Nota naar aanleiding van het verslag
Brontekst
Versie 82afae0b70b87838 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 774Voorstel van wet van het lid Bushoff totwijziging van de Mededingingswet in verbandmet de uitbreiding van het concentratietoezicht(Wet inroepbevoegdheid ACM)Nr. 8 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAGOntvangen 25 juni 2026 I. ALGEMEEN DEEL De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel van het lid Bushoff tot wijziging van de Mededin-gingswet in verband met de uitbreiding van het concentratietoezicht (Wetinroepbevoegdheid ACM) (het wetsvoorstel).De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel.De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.De leden van de CDA-fractie willen allereerst hun waardering uitsprekenvoor het lid Bushoff en zijn ondersteuning voor het opstellen en indienenvan deze uitgebreide initiatiefwet. Zij zijn zich er terdege van bewust dathet opstellen van een dergelijk initiatiefwetsvoorstel veel tijd endenkkracht vergt. De memorie van toelichting biedt bovendien eeninteressant overzicht van het internationale mededingingsbeleid.De leden van de CDA-fractie staan in beginsel niet onwelwillendtegenover de doelstelling van het wetsvoorstel. Op basis van onderzoekvan de Autoriteit Consument en Markt (ACM) constateren zij dat inbepaalde markten sprake is van een afname van de concurrentie. Eengoed functionerende concurrentie draagt echter juist bij aan innovatie,economische weerbaarheid, betaalbare prijzen en keuzevrijheid voorconsumenten. Met betrekking tot de risico’s die kunnen ontstaan door eenreeks kleinere overnames, zogenoemd «kralenrijgen», of door deovername van innovatieve concurrenten die onder de huidige omzet-drempels blijven, herkennen deze leden de door de initiatiefnemergeschetste problematiek. Dat geldt in het bijzonder voor sectoren waarinde markt lokaal of regionaal is georganiseerd, zoals delen van dezorgsector. kst-36774-8ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 81 Tegelijkertijd constateren de leden van de CDA-fractie dat het wetsvoorsteleen ingrijpende uitbreiding van het instrumentarium van de ACM behelst.Deze leden achten het daarom van belang dat overtuigend wordtaangetoond dat een generieke inroepbevoegdheid noodzakelijk, proporti-oneel en uitvoerbaar is. Zij hebben in dat kader vragen over de gevolgenvoor de rechtszekerheid van ondernemingen, de administratieve lasten endoorlooptijden voor het bedrijfsleven, de uitvoerbaarheid voor de ACM ende afweging tussen een generieke bevoegdheid en meer sectorspecifiekealternatieven.Daarnaast zien de leden van de CDA-fractie dat het voorliggendewetsvoorstel veel open normen hanteert en veel beoordelingsruimte laatvoor de ACM. Daarin kan een spanning ontstaan tussen onafhankelijkeuitvoering en democratische legitimiteit. Ook daar zullen zij op ingaan.De initiatiefnemer dankt de leden van de diverse fracties voor hun vragenen opmerkingen over het voorliggend wetsvoorstel. Hij zal hierna trachtendaar antwoord op te geven of op te reageren.Tevens is de initiatiefnemer verheugd dat in het Coalitieakkoord2026–2030 van D66, VVD en CDA het voornemen is opgenomen dat omeen gezonde marktwerking te bevorderen de Autoriteit Consument enMarkt (ACM) als marktmeester een inroepbevoegdheid moet krijgen. Hijhoopt met het voorliggend wetsvoorstel invulling aan dat voornemen tekunnen geven.1. Inleiding De leden van de D66-fractie delen de analyse die ten grondslag ligt aanhet wetsvoorstel: ook concentraties die onder de huidige omzetdrempelsblijven, kunnen de mededinging en daarmee het belang van consumentenschaden, in het bijzonder via «kralenrijgen» en zogenoemde killeracquisities. Deze leden wijzen erop dat het versterken van het mededin-gingsinstrumentarium met een inroepbevoegdheid aansluit bij deafspraak in het coalitieakkoord om de ACM als marktmeester twee nieuweinstrumenten te geven – de call-inbevoegdheid en de New CompetitionTool – en bij voorstellen die de leden van de D66-fractie zelf hebbengedaan, onder meer bij de op 22 oktober 2024 door de Kamer aange-nomen motie die de regering verzocht een call-inbevoegdheid in deMededingingswet op te nemen.1 Deze leden steunen de hoofdlijn van hetvoorstel en hebben daarbij nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie waarderen de inzet die de initiatiefnemer opdit onderwerp toont. Deze leden delen de opmerking van de indiener in detoelichting dat het beter is om onevenredige marktconcentraties tevoorkomen dan dat dit achteraf wordt gecorrigeerd. Deze leden hebbennog enkele opmerkingen en vragen over het wetsvoorstel.De leden van de VVD-fractie lezen dat de initiatiefnemer de gezond-heidszorg aanhaalt als sector waarbij in zijn ogen onwenselijkeovernames plaatsvinden. Tegelijkertijd ontbreekt in de toelichting de notiedat investeringen in bijvoorbeeld de gezondheidszorg nodig zijn om deNederlandse consument te bedienen. Een overname kan additioneelkapitaal in een sector teweegbrengen. Deelt de initiatiefnemer dezeconstatering? Zo ja, waarom meent hij dat het voorgestelde wetsvoorstelproportioneel is ten aanzien van een mogelijke reductie in investeringenin de economie?1Kamerstuk 36 495, nr. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 82 De initiatiefnemer is het met de leden van de VVD-fractie eens datinvesteringen in de gezondheidszorg nodig zijn. Daarbij denkt deinitiatiefnemer overigens eerder aan investeringen vanuit de overheid danvanuit de particuliere sector. Echter ook vanuit die sector kunneninvesteringen in de zorg er zeker aan bijdragen dat de Nederlandse patiëntbeter bediend wordt. Dit wetsvoorstel kent dan ook niet als uitgangspuntdat investeringen, in dit geval door overnames of fusies, belemmerdzouden moeten worden. Een beperking van concentraties in de gezond-heidszorg kan echter wel noodzakelijk zijn in de specifieke omstandigheidals door een concentratie de vrije mededinging dermate bedreigd wordtdat er een situatie ontstaat waardoor de patiënt juist slechter bediend zalkunnen gaan worden. In het geval van dergelijke marktverstorendeconcentraties bestaat immers het gevaar dat het zorgaanbod verschraald.Of waar door een killer acquisition innovatie in die kiem wordt gesmoord.Bij investeringen waarbij geen overname of fusie aan de orde is, zoals inhet geval van het oprichten van een geheel nieuwe onderneming ofinvestering in een bestaande onderneming, is de inroepbevoegdheid nietvan toepassing.De leden van de CDA-fractie merken op dat de initiatiefnemer in detoelichting zelf erkent dat overnames en schaalvergroting positieveeffecten kunnen hebben, zoals efficiënter werken, kwaliteitsverbetering eninnovatie. