KamerkringInloggen
Kamerstuk

Voorstel van wet

18 jun 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 128fdd14163ed2d3 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 576Regels omtrent productie, transport en leveringvan warmte (Wet collectieve warmte)Nr. 2 VOORSTEL VAN WET Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden,Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het stellen van regelsnoodzakelijk is in het belang van een betrouwbare, betaalbare enbroeikasgassen-vrije warmtevoorziening;Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van Stategehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedge-vonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:HOOFDSTUK 1. ALGEMENE BEPALINGEN Artikel 1.1 begripsbepalingen In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:– aandeel: aandeel als bedoeld in:a. artikel 5:33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet op het financieeltoezicht, in geval van een beursgenoteerde onderneming;b. artikel 82, eerste lid, van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in gevalvan een naamloze vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerdeonderneming als bedoeld in onderdeel a;c. artikel 175 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek in geval van eenbesloten vennootschap, niet zijnde een beursgenoteerde onderneming alsbedoeld in onderdeel a;– aangewezen warmtebedrijf: warmtebedrijf dat op grond vanartikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, of 12.2, eerste, tweede, derde, ofvierde lid, is aangewezen door het college;– aansluitingsverantwoordelijke: degene op wie de verantwoorde-lijkheid, bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, rust;– aanwijzing: aanwijzing als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, 2.7, eerstelid, of 12.2, eerste, tweede, derde of vierde lid;– aanwijzing van een warmtetransportbeheerder: aanwijzing alsbedoeld in artikel 5.1, eerste lid; kst-36576-2ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 21 – afleverset voor warmte: individuele of collectieve afleverset voorwarmte met uitzondering van een bij algemene maatregel van bestuuraangewezen installatie;– Autoriteit Consument en Markt: Autoriteit Consument en Markt,genoemd in artikel 2, eerste lid, van de Instellingswet AutoriteitConsument en Markt;– betrouwbare levering van warmte: voorkomen van een onderbrekingvan de levering van warmte en zo snel mogelijk beëindigen van eenonderbreking indien deze zich toch voordoet;– bindende gedragslijn: enkele last tot het verrichten van bepaaldehandelingen als bedoeld in artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wetbestuursrecht ter bevordering van de naleving van wettelijk voorschriftenen die niet wegens een overtreding wordt opgelegd;– binneninstallatie: leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijngelegen in een onroerende zaak als bedoeld in artikel 16, onderdelen a enc tot en met e, van de Wet waardering onroerende zaken en zijn bestemdvoor de toe- en afvoer van warmte ten behoeve van die onroerende zaak,met uitzondering van de afleverset voor warmte, apparatuur die gelet opde door het warmtebedrijf te specificeren kenmerken van de binneninstal-latie daar geen deel van uitmaakt, de warmtemeter, of leidingen,installaties en hulpmiddelen die strekken tot levering van warmte naareen andere onroerende zaak. De binneninstallatie aan de zijde van hetwarmtenet of het inpandig leidingstelsel is begrensd door:a. de hoofdafsluiter waar de individuele afleverset voor warmtegekoppeld is aan het warmtenet of het inpandig leidingstelsel, ofb. een in een overeenkomst over de levering van warmte overeenge-komen fysiek aanwijsbaar punt indien er geen hoofdafsluiter aanwezig is;– broeikasgas: broeikasgas als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van deWet milieubeheer;– centrale leveringsaansluiting: één of meer leidingen bestemd voor hettransport van warmte gelegen tussen het warmtenet en het inpandigleidingstelsel, waarbij de centrale leveringsaansluiting:a. aan de zijde van het inpandig leidingstelsel is begrensd door:1°. de hoofdafsluiters waaraan de collectieve afleverset voor warmte ofhet inpandig leidingstelsel gekoppeld is, of2°. indien er geen hoofdafsluiters aanwezig zijn, een in de overeen-komst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaarpunt, enb. aan de zijde van het warmtenet is begrensd door:1°. de aftakking van het warmtenet, waarna de leidingen en daaraanverbonden hulpmiddelen bestemd zijn voor het transport van warmtenaar het inpandig leidingstelsel, of2°. indien er geen aftakking aanwezig is, een in de overeenkomst overde levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt;– collectieve afleverset voor warmte: afleverset voor warmte waarmeeten behoeve van de levering van warmte energieoverdracht plaatsvindttussen een warmtenet en een inpandig leidingstelsel;– collectief warmtesysteem: systeem waarbij een of meer warmte-bronnen door middel van een warmtenet ontsloten worden voor delevering van warmte;– collectieve warmtevoorziening: collectief warmtesysteem of geheelvan collectieve warmtesystemen;– college: college van burgemeester en wethouders;– doorlevering van warmte: levering van warmte door:a. een verhuurder die een overeenkomst over de levering van warmteheeft gesloten met een warmtebedrijf waarbij de van het warmtebedrijfafgenomen warmte door de verhuurder wordt geleverd aan zijn huurder,ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 22 b. een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm die een overeenkomst over de levering van warmte heeftgesloten met een warmtebedrijf waarbij de van het warmtebedrijfafgenomen warmte door de vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm wordt geleverd aan haar leden;– duurzaamheid: vermindering van de uitstoot van broeikasgassenovereenkomstig het bepaalde bij of krachtens artikel 2.20, eerste lid;– duurzame warmtebron: hernieuwbare bron, warmtebron waarrestwarmte vrijkomt of collectieve warmtepomp;– economische eigendom: samenstel van rechten en verplichtingen metbetrekking tot een onroerende zaak dat een belang bij die zaak vertegen-woordigt, met uitzondering van het recht op levering. Het belang omvatten minste enig risico van waardeverandering en komt toe aan een anderdan de juridische eigenaar;– ernstige storing: a. storing die langer duurt dan een bij of krachtens algemene maatregelvan bestuur te bepalen duur;b. meerdere opeenvolgende storingen samengenomen die langer durendan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen duuren tijdsperiode;– gebouw: gebouw als bedoeld in bijlage I bij artikel 1.1 van het Besluitbouwwerken leefomgeving;– gebouweigenaar: a. eigenaar van een gebouw;b. de eigenaren verenigd in een vereniging van eigenaars of eendaarmee vergelijkbare rechtsvorm in het geval van gedeeld eigendom vaneen gebouw;– grootverbruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die warmteafneemt van een collectieve warmtevoorziening of een klein collectiefwarmtesysteem en een individuele leveringsaansluiting heeft van meerdan 100 kilowatt of een centrale leveringsaansluiting heeft met uitzon-dering van de levering van warmte voor industriële processen ofproductieprocessen of de levering van warmte die niet hoofdzakelijkgeleverd wordt ten behoeve van ruimteverwarming en warm tapwater;– hernieuwbare bron: hernieuwbare niet-fossiele bron waarmeehernieuwbare energie als bedoeld in artikel 2 van de richtlijn2018/2001/EU van het Europees Parlement en de Raad van 11 december2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbarebronnen (PbEU 2018, L 328) kan worden opgewekt;– individuele leveringsaansluiting: één of meer leidingen en daarmeeverbonden hulpmiddelen bestemd voor het transport van warmte tusseneen binneninstallatie en een warmtenet of een inpandig leidingstelsel,waarbij de individuele leveringsaansluiting:a. aan de zijde van de binneninstallatie is begrensd door:1°. de hoofdafsluiters waaraan de individuele afleverset voor warmte ofde binneninstallatie gekoppeld is, of2°. indien er geen hoofdafsluiters aanwezig zijn, een in de overeen-komst over de levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaarpunt, enb. aan de zijde van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel isbegrensd door:1°. de aftakking van het warmtenet of het inpandig leidingstelsel,waarna de leidingen en daaraan verbonden hulpmiddelen bestemd zijnvoor de levering van warmte, of2°. indien er geen aftakking aanwezig is, een