Tweede nota van wijziging
Brontekst
Versie b0d553f349c6c7d7 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 812Wijziging van enkele belastingwetten en enigeandere wetten (Belastingplan 2026)Nr. 21 TWEEDE NOTA VAN WIJZIGINGOntvangen 7 november 2026 Het voorstel van wet wordt als volgt gewijzigd:1In artikel I, onderdeel C, onder 2, wordt in het voorgestelde zesde lid«Indien (...) afdeling 7.3 behoren» vervangen door «Ingeval de tot eenwerkzaamheid als bedoeld in artikel 3.92b behorende vermogensbestand-delen middellijk worden gehouden via een lichaam waarin de belasting-plichtige niet een aanmerkelijk belang als bedoeld in hoofdstuk 4 ofafdeling 7.3 houdt en die vermogensbestanddelen met ingang van enigtijdstip worden gehouden via een lichaam waarin de belastingplichtigeeen aanmerkelijk belang houdt» en wordt «moment direct voorafgaandaan het ontstaan van het aanmerkelijk belang» vervangen door «directdaaraan voorafgaande tijdstip».2Artikel II, onderdeel B, komt te luiden:BIn artikel 10.6ter, vijfde lid, wordt «rlozt-1» vervangen door «rlozt-1 –3,35».3Het in artikel IV, onderdeel B, voorgestelde artikel 32bc wordt als volgtgewijzigd:1. In het vijfde lid wordt «loontijdvak» telkens vervangen door «tijdvak».2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende: kst-36812-21ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 211 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld voor debeoordeling of voor de toepassing van dit artikel sprake is vanwoon-werkverkeer.4Na artikel XVII, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:AaNa artikel 27 wordt een artikel ingevoegd, luidende:Artikel 28In afwijking van dit hoofdstuk, afdeling 3, bedraagt de belasting nihilvoor een motorrijtuig van voertuigcategorie N2 als bedoeld in artikel 4,eerste lid, onderdeel b, onder ii, van Verordening (EU) 2018/858 van hetEuropees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende degoedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhang-wagens daarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden dievoor dergelijke voertuigen zijn bestemd, tot wijziging van Verordeningen(EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en tot intrekking van Richtlijn2007/46/EG (PbEU 2018, L 151), indien dat motorrijtuig een toegestanemaximum massa heeft van 3.500 kilogram of minder.5Na artikel XVII wordt een artikel ingevoegd, luidende:ARTIKEL XVIIAIn de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 vervalt met ingang van1 januari 2027 artikel 28.6Na artikel XIX, onderdeel A, wordt een onderdeel ingevoegd, luidende:AaIn artikel 17, derde lid, wordt «300 kubieke meter» telkens vervangendoor «50.000 kubieke meter».7Artikel XXI, onderdeel D, komt te luiden:DArtikel 18a vervalt.8Na artikel XXXV wordt een artikel ingevoegd, luidende:ARTIKEL XXXVADe Wet vrachtwagenheffing wordt als volgt gewijzigd:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 212 AArtikel 1 wordt als volgt gewijzigd:1. De begripsbepaling van toegestane maximummassa vervalt.2. In de alfabetische volgorde worden de volgende begripsbepalingeningevoegd:maximummassa: de technisch toelaatbare maximummassa van eenvrachtwagen in beladen toestand;maximummassa van de combinatie: de maximummassa die, voor zoverde vrachtwagen mag worden uitgerust met een of meer aanhangwagensof opleggers, wordt vermeerderd met de technisch toelaatbare maximum-massa van de aanhangwagens of opleggers in beladen toestand die devrachtwagen maximaal mag trekken;.3. In de begripsbepaling van Verordening (EU) 2018/858 wordt «30 mei2019» vervangen door «30 mei 2018».BArtikel 3, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:d. emissievrij zijn en een maximummassa hebben van maximaal 4.250kilogram.CIn de in artikel 5, eerste lid, onderdelen a, b en c, opgenomen tabellenwordt «Toegestane maximummassa (kg)» telkens vervangen door«Maximummassa van de combinatie (kg)».DArtikel 8 wordt als volgt gewijzigd:1. In het vierde lid, eerste zin, wordt «toegestane maximummassa»vervangen door «maximummassa van de combinatie».2. In het vijfde lid, tweede zin, wordt «dat de vrachtwagen een toege-stane maximummassa heeft van meer dan 32.000 kilogram» vervangendoor «dat de maximummassa van de combinatie meer dan 32.000kilogram bedraagt».9Aan artikel XXXVIII wordt een onderdeel toegevoegd, luidende:FIn artikel LXV, derde lid, wordt «artikel 2, eerste lid,» vervangen door«artikel 30».10Artikel L wordt als volgt gewijzigd:1. In het tweede lid wordt «onderdeel B» vervangen door «onderdelenAa en B» en wordt «artikel 2, eerste lid,» vervangen door «artikel 30».2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 213 3. In afwijking van het eerste lid treedt artikel XXXVA in werking op eenbij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillendeonderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.TOELICHTING I. Algemeen Tegengaan structuren lucratiefbelangregelingIn het wetsvoorstel wordt een maatregel voorgesteld die bepaaldeonwenselijke structuren in de lucratiefbelangregeling in de inkomstenbe-lasting tegengaat. De achtergrond van deze in het wetsvoorstelopgenomen maatregel en de lucratiefbelangregeling is nader toegelicht inde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel. Hieronder volgt eenverkorte weergave hiervan.Lucratiefbelangregeling en aanmerkelijkbelangvariantMet name binnen de private-equitypraktijk en in het kader van