KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het ontwerpbesluit houdende vaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling (Kamerstuk 35386-41)

29 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 5180d07aaed0d0d9 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202635 386Voorstel van wet van de leden Klaver enOuwehand tot wijziging van de Wetmilieubeheer en de Wet op de economischedelicten in verband met de invoering van eenvuurwerkverbod voor consumenten (Wet veiligejaarwisseling)Nr. 43 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 29 mei 2026 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Infra-structuur en Waterstaatinzake de Nadeelcompensatieregeling vuurwerkbedrijven Wet veiligejaarwisseling (Kamerstuk 35 386, nr. 42) en het Ontwerpbesluit houdendevaststelling van het tijdstip van inwerkingtreding van de Wet veiligejaarwisseling (Kamerstuk 35 386, nr. 41).De vragen en opmerkingen zijn op 22 mei 2026 aan de Staatssecretarisvan Infrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 29 mei 2026 zijnde vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,HuizengaAdjunct-griffier van de commissie,Koerselman kst-35386-43ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 431 1.De leden van de VVD-fractie hechten groot belang aan eenuitvoerbare en handhaafbare regeling. Kan de Staatssecretarisnader toelichten op basis van welke criteria is geconcludeerd datsprake is van een effectief handhavingsplan?Het handhavingsplan is tot stand gekomen in nauwe samenwerkingtussen het Ministerie van Justitie en Veiligheid, het Ministerie vanInfrastructuur en Waterstaat en partners zoals politie, OM, gemeenten, ILTen Douane. Ten behoefte van de coördinatie en inhoudelijke afstemmingzijn een bestuurlijke regiegroep en een ambtelijke expertgroep ingericht.Zoals de voormalig Minister van Justitie en Veiligheid tijdens debat van21 januari en bij brief van 16 maart jl. heeft aangegeven betreft hethandhavingsplan een samenhangende bundeling van acties die doorbetrokken partijen kunnen worden ingezet, aangevuld met voorbeelden enbest practices. Het plan biedt het lokaal gezag handvatten om dehandhaving van het vuurwerkverbod, inclusief de daarbij behorendeontheffingsmogelijkheid, op een wijze vorm te geven die aansluit bij delokale omstandigheden en behoeften.Daarnaast bevat het handhavingsplan diverse acties die in aanloop naarde jaarwisseling worden uitgevoerd. Deze acties zijn gericht op hetvoorbereiden van betrokken partijen en de samenleving op een jaarwis-seling zonder consumentenvuurwerk, evenals op het tegengaan enbeperken van mogelijke illegale handel.2.Kan zij nader toelichten of er sprake is van een nulmeting enhelder geformuleerde indicatoren aan de hand waarvan na afloopkan worden gemeten of het handhavingsplan effectief heeftgewerkt?Aangezien het handhavingsplan ruimte laat voor lokale invulling van devoorbereiding en uitvoering van de handhaving, zijn geen uniformenulmeting of effectindicatoren vastgesteld. De lokale context, uitvoerings-capaciteit en beleidsmatige keuzes verschillen per gemeente, waardoor deeffectiviteit van maatregelen zich niet zonder meer laat vangen in éénlandelijk beoordelingskader. Het plan heeft daarom primair een onder-steunend karakter en biedt gemeenten instrumenten en handelingsoptiesom invulling te geven aan een aanpak die aansluit bij de lokaleomstandigheden.3.Is zij voornemens om het handhavingsplan na de jaarwisseling teevalueren? Zo ja, gebeurt dat door een externe partij?Zoals bij vraag 2 is beschreven heeft het handhavingsplan primair eenondersteunend karakter en kan derhalve niet geëvalueerd worden. Wel zaler, zoals gebruikelijk, een landelijk beeld van de jaarwisseling wordenopgemaakt. Op basis daarvan en de lokale evaluaties van de jaarwisselingzal in 2027 gekeken worden of aanvullende acties en best practices in hethandhavingsplan kunnen worden opgenomen.4.Deze leden vragen daarnaast hoe de Staatssecretaris kijkt naarhet risico van een toename van illegaal vuurwerkgebruik enwelke maatregelen worden genomen om dat risico zo veelmogelijk te beperken.Het traject rondom de implementatie van de Wet veilige jaarwisseling zalna 2026 nog niet volledig zijn afgerond. Ook begin 2027 blijft deregiegroep bijeenkomen om ervaringen uit te wisselen, zodat tijdig kanworden geanticipeerd op eventuele knelpunten en goede praktijken metTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 432 elkaar kunnen worden gedeeld. Daarbij zal worden bezien of aanvullendeacties en best practices kunnen nodig zijn om op opgerichte VNG forum tedelen. Van een formele evaluatie is hierbij geen sprake. Het handha-vingsplan heeft primair een ondersteunend karakter en leent zich daaromniet voor een zelfstandige evaluatie. Daarnaast zal conform de gebruike-lijke werkwijze, een landelijk beeld van de jaarwisseling wordenopgesteld. Op basis hiervan kunnen op termijn tevens trends zichtbaarworden van de effecten van het vuurwerkverbod.5.De leden van de VVD-fractie constateren dat de ontheffingsmoge-lijkheid voor georganiseerde groepen burgers onderdeel vormtvan de voorwaarden voor inwerkingtreding. Kan de Staatssecre-taris toelichten hoe deze regeling in de praktijk werkbaar wordtgemaakt voor gemeenten?Op initiatief van de Tweede Kamer is een ontheffingsmogelijkheid van hetverbod voor consumenten geïntroduceerd in de Wet veilige jaarwisseling.Het kabinet heeft deze nader uitgewerkt in het Besluit veilige jaarwis-seling. Ten behoeve van de uitvoering van het Besluit veilige jaarwisselingworden diverse instrumenten voor de gemeenten ontwikkeld. Metondersteuning van de Ministeries van JenV en IenW ontwikkelt de VNGeen handreiking waarin een afwegingskader en handvatten voor deontheffingsmogelijkheid wordt beschreven. Daarnaast ontwikkelen deMinisteries van JenV en IenW een communicatietoolkit voor gemeentenen biedt het handhavingsplan best practices.6.Hoe wordt voorkomen dat er onduidelijkheid ontstaat over detoepassing van deze bevoegdheid of grote verschillen tussengemeenten?Met de bij vraag 5 beschreven instrumenten worden eenduidigehandvatten geboden. Uiteraard staat het iedere burgemeester vrij omdeze al dan niet toe te passen. Daarnaast zijn er meerdere geluiden dat opregionaal niveau de gemeenten met elkaar in gesprek zijn over deuitvoering van de ontheffingsmogelijkheid; hiermee kunnen groteverschillen binnen de regio voorkomen worden. Verschillen in beleidtussen gemeenten hoeven overigens niet problematisch te zijn. Sterkernog, met de ontheffingsbevoegdheid voor burgemeesters is juist beoogddat, afhankelijk van lokale omstandigheden, verschillen in beleid tussengemeenten kunnen ontstaan.7.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van de hoofdlijnen van de nadeelcompensatieregeling.Deze leden zijn van mening dat het belangrijk is om te komen toteen nette en juridisch houdbare regeling voor ondernemers diedoor deze wetswijziging worden geraakt. Kan de Staatssecretarisnader toelichten hoe de juridische houdbaarheid van de nadeel-compensatieregeling is getoetst?De hoofdlijnen van de nadeelcompensatieregeling zijn tot stand gekomenin een zorgvuldig proces waarbij de brancheorganisaties van vuurwerkbe-drijven zijn betrokken. Met de branchevereniging van de importeurs is ophoofdlijnen overeenstemming bereikt maar met de brancheverenigingenvan de detailhandelaren helaas niet.Door een financieel onafhankelijk expert is geïnventariseerd welke schadevuurwerkbedrijven ondervinden van de inwerkingtreding van de Wetveilige jaarwisseling. Hij heeft zich daarbij gebaseerd op door vuurwerk-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 433 bedrijven zelf aangeleverde informatie. Zijn bevindingen heeft hijvastgelegd in het deskundigenrapport.1Vervolgens moet worden bepaald welke schade voor vergoeding inaanmerking komt op basis van het nadeelcompensatierecht. Het gaat hierimmers om schade als gevolg van rechtsmatig overheidshandelen,waardoor alleen zogenoemd onevenredig nadeel voor vergoeding inaanmerking komt, dat wil zeggen het deel dat boven hun normaalondernemersrisico uitstijgt. De landsadvocaat is gevraagd hierover teadviseren.Het initiatiefwetsvoorstel voor het landelijke vuurwerkverbod voorconsumenten van de leden Klaver en Ouwehand is in 2020 ingediend.Vanaf dat moment hadden ondernemers kunnen weten dat er eenvuurwerkverbod voor consumenten zou kunnen worden ingevoerd enhadden ze hiermee rekening kunnen houden. Op 8 april 2025 is de Wetveilige jaarwisseling aangenomen in de Tweede Kamer en op 1 juli 2025 inde Eerste Kamer.Uitgangspunt is in dit geval dat onevenredige schade kan wordenvermeden door een voldoende lange overgangstermijn in acht te nemenwaarin het schadeveroorzakende besluit nog niet geldt. Wat betreft dedetailhandelaren heeft de landsadvocaat op basis van andere casuïstieken de jurisprudentie2 geadviseerd dat een overgangstermijn van een àtwee jaar vanaf het moment waarop de wet is aangenomen voldoende is(1 juli 2025). Aangezien de afgelopen jaarwisseling verkoop nog mogelijkwas, blijft één jaar vergoeding van de winstderving over. Hiermee is dusniet voor de minimum variant gekozen. Daarbij is – naast de voorzien-baarheid van een dergelijk verbod – zwaarwegend geacht dat de verkoopvan consumentenvuurwerk voor de meeste detailhandelaren eennevenactiviteit is. Het gaat bij hen om het verlies van een beperkt deel vanhet assortiment in een beperkt deel van het jaar.Wat betreft de importeurs van consumentenvuurwerk heeft de landsad-vocaat geadviseerd dat een overgangstermijn van drie à vier jaar vanafmedio 2025 voldoende is. Gelet op de afgelopen jaarwisseling, blijft voorhen daardoor nog maximaal drie jaar winstderving over. Daarbij is invergelijking met de detailhandelaren zwaarwegend geacht dat het hierbijwel om de hoofdactiviteit van de betreffende bedrijven gaat en dat de in-en verkoopcyclus langer is. Nu aan de inwerkingtreding van de Wetveilige jaarwisseling de voorwaarde is verbonden een nette en