KamerkringInloggen
Kamerbrief

Internetconsultatie inzake de herijking van het fiscale bodem(voor)recht

6 nov 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie dafe50e1214c222a · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202631 066BelastingdienstNr. 1517 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 6 november 2025Op 16 september 20241 is uw Kamer geïnformeerd over het onderzoeknaar de werking van en eventuele alternatieven voor het fiscale bodem-(voor)recht2. Voor dit onderzoek zijn drie beleidsrichtingen geconsulteerd.In de periode van 16 september 2024 tot en met 9 december 2024 hebbengeïnteresseerden hun inbreng kunnen delen. Ik ben eenieder die op hetconsultatiebestand heeft gereageerd erkentelijk voor de inbreng.In deze brief informeer ik uw Kamer, mede namens de Staatssecretarisvan Justitie en Veiligheid, over de uitkomst van de internetconsultatie enhet vervolg van het onderzoek naar de werking van en eventuelealternatieven voor het fiscale bodem(voor)recht. Allereerst wordt in dezebrief een beknopte samenvatting gegeven van de inbreng die op hetconsultatiebestand is ontvangen. Hierna wordt toegelicht welke geconsul-teerde beleidsrichtingen dan wel welke elementen hieruit – onder meervanwege de ontvangen inbreng – wél of niet onderdeel zullen uitmakenvan het verdere onderzoek. Tot slot wordt ingegaan op het budgettaireaspect en de verhouding met het vraagstuk rond de financiering van deafwikkeling van faillissementen door de curator.InternetconsultatieBij de internetconsultatie zijn drie beleidsrichtingen voorgelegd, waarbijelke beleidsrichting haar eigen vertrekpunt heeft en niet tot in detail isuitgewerkt. Met deze keuze is beoogd te voorkomen dat te veel de focuskomt te liggen op één beleidsrichting voordat voldoende duidelijk is datdie beleidsrichting inderdaad de wenselijke en uitvoerbare oplossing is.Daarnaast hebben betrokken partijen op die manier voldoende ruimte omzich uit te laten over de verschillende keuzes die nog kunnen wordengemaakt.1Kamerstukken II 2024/25, 31 066, nr. 1424.2Met het fiscale bodem(voor)recht wordt in deze brief gedoeld op zowel het bodemvoorrecht alshet bodemrecht. kst-31066-1517ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15171 Beleidsrichting 1Bij beleidsrichting 1 wordt voorgesteld het fiscale bodem(voor)recht tehandhaven, onder de voorwaarde dat het fiscale bodem(voor)recht wordtgemoderniseerd. Het fiscale bodem(voor)recht zou dan worden gemoder-niseerd door wijzigingen aan te brengen in onder meer de reikwijdte vanhet fiscale bodem(voor)recht, de meldingsregeling en de rechtsbe-scherming.De inbreng op deze beleidsrichting is overwegend negatief. De voorge-stelde wijzigingen zouden volgens de reageerders niet resulteren in eenvoorspelbaarder en (aanzienlijk) minder complex systeem. De reageerdersverwachten bijvoorbeeld interpretatieproblemen en andere nieuwejuridische vraagstukken als het begrip bodemzaken wordt vervangen, metname als gekozen wordt voor het alternatieve begrip bedrijfsgebondenactiva. Ook vragen sommige reageerders zich af of beleidsrichting 1 voorpartijen die na wijziging van het begrip onder de reikwijdte van het fiscalebodem(voor)recht vallen, praktisch uitvoerbaar is en recht doet aan hunpositie. Voorts wordt aangegeven dat de voorgestelde wijziging om dereikwijdte te beperken door de invoering van een zogenaamd drempel-bedrag3 tot nieuwe discussies kan leiden en arbitrair kan zijn.Ten aanzien van de meldingsregeling wordt door meerdere reageerdersopgemerkt dat de voorgestelde wijziging om de wachttermijn te verkortennaar twee weken onvoldoende is. Ook bij een wachttermijn van tweeweken zullen betrokken partijen naar hun oordeel (te) lang in onzekerheidzitten.Bij beleidsrichting 1 is voorgesteld om wijzigingen aan te brengen in derechtsbescherming. De reageerders staan overwegend positief tegenoverhet voorstel van rechtsbescherming via de (civiele) rechter