KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg inzake WODC-rapport 'Schatting van het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen medio 2018-2019 tot medio 2022- 2023’ (Kamerstuk 19637-3526)

20 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie aa0e5a039fdbdcac · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202619 637VreemdelingenbeleidNr. 3558 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 20 mei 2026 De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen enopmerkingen voorgelegd aan de Minister van Asiel en Migratie over debrief van 31 maart 2026 over WODC-rapport «Schatting van het aantalonrechtmatig verblijvende vreemdelingen medio 2018–2019 tot medio2022- 2023» (Kamerstuk 19 637, nr. 3526).De vragen en opmerkingen zijn op 17 april 2026 aan de Minister van Asielen Migratie voorgelegd. Bij brief van 20 mei 2026 zijn de vragenbeantwoord.De voorzitter van de commissie,P. de GrootDe griffier van de commissie,Nouse kst-19637-3558ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35581 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van debewindspersoon 1. Vragen en opmerkingen vanuit de D66-fractie De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het rapport vanhet Wetenschappelijk Onderzoeks- en Datacentrum (WODC), getiteld«Schattingen onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingenmedio 2018–2019 totmedio 2022- 2023» (hierna: het rapport) en zien uit naar de beleidsreactievan deonze referentie regering. Deze leden constateren dat het aantal onrecht-matig verblijvende vreemdelingen in Nederland in de periode medio 2022tot medio 2023 relatief stabiel is gebleven en vergelijkbaar is met deschatting voor 2017–2018.Vraag 1:De leden van de D66-fractie vragen welke informatie verder beschikbaar isover de samenstelling van de groep langdurig verblijvende ongedocu-menteerden in Nederland en vragen de Minister in te gaan op het aantalkinderen binnen deze groep en het aantal personen die in Nederland zijngeboren en inmiddels zijn opgegroeid. Acht de Minister een schattinghiervan mogelijk?Antwoord:In algemene zin geldt dat er geen volledig beeld bestaat van de samen-stelling van de groep langdurig verblijvende ongedocumenteerden inNederland. Vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijf is deze groepslechts beperkt in beeld bij de overheid. Om die reden zijn er geen exactecijfers beschikbaar over het aantal kinderen binnen deze groep of hetaantal personen die in Nederland zijn geboren en inmiddels zijnopgegroeid.2. Vragen en opmerkingen vanuit de VVD-fractie De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het rapport. Deze leden constateren dat de geschatte populatie deafgelopen jaren tussen de 20.000 tot 35.000 personen bedroeg en dat dezegroep voor een belangrijk deel bestaat uit afgewezen asielzoekers enarbeidsmigranten zonder verblijfsrecht. De leden van de VVD-fractie zijnvan mening dat de meest efficiënte manier om het aantal onrechtmatig inNederland verblijvende vreemdelingen terug te dringen een zo effectief enstreng mogelijk terugkeerbeleid is.Vraag 2:Hoe wordt in het kader hiervan de inzet op gedwongen terugkeer verdergeïntensiveerd, met name richting landen van herkomst die beperktmeewerken?Antwoord:Wanneer vreemdelingen geen recht (meer) hebben om in Nederland teverblijven worden ze vertrekplichtig en moeten zij Nederland verlaten. Hetkabinet zet zich ervoor in om zoveel als mogelijk vreemdelingen zonderrechtmatig verblijf te laten terugkeren. De meeste vreemdelingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35582 vertrekken zelfstandig, zonder inzet van de overheid. Als vreemdelingenzelfstandig willen terugkeren is dit doorgaans mogelijk en is er geeninspanning van de overheid nodig. Wanneer vreemdelingen dieNederland moeten verlaten niet zelfstandig vertrekken, komt gedwongenterugkeer in beeld. Verschillende factoren zijn essentieel om gedwongenterugkeer te kunnen realiseren. Zo moeten de vreemdelingen in beeld zijnbij deNederlandse autoriteiten. Om vreemdelingen in beeld te houden kan insommige gevallen gebruik worden gemaakt van vreemdelingenbewaring.In 2025 is het aantal plekken voor vreemdelingenbewaring uitgebreid. Zokunnen meer vreemdelingen beschikbaar worden gehouden voorgedwongen terugkeer. Een andere belangrijke factor bij het kunnenrealiseren van gedwongen terugkeer is de medewerking van landen vanherkomst.Als een vreemdeling geen reisdocumenten heeft dan moeten reisdocu-menten worden verkregen van het land waarnaar de vreemdeling moetterugkeren.Goede terugkeersamenwerking met landen van herkomst is daaromessentieel. Nederland zet voortdurend in op het verbeteren van deterugkeersamenwerking met landen van herkomst. Hierbij is er extraaandacht voor landen die beperkt meewerken aan terugname van hunonderdanen.Met het voorstel van de Europese Commissie voor een Terugkeerveror-dening, die zich in de triloogfase bevindt, wordt gedwongen terugkeergeïntensiveerd. Zo worden bewaringsgronden toegevoegd, bijvoorbeeldvoor personen die een veiligheidsrisico vormen. Daarnaast wordt demaximale bewaringsduur verlengd. Ook worden de opties voor terugkeeruitgebreid, onder meer met een solide juridische basis voor een terug-keerhub.Vraag 3:Welke aanvullende instrumenten, zoals visummaatregelen of conditiona-liteit in ontwikkelingssamenwerking, worden hierbij overwogen? Inhoeverre kan de doorlooptijd tussen afwijzing en daadwerkelijk vertrekverder worden verkort, om zo het aantal daadwerkelijk vertrekkendevreemdelingen te vergroten?Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 5.Vraag 4:De leden van de VVD-fractie constateren dat het aantal aantoonbarevertrekken is toegenomen tot circa 67% in 2023, maar zien tegelijkertijddat een substantieel deel van de vreemdelingen nog steeds zondertoezicht vertrekt of uit beeld raakt. Dit onderstreept volgens deze leden dater vaker gebruik dient te worden gemaakt van gedwongen vertrek ofzelfstandig vertrek onder toezicht. Hoe kijkt de Minister hiernaar?Antwoord:De inzet op terugkeer is steeds een balans tussen legitimiteit, proportiona-liteit en efficiëntie. Het uitgangspunt blijft dat de vertrekplicht in eersteinstantie een verplichting is van de vreemdeling, waaraan hij zelfstandigTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35583 en in beginsel zonder hulp van de overheid, invulling dient te geven. Waarnodig kan ondersteuning van de overheid worden geboden. Indien devreemdeling niet meewerkt aan terugkeer kan dwang worden toegepast,inclusief vreemdelingenbewaring. Het kabinet zet in op een uitbreidingvan de ongewenstverklaring voor die gevallen waarin de vreemdelingstrafbare feiten begaat. Dat maakt mogelijk dat in ultimum remedium ookhet strafrecht kan worden ingezet. In Europees verband heeft het kabinetzich ingespannen voor wijziging van de Terugkeerrichtlijn om onder meerde terugkeeropties te verruimen, bijvoorbeeld met het gebruik van eenterugkeerhub. Nederland is onderdeel van de Europese kopgroep diewerkt aan gezamenlijke terugkeerhubs. Daarnaast zet het kabinet in op hetverbeteren van de terugkeersamenwerking met landen van herkomstonder meer via (EU-)partnerschappen. Nederland steunt wanneer nodigook maatregelen op bijvoorbeeld gebied van visa of handel om terugkeer-samenwerking te bevorderen. Met deze ontwikkelingen is het zicht op(gedwongen) vertrek vaker een reële optie die de vreemdeling juist moetstimuleren tot zelfstandig vertrek, waar nodig met ondersteuning vanuitde overheid.Inderdaad is het zo dat een significant deel van de vreemdelingen op wieeen vertrekplicht komt te rusten, buiten het zicht van de overheid raakt.Tegelijk laten de cijfers van de schatting van het WODC zien dat er geentoename is van het aantal niet rechtmatig verblijvende vreemdelingen inNederland. Dat lijkt erop te duiden dat een deel van de vreemdelingen dieniet langer rechtmatig in Nederland is, op eigen gelegenheid Nederlandverlaat. In die zin betekent het ontbreken van toezicht op het vertrek nietdat het terugkeerbeleid niet effectief is, gegeven de hiervoor genoemdenoodzakelijke balans.Vraag 5:De leden van de VVD-fractie constateren daarnaast dat een deel van deonrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen voormaligarbeidsmigranten zonder verblijfsrecht zijn. Welke stappen kunnen erworden gezet om ervoor te zorgen dat deze groep terugkeert naar hunherkomstland? Welke afspraken is de Minister bereid hierover te makenmet herkomstlanden, bijvoorbeeld omtrent verslavingshulp?Antwoord:Om terugkeersamenwerking met derde landen te versterken, wordenverschillende instrumenten ingezet, zowel door Nederland zelf, als in EUverband. Zo sluiten Nederland en de EU terug- en overnameovereen-komsten met derde landen. Daarnaast ontwikkelt Nederland bredegelijkwaardige en duurzame partnerschappen met voor Nederlandbelangrijke landen van herkomst- en transit waar samenwerking op hetgebied van terugkeer een onderdeel van kan zijn. Om de terugkeersamen-werking