KamerkringInloggen
Kamerbrief

Kabinetsreactie Wetsevaluatie Vroegsignalering, evaluatie experimenten en onderzoek

24 jun 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 727dcaf09d4c8d8c · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202524 515Preventie en bestrijding van stille armoede ensociale uitsluitingNr. 812 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 24 juni 2025Schulden beginnen vaak klein, maar lopen soms snel op. Met ontwrich-tende gevolgen voor gezinnen en de maatschappij. Daarbij is bekend datmensen niet lichtzinnig denken over het (uit zichzelf) melden bij schuld-hulpverlening. Daarom is het belangrijk om problematische schulden tevoorkomen en beginnende schulden klein te houden. Om die reden isvroegsignalering sinds 2021 duidelijker verankerd in de Wet gemeentelijkschuldhulpverlening (Wgs). In het kader van vroegsignalering ontvangengemeenten een signaal van schuldeisers (vastelastenpartners) wanneermensen een achterstand hebben op drinkwater, energie, huur en/of dezorgverzekering. Nadat gemeenten een signaal van een vastenlasten-partner hebben ontvangen, bieden ze proactief hulp aan hun inwoners.Sinds de wetswijziging is het aantal verstuurde signalen jaarlijkstoegenomen. In 2024 zijn meer dan een miljoen vroegsignalen verstuurdten opzichte van circa 650.000 in 2021.1 Het aantal mensen waarmeegemeenten in contact zijn gekomen via vroegsignalering is flink toege-nomen: van circa 47.000 in 2021 naar circa 157.000 in 2024. Uiteindelijkresulteerde dit in een toename van het aantal mensen dat een vorm vanhulp accepteerde van circa 15.000 in 2021 naar circa 49.000 in 2024.21Omdat 2021 het aanvangsjaar van de monitoring was, is dit cijfer niet volledig betrouwbaar,maar slechts een indicatie van de inzet van gemeenten in dat jaar. De cijfers zijn een extrapo-latie op basis van de aantallen die deelnemende gemeenten van de Monitor VroegsignaleringSchulden aanleverden. Omdat nog niet alle gemeenten vanaf begin 2021 al signalen ontvingenzijn de cijfers naar verwachting een overschatting van de daadwerkelijke aantallen.2Hulpacceptatie wordt niet in alle gemeenten eenduidig gedefinieerd. kst-24515-812ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8121 Hiermee is vroegsignalering een nuttige aanvulling op het aantal mensendat uit zichzelf hulp zoekt bij geldzorgen (circa 82.000 in 20243).Deze aantallen laten de potentiële meerwaarde van laagdrempelige hulpzien ter voorkoming van problematische schulden. Via vroegsignaleringkomen mensen die niet bekend waren bij de gemeentelijke schuldhulpver-lening eerder in beeld, wat gemeenten de aanvullende mogelijkhedenbiedt om problematische schulden en bedreigende situaties zoalshuisuitzetting of afsluiting van gas en elektriciteit te voorkomen.In opdracht van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid(SZW) is de wetsbepaling vroegsignalering geëvalueerd door eenonderzoeksconsortium bestaande uit Panteia, de Hogeschool Utrecht enBureau Bartels (bijlage 1). Ook zijn de experimenten vroegsignalering metbetalingsachterstanden op gemeentebelastingen (bijlage 2) enhypotheken (bijlage 3) geëvalueerd door de initiatiefnemers van dezeexperimenten. Daarnaast is in opdracht van SZW het onderzoek «Opbouwvan problematische schulden: van de eerste vordering tot de aanvraagvan een schuldregeling» uitgevoerd door de Hogeschool Utrecht (HU)(bijlage 4). Deze brief bevat de kabinetsreacties op deze evaluaties en hetonderzoek. Een uitgebreidere reactie op de aanbevelingen van dewetsevaluatie en de invulling van een tweetal moties is opgenomen in hetaddendum van deze brief.1. Wetsevaluatie vroegsignalering AanleidingAl jaren voor de wetswijziging in 2021 pionierden gemeenten met deuitwisseling van signalen van vooral achterstanden bij woningcorporaties.En al vóór de wetswijzing bestond er voor de vastelastenpartnersregelgeving over het zonder toestemming van de inwoner leveren vangegevens over een betalingsachterstand aan schuldhulpverlenendeorganisaties. Gemeenten en vastelastenpartners zagen echter juridischebelemmeringen voor deze gegevensuitwisseling met als doel vroegsigna-lering, die zij niet zelfstandig konden oplossen. Daarom werd de Wgsbeter afgestemd op de privacyregelgeving (Algemene VerordeningGegevensbescherming) door de wettelijke taken van de gemeentelijkeschuldhulpverlening duidelijker te omschrijven. Hiermee werd expliciet inde wet opgenomen dat het noodzakelijk is dat vastelastenpartners engemeenten persoonsgegevens uitwisselen voor vroegsignalering. Meerconcreet regelde de wetswijziging dat gemeenten op basis van signalenover betalingsachterstanden die zij van vastelastenpartners ontvangen uiteigen beweging hulp moeten aanbieden.Na de wetswijziging startte het overgrote deel van de gemeenten met eenvolwaardige aanpak van vroegsignalering. In de jaren daarop hebbengemeenten de wetgeving telkens beter weten te implementeren en hunaanpak weten te verbeteren. Veel vastelastenpartners hadden ten tijde vande wetswijziging nog niet volledig dezelfde aanlevermomenten van designalen en hanteerden verschillende voorwaarden. Inmiddels loopt deaanlevering van signalen goed, mede dankzij het harde werk van Divosa,NVVK, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en branchever-enigingen van vastelastenpartners om de wetswijziging te implementerenen goed uit te voeren.3NVVK (2024) Jaarcijfers over het aantal verzoeken tot informatie, advies of een hulpvraaggericht aan een NVVK-lid. De hulpvraag betreft steeds de eigen financiële situatie, meestal gaathet om schulden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8122 Onderzoeksrapport wetsevaluatieDe wetsevaluatie vroegsignalering vond plaats van september 2024 tot enmet mei 2025 en onderzocht de doelmatigheid en doeltreffendheid vanvroegsignalering. In de evaluatie onderzochten de onderzoekers hetperspectief van schuldeisers, gemeenten en inwoners. De onderzoekersvoerden kwalitatieve analyses uit op basis van interviews met twintigvastelastenpartners, 44 gemeenten, zeventien inwoners en acht