eerlijkecompensatieregeling te treffen en door de Tweede Kamer is opgeroepenhet overleg met de getroffen bedrijven te zoeken, is ervoor gekozen omzowel voor de detailhandelaren als de importeurs een regeling te treffendie eerlijk en netjes is. Voor de detailhandelaren betekent dit eencompensatie van één jaar winstderving vermeerderd met een percentagevan 15%. Het kabinet heeft daarnaast bewust aandacht gehad voor kleinedetailhandelaren door daar bovenop een extra vast bedrag van € 3.500toe te kennen. Voor importeurs bestaat de regeling uit compensatie vandrie jaar winstderving vermeerderd met de verliesvergoeding vanrestvoorraden en vergoeding voor afloop van enkele doorlopendebedrijfskosten.Het kabinet is ervan overtuigd hiermee aan de opdracht van de Kamers tehebben voldaan om te komen tot een nette en eerlijke compensatiere-geling, en ook binnen de bandbreedte van het nadeelcompensatierecht te1Kamerstuk 35 386, nr. 42.2Rechtbank Den Haag 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8566, r.o. 4.45 e.v. en RechtbankDen Haag 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21169Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 434 zijn gebleven. De nadeelcompensatieregeling is naar het oordeel van hetkabinet houdbaar zowel in het licht van de rechtsplicht nadeelcompen-satie te verlenen als in het licht van de rechtsplicht om geen ongeoor-loofde staatssteun te verlenen.8.Deze leden lezen dat de nadere uitwerking via een convenant enbeleidsregel nog volgt. Kan de Staatssecretaris toezeggen deKamer te informeren, zodra het convenant met importeurs en debeleidsregel voor detailhandel definitief zijn vastgesteld?Ja, zodra het convenant voor de importeurs en de beleidsregel voor dedetailhandel definitief zijn, zullen deze naar beide Kamers verzondenworden. Daarnaast zullen beide stukken gepubliceerd worden in deStaatscourant. Hierbij merk ik op dat het niet noodzakelijk is dat denadeelcompensatieregeling voorafgaand aan de inwerkingtreding van dewet definitief is vastgesteld. Nadeelcompensatie is een recht waarondernemers die aan de voorwaarden voldoen aanspraak op kunnenmaken.9.De leden van de VVD-fractie vragen hoe de Staatssecretaris hetverdere tijdpad voor zich ziet richting de komende jaarwisseling.Kan zij bij elk van de drie voorwaarden schetsen welkeoverleggen de komende maanden plaatsvinden in voorbereidingop de jaarwisseling, op welk moment en op welke wijze burgersen getroffen ondernemers actief door het kabinet wordengeïnformeerd?Met betrekking tot de uitvoering van het handhavingsplan vindenperiodiek expert- en bestuurlijke overleggen plaats, gericht op kennis-deling, afstemming en wederzijdse ondersteuning in de voorbereiding opde jaarwisseling. Daarnaast zijn voor de afzonderlijke actiepunten uit hethandhavingsplan specifieke werkgroepen actief. Binnen dezewerkgroepen wordt momenteel onder meer gewerkt aan een communica-tiestrategie en de organisatie van vuurwerkinleverdagen. Iederewerkgroep kent haar eigen planning. De communicatiestrategie wordtnaar verwachting begin juni opgeleverd. De vuurwerkinleverdagen zullenna de zomer plaatsvinden.Op basis van de opgestelde communicatiestrategie worden diversecommunicatie-instrumenten ontwikkeld die op verschillende momenteningezet kunnen worden. Het eerste communicatiemoment zal in aanloopnaar de inwerkingtreding van het landelijk vuurwerkverbod zijn en isgericht op het algemene publiek. Ook zullen gemeenten met behulp vande instrumenten gaan communiceren over de wijze hoe zij invulling gaangeven over de ontheffingsmogelijkheid.In het kader van de ontheffingsmogelijkheid ontwikkelt VNG eenhandreiking voor gemeenten voor de toepassing van de ontheffingsmoge-lijkheid. Hiervoor is eveneens een specifieke werkgroep samengesteld.Deze handreiking wordt naar verwachting op 1 juli 2026 opgeleverd.Daarnaast heeft de VNG meerdere webinars georganiseerd over de Wetveilige jaarwisseling en heeft er een specifiek overleg plaatsgevondenvoor grensgemeenten.De voortgang van de hierboven genoemde acties worden tevensbesproken in bestaande bestuurlijke overleggen, waaronder het Strate-gisch Beraad Veiligheid (SBV) en het Landelijk Overleg Veiligheid enPolitie (LOVP).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 435 Met betrekking tot de nette en eerlijke nadeelcompensatie worden voorhet opstellen van een convenant en de beleidsregel nadeelcompensatiegesprekken gevoerd met de vuurwerkbranche. Zodra deze zijn afgerond,worden ze gepubliceerd waarna detailhandelaren aanvragen kunnenindienen bij RVO. RVO richt hiervoor een website in.Inbreng fracties van GroenLinks-PvdA en Partij voor de Dieren10.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voorde Dieren zijn blij dat met de nadeelcompensatieregeling delaatste losse eindjes van het vuurwerkverbod kunnen wordenafgehandeld. Na decennia van overlast en vervuiling, schade enletsel, vaak zeer ernstig, is de weg naar een oplossing vrij. Het ishaast niet te bevatten hoeveel vingers en ogen in de loop de jarenaan dit vermaak zijn geofferd. Met een einde aan de vrije verkoopvan deze explosieven aan het publiek, wordt ook handhavingmakkelijker en kunnen we hopelijk de oorlogsachtige taferelenrond de jaarwisseling in onze steden achter ons laten. Deze ledenverzoeken de Staatssecretaris dan ook om voortvarend alles inhet werk te zetten dat nodig is om de nieuwe vuurwerkregels nogdit jaar van kracht te laten worden.Op dit moment werkt IenW aan de afronding van het Ontwerpbesluitveilige jaarwisseling. De planning is erop gericht om op 1 juli 2026 hetBesluit veilige jaarwisseling te publiceren in het Staatsblad. Vervolgenskunnen de Wet veilige jaarwisseling en het Besluit dan op 1 augustus 2026in werking treden. Dit om uitvoerende partijen waaronder gemeenten,voldoende tijd te geven om zich voor te bereiden. Dit is ook benadrukt inde uitvoeringstoets van de VNG. Het is aan beide Kamers om een besluitte nemen over het inwerkingtredingsbesluit Wet veilige jaarwisseling.11.De leden van de fracties van GroenLinks-PvdA en de Partij voorde Dieren hebben wel grote twijfels bij de dekking van dezecompensatie. De Kamer stemde in 2025 voor het amendementdat de afhandeling onderbracht in de begroting van het Ministerievan Infrastructuur en Waterstaat. Maar het dubbel demissionairekabinet verzuimde om hiervoor reserveringen in de begrotingvoor 2026 te maken. De noodzaak om nu in reeds toegekendefondsen en posten geld te vinden heeft geleid tot keuzen die voordeze leden moeilijk te dragen zijn. Met name de bezuinigingen opde investeringen van ProRail in verduurzaming en klimaatneutra-liteit, is pijnlijk, bijna cynisch. Als we de ene verduurzamingbetalen met de middelen voor de andere, gaan we niet vooruit.Deze leden verzoeken het kabinet dan ook om het gat dathiermee is geslagen bij de volgende Miljoenennota te herstellenen aan te vullen uit de algemene middelen. De maatschappelijkebaten van het vuurwerkverbod maken deze compensatie meerdan goed.De dekking voor de nadeelcompensatie vergt pijnlijke keuzes. Daar is hetkabinet zich zeer van bewust en is eerder ook gemeld. Een bredemeerderheid van uw Kamer heeft met het amendement Michon-Derkzenechter aangegeven dat de dekking van deze compensatie binnen deIenW-begroting moet worden gevonden. Het kabinet heeft ditamendement destijds ontraden, juist omdat een dergelijke dekkingmogelijk grote gevolgen kent voor lopende beleidsopgaven. Indien uwkamer dit toch anders wenst, dan is de begrotingsbehandeling hetgeëigende moment.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 436 Inbreng fractie PVV12.De leden van de PVV-fractie merken op dat de vuurwerkbranchemet deze regeling slechts een zeer beperkte compensatieontvangt. Bedrijven worden door overheidsbeleid gedwongen hunactiviteiten te beëindigen, terwijl daar slechts een fractie van degeleden schade tegenover staat. Hoe kan het dat het bedrag dathet kabinet hiervoor wil uittrekken zoveel lager ligt dan deschadebedragen die vanuit de sector zelf worden genoemd?Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben deKamers o.a. als voorwaarde gesteld dat IenW een compensatieregelingmoest uitwerken. In het licht van deze gestelde voorwaarde is eencompensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridische grondslag in hetnadeelcompensatierecht is gezocht. Het nadeelcompensatierecht isgebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht opvergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatigoverheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schadezoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven het normaalondernemersrisico.De schadebedragen die vanuit de detailhandelaren worden genoemd zijngebaseerd op een volledige schadeloosstelling, zoals in het onteigenings-recht aan de orde is. Dat leunt – onder meer – op het idee dat de winstvoor de komende tien jaar zou moeten worden vergoed, tezamen met eenvergoeding voor alle andere denkbare schade en kosten. Een dergelijkehoge compensatie is alleen gerechtvaardigd als er een door eigendombeschermd absoluut recht zou zijn geweest om tot in lengte der dagenvuurwerk te blijven verkopen. Dat is niet aan de orde. De nu gekozeninsteek past daarentegen wel binnen het nadeelcompensatierecht, waarinalleen de schade wordt vergoed die het ondernemersrisico te boven gaat.Achterliggende gedachte daarbij is dat de branche er in dit geval hoe danook, tenminste vanaf 2020, rekening mee moest houden dat consumen-tenvuurwerk op termijn verboden zou kunnen worden (zie ook antwoordop vraag 7). Voor hoe omgegaan moet worden met de omvang van hetnormaal ondernemingsrisico is gekeken naar rechtspraak over verge-lijkbare situaties.313.De leden van de PVV-fractie lezen dat een ruimere vergoedingvolgens de Staatssecretaris het risico op ongeoorloofde staats-steun met zich meebrengt. Deze leden vragen wat binnen dezestaatssteunkaders dan wél het maximale bedrag is dat aanhandelaren kan worden gecompenseerd. Welke ruimte bestaat erbijvoorbeeld