KamerkringInloggen
Kamerstuk

Memorie van toelichting

1 apr 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 0f124c6b387511cb · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 922Wijziging van de Wet studiefinanciering 2000 inverband met de verstrekking van eenaanvullende tegemoetkoming aan studenten dieonder het studievoorschotstelsel hebbengestudeerdNr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING Deel I Algemeen 1. Inleiding Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgevervoorzien in een tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelselhebben gestudeerd (huidig artikel 12.30 van de Wet studiefinanciering2000 (WSF 2000)). De regering vindt deze tegemoetkoming te laag.Daarom is de regering voornemens om deze groep studenten een extrategemoetkoming te geven. De grondslag voor deze tegemoetkomingwordt met dit wetsvoorstel gecreëerd. Verder wordt met dit wetsvoorsteleen grondslag gecreëerd om een beperkt aantal nieuwe groepenstudenten binnen bovengenoemde groep studenten alsnog in aanmerkingte brengen voor de eerstgenoemde tegemoetkoming en in vervolg daaropook voor de laatstgenoemde tegemoetkoming.2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel De regering is – in navolging van het hoofdlijnenakkoord en het regeer-programma van het kabinet Schoof – voornemens om studenten dieonder het leenstelsel hebben gestudeerd een extra tegemoetkoming tegeven. Hiervoor is – in het regeerprogramma van dat kabinet –€ 1,4 miljard inclusief uitvoeringskosten beschikbaar gesteld. Deze extrategemoetkoming komt bovenop de tegemoetkoming in de Wet herin-voering basisbeurs hoger onderwijs die op 1 januari 2025 in werking isgetreden (huidig artikel 12.30 WSF 2000). Dit wetsvoorstel spreekt over de«tegemoetkoming» als het gaat om de laatstgenoemde tegemoetkomingen over de «aanvullende tegemoetkoming» als het gaat om de voorge-nomen extra tegemoetkoming van de regering.1 Tot slot, waar in ditwetsvoorstel DUO wordt genoemd gaat het over de Dienst UitvoeringOnderwijs.1In de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ook een tegemoetkoming ter vervangingvan de studievoorschotvoucher opgenomen (artikel 12.15 WSF 2000). In dit wetsvoorstel gaathet niet om die tegemoetkoming. kst-36922-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 31 2.1 Probleembeschrijving en doelstellingen 2.1.1 De tegemoetkoming Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs heeft de wetgevervoorzien in een tegemoetkoming voor studenten die onder het leenstelselhebben gestudeerd. Het werd voor deze groep studenten wrang geachtom de basisbeurs, zo snel na het afschaffen ervan, weer terug te zienkomen in het hoger onderwijs.Toegelicht is dat er juridisch geen verplichting is om deze tegemoet-koming te verstrekken.2 Overheidsbeleid is voortdurend aan veranderingonderhevig. Er zullen altijd generaties of groepen zijn die niet of inmindere mate van specifieke regelingen gebruik hebben kunnen maken.Er is geen rechtsregel die inhoudt dat bij de overgang naar een gunstigerrechtsregime aanspraak op vergoeding bestaat voor degenen die onderhet oude, minder gunstige regime vielen. De wetgever is vrij om binnende grenzen van hoger recht wetten te wijzigen.Toegelicht is dat het verstrekken van deze tegemoetkoming voortkomt uitde politieke wens om een gebaar te maken naar deze groep studenten.Daarbij is vermeld dat deze studenten in een bijzondere positie verkeren.De basisbeurs heeft vanaf de invoering in 1986 bijna dertig jaar onderdeeluitgemaakt van het studiefinancieringsstelsel en ook vóór 1986 bestondenal vormen van toelagen. Al evolueerden in die jaren de preciezevoorwaarden waaronder de basisbeurs werd verstrekt (te denken valt aanduur en hoogte en de basisbeurs als gift of prestatiebeurs), de basisbeurswas gedurende deze decennia een vast, herkenbaar onderdeel van hetstelsel. Vele generaties studenten hebben kunnen studeren met eenbasisbeurs. In 2015 verdween de basisbeurs van het toneel en werd hetleenstelsel ingevoerd. In 2023 – slechts acht jaar later – werd de basis-beurs weer ingevoerd. De korte periode waarin het leenstelsel heeftgegolden maakt dat het leenstelsel beschouwd kan worden als «deuitzondering op de regel», als men het studiefinancieringsstelsel beziet opde lange termijn. Hoewel de wetgever binnen de grenzen van hoger rechtvrij is om wetten te wijzigen, en de wetgever dus vrij was om de basis-beurs in 2015 af te schaffen en in 2023 te herintroduceren (zonder datsprake is van een verplichting tot vergoeding), is het voor studenten dieonder het leenstelsel hebben gestudeerd wrang dat zij, anders danvoorgaande en komende generaties, geen gebruik hebben kunnen makenvan een basisbeurs. Deze studenten hebben namelijk ten opzichte vanzowel de studenten vóór hen als (naar verwachting) de studenten ná hen,gemiddeld gezien een hogere studieschuld opgebouwd.3 Het wegvallenvan de basisbeurs heeft ook andere gevolgen gehad voor hen. Dezestudenten hebben een groter beroep moeten doen op ouders, meermoeten werken of een combinatie hiervan.2Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 12–13.3Wanneer de studieschuld wordt onderverdeeld naar verschillende categorieën zien we dat hetaandeel studenten in de hoogste schuldencategorie in cohort 2015–2016 (eerste cohort onderhet leenstelsel) fors hoger is dan in de voorgaande cohorten. Zo heeft 35 procent van dehbo-studenten en 35 procent van de wo-studenten van cohort 2015–2016 een studieschuld vanmeer dan € 50.000. Voor cohort 2014–2015 is dit respectievelijk 12 en 22 procent. Verder heeft22 procent van de hbo-studenten en 14 procent van de wo-studenten van cohort 2015–2016geen studieschuld. Voor cohort 2014–2015 is dit respectievelijk 27 en 14 procent (TrendrapportHO, paragraaf 6.2.1; verdeling studieschuld per cohort). Deze cijfers zijn geactualiseerd tenopzichte van de cijfers die zijn weergegeven in de memorie van toelichting bij de Wetherinvoering basisbeurs hoger onderwijs (Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 13,voetnoot 29).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 32 De combinatie van het zeer bestendige begunstigende beleid dat slechtsrelatief kort is onderbroken en de negatieve effecten van het tussenlig-gende beleid op de financiële uitgangspositie van deze studenten heeftgemaakt dat bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs isbesloten om als gebaar een tegemoetkoming aan hen te verstrekken. Bijde behandeling van de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijsheeft het parlement deze motivering gewogen en bekrachtigd. Dezetegemoetkoming bedraagt € 35,31 per maand dat een student onder hetleenstelsel heeft gestudeerd (prijspeil 2026).4 Bij de vaststelling van ditbedrag vormde het voor de tegemoetkoming beschikbaar gestelde budgetvan € 1,0 miljard het kader.52.1.2 Een aanvullende tegemoetkoming De regering onderschrijft bovenstaande redenering van de wetgever,maar vindt de hoogte van de tegemoetkoming te laag. Daarom is deregering voornemens om studenten die onder het leenstelsel hebbengestudeerd een aanvullende tegemoetkoming te geven. Deze aanvullendetegemoetkoming bedraagt € 44,50 per maand dat een student onder hetleenstelsel heeft gestudeerd (prijspeil 2026). Bij de vaststelling van ditbedrag vormt het voor de aanvullende tegemoetkoming beschikbaargestelde budget van € 1,4 miljard het kader (zie paragraaf 2.2.6).6De regering beschouwt de combinatie van de tegemoetkoming en deaanvullende tegemoetkoming als «definitief». De regering geeft hiermeeaan de betrokken groep (oud-)studenten een sluitend betekenisvolfinancieel gebaar als erkenning. Dit is niet alleen in het belang van de(oud-)studenten die het aangaat, maar ook in het algemeen belang. Metdit gebaar zet de regering een punt achter deze maatschappelijke kwestie.De aanvullende tegemoetkoming komt voort uit de politieke wens om eenextra financieel gebaar te maken naar de betrokken groep(oud-)studenten. Bij een onverplichte tegemoetkoming als hier aan deorde kan geen eenduidige relatie gelegd worden tussen de aard van denadeelsituatie en het bedrag aan tegemoetkoming dat daarbij passend is.De ervaring van elke (oud)-student met het leenstelsel is immers anders.Er is daarom altijd een politieke afweging nodig om te komen tot eenpassend bedrag aan tegemoetkoming. Hierbij heeft de regering eenafweging gemaakt tussen het belang van de betrokken groep(oud-)studenten bij een sluitend betekenisvol financieel gebaar alserkenning en het beroep dat hiermee wordt gedaan op de collectievemiddelen.In haar afwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bijklemmende situaties stelt de Afdeling advisering van de Raad van Stateonder meer dat «er [...] geen algemeen antwoord te geven [is] op de vraagwanneer de overheid zich een situatie moet aantrekken; elke situatievereist een individuele en integrale afweging. Omdat er geen sprake isvan juridische verplichtingen, zullen ethische, sociale, economische enpolitieke overwegingen de basis vormen voor het onverplichte handelendoor de overheid. Ook de beschikbare publieke middelen en beleidspriori-4Zie artikel 8d van de Regeling normen WSF 2000, WTOS en WSF BES.5Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 25–26. Dit budget is (en wordt) feitelijk nog verhoogdin verband met de indexering van de tegemoetkoming. Zie (bijvoorbeeld) Kamerstukken II2023/24, 36 454, nr. 5.6Dit budget is (en wordt) feitelijk nog verhoogd in verband met de indexering van de aanvul-lende tegemoetkoming. Zie paragraaf 5.3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 33 teiten spelen een rol.»7 De regering is zich hiervan bewust en heeft ditbetrokken bij haar afweging om tot een aanvullende tegemoetkoming tekomen. Hierbij hebben met name sociale en politieke overwegingen en debeschikbare publieke middelen een rol gespeeld.Het verstrekken van een onverplichte tegemoetkoming verdient eenzorgvuldige afweging en besluitvorming. Evenals bij de tegemoetkomingis bij de aanvullende tegemoetkoming mede daarom het voorstel om degrondslag bij wet in formele zin te regelen. Daarmee wordt ook deaanvullende tegemoetkoming en de hoogte daarvan voluit democratischgelegitimeerd en is een zorgvuldige en transparante procedure gegaran-deerd.2.1.3 Instrumentkeuze De regering heeft als doel voor ogen om een extra financieel gebaar temaken naar de studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Inhet hoofdlijnenakkoord en het regeerprogramma van het kabinet Schoofis de voorkeur uitgesproken voor een «extra (eenmalige) tegemoet-koming».Bij de vormgeving van de aanvullende tegemoetkoming sluit de regeringaan bij de vormgeving van de tegemoetkoming. De aanvullendetegemoetkoming wordt net als de tegemoetkoming in beginselafgetrokken van de studieschuld van de (oud-)student. Als de(oud-)student geen studieschuld (meer) heeft, dan krijgt hij (het restantvan) de aanvullende tegemoetkoming uitbetaald. Door deze vormgevinghebben alle (oud-)studenten die onder het leenstelsel hebben gestudeerd(en die voldoen aan de overige voorwaarden) recht op de aanvullendetegemoetkoming. Daarmee is de aanvullende tegemoetkomingdoeltreffend.Door bij de vormgeving van de aanvullende tegemoetkoming aan tesluiten bij de vormgeving van de tegemoetkoming is deze ook doelmatig.De ervaringen met het inrichten van de tegemoetkoming dragen bij aanhet zo efficiënt mogelijk inrichten van de aanvullende tegemoetkoming.Daarbij komt dat de (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekendhebben gekregen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekendkrijgen. Bovenstaande heeft als gevolg dat de uitvoeringskosten voor deaanvullende tegemoetkoming zo laag mogelijk worden gehouden enzoveel mogelijk budget overblijft om te verdelen onder de(oud-)studenten.2.2 Inhoud wetsvoorstel In dit wetsvoorstel wordt voor de aanvullende tegemoetkoming watbetreft doelgroep en voorwaarden aangesloten bij de tegemoetkoming(zie paragraaf 2.2.1 en 2.2.2). Verder wordt in dit wetsvoorstel dedoelgroep verruimd met een beperkt aantal nieuwe groepen(oud-)studenten (zie paragraaf 2.2.3). Deze nieuwe groepen(oud-)studenten komen in aanmerking voor zowel de tegemoetkoming alsde aanvullende tegemoetkoming (net als de overige groepen rechtheb-bende (oud-)studenten).7Afdeling advisering van de Raad van State, Tegemoetkomen doe je niet zomaar, Eenafwegingskader voor onverplicht handelen van de overheid bij klemmende situaties, mei 2025,p. 12.