in plaats vande bestaande mogelijkheid van een beroepschrift bij de directeur. Verderdelen meerdere reageerders de visie dat het begrip bodemzakenachterhaald is en leidt tot een oneerlijk speelveld.Tot slot geeft een aantal reageerders aan dat het handhaven van hetfiscale bodem(voor)recht niet nodig en wenselijk is. Het fiscale bodem-(voor)recht is in hun optiek een (te) ingrijpend instrument − waarbij metname ten aanzien van het bodemrecht4 een rechtvaardiging ontbreekt,temeer omdat de Belastingdienst al over veel invorderingsinstrumentenbeschikt. In het verlengde hiervan wordt door een aantal reageerders de(financiële) meerwaarde van het fiscale bodem(voor)recht voor deBelastingdienst betwist. De (financiële) meerwaarde voor de Belasting-dienst zou gering zijn.Beleidsrichting 2Beleidsrichting 2 behelst het voorstel om het fiscale bodem(voor)recht tevervangen door een nieuw verhaalsrecht, waarbij de Belastingdienst hetrecht krijgt op een percentage van de opbrengst van een goed. Hierbij zouhet begrip bodemzaken worden losgelaten en worden vervangen dooreen ander begrip.3Bij beleidsrichting 1 wordt benoemd dat de reikwijdte zou kunnen worden beperkt door tebepalen dat het fiscale bodem(voor)recht alleen kan worden toegepast als de executiewaardevan het goed een bepaald bedrag te boven gaat of als de openstaande belastingschuld eenbepaald bedrag te boven gaat.4Het bodemrecht behelst de mogelijkheid voor de Belastingdienst om verhaal te halen op zakendie zich op de bodem van de belastingschuldige bevinden, maar eigendom zijn van een derde.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15172 Bij de inbreng op beleidsrichting 2 is een overlap te zien met de inbrengop beleidsrichting 1. Evenals bij de inbreng op de eerste beleidsrichtingmerkt een groot deel van de reageerders op dat het niet wenselijk en ookniet nodig is dat wordt voorzien in een (nieuw) ingrijpend verhaalsrechtvoor de Belastingdienst. Ook geven meerdere reageerders aan dat hetvoorgestelde verhaalsrecht tot nieuwe (juridische) discussies kan leiden,waardoor geen sprake zal zijn van een minder complex en voorspel-baarder systeem. Integendeel: deze reageerders verwachten dat hetnieuwe verhaalsrecht (meer) belastend zou zijn voor de Belastingdienst enandere betrokken partijen.Op het voorstel dat de Belastingdienst slechts een recht zou krijgen opeen percentage van de opbrengst van een goed volgden meerderepositieve reacties. Een percentage van de opbrengst, mits dit niet(frequent) wordt gewijzigd, kan resulteren in een voorspelbaarder eneerlijker systeem.Beleidsrichting 3Bij beleidsrichting 3 is het vertrekpunt dat het fiscale bodem(voor)rechtwordt afgeschaft, zonder dat in een alternatief verhaalsrecht wordtvoorzien. Om het belang en de huidige positie van de Belastingdienst tewaarborgen, worden mitigerende maatregelen voorgesteld. Bij beleids-richting 3 wordt voorgesteld om de Belastingdienst de mogelijkheid tegeven om het faillissement van een belastingschuldige aan te vragenzonder dat hiervoor een steunvordering nodig is. Daarnaast wordt eenstrenger invorderingsbeleid als mitigerende maatregel genoemd.De reageerders zijn overwegend positief over het voorstel om het fiscalebodem(voor)recht af te schaffen. Afschaffing zorgt volgens de reageerdersvoor een eerlijker speelveld en een voorspelbaarder en minder belastendsysteem, ook voor de Belastingdienst. Daarnaast is afschaffing van hetfiscale bodem(voor)recht volgens meerdere reageerders gepast nu(voldoende) rechtvaardiging voor dit ingrijpende instrument ontbreekt.Met betrekking tot de voorgestelde mitigerende maatregelen zijn wélkritische geluiden waarneembaar. Meerdere reageerders zijn negatief overde voorgestelde maatregelen of achten deze niet realistisch. Demogelijkheid voor de Belastingdienst om het faillissement van eenbelastingschuldige aan te vragen zonder dat hiervoor een steunvorderingis, zou bijvoorbeeld de lege