in de overeenkomst overde levering van warmte overeen te komen fysiek aanwijsbaar punt;– individuele afleverset voor warmte: afleverset voor warmte waarmeeten behoeve van levering van warmte energieoverdracht plaatsvindttussen een warmtenet of een inpandig leidingstelsel en een binneninstal-latie;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 23 – inpandig leidingstelsel: één of meer van een gebouw deel uitmakendeleidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen ten behoeve vantransport van warmte tussen een centrale leveringsaansluiting van eengebouw en de individuele leveringsaansluiting van een onroerende zaakals bedoeld in artikel 16, onderdeel c, van de Wet waardering onroerendezaken;– klein collectief warmtesysteem: collectief warmtesysteem waarmeewarmte wordt geleverd aan maximaal 1500:a. verbruikers;b. huurders met elk een individuele leveringsaansluiting van maximaal100 kilowatt die warmte geleverd krijgen van hun verhuurder waarbijsprake is van de doorlevering van warmte;c. leden van een vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm met elk een individuele leveringsaansluiting van maximaal100 kilowatt die warmte geleverd krijgen van hun vereniging vaneigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm waarbij sprake is vandoorlevering van warmte;– kleinverbruiker: natuurlijk persoon of rechtspersoon die warmteafneemt van een collectieve warmtevoorziening of klein collectiefwarmtesysteem en een individuele leveringsaansluiting heeft vanmaximaal 100 kilowatt met uitzondering van een persoon die warmteafneemt van:a. zijn verhuurder;b. de vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbarerechtsvorm waarbij deze persoon is aangesloten;– kooldioxide-equivalent: hoeveelheid kooldioxide of hoeveelheid vaneen ander broeikasgas met een gelijkwaardig aardopwarmingsvermogenals kooldioxide;– koude: thermische energie die ten behoeve van ruimtekoeling wordtgeleverd door middel van het transport van water of een andere vloeistof;– leveringsaansluiting: individuele of centrale leveringsaansluiting;– leveringszekerheid: leveringszekerheid als bedoeld in artikel 2.17,tweede lid;– leveringsovereenkomst: overeenkomst als bedoeld in artikel 2.30,eerste lid;– omgevingsplan: omgevingsplan als bedoeld in artikel 2.4 van deOmgevingswet;– Onze Minister: Onze Minister voor Klimaat en Energie;– producent: onderneming die zich bezighoudt met de productie vanwarmte, met uitzondering van een producent van restwarmte;– producent van restwarmte: onderneming die in zijn bedrijfsvoeringrestwarmte genereert;– representatieve organisatie: rechtspersoon die de belangen vertegen-woordigt van producenten, producenten van restwarmte, warmtebe-drijven of verbruikers in de warmtesector;– restwarmte: thermische energie die als onvermijdelijk bijproduct inindustriële of bedrijfsmatige processen overblijft en die zonder verbindingmet een warmtenet ongebruikt terecht zou komen in lucht of water;– storing: onderbreking van de levering van warmte of levering vanwarmte onder de minimumtemperatuur van de te leveren warmte,bedoeld in artikel 2.24, eerste lid, onderdeel a, onder 1, met uitzonderingvan een onderbreking door werkzaamheden als bedoeld in artikel 2.18,tweede lid;– tariefvoorstel: onderbouwd voorstel van tarieven van goederen ofdiensten die worden aangeboden ten behoeve van het transport en delevering van warmte door een aangewezen warmtebedrijf;– transporttariefvoorstel: onderbouwd voorstel van tarieven envoorwaarden van de goederen of diensten die worden aangeboden tenbehoeve van het transport van warmte door een warmtetransportbe-heerder;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 24 – verbruiker: kleinverbruiker en grootverbruiker;– verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek: warmtekostenverdeelsystematiek ten behoeve van het vaststellen van hetaandeel in de totaal gemeten warmte die niet is gebaseerd op het verbruikvan de afzonderlijke verbruiker;– verhuurder: eigenaar van een voor verhuur bestemde verblijfsruimtein Nederland;– warmte: thermische energie die ten behoeve van ruimteverwarmingof verwarming van tapwater wordt geleverd door middel van hettransport van water of een andere vloeistof;– warmtebedrijf: onderneming of warmtegemeenschap die zich bezighoudt of voornemens is zich bezig te houden met het transport en delevering van warmte en de productie of inkoop van warmte ten behoevedaarvan;– warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang: warmtebedrijfals bedoeld in artikel 2.2, eerste lid, onderdelen a of b;– warmtebron: installatie waar thermische energie vrijkomt ofthermische energie vrijgemaakt wordt;– warmtegemeenschap: rechtspersoon of personenvennootschap die:a. ten behoeve van haar leden, vennoten of aandeelhouders actief is alswarmtebedrijf;b. als hoofddoel heeft het bieden van milieuvoordelen of economischeof sociale voordelen aan haar leden, vennoten of aandeelhouders of aande plaatselijke gebieden waar ze werkzaam is;c. niet is gericht op het maken van winst, end. gebruik maakt van duurzame warmtebronnen als belangrijkstewarmtebron;– warmte joint-venture: rechtspersoon of personenvennootschap vantwee of meer partijen die gezamenlijk deze rechtspersoon of personen-vennootschap hebben opgericht om als warmtebedrijf actief te zijn;– warmtekavel: aaneengesloten gebied binnen een of meerderegemeenten waarvoor op grond van artikel 2.5, eerste lid, of 2.7, eerste lid,een warmtebedrijf is of kan worden aangewezen;– warmtekostenverdeler: meetsysteem dat het warmteverbruik van elkeradiator meet ten behoeve van het vaststellen van het aandeel in de totaalgemeten warmte;– warmteleveringsbedrijf: onderneming die zich bezig houdt ofvoornemens is zich bezig te houden met de levering van warmte en deproductie of inkoop van warmte ten behoeve daarvan;– warmtemeter: warmtemeter als bedoeld in bijlage III van richtlijn2014/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014,betreffende de harmonisatie van de wetgevingen van de lidstaten inzakehet op de markt aanbieden van meetinstrumenten (herschikking) (PbEU2014, L 96) die het warmteverbruik weergeeft;– warmtenet: geheel van tot elkaar behorende met elkaar verbondenleidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelen ten behoevevan het transport van warmte van en naar een verbruiker of het transportvan warmte van en naar een gebouw of werk van een producent of eenproducent van restwarmte, met uitzondering van:a. de leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in eeninpandig leidingstelsel;b. een binneninstallatie;c. de leidingen, installaties en hulpmiddelen die zijn gelegen in eengebouw of werk van een producent of een producent van restwarmte ofop het perceel waarop de productie-installatie is gelegen;d. een warmtetransportnet;– warmtenetbedrijf: onderneming die zich bezig houdt of voornemens iszich bezig te houden met het beheer, aanleg of onderhoud van eenwarmtenet en het transport van warmte over een warmtenet of eenonderdeel daarvan;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 25 – warmtetransportaansluiting: deel van een warmtetransportnet datbestaat uit één of meer leidingen en daarmee verbonden hulpmiddelen,tussen een warmtetransportnet en een onroerende zaak als bedoeld inartikel 16, onderdelen a tot en met e, van de Wet waardering onroerendezaken;– warmtetransportnet: geheel van tot elkaar behorende en met elkaarverbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmiddelenten behoeve van het voor de regionale warmtevoorziening van belangzijnde transport van warmte van de warmtetransportaansluitingen vanwarmtebronnen naar:a. de warmtetransportaansluitingen van afnemers van warmte van eenwarmtetransportnet;b. de warmtetransportaansluitingen van collectieve warmtevoorzie-ningen;– warmtetransportbeheerder: onderneming die op grond van artikel 5.1,eerste lid, is aangewezen;– zeggenschap: zeggenschap als bedoeld in artikel 26 van de Mededin-gingswet;– zelfstandige last: last tot het verrichten van bepaalde handelingen alsbedoeld in artikel 5:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht.Artikel 1.2 verbod op transport of levering van warmte 1. Het is verboden zonder aanwijzing van een warmtebedrijf warmte tetransporteren en te leveren of zonder aanwijzing van een warmtetrans-portbeheerder warmte te transporteren met uitzondering van:a. het transport en de levering van warmte voor industriële processen ofproductieprocessen;b. het transport van warmte door middel van leidingen, bijbehorendeinstallaties