KamerkringInloggen
Kamerbrief

Beleidsbrief Infrastructuur en Waterstaat: Nederland bereikbaar, schoon, veilig en economisch sterk houden

24 apr 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 3c9e13c47d75e016 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 XIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Infrastructuur en Waterstaat (XII)voor het jaar 202636 800 AVaststelling van de begrotingsstaat van hetMobiliteitsfonds voor het jaar 202636 800 JVaststelling van de begrotingsstaat van hetDeltafonds voor het jaar 2026Nr. 34 BRIEF VAN DE MINISTER EN STAATSSECRETARIS VAN INFRA-STRUCTUUR EN WATERSTAAT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 24 april 2026Met het coalitieakkoord (bijlage bij Kamerstuk 36 848, nr. 31) hebben D66,VVD en CDA afspraken gemaakt en een duidelijke opdracht: we gaan aande slag. Met deze beleidsbrief werken we deze gezamenlijke opdrachtverder uit. Eén ding is duidelijk: de opgaven vragen om een overheid dieduidelijke keuzes maakt, samenwerkt en levert. Daarvoor is de inzet vande hele Rijksdienst, medeoverheden en publieke dienstverlenersonmisbaar. Ook vergt dit een goede samenwerking met de Tweede enEerste Kamer en maatschappelijke organisaties. Daarmee houden weNederland bereikbaar, schoon, veilig en economisch sterk.Nederland is gebouwd op infrastructuur. Van de Afsluitdijk tot deDeltawerken, van de Rotterdamse haven, Utrecht Centraal tot Schiphol enmet onze duizenden kilometers aan wegen, waterwegen en spoorwegen:onze infrastructuur heeft ons land veilig, bereikbaar en economisch sterkgemaakt. Ze is het fundament onder onze samenleving en economie, enwe maken er dagelijks gebruik van, bijna vanzelfsprekend. Onze infra-structuur, en in het bijzonder ons watermanagement, is internationaaltoonaangevend. Maar vanzelfsprekend is het allerminst. Onze infra-structuur staat onder grote druk. Veel van onze bruggen, tunnels ensluizen zijn in de jaren 50, 60 en 70 aangelegd. Ze zijn nu verouderd en/ofnaderen het einde van hun levensduur. Bovendien worden ze zwaarderbelast: er is meer en zwaarder verkeer. Intussen worden er ook nieuweeisen aan onze infrastructuur gesteld. We zien dat de geopolitieke onrusttoeneemt waardoor onze weerbaarheid omhoog moet, ook die van onzeinfrastructuur. Als laaggelegen delta leveren we bovendien permanentestrijd tegen het water. Veranderingen, in het klimaat vragen om nieuweinvesteringen in waterveiligheid. kst-36800-XII-34ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 341 Dit betekent dat we de komende jaren slim moeten blijven investeren inonze infrastructuur. De beschikbare middelen dwingen hierbij totduidelijke keuzes. Want niet alles kan. En niet alles kan tegelijkertijd. Diekeuzes maken we met drie hoofddoelen voor ogen:•Nederland bereikbaar houden•Nederland schoon en veilig houden•Nederland economisch sterk houdenDie hoofddoelen willen we bereiken door zes prioriteiten te stellen:•Eerst behouden en herstellen wat we hebben.•Bereikbaarheid als economische en maatschappelijke prioriteit.•Nederland veilig houden in een veranderende verhouding en strijd methet water.•Veilig op de weg en in het OV.•Een schone, gezonde en veilige leefomgeving in de sterkste economi-sche delta van de wereld.•Het afbouwen van kwetsbare afhankelijkheden in onze mobiliteit.In deze beleidsbrief leest u hoe wij concreet deze prioriteiten willenrealiseren. Daarbij maken we per prioriteit onderscheid tussen doelenvoor het einde van de kabinetsperiode, en tussendoelen tot de zomer envoor de rest van het jaar.Over de voortgang zullen we u jaarlijks informeren.1. Eerst behouden en herstellen wat we hebben Onze wegen, spoorlijnen, vaarwegen en waterwerken zijn het fundamentvan onze samenleving en economie. Ze zorgen ervoor dat we veiligwonen, familie kunnen bezoeken, naar ons werk en school kunnen, dat dewinkels gevuld zijn en goederen bezorgd worden, nationaal en zeker ookinternationaal. De grote opgaven van deze tijd kunnen alleen wordengerealiseerd als onze infrastructuur op orde is. Denk aan de woningbouw-opgave, het versterken van onze waterveiligheid, weerbaarheid en onzetoekomstige welvaart. Het belang hiervan is concreet en tastbaar: mensenhebben alleen iets aan een nieuwe woning als ze er kunnen komen, en alsze er veilig zijn voor het water. Daarvoor is soms ook nieuwe infra-structuur nodig, maar ook het behoud van de huidige infrastructuur.We zijn eraan gewend geraakt dat onze infrastructuur van hoog niveau is.Sterker nog: internationaal staan we bovenaan de ranglijsten. Vanzelf-sprekend is dit allerminst. Het vraagt om vakmanschap, keuzes en bredebetrokkenheid, politiek en maatschappelijk. Onze positie op de Europeseranglijsten staat echter onder druk. De Nederlandse infrastructuur is sterkverouderd en we lopen enorm achter op zowel het onderhoud van onzeinfrastructuur als op de vernieuwing ervan. We moeten prioriteren om tebehouden en herstellen wat we hebben1.Hoe staan we ervoor? Een groot deel van onze infrastructuur is in de jaren50, 60 en 70 aangelegd. Ze is dus op leeftijd. Sterker nog, verouderd.Grootschalig onderhoud en vernieuwing is nu noodzakelijk. Ook omdat deinfrastructuur steeds zwaarder wordt belast en het einde van haarlevensduur bereikt. Zo neemt de mobiliteit toe, groeit het aantalvoertuigen, worden vrachtvoertuigen steeds zwaarder en schepen groter.Ook veranderende weersomstandigheden als gevolg van klimaatveran-dering vergroot de druk op de infrastructuur. Denk aan het effect vanextreme neerslag op wegen, van droogte op spoorbanen en vaarwegen,en van hitte op beweegbare bruggen. Technische ontwikkelingen en1Kamerbrief over prioritering Mobiliteitsfonds en Deltafonds | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 342 Europese afspraken over klimaat, grondstoffen en digitalisering vrageneveneens om aanpassing van onze systemen. Er zijn steeds vaker ad hockostbare beheersmaatregelen nodig om de infra op orde te houden. Deurgentie om meer structurele instandhoudingsmaatregelen uit te voerenneemt toe.De afgelopen jaren is er steeds meer gedaan aan instandhouding doorRijkswaterstaat (RWS) en ProRail. We hebben het Basis Kwaliteits Niveaute behouden op onze infrastructuur2: het wegennet, vaarwegennet, hetwatersysteem en het spoor. Uit de Staat van Infrastructuur blijkt datsteeds meer beheersmaatregelen nodig zijn. We moeten daarbij steedsharder werken om op niveau te blijven. De inzet op instandhouding is eenvereiste om de veiligheid van onze netwerken te kunnen blijven garan-deren en om verstoringen door verouderde infra te voorkomen.Ook Europese wet- en regelgeving vraagt dat we investeren in onzenetwerken, bijvoorbeeld voor de uitrol van het European Rail TrafficManagement System (ERTMS) of om te voldoen aan de eisen van hetTrans-European Transport Network (TEN-T). Dit krachtenveld maakt datwe steeds harder moeten werken voor het behoud van onze infra-structuur. Innovatie en productiviteitsverhoging zijn daarbij onmisbaar:nieuwe technieken en werkwijzen kunnen helpen om de maatschappelijkeen economische waarde van onze infrastructuur toekomstbestendig tehouden.Doelen voor einde kabinetsperiode (2030)Deze kabinetsperiode staat veiligheid, robuustheid en levensduur vanonze netwerken voorop3. Dit gaat niet alleen om het Hoofdwegennet maarook het Hoofdwatersysteem, de Hoofdvaarwegen en het Spoor.•In juli 2025 waren er 80 kunstwerken met (gewichts- ofdoorvaart) beperkingen voor de Rijkswegen en de Rijksvaarwe-gen. Als we niets doen, is het de verwachting dat dit aantal in2030 verdubbeld is. Dit tij is niet zomaar gekeerd. Onderandere uit de jaarlijkse Staat van de Infrastructuur blijkt eenduidelijke stijgende lijn. We stellen ons als doel de negatievetrend van meer en/of langer durende beperkingen als gevolgvan achterstanden in het onderhoud deze kabinetsperiode tedoorbreken.CDe Rijkswegen en Rijksvaarwegen kunnen veilig gebruikt worden.Op dit moment is het op sommige trajecten nodig om hiervoorbeheersmaatregelen te treffen, zoals het beperken van het gebruik(voor zwaar vervoer en voor de binnenvaart) of door het uitvoerenvan extra beheersmaatregelen (onderhoud).CIn de Staat van de Infra rapporteert RWS onder andere over destaat van de kunstwerken waar beperkingen op van toepassing zijn.Door de huidige achterstanden in het onderhoud zullen debeperkingen langer duren en zal ook het aantal beperkingentoenemen. Het kabinet stelt extra prioriteit aan instandhouding.Hiermee stellen we ons als doel deze negatieve trend te doorbre-ken. Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd in de Staat van de Infra.•In 2025 voldeed 1 stormvloedkering niet aan de faalkansnor-men. Doel is dat Rijkswaterstaat in 2030 voldoet aan dewettelijke eisen op het gebied van waterkeren.2Kamerbrief bij rapportages Staat van de Infrastructuur Rijkswaterstaat en ProRail 2024 |Kamerstuk | Rijksoverheid.nl.3De beleidsdoelen zijn afgeleid van de indicatoren zoals beschikbaar in de Staat vanInfrastructuur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 343 CDit betekent dat Rijkswaterstaat zich voor alle stormvloedkeringenmaximaal inzet om in 2030 weer aan de faalkans te voldoen en datde belangrijkste regionale keringen in beheer van Rijkswaterstaatvoor 2032 zijn versterkt en Rijkswaterstaat op koers ligt om deprimaire keringen uiterlijk in 2050 aan de wettelijke norm te latenvoldoen (afgesproken mijlpaal). Om aan de zorgplicht te voldoenzullen onder andere crisisbeheersing, kennismanagement eninformatiemanagementsystemen voor waterkerende objecten inbeheer van Rijkswaterstaat worden verbeterd.•In 2024 was er sprake van 48 Tijdelijke SnelheidsBeperkingen(TSB) op het spoor. We stellen ons als doel om het aantal TSB’ste verlagen. Zonder aanvullende inspanning blijft dit aantalgelijk. Hiernaast wordt voor spoor het aantal incidenten met eenveiligheidsrisico gemonitord en gerapporteerd, met als doel om hetveiligheidsniveau tenminste gelijk te houden zoals is voorgeschrevendoor de Europese richtlijnen.CHet huidige systeem van treinbeveiliging is verouderd en wemoeten over naar ERTMS. Dit vraagt om een digitale transitie vande spoorsector. We werken in deze periode voor de uitrol vanERTMS met het indienstellen van de eerste proefbaanvakken vanaf2028 en het vaststellen van een vervolgaanpak voor na 2030.•We keren de trendmatige toename van het aantal ongeplandestoringen op de netwerken. Op het spoor zijn in 2025 586impactvolle storingen gerapporteerd op het prestatiedash-board van ProRail. Dit aantal hanteren we als ijkpunt om nietboven te komen. Vanaf 2027 verwachten we een daling vanhet aantal impactvolle storingen op het spoor in te zetten.CWe keren de trendmatige toename van het aantal ongeplandestoringen op de netwerken. Het aantal ongeplande storingen is eenindicator waarmee robuustheid kan worden vastgesteld. Op hetspoor verwachten we vanaf 2027 een daling van het aantalimpactvolle storingen in te zetten. Rijkswaterstaat laat FIT testenuitvoeren. Een FIT test laat zien of het object inclusief de industriëleautomatisering werkt. In 2024 zijn 155 testen uitgevoerd. Dedoelstelling is dit niveau vast te houden.CHet beleidsmatig hinderkader zoals gebruikt op het hoofdwegennetwordt in 2027 doorontwikkeld om in te spelen op de effecten voorhet hoofdvaarwegennet. De evaluatie van het bestaande hinderka-der wordt in 2026 afgerond.CProRail stemt haar werkzaamheden af met decentrale overheden,vervoerders, stakeholders en Rijkswaterstaat en hanteert daarbijhet corridorboek met daarin afspraken over de impact op debeschikbaarheid van het spoor.•We lichten elk jaar 25 regels door op proportionaliteit enuitvoerbaarheid om de doorlooptijden voor instandhouding teverkorten. Voor het spoor werken we aan de regeldruk via demodernisering van de spoorwegwet, waarmee we 3 wetten en21 besluiten en regelingen terugbrengen naar één wet, éénbesluit en één regeling.CBij het doorlichten van regels gaat het om milieuregels en regelsdie ontstaan zijn vanuit aanleg zoals bijvoorbeeld de LandelijkeTunnel Standaard.CVoor het spoor is het uitgangspunt dat we Europese regelgevinggoed implementeren en nationale koppen waar mogelijk schrap-pen. Ook maken we innovaties en maatwerk mogelijk. Nu geldenbijvoorbeeld voor het spoor grotendeels dezelfde eisen als voor deinfrastructuur. Met de modernisering van de spoorwegwet wordthet mogelijk om hier meer in te differentiëren en op basis van degebruiksfunctie ook soms minder zware eisen te hanteren aan deinfrastructuur. Het wetsvoorstel is al ingediend bij de TweedeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 344 Kamer. De lagere regelgeving is in voorbereiding en zal naarverwachting in 2026 worden opengesteld voor internetconsultatie.•Eind 2024 was 3% van de vaste stalen bruggen op het Hoofd-wegennet voorbij de verwachtte levensduur. De problematiekvan veroudering speelt breder. Als we niets doen is deverwachting dat het aantal kunstwerken dat voorbij deverwachtte levensduur is, in 2030 is verdubbeld. We stellenons als doel de negatieve trend deze kabinetsperiode tedoorbreken.CAchterstanden in vernieuwing leiden ertoe dat RWS meer geld kwijtis aan onderhoud en steeds duurdere beheersmaatregelen. Datgeld kan dan niet meer worden gebruikt voor vernieuwing. Met ditdoel doorbreken we deze negatieve spiraal, waardoor minder geldnodig is voor ad hoc maatregelen en er ruimte komt voor meerstructurele instandhoudingsmaatregelen. In aanvulling stellen weons als doel om tot 2030 tenminste 5 tunnels en 17 bruggen aan tepakken.