boedelproblematiek kunnen verergeren en isniet in lijn met het doel van het faillissement. Met betrekking tot hethanteren van een strenger invorderingsbeleid vragen meerderereageerders zich af of dit überhaupt haalbaar is gezien de huidigepersoneelsbezetting bij de Belastingdienst. Voorts vragen meerderereageerders zich af of het nodig is dat mitigerende maatregelen wordengenomen, omdat volgens deze reageerders de financiële meerwaarde vanhet fiscale bodem(voor)recht gering zou zijn en de Belastingdienst al overmeerdere invorderingsinstrumenten beschikt.Vervolg van het onderzoek naar het fiscale bodem(voor)rechtHet consultatiebestand vermeldt dat de wens bestaat om na de internet-consultatie één of meerdere beleidsrichtingen nader uit werken. De keuzevoor drie beleidsrichtingen betekent overigens niet dat elke beleids-richting geheel op zichzelf moet worden bezien. Het is denkbaar datspecifieke elementen uit de ene beleidsrichting worden betrokken bij deverdere uitwerking van een andere beleidsrichting. Ik acht het wenselijkdat bij het verdere onderzoek naar de werking van en eventuele alterna-tieven voor het fiscale bodem(voor)recht de focus komt te liggen op tweeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15173 scenario’s in plaats van één scenario. Met name omdat nog duidelijkheidmoet worden verkregen over het budgettaire aspect. Voorts moet meerduidelijkheid worden verkregen over welke gevolgen het eventueelafschaffen van het fiscale bodem(voor)recht in de praktijk heeft voor depositie van de Belastingdienst en voor de lege boedelproblematiek. Ookspeelt hierin de omstandigheid dat plannen inzake de lege boedelproble-matiek thans worden uitgewerkt een belangrijke rol.Bij de twee scenario’s gaat om twee tegengestelde scenario’s. Het eerstescenario gaat uit van het handhaven van het fiscale bodem(voor)recht,terwijl het tweede scenario uit gaat van afschaffing van het fiscalebodem(voor)recht. In dit kader is relevant om op te merken dat ik eenrechtvaardiging en wenselijkheid zie voor een sterke (bijzondere) positievan de Belastingdienst bij de inning van belastinggelden. In het consulta-tiebestand wordt verwezen naar de memorie van toelichting bij deinvoering van de Invorderingswet 1990 waarin meerdere argumentenworden genoemd waarom de Belastingdienst bij belastingschulden eenvoorrecht is toegekend. Op grond van die argumenten is mijns inziens eenbevoorrechte dan wel sterke positie voor de Belastingdienst nog steedsgerechtvaardigd. Ik acht het daarom prematuur om bij het verdereonderzoek enkel te kijken naar afschaffing van het fiscale bodem(voor-)recht. Bezien zal moeten worden of de sterke positie daadwerkelijk in hetgeding komt als het fiscale bodem(voor)recht wordt afgeschaft en of desterke positie van de Belastingdienst ook op een andere wijze moet, eneventueel kan, worden gewaarborgd. Bij beide scenario’s zal dusnadrukkelijk aandacht zijn voor de bijzondere positie van de Belasting-dienst en het waarborgen daarvan. Alvorens nader wordt ingegaan op detwee scenario’s, wordt hieronder eerst toegelicht waarom beleids-richting 2 als geheel niet verder wordt onderzocht en waarom bepaaldeelementen van beleidsrichtingen 1 en 3 niet worden betrokken in hetverdere onderzoek.Beleidsrichtingen dan wel elementen van de geconsulteerde beleidsrich-tingen die niet in het verdere onderzoek worden betrokkenBeleidsrichting 1:Bij beleidsrichting 1 is voorgesteld om de reikwijdte van het fiscalebodem(voor)recht te beperken door de introductie van een drempel-bedrag. Meerdere reageerders hebben op dit voorstel kritisch gereageerd.Ik erken dat een drempelbedrag kan resulteren in nieuwe (tijdrovende)discussies, terwijl het streven is om te komen tot een voorspelbaarder enminder complex systeem. Nu ik (vooralsnog) onvoldoende aanknopings-punten zie om te komen tot een drempelbedrag waarbij wordt voldaanaan de in het consultatiebestand genoemde uitgangspunten5, vormt