en overige hulpmiddelen die zijn gelegen in een gebouw ofwerk van een producent of een producent van restwarmte of op hetperceel waarop de productie-installatie is gelegen;c. het transport en de levering van warmte door een warmtebedrijf doormiddel van één collectief warmtesysteem aan ten hoogste 10 kleinver-bruikers gezamenlijk;d. het transport en de levering van warmte aan ten hoogste 10 natuur-lijke personen of rechtspersonen met elk een individuele leveringsaan-sluiting van maximaal 100 kilowatt die gezamenlijk warmte afnemen vanhun verhuurder of de vereniging van eigenaars of een daarmee verge-lijkbare rechtsvorm waarbij deze personen zijn aangesloten;e. het transport en de doorlevering van warmte door een verhuurderaan zijn huurder;f. het transport en de doorlevering van warmte door een vereniging vaneigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm aan haar leden.2. De artikelen 2.36 en 2.40 tot en met 2.42 zijn van overeenkomstigetoepassing op:a. het transport en de levering van warmte aan de kleinverbruikers,bedoeld in het eerste lid, onderdeel c, en de natuurlijke en rechtsper-sonen, bedoeld in het eerste lid, onderdeel d;b. het transport en de doorlevering van warmte aan de huurder,bedoeld in het eerste lid, onderdeel e, en de leden van een vereniging vaneigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm, bedoeld in het eerstelid, onderdeel f.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 26 HOOFDSTUK 2. COLLECTIEVE WARMTEVOORZIENINGEN § 2.1. Warmtekavel Artikel 2.1 vaststelling warmtekavel 1. Het college kan een warmtekavel vaststellen waarvan:a. de omvang zodanig is dat een warmtebedrijf binnen de warmtekaveleen collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze kanaanleggen en exploiteren;b. de omvang zodanig is dat de leveringszekerheid binnen de warmte-kavel naar verwachting voldoende kan worden verzekerd.2. Het college betrekt bij het vaststellen van een warmtekavel invoorkomend geval:a. de beschikbaarheid en inzet van een warmtebron of een potentiëlewarmtebron in een nabij gelegen gemeente;b. de voornemens in een nabij gelegen gemeente te kiezen voor delevering van warmte aan verbruikers door een collectieve warmtevoor-ziening.3. Indien een warmtekavel betrekking heeft op het grondgebied vanmeerdere gemeenten of in een warmtekavel zich een warmtebron bevindtdie meerdere gemeenten van warmte kan voorzien, zendt het college hetontwerp van de vaststelling van een warmtekavel aan gedeputeerdestaten van de provincie of provincies op wiens grondgebied de warmte-kavel ligt.4. Gedeputeerde staten, bedoeld in het derde lid, kunnen binnen achtweken hun zienswijze over het ontwerp van de vaststelling van eenwarmtekavel kenbaar maken indien zij van oordeel zijn dat niet voldaan isaan het eerste of tweede lid. Het college stelt de warmtekavel vast enverantwoordt daarbij op welke wijze de zienswijze van gedeputeerdestaten al dan niet heeft geleid tot aanpassing van de warmtekavel.5. Van de vaststelling van de warmtekavel doet het college mededelingin de Staatscourant en op een andere geschikte wijze. Het college zendt devaststelling van de warmtekavel toe aan gedeputeerde staten van deprovincie op wiens grondgebied de warmtekavel ligt.6. Het college kan een warmtekavel wijzigen. Het eerste tot en met vijfdelid en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing.7. Indien het college een warmtekavel van een aangewezen warmtebe-drijf wijzigt, wijzigt het college de aanwijzing van dit warmtebedrijf met inachtneming van artikel 2.8.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de gronden, bedoeld in het eerste en tweede lid;b. de mededeling, bedoeld in het vijfde lid.§ 2.2 Aanwijzing van een warmtebedrijf § 2.2.1. Aanwijzing van een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap Artikel 2.2 aanvraag 1. Een aanvraag om aangewezen te worden op grond van artikel 2.5,eerste lid, kan uitsluitend worden ingediend door:a. een warmtebedrijf waarvan meer dan 50% van de aandelen direct ofindirect berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeenteof ander openbaar lichaam;b. een warmtebedrijf dat een warmte joint-venture is van een warmte-netbedrijf en een warmteleveringsbedrijf waarbij:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 27 1°. meer dan 50% van de aandelen van het warmtenetbedrijf direct ofindirect berusten bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeenteof ander openbaar lichaam, en2°. het warmtenetbedrijf meer dan 50% van de aandelen of doorslagge-vende zeggenschap in de warmte joint-venture heeft;c. een warmtegemeenschap.2. Een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of eenwarmtegemeenschap kan uitsluitend aangewezen worden op grond vanartikel 2.5, eerste lid, indien het warmtebedrijf of de warmtegemeenschapbinnen de termijn, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid, onderdeel a, hetvoornemen kenbaar heeft gemaakt een aanvraag om aangewezen teworden in te dienen.3. Onder indirect berusten wordt verstaan dat de aandelen in eenwarmtebedrijf berusten bij één of meer rechtspersonen waarvan alleaandelen worden gehouden door de Staat der Nederlanden, eenprovincie, gemeente of ander openbaar lichaam of bij een rechtspersoondie een volledige dochtermaatschappij is van één of meer rechtspersonenwaarvan alle aandelen worden gehouden door de Staat der Nederlanden,een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam.Artikel 2.3 voorwaarden aan een warmtebedrijf publiek meerder-heidsbelang en warmtegemeenschap 1. Een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang treft geenstatutaire afspraken en de aandeelhouders in een warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelang maken geen contractuele afspraken dieervoor zorgen dat degene die direct of indirect meer dan 50% van deaandelen houdt of doorslaggevende zeggenschap in een aangewezenwarmtebedrijf heeft, feitelijk geen doorslaggevende zeggenschap over hetwarmtebedrijf heeft.2. In afwijking van het eerste lid kan een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang statutaire of contractuele afspraken treffen tenaanzien van de volgende beslissingen van het aangewezen warmtebedrijfteneinde de aandeelhouders met een minderheidsbelang te beschermen:a. de uitgifte van aandelen van het aangewezen warmtebedrijf;b. het aangaan of verbreken van een duurzame samenwerking van hetaangewezen warmtebedrijf indien die samenwerking van ingrijpendebetekenis is voor het aangewezen warmtebedrijf;c. de oprichting van nieuwe vennootschappen en dochtervennoot-schappen van het aangewezen warmtebedrijf;d. de splitsing, omzetting, fusering en ontbinding van het aangewezenwarmtebedrijf;e. de overdracht van het gehele of vrijwel het gehele vermogen van hetaangewezen warmtebedrijf;f. de wijziging van de statuten van het aangewezen warmtebedrijf;g. het doen van investeringen en de verstrekking van leningen ofzekerheden ter waarde van ten minste een derde van de waarde van deactiva volgens de balans van het aangewezen warmtebedrijf;h. de benoeming, de schorsing en het ontslag van bestuurders encommissarissen van het aangewezen warmtebedrijf.3. Een warmtegemeenschap borgt in haar statuten, of, in geval van eenpersonenvennootschap in een overeenkomst, ten minste dat:a. de leden, vennoten of aandeelhouders uitsluitend natuurlijkepersonen, micro-ondernemingen, kleine ondernemingen, middelgroteondernemingen of lokale openbare lichamen zijn;b. de participatie in de warmtegemeenschap open en vrijwillig is;c. de leden, vennoten, of aandeelhouders het recht hebben de warmte-gemeenschap te verlaten;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 28 d. de feitelijke zeggenschap over de warmtegemeenschap is gelegen bijde leden, vennoten of aandeelhouders van de rechtspersoon die in denabije omgeving van de collectieve warmtevoorziening, die in eigendomis van en ontwikkeld is door de warmtegemeenschap, zijn gevestigd.