ervarings-deskundigen. Aanvullend voerden zij kwantitatieve analyses uit op basisvan data van de Divosa Monitor Vroegsignalering Schulden en aanvul-lende data van negen vastelastenpartners. Tot slot voerden zij eenjuridische analyse uit op de inspanningsverplichtingen (voor maatschap-pelijke verantwoorde incasso) en andere verplichtingen voor vastelasten-partners die volgen uit materiewetten in relatie tot vroegsignalering.4De meest relevante onderdelen van de beleidstheorie en conclusies overdoeltreffendheid en doelmatigheid worden hieronder samengevat.Reconstructie beleidstheorieHet onderzoeksrapport geeft de beoogde werking inclusief (sub)doelenvan vroegsignalering visueel overzichtelijk weer (figuur 1).Doordat gemeenten vroegtijdig signalen van financiële problemenontvangen, kunnen zij in contact met hun inwoners passende hulp bieden.Wanneer meer mensen vroegtijdig in beeld zijn bij gemeentelijkeschuldhulpverlening, kunnen problematische schulden en bedreigendesituaties worden voorkomen.Dit leidt ertoe dat vroegsignalering een bijdrage levert aan: 1) een afnamevan de problematische schuldenproblematiek in Nederland en 2) bijdraagtaan versterking van sociale en economische mensenrechten, zoals eenbehoorlijke levensstandaard en gezondheid van inwoners.DoeltreffendheidDe onderzoekers concluderen dat vroegsignalering doeltreffend is,doordat het bijdraagt aan het voorkomen en verminderen van problema-tische schulden. Op basis van hun evaluatie van de wet stellen zij vast datdoor vroegsignalering:4Het gaat hier om de Regeling zorgverzekering, het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening(voor verhuur), Regeling afsluitbeleid voor drinkwater, de Warmteregeling en de Regelingafsluitbeleid voor elektriciteit en gas.Figuur 1: Gereconstrueerde beleidstheorie vroegsignalering11 Wetsevaluatie vroegsignalering (Wgs), Panteia, Hogeschool Utrecht en Bureau Bartels (2025),p. 9.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8123 •meer mensen met (dreigende) problematische schulden een passendhulpaanbod ontvangen en accepteren;•drempels voor toegang tot integrale schuldhulpverlening omlaaggaan;•betalingsproblemen niet verder verslechteren en daarmee bedrei-gende situaties worden voorkomen, en dat schuldhulpverleninghierdoor effectiever is.Tevens concluderen de onderzoekers dat de doeltreffendheid vanvroegsignalering verder kan verbeteren. In de evaluatie worden vijfaspecten benoemd die de doeltreffendheid nog verder kunnen verhogen:1.Verder standaardiseren en consistenter toepassen van (minimalewettelijke) verplichtingen met betrekking tot de incassohandelingenvan vastelastenpartners, waardoor onwenselijk verschillen inaanlevering per branche en per vastelastenpartner voorkomenworden.2.Meer signalen oppakken door gemeenten, door minder rigidetoepassing van selectie-eisen (bijvoorbeeld drempelbedragen).3.Verkleinen van verschillen tussen gemeenten, bijvoorbeeld door hetdoorvoeren van gestandaardiseerde minimumeisen (kwaliteitskader)voor gemeenten.4.Meer (mogelijkheden tot) informatiedeling tussen gemeenten envastelastenpartners.5.Meer registratie en evaluatie van effecten, wat het identificeren enverspreiden van bewezen effectieve aanpakken mogelijk maakt enstimuleert.DoelmatigheidVroegsignalering is volgens de onderzoekers doelmatig als de baten vanhet beleid – in dit geval het voorkomen van problematische schulden –tegen de laagst mogelijke inzet van (financiële) middelen en met zo minmogelijk ongewenste neveneffecten (beiden kosten) worden bewerk-stelligd.De onderzoekers onderschrijven dat (problematische) schulden totverschillende grote maatschappelijke kostenposten leiden, die samen-hangen met onder meer levensstandaard en gezondheid. Deze kosten zijneerder op minimaal € 8,5 miljard per jaar geschat.5 De onderzoekersbevestigen in hun onderzoek dat vroegsignalering bijdraagt aan het doelom problematische schulden te voorkomen en dat elke investering tervoorkoming van deze problematische schulden (kosten) in beginselwaardevol is. Vroegsignalering helpt de maatschappelijke kosten van(problematische) schulden omlaag te krijgen. Daarbij concluderen deonderzoekers dat de kosten die vastelastenpartners en gemeenten moetenmaken voor de uitvoering van vroegsignalering beperkt zijn. De kostenvan vroegsignalering bedragen voor alle gemeenten gezamenlijk (in dehuidige uitvoering) jaarlijks ca. € 50 miljoen. Voor vastelastenpartnerswordt dit op ca. € 3,1 miljoen geschat.De onderzoekers concluderen, in navolging van hetgeen verwacht werdbij de wetswijziging, dat het zeer waarschijnlijk is dat vroegsignaleringpositieve opbrengsten heeft. En dat het op deze manier investeren in hetvoorkomen en oplossen van schulden zich altijd terugverdient, waardoorhet een doelmatige besteding van middelen is. Ondanks het uitvoeren vandiverse analyses kunnen de onderzoekers deze conclusies echter nietcijfermatig staven met daadwerkelijke baten in relatie tot de kosten vanvroegsignalering.5Kamerstukken II, 2023–2024 24 515, nr. 766Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8124 Daarbij verwachten de onderzoekers dat het huidige cijfermatige bereikvan vroegsignalering een onderschatting van het daadwerkelijke bereik is.Het onderzoek noemt enkele positieve (neven)effecten die niet altijd zijnterug te zien in getallen over de resultaten op korte termijn, maar welbijdragen aan de doelmatigheid. Zo draagt vroegsignalering eraan bij datmensen een positief beeld van de gemeente en andere hulpverleninghebben of krijgen. Hierdoor wordt de kans groter dat mensen op een latermoment hulp accepteren of in ieder geval weten waar zij terecht kunnenvoor hulp bij hun geldzorgen of op andere leefgebieden. De proactievehouding van gemeenten bij vroegsignalering kan zo ook een belangrijkerol spelen bij het herstellen van het vertrouwen in de overheid. Vroegsig-nalering kan daarnaast mensen helpen om hun eigen (financiële) situatiebeter te begrijpen waardoor ze meer rust ervaren. Bovendien kunnenmensen na het hulpaanbod van de gemeente zonder tussenkomst van degemeente aan de slag