•De gemiddelde levensduur van het spoor sluit aan bij deonderhouds- en vervangingsplanning van ProRail. Doorlifecyclegericht beheer te continueren, houden we dit zo.Tussendoelen 2026•Rijkswaterstaat communiceert de meerjarige programmering met deregionale partners en de inkoopplanning met de markt om demaakbaarheid te vergroten.•ProRail maakt voor haar programmering van projectmatige werkzaam-heden het Masterplan bekend.•Dit jaar stellen we een door de infrasector gedragen plan voorproductiviteitsverhoging op.•In 2026 wordt in samenwerking met ProRail een doelmatige enuitvoerbare implementatiestrategie voor de TEN-T eisen op het spoorvastgesteld, gericht op de baten die we met het verder realiseren vanhet TEN-T netwerk kunnen behalen.•We ronden de noodzakelijke prioritering op het Mobiliteitsfonds en hetDeltafonds na zomer af, op basis van het afweegproces dat isopgesteld met inbreng van de Tweede Kamer en de medeoverheden,rekening houdend met de ambities uit het coalitieakkoord zoals tenaanzien van bereikbaarheid van nieuwe woonwijken, economischeontwikkeling en weerbaarheid. Integrale besluitvorming over debenodigde prioritering vindt plaats na de zomer.2. Bereikbaarheid als economische en maatschappelijke prioriteit Nederland heeft als logistieke delta een sterke internationale positie.Zeehavens, luchthavens, multimodale overslagpunten, spoorverbin-dingen, binnenvaart, buisleidingen en wegtransport vormen samen hetfysieke fundament onder het Nederlandse verdienvermogen. Maar hetgaat om meer dan alleen het fundament onder onze economie. Econo-mische en maatschappelijke ontwikkeling gaan hand in hand. Bereik-baarheid gaat om mensen. Wie investeert in bereikbaarheid, investeert inverdienvermogen, banen, brede welvaart en welzijn. We hebben te zorgenvoor goede bereikbaarheid van wonen, werk, sport en familiebezoek, énde logistieke keten. Overal in Nederland.We doen dat niet los van de internationale context. Die context verandertsnel. Geopolitieke ontwikkelingen, veranderingen in mondiale handels-stromen en de energietransitie leiden tot een heroriëntatie van logistiekeketens en toenemende concurrentie tussen logistieke hubs in Europa. Opregionaal niveau zien we dat de fysieke grondslag voor infrastructuur,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 345 water en bodem, meer aandacht vraagt. De kans op verzakkingen doorbodemdaling neemt toe met risico’s voor het hele logistiek systeem.Dit alles vraagt om gerichte investeringen in bereikbaarheid, innovatie enweerbaarheid van vitale – fysieke en digitale – infrastructuur. Scherpekeuzes willen wij in samenhang maken. Het gaat niet alleen om goedewegen, spoor, vaarwegen en fietspaden, maar om de kracht enweerbaarheid van het totale systeem. Dat vraagt dat wij over de grenzenvan vervoerssystemen kijken naar samenhangende investeringskeuzes.Naar de mogelijkheden van grote innovaties, zoals autonoom vervoer, endifferentiatie in kwaliteit, zodat we steeds bepalen wat waar nodig is. Ennaar slimme ruimtelijke keuzes en goed voorzieningenbeleid. Want ruimteen middelen zijn schaars. Dat vraagt dat we infrastructuurinvesteringennadrukkelijk verbinden met andere nationale opgaven, in het bijzonderwoningbouw en defensie. Wij zoeken de samenwerking binnen hetkabinet met andere beleidsdomeinen, met medeoverheden en sectorpar-tijen. Zo werken we actief mee aan de Nota Ruimte die eind dit jaar wordtopgeleverd. Alle partijen willen wij uitdagen met ons mee te denken. Waarzitten gezamenlijke belangen? Hoe kunnen we hier het beste mee aan deslag? En waar moeten onze systemen, nu en in de toekomst, vernieuwenom efficiënt en toekomstbestendig te blijven?2.1 Internationale bereikbaarheid en weerbaarheid Binnen Europa neemt Nederland als toegangspoort een bijzondere positiein. Onze geografische ligging, onze basisinfrastructuur en sterkemainports zijn aantrekkelijke factoren voor internationaal opererendebedrijven. Of het nu gaat om de luchtvaart en de hubfunctie van Schiphol,de Nederlandse zeehavens en in het bijzonder de haven van Rotterdam,het multimodaal transport via logistieke corridors of het reizigersvervoervia de belangrijke internationale spoorverbindingen via de HSL-Zuid enrichting Berlijn en Frankfurt. Om het concurrentievermogen van onzeinternationale netwerken te behouden zijn de juiste randvoorwaardennodig.De geopolitieke ontwikkelingen van de afgelopen jaren hebben duidelijkgemaakt dat vitale infrastructuur kwetsbaar is voor sabotage, hybridedreigingen en verstoringen in internationale handelsketens. Maar ook datwe moeten investeren in de strategische autonomie van sectoren diebijdragen aan de bescherming van onze nationale vitale belangen. Hetkabinet werkt daarom aan industriebeleid met focus4, het versterken vande weerbaarheid van vitale fysieke en digitale infrastructuur, en aan deversterking van sectoren als de maritieme (maak)industrie met demaritieme sectoragenda «No guts, no Hollands glorie!»5 en het interde-partementale Rijksregiebureau Maritieme Maakindustrie6.Daarbij gaat het onder meer om havens, energie-infrastructuur, transport-corridors en infrastructuur op de Noordzee. Ook gaat het om de kwaliteitvan het totale maritieme cluster in ons land, inclusief een sterke Neder-landse scheepvaart, die investeert in innovatieve projecten (zoalsnucleaire schepen). De logistieke corridors zijn daarbij van bijzonderbelang, gelet op hun rol voor de economische weerbaarheid, de leverings-zekerheid en de militaire mobiliteit in het kader van defensie. Hier liggenvanuit IenW belangrijke meekoppelkansen om de doelstellingen vanuitbereikbaarheid en veiligheid hand in hand te laten gaan.4Kamerbrief over industriebeleid met focus | Kamerstuk | Rijksoverheid.nl5No guts, no Hollands Glorie! – sectoragenda maritieme maakindustrie | Rapport | Rijksover-heid.nl6Kamerbrief over sectoragenda maritieme maakindustrie | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 346 LuchtvaartNederland heeft een van de meest open economieën ter wereld en eensterk luchtvaartsysteem met de hubfunctie van Schiphol en de ondersteu-nende functie van de overige luchthavens van nationaal belang. Dehubfunctie van Schiphol zorgt ervoor dat onze regio met Europa en derest van de wereld verbonden is zonder dat wij op een andere luchthavenmoeten overstappen. Veiligheid in de luchtvaart is randvoorwaardelijk.Zeker voor een klein land als Nederland is de sterke positie van deluchtvaart en de bijdrage daarvan aan de economie geen vanzelfspre-kendheid. Het kabinet koestert deze bijzondere positie en wil die ookjuridisch bestendigen.De juridische basis van de luchthavens is op dit moment niet op orde. Ookkan niet ontkend worden dat de luchtvaart een keerzijde heeft.Omwonenden ervaren overlast door geluidshinder, en de uitstoot vanbijvoorbeeld CO2 en stikstof belasten het klimaat en de natuur. Eenluchthaven die zo belangrijk is voor onze economie, kan alleen goedfunctioneren als er ook rekening wordt gehouden met omwonenden,klimaat, en natuur. Het kabinet staat daarom voor grote opgaven, om aande ene kant de unieke positie van luchtvaart in Nederland te borgen en dejuridische basis daartoe op orde te brengen, en aan de andere kant deleefomgevingskwaliteit te verbeteren en de belasting van het klimaat ende natuur te verminderen.Doelen voor einde kabinetsperiode (2030)•Alle luchthavens in Nederland moeten in 2030 een stevigjuridisch fundament hebben middels een luchthaven(verkeer-)besluit. Het verankeren van de luchthavenbesluiten stelt de rechtspo-sitie van omwonenden zeker en geeft luchthavens een basis voor hunoperatie.•In 2030 wordt Schiphol tussen 23.00 uur en 7.00 uur 50%stiller ten opzichte van 2024. Dit doen we om geluidsoverlast voorde omgeving terug te dringen.•Binnen de planperiode van het actieplan omgevingslawaaiSchiphol (2024–2029) wordt –20% ernstig geluidgehinderdenop het etmaal gerealiseerd. Het kabinet houdt vast aan de al eerdervastgelegd geluidsdoelstelling. Met het maatregelenpakket dat pernovember 2025 is ingevoerd is de eerste grote stap gezet. Hetresterende percentage zal uiterlijk per juni 2029 worden bereikt.•De totale CO2 uitstoot van de burgerluchtvaart op Schiphol enLelystad moet in 2030 lager zijn dan in 2024 op Schiphol.Maatregelen als de inzet van schonere vliegtuigen en het bijmengenvan duurzame luchtvaartbrandstoffen dragen hieraan bij. Meer gebruikvan duurzame brandstoffen in de luchtvaart helpt in het terugdringenvan kwetsbare afhankelijkheden in onze mobiliteit. De CO2 uitstoot vande luchtvaart wordt nauwlettend gemonitord en we sturen bij indiennodig. De duurzame luchtvaarttafel blijft hierin een belangrijke rolhouden.•Lelystad Airport wordt geopend op het moment dat aan allevoorwaarden is voldaan. Ingebruikname voor defensie en civielverkeer draagt bij aan de versterking van de internationale bereikbaar-heid en aan de nationale veiligheid. De civiele ingebruikname isafhankelijk van het verkrijgen van een natuurvergunning, de wijzigingvan het luchthavenbesluit en de afronding van de operationelevoorbereidingen. Of er een natuurvergunning verleend kan worden isafhankelijk van de vraag of additionaliteit kan worden aangetoond, watalleen mogelijk is bij een sluitende aanpak voor natuurherstel. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 347 taskforce Landbouw, Natuur en Stikstof zal een belangrijke bijdrageaan deze aanpak leveren7.Tussendoelen 2026•Vaststellen aangepast luchthavenverkeersbesluit Schiphol.Voor Schiphol geldt dat de juridische basis momenteel niet op orde is:er wordt gedoogd op natuur (stikstof) en op geluid. De gedoogsituatieop geluid kan worden beëindigd zodra het luchthavenverkeerbesluit(LVB) is vastgesteld. Dat LVB ligt nu voor behandeling in de voorhangin de Tweede en Eerste Kamer, kan naar verwachting in het derdekwartaal worden vastgesteld en dan per 1 november 2026 in werkingtreden. Daarmee wordt de juridische basis onder Schiphol hersteld ende rechtspositie van omwonenden geborgd. Dit heeft de hoogsteprioriteit. Dit laat onverlet dat daarnaast ook nog een natuurvergun-ning is vereist.•In 2026 –15% ernstig geluidgehinderden op het etmaal, 25 tot30% minder gehinderden in de nacht. Schiphol is van grootbelang voor onze economie, maar de luchthaven kan alleen goedfunctioneren als er ook rekening wordt gehouden met omwonenden,natuur, en uitstoot. Bij een luchthaven van deze omvang bestaat eronlosmakelijk en onvermijdelijk hinder en het is van groot belang omtot een reductie van de geluidbelasting te komen. Met het Luchthaven-verkeerbesluit Schiphol wordt de uitkomst van de Balanced Approachprocedure voor Schiphol vastgelegd. Met dit LVB wordt een maximumvan 478.000 vliegtuigbewegingen vastgelegd, waarvan 27.000 in denacht. Het kabinet heeft de balanced approach procedure doorlopenmet als doel om per november 2025 een reductie van 15% van hetaantal ernstig geluidgehinderden rond Schiphol te bereiken. Eind 2026blijkt uit monitoring of het maatregelenpakket het beoogde effect heeftgehad. In de nacht is er naar verwachting sprake van een reductie van25–30% ernstig gehinderden.•We gaan op zoek naar coalities in Europees verband omafspraken te maken over geharmoniseerde Europese vliegbe-lastingen. Zo kan in een gelijk speelveld de inzet van schonerevliegtuigtypes worden beloond en verduurzaming bevorderd.Eind 2026 wordt de Kamer geïnformeerd over de voortgang. AmbitieusEuropees afgestemd beleid bevordert verduurzaming, borgt het gelijkespeelveld, en houdt de sector concurrerend.Tussendoelen zomer 2026•Helder beeld van uitwerking van het coalitieakkoord voorLelystad Airport. Hierin schetsen we welke stappen moeten wordendoorlopen en randvoorwaarden moeten ingevuld alvorens LelystadAirport kan worden geopend voor civiel en militair verkeer.