met derde landen te verbeteren zet Nederland ook in opmaatregelen in EU-verband. Denk hierbij aan de mogelijkheid omnegatieve visummaatregelen te nemen tegen derde landen onder artikel25bis van de Visumcode. Zo zijn er de laatste jaren in EU-verband, metinstemming vanNederland, negatieve visummaatregelen onder artikel 25bis genomentegen Gambia en Ethiopië. Nadat deze negatieve visummaatregelenwaren genomen verbeterde de terugkeersamenwerking met deze landen.Daarnaast wordt in de EU gewerkt aan het creëren van aanvullendeinstrumenten waarmee derde landen kunnen worden gestimuleerd om deterugkeersamenwerking te verbeteren. Zo komt er ook een koppeling metterugkeer in de herziene APS-verordening. De herziene APS-verordeningTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35584 zal naar verwachting vanaf 1 januari 2027 worden toegepast. De herzieneAPS-verordening maakt mogelijk dat tariefpreferenties voor derde landentijdelijk gedeeltelijk of volledig worden ingetrokken als derde landenonvoldoende samenwerken op het gebied van terugkeer.Het kabinet kan moeilijk uitspraken doen over het generiek verkorten vande periode tussen het ontstaan van onrechtmatig verblijf en het daadwer-kelijke vertrek. Immers is een vlotte terugkeer afhankelijk van demedewerking van de vreemdeling zelf en – indien de identiteit en/ofnationaliteit niet vaststaan of de vreemdeling geen geldige reisdocu-menten heeft – het land van herkomst. Zoals hierboven aangegeven kande inzet van bijvoorbeeld visummaatregelen van invloed zijn op het opgang brengen van terugkeersamenwerking met derde landen, waardoorde uiteindelijke doorlooptijd kan worden verkort.3. Vragen en opmerkingen vanuit de GroenLinks-PvdA-fractie De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen vanrapport en hebben hier nog enkele opmerkingen en vragen over.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien dat het WODC uitgaat van17.000 en 23.000 personen tussen 2022–2023. Gemeenten zoalsAmsterdam, Den Haag en Utrecht komen echter op cijfers die aanzienlijkhoger liggen dan de schattingen van het WODC voor deze gemeenten.Waar de schattingen van gemeenten zijn gebaseerd op tellingen vanscholen, zorgverleners en niet-gouvernementele organisaties (ngo’s),rekent het WODC-model met politie-aanhoudingen.Vraag 6:Hoe verklaart de Minister dit verschil? Welk van de cijfers acht de Ministerhet meest accuraat, aangezien bekend is dat mensen zonder verblijfs-vergunning de politie actief mijden? Is de Minister met deze leden vanmening dat een schatting met behulp van een wijdere sociale inbeddingaccurater is? Is de Minister bereid om samen met maatschappelijkeorganisaties om tafel te gaan om de cijfers en methodes te vergelijken omtot een accuratere telling te komen.Antwoord:Ik heb geen direct inzicht in de berekeningswijze van door anderengepubliceerde cijfers en iedere schatting kent onzekerheden. Voor debeleidsduiding volgen wij daarom de methodiek gehanteerd bij hethuidige WODC-onderzoek. Daarnaast is er voortdurend contact metgemeenten en maatschappelijke organisaties over signalen, zorgen enaandachtspunten met betrekking tot de groep onrechtmatig verblijvendevreemdelingen. Deze inzichten worden, waar relevant, betrokken bij hetbeleid.Vraag 7:De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat in het kader vandakloosheid veel wordt gewerkt met de ETHOS-methode. Hierbij wordtook gekeken naar verborgen daklozen en wordt een accurater beeldverkregen. Deze leden zijn van mening dat er veel te leren is van dezemethode. Wat kan volgens de Minister geleerd worden als het gaat omongedocumenteerden van de ETHOSmethode?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35585 De ETHOS-methode wordt gebruikt om dakloosheid in kaart te brengen,omdat bepaalde groepen daklozen herkenbaar zijn aan hun leefsituatie.Het is echter niet mogelijk om met deze methode het aantal onrechtmatigin Nederland verblijvende vreemdelingen te bepalen, aangezien zij binnende groep rechtmatig verblijvende personen vaak niet te onderscheidenzijn. Om deze reden is er door de onderzoekers gekozen deze methodeniet te gebruiken in het WODC-onderzoek.Vraag 8:Er is een toename van dakloosheid in Nederland. Hoe verhoudt dit zich totongedocumenteerden en onrechtmatig verblijvende mensen inNederland? Wat is het aandeel ongedocumenteerden in dakloosheid?Antwoord:Het is niet bekend welk aandeel van de dakloze bevolking bestaat uitongedocumenteerden of personen die onrechtmatig in Nederlandverblijven. Het blijft van groot belang dat personen die onrechtmatig inNederland verblijven geen toekomst in Nederland hebben. De inzet opterugkeer en handhaving van de verblijfsregels blijft dan ook onver-minderd van kracht.Vraag 9:Bij de ETHOS-telling kwam naar voren dat er veel verborgen dakloosheidis onder vrouwen. Is deze mogelijkheid er ook wat betreft het aandeelvrouwen zonder verblijfsvergunning en vrouwen die onrechtmatig inNederland verblijven? Het 7510603 WODC-rapport telt een aandeelvrouwen tussen de 12 en 22 procent. Is de kans niet groot dat dit aandeelveel hoger ligt, maar er sprake is van «verborgen vrouwen»? Hoe is deMinister van plan om dit verder te onderzoeken?Antwoord:Uit onderzoek van het WODC blijkt dat het aandeel vrouwen binnen depopulatie vreemdelingen zonder verblijfsrecht lager ligt dan dat vanmannen. Tegelijkertijd volgt uit de gehanteerde methodiek dat vrouweneen lagere kans hebben om in de gebruikte registraties voor te komen. Ditbetekent dat zij mogelijk minder zichtbaar zijn in de beschikbare data endat hun aandeel in werkelijkheid hoger kan liggen dan op basis vanwaarnemingen direct zichtbaar is. Tegen die achtergrond kan volgens hetWODC onderzoek niet worden uitgesloten dat ook binnen deze groepsprake is van minder zichtbare of «verborgen» subgroepen, waarondervrouwen.Vraag 10:Voorts lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat de onderzoekersvan het rapport erkennen dat het ingewikkeld is om accurate aantallen vanBraziliaanse en Filipijnse huishoudhulp in beeld te krijgen. Op welkemanier probeert de Minister deze mensen verder in beeld te krijgen enuitbuiting van deze groep tegen te gaan?Antwoord:Slachtoffers van arbeidsuitbuiting verdienen in de volle breedte onder-steuning. Het wetsvoorstel modernisering en uitbreiding strafbaarstellingmensenhandel ligt ter behandeling in de Eerste Kamer. Dit wetsvoorstelverruimt de mogelijkheden voor strafrechtelijk optreden bij misstanden inTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35586 de arbeidssfeer. Hierdoor kunnen daders sneller worden vervolgd en kaneen grotere groep kwetsbare personen beter worden beschermd.Parallel aan het opstellen van deze wet is ook aandacht voor slachtoffer-bescherming. Zo zijn er structureel crisisbedden beschikbaar voorpersonen die slachtoffer zijn van ernstige misstanden in de arbeidssfeeren behoefte hebben aan opvang en ondersteuning. Dit is onderdeel vande Categorale Opvang Slachtoffers Mensenhandel (COSM). Deze beddenworden steeds beter benut. Ook kan Comensha voor niet-Nederlandsevolwassen slachtoffers van mensenhandel die in de bedenktijd zitten,specialistische opvang regelen in de COSM. In de B8/3-regeling isvastgelegd dat Comensha voor deze opvang exclusieve plaatsingsbe-voegdheid heeft.Bovendien richt het kabinet zich op het verbeteren van de meldingsbe-reidheid. Vanuit het Actieplan Samen tegen Mensenhandel wordt eencentraal informatiepunt mensenhandel ingericht, waar slachtoffers,professionals en burgers terechtkunnen voor informatie en doorverwijzingnaar passende hulp en opvang. Daarnaast kunnen arbeidsmigranten in 15regio’s fysiek terecht voor informatie en hulp over het wonen en werken inNederland bij de Work in NLinformatiepunten. Eind van dit jaar is er eenlandelijke dekking. En ook digitaal kunnen arbeidsmigranten in 9 talenterecht op de vernieuwde website workinnl.nl. Ten slotte wordt stichtingFairWork gesubsidieerd om moeilijker bereikbare en kwetsbare arbeidsmi-granten te voorzien van informatie en hulp bij problemen. Dit doen zijonder andere via cultural mediators.Vraag 11:De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het aantal arbeidsmi-granten tussen 2006 en 2021 flink toenam. In de samenvatting van hetonderzoek wordt gesteld dat zij met name tekorten in de zorg, bouw,distributie en techniek opvullen. Deze leden vinden het interessant dat delandbouwsector of voedingsindustrie hier niet wordt genoemd, aangezienvolgens de Algemene Bond Uitzendondernemingen (ABU) van 2020 tot2021 38 procent van de uitgezonden arbeidsmigranten in de tuinbouw,voedingsindustrie en landbouw werkte. Wordt in het onderzoek eenandere conclusie getrokken? Ook wordt de zorg als eerste sector genoemdwaar arbeidsmigranten tekorten opvullen. Beschikt de Minister over hetpercentage arbeidsmigranten dat in de onderzochte periode enmomenteel in de zorg werkt? In welke hoedanigheid werken zij in de zorg(thuiszorg of verpleging)?Antwoord:In het rapport wordt in