecreëerd. Daarnaast is het van belang om grip tehebben en houden op de uitvoering van een belangrijk en omvangrijkprogramma als dat van Woningbouw en Mobiliteit. Onder dezeuitvoerings- en beheersingskosten vallen kosten zoals ondersteuning vangemeenten, bijvoorbeeld door de inzet van experts bij knelpunten; inzetvan RWS en ProRail; monitoring van voortgang en uitkomsten; inzet vanspecialisten op juridisch-, financieel-, woningbouw- en mobiliteitsterrein;kosten voor rapportage, onderzoek, informeren en kennisuitwisseling;(tussentijdse) evaluatie en de kosten van het programmateam. Voor dekosten tot en met 2040 is 4% van het budget van € 2,5 miljard gereser-veerd (i.c. 100 miljoen). De apparaatskosten voor de infrastructureleontsluiting van woningbouw zijn niet structureel en daarom niet goed tevergelijken met de structurele apparaatskosten van het ministerie.Zie ook het antwoord op vraag 9 bij de ontwerpbegroting 2026 van hetMobiliteitsfonds.67Vraag:Kan worden aangegeven op welke (sub)artikelen in welke jaren debedragen die gemoeid zijn met zijn met een overboeking naar debeleidsbegroting HXII vanuit de Reservering Woningbouwmiddelen à100 miljoen euro in de jaren 2025–2031, bedoeld voor de apparaatskostenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1021 voor woningbouw, terug te vinden zijn in de IenW-begroting, voor dedekking van welke apparaatskosten deze bestemd zijn, en op welkmoment het inzicht is ontstaan dat deze (extra) apparaatskosten bestaan(zie ook blz. 79 in de memorie van toelichting bij de begroting 2026 vanhet Mobiliteitsfonds)?Antwoord:Deze middelen zijn onder de jaren 2025–2031 opgenomen onderartikel 98.1 van de IenW-begroting (XII), zoals nader toegelicht ondervraag 66.Deze middelen waren al in beeld bij het door middel van een beste-dingsplan opvragen van de middelen uit het Hoofdlijnenakkoord vanaf deAanvullende Post van het Ministerie van Financiën. Zie ook het antwoordop vraag 9 bij de ontwerpbegroting 2026 van het Mobiliteitsfonds.68Vraag:Welke specifieke uitkeringen (SPUK’s) die van belang zijn voor deinfrastructurele ontsluiting van woningbouw zijn niet structureel, welkedaarvan lopen ergens in de jaren 2026 t/m 2030 af, wat zijn de conse-quenties hiervan (hoeveel budget valt er weg en wat kan daardoor nietmeer gerealiseerd worden?) en wat zijn in die gevallen de vooruitzichtenen eventuele plannen of alternatieven?Antwoord:Geen van de specifieke uitkeringen onder het programma Woningbouwen Mobiliteit is structureel.De looptijd van alle SPUK’s onder de regeling «specifieke uitkeringwoningbouw op korte termijn» en onder de tijdelijke regeling «specifiekeuitkering mobiliteitspakketten» is tenminste tot en met 2035. Dat is hetjaar wanneer de realisatie van alle infrastructurele voorzieningen enmobiliteitsmaatregelen dient te zijn afgerond.Het grootste deel van de middelen is reeds aan de gemeenten bevoor-schot. Eind 2028 zullen ook de laatste termijnbedragen met voorschottenaan gemeenten zijn overgemaakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1022 Tabel 1 – behorend bij vraag 1De bezuiniging op apparaatslasten vanuit het regeerprogramma voorhoofdstuk XII slaat neer op de volgende organisatieonderdelen:Organisatieonderdelen:BezuinigingExterne inhuurAantal fteType functiesDG Mobiliteit9,7% van het apparaats-budget 2029Bij alle onderdelen wordtde externe inhuurgereduceerd minimaalnaar de Roemer-norm vanmaximaal 10% van depersonele