zijn gegaan met hun geldzorgen.Onderzoekers noemen ook enkele ongewenste neveneffecten zoalsineffectieve hulp en inwoners die vragen hebben over hun privacy inrelatie tot het delen van betalingsachterstanden met gemeenten doorbijvoorbeeld onterechte signalen. Dit kan voorkomen als een betalings-achterstand ondertussen is voldaan. Ondanks dat deze ongewensteneveneffecten zoveel mogelijk moeten worden voorkomen, wegen zij nietop tegen de brede meerwaarde die vroegsignalering heeft. De wetseva-luatie laat vroegsignalering zien als waardevol instrument ter voorkomingvan problematische schulden.Kabinetsreactie wetsevaluatie vroegsignaleringAfgelopen jaren hebben betrokken partijen veel geïnvesteerd in hetverbeteren van de effectiviteit van vroegsignalering en hun eigen rolhierin. Ook de samenwerking tussen partijen is verder verbeterd.Vastelastenpartners en gemeenten lopen via «signaalreizen» hungezamenlijk processen na om hun samenwerking te verbeteren. En er zijnexperimenten opgezet om te onderzoeken of er betere indicatoren zijnvoor (dreigende) problematische schulden. Het kabinet vindt het daaromgoed om te zien dat de onderzoekers vroegsignalering kwalificeren alseen doeltreffend en doelmatig instrument ter voorkoming van problema-tische schulden. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor verbetering om dewerkwijze en uitvoering van vroegsignalering effectiever te maken. Deuitkomsten uit deze wetsevaluatie laten zien waar gemeenten, vastelas-tenpartners en het rijk nog verbeteringen kunnen doorvoeren.Op basis van de conclusies over de doeltreffendheid en doelmatigheidvan vroegsignalering binnen de Wgs, hebben de onderzoekers aanbeve-lingen geformuleerd. Deze richten zich op het verder vergroten van dedoelmatigheid en doeltreffendheid, het versterken van de werkzamebestanddelen en het wegnemen van de huidige knelpunten. Hierondergeef ik een algemene reactie op het rapport. Op de gedane specifiekeaanbevelingen aan het kabinet ga ik in het addendum bij deze brief naderin.Naar aanleiding van het rapport van de Nationale ombudsman heeft hetvorige kabinet reeds verbetermaatregelen aangekondigd.6 Deze verbeter-maatregelen heeft SZW gezamenlijk met gemeenten en vastelasten-partners verder uitgewerkt en moeten vorm krijgen in bestuurlijkeafspraken met concrete doelstellingen om de effectiviteit van vroegsigna-lering te vergroten. Gemeenten, vastelastenpartners en rijk beogeninvulling te geven aan de aanbevelingen ter vergroting van de doelma-6Kamerstukken II, 2023–2024 24 515, nr. 762Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8125 tigheid en doeltreffendheid, het versterken van werkzame bestanddelenen het wegnemen van de huidige knelpunten.De bestuurlijke afspraken kennen een tweetal doelstellingen. Ten eerstewerk ik samen met gemeenten en vastelastenpartners om, met gelijkblij-vende signalen, toe te werken naar een verdubbeling (40 procent) van hetbereik van vroegsignalering eind 2028. Ook willen deze partijengezamenlijk ongewenste uitval van signalen halveren, onder andere doorde kwaliteit van signalen en de toets door gemeenten tegen de Basisregis-tratie Personen te verbeteren.Om het bereiken van deze doelstellingen te stimuleren heeft het kabinetjaarlijks t/m 2028 € 20 miljoen extra beschikbaar gesteld om een impuls tegeven aan de verbetering van vroegsignalering. Voor 2025 heeft hetkabinet al € 19 miljoen beschikbaar gesteld aan gemeenten, zodat zij inkunnen zetten op het vergroten van het bereik van vroegsignalering. Doorverschillende contactpogingen en een persoonlijke benadering kan dekans namelijk aanzienlijk worden verhoogd de inwoner te bereiken en tehelpen. Dit kan de doeltreffendheid van vroegsignalering verdervergroten.Daarnaast stel ik dit jaar € 1 miljoen beschikbaar voor landelijke projectenom vroegsignalering te verbeteren, waaronder de verbetering vanmonitoring van vroegsignalering in het project Data Delen Armoede enSchulden. Het is mijn intentie om gemeenten gedurende de looptijd vande verbetermaatregelen (tot eind 2028) extra te ondersteunen om meer inte kunnen zetten op persoonlijk contact en meerdere contactpogingen enom zo te werken aan de doelstellingen van de bestuurlijke afspraken. Ikhoop de bestuurlijke afspraken na de zomer met de partijen teondertekenen.2. Experimenten vroegsignalering Begin dit jaar heb ik de evaluaties van de experimenten met achter-standen op gemeentelijke belastingen en hypotheken ontvangen. Opbasis van deze evaluaties heb ik beoordeeld of deze experimentenaanleiding geven om signalen toe te voegen aan de bestaande signalen.Andere experimenten lopen nog en zijn nog niet geëvalueerd.De Wgs beoogt innovatie te stimuleren door ruimte te geven aan hetonderzoeken van betere indicatoren voor vroegsignalering van(dreigende) problematische schulden. Een ander signaal wordt alleenaangewezen als de verwachting is dat daardoor mensen met schulden,die nog niet in beeld zijn bij gemeenten, sneller worden bereikt. Eensamenwerkingsverband van gemeenten en schuldeisers kan eenonderbouwd verzoek doen om een extra signaal aan te wijzen.Alle experimentenDe volgende experimenten worden of zijn uitgevoerd. Op dit moment zijner geen concrete nieuwe initiatieven die zich hebben gemeld om gebruikte maken van de experimenteerruimte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8126 Type achterstandGemeente(n)Schuldeiser(s)DoorlooptijdGemeentelijkebelastingenAmsterdam, Dordrecht, Echt-Susteren, Leudal, Maasgouw,Midden-Groningen, Purmerend,Roerdalen, Rotterdam, WestlandZie gemeenten2022–2024HypothekenAmsterdam, Arnhem, Breda, DenHaag, Heerlen, Hollands Kroon,Nijmegen, Rotterdam, TilburgAegon, Rabobank,Obvion, SyntrusAchmea,2022–hedenStudieschuldAmsterdamDUO2024–hedenEigen bijdragen Wmo& WlzAmsterdam, Groningen, TilburgCAK2024–hedenBelasting- entoeslagenachterstan-denAmsterdam, Apeldoorn, Arnhem,Assen, Den Haag, Hollands Kroon,Leiden, Nijmegen, Opsterland,TilburgBelastingdienst enDienst Toeslagen2025–heden Experiment signaal gemeentelijke belastingen (Bijlage 2)Uit de evaluatie blijkt dat ruim 