eendrempelbedrag geen onderdeel van het verdere onderzoek.Ook het verkorten van de wachttermijn bij de meldingsregeling van viernaar twee weken vormt (vooralsnog) geen onderdeel van het verdereonderzoek, aangezien dit naar verwachting weinig tot niks doet aan debelemmeringen die nu door betrokken partijen worden ervaren. Hetvoorgaande laat onverlet dat wordt bezien of op korte termijn tegemoetkan worden gekomen aan bepaalde bezwaren die zijn geuit op debestaande wachttermijn bij de meldingsregeling, bijvoorbeeld het nietsnel in contact kunnen komen met de Belastingdienst over een melding.5In het consultatiebestand staan vijf uitgangspunten genoemd die in acht worden genomen bijde herijking van het fiscale bodem(voor)recht. Het gaat hierbij om de uitvoerbaarheid,complexiteit, regiemogelijkheid, positie van de curator en het budgettaire belang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15174 Beleidsrichting 2:Eerder is in deze brief opgemerkt dat bij de inbreng op beleidsrichting 2een overlap te zien is met de inbreng op beleidsrichting 1. Aangezien bijbeide beleidsrichtingen het vertrekpunt is dat de Belastingdienst eenbijzonder (omvangrijk) instrument heeft, is deze overlap niet onlogisch.Gezien het streven om te komen tot een finale en afdoende reactie op devraag of en eventueel hoe het fiscale bodem(voor)recht moet wordenherzien wordt het zinvol geacht dat het verdere vervolgonderzoekbetrekking heeft op twee scenario’s, die onderling weinig tot geen overlaphebben. In dat kader is gekozen om van de geconsulteerde beleidsrich-tingen 1 en 2 maximaal één beleidsrichting als vertrekpunt voor hetvervolg te nemen. Uiteindelijk is besloten om voor het vervolg alsvertrekpunt te nemen dat het fiscale bodem(voor)recht wordt gehand-haafd (beleidsrichting 1), omdat ik – mede gezien de input op beleids-richting 2 – onvoldoende aanknopingspunten zie om tot een nieuwverhaalsrecht te komen. De verwachting is dat een nieuw verhaalsrechtniet zonder meer resulteert in meer voorspelbaarheid en een aanzienlijkereductie van complexiteit. Met name in de periode na inwerkingtredingvan een nieuw verhaalsrecht kan de complexiteit toenemen en devoorspelbaarheid afnemen. Daarentegen wordt wel verwacht dat bijeventuele aanpassingen van het bestaande fiscale bodem(voor)recht eenvoorspelbaarder en minder complex systeem kan worden gerealiseerd,mogelijk door het voorstel dat de Belastingdienst voortaan enkel rechtheeft op een percentage van de opbrengst.Beleidsrichting 3:In het consultatiebestand wordt bij elke beleidsrichting een aantalaandachtspunten genoemd. Dit zijn punten die bij het formuleren van debeleidsrichtingen al zijn gesignaleerd. Bij beleidsrichting 3 is onder meerals aandachtspunt genoemd dat het de vraag is of een strenger invorde-ringsbeleid door de Belastingdienst wenselijk en mogelijk is. Hetvoorgaande is ook teruggekomen in de inbreng op beleidsrichting 3. Eenstrenger invorderingsbeleid kan haaks staan op de maatregelen dievolgen uit de herijking van de invorderingsstrategie van de Belasting-dienst. Bij de herijking van de invorderingsstrategie is nadrukkelijkgekeken naar de maatschappelijke wens om meer ruimte voor maatwerkte bieden. Een strenger invorderingsbeleid kan echter de ruimte voormaatwerk beperken. Daarnaast vraagt een strenger invorderingsbeleidook een bepaalde personeelsbezetting bij de Belastingdienst, die thansniet (altijd) voorhanden is. Gezien het voorgaande maakt een strengerinvorderingsbeleid als een opzichzelfstaande mitigerende maatregel geenverder onderdeel uit van het scenario waarbij het fiscale bodem(voor-)recht zou worden afgeschaft.Voorts is in het consultatiebestand al benoemd dat de mogelijkheid dat deBelastingdienst het faillissement van een belastingschuldige kanaanvragen zonder dat hiervoor een steunvordering nodig is, een kritischeblik verlangt. Meerdere reageerders hebben hun bedenkingen geuit bij ditvoorstel. De