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe in de voorgesteldeinroepbevoegdheid voldoende wordt gewaarborgd dat legitiemeschaalvergroting en bedrijfsgroei niet onnodig worden belemmerd. Deinitiatiefnemer verwijst terecht naar het Towercast-arrest en de mogelijk-heden die dit arrest biedt voor de ACM om niet-meldingsplichtigeovernames te toetsen aan het verbod op misbruik van een economischemachtspositie. De initiatiefnemer merkt daarbij op dat de bewijslast vooringrijpen hoog is. De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer tereflecteren op de vraag in hoeverre deze hoge bewijslast juist nietproportioneel is, gelet op de ingrijpende aard van overheidsoptreden bijovernames en concentraties. Deze leden merken daarbij op dat ingrijpenin een overname zorgvuldig en deugdelijk gemotiveerd dient te zijn. Dezeleden vragen hoe de initiatiefnemer aankijkt tegen de eerste Nederlandsepraktijkervaringen sinds het schrappen van artikel 24, tweede lid, van deMededingingswet.In antwoord op deze vraag van de leden van de CDA-fractie zou deinitiatiefnemer er op willen wijzen dat schaalvergroting en bedrijfsgroeienkel door dit wetsvoorstel wordt geraakt als daarbij sprake is van eenconcentratie en dan alleen nog indien door die concentratie de daadwer-kelijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan opsignificante wijze zou kunnen worden belemmerd. Intrinsieke groei vanondernemingen wordt door dit wetsvoorstel niet geraakt. Door effectieveconcentratiecontrole wordt marktmacht voorkomen; dat versterkt demarktdynamiek en is gunstig voor afnemers en toeleveranciers en draagtzo bij aan een gunstig ondernemings- en investeringsklimaat. Concentra-tietoezicht is er dan ook niet op gericht om fusies en overname dieeconomische voordelen zoals investeringen of schaalvergroting opleverentegen te houden, maar juist om die te onderscheiden van gevallen waareen mededingingsprobleem ontstaat. Daarbij zou de initiatiefnemer er opwillen wijzen dat veruit de meeste concentraties die onder de bestaandewet gemeld worden al in een vroeg stadium goedgekeurd worden.Ten aanzien van de bewijsstandaard zou de initiatiefnemer als volgt willenreageren: Volgens het bestaande systeem verbiedt de ACM een concen-tratie als de concentratie een significante belemmering van de daadwerke-lijke mededinging tot gevolg zal hebben. Deze bewijsstandaard ligt lagerdan voor het vaststellen van een overtreding van artikel 24 Mededin-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 83 gingswet, het verbod om gebruik te maken van economische marktmacht.Het huidige wetsvoorstel sluit aan bij de bewijsstandaard die al voor deconcentratie controle geldt.In het arrest Towercast (2023) heeft het Hof van Justitie van de EuropeseUnie bevestigd dat, in bepaalde omstandigheden, een overname eenmisbruik van economische machtspositie kan opleveren, dat wil zeggeneen overtreding van art. 102 VWEU. De bewijsstandaard van Towercast isdus hetzelfde als in andere zaken over misbruik van economischemachtspositie (art. 24 Mededingingswet). Dat is een punitief instrumentvoor een van de zwaarste overtredingen van het mededingingsrecht. Eenhogere bewijslast dan bij het concentratietoezicht is daarom gerecht-vaardigd, niet alleen vanwege mogelijke zwaarte van de sanctie – eenboete van maximaal 10% van de wereldomzet – maar ook omdat eenovertreding wordt vastgesteld op basis waarvan partijen die schadehebben geleden die in civiele procedures zullen proberen te claimen.De concentratiecontrole, waaronder een inroepbevoegdheid, is juist nietpunitief maar erop gericht een marktprobleem te voorkomen. Omdat eeneventueel verbod op een overname natuurlijk ingrijpend kan zijn voor debedrijven is ook hier gedegen bewijsvoering noodzakelijk, maar die lat kanminder hoog zijn dan bij mogelijk misbruik van economische machtspo-sitie.De ACM heeft, sinds de afschaffing van artikel 24 lid 2 Mw vorig jaar, nogniet op basis van artikel 24 Mw een concentratie beoordeeld. Wel heeft deACM een dergelijk onderzoek gestart op basis van art. 102 VWEU. Datonderzoek is echter nog niet afgerond.De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer het adviesvan de Afdeling advisering van de Raad van State pareert met de stellingdat het risico op mededingingsbeperkende concentraties zich niet beperkttot enkele specifieke sectoren, maar een breder structureel karakter heeft.Deze leden vragen de initiatiefnemer echter nader te onderbouwen opbasis van welke concrete Nederlandse praktijkvoorbeelden, marktanalysesof empirische gegevens hij concludeert dat een generieke inroepbe-voegdheid voor de gehele economie noodzakelijk en proportioneel is, inplaats van een meer sectorspecifieke benadering.De initiatiefnemer zou graag als volgt op de vraag van de leden van deCDA-fractie ingaan. Zijn keuze voor een generieke inroepbevoegdheid isingegeven door het uitgangspunt dat een sectorgewijze inroepbe-voegdheid niet effectief is vooral omdat niet op voorhand per sector is tevoorspellen of er sprake kan zijn van mededinging verstorende concen-traties. De ACM wijst er op dat in markten waar de (technologische en/ofeconomische) dynamiek hoog is, vooraf gedefinieerde sectoren snelachterhaald kunnen zijn. Het nadeel van een sectorgewijze inroepbe-voegdheid is bovendien dat vooraf de sectoren aangewezen moeten gaanworden omdat daar al langer sprake is van een ongewenste belemmeringvan de concurrentie. Wat een inroepbevoegdheid dan nog toevoegt blijftdan beperkt tot het er enkel nog voor zorgen dat nieuwe concentraties indie sector afgeremd worden. Het gaat in dat geval hooguit om hettegengaan van verdere verstoringen zonder dat de scheefgegroeideverhoudingen rechtgetrokken kunnen worden. Dit scenario is onwenselijk.Een generieke inroepbevoegdheid kan juist al ingezet worden voor het telaat is en er al sprake is van scheefgegroeide verhoudingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 84 2. Aanpassing van de Mededingingswet Verhouding tot de generieke omzetdrempelsDe leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer eenverhoging van de generieke omzetdrempels voor de reguliere meldings-plicht buiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel laat. Deze leden begrijpendie afbakening, maar wijzen erop dat beide onderwerpen