om de compensatie over meerdere jaren uit te kerenof te verlengen?Zoals in de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractie(antwoord op vraag 7) is uiteengezet, moet worden vermeden datongeoorloofde staatsteun wordt verleend, ook in het belang van degetroffen vuurwerkbedrijven. Ongeoorloofde staatssteun moet immers oplast van de Europese Commissie door de lidstaat (vermeerderd met rente)worden teruggevorderd. Geoordeeld is dat voor detailhandelaren vanaf2025 een overgangsperiode van één tot twee jaar, waarbij zoals gezegd deafgelopen jaarwisseling als het eerste overgangsjaar telt, in de rede ligt envoor importeurs een overgangsperiode van drie tot vier jaar. Inaanmerking genomen dat de jaarwisseling 2025–2026 na vaststelling vande Wet veilige jaarwisseling nog heeft kunnen plaatsvinden resteert voordetailhandelaren nog maximaal één jaar nadeelcompensatie en voor3ECLI:NL:RBDHA:2022:8566 en ECLI:NL:RBDHA:2025:21169Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 437 importeurs nog maximaal drie jaar. Er is daarmee binnen de bandbreedtevan het nadeelcompensatierecht niet gekozen voor de minimum variant.14.De leden van de PVV-fractie lezen daarnaast dat ondernemers inde vuurwerkbranche volgens de Staatssecretaris altijd rekeningmoeten houden met overheidsregulering, waaronder een mogelijkverbod. Deze leden vinden dit een vreemde redenering en vragendaarom voor welke andere sectoren deze redenering eveneenszou gelden. Kan de Staatssecretaris toelichten waar hierin degrens ligt? En of deze andere sectoren hiervan op de hoogteworden gebracht door de overheid?Uitgangspunt van het nadeelcompensatierecht is dat rekening gehoudenmoet worden met overheidsregulering, ook al is niet altijd op voorhandexact te voorzien wanneer en in welke vorm dat zal gaan plaatsvinden. Ditis bijvoorbeeld aan de orde bij sterk gereguleerde sectoren of sectoren diemaatschappelijk omstreden zijn.Ook voor de vuurwerksector geldt dat die al jarenlang onderwerp is vanoverheidsregulering – met name vanwege het gevaarlijke karakter vanzowel het vuurwerk als de opslag en het vervoer daarvan. Vuurwerk is ookal vele jaren een onderwerp van maatschappelijke en politieke discussie.De sector is de afgelopen jaren dan ook al meermaals onderworpen aanstrengere regulering. Verscheidene keren zijn verscherpingen van deregelgeving ingevoerd in een poging de uitwassen van de viering vanoud-en-nieuw met vuurwerk, zoals letsel en ongeregeldheden, terug tedringen. Ook zijn er op lokaal niveau vuurwerkverboden afgekondigd.Daar komt bij dat ook het onderhavige vuurwerkverbod al langere tijdonderwerp van discussie is, zodat ondernemers in die branche rekeningmoesten houden met de mogelijkheid dat een dergelijk verbod zoukunnen worden aangenomen.4Er zijn allerlei andere sectoren waarbinnen soortgelijke risico’s bestaan.Gedacht kan worden aan de tabaksindustrie of industrie die CO2-uitstootveroorzaakt.15.De leden van de PVV-fractie vragen ook of de Staatssecretariserkent dat het beëindigen van deze sector, in combinatie metdeze beperkte compensatie, ertoe zal leiden dat veel detailhande-laren hun onderneming moeten sluiten. Dit geldt met name voorondernemers die afhankelijk zijn van de extra omzet rond dejaarwisseling.Zoals bij vraag 7 is aangegeven is het initiatiefwetsvoorstel voor eenlandelijk vuurwerkverbod voor consumenten in 2020 ingediend. In 2025heeft een meerderheid van zowel de Eerste Kamer als de Tweede Kamerbij de behandeling van de Wet veilige jaarwisseling duidelijk uitgesprokendat er een landelijk vuurwerkverbod moet komen en bij voorkeur zo snelmogelijk. Bij de afweging van een landelijk verbod zijn de gevolgendaarvan voor vuurvuurwerkondernemers door beide Kamers onderkenden meegewogen. Dat heeft geleid tot het aan de inwerkingtredingverbinden van de voorwaarde van een eerlijke en nette nadeelcompensa-tieregeling.Als een detailhandelaar zwaar leunt op de vuurwerkverkoop en daarnaastonvoldoende omzet genereert om zijn bedrijf zonder verkoopomzet tekunnen voortzetten, dan behoort ook dit tot het normaal ondernemers-4ECLI:NL:RBDHA:2022:8566 en ECLI:NL:RBDHA:2025:21169.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 438 risico. Dat dit in individuele gevallen tot pijnlijke situaties kan leiden, is hetkabinet zich van bewust.Het kabinet heeft wel bewust aandacht gehad voor kleine detailhande-laren door een extra vast bedrag van € 3.500 toe te kennen bovenop dewinstderving en de 15% opslag daarvan.16.Kan de Staatssecretaris inzichtelijk maken hoeveel ondernemersals gevolg van deze maatregel genoodzaakt zullen zijn hun geheleonderneming te beëindigen?De effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de vuurwerkbranchezijn in beeld gebracht door een onafhankelijk expert. Uit het deskundigen-rapport komt naar voren dat de vuurwerkbranche bestaat uit importeurs(circa 12), detailhandelaren die vuurwerkverkoop als nevenactiviteithebben (circa 770 winkels) en detailhandelaren die uitsluitend ofnagenoeg uitsluitend vuurwerk verkopen (circa 75 winkels). Aangezien deverkoop van F1-vuurwerk aan consumenten nog mogelijk blijft evenals deverkoop van consumentenvuurwerk aan ontheffinghouders is op ditmoment niet te zeggen wie zijn gehele onderneming zal beëindigen. Dedetailhandelaren die de vuurwerkverkoop als nevenactiviteit hebben,kunnen hun hoofdactiviteit in beginsel blijven uitvoeren.17.En wat zijn naar verwachting de kosten voor de schatkistwanneer ondernemers als gevolg van deze maatregel noodge-dwongen een beroep moeten doen op sociale uitkeringen?Het is niet zondermeer gezegd dat ondernemers een beroep zullen doenop sociale uitkeringen. De vuurwerkverkoop is voor het merendeel van deondernemers een nevenactiviteit. Voor de beëindiging van deze nevenac-tiviteit worden de ondernemers gecompenseerd. De ondernemers kunnendie compensatie ook mede aanwenden om over te stappen op anderebedrijfsmodellen of bedrijfsactiviteiten.18.De leden van PVV-fractie zijn principieel tegen een vuurwerk-verbod voor de gewone burger en zien dit als een symboolmaat-regel die de echte problemen niet aanpakt. Deze leden makenzich grote zorgen over het feit dat er geen eenduidige afsprakenbinnen de EU zijn. Uit de bronnen blijkt dat in buurlanden, zoalsDuitsland, de prijsniveaus voor vuurwerk aanzienlijk lager liggen.Dit verbod zal volgens deze leden leiden tot een enorme toenamevan (illegaal) vuurwerk uit Duitsland en België, aangezien degrenzen open zijn. Deze leden vragen hoe de Staatssecretarisdenkt het illegale vuurwerk uit Nederland te weren als het aan deandere kant van de grens gewoon voorhanden blijft. Erkent deStaatssecretaris dat dit verbod de illegale handel juist eenenorme stimulans geeft?Nee, uit enquêtes blijkt dat een meerderheid van de samenlevingvoorstander is van een vuurwerkverbod. Het is daarom aannemelijk dateen groot deel van de bevolking zich aan het verbod zal houden.Daarnaast kunnen burgers in verenigingsverband een verzoek doen bij deburgemeester voor een ontheffing.19.De leden van de PVV-fractie zien dat dit verbod zich richt oplegaal, gecontroleerd consumentenvuurwerk (F2), terwijl deoverlast en incidenten vaak worden veroorzaakt door zwaarillegaal vuurwerk of professioneel vuurwerk dat niet voorparticulieren bestemd is. Er wordt gesproken over een effectiefhandhavingsplan als voorwaarde voor inwerkingtreding. DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 439 leden vragen hoe de handhaving effectief kan zijn als de politienu al met een tekort aan capaciteit kampt. Is de Staatssecretarisbereid toe te geven dat dit verbod een vorm van collectieve strafis voor de goedwillende burger, terwijl de raddraaiers met illegaalvuurwerk buiten schot blijven?De Wet Veilige jaarwisseling is op initiatief van de Tweede Kamer tot standgekomen. Het verbod stelt de politie, ILT, Douane en gemeenten in staatom gerichter op te sporen en te handhaven. Hiermee komen raddraaierssneller op de radar en kunnen zij hard worden aangepakt. Voor de actiesop het terrein van opsporing en handhaving verwijs ik u naar hethandhavingsplan.Zoals eerder vermeld versterken tevens de oprichting van een Benelux-werkgroep gericht op handhaving van zwaar vuurwerk en het aangekon-digde voornemen van de Europese Commissie om de pyrotechnischerichtlijn te herzien, de internationale aanpak van de illegale vuurwerk-handel.20.De leden van de PVV-fractie zien dat uit de analyse van SmanBusiness Value dat het importeren van vuurwerk voor importeursde hoofdactiviteit is en dat hun bedrijfsvoering bij een verbodniet langer levensvatbaar zal zijn. Hoewel de Staatssecretariskiest voor scenario B (drie jaar winstderving voor importeurs),dekt dit volgens deze leden op geen enkele wijze de volledigevernietiging van de bedrijfswaarde. Deze leden vragen aan deStaatssecretaris waarom er voor detailhandelaren slechtsuitgegaan wordt van één jaar winstderving, terwijl voor velen vanhen de vuurwerkverkoop essentieel is voor een gezonde bedrijfs-voering in de wintermaanden.Bij het merendeel van de detailhandelaren betreft de verkoop vanvuurwerk een nevenactiviteit (zie ook het antwoord op vraag 7). Uit hetdeskundigenrapport blijkt dat slechts circa 75 van de 850 winkelsuitsluitend of nagenoeg uitsluitend vuurwerk verkopen. Ook dan is hetechter geen full-time bedrijfsactiviteit.Een bedrijfsvoering die in de basis al is gediversifieerd, is vanzelfsprekendeenvoudiger aan te passen om eventuele nadelige gevolgen van (nadere)overheidsmaatregelen zoveel mogelijk te voorkomen. De lengte van deovergangstermijn voor de aanpassing, hangt mede samen met devoorzienbaarheid van het landelijk vuurwerkverbod. Er is de nodigerechtspraak over de situatie waarin een hele branche of de hoofdactiviteitvan een onderneming wordt verboden. In die gevallen speelt het al danniet bestaan van een overgangstermijn een belangrijke rol om te bepalenof de schade het normale ondernemersrisico overstijgt. Voor de detailhan-delaren speelt, naast de voorzienbaarheid benoemd in het antwoord opvraag 7, ook een rol dat er door de overheid in de recente geschiedenisgeen investeringen verplicht gesteld zijn voor lopende bedrijven. Deinvesteringen die in het verleden zijn gepleegd op basis van wettelijkeverplichtingen, zullen bovendien reeds geheel zijn terugverdiend.521.De leden van de PVV-fractie zijn zeer kritisch over het feit dat dewaardedaling van onroerend goed niet wordt gecompenseerd,omdat dit onder het normaal ondernemersrisico zou vallen. Debronnen tonen aan dat vuurwerkbunkers aan extreem specifiekebouwkundige eisen (PGS-15 richtlijn) moeten voldoen en vaakniet zomaar voor andere doeleinden of gevaarlijke stoffengebruikt kunnen worden. Deze ondernemers hebben op last van5Zie pagina 27 van het deskundigenrapport, Kamerstuk 35 386, nr. 42.