hiervoor genoemde mogelijkheid is niet goed te verenigenmet het doel van het faillissement: het vermogen van de schuldenaarverdelen onder diens gezamenlijke schuldeisers. Het voorgaande komtterug in het pluraliteitsvereiste. Daarnaast is het aanvragen van hetfaillissement een vergaande stap en is dit in beginsel ingrijpender dantoepassing van het fiscale bodem(voor)recht. Voorts is het niet passendom de Belastingdienst in een positie te brengen waarin zij wordt geachtde faillissementsaanvraag te gebruiken als de mogelijkheid om eenondernemer aan tafel te krijgen. Dat klemt te meer in de gevallen waarinvooraf al te voorzien valt dat er weinig tot geen baten zullen zijn in eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15175 mogelijk faillissement. Gezien het voorgaande acht ik het niet passend datbij eventuele afschaffing van het fiscale bodem(voor)recht wordt voorzienin een dergelijke mogelijkheid. Het voorstel dat de Belastingdienst hetfaillissement van een belastingschuldige kan aanvragen zonder dathiervoor een steunvordering nodig is maakt daarom dan ook geenonderdeel uit van het verdere onderzoek.Scenario’s bij het verdere onderzoekOm tot een finale en afdoende reactie te komen op de vraag of eneventueel hoe het fiscale bodem(voor)recht moet worden herzien, zullende komende periode twee scenario’s worden onderzocht. Hieronder zullende belangrijkste elementen van de scenario’s worden benoemd.Scenario waarbij het fiscale bodem(voor)recht wordt gehandhaafd.Bij dit scenario is het vertrekpunt dat het fiscale bodem(voor)recht wordtgehandhaafd. Hierbij zal wél een aantal (omvangrijke) wijzigingen in debestaande regeling moeten worden aangebracht, zodat uiteindelijk sprakeis van een voorspelbaarder, eerlijker en minder complex systeem.Allereerst wordt bij dit scenario kritisch gekeken naar de reikwijdte. Bij degeconsulteerde beleidsrichtingen is ingegaan op het «verouderde» begripbodemzaken. Het begrip bodemzaken sluit niet aan op de huidigeNederlandse economie en resulteert in niet-uitlegbare verschillen. Bijhandhaving van het fiscale bodem(voor)recht zal een gelijkwaardigerspeelveld moeten worden gecreëerd, waarbij traditionele en modernerevormen van bedrijfsvoering in gelijke mate onder de reikwijdte komen tevallen. Vervanging van het begrip bodemzaken draagt hier aan bij. Bij ditscenario zal in beginsel worden bezien of aansluiten bij het begriproerende zaken passend en wenselijk is, waarbij het hierbij in ieder gevalzal gaan om roerende zaken die zich ook daadwerkelijk bij de belasting-schuldige bevinden. De term roerende zaken krijgt de voorkeur boven determ bedrijfsgebonden activa, aangezien roerende zaken een juridischafgebakend en bij betrokkenen bekender begrip is. Ik ben mij ervanbewust dat vervanging van het begrip bodemzaken door bijvoorbeeldroerende zaken echter ook zal resulteren in nieuwe betrokkenen –belastingschuldigen en bedrijven die nu niet geraakt worden door hetfiscale bodem(voor)recht – en gevolgen voor de uitvoerbaarheid van deregeling. Voor de definitieve uitwerking van dit scenario is het dan ookbelangrijk dat deze gevolgen voldoende in kaart worden gebracht. Dekomende periode zal worden bezien op welke manier deze gevolgen inkaart kunnen worden gebracht, waarbij voor de uiteindelijke, inhoudelijkebeoordeling ook gesproken zal moeten worden met betrokken partijen.Voorts wordt bij dit scenario vervanging van de mogelijkheid van hetberoepschrift bij de directeur van de Belastingdienst door rechtsbe-scherming via de rechter onderzocht. In eerste instantie zal hierbij wordengekeken naar rechtsbescherming door de civiele rechter. Vervanging vande huidige administratieve beroepsprocedure door de mogelijkheid vanbezwaar gevolgd door beroep bij de fiscale rechter kan weliswaartoegankelijker zijn dan rechtsbescherming via de civiele rechter, maar hetkarakter van het fiscale bodem(voor)recht – een recht dat onlosmakelijk isverbonden