algemene zin aangegeven dat er in Nederlandstructurele tekorten zijn in sectoren zoals de zorg, bouw, distributie enenergie. De toename van het aantal arbeidsmigranten wordt in hetrapport onder andere toegeschreven aan tekorten op de arbeidsmarkt.Hiermee is niet aangegeven dat arbeidsmigranten het meest werkzaamzijn in de sectoren waarin structurele tekorten zijn.Uit cijfers van CBS blijkt dat werknemers geboren in de EU-11 vaakwerken in de sector Verhuur en overige zakelijke dienstverlening1.Hieronder valt onder meer de uitzendbranche. Op basis van de bij de CBSbekende gegevens is niet af te leiden naar welke sectoren dezewerknemers als uitzendkracht gedetacheerd worden. Op basis vanbranchegegevens is te zien dat deze werknemers veelal gedetacheerd1Migrantenmonitor 2024 | CBSTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35587 worden naar bedrijven in de logistiek, voedingsindustrie, metaal en deland- en tuinbouw.2Er is op dit moment geen totaal en integraal beeld van het aantalarbeidsmigranten dat in de onderzochte periode of heden in de zorgwerkt.Vraag 12:De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het rapport conclu-deert dat de populatie onrechtmatig verblijvende vreemdelingen metname bestaat uit arbeidsmigranten uit nieuwe wervingslanden. Welkeconclusies trekt de Minister hieruit? Is de Minister bereid om strengereeisen op te leggen aan arbeidsmigranten uit derde landen?Antwoord:In het rapport komt naar voren dat de populatie aangehouden onrecht-matig verblijvende vreemdelingen uit verschillende groepen bestaan.Enerzijds gaat het om typische asielherkomstlanden, zoals Afghanistan,Eritrea, Irak, Iran, Soedan en Syrië. Anderzijds betreft het (nieuwe) landendie in toenemende mate (onrechtmatig verblijvende) arbeidskrachtenleveren, zoals Brazilië, Columbia, Georgië, Moldavië, Oezbekistan enServië.De toegang tot de arbeidsmarkt beperkt zich in beginsel tot mensen dierechtmatig in Nederland verblijven. De Arbeidsinspectie voert toezicht uitop de naleving van wet- en regelgeving rondom arbeid in Nederland,waaronder de aanpak van illegale tewerkstelling. Bij werkvergunningentoetst UWV op verschillende voorwaarden. Er worden verschillendemaatregelen genomen om illegale tewerkstelling van derdelanders verdertegen te gaan. Zo neemt het kabinet maatregelen om met een BSNrechtmatig toegang tot de arbeidsmarkt te veinzen tegen te gaan. Zie debeantwoording op vraag 5 voor de maatregelen die het kabinet hieropneemt.Ook grensoverschrijdende detachering van derdelanderwerknemers magniet leiden tot oneerlijke concurrentie op arbeidsvoorwaarden, gebrekkigebescherming van werknemers en verminderde grip op arbeidsmigratie.Door het kabinet wordt ingezet op verschillende maatregelen die moetenbijdragen aan het tegengaan van onrechtmatige detachering vanderdelanderwerknemers3.Vraag 13:Is de Minister bereid om Registratie van Niet-Ingezetenen (RNI) restric-tiever toe te passen zoals mensen alleen via uitzendcontracten te latenwerken als zij in het Basisregistratie Personen (BRP) staan ingeschreven?Antwoord:Veel arbeidsmigranten staan geregistreerd in de Registratie vanNiet-Ingezetenen (RNI). De RNI is een onderdeel van de BasisregistratiePersonen (BRP). Dit is bedoeld voor personen die korter dan vier maandenin Nederland verblijven of niet (meer) als ingezetene staan ingeschreven.2Factsheet Arbeidsmigranten in Nederland 20233Zie: Verkenning aanpak onrechtmatige detachering van derdelanderwerknemers | Publicatie |rijksoverheid.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35588 Op grond van de Richtlijn 2004/38/EG kunnen EU-burgers gedurende deeerste drie maanden van verblijf niet worden verplicht zich als ingezetenein te schrijven. Een verplichting om uitsluitend via uitzendcontracten tewerken indien een persoon als ingezetene in de BRP is ingeschreven isdaarmee juridisch niet verenigbaar met het EU-recht. Een dergelijkeverplichting zou daarmee namelijk een ongerechtvaardigde belemmeringopleveren van het vrij verkeer van werknemers.Dit kabinet zet daarom in op een brede set aan maatregelen om deregistratie van arbeidsmigranten te verbeteren. Hierbij wordt onder meereen bevorderings-, vergewis- en (optionele) meldplicht geïntroduceerdvoor uitleners, met als beoogde inwerkingtreding 1 januari 20274.Vraag 14:Is de Minister bereid aan zzp’ers een BRP-inschrijvingseis op te leggen?Hoe kan je ondernemer zijn in Nederland zonder normaal ingeschreven testaan? Welke verantwoordelijkheid neemt de Minister voor arbeidsmi-granten zonder verblijfsrecht in Nederland ten opzichte van gemeenten,aangezien zij mede door de flexibele arbeidsmarkt, waar het kabinet debetaan is, hier zijn?Antwoord:Arbeidsmigranten kunnen zich als zelfstandige inschrijven in hetHandelsregister van de Kamer van Koophandel (KVK) indien zij zijngeregistreerd in de Basisregistratie Personen (BRP), als ingezetene of alsniet-ingezetene (via de Registratie Niet-ingezetenen, RNI). Het weigerenvan inschrijving van een nietingezetene als zzp’er is niet verenigbaar methet recht op vrije vestiging, zoals neergelegd in het Verdrag betreffendede werking van de Europese Unie (VWEU). Ook niet-ingezetenen –bijvoorbeeld personen die net over de grens wonen – hebben het rechtom zich in Nederland als zelfstandige te vestigen.Daarnaast werkt het kabinet aan een breed pakket aan maatregelen om deregistratie van arbeidsmigranten te verbeteren. Hierbij wordt ingezet ophet verbeteren van de registratie door het introduceren van een zorgplichtvoor uitleners, het verbeteren van de gegevenskwaliteit in RNI, communi-catie richting arbeidsmigranten en betere gegevensdeling.Maatregelen richting gemeenten t.a.v. illegale tewerkstelling vanvreemdelingen Het kabinet werkt aan verschillende maatregelen omgemeenten te ondersteunen bij de aanpak van illegale tewerkstelling vanvreemdelingen. Zo neemt het kabinet maatregelen om met een BSNrechtmatig toegang tot de arbeidsmarkt te veinzen tegen te gaan. Zie debeantwoording op vraag 42 voor de maatregelen die het kabinet hieropneemt.Ook ondersteunt het kabinet gemeenten bij het opzetten van informatie,hulp en dienstverlening aan arbeidsmigranten. Dit onder de noemer«Work in NL». Dit kunnen ook illegaal tewerkgestelde vreemdelingen zijn.Zie de beantwoording van vraag 10 voor meer informatie over het project.Ook wordt FairWork gesubsidieerd om moeilijker bereikbare en kwetsbarearbeidsmigranten te voorzien van informatie en hulp bij problemen.4Zie voor verder informatie de Kamerbrief over aanpak verbetering registratie in deBRP: Kamerbrief over aanpak verbetering registratie in de BRP | Kamerstuk |Rijksoverheid.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 35589 Indien arbeidsmigranten uit de EU-dakloos raken en geen verblijfsrechthebben opgebouwd in Nederland, hebben zij geen toegang tot demaatschappelijk opvang van de Wmo. Hiervoor is er in zes gemeenten,inmiddels in uitbreiding naar veertien gemeenten, de kortdurende opvangvoor niet-rechthebbende dakloze EUburgers. In deze opvang wordtingezet op terugkeer naar werk, het vinden van huisvesting, en indien ergeen toekomstperspectief in Nederland is vrijwillige terugkeer naar hetland van herkomst. Deze opvang wordt door het kabinet gefinancierd met13 miljoen per jaar voor de jaren 2026 tot en met 2028 en is een opvolgingvan de pilot kortdurende opvang in de G4, Eindhoven en Venlo.Vraag 15:Restrictief beleid kan hebben bijgedragen aan een afname van onrecht-matig verblijf in Nederland, zo lezen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Zij vragen echter of de beperking tot basisvoorzieningen kanbijdragen aan het ontstaan van een «verborgen populatie» die juistmoeilijker in beeld is. Erkent de Minister dat dit een consequentie vanbeperkte toegang tot basisvoorzieningen kan zijn?Antwoord:Allereerst wil ik benadrukken dat vreemdelingen zonder rechtmatigverblijf inNederland toegang tot elementaire voorzieningen hebben, zoals medischnoodzakelijke zorg, onderwijs voor minderjarigen en bescherming door depolitie. Het kabinet onderkent dat deze groep zich in algemene zin beperktin beeld bevindt. Dit hangt echter primair samen met de aard vanonrechtmatig verblijf en niet zonder meer met de toegang tot voorzie-ningen. Er kan daarom niet worden geconcludeerd dat het beperken totbasisvoorzieningen leidt tot het ontstaan van een «verborgen populatie».Tegelijkertijd worden signalen uit de praktijk betrokken bij de beleids-vorming, waarbij aandacht bestaat voor de positie van kwetsbare groepenbinnen de grenzen van het geldende terugkeerbeleid.Vraag 16:Hoe beoordeelt de Minister de beëindiging van de Rijksfinanciering voorde Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) sinds januari 2025 in ditkader? Is hij bereid te onderzoeken of deze voorziening kan wordenhervat, gelet op de verzoeken van gemeenten?Antwoord:In de Kamerbrieven van 18 december 20245 en 7 april 20256 is uw Kamergeïnformeerd over de inzet en werkwijze ten aanzien van personen zonderrechtmatig verblijf in verband met de beëindiging van de rijksbijdrage aandeLandelijke Vreemdelingen Voorziening (LVV). Het perspectief vooronrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen dient in de ogenvan de regering in beginsel terugkeer te zijn. Ook nu is onderdak vanrijkswege in de Vrijheidsbeperkende locatie (VBL) mogelijk voor onrecht-matig verblijvende vreemdelingen die willen meewerken aan hun vertrek.5Kamerstuk 19 637, nr. 3326.6Kamerstuk 19 637, nr. 3394.