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4310 de overheid zwaar geïnvesteerd in deze bunkers. Graag vernemendeze leden hoe de Staatssecretaris het kan rechtvaardigen datdeze ondernemers nu met onbruikbare, onverkoopbare pandenblijven zitten zonder enige vorm van compensatie voor dezekapitaalvernietiging.De opslag van vuurwerk is, vanwege de daarmee gepaard gaandegevaren, bij uitstek een risicovolle activiteit. Niet voor niets gelden regelsvoor de wijze waarop die opslag moet plaatsvinden. Deze regels geldenoverigens al lange tijd (2002) waarbij de laatste wijzigingen in 2012hebben plaatsgevonden. Zoals het deskundigenrapport aangeeft,impliceert dit dat ondernemers de meeste daarmee gepaard gaandeinvesteringen dan ook al inmiddels zullen hebben terugverdiend.6Ondernemers die met bovenstaande wetenschap starten met de verkoopvan vuurwerk, hebben hun investeringsbeslissing hier dus op afgestemd.Dergelijke investeringen en de daarmee gepaard gaande risico’s zijn bijuitstek onderdeel van de normale ondernemersrisico’s van een bedrijf. Bijhet doen van een dergelijke investering wordt het risico genomen dat dieniet volledig kunnen worden terugverdiend. Voor de vuurwerkbranchegeldt echter dat die investeringen in de regel juist wel reeds zijnterugverdiend.Verder doet waardedaling van een detailhandelslocatie zich altijd voor,ongeacht op welke termijn het vuurwerkverbod in werking zou treden,juist omdat die bebouwing specifiek geschikt is voor de opslag vanvuurwerk. In zoverre heeft deze waardedaling geen relatie met de termijnwaarop het vuurwerkverbod in werking treedt. Gelet op het omstredenkarakter van vuurwerk moesten detailhandelaren dus hoe dan ookrekening houden met het op termijn inwerkingtreden van een vuurwerk-verbod en het feit dat de waarde van hun bedrijfsbebouwing dan zal gaandalen. Dat nadeel behoort dan ook tot hun ondernemersrisico, zeker nu dedaarvoor gepleegde investeringen inmiddels zullen zijn terugverdiend.722.De leden van de PVV-fractie lezen dat de Staatssecretaris steltdat restvoorraden deels met margederving in het buitenlandverkocht kunnen worden. De praktijk is echter veel weerbar-stiger; Duitse labels, gebruiksaanwijzingen en keuringenverschillen van de Nederlandse, en de concurrentie metbestaande buitenlandse leveranciers is moordend. Deze ledenvragen waarom van ondernemers wordt verwacht dat zij hunschade beperken door verkoop in het buitenland, terwijl uit debronnen blijkt dat dit proces complex, duur en vaak onmogelijk isdoor afwijkende nationale eisen. Deze leden vragen of deStaatssecretaris bereid is de margederving op restvoorradenvolledig te vergoeden in plaats van slechts het verlies op deinkoopwaarde.Importeurs van consumentenvuurwerk hebben onder meer in degesprekken met de onafhankelijk financieel expert aangegeven restvoor-raden te hebben. Deze zouden zijn ingekocht voor het besluit tot invoeringvan de Wet veilige jaarwisseling medio 2025 werd genomen. Dezevoorraden vertegenwoordigen een bepaalde waarde, hoewel ze niet meerop de Nederlandse consumentenmarkt kunnen worden verkocht. Er isevenwel ook een Nederlandse professionele markt, er zijn consumenten-markten buiten Nederland en een deel kan mogelijk aan ontheffing-houders verkocht worden. Logischerwijs mag dan ook van deze impor-teurs worden verwacht dat zij hun schade beperken door de voorradenalsnog te verkopen. Een van de elementen van het nadeelcompensatie-6Zie pagina 27 van het deskundigenrapport, Kamerstuk 35 386, nr. 42.7ECLI:NL:RBDHA:2022:8566 en ECLI:NL:RBDHA:2025:21169.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4311 recht is de zogenoemde schadebeperkingsplicht. Houders van restvoor-raden hebben in dat licht bezien de plicht de voorraden zo mogelijk vooreen dusdanige prijs te verkopen, dat zij daarop geen verlies lijden.Mochten zij toch verlies lijden, dan kan daar binnen het nadeelcompensa-tierecht eventueel een compensatie tegenover staan. Voor een vergoedingvan de winstderving op de restvoorraden is geen aanleiding. Er wordtimmers reeds drie jaar winstderving vergoed. Bovendien is het inkopenvan voorraad die uiteindelijk niet kan worden verkocht of slechts tegeneen lagere prijs, bij uitstek onderdeel van de normale ondernemersrisico’svan een bedrijf.Bovendien zou vergoeding van de margederving op restvoorraden leidentot een ongelijkheid. Importeurs die zeer ruim hebben ingekocht, zoudenimmers over die inkoop nog eens misgelopen winst ontvangen, terwijlimporteurs die conservatiever hebben ingekocht (gelet op een mogelijkvuurwerkverbod), veel minder zouden profiteren van een vergoeding opmargederving.23.Deze leden vragen of de Staatssecretaris naar aanleiding van debovenstaande redenaties/vragen reden ziet om toch af te zien vande invoering van het consumentenvuurwerkverbod voor dit jaaren komende jaren. Zo ja, welke argumenten zijn er en zo neewaarom niet?Het landelijk vuurwerkverbod is met een ruime meerderheid aangenomenin de Eerste en Tweede Kamer. Bovendien is er ook een motie in deTweede Kamer aangenomen die de regering oproept de Wet veiligejaarwisseling ruim voor de komende jaarwisseling in te laten gaan.Andere partijen zoals Politie roepen op tot een snelle inwerkingtredingvan het landelijke vuurwerkverbod voor consumenten. Op dit moment ligthet inwerkingtredingsbesluit in het kader van de voorhang in de Eerste enTweede Kamer. Het is aan beide Kamers om te bepalen of het landelijkvuurwerkverbod op 1 augustus 2026 in werking kan treden.Inbreng fractie CDA24.De leden van de CDA-fractie hechten eraan dat de financiëlecompensatie voor vuurwerkondernemingen zorgvuldig, trans-parant en doelmatig wordt vormgegeven, zodat overcompensatieen daarmee ongeoorloofde staatssteun worden voorkomen. Datvereist dat ook de daadwerkelijk geleden schade goed in beeldwordt gebracht. Deze leden vragen de Staatssecretaris hoe demonitoring en evaluatie van de compensatieregeling wordeningericht om achteraf te kunnen vaststellen dat geen sprake isgeweest van overcompensatie.Voor een nadeelcompensatieregeling gelden geen wettelijke vereisten vanmonitoring en evaluatie. Het kabinet vindt het wel wenselijk om de totalekosten van de regeling in beeld te brengen en beide Kamers hierover teinformeren. Hiermee krijgen beide Kamers inzicht in de uiteindelijkebedragen.De compensatieregeling blijft, naar het oordeel van het kabinet, binnen degrenzen van het nadeelcompensatierecht. Bij het vaststellen van debeschikkingen (detailhandelaren) of vaststellingsovereenkomsten(importeurs) worden controles uitgevoerd op de aangeleverde stukken.Op deze manier wordt geborgd dat binnen de uitgangspunten van deregeling wordt gebleven en daarmee overcompensatie wordt voorkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4312 25.In hoeverre zijn met importeurs en detailhandelaren afsprakengemaakt over de wijze waarop zij hun daadwerkelijk geledenschade moeten aantonen?De schade/effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de importeursen de detailhandelaren is in beeld gebracht door een onafhankelijk expert.Hierbij hebben de importeurs en de detailhandelaren hun informatieaangeleverd. Dit rapport is de basis voor de uitgangspunten voor denadeelcompensatie. In het convenant voor de importeurs en de beleids-regel voor de detailhandelaren worden de voorwaarden voor hetverkrijgen van nadeelcompensatie nader uitgewerkt en wordt tevensbeschreven welke informatie de ondernemers moeten aanleveren om inaanmerking te kunnen komen. Zo moet bijvoorbeeld het inschrijvings-nummer bij de Kamer van Koophandel aangeleverd worden, alsmedeinkoopfacturen, bewijs dat consumentenvuurwerk verkocht is in2025–2026, omzetgegevens en de huidige vergunning.26.Hoe wordt getoetst of opgevoerde schade daadwerkelijk geledenen proportioneel is? Welke indicatoren, toetsingscriteria encontrolemomenten worden daarbij gehanteerd?De beleidsregel voor de detailhandelaren wordt samen met RVOopgesteld. Bij de uitwerking zijn de verschillende risico’s in beeld gebrachten zijn er beheersmaatregelen opgenomen. Voorbeelden van beheers-maatregelen zijn het aanleveren van inkoopfacturen en creditfacturen, eenvergelijking met de omzetcijfers in het kader van de btw-aangifte en eenkopie van een vergunning.27.Hoe en door wie wordt de daadwerkelijk geleden schade vanbedrijven die compensatie ontvangen vastgesteld? Welkeonafhankelijke partijen of deskundigen worden betrokken bij debeoordeling en verificatie van de schade?De uitvoering van de beleidsregeling voor de detailhandelaren wordt doorRVO gedaan. De individuele vaststelling van de nadeelcompensatie perimporteur wordt waarschijnlijk uitgevoerd door het inschakelen van eenschade-expert.28.De leden van de CDA-fractie constateren dat bij de vormgevingvan de compensatieregeling nadrukkelijk is gekozen voor eenruimhartige benadering. Daarbij zijn ook elementen meegenomendie niet direct samenhangen met het verbod zelf. Deze ledenvragen de Staatssecretaris waarom ervoor is gekozen om bij deberekening van de winstderving ook de winst op F1-vuurwerkmee te tellen, terwijl het verbod daarop geen betrekking heeft?Waarom zijn de positieve effecten van de Wet veilige jaarwis-seling, zoals verkoop aan ontheffinghouders en een verwachteomzettoename