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 34 2.2.1 Doelgroep en voorwaarden tegemoetkoming Ingeschreven tussen 2015–2016 en 2022–2023 en recht op volledigestudiefinancieringBij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is ten eerste bepaalddat voor de tegemoetkoming alleen (oud-)studenten in aanmerkingkomen die in de periode van studiejaar 2015–2016 tot en met studiejaar2022–2023 stonden ingeschreven bij een hoger onderwijsinstelling enaanspraak hadden (kunnen maken) op volledige studiefinanciering.8 Dewetgever heeft gekozen om de doelgroep ruim te formuleren en allestudenten die tijdens het leenstelsel recht hadden op volledige studiefi-nanciering in aanmerking te laten komen voor de tegemoetkoming,ongeacht of zij wel of geen studiefinanciering hebben aangevraagd.Daarbij is toegelicht dat studenten uiteenlopende redenen kunnen hebbengehad om wel of geen studiefinanciering aan te vragen. Sommigenhebben extra gewerkt om te voorkomen dat zij moesten lenen, anderenkonden terugvallen op ouders of eigen spaargeld. Weer anderen hebbengeen studentenreisproduct aangevraagd omdat zij nabij de ho-instellingwoonden of een mogelijke schuld wilden voorkomen (het reisproduct iseen lening als het diploma niet binnen de gestelde termijn wordtbehaald). Deze studenten konden destijds echter niet weten dat hun keuzeom geen studiefinanciering aan te vragen later van invloed zou kunnenzijn op de vraag of zij wel of niet in aanmerking zouden komen voor eentegemoetkoming.Studenten die enkel in aanmerking kwamen voor een collegegeldkrediet,komen niet in aanmerking voor de tegemoetkoming. Het gaat daarbij metname om EER-studenten die niet voldeden aan de eisen om voorvolledige studiefinanciering in aanmerking te komen. Zij hadden daaromalleen recht op een collegegeldkrediet, wat voor hen de toegankelijkheidvan het onderwijs verbeterde. De overige delen van de studiefinancieringzijn niet aan hen verstrekt. Om dezelfde reden komen zij nu niet inaanmerking voor de tegemoetkoming. Uiteraard kunnen EER-studentendie wel recht hadden op volledige studiefinanciering ook in aanmerkingkomen voor de tegemoetkoming.Ook studenten die enkel gebruik hebben gemaakt van het levenlangleren-krediet komen niet voor de tegemoetkoming in aanmerking. Het leven-langlerenkrediet wordt alleen verstrekt indien een student niet voorreguliere studiefinanciering in aanmerking komt. Er is op die manier nogwel een voorziening voorhanden waarmee de student financieel in staatwordt gesteld een opleiding te volgen.Minimaal twaalf maanden gestudeerd onder het leenstelselTen tweede is bepaald dat voor de tegemoetkoming alleen(oud-)studenten in aanmerking komen die ten minste twaalf maandenonder het leenstelsel hebben gestudeerd.9 De wetgever achtte hetwenselijk dat alleen de studenten die voor een substantieel deel onder hetleenstelsel hebben gestudeerd, voor de tegemoetkoming in aanmerkingkomen. Gekozen is voor een minimale termijn van twaalf maanden.Studenten die slechts enkele maanden onder het leenstelsel hebbengestudeerd – en daarna bijvoorbeeld hebben besloten om te gaanwerken – komen daarmee niet in aanmerking voor de tegemoetkoming.Hierdoor wordt voorkomen dat studenten die slechts een paar maandeningeschreven hebben gestaan en bijvoorbeeld gebruik hebben gemaakt8Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 23–24.9Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 25.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 35 van de 1-februariregeling, ook aanspraak kunnen maken op de tegemoet-koming. Studenten die aan het begin van collegejaar 2022–2023 met hunstudie zijn begonnen en deze een volledig studiejaar hebben gevolgd,komen dus wel in aanmerking voor de tegemoetkoming.Diploma gehaaldTen derde is bepaald dat voor de tegemoetkoming alleen (oud-)studentenin aanmerking komen die een diploma hebben gehaald.10 Hierbij geldtvoor (oud-)studenten die studiefinanciering hebben aangevraagd dat hetdiploma binnen de diplomatermijn moet zijn gehaald. Voor de diploma-termijn is aangesloten bij de diplomatermijn zoals die al geldt voor deprestatiebeursonderdelen van de studiefinanciering, namelijk tien jaar nade eerst ontvangen studiefinanciering (artikel 5.5 WSF 2000).11 Om deregeling goed te kunnen uitvoeren, geldt dit ook voor studenten die paslater tijdens hun studie gebruik hebben gemaakt van studiefinanciering.Voor (oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd,geldt dat het diploma binnen tien jaar na de eerste inschrijving voor hethoger onderwijs moet zijn gehaald. De wetgever heeft voor dezediploma-eis als toelichting gegeven dat als een basisbeurs had bestaan,dat een prestatiebeurs was geweest die ook pas werd omgezet in een giftop het moment dat de student een diploma binnen de diplomatermijn zouhebben behaald.2.2.2 Doelgroep en voorwaarden aanvullende tegemoetkoming Voorgesteld wordt om de doelgroep en voorwaarden van de tegemoet-koming als uitgangspunt te nemen bij de aanvullende tegemoetkoming endeze daarbij volledig over te nemen. Daarmee krijgen de (oud-)studentendie recht hebben op de tegemoetkoming ook recht op de aanvullendetegemoetkoming.2.2.3 Uitbreiding doelgroep Bij de uitwerking van de aanvullende tegemoetkoming is bekeken oflessen kunnen worden getrokken uit de uitvoering van de tegemoet-koming. Daarbij is mede naar aanleiding van een signaal van DUOgebleken dat bij de uitwerking van de tegemoetkoming een beperktegroep (oud-)studenten nog niet in beeld was en dat een uitbreiding van dedoelgroep in de rede ligt. Dit wordt hieronder uitgelegd. De nieuwegroepen (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroepkomen in aanmerking voor zowel de tegemoetkoming als de aanvullendetegemoetkoming (net als de overige groepen rechthebbende(oud-)studenten).Uitbreiding doelgroep naar (oud-)studenten die door bijzondere omstan-digheden geen diploma hebben kunnen behalenZoals beschreven in paragraaf 2.2.1 komen voor de tegemoetkoming opdit moment alleen (oud-)studenten in aanmerking die binnen de diploma-termijn een diploma hebben behaald. De reden voor deze diploma-eis isdat als er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs was geweest,dat een prestatiebeurs was geweest, die ook alleen in dat geval zou zijnomgezet in een gift.10Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 25.11De diplomatermijn omvat ook een eventueel toegekende verlenging van de diplomatermijn opgrond van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, WSF 2000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 36 Er is een groep (oud-)studenten die tijdens hun studie geconfronteerd isof wordt met bijzondere omstandigheden en als gevolg daarvan geendiploma heeft kunnen behalen. Het gaat dan bijvoorbeeld om studentendie zich geconfronteerd zien met arbeidsongeschiktheid, een functiebe-perking of een chronische ziekte. Voor deze studenten is in deartikelen 5.15 en 5.16, derde lid, WSF 2000 geregeld dat ondanks het nietbehalen van een diploma de aan hen toegekende prestatiebeurs (opaanvraag) wordt omgezet in een gift. Deze (oud-)studenten kunnen op ditmoment niet in aanmerking komen voor de tegemoetkoming. Zij voldoennamelijk niet aan de voorwaarde om binnen de diplomatermijn eendiploma te hebben behaald en dus niet aan de diploma-eis. Echter, geziende achtergrond van de diploma-eis bij de Wet herinvoering basisbeurshoger onderwijs is het vanuit het oogpunt van uitlegbaarheid enrechtsgelijkheid wenselijk om ook deze (oud-)studenten in aanmerking tebrengen voor de tegemoetkoming. Net als voor de (oud-)studenten diebinnen de diplomatermijn een diploma hebben behaald, geldt immersvoor hen dat als er ten tijde van het leenstelsel wel een basisbeurs in devorm van een prestatiebeurs was geweest, deze (op aanvraag) ook voorhen zou zijn omgezet in een gift. In zoverre hebben zij hetzelfde financieelnadeel ondervonden van het leenstelsel als (oud-)studenten die wel eendiploma hebben behaald. In het verlengde hiervan is het niet aangewezenom (oud-)studenten die om andere redenen dan bovenbedoeldebijzondere omstandigheden geen diploma hebben behaald ook inaanmerking te brengen voor de tegemoetkoming. Als er ten tijde van hetleenstelsel wel een basisbeurs in de vorm van een prestatiebeurs wasgeweest, zou deze voor hen immers niet zijn omgezet in een gift. Inzoverre hebben zij niet hetzelfde financieel nadeel ondervonden van hetleenstelsel als (oud-)studenten die wel een diploma hebben behaald.Daarom wordt met dit wetsvoorstel geregeld dat ook de groep(oud-)studenten die tijdens hun studie geconfronteerd is of wordt metbijzondere omstandigheden en als gevolg daarvan geen diploma heeftkunnen behalen in aanmerking komt voor de tegemoetkoming en invervolg daarop ook voor de aanvullende tegemoetkoming. Hierbij wordtook de keuze bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs om dedoelgroep voor de tegemoetkoming ruim te formuleren doorgetrokken indie zin dat alle (oud-)studenten die onder deze groep vallen en die tijdenshet leenstelsel recht hadden op volledige studiefinanciering inaanmerking komen voor de tegemoetkomingen, ongeacht of zij wel ofgeen studiefinanciering hebben aangevraagd. Ook voor deze(oud-)studenten geldt immers dat zij uiteenlopende redenen kunnenhebben gehad om wel of geen studiefinanciering aan te vragen. En ookvoor deze (oud-)studenten geldt dat zij destijds niet konden weten dat hunkeuze om geen studiefinanciering aan te vragen later van invloed zoukunnen zijn op de vraag of zij wel of niet in aanmerking zouden komenvoor een tegemoetkoming. Het gaat om ongeveer 5.800 (oud-)studentendie wel studiefinanciering hebben aangevraagd en naar schatting omenkele tientallen (oud-)studenten die dat niet hebben gedaan.Uitbreiding doelgroep van (oud-)studenten die door bijzondere omstan-digheden langer hebben gedaan over het behalen van een diplomaOp dit moment komt voor de tegemoetkoming (alleen) een (oud-)studentin aanmerking die, indien hij wel studiefinanciering heeft aangevraagd,binnen de diplomatermijn, of indien hij geen studiefinanciering heeftaangevraagd, binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerst heeftingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg een opleidingheeft afgerond. Hiermee komt tot uitdrukking de keuze bij de Wetherinvoering basisbeurs hoger onderwijs dat het voor het recht opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 37 tegemoetkoming geen verschil maakt of wel of geen studiefinanciering isaangevraagd.Voor de (oud-)student die wel studiefinanciering heeft aangevraagd, geldtals voorwaarde dat hij binnen de diplomatermijn een diploma moetenhebben behaald om voor de tegemoetkoming in aanmerking te komen.Op grond van artikel 5.5 WSF 2000 is de diplomatermijn een periode vantien jaar. In geval van bijzondere omstandigheden van tijdelijke dan welstructurele aard als gevolg waarvan niet binnen de diplomatermijn hetdiploma kan worden behaald, kan deze termijn op grond van artikel 5.16,eerste en/of tweede lid, WSF 2000 worden verlengd met de duur van diebijzondere omstandigheden tot maximaal een periode van vijftien jaar. Opgrond van artikel 5.16, vijfde lid, WSF 2000 wordt op aanvraag vastgesteldof sprake is van dergelijke bijzondere omstandigheden. De bijzondereomstandigheden kunnen uitsluitend worden aangetoond met eenverklaring van de onderwijsinstelling en bij bijzondere medischeomstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts. Voorgaandebetekent dat de (oud-)student die wel studiefinanciering heeft aange-vraagd, indien hij voldoet aan de voorwaarden voor verlenging van dediplomatermijn, tot maximaal vijftien jaar heeft om aan de diploma-eis tevoldoen.Voor de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd,geldt als voorwaarde dat hij binnen tien jaar nadat hij zich voor het eerstheeft ingeschreven voor het hoger onderwijs, met goed gevolg eenopleiding moet hebben afgerond om voor de tegemoetkoming inaanmerking te komen. Anders dan voor de (oud-)student die welstudiefinanciering heeft aangevraagd, zijn voor de (oud-)student die geenstudiefinanciering heeft aangevraagd geen mogelijkheden om dezetermijn te verlengen bij bijzondere omstandigheden. Vanuit de keuze dathet voor het recht op tegemoetkoming geen verschil maakt of wel of geenstudiefinanciering is aangevraagd, wordt met dit wetsvoorstel geregelddat ook de (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd,indien hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 5.16, eerste en/oftweede lid, WSF 2000, op aanvraag tot maximaal vijftien jaar heeft om aande diploma-eis te voldoen. Dit geldt voor de tegemoetkoming en invervolg daarop ook voor de aanvullende tegemoetkoming. Het gaat naarschatting om in totaal enkele tientallen extra (oud-)studenten die alsgevolg hiervan alsnog voor de beide tegemoetkomingen in aanmerkingkomen.Doorwerking van mogelijkheid tot verlenging van termijnWat hierboven is vermeld, geldt niet alleen voor wat betreft de termijnwaarbinnen de (oud-)student een diploma moet hebben behaald om inaanmerking te komen voor de tegemoetkomingen, maar ook voor watbetreft de termijn waarbinnen bij de (oud-)student de bijzondere omstan-digheden als gevolg waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen zichmoeten hebben voorgedaan om daarvoor in aanmerking te komen. Metdit wetsvoorstel wordt geregeld dat deze termijn voor de (oud-)studentdie geen studiefinanciering heeft aangevraagd, indien hij voldoet aan devoorwaarden van artikel 5.16, eerste en/of tweede lid, WSF 2000, opaanvraag wordt verlengd tot maximaal vijftien jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 38 Schematisch overzicht uitbreiding doelgroepenOverzicht van doelgroepen met uitbrei-dingenTegemoetkomingAanvullendetegemoetkomingStudenten die tijdens het leenstelsel studiefinanciering hebben ontvangenDiploma gehaald binnen (verlengde)diplomatermijnHuidig artikel 12.30WSF 2000Wetsvoorstelaanvullende tegemoet-komingGeen diploma gehaald vanwege bijzondereomstandigheden, de prestatiebeurs isomgezet in een giftWetsvoorstelaanvullendetegemoetkomingStudenten die tijdens het leenstelsel geen studiefinanciering hebben ontvangenDiploma gehaald binnen 10 jaarHuidig artikel 12.30WSF 