•Helder beeld van uitwerking van het coalitieakkoord voorluchtvaart. Rond de zomer delen wij de samenhangende beleidsbriefluchtvaart en Schiphol, met versnelling van verduurzaming en demilitaire en economische weerbaarheid van de sector als belangrijkeankerpunten.Havens, Noordzee en multimodaal goederenvervoerDe Nederlandse zeehavens, en in het bijzonder de haven van Rotterdam,zijn van groot belang voor de economie en energievoorziening vanNederland en Europa, en voor het goederenvervoer. Zij vormen eenbelangrijke schakel in internationale handelsketens en spelen een centrale7Uitwerking coalitieakkoord Lelystad AirportTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 348 rol in de energietransitie en de verduurzaming van de industrie. Het isdaarom van belang dat havens kunnen blijven functioneren in tijden vanvrede, crisis en conflict.Dit geldt ook voor ons grootste water, de Noordzee. Hier is eenzorgvuldige balans nodig tussen alle economische gebruiksfuncties opzee binnen de ecologische draagkracht van het mariene ecosysteem. Inmaart zijn zowel het Partieel Herziene Programma Noordzee 22–278 alshet voornemen voor het Programma Noordzee 28–33 aan de Kamergestuurd9. Internationale afstemming met onze buurlanden rondom hetNoordzee bassin is een belangrijke voorwaarde voor effectieve ruimtelijkeplanning en het realiseren van een schone, gezonde en veilige zee.Via onze wateren komen goederen binnen die vervolgens binnen onzelandsgrenzen en Europa worden vervoerd. De vracht- en bestelauto en het(hoofd)wegennet hebben een dragende rol in het multimodale goederen-vervoersysteem. Het merendeel van het goederenvervoer binnen delandsgrenzen maakt gebruik van de vrachtauto: ruim 70% van detonkilometers wordt via de weg vervoerd. Voor het internationale vervoerop de Nederlandse infrastructuur is het aandeel van de weg circa 33%.Factoren als betrouwbaarheid, robuustheid en flexibiliteit zijn hier vanbelang: herkomst- en bestemmingslocaties zijn relatief makkelijkbereikbaar over de weg. Verladers kunnen zo rekenen op voldoendeleveringszekerheid. Om vergelijkbare redenen maakt het midden- enkleinbedrijf intensief gebruik van bestelauto’s: de loodgieter, de pakketbe-zorger en de bezorgservice van boodschappen.Ook over spoor en onze binnenvaarwegen vervoeren we veel. Spoorgoe-derenvervoer en de binnenvaart dragen bij aan het op peil houden van deleveringszekerheid van goederen aan bedrijven, de bereikbaarheid vanonze steden en onze militaire mobiliteit. Het is daarmee belangrijk vooronze economie, brede welvaart, en veiligheid.De hoofdwegen worden steeds intensiever gebruikt en raken op steedsgrotere delen van de dag verzadigd, met name in en tussen stedelijkegebieden. Daarnaast stellen digitalisering, elektrificatie, weerbaarheid enklimaatverandering nieuwe eisen aan de wegen en de voorzieningen. Meteen visie op het hoofdwegennet (Toekomstperspectief Hoofdwegennet)gaan we met concrete doelen sturen op de kwaliteit van de hoofdwegenen de voorzieningen die nodig is om de bereikbaarheid en leveringsze-kerheid op peil te houden richting 2050. Ook geven we aan wat datbetekent voor ruimtelijke inrichting, zoals bedrijfslocaties, woninglocatiesen hubs, innovaties en van het aansluitende spoor-, vaarwegen- enonderliggend wegennet. In het Toekomstperspectief Hoofdwegennetwordt het kwaliteitsbeeld van de internationale wegcorridors specifiekuitgewerkt. Want het vrachtverkeer van de Rotterdamse haven over deA15 stelt andere eisen aan de weg, de voorzieningen en de omgeving danbijvoorbeeld het voornamelijk lokale verkeer op de A10 West.Doelen voor einde kabinetsperiode (2030)•De haven van Rotterdam is nog steeds de grootste haven vanEuropa met een marktaandeel van bijna 40% in de Hamburg–Le Havre range, een aaneengesloten kustlijn van havens die debelangrijkste toegangspoort tot Europa vormt. We handhavenen waar mogelijk versterken we ons marktaandeel. Richting2030 zet Nederland in op het handhaven en waar mogelijk versterken8Partieel Herziene Programma Noordzee 2022–20279Programma Noordzee 2028–2033Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 349 van het procentuele marktaandeel van de Nederlandse havengebiedenten opzichte van de totale Noordwest Europese havenrange (de«Hamburg–Le Havre range»). In absolute zin is Rotterdam volgens demeest recente meting de grootste haven met 37% aandeel, tegenover23% van Antwerpen en 9,5% van Hamburg10. Daarnaast heeftNederland zich met het havenbeleid (Havennota 2020–2030) ten doelgesteld de toegevoegde waarde en werkgelegenheid van de Neder-landse zeehavens te bewaken en zo mogelijk te versterken. Werapporteren daar jaarlijks over in de Havenmonitor. Eind 2027 is devoorkeursbeslissing voorzien over de Verkenning Ruimtegebrek enImpuls Leefomgeving voor de Rotterdamse haven. Een van demogelijke oplossingsrichtingen is de optie van zeewaartse uitbreiding.•In 2030 staat Nederland in de top 3 van de World LogisticsPerformance Index (WLPI). We staan in deze index op dit momentderde samen met drie andere landen, vlak onder koplopers Singaporeen Finland. We behouden onze positie onder andere door het beterbenutten van alle transportmodaliteiten via het verplaatsen vanjaarlijks 600.000 vrachtwagentransporten van de weg naar het wateren spoor. Daarnaast dragen we actief bij aan het versterken van deweerbaarheid en veerkracht van alle relevante bedrijven in delogistieke keten. Dit doen we in samenwerking met de sector viagerichte inzet op het versterken van de bereikbaarheid van deNederlandse havens en achterlandverbindingen naar Duitsland enBelgië.Tussendoelen 2026•Vaststellen Regionale Investeringsagenda Rotterdamse Haven.Het Rijk werkt samen met de provincie Zuid-Holland, gemeenteRotterdam, havenbedrijf Rotterdam en de omgevingsdienst DCMR inhet programma NOVEX Rotterdamse haven aan de ruimtelijkeontwikkeling van het havengebied.•Sturen op de kwaliteit van het Hoofdwegennet. Najaar 2026informeren we de Kamer met het Toekomstperspectief Hoofdwegennetover onze visie op de rol van het hoofdwegennet in de economischeen maatschappelijke bereikbaarheid én in de ruimtelijke ontwikkelingrichting 2050 voor het goederen- en personenvervoer. Met doelstellin-gen voor corridors met een internationale, interregionale, regionale eneen lokale/stedelijke functie, in lijn met de ontwerpNota Ruimte.•Vaststellen Uitvoeringsagenda Spoorgoederenvervoer 2026–2030. In 2026 wordt de Uitvoeringsagenda Spoorgoederenvervoer2026–2030 naar de Tweede Kamer gestuurd. Hierin is beschreven wathet kabinet de komende jaren zal doen om de kracht van het spoorgoe-derenvervoer te versterken en om militaire transporten soepeler telaten verlopen.Tussendoelen zomer 2026•Afsluiten Pact van Portlantis voor betere benutting vanbestaande infrastructuur via multimodaal transport. Hetkabinet, het Havenbedrijf Rotterdam en relevante bedrijven in delogistieke keten sluiten deze zomer een Pact van Portlantis metconcrete maatregelen voor het verbeteren van de afvoer van contai-ners via water en spoor in de haven en op de achterlandverbindingen.Deze samenwerking richt zich onder meer op het verminderen vancontainercongestie en het versterken van multimodale transportoplos-singen. Hierbij wordt ook gekeken naar oplossingen voor de congestiedoor samenloop van personen- en goederenvervoer.103.2.2 Overslag en financiën | Havenbedrijf Rotterdam – Jaarverslag 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3410 •Spoedwetgeving schaduwvloot. De spoedwetgeving tegen dezogenoemde schaduwvloot, gericht op het tegengaan van sanctieont-wijking en het versterken van toezicht op scheepvaart in de Neder-landse exclusieve economische zone, zal voor het zomerreces naar deRaad van State worden gezonden en na het zomerreces aan de Kamerworden voorgelegd.Internationaal reizigersvervoer per spoorHet internationaal reizigersvervoer via de drie hoofdcorridors naarDuitsland en België neemt fors toe. Komend jaar worden ook weer op eenaantal grensverbindingen verbeteringen tot stand gebracht, onder meertussen Groningen en Leer. En met de wijzingen in het Besluit Capaciteits-verdeling is recent meer ruimte gekomen voor internationale treinen.Onderzoek door ProRail uit 2025 heeft laten zien dat binnen de bestaandeinfra-capaciteit voor internationaal reizigersvervoer tot 2030 nog ruimte isvoor verdere groei. Om daarna ook in de groeiende vraag te kunnenblijven voorzien is het noodzakelijk om nu wel stappen te zetten om, insamenwerking met onze buurlanden, te verkennen welke verbeteringendan nodig zijn. Momenteel wordt zowel met Duitsland als België desamenwerking verder geïntensiveerd om dit mogelijk te maken. Zekervoor de corridors richting Duitsland liggen ook win-win-mogelijkhedendoor de investeringen die daar worden gedaan ten behoeve van hetgoederenvervoer. In het coalitieakkoord is aangegeven dat vervoerders ennieuwe aanbieders ruimte zal worden geboden om hun diensten tekunnen aanbieden.Doelen voor einde kabinetsperiode (2030)•In 2030 hebben we een samenwerkingsagenda met Duitslanden België om daarmee de lange termijn investeringsagendavoor internationaal reizigersvervoer per spoor te kunnenbepalen.Tussendoelen 2026•We werken aan de verbetering van het internationaal reizigers-vervoer per spoor met concrete tussendoelen. We starten dit jaarmet de corridorstudie Amsterdam–Brussel in samenwerking metBelgische partners, als onderdeel van de intensievere samenwerkingtussen België en Nederland op spoorgebied. Ook volgt de uitwerkingvan de intentieverklaring samenwerking internationaal spoor metBelgië. Dit gaat onder andere over de verbinding Brainport–Brussel. Enwe maken bestuurlijke afspraken met Duitsland over verbreding JointDeclaration of Intent (JDOI).2.2 Het versterken van een verbonden Nederland en weerbaresamenleving Nederland staat voor grote opgaven die direct verband houden met onzeinfrastructuur. Denk aan de woningbouwopgave en de opgave om onsland weerbaarder te maken. De oorlog in Oekraïne benadrukt het belangvan onze eigen defensie dagelijks. En een escalerende situatie in hetMidden-Oosten onderstreept het belang van energie-onafhankelijkheid enstrategische autonomie. Het openbaar vervoer en ons spoornetwerk heeftmet het oog hierop een cruciale functie. Het draagt bij aan het bereikbaarmaken van nieuwe woningen, het economisch versterken van regio’s enaan het verbeteren van militaire mobiliteit. Investeringen in ons spoor-netwerk en OV bezien we nadrukkelijk ook vanuit deze meekoppelendebelangen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3411 We bouwen deze kabinetsperiode verder voort op de ingeslagen weg meteen mobiliteitsvisie op bereikbaarheid van essentiële voorzieningen.Overal in Nederland. Daarbij geldt dat niet elk bereikbaarheidsvraagstukvraagt om een mobiliteitsmaatregel en niet elke mobiliteitsopgave vraagtom nieuwe infrastructuur. Door mobiliteitsbeleid te verbinden metruimtelijke ontwikkeling en door bestaande infrastructuur beter tebenutten en goed te laten functioneren, zorgen we voor goede bereik-baarheid. Soms zal dit betekenen dat we steviger inzetten op onsOV-netwerk en actieve mobiliteit en deelmobiliteit. Op andere plekkenfaciliteren we autogebruik, bijvoorbeeld in gebieden waar veel mensenafhankelijk zijn van de auto voor de bereikbaarheid. Ook stimuleren webewuster reizen van mensen waar mogelijk op de weg en in het OV naarbuiten de spits. Dit doen we niet alleen, maar in gezamenlijkheid met demedeoverheden die in hun ruimtelijke plannen, zoals de provinciale engemeentelijke omgevingsvisie, met de Nota Ruimte een gezamenlijkuitgangspunt hebben voor ruimtelijke ordening en inrichting. Hiermeesturen we op ruimtelijke keuzes richting 2050 en 2100 die logisch moetensamenhangen met de inzet voor het mobiliteitssysteem.Voor alle netwerken en vervoersmiddelen geldt dat we goed kijken naarde mogelijkheden van innovaties zoals autonoom vervoer en publiekemobiliteit en daar ook op willen doorpakken. Met goede keuzes hierinwillen we de bereikbaarheid in alle delen van het land op peil houden.Automobiliteit en hoofdwegennetDe auto is belangrijk voor de bereikbaarheid. Reizigers waarderen devrijheid, het gemak en de flexibiliteit die de auto biedt. Binnen Nederlandwordt zo’n 70% van de kilometers met de auto afgelegd, waarvan de helftop het hoofdwegennet. Zeker buiten stedelijke gebieden is de rol van deauto in de bereikbaarheid groot. We willen dat het hoofdwegennet debelangrijke rol in de bereikbaarheid in alle delen van het land op eenbetrouwbare, veilige manier kan blijven vervullen, met aandacht voor deleefomgeving (met bijvoorbeeld ruimtelijke inpassing, stil asfalt engeluidschermen). Zoals eerder aangegeven in deze brief komen we ditjaar met onze visie op het hoofdwegennet voor personen- en goederen-vervoer.Openbaar vervoer en spoor: bereikbaarheid en betaalbaarheidWe beschikken over een van de meest dichtvertakte OV en spoorsystementer wereld en uitgebreide infrastructuur voor actieve mobiliteit. Datsysteem moeten we zo optimaal mogelijk benutten en doorontwikkelen.Juist daar waar lopen, fietsen en openbaar vervoer mensen op weg helptin het dagelijks leven. Keuzes in de toekomstige marktordening op hetspoor en de capaciteitsverdeling willen we in dat licht maken. Demarktordening op het spoor moet dienend zijn aan het belang van hetOV-systeem in het dagelijkse leven van mensen.We zorgen ervoor dat investeringen in ons OV-systeem bijdragen aanwoningbouw, economische ontwikkeling in alle regio’s en onzeweerbaarheid. Voor deze meekoppelende belangen is het allereerst vanbelang dat de instandhouding van ons spoor op orde is. En vanuit onzesysteemverantwoordelijkheid voor het brede openbaar vervoer gaan wijmet de branche in gesprek over verbeteringen die lokaal en regionaaldoor te voeren zijn. Het openbaar vervoer moet daarbij betaalbaar zijn enblijven, als systeem en voor de gebruiker. We willen ruim baan geven aaninnovaties en moderniseringen en stimuleren van verduurzaming. Wecreëren betere bereikbaarheid van OV-knooppunten, voorzieningen, werken woningen, in het bijzonder met de fiets. We willen de bestaande regelsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3412 in het OV-systeem kritisch tegen het licht houden en knelpuntenwegnemen waar regels onnodig belemmerend werken.Doelen voor einde kabinetsperiode (2030)•In 2030 werken we met een langjarige (programmatische)Rijk-regio aanpak aan een goed functionerend hoofdwegen- enspoorwegennetwerk.CDe bereikbaarheid van voorzieningen die mensen belangrijk vinden(zorg, onderwijs, levensmiddelen, werk), blijft op orde en verbetertzo mogelijk.CWe houden de betrouwbaarheid en robuustheid van het reizen overhet hoofdwegennet op peil. De doelstelling wordt najaar 2026 alsonderdeel van het Toekomstperspectief Hoofdwegennet geconcreti-seerd.CWe hebben een beeld van wat vanuit langetermijnperspectief nodigen uitvoerbaar is aan structuurversterkende projecten.Met de regio’s en sector werken we in 2026 en 2027 aan een gezamenlijkbeeld en stapsgewijze (programmatische) aanpak voor het personen-vervoer op het hoofdwegennet en spoornetwerk richting 2050. Doel is dathierbij keuzes worden gemaakt voor de doorontwikkeling van het wegenen spoornetwerk en dat deze keuzes ook juridisch worden vertaald in eenprogrammatische aanpak onder de Omgevingswet. Bij het vaststellen vande plannen voor de doorontwikkeling van onze netwerken kijken wegebiedsgericht naar bereikbaarheid, veiligheid, leefbaarheid enwoningbouw. En we kijken naar de samenhang met ruimtelijke keuzes diegemaakt worden vanuit de Nota Ruimte.