met de rangorde van schuldeisers − brengt met zich mee datrechtsbescherming door de civiele rechter meer voor de hand ligt. Datrechtsbescherming door de civiele rechter passender is, komt ook terug inde inbreng van meerdere reageerders op het consultatiebestand.Aanpassing van het begrip bodemzaken heeft gevolgen voor de reikwijdtevan het fiscale bodem(voor)recht. Vervanging van het begrip bodemzakendoor roerende zaken heeft tot gevolg dat de verhaalsmogelijkheden voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15176 de Belastingdienst worden vergroot. Hiermee is niet sprake van het enkelbestendigen van de bevoorrechte positie van de Belastingdienst. In datkader zal bij dit scenario worden onderzocht of en op welke manier hetfiscale bodem(voor)recht kan worden aangepast zodat de Belastingdienstniet de gehele opbrengst bij uitwinning mag behouden. Het «alles ofniets» karakter van het fiscale bodem(voor)recht zou dan derhalveveranderen. Een percentage in plaats van de gehele opbrengst kanresulteren in een voorspelbaarder systeem voor alle betrokkenen. Hierbijgeldt wel als uitgangspunt dat het percentage niet frequent, bijvoorbeeldjaarlijks, wordt verhoogd of verlaagd. Het frequent wijzigen van hetpercentage draagt immers niet bij aan duidelijk en voorspelbaar beleid.Tot slot is bij dit scenario het vertrekpunt dat het bodemrecht ook blijftbestaan en dat de op dit moment geldende beleidslijn van de Belasting-dienst om het zogeheten reëel eigendom te respecteren, wordt geconti-nueerd. De Belastingdienst zal dus in beginsel reëel eigendom blijvenontzien. Met betrekking tot het bodemrecht zal wel aandachtig moetenworden onderzocht welke gevolgen vervanging van het begrip bodem-zaken door bijvoorbeeld roerende zaken gaat hebben. Enkel voortzettingvan het bodemvoorrecht en afschaffing van het bodemrecht, wordt nietopportuun geacht aangezien dat het speelveld voor verschillende typenfinanciering ongelijkwaardiger zou kunnen maken.Scenario waarbij het fiscale bodem(voor)recht wordt afgeschaft.Dit scenario sluit aan op de geconsulteerde beleidsrichting 3. In tegen-stelling tot beleidsrichting 3 wordt bij dit scenario niet verder gekekennaar de mogelijkheid dat de Belastingdienst het faillissement van eenbelastingschuldige kan aanvragen zonder dat hiervoor een steunvorderingnodig is en het voorstel van een strenger invorderingsbeleid als eenopzichzelfstaande mitigerende maatregel. Meerdere reageerders hebbenopgemerkt dat in het consultatiebestand ten onrechte voorbij is gegaanaan de invorderingsinstrumenten die de Belastingdienst heeft naast hetfiscale bodem(voor)recht. Het fiscale bodem(voor)recht is uiteraard niethet enige instrument dat de Belastingdienst kan inzetten om eenopenstaande belastingschuld voldaan te krijgen. Verder is het fiscalebodem(voor)recht niet het enige invorderingsinstrument waarin debijzondere positie van de Belastingdienst als schuldeiser terugkomt.Desalniettemin kan afschaffing van het fiscale bodem(voor)rechtaanzienlijke gevolgen hebben voor de positie van de Belastingdienst. Hetis wenselijk dat de komende periode nader in kaart wordt gebracht wat degevolgen in de praktijk voor de Belastingdienst zullen zijn als totafschaffing van het fiscale bodem(voor)recht wordt besloten. Hiervoor zalonder meer binnen de Belastingdienst in kaart moeten worden gebrachtwat de huidige ervaringen met het fiscale bodem(voor)recht zijn en welke(financiële) meerwaarde het fiscale bodem(voor)recht thans in de praktijkheeft. Nadien kan worden geconcretiseerd of de positie van de Belasting-dienst daadwerkelijk wordt geschaad bij afschaffing van het fiscalebodem(voor)recht en, zo ja, op welke manier de huidige positie van deBelastingdienst kan worden gewaarborgd. Hiermee kan ook de vraagworden beantwoord of mitigerende maatregelen ter zake het invorde-ringsbeleid überhaupt wenselijk en nodig zijn om de positie van deBelastingdienst te bestendigen. Bij