manage-mentparticipatieregelingen is het mogelijk dat (fonds)managers alsonderdeel van hun beloningsstructuur vermogensbestanddelenontvangen waarmee zij hoge rendementen kunnen behalen. In bepaaldesituaties staan de ontvangen rendementen niet in verhouding tot hetgeïnvesteerde kapitaal of het feitelijk op de investering gelopen risico.Deze rendementen zijn dan (deels) disproportioneel. Dergelijke voordelenzijn daarom onder omstandigheden belast onder de lucratiefbelangre-geling. De wetgever heeft bij een dergelijk lucratief belang ervoor gekozendat in beginsel sprake is van resultaat uit overige werkzaamheden (box 1).Het rendement is daardoor in beginsel volledig belast als arbeidsinkomenin box 1.Met de lucratiefbelangregeling is onder meer geregeld dat als debelastingplichtige daarvoor kiest de in een kalenderjaar genotenvoordelen uit middellijk gehouden lucratieve belangen ondervoorwaarden niet in box 1 worden belast als resultaat uit overigewerkzaamheden. Daarvoor moet in dat kalenderjaar tot een bedrag vanten minste 95% van die voordelen inkomen uit aanmerkelijk belangworden genoten dat een weerspiegeling is van die voordelen (aanmerke-lijkbelangvariant). In dat geval vindt geen box 1-heffing plaats, maar eenbox 2-heffing over (ten minste 95% van) de genoemde inkomsten.Maatregel in het wetsvoorstelHet kabinet stelt in dat kader in het wetsvoorstel een maatregel voor omeen onwenselijke structuur te kunnen tegengaan bij de lucratiefbelangre-geling. Het gaat hierbij om de situatie waarbij aanvankelijk geen gebruikkan worden gemaakt van de aanmerkelijkbelangvariant, omdat hetlucratieve belang niet middellijk wordt gehouden via een lichaam waarinde belastingplichtige een aanmerkelijk belang houdt. Vervolgens wordthet aandelenbelang in dat lichaam op enig moment uitgebreid waardoorvanaf dat moment wel gebruik kan worden gemaakt van de aanmerkelijk-belangvariant. Daarbij wordt derhalve voor ten minste 95% van devoordelen uit het lucratieve belang inkomen uit aanmerkelijk belanggenoten. Bij het ontstaan van het aanmerkelijk belang wordt de verkrij-gingsprijs van het aanmerkelijk belang vastgesteld op de waarde in heteconomische verkeer van het aandelenbelang in de vennootschap waarinhet middellijk gehouden lucratieve belang is ondergebracht. Het isdenkbaar dat belastingplichtigen zich op het standpunt gaan stellen dat zijonder omstandigheden na liquidatie van die vennootschap of na verkoopTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 214 van aandelen een verlies uit aanmerkelijk belang kunnen realiseren. Ditverlies zou dan volgens die belastingplichtigen kunnen worden verrekendmet de gerealiseerde voordelen in box 2 via de aanmerkelijkbelangva-riant. Deze uitkomst is onwenselijk, aangezien hierdoor de belasting-heffing in box 2 over voordelen uit lucratief belang per saldo de factoongedaan wordt gemaakt. Daarom is in het wetsvoorstel een maatregelopgenomen waarmee zeker wordt gesteld dat de belastingheffing in box 2in deze structuren niet de facto ongedaan kan worden gemaakt.Situaties waarop deze nota van wijziging zietEr zijn andere situaties denkbaar die vergelijkbaar zijn met de hierbovengenoemde situatie maar die naar de letter van de wet niet onder de in hetwetsvoorstel voorgestelde maatregel vallen. Ook bij die andere situatieskan aanvankelijk geen gebruik worden gemaakt van de aanmerkelijkbe-langvariant, omdat het lucratieve belang niet middellijk wordt gehoudenvia een lichaam waarin de belastingplichtige een aanmerkelijk belanghoudt. In afwijking van de hierboven beschreven situatie worden in deandere situaties de vermogensbestanddelen waarmee het lucratievebelang middellijk wordt gehouden, die geen aanmerkelijk belang vormen,ondergebracht in een ander lichaam waarin de belastingplichtige wel eenaanmerkelijk belang heeft. Zoals gezegd valt deze situatie dan naar deletter van de wet niet onder de in het wetsvoorstel voorgesteldemaatregel. In die visie gaan de vermogensbestanddelen waarmee hetlucratieve belang middellijk wordt gehouden namelijk geen aanmerkelijkbelang vormen en geldt de in het wetsvoorstel voorgestelde maatregeldaarvoor niet. Dat is niet gewenst. Ter illustratie is hierna een voorbeeldopgenomen.Voorbeeld 1In dit voorbeeld houden de aandeelhouders A en B ieder 4,9% van deaandelen in de Holding. Vervolgens brengen A en B deze aandelen-pakketten, die geen aanmerkelijk belang vormen, onder in de TopHolding, bijvoorbeeld via een storting op de aandelen in de TopHolding. A en B kunnen het standpunt innemen dat de in hetwetsvoorstel voorgestelde wettekst hier niet goed op aansluit. Deoorspronkelijke aandelenpakketten van A en B van ieder 4,9%worden namelijk niet uitgebreid. Met deze nota van wijziging wordtgeregeld dat de in het wetsvoorstel voorgestelde maatregel ook zietop de situatie waarin de belastingplichtige het indirect gehoudenlucratieve belang (direct of indirect) onderbrengt in een anderlichaam waarin hij, al dan niet tezamen met zijn partner, direct ofindirect wel een aanmerkelijk belang houdt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 215 Budgettaire gevolgenDe wijziging voorkomt een onbedoelde derving en heeft geen budget-taire gevolgen.