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355810 Vraag 17:Hoe geeft de Minister invulling aan de juridische verantwoordelijkheid vanhet Rijk die volgt uit EU-recht zoals het Europees Comité voor SocialeRechten? Hoe wordt door de Minister voorkomen dat het uitsluiten vanvoorzieningen leidt tot vergroting van kwetsbaarheid en uitbuiting?Antwoord:Het kabinet geeft invulling aan zijn verplichtingen uit het Unierecht eninternationale kaders, waaronder de interpretaties van het EuropeesComité voor Sociale Rechten, door te waarborgen dat vreemdelingenzonder rechtmatig verblijf toegang hebben tot elementaire voorzieningen,zoals medisch noodzakelijke zorg, onderwijs voor minderjarigen enbescherming door de politie. Daarmee wordt voldaan aan de geldendeminimumnormen. Het uitgangspunt van het beleid blijft dat onrechtmatigverblijf wordt beëindigd en dat terugkeer wordt gerealiseerd.Vraag 18:Gemeenten zijn uiteindelijk degenen die worden geconfronteerd metmensen die geen verblijfsvergunning hebben en de consequentiesdaarvan, zo stellen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie. Op welkemanier ondersteunt de Minister deze gemeenten?Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 16.Vraag 19:Welke lessen trekt de Minister uit samenwerkingsinitiatieven (zoals deLVV) die juist wél proberen stabiliteit en duurzaam perspectief te bieden?Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 16.Vraag 20:Vindt de Minister het wenselijk dat mensen zonder verblijfsrecht in depraktijk aangewezen zijn op informele netwerken of irreguliere arbeid,mede gezien de bevinding dat er zo een «reservoir van irreguliere arbeid»bestaat? Is er zicht op de hoeveelheid kinderen die in Nederland zijnzonder verblijfsrecht? Acht de Minister de kans groot dat er veelverborgen kinderen van deze categorie zijn? Waarom wel of niet? Hoe isde Minister van plan dit verder te onderzoeken? Vindt de Minister hetrechtvaardig dat voor hen voorzieningen worden beperkt? Hoe wordtvoorkomen dat mensen langdurig in een rechteloze situatie verkeren? Kande Minister reflecteren op de spanning tussen het ontmoedigingsbeleiden fundamentele rechten?Antwoord:Allereerst wil ik benadrukken dat het uitgangspunt van het beleid is enblijft dat onrechtmatig verblijf wordt beëindigd en dat terugkeer wordtgerealiseerd. Daarnaast acht het kabinet het onwenselijk dat personenzonder rechtmatig verblijf zijn aangewezen op informele netwerken ofirreguliere arbeid. Daarom wordt ingezet op het tegengaan van illegaletewerkstelling en uitbuiting, onder meer via toezicht en handhaving (zieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355811 de beantwoording bij vraag 26). Tegelijkertijd wordt actief gewerkt aan hetbevorderen van terugkeer, zodat langdurig verblijf zonder rechtmatigverblijf zoveel mogelijk wordt voorkomen. In algemene zin geldt dat ergeen volledig beeld bestaat van de samenstelling van de groep ongedocu-menteerden in Nederland. Vanwege het ontbreken van rechtmatig verblijfis deze groep slechts beperkt in beeld bij de overheid. Het recenteWODC-onderzoek biedt echter wel een schatting van de omvang vanonrechtmatig verblijvende vreemdelingen.Daarbij is het van belang te onderstrepen dat vreemdelingen zonderrechtmatig verblijf in Nederland toegang tot elementaire voorzieningenhebben, zoals medisch noodzakelijke zorg, onderwijs voor minderjarigenen bescherming door de politie.4. Vragen en opmerkingen vanuit de CDA-fractie De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het rapport.Vraag 21:Allereerst vragen deze leden wanneer de Minister de kabinetsreactiepubliceert.Antwoord:De kabinetsreactie wordt naar verwachting op korte termijn aan uw Kamertoegezonden. Zodra de interdepartementale afstemming is afgerond, zalde reactie worden gepubliceerd.Vraag 22:Ook vragen deze leden wat de verwachting is van het effect van denieuwe strafbaarstelling van illegaliteit op het aantal onrechtmatigverblijvende vreemdelingen, die binnenkort in werking zal treden. Zullende aantallen daardoor naar verwachting afnemen?De Eerste Kamer heeft op 21 april 2026 tegen de novelle strafbaarstellingvan illegaliteit (en daarmee ook de Asielnoodmaatregelenwet) gestemd.Daarmee is deze maatregel niet tot stand gekomen en zal deze niet inwerking treden. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor hetbevorderen van terugkeer van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf.Daarnaast wordt de verruiming van de ongewenstverklaring voortgezet,als onderdeel van het bredere instrumentarium om onrechtmatig verblijftegen te gaan en vertrek te realiseren. Ook komt het kabinet met eennieuw wetsvoorstel voor de strafbaarstelling van de terugkeerfrus-treerders op basis van een zorgvuldige procedure, advisering engesprekken met maatschappelijke organisaties. Op deze wijze blijft hetkabinet werken aan een effectief en consistent terugkeerbeleid.Vraag 23:De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering welk deel van degroep onrechtmatig verblijvende vreemdelingen daadwerkelijk uitgezetkan worden, nu het terugkeerbeleid vaak afhankelijk is van meewerkendelanden van herkomst.Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355812 Het kabinet benadrukt dat dat vrijwillig vertrek altijd de geprefereerdeoptie is. Wanneer een vreemdeling vrijwillig terug wil keren is terugkeerdoorgaans altijd mogelijk. De meeste vreemdelingen vertrekken vrijwillig.Als het gaat om gedwongen terugkeer dan is vaak medewerking van hetland van herkomst nodig om reisdocumenten te verkrijgen van het land,naar welke de vreemdeling terug moet keren. Met veel belangrijke landenvan herkomst is er sprake van een goede terugkeersamenwerking. Ookzijn er landen van herkomst waarmee de terugkeersamenwerking mindergoed is. Het Kabinet zet – langs verschillende sporen – voortdurend in ophet verbeteren van de terugkeersamenwerking met deze landen.Daarnaast is het belangrijk te benadrukken dat in algemene zin prioriteitwordt gegeven aan overlastgevende en criminele vreemdelingen in hetterugkeerproces. Overlastgevend en crimineel gedrag is immers perdefinitie onaanvaardbaar.Vraag 24:Is de verwachting dat het Europese Asiel- en migratiepact ertoe gaatleiden dat onrechtmatig verblijvende vreemdelingen op grote schaalteruggestuurd kunnen worden naar het land van herkomst? Waar liggenop dit moment de belangrijkste knelpunten?Antwoord:De herziening van de Terugkeerrichtlijn, met de introductie van eenTerugkeerverordening, maakt geen onderdeel uit van het Asiel- enMigratiepact.Het pact introduceert wel onderdelen die relevant zijn voor het terugkeer-beleid en Terugkeerrichtlijn. Zo worden de procedurele regels uit deOpvangrichtlijn omtrent bewaring in het nationale recht doorgetrokkenvoor bewaring ter fine van terugkeer, met als doel om één helder systeemte hanteren voor vreemdeling, uitvoering en rechtspraak. Het kabinetbenadrukt overigens dat de gemiddelde bewaringsduur veel lager ligt dande (huidige) maximum van 18 maanden.Daarnaast kiest het kabinet ervoor om de Terugkeerrichtlijn niet langer toete passen op vreemdelingen van wie de asielaanvraag in de asielgrens-procedure is afgewezen. Dit heeft te maken met de introductie van deTerugkeergrensprocedureverordening binnen het pact. Omdat Nederlandal een gestroomlijnde terugkeergrensprocedure kent, is het logisch die(nationale) praktijk te continueren bij de introductie van het pact. Enkel deverplichte voorwaarden uit de Terugkeerrichtlijn en de Terugkeergrenspro-cedure worden geïmplementeerd. Hoewel het Asiel- en Migratiepactonderdelen bevat die het terugkeerbeleid raken en de uitvoering moetverbeteren, zal een grootschalige wijziging van het terugkeerbeleidworden geïntroduceerd met de introductie van de Terugkeerverordening.De onderhandelingen over die verordening bevinden zich in detriloogfase. De Terugkeerverordening moet de terugkeerproceduresimpeler, efficiënter en doeltreffender maken, met als doel om deterugkeer van het aantal personen zonder rechtmatig verblijf te vergroten.Vraag 25:De leden van de CDA-fractie vragen in hoeverre zicht is op de kwetsbaregroep onrechtmatig verblijvende vreemdelingen. Is er voldoende zicht opwelke herkomstlanden het betreft?