van F1-vuurwerk, buiten beschouwing gelaten?In lijn met de voorwaarde die aan de inwerkingtreding van de Wet veiligejaarwisseling is verbonden werk ik aan de uitwerking van een nette eneerlijke compensatieregeling. Uit het deskundigenrapport komt naarvoren dat de omzet bij detailhandelaren die gemoeid is met F1-vuurwerkmarginaal klein is. Het F1-vuurwerk wordt grotendeels verkocht doorandersoortige detailhandelaren zoals supermarkten die geen F2-vuurwerkverkopen. Deze ondernemers worden dan ook niet geraakt door hetvuurwerkverbod.De effecten van de Wet veilige jaarwisseling zoals de verkoop aanontheffinghouders zijn nog niet bekend en lastig te voorspellen. Uit hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4313 deskundigenrapport blijkt dat het reëel is om te veronderstellen dat circa1 tot 5% van de omzet van consumentenvuurwerk behouden kan worden.Echter, de deskundigen schatten in dat zelfs met behoud van deze zeerbeperkte omzet uit F1-vuurwerk (en een deel export), de exploitatie vooreen gemiddelde importeur verlieslatend zal worden (of hooguit marginaalpositief), en in continuïteit niet levensvatbaar. Derhalve zijn de verkoopvan F1 vuurwerk en de effecten van de Wet veilige jaarwisseling buitenbeschouwing gelaten.29.Deze leden vragen de Staatssecretaris duidelijk uiteen te zettenin hoeverre deze ruimhartige benadering strijdig is met hetvoorkomen van overcompensatie en met het doelmatig inzettenvan publieke middelen.Zoals in de beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractieis uiteengezet is binnen het nadeelcompensatierecht gezocht naar eenregeling die recht doet aan de door het parlement daaraan verbondenkwalificaties «eerlijk en net». Voor zowel de detailhandelaren als deimporteurs is daaruit een bandbreedte naar voren gekomen. Mede in hetlicht van de wens van de Tweede Kamer om in overleg met de vuurwerk-branche tot een regeling te komen, is niet gekozen voor de minimumva-riant. Langs die lijn is in ieder geval op hoofdlijnen overeenstemmingbereikt met de brancheorganisatie van de importeurs. Dat is naar hetoordeel van het kabinet niet in strijd met het doelmatig inzetten vanpublieke middelen. Van overcompensatie is geen sprake omdat binnen debandbreedte van het nadeelcompensatierecht wordt gebleven.30.De leden van de CDA-fractie lezen dat in de compensatieregelingook rekening wordt gehouden met eventuele restvoorradenvuurwerk, waarbij is ingezet op het zoveel mogelijk beperkendaarvan. Dit roept bij hen vragen op over eigendom, verwerkingen compensatie van deze voorraden. Zij vragen wat er gebeurtmet de resterende vuurwerkvoorraden waarvoor geen afzet inNederland meer mogelijk is. Wiens eigendom blijven dezerestvoorraden na compensatie? Welke restricties, voorschriftenof verplichtingen gelden voor opslag, verkoop, export, vernie-tiging of andere verwerking van deze voorraden? Hoe wordtgecontroleerd dat restvoorraden niet alsnog leiden tot dubbelecompensatie of ongeoorloofde staatssteun? Welke rol hebbenimporteurs zelf bij de verdere afhandeling van deze restvoor-raden? Deze leden merken op dat er sinds mei 2025 gesprekkenplaatsvinden met importeurs over de compensatieregeling en inhet bijzonder de afhandeling van restvoorraden.De afspraak met de importeurs is gemaakt om restvoorraden zo veel alsmogelijk te beheersen en beperken. Bovendien is afgesproken datimporteurs bereid zijn naast de volle verpakkingen (zoals gebruikelijk), ookde aangebroken verpakkingen tegen werkelijk gemaakte kosten op tehalen bij de detailhandel. Hiermee wordt de detailhandel ontlast en iscompensatie voor de detailhandel op dit punt dan ook niet voorzien.Met betrekking tot restvoorraden van importeurs is de inzet van hetkabinet dat hooguit eventuele verliezen die zij daarop maken voorvergoeding in aanmerking komen. Die verliezen zullen moeten wordenaangetoond. De redenen daarvoor zijn uiteengezet in antwoord op vragenvan de PVV-fractie. Hierover worden in het kader van het met de impor-teurs te sluiten convenant nadere afspraken gemaakt. Het ligt op hun weghun schade zoveel mogelijk te beperken door hun restvoorraden zo goedmogelijk te verkopen. Van dubbele compensatie of ongeoorloofdestaatssteun kan geen sprake zijn. Dat is ook in hun belang.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4314 31.De laatste gesprekken zouden plaatsvinden in de week van 4 mei2026. Zij vragen wat de uitkomst was van deze laatstegesprekken.De laatste gesprekken met de importeurs en detailhandelaren hebbeninderdaad plaatsgevonden in de week van 4 mei jl. Met de importeurs isop hoofdlijnen tot overeenstemming gekomen over de uitgangspuntenvoor een nadeelcompensatieregeling. Met de vertegenwoordigers van debranchevereniging van de importeurs is afgesproken dat op basis van deuitgangspunten het convenant op korte termijn wordt voorbereid.In het laatste gesprek met de brancheverenigingen van detailhandelarenzijn de uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling toegelicht enis afgesproken dat een concept van de beleidsregel zal wordenvoorgelegd aan de brancheverenigingen. Met deze brancheverenigingenis niet tot een overeenstemming gekomen omdat er een groot verschilvan inzicht is over het aantal jaren winstderving.Inbreng fractie BBB32.De leden van de BBB-fractie constateren dat de discussie over decompensatie voor vuurwerkondernemers op meerdere puntensterke overeenkomsten vertoont met eerdere dossiers waarinondernemers of burgers pas na langdurige juridische procedureserkenning en compensatie kregen voor schade veroorzaakt dooroverheidsbeleid. Deze leden vinden dat voorkomen moet wordendat opnieuw een situatie ontstaat waarin ondernemers jarenlangtegenover hun eigen overheid komen te staan om een recht-vaardige compensatie af te dwingen. Kan de Staatssecretarisbevestigen dat nadeelcompensatie juridisch gezien een openein-deregeling betreft waarbij de daadwerkelijke schade leidendbehoort te zijn? Hoe voorkomt zij dat het reeds communicerenvan een totaalbudget ertoe leidt dat budgettaire begrenzingfeitelijk belangrijker wordt dan volledige en zorgvuldige schade-vaststelling?Het is juist dat – anders dan een subsidieregeling – een nadeelcompensa-tieregeling geen plafond heeft en dat de daadwerkelijk geleden schade dieboven het normaal ondernemersrisico uitstijgt in beginsel leidend is voorde hoogte van de compensatie. In beginsel, omdat gelet op het groteaantal detailhandelaren wordt gewerkt met een aantal parameters. Hetgereserveerde totaalbedrag is een ruwe en ruime inschatting van debenodigde middelen. De kans dat deze onvoldoende blijken te zijn, achthet kabinet klein. Mocht toch sprake zijn van een overschrijding van hetbudget, dan zullen aanvullende middelen moeten worden gezocht. Devaststelling van de hoogte van de nadeelcompensatie voor iedereindividuele vuurwerkondernemer volgt een zorgvuldig proces. Voordetailhandelaren wordt daartoe een beleidsregel vastgesteld en voor deimporteurs een convenant. Op basis daarvan krijgen detailhandelaren eenbeschikking en worden met importeurs vaststellingsovereenkomstengesloten. Voor detailhandelaren die zich niet kunnen vinden in de hoogtevan de nadeelcompensatie staat bezwaar en beroep open. Een geslaagdbezwaar of beroep moet worden gehonoreerd.33.Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het beschikbare budget ofhet ontbreken van dekking binnen de begroting juridisch geenzelfstandige grond mag vormen voor het beperken van eenschadevergoeding waarop ondernemers recht hebben?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4315 Omdat bij nadeelcompensatie het uiteindelijk benodigde bedrag hoger oflager kan uitvallen, reserveer ik uit voorzorg al een hoger budget van€ 100 miljoen dan de geraamde kosten van € 90 miljoen. Dat moetvoldoende zijn. De kans dat het budget onvoldoende is lijkt evenwelgering, gelet op het aan de uitgangspuntenbrief ten grondslag liggendedeskundigenrapport, juridische advies en de ingebouwde marge. Mochthet beschikbare budget niettemin ontoereikend blijken, dan zal wordenbezien hoe dit budget kan worden aangevuld met andere middelen.34.Erkent de Staatssecretaris dat nadeelcompensatie geen politieketegemoetkoming is, maar een juridisch afdwingbare verplichting,indien sprake is van een onevenredige last als gevolg vanrechtmatig overheidshandelen?Inderdaad is nadeelcompensatie geen politieke tegemoetkoming, maareen recht op vergoeding van de onevenredige schade die een gevolg isvan rechtmatig overheidshandelen.35.De leden van de BBB-fractie constateren dat in de brief uitgebreidwordt verwezen naar overleg en afstemming met de branche.Tegelijkertijd ontvangen deze leden vanuit de consumentenvuur-werkdetailhandel signalen dat gesprekken vooral werden ervarenals eenzijdige mededelingen vanuit het ministerie, waarbijinhoudelijk weinig tot niets zou zijn gedaan met voorstellen enargumenten vanuit de branche. De Kamer is met de Kamerbriefvan 8 mei weliswaar op de hoogte gebracht van alle contactmo-menten met de brancheverenigingen, maar uit dat schrijven blijktniet duidelijk welke voorstellen van de ondernemers besprokenzijn. Kan de Staatssecretaris specifiek aangeven welkevoorstellen vanuit de branche aantoonbaar hebben geleid totaanpassingen in de regeling? Deze leden vragen niet om deletterlijke inhoud van gesprekken, maar wel een duidelijkoverzicht van de voorgestelde aanpassingen van de sector en eenoverzicht van óf en hoe die voorstellen verwerkt zijn in deuiteindelijke uitwerking.In het kader van het onderzoek naar de financiële effecten van hetlandelijk vuurwerkverbod zijn diverse voorstellen van de vuurwerkbranchemeegenomen door de onafhankelijk expert. Zo is op voorstel van debranche een categorie-indeling voor de diversiteit van de detailhandelareningevoerd.Verder hebben de brancheverenigingen van de detailhandelaren ingesprekken met IenW een voorstel gedaan voor het hanteren van een vastbedrag als tegemoetkoming voor kleine ondernemers. Dit voorstel iseveneens overgenomen.Bij de beoordeling welke schade voor vergoeding in aanmerking komtheeft de landsadvocaat vervolgens geoordeeld dat de overige voorstellenzoals meerdere jaren winstderving of een verhoging van het opslagper-centage niet overgenomen worden omdat deze voorstellen niet passenbinnen de kaders van het nadeelcompensatierecht zoals ook nader istoegelicht in het antwoord op vraag 12. Daarnaast zijn de voorstellen voormaatwerk per detailhandelaar niet overgenomen gelet op efficiëntie enuitvoerbaarheid.36.De leden van de BBB-fractie ontvangen daarnaast signalen datbrancheorganisaties na vrijwel ieder overleg schriftelijk hebbenaangegeven het gevoel te hebben dat het ministerie primairstuurde op het zo laag mogelijk houden van de compensatie,onder verwijzing naar staatssteun, normaal ondernemersrisico,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4316 voorzienbaarheid en budgettaire beperkingen. Hoe reflecteert deStaatssecretaris op deze signalen?Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben deKamers o.a. als voorwaarde gesteld dat IenW een compensatieregelingmoest uitwerken. In het licht van deze gestelde voorwaarde is eencompensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridische grondslag in hetnadeelcompensatierecht is gezocht. In de Kamerbrief van 27 maart jl. zijnde uitgangspunten voor de nadeelcompensatieregeling voor de vuurwerk-bedrijven al gedeeld. In deze brief is gesteld dat de juridische grondslagvan de compensatie aan vuurwerkondernemers is gevonden in hetnadeelcompensatierecht, dat is gebaseerd op het égalitébeginsel. Ditbeginsel voorziet in een recht op vergoeding van onevenredige schade dieeen gevolg is van rechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – ondermeer – vereist dat de schade zoals de vuurwerkondernemers die lijden,uitstijgt boven hun normaal ondernemersrisico. Dit punt is altijd in allegesprekken als uitgangspunt gehanteerd en dus ook in de beoordelingvan alle voorstellen van de vuurwerkbranche. Bovendien is binnen debandbreedte die het nadeelcompensatierecht biedt, voor zowel dedetailhandelaren als de importeurs niet gekozen voor de minimale variantwaardoor volgens het kabinet wordt uitgekomen op een eerlijke en nettenadeelcompensatieregeling (zie ook het antwoord op vraag 7).37.Kan zij alle correspondentie tussen het ministerie en brancheor-ganisaties over de nadeelcompensatieregeling aan de Kamer doentoekomen, inclusief reacties op voorstellen vanuit de branche?In het kader van de nadeelcompensatieregeling is het deskundigenrapporthet belangrijkste document. Dit rapport is openbaar gemaakt.8 Vervolgenszijn de juridische standpunten uitgewisseld in meerdere overleggenwaaronder tussen de advocaten. Het is aan de brancheorganisatie zelf omeigen correspondentie te overleggen.Uit het, aan u overgelegde feitenrelaas9, blijkt dat vooral mondeling isoverlegd. De correspondentie, voor zover ik nu kan overzien, betrof metname het proces.38.Kan de Staatssecretaris ook bevestigen dat de brancheorgani-saties van de consumentenvuurwerkverkopers expliciet hebbenaangegeven niet akkoord te zijn met de huidige opzet van decompensatieregeling?Zoals eerder vermeld bij vraag 31 is er met de importeurs overeen-stemming over de uitgangspunten van de nadeelcompensatieregeling. Debrancheverenigingen van de detailhandelaren hebben in het laatstegesprek aangegeven zich niet te kunnen vinden in deze uitgangspuntenomdat er een groot verschil van inzicht is over het aantal jarenwinstderving.39.De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris steltdat het voorstel van de branche voor schadevaststelling viauitgebreide invulformulieren en steekproefcontroles niet goeduitvoerbaar zou zijn. Deze leden begrijpen dat ondernemers juisthebben voorgesteld om via een dergelijke systematiek dedaadwerkelijke schade zorgvuldig per onderneming inzichtelijk temaken. Waarom is dit voorstel niet inhoudelijk verder uitge-werkt? Werd bij het voorstel van de sector gewerkt met dezelfdecijfers als uitgangspunt als bij de uiteindelijk gebruikte syste-8Kamerstuk 35 386, nr. 42.9Kamerstuk 35 386, nr. 42.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4317 matiek? Zo nee, wat waren daarin de verschillen? En als er vandezelfde gegevens gebruik gemaakt zou worden, is de Staatsse-cretaris het dan met deze leden eens dat het voorstel van debranche wat controleerbaarheid betreft gelijkwaardig is aan hetuiteindelijk gekozen systeem? Acht de Staatssecretaris hetargument dat individuele schadevaststelling «te veel werk» ofonvoldoende uitvoerbaar zou zijn verenigbaar met de verplichtingvan de overheid om onevenredige schade zorgvuldig vast testellen?Op dit moment wordt, op basis van de informatie uit het deskundigen-rapport en de uitgangspunten10, de beleidsregel voor de detailhandelarennader uitgewerkt. Het deskundigenrapport is, in afstemming met debrancheverenigingen, opgesteld op basis van informatie van de vuurwerk-branche. Een concept van de beleidsregel wordt, zoals eerder aangegevenbij vraag 31, voorgelegd aan de brancheverenigingen.40.De leden van de BBB-fractie maken zich daarnaast ernstigezorgen over de wijze waarop structurele schadeposten groten-deels onder het normaal ondernemersrisico lijken te wordengeschoven. In het Sman-rapport worden expliciet schadepostengenoemd, zoals winstderving, huurverplichtingen, afschrijvingen,restvoorraden, waardedaling van investeringen en verlies vanbedrijfswaarde. Waarom worden deze posten vervolgens slechtszeer beperkt vergoed? Hoe verhoudt dit zich volgens de Staatsse-cretaris tot artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en hetvereiste van een «fair balance» waarbij ondernemers nietgeconfronteerd mogen worden met een individuele en buiten-sporige last? Hoe verhoudt het huidige voorstel zich totartikel 3:2 en 3:46 Algemene wet bestuursrecht, nu de gekozenomvang van de compensatie volgens brancheorganisatiesonvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd? Wat wordt specifieken per casus gedaan voor de schrijnende gevallen (als bijvoor-beeld sprake is van lang doorlopende huurcontracten)? Dezeleden ontvangen signalen van ondernemers die nog jarenlangvastzitten aan huurcontracten, onderhoudsverplichtingen voorbunkers, sprinklerinstallaties en kosten voor het terugbrengenvan panden in oorspronkelijke staat. Deze leden begrijpen niethoe een forfaitaire opslag van 15% plus € 3.500 per winkel indergelijke gevallen een redelijke compensatie kan vormen. Kande Staatssecretaris toelichten hoe deze bedragen zich volgenshaar verhouden tot de daadwerkelijke lasten waar ondernemersmee geconfronteerd worden?Naast winstderving is een aantal andere posten in het deskundigen-rapport geïnventariseerd. Niet alle schade komt echter voor vergoeding inaanmerking volgens het geldend juridisch kader. Uitsluitend devergoeding van onevenredige schade die uitstijgt boven het normaalondernemersrisico komt voor vergoeding in aanmerking. Dat is in deeerste plaats de winstderving en daarnaast wordt voor de overige posteneen opslagpercentage van 15% en een vast bedrag van € 3.500 gehan-teerd. Dat het landelijk vuurwerkverbod in individuele gevallen tot pijnlijkesituaties kan leiden, is het kabinet zich van bewust. Tegelijkertijd moet welbinnen de regels van het nadeelcompensatierecht worden gebleven.In reactie op artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM en het vereistevan een «fair balance» het volgende. Het nadeelcompensatierecht isgebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in een recht opvergoeding van onevenredige schade die een gevolg is van rechtmatig10Kamerstuk 35 386, nr. 42.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4318 overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat de schadezoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven het normaalondernemersrisico. De in de vraag genoemde «fair balance-toets» is inhoge mate vergelijkbaar met de toets van het normaal ondernemersrisicoin het kader van het nadeelcompensatierecht. Indien namelijk het recht opnadeelcompensatie op grond van het égalitébeginsel gewaarborgd is inhet nationale recht, geldt als uitgangspunt dat er sprake is van een fairbalance.Het kabinet is van oordeel dat het voorstel zorgvuldig is voorbereid endraagkrachtig is gemotiveerd en daarmee de toets van artikel 3:2 en 3:46Awb zal kunnen doorstaan.41.De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris steltdat ondernemers rekening hadden moeten houden met verder-gaande regulering of zelfs een verbod, mede omdat de discussieover consumentenvuurwerk al langere tijd speelde. Deze ledenvinden die redenering moeilijk te volgen. De politieke discussieover vuurwerk bestaat al tientallen jaren, zonder dat ergedurende lange tijd een meerderheid was voor een landelijkverkoopverbod. Kan de Staatssecretaris toelichten waaromondernemers hieruit hadden moeten afleiden dat zij investeringenin veiligheidsmaatregelen, bunkers, sprinklerinstallaties envergunningstrajecten niet meer mochten vertrouwen? Kan deStaatssecretaris bovendien aangeven op welke uitspraken van deRechtbank Den Haag zij precies doelt? Deze leden merken daarbijop dat ondernemers juist jarenlang hebben geïnvesteerd op basisvan steeds strengere overheidsregels en veiligheidseisen. Erkentde Staatssecretaris dat ondernemers hierdoor juist mochtenvertrouwen op continuering van een gereguleerde legaleactiviteit? Hoe reflecteert zij op het gevoel bij ondernemers datde overheid hen eerst verplichtte forse investeringen te doen envervolgens stelt dat de gevolgen van het verbod grotendeels vooreigen rekening zijn?De laatste wijzigingen aan de vuurwerkwet- en regeling (m.b.t. opslag- enveiligheidsvereisten) hebben plaatsgevonden in 2012. Investeringen die indie periode hebben plaatsgevonden zijn inmiddels afgeschreven enterugverdiend. In dat kader speelt een rol dat consumentenvuurwerkinherent risico’s met zich meebrengt voor de veiligheid, de gezondheid,het milieu en de openbare orde. Een ondernemer die vuurwerk verkooptmoet om die reden altijd rekening houden met (nadere) overheidsregu-lering, inclusief een verbod. Het overheidsbeleid ten aanzien vanconsumentenvuurwerk is door de jaren heen ook steeds restrictievergeworden. Zo zijn de afgelopen jaren de afsteektijden en de soortenvuurwerk die consumenten mogen afsteken steeds verder ingeperkt.Daarnaast heeft een aantal gemeenten al een lokaal vuurwerkverbodingesteld. Bovendien was het vuurwerkverbod al meer dan vijf jaarconcreet voorzienbaar, doordat al die tijd al de initiatiefwet aanhangigwas. Het is niet zo dat een dergelijke maatregel in het kader van hetnadeelcompensatierecht pas voorzienbaar wordt, als vaststaat dat er eenKamermeerderheid voor is. Ondernemers moeten ook al in een eerderstadium rekening houden met de mogelijkheid van een dergelijk verbod –ook als nog niet vast staat of dat verbod er echt gaat komen. Dezeelementen wegen mee in de beoordeling van het ondernemersrisico.De uitspraken van de Rechtbank Den Haag waaraan gerefereerd is in debrief van 22 mei jl. t.a.v. het normaal ondernemersrisico betrofECLI:NL:RBDHA:2025:21169 en ECLI:NL:RBDHA:2022:8566.