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe maatregel is voor de Belastingdienst uitvoerbaar per 1 januari 2026.De uitvoeringstoets is bijgevoegd als bijlage bij deze nota van wijziging.Fiscale normering markt fossiele personenauto’sMet deze nota van wijziging wordt in het wetsvoorstel een wijzigingaangebracht met betrekking tot het moment waarop de voorgesteldepseudo-eindheffing fossiele auto’s1 uiterlijk moet worden betaald.Daarnaast wordt met deze nota van wijziging een delegatiebepalingopgenomen in het wetsvoorstel op basis waarvan in lagere regelgevingkan worden geregeld wanneer voor de toepassing van deze pseudo-eindheffing sprake is van woon-werkverkeer.TijdvakIn het wetsvoorstel is opgenomen dat de verschuldigde pseudo-eindheffing uiterlijk moet worden aangegeven en voldaan tegelijk met deaangifte loonheffingen over het tweede loontijdvak. Het loontijdvak is hettijdvak waarover het loon wordt genoten en sluit over het algemeen aanbij het betaalmoment. Een werkgever kan het salaris bijvoorbeeld perweek of per maand uitbetalen. Bij nader inzien wordt het echter wenselijkgeacht om in dit kader niet aan te sluiten bij het loontijdvak, maar bij hettijdvak waarover de verschuldigde loonaangifte dient te worden voldaan1Dit betreft de in het voorgestelde artikel 32bc van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB1964) opgenomen pseudo-eindheffing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 216 of afgedragen (aangiftetijdvak). Het aangiftetijdvak is over het algemeeneen tijdvak van een kalendermaand of een aaneengesloten periode van 4weken.2 Met de aansluiting bij het aangiftetijdvak wordt bewerkstelligddat werkgevers na afloop van het kalenderjaar in beginsel nog tweekalendermaanden (of twee aaneengesloten periodes van vier weken) detijd hebben om de eventueel verschuldigde pseudo-eindheffing teberekenen en te voldoen. Met deze nota van wijziging wordt derhalvevoorkomen dat een inhoudingsplichtige die een loontijdvak hanteert vanbijvoorbeeld een week en een aangiftetijdvak van een maand, uiterlijk bijde aangifte over het eerste aangiftetijdvak in plaats van het tweedeaangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar de pseudo-eindheffing moetaangeven en voldoen.DelegatiebepalingDaarnaast wordt in het wetsvoorstel een delegatiebepaling opgenomenten behoeve van de voorgestelde pseudo-eindheffing fossiele auto’s, opbasis waarvan via een ministeriële regeling ten behoeve van de duide-lijkheid kan worden geregeld welke definitie van het begripwoon-werkverkeer voor deze regeling geldt. De delegatiebepaling wordtopgenomen naar aanleiding van signalen uit de uitvoeringstoets van deBelastingdienst en ook vanwege vragen hierover door belangenbehar-tigers, zoals de Vereniging van Nederlandse Autoleasemaatschappijen(VNA). Het is op grond van de memorie van toelichting3 de bedoeling datvoor de pseudo-eindheffing fossiele auto’s voor het begripwoon-werkverkeer nauw wordt aangesloten bij de definitie die wordtgehanteerd voor de omzetbelasting. Voor de pseudo-eindheffing wordtvan de volgende definitie uitgegaan: het (heen of terug) reizen van dewoon- of verblijfplaats naar de in het kader van een overeenkomst tot hetverrichten van arbeid overeengekomen vaste werkplaats(en) waar men(een of meerdere dagen) zijn werkzaamheden verricht, met dien verstandedat een plek waar de inhoudingsplichtige is gevestigd ook kwalificeert alsvaste werkplaats. Er is dus in beginsel sprake van woon-werkverkeer alseen werknemer vanuit diens woning naar de vaste werkplaats rijdt ofterug. Er is dus bijvoorbeeld geen sprake van woon-werkverkeer als eenwerknemer vanuit huis eerst naar een klant rijdt en vervolgens naarkantoor rijdt. In deze situatie valt de terugreis wel onder hetwoon-werkverkeer als deze werknemer aan het eind van de dag vanuitkantoor rechtstreeks naar huis rijdt. Als de werknemer binnen eenkalendermaand minimaal eenmaal rechtstreeks van huis naar kantoor rijdtof terug, is op basis van de voorgestelde wettekst4 de pseudo-eindheffingover die gehele maand verschuldigd. De memorie van toelichting bevatdaarnaast een aantal voorbeelden van ritten die voor de toepassing vande voorgestelde pseudo-eindheffing fossiele auto’s al dan niet kwalifi-ceren als woon-werkverkeer. Er is hierbij bijvoorbeeld geen sprake vanwoon-werkverkeer als met fossiele personenauto’s gereden móet wordenvanwege de bedrijfsvoering (bijvoorbeeld surveilleren door politie-agenten) en die auto’s voorafgaand aan of na afloop van dergelijkediensten door de betreffende werknemer worden gebruikt om van huisnaar de werkplaats te rijden of andersom. Het bovenstaande geldtovereenkomstig voor werknemers met piketdiensten of wachtdiensten,zoals slotenmakers, liftmonteurs en verloskundigen.Na inwerkingtreding van de delegatiebepaling, wordt het bovenstaandevia een ministeriële regeling vastgelegd.2In artikel 28 van de Uitvoeringsregeling Algemene wet inzake rijksbelastingen 1994 worden eenaantal situaties opgesomd waarvoor een ander tijdvak van toepassing is.3Kamerstukken II 2025/26, 36 812, nr. 3, pagina 43 en 44.4Zie het voorgestelde artikel 32bc, vierde lid, Wet LB 1964.