de internetconsultatie is doormeerdere reageerders ingebracht dat strenger invorderingsbeleid nietzonder meer nodig is. Het zou volgens meerdere reageerders helpen alsde Belastingdienst een actiever invorderingsbeleid zou hanteren. Dooractiever te zijn zou de Belastingdienst schuldenoploop kunnen voorkomenen ondernemers in een eerder stadium aan tafel kunnen krijgen. Daaromzal niet alleen worden bezien of de positie van de Belastingdienstgeschaad wordt bij afschaffing van het fiscale bodem(voor)recht, maar zalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15177 bij dit scenario ook aandacht zijn voor actiever invorderingsbeleid.Onderzocht zal worden of actiever invorderingsbeleid mogelijk is en dit(eventuele) nadelige gevolgen voor de Belastingdienst bij afschaffing vanhet fiscale bodem(voor)recht (gedeeltelijk) kan wegnemen.De financiering van de afwikkeling van faillissementen door decuratorDe herijking van het fiscale bodem(voor)recht kan niet los worden gezienvan het vraagstuk rond de financiering van de afwikkeling van faillisse-menten door de curator, de zogenoemde lege boedelproblematiek. Bijuitwinning van bodemzaken in faillissement gaat de opbrengst via deboedel naar de Belastingdienst. Met deze opbrengst wordt dus bijge-dragen aan de algemene faillissementskosten. Wijzigingen aanbrengen indan wel afschaffing van het fiscale bodem(voor)recht heeft derhalvegevolgen voor de financiering van de afwikkeling van faillissementen doorde curator. In dat kader is het Ministerie van Justitie en Veiligheid nauwbetrokken bij het onderzoek naar de werking van en eventuele alterna-tieven voor het fiscale bodem(voor)recht.Bij zowel het scenario dat het fiscale bodem(voor)recht wordt gewijzigdals het scenario dat het fiscale bodem(voor)recht wordt afgeschaft, dientaandachtig te worden gekeken naar de gevolgen voor curatoren. Hetmerendeel van de reageerders op het consultatiebestand heeft dit ookaangegeven. Bij het scenario dat het fiscale bodem(voor)recht wordtgewijzigd, waarbij het begrip bodemzaken wordt vervangen en deBelastingdienst voortaan recht heeft op een percentage van de opbrengst,kunnen de gevolgen voor curatoren – ervan uitgaande dat bestaandeomslag6 wordt gecontinueerd − mogelijk beperkt zijn. De daadwerkelijkefinanciële gevolgen zullen afhankelijk zijn van het nieuwe begrip en dehoogte van het percentage. Bij het scenario dat het fiscale bodem(voor-)recht wordt afgeschaft ligt dat anders. Afschaffing zal hoe dan ookgevolgen hebben voor curatoren: afschaffing van het fiscale bodem(voor-)recht zal de lege boedelproblematiek zonder mitigerende maatregelenverergeren. Gezien het voorgaande acht ik afschaffing van het fiscalebodem(voor)recht niet mogelijk en wenselijk zonder dat een oplossingwordt gevonden voor de lege boedelproblematiek. Op 30 januari 2025heeft de toenmalig Staatssecretaris Rechtsbescherming uw Kamergeïnformeerd over het onderzoek dat is gedaan naar de lege boedel-problematiek.7 Daarin is aangegeven dat er nog een nadere uitwerkingkomt. Deze wordt in de loop van 2026 verwacht. Die plannen zullenworden betrokken bij het scenario waarin het fiscale bodem(voor)rechtwordt afgeschaft. In het consultatiebestand is reeds opgemerkt dat hetniet opportuun wordt geacht om het budgettaire gevolg van de afwik-keling van faillissementen (geheel) ten laste te laten komen van deBelastingdienst, door de Belastingdienst bijvoorbeeld een percentage vande gelden te laten afdragen die de Belastingdienst dankzij het reguliere(dwang)invorderingsproces ontvangt. Die gelden staan immers los vaneen faillissement en de omslag – bij de uitwinning van bodemzaken infaillissement gaat de opbrengst via de boedel − die nu kan plaatsvinden.Het voorgaande geldt mijns inziens nog steeds.6Bij de uitwinning van bodemzaken in faillissement gaat de opbrengst via de boedel naar deBelastingdienst. Dit betekent dat met de opbrengst eerst wordt bijgedragen aan de