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4319 42.De leden van de BBB-fractie lezen dat de Staatssecretaris zichherhaaldelijk beroept op mogelijke kapitalisatierisico’s. Tegelij-kertijd wijzen zowel Simmons & Simmons als de Landsadvocaaterop dat compensatie binnen het reguliere nadeelcompensatie-recht in beginsel geen verboden staatssteun vormt. Waarom blijfthet ministerie staatssteun zo nadrukkelijk als argumentgebruiken? Kan de Staatssecretaris bevestigen dat binnen hetnadeelcompensatierecht geen vaste maximale kapitalisatiefactorbestaat en dat in jurisprudentie factoren van 8 tot 10 bij struc-turele inkomensschade niet ongebruikelijk zijn? Op basis vanwelke concrete jurisprudentie concludeert de Staatssecretarisdat in dit dossier volstaan kan worden met circa één jaar winst-derving?Bij het uitwerken van een nadeelcompensatieregeling voor de detail-handel en importeurs is het uitgangspunt dat binnen de grenzen van hetnadeelcompensatierecht wordt gebleven. Daarmee is dan geen sprakevan staatssteun. Indien schade wordt vergoed die wel onder het normaalondernemersrisico valt, wordt buiten het nadeelcompensatierechtgetreden. Daarmee kan er sprake zijn van overcompensatie en daarmeehet risico op ongeoorloofde staatssteun.Verder moet een onderscheid gemaakt worden tussen factoren diegebruikt worden om de totale omvang van schade tot in lengte der dagente kapitaliseren (bijv. de door u genoemde factor 8 of maximaal factor 10)en de vraag hoeveel jaren winstderving buiten het normale ondernemers-risico valt en dus vergoed moet worden. Zoals hiervoor ook is toegelicht,is er geen rechtvaardiging voor de gedachte dat detailhandelaren tot inlengte der dagen gecompenseerd zouden moeten worden voor dewinstderving door het vuurwerkverbod.Er is niet eerder eenzelfde casus aan de orde geweest in de jurisprudentie.Wel zijn er eerdere lokale vuurwerkverboden ingevoerd, die, voor zoverbekend, niet tot compensatie hebben geleid. De rechtbank Den Haag heeftwel tweemaal – in andere situaties – een oordeel gegeven over hetondernemersrisico van de vuurwerkbranche. Dat was in: Rechtbank DenHaag 31 augustus 2022, ECLI:NL:RBDHA:2022:8566, r.o. 4.45 e.v. enRechtbank Den Haag 12 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21169,r.o. 5.16. Daarnaast zijn er allerlei voorbeelden uit andere branches waarinregulerend is opgetreden en waarin zonder of met een beperkterecompensatie kon worden volstaan.11 Uiteindelijk komt het evenwel aan opeen totaalafweging, in het licht van het nadeelcompensatierecht.43.Deze leden ontvangen bovendien signalen dat zelfs volgens deLandsadvocaat ruimte bestaat voor een hogere compensatie danhet gekozen scenario (namelijk hoger dan scenario C) voordetailhandelaren. Klopt dit? Waarom is desondanks gekozen voorwat door ondernemers wordt ervaren als het laagste compensa-tiescenario? Klopt het dat het kabinet met deze regeling feitelijkkiest voor het laagste compensatiescenario voor detailhande-laren, terwijl zelfs volgens de Landsadvocaat ruimte bestaat vooreen hogere vergoeding? Is de Staatssecretaris bereid onafhan-kelijk juridisch advies openbaar te maken over de vraag welke11Rechtbank Den Haag 2 februari 2000, ECLI:NL:RBSGR:2000:AA4654, r.ov. 3.8. Rechtbank DenHaag 2 februari 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BP4426, Rechtbank Den Haag 9 januari 2013,ECLI:NL:RBDHA:2013:BY8017, Hof Den Haag 5 juni 2012, ECLI:NL:GHSGR:2012:BW7457,r.ov. 3.9, Hof Den Haag 31 oktober 2017, ECLI:NL:GHDHA:2017:3072, o.m. r.ov. 36.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4320 kapitalisatiefactor binnen het nadeelcompensatierecht in dezespecifieke situatie redelijk en juridisch houdbaar is?Aan de inwerkingtreding van de Wet veilige jaarwisseling hebben deKamers o.a. als voorwaarde gesteld dat IenW een eerlijk en nettecompensatieregeling moest uitwerken. In het licht van deze gesteldevoorwaarde is een compensatieregeling uitgewerkt waarbij de juridischegrondslag in het nadeelcompensatierecht is gezocht. Het nadeelcompen-satierecht is gebaseerd op het égalitébeginsel. Dit beginsel voorziet in eenrecht op vergoeding van onevenredige schade die een gevolg is vanrechtmatig overheidshandelen. Daarvoor is – onder meer – vereist dat deschade zoals de vuurwerkondernemers die lijden, uitstijgt boven hunnormaal ondernemersrisico.Voor de detailhandelaren is gekozen voor compensatie ter hoogte van éénjaar winstderving opgehoogd met een opslag van 15%. Om de detailhan-delaren tegemoet te komen is het voorstel van een vast bedrag van€ 3.500 per ondernemer overgenomen. Hiermee worden vooral dekleinere ondernemers geholpen.Het onafhankelijk deskundigenrapport dat als basis heeft gediend is reedsopenbaar gemaakt. Het advies van de landsadvocaat heeft het karaktervan een procesadvies. Bij procesadviezen is verstrekking aan de Kamer –waardoor het openbaar wordt – niet aan de orde, vanwege demogelijkheid van het schenden van de procespositie van de Staat.44.De leden van de BBB-fractie maken zich tevens zorgen over depositie van consumentenvuurwerkverkopers ten opzichte van deimporteurs. Deze leden willen benadrukken dat importeurs rechthebben op een eerlijke en rechtvaardige compensatie. Het is watdeze leden betreft dan ook goed dat voor importeurs wordtgekeken naar een regeling die daadwerkelijk aansluit bij deomvang van de schade en de lange inkoop- en verkoopcycliwaarmee zij te maken hebben. Tegelijkertijd vragen deze ledenhoe wordt voorkomen dat detailhandelaren door deze situatiefeitelijk met de rug tegen de muur worden gezet. Wanneerimporteurs via convenanten tot overeenstemming komen enstoppen met importeren, terwijl detailhandelaren nog grotebezwaren hebben tegen de hoogte en systematiek van hun eigencompensatieregeling, ontstaat immers de situatie dat detailhan-delaren nauwelijks nog een reële onderhandelingspositie hebben.Zij hebben dan mogelijk geen vuurwerk meer om te verkopen,ook niet wanneer procedures of besluitvorming nog lopen. Hoereflecteert de Staatssecretaris op dit risico?De leden van de BBB-fractie schetsen de hypothetische situatie dat nogniet zou zijn besloten over het moment van inwerkingtreding van de Wetveilige jaarwisseling, terwijl met de importeurs van vuurwerk al welovereenstemming zou zijn bereikt. Dit is geen reëel scenario. Zolang nietvaststaat wanneer de Wet veilige jaarwisseling in werking treedt kan geendefinitieve overeenstemming worden bereikt met de importeurs omdathun schade en nadeel niet kan worden vastgesteld. Los daarvan, hetvaststellen van nadeelcompensatie is geen kwestie van onderhandeling.Zoals in de beantwoording van de vragen van de VVD-fractie uitgebreid istoegelicht is een zorgvuldig proces voorafgegaan aan de uitgangspuntenvoor een nadeelcompensatieregeling. Daarbij zij nogmaals benadrukt datzowel voor importeurs als voor detailhandelaren niet is gekozen voor eenminimumvariant binnen de bandbreedte voor een nadeelcompensatiere-geling zoals die in het advies van de landsadvocaat is geschetst op basisvan eerdere nadeelcompensatie en jurisprudentie.45.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4321 Daarnaast lezen de leden van de BBB-fractie dat de Staatssecre-taris het verschil in compensatie tussen importeurs en detailhan-delaren onder andere rechtvaardigt door te stellen dat vuurwerk-verkoop voor detailhandelaren vaak een nevenactiviteit betreft.Deze leden vinden die redenering moeilijk te volgen. Het feit dateen ondernemer naast vuurwerkverkoop nog andere activiteitenheeft, betekent immers niet automatisch dat de schade dieontstaat door het wegvallen van de vuurwerkverkoop mindergroot of minder ingrijpend is. Kan de Staatssecretaris toelichtenwaarom een ondernemer minder recht op compensatie zouhebben, enkel omdat hij naast deze activiteit nog andere bedrijfs-activiteiten heeft? Deze leden ontvangen daarnaast signalen datvuurwerkverkoop bij veel ondernemers juist verantwoordelijk isvoor een substantieel deel van de jaarwinst. Is de Staatssecre-taris hiermee bekend? Hoe voorkomt zij dat ondernemers dieafhankelijk zijn van deze winstcomponent onevenredig hardgeraakt worden? Deze leden wijzen er bovendien op dat veelinvesteringen juist specifiek voor de vuurwerkverkoop zijngedaan, zoals bunkers, sprinklerinstallaties, veiligheidsvoorzie-ningen en vergunningstrajecten. Die kosten waren niet nodiggeweest zonder de vuurwerkactiviteit. Waarom wordt ditonvoldoende meegewogen?Het verschil tussen importeurs voor wie de import en verkoop dehoofdactiviteit is en detailhandelaren voor wie de in- en verkoop vanvuurwerk een nevenactiviteit is, ligt inderdaad ten grondslag aan deverschillen tussen de overgangstermijnen en daarmee de verschillentussen het aantal compensatiejaren. Daarmee is niet gezegd dat de Wetveilige jaarwisseling geen ingrijpende gevolgen voor detailhandelaren kanhebben. Daarom wordt het onevenredige