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 217 Budgettaire gevolgen en gevolgen voor burgers en bedrijvenDe wijziging heeft geen budgettaire effecten.Gevolgen voor burgers en bedrijvenDe wijziging heeft geen tot beperkte gevolgen voor burgers enbedrijven.UitvoeringsgevolgenDeze wijziging volgt mede naar aanleiding van de uitvoeringstoets vande Belastingdienst. De Belastingdienst heeft in de uitvoeringstoets op hetoorspronkelijke wetsvoorstel met betrekking tot de pseudo-eindheffingfossiele auto’s aangegeven dat in veel gevallen duidelijk zal zijn of sprakeis van woon-werkverkeer, maar dat desalniettemin wel discussie wordtverwacht over dit begrip. Met het opnemen van een delegatiebepaling kanvia een ministeriële regeling worden verduidelijkt wanneer voor depseudo-eindheffing fossiele auto’s al dan niet sprake is vanwoon-werkverkeer. De aanpassingen hebben geen gevolgen voor deuitvoeringskosten. De Belastingdienst acht deze wijziging per 1 januari2027 uitvoerbaar. De uitvoeringstoets is als bijlage toegevoegd bij dezenota van wijziging.Voorkomen van een gelijktijdige heffing van de vrachtwagen-heffing en de motorrijtuigenbelastingBij invoering van de vrachtwagenheffing ontstaat tot 1 januari 2027 desituatie dat sommige vrachtwagens van de categorie N2 als bedoeld inVerordening 2018/8585 zowel motorrijtuigenbelasting (mrb) als vrachtwa-genheffing zijn verschuldigd. Er wordt voorgesteld voor die vrachtwagensgeen motorrijtuigenbelasting te heffen.De achtergrond en inhoud van dit voorstel is de volgende.In de mrb bepaalt de toegestane maximum massa van een motorrijtuigof er sprake is van een vrachtwagen. Een vrachtwagen heeft eentoegestane maximum massa van meer dan 3.500 kilogram. Het ismogelijk om de toegestane maximum massa van een vrachtwagenadministratief te verlagen (ook wel «terugkeuren» genoemd), opvoorwaarde dat de vrachtwagen inclusief lading dat gewicht nooitoverschrijdt. Het komt voor dat de toegestane maximum massa van eenvrachtwagen administratief wordt verlaagd naar 3.500 kilogram of minder.Daardoor worden deze vrachtwagens fiscaal aangemerkt als bestelauto’sin plaats van als vrachtwagens, en kan met die vrachtwagen met rijbewijsB in plaats van rijbewijs C1 worden gereden.Vrachtwagens van de EU-categorie N2 (met een technisch toelaatbaremaximummassa van meer dan 3.500 kilogram maar niet meer dan 12.000kilogram) of EU-categorie N3 (met een technisch toelaatbare maximum-massa van meer dan 12.000 kilogram)6 vallen onder de vrachtwagen-heffing. Bij het administratief verlagen van de toegestane maximummassa blijft de technisch toelaatbare maximummassa van het voertuig5Verordening (EU) 2018/858 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2019 betref-fende de goedkeuring van en het markttoezicht op motorvoertuigen en aanhangwagensdaarvan en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijnbestemd, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 715/2007 en (EG) nr. 595/2009 en totintrekking van Externe link:Richtlijn 2007/46/EG (PbEU 2018, L 151).6Categorieën als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel b, onder ii en iii, van Verordening(EU) 2018/858.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 218 ongewijzigd. Vrachtwagens van de EU-categorie N2 waarvan de toege-stane maximum massa administratief is verlaagd naar 3.500 kilogram ofminder, vallen dus onder de vrachtwagenheffing.Voor de mrb kwalificeren deze teruggekeurde vrachtwagens alsbestelauto, en dus vallen zij onder zowel de vrachtwagenheffing als demrb. Dat leidt voor deze groep vrachtwagens tot een gelijktijdige heffingvan motorrijtuigenbelasting en vrachtwagenheffing, en dat is ongewenst.Er zijn ongeveer 15.000 vrachtwagens waarvan de toegestane maximummassa administratief is verlaagd naar 3.500 kilogram of minder.In het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet 2027 wordt een maatregelopgenomen die regelt dat ook in de mrb de Europese voertuigcategorieënzullen worden gehanteerd voor de definitie van een vrachtwagen (N2 ofN3). Dit zorgt ervoor dat de mrb en de vrachtwagenheffing op dezelfdewijze worden geharmoniseerd met de Europese begrippen. Het adminis-tratief verlagen van de toegestane maximum massa van eenN2-vrachtwagen naar 3.500 kilogram of minder leidt dan niet meer totheffing van mrb als bestelauto. Een gelijktijdige heffing van zowel mrb alsvrachtwagenheffing wordt daarmee voor deze vrachtwagens voorkomen.Deze wijziging in de voertuigclassificatie in de mrb treedt gelijktijdig inwerking met het brede pallet aan definitiewijzigingen in de mrb en bpm,zoals de definities van personenauto’s, motorrijwielen, bestelauto’s enlijkwagens. Deze vereenvoudiging is geregeld in het Belastingplan 2025en de inwerkingtreding hiervan is 1 januari 2027. Een eerdere inwerking-treding is niet inpasbaar in het IV-portfolio van de Belastingdienst.De geplande start van de vrachtwagenheffing en volledige inwerking-treding van de Wet vrachtwagenheffing is 1 juli 2026. Om in de periode tot1 januari 2027 een gelijktijdige heffing van mrb en vrachtwagenheffing tevoorkomen, wordt met deze nota van wijziging voorgesteld dat voorvrachtwagens uit voertuigcategorie N2 waarvan de toegestane maximummassa administratief is verlaagd naar 3.500 kilogram of minder, de mrb indie periode nihil bedraagt.Tevens wordt van de gelegenheid gebruikgemaakt om enkeletechnische verbeteringen door te voeren in de begripsbepalingen voor detoepassing van de vrachtwagenheffing. Voor een toelichting hierop wordtverwezen naar de onderdeelsgewijze toelichting.Budgettaire aspectenDe budgettaire gevolgen van het voorstel worden verwerkt in artikel 15van de begroting van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat. Indit artikel zijn de opbrengsten van de vrachtwagenheffing begroot. Op ditartikel is ook een post opgenomen om de