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355813 Antwoord:In het onderzoek van het WODC is een overzicht opgenomen van deherkomstlanden van door de politie geregistreerde vreemdelingen zonderrechtmatig verblijf. Daaruit blijkt dat sprake is van een grote diversiteit aanherkomstlanden. In het onderzoek worden circa 150 verschillende landengenoemd. Tegelijkertijd geldt dat deze groep zich slechts beperkt in beeldlaat brengen, waardoor geen volledig overzicht kan worden gegeven.Vraag 26:Ook vragen deze leden hoe op dit moment gehandhaafd wordt op illegalearbeid en huisvesting. Is daar voldoende capaciteit voor beschikbaar?Antwoord:Er zijn verschillende instanties betrokken bij handhaving op illegale arbeiden huisvesting. Zo houdt de Arbeidsinspectie toezicht op de naleving vande Wet arbeid vreemdelingen (Wav) door werkgevers, zij doen ditrisicogericht. De gemeente is verantwoordelijk voor het handhaven ophuisvesting en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie enMensenhandel (AVIM) houdt toezicht op de naleving van de Vreemdelin-genwet, waaronder de aanpak van illegaal verblijf.Vraag 27:De leden van de CDA-fractie willen benadrukken dat een geloofwaardig enrechtvaardig migratiebeleid afhankelijk is van duidelijkheid enhandhaving. Daarom vragen deze leden hoe de regering ervoor gaatzorgen dat illegaal verblijf in Nederland niet kan voortduren zonderconsequenties.Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 4.5. Vragen en opmerkingen vanuit de JA21-fractie De leden van de JA21-fractie hebben kennisgenomen van het rapportenconstateren dat het aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen aljaren rond grofweg 20.000 ligt, zonder significante daling in de tijd.Vraag 28:Deze leden vragen de Minister of hij het met hen eens is dat hieruit volgtdat het huidige beleid faalt om deze structurele illegaliteitspopulatiedaadwerkelijk terug te dringen, en welk extra instrumentarium hij bereidis in te zetten. Daarbij vragen zij tevens hoe groot de kans is dat hetdaadwerkelijke aantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen inwerkelijkheid nog aanzienlijk hoger ligt dan de schattingen suggereren.Antwoord:Het kabinet deelt deze conclusie niet. De omvang van de groep onrecht-matig verblijvende vreemdelingen wordt beïnvloed door meerderefactoren, waaronder instroom, vertrek en de mate waarin deze groep inbeeld is. Daarbij geldt dat het gaat om schattingen met inherenteonzekerheden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355814 Het uitgangspunt van het beleid blijft dat onrechtmatig verblijf wordtbeëindigd en dat terugkeer wordt gerealiseerd. Het kabinet zet zichonverminderd in op het versterken van het terugkeerbeleid, onder meerdoor intensivering van de samenwerking met landen van herkomst, hetbevorderen van zelfstandig vertrek en, waar mogelijk, het toepassen vangedwongen vertrek. Daarnaast wordt het bestaande instrumentariumverder benut en waar nodig versterkt, waaronder de verruiming van deongewenstverklaring. Op deze wijze blijft het kabinet werken aan hetterugdringen van onrechtmatig verblijf en het vergroten van de effecti-viteit van het beleid. Bovendien heeft het kabinet zich ingespannen voorde aanpassing van het wettelijk kader. Met het voorstel van de EuropeseCommissie voor een Terugkeerverordening, die zich thans in detriloogfase bevindt, moet het terugkeerbeleid simpeler, efficiënter endoeltreffender worden. Het kabinet zet zich dan ook in op een vlotteafronding van de triloog en het bereiken van een akkoord.Vraag 29:De leden van de JA21-fractie constateren dat uit het rapport blijkt dat depopulatie onrechtmatig verblijvenden vooral bestaat uit arbeidsmigrantenuit nieuwe wervingslanden buiten de EU en afgewezen asielzoekers. Zijvragen of de Minister vindt dat juist deze twee categorieën, die naafwijzing of verlies van rechtmatig verblijf per definitie geen recht meerhebben hier te zijn, systematisch in bewaring zouden moeten wordengeplaatst tot aan vertrek, en zo nee, waarom hij dan feitelijk kiest voorgedoogbeleid.Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 4.Vraag 30:Tevens willen zij weten in hoeveel gevallen sprake is van staatloosheid enwelke landen op dit moment nog niet of onvoldoende meewerken aan hetterugnemen van eigen staatsburgers, alsmede op welke manieren datgebrek aan medewerking zich concreet uit. De leden van de JA21-fractieconstateren dat uit recente Eurostat-cijfers over Q4 2025 blijkt dat hetaantal terugkeeroperaties naar derde landen EU-breed met 13% isgestegen, terwijl landen als Frankrijk, Spanje en Duitsland vele malenmeer derdelanders daadwerkelijk terugsturen dan Nederland.Deze ledenvragen of de Minister met hen van mening is dat Nederland tot de slechtstpresterende lidstaten op het terrein van terugkeer behoort en waarom onsland, met een relatief klein oppervlak en hoge welvaart, kennelijk niet instaat of niet bereid is om illegaal verblijf net zo consequent aan te pakkenals deze lidstaten. In dat licht vragen zij de Minister om voor 2024 en 2025exact aan te geven: het aantal derdelanders waaraan Nederland een beveltot terugkeer heeft gegeven, het aantal daadwerkelijk gerealiseerdereturns en het resulterende terugkeerpercentage, en of hij het ermee eensis dat deze cijfers, indien de gegevens van Eurostat kloppen, beschamendlaag zijn en haaks staan op het door de Minister geschetste beeld van een«streng» migratie- en terugkeerbeleid.Antwoord:Vergelijkingen tussen lidstaten, zoals Duitsland, Frankrijk, Spanje enNederland op basis van Eurostat-cijfers dienen met de nodige terughou-dendheid te worden gemaakt. Verschillen in aantallen en percentagesterugkeer hangen samen met uiteenlopende factoren, zoals verschillen ininstroom, samenstelling van de populatie, nationale registratiemethodenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355815 en de mate van medewerking van landen van herkomst. Desalnietteminerkent het kabinet dat het terugkeerbeleid effectiever moet worden en zethet zich daarom ook voortdurend in op het versterken van het terugkeer-beleid en het realiseren van meer terugkeer.Kijkend naar de gerealiseerde vertrekcijfers in 2025 dan zien we dat in2025 7.360 personen aantoonbaar zijn vertrokken uit Nederland(zelfstandig terugkeer met toezicht en gedwongen terugkeer). In 2024 zijner 5.990 personen aantoonbaar vertrokken uit Nederland (zelfstandigterugkeer met toezicht en gedwongen terugkeer). Er zijn dus in 2025 meervreemdelingen aantoonbaar vertrokken uit Nederland dan in 2024.Om het succes van het Nederlandse terugkeerbeleid te meten kan nietsimpelweg het aantal vreemdelingen dat in een bepaalde periode eenterugkeerbesluit heeft ontvangen worden afgezet tegen het aantalvreemdelingen dat in die periode aantoonbaar is vertrokken. De uitreikingvan een terugkeerbesluit en vertrek van de persoon die een terugkeerbe-sluit heeft gekregen hoeven immers niet in hetzelfde jaar plaats te vindenen de aantallen uitgereikte terugkeerbesluiten en aantallen vertrokkenvreemdelingen vormen dan ook geen cohort. Ook kunnen vreemdelingenbijvoorbeeld buiten het zicht van de overheid vertrekken (zij vertrekkendan niet-aantoonbaar), (nog) niet zijn vertrokken of alsnog rechtmatigverblijf hebben gekregen.Vraag 31:De leden van de JA21-fractie nemen verder uit het rapport mee dat er eenstabiele, relatief gesloten groep niet-effectief uitgezette vreemdelingenbestaat, die ondanks vertrekplicht in Nederland blijft. Deze leden vragen ofde Minister het met hen eens is dat het onacceptabel is dat deze groepjaar in jaar uit onder de radar kan blijven en of hij bereid is structureelvrijheidsbeperkende en vrijheidsontnemende maatregelen in te voerentotdat vertrek daadwerkelijk is gerealiseerd.Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 4.Vraag 32:Daarbij vragen zij de Minister ook, nu uit de Eurostat-cijfers blijkt datsommige lidstaten zoals Duitsland, Frankrijk en Zweden veel hogereaantallen en percentages terugkeer naar derde landen realiseren danNederland, welke wettelijke en beleidsmatige keuzes deze landen makendie Nederland niet maakt, en waarom hij er tot nu toe voor kiest dezesuccesvolle elementen niet over te nemen, ondanks de hardnekkigeillegaliteitspopulatie die het WODC beschrijft.Antwoord:Ook hier geldt dat vergelijkingen tussen lidstaten, zoals Duitsland,Frankrijk en Zweden, op basis van Eurostat-cijfers met de nodigeterughoudendheid dienen te worden gemaakt. Verschillen in aantallen enpercentages terugkeer hangen samen met uiteenlopende factoren, zoalsverschillen in instroom, samenstelling van de populatie, nationaleregistratiemethoden en de mate van medewerking van landen vanherkomst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355816 Nederland voert een terugkeerbeleid binnen de kaders van het Unierecht,waaronder de Terugkeerrichtlijn, en zet daarbij in op een combinatie vanhet bevorderen van zelfstandig vertrek en, waar nodig en mogelijk,gedwongen terugkeer. Daarbij wordt ook gekeken naar ervaringen inandere lidstaten. Tegelijkertijd bestaat er geen eenduidig «succesmodel»dat zonder meer overdraagbaar is. Het kabinet blijft zich inzetten op hetversterken van het terugkeerbeleid, onder meer via intensivering vansamenwerking met landen van herkomst en het benutten van