•Om de bereikbaarheid op peil te houden hebben we dekrachten van verschillende vervoersmiddelen gebundeld enrealiseren we zo’n 100 mobiliteitshubs. Door in te zetten opnabijheid, behoud van voorzieningen en werk waarborgen we eenaantrekkelijke leefomgeving. Dit doen we aan de hand van hetNationaal Bereikbaarheidspeil, waarvoor de regionale bereikbaarheids-analyses gebruikt worden. Van 2027 tot 2035 realiseren we ongeveer100 hubs, voor 580 miljoen euro, waarmee bereikbaarheid enontsluiting van nieuwe woningbouw worden vergroot. Voorbeeldenzijn de mobiliteitshub XL Utrecht, die de wijken Merwedekanaalzone,Beurskwartier en Groenewoud moet gaan ontsluiten. Bewonerskunnen hun privéauto parkeren op afstand aan de stadsrand en reizendan met OV of fiets verder de stad in. Een ander voorbeeld is de hubZwolle Stadshart, die voorziet in een gedeelte parkeren voor bewonersvan de binnenstad, en in deelmobiliteitsvoorzieningen voor hetcentrumgebied van Zwolle.•NS behoudt tot en met 2033 de hoofdrailnetconcessie. In deconcessie zijn afspraken gemaakt over een groot aantal punten, dievoor de reizigers moeten leiden tot kwalitatief goed treinverkeer.Indien nodig sturen we hierop bij. Zo zetten we in op een bodem-waarde per traject voor zitplaatskans, punctualiteit en algemeenklantoordeel.•In de beheerconcessie van ProRail en de Hoofdrailnetconcessievan NS hebben we met beide partijen afspraken gemaakt overde te behalen prestaties. We sturen op punctualiteit via degezamenlijke (van ProRail en NS) prestatie-indicatoren reizigerspunctu-aliteit 3 en 10 minuten. ProRail en NS moeten voor de afgesprokenperiode ieder jaar de bodemwaardes van respectievelijk 84,4% en94,5% halen. De streefwaarden van deze indicatoren in 2029 zijnrespectievelijk 86,0% en 95,1%. Daarnaast gelden er voor ProRailprestatie-indicatoren met betrekking tot impactvolle storingen en debetrouwbaarheid van regionale series. Voor NS gelden prestatie-indicatoren met betrekking tot klantoordelen, het aantal drukke treinenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3413 in de spits, zitplaatskans, kwaliteit van aansluitingen op anderevervoerders, impactvolle storingen veroorzaakt door NS, kwaliteit vanreisinformatie en vermeden CO2-uitstoot.•We verbeteren de bereikbaarheid van OV-knooppunten,voorzieningen, werk en woningen met de fiets. In 2030 makenwe minimaal 20% meer fietskilometers ten opzichte van 2017.De fiets is een praktisch én gezond vervoersmiddel. Daarom wordt hetNationaal Toekomstbeeld Fiets (NTF) uitgevoerd. Het NTF heeft alsdoel om in Nederland in 2027 20% en in 2040 40% meer fietskilometerste realiseren ten opzichte van 2017.•We breiden het aantal fietslessen met minimaal 10% uit enlaten de uitgifte van fietsen met minimaal 10% groeien doorde inzet van de City Deal Fietsen voor Iedereen. De City Dealricht zich op het vergroten van de toegang tot de fiets voor mensenmet een laag inkomen, kinderen en mensen die nooit hebben lerenfietsen. In Nederland heeft circa één op de tien mensen geen fiets enfietst één op de vijf mensen niet of nauwelijks. En in steden hebbengemiddeld 2 kinderen per klas geen fiets, en fietst 1 op de 11 kinderennooit of nauwelijks. De uitvoering van de City Deal vindt plaats samenmet 33 partners, waaronder meerdere departementen, provincies,gemeenten, maatschappelijke organisaties en bedrijven.•We streven om 10% van de spitsreisbewegingen op de10 drukste punten van onze weg- en OV-netwerken in 2035 teveranderen naar dalreisbewegingen. Voor 2030 zal voor hetprogramma spitsspreiden en -mijden een tussenevaluatie wordenuitgevoerd, waarbij ook inzichtelijk wordt gemaakt hoe ver we zijn.Tussendoelen 2026•Regio’s leveren in 2026 een regionale bereikbaarheidsanalysezodat we voor elke regio inzicht hebben in de staat vanbereikbaarheid. Dit levert ook een beeld van de koppelkansen tussenbereikbaarheid en woningbouw.•De huidige betalingsstromen binnen het OV moeten beter inkaart gebracht worden om te bezien of de financieringsstro-men aanpassing behoeven, met het oog op de robuustheid vande bekostiging van het OV. Op dit moment wordt een betaalbaar-heidsonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek wordt naar verwachting inde zomer opgeleverd en zal in het najaar met een kabinetsreactieworden aangeboden aan de Kamer.Tussendoelen zomer 2026•Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de voort-gang van de acties vallend onder de IenW UitvoeringsagendaFiets en de IenW Agenda Lopen als Kans. De opgedane kennisvan deze agenda’s en de kennis en ervaring van partners uit het fiets-en loopdomein wordt gebundeld in een Uitvoeringsagenda NTF eneen Uitvoeringsagenda Lopen. Het voornemen is deze nationaleagenda’s eind van het jaar met de Kamer te delen.•De Kamer ontvangt voor de zomer een voortgangsbrief over detoekomstige marktordening op het spoor. Met die brief wordtbenoemd waar een kabinetsbesluit in 2027 zich op zal richten, wordenonderzoeksrapporten aangeboden aan de Tweede Kamer en wordenvervolgstappen richting een kabinetsbesluit in 2027 geschetst.Daarmee werken we aan een spoorstelsel dat beter aansluit op degroeiende mobiliteitsvraag en de internationale bereikbaarheid vanNederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3414 3. Nederland veilig houden in een veranderende verhouding enstrijd met het water Als laaggelegen delta is waterveiligheid een basisvoorwaarde voor eenleefbaar en welvarend Nederland. Ons land heeft van oudsher eenbijzondere relatie met water. Water kan ons bedreigen, maar is tegelijkonmisbaar voor onze economie en voor onze positie als handelsland.Daarom blijven investeringen in waterveiligheid noodzakelijk, in zandsup-pleties om ons tegen de zee te beschermen en de kustlijn op peil tehouden, in dijkversterking, en in stormvloedkeringen. We strijden aleeuwen tegen het water. Lange tijd lag de nadruk vooral op beschermingtegen de zee. Door klimaatverandering komt het water nu steeds vakerook van andere kanten: via de rivieren, door hevige neerslag en vanonderen door toenemende verzilting in kustgebieden. De opgaveverandert, en daarom moet onze aanpak mee veranderen.De uitdagingen nemen fors toe. Het gaat niet langer alleen om watervei-ligheid, maar ook om wateroverlast en waterbeschikbaarheid. We krijgente maken met zeespiegelstijging, verzilting, extremer weer en de noodzaakom rivieren meer ruimte te geven. Nederland is de best beschermde deltater wereld, en dat willen we zo houden. Daarom is het doel dat in 2050 alleprimaire waterkeringen voldoen aan toekomstbestendige normen. Wekiezen voor robuuste oplossingen en ecologisch bestendige systemen. Wezetten in op ruimte voor de rivieren en op een klimaatbestendigNederland. Met de Nationale Klimaatadaptatiestrategie bereiden we onsbeter voor op klimaatverandering, zodat Nederland ook in de toekomsteen veilige delta blijft voor burgers en bedrijven. Daarmee looptNederland voorop in Europa en werken we nauw samen met anderelidstaten en de Europese Commissie.De maatschappelijke opgaven van IenW zijn onlosmakelijk verbonden metontwikkelingen in de wereld om ons heen. Als coördinerend Ministerievoor klimaatadaptatie, water en infrastructuur speelt IenW ook internati-onaal een belangrijke rol. Het kabinet zet water in als verbindend themavoor Nederlandse weerbaarheid en verdienvermogen, ook in hetCaribisch deel van het Koninkrijk. De Nederlandse reputatie en interna-tionale relaties op het gebied van water zijn daarbij van grote waarde,juist in een tijd waarin Europa en Nederland zich opnieuw positioneren.IenW brengt kennis, ervaring en vertrouwen in om bestaande bilaterale enmultilaterale samenwerkingen te versterken en nieuwe samenwerkingenaan te gaan. Samen met het Ministerie van Economische Zaken zetten weons in voor meer export en verdienvermogen op het gebied van water-technologie, maritiem, deltatechnologie en klimaatadaptatie.Doelen voor einde kabinetsperiode (2030)•Ruimte reserveren voor waterveiligheid van de toekomst. In2030 is in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 debinnendijkse ruimte gereserveerd die nodig is om ook in de toekomsthoogwater veilig af te kunnen voeren. Dit is vastgelegd in het Besluitkwaliteit leefomgeving. Om de kust en kustlijn ook in de toekomst tekunnen beschermen is heel veel zand nodig dat steeds schaarserwordt. In het Nationaal Waterprogramma geven we aan hoe we dezandvoorraden voor de toekomst kunnen blijven garanderen.•Met een nieuwe landelijke norm voor wateroverlast maken weNederland klimaatbestendig voor piekbuien. Uiterlijk in 2030hebben we een landelijke norm voor wateroverlast vastgesteld. Dezenorm voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in bebouwd gebied zorgtervoor dat we om kunnen gaan met korte buien en met langdurigeraanhoudende buien die minder vaak voorkomen (herhalingstijd vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3415 eens in de 100 jaar). Onder deze norm moet de nieuwbouw bestandzijn tegen een bui van 1 uur van 70 mm neerslag en een bui van 24 uurmet 120 mm neerslag zonder dat er wateroverlast optreed.•We streven in deze kabinetsperiode naar 20% groei in deexport van de Nederlandse watersector. Nederlandse waterkennisdraagt substantieel bij aan het verstevigen van bilaterale en multilate-rale banden en daardoor aan onze weerbaarheid en verdienvermogenin een veranderende wereld.Tussendoelen 2026•Besluiten over binnendijkse ruimtelijke reserveringen pro-gramma Ruimte voor de Rivier 2.0. Dit jaar nemen we in juni en inhet najaar besluiten over de ruimte die de rivier op de lange termijnnodig heeft om de hogere rivierafvoeren van de toekomst veilig tekunnen afvoeren en Nederland te blijven beschermen tegen overstro-mingen. Door nu keuzes te maken investeren we in de waterveiligheidvan de toekomst.•Herijking Deltabeslissingen, voorkeursstrategieën Deltapro-gramma 2027. Het Deltaprogramma heeft als doel Nederland oplange termijn veilig en leefbaar houden. Vanuit het kabinet werken wijsamen met provincies, waterschappen, gemeenten, kennisinstellingenen maatschappelijke organisaties aan waterveiligheid, zoetwater-beschikbaarheid en een klimaatbestendige ruimtelijke inrichtingrichting 2100. Dit najaar wordt de Kamer geïnformeerd over deherijking van de Deltabeslissingen en voorkeursstrategieën voor hetDeltaprogramma 2027. De kabinetsappreciatie hierop landt in hetontwerpNationaal Water Programma, later dit jaar. Bovenstaande volgtde herprioritering op het Deltafonds, waar wij de Kamer voor de zomerover informeren.•Zicht op gevolgen van extreme regen en wateroverlast. Ommeer zicht te krijgen op de gevolgen van extreme regen (denk aan deextreme hoosbui die in 2024 over Enschede trok) hebben we landelijkin kaart gebracht waar water kan komen te staan, hoe diep en hoelang11. Daarvan brengen we nu gevolgen in kaart bijvoorbeeld op devitale infrastructuur zoals energie en infrastructuur. De resultatenlanden eind 2026 in de Nationale Aanpak Wateroverlast waarin wevastleggen op welke manier we de komende jaren Nederland beterbeschermen tegen economische en maatschappelijke schade doorpiekbuien. De aanpak biedt handelingsperspectief voor burgers enbedrijven en kent vijf lijnen: vergroten van weerbaarheid via deWaterwijzer Gebouwde Omgeving, landelijke normen voor nieuw-bouw, overleg met provincies over aanpassen van provinciale normen,het vergroten van de sponswerking van de bodem en bovenregionalestresstesten en de gevolgen van extreme regen voor bijvoorbeeld devitale infrastructuur.•Voor een klimaatbestendig Nederland, nu en in de toekomst,stellen we de Nationale Klimaatadaptatiestrategie (NAS) vast.Dit jaar stellen we de commissie lange termijn financieringwateropgaven in. Toenemende weersextremen en een stijgendezeespiegel stellen nieuwe en hogere eisen aan ons watermanagement.Inzicht in financiële consequenties, uitvoeringskracht en besluitvor-ming is nodig om Nederland tijdig aan te passen. Dit najaar doet hetkabinet een voorstel voor de instelling van een derde Deltacommissiedie het kabinet daarover zal adviseren. Met de Nationale Klimaatadap-tatiestrategie (NAS) bereidt het kabinet Nederland voor op degevolgen van klimaatverandering, zoals droogte, hitte en extremeneerslag. Het doel is een klimaatbestendig Nederland, nu en in de11Kamerstuk 27 625, nr. 721 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3416 toekomst. Dat betekent niet dat we alle risico’s kunnen uitsluiten. Welzorgen we ervoor dat er op ieder moment sprake is van een door-dachte mix van preventie, beheersing, acceptatie van restrisico’s enflexibiliteit, zoals het reserveren van ruimte voor toekomstigemaatregelen. Zo werken we aan een klimaatweerbaar Nederland, opde korte en lange termijn. De NAS bevat, onder coördinatie van deMinister van IenW, Rijksbreed beleid op vijftien terreinen, waaronderinfrastructuur, woningbouw en economie. Voor elk terrein zijnambities, verbeterdoelen en Rijksinspanningen geformuleerd. Destrategie geldt voor zowel Europees als Caribisch Nederland.De Europese Commissie presenteert eind 2026 een Europees klimaatadap-tatieplan. Nederland levert hiervoor input. Het doel is om de aanpak vanklimaatbestendigheid binnen de Europese Unie verder te harmoniserenen te versnellen.