2000Wetsvoorstelaanvullende tegemoet-komingDiploma gehaald, vanwege bijzondereomstandigheden na 10 jaar (maar binnenmaximaal 15 jaar)WetsvoorstelaanvullendetegemoetkomingGeen diploma gehaald vanwege bijzondereomstandigheden, de prestatiebeurs hadkunnen worden omgezet in een gift 2.2.4 Toekenning aanvullende tegemoetkoming volgt toekenningtegemoetkoming Ambtshalve toekennenDe toekenning van de aanvullende tegemoetkoming zal volledig ambts-halve plaatsvinden. De (oud-)studenten die de tegemoetkomingtoegekend hebben gekregen, zullen ambtshalve ook de aanvullendetegemoetkoming toegekend krijgen.Ook de (oud-)studenten die studiefinanciering hebben aangevraagd en dievallen onder de uitbreiding van de doelgroep zullen de tegemoetkomingen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend krijgen. Dit zalgebeuren nadat is vastgesteld dat bij de (oud-)student sprake is vanbijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of 5.16, derde lid,WSF 2000 als gevolg waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen.Concreet betekent dit dat deze (oud-)student eerst een verzoek heeftgedaan of doet om omzetting van zijn prestatiebeurs in een gift inverband met bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 5.15 of5.16, derde lid, WSF 2000 (via de reguliere aanvraagprocedure). Als ditverzoek wordt toegewezen, krijgt deze (oud-)student vervolgens detegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming ambtshalvetoegekend.Toekennen op aanvraagDe (oud-)studenten die geen studiefinanciering hebben aangevraagd endie vallen onder de uitbreiding van de doelgroep, kunnen een aanvraagindienen bij DUO voor de tegemoetkoming. Als zij de tegemoetkomingtoegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvul-lende tegemoetkoming toegekend krijgen. Deze (oud-)studenten moeteneen aanvraag doen, omdat zij niet bekend zijn bij DUO en DUO dus nietover hun gegevens beschikt.In de memorie van toelichting bij de Wet herinvoering basisbeurs hogeronderwijs is beschreven welke gegevens DUO controleert wanneer eenaanvraag wordt ontvangen voor de tegemoetkoming van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 39 (oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd.12 DUO zaldezelfde gegevens controleren wanneer een dergelijke aanvraag wordtontvangen van een (oud-)student die geen studiefinanciering heeftaangevraagd en die valt onder de uitbreiding van de doelgroep. Afhan-kelijk van de situatie zal DUO daarbij ook nog enkele aanvullendegegevens controleren. Zoals beschreven bij de Wet herinvoeringbasisbeurs hoger onderwijs zal DUO eerst controleren of de (oud-)studentinderdaad in aanmerking zou zijn gekomen voor volledige studiefinan-ciering in de periode tussen september 2015 en september 2023. Hierbijwordt gecontroleerd of:•De student stond ingeschreven aan een Nederlandse geaccrediteerdehoger onderwijsinstelling. Indien de student stond ingeschreven aaneen buitenlandse hoger onderwijsinstelling zal DUO eerst toetsen ofvoor de gevolgde opleiding recht op studiefinanciering bestond. Ookzal de student in dat geval moeten aantonen dat hij stond ingeschre-ven aan deze opleiding en dat een diploma is gehaald dat recht geeftop omzetting van de prestatiebeurs;•De student op het moment van de inschrijving voldeed aan deleeftijdseis van maximaal 30 jaar;13•De student op het moment van de inschrijving en tijdens de volledigeduur van de studie voldeed aan de nationaliteitseisen;•Indien het een student betreft die niet de Nederlandse nationaliteitbezat, maar afkomstig is uit één van de (toenmalige) lidstaten van deEER of Zwitserland en stelt migrerend werknemer te zijn geweest,wordt gecontroleerd of werd voldaan aan de daarvoor geldendevoorwaarden. Het bewijs hiervoor, bijvoorbeeld in de vorm van eenarbeidscontract, moet worden aangeleverd door de student.Voor (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep zalDUO controleren of bij hen sprake is van bijzondere omstandigheden alsbedoeld in artikel 5.15 of 5.16 WSF 2000. Hierbij wordt gecontroleerd of:•De student tijdens de studieperiode in bijzondere omstandighedenverkeerde als gevolg waarvan hij geen diploma heeft kunnen behalen.Hierbij wordt aangesloten bij de toepassingsvoorwaarden van deartikelen 5.15 en 5.16, derde lid, WSF 2000. De student moet ditaantonen met een beschikking van een Wajong-uitkering (artikel 5.15WSF 2000), respectievelijk met een verklaring van zijn onderwijs-instelling en bij bijzondere medische omstandigheden aangevuld meteen verklaring van een arts (artikel 5.16, derde en vijfde lid, WSF 2000);en/of•De student tijdens de studieperiode in bijzondere omstandighedenverkeerde als gevolg waarvan hij er langer dan tien jaar over heeftgedaan om een diploma te behalen. Hierbij wordt aangesloten bij detoepassingsvoorwaarden van artikel 5.16, eerste en tweede lid, WSF2000. De student moet de bijzondere omstandigheden aantonen meteen verklaring van zijn onderwijsinstelling en bij bijzondere medischeomstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts (arti-kel 5.16, eerste, tweede en vijfde lid, WSF 2000).Moment van toekennenDe aanvullende tegemoetkoming zal naar verwachting vanaf april 2027door DUO worden toegekend. De (oud-)studenten die vallen onder deuitbreiding van de doelgroep krijgen naar verwachting vanaf april 2027zowel de tegemoetkoming als de aanvullende tegemoetkoming12Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 24.13Indien het een student betreft die tijdens de studie de leeftijd van 30 jaar heeft bereikt, geldtook de eis dat de student zonder onderbreking heeft gestudeerd. Dit volgt uit artikel 2.3, vierdelid, WSF 2000 in combinatie met artikel 12.30 WSF 2000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 310 toegekend. Voor zover deze (oud-)studenten een aanvraag moeten doenvoor de tegemoetkoming, kunnen zij deze naar verwachting vanaf april2027 indienen bij DUO. Toekenning vindt niet eerder plaats dan nadat de(oud-)student voldoet aan de voorwaarden voor toekenning. Dat wilzeggen dat toekenning pas kan plaatsvinden nadat de (oud-)student zijndiploma heeft behaald dan wel nadat bij de (oud-)student is vastgestelddat hij door bijzondere omstandigheden geen diploma heeft kunnenbehalen. In het Besluit studiefinanciering 2000 (BSF 2000) wordt nadergeregeld op welk moment toekenning plaatsvindt in geval van ambts-halve toekenning en toekenning op aanvraag.2.2.5 Vorm aanvullende tegemoetkoming gelijk aan vorm tegemoet-koming Net als bij de tegemoetkoming zal de uitkering bij de aanvullendetegemoetkoming plaatsvinden in de vorm van een aftrek op de studie-schuld. Hierbij vindt eerst aftrek plaats op eventuele achterstalligeschulden en dan op de hoofdschuld. Op die manier wordt de studieschuldvan (oud-)studenten verminderd. Mocht een (oud-)student geen studie-schuld (meer) hebben, dan wordt het bedrag van de aanvullendetegemoetkoming uitbetaald aan de (oud-)student. Dat gebeurt ookwanneer het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming hoger is dan de(resterende) studieschuld. In dat geval wordt het bedrag van de aanvul-lende tegemoetkoming dat nog resteert na aftrek van de studieschulduitbetaald aan de (oud-)student. DUO vermeldt in de beschikking waarbij(een deel van) de aanvullende tegemoetkoming wordt uitbetaald, het bijhem bekende rekeningnummer. Een (oud-)student moet alleen eenrekeningnummer doorgeven als DUO niet beschikt over een rekening-nummer of als de (oud-)student de aanvullende tegemoetkoming op eenander rekeningnummer uitbetaald wil krijgen.2.2.6 Beschikbaar bedrag voor de aanvullende tegemoetkoming Voor de aanvullende tegemoetkoming is € 1,4 miljard beschikbaar. Alsgevolg van de uitbreiding van de doelgroep komen meer (oud-)studentendan eerst in aanmerking voor de tegemoetkoming. De kosten hiervanworden uit dit budget gedekt. Ook de uitvoeringskosten voor DUO van€ 4,9 miljoen en de rechtspraak van € 0,32 miljoen (zie paragraaf 5.1 en6.3) worden uit dit budget gedekt. Het resterende budget wordtvervolgens naar rato verdeeld.Bij de tegemoetkoming is voor de verdeling van het budget over destudenten gekozen voor een verdeling per maand dat de studentnominaal onder het leenstelsel studeerde, wat aansluit bij de voorwaardevoor een basisbeurs, met een minimum van twaalf maanden. Dit betekentdat studenten die een opleiding met een nominale duur van vier jaarvolledig onder het leenstelsel hebben afgerond aanspraak kunnen makenop een hogere tegemoetkoming dan studenten die slechts één jaar onderhet leenstelsel hebben gestudeerd. Indien een student heeft gekozen omlanger over zijn studie te doen, bijvoorbeeld om bestuurswerkzaamhedenop te pakken, dan blijft de maximale vergoeding staan op het aantalnominale jaren van de opleiding. Bij een vierjarige opleiding zal datachtenveertig maanden zijn. Indien de prestatiebeursrechten vanwege eenhandicap of chronische ziekte op grond van artikel 5.2b WSF 2000 zijnverlengd, dan wordt deze verlenging meegenomen in de berekening vande hoogte van de tegemoetkoming.14 Bij de aanvullende tegemoetkomingwordt aangesloten bij deze systematiek. Rekening houdende met deeerdergenoemde uitvoerings- en uitbreidingskosten levert dit een14Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 25–26.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 311 aanvullende tegemoetkoming op van € 44,50 per maand dat een studentonder het leenstelsel heeft gestudeerd.3. Verhouding tot hoger recht en nationale regelgeving 3.1 Verhouding tot hoger recht 3.1.1 Verwerking persoonsgegevens tegemoetkoming en aanvullendetegemoetkoming Bij de voorgestelde toekenning van de tegemoetkoming en de aanvul-lende tegemoetkoming worden persoonsgegevens verwerkt. Gelet daaropis een Data Protection Impact Assessment (DPIA) opgesteld. Hieronder isbeschreven hoe de verwerking van persoonsgegevens zich verhoudt totde Algemene verordening gegevensbescherming (AVG).Gegevensverwerking ambtshalve toekenningBij de ambtshalve toekenning van de tegemoetkoming en de aanvullendetegemoetkoming worden persoonsgegevens die al bekend zijn bij DUOverder verwerkt. Deze verdere verwerking is noodzakelijk om detegemoetkoming(en) toe te kunnen kennen en daarmee noodzakelijk voorde vervulling van een taak van algemeen belang als bedoeld in artikel 6,eerste lid, onderdeel e, AVG. De persoonsgegevens worden verderverwerkt voor een ander doel, namelijk het toekennen van de tegemoetko-ming(en), dan het doel waarvoor de persoonsgegevens aanvankelijk zijnverzameld. De verdere verwerking van de persoonsgegevens voor ditandere doel is volgens de regering verenigbaar met het doel waarvoor depersoonsgegevens aanvankelijk zijn verzameld als bedoeld in artikel 6,vierde lid, AVG. Hierbij is rekening gehouden met de factoren genoemd inde onderdelen a tot en met e van dat artikellid. Dit is hieronderbeschreven.Onderdeel a – het verband tussen de doeleindenAlle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen,krijgen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend. Hiervoorzullen gegevens verwerkt worden die al bij DUO bekend zijn voor hettoekennen van de tegemoetkoming, het toekennen van de studiefinan-ciering en het innen van de studieschuld.Verder krijgt een deel van de (oud-)studenten die vallen onder deuitbreiding van de doelgroep de tegemoetkoming en in vervolg daarop(zie boven) de aanvullende tegemoetkoming eveneens ambtshalvetoegekend. Het gaat om (oud-)studenten die vanwege bijzondereomstandigheden geen diploma hebben kunnen behalen en bij wie opgrond van artikel 5.15 of 5.16, derde lid, WSF 2000 de toegekendeprestatiebeurs is omgezet in een gift. Hiervoor zullen gegevens verwerktworden die al bij DUO bekend zijn voor het toekennen van de studiefinan-ciering, het omzetten van de prestatiebeurs in een gift bij bijzondereomstandigheden en het innen van de studieschuld. Wat betreft het tweedewordt uitsluitend het gegeven dat de prestatiebeurs vanwege bijzondereomstandigheden is omgezet in een gift verder verwerkt. De onderliggendestukken worden niet opnieuw verwerkt.Er is een duidelijk verband tussen de doeleinden waarvoor de persoons-gegevens zijn verzameld en de doeleinden van de verdere verwerking. Devoorwaarden voor de toekenning van de tegemoetkoming(en) sluitennamelijk aan bij de voorwaarden voor het toekennen van de studiefinan-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 312 ciering en het omzetten van de prestatiebeurs in een gift. Verder wordende tegemoetkoming(en) in beginsel afgetrokken van de studieschuld.Onderdeel b – het kader waarin de persoonsgegevens zijn verzameldDUO heeft de persoonsgegevens verzameld in het kader van haarwettelijke taken rond studiefinanciering. De toekenning van de tegemoet-koming en de aanvullende tegemoetkoming houdt verband met de aardvan de studiefinanciering ten tijde van het leenstelsel en ligt daarmeedirect in het verlengde van die taken. Gelet daarop en gezien deverhouding tussen DUO en de (oud-)studenten, die in de regel ziet op deuitvoering van studiefinanciering, zal het voor laatstgenoemden in de redeliggen dat hun persoonsgegevens kunnen worden hergebruikt om ook detoekenning van de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkominguit te voeren.Onderdeel c – de aard van de persoonsgegevensBij de verdere verwerking worden merendeels geen bijzondere catego-rieën