uitgaven.Voor de invulling van debezuiniging zijninhoudelijke keuzesgemaakt welke takenverminderd of gestoptworden. De besparingendie hieruit volgen hebbengevolgen voor deomvang van IenW diezich op dit moment nogniet laten kwantificeren inreductie van het aantalfte. De gekozen oplossin-gen leiden op zichzelf toteen vermindering van hetaantal fte. In hoeverre er,per saldo, sprake zal zijnvan een krimp van hetaantal fte, is afhankelijkvan, onder andere,eventuele nieuwe takenen van de mate vanverambtelijking vanexterne inhuur.Beleids- en bedrijfs-voerings-functiesDG Luchtvaart en MaritiemDG Milieu en InternationaalDG Water en BodemOndersteuningPlanbureau voor deLeefomgeving (PBL)2,5% van het apparaats-budget 2029Autoriteit NucleaireVeiligheid en Stralingsbe-scherming (ANVS)Inspectie Leefomgeving enTransport (ILT)KNMI Tabel 2 – behorend bij vraag 16Vanwege het afwijkende formaat is deze als losse bijlage toegevoegd.Tabel 3 – behorend bij vraag 17Vanwege het afwijkende formaat is deze als losse bijlage toegevoegd.BijlageTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1023 Tabel 4 – behorend bij vraag 41Exploitatiesubsidies1 per concessieOverheid202220232024HoofdrailnetMinisterie IenW– 183– 204– 231Zaanstreek-WaterlandVervoerregio35,338,946,6Concessie AmsterdamVervoerregio– 14,4– 18,418,3Amstelland-MeerlandenVervoerregio47,552,458,5Bus Haaglanden StadVervoerregio17,126,222,4Concessie Rail HaaglandenVervoerregio11,29,622,7Haaglanden StreekVervoerregio20,223,931,2Concessie Rail RotterdamVervoerregio– 60– 65,9– 67,9Bus Rotterdam e.o.Vervoerregio33,536,543,2Voorne-Putten en RozenburgVervoerregio9,811,714,3GD-concessieProvincie58,762,867,6Openbaar busvervoer FryslânProvincie44,644,853IJssel-VechtProvincie63,65963,4Twente (incl. trein)Provincie25,126,334,4Achterhoek Rivierenland (incl. trein)Provincie36,237,643,4Concessie Arnhem Nijmegen (incl. trein)Provincie53,787,3109,7Noodconcessie Veluwe-ZuidProvincie–14,818,1Busvervoer AlmereProvincie1414,517,7Provincie UtrechtProvincie33,546,152,3Tram en bus Regio UtrechtProvincie35,765,161,2Gooi en VechtstreekProvincie12,41413,8Noord-Holland NoordProvincie24,125,528,6Haarlem/IJmondProvincie18,817,121,7Zuid-Holland NoordProvincie36,239,445,7Hoeksche Waard/Goeree OverflakkeeProvincie13,114,615,7Drechtsteden-Molenlanden Gorinchem (incl. trein)Provincie28,129,733,1ZeelandProvincie16,517,521,9West-BrabantProvincie30,232,336,1Oost-BrabantProvincie35,437,239,5Zuidoost-BrabantProvincie2524,426,9Limburg (incl. trein)Provincie636676,3Regionaal spoorvervoer GroningenProvincie24,124,928Regionaal spoorvervoer FryslânProvincie10,811,414,5Treindienst Zwolle-KampenProvincie0,1– 0,1– 0,1Treindienst Zwolle-EnschedeProvincie0,5– 0,5– 0,3VechtdallijnenProvincie10,99,19,1Treindienst ValleilijnProvincie5,34,24Treindienst Alphen aan den Rijn-GoudaProvincie3,94,24,4Parkshuttle RiviumProvincie0,70,80,8Fietsvoetveer Vlissingen-BreskensProvincie3,73,84,4Personenvervoer over water Rotterdam-DrechtstedenProvincie6,68,28,61 De financiële middelen die de concessieverlener beschikbaar stelt ten behoeve van de exploitatie van een concessie (inclusief personeel, energie/brandstof en regulier onderhoud materieel) zoals verstrekt aan de vervoerder zonder additionele subsidies.Eenheid: x miljoen euroBron: CROW-KpVV – www.staatvanhetov.nl – export 16 oktober 2025 Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 1024
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.