•We stellen voor het eind van het jaar het ontwerpNationaalWaterprogramma 2028–2033 vast, met een strategie opwatertekorten en wateroverlast, waterveiligheid en waterkwa-liteit. Met water vasthouden, slimmer verdelen, het robuuster makenvan sectoren en voorzieningen en schade accepteren maken we onsweerbaarder tegen watertekorten. Vergroten van de sponswerking inde regio’s en maatregelen in het hoofdwatersysteem, zoals hetoptimaal inzetten van de buffer in het IJsselmeer, kunnen de effectenvan klimaatverandering verminderen, maar niet volledig compenseren,aanpassing is nodig.•Vanaf eind 2026 starten we met betere sturing op en doelma-tigheid van het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP).Dit op basis van de nieuwe, uitgewerkte bestuurlijke afspraken naaraanleiding van de herijking van het programma, en met periodiekemonitoring samen met de waterschappen.Tussendoelen zomer 2026•Voor de zomer wordt de eindrapportage van het kennispro-gramma zeespiegelstijging aangeboden aan de Kamer,inclusief een schets van het vervolg. Met de eindrapportage stormbrengen we in beeld hoe houdbaar de huidige aanpak is en welkealternatieven er zijn, zodat we tijdig voorbereid zijn op zeespiegelstij-ging en de keuzes die dat in de toekomst vraagt.•Zomer 2026 worden maatregelen bepaald voor het stabiliserenvan de rivierbodem. Hiermee zorgen we dat de problemen in drogeperiodes met laagwater niet erger worden waarmee we bijdragen aanblijvende bevaarbaarheid, herstel van de zoetwaterverdeling, ecologieen voorkomen van funderingsschade.4. Veilig op de weg en in het OV Ons verkeer verandert; het aantal auto’s groeit, en iedereen merkt dat hetdringen is op het fietspad. Verkeersveiligheid blijft een belangrijkeprioriteit en van grote waarde voor ons land. Het afgelopen jaar kwamen759 mensen om in het verkeer. 84 meer dan in 2024. De meeste slacht-offers waren fietsers, vooral mannen van 70 jaar en ouder.12 Ook hetaantal (ernstig) verkeersgewonden neemt toe, vooral onder ouderen engebruikers van (elektrische) fietsen. Daarmee lijkt het aantal verkeers-doden op een hoger niveau te zijn gekomen vergeleken met voorgaandejaren. Zonder extra maatregelen wordt een stijging verwacht van circa10% van het aantal verkeersdoden en circa 20% van het aantal verkeersge-wonden.13 Dit zijn geen abstracte cijfers, want achter elk cijfer zit een12https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2026/15/meer-verkeersdoden-in-202513Bron: SWOV, Staat van de Verkeersveiligheid 2025, p.20, Den HaagTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3417 familielid, vriend of collega die ’s ochtends van huis vertrok en niet meerthuiskomt. Dat zorgt voor veel verdriet en raakt de hele samenleving. Demaatschappelijke kosten van verkeersongevallen bedragen circa33 miljard euro per jaar14 en worden elke dag zichtbaar: op de spoedei-sende hulp waar slachtoffers worden binnengebracht, op de werkvloerwaar mensen langdurig uitvallen, op wegen en spoor waar vertraging enschade ontstaan, en in gezinnen waar het leven na een ongeval nooitmeer hetzelfde zal zijn.We werken aan een land waar iedereen veilig thuis kan komen. Dat doenwe nauw samen met andere departementen en medeoverheden. Daarbijgeldt dat wij vanuit onze rol als weg- en spoorbeheerder ook verantwoor-delijk zijn voor de verkeersveiligheid op Rijkswegen en de spoorveiligheid.Twee keer per jaar gaat het kabinet met de Kamer in gesprek over deaanpak van verkeersveiligheid. Momenteel wordt bijvoorbeeld gewerktaan onder meer een Aanpak voor Fatbikes en het Meerjarenplan Fietsvei-ligheid.Ook het versterken van de sociale veiligheid in het openbaar vervoer enop stations en perrons is een belangrijk aandachtspunt van het kabinet.Reizigers moeten veilig van A naar B kunnen, en personeel moet veilig hetwerk kunnen doen. Daarvoor worden OV-boa’s beter in staat gesteld omoverlastgevers effectief aan te pakken en wordt de aanpak van zwartrijdenen overlast geïntensiveerd. De identificatie van zwartrijders en overlast-gevers in het openbaar vervoer door OV-boa’s wordt met behulp van demogelijkheid van inzage in de pasfoto uit het rijbewijsregister makkelijkergemaakt. We stellen een nieuw landelijk Convenant op voor socialeveiligheid in het OV 2026–2030 om invulling te geven aan de gezamenlijkeopgave op het gebied van sociale veiligheid. Veilig onderweg moetvanzelfsprekend zijn.Doelen voor einde kabinetsperiode (2030)•De stijgende trend van het aantal verkeersslachtoffers gaanwe keren. De aanpak vergt zorgvuldigheid: voor de zomerdelen wij met de Kamer een aangescherpte aanpak. We strevennaar veilige infrastructuur, veilige voertuigen en veilig gedrag van,voor en door alle verkeersdeelnemers, waarbij iedereen een eigenverantwoordelijkheid kent en deelname nooit zonder risico is. Samenzorgen we ervoor dat iedereen veilig mobiel is én blijft.•We werken samen met het Ministerie van Justitie en Veiligheid(JenV) aan de versterking van de verkeersveiligheid vanuithandhaving, waarbij wij elkaar waar mogelijk ondersteunen.Het kabinet presenteert begin mei het derde Landelijk Actie Planverkeersveiligheid 2026–2029 aan de Tweede Kamer. Dit plan bevat eensamenhangend en uitgebreid pakket aan maatregelen, dat zich richt ophet verder professionaliseren van de risicogestuurde aanpak en hetdoorontwikkelen van bestaande interventies, aangevuld met nieuwgeïdentificeerde maatregelen die inspelen op actuele risico’s,waaronder fietsveiligheid, versterkte handhaving op risicogedrag eneen persoonsgerichte aanpak voor veelplegers.•Handhaving van het huidige hoge spoorveiligheidsniveau. Hetaantal significante ongevallen (dat wil zeggen met slachtoffers, groteverstoring en/of schade) per treinkilometer ligt in Nederland duidelijklager dan in vergelijkbare Europese landen als Duitsland, België,Denemarken en Zwitserland. Dat willen we zo houden.14Bron: SWOV (2024). Kosten van verkeersongevallen. SWOV-factsheet, juni 2024. SWOV,Den HaagTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3418 •We zetten onze schouders onder een merkbare afname vanagressie en overlast in het openbaar vervoer, en werken aaneen veilig gevoel. Dit is een essentiële randvoorwaarde voor eentoegankelijk, betrouwbaar en aantrekkelijk OV. Reizigers en personeelmoeten zich veilig kunnen voelen gedurende de hele reis of werkdag:startend met de route naar het station of de halte, het wachten bij dehalte of op het perron, tussendoor overstappen, tot en met de rit in hetvoertuig en het bereiken van de eindbestemming.Tussendoelen 2026•In de tweede helft van het jaar zet het kabinet verdere stappenin het komen tot een aparte voertuigcategorie voor fatbikes.De snelle opkomst van fatbikes gaat gepaard met groeiende overlast,onveilige verkeerssituaties en een zorgwekkende stijging van hetaantal ongevallen onder jonge bestuurders. Vooral onder jongerenneemt het aantal ongelukken met elektrische fietsen, waaronderfatbikes, sterk toe. Het aantal gevallen van hersenletsel is in de periode2020–2024 zelfs verzesvoudigd15. Tegelijkertijd zorgen opgevoerdefatbikes en het ruime aanbod van goedkope, ondeugdelijke en deelsillegale modellen voor extra risico’s op de weg. Dit is een ontwikkelingdie om actie vraagt.•Met de inzet van partners in het Strategisch Plan Verkeersvei-ligheid (SPV) wordt het resterende budget van de Investerings-impuls verkeersveiligheid besteed aan doelmatige en kostenef-fectieve infrastructurele verkeersveiligheidsmaatregelen. Doormiddel van 50% cofinanciering ondersteunen we met de Investerings-impuls gemeenten, provincies en waterschappen bij het treffeninfrastructurele verkeersveiligheidsmaatregelen.•We voeren een zero-tolerancebeleid voor alcohol- en drugsge-bruik in het verkeer. In dat kader zal Stichting WetenschappelijkOnderzoek Verkeersveiligheid (SWOV) een onderzoek opleveren naarde uitwerking van een nullimiet (zero-tolerance). We werken dit samenmet JenV verder uit.•Komend jaar zet het kabinet stappen om sociale veiligheid inhet OV te vergroten. Zo wordt een nieuw landelijk Convenantsociale veiligheid in het OV 2026–2030 opgesteld om invulling te gevenaan de gezamenlijke opgave op het gebied van sociale veiligheid.Hierbij nemen we de afspraken uit het Coalitieakkoord mee. Dezewordt halverwege 2026 door alle betrokken partijen ondertekend enaan de Tweede Kamer aangeboden. Daarnaast worden OV-boa’s beterin staat gesteld om overlastgevers effectief aan te pakken. Eenontwerpbesluit dat het mogelijk maakt om zwartrijders en overlastge-vers beter te identificeren op basis van de pasfoto uit het rijbewijsre-gister, is in het kader van een voorhangprocedure inmiddels aan deKamer voorgelegd. Ook wordt 12 miljoen euro extra geïnvesteerd in deaanschaf van bodycams voor hoofdconducteurs.•Om de veiligheid op en rond stations te vergroten is vanuit deStationsagenda 4,6 miljoen euro beschikbaar voor hetplaatsen van extra camera’s en het nemen van fysieke maatre-gelen op stations die op sociale veiligheid een onvoldoendescoren. De eerste vier stations zijn inmiddels voorzien van extracamera’s. In de eerste helft van 2026 zullen nog tien stations wordenvoorzien van extra camera’s. Daarnaast is vanuit het Actieplan «Eenveilig station; altijd voor iedereen!») 20 miljoen euro beschikbaar voormaatregelen waarmee de gebieden op en rond het station merkbaarveiliger worden gemaakt voor reizigers en personeel. Hierbij wordtvanuit een lokaal perspectief nadrukkelijk gekeken naar een breder15Kamerstuk 29 398, nr. 1193 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3419 palet aan maatregelen. Tijdens de pilotfase in 2026 zullen op de eerstedrie stations (Almelo, Bergen op Zoom en Purmerend) de eerstemaatregelen worden genomen. Voorts wordt bezien welke 10 tot15 stations in de tweede fase van het programma zullen wordenaangepakt.•Om in te zetten op behoud van het huidige hoge spoorveilig-heidsniveau wordt in 2026 een nieuw beleidskader uitgewerkt.Inzet is deze een lange houdbaarheid te geven van tenminste tien jaar,zodat de kern van het spoorveiligheidsbeleid voorspelbaar en robuustis. Voornemen is het beleidskader per spoorveiligheidsdeelonderwerpuit te werken in de beleidsagenda, waarin de stappen wordengeformuleerd die nodig zijn om het hoge veiligheidsniveau te kunnenhandhaven. Hiervoor is bijvoorbeeld de stapsgewijze invoering vanERTMS noodzakelijk.Tussendoelen zomer 2026•Voor de zomer presenteert het kabinet een aangescherpteaanpak om de stijgende trend van het aantal verkeerslachtof-fers te breken. We maken daarin duidelijk hoe de ambitie van nulverkeersslachtoffers in 2050 is uitgewerkt naar een bereikbaarRijksdoel voor 2035, met meetbare indicatoren die de komende jarenworden gemonitord.•De Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid(SWOV) onderzoekt de uitwerking van een nullimiet (zero-tolerance). We werken dit samen met JenV verder uit.•We presenteren de Strategische Agenda VerkeersveiligheidRijkswegen (SAVeR), die de grootste risico’s op Rijkswegen integraalin beeld brengt en schetst welke vervolgstappen nodig zijn om binnende mogelijkheden de verkeersveiligheid op Rijkswegen structureel teverbeteren.•De Kamerbrief Aanpak Fatbikes van dit voorjaar bevatmaatregelen om jongeren te beschermen, de veiligheid op deweg te vergroten en overlast terug te dringen. Er wordt onderandere gewerkt aan het instellen van een aparte voertuigcategorievoor fatbikes. Na de zomer ontvangt de Kamer de uitkomsten van deverschillende aangekondigde onderzoeken en het vervolg op deAanpak Fatbikes.5. Een schone, gezonde en veilige leefomgeving in de sterksteeconomische delta van de wereld De afgelopen vijftig jaar is er veel bereikt: de lucht en het water inNederland zijn schoner geworden, bodemverontreinigingen zijnopgeruimd en het gat in de ozonlaag herstelt voorspoedig door eeninternationaal verbod op chloorfluorkoolwaterstoffen (CFK’s). We liggenop koers om de doelen van het Schone Lucht Akkoord te halen: 50%gezondheidswinst in 2030 ten opzichte van 2016. Internationaal ennationaal milieubeleid is succesvol als bedrijven, onderzoeksinstituten,inwoners en overheden samenwerken. Op die succesvolle basis willen wedoorbouwen. Dit betekent dat wij als overheid de ruimte geven aanbedrijven om invulling te geven aan hun gedeelde verantwoordelijkheidom de leefomgeving gezond, schoon en veilig te houden. Hierbij zal deoverheid (innovatie) stimuleren waar het kan en normeren waar het moet.Op een aantal gebieden is extra inzet nodig. Daarbij zetten we degezondheid van mensen voorop, waarbij we de lastendruk voor hetbedrijfsleven niet willen verhogen, bij voorkeur verlagen, en kijken waarvergunningverlening kan worden versneld en vereenvoudigd. Eengezonde leefomgeving is essentieel voor een toekomstbestendigeeconomie, ook al kunnen die twee soms schuren. Het gaat erom de balansTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3420 tussen milieu en economie te bewaken. Op de lange termijn vormt eenschone, veilige en leefbare omgeving immers de basis voor blijvendewelvaart en groei.Het kabinet kiest voor pragmatisch beleid dat werkt in de praktijk. Methelder geformuleerde middellange termijndoelen scheppen we duide-lijkheid voor het bedrijfsleven en daarmee een belangrijke