fiscale derving van de mrb alsgevolg van de invoering van de vrachtwagenheffing te compenseren.Zowel de raming voor de opbrengsten van de vrachtwagenheffing als decompensatie voor de fiscale derving van de mrb worden de komendeperiode herzien. Deze herziene ramingen worden bij de Voorjaarsnota2026 verwerkt in de begroting. Bij deze herziening wordt rekeninggehouden met het voorliggende voorstel, waarbij voor de circa 15.000N2-vrachtwagens met een toegestane maximum massa van maximaal3.500 kilogram in de periode van 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 geen mrb isverschuldigd. Deze vrachtwagens zijn vanaf 1 juli 2026 direct onder-worpen aan de vrachtwagenheffing. De harmonisatie van de Europesevoertuigclassificaties levert in 2026 naar verwachting € 16 miljoen extraop aan vrachtwagenheffing. De mrb voor de «teruggekeurde» vracht-wagens zou in de periode 1 juli 2026 tot 1 januari 2027 naar verwachting€ 8 miljoen bedragen. Met de voorgestelde maatregel zal deze opbrengstin de mrb er niet zijn. Dit zal tot uiting komen in de compensatie voor defiscale derving in de mrb.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 219 De technische verbeteringen die worden doorgevoerd in de begripsbe-palingen van de vrachtwagenheffing hebben geen budgettaire conse-quenties.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst en RDWDe maatregel is voor de uitvoeringsgevolgen beoordeeld door deBelastingdienst en RDW. De Belastingdienst concludeert dat het voorsteluitvoerbaar is en dat invoering mogelijk is per 1 juli 2026. De noodzake-lijke systeemaanpassingen kunnen tijdig worden gerealiseerd. DeBelastingdienst heeft van de RDW (periodiek) overzichten van deteruggekeurde vrachtwagens nodig.De RDW concludeert dat het voorstel goed uitvoerbaar is voor RDW eneen oplossing is die recht doet aan de ontstane situatie. Concreet heeftdeze oplossing een beperkte impact op gegevenslevering aan Belasting-dienst en vrachtwagenheffing. De technische verbeteringen die wordenvoorgesteld voor de vrachtwagenheffing hebben geen aanvullendegevolgen voor RDW. De uitvoeringstoets is toegevoegd als bijlage.Doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatieDe maatregel is doeltreffend, omdat zij exact voorkomt wat beoogd is:het voorkomen van een (tijdelijke) gelijktijdige heffing van mrb envrachtwagenheffing voor vrachtwagens van de EU-categorie N2, waarvande toegestane maximum massa administratief is verlaagd naar 3.500kilogram of minder. De doelmatigheid is hoog, omdat gekozen is voor eeneenvoudige en tijdelijke generieke regeling die zonder teruggaafsyste-matiek of maatwerk kan worden uitgevoerd. De regeling eindigt zodra destructurele oplossing in werking treedt per 1 januari 2027. Gezien hettijdelijke karakter is een afzonderlijke evaluatie niet voorzien. Wel wordenop basis van artikel 34 van de Wet vrachtwagenheffing de doeltref-fendheid en effecten van de Wet vrachtwagenheffing geëvalueerd.Gevolgen voor burgers en bedrijfslevenVoor de betrokken groep van circa 15.000 houders van vrachtwagensmet een toegestane maximum massa van 3.500 kilogram of minder wordtmet deze maatregel voorkomen dat zij geconfronteerd worden metdubbele lasten in de tweede helft van 2026. Daarmee wordt een lastenver-zwaring en onnodige regeldruk voor deze groep vermeden. Voor overigeweggebruikers of ondernemingen zijn geen effecten voorzien.DoenvermogenDe regeling is eenvoudig en transparant: betrokkenen hoeven geenactie te ondernemen om in aanmerking te komen voor het nihiltarief. Hetdoenvermogen wordt niet op de proef gesteld. In het kader van devrachtwagenheffing zal wel in de communicatie extra aandacht wordenbesteed richting de belastingplichtigen die beschikken over een terugge-keurde vrachtwagen van de EU-categorie N2.Belasting op leidingwaterIn het wetsvoorstel wordt ten aanzien van de belasting op leidingwateronder meer voorgesteld het heffingsplafond te schrappen. De in deze notavan wijziging voorgestelde aanpassingen met betrekking tot die maatregelzijn technisch van aard. De nota van wijziging voorziet in de eerste plaatsin een wijziging die aansluit op de voorgestelde aanpassing van hetheffingsplafond van 300 kubieke meter naar 50.000 kubieke meter metingang van 1 januari 2026. In de tweede plaats voorziet de nota vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 2110 wijziging in het laten vervallen van een artikel dat overbodig wordt per1 januari 2027 omdat wordt voorgesteld het heffingsplafond met ingangvan die datum te laten vervallen.Uitvoeringsgevolgen Belastingdienst, Dienst Toeslagen en DouaneDe maatregel is voor de Belastingdienst uitvoerbaar per 1 januari 2026.De uitvoeringstoets is bijgevoegd als bijlage bij deze nota van wijziging.II. Onderdeelsgewijs Onderdeel 1Artikel I, onderdeel C (artikel 3.95b van de Wet inkomstenbelasting 2001)In artikel 3.95b, vijfde lid, Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) isgeregeld dat als de belastingplichtige daarvoor kiest de in een kalen-derjaar genoten voordelen met betrekking tot middellijk gehoudenvermogensbestanddelen die tot een werkzaamheid als bedoeld in artikel3.92b Wet IB 2001 behoren, niet tot het resultaat van een werkzaamheidworden gerekend, mits in dat kalenderjaar tot een bedrag van ten minste95% van die voordelen inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genotendat een weerspiegeling is van die voordelen (aanmerkelijkbelangvariant).Als een belastingplichtige een lucratief belang middellijk houdt via eenvennootschap waarin hij geen aanmerkelijk belang heeft, kan de aanmer-kelijkbelangvariant van genoemd vijfde lid niet worden toegepast. In dezesituatie behoort het aandelenbelang in de vennootschap door middelwaarvan het lucratieve belang wordt gehouden tot de rendements-grondslag in box 3. Zodra echter een aanmerkelijk belang ontstaat, is hetdenkbaar dat belastingplichtigen zich op het standpunt gaan stellen dat deaanmerkelijkbelangvariant in de huidige regeling kan worden toegepastop alle inkomsten uit het lucratieve belang, mits ten minste 95% daarvanals inkomen uit aanmerkelijk belang wordt genoten. In dat geval vindtgeen box 1-heffing plaats, maar een box 2-heffing over (ten minste 95%van) de genoemde inkomsten.Bij sfeerovergang naar box 2 wordt de verkrijgingsprijs van hetaanmerkelijk belang bij het ontstaan ervan op grond van artikel 4.23 WetIB 2001 gesteld op de waarde in het economische verkeer. De verkrijgings-prijs omvat ook het verschil tussen de waarde in het economische verkeervan het lucratieve belang en het opgeofferde bedrag van het lucratievebelang. Zoals in het algemeen deel is toegelicht, is het denkbaar dat naarhet oordeel van belastingplichtigen de waardeaangroei tussen de waardein het economische verkeer van het lucratieve belang en het oorspron-kelijk opgeofferde bedrag buiten de belastingheffing in box 2 blijft. Omzeker te stellen dat dit onbedoelde effect wordt voorkomen, is in hetwetsvoorstel voorgesteld aan artikel 3.95b Wet IB 2001 een nieuw lid (eenzesde lid) toe te voegen. Dat lid zorgt ervoor dat het voordeel dat ontstaatbij de sfeerovergang van box 3 naar box 2 alsnog wordt belast in box 1 alsinkomen uit lucratief belang waarop de aanmerkelijkbelangvariant nietvan toepassing is.Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is toegelicht, zijnvergelijkbare situaties als genoemde ongewenste structuur denkbaar, diemogelijk niet onder de in het wetsvoorstel voorgestelde maatregel vallen.In die situaties worden zoals geïllustreerd in het voorbeeld in hetalgemeen deel van deze toelichting de oorspronkelijke aandelenpakkettenvan A en B van ieder 4,9% die geen aanmerkelijk belang vormen, namelijkniet uitgebreid, terwijl A en B op een later tijdstip wel hun lucratief belangvia een vennootschap houden waarin zij een aanmerkelijk belang hebbenen daardoor gebruik kunnen maken van de aanmerkelijkbelangvariant.Zonder wijziging van de voorgestelde tekst van artikel 3.95b, zesde lid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 2111 Wet IB 2001 zouden belastingplichtigen zich in deze situaties mogelijk ophet standpunt stellen dat zij onder omstandigheden na liquidatie van dievennootschap of na verkoop van aandelen een verlies uit aanmerkelijkbelang kunnen realiseren. In dat geval kan dit verlies worden verrekendmet de gerealiseerde voordelen in box 2 via de aanmerkelijkbelangva-riant.Met deze nota van wijziging wordt het voorgestelde artikel 3.95b, zesdelid, Wet IB 2001 derhalve gewijzigd, waarbij niet meer wordt aangeslotenbij het ontstaan van een aanmerkelijk belang door het uitbreiden van devermogensbestanddelen (bijvoorbeeld aandelen) in het lichaam waarinhet lucratieve belang middellijk wordt gehouden, maar bij het op enigtijdstip aanwezig zijn van een aanmerkelijk belang in een lichaamwaarmee deze vermogensbestanddelen worden gehouden. Hierdoorwordt de waardeaangroei tussen de waarde in het economische verkeervan het lucratieve belang en het oorspronkelijk opgeofferde bedrag ook inbox 1 belast als het lucratieve belang tot de rendementsgrondslag in box3 behoort en op een enig tijdstip wordt ondergebracht in een lichaamwaarin de belastingplichtige reeds een aanmerkelijk belang houdt.Onderdeel 2Artikel II, onderdeel B (artikel 10.6ter van de Wet inkomstenbelasting 2001)Met de wijziging van artikel II, onderdeel B, wordt een verschrijving inde daarin opgenomen wijzigingsopdracht hersteld. Van de gelegenheid isgebruikgemaakt om de tekst van die wijzigingsopdracht te verkorten.Onderdeel 3Artikel IV, onderdeel B (artikel 32bc van de Wet op de loonbelasting 1964)In het wetsvoorstel is opgenomen dat inhoudingsplichtigen uiterlijk bijde aangifte over het tweede loontijdvak van het volgende kalenderjaar depseudo-eindheffing fossiele auto’s dienen aan te geven en te voldoen.Zoals in het algemeen deel van deze toelichting is aangegeven is het debedoeling om aan te sluiten bij het tweede aangiftetijdvak van in beginseleen maand of vier weken. Dat wordt met deze nota van wijziginggeregeld.Deze nota van wijziging regelt daarnaast dat er een delegatiebepalingwordt opgenomen in het aan het voorgestelde artikel 32bc Wet LB 1964toe te voegen zesde lid. Na inwerkingtreding van de delegatiebepalingzullen op grond daarvan via een ministeriële regeling regels wordengesteld voor de beoordeling of voor de toepassing van de voorgesteldepseudo-eindheffing fossiele auto’s sprake is van woon-werkverkeer.Onderdeel 4Artikel XVII, onderdeel Aa (artikel 28 van de Wet op de motorrijtuigenbe-lasting 1994)Het voorgestelde artikel 28 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting1994 (Wet MRB 1994) bepaalt dat de mrb nihil bedraagt voor motorrij-tuigen van de categorie N2 met een toegestane maximum massa dieverlaagd is naar 3.500 kilogram of minder. Hiermee wordt bewerkstelligddat