inhoudelijknauw samenhangen. De ACM heeft in haar Wetgevingsbrief 2025 zelfbepleit de generieke omzetdrempel – die voor het laatst in 2003 isaangepast – te verhogen van € 30 miljoen naar € 50 miljoen, en weluitdrukkelijk in combinatie met een inroepbevoegdheid voor onderdrem-pelige overnames. Volgens de ACM daalt het aantal verplichte meldingendaardoor van gemiddeld circa 130 naar ongeveer 75 per jaar, waardoorcapaciteit vrijkomt om gericht de daadwerkelijk problematische concen-traties – waaronder kralenrijgen en killer acquisities – in te roepen en teonderzoeken. De ACM presenteert de drempelverhoging en de inroepbe-voegdheid daarmee als communicerende vaten; ook D66 heeft dezecombinatie eerder bepleit.De leden van de D66-fractie vragen de initiatiefnemer hoe hij eeneventuele verhoging van de generieke omzetdrempel naar € 50 miljoen,conform het advies van de ACM, beoordeelt. Ziet de initiatiefnemer dedrempelverhoging en de inroepbevoegdheid eveneens als complemen-taire, samenhangende maatregelen, en zo ja, wat betekent dit voor deweging van het voorliggende wetsvoorstel? Acht de initiatiefnemer eeninroepbevoegdheid zónder gelijktijdige verhoging van de generiekedrempel evenwichtig, mede gelet op de lasten voor het bedrijfsleven ende gerichtheid van het toezicht?De leden van de D66-fractie wijzen er voorts op dat de ACM blijkens detoelichting verwacht per saldo geen extra middelen nodig te hebben voorde uitvoering van de inroepbevoegdheid. Tegelijkertijd heeft de Ministervan Economische Zaken en Klimaat in het commissiedebat Marktordeningen consumentenbescherming van 2 oktober 2025 gemeld dat de ACMheeft aangegeven het inroepen van fusies binnen de bestaande capaciteitte kunnen opvangen, mits dit wordt gecombineerd met de verhoging vande algemene omzetdrempel. Het voorliggende wetsvoorstel voorzietechter niet in die verhoging. Deze leden vragen de initiatiefnemer hoe deaanname dat de ACM geen extra middelen nodig heeft, zich verhoudt totde voorwaarde die de ACM aan dat capaciteitsoordeel lijkt te hebbenverbonden. Hoe waarschijnlijk acht de initiatiefnemer het dat de ACM deinroepbevoegdheid binnen de bestaande capaciteit kan uitvoerenwanneer het aantal verplichte reguliere meldingen niet gelijktijdig wordtteruggebracht, en is hij bereid het oordeel van de ACM op dit puntexpliciet te maken?De initiatiefnemer acht het creëren van een inroepbevoegdheid zondergelijktijdige verhoging van de generieke drempel mogelijk. Het door deACM ingeschatte lage aantal in te roepen concentraties en de relatief lagebijkomende kosten voor extra personeel bij de ACM maakt dat naar demening van de initiatiefnemer een inroepbevoegdheid een op zich zelfstaand extra instrument kan zijn. Dat door het invoeren van de inroepbe-voegdheid de ACM niet binnen de bestaande capaciteit kan uitvoeren isvoor de initiatiefgever een gegeven. Echter meent hij dat een extrainvestering voor de 500 uur per jaar aan capaciteit die de naarverwachting nodig zal zijn voor het behandelen van informele meldingenen het behandelen van ingeroepen zaken verantwoord is. De initiatief-nemer is van mening dat die benodigde 500 uur door middel van eenverhoging van het budget van de ACM gefinancierd kan gaan worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 85 Tot slot vragen de leden van de D66-fractie aandacht voor de wijze waaropde omzetdrempels in de toekomst worden geactualiseerd. Deze ledenconstateren dat de generieke omzetdrempel sinds 2003 niet is aangepast,mede doordat een aanpassing telkens een wetswijziging vergt. Zij vragende initiatiefnemer of hij mogelijkheden ziet om de omzetdrempels (zowelde generieke drempel als de in dit voorstel gehanteerde drempel) eenmeer dynamisch karakter te geven, bijvoorbeeld door te voorzien in eengrondslag voor periodieke of automatische indexatie, dan wel vooraanpassing bij algemene maatregel van bestuur, zodat de drempelskunnen meebewegen met bijvoorbeeld de inflatie zonder dat daarvoortelkens een wetswijziging nodig is. Hoe weegt de initiatiefnemer eendergelijke systematiek, mede gelet op enerzijds de rechtszekerheid envoorspelbaarheid voor ondernemingen en anderzijds de wens om dedrempels actueel en effectief te houden?De initiatiefnemer staat neutraal ten opzichte van een grondslag waarmeede genoemde omzetdrempels een meer dynamisch karakter zoudenkrijgen bijvoorbeeld om inflatiecorrectie te kunnen toepassen. Aangezienhet echter ook over de omzetdrempels gaat die het algemeen concentra-tietoezicht betreffen en niet alleen de inroepbevoegdheid acht deinitiatiefnemer het niet binnen het onderhavige wetsvoorstel passend omdeze grondslag enkel voor de inroepbevoegdheid aan te passen. Deinitiatiefnemer wijst op de wenselijkheid van eenduidig beleid en datvoorliggend wetsvoorstel aansluit bij de bestaande Mededingingswet.Indien de wens er is om omzetdrempels een meer dynamisch karakter tegeven, zou dat logisch zijn om algeheel van toepassing te laten zijn inplaats van op enkel dit instrument.Asymmetrische omzetdrempel en reikwijdteDe leden van de D66-fractie constateren dat de initiatiefnemer het voorstelnaar aanleiding van de internetconsultatie heeft aangepast, zodat tenminste één van de betrokken ondernemingen een omzet in Nederland vanten minste € 30 miljoen moet behalen voordat de inroepbevoegdheid kanworden toegepast. Deze leden begrijpen dat hiermee wordt voorkomendat zeer kleine transacties onder de bevoegdheid vallen, en dat ditrechtszekerheid voor het midden- en kleinbedrijf (mkb) biedt. Tegelijkertijdvragen deze leden aandacht voor het type concentraties dat juist deaanleiding voor dit voorstel vormt. Bij kralenrijgen bouwt een partijregionale of lokale marktmacht op via een reeks op zichzelf kleineovernames, waarbij ook de verwervende partij – bijvoorbeeld eenopkomende keten of een investeringsvehikel – aanvankelijk een beperkteomzet kan hebben. Deze leden vragen de initiatiefnemer in hoeverre deasymmetrische drempel van € 30 miljoen voldoende ruimte laat om dezekralenrijgstrategieën te kunnen inroepen. Bestaat het risico dat problema-tische roll-ups in lokale of nichemarkten, waarbij in een vroege fase geenvan de betrokken partijen de € 30 miljoen haalt, alsnog buiten bereik vande bevoegdheid blijven?De initiatiefnemer had om de redenen die de leden van de D66-fractienoemen in het voorstel zoals dat ter internetconsultatie is aangebodengeen omzetdrempels voor de inroepbevoegdheid opgenomen. Namelijkom te voorkomen dat er in lokale of nichemarkten problematische roll-upszouden komen waar met een drempel geen greep op mogelijk zou zijn.Echter vanwege de in de consultatieronde veelvuldig genoemde bezwarentegen het ontbreken van enige drempel en de daarmee gepaarderechtsonzekerheid is er toch voor gekozen om wel een omzetdrempel opte nemen. Zoals de leden van de D66-fractie ook noemen wordt met eenomzetdrempel voorkomen dat zeer kleine transacties onder de inroepbe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 86 voegdheid komen te vallen en biedt het rechtszekerheid voor het midden-en kleinbedrijf (mkb).RechtszekerheidDe leden van de D66-fractie hechten aan voorspelbaar en proportioneeltoezicht. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft kantteke-ningen geplaatst bij de breedte van de bevoegdheid en bij de rechtsze-kerheid voor ondernemingen. Deze leden vragen de initiatiefnemer nadertoe te lichten hoe de voorspelbaarheid voor ondernemers wordt geborgd,onder meer via het detectieproces van de ACM en de gehanteerdetermijnen.In antwoord op deze vraag van de leden van de D66-fractie over derechtszekerheid voor ondernemingen zou de initiatiefnemer graag alsvolgt ingaan. Deze rechtszekerheid wordt op verschillende manierengewaarborgd. Om te beginnen verwijst de initiatiefnemer naar dehierboven al genoemde in de wet opgenomen omzetdrempel. Die brengteen voor bedrijven heldere afbakening van de inroepbevoegdheid metzich mee. Deze drempel is als zodanig al in de Mededingingswetopgenomen en heeft bewezen een in de praktijk goed hanteerbaremaatstaf voor het concentratietoezicht te zijn. Daarbij komt dat de grondwaarop de ACM een concentratie kan inroepen, namelijk het criterium ofeen concentratie de mededinging «op significante wijze zou kunnenbelemmeren», eveneens al lang in de Mededingingswet is opgenomen enzich bewezen heeft als een werkbaar criterium. Daarnaast zal de ACM omde rechtszekerheid verder te bevorderen in een leidraad verduidelijkenwelke factoren van invloed kunnen zijn op het inroepen van concentraties.Bovendien krijgen ondernemingen die snel duidelijkheid willen hebbenover een voorgenomen concentratie de mogelijkheid om dat oplaagdrempelige informele wijze aan de ACM voor te leggen. Tenslotte:mocht de ACM een concentratie willen inroepen dan is die mogelijkheid inde tijd beperkt tot zeven maanden na de totstandbrenging van eenconcentratie.De leden van de VVD-fractie lezen dat met het wetsvoorstel wordtvoorgesteld om in de Mededingingswet een bepaling op te nemen dat deACM als uitzondering op de geldende omzetdrempels in de huidige wet,de bevoegdheid krijgt om melding van een concentratie te eisen waarvande ACM reden heeft om aan te nemen dat die concentratie de daadwerke-lijke mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan opsignificante wijze zou kunnen belemmeren. Die bevoegdheid kan wordeningeroepen als daarnaast één van de bij de concentratie betrokkenondernemingen voldoet aan de omzetdrempel van € 30 miljoen inNederland. Deze leden lezen daarnaast dat de ACM zou hebben aange-geven dat indien de inroepbevoegdheid in de Mededingingswet wordtopgenomen, zij op dit punt guidance zal geven door via een leidraadvooraf duidelijk te maken waar zij op let bij het mogelijk inroepen vanconcentraties. Deze leden vragen de indiener toe te lichten of de Kamernog een rol speelt in deze guidance en zo nee, waarom niet.De ACM is een onafhankelijke toezichthouder die bij het uitoefenen vanhet concentratietoezicht gebonden is aan met name de Mededingingswet.Om richting te geven aan hoe de ACM dat toezicht invult wordenbeleidsregels, richtlijnen en leidraden opgesteld. Daarbij heeft de Kamergeen directe rol. De bestaande beleidsregels en overige documenten diede ACM voor het toezicht op concurrentie en marktwerking zijn niet inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 87 formele wet- of onderliggende regelgeving vastgelegd.2 De initiatiefnemerheeft begrepen dat de ACM in de genoemde guidance gaat verduidelijkenwelke factoren van invloed kunnen zijn op het inroepen van concentraties.Dat zullen factoren zijn die reeds in de praktijk van de ACM en deEuropese Commissie worden gebruikt om concentraties te toetsen,waaronder, marktaandelen van de overnemende partij, de concentratievan de markt, eerdere overnames of signalen van consumenten,ondernemingen of andere belanghebbenden.2.1 Enkele oplossingsrichtingen De leden van de CDA-fractie constateren dat de initiatiefnemer verschil-lende alternatieven bespreekt, waaronder lagere omzetdrempels,sectorspecifieke drempels en marktaandeeldrempels. Deze ledenbegrijpen de door de initiatiefnemer genoemde bezwaren tegen dezealternatieven, maar missen een nadere onderbouwing waarom devoorgestelde asymmetrische omzetdrempel uiteindelijk de meestproportionele en effectieve oplossing vormt. Kan de initiatiefnemertoelichten waarom is gekozen voor een omzetdrempel van € 30 miljoenbij slechts één van de betrokken ondernemingen? Welke alternatievedrempels zijn overwogen en op basis van welke criteria is deze keuzegemaakt?De initiatiefnemer heeft geen alternatieve drempel overwogen omdat hijvan mening is dat het voor ondernemingen en de praktijk van het toezichthet meeste houvast geeft om aan te sluiten bij de bekende omzetdrempelvan € 30 miljoen en het daaraan verbonden criterium of een concentratieboven die drempel de mededinging op significante wijze zou kunnenbelemmeren. Daarnaast, zo heeft de initiatiefnemer op een eerdere vraagvan de leden van de D66-fractie geantwoord, zou zonder enige drempel derechtsonzekerheid voor ondernemingen vergroot worden. Een (veel)hogere omzetdrempel zou behalve dat die zou afwijken van wat in hetbekende concentratietoezicht gebruikelijk is, ook het toepassen van deinroepbevoegdheid belemmeren en daarmee het risico op ongewensteconcurrentieverhoudingen vergroten.