50 procent van de inwoners die gemeldworden met een achterstand op gemeentelijke belastingen nog nietbekend waren bij de schuldhulpverlening of nog niet eerder is gemelddoor een vastelastenpartner. Binnen het experiment wordt echter minderdan 50 procent van de inwoners bereikt via vroegsignalering. Het bereikvan de meldingen met (minimaal) een signaal van de gemeentelijkebelastingen lag in 2023 op 17 procent. Dit is lager dan het landelijkgemiddelde voor reguliere signalen, ondanks de verplichte extrainspanningen die gemeentelijke belastingafdelingen en de schuldhulpver-lening moesten leveren.Uit de evaluatie blijkt dat de belastingafdelingen van de gemeente nietaltijd voldeden aan de voor dit experiment vereiste inspanningsverplich-tingen voor maatschappelijke verantwoorde incasso voorafgaand hetdoorgeven van signalen. Daardoor kon dit experiment niet aantoonbaarmaken dat het verstuurde signaal proportioneel was. Het is immersonduidelijk of de betalingsachterstand ook opgelost had kunnen wordendoor de gemeentelijke belastingafdeling, zonder deling van gegevens metde gemeentelijke schuldhulpverlening. De resultaten van het experimentmoeten daarom ook in dit licht bezien worden.Gemeentelijke uitvoerders van vroegsignalering zien wel de meerwaardevan het signaal om een completer beeld van de financiële situatie van deinwoner te verkrijgen. Het doel van het experiment was echter teachterhalen of een dergelijk signaal een betere indicator voor (dreigende)problematische schulden is dan de signalen die op dit moment gebruiktworden in het kader van vroegsignalering. Dit beoogde doel heeft hetexperiment niet kunnen aantonen.Op basis van de evaluatie van het experiment kan niet worden geconclu-deerd dat betalingsachterstanden bij gemeentebelastingen betereindicatoren zijn voor (dreigende) problematische schulden dan bestaandesignalen. Daarom is besloten dit signaal niet structureel toe te voegen aande bestaande signalen. Het experiment is inmiddels beëindigd en demogelijkheid tot het delen van gegevens in het kader van artikel 10 van deWgs is gestopt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8127 Uit de evaluatie blijkt verder dat het experiment gemeenten waardevolleprocesmatige inzichten heeft gebracht om binnen de huidige wettelijkekaders zoveel mogelijk de beoogde doelen te behalen. Zo valt veel winstte behalen bij het versterken sociaal incasso van de gemeentebelastingenen door de samenwerking – waaronder de interne doorverwijzing tussengemeentebelastingen en schuldhulpverlening – te intensiveren. Dezeaanbevelingen voor het incassoproces van gemeenten worden opgepakten breder gedeeld onder gemeenten door de VNG. Voor het invullen vandeze aanbevelingen is echter geen grondslag voor het delen vangegevens van belastingachterstanden noodzakelijk. Daarnaast gaat deWet proactieve dienstverlening gemeenten in de toekomst meerhandvatten bieden om op signalen vanuit de eigen organisatie proactiefop te pakken.Experiment signaal betalingsachterstanden hypotheken (Bijlage 3)De evaluatie van het experiment met betalingsachterstanden op dehypotheek levert goede resultaten op. Van de gemelde signalen was 55procent nog niet in beeld bij de gemeente. De gemeenten wisten met hunaanpak ca. 62 procent van de doelgroep te bereiken, waarvan iets meerdan een derde daadwerkelijk hulp accepteerde.Uit de evaluatie blijkt verder dat deelnemende gemeenten het positiefvinden dat deelnemende hypotheekverstrekkers al veel doen om ergereschulden te voorkomen. Mede door deze uitgebreide maatschappelijkeverantwoorde incasso is het aantal signalen wat doorgestuurd wordt naargemeenten lager dan vooraf gedacht. Om de bevindingen te verstevigenzijn in een eerdere fase extra gemeenten en een hypotheekverstrekkertoegevoegd, en zal het experiment nog in ieder geval een jaar wordenvoortgezet. De evaluatie van het experiment met hypotheekachterstandenlaat dus zien dat hypotheekachterstanden een goede indicator zijn voor(dreigende) problematische schulden. Daarnaast is met dit signaal eennieuwe doelgroep in beeld gebracht.Dit geeft mij aanleiding om te onderzoeken of hypotheeksignalen kunnenworden toegevoegd aan de bestaande signalen en wat er voor wettelijkeverankering nodig is. In de afgelopen periode zijn daarvoor eersteverkennende gesprekken gevoerd met de Nederlandse Vereniging vanBanken en het Verbond van Verzekeraars, die gezamenlijk een grootgedeelte van de hypotheekkredietverstrekkers vertegenwoordigen.Verzekeraars hebben een positieve grondhouding en banken zijnmomenteel nader aan het uitzoeken hoe zij tegenover een wettelijkeverankering staan en welke gevolgen dit heeft voor de operatie en dezorgplicht van de bank.De komende tijd zal ik met betrokken stakeholders deze mogelijkheidverder onderzoeken en wanneer er geen verdere belemmeringen zijn eentijdspad uitzetten om het signaal van achterstanden op hypotheken op tenemen in het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening.3. Onderzoek opbouw van problematische schulden: van deeerste vordering tot de aanvraag van een schuldregeling Om schulden klein te houden en te voorkomen dat bestaande schuldenescaleren tot problematische schulden, is het belangrijk dat mensen snelhulp zoeken en krijgen. In debatten, publicaties en beleidsstukken wordtregelmatig het beeld geschetst dat mensen gemiddeld al vijf jaar in deschulden zitten als ze om hulp vragen. Dit getal is gebaseerd op eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8128 onderzoek uit 2011 waarbij mensen gevraagd is naar hun ervaringen.7Omdat het geheugen van mensen feilbaar is en het onderzoek gedateerdis, bestond er een duidelijke behoefte om met een betrouwbare methodeonderzoek uit te voeren naar de tijd die verstrijkt tussen het ontstaan vande oudste vordering en het moment van aanvraag van schuldhulpver-lening. In opdracht van SZW heeft de Hogeschool Utrecht daarom insamenwerking met de Kredietbank Nederland hier een onderzoek naaruitgevoerd.Het onderzoek bestond uit een analyse van 250 schuldhulpdossiers vanparticulieren en (ex-)ondernemers bij de Kredietbank Nederland. Dezedossiers zijn van mensen waarbij een schuldregeling daadwerkelijk totstand is gekomen.8 Andere vormen van schuldhulpverlening, zoalsbudgetcoaching, zijn niet meegenomen in het onderzoek omdat hierbijvaak geen complete schuldenlijst beschikbaar is.Resultaten en reflectie onderzoekersHet onderzoek komt tot de volgende belangrijke bevindingen:•De tijd die verstrijkt tussen de oudste vordering en de aanvraag vaneen schuldregeling is gemiddeld zeven jaar en tien maanden.9 Hierbijis sprake van een flinke spreiding. Bij een derde van de dossiers werdeerder (binnen vijf jaar na het ontstaan van de oudste vordering) eenaanvraag gedaan. In een zevende (14 procent) van de gevallen duurdehet meer dan 15 jaar voordat iemand aan aanvraag deed.