deel van hun schade dat uitstijgtboven het normaal ondernemersrisico vergoed. En ook dat wil nietzeggen dat dit voor sommige detailhandelaren geen ernstige gevolgenkan hebben en in het uiterste geval tot bedrijfsbeëindiging kan leiden. Alseen detailhandelaar al te zeer leunt op de vuurwerkverkoop en daarnaastonvoldoende omzet genereert om zijn bedrijf zonder verkoopomzet tekunnen voortzetten, dan behoort ook dit tot het normaal ondernemers-risico. Dat dit in individuele gevallen tot pijnlijke situaties kan leiden, is hetkabinet zich van bewust. Tegelijkertijd moet wel binnen de regels van hetnadeelcompensatierecht worden gebleven. Het kabinet heeft wel bewustaandacht gehad voor kleine detailhandelaren.46.Ook vragen deze leden waarop precies is gebaseerd dat detail-handelaren juridisch gezien «minder ingrijpend» geraakt zoudenworden dan importeurs. Beschikt de Staatssecretaris over cijferswaaruit blijkt hoeveel importeurs uitsluitend afhankelijk zijn vanvuurwerkverkoop en hoeveel detailhandelaren daarnaast géén ofjuist wél substantiële andere inkomstenbronnen hebben? Kan zijdeze cijfers met de Kamer delen?De effecten van het landelijk vuurwerkverbod voor de vuurwerkbranchezijn in beeld gebracht door een onafhankelijk expert. Deze expert heefthiervoor informatie opgevraagd zowel bij de importeurs als bij dedetailhandelaren. Hierbij is gekeken naar andere inkomstenbronnen. Deresultaten van zijn analyses zijn opgenomen in het deskundigenrapportdat als bijlage is meegezonden met de Kamerbrief van 8 mei jl.1247.12Kamerstuk 35 386, nr. 42, bijlage «Analyse van financiële effecten van een landelijk vuurwerk-verbod» (Sman Business Value, 20 oktober 2025).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4322 De leden van de BBB-fractie lezen dat bij het opstellen van deregeling geen rekening is gehouden met toekomstige verkoopmo-gelijkheden via verenigingen en stichtingen. Tegelijkertijd wijstde Staatssecretaris wel op deze mogelijkheid. Deze leden vragenhoe realistisch deze mogelijkheid daadwerkelijk is, gelet op degrote beleidsvrijheid van burgemeesters en signalen dat veelgemeenten zeer terughoudend zullen omgaan met vergunningver-lening. Is de Staatssecretaris bereid te erkennen dat deze marktin de praktijk mogelijk zeer beperkt zal blijken?Of van de ontheffingsmogelijkheid in de Wet veilige jaarwisseling niet ofnauwelijks gebruik zal worden gemaakt, is nog niet te zeggen. In hetOntwerpbesluit is ruimte gelaten voor een lokale invulling van deontheffingsmogelijkheid. Hiermee heeft de burgemeester de ruimte omhet gesprek met zijn inwoners te voeren over de ontheffingsmogelijkheiden de wijze waarop hier door de gemeente invulling aan wordt gegeven.48.De leden van de BBB-fractie vragen daarnaast waarom nog steedsgeen duidelijkheid bestaat over de fiscale behandeling van decompensatiebedragen. Klopt het dat hierover nog geen definitiefstandpunt is ingenomen? Erkent de Staatssecretaris dat dezeonzekerheid grote gevolgen heeft voor de netto compensatie dieondernemers uiteindelijk daadwerkelijk overhouden?Mede op verzoek van de vuurwerkbranche is in het deskundigenrapportde jaarlijkse winst in beeld gebracht op basis van EBITDA. Dit betekent dewinst voor aftrek van rentekosten, belastingen, afschrijving en boekingen.De winstderving wordt, op basis van het deskundigenrapport, dusberekend op basis van de EBITDA. Dit betekent dat hier winst-/inkomstenbelasting over moet worden afgedragen.Ondernemers zullen de ontvangen nadeelcompensatie moeten opgevenbij de Belastingdienst. Afhankelijk van de individuele situatie van elkeondernemer zal de netto compensatie, afhankelijk van de beoordelingdoor de Belastingdienst, lager uitvallen. Dat is evenwel niet een gevolgvan de wijze van compensatie, maar een gevolg van hun overige fiscaleomstandigheden.49.De leden van de BBB-fractie hebben ook over de procedurelestappen vragen. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom hetkabinet van mening is dat aan de derde voorwaarde uit hetamendement Michon-Derkzen is voldaan, terwijl de daadwerke-lijke beleidsregel en concrete schade-uitwerking nog niet gereedzijn?Nadeelcompensatie is een recht voor ondernemers die aan de relevantevoorwaarden voldoen. De uitgangspuntenbrief van 8 mei jl.13 bevat dekaders voor het uitwerken van de nadeelcompensatie voor zowel deimporteurs als de detailhandelaren. Uitwerking van het convenant en metname de beleidsregel heeft vooral betrekking op passende invulling en degoede uitvoerbaarheid. Het is niet noodzakelijk dat de nadeelcompensatie-regeling voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet definitief isvastgesteld. Nadeelcompensatie is een recht waar ondernemers die aande voorwaarden voldoen aanspraak op kunnen maken.50.Acht de Staatssecretaris het wenselijk dat beide Kamers feitelijkmoeten oordelen over de inwerkingtreding van het vuurwerk-13Kamerstuk 35 386, nr. 42.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4323 verbod, terwijl ondernemers nog steeds geen volledige duide-lijkheid hebben over de daadwerkelijke omvang van hun compen-satie?Ja. Zoals bij vraag 50 reeds is benoemd, is nadeelcompensatie een rechtvoor ondernemers die aan de relevante voorwaarden voldoen. Op basisvan de uitgangspuntenbrief van 8 mei jl.14 is het voor de ondernemersmogelijk om een inschatting te maken van de omvang van huncompensatie.51.De leden van de BBB-fractie willen de Staatssecretaris nadruk-kelijk wijzen op de parallellen met de eerdere nadeelcompensatie-regeling voor pelsdierhouders. Ook in dat dossier werd door deoverheid gesteld dat de regeling ruim binnen de juridische kadersvan het nadeelcompensatierecht bleef en dat rekening wasgehouden met normaal ondernemersrisico. Uiteindelijk heeft hetCollege van Beroep voor het bedrijfsleven echter geoordeeld datdaarbij onterechte kortingen waren toegepast en dat onder-nemers dus te weinig compensatie hadden ontvangen. Deze ledenmaken zich zorgen dat opnieuw een situatie ontstaat waarin deoverheid zich beroept op juridische voorzichtigheid, voorzien-baarheid en normaal ondernemersrisico, terwijl pas jaren later viaprocedures blijkt dat ondernemers structureel tekort zijn gedaan.Hoe reflecteert de Staatssecretaris inhoudelijk op deze verge-lijking? Welke lessen zijn volgens haar geleerd uit het dossier vande pelsdierhouders bij het vormgeven van de huidige nadeelcom-pensatieregeling voor vuurwerkondernemers?In het kader van de totstandkoming van de hooflijnen voor een nadeel-compensatieregeling is ook gekeken naar de nadeelcompensatieregelingvoor pelsdierhouders en de jurisprudentie daarover. Bij de Wet verbodpelsdierhouderij uit 2013 was een – voldoende lange – overgangstermijnvan 11 jaar gegeven. Die termijn was vooral ook ingegeven doordat kortvoor het verbod de betreffende ondernemers nog van overheidswegewaren verplicht om te investeren in hun bedrijfsgebouwen.Uiteindelijk is genoemde overgangsperiode vanwege de Corona-pandemie met drie jaar ingekort. Vanwege deze inkorting van deaanvankelijk geboden overgangstermijn is alsnog een nadeelcompensa-tieregeling vastgesteld. Een aantal bedrijven heeft beroep aangetekendtegen de op basis van deze regeling toegekende nadeelcompensatie,onder ander omdat zij het niet eens waren met een aftrek van 15%vanwege het normaal maatschappelijk risico.In de uitspraken van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb)waarop de leden van de BBB-fractie doelen, ging het voornamelijk om dieaftrek van 15% vanwege het normaal maatschappelijk risico. Het CBbvond deze aftrek niet aanvaardbaar omdat de vervroegde beëindiging vande overgangsrechtelijke bescherming van de pelsdierhouderij nietvoorzienbaar was. De aanleiding daarvoor was immers gelegen in deCorona-pandemie die dermate uitzonderlijk was dat het optreden daarvanniet in de sfeer van het normaal maatschappelijk risico ligt. Een dergelijkesituatie doet zich thans niet voor. Er is bij de vaststelling van de Wetveilige jaarwisseling van meet af aan besloten tot een nadeelcompensatie-regeling voor de getroffen vuurwerkbedrijven, juist omdat hen niet eenvoldoende lange overgangstermijn wordt geboden om zich op de nieuwesituatie in te stellen.52.14Kamerstuk 35 386, nr. 42.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4324 De leden van de BBB-fractie maken zich dus grote zorgen overhet risico dat opnieuw een langdurig juridisch traject ontstaatwaarin ondernemers pas via de rechter een hogere compensatiemoeten afdwingen. Hoe beoordeelt de Staatssecretaris het risicodat ondernemers uiteindelijk via procedures alsnog hogerevergoedingen zullen verkrijgen, vergelijkbaar met eerderenadeelcompensatiedossiers? Acht de Staatssecretaris het, medegelet op de ervaringen bij de pelsdierhouders, niet juist van grootbelang om nu uiterst zorgvuldig en ruimhartig te handelen omlangdurige juridische trajecten en noodzakelijk herstel achterafte voorkomen?Het is natuurlijk altijd beter om juridische trajecten te voorkomen. Zoals inde beantwoording van de vragen van de leden van de VVD-fractieuitgebreider is toegelicht, is aan de nadeelcompensatieregeling zoals nuvoorgesteld een lang en zorgvuldig traject voorafgegaan met betrok-kenheid van getroffen vuurwerkondernemers, een onafhankelijk financieeldeskundigenadvies en een juridisch advies opgesteld door de landsad-vocaat over de vormgeving van een nadeelcompensatieregeling. Het isjuist dat met de detailhandelaren geen overeenstemming is bereikt overde hoofdlijnen van een dergelijke regeling en dat dat zou kunnen leidentot juridische procedures. Dat is ook hun goed recht. Er is alles aangedaan om via deze zorgvuldige procedure in afstemming met devuurwerkbranche te komen tot een eerlijke en nette nadeelcompensatiere-geling die de rechtelijke toets zal kunnen doorstaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 35 386, nr. 4325

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 3d034bc424f84a14

14 okt 2026 · 92ad21687a90d2a6

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.