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast of de initiatiefnemer, geletop de mogelijke gevolgen van de voorgestelde inroepbevoegdheid voorondernemingen, investeringen en overnametrajecten, heeft overwogen debevoegdheid in eerste instantie slechts van toepassing te laten zijn op éénof enkele specifieke sectoren waarin de geschetste problematiek zich hetmeest nadrukkelijk voordoet. De leden van de CDA-fractie vragen of deinitiatiefnemer kan toelichten waarom niet is gekozen voor een meergefaseerde of sectorspecifieke invoering, zodat eerst ervaring kan wordenopgedaan met de praktische uitvoering, de effecten op de markt en degevolgen voor de rechtszekerheid van ondernemingen. De leden vanCDA-fractie vragen de initiatiefnemer uiteen te zetten waarom hetvoorgestelde model volgens hem beter scoort op rechtszekerheid,uitvoerbaarheid, administratieve lasten en effectiviteit dan de besprokenalternatieven. Kan de initiatiefnemer deze vergelijking schematischweergeven, bijvoorbeeld in tabelvorm, waarbij het voorgestelde modelwordt afgezet tegen alternatieven zoals lagere omzetdrempels, anderetransactiewaarde drempels, sectorspecifieke drempels, marktaan-deeldrempels en invoering voor specifieke sectoren in plaats vangeneriek?2https://www.acm.nl/nl/concurrentie-en-marktwerking/overzicht-van-wetten-en-regels-over-concurrentie-en-marktwerkingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 88 De initiatiefnemer heeft alternatieven voor een generieke inroepbe-voegdheid met een asymmetrische drempel overwogen maar zag bij elkvan die alternatieven onoverkomelijke bezwaren. Hij zou de leden van deCDA-fractie kortheidshalve willen verwijzen naar de memorie vantoelichting waarin hij enkele alternatieve oplossingsrichtingen aan de ordestelt (paragraaf 4.1). De keuze voor het in het wetsvoorstel opgenomenmodel is overigens mede ingegeven door het feit dat in een groeiendaantal EU-lidstaten een gelijkaardige generieke inroepbevoegdheid in hunmededingingswetgeving is of wordt opgenomen.Daarnaast merken deze leden op dat de ACM eerder heeft voorgesteld dehuidige omzetdrempel van € 30 miljoen te verhogen naar € 50 miljoen,juist om de toezichtcapaciteit gerichter in te kunnen zetten op concen-traties waarbij de grootste risico’s voor de mededinging bestaan3. Hoeverhoudt de keuze van de initiatiefnemer om dezelfde omzetdrempel van€ 30 miljoen als aanknopingspunt voor de inroepbevoegdheid te hanterenzich tot deze eerdere aanbeveling van de ACM? Heeft de initiatiefnemeroverwogen aan te sluiten bij een hogere omzetdrempel en zo ja, waaromis daarvan afgezien?Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie hoe de voorgesteldeomzetdrempel zich verhoudt tot eventuele toekomstige wijzigingen van dereguliere omzetdrempels in het concentratietoezicht. Indien de generiekeomzetdrempels worden verhoogd, stijgt de drempel voor de inroepbe-voegdheid dan automatisch mee? Is sprake van een dynamischekoppeling of van een zelfstandig in de wet vastgelegde drempel?De initiatiefnemer heeft niet gekozen voor een verhoging van de omzet-drempel van € 30 miljoen naar € 50 miljoen omdat naar zijn meningdaarmee een te hoge drempel voor het inroepen van concentraties zouworden gecreëerd. De relatief beperkte extra capaciteit die voor deinroepbevoegdheid nodig zal zijn, kan wat betreft de initiatiefnemergefinancierd worden door het verhogen van het budget voor de ACM. Welis de initiatiefnemer van mening dat als de algemeen geldende omzet-drempel van € 30 miljoen naar € 50 miljoen verhoogd zou worden, datvanwege de eenduidigheid binnen het concentratietoezicht en derechtszekerheid voor ondernemingen dan ook de in dit wetsvoorstelvoorziene drempel verhoogd zou kunnen worden. Een directe wettelijkekoppeling tussen beide drempels kent het wetsvoorstel echter niet.2.2 Voorstellen op hoofdlijnen Open norm en rechtszekerheidDe leden van de CDA-fractie lezen dat het uitgangspunt voor toepassingvan de nieuwe bevoegdheid is dat sprake moet zijn van het risico dat dooreen concentratie de mededinging op de Nederlandse markt, of een deeldaarvan, op significante wijze zou kunnen worden belemmerd. Deinitiatiefnemer merkt daarbij zelf op dat het niet mogelijk is om voorafvolledig duidelijk te maken wanneer van een dergelijk risico sprake zalzijn. Deze leden constateren dat hier sprake is van een open norm die deACM aanzienlijke beoordelingsruimte laat. De leden van de CDA-fractiebegrijpen dat de ACM voornemens is hierover guidance te geven via eenleidraad en achten dat op zichzelf verstandig. Zij vragen de initiatiefnemerechter in hoeverre een dergelijke leidraad voldoende waarborgen biedtvoor rechtszekerheid. Hoe beoordeelt de initiatiefnemer het risico datondernemingen hierdoor terughoudender/risicomijdender worden metinvesteringen, bedrijfsgroei of reguliere overnames? Heeft de initiatief-3ACM, 17 maart 2025, ACM/25/193908 ACM Wetgevingsbrief 2025.(https://www.acm.nl/system/files/documents/2025-acm-wetgevingsbrief.pdf)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 89 nemer de mogelijke omvang van deze effecten op het vestigingsklimaaten de algemene marktdynamiek onderzocht en inzichtelijk gemaakt en watis zijn weging hiervan?De initiatiefnemer meent, in antwoord op deze vraag van de leden van deCDA-fractie en onder verwijzing naar het antwoord op een eerdere vraagvan de leden van de VVD-fractie, niet dat ondernemingen terughoudenderzullen worden om investeringen te doen. De inroepbevoegdheid is nietvan toepassing op intrinsieke groei van een onderneming. Bij grotereovernames gelden de reeds in de wet opgenomen twee omzetdrempels.Daar waar ondernemingen naar eigen inzicht, eventueel daarbij geholpendoor de guidance van de ACM of de informele toets, van een concentratieafzien, is dat een beoogd effect van dit wetsvoorstel. Dat geldt ook voorde gevallen de ACM na het gebruik maken van de inroepbevoegdheid eenconcentratie blokkeert. In beide gevallen draagt het niet doorgaan van eenconcentratie bij aan het voorkomen van voor consumenten of concurre-rende ondernemingen onwenselijke marktverstoring. De initiatiefnemeracht het derhalve niet nodig om vooraf de effecten op het vestigings-klimaat en de algemene marktdynamiek te onderzoeken. Een invoerings-toets een jaar na de inwerkingtreding van de inroepbevoegdheid en eenwetsevaluatie na vijf jaar kan meer inzicht hierin verschaffen. Op deevaluatie wordt verderop in deze nota teruggekomen.De leden van de CDA-fractie merken op dat begrippen als «kralenrijgen»en «killer acquisities» een belangrijke rol spelen in de onderbouwing vanhet wetsvoorstel, maar geen juridische begrippen zijn die in de wetworden gedefinieerd. Hoe wordt voorkomen dat hierover in de praktijkonduidelijkheid ontstaat? Is de initiatiefnemer van mening dat de ACMdeze begrippen in haar leidraad nader dient af te bakenen aan de handvan concrete en objectief toetsbare criteria, zodat voor ondernemingenvooraf beter voorspelbaar is wanneer een concentratie mogelijk onder dereikwijdte van de inroepbevoegdheid valt?De reden waarom een concentratie door de ACM kan worden ingeroepenis als een concentratie de daadwerkelijke mededinging