houders van deze motorrijtuigen alleen vrachtwagenheffing betalen,en geen mrb. Van belang is dat het alleen een afwijking betreft op hettarief voor deze groep motorrijtuigen. Andere bepalingen van de Wet MRB1994 blijven onverminderd van kracht. Op grond van artikel 83 Wet MRB1994 geldt deze tariefwijziging alleen voor het tijdvak in de mrb dataanvangt nadat de mrb-tarieven voor vrachtwagens vanwege deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 2112 vrachtwagenheffing zijn verlaagd (de inwerkingtreding van artikel 30 vande Wet vrachtwagenheffing).Van belang is nog dat deze regeling niet geldt voor kampeerauto’s diebehoren tot de voertuigcategorie N2. Deze groep is namelijk vrijgesteldvan de vrachtwagenheffing en betalen daarom – net als andere kampeer-auto’s – gewoon mrb. Zij worden belast onder hoofdstuk IV, afdeling 2,Wet MRB 1994 (artikel 23a), terwijl deze regeling een uitzondering maaktop hoofdstuk IV, afdeling 3, Wet MRB 1994.Onderdeel 5Artikel XVIIA (artikel 28 van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994)Artikel XVIIA regelt dat de tijdelijke regeling, dat de mrb nihil bedraagtvoor motorrijtuigen van de categorie N2 met een toegestane maximummassa die verlaagd is naar 3.500 kilogram of minder, vervalt per 1 januari2027. Met ingang van die datum wordt voorzien in de structureleaanpassing van de voertuigclassificaties voor de toepassing van de mrb.Die maatregel wordt opgenomen in het wetsvoorstel Fiscale verzamelwet2027. Vanaf 1 januari 2027 wordt voor de toepassing van de mrb – net alsvoor de vrachtwagenheffing – aangesloten bij de EU-voertuigcategorieën,waardoor een gelijktijdige heffing van mrb en vrachtwagenheffingstructureel wordt uitgesloten.Onderdeel 6Artikel XIX (artikel 17 van de Wet belastingen op milieugrondslag)In het wetsvoorstel is de verhoging van het heffingsplafond in debelasting op leidingwater van 300 naar kubieke meter naar 50.000 kubiekemeter in artikel 14, eerste lid, van de Wet belastingen op milieugrondslag(Wbm) met ingang van 1 januari 2026 abusievelijk niet ook doorgevoerdin artikel 17, derde lid, Wbm. Laatstgenoemd artikellid zorgt ervoor datnaar evenredigheid rekening wordt gehouden met het heffingsplafond bijverbruikers die voorschotnota’s ontvangen en het heffingsplafond in eenverbruiksperiode overschrijden. In de aanpassing van de hoogte van hetheffingsplafond in artikel 17, derde lid, Wbm wordt in deze nota vanwijziging alsnog voorzien.Onderdeel 7Artikel XXI (artikel 18a van de Wet belastingen op milieugrondslag).In het wetsvoorstel is abusievelijk niet voorzien in het laten vervallenvan artikel 18a Wbm met ingang van 1 januari 2027. Als de overeenkomsttot levering van leidingwater in de loop van een kalenderjaar wordtbeëindigd en er geen sprake is van voorschotten, dan wordt de belastingop leidingwater herrekend ingevolge artikel 18a Wbm. De verbruikspe-riode is daarbij de periode van levering. De herrekening is relevantvanwege het heffingsplafond. Het plafond moet naar evenredigheidworden verlaagd over de verbruiksperiode die korter is dan een kalen-derjaar, omdat het plafond van 300 kubieke meter, onderscheidenlijk50.000 kubieke meter, geldt per verbruiksperiode van twaalf maanden(artikel 14, eerste lid, eerste zin, Wbm). Indien het heffingsplafond metingang van 1 januari 2027 wordt afgeschaft, wordt artikel 18a Wbmoverbodig. Daarom voorziet deze nota van wijziging alsnog in het latenvervallen van genoemd artikel per genoemde datum.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 2113 Onderdeel 8Artikel XXXVA (artikelen 1, 3, 5 en 8 van de Wet vrachtwagenheffing)Er wordt voorgesteld enkele technische verbeteringen door te voeren inde begripsbepalingen van de Wet vrachtwagenheffing.In artikel XXXVA, onderdeel A, wordt voorgesteld om in artikel 1 van deWet vrachtwagenheffing de begripsbepaling «toegestane maximum-massa» te laten vervallen en in plaats daarvan de begripsbepalingen«maximummassa» en «maximummassa van de combinatie» in dat artikelop te nemen.De reden hiervoor is dat de begripsbepaling van toegestane maximum-massa, zoals is opgenomen in de nota van wijziging van het bij koninklijkeboodschap van 3 oktober 2024 ingediende voorstel van wet tot wijzigingvan de Wet vrachtwagenheffing in verband met de implementatie van deherziene Europese tolheffingsregels (Kamerstukken 36 626)7, leidt totproblemen bij de vrijstelling van emissievrije vrachtwagens met eentoegestane maximummassa van 4.250 kilogram of minder. Ingevolge hetmet dat wetsvoorstel te wijzigen artikel 3, eerste lid, onderdeel d, van deWet vrachtwagenheffing worden emissievrije vrachtwagens vrijgestelddie een toegestane maximummassa hebben van 4.250 kilogram ofminder. In de betreffende begripsbepaling van toegestane maximum-massa is echter ook de technisch toelaatbare maximummassa vanaanhangwagens of opleggers besloten. Dat is in het kader van dezevrijstelling nadrukkelijk niet de bedoeling. Het gaat bij deze vrijstellinguitsluitend om de technisch toelaatbare maximummassa van de vracht-wagen zelf. Dat wordt nu aangepast.Daarnaast is gebleken dat de begripsbepaling van toegestanemaximummassa, zoals deze wordt gewijzigd met het hiervoor genoemdewetsvoorstel, in de praktijk tot onduidelijkheid leidt. Deze begripsbepalingkomt namelijk niet overeen met de toegestane maximummassa van hetvoertuig zoals deze op het kentekenbewijs vermeld staat, maar met