van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 9, eerste lid, AVGverwerkt. Alleen het gegeven dat de prestatiebeurs vanwege bijzondereomstandigheden is omgezet in een gift kwalificeert, gezien de uitleg diehet Hof van Justitie van de Europese Unie geeft aan het begrip «gegevensover gezondheid» in artikel 9, eerste lid, AVG,15 als een bijzonderpersoonsgegeven. De regering acht de verdere verwerking van ditgegeven voor de toekenning van de tegemoetkoming in overeen-stemming met artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG. Daarbij speelt meedat deze verdere verwerking noodzakelijk is om de betrokken groep(oud-)studenten de tegemoetkoming (en de aanvullende tegemoet-koming) toe te kunnen kennen, dat met dit wetsvoorstel wordt voorzien inde wettelijke grondslag om op basis van dit gegeven de tegemoetko-ming(en) toe te kennen en dat met dit wetsvoorstel wordt voorzien in devoor die gegevensverwerking noodzakelijke wettelijke grondslag enwaarborgen ter bescherming van de grondrechten en de fundamentelebelangen van de (oud-)studenten. Hierbij wordt gewezen op de voorge-stelde wettelijke grondslag en waarborgen voor de verwerking vanbijzondere persoonsgegevens ten aanzien van de maatregelen binnen deVoorziening Prestatiebeurs. Zie daarover verder deze paragraaf, onderGegevensverwerking toekenning op aanvraag, en paragraaf 3.1.2.Onderdeel d – de mogelijke gevolgen van de verdere verwerkingDe verdere verwerking van de persoonsgegevens heeft positievegevolgen voor debetrokken (oud-)studenten. Enerzijds omdat zij hierdoor (alsnog) detegemoetkoming(en) ontvangen. Anderzijds omdat hiermee wordtvoorkomen dat zij om in aanmerking te komen voor de tegemoetko-ming(en) gegevens (waaronder eventueel medische gegevens metbetrekking tot de bijzondere omstandigheden) opnieuw moeten aanle-veren bij DUO, terwijl DUO al over deze gegevens beschikt. Dit zou voorhen leiden tot een onnodige verhoging van de regeldruk.15Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie volgt dat het begrip«gegevens over gezondheid» ruim moet worden uitgelegd (HvJEU 6 november 2003,ECLI:EU:C:2003:596, r.o. 50) en dat om persoonsgegevens te kunnen aanmerken als «gegevensover gezondheid» het voldoende is dat uit die gegevens door het leggen van beredeneerdeverbanden of door deductie informatie over de gezondheidstoestand van de betrokkene kanworden afgeleid (HvJEU 4 oktober 2024, ECLI:EU:C:2024:846, r.o. 83).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 313 Onderdeel e – het bestaan van passende waarborgenDUO bewaart de door haar verzamelde persoonsgegevens in hetzogenaamde studiefinancieringssysteem (SFS). Binnen het SFS wordtgewerkt via een autorisatiebeheersysteem. Voor de persoonsgegevens inhet SFS zijn in de op grond van artikel 5 Archiefwet 1995 vastgesteldeGenerieke selectielijst Onderwijs, Cultuur en Wetenschap algemenebewaartermijnen vastgelegd. In deze selectielijst is bepaald dat gegevensmet betrekking tot studiefinanciering worden bewaard tot vijf jaar na heteindigen van de actieve relatie tussen de (oud-)student en DUO.16 Bijoverlijden van de (oud-)student worden deze gegevens na twee jaarverwijderd. Aanvullend worden met dit wetsvoorstel verschillendewettelijke waarborgen geregeld voor de verwerking van bijzonderepersoonsgegevens. Zie daarover verder deze paragraaf, onder Gegevens-verwerking toekenning op aanvraag, en paragraaf 3.1.2. Daarnaast wordtbij de verdere verwerking van persoonsgegevens het principe vandataminimalisatie in acht genomen. Er worden niet meer persoonsge-gevens verder verwerkt dan noodzakelijk voor het doel. Zo wordt voor hetdeel van de (oud-)studenten dat valt onder de uitbreiding van dedoelgroep en dat de tegemoetkoming en in vervolg daarop de aanvul-lende tegemoetkoming ambtshalve toegekend krijgt – naast de gegevensmet betrekking tot het toekennen van de studiefinanciering en het innenvan de studieschuld – uitsluitend het gegeven dat de prestatiebeursvanwege bijzondere omstandigheden is omgezet in een gift verderverwerkt. De onderliggende stukken worden niet opnieuw verwerkt.ConclusieGelet op wat hierboven is beschreven, in samenhang bezien, is volgensde regering de verdere verwerking van persoonsgegevens in het kadervan de ambtshalve toekenning van de tegemoetkoming en de aanvul-lende tegemoetkoming in overeenstemming met artikel 6, eerste envierde lid, AVG.Gegevensverwerking toekenning op aanvraagEen deel van de (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van dedoelgroep kan de tegemoetkoming niet ambtshalve toegekend krijgen.Het gaat om (oud-)studenten die niet eerder studiefinanciering hebbenontvangen. Zij zijn niet bekend bij DUO en DUO beschikt dus niet over hungegevens. Deze (oud-)studenten kunnen de tegemoetkoming aanvragen.Wanneer zij de tegemoetkoming toegekend krijgen, krijgen zij in vervolgdaarop (zie boven) de aanvullende tegemoetkoming ambtshalvetoegekend.Deze (oud-)studenten moeten bij de aanvraag gegevens overleggenwaaruit blijkt dat zij ten tijde van het leenstelsel aanspraak maakten opstudiefinanciering. Het gaat om de volgende gegevens: inschrijvingsge-gevens, leeftijd en indien van toepassing gegevens over nationaliteit enarbeid – zie paragraaf 2.2.4. Verder moeten zij gegevens overleggenwaaruit blijkt dat zij als gevolg van bijzondere omstandigheden geendiploma hebben kunnen behalen of er langer dan tien jaar over hebbengedaan om een diploma te behalen. Het gaat om de volgende gegevens:een beschikking van een Wajong-uitkering, respectievelijk een verklaringvan een onderwijsinstelling en bij bijzondere medische omstandighedenaangevuld met een verklaring van een arts – zie paragraaf 2.2.4 (en– specifiek in verband met genoemde stukken – de artikelen 5.15 en 5.16,16Zie met betrekking tot het eindigen van de actieve relatie paragraaf 3.1.2, onder Waarborgen,onder Bewaartermijnen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 314 vijfde lid, WSF 2000). Bedoelde gegevens waaruit de bijzondere omstan-digheden blijken, zullen vaak medische gegevens zijn. Medische gegevenszijn bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid) alsbedoeld in artikel 9, eerste lid, AVG.Op grond van artikel 9, eerste lid, AVG is de verwerking van dezebijzondere persoonsgegevens verboden, tenzij een van de uitzonderings-gronden van artikel 9, tweede lid, AVG van toepassing is. Bij deverwerking van bedoelde gegevens over gezondheid in het kader van detoekenning op aanvraag van de tegemoetkoming is dat het geval. Eenberoep wordt gedaan op de uitzonderingsgrond in artikel 9, tweede lid,onderdeel g, AVG, te weten: de verwerking is noodzakelijk om redenenvan zwaarwegend algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijkrecht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordtgewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming vanpersoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifiekemaatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten ende fundamentele belangen van de betrokkene. Hierbij is het volgende vanbelang. De verwerking van deze gegevens is noodzakelijk om debetrokken groep (oud-)studenten de tegemoetkoming (en de aanvullendetegemoetkoming) toe te kunnen kennen. In dat kader wordt met ditwetsvoorstel voorzien in de wettelijke grondslag om op basis van dezegegevens de tegemoetkoming(en) toe te kennen. In aanvulling daaropwordt met dit wetsvoorstel voorzien in de voor die gegevensverwerkingnoodzakelijke wettelijke grondslag en waarborgen ter bescherming van degrondrechten en de fundamentele belangen van de (oud-)studenten.Hierbij wordt aangesloten bij de voorgestelde wettelijke grondslag enwaarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens tenaanzien van de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs. Ziedaarover verder paragraaf 3.1.2.3.1.2 Grondslag en waarborgen verwerking bijzondere persoonsgegevens Dit wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van de doelgroep. De nieuwegroepen (oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroepkomen in aanmerking voor zowel de tegemoetkoming als de aanvullendetegemoetkoming (net als de overige groepen rechthebbende(oud-)studenten). Het gaat om (oud-)studenten die vanwege bijzondereomstandigheden geen diploma hebben kunnen behalen of er langer dantien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen. Hierbij wordt,als eerder vermeld (zie paragraaf 2.2.4), aangesloten bij de toepassings-voorwaarden van de artikelen 5.15 en 5.16, derde lid, respectievelijk 5.16,eerste en tweede lid, WSF 2000, specifieker de omzetting van de prestatie-beurs in een gift in geval van bijzondere omstandigheden, respectievelijkde verlenging van de diplomatermijn in geval van bijzondere omstandig-heden.Genoemde omzetting van de prestatiebeurs in een gift en verlenging vande diplomatermijn maken onderdeel uit van een breder pakket aanvoorzieningen waarvan studenten gebruik kunnen maken als zij tijdenshun studie geconfronteerd worden met bijzondere omstandigheden.Onder dit bredere pakket maatregelen, de zogenoemde VoorzieningPrestatiebeurs, vallen ook de verlenging van de duur van de prestatie-beurs vanwege handicap of chronische ziekte, bedoeld in artikel 5.2b WSF2000 alsmede de daarmee samenhangende (gedeeltelijke) kwijtscheldingvan studieschuld voor ho-studenten met handicap of chronische ziekte,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 315 bedoeld in artikel 12.31 WSF 2000,17 en de nieuwe aanspraak op studiefi-nanciering verband houdend met handicap of chronische ziekte, bedoeldin artikel 5.16, vierde lid, WSF 2000. Het equivalent van de maatregelenbinnen de Voorziening Prestatiebeurs is voor mbo-studenten vastgelegdin de artikelen 4.12, 4.13 en 4.14 WSF 2000.Naar aanleiding van dit wetsvoorstel is breder gekeken naar de maatre-gelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs, specifieker de daarbij vantoepassing zijnde grondslag en waarborgen ten aanzien van de gegevens-verwerking. Bij deze processen kan het namelijk nodig zijn om bijzonderepersoonsgegevens (gegevens over gezondheid) van de student teverwerken. Daarbij is geconstateerd dat de nu van toepassing zijndegrondslag en waarborgen niet voldoen aan de daarvoor op grond van deAVG geldende verplichtingen met betrekking tot gegevensverwerking.Met dit wetsvoorstel wordt dat hersteld.Op grond van artikel 9, eerste lid, AVG is de verwerking van bijzonderepersoonsgegevens verboden, tenzij een van de uitzonderingsgronden vanartikel 9, tweede lid, AVG van toepassing is. Bij de maatregelen binnen deVoorziening Prestatiebeurs is dat het geval. Van toepassing is deuitzonderingsgrond in artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG, te weten: deverwerking is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeenbelang, op grond van Unierecht of lidstatelijk recht, waarbij de evenre-digheid met het nagestreefde doel wordt gewaarborgd, de wezenlijkeinhoud van het recht op bescherming van persoonsgegevens wordtgeëerbiedigd en passende en specifieke maatregelen worden getroffen terbescherming van de grondrechten en de fundamentele belangen van debetrokkene.Zwaarwegend algemeen belangDe verwerking van bedoelde bijzondere persoonsgegevens (gegevensover gezondheid) in het kader van de maatregelen binnen de VoorzieningPrestatiebeurs is noodzakelijk om redenen van zwaarwegend algemeenbelang.Zonder deze verwerking kan niet worden vastgesteld of een student wel ofniet aanspraak maakt op de verschillende ondersteunende maatregelen.Deze ondersteunende maatregelen zijn in het belang van de studenten diehet aangaat. Daarmee is ook de verwerking van bedoelde bijzonderepersoonsgegevens in het kader van deze maatregelen in het belang vandie studenten. Ook is dit in het algemeen belang. Met deze verwerkingwordt bewerkstelligd dat alleen studenten voor wie de maatregelen zijnbedoeld daarvan gebruik kunnen maken en wordt onrechtmatig gebruiktegengegaan.GrondslagIngevolge artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG is voor de verwerkingvan bijzondere persoonsgegevens een expliciete wettelijke grondslagnodig. De formulering van de artikelen 4.12, 4.13, 4.14, 5.2b, 5.15, 5.16 en12.31 WSF 2000 over de maatregelen binnen de Voorziening Prestatie-17Anders dan de verlenging van de duur van de prestatiebeurs vanwege handicap of chronischeziekte maakt de (gedeeltelijke) kwijtschelding van studieschuld voor ho-studenten methandicap of chronische ziekte geen onderdeel uit van de maatregelen binnen de VoorzieningPrestatiebeurs. Gezien de samenhang tussen beide voorzieningen en omwille van deleesbaarheid wordt in dit wetsvoorstel onder de maatregelen binnen de Voorziening Prestatie-beurs evenwel ook begrepen de (gedeeltelijke) kwijtschelding van studieschuld voorho-studenten met handicap of chronische ziekte.