voorwaardevoor de industrie om te kunnen innoveren en investeren. Tegelijkertijdwillen we bijdragen aan voortgang van grote maatschappelijke opgaven,zoals meer woningen, minder stikstofuitstoot en het tegengaan vanklimaatverandering. Zo zijn recent op veel plekken de geluidproductiepla-fonds verlaagd. Doordat hier minder mitigerende maatregelen nodig zijnwordt woningbouw eenvoudiger en betaalbaarder.We zetten drie lijnen centraal en schetsen een helder toekomstperspectief.We versterken de leefomgeving door betere regelgeving, vergunningver-lening, toezicht en handhaving en werken aan toekomstgericht beleidvoor lucht. We gaan daar komen door niet alleen te normeren, maar ookdoor het stimuleren van innovatie en bedrijven hier de ruimte voor tegeven. Innovatie en verduurzaming kunnen een belangrijke sleutel zijn omde leefomgeving te verbeteren. Het is daarbij van belang dat partijen zelfde handschoen kunnen oppakken. Toekomstgericht beleid voor water enbodem naast lucht vormt tot slot een belangrijke basis.5.1 Gezonde leefomgeving Gezondheid is een groot goed. Mensen in Nederland moeten erop kunnenvertrouwen dat de overheid hier zorg voor draagt. Hiervoor is het vanbelang dat we met medeoverheden, burgers en bedrijven toe te werkennaar een aanpak die veilig en schoon aan de voorkant is. We willenvervuiling zoveel mogelijk bij de bron voorkomen: de bronaanpak. Insommige gevallen is dat (nog) niet mogelijk en wordt de leefomgevingtoch belast. In die gevallen streven we ernaar de schadelijke effecten vande vervuiling op de gezondheid van mens en ecosysteem te niet te doendoor mitigerende maatregelen te treffen, zoals goede ruimtelijkeordening. Maar ook dat kan niet altijd: dan zullen we de (resterende)belasting van de leefomgeving moeten accepteren, voor zover dat binnende bestaande regelgeving past.We gaan aan de slag met wat in de praktijk werkt voor betrokkenorganisaties en wat aansluit bij de leefwereld van mensen. Het milieu-beleid moet bovendien aansluiten bij belangrijke maatschappelijkeontwikkelingen en daaraan bijdragen.Schadelijke stoffen zoals PFAS en andere zeer zorgwekkende stoffen zijneen groot risico voor mens en milieu. Nederland zet zich actief in voor eenEuropese PFAS-restrictie en werkt aan minder emissies en beteremonitoring. Ook scherpen we nationaal bestaande lozingsvergunningenwaar nodig aan en staan we nieuwe lozingen alleen toe onder striktevoorwaarden en op basis van de best beschikbare technieken.Ook de luchtkwaliteit moet structureel verbeteren: een Europese afspraakom hoge gezondheidskosten te verminderen. Het Rijk blijft zich samenmet medeoverheden inzetten voor een goede uitvoering van het SchoneLucht Akkoord met als doel om in 2030 te voldoen aan de concreteluchtkwaliteitsnormen uit de herziene Europese richtlijn luchtkwaliteit.Ook de gezondheid van omwonenden van specifiek de industrie krijgtnadrukkelijk aandacht. Binnen de Actieagenda Industrie en Omwonendenonderzoeken we hoe die gezondheid beter kan worden beschermd, metbehoud van concurrentiekracht en zonder extra regeldruk voor bedrijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3421 Dit gebeurt via pilots, verkenningen en een nationale gesprekstafel metomwonenden, overheid en industrie. Dit om te komen tot een aanpak diewerkt in de praktijk waarbij de gezondheid van omwonenden wordtbeschermd en de industrie kan innoveren en ontwikkelen.Een goed werkend stelsel van vergunningverlening, toezicht enhandhaving (VTH) is daarbij essentieel en moet verder worden versterkt.Dit vergt een goed samenspel tussen alle overheden met een eenduidigeverantwoordelijkheidsverdeling. Een goed stelsel beschermt de leefom-geving en zorgt voor een gelijk speelveld voor bedrijven. Robuusteomgevingsdiensten zijn daarin niet weg te denken. Informatie tussenketenpartners moet beter worden ontsloten en toegepast om milieu-schade te voorkomen. Inspecties spelen daarin een belangrijke rol: zij zijnde ogen en oren in de praktijk en kunnen misstanden snel signaleren. DeInspectie Leefomgeving en Transport (ILT) draagt hieraan bij doorregelgeving vooraf te toetsen, praktijkkennis in te brengen, maatschappe-lijke risico’s te signaleren en erop toe te zien dat maatregelen wordengenomen en het beoogde effect hebben. Zo helpt de ILT om de balans tebewaken tussen huidige en toekomstige welvaart en welzijn.In het Nationaal Milieu Programma (NMP) wordt een samenhangende enoverkoepelende koers uitgezet naar een gezonde, schone en veiligeleefomgeving in 2050. Zodat we aan de ene kant koesteren wat we nuhebben, maar ook werken aan de uitdaging van morgen. Hiermeescheppen we duidelijkheid voor bedrijven zodat zij kunnen investeren eninnoveren.Doelen einde kabinetsperiode (2030)•Het NMP is vastgesteld, zodat partijen zoals medeoverheden,bedrijven, kennisinstellingen en anderen zich daarop kunnenrichten.•Het VTH-stelsel is versterkt met bijpassende wetgeving. Deomgevingsdiensten zijn robuust. De digitalisering om onsVTH-stelsel te versterken is opgezet.•Een Europees verbod op PFAS is gerealiseerd. Dit betekent datsommige producten per direct geen PFAS meer mogen bevatten endat voor andere producten een realistisch tijdpad richting verbod isafgesproken.•We dringen de vervuiling door zeer zorgwekkende stoffenverder terug door bestaande lozingsvergunningen kritisch tetoetsen en waar nodig aan te scherpen. Nieuwe lozingen zijnalleen mogelijk onder strikte voorwaarden en op basis van de bestbeschikbare technieken.•De herziene richtlijn luchtkwaliteit is geïmplementeerd. Eén ofmeer routekaarten zijn samen met andere overheden opge-steld en in uitvoering om de grenswaarden te halen in 2030,danwel zo snel mogelijk erna. Dit betreft de implementatie van eenEuropese richtlijn die eind 2024 is aangenomen16. We willen derichtlijn transparant en met haalbare stappen implementeren zodatmedeoverheden, bedrijven en burgers weten waar ze aan toe zijn.•Het kabinet heeft onder andere met de Actieagenda Industrieen omwonenden concrete stappen gezet om de gezondheidvan omwonenden van industrie te verbeteren met behoud vanconcurrentiekracht en zonder bovenmatige regeldruk.16Richtlijn (EU) 2024/2881 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2024betreffende de luchtkwaliteit en schonere lucht voor Europa (herschikking), zie ook: Kamer-brief over implementatie herziene EU-richtlijn luchtkwaliteit | Kamerstuk | Rijksoverheid.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3422 •De geurregelgeving voor stallen is verbeterd. Er zijn aange-scherpte normen vastgesteld die situaties met teveel geuroverlastverbeteren.Tussendoelen 2026•Het wetsvoorstel VTH is in behandeling bij de Tweede Kameren de robuustheid van de omgevingsdiensten is verderversterkt. Hiertoe zijn robuustheidscriteria geformuleerd. Het trajectvan robuustwording wordt gemonitord.•Wetgeving voor luchtkwaliteit is gereed en een stappenplan isopgesteld zodat medeoverheden, bedrijven en burgers helderhebben welke weg te gaan om aan de grenswaarden van deherziene richtlijn luchtkwaliteit te voldoen.•Richting Europa is de Nederlandse positie over PFAS heldervastgesteld en wordt gericht op een ambitieuze Europeseaanpak van PFAS.•Een landelijke gesprekstafel met omwonenden en industrie isopgestart. De tafel bezoekt verschillende regio’s en gaat in gesprekmet de lokale gemeenschap, waaronder de lokale overheden,omwonenden uit de regio en bedrijven. Zo zorgen we dat mensen zichgehoord voelen, dat signalen landelijk of lokaal bij het juiste loketterechtkomen en dat, waar nodig en wenselijk, signalen wordenmeegenomen in bestaand of nieuw beleid.Tussendoelen zomer 2026•De contouren van de aanpak voor luchtkwaliteit wordenbepaald. De Kamer wordt voor de zomer geïnformeerd hoe diebijdragen aan het halen van de aangescherpte Europese normen voorluchtkwaliteit richting 2030. Dit betreft de implementatie van eenEuropese richtlijn die eind 2024 is aangenomen. We willen de richtlijntransparant en met haalbare stappen implementeren zodat medeover-heden, bedrijven en burgers weten waar ze aan toe zijn.•Rond de zomer komt het kabinet met voorstellen vooraangescherpte geurnormen en maatregelen om situaties metteveel geurhinder te verbeteren. In 2027 volgt het conceptbesluitna oplevering van de plan-MER. De aanpak richt zich op verbeteringvan de leefomgeving in het landelijk gebied, met zorgvuldige afwegingvan de belangen van omwonenden, veehouders en gemeenten.•Voor de zomer leggen wij het wetsvoorstel versterking van hetstelsel van vergunningverlening, toezicht en handhaving (VTH)ter advies voor aan de Raad van State.•De richting van het NMP is bepaald. De Kamer ontvangt nadereinformatie over het Nationaal Milieu Programma (NMP) en de verdereinvulling van het lange termijn milieubeleid richting 2050.•Een wetsvoorstel om lozingsvergunningen regelmatig aan tepassen gaat deze zomer in consultatie.5.2 Innovatie Innovatie is een belangrijke sleutel om de huidige kabinetsopgaven aan tepakken. We werken toe naar een nieuw perspectief, waarin innovatie enverduurzaming leiden tot betere oplossingen. We dagen bedrijven uit omte kiezen voor schone alternatieven, zodat ze bijdragen aan het concurren-tievermogen van Nederland met een innovatieve, toekomstbestendigeeconomie. Door duidelijkheid te bieden over toekomstige regels en helderperspectief op de langere termijn, loont het voor bedrijven te investeren ininnovatie. Het is daarbij belangrijk hier samen met betrokken partijen aante werken zodat deze handschoen gezamenlijk wordt opgepakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3423 Denk bijvoorbeeld aan PFAS. Hier werken we met betrokken partijenonder andere aan het terugdringen van de vraag naar PFAS-houdendeproducten en het stimuleren van alternatieven in een recent, samen metalle partijen, gestart kenniscentrum. Daarnaast zoeken we naar innova-tieve manieren om bodem te saneren van PFAS zodat we kansen voor dewoningbouw creëren, zoals bij de vliegbasis van Soesterberg.Wij leveren een belangrijke bijdrage aan de veiligheid van sectoren die hetkabinet in Nederland wil versterken, zoals nucleaire energie en biotechno-logie. Dit doen we bijvoorbeeld door te zorgen voor goede, tijdigevergunningen voor nucleaire installaties en biotechnologische innovaties.Dit draagt bij aan de strategische autonomie van Nederland. Daarbij is hetvoor nucleaire toepassingen essentieel dat de Autoriteit NucleaireVeiligheid en Stralingsbescherming voldoende is toegerust op haar taak.Dit zal ervoor zorgen dat de sectoren kunnen groeien en er ruimte is voorinnovaties.De omgang met secundaire bouwstoffen zoals staalslakken vraagtblijvende aandacht. Het kabinet werkt aan een beleidskader voorsecundaire bouwstoffen en er wordt met producenten en gebruikersgekeken naar innovatieve, alternatieve toepassingen van staalslakken.Naast dat het kabinet zorg draagt voor de omwonenden van industrie zijnwij ook voornemens met de industrie zelf in gesprek te gaan over eenschonere industrie met oog voor innovatie en regeldruk. Hierbij onder-zoeken we hoe meerdere belangen gediend kunnen worden door slimmestappen te zetten.Er zijn vaak goede kansen om met één maatregel meerdere doelen tebereiken. Zo leidt bijvoorbeeld de elektrificatie van voertuigen enindustriële processen niet alleen tot minder afhankelijkheid van fossielebrandstoffen en klimaatwinst, maar ook tot schonere lucht en gezond-heidswinst. Hetzelfde geldt voor de stappen die het kabinet zet op hetgebied van stikstof. Zo kunnen stalmaatregelen bijdragen aan zowelvermindering van de stikstofuitstoot als vermindering van geuroverlast.We zullen altijd zoeken naar dit soort slimme combinaties.Doelen einde kabinetsperiode (2030)•We hebben de vraag naar PFAS-houdende producten vermin-derd, en alternatieven gestimuleerd. Hierdoor neemt de noodzaakaf om met PFAS te werken en neemt de emissie af.•Er worden nieuwe maatwerkafspraken gemaakt en reedsafgesloten maatwerkafspraken uitgevoerd met relevanteindustriële bedrijven, mede ten behoeve van een gezondeleefomgeving.•De nieuwe nucleaire initiatieven (nieuwe kernreactoren,SMR’s, schepen met nucleaire aandrijving) worden mogelijkgemaakt door robuuste regels voor nucleaire veiligheid. Debesluitvorming over eindberging van radioactief afval is versneld naar2050 en de ANVS is versterkt ten behoeve van vergunningverlening entoezicht voor de nieuwe initiatieven.•De kansen van de biotechnologiesector zijn op een veilige enverantwoorde manier benut doordat er een solide kader isopgeleverd. Vergunningen voor meer en complexere toepassingenworden tijdig verleend waardoor de sector de groei door kan makenzoals het kabinet voor ogen heeft.•We hebben uiterlijk in 2030 een definitieve oplossing voor deproblematiek met staalslakken. In aanloop naar een definitieveTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3424 oplossing worden tussentijds stappen gezet, waaronder met hetopleveren van de visie op secundaire bouwstoffen.Tussendoelen 2026•Voor het einde van het jaar presenteert het kabinet eenintegrale visie op secundaire bouwstoffen. Dit voorjaar is deKamer reeds geïnformeerd over de tijdelijke regeling rondomstaalslakken17.•In een industrietafel wordt met producenten en toepassersbesproken hoe innovatie de gezonde leefomgeving kanversterken en de grote opgaven van het kabinet kan onder-steunen.