detechnisch toelaatbare maximummassa, die eveneens op het kenteken-bewijs vermeld staat. Om de onduidelijkheid weg te nemen, worden debegripsbepalingen aangepast. Het nieuwe begrip maximummassa komtte luiden: «de technisch toelaatbare maximummassa van een vracht-wagen in beladen toestand». Het gaat hierbij om de technisch toelaatbaremaximummassa van de vrachtwagen zelf en niet om de technischtoelaatbare maximummassa van eventuele opleggers of aanhangers diede vrachtwagen kan en mag trekken. Op het kentekenbewijs is debedoelde maximummassa te vinden onder code F1. Deze maximum-massa bepaalt, in samenhang met het begrip «vrachtwagen», of eenvoertuig onder de vrachtwagenheffing valt.Het nieuwe begrip «maximummassa van de combinatie» is grotendeelsgelijkluidend aan het huidige begrip «toegestane maximummassa». Het iseen van de parameters om het juiste tarief te kunnen bepalen. Voor eenvrachtwagen die niet mag worden uitgerust met een of meer aanhangersof opleggers, is alleen de maximummassa van deze vrachtwagenbepalend voor het tarief (de eerste twee woorden uit de begripsom-schrijving van «maximummassa van de combinatie»). Voor vrachtwagensdie wel een of meer aanhangers of opleggers mogen meevoeren, wordtmeegeteld de maximummassa van de aanhangers of opleggers die devrachtwagen maximaal mag trekken. Doorslaggevend is de maximaletrekkracht die de vrachtwagencombinatie aankan binnen de technische enwettelijke grenzen, waarbij rekening wordt gehouden met de constructie-eigenschappen van zowel het trekkend voertuig als de aanhangwagen ofoplegger. Het gaat er dus niet om of de vrachtwagen in de praktijk eenaanhangwagen of oplegger trekt en hoeveel gewicht aan lading er7Kamerstukken II 2024/25, 36 626, nr. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 2114 vervoerd wordt. Het gaat om wat de vrachtwagen theoretisch kan en magtrekken. Hiervoor is gekozen om te voorkomen dat een chauffeur bij elkerit het gewicht van de vrachtwagen of de combinatie inclusief de lading inde boordapparatuur moet aanpassen.Verder wordt voorgesteld een redactionele verschrijving te herstellen inde begripsbepaling van Verordening (EU) 2018/858.Het begrip «toegestane maximummassa» wordt op diverse plekken inde Wet vrachtwagenheffing genoemd. Met artikel XXXVA, onderdelen B,C en D, wordt geregeld dat in de artikelen 3, 5 en 8 van de Wet vrachtwa-genheffing voortaan de correcte begrippen worden gehanteerd.Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat de hier voorgesteldeaanpassing van de begripsbepalingen niet leidt tot een inhoudelijkewijziging in de uitvoering van de vrachtwagenheffing.Onderdeel 9Artikel XXXVIII (artikel LXV van het Belastingplan 2025)In artikel LXV, derde lid, van het Belastingplan 2025 is geregeld dat hetbijzondere tarief voor de rijdende winkel in de Wet MRB 1994 vervalt bijde inwerkingtreding van artikel 2 van de Wet vrachtwagenheffing.Daarmee vervalt het bijzondere tarief zodra de vrachtwagenheffing vankracht wordt. Deze nota van wijziging brengt een technische verbeteringaan door de beëindiging van het bijzondere tarief te koppelen aan artikel30 van de Wet vrachtwagenheffing (de inwerkingtreding van de verlaagdemrb-tarieven voor vrachtwagens). Door de beëindiging van het bijzonderetarief voor de rijdende winkel te koppelen aan de inwerkingtreding vangenoemd artikel 30, wordt verzekerd dat dit tarief vervalt op het momentdat de verlaagde mrb-tarieven van toepassing worden. Dit is van belang,omdat vanaf dat moment het bijzondere tarief voor rijdende winkelshóger zou zijn dan het reguliere tarief. Het bijzondere tarief heeft dan geenfunctie meer.Onderdeel 10Artikel LEr wordt voorgesteld om in artikel L, tweede lid, te regelen dat artikelXVII, onderdeel Aa, en daarmee het voorgestelde artikel 28 Wet MRB1994, in werking treedt op het tijdstip waarop artikel 30 van de Wetvrachtwagenheffing in werking treedt. De tijdelijke regeling – hetnihiltarief – treedt daardoor in werking op het moment dat demrb-tarieven voor vrachtwagens vanwege de vrachtwagenheffing zijnverlaagd.Gelijktijdig wordt voorgesteld om een technische verbetering door tevoeren met betrekking tot het vervallen van het kwarttarief voor vracht-wagens. Er wordt voorgesteld om deze te koppelen aan de inwerking-treding van artikel 30 van de Wet vrachtwagenheffing (inwerkingtredingvan de verlaagde mrb-tarieven voor vrachtwagens). Door de aanpassingvan het kwarttarief te koppelen aan artikel 30 van de Wet vrachtwagen-heffing wordt verzekerd dat dit gelijktijdig plaatsvindt met de invoeringvan de verlaagde mrb-tarieven. Dit is van belang, omdat vanaf datmoment voor vrachtwagens reeds het Europese minimumtarief geldt endus geen aanvullende korting kan worden toegepast.Verder wordt voorgesteld om in een nieuw derde lid te regelen dat deinwerkingtreding van de in artikel XXXVA voorgestelde wijzigingen van deWet vrachtwagenheffing plaatsvindt op een bij koninklijk besluit tebepalen tijdstip. Dit wordt voorgesteld omdat de Wet vrachtwagenheffingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 2115 nog niet integraal in werking is getreden en op dit moment nog nietvaststaat wanneer de met deze nota van wijziging te wijzigen bepalingenvan die wet in werking zullen treden.De Staatssecretaris van Financiën,HeijnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 812, nr. 2116
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.