op de Nederlandsemarkt of een deel daarvan op significante wijze zou kunnen belemmeren.Dat geldt voor het bestaand concentratietoezicht als ook voor deuitbreiding daarvan met de inroepbevoegdheid. Dat kunnen overnameszijn met de intentie van «kralenrijgen» of een «killer acquisition» zijn.Dergelijke overnames kunnen zich ook voordoen in het geval het eenconcentratie betreft die boven de twee in de Mededingingswet genoemdeomzetdrempels uitkomen. Dat neemt niet weg dat het juist de relatiefkleine concentraties zijn, die onder de radar van het mededingingstoezichtdreigen te blijven. In de guidance zal de ACM verduidelijken welkefactoren van invloed kunnen zijn op het inroepen van deze concentraties.Dat zullen factoren zijn die reeds in de praktijk van de ACM en deEuropese Commissie worden gebruikt om concentraties te toetsen,waaronder, marktaandelen van de overnemende partij, de concentratievan de markt, eerdere overnames of signalen van consumenten,ondernemingen of andere belanghebbenden. Daarbij kunnen begrippenzoals «killer acquisition» of «kralenrijgen» nader ingevuld worden.Informele zienswijzeDe leden van de CDA-fractie achten het positief dat ondernemingenvooraf een informele zienswijze van de ACM kunnen vragen om meerduidelijkheid te verkrijgen over de mogelijke toepassing van de inroepbe-voegdheid. Deze leden merken daarbij op dat snelheid, voorspelbaarheiden kwaliteit van dergelijke zienswijzen cruciaal zijn voor ondernemingendie zich in een overnametraject bevinden. De leden van de CDA-fractieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 810 vragen de initiatiefnemer in hoeverre hij verwacht dat ondernemingenjuist vanwege de open norm en de beoordelingsruimte van de ACM ingrotere aantallen gebruik zullen maken van deze mogelijkheid. Op welkegegevens of ervaringen is de verwachting gebaseerd dat dit aantalbeperkt zal blijven? Tevens vragen deze leden hoe wordt voorkomen datde ACM door een groot aantal verzoeken om informele zienswijzenoverbelast raakt. Hoe wordt voorkomen dat hierdoor de doorlooptijdenoplopen of dat de kwaliteit en daarmee de praktische waarde van dezezienswijzen onder druk komt te staan? Is bij de raming van de uitvoerings-kosten expliciet rekening gehouden met een substantiële toename vandergelijke verzoeken?Het primaire doel van de informele zienswijze is dat de ACM hiermeekennis verkrijgt van de overname. Omdat het inhoudelijke beoordelings-criterium voor het gebruik maken van de inroepbevoegdheid gelijk is aanhet reeds bestaande beoordelingscriterium voor het bestaande concentra-tietoezicht is het de verwachting dat het aantal informele zienswijzenbeperkt zal blijven. Ondernemingen en hun adviseurs kunnen immerseerst zelf een eigen inschatting (self assessment) maken net zoals zij datook nu al doen. Als gevolg van het wetsvoorstel zal in een beperkt aantalzaken die self assessment niet eerst alleen moeten gaan over de vraag ofde omzetdrempels gehaald zijn, maar meteen ook over de vraag of errisico’s voor de mededinging zijn. In gevallen waar duidelijke mededin-gingsrisico’s of grensgevallen worden verwacht ligt het voor de hand deACM om een zienswijze te vragen.Mocht de ACM besluiten om een concentratie binnen te roepen zal deACM hierover een besluit publiceren. Een dergelijke toelichting zalwaardevol zijn omdat dit inzichtelijk maakt hoe het beleid van de ACM inde praktijk werkt, wat weer behulpzaam is voor self assessments diedaarna worden uitgevoerd. Dat geldt met name in de eerste jaren nadatde inroepbevoegdheid is geïntroduceerd.3. Consultatie De leden van de VVD-fractie lezen dat een aantal organisaties tijdens deinternetconsultatie heeft aangedrongen op een verhoging van deomzetdrempels. Deze leden constateren dat de indiener ervoor heeftgekozen de inroepbevoegdheid mogelijk te willen maken als één bedrijfbij een overname, fusie of joint venture een omzet heeft die groter is dan€ 30 miljoen. Waarom heeft de indiener er niet voor gekozen om aan dekant van de partij die wordt overgenomen eveneens met een omzet-drempel te werken?De initiatiefnemer zou de leden van de VVD-fractie willen verwijzen naarhet bovenstaande antwoord op een gelijkaardige vraag van de leden vande CDA-fractie.De leden van de CDA-fractie staan positief tegenover de mogelijkheidvoor ondernemingen om een voorgenomen fusie of overname vrijwilligvia een eenvoudig (online) formulier aan de ACM voor te leggen. Dezeleden achten het van belang dat ondernemingen op een laagdrempeligewijze vooraf duidelijkheid kunnen verkrijgen. Deze leden vragen deinitiatiefnemer echter nader toe te lichten wat de juridische status enrechtsgevolgen zijn van een dergelijke informele zienswijze van de ACM.In hoeverre kunnen ondernemingen hier daadwerkelijk op vertrouwen?Bestaat het risico dat ondernemingen op basis van een informelebeoordeling menen voldoende zekerheid te hebben verkregen, terwijl deACM op een later moment alsnog besluit de concentratie in te roepen ofnader onderzoek te starten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 811 Alhoewel het om een informele beoordeling gaat heeft de initiatiefnemergeen reden om aan te nemen dat de ACM daar in een later stadium op zalterugkomen. Mocht de informele beoordeling daar aanleiding toe gevenzal de inroepprocedure in gang worden gezet. Zo niet, mag aangenomenworden dat de ACM geen aanleiding ziet om de concentratie nader teonderzoeken. Een voorwaarde daarvoor is uiteraard wel dat de betrokkenondernemingen een waarheidsgetrouw beeld geven over de voorge-nomen concentratie. Mocht dat achteraf niet het geval blijken te zijn, blijftde mogelijkheid bestaan dat de concentratie alsnog binnen de wettelijkeperiode ingeroepen gaat worden.De leden van de CDA-fractie lezen dat het voorliggende wetsvoorstel nietsverandert aan de bestaande rolverdeling tussen de Nederlandse Zorgau-toriteit (NZa) en de ACM. Deze leden vragen de initiatiefnemer nader toete lichten in hoeverre wordt voorkomen dat zorgaanbieders in de praktijkmet dubbel toezicht of dubbele toetsing worden geconfronteerd. Hoeverhouden de sectorspecifieke concentratietoets van de NZa en devoorgestelde inroepbevoegdheid van de ACM zich concreet tot elkaar?Bestaat het risico dat een concentratie eerst door de NZa wordt beoor-deeld en vervolgens alsnog door de ACM wordt ingeroepen? Tevensvragen deze leden hoe wordt voorkomen dat dit leidt tot extra administra-tieve lasten, langere doorlooptijden en meer onzekerheid voor betrokkenzorgaanbieders.De sectorspecifieke