hetbeschikbare instrumentarium binnen de geldende juridische en praktischerandvoorwaarden.Vraag 33:De leden van de JA21-fractie constateren bovendien dat uit de rapportageblijkt dat de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel(AVIM) en de politie in het algemeen hun prioriteit steeds meer richten opstrafrecht en overlast, terwijl de handhaving van de Vreemdelingenwetonder druk staat. Deze leden vragen of de Minister het niet óók moeilijkuitlegbaar vindt aan de samenleving dat illegaal verblijf op zichzelfnauwelijks nog actief wordt opgespoord, en of hij bereid is bindendedoelen op te leggen voor het vreemdelingentoezicht (aantal controles,staandehoudingen en uitzettingen), met consequenties indien die doelenniet worden gehaald.Antwoord:Het kabinet beaamt het belang van effectief vreemdelingentoezicht alsonderdeel van een geloofwaardig migratiebeleid. Tegelijkertijd wordt hetniet wenselijk geacht om bindende kwantitatieve doelen, zoals aantallencontroles of staandehoudingen, op te leggen. Het uitgangspunt blijft datonrechtmatig verblijf wordt beëindigd en dat hiertegen wordt opgetreden.Vreemdelingentoezicht vindt plaats binnen de geldende juridische kadersen beschikbare capaciteit. Zie ook de beantwoording bij vraag 4.Vraag 34:Tevens merken zij op dat de onderzoekers benoemen dat detentieperiodennu niet goed in de schattingen kunnen worden verwerkt door ontbrekendeketenbrede detentiedata. Zij vragen waarom er anno 2026 nog altijd geensluitend beeld bestaat van wie wanneer in bewaring zit en of de Ministerbereid is een centraal, ketenbreed systeem te realiseren dat expliciet isgericht op het maximaal benutten van bewaring en herhaalde bewaringvoor terugkeer.Antwoord:De regering benadrukt allereerst dat op dossierniveau volstrekt helder iswelke vreemdeling waar en wanneer in detentie verblijft. Ook is op basisvan het VRIS protocol een – ook internationaal – zeer effectieve samen-werking tussen strafrecht en vreemdelingenketen gerealiseerd. Er is dusgeen aanleiding voor een geheel nieuw systeem om de mogelijkhedenvan bewaring maximaal in te zetten. De onderzoekers constateren dat nietaltijd gegeneraliseerde metadata uit de systemen kan worden afgeleid. Ditlaat onverlet dat het systeem op dossierniveau voldoet om de wettelijkemogelijkheden te benutten.Vraag 35:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355817 Verder constateren de leden van de JA21-fractie dat het rapport schetstdat afgewezen asielzoekers een substantieel deel van de onrechtmatigverblijvende populatie vormen, met name uit landen met lage inwilli-gingspercentages zoals Albanië, Algerije en Marokko. Deze leden vragenof de Minister het aanvaardbaar vindt dat deze groepen na afwijzingmassaal in Nederland blijven hangen, en of hij bereid is om – in plaats vanvoorzieningen – standaard detentie, een harde beperking van socialerechten en een streng visumbeleid voor niet-meewerkende landen tehanteren totdat terugkeer feitelijk is afgedwongen.Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 4.Vraag 36:Ook vragen zij hoe de Minister aankijkt tegen het invoeren van eenstandaard meldplicht, een vrijheidsbeperkende maatregel of plaatsing ineen verscherpt toezichtlocatie (VTL of vergelijkbaar) voor asielzoekers uitherkomstlanden met structureel zeer lage inwilligingspercentages en eenhoog risico dat zij zich aan toezicht onttrekken, zodat deze groep vanaf heteerste moment onder strak toezicht blijft en niet kan uitstromen in deillegaliteit. Welke wettelijke en uitvoeringsstappen is de Minister bereid tezetten om dit vóór afloop van deze kabinetsperiode te realiseren?Antwoord:Het kabinet onderkent het belang van effectief toezicht op vreemdelingen,met name in situaties waarin sprake is van een verhoogd risico oponttrekking aan toezicht. Tegelijkertijd geldt dat maatregelen zoals eenmeldplicht, vrijheidsbeperking of plaatsing in een verscherpt toezicht-regime alleen kunnen worden toegepast binnen de geldende wettelijkekaders, waaronder deTerugkeerrichtlijn en vanaf 12 juni aanstaande de herschikteOpvangrichtlijn. Dit betekent dat steeds een individuele motivering enproportionele afweging moet worden gemaakt en dat dergelijke maatre-gelen niet generiek of automatisch op een gehele groep kunnen wordentoegepast en er dient altijd rekening te worden gehouden met deindividuele omstandigheden van de vreemdeling.Binnen deze kaders wordt reeds gebruikgemaakt van toezichtmaatregelen,waaronder meldplicht en vrijheidsbeperkende maatregelen, wanneerdaartoe aanleiding bestaat. Ook wordt gewerkt met verscherpt toezicht inspecifieke situaties waarin sprake is van overlast of een verhoogd risicoop onttrekking.Het kabinet blijft inzetten op een zo effectief mogelijke toepassing van hetbestaande instrumentarium, gericht op het voorkomen van onttrekkingaan toezicht en het realiseren van terugkeer. Daarbij wordt steeds bezienwaar verbeteringen in de uitvoering mogelijk zijn.Vraag 37:Ten slotte constateren de leden van de JA21-fractie, op basis van Eurostat,dat EU-breed zowel het aantal terugkeerbesluiten als het aantal feitelijkereturns stijgt, terwijl Nederland in absolute aantallen en in percentageachterblijft. Deze leden vragen of de Minister met hen van mening is datdit aantoont dat het probleem niet «Europa» is, maar de Nederlandseonwil om het maximale uit het Europese en nationale instrumentarium teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355818 halen, en welke concrete aanscherpingen in wetgeving en uitvoering hijnog in 2026 gaat doorvoeren om de Nederlandse terugkeerprestaties tenminste op het EU-gemiddelde te brengen. Deze leden wijzen er bovendienop dat het rapport schetst dat sinds 1997 allerlei maatregelen zijngenomen, maar dat desondanks een stabiele kern van illegalen resteert.Zij vragen of de Minister ook vindt dat «meer van hetzelfde» niet langervolstaat en of hij bereid is een koerswijziging in te zetten richting een échtconsequent terugkeer- en illegaliteitsbeleid, waarbij illegaal verblijf nietwordt beloond met verblijfsopties, voorzieningen en straffeloosheid, maarsteevast eindigt in vertrek. Afsluitend vragen zij of de Minister het met heneens is dat langdurig illegaal verblijf zeer onwenselijk is en dat we dit nietmoeten willen.Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 32.6. Vragen en opmerkingen vanuit de BBB-fractie De leden van de BBB-fractie hebben met veel interesse kennisgenomenrapport. Deze leden danken de auteurs voor hun werk en de leden van devaste commissie voor Asiel en Migratie voor het besluit om hier een apartschriftelijk overleg over te houden.De leden van de BBB-fractie constateren dat uit het rapport blijkt dat eenstrenger en meer afschrikwekkend vreemdelingenbeleid, gecombineerdmet betere handhaving en identificatie, een belangrijke rol heeft gespeeldbij de forse daling van het aantal onrechtmatig in Nederland verblijvendevreemdelingen sinds 2003. Deze leden zien daarin een bevestiging datstevig beleid werkt.Vraag 38:Kan de Minister daarom concreet aangeven welke onderdelen van hethuidige beleid aantoonbaar bijdragen aan het terugdringen van onrecht-matig verblijf, en waar aanscherping nodig is?Antwoord:Wanneer vreemdelingen geen recht (meer) hebben om in Nederland teverblijven worden ze vertrekplichtig en moeten zij Nederland verlaten. Deterugkeer van deze vreemdelingen vormt een prioriteit voor het kabinet.De meeste vreemdelingen vertrekken zelfstandig, zonder inzet van deoverheid. Als vreemdelingen zelfstandig willen terugkeren is ditdoorgaans mogelijk en is er geen inspanning van de overheid nodig.Tevens kunnen zijterugkeerondersteuning krijgen bij hun vrijwillig vertrek. Met hetaanbieden van terugkeerondersteuning worden vreemdelingen gestimu-leerd vrijwillig te vertrekken. Vrijwillige terugkeer kan alleen een succeszijn met het vooruitzicht dat er over kan worden gegaan tot gedwongenterugkeer, wanneer de vreemdeling niet meewerkt.Wanneer vreemdelingen die Nederland moeten verlaten niet zelfstandigvertrekken, komt gedwongen terugkeer in beeld. Het Kabinet zet voort-durend in op het realiseren van meer gedwongen terugkeer. In 2025 is hetaantal plekken voor vreemdelingenbewaring uitgebreid zodat meervreemdelingen beschikbaar kunnen worden gehouden voor gedwongenterugkeer als dit nodig is. Een andere belangrijke factor bij het kunnenrealiseren van gedwongen terugkeer is de medewerking van landen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355819 herkomst. Het Kabinet zet daarom doorlopend in op het verbeteren van deterugkeersamenwerking met landen van herkomst. Dit doet het Kabinetonder andere door het sluiten van terug- en overnameovereenkomstenmet derde landen, het ontwikkelen van gelijkwaardige en duurzamepartnerschappen met voor Nederland belangrijke landen van herkomst-en transit waar samenwerking op het gebied van terugkeer een onderdeelvan kan zijn en door het nemen van maatregelen in EU-verband (denkhierbij aan de mogelijkheid om negatieve visummaatregelen