•In de helft van de dossiers betreft de oudste vordering een betalings-verplichting aan een private schuldeiser ten aanzien van een vaste last(bijvoorbeeld een energierekening, zorgverzekeringsachterstand oftelefoniefactuur). Bij een derde van de dossiers (32 procent) betreft deoudste vordering een betalingsverplichting aan een overheidsinstantie.•Uit de analyse blijkt dat de oudste vordering gemiddeld ruim € 7.000bedraagt. Dit bedrag wordt sterk beïnvloed door een aantal uitschie-ters van hoge bedragen; daarom kan beter gekeken worden naar hetmeest voorkomende bedrag (mediaan). Het mediane schuldbedrag is€ 2.156.•De schuldenlast bouwt zich vaak geleidelijk op. Er zijn drie patronen teonderscheiden in hoe de schuldenlast zich opbouwt: een geleidelijkeopbouw (53 procent), een clustering van schulden in een korte periode(22 procent), en een enkele hoge vordering (25 procent).Waarom en wanneer mensen hulp voor hun schulden zoeken hangt af vanveel factoren. Het onderzoek geeft het inzicht dat er gemiddeld zeven jaaren tien maanden zit tussen de eerste vordering en het moment datiemand hulp vraagt. Het onderzoek geeft echter geen inzicht in de factorenom deze tijd die verstrijkt te kunnen verklaren. Daarom roepen deonderzoekers op om de resultaten met enige voorzichtigheid te interpre-teren.De onderzoekers noemen ten eerste het gegeven dat de eerste vorderingniet betekent dat er direct sprake is van een problematische schuldsi-tuatie. Daardoor kan ook niet gezegd worden dat mensen al acht jaar ingeldstress leven. Ten tweede biedt het onderzoek geen inzicht of deze7Jungmann en Anderson 2011. «Vroegsignalering moet en kan!». De respondenten, die eenberoep deden op de gemeentelijke schuldhulpverlening werden geïnterviewd.8Binnen de 250 dossiers is gestreefd naar een verdeling van 40 procent schuldsaneringen, 40procent schuldbemiddelingen en 20 procent wettelijke schuldsaneringen. Met deze aantallenachten de onderzoekers deze steekproef representatief.9Er is gerekend met de aanname dat er gemiddeld 7 maanden verstrijken tussen het momentvan aanmelden bij een gemeente en het moment dat de aanvraag voor de schuldregelingwordt ingediend. Van de gemiddeld 8,4 jaar worden dus nog zeven maand afgehaald, om zo tot7 jaar en tien maanden te komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 8129 doelgroep mogelijk al eerder lichtere vormen van hulp heeft ontvangen ofondersteuning op andere leefgebieden. Ten derde valt het onderzoek nietgoed te vergelijken met het eerdere onderzoek uit 2011. In voorliggendonderzoek is een betere methodiek gekozen waardoor de dossiers zijngeanalyseerd waarbij daadwerkelijk een schuldregeling tot stand isgekomen. Bij het eerdere onderzoek uit 2011 werd dat gedaan op basisvan ervaringen.Om wel een goede vergelijking te kunnen maken adviseren de onder-zoekers het voorliggende onderzoek periodiek te gaan herhalen omontwikkelingen in de tijd te kunnen meten.KabinetsreactieDe onderzoeksresultaten geven een helder inzicht in hoeveel tijd er, bijinwoners die uiteindelijk een schuldregeling nodig hebben, is verstrekentussen de eerste vordering en de start van een schuldhulpverlenings-traject. Tegelijkertijd geven de onderzoekers terecht aan dat het onderzoekweinig kan zeggen over wat die tijd verklaart. Ondanks de inherentebeperkingen van het onderzoek, bevestigt dit het beeld dat mensen eenaanvraag voor schuldhulpverlening niet lichtzinnig indienen. Hetonderzoek bevestigt daarmee het belang om vroegtijdig in te blijvenzetten op het voorkomen van problematische schulden, beginnendeschulden klein te houden en om drempels voor toegang tot integraleschuldhulpverlening zo veel mogelijk te slechten. Ik zet hier samen metgemeenten en andere partners op in.Om mensen te stimuleren eerder de stap te laten zetten naar hulp, willenik dat het netwerk rond mensen geldzorgen snel signaleert. Hiertoewerken we met professionals en vrijwilligers bij vindplaatsen (zoalshuisartsen en geboortezorg). Ook moet er dichtbij en laagdrempeligfinanciële hulp beschikbaar zijn. Door onder andere partijen uit deAlliantie Vrijwillige Schuldhulp en Geldfit zijn diverse fysieke en digitalehulproutes ingericht om mensen met geldvragen en geldzorgen teondersteunen. Stevige lokale teams bij de gemeenten kunnen fungerenals vindplaats en om laagdrempelige hulp te bieden. Daarnaast wil ik deinzet van gemeenten vanuit vroegsignalering verbeteren, om ookproactief op zoek te gaan met mensen met (dreigende) problematischeschulden.Ik wil daarnaast schulden zoveel mogelijk in een vroeg stadium oplossendoor betere samenwerking tussen schuldeisers. In reflectie op hunbevindingen noemen de onderzoekers de uitkomsten aanleiding voorprivate en publieke schuldeisers om te reflecteren op hun incassostrategieen mensen nog meer te wijzen op de mogelijkheden voor schuldhulpver-lening. Voor zowel publieke als private schuldeisers worden hier stappenin gezet.Op 20 mei is uw Kamer geïnformeerd over de aanpak civiele invordering,waarin verschillende maatregelen zijn aangekondigd die eraan bijdragendat de kosten van invordering minder snel oplopen en kleine schuldenklein blijven.10 Ook de Rijksincassovisie is erop gericht om problematischeschulden te voorkomen.11 Als mensen hun vorderingen aan (rijks)over-heidsorganisaties niet kunnen betalen, kan de schuld al snel oplopen. Ditkomt mede door het in rekening brengen van kosten, boetes en rente. Omonnodige oploop van schulden tegen te gaan, werken de grote schuld-eisers van de Rijksoverheid in het samenwerkingsverband ClusteringRijksincasso aan verschillende projecten en activiteiten. Zo biedt de10Kamerstukken II, 2024–2025, 24 515, nr. 798.11Kamerstukken II, 2023–2024, 24 515, nr. 724.