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 316 beurs veronderstelt dat bijzondere persoonsgegevens (gegevens overgezondheid) kunnen worden verwerkt bij de vaststelling of een studentwel of niet aanspraak maakt op die maatregelen, maar expliciteert datniet. Voorgesteld wordt om hiervoor een expliciete wettelijke grondslagop te nemen.WaarborgenVerder moeten ingevolge artikel 9, tweede lid, onderdeel g, AVG passendeen specifieke maatregelen worden getroffen ter bescherming van degrondrechten en de fundamentele belangen van de betrokkene. Dezewaarborgen moeten in elk geval op hoofdlijnen in de wet zijn verankerd.18Bij de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs is nog nietvoorzien in dergelijke wettelijke waarborgen.BewaartermijnenAls eerder vermeld,19 bewaart DUO de door haar verzamelde persoonsge-gevens in het SFS. Voor de persoonsgegevens in het SFS zijn in de opgrond van artikel 5 Archiefwet 1995 vastgestelde Generieke selectielijstOnderwijs, Cultuur en Wetenschap algemene bewaartermijnenvastgelegd. In deze selectielijst is bepaald dat gegevens met betrekking totstudiefinanciering worden bewaard tot vijf jaar na het eindigen van deactieve relatie tussen de (oud-)student en DUO. Het eindigen van deactieve relatie betreft het moment dat de rechten en verplichtingen van debetrokkene uit hoofde van de WSF 2000 zijn geëindigd. Hierbij kan wordengedacht bijvoorbeeld bij een betrokkene met een studieschuld aan hetmoment dat de studieschuld is afgelost of dat de aflosperiode isafgelopen en bij een betrokkene die alleen een prestatiebeurs heeftontvangen en die geen studieschuld heeft opgebouwd aan het momentdat de prestatiebeurs is omgezet in een gift. Verder is in de selectielijstbepaald dat bij overlijden van de (oud-)student de gegevens na twee jaarworden verwijderd.Voorgesteld wordt om verschillende, deels afwijkende, wettelijkebewaartermijnen op te nemen voor gegevens over gezondheid die zijnverwerkt in het kader van besluiten van de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap over de toekenning dan wel afwijzing vanvoorzieningen als bedoeld in de artikelen 4.12, 4.13, 4.14, 5.2b, 5.15, 5.16en 12.31 WSF 2000.Voor de in het kader van besluiten over deze voorzieningen verwerktegegevens over gezondheid (denk bijvoorbeeld aan de onderliggendestukken – zoals het aanvraagformulier met de verklaringen van deonderwijsinstelling en de arts – en het gemotiveerde besluit) wordtvoorgesteld om een afwijkende (kortere) bewaartermijn op te nemeninhoudende dat deze gegevens worden bewaard tot tien jaar nadat hetdesbetreffende besluit is genomen.20 Hierbij is rekening gehouden met de(maximale) termijn van vijf jaar waarbinnen op grond van artikel 7.1 WSF2000 een besluit inzake studiefinanciering kan worden herzien en deze18Zie bijvoorbeeld het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State van 26 maart2025 over het wetsvoorstel Wet vrij en veilig onderwijs (W05.24.00331/I), Kamerstukken II2024/25, 36 777, nr. 4, p. 16.19Zie paragraaf 3.1.1, onder Gegevensverwerking ambtshalve toekenning, onder Onderdeel e– het bestaan van passende waarborgen.20Deze afwijkende (kortere) bewaartermijn geldt zowel in de situatie dat deze gegevens zijnverwerkt door een medewerker van DUO, niet zijnde een arts, als voor de situatie dat dezegegevens zijn verwerkt door een arts die voor of namens DUO werkt. Voor deze artsen wordtop grond van artikel 7:464, tweede lid, onder a, BW afgeweken van de bewaartermijn inartikel 7:454, derde lid, BW.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 317 gegevens nog nodig kunnen zijn. Daarnaast is hiermee gewaarborgd datdeze gegevens nog voldoende lang beschikbaar zijn in geval van eeneventuele bezwaar-, beroeps- of hogerberoepsprocedure tegen het(herziene) besluit over de voorziening. Daarbij wordt voorgesteld dat alsvoor het einde van deze bewaartermijn van tien jaar een van de eerderge-noemde algemene bewaartermijnen bij DUO verstrijkt (bewaren tot vijfjaar na het eindigen van de actieve relatie tussen de (oud-)student en DUOdan wel tot twee jaar na het overlijden van de (oud-student)), dezegegevens worden bewaard tot het einde van die algemene bewaartermijn.Onder de in het kader van besluiten over voorzieningen verwerktegegevens over gezondheid vallen ook het (enkele, desalnietteminbijzondere21 persoons)gegeven dat een voorziening is toegekend engegevens over de aan het toekenningsbesluit verbonden rechtsgevolgen.Denk bijvoorbeeld aan het (enkele) gegeven dat de prestatiebeursvanwege bijzondere omstandigheden is omgezet in een gift, en hetbedrag dat is omgezet in een gift, of het (enkele) gegeven dat de diploma-termijn vanwege bijzondere omstandigheden is verlengd, en de duur vande verlenging. In afwijking van bovenstaande wordt voorgesteld om voordeze gegevens onverkort aan te sluiten bij de eerdergenoemde algemenebewaartermijnen bij DUO (zie ook hierboven). Voor deze gegevens zijndeze reguliere (langere) bewaartermijnen noodzakelijk om de uitvoerings-processen, dienstverlening, informatievoorziening en de financiëleverantwoording met betrekking tot de voorzieningen te kunnenwaarborgen.Toegang na autorisatieDaarnaast wordt voorgesteld om wettelijk te regelen dat de gegevensover gezondheid die zijn verwerkt in het kader van besluiten overeerdergenoemde voorzieningen alleen toegankelijk zijn voor daartoegeautoriseerde personen. Daarbij wordt voorgesteld om een delegatie-grondslag op te nemen om dit bij ministeriële regeling verder uit tewerken. Hierbij worden de autorisaties van de personen, medewerkersvan DUO, afgestemd op de door hen te verrichten werkzaamheden. Het(enkele) gegeven dat een voorziening is toegekend en gegevens over deaan het toekenningsbesluit verbonden rechtsgevolgen zullen voor eenbredere groep medewerkers toegankelijk blijven dan de overige in hetkader van die voorzieningen verwerkte gegevens over gezondheid. Dit isnoodzakelijk vanwege dezelfde redenen als de redenen waarom voor dezegegevens de reguliere (langere) bewaartermijnen noodzakelijk zijn.ConclusieMet de voorgestelde wettelijke grondslag en waarborgen bij de maatre-gelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs wordt ten aanzien van diemaatregelen voldaan aan de daarvoor op grond van de AVG geldendeverplichtingen met betrekking tot gegevensverwerking.3.2 Verhouding tot nationale regelgeving Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs en de daaropgevolgde lagere regelgeving is de toekenning van de tegemoetkominggeregeld in artikel 12.30 WSF 2000, de artikelen 21a, 21b en 21c BSF 2000en artikel 2.7 van de Regeling studiefinanciering 2000 (RSF 2000). Met ditwetsvoorstel wordt artikel 12.30 WSF 2000 gewijzigd in verband met detoekenning van de aanvullende tegemoetkoming en de uitbreiding van de21Zie paragraaf 3.1.1, onder Gegevensverwerking ambtshalve toekenning, onder Onderdeel c– de aard van de persoonsgegevens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 318 doelgroep. De bepalingen in het BSF 2000 en de RSF 2000 worden voorzover nodig bij lagere regelgeving gewijzigd.4. Gevolgen voor (oud-)studenten 4.1 Financiële gevolgen Studenten die tijdens het leenstelsel hebben gestudeerd en die aan devoorwaarden voldoen, komen, in aanvulling op de tegemoetkoming, inaanmerking voor de aanvullende tegemoetkoming. Hiermee wordt hunstudieschuld verminderd of – als zij geen studieschuld (meer) hebben –krijgen zij (het restant van) de aanvullende tegemoetkoming uitbetaald.De aanvullende tegemoetkoming wordt uitgekeerd vanaf april 2027.Studenten die onder de nieuw toegevoegde doelgroepen vallen,ontvangen vanaf april 2027 zowel de tegemoetkoming als de aanvullendetegemoetkoming.De bedragen van de tegemoetkomingen worden jaarlijks bij ministeriëleregeling per 1 januari geïndexeerd. Deze geïndexeerde (hogere) bedragengelden voor studenten die de tegemoetkomingen op een later momenttoegekend krijgen. In onderstaand overzicht staan de bedragen van debeide tegemoetkomingen. De aanvullende tegemoetkoming wordt vóórde uitkering vanaf april 2027 nog eenmaal geïndexeerd per 1 januari 2027.Zie in dit verband de toelichting bij artikel II van dit wetsvoorstel.Vervolgens wordt de aanvullende tegemoetkoming net als de tegemoet-koming jaarlijks op reguliere wijze geïndexeerd.Overzicht verschillende tegemoetkomingenBedrag per maandBedrag voor vier jaarTegemoetkoming€ 35,31(prijspeil 2026)€ 1.694,88(prijspeil 2026)Aanvullende tegemoetkoming€ 44,50(prijspeil 2026)€ 2.136,00(prijspeil 2026) 4.2 Fiscale gevolgen 4.2.1 Inkomstenbelasting De aanvullende tegemoetkoming wordt (net als de tegemoetkoming) vande studieschuld afgetrokken of (deels) uitbetaald als er geen studieschuld(meer) is. De aanvullende tegemoetkoming is (net als de tegemoet-koming) niet belast voor de inkomstenbelasting in box 1.4.2.2 Vermogensbelasting De aanvullende tegemoetkoming kan (net als de tegemoetkoming)gevolgen hebben voor de vermogensbelasting in box 3. Als de aanvul-lende tegemoetkoming wordt afgetrokken van de studieschuld, kan datgevolgen hebben voor de aftrekbaarheid van de studieschuld in box 3. Ingeval van (gedeeltelijke) uitbetaling verhoogt de aanvullende tegemoet-koming het vermogen van de ontvanger. Als het totale vermogen meerbedraagt dan het heffingsvrije vermogen, kan dat gevolgen hebben voorde heffing over vermogen in box 3.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 319 4.2.3 Vermogensafhankelijke regelingen De hoogte van het vermogen is ook voor verschillende vermogensafhan-kelijke regelingen relevant. Bij de Participatiewet (bijstand) is hetvermogen op elk moment relevant. Bij onder meer de toeslagen en deWet langdurige zorg (Wlz) is het vermogen op peildatum 1 januarirelevant. Het uitbetalen van de beide tegemoetkomingen kan leiden totterugvorderingen (bijstand en toeslagen) of een hogere eigen bijdrage(Wlz). Een (oud-)student kan de tegemoetkomingen weigeren door dezebijvoorbeeld terug te storten, maar dat kan gevolgen hebben voor debijstandsuitkering. De gemeente kan dat zien als onredelijk gebruik makenvan eigen geld, waardoor de (oud-)student zich «bijstandsafhankelijk»maakt. Dit kan leiden tot een korting op de bijstandsuitkering. Hetweigeren van de tegemoetkomingen heeft geen gevolgen voor toeslagenen Wlz.DUO informeert (oud-)studenten over de gevolgen die de tegemoetko-mingen (kunnen) hebben voor het vermogen. Daarbij wordt ook benoemddat het effect kan hebben op de bijstand, toeslagen en Wlz. DUO zalzoveel mogelijk voorkomen dat de uitbetaling van de tegemoetkomingenvlak voor de vermogensvaststelling plaatsvindt.4.3 Doenvermogen Oud-studenten krijgen direct na hun studie te maken met veel verande-ringen, zoals doorstromen naar een nieuwe of vervolgopleiding, eeneerste (voltijds)baan en veranderingen in de woonsituatie. Al dezegebeurtenissen en veranderingen hebben invloed op het doenvermogenvan de oud-studenten. De aanvullende tegemoetkoming sluit quavormgeving aan bij de tegemoetkoming. Dit draagt in belangrijke mate bijaan de «doenlijkheid» van dit wetsvoorstel. Hieronder is beschreven hoein dit wetsvoorstel verder rekening wordt gehouden met het doenver-mogen.4.3.1 Ambtshalve toekennen Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen,krijgen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.(Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en vanwie de gegevens beschikbaar zijn bij DUO omdat zij studiefinancieringhebben aangevraagd, krijgen de tegemoetkoming en in vervolg daarop deaanvullende tegemoetkoming eveneens ambtshalve toegekend (zie ookparagraaf 2.2.4, onder Ambtshalve toekennen).(Oud-)studenten ontvangen een beschikking over de toekenning met hetbedrag dat wordt afgetrokken van de studieschuld en/of wordt uitbetaald.(Oud-)studenten waarbij de (aanvullende) tegemoetkoming (gedeeltelijk)wordt uitbetaald, hoeven alleen actie te ondernemen als DUO nietbeschikt over een rekeningnummer of als zij de uitbetaling op een anderrekeningnummer willen ontvangen.4.3.2 Op aanvraag toekennen (Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en vanwie de gegevens niet beschikbaar zijn bij DUO omdat zij geen studiefinan-ciering hebben aangevraagd, moeten een aanvraag doen om voor detegemoetkoming in aanmerking te komen. Als zij de tegemoetkomingtoegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvul-lende tegemoetkoming toegekend krijgen (zie ook paragraaf 2.2.4, onderToekennen op aanvraag).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 320 De aanvraagprocedure voor deze (kleine) groep zal zo laagdrempeligmogelijk worden ingericht. De (oud-)student kan in de aanvraagprocedurekenbaar maken te hebben gestudeerd onder het leenstelsel en zal moetenaantonen dat hij aanspraak had kunnen maken op studiefinanciering.De student moet ook aantonen dat hij als gevolg van bijzondere omstan-digheden hetzij geen diploma heeft kunnen behalen hetzij er langer dantien jaar over heeft gedaan om een diploma te behalen. Hierbij wordtaangesloten bij de toepassingsvoorwaarden van de artikelen 5.15 en 5.16WSF 2000. De student kan dit aantonen met een beschikking van eenWajong-uitkering (artikel 5.15 WSF 2000), respectievelijk met eenverklaring van zijn onderwijsinstelling en bij bijzondere medischeomstandigheden aangevuld met een verklaring van een arts (artikel 5.16WSF 2000). Dit vraagt een zeker doenvermogen van een relatief kwetsbaregroep (oud-)studenten. Er is geen andere mogelijkheid om de tegemoet-komingen toe te kennen, omdat deze (oud-)studenten en hun bijzondereomstandigheden niet bij DUO bekend zijn. Er is ook geen eenvoudigermanier om vast te stellen dat zij als gevolg van bijzondere omstandig-heden hetzij geen diploma hebben kunnen behalen hetzij er langer dantien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen. Bovendien ishet wenselijk om deze groep zoveel mogelijk gelijk te behandelen met degroep met bijzondere omstandigheden die wel studiefinanciering heeftaangevraagd.Ook voor de onderwijsinstelling en in voorkomende gevallen een artsvraagt dit een zeker doenvermogen om een goede beoordeling van debijzondere omstandigheden te maken.4.4 Regeldruk Regeldrukkosten zijn alle kosten die een burger of bedrijf moet maken omaan wet- en regelgeving te voldoen. In deze paragraaf is bij de bereke-ningen gebruikgemaakt van de methodiek en standaarduurtarieven uit hetHandboek Meting Regeldruk (september 2023). Regeldruk is breder dantijd en geld, maar is ook hoe een verplichting wordt ervaren.4.4.1 Ambtshalve toekennen Alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen,krijgen de aanvullende tegemoetkoming ambtshalve toegekend.(Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en vanwie de gegevens beschikbaar zijn bij DUO omdat zij studiefinancieringhebben aangevraagd, krijgen de tegemoetkoming en in vervolg daarop deaanvullende tegemoetkoming eveneens ambtshalve toegekend. Deze(oud-)studenten hoeven in beginsel geen actie te ondernemen. Deze(oud-)studenten hoeven alleen actie te ondernemen als de (aanvullende)tegemoetkoming (gedeeltelijk) wordt uitbetaald en als DUO niet beschiktover een rekeningnummer of als zij de uitbetaling op een ander rekening-nummer willen ontvangen. Dit leidt tot een regeldruk van 2 minuten per(oud-)student om kennis te nemen van de toekenningsbeschikking(100 procent van de (oud-)studenten) en 3 minuten extra per (oud-)studentals deze een rekeningnummer moet doorgeven of wil wijzigen (3 procentvan de (oud-)studenten). Het gaat in totaal om ongeveer 1.070.000(oud-)studenten. De regeldruk daarvan komt uit op € 0,57–1,42 per(oud-)student (bij uurtarief «burgers» van € 17) en afgerond € 634.000totaal (incidenteel). Op individuele basis zullen (oud-)studenten van detoekenning van de beide tegemoetkomingen dan ook geen of weinigregeldruk ervaren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 321 4.4.2 Op aanvraag toekennen (Oud-)studenten die vallen onder de uitbreiding van de doelgroep en vanwie de gegevens niet beschikbaar zijn bij DUO omdat zij geen studiefinan-ciering hebben aangevraagd, moeten een aanvraag doen om voor detegemoetkoming in aanmerking te komen. Als zij de tegemoetkomingtoegekend krijgen, dan zullen zij vervolgens ambtshalve ook de aanvul-lende tegemoetkoming toegekend krijgen. Deze (oud-)studenten moetende tegemoetkoming aanvragen en daarbij hun bijzondere omstandig-heden aantonen. Deze (oud-)studenten moeten een formulier invullen omde tegemoetkoming aan te vragen en daarbij enkele bewijsstukkenvoegen (inschrijvingsgegevens, leeftijd en indien van toepassinggegevens over nationaliteit en arbeid). Ook moeten deze (oud-)studenteneen formulier invullen over hun bijzondere omstandigheden als gevolgwaarvan zij hetzij geen diploma hebben kunnen behalen hetzij er langerdan tien jaar over hebben gedaan om een diploma te behalen en daarbijbewijsstukken voegen (een verklaring van de onderwijsinstelling en bijbijzondere medische omstandigheden aangevuld met een verklaring vaneen arts).•(Oud-)studenten: Het gaat om enkele tientallen (oud-)studenten. Deberekening van de regeldruk gaat uit van ongeveer 100 (oud-)studenten. Naar verwachting zullen (oud-)studenten gemiddeldongeveer 3,5 uur bezig zijn met het doen van een aanvraag voor detegemoetkoming inclusief het verzamelen van documenten, bezoekaan of contact met de onderwijsinstelling en in 85% van de gevalleneen bezoek aan een arts (reistijd en gemiddeld € 30 reiskosten). Dekosten daarvan komen uit op € 90 per (oud-)student (bij uurtarief«burgers» van € 17) en afgerond € 9.000 totaal (incidenteel).•Onderwijsinstellingen: De berekening van de regeldruk gaat uit vanmaximaal 100 benodigde verklaringen van onderwijsinstellingen. Naarverwachting zullen onderwijsinstellingen gemiddeld ongeveer 1,5 uurbezig zijn met bezoek van of contact met de (oud-)student, hetopstellen van een verklaring inclusief het verzamelen van documentenen het inhoudelijk beoordelen van het verzoek. De kosten daarvankomen uit op € 81 per onderwijsinstelling per (oud-)student (bijuurtarief «hoogopgeleide medewerkers» van € 54) en afgerond€ 8.100 totaal (incidenteel).•Artsen: De berekening van de regeldruk gaat uit van maximaal 85benodigde verklaringen van artsen (85% van de aanvragen). Naarverwachting zullen artsen gemiddeld ongeveer 45 minuten bezig zijnmet het consult met de (oud-)student, het opstellen van een verklaringinclusief het verzamelen van documenten en het inhoudelijk beoorde-len van het verzoek. De kosten daarvan komen uit op € 41 per arts per(oud-)student (bij uurtarief «hoogopgeleide medewerkers» van € 54)en afgerond € 3.500 totaal (incidenteel).Dit leidt tot een eenmalige regeldruk van afgerond € 20.500 in totaal. De(kleine) groep (oud-)studenten zal hier ook regeldruk van ervaren. Zijkunnen de afweging maken of deze inspanning opweegt tegen het bedragvan de beide tegemoetkomingen waarop zij recht zouden krijgen.Onderwijsinstellingen en artsen hebben deze keuzeruimte niet.4.4.3 Bezwaar Een deel van de (oud-)studenten zal in bezwaar gaan tegen de beschikkingover de (aanvullende) tegemoetkoming. Bij een positief besluitwaarschijnlijk tegen de hoogte van de tegemoetkoming. Bij een negatiefbesluit waarschijnlijk tegen de afwijzing van de tegemoetkoming. Een deelvan de bezwaren zal relatief weinig inspanning vragen van de(oud-)student. Het gaat dan bijvoorbeeld om een bezwaar tegen deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 322 vaststelling van het aantal maanden recht op tegemoetkoming. Alleen vande (oud-)student zonder studiefinanciering die in het kader van zijnaanvraag moet aantonen dat bij hem sprake is van bijzondere omstandig-heden zal een bezwaar tegen een negatief besluit waarschijnlijk aanmer-kelijk meer inspanning vragen. Doorgaans zal deze (oud-)student zich danopnieuw tot zijn onderwijsinstelling en/of arts moeten wenden voor eenaanvullende verklaring. Dit zal mogelijk om enkele tientallen(oud-)studenten gaan. Bezwaar maken vraagt gemiddeld een inspanningvan 45 minuten. Dat betekent dat de kosten voor het maken van bezwaarongeveer € 12,75 per bezwaar zijn (bij uurtarief «burgers» van € 17). Naarverwachting gaan ongeveer 2.000 (oud-)studenten in bezwaar.22 Daarmeekomen de totale regeldrukkosten van bezwaar maken op ongeveer€ 25.500 totaal (incidenteel). In (hoger) beroep gaan is geen onderdeelvan de beoordeling van de regeldruk.4.5 Gendergelijkheid Net als de tegemoetkoming, wordt de aanvullende tegemoetkomingbeschikbaar gesteld aan alle (oud-)studenten. Gelet op het eenmaligekarakter van de aanvullende tegemoetkoming en de gelijke hoogte vandeze tegemoetkoming voor alle (oud-)studenten is de verwachting dat heteffect van dit wetsvoorstel op de gendergelijkheid neutraal is. Ditwetsvoorstel vergroot noch verkleint de verschillen.4.6 Gevolgen voor Caribisch Nederland Dit wetsvoorstel heeft gevolgen voor inwoners van Caribisch Nederlanddie ten tijde van het leenstelsel in het Europees deel van Nederlandhebben gestudeerd. Als zij voldoen aan de voorwaarden voor detegemoetkomingen, dan komen ook zij daarvoor in aanmerking. Dit geldtook voor studenten uit de andere landen van het Koninkrijk (Aruba,Curaçao en Sint Maarten). De Wet studiefinanciering BES (WSF BES)wordt met dit wetsvoorstel niet gewijzigd.235. Gevolgen voor de uitvoering, rechtspraak en Rijksbegroting 5.1 Gevolgen voor de uitvoering DUO heeft op 14 mei 2025 een uitvoeringstoets en op 10 februari 2026 eenaanvullende uitvoeringstoets uitgebracht. Ook in de beleidsvoorbereidingheeft DUO al intensief meegewerkt en zijn signalen van DUO meege-nomen. Dit wetsvoorstel leidt tot aanpassingen van de systemen enprocessen bij DUO voor het toekennen van de tegemoetkoming en deaanvullende tegemoetkoming. Ook is extra communicatie nodig richting(oud-)studenten en decanen. Daarnaast moeten extra waarborgen voor de22Dit aantal is een inschatting gebaseerd op het aantal bezwaren van de (oud-)studenten die injanuari 2025 de tegemoetkoming toegekend hebben gekregen (ongeveer 54% van derechthebbenden) geëxtrapoleerd naar alle (oud-)studenten die de tegemoetkoming naarverwachting toegekend zullen krijgen.23Bij de Wet studievoorschot hoger onderwijs is ervoor gekozen om het leenstelsel alleen in tevoeren in de WSF 2000 voor Europees Nederland en niet in de WSF BES voor CaribischNederland (Kamerstukken II 2014/15, 34 035, nr. 3, p. 51). Gelet daarop is bij de Wet herin-voering basisbeurs hoger onderwijs de tegemoetkoming ook alleen geregeld in de WSF 2000en niet in de WSF BES. Hetzelfde geldt bij dit wetsvoorstel voor de aanvullende tegemoet-koming. Verder is er geen aanleiding om een vergelijkbare wettelijke grondslag enwaarborgen voor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens op te nemen in de WSFBES. Reden hiervoor is dat er in het kader van de WSF BES geen voorzieningen zijn verge-lijkbaar met de voorzieningen van de Voorziening Prestatiebeurs. Hoewel artikel 2.8 WSF BESde mogelijkheid biedt om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels te stellenover dergelijke voorzieningen, zijn deze niet gesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 323 bescherming van bijzondere persoonsgegevens in het kader van demaatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs worden ingeregeld bijDUO.Volgens DUO is het wetsvoorstel uitvoerbaar. De totale kosten voor deinvoering en voor de uitvoering van de uitbreiding van de doelgroep envan de toekenning en uitkering van de (aanvullende) tegemoetkominggedurende de looptijd van de regeling tot en met 2036 zijn € 4,9 miljoen(prijspeil 2025). Deze kosten worden gedekt uit het beschikbaar gesteldebudget van € 1,4 miljard. De kosten voor de invoering en uitvoering vanbovenbedoelde extra waarborgen voor de bescherming van bijzonderepersoonsgegevens worden niet uit dat budget, maar uit de regulierestructurele budgetten van DUO gedekt. Deze kosten zien immers voor eengroot deel op de maatregelen binnen de Voorziening Prestatiebeurs enmaar voor een klein deel op de (aanvullende) tegemoetkoming.De beoogde inwerkingtreding van het wetsvoorstel is 1 januari 2027.Volgens DUO is het mogelijk om per die datum de extra waarborgen voorde bescherming van bijzondere persoonsgegevens in te regelen. DUOadviseert om de uitbreiding van de doelgroep en de toekenning enuitkering van de (aanvullende) tegemoetkoming uit te voeren vanaf april2027. Deze periode valt na de reguliere pieken in de dienstverlening en hetbezwaarproces in het eerste kwartaal. De dienstverlening kan dan hetbeste worden vormgegeven. Dit is overgenomen en op diverse plekken indeze toelichting ingevuld.Wat betreft de extra waarborgen voor de bescherming van bijzonderepersoonsgegevens, specifiek de bewaartermijn, adviseert DUO om eenbewaartermijn van tien jaar te hanteren. Volgens DUO is deze bewaar-termijn noodzakelijk om ook verzoeken die aan het einde van de herzie-ningstermijn worden ingediend goed te kunnen afhandelen. Wel is hetvolgens DUO noodzakelijk dat het gegeven dat een van de genoemdevoorzieningen is toegekend en de uitkomst daarvan langer bewaard enbreder toegankelijk blijft om de (oud-)studenten van de juiste informatie tekunnen voorzien en de financiële verantwoording te kunnen borgen.Daarom adviseert DUO om voor deze gegevens de reguliere (langere)bewaartermijnen te blijven hanteren (bewaren tot vijf jaar na het eindigenvan de actieve relatie tussen de (oud-)student en DUO dan wel tot tweejaar na het overlijden van de (oud-student)) en deze toegankelijk tehouden voor een bredere groep geautoriseerde medewerkers. Dit isovergenomen. Het wetsvoorstel voorziet in een bewaartermijn van tienjaar voor in het kader van besluiten over genoemde voorzieningenverwerkte gegevens over gezondheid. Waar het gaat om het gegeven dateen voorziening is toegekend en gegevens over aan dergelijke toeken-ningsbesluiten verbonden rechtsgevolgen wordt in afwijking daarvanaangesloten bij de reguliere (langere) bewaartermijnen (zie hierboven).Het autorisatiebeheer wordt uitgewerkt bij ministeriële regeling. Hierbijworden de autorisaties van de medewerkers afgestemd op de door hen teverrichten werkzaamheden. Daarbij zullen het gegeven dat eenvoorziening is toegekend en gegevens over de rechtsgevolgen daarvanvoor een bredere groep medewerkers toegankelijk blijven dan de overigein het kader van die voorzieningen verwerkte gegevens over gezondheid.DUO stelt voor om artikel 7.1 WSF 2000 te wijzigen om de herziening vanbeschikkingen inzake de tegemoetkomingen juridisch mogelijk te maken.Hiervoor is geen aanleiding. Dit artikel biedt al een grondslag ombeschikkingen inzake de tegemoetkomingen te herzien, nu de tegemoet-koming valt onder het begrip «studiefinanciering» als bedoeld in datartikel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 324 Tot slot geeft DUO aan dat zij in juli/augustus 2025 moet starten met devoorbereiding van de invoering om de (aanvullende) tegemoetkomingvanaf 2027 uit te kunnen keren. Verder geeft DUO aan dat zij uiterlijk inmaart 2026 moet starten met de voorbereiding van de invoering van deextra waarborgen voor de bescherming van bijzondere persoonsgegevensom deze per 1 januari 2027 uit te kunnen voeren. De voorbereiding van deinvoering loopt daarmee parallel aan het verdere wetstraject.5.2 Gevolgen voor de rechtspraak Met