te nementegen derde landen onder artikel 25bis van de Visumcode).Vraag 39:De leden van de BBB-fractie lezen dat de auteurs in het rapport benoemendat EU-burgers onrechtmatig in Nederland kunnen verblijven wanneer zijlanger dan drie maanden hier zijn zonder werk, studie of voldoendemiddelen van bestaan (Richtlijn 2004/38/EG). Deze leden maken zichzorgen over de zichtbare gevolgen hiervan in veel steden, waar een groepEU-burgers die niet in het eigen onderhoud kan voorzien, overlastveroorzaakt door onder andere bedelen en het opentrekken van afval-bakken en -zakken voor statiegeld. De leden van de BBB-fractie vragen deMinister wat het huidige beleid is ten aanzien van deze groep EU-burgersdie hun verblijfsrecht verliest. In hoeverre wordt hier actief op gehand-haafd en welke instrumenten hebben gemeenten, politie en Immigratie-en Naturalisatiedienst om daadwerkelijk in te grijpen? Wordt in de praktijkgebruikgemaakt van de mogelijkheid om het verblijfsrecht te beëindigenen deze personen terug te sturen naar het land van herkomst? Kan deMinister cijfers aan beschikbaar stellen?Antwoord:Voor EU-burgers geldt een apart kader, wat meegenomen moet worden inde discussie over onrechtmatig verblijf. Zij mogen op grond van het rechtop vrij verkeer binnen de EU in beginsel in Nederland verblijven, maar ditverblijfsrecht is niet onvoorwaardelijk. Indien niet langer wordt voldaanaan de voorwaarden, bijvoorbeeld omdat geen sprake is van arbeid ofvoldoende middelen van bestaan, kan bij beschikking worden vastgestelddat het verblijfsrecht wordt ingetrokken. Indien er sprake is van zeerernstige openbare orde of veiligheid feiten, kan volgens de EU-regels ookeen verwijderingsbesluit worden uitgevaardigd, gekoppeld aan eenongewenstverklaring.Handhaving vindt plaats binnen deze kaders. De Immigratie- en Naturali-satiedienst (IND) kan besluiten tot beëindiging van het verblijfsrecht enhet opleggen van een vertrekplicht. Gemeenten en politie, waaronder deAfdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM),hebben een rol in signalering en toezicht. In die gevallen waarin datnoodzakelijk is, kan worden overgegaan tot verwijdering naar het land vanherkomst.Het EU-verblijfsrecht is in 2019 bij 780 Unieburgers7 beëindigd. In 2020 bij1130 Unieburgers, in 2021 bij 720 Unieburgers, in 2022 bij 740Unieburgers, in 2023 bij 740 Unieburgers en in 2024 bij 900 Unieburgers.Vraag 40:7Met de term «Unieburger» worden ook onderdanen van de EER-landen (Liechtenstein,Noorwegen en IJsland), onderdanen van Zwitserland en personen met de Britse nationaliteit(alleen in de jaren tot en met 2020 in verband met Brexit) bedoeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355820 Daarnaast vragen deze leden of politieagenten en handhavers hier in hunopleiding en in de praktijk voldoende op worden toegerust. Herkennen zijdeze groep als zodanig en weten zij welke bevoegdheden zij hebben omop te treden?Antwoord:Allereerst dient benoemd te worden dat het niet aan de buitenkantzichtbaar is voor de politie of iemand onrechtmatig in Nederland verblijft.Indien een agent op straat (van de gebiedsgebondenpolitie (GGP)) in hetkader van hun werkzaamheden stuit op een onrechtmatige vreemdelingdan zal er, indien relevant, contact op worden genomen met de AVIM voorde mogelijk verdere afhandeling. Deze werkprocessen zijn bekend bij depolitie. Dit is tevens terug te vinden in de uitvoeringstoets strafbaar-stelling illegaliteit8.Vraag 41:De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister bereid is om het beleidaan te scherpen, zodat niet de hardwerkende arbeidsmigranten wordengeraakt, maar juist de groep die structureel overlast veroorzaakt en niet inhet eigen onderhoud kan voorzien, effectiever kan worden aangepakt enteruggeleid naar het land van herkomst.Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 28.Vraag 42:De leden van de BBB-fractie lezen dat er aanwijzingen zijn dat een grotegroep Brazilianen (35.000 tot 40.000) en Filipijnen (8.000 tot 30.000) naarNederland is gekomen voor kort verblijf en vervolgens onrechtmatig inNederland is gebleven en daarbij vaak buiten het zicht van toezicht enhandhaving blijft. Daarbij wordt tevens gewezen op signalen van misbruikvan de RNI, waardoor personen zonder verblijfsrecht toch toegang krijgentot werk en voorzieningen.Deze leden maken zich zorgen over deze ontwikkeling en vragen deMinister om een actueel en onderbouwd beeld te geven van de omvangvan deze groep, specifiek ten aanzien van Braziliaanse en Filipijnseonderdanen. Hoe groot acht de Minister deze groep daadwerkelijk, en inwelke sectoren zijn zij met name actief? Daarnaast vragen zij hoe hetmogelijk is dat personen zonder verblijfsrecht via constructies zoals deRNI toch een Burgerservicenummer kunnen verkrijgen en daarmeefeitelijk toegang krijgen tot de arbeidsmarkt. Welke maatregelen zijninmiddels genomen om dit misbruik tegen te gaan, en zijn deze afdoende?Antwoord:Allereerst is het goed om te benoemen dat het Burgerservicenummer(BSN) geen rechten geeft. En dus ook geen toegang tot de arbeidsmarkt.Iedereen die niet kan worden ingeschreven als inwoner van eengemeente, kan zich laten inschrijven als niet-ingezetene in de RNI. Ditgeldt ook voor derdelanders (nietEU/EER nationaliteit). Inschrijving in deRNI vindt in persoon plaats, waarbij de identiteit wordt vastgesteld op8https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/09/23/tk-bijlage-3-eindversie-uitvoeringstoets-strafbaarstelling-illegaliteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355821 basis van een geldig identiteitsbewijs. Na inschrijving wordt een BSNverkregen.De werkgever is verplicht te controleren of zijn arbeidskrachten inNederland mogen werken. De Nederlandse Arbeidsinspectie houdttoezicht op de naleving van de Wet arbeid vreemdelingen en handhaafthierop. Bedrijven kunnen flinke boetes krijgen bij overtreding van de wet.Deze boetes worden bovendien verhoogd en vanaf nu ook jaarlijksgeïndexeerd9.Cijfers illegaal werkende Brazilianen en Filipijnen in NederlandEr is geen actueel overzicht van het aantal illegaal tewerkgesteldeBrazilianen en Filipijnen in Nederland. In het rapport worden aantallengenoemd waarbij ook wordt geconcludeerd dat deze van journalistiekebronnen komen en niet zijn onderbouwd. Exacte cijfers over dezespecifieke groep worden dus omgeven met onzekerheidsmarges.Wel hebben we inzicht in de totale groep derdelanders die in Nederlandaan het werk is en waarvan hun werkgever maandelijks loonaangifte doet.In december 2024 waren er in totaal 14.580 derdelanders10, waaronderBrazilianen en Filipijnen, die in Nederland aan het werk waren en die inhet RNI stonden ingeschreven. 10.670 personen van deze groepverdienden op of net boven het minimuminkomen11. Hoeveel van dezepersonen illegaal aan het werk waren is onbekend. Personen uit derdelanden12 die op of net boven het minimuminkomen werkten, waren metname werkzaam bij uitzend- en uitleenbureaus, zo’n 52% van het totaal.Hierna volgen de sectoren horeca (9%) en handel (8%)13.Veinzen van rechtmatige toegang arbeidsmarkt door derdelanders metBSN De Arbeidsinspectie heeft misstanden gesignaleerd14 als het gaat omarbeidsmigranten uit derde landen die in Nederland illegaal aan het werkzijn. Hierbij wordt het BSN gebruikt om rechtmatige toegang tot dearbeidsmarkt te veinzen. In het signaal van de Arbeidsinspectie komengrofweg twee werkwijzen naar voren van hoe derdelanders, al dan nietmet medeweten van hun werkgever, rechtmatige toegang tot de Neder-landse arbeidsmarkt veinzen met het BSN dat zij verkrijgen via hetRNI-loket.15Het kabinet vindt het zeer onwenselijk als er misbruik plaatsvindt van hetBSN dat is verkregen bij het RNI-loket door illegaal tewerkgesteldederdelanders. Daarom neemt de Staatssecretaris van BZK samen met deMinister van SZW maatregelen om dit tegen te gaan.Sinds 1 januari 2026 is het aantal RNI-loketten waar derdelanders eeninschrijving kunnen doen teruggebracht van 19 naar 2 loketten. Deze tweeRNI-loketten zullen daardoor in samenwerking met ketenpartners beterzicht krijgen op mogelijk misbruik door derdelanders die zich inschrijvenin de RNI en daarmee een BSN verkrijgen.9Kabinet verhoogt boetes voor uitbuiting van arbeidskrachten | Nieuwsbericht | rijksoverheid.nl.10Exclusief kandidaat lidstaten-EU en «overige derde landen», en exclusief derdelanders die alswoonland België of Duitsland hebben.11Zie: Migrantenmonitor 2024 | CBS.12Hierbij betreft het alle niet-EU/EFTA-landen.13Ook hierbij geldt dat het onbekend hoeveel van deze personen illegaal aan het werk waren.14Zie: https://open.overheid.nl/documenten/8886d8fb-15b9-43bf-a7d3-bb644630c07c/file.15Zie: https://open.overheid.nl/documenten/a0db6d9b-8463-4582-9eb5-409c87da3da3/file.