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 81210 Betalingsregeling Rijk de mogelijkheid om te komen tot één betalingsre-geling voor vorderingen bij de Rijksoverheid vanuit de gedachte: éénoverheidsdebiteur, één schuldenlast en één afloscapaciteit. Ook wordt eenonderzoek uitgevoerd naar de validiteit, proportionaliteit, doelmatigheiden doeltreffendheid van ophogingen. Dit onderzoek verkent eveneensopties om schuldenoploop in het invorderingstraject te voorkomen ofverminderen.Daarnaast presenteerden publieke en private schuldeisers op 25 maart jl.het Samenwerkingsprogramma sociaal incasseren waarin zij samen-werken om een sociale invorderingspraktijk te bevorderen door beteresamenwerking en kennisuitwisseling. De nadere invulling van ditsamenwerkingsprogramma volgt in het najaar van 2025. De privatepartijen hebben separaat afspraken gemaakt over welke stappen zij gaanzetten om sociaal incasseren te implementeren (Afsprakenkader SociaalIncasseren). Dit gebeurt onder meer door vroegtijdig persoonlijk contact,maatwerk als mensen hun rekeningen niet kunnen betalen en doorver-wijzing van mensen naar passende ondersteuning.Verder zet ik samen met Divosa, NVVK en de VNG in op verdere imple-mentatie van de elementen van de basisdienstverlening voor schuldhulp-verlening. Een aantal van deze elementen is er specifiek op gericht om dedrempels voor toegang tot schuldhulpverlening te verlagen.Tot slot onderscheiden de onderzoekers de patronen in de schuldopbouw.Zo laat het onderzoek zien dat een plotselinge clustering van schuldenrelatief tot een eerdere hulpvraag leidt. Deze kennis is bruikbaar bijtoekomstige beleidsontwikkelingen op het schuldendomein, bijvoorbeeldbij de ontwikkeling van het integraal schuldenoverzicht of bij het trainenen ondersteunen van financieel hulpverleners. Deze kennis neem ik danook mee in mijn gesprekken met verschillende stakeholders.Om ontwikkelingen beter inzichtelijk te krijgen ben ik voornemens om ditonderzoek periodiek uit te laten voeren.AfsluitendDe drie evaluaties en het onderzoek hebben ons waardevolle inzichtenopgeleverd en ik ga samen met partijen aan de slag om hieraan eenvervolg te geven. Ik wil graag mijn dank uitspreken aan alle partijen diedaarbij betrokken zijn en zich inzetten om huishoudens met (dreigende)problematische schulden te helpen.De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.N.J. NobelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 81211 Reactie op specifieke aanbevelingen & afhandeling motiesSpecifieke aanbevelingen wetsevaluatieDe reactie op de aanbevelingen naar aanleiding van de wetsevaluatiewordt uiteengezet in deze kamerbrief via de mogelijkheden die deonderzoekers zien om doeltreffendheid verder te verbeteren. De onder-zoekers doen ook nog aanbevelingen aan (samenwerkingsverbanden van)gemeenten en vastelastenpartners gezamenlijk. Deze aanbevelingen wil ikwaar mogelijk faciliteren. Hieronder wordt ingegaan op specifiekeaanbevelingen die de onderzoekers doen aan het rijk.1. Verder standaardiseren en consistenter toepassen van (minimalewettelijke) verplichtingen met betrekking tot de incassohandelingen vanvastelastenpartners, waardoor onwenselijk verschillen in aanlevering perbranche en per vastelastenpartner voorkomen worden.Door de inspanningsverplichtingen voor vastelastenpartners te harmoni-seren, zal de kwaliteit van de signalen die gemeenten ontvangenverbeteren. Het rijk is verantwoordelijk voor de verschillende materie-wetten, waarin de inspanningsverplichtingen staan.12 Daarom zullen weinzetten om deze regelgeving te verduidelijken en waar mogelijk enwenselijk te harmoniseren op basis van deze evaluatie en ervaringen uitde uitvoeringspraktijk.Voor de energieleveranciers (KGG) en drinkwaterbedrijven (IenW) staataanscherping van de inspanningsverplichtingen voor de vastenlasten-partners van energie en drinkwater middels de afsluitregelingen geplandvoor dit jaar.13 Voor de verhuur wordt beoogd in 2026 hiertoe wijzigingenaan te brengen in het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening (Bgs).Voor de inspanningsverplichtingen voor zorgverzekeraars (VWS) die zijnvastgelegd in de Regeling zorgverzekering zijn geen aanpassingenvoorzien. Bijvoorbeeld het toevoegen van persoonlijk contact met elkeverzekerde met een betalingsachterstand voorafgaand aan het doorgevenvan dit signaal aan de gemeente, vraagt van zorgverzekeraars een zwareuitvoeringslast. In 2023 verstuurde zorgverzekeraars meer dan 450.000brieven in verband met een betalingsachterstand van twee maandenzorgpremie en circa 100.000 brieven in verband met een betalingsachter-stand van vier maanden zorgpremie. Daarbij wordt een deel van dezebetalingsachterstanden van twee maanden zorgpremie zonder aanvul-lende inspanningen opgelost, waardoor extra inspanningsverplichtingenvoorafgaand dit signaal niet als opportuun worden gezien. Wel voerenzorgverzekeraars en gemeenten in het kader van proportionaliteitgesprekken of de signalen van zorgverzekeraars later verstuurd kunnenworden. In deze gesprekken wordt ook gekeken naar de inspanningenvoor sociale incasso.Daarnaast wordt er gekeken naar de verduidelijking van de voorwaardenvan het versturen van het vroegsignaal en het opvragen en gebruiken vanCAK-lijsten door gemeenten.Op deze lijst staan alle mensen met zes maanden betalingsachterstand opde premie voor de zorgverzekering, die door hun zorgverzekeraar zijnaangemeld bij het CAK voor de regeling betalingsachterstand zorgpremie.12Dit zijn de Ministeries van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW), Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening (VRO), Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), Klimaat enGroene Groei (KGG), Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS), en Infrastructuur en Water-staat (IenW).13Dit betreffen aanpassing aan de voorwaarden Regeling afsluitbeleid voor gas, elektriciteit enwarmte (KGG) en voorwaarden Regeling afsluitbeleid voor kleinverbruikers van drinkwater(IenW). De afsluitregeling voor gas, elektriciteit en warmte is ook in 2023 aangescherpt om zobetere bescherming te bieden aan mensen van afsluiting van elektriciteit gas en warmte.Addendum:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 81212 Om ook deze groep te bereiken, kunnen gemeenten een lijst opvragenmet inwoners die zijn aangemeld voor deze regeling. Deze groep heeftvaak te maken met problemen op meerdere leefgebieden die eensamenhangende aanpak vergen.14 Uit onderzoek blijkt dat eenoutreachende en vasthoudende aanpak bij deze groep zeer effectief kanzijn.15 Dankzij de inspanningen van gemeenten en zorgverzekeraars is hetaantal verzekerden in de regeling de afgelopen 10 jaar teruggelopen van325.000 in 2014 tot 189.000 in 2024.Daarnaast doen de onderzoekers de aanbeveling om de naleving vaninspanningsverplichtingen aangaande incasso te handhaven, zonderhiervoor een ingewikkeld apparaat op te hoeven zetten. Het huidigetoezicht op de inspanningsverplichtingen ligt bij de toezichthouders vande betreffende vastelastenpartners. In de praktijk blijkt dat de signaleringvia branches van gemeenten en vastelastenpartners bij niet-nalevingafdoende werkt om betreffende uniforme uitvoering te handhaven.Wanneer deze werkwijze onverhoopt niet afdoende blijkt, gaan betref-fende departementen met deze toezichthouders en betrokken branchever-enigingen in gesprek hoe zij hun toezicht verder kunnen inrichten enwelke handvatten zij hierbij kunnen gebruiken.Tot slot doen de onderzoekers de aanbeveling de kwaliteit van deaangeleverde gegevens verder te verbeteren, bijvoorbeeld door vastelas-tenpartners toe te staan een DigiD te vereisen als identificatiemethodevoor de inwoner. Zorgverzekeraars hebben deze mogelijkheid al. Voor deenergiebranche geldt dat deze mogelijkheid is verkend, maar op ditmoment tot problemen zou leiden in de uitvoering. Ook voor verhuurdersen drinkwaterbedrijven worden problemen in uitvoering en bezwarenomtrent laagdrempeligheid gezien. Het kabinet ziet deze aanbeveling dusniet als een kansrijke optie.2. Meer signalen oppakken door gemeenten, door minder rigidetoepassing van selectie-eisen (bijvoorbeeld drempelbedragen).De onderzoekers stellen vast dat het niet oppakken van signalen doortoepassing van selectie-eisen (bijvoorbeeld drempelbedragen) leidt totbeperking van de doelmatigheid van vroegsignalering. Het merendeel vande gemeenten hanteert een drempelbedrag. Bij signalen waarbij dehoogte van de betalingsachterstand gering is, vragen gemeenten zich afof de vastelastenpartner aan de incassoverplichtingen heeft voldaan en ofer daadwerkelijk financiële problemen zijn. Dat roept de vraag op ofverwerking door de gemeente voldoende proportioneel is. Volgens deHandreiking Wgs van de Autoriteit Persoonsgegevens moeten namelijkzowel de verstrekker als de ontvanger van het signaal de proportionaliteitbeoordelen.16In de Wgs en het Bgs is geen drempelbedrag opgenomen. Ook in hetLandelijk Convenant Vroegsignalering zijn hierover geen afsprakengemaakt. Ook nu acht ik het niet wenselijk om een drempelbedrag in testellen, waarbij gemeenten signalen lager dan de ondergrens niet hoevenop te pakken, omdat dit naar verwachting niet bijdraagt aan het effectieveruitvoeren van vroegsignalering. Wel verwacht het kabinet dat met hetharmoniseren van de wettelijke kaders (onder 1) meer helderheid over deinspanningen van de vastelastenpartners zal ontstaan. Zo ontstaat ruimtevoor gemeenten om drempelbedragen zoveel mogelijk los te laten en te14Verwey-Jonker (2024) https://www.verwey-jonker.nl/publicatie/inspiratie-en-tips-voor-een-outreachende-aanpak/15Verwey-Jonker (2023) «Op pad met de CAK-lijst: wat nog meer belangrijk is».16Autoriteit Persoonsgegevens (2021) Handreiking Wet gemeentelijke schuldhulpverlening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 81213 vertrouwen op de inspanningen die aan het signaal vooraf gegaan zijn.Wanneer de kwaliteit van de signalen verbetert, kunnen gemeenten er inhet algemeen op vertrouwen dat deze signalen proportioneel zijn.3. Verkleinen van verschillen tussen gemeenten, bijvoorbeeld door hetdoorvoeren van gestandaardiseerde minimumeisen (kwaliteitskader) voorgemeenten.Het onderzoeksrapport stelt vast dat er grote verschillen zijn tussen deinzet van gemeenten op vroegsignalering. De onderzoekers stellen dat hetontbreken van een kwaliteitskader het voor gemeenten lastig maakt om tebepalen wanneer zij vroegsignalering op een goede manier uitvoeren. Innavolging van de Nationale ombudsman geven de onderzoekers aan dathet wenselijk is te werken naar minimumvereisten.17 De onderzoekerskunnen op basis van het onderzoek echter niet concluderen welkeminimumvereisten er noodzakelijk zijn om te komen tot een effectievereuitvoer van vroegsignalering.Het is de wens van de brancheorganisaties van gemeenten om vanuit eengezamenlijke verantwoordelijkheid van gemeente, vastelastenpartners enRijk, verbeteringen door te voeren in alle stappen binnen de uitvoeringvan vroegsignalering. En daarbij niet enkel te kijken naar het vastleggenvan minimumvereisten of een basisdienstverlening voor gemeenten zoalsvoor schuldhulpverlening. We kiezen er binnen de inzet op vroegsigna-lering daarom voor om te sturen op de eerder genoemde gezamenlijkedoelen (halvering van uitval van signalen en verdubbeling van het bereikten opzichte van 2023), in plaats van te interveniëren in de lokalebeleidsvrijheid die gemeenten hebben. Deze beleidsvrijheid geeft hen demogelijkheid om de (preventie van) schulden aan te pakken op de manierdie binnen hun gemeente het meest beklijft. Tegelijkertijd stimuleren degezamenlijke doelstellingen alle partijen wel om te blijven werken aaneffectievere en efficiëntere