concentratietoets van de NZa ziet met name opzorgvuldigheid van het besluitvormingsproces om tot een concentratie tekomen, onder andere door de betrokken organisaties en stakeholdersdaarbij te betrekken en op de gevolgen voor de continuïteit van de zorg.Dat wil zeggen dat de NZa toestemming voor een concentratie kanweigeren in het geval er onzorgvuldig is omgegaan met de belangen vanhet personeel of patiënten of als de beschikbaarheid van bepaaldevormen van cruciale zorg in het geding is. Het toetsingskader van de ACMis een andere namelijk het toetsen of een concentratie leidt totongewenste beperking van de mededinging. Hoewel formeel beidetoetsen los van elkaar staan, is enige overlap niet te vermijden. Hetvoorliggend wetsvoorstel verandert daar echter niets aan. Naar deinitiatiefnemer heeft begrepen is er een wetsvoorstel in consultatiegebracht op grond waarvan de NZa meer ruimte krijgt om een concen-tratie op zorginhoudelijke gronden te toetsen. Mogelijk kan bij diegelegenheid ingegaan worden op de genoemde overlap.Wellicht ten overvloede zou de initiatiefnemer er voorts op willen wijzendat de specifiek voor de zorgsector geldende verlaagde omzetdrempelsmet betrekking tot het concentratietoezicht door de ACM drie jaar geledenzijn losgelaten. Sinds die tijd gelden ook voor de zorgsector de algemeengeldende omzetdrempels uit de Mededingingswet. Daardoor vallenaanzienlijk minder concentraties binnen de zorgsector onder het toezichtvan de ACM en zijn de administratieve lasten voor die ondernemingenverminderd.4. Financiële paragraaf De leden van de VVD-fractie lezen dat volgens de indiener de ACMverwacht dat het wetsvoorstel niet zal leiden tot extra benodigdemiddelen bij de toezichthouder. In de toelichting wordt daarbij verwezennaar de verwachting dat het aantal overnames, fusies of joint ventures datdaadwerkelijk «ingeroepen» zal worden, zeer beperkt zijn. Dat laatonverlet dat de ACM veel meer zaken moet behandelen om te kijken of ermogelijk sprake is van een overname, fusie of joint venture waarbij het deinroepbevoegdheid zou willen toepassen. De leden van de VVD-fractieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 812 vragen in dit licht om een toelichting op de stelling dat het wetsvoorstelniet tot extra benodigde middelen bij de ACM zal leiden.Zoals hierboven reeds in betoogd is het niet de verwachting dat er heelveel zaken ingeroepen zullen moeten worden. Aangezien het toetsingscri-terium om te beoordelen voor de inroepbevoegdheid gelijk is aan die voorhet bestaande concentratietoezicht zullen ondernemingen die eenconcentratie willen aangaan aan de hand van een self-assessment ofeventueel het vragen om een informele zienswijze kunnen inschatten ofeen concentratie toegestaan is. De guidance die de ACM daarbij gaatmaken zal hen daarbij behulpzaam zijn. Derhalve verwacht de initiatief-nemer dat de extra benodigde middelen voor de ACM ook beperkt kunnenblijven.De leden van de VVD-fractie lezen daarnaast dat de initiatiefnemer steltdat er «slechts geringe administratieve lasten» te verwachten zijn als ditwetsvoorstel wordt aangenomen. Deze leden vragen de indiener of hijbereid is het wetsvoorstel voor te leggen aan het Adviescollege ToetsingRegeldruk (ATR) en zo niet, waarom niet.Onder verwijzing naar het bovenstaande antwoord op vragen van deVVD-fractie verwacht de initiatiefnemer geen grote toename van deadministratieve lasten. Gevoegd bij het feit dat een jaar na inwerking-treding van de wet een invoeringstoets is voorzien, meent de initiatief-nemer dat het niet nodig is om het wetsvoorstel voor te leggen aan hetAdviescollege Toetsing Regeldruk.De leden van de CDA-fractie lezen dat de toezichtskosten voor de ACMvolgens de toelichting slechts beperkt zouden toenemen en dat wordtuitgegaan van ongeveer 500 uur extra capaciteit per jaar voor hetbehandelen van informele meldingen en zienswijzen. Deze leden vragenin hoeverre deze inschatting realistisch is, gelet op de potentieel bredereikwijdte van de voorgestelde inroepbevoegdheid en de mogelijketoestroom van verzoeken om informele zienswijzen van ondernemingendie vooraf zekerheid wensen te verkrijgen.De leden van de CDA-fractie vragen de initiatiefnemer om nader toe telichten welke aannames aan deze capaciteitsinschatting ten grondslagliggen. Is bij deze berekening rekening gehouden met het risico datgrotere aantallen ondernemingen uit voorzorg contact zullen opnemenmet de ACM?Tevens vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen dat deACM bij een grotere toestroom van verzoeken onvoldoende capaciteitheeft om tijdig en zorgvuldig op dergelijke verzoeken te reageren. Zijn ervolgens de initiatiefnemer voldoende waarborgen om te voorkomen datondernemingen gedurende langere tijd in onzekerheid verkeren over eenvoorgenomen concentratie?De initiatiefnemer zou de leden van de CDA-fractie graag verwijzen naarhet bovenstaande antwoord van dezelfde leden met betrekking tot deinformele zienswijze. En het antwoord op bovenstaande vragen van ledenvan de VVD-fractie.De leden van de CDA-fractie vragen daarnaast hoe de prioritering binnende ACM vorm zal krijgen bij zowel de behandeling van verzoeken om eeninformele zienswijze als het gebruik van de voorgestelde inroepbe-voegdheid. Wie bepaalt welke zaken voorrang krijgen en op basis vanwelke criteria wordt die afweging gemaakt?Daarnaast vragen de leden van de CDA-fractie hoe wordt voorkomen datde behandeling van informele zienswijzen gaat concurreren met de inzetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 813 van capaciteit voor formele onderzoeken en handhaving. Acht deinitiatiefnemer het risico aanwezig dat de ACM door prioriteringskeuzesminder capaciteit beschikbaar heeft voor andere mededingingsvraag-stukken?De ACM zal aan de hand van de aard en ernst van de te verwachtenverstoring van de belemmering van de mededinging prioriteren. Het isaan de toezichthouder zelf om dat in concrete gevallen nader in te vullen.Aangezien het niet de verwachting is dat het om grote aantallen informeleverzoeken zal gaan en de initiatiefnemer van mening is dat de capaciteitvan de ACM voor de inroepbevoegdheid zal moeten worden uitgebreid, ishet niet aannemelijk dat er sprake zal zijn van te weinig capaciteit voorandere mededingingsvraagstukken.5. Overig EvaluatieDe leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel geenevaluatiebepaling bevat los van de invoeringstoets na één jaar. Gelet opde ingrijpende aard van de voorgestelde bevoegdheid, de