dit wetsvoorstel wordt geregeld dat (oud-)studenten die onder hetleenstelsel hebben gestudeerd aanspraak maken op een aanvullendetegemoetkoming. Verder wordt de doelgroep voor de tegemoetkoming(en in het verlengde daarvan de aanvullende tegemoetkoming) enigszinsuitgebreid. De toekenning dan wel afwijzing van een tegemoetkoming iseen voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Tegen besluiten genomen opgrond van de WSF 2000 staat beroep open bij de rechtbanken en hogerberoep bij de Centrale Raad van Beroep. Dit levert naar verwachting intotaal ongeveer 110 extra (hoger)beroepszaken op, bezien over de gehelelooptijd van de regeling. De tegemoetkomingsregeling is een tijdelijkeregeling. Na afloop zijn er geen extra lasten meer voor de rechtspraak.5.3 Gevolgen voor de Rijksbegroting Met dit wetsvoorstel worden financiële middelen ingezet voor deaanvullende tegemoetkoming en voor de uitbreiding van de doelgroepvoor de tegemoetkoming (en in het verlengde daarvan de aanvullendetegemoetkoming). Voor de aanvullende tegemoetkoming is € 1,4 miljardbeschikbaar gesteld.In de eerste suppletoire begroting van het Ministerie van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap (OCW) voor het begrotingsjaar 2025 is€ 47 miljoen toegevoegd voor indexering van de aanvullende tegemoet-koming naar prijspeil 2026.De uitvoeringskosten zijn voor DUO € 4,9 miljoen en voor de rechtspraak€ 0,32 miljoen (zie paragraaf 5.1 en 6.3). De uitvoeringskosten worden uithet totaalbudget gedekt. De uitvoeringskosten voor de rechtspraakworden naar de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheidovergeboekt.20252026202720282029203020312032struc.Aanvullende tegemoetkoming001.327482815960Bedragen x € miljoen 6. Advies en consultatie 6.1 Internetconsultatie Het wetsvoorstel heeft van 24 maart 2025 tot en met 2 mei 2025opgestaan voor internetconsultatie. De consultatie heeft 28 reactiesopgeleverd, waarbij 23 respondenten hebben gekozen voor een openbarereactie. Het gaat om reacties van (oud-)studenten, een studentendecaanen overige burgers. De Landelijke Studentenvakbond (LSVb) heeft ook eenreactie ingediend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 325 6.1.1 Samenvatting Over het algemeen is positief gereageerd op de aanvullende tegemoet-koming en de uitbreiding van de doelgroep. Wel vinden meerdererespondenten de hoogte van de aanvullende tegemoetkoming te laag.Een aantal respondenten legt hierbij een verband met de hoogte van derente op de studielening en met de gevolgen van een studielening voorhet kopen van een huis. De reacties hebben geen aanleiding gegeven omhet wetsvoorstel te wijzigen. De regering bedankt iedereen die heeftgereageerd op het wetsvoorstel. Hieronder gaat de regering – voor zovernodig – in op de reacties.6.1.2 Een aanvullende tegemoetkoming De meeste respondenten kijken positief naar een aanvullende tegemoet-koming, maar geven daarbij aan dat de voorgestelde hoogte van dietegemoetkoming te laag is. Zij vinden deze te laag in verhouding tot degemiste basisbeurs, de hoogte van hun studieschuld of hun huidigepersoonlijke omstandigheden. In reactie daarop merkt de regering op tebegrijpen dat een hoge studieschuld vervelend is voor (oud-)studenten.Het is echter hoogst uitzonderlijk dat bij een beleidswijziging eentegemoetkoming wordt gegeven. Aangezien deze beleidswijziging hier naacht jaar weer is teruggedraaid, heeft de wetgever eerder bij de Wetherinvoering basisbeurs hoger onderwijs besloten om de (oud-)studentendie hiermee te maken hebben gehad een tegemoetkoming te geven. Deregering vindt die tegemoetkoming te laag en heeft daarom besloten omdeze (oud-)studenten (ook) een aanvullende tegemoetkoming te geven. Erzijn beperkte financiële middelen beschikbaar en daarom moeten erscherpe keuzes worden gemaakt. Voor de aanvullende tegemoetkoming is€ 1,4 miljard gereserveerd. In het ontwerpwetsvoorstel dat voorlag bij deinternetconsultatie is een aanvullende tegemoetkoming opgenomen vanongeveer € 40 per maand studie zonder basisbeurs onder het leenstelsel.Sindsdien is budget beschikbaar gesteld om de hoogte van de aanvul-lende tegemoetkoming te indexeren. Daarnaast zijn de definitieveuitvoeringskosten berekend en is de raming van het aantal rechthebbende(oud-)studenten geactualiseerd. Dit resulteert in een aanvullendetegemoetkoming van € 44,50 per maand studie zonder basisbeurs onderhet leenstelsel (prijspeil 2026). Dit is € 2.136,00 per vier jaar studie. Dezeaanvullende tegemoetkoming komt bovenop de eerder ingevoerdetegemoetkoming van € 35,31 per maand studie zonder basisbeurs onderhet leenstelsel (prijspeil 2026). Dit is € 1.694,88 per vier jaar studie.Enkele respondenten stellen voor de behoefte van elke (oud-)student aantegemoetkoming te bekijken, te kiezen voor (volledige) kwijtschelding vande studieschuld of te kiezen voor een structurele tegemoetkoming. Deregering kiest voor een incidentele aanvullende tegemoetkoming. Dit pastbij het maken van een gebaar. De regering kiest hierbij voor een generiekeaanvullende tegemoetkoming voor alle (oud-)studenten die zonderbasisbeurs onder het leenstelsel hebben gestudeerd. Voor al dezestudenten geldt immers in dezelfde mate dat zij in die periode geenbasisbeurs hebben ontvangen.Eén respondent stelt voor om in plaats van een ondergrens van twaalfmaanden studiefinanciering te kiezen voor een ondergrens van éénstudiejaar ook als de (oud-)student in dat studiejaar minder dan twaalfmaanden studiefinanciering heeft gehad. Hierdoor zouden bijvoorbeeld(oud-)studenten die tijdens een éénjarige master minder dan twaalfmaanden studiefinanciering hebben gehad ook in aanmerking kunnenkomen voor de (aanvullende) tegemoetkoming. De regering kiest ervoorom alleen (oud-)studenten die voor een substantiële periode metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 326 aanspraak op studiefinanciering onder het leenstelsel hebben gestudeerdin aanmerking te brengen voor de aanvullende tegemoetkoming.Hetzelfde heeft de wetgever ook besloten bij de eerder ingevoerdetegemoetkoming. Daarbij is gekozen voor een ondergrens van twaalfmaanden wat overeenkomt met één volledig studiejaar. De regeringbegrijpt dat dit vervelend is voor (oud-)studenten die (net) niet aan diegrens voldoen, maar elke grens brengt mee dat er altijd personen zullenzijn die net boven of net onder de grens zitten. Dit is helaas niet tevoorkomen. Deze keuze is in paragraaf 2.2.1 nader toegelicht.6.1.3 De uitbreiding van de doelgroep Een aantal respondenten spreekt (in)direct steun uit voor de uitbreidingvan de doelgroep met (oud-)studenten die vanwege bijzondere(medische) omstandigheden geen diploma hebben gehaald of langerhebben gedaan over het halen van een diploma. Geen van de respon-denten was tegen deze uitbreiding van de doelgroep.Eén respondent stelt voor om een hogere tegemoetkoming te geven aan(oud-)studenten met bijzondere (medische) omstandigheden. De regeringkiest voor een generieke (aanvullende) tegemoetkoming voor alle(oud-)studenten die zonder basisbeurs onder het leenstelsel hebbengestudeerd. Voor al deze studenten geldt immers in dezelfde mate dat zijin die periode geen basisbeurs hebben ontvangen. Het past hierbij nietom specifieke groepen (oud-)studenten een hogere (aanvullende)tegemoetkoming te geven.Een andere respondent stelt voor om ook (oud-)studenten die geraakt zijndoor de toeslagenaffaire en die geen diploma hebben gehaald eenaanvullende tegemoetkoming te geven. In dit wetsvoorstel komen ook(oud-)studenten die vanwege bijzondere omstandigheden geen diplomahebben gehaald of langer hebben gedaan over het halen van een diplomain aanmerking voor de tegemoetkoming en de aanvullende tegemoet-koming. Hierbij sluit de regering aan bij de bestaande regels in geval vanbijzondere omstandigheden in de WSF 2000. Geraakt zijn door detoeslagenaffaire is daarbij geen criterium. (Oud-)studenten die geraakt zijndoor de toeslagenaffaire komen – net als alle andere (oud-)studenten – alszij aan de gestelde voorwaarden voldoen in aanmerking voor detegemoetkoming en de aanvullende tegemoetkoming.6.1.4 Hypotheken en rente De regering staat hierbij ook stil bij enkele reacties en veronderstellingendie de respondenten in hun reacties hebben geuit welke niet (direct) zienop het wetsvoorstel.In enkele reacties is opgemerkt dat voorafgaand aan het leenstelsel zouzijn toegezegd dat de studieschuld niet meetelt bij het aanvragen van eenhypotheek. Dit is niet juist. Bij het verstrekken van een hypothecair kredietdient de kredietverstrekker op grond van de Wet op het financieel toezichtinformatie over de financiële positie van de consument in te winnen omoverkreditering van de consument te voorkomen. Hierbij moet ookrekening worden gehouden met de financiële verplichtingen die eenconsument heeft. Het inkomen moet toereikend zijn om zowel aan deverplichtingen voor de hypotheek als voor de studieschuld te kunnenvoldoen. Sommige (oud-)studenten met een studieschuld kunnen vanaf2024 wel een hogere hypotheek krijgen dan in de voorgaande jaren. Ditkomt omdat de bank of andere hypotheekverstrekkers vanaf 2024 kijkennaar het actueel te betalen maandbedrag aan aflossing en rente op destudieschuld. (Als een (oud-)student tijdelijk geen of een minder hoogTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 327 maandbedrag betaalt (bijvoorbeeld door draagkracht), gaat de hypotheek-verstrekker uit van het bedrag dat per maand zou moeten wordenbetaald.) Voor 2024 keken hypotheekverstrekkers naar de oorspronkelijke(totale) studieschuld. Hierbij werden (extra) aflossingen op de studie-schuld niet altijd goed meegenomen.Daarnaast stellen meerdere respondenten dat de rente op de studieschuldmoet worden verlaagd (in sommige reacties naar 0%) en dat ook diteerder zou zijn toegezegd. Ook dit is niet juist. In de WSF 2000 is bepaaldhoe de hoogte van de rente wordt berekend. De rente op de studieschuldwordt steeds aan het einde van het jaar vastgesteld voor het volgendejaar. Deze rente is afhankelijk van de rente op de staatsobligaties. Terillustratie: de rente in 2008 piekte op 4,17% en is daarna gedaald tot 0,01%in 2016. De rente was van 2017 tot en met 2022 0%. Daarna is de rente vanhet terugbetalingsregime dat uitgaat van aflossing in maximaal 35 jaargestegen naar 0,46% in 2023 tot 2,57% in 2025.In een Kamerbrief van 22 november 2022 is op de vermeende beloftesrond hypotheken en rente ingegaan.246.1.5 Tot slot Tot slot gaan enkele respondenten in op andere aspecten van destudiefinanciering, zoals de aanvullende beurs en de tegemoetkoming tervervanging van de studievoorschotvoucher. Deze onderwerpen vallenbuiten de reikwijdte van dit wetsvoorstel en worden hier daarom buitenbeschouwing gelaten.Een aantal respondenten gaat niet in op de inhoud van het wetsvoorstel,maar op hun persoonlijke (financiële) situatie en de studiefinanciering diezij (hebben) ontvangen. Deze respondenten kunnen – als zij dat willen – bijvragen hierover contact opnemen met DUO. Op de website van DUO staatop welke manieren contact kan worden opgenomen.6.2 Autoriteit persoonsgegevens De Autoriteit persoonsgegevens (AP) heeft op 12 juni 2025 adviesuitgebracht. De AP heeft gekeken naar de bescherming van persoonsge-gevens in het wetsvoorstel. De AP heeft geen opmerkingen bij hetwetsvoorstel.6.3 Raad voor de rechtspraak De Raad voor de rechtspraak (RvdR) heeft op 21 mei 2025 adviesuitgebracht. De RvdR heeft geen inhoudelijke opmerkingen bij hetwetsvoorstel. De uitvoeringskosten voor de rechtspraak zijn in totaal€ 0,32 miljoen. Het gaat naar verwachting om 110 extra (hoger)beroeps-zaken. Het grootste deel van de extra werklast is in 2027 en 2028. Na dezeperiode is de extra werklast beperkt. De regeling is na ongeveer tien jaaruitgewerkt. De uitvoeringskosten voor de rechtspraak worden gedekt uithet beschikbaar gestelde budget van € 1,4 miljard.6.4 Adviescollege toetsing regeldruk Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft op 9 april 2025 adviesuitgebracht. Het ATR heeft gekeken naar nut en noodzaak van hetwetsvoorstel en naar mogelijkheden voor minder belastende alterna-tieven. Ook heeft het ATR gekeken naar de werkbaarheid van het24Kamerstukken II 2022/23, 32 847, nr. 981.