uitvoering van vroegsignalering.Ook kunnen verschillen tussen gemeenten worden verkleind door vanelkaar te leren. De onderzoekers geven aan dat er beperkte kennisdelingen uitwisseling van werkende aanpakken is. Ik onderschrijf dat kennis-deling en -uitwisseling tussen gemeenten – maar ook tussen gemeente enschuldeisers – een belangrijke rol kan hebben. We willen gezamenlijkeverantwoordelijkheid waarbij er van elkaar geleerd kan worden. Vanuit degedachte dat dit tot meer harmonisatie tussen de gemeenten en schuld-eisers leidt, als partijen van elkaar leren.Het is daarom wenselijk goede praktijkvoorbeelden verder inzichtelijk temaken en actief onder de aandacht te brengen zodat zo veel mogelijkgemeenten deze ook daadwerkelijk gaan gebruiken en niet zelf het wieltelkens opnieuw hoeven uitvinden.We subsidiëren Divosa, NVVK en de VNG daarom om bredere bekendheidte geven aan best practices die de effectiviteit van de aanpak vanvroegsignalering verbeteren.4. Meer (mogelijkheden tot) informatiedeling tussen gemeenten envastelastenpartners.De onderzoekers doen de aanbeveling te onderzoeken of informatiedelingkan worden versoepeld. Specifiek benoemen de onderzoekers daarbij hetuitgebreider terugkoppelen aan vastelastenpartners van de resultaten vanhet hulpaanbod door de gemeente. Naar mijn idee zijn er al veel mogelijk-heden om gegevens vanuit gemeenten terug te koppelen aan vastelasten-17Nationale ombudsman 2024/05 «Hoe Eerder, Hoe Beter» Hoe eerder hoe beter | Nationaleombudsman.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 81214 partners, mits gemeenten daarvoor een goede motivering hebben. Eenwerkgroep vanuit alle betrokken stakeholders heeft eerder al zeeruitgebreid gekeken wat er wél mogelijk is. Op basis daarvan zijn denodigde veranderingen doorgevoerd. Wanneer gemeenten echterterughoudend zijn om meer informatie te delen ondanks een goedemotivatie, ben ik bereid om voor specifieke vragen of onduidelijkhedenover dit thema nadere duiding te geven.De onderzoekers doen verder de aanbeveling voor het realiseren van eencentraal aanleversysteem. Over deze aanbeveling ben ik in gesprekgegaan met vastelastenpartners, gemeenten en hun ICT-leveranciers. Aande hand van deze gesprekken komt ik tot de conclusie dat een centraalaanleverpunt voor de partijen die signalen aan gemeenten doorgevenmoet komen vanuit een publieke voorziening. Het Schuldenknooppuntlijkt daarom het meest geschikt om deze taken uit te voeren. In april 2025heb ik uw Kamer geïnformeerd over de positionering van het Schulden-knooppunt vanaf januari 2026.18 Daarmee beoog ik het Schulden-knooppunt in te richten als een publieke voorziening. Gezien de huidigedienstverlening en het feit dat al veel gemeenten en vastelastenpartnersbij het Schuldenknooppunt zijn aangesloten, is het mogelijk om ditcentraal aanleverpunt bij het Schuldenknooppunt onder te brengen. Dekomende tijd worden de juridische, financiële en technische implicatiesvan een centraal aanleverpunt verder onderzocht, voordat hierover eendefinitief besluit genomen wordt.5. Meer registratie en evaluatie van effecten, wat het identificeren enverspreiden van bewezen effectieve aanpakken mogelijk maakt enstimuleert.De onderzoekers stellen vast dat er voor vroegsignalering momenteelbeperkte registratie en evaluatie van effecten plaatsvindt, wat hetidentificeren en verspreiden van bewezen effectieve aanpakken bemoei-lijkt. Goede registratie is belangrijk voor het verbeteren van effectiviteit.Om het effect van vroegsignalering op de schuldensituatie vanhuishoudens beter in beeld te krijgen, zal de Divosa Monitor Vroegsigna-lering Schulden op termijn opgaan in het project Data delen armoede enschulden (DDAS). Binnen DDAS werken NVVK, Divosa, VNG en het CBSaan een eenduidige uitvraag van een bredere set data met betrekking totarmoede en schulden. Door het toevoegen van de monitoring vanvroegsignalering kunnen bredere effecten van vroegsignalering beterinzichtelijk gemaakt worden.Ook werken Divosa, VNG en NVVK via een subsidie van SZW aanverschillende initiatieven om de effectiviteit van de uitvoering vanvroegsignalering te verbeteren.Uitvoering motiesUw Kamer heeft de afgelopen jaren enkele moties aangenomen metbetrekking tot de evaluatie van vroegsignalering. Met deze evaluatie enkabinetsreactie informeer ik u over de uitvoering van deze moties.Motie van het Lid PetersDe motie van het Lid Peters19 verzoekt de regering, om bij de evaluatievan de wet een maatschappelijke kosten- en batenanalyse (MKBA) temaken specifiek in relatie tot kosten rondom zorg. Met de wetsevaluatie is18Kamerstukken II, 2024–2025 24 515, nr. 797 (Positionering Schuldenknooppunt vanaf januari202619Kamerstukken II, 2019–2020, 35 316, nr. 15.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 81215 getracht een MKBA uit te voeren voor vroegsignalering. De effecten vanvroegsignalering waren volgens de onderzoekers echter onvoldoendehelder los te zien van bredere effecten op schulden. Wel is in het kadervan het IBO problematische schulden is een uitgebreidere MKBAgemaakt, die ziet op invulling van de volledige motie. Het doel van datonderzoek is om in beeld te brengen welke kosten (problematische)schulden veroorzaken.20 Uit deze MKBA blijkt dat de kosten van schuldenspecifiek voor de gezondheidszorg minimaal € 438 miljoen zijn per jaar.Motie van de leden Van Beukering-Huijbrechts c.sDeze motie van de leden Van Beukering-Huijbrechts c.s.21 verzoekt omborging van privacy te betrekken bij de evaluatie van de Wgs. In hetonderzoek is specifieke aandacht geweest voor de privacyaspecten.Daarbij is de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) gesprekspartner geweesten zijn ook specifiek vraagstukken en tekstpassages voorgelegd aan de AP.20Kamerstukken II, 2024–2025, 24 515, nr. 77021Kamerstukken II, 2019–2020, 35 316, nr. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 24 515, nr. 81216

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 96556693e2c05c77

14 okt 2026 · de830ab7743e4e41

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.