•Voor de zomer draagt IenW in totaal 75 regels over het geheleIenW terrein aan om regeldruk voor ondernemers te verminde-ren. Hierbij kijken we nadrukkelijk ook naar milieuwet- en regelgeving.Door daar slim naar te kijken verminderen we waar mogelijk regeldruken administratieve lasten voor bedrijven, passend bij het kabinets-brede doel om voor de zomer 500 regels te verminderen. Dit komt ookinnovatie ten goede. We zorgen altijd voor behoud van het bescher-mingsniveau van mens en milieu.•Maatwerkafspraken met relevante industriële bedrijvenworden samen met EZK verder gemaakt. Intentie is om eind vanhet jaar een maatwerkafspraak met Tata Steel Nederland te sluiten18.5.3 Toekomstgericht beleid voor water en bodem We werken met en niet tegen de natuurlijke kenmerken en beperkingenvan ons water- en bodemsysteem in, zodat we ons land ook op langetermijn veilig, leefbaar en veerkrachtig houden. In de Nota Ruimte isWater en Bodem Sturend een richtinggevend principe. Dit wordt op wegnaar de definitieve Nota Ruimte verder uitgewerkt, zoals gevraagd inmoties door de Tweede Kamer19. Doel is te komen tot goede, integraleafwegingen. Dit vraagt om nauwe samenwerking tussen Rijk, provincies,gemeenten en waterschappen waarbij het instrument Weging Water-belang consequent en betekenisvol wordt toegepast.WaterDe kwaliteit van ons oppervlaktewater en grondwater blijft een urgenteopgave. Nederland moet uiterlijk in 2027 voldoen aan de doelen van deKaderrichtlijn Water. Daarom werken we samen met provincies, water-schappen en andere partners aan een samenhangende aanpak om debelasting van water door nutriënten, gewasbeschermingsmiddelen enandere verontreinigende stoffen terug te dringen. Ook versterken we hettoezicht op lozingen en verbeteren we de monitoring van de waterkwa-liteit. Bij de herziening van de Kaderrichtlijn Water (KRW) zet Nederland inop vereenvoudiging. Doel is een ambitieuze en realistische richtlijn dieruimte biedt om samen met waterpartners concrete plannen uit te voerenen zo de risico’s van watervervuiling te verkleinen.Daarnaast zetten we ons ervoor in dat schoon drinkwater nu en in detoekomst beschikbaar blijft. Daarom geven we samen met provincies endrinkwaterbedrijven uitvoering aan het Actieprogramma BeschikbaarheidDrinkwaterbronnen.17Landelijk afvalbeheerplan | Tweede Kamer der Staten-Generaal18https://open.overheid.nl/documenten/3204f049-38e5-42bd-88d4-c75189aff783/file19Nota Ruimte | Tweede Kamer der Staten-GeneraalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3425 BodemBodem en ondergrond zijn van grote economische en maatschappelijkewaarde. Onder regie van IenW werkt het kabinet aan meer regie op deruimtelijke ordening onder het maaiveld. Dit wordt uitgewerkt in hetprogramma Bodem, Ondergrond en Grondwater, dat deze zomer terinzage wordt gelegd en in 2027 wordt vastgesteld. Ook moderniseren wedeze kabinetsperiode de bodemwet- en regelgeving, zodat die robuust entoekomstbestendig wordt. Daarbij schrappen we overbodige regels encreëren we meer ruimte voor innovatie. Een gezonde bodem neemt waterbeter op en houdt het langer vast, draagt bij aan meer groen in de stad enminder hittestress, vormt de basis voor goede woningen, versterkt debiodiversiteit en ondersteunt onze landbouw en voedselzekerheid. Tegelijkzien we de gevolgen van keuzes uit het verleden. Op veel locaties issprake van ernstige bodemverontreiniging en er is gebouwd in gebiedenwaar de bodem snel daalt. De maatschappelijke kosten daarvan zijn groot.Om toekomstige schade en kosten te beperken werken we aan nieuwbeleid voor gezonde en veerkrachtige bodems in 2030 en 2050, in lijn metde Europese richtlijn voor bodemmonitoring en bodemveerkracht. Weverkennen of de implementatie van deze richtlijn een integrerend kaderkan zijn voor de uitvoering van bodembeleid. Om deze maatschappelijkekosten in de toekomst te voorkomen, wordt in de zomer van 2026 eenkoersdocument opgeleverd. In het programma Bodem en Ondergrondleggen we daarnaast de nationale grondwaterreserves vast en de wijzewaarop we deze beschermen.Doelen einde kabinetsperiode (2030)•De waterkwaliteit wordt structureel verbeterd en we voldoenaan de eisen van de Kaderrichtlijn Water. Dit rapporteren we in deStroomgebiedbeheerplannen, die begin 2027 de inspraak in gaan en indecember 2027 worden vastgesteld.•We zorgen ervoor dat schoon drinkwater beschikbaar blijft, nuen in de toekomst. De beschikbaarheid van waterbronnen wordt met100 miljoen m` per jaar uitgebreid voor 2030. Dit doen we samen metprovincies en drinkwaterbedrijven in de samenwerking in hetActieprogramma Beschikbaarheid Drinkwaterbronnen•De Europese Richtlijn Bodemmonitoring en veerkracht wordtuiterlijk in 2028 en zo efficiënt mogelijk geïmplementeerd inNederlandse wet- en regelgeving en dient zoveel mogelijk alsintegrerend kader voor het Nederlandse bodembeleid.•Onder regie van IenW werkt het kabinet aan regie op deruimtelijke ordening onder het maaiveld. Dit wordt uitgewerkt inhet programma Bodem, Ondergrond en Grondwater (BOG), dat dezezomer ter inzage wordt gelegd en in 2027 vastgesteld.•We moderniseren deze kabinetsperiode de bodemwet- enregelgeving, zodat die robuust en toekomstbestendig wordt.Daarbij schrappen we overbodige regels en creëren we meer ruimtevoor innovatie. Tegelijk werken we, in lijn met de Europese richtlijnbodemmonitoring en bodemveerkracht, aan nieuw beleid voorgezonde en veerkrachtige bodems in 2030 en 2050. Een koersdocu-ment hiervoor verschijnt in de zomer van 2026.Tussendoelen 2026•De Kamer wordt dit najaar en komend jaar onder meergeïnformeerd over Water en Bodem Sturend als richtinggevendprincipe via de Nota Ruimte, het Nationaal Waterprogrammaen het programma Bodem, Ondergrond en Grondwater.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3426 •Het kabinet werkt, in lijn met de EU-richtlijn Bodemmonitoringen Veerkracht, toe naar een gezonde bodem in 2050 en zet inop versterking van de bodemveerkracht. Om deze ambitie naderte concretiseren, komt het kabinet met een beleidslijn voor bodemge-zondheid.•In het programma Bodem en Ondergrond leggen we denationale grondwaterreserves vast en bepalen we hoe dezeworden beschermd.•Samen met provincies en drinkwaterbedrijven vergroten we debeschikbaarheid van drinkwaterbronnen. De Kamer wordthierover geïnformeerd via de voortgang van het ActieprogrammaBeschikbaarheid Drinkwaterbronnen. Daarmee werken we aan eenruimtelijke inrichting waarin waterveiligheid, klimaatbestendigheid eneconomische ontwikkeling hand in hand gaan.•Bij de implementatie van de richtlijn Prioritaire stoffen en deRichtlijn Stedelijk Afvalwater zet Nederland in op transparan-tie en simplificatie van de normen.•Eind 2026 gaan de concept-stroomgebiedbeheerplannen terinzage.Tussendoelen zomer 2026•Voor de zomer zet het kabinet in op het versnellen vanmaatregelen voor waterkwaliteit. We werken aan het continuverbeteren van de oppervlaktewater- en grondwaterkwaliteit enrapporteren hier jaarlijks over in de voortgangsrapportages voor deKRW.•Samen met provincies, waterschappen en andere partnerswerken we aan een samenhangende aanpak om de belastingvan het water door nutriënten, gewasbeschermingsmiddelenen andere verontreinigende stoffen terug te dringen. Tegelijker-tijd versterken we het toezicht op lozingen. Ook verbeteren we demonitoring van de waterkwaliteit.•De Kamer wordt voor de zomer met het koersdocumentgeïnformeerd over hoe het kabinet toewerkt naar een gezondebodem die wateroverlast en droogte opvangt, toekomstbestendigelandbouw ondersteunt, drinkwater levert, klimaatverandering beperkten een stevige basis vormt voor natuur en leefbare steden en dorpen.6. Het afbouwen van kwetsbare afhankelijkheden in onzemobiliteit De oorlogen in het Midden-Oosten en Oekraïne maken opnieuw duidelijkhoe kwetsbaar ons mobiliteitssysteem is zolang het afhankelijk blijft vanfossiele brandstoffen uit een beperkt aantal landen. Zodra de aanvoerstokt of prijzen sterk stijgen raakt dat direct onze economie en onzebereikbaarheid. Om de Nederlandse transport- en mobiliteitssector sterk,weerbaar en minder afhankelijk te maken, moeten we die afhankelijkheidstap voor stap verkleinen. Meer autonomie vraagt om energie enbrandstoffen die we in Europa of dichter bij huis kunnen opwekken,produceren en beschikbaar maken. Dat betekent dat de mobiliteitssectorzich verder moet aanpassen en meer gebruik moet maken van elektriciteit,biobrandstoffen en synthetische brandstoffen.In 2050 moet de Nederlandse mobiliteitssector volledig onafhankelijk zijnvan fossiele brandstoffen. De geleidelijke afbouw van fossiele brand-stoffen in het wegvervoer, de scheepvaart en de luchtvaart maakt onsminder kwetsbaar voor geopolitieke spanningen en schommelingen op dewereldmarkt. Tegelijk zorgt deze omslag voor minder uitstoot vanbroeikasgassen. Dat is nodig om deze sectoren toekomstbestendig teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3427 maken en om bij te dragen aan het beperken van de mondiale tempera-tuurstijging tot maximaal 1,5 °C ten opzichte van het pre-industriëleniveau.In deze kabinetsperiode bouwen we voort op de ingezette transitie naareen mobiliteitssysteem dat schoner en energie-onafhankelijker is. In hetpersonenvervoer en het goederenvervoer over de weg ligt de nadruk opelektrificatie. Daarmee verkleinen we de afhankelijkheid van ingevoerdefossiele brandstoffen, versterken we onze energie-autonomie en verbe-teren we tegelijk de luchtkwaliteit. Elektrische voertuigen gebruikenbovendien veel minder energie dan voertuigen op benzine of diesel,waardoor met dezelfde hoeveelheid energie meer kilometers kunnenworden gereden. De elektrificatie van het openbaar vervoer en spoor is alvergevorderd. Deze beweging zetten we de komende jaren door. Bij dezeingezette transitie is het voor het kabinet belangrijk dat iedere inkomens-groep mee kan komen. Ook voor de binnenvaart is elektrificatie eenbelangrijke route naar een emissieloos en minder fossielafhankelijksysteem. Tegelijk is elektrificatie niet voor alle schepen haalbaar,bijvoorbeeld door de grote energiebehoefte of een vaarprofiel stroomop-waarts.Ook in 2030 zullen de scheepvaart, het wegverkeer en de luchtvaart nogvoor een belangrijk deel afhankelijk zijn van vloeibare brandstoffen. Juistdaarom is het van belang dat we de omslag maken naar duurzamealternatieven die onze afhankelijkheid van fossiele import verkleinen. Wezetten daarom in op duurzame biobrandstoffen en hernieuwbarebrandstoffen van niet-biologische oorsprong, zoals groene waterstof ensynthetische brandstoffen. De brandstoftransitieverplichting, waarmeeNederland uitvoering geeft aan de Renewable Energy Directive III, borgtdit met concrete verplichtingen voor broeikasgasreductie in mobiliteit.Voor de luchtvaart wordt ingezet op de productie van synthetischeluchtvaartbrandstoffen (e-SAF). Door ook na 2030 te blijven inzetten opsynthetische brandstoffen en biobrandstoffen, biedt het kabinet Neder-landse bedrijven perspectief, investeringszekerheid en een positie in debrandstoffenvoorziening van de toekomst.Niet alleen het gebruik van mobiliteit, maar ook de aanleg en hetonderhoud van infrastructuur hebben effect op de leefomgeving. Denkaan het gebruik van beton, staal en asfalt en aan de inzet van machines bijaanleg en onderhoud. In het nationaal programma Klimaatneutrale &Circulaire Infra werken we voor Rijkswaterstaat en ProRail samen metprovincies, gemeenten en waterschappen aan het verkleinen van dieimpact. Dat gebeurt bijvoorbeeld door betonnen liggers van viaducten uithet Rijksareaal te hergebruiken in het areaal van provincies engemeenten, waardoor we minder afhankelijk worden van schaarsegrondstoffen. Ook werken we aan schonere productiemethoden voorasfalt zodat de uitstoot naar de omgeving afneemt. Tegelijk stimuleert hetprogramma innovaties die de kwaliteit en levensduur van infrastructuurverbeteren en het werken in de sector aantrekkelijker maken.Doelen einde kabinetsperiode (2030)•Het aandeel volledig elektrische personenauto’s stijgt van7,4% naar minimaal 21%, van elektrische bestelauto’s van 5%naar minimaal 25% en van elektrische vrachtauto’s van 1,4%naar minimaal 10%, daarvoor is het van groot belang dat debenodigde, en waar nodig snelle, laadinfrastructuur tijdig wordtgerealiseerd.•In 2030 alle bussen in het stad- en streekvervoer emmissievrij.Met het Bestuursakkoord Zero-emissie bussen wordt ernaar gestreefdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3428 dat vanaf 2030 alle bussen in het stad- en streekvervoer emissievrijzijn, daarvoor is het belangrijk dat de benodigde laadinfrastructuurtijdig beschikbaar is.•Minimaal 28,4% van de broeikasgasemissies in de brandstof-keten van de wegsector, 8,2% van de zeevaart en 14,5% vande binnenvaart wordt gereduceerd door de inzet van hernieuw-bare energiedragers in plaats van fossiele brandstoffen.•Minimaal 6% van de brandstoffen in de luchtvaart bestaat uitduurzame luchtvaartbrandstoffen (SAF).•Het kabinet creëert investeringszekerheid voor de productievan biobrandstoffen en synthetische duurzame luchtvaart-brandstoffen (e-SAF) in Nederland.Tussendoelen 2026•De afhankelijkheid van fossiele brandstoffen in de mobiliteits-sector wordt versneld afgebouwd. IenW werkt daarvoor aanfinanciering en uitvoering van concrete maatregelen uit het Klimaat-en Energiefonds. In het ontwerpmeerjarenprogramma 2027 ging hetonder meer om toekenningen en reserveringen voor een inruilregelingvan een fossiele auto naar een tweedehandse elektrische auto, eengedragscampagne voor duurzame mobiliteit, verduurzaming van hetspoor, de aanleg van walstroom, de toepassing van waterstof in debinnenvaart en de productie van duurzame luchtvaartbrandstoffen inNederland. Na vaststelling van het definitieve meerjarenprogramma inseptember worden deze maatregelen verder uitgewerkt en wordt deKamer over de voortgang geïnformeerd.