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 328 wetsvoorstel en naar de (berekening van de) regeldruk. Het ATR heeftgeen opmerkingen met betrekking tot deze punten en adviseert hetwetsvoorstel in te dienen.7. Inwerkingtreding en communicatie 7.1 Inwerkingtreding De inwerkingtreding van dit wetsvoorstel zal worden geregeld bijkoninklijk besluit, met de mogelijkheid van gefaseerde inwerkingtreding,alsmede met de mogelijkheid om terugwerkende kracht te verlenen aande onderdelen die betrekking hebben op het bedrag van de aanvullendetegemoetkoming en de indexering daarvan. Het streven is om ditwetsvoorstel op 1 januari 2027 volledig in werking te laten treden.7.2 Communicatie De communicatie over dit wetsvoorstel verloopt (grotendeels) via DUO.DUO zal voorafgaand aan de inwerkingtreding van het wetsvoorstel breedalgemeen communiceren over de tegemoetkoming en de aanvullendetegemoetkoming. De (oud-)studenten die bekend zijn bij DUO ontvangenbeschikkingen over de tegemoetkoming(en). Daarnaast zal DUO de bij detegemoetkoming gestarte informatiecampagne voortzetten om de(oud-)studenten te bereiken die niet bij DUO bekend zijn. Deze(oud-)studenten hebben en houden speciale aandacht in de communi-catie, omdat zij zelf de tegemoetkoming moeten aanvragen. Wanneer zijde tegemoetkoming toegekend krijgen, krijgen zij de aanvullendetegemoetkoming ambtshalve toegekend.Deel II Artikelsgewijs Artikel IA(Artikelen 11.6 en 11.7 WSF 2000)In het kader van besluiten over voorzieningen als bedoeld in deartikelen 4.12, 4.13, 4.14, 5.2b, 5.15, 5.16, 12.30 en 12.31 WSF 2000 kan hetnodig zijn om bijzondere persoonsgegevens (gegevens over gezondheid)te verwerken. Met (de nieuwe) artikelen 11.6 en 11.7 wordt voorzien in dewettelijke grondslag en waarborgen (bewaartermijnen en toegang naautorisatie) voor de verwerking van deze bijzondere persoonsgegevens.Zie met betrekking tot deze grondslag en waarborgen verderparagraaf 3.1.1 en 3.1.2 van het algemeen deel van de memorie vantoelichting.Daarbij wordt volledigheidshalve erop geattendeerd dat de waarborgen(waaronder dus ook de bewaartermijnen) per de datum van inwerking-treding niet alleen gelden voor de gegevens over gezondheid die vanafdat moment in het kader van de voorzieningen als bedoeld in deartikelen 4.12, 4.13, 4.14, 5.2b, 5.15, 5.16, 12.30 en 12.31 WSF 2000 wordenverwerkt bij DUO, maar ook voor alle gegevens over gezondheid die opdat moment al in het kader van die voorzieningen zijn verwerkt bij DUO.In aanvulling op wat over de bewaartermijnen in paragraaf 3.1.2 uiteen isgezet, volgt hieronder een uitleg bij de verschillende leden vanartikel 11.7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 329 Eerste en tweede lidOp grond van het eerste lid worden gezondheidsgegevens, verwerkt inhet kader van besluiten over voorzieningen als bedoeld in artikel 11.6,tweede lid, in beginsel bewaard tot tien jaar nadat het betrokken besluit isgenomen.25 Als echter een termijn van vijf jaar na het eindigen van derechten en verplichtingen van de betrokkene op grond van de WSF 2000verstrijkt vóórdat deze tienjaarstermijn is verstreken, dan worden degezondheidsgegevens op grond van het tweede lid korter bewaard. Ditkan zich bijvoorbeeld voordoen als de betrokkene kort na het besluit overde voorziening geen studiefinanciering meer ontvangt en geen studie-schuld (meer) heeft. In dat geval worden de gezondheidsgegevens opgrond van het tweede lid bewaard tot vijf jaar na het einde van derechtsbetrekking. Deze kortere bewaartermijn geldt, als een voorziening istoegekend, zowel voor het (enkele) gegeven dat de voorziening istoegekend en gegevens over de rechtsgevolgen van het toekenningsbe-sluit (bijvoorbeeld de duur van de verlenging van de diplomatermijn), alsvoor de overige gezondheidsgegevens (bijvoorbeeld de aanvraag van devoorziening of de daarbij gevoegde verklaringen van onderwijs-instellingen of artsen). Dit is conform de algemene bewaartermijn van vijfjaar na het eindigen van de actieve relatie tussen betrokkene en DUO, diein de Generieke selectielijst Onderwijs, Cultuur en Wetenschap isopgenomen.Derde lidDit lid regelt dat enkele specifieke gezondheidsgegevens langer dan tienjaar na een besluit tot toekenning van een voorziening worden bewaard,namelijk als de termijn van vijf jaar na het eindigen van de rechten enverplichtingen van de betrokkene op grond van de WSF 2000 verstrijktnádat deze tienjaarstermijn is verstreken. Dit kan zich bijvoorbeeldvoordoen als de betrokkene nog gedurende een reeks van jaren verplich-tingen houdt vanwege een studieschuld. Deze langere bewaartermijn, diedoor het derde lid wordt gesteld op vijf jaar na het einde van de rechtsbe-trekking (conform bovengenoemde selectielijst), geldt alleen voor het(enkele) gegeven dat de voorziening is toegekend en gegevens over derechtsgevolgen van het toekenningsbesluit, maar niet voor de overigegezondheidsgegevens. Voor die gezondheidsgegevens blijft de bewaar-termijn van tien jaar gelden.Vierde lidDit lid regelt dat wanneer een betrokkene overlijdt, en een termijn vantwee jaar na het overlijden van de betrokkene verstrijkt vóórdat detienjaarstermijn uit het eerste lid, de kortere termijn uit het tweede lid ofde (voor de specifieke set gezondheidsgegevens geldende) langeretermijn uit het derde lid is verstreken, de gezondheidsgegevens wordenbewaard tot twee jaar na het overlijden (in afwijking van die anderetermijn of termijnen). Dit is conform de algemene bewaartermijn van tweejaar na overlijden, die in eerdergenoemde selectielijst is opgenomen.25Dit is in veel gevallen een kortere termijn dan de algemene bewaartermijn van vijf jaar na heteindigen van de actieve relatie tussen betrokkene en DUO, die geldt op grond van deGenerieke selectielijst Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 330 B(Wijziging artikel 12.30 WSF 2000)Bij de Wet herinvoering basisbeurs hoger onderwijs is artikel 12.30toegevoegd aan de WSF 2000. Daarmee is voorzien in de grondslag omeen tegemoetkoming toe te kennen aan (oud-)studenten die onder hetleenstelsel hebben gestudeerd en die geen aanspraak konden maken opeen basisbeurs. Met de voorgestelde wijziging van artikel 12.30 wordtvoorzien in de grondslag om een aanvullende tegemoetkoming toe tekennen aan deze (oud-)studenten. In deze toelichting worden dezetegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming samen de tegemoetko-mingen genoemd. Deze tegemoetkoming en aanvullende tegemoet-koming staan los van de tegemoetkoming ter vervanging van destudievoorschotvoucher van artikel 12.15 WSF 2000.Tweede lidMet de voorgestelde wijziging van het tweede lid van artikel 12.30 wordtde groep (oud-)studenten die in aanmerking komt voor de tegemoetko-mingen uitgebreid ten opzichte van de Wet herinvoering basisbeurs hogeronderwijs. Ook een (oud-)student die als direct gevolg van bijzondereomstandigheden van structurele aard niet in staat is geweest binnen dediplomatermijn hoger onderwijs met goed gevolg het afsluitend examente behalen kan in aanmerking komen voor de tegemoetkomingen(voorgesteld artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2°) en ook een(oud-)student die op enig moment binnen de diplomatermijn hogeronderwijs recht heeft gekregen op een arbeidsongeschiktheidsuitkeringop grond van hoofdstuk 3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorzieningjonggehandicapten (Wajong) kan daarvoor in aanmerking komen(voorgesteld artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 3°). Deuitbreiding van de doelgroep geldt voor alle (oud-)studenten ongeacht ofzij wel of geen studiefinanciering hebben aangevraagd. Voor de(oud-)student die geen studiefinanciering heeft aangevraagd, geldt niet dediplomatermijn hoger onderwijs. Deze (oud-)student moet binnen tien jaarnadat hij zich voor het eerst heeft ingeschreven voor het hoger onderwijsvoldoen aan de voorwaarden van het voorgestelde artikel 12.30, tweedelid, onderdeel c, onder 2° of 3°, om in aanmerking te komen voor detegemoetkomingen. Hiermee wordt aangesloten bij de systematiek vanhet huidige artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c. De toepassingsvoor-waarden van het voorgestelde artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c,onder 2° en 3°, sluiten inhoudelijk aan bij de toepassingsvoorwaarden vande artikelen 5.16, derde lid, en 5.15 WSF 2000.Derde lidDe diplomatermijn hoger onderwijs kan op grond van artikel 5.16, eersteen tweede lid, WSF 2000 bij bijzondere omstandigheden van tijdelijke danwel structurele aard worden verlengd met de duur van die omstandig-heden tot en met maximaal vijftien jaar. Als sprake is van een verlengingvan de diplomatermijn hoger onderwijs werkt dit door bij de toepassingvan het (voorgestelde) tweede lid van artikel 12.30. Met het voorgesteldenieuwe derde lid van artikel 12.30 wordt voor de (oud-)studenten die geenstudiefinanciering hebben aangevraagd geregeld dat indien sprake is vanbijzondere omstandigheden van tijdelijke dan wel structurele aard determijn van tien jaar in het (voorgestelde) tweede lid van artikel 12.30wordt verlengd met de duur van die omstandigheden tot en metmaximaal vijftien jaar. Indien de (oud-)student vervolgens binnen dieverlengde termijn voldoet aan de toepassingsvoorwaarden van hetvoorgestelde artikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 1° (diplomaTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 331 gehaald), 2° (geen diploma gehaald door bijzondere omstandigheden) of3° (Wajong-uitkering), kan hij (alsnog) in aanmerking komen voor detegemoetkomingen. De toepassingsvoorwaarden van het voorgesteldenieuwe derde lid van artikel 12.30 sluiten inhoudelijk aan bij de toepas-singsvoorwaarden van artikel 5.16, eerste en tweede lid, WSF 2000.Vierde lidMet het voorgestelde nieuwe vierde lid van artikel 12.30 wordt geregelddat voor (oud-)studenten die op grond van artikel 5.16, vierde lid, WSF2000 een nieuwe aanspraak op studiefinanciering hebben ontvangen bijde toepassing van het (voorgestelde) tweede lid van artikel 12.30 alleen deperiode van de nieuwe aanspraak op studiefinanciering wordt betrokken.De tegemoetkoming en aanvullende tegemoetkoming zijn bedoeld alsgebaar voor het hebben moeten missen van een basisbeurs. Als de(oud-)student een nieuwe aanspraak op studiefinanciering heeftontvangen in de periode ná de leenstelselperiode heeft hij (alsnog)aanspraak kunnen maken op een basisbeurs. Als de (oud-)student eennieuwe aanspraak op studiefinanciering heeft ontvangen in de periodetijdens de leenstelselperiode kan hij voor die nieuwe periode (alsnog)aanspraak maken op de tegemoetkomingen.Vijfde lidMet de voorgestelde wijziging van het vijfde lid (nu derde lid) vanartikel 12.30 wordt de hoogte van de aanvullende tegemoetkomingvastgesteld. Het gaat om een bedrag per maand van € 44,50 (prijspeil2026). Met de voorgestelde wijziging van het vijfde lid (nu derde lid) vanartikel 12.30 wordt de systematiek van de berekening van de hoogte vande tegemoetkoming(en) niet gewijzigd.Zesde lidMet de voorgestelde wijziging van het zesde lid (nu vierde lid) vanartikel 12.30 wordt geregeld dat deze afwijkingsbepaling alleen geldt voorde (oud-)studenten die vallen onder voorgesteld artikel 12.30, tweede lid,onderdeel c, onder 1°. Met deze afwijkingsbepaling is (kort gezegd)geregeld dat (oud-)studenten die een opleiding van korter dan vier jaarhebben afgerond, slechts voor de duur van die opleiding in aanmerkingkomen voor de tegemoetkomingen. Deze afwijkingsbepaling is niet vantoepassing voor de (oud-)studenten die vallen onder voorgesteldartikel 12.30, tweede lid, onderdeel c, onder 2° of 3°. Deze (oud-)studentenhebben immers juist geen opleiding afgerond (onder 2°) of voor hen isvoor het recht op tegemoetkoming niet relevant of zij wel of geenopleiding hebben afgerond (onder 3°). Voor deze (oud-)studenten onder 2°of 3° wordt voor de berekening van de hoogte van de tegemoetkomingenuitgegaan van maximaal het aantal maanden waarin zij recht op prestatie-beurs hadden en/of, als zij geen studiefinanciering hebben aangevraagd,dat hadden kunnen hebben als zij wel studiefinanciering zouden hebbenaangevraagd.Achtste lidMet de voorgestelde wijziging van het achtste lid (nu zesde lid) vanartikel 12.30 wordt geregeld en geëxpliciteerd dat de bedragen van detegemoetkomingen worden geïndexeerd aan de hand van artikel 11.1,eerste lid, WSF 2000. Het is de bedoeling dat deze bedragen jaarlijksTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 332 worden geïndexeerd aan de hand van de prijsontwikkelingen. Deze wijzevan indexering is van begin af beoogd geweest.26Artikel IIHet streven is om dit wetsvoorstel op 1 januari 2027 volledig in werking telaten treden. In verband met de voorgestelde uitbreiding van dedoelgroep en de daarmee samenhangende voorgestelde waarborgenvoor de verwerking van bijzondere persoonsgegevens kan het evenwelnodig blijken om onderdelen van het wetsvoorstel op een later moment inwerking te laten treden.Dit artikel regelt daarom dat de inwerkingtreding van het wetsvoorstel zalworden geregeld bij koninklijk besluit, met de mogelijkheid vangefaseerde inwerkingtreding.In het wetsvoorstel wordt onder meer de hoogte van de aanvullendetegemoetkoming vastgesteld. Het gaat om een bedrag per maand van€ 44,50 (prijspeil 2026). De wet regelt een jaarlijkse indexering per1 januari van de bedragen van de tegemoetkomingen om er zo voor tezorgen dat de reële waarde van de tegemoetkomingen op peil blijft. Deinwerkingtreding van het wetsvoorstel is voorzien op 1 januari 2027, zodatnormaal gesproken de indexering van het bedrag van de aanvullendetegemoetkoming voor het eerst per 1 januari 2028 plaatsvindt. Deindexering van het bedrag van de aanvullende tegemoetkoming per1 januari 2027 wordt in dat geval gemist.Dit artikel regelt daarom dat bij koninklijk besluit kan worden bepaald dathet vijfde en achtste lid (nu derde en zesde lid) van artikel 12.30 nainwerkingtreding terugwerken tot en met 1 september 2026. Dit zorgtervoor dat de indexering van het bedrag van de aanvullende tegemoet-koming per 1 januari 2027 niet wordt gemist.De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,R.M. Letschert26Kamerstukken II 2022/23, 36 229, nr. 3, p. 53, Stb. 2023, 187, p. 9–10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 922, nr. 333

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a3262ce4b0aca4a9

14 okt 2026 · 418fe74d443bf0a4

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.