algemenefaillissementskosten.7Kamerstukken II 2024/25, 33 695, nr. 23Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15178 Budgettair aspectVoor het onderzoek naar de werking van en eventuele alternatieven voorhet fiscale bodem(voor)recht is het belangrijk om te bezien wat hetbudgettair belang bij het fiscale bodem(voor)recht is. Ruim twintig jaargeleden is voor het laatst extern onderzoek gedaan naar het budgettairbelang. Volgens het onderzoek dat destijds is verricht zou het budgettairebelang van het fiscale bodem(voor)recht tussen de € 462 en € 611 miljoenbedragen.8 In 2024 is gepoogd door een uitvraag bij de Belastingdiensthet budgettaire belang te actualiseren. De systemen van de Belasting-dienst zijn niet zo ingericht dat daaruit zonder meer kan worden herleidwelke gelden zijn ontvangen door toepassing van het fiscale bodem(voor-)recht en welke niet. Daarom is op medewerkersniveau gevraagd om bij tehouden welke gelden door toepassing van het fiscale bodem(voor)rechtzijn ontvangen. Gepoogd is per dossier bij te houden of en, zo ja, welkegelden door toepassing van het fiscale bodem(voor)recht zijn ontvangen.Recent is gebleken dat deze uitvraag onvoldoende concrete informatieheeft opgeleverd om tot een geactualiseerd budgettair belang te komen.Op dit moment wordt door mij bezien op welke wijze tot een geactuali-seerd budgettair belang kan worden gekomen, waarbij mogelijk tegelij-kertijd kan worden onderzocht in welke mate het fiscale bodem(voor)rechtbijdraagt aan de financiering van de afwikkeling van faillissementen. Doorde effecten van het bodem(voor)recht op de omvang van faillissements-boedels beter in kaart te brengen, kan immers beter worden ingeschatwelke maatregelen nodig zijn om te voorkomen dat afschaffing van hetfiscale bodem(voor)recht leidt tot een verergering van de legeboedelproblematiek.VervolgGezien de samenhang met de lege boedelproblematiek en het op ditmoment ontbreken van actuele cijfers omtrent het fiscale bodem(voor-)recht, voorzie ik dat de hiervoor voorgestelde scenario’s niet eerder danin 2028 volledig zijn uitgewerkt en dat dan pas een beslissing kan wordengenomen over het (grondig) aanpassen van het fiscale bodem(voor)rechtof afschaffing van het fiscale bodem(voor)recht. Het voorgaande laatonverlet dat de komende periode – naast het onderzoek dat wordt gedaannaar oplossing voor de lege boedelproblematiek en eventueel eenonderzoek voor een geactualiseerd budgettair belang – wél actiefonderzoek zal worden gedaan naar de eerder genoemde elementenrechtsbescherming, introductie van een percentage en de gevolgen voorde Belastingdienst als het fiscale bodem(voor)recht wordt afgeschaft.Naast het onderzoek naar deze elementen is het voornemen om voor dezomer van 2027 al laagdrempelige aanpassingen in het bestaande beleidte onderzoeken en eventueel door te voeren, waardoor mogelijk in enigemate tegemoet kan worden gekomen aan bepaalde knelpunten die nu bijhet fiscale bodem(voor)recht worden ervaren. Hierbij kan worden gedachtaan indexering van het drempelbedrag dat van toepassing is bij demeldingsregeling9, contact met de Belastingdienst na het doen van eenmelding en vereenvoudiging van het beleid omtrent het fiscale bodem-(voor)recht dat is opgenomen in de Leidraad Invordering 2008. Mijn8CPB i.s.m. ECORYS-NEI, Afschaffen of niet? Analyse van fiscale verhaalsrechten bij faillis-sement, februari 2004.9Zie artikel 1cj van de Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 15179 streven is om uw Kamer over deze mogelijke wijzigingen − en hetonderzoek aangaande het budgettaire belang dat hiervoor is benoemd −in de eerste helft van 2026 verder informeren.De Staatssecretaris van Financiën,E.H.J. HeijnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 31 066, nr. 151710

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 641be5f78b0ad4b6

14 okt 2026 · 22e2b5168bb57150

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.