•Voor de scheepvaart wordt toegewerkt naar varen op her-nieuwbare energiedragers in 2050. Dit jaar zetten we daarinverdere stappen via subsidieregelingen en een visie op de verduurza-ming van bunkerbrandstoffen. Juist voor de zeevaart en binnenvaart iseen tijdige en stabiele transitie van belang, omdat dit hard-to-abatesectoren zijn. Op dit moment staat een subsidieregeling open voormotorfabrikanten die nieuwe binnenvaartmotoren ontwikkelen voorvaren op waterstof en methanol. In het tweede kwartaal van 2026wordt daarnaast een nieuwe subsidieregeling geopend voor demon-stratieprojecten binnen het Maritiem Masterplan. Ook ontvangt deKamer uiterlijk in het derde kwartaal een visie op de verduurzamingvan bunkerbrandstoffen. Internationaal zet Nederland zich in voorverdere maatregelen binnen de EU en de International MaritimeOrganization om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen af tebouwen.•Het aanbod van duurzame luchtvaartbrandstoffen wordtvergroot door de productie in Nederland te stimuleren. Vanuithet Klimaat- en Energiefonds wordt 300 miljoen euro geïnvesteerd infabrieken voor geavanceerde biobrandstoffen en e-SAF. De subsidiere-geling wordt naar verwachting eind 2026 opengesteld.•Voor de langere termijn zet het kabinet ook in op waterstof-en elektrisch vliegen als onderdeel van de totale energiemix. In2026 wordt een onderzoek uitgevoerd naar scenario’s voor demogelijke toekomstige energievraag op luchthavens en de vertalingdaarvan naar het benodigde transportvermogen.•Dit jaar bereidt het kabinet de eerste 69 veilingen voor vanverzorgingsplaatsen die in 2027 starten. Ook werkt het kabineteen voorstel uit voor de continuering van de stroomvoorziening en deaanleg van «Stopcontact op Land» voor laadinfrastructuur opverzorgingsplaatsen. Het aantal elektrische personenauto’s, bestelau-to’s en vrachtauto’s zal de komende jaren sterk toenemen en daarmeeook de behoefte om onderweg te laden. Naar verwachting is het aantalelektrische personenauto’s in 2030 bijna verdrievoudigd en in 2050 isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3429 het wagenpark vrijwel volledig geëlektrificeerd. Dat vraagt omvoldoende elektriciteitscapaciteit op de circa 230 verzorgingsplaatsenlangs de snelweg. Met middelen uit het Klimaat- en Energiefonds kande stroomvoorziening na afloop van de huidige vergunningen wordenvoortgezet en kunnen op een aantal locaties zwaardere aansluitingenworden gerealiseerd. Daarnaast neemt het kabinet dit jaar eenvervolgbesluit over de herinrichting van verzorgingsplaatsen en demogelijk verdere realisatie van Stopcontact op Land.•Dit najaar wordt de Kamer geïnformeerd over de mogelijkhe-den om de afhankelijkheid van fossiele benzine in het wegver-voer verder af te bouwen. Daarbij wordt verkend of het percentagebioethanol in benzine (op dit moment 10% in E10-benzine) kan wordenverhoogd naar 15% of 20% zoals in de Verenigde Staten en Duitsland.Daarnaast worden momenteel de kansen, risico’s en wenselijkheidonderzocht van brandstof met 85 procent bioethanol (E85) in hetwegverkeer. Doel is om in beeld te brengen in hoeverre E85 beschik-baar zou moeten zijn voor het huidige en toekomstige wagenpark,zodat de afhankelijkheid van fossiele benzine verder kan afnemen enextra broeikasgasreductie kan worden bereikt richting 2050. Daarbijwordt onder meer gekeken naar de mogelijke effecten op de groei vanelektrisch vervoer, de betaalbaarheid van mobiliteit en de beschikbaar-heid van ethanol voor de luchtvaart en de chemie.•Voor het openbaar vervoer en spoor zetten we de vergevor-derde elektrificatie van de sector door in 2026. Op die manierwordt de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen verder afgebouwd.Dit jaar viert het Bestuursakkoord Zero-Emissie Busvervoer haar10-jarig bestaan en bestendigen de partijen de ingezette koers om in2030 alleen nog maar met emissievrije bussen te rijden in het stad- enstreekvervoer. We werken nauw samen met vervoerders en netbeheer-ders om de effecten van netcongestie in het openbaar vervoer tebeperken. Dit wordt opgepakt in het Bestuurlijk Akkoord NetcongestieOV (BANOV). Daarnaast worden dit jaar verschillende stappen gezetom uiterlijk in 2050 volledig zero-emissie op het spoor te rijden, zoalsde elektrificatie van de Maaslijn voor 2027, de elektrificatie van hetspoor in Oost-Nederland voor 2029–2033 en de systeemkeuze voor denieuwe concessie in Noord-Nederland vanaf 2035.•Voor binnenlandse en internationale mobiliteit wordentransitiepaden opgesteld met een doorkijk naar 2040 en 2050.Als we de afhankelijkheid van fossiele energie willen afbouwen, deeconomische kansen daarvan willen benutten en Nederland tijdigwillen voorbereiden, moeten we verder vooruitkijken en meerlangetermijnperspectief bieden. Daarom werken we de routes naaronafhankelijkheid van fossiele brandstoffen voor binnenlandse eninternationale mobiliteit verder uit. De eerste contouren worden opPrinsjesdag gepubliceerd. Deze transitiepaden worden betrokken in devoorjaarsbesluitvorming 2027, waar het kabinet indien nodig aanvul-lende nationaal geborgde maatregelen zal nemen om het klimaatdoelvan 2040 te halen. Dit zal in nauwe samenwerking worden gedaan metde Minister van KGG die de coördinerende verantwoordelijkheid heeftvoor de klimaataanpak.Tussendoelen zomer 2026•Nederland start op 1 juli 2026 in navolging van veel andereEuropese landen met de vrachtwagenheffing en stopt met hetEurovignet. Het binnen- en buitenlands vrachtverkeer gaat danbetalen per gereden kilometer voor het gebruik van de weg. Hoeschoner en lichter het voertuig, hoe lager het bedrag per kilometer. Nade start van de vrachtwagenheffing verlaagt het kabinet de motorrijtui-genbelasting tot het Europese minimum en wordt het Eurovignet voorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3430 Nederland gestopt. De invoering van de vrachtwagenheffing draagt bijaan een gelijk internationaal speelveld voor het wegvervoer en geefteen stevige impuls aan de transitie naar een duurzaam en innovatiefwegvervoerssysteem. De netto-opbrengsten van de vrachtwagenhef-fing worden teruggesluisd ter verduurzaming en innovatie van devervoerssector, onder meer met subsidies voor de aanschaf vanemissievrije vrachtwagens en laadinfrastructuur. Hierdoor wordt detransportsector weerbaarder en minder afhankelijk van fossielebrandstoffen.•De mogelijkheden naar een toekomstbestendige hervormingvan de autobelastingen naar oppervlakte of omvang binnen demotorrijtuigenbelasting worden onderzocht. Op die manierworden elektrische en brandstofvoertuigen gelijker belast in demotorrijtuigenbelasting. In de zomer wordt de Kamer geïnformeerdover de eerste uitkomsten van dit onderzoek. De voorwaarde daarbij isdat automobilisten er niet op achteruitgaan en de overstap naarelektrisch vervoer blijft lonen, waardoor we minder afhankelijk wordenvan fossiele brandstoffen.•Vanaf 1 januari 2026 is de brandstoftransitieverplichting vankracht. Deze verplicht leveranciers van brandstoffen aan wegvervoer,binnenvaart en zeevaart om te zorgen dat de broeikasgasemissie in debrandstofketen worden gereduceerd. Daardoor neemt het aandeelhernieuwbare energie (biobrandstof, RFNBO’s20 en elektriciteit) in hunleveringen toe. De brandstoftransitieverplichting zorgt ervoor dat weminder afhankelijk worden van fossiele brandstoffen en diversificatievan de grondstoffenbasis en zorgt voor investeringszekerheid en eennieuw economisch verdienmodel.•Voor de zomer wordt de Kamer geïnformeerd over de moge-lijkheden om de brandstoftransitieverplichting na 2030 door tetrekken. Hiermee wordt het gebruik van fossiele brandstoffen in hetwegverkeer en binnen- en zeevaart afgebouwd. Hierbij trekken wesamen op met Duitsland en Frankrijk en waar mogelijk met andereEU-lidstaten en bieden we toekomstperspectief en investeringszeker-heid voor de Nederlandse bedrijven, waaronder producenten vanhernieuwbare brandstoffen. Ook het gelijk speelveld voor onzetransportsector en pompstations worden daarin meegenomen.Richting 2040 wordt bezien of een deel van de productiecapaciteit voorbiobrandstoffen in het wegverkeer (die voornamelijk wordt geprodu-ceerd uit reststromen) kan worden aangewend voor de lucht- enscheepvaartsectoren en de chemische industrie. Naast (tijdelijke) inzetvan rest- en afvalstromen, bekijkt het kabinet de mogelijke inzet vanalternatieve grondstoffen voor productie van biobrandstoffen, zoalstussengewassen in de landbouw. Voor zover bekend worden deEuropese plannen voor de Renewable Energy Directive IV die naarverwachting dit najaar verschijnt hierin meegenomen.•Dit voorjaar ontvangt de Kamer een kabinetsreactie op deSAF-roadmap. Ook de luchtvaart en scheepvaart staan voor eenbelangrijke opgave om de afhankelijkheid van fossiele brandstoffenverder af te bouwen. Daarom wordt in de luchtvaart samen met desector ingezet op het vergroten van het gebruik van duurzamevliegtuigbrandstoffen (SAF).Tot slotDe opgaven op het terrein van Infrastructuur en Waterstaat zijn groot enraken de fundamenten van onze samenleving en economie. De middelen,ruimte en uitvoeringscapaciteit zijn beperkt. Dat vraagt om prioritering,realisme en een nauwe samenwerking met de Kamer, medeoverheden en20Renewable Fuels of Non-Biological OriginTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3431 maatschappelijke partners. Met deze brief hebben we het «wat» en «hoe»uiteengezet van onze aanpak de komende jaren. We kijken ernaar uit omdie met alle betrokkenen gezamenlijk op te pakken. De Kamer kan daarbijjaarlijks een brief verwachten waarin wij ook de tussendoelen voor hetkomende jaar zullen formuleren. Zoals aangekondigd in het coalitieak-koord zal het nieuwe beleid in de basis niet alleen in Europees Nederlandmaar ook in Caribisch Nederland worden ingevoerd. Komende periode zalde Kamer via genoemde voortgangsbrieven, beleidsbrieven en wetge-vingsvoorstellen nader worden geïnformeerd over de uitwerking van dezeprioriteiten.Wij zien uit naar het gesprek met de Kamer hierover.De Minister van Infrastructuur en Waterstaat,V.P.G. KarremansDe Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,A.W.H. BertramTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3432 Voorlopige planning Kamerstukken 2026 De komende periode wordt de Kamer langs verschillende lijnen geïnfor-meerd over de uitwerking van onze prioriteiten. De belangrijkste beleids-stukken en Kamerbrieven zijn hieronder opgenomen.VerwachtOnderwerpEerst behouden en herstellen wat we hebbenVoor de zomerVoortgangsrapportage Mobiliteitsfonds en prioritering infrastructuurinvesteringen.Bereikbaarheid als maatschappelijke en economische prioriteitVoor de zomerTweede monitoringsbrief balanced approach.Voor de zomerBesluit over afstandsnorm windenergie op land.Rond de zomerBeleidsbrief uitwerking coalitieakkoord luchtvaart.Najaar 2026Voortgang programma Spitsmijden en benutten netwerken.September 2026Bereikbaarheidsaanpak Rotterdamse Haven.November 2026Uitkomsten bestuurlijke overleggen MIRT.Eind 2026Derde monitoringsbrief balanced approach.December 2026Kamerbrief ontwerp Havennota 2.0.Nederland veilig houden in een veranderende verhouding en strijd met het waterJuni en najaarBesluitvorming keuzes ruimte voor de rivier 2.0.Juni 2026Vaststelling programma Bodem, Ondergrond en Grondwater.Juni 2026Eindrapportage kennisprogramma zeespiegelstijging.September 2026Instellen commissie lange termijn financiering wateropgaven/Deltafonds.September 2026Advisering Deltaprogramma herijking deltabeslissingen (DP2027).November 2026Kabinetsreactie op het Europees klimaatadaptatieplan.December 2026Besluitvorming Nationale Aanpak Wateroverlast.December 2026Vaststellen ontwerpNationaal Waterprogramma 2028–2033 (presentatie begin 2027).Veilig op de weg en in het OVApril 2026Kamerbrief Aanpak Fatbikes.Mei 2026Verzamelbrief verkeersveiligheid.Juni 2026Programma van Rijles naar Rijonderwijs.Juli 2026Herziene Rijksdoelen verkeersveiligheid.November 2026Verzamelbrief verkeersveiligheid.Een schone, gezonde en veilige leefomgeving in de sterkste economische delta van de wereldMei 2026Lanceringspubliekscampagne drinkwaterbesparing.Juni 2026Beleidslijn gezonde bodems.Juni 2026Voortgangsbrief Schone Lucht Akkoord en maatregelen voor verbetering van de leefomgevingskwaliteit.September 2026Wetswijziging financiële gezondheid drinkwaterbedrijven.November 2026Wetsvoorstel voor de implementatie van de Europese bodemmonitoringsrichtlijn in consultatie.December 2026Visie secundaire bouwstoffen ten bate van beleidskader.December 2026Uitkomsten industrietafel staalslak voor innovatieve alternatieve toepassingen.Het afbouwen van kwetsbare afhankelijkheden in onze mobiliteitApril 2026Kabinetsreactie op de SAF-roadmap voor duurzame luchtvaartbrandstoffen.Juni 20268e voortgangsbrief invoering vrachtwagenheffing.Juni 2026Wijziging Besluit CO2-reductie werkgebonden personenmobiliteit.Oktober 2026Visie op verduurzaming bunkerbrandstoffen voor scheepvaart. Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XII, nr. 3433

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a43d31fc3b344fe0

14 okt 2026 · 4b34a04053c2fdeb

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.