mogelijkegevolgen voor de rechtszekerheid van ondernemingen en de onzekerheidover de uitvoeringslasten voor zowel de ACM als het bedrijfsleven, achtendeze leden een evaluatie van groot belang. Deze leden vragen deinitiatiefnemer hoe hij de evaluatie van deze wet voor zich ziet. Acht deinitiatiefnemer het wenselijk om binnen een vooraf bepaalde termijn nainwerkingtreding de werking van de wet te evalueren? Zo ja, welke termijnacht hij daarvoor passend? Tevens vragen de leden van de CDA-fractie ofde initiatiefnemer bereid is een evaluatiebepaling in het wetsvoorstel opte nemen.Naar aanleiding van deze vraag van de leden van de CDA-fractie heeft deinitiatiefnemer gemeend dat het wenselijk is om vijf jaar na inwerking-treding van de wet de doeltreffendheid en effecten van de inroepbe-voegdheid in de praktijk te evalueren. Hij dient daartoe een nota vanwijziging in.II. ARTIKELSGEWIJS DEEL Artikel I, onderdeel AArtikel 49aDe leden van de PVV-fractie lezen dat de initiatiefnemer stelt datproblemen rondom concentratievorming zich niet alleen voordoen bijgrote overnames, maar ook in lokale markten en bij relatief kleineovernames. Deze leden zijn het ermee eens dat dergelijke overnames,zeker wanneer zij onderdeel zijn van een reeks opeenvolgendeovernames, kunnen leiden tot ongewenste marktmacht. Zij vragendaarom waarom er desondanks voor is gekozen om als voorwaarde voorde inroepbevoegdheid op te nemen dat ten minste één van de betrokkenondernemingen een omzet van € 30 miljoen in Nederland behaalt.Welke potentieel schadelijke concentraties blijven hierdoor alsnog buitenhet bereik van de ACM? Wordt met dit initiatiefvoorstel beoogd de ACMde bevoegdheid te geven om ook concentraties die onder de reguliereomzetdrempels van de Mededingingswet blijven, alsnog te onderzoekenen zo nodig tegen te houden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 814 De initiatiefnemer zou de leden van de PVV-fractie graag willen verwijzennaar zijn antwoord hierboven op gelijkaardige vragen van de leden van deD66-fractie.De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de regering eerder heeftaangekondigd de omzetdrempels voor het reguliere concentratietoezichtte willen verhogen naar € 50 miljoen. Deze leden vragen in hoeverre eendergelijke verhoging van invloed is op het voorliggende initiatiefwets-voorstel. Betekent een eventuele verhoging van de omzetdrempels datook de in dit wetsvoorstel opgenomen omzetdrempel van € 30 miljoenwordt aangepast naar € 50 miljoen, of staat deze drempel daar juridischlos van? Indien beide drempels los van elkaar staan, kan de initiatiefnemerdan toelichten waarom binnen de voorgestelde inroepbevoegdheid isgekozen voor een omzetdrempel van € 30 miljoen?De initiatiefnemer zou de leden van de PVV-fractie graag willen verwijzennaar zijn antwoorden hierboven op gelijkaardige vragen van de leden vande fracties van D66 en CDA.De leden van de PVV-fractie begrijpen dat niet altijd op voorhand duidelijkis wanneer sprake is van ongewenste lokale of regionale marktmacht.Deze leden onderschrijven daarom het belang van een inroepbe-voegdheid voor de ACM, zodat de toezichthouder kan ingrijpen wanneerzij signalen ziet dat er ongewenste situaties ontstaan. Tegelijkertijdmerken deze leden op dat de ACM niet altijd volledig zicht zal hebben opontwikkelingen in specifieke markten of regio’s. Zou het daarom wenselijkzijn om een meldpunt in te richten waar ondernemers en anderensignalen kunnen melden over mogelijk ongewenste marktmacht ofconcentratievorming? Kan de initiatiefnemer toelichten of een dergelijkmeldpunt volgens hem kan bijdragen aan het tijdig signaleren vansituaties waarin gebruik van de inroepbevoegdheid wenselijk is?De initiatiefnemer is het met de leden van de PVV-fractie eens datondernemers en anderen signalen moeten kunnen doorgeven overmogelijk ongewenste marktmacht of concentratievorming. De initiatief-nemer is bekend met het feit dat ondernemers bij de ACM meldingkunnen doen onder andere als een bedrijf zich niet houdt aan de regelsten aanzien van eerlijke concurrentie4. Voor consumenten bestaat bij deACM de ConsuWijzer5. Wellicht kunnen deze meldpunten ook gebruiktworden om tijdig van situaties waarin gebruik van de inroepbevoegdheidwenselijk is te signaleren.Artikel IIIDe leden van de CDA-fractie merken op dat het wetsvoorstel geenspecifieke termijn bevat voor de inwerkingtreding van de voorgesteldebevoegdheid. Zij vragen de initiatiefnemer welke termijn hij redelijk achttussen de aanvaarding van het wetsvoorstel en de daadwerkelijkeinwerkingtreding daarvan. Daarbij vragen deze leden in het bijzonderwelke voorbereidingstijd volgens de initiatiefnemer noodzakelijk is voorde ACM. De voorgestelde inroepbevoegdheid lijkt immers in belangrijkemate afhankelijk van de ontwikkeling van guidance, een leidraad en demogelijkheid voor ondernemingen om vooraf een informele zienswijze teverkrijgen. Voorts vragen de leden van de CDA-fractie hoe de initiatief-nemer het risico beoordeelt dat de bevoegdheid formeel in werking treedtvoordat deze ondersteunende instrumenten voldoende zijn uitgewerkt.Acht de initiatiefnemer het wenselijk dat de leidraad en de werkwijze4https://www.acm.nl/nl/contact/tips-en-meldingen/tip-ons5https://consument.acm.nl/doe-uw-melding-bij-acm-consuwijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 815 rondom informele zienswijzen beschikbaar zijn voordat de bevoegdheiddaadwerkelijk van kracht wordt, mede om onzekerheid bij ondernemingente beperken? Tot slot vragen de leden van de CDA-fractie aan welkevoorwaarden volgens de initiatiefnemer moet zijn voldaan voordat deACM deze nieuwe bevoegdheid op een voorspelbare, uitvoerbare enrechtszekere wijze kan toepassen.In antwoord op deze vragen van de leden van de CDA-fractie meent deinitiatiefnemer dat de wet niet eerder in werking dient te treden dan nadatde leidraad en de mogelijkheid om een informele zienswijze te verkrijgenbeiden beschikbaar zijn. Bovendien dient de ACM de benodigde capaciteitte hebben om de inroepbevoegdheid te kunnen toepassen. Het is aan hetkoninklijk besluit ter inwerkingtreding van de wet om hiermee rekening tehouden. Daarmee kan, naast het feit dat de inroepbevoegdheid in hogemate gebaseerd is op het reeds bestaande concentratietoezicht, dezebevoegdheid op een voorspelbare, uitvoerbare en rechtszekere wijzeworden toegepast.BushoffTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 774, nr. 816
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.