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355822 Parallel hieraan worden in 2026 andere maatregelen onderzocht, zoals hetgeheel uitsluiten van derdelanders bij RNI-loketten. Ook wordt onderzochthoe de communicatie over het BSN in relatie tot het verrichten van arbeidkan verbeteren. Want laat helder zijn, buitenlandse krachten die niet overde benodigde papieren beschikken is het niet toegestaan om te werken inNederland. Het maakt hiervoor niet uit of de betreffende persoon in hetbezit is van een BSN.Vraag 43:De leden van de BBB-fractie vragen of het huidige visumvrije regime voorlanden als Brazilië nog wel houdbaar is, gezien de signalen dat een deelvan deze groep na afloop van het visum onrechtmatig in Nederlandverblijft en werkt. Acht de Minister het wenselijk en opportuun om binnenEuropees verband te pleiten voor heroverweging van dit visumvrijeregime, of om aanvullende nationale maatregelen te treffen om misbruiktegen te gaan?Antwoord:Opschorting van de visumvrijstelling kan uitsluitend binnen het kader vande Europese Unie plaatsvinden. Dit kan slechts onder specifieke omstan-digheden, bijvoorbeeld bij een wezenlijke toename van 30 procent in hetaantal onrechtmatig verblijvende vreemdelingen. Voor Brazilië is opEU-breed niveau geen aanzienlijke stijging zichtbaar. Bovendien valt hetland wat betreft asiel- en migratiecijfers buiten de top zes van Latijns-Amerikaanse landen.Het opschortingsmechanisme kan door de Europese Commissie op eigeninitiatief worden geactiveerd of naar aanleiding van kennisgevingen vanlidstaten. Op basis van de huidige cijfers is activering van dit mechanismeniet aan de orde. De Commissie heeft lidstaten onlangs om inputgevraagd voor het negende opschortingsmechanismerapport. Nederlandzal in dat kader extra aandacht besteden aan signalen over illegaal verblijfvan Brazilianen binnen de EU.Europese systemen zoals het EES en ETIAS verbeteren de mogelijkhedenom overstay en illegaal verblijf te monitoren en gericht aan te pakken.Sinds april 2026 worden alle derdelanders geregistreerd in het EuropeseIn- en Uitreissysteem (EES). Deze systemen zullen op termijn een beteroverzicht bieden van overstay en illegaal verblijf t.a.v. verschillendenationaliteiten.Met de invoering van het Europees systeem voor reisinformatie en-autorisatie (ETIAS) in Q4 2026 geldt een nieuwe verplichting voorvisumvrije derdelanders tot het vooraf aanvragen van een reisautorisatie.Hiermee kan voor afreis een visumvrije derdelander worden beoordeeldof de aanwezigheid een risico vormt op onder andere illegale immigratie.Wanneer de derdelander bij eerdere bezoeken aan het Schengengebiedzijn vrije termijn heeft overschreden, wordt door de ETIAS National Unitbeoordeeld of kan worden overgegaan tot afgifte of weigering van eenreisautorisatie. Tevens, als een groep veel overstays vertoont, kan eenscreeningsregel een hit geven bij een ETIAS aanvraag, waarna eenindividuele risicobeoordeling plaatsvindt.Vraag 44:De leden van de BBB-fractie vragen welke concrete stappen worden gezetom de groep die zonder rechtmatig verblijf werkt en verblijft, effectieverop te sporen en terug te laten keren naar het land van herkomst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355823 Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 28.Vraag 45:Tevens verzoeken deze leden de Minister om een actueel en volledigoverzicht van de capaciteit, inzet en knelpunten bij de AVIM en in hoeverredeze organisatie momenteel voldoende is toegerust om deze proble-matiek effectief aan te pakken.Antwoord:In de uitvoeringstoets strafbaarstelling illegaliteit16 is ingegaan op decapaciteit, inzet en knelpunten bij de politie (incl. AVIM). Ik verwijs u graagnaar dit document. Dit is nog steeds actueel.7. Vragen en opmerkingen vanuit de ChristenUnie-fractie Vraag 46:De leden van de ChristenUnie-fractie maken van de gelegenheid gebruikom enkele vragen te stellen bij het rapport. Deze leden vinden het hoogtijd dat er een nieuwe schatting ligt. Waarom omvat het rapport geenschatting tot een recenter jaar? Wanneer wil de Minister een volgendeschatting uitvoeren?Antwoord:Het opstellen van een betrouwbare schatting van de omvang van degroep vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf vergt tijd, mede vanwegede complexiteit van de gebruikte methodologie en de afhankelijkheid vanverschillende databronnen. Dit maakt dat dergelijke onderzoeken nietjaarlijks kunnen worden uitgevoerd. Het meest recente onderzoek van hetWODC biedt op dit moment het best beschikbare, methodologischonderbouwde beeld en sluit aan op het eerdere rapport17 van het WODC,zodat er geen lacune in de beschikbare data ontstaat. Het kabinet beziet, inoverleg met het WODC, wanneer een nieuwe schatting opportuun is.Vraag 47:Herkennen organisaties die met onrechtmatig verblijvende vreemdelingenwerken de geschatte aantallen en de aantallen per land, zo vragen deleden van de ChristenUnie-fractie. Zo nee, hoe komt dit?Antwoord:Het onderzoek van het WODC is tot stand gekomen in samenwerking metverschillende uitvoeringsorganisaties, waaronder de InternationalOrganization for Migration (IOM) en de politie. Daarmee is bij detotstandkoming reeds gebruikgemaakt van praktijkkennis en beschikbareinzichten.16https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2025/09/23/tk-bijlage-3-eindversie-uitvoeringstoets-strafbaarstelling-illegaliteit17https://www.wodc.nl/actueel/nieuws/2020/12/16/nieuwe-schatting-voor-de-periode-medio-2017---medio-2018Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355824 Het kabinet staat open voor signalen en inzichten uit de praktijk. Dezekunnen bijdragen aan een nadere duiding van de cijfers en worden, waarrelevant, betrokken bij de verdere beleidsvorming, met inachtneming vande beperkingen die samenhangen met het in beeld brengen van dezegroep.Vraag 48:De leden van de ChristenUnie-fractie vragen welk deel van deze onrecht-matig verblijvende vreemdelingen strafbaar gesteld zou worden voor hunonrechtmatig verblijf zoals de Novelle aanpassing strafbaarstellingillegaliteit op deAsielnoodmaatregelenwet voorstelt. Om hoeveel mensen gaat het? Welkemigratieachtergrond hebben deze mensen?Antwoord:De Eerste Kamer heeft op 21 april 2026 tegen de novelle strafbaarstellingvan illegaliteit (en daarmee ook de Asielnoodmaatregelenwet) gestemd.Daarmee is deze maatregel niet tot stand gekomen en zal deze niet inwerking treden. Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten op hetbevorderen van terugkeer van vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf.Daarnaast wordt de verruiming van de ongewenstverklaring voortgezet,als onderdeel van het bredere instrumentarium om onrechtmatig verblijftegen te gaan en vertrek te realiseren. Op deze wijze blijft het kabinetwerken aan een effectief en consistent terugkeerbeleid.Vraag 49:Heeft de Minister de ambitie om niet alleen via deze schattingen maar ookop meer precieze manieren in beeld te krijgen hoeveel onrechtmatigverblijvende vreemdelingen in Nederland verblijven, zo vragen de ledenvan de ChristenUniefractie.Antwoord:Het kabinet streeft ernaar om een zo goed mogelijk beeld te hebben vande omvang en samenstelling van de groep vreemdelingen zonderrechtmatig verblijf. Tegelijkertijd geldt dat deze groep zich per definitielastig exact laat vaststellen, omdat betrokkenen slechts beperkt in beeldzijn bij de overheid. Om die reden wordt gewerkt met methodologischonderbouwde schattingen, zoals die van het WODC. Deze bieden op ditmoment het meest betrouwbare landelijke beeld.Vraag 50:De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wat het de Minister zegt dater circa 20.000 onrechtmatig verblijvende vreemdelingen in Nederlandverblijven. Welke opgave ziet de Minister om dit aantal omlaag tebrengen? Welke mogelijkheden heeft de Minister om dit te doen?Antwoord:Zie de beantwoording bij vraag 28.Vraag 51:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355825 De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de Minister ook dediscrepantie ziet tussen het enerzijds binnenhalen van arbeidsmigrantenen tegelijk het uitzetten van asielmigranten. Kan er meer consistent beleidworden gevoerd, zodat migranten die al langer in Nederland verblijven enin Nederland opgeleid zijn, maar onrechtmatig verblijven, als arbeids-kracht aan het werk kunnen blijven, zodat er minder arbeidsmigrantennaar Nederland hoeven worden gehaald? In dat licht vragen deze ledennaar de uitvoering van de motie Ceder c.s. die hierop ziet (Kamerstuk 19637, nr. 3488).Antwoord:Nederland voert op dit moment een restrictief toelatingsbeleid waarbijillegaal verblijf wordt ontmoedigd. Het toelaten van onrechtmatigverblijvende vreemdelingen tot de arbeidsmarkt strookt niet met dituitgangspunt. De toegang tot de arbeidsmarkt beperkt zich in beginsel totmensen die rechtmatig in Nederland verblijven.Ook regelt de Koppelingswet dat de aanspraak van vreemdelingen op(sociale) voorzieningen gekoppeld zijn aan het rechtmatig verblijf inNederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 19 637, nr. 355826

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 3abffc90beb7d1cf

14 okt 2026 · f4ebb399637091f2

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.