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de statutaire of contractuele afspraken, bedoeld in het eerste lid, ende beslissingen in het tweede lid;b. de wijze waarop een warmtegemeenschap het derde lid, onderdeel d,borgt.Artikel 2.4 inventarisatie voornemen warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap 1. Indien het college een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of een warmtegemeenschap de gelegenheid wil geven eenaanvraag in te dienen om aangewezen te worden op grond van artikel 2.5,eerste lid, doet het college mededeling in de Staatscourant en op eenandere geschikte wijze van:a. de bij ministeriële regeling te bepalen termijn waarbinnen hetwarmtebedrijf of de warmtegemeenschap het voornemen kenbaar kanmaken een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, in te dienen;b. de door het college te bepalen termijn na de datum van demededeling waarbinnen het warmtebedrijf met een publiek meerder-heidsbelang of een warmtegemeenschap een aanvraag als bedoeld inartikel 2.5, eerste lid, kan indienen.2. Het college kan opnieuw een mededeling als bedoeld in het eerste liddoen indien:a. naar aanleiding van de mededeling een warmtebedrijf met eenpubliek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap binnen de termijn,bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, geen voornemen als bedoeld in heteerste lid kenbaar heeft gemaakt;b. een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmte-gemeenschap niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid,onderdeel b, een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, heeftingediend, ofc. een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van een warmtebe-drijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap isafgewezen.Artikel 2.5 aanwijzingsprocedure warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of warmtegemeenschap 1. Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of een warmtegemeenschap voor minimaal 20 enmaximaal 30 jaar een warmtebedrijf met een publiek meerderheids-aandeel of warmtegemeenschap aanwijzen dat de exclusievebevoegdheid heeft binnen een warmtekavel de taken, bedoeld inartikel 2.12, uit te voeren.2. De exclusieve bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, heeft geenbetrekking op:a. het gebied waar het transport en levering van warmte als bedoeld inartikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met f, plaats vindt;b. het gebied waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid,betrekking heeft;c. het gebied waarop de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.3, zesde lid,betrekking heeft;d. het gebied waar de levering van warmte en het transport vanwarmte, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, en artikel 4.3, derde lid, plaatsvindt;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 29 e. het gebied waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid,betrekking heeft.3. Alvorens een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang ofwarmtegemeenschap een aanvraag om aangewezen te worden op grondvan het eerste lid indient, dient het warmtebedrijf of de warmtegemeen-schap een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin deAutoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen ofhet warmtebedrijf of de warmtegemeenschap:a. voldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 2.12, voor de desbetreffende warmtekavel;b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.12, voorde desbetreffende warmtekavel uit te voeren.4. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in hetderde lid, voorschriften en beperkingen verbinden.5. Bij een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerstelid overlegt het warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of dewarmtegemeenschap in ieder geval:a. het besluit, bedoeld in het derde lid, waarin de Autoriteit Consumenten Markt heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf of warmtegemeenschapvoldoet aan de gronden genoemd in het derde lid, onderdelen a en b;b. een globaal kavelplan waarin een beschrijving op hoofdlijnen isgegeven van de onderdelen van een uitgewerkt kavelplan opgenomen inartikel 2.15, tweede lid.6. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag als bedoeldin het eerste lid, indien:a. het aannemelijk is dat de in het globaal kavelplan beschrevengevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging vaneigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullenafnemen van de collectieve warmtevoorziening, redelijkerwijs nietuitvoerbaar zijn;b. het aannemelijk is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijfmet een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap redelij-kerwijs niet uitvoerbaar is.7. Het college beoordeelt een aanvraag op volgorde van ontvangst.8. Het college kan voorschriften en beperkingen aan een aanwijzingverbinden.9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag om aangewezen te worden op grondvan het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een aanwijzingte verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen hetcollege het besluit tot aanwijzing neemt;b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derdelid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekkengegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de AutoriteitConsument en Markt het besluit neemt;c. de gronden, genoemd in het derde lid;d. het globaal kavelplan;e. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid.10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de voorschriften en beperkingen, bedoeld inhet vierde en zevende lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 210 § 2.2.2. Aanwijzing van een ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijfmet een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap tijdens deingroeiperiode Artikel 2.6 mededeling start aanwijzingsprocedure tijdens deingroeiperiode 1. Het college kan tot zeven jaar na inwerkingtreding van dit artikel ookeen ander warmtebedrijf dan een warmtebedrijf met een publiekmeerderheidsbelang of een warmtegemeenschap de mogelijkheid geveneen aanvraag in te dienen om aangewezen te worden op grond vanartikel 2.7, eerste lid, indien:a. naar aanleiding van de mededeling, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid,een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtege-meenschap binnen de termijn, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid,onderdeel a, geen voornemen kenbaar heeft gemaakt een aanvraag alsbedoeld in artikel 2.5, eerste lid, in te dienen;b. een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmte-gemeenschap niet binnen de termijn, bedoeld in artikel 2.4, eerste lid,onderdeel b, een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, heeftingediend, ofc. een aanvraag als bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, van een warmtebe-drijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeenschap isafgewezen.2. Indien het college gebruik maakt van de bevoegdheid op grond vanhet eerste lid, doet het college mededeling in de Staatscourant en op eenandere geschikte wijze van de mogelijkheid voor een ander warmtebedrijfdan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmte-gemeenschap om binnen een door het college te bepalen termijn eenaanvraag in te dienen om aangewezen te worden op grond van artikel 2.7,eerste lid.3. Bij koninklijk besluit kan de termijn van zeven jaar, bedoeld in heteerste lid, worden verlengd met ten hoogste drie jaar indien uit deevaluatie, bedoeld in artikel 12.1, eerste lid, volgt dat nog onvoldoendewarmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang of warmtege-meenschappen beschikbaar zijn.Artikel 2.7 aanwijzingsprocedure warmtebedrijf tijdens deingroeiperiode 1. Het college kan op aanvraag van een ander warmtebedrijf dan eenwarmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of warmtegemeen-schap voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar een ander warmtebedrijfaanwijzen dat de exclusieve bevoegdheid heeft binnen een warmtekavelde taken, bedoeld in artikel 2.12, uit te voeren.2. De exclusieve bevoegdheid, bedoeld in het eerste lid, heeft geenbetrekking op:a. het gebied waar het transport en levering van warmte als bedoeld inartikel 1.2, eerste lid, onderdelen a tot en met f, plaats vindt;b. het gebied waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid,betrekking heeft;c. het gebied waarop de aanwijzing, bedoeld in artikel 3.3, zesde lid,betrekking heeft;d. het gebied waar de levering van warmte en het transport vanwarmte, bedoeld in artikel 4.1, derde lid, en artikel 4.3, derde lid, plaatsvindt;e. het gebied waarop de ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid,betrekking heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 211 3. Alvorens een warmtebedrijf een aanvraag om aangewezen te wordenop grond van het eerste lid indient, dient het warmtebedrijf een aanvraagin bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consumenten Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of het warmtebedrijf:a. voldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 2.12, voor de desbetreffende warmtekavel;b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.12, voorde desbetreffende warmtekavel uit te voeren.4. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in hetderde lid, voorschriften en beperkingen verbinden.5. Bij een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerstelid overlegt het warmtebedrijf in ieder geval:a. het besluit, bedoeld in het derde lid, waarin de Autoriteit Consumenten Markt heeft vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan de grondengenoemd in het tweede lid, onderdelen a en b;b. een globaal kavelplan waarin een beschrijving op hoofdlijnen isgegeven van de onderdelen van een uitgewerkt kavelplan opgenomen inartikel 2.15, tweede lid.6. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag als bedoeldin het eerste lid, indien:a. het aannemelijk is dat de in het globaal kavelplan beschrevengevolgen voor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging vaneigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullenafnemen van de collectieve warmtevoorziening, redelijkerwijs nietuitvoerbaar zijn;b. het aannemelijk is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijfredelijkerwijs niet uitvoerbaar is.7. Indien er meerdere aanvragen zijn ingediend rangschikt het collegede aanvragen zodanig dat een aanvraag hoger gerangschikt wordtnaarmate:a. aannemelijker is dat de bij of krachtens artikel 2.20, eerste lid,opgenomen normen bereikt zullen worden;b. aannemelijker is dat een doelmatige en kosteneffectieve aanleg enexploitatie van de collectieve warmtevoorziening beter wordt geborgd;c. aannemelijker is dat de leveringszekerheid beter wordt verzekerd;d. aannemelijker is dat het warmtebedrijf de toekomstige verbruikersbeter zal betrekken bij de aanleg, ontwikkeling en exploitatie van decollectieve warmtevoorziening;e. aannemelijker is dat de in het globaal kavelplan beschreven gevolgenvoor toekomstige verbruikers en verhuurders, vereniging van eigenaars ofeen daarmee vergelijkbare rechtsvorm die warmte zullen afnemen van decollectieve warmtevoorziening beter uitvoerbaar zijn;f. aannemelijker is dat het globaal kavelplan voor het warmtebedrijfbeter uitvoerbaar is.8. Het college kan een adviescommissie instellen en advies inwinnenvan deze adviescommissie.9. Het college kan aan de rangschikkingsgronden, bedoeld in hetzevende lid, een weging toekennen waarbij geldt dat elke grond voorminimaal 5% en maximaal 50% meegewogen wordt.10. Het college wijst het warmtebedrijf aan dat het hoogste is gerang-schikt.11. Het college kan voorschriften en beperkingen aan een aanwijzingverbinden.12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag om aangewezen te worden op grondvan het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een aanwijzingte verstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen hetcollege het besluit tot aanwijzing neemt;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 212 b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derdelid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekkengegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de AutoriteitConsument en Markt het besluit neemt;c. de gronden, genoemd in het derde lid;d. het globaal kavelplan;e. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid.13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de rangschikkingsgronden, genoemd in het zevende lid;b. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en elfde lid.§ 2.3. Wijziging, intrekking en overdragen van een aanwijzing Artikel 2.8 wijziging aanwijzing 1. Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigenwaardoor de aanwijzing geldt voor een groter warmtekavel indien:a. de Autoriteit Consument en Markt in het besluit, bedoeld in hettweede lid, heeft vastgesteld dat het aangewezen warmtebedrijf voldoetaan de gronden, genoemd in het tweede lid, onderdelen a en b;b. het aangewezen warmtebedrijf hierdoor structureel nog steeds eenredelijk rendement als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, ofeen voor het aangewezen warmtebedrijf ander acceptabel rendement kanbehalen voor zover dit acceptabel rendement lager is dan het redelijkrendement.2. Alvorens het college een aanwijzing wijzigt op grond van het eerstelid stelt de Autoriteit Consument en Markt op aanvraag van het college bijbesluit vast of het aangewezen warmtebedrijf:a. beschikt over voldoende organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 2.12, voor de desbetreffende vergrote warmtekavel;b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.12, voorde desbetreffende vergrote warmtekavel uit te voeren.3. Het aangewezen warmtebedrijf verstrekt de Autoriteit Consument enMarkt de gegevens en bescheiden die nodig zijn voor het nemen van hetbesluit, bedoeld in het tweede lid.4. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in hettweede lid, voorschriften en beperkingen verbinden.5. Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigenwaardoor de aanwijzing geldt voor een kleiner warmtekavel indien:a. het aangewezen warmtebedrijf hierdoor structureel nog steeds eenredelijk rendement als bedoeld in artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, ofeen voor het aangewezen warmtebedrijf ander acceptabel rendement kanbehalen, voor zover dit acceptabel rendement lager is dan het redelijkrendement;b. het aangewezen warmtebedrijf met de wijziging van de aanwijzingheeft ingestemd.6. Het college kan een aanwijzing uitsluitend ambtshalve wijzigenwaardoor de aanwijzing ook geldt voor een ander warmtekavel indienvoor dit andere warmtekavel hetzelfde warmtebedrijf is aangewezen.7. Indien het college de aanwijzing wijzigt, kan het college de aan deaanwijzing verbonden voorschriften en beperkingen wijzigen waarbij inieder geval geldt dat:a. de duur van de aanwijzing na wijziging op grond van het eerste lidgelijk is aan de duur van de aanwijzing die gewijzigd wordt;b. de duur van de aanwijzing, bedoeld in het zesde lid, als volgt wordtberekend:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 213 1°. allereerst wordt de datum bepaald van de minst recente aansluito-vereenkomst van de laatste 10% van de leveringsaansluitingen ofvoorziene leveringsaansluitingen waarvoor door het aangewezenwarmtebedrijf voor de datum van de wijziging van de aanwijzing eenaansluitovereenkomst is gesloten in het desbetreffende warmtekavel;2°. vervolgens wordt het verschil berekend tussen de datum van dewijziging van de aanwijzing en de datum berekend op grond vanonderdeel 1;3°. de duur van de aanwijzing, bedoeld in de aanhef, bedraagt 30 jaarverminderd met de duur berekend op grond van onderdeel b met eenminimum van 14 jaar.8. Onder een aansluitovereenkomst als bedoeld in het zevende lid,onderdeel b, onder 1, wordt een overeenkomst verstaan die:a. een aangewezen warmtebedrijf een recht en een plicht geeft de in deovereenkomst genoemde gebouwen of delen van gebouwen binnen 5 jaarna wijziging van de aanwijzing op grond van het zesde lid aan te sluitenop een collectieve warmtevoorziening;b. bindende financiële voorwaarden over de kosten van de aansluitingvan deze gebouwen of delen van gebouwen op een collectieve warmte-voorziening bevat, enc. waarin een termijn is bepaald wanneer de levering van warmteaanvangt met enkel onvoorzienbare omstandigheden of van derdenafhankelijke omstandigheden als ontbindende voorwaarde.9. Indien een leveringsaansluiting of een voorziene leveringsaansluitingals bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, onder 1, een centraleleveringsaansluiting is dan wordt elke zelfstandige woning als bedoeld inartikel 234 van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die warmte geleverdkrijgt door middel van die centrale leveringsaansluiting, aangemerkt alséén leveringsaansluiting.10. Het college zendt de wijziging van de aanwijzing aan gedeputeerdestaten van de provincie op wiens grondgebied de warmtekavel ligt.11. Het college kan voorschriften en beperkingen aan de wijziging vaneen aanwijzing, bedoeld in het eerste, vijfde en zesde lid, verbinden.12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in hettweede lid wordt ingediend, de door het aangewezen warmtebedrijf teverstrekken gegevens en bescheiden, bedoeld in het derde lid, en determijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt het besluit neemt;b. de gronden, genoemd in het eerste, tweede, vijfde en zesde lid.13. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde, negende enelfde lid;b. de toepassing van het zevende en negende lid.Artikel 2.9 intrekken aanwijzing 1. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het college melden dateen besluit als bedoeld in artikel 2.13, zevende lid, of 2.20, vierde lid, isgenomen waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dater grond is de aanwijzing in te trekken omdat het aangewezenwarmtebedrijf:a. niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 2.12 uit te voerenmet uitzondering van de taak, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid,onderdeel g;b. in strijd handelt met artikel 2.13, vierde lid;c. vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm, bepaald bij ofkrachtens artikel 2.20, eerste lid, nog steeds meer broeikasgassen uitstootdan deze norm.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 214 2. Het college trekt een aanwijzing in indien:a. het college een melding als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen;b. deze aanwijzing betrekking heeft op een warmtekavel dat op grondvan artikel 2.8, zesde lid, is toegevoegd aan een ander warmtekavel opgrond van het eerste lid.3. Het college kan een aanwijzing intrekken indien het aangewezenwarmtebedrijf:a. de aan de aanwijzing verbonden voorschriften of beperkingen nietnakomt;b. in de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;c. de verplichting op grond van artikel 2.15, eerste lid, niet nakomt;d. hierom verzoekt.4. Het aangewezen warmtebedrijf stelt de Autoriteit Consument enMarkt zo spoedig mogelijk op de hoogte van het verzoek, bedoeld in hetderde lid, onderdeel d.5. De aanwijzing wordt op grond van het tweede lid, onderdeel a, en hetderde lid, niet ingetrokken voordat aan een ander warmtebedrijf eenaanwijzing voor het desbetreffende warmtekavel is verleend.6. Indien binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn geenander warmtebedrijf een aanwijzing heeft verkregen voor het desbetref-fende warmtekavel stelt het college een plan op waarin is beschreven hoede levering van warmte aan verbruikers van het aangewezen warmtebe-drijf kan worden verzekerd.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld met betrekking tot:a. de gronden, genoemd in het tweede en derde lid;b. de procedure en voorwaarden die gelden als een aanwijzing wordtingetrokken.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld met betrekking tot:a. de procedure waarbinnen het college een ander warmtebedrijfaanwijst;b. de inhoud van het plan, bedoeld in het zesde lid, en de termijnwaarbinnen het college het plan moet hebben opgesteld.Artikel 2.10 overdragen aanwijzing 1. Het college kan op aanvraag van een aangewezen warmtebedrijfinstemmen met de overdracht van een aanwijzing aan een anderwarmtebedrijf.2. Een aangewezen warmtebedrijf kan een aanwijzing alleen overdragenaan een warmtebedrijf met een publiek meerderheidsbelang of eenwarmtegemeenschap.3. Het tweede lid is tot zeven jaar na inwerkingtreding van dit artikel nietvan toepassing als er geen warmtebedrijf met een publiek meerderheids-belang of geen warmtegemeenschap bij het college kenbaar heeftgemaakt de aanwijzing over te willen nemen. Artikel 2.6, derde lid, is vanovereenkomstige toepassing.4. Alvorens het aangewezen warmtebedrijf een aanvraag om eeninstemming als bedoeld in het eerste lid indient, dient dit warmtebedrijfeen aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Markt waarin de AutoriteitConsument en Markt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of hetandere warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid:a. voldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 2.12, voor het desbetreffende warmtekavel;b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 2.12, voorhet desbetreffende warmtekavel uit te voeren.5. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit op grond vanhet vierde lid voorschriften en beperkingen verbinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 215 6. Bij een aanvraag om instemming overlegt het aangewezen warmte-bedrijf in ieder geval het besluit, bedoeld in het vierde lid, waarin deAutoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat het andere warmte-bedrijf, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de gronden, genoemd in hetvierde lid, onderdelen a en b.7. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag ominstemming indien:a. niet voldaan is aan het tweede lid onverminderd het bepaalde in hetderde lid;b. het andere warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid, niet heeftingestemd met de overdracht.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag om instemming wordt ingediend, de bijde aanvraag om instemming te verstrekken gegevens en bescheiden ende termijn waarbinnen het college een besluit neemt;b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het vierdelid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekkengegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de AutoriteitConsument en Markt een besluit neemtc. de gronden, genoemd in het vierde lid.9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vijfde lid;b. de afwijzingsgronden, genoemd in het zevende lid.Artikel 2.11 toezending aan de Autoriteit Consument en Markt Het college zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschriftvan de aanwijzing, het globaal kavelplan, bedoeld in artikel 2.5, vijfde lid,onderdeel b, en 2.7, vijfde lid, onderdeel b, de wijziging van de aanwijzing,bedoeld in artikel 2.8, eerste, vijfde en zesde lid, de intrekking van deaanwijzing, bedoeld in artikel 2.9, tweede en derde lid, het plan, bedoeldin artikel 2.9, zesde lid, en de instemming met de overdracht van deaanwijzing, bedoeld in artikel 2.10, eerste lid.§ 2.4. Taken van een aangewezen warmtebedrijf Artikel 2.12 taken 1. Het aangewezen warmtebedrijf heeft uitsluitend tot taak om binneneen gebied binnen de warmtekavel waarvoor een uitgewerkt kavelplan isopgesteld waarmee het college op grond van artikel 2.15, derde lid, heeftingestemd:a. een collectieve warmtevoorziening op een doelmatige wijze aan teleggen, te beheren en te onderhouden;b. warmte op een doelmatige wijze te transporteren en te leveren aandegene die een leveringsaansluiting heeft op een binnen de warmtekavelaangelegd collectieve warmtevoorziening;c. zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte metinachtneming van een goede kwaliteit van dienstverlening;d. warmte te leveren tegen transparante tarieven en onder transparanteen redelijke voorwaarden;e. de leveringszekerheid op een doelmatige wijze zeker te stellen;f. de veiligheid van de collectieve warmtevoorziening op eendoelmatige wijze te waarborgen;g. de duurzaamheid van de collectieve warmtevoorziening op eendoelmatige wijze te waarborgen;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 216 h. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indienhet gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor ineen omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik vangas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover vantoepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten,als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door eencollectief warmtesysteem is aangewezen, tenzij deze gebouweigenaarnaar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, heeftaangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggenof uit te breiden collectieve warmtevoorziening;i. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indienhet gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor ineen omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik vangas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover vantoepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten,als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door eencollectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaarnaar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, heeftaangegeven niet aangesloten te willen worden op een nog aan te leggenof uit te breiden collectieve warmtevoorziening maar alsnog heeftverzocht om een leveringsaansluiting op een nog aan te leggen of uit tebreiden collectieve warmtevoorziening, tenzij:1°. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluitingaan te brengen;2°. door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezenwarmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerdkunnen worden;j. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indienhet gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor ineen omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik vangas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover vantoepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten,als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door eencollectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaarna de aanleg of uitbreiding van de collectieve warmtevoorziening heeftverzocht om een leveringsaansluiting, tenzij:1°. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluitingaan te brengen;2°. door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezenwarmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerdkunnen worden;k. een gebouweigenaar op verzoek op een doelmatige wijze en binneneen redelijke termijn af te sluiten van de collectieve warmtevoorziening;l. het verbruik van warmte van een op de collectieve warmtevoorzieningaangesloten verbruiker te meten;m. ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijnbeschikt over een warmtemeter door middel van verhuur of een warmte-kostenverdeler, of dat binnen een redelijke termijn een verbruiksonafhan-kelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordt toegepast;n. een verbruiker de gegevens te verstrekken die deze voor een efficiëntgebruik van de geleverde warmte op grond van de leveringsovereen-komst nodig heeft;o. ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijnbeschikt over een afleverset voor warmte indien:1°. een bestaande afleverset voor warmte dient te worden vervangen;2°. een nieuwe afleverset voor warmte dient te wordt geïnstalleerd ineen nieuw of bestaand gebouw,tenzij dit voor de levering van warmte aan verbruikers niet noodzakelijkis;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 217 p. zorg te dragen voor het beheer en onderhoud van de bij eenverbruiker geïnstalleerde warmtemeter, warmtekostenverdeler enafleverset voor warmte.2. Indien een gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebiedwaarvoor in een omgevingsplan geen regels zijn gesteld die in dat gebiedhet gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, envoor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelas-tende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoorverwarming door een collectief warmtesysteem niet is aangewezen, heefthet aangewezen warmtebedrijf in plaats van de taken, bedoeld in heteerste lid, onderdelen h tot en met j, tot taak de gebouweigenaar tevoorzien van een leveringsaansluiting indien deze hierom heeft verzocht,tenzij:a. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluitingaan te brengen;b. door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezenwarmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerdkunnen worden.3. Het aangewezen warmtebedrijf heeft tevens tot taak het warmtenetwaarmee warmte getransporteerd wordt van een warmtebron naar eengebied in de warmtekavel waarvoor het uitgewerkt kavelplan, bedoeld inhet eerste lid, is opgesteld op een doelmatige wijze aan te leggen, tebeheren en te onderhouden. Het eerste lid, onderdelen a en f, is vanovereenkomstige toepassing.4. Het derde lid is niet van toepassing indien de taak, bedoeld in hetderde lid, reeds rust op een ander aangewezen warmtebedrijf.5. Een aangewezen warmtebedrijf kan ter uitvoering van de taken,bedoeld in het eerste, tweede en derde lid, werkzaamheden latenuitvoeren door een derde. Het aangewezen warmtebedrijf behoudt deverantwoordelijkheid voor de uitvoering van deze werkzaamheden.6. Het is een aangewezen warmtebedrijf niet toegestaan in eenwarmtekavel een taak als bedoeld in het eerste, tweede of derde lid, teverrichten als daar geen uitgewerkt kavelplan aan ten grondslag ligtwaarmee het college op grond van artikel 2.15, derde lid, heeft ingestemd.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over een taak als bedoeld in het eerste, tweede ofderde lid.§ 2.5. Verplichtingen aangewezen warmtebedrijf § 2.5.1. Niet uit kunnen voeren van een taak Artikel 2.13 meldplicht bij niet nakomen taak 1. Een aangewezen warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument enMarkt en het college dat het warmtebedrijf een aanwijzing heeft verleend,onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat het aangewezen warmte-bedrijf een taak als bedoeld in artikel 2.12 niet langer kan uitvoeren.2. Een aangewezen warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument enMarkt en het college op korte termijn na de melding:a. welke maatregelen het warmtebedrijf heeft genomen om de taak,bedoeld in artikel 2.12, wederom uit te kunnen voeren of te voorkomendat het aangewezen warmtebedrijf de taak niet kan uitvoeren;b. wanneer in voorkomend geval het warmtebedrijf de taak, bedoeld inartikel 2.12, weer uit zal kunnen voeren.3. De Autoriteit Consument en Markt kan het aangewezen warmtebedrijfopdragen maatregelen te treffen indien redelijkerwijs kan wordenvoorzien dat het aangewezen warmtebedrijf een taak als bedoeld inartikel 2.12 niet langer kan uitvoeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 218 4. Het aangewezen warmtebedrijf volgt de opdracht op grond van hetderde lid op.5. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht verbinden.6. Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of de opdracht leidt tot eenwijziging van het uitgewerkt kavelplan.7. De Autoriteit Consument en Markt kan bij besluit vaststellen dat hetaangewezen warmtebedrijf:a. niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 2.12 uit te voeren;b. in strijd handelt met het vierde lid.Artikel 2.14 financiële monitoring 1. Een aangewezen warmtebedrijf zendt elk jaar binnen een bijministeriële regeling te bepalen termijn per warmtekavel aan de AutoriteitConsument en Markt informatie over:a. de organisatorische en technische bekwaamheid van het aangewezenwarmtebedrijf;b. de financiële situatie van het warmtebedrijf en in voorkomend gevalvan de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het BurgerlijkWetboek waartoe het warmtebedrijf behoort.2. Een aangewezen warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument enMarkt onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiëlesituatie van het warmtebedrijf of in voorkomend geval de groep, bedoeldin artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe hetwarmtebedrijf behoort significant verslechtert.3. De Autoriteit Consument en Markt kan:a. het aangewezen warmtebedrijf opdragen de organisatorische entechnische bekwaamheid te verbeteren;b. het aangewezen warmtebedrijf en een rechtspersoon of vennoot-schap die deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoortopdragen een plan op te stellen of maatregelen te treffen de financiëlesituatie te verbeteren.4. Het aangewezen warmtebedrijf, de rechtspersoon of vennootschapvolgen de opdracht op grond van het derde lid op.5. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht verbinden.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de informatie, bedoeld in het eerste lid;b. de wijze waarop het aangewezen warmtebedrijf de informatie meldtop grond van het eerste lid;c. de eisen aan de financiële situatie, bedoeld in het derde lid;d. de omstandigheden waarin sprake is van een significante verslech-tering van de financiële situatie als bedoeld in het tweede lid.§ 2.5.2. Uitgewerkt kavelplan en investeringsplan Artikel 2.15 uitgewerkt kavelplan 1. Een aangewezen warmtebedrijf zendt op verzoek van het college eenuitgewerkt kavelplan of wijziging van een uitgewerkt kavelplan aan hetcollege dat betrekking heeft op de warmtekavel of een deel daarvan.2. Het uitgewerkt kavelplan bevat:a. een beschrijving op welke wijze de leveringszekerheid zal wordenverzekerd;b. een beschrijving op welke wijze de bij of krachtens artikel 2.20, eerstelid, bepaalde normen bereikt zullen worden;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 219 c. de warmtebehoefte van gebouwen in het gebied, bedoeld in heteerste lid, en de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijnvoldaan om de verblijfsruimte te kunnen verwarmen tot een binnentem-peratuur van minimaal 20 graden Celsius, uitgaande van een buitentem-peratuur die niet lager is dan -10 graden Celsius;d. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaanom tapwater te kunnen leveren op een temperatuur of te kunnenverwarmen tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriëleregeling vastgestelde norm;e. de wijze waarop toekomstige verbruikers betrokken worden bij deaanleg, ontwikkeling en exploitatie van de collectieve warmtevoorziening;f. een voorstel voor een netontwerp, waaronder:1°. de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte,rekening houdend met de eisen op grond van de onderdelen c en d;2°. de levering van tapwater of warmte ten behoeve vanruimteverwarming;3°. de in te zetten warmtebronnen en potentiële warmtebronnen voorde korte en lange termijn;4°. een indicatie van het tracé;g. een voorstel voor de planning en fasering van de aanleg van decollectieve warmtevoorziening;h. een indicatie van de kosten van de aanleg, ontwikkeling en exploitatievan de collectieve warmtevoorziening;i. een indicatie van de tarieven van de te leveren goederen en dienstenin verband met de levering van warmte aan verbruikers;j. de voorwaarden van de te leveren goederen en diensten in verbandmet de levering van warmte aan verbruikers;k. het type afleverset voor warmte dat geplaatst wordt.3. Het uitgewerkt kavelplan of wijziging van het uitgewerkt kavelplanbehoeft instemming van het college.4. Het college kan uitsluitend instemming aan het uitgewerkt kavelplanof wijziging van het uitgewerkt kavelplan onthouden met dien verstandedat het college:a. uitsluitend instemming kan onthouden gelet op het tweede lid,onderdeel f, onder 3, indien het uitgewerkt kavelplan afwijkt van hetglobaal kavelplan en de afwijking van het globaal kavelplan onvoldoendegemotiveerd is;b. geen instemming kan onthouden indien een wijziging van eenuitgewerkt kavelplan het gevolg is van een opdracht van de AutoriteitConsument en Markt op grond van artikel 2.13, derde lid, 2.14, derde lid,2.17, derde lid, of een bindende gedragslijn als bedoeld in artikel 9.2,eerste lid.5. Het college kan het aangewezen warmtebedrijf naar aanleiding vaneen door het aangewezen warmtebedrijf opgesteld uitgewerkt kavelplanof wijziging van een uitgewerkt kavelplan als bedoeld in het eerste lid, hetaangewezen warmtebedrijf opdragen het uitgewerkt kavelplan te wijzigen.6. Het aangewezen warmtebedrijf volgt de opdracht op grond van hetvijfde lid op.7. Het aangewezen warmtebedrijf voert de taken, bedoeld in artikel 2.12,en verplichtingen in dit hoofdstuk overeenkomstig het uitgewerktkavelplan uit.8. Het aangewezen warmtebedrijf kan uitsluitend afwijken van eenuitgewerkt kavelplan indien het een wijziging van het uitgewerkt kavelplanheeft opgesteld waarmee het college heeft ingestemd. Het derde tot enmet zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing op deze wijziging vanhet uitgewerkt kavelplan.9. Het college kan voorschriften en beperkingen aan een instemmingverbinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 220 10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de termijn waarbinnen het college een besluit opgrond van het derde lid neemt.11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de inhoud van een uitgewerkt kavelplan.Artikel 2.16 investeringsplan 1. Een aangewezen warmtebedrijf stelt periodiek binnen een bijministeriële regeling te bepalen termijn een investeringsplan op voor eenwarmtekavel waarvoor het een aanwijzing heeft verkregen.2. Een investeringsplan bevat:a. een beschrijving en onderbouwing van de voorgenomen investe-ringen in de aanleg, uitbreiding of vervanging van de collectievewarmtevoorziening in het betreffende warmtekavel die het aangewezenwarmtebedrijf noodzakelijk acht voor de uitvoering van zijn taken, bedoeldin artikel 2.12;b. een beschrijving van de wijze waarop de voorgenomen investeringenpassen binnen een lange termijnvisie op de collectieve warmtevoor-ziening in het betreffende warmtekavel;c. een beschrijving van de gevolgen van de in dit plan opgenomeninvesteringen voor het bereiken van de bij of krachtens artikel 2.20, eerstelid, bepaalde normen;d. een beschrijving van de wijze waarop de leveringszekerheid zalworden verzekerd.3. Een aangewezen warmtebedrijf legt een ontwerp-investeringsplanvoor aan de Autoriteit Consument en Markt en aan het college dat hetwarmtebedrijf de aanwijzing heeft verleend. Het college kan een ziens-wijze ten aanzien van het ontwerp-investeringsplan indienen bij deAutoriteit Consument en Markt.4. De Autoriteit Consument en Markt toetst of:a. de in het ontwerp-investeringsplan opgenomen investeringennoodzakelijk zijn voor het aangewezen warmtebedrijf om de taken,bedoeld in artikel 2.12, op doelmatige wijze uit te voeren;b. het aangewezen warmtebedrijf ook anderszins in redelijkheid tot hetontwerp-investeringsplan heeft kunnen komen.5. De Autoriteit Consument en Markt betrekt de zienswijze van hetcollege, bedoeld in het derde lid, bij de toets op grond van het vierde liden verantwoordt daarbij op welke wijze de zienswijze betrokken is bij dietoets.6. Een aangewezen warmtebedrijf stelt het investeringsplan vast enverantwoordt daarbij op welke wijze de resultaten van de toets van deAutoriteit Consument en Markt op grond van het vierde lid en dezienswijze van het college al dan niet hebben geleid tot wijziging van hetinvesteringsplan.7. Een aangewezen warmtebedrijf voert de in het investeringsplanopgenomen investeringen uit.8. Een aangewezen warmtebedrijf zendt een wijziging van het investe-ringsplan aan de Autoriteit Consument en Markt en het college dat hetwarmtebedrijf heeft aangewezen. Het derde tot en met zevende lid entiende en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een signifi-cante wijziging van de investeringen, bedoeld in het tweede lid.9. Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of het investeringsplan leidttot een wijziging van het uitgewerkt kavelplan.10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de frequentie waarmee een investeringsplan wordt opgesteld;b. de procedure voor totstandkoming van een investeringsplan;c. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt hetontwerp-investeringsplan toetst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 221 11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de inhoud en het aggregatieniveau van een investeringsplan;b. een wijziging van het investeringsplan;c. de wijze waarop de noodzakelijkheid van de investeringen wordtaangetoond.§ 2.5.3. Leveringszekerheid Artikel 2.17 leveringszekerheidsrapportage 1. Een aangewezen warmtebedrijf dient voor een warmtekavel elk jaarbinnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een leveringszeker-heidsrapportage in bij het college waarvan het een aanwijzing heeftverkregen en de Autoriteit Consument en Markt met in ieder geval eenbeschrijving van:a. de wijze waarop gedurende de komende drie jaar de leveringsze-kerheid wordt verzekerd;b. welke risico’s voor de leveringszekerheid gedurende de komende driejaar zich kunnen voordoen;c. de wijze waarop deze risico’s ondervangen zullen worden;d. de wijze waarop de leveringszekerheid op de lange termijn wordtverzekerd.2. Onder leveringszekerheid als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a,wordt de zekerheid op de continuïteit van de levering van warmteverstaan, met uitzondering van het ontbreken van deze zekerheid alsgevolg van een tijdelijke onderbreking van de levering van warmte dienaar verwachting niet langer duurt dan vijf dagen en incidenteelvoorkomt, waarbij in ieder geval:a. de verblijfsruimte van de verbruiker te verwarmen is tot eenbinnentemperatuur van minimaal 20 graden Celsius uitgaande van eenbuitentemperatuur die niet lager is dan -10 graden Celsius voor zover erwarmte ten behoeve van ruimteverwarming wordt geleverd en indien isvoldaan aan de warmtebehoefte van een gebouw en de kenmerken vande binneninstallatie, bedoeld in artikel 2.15, eerste lid, onderdelen c en d,en artikel 2.30, eerste lid, onderdelen d en f;b. tapwater wordt geleverd op een temperatuur of te verwarmen is toteen temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regeling vastgesteldenorm, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordt geleverd;c. voldoende warmtebronnen of potentiële warmtebronnen beschikbaarzijn voor de korte en lange termijn.3. De Autoriteit Consument en Markt kan ambtshalve of op advies vanhet college het aangewezen warmtebedrijf binnen een bij ministeriëleregeling te bepalen termijn opdragen de leveringszekerheidsrapportage tewijzigen.4. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht op grond van het derde lid verbinden.5. Het aangewezen warmtebedrijf volgt de opdracht op en voert de ineen leveringszekerheidsrapportage opgenomen maatregelen uit.6. Een aangewezen warmtebedrijf gaat na of een leveringszekerheids-rapportage of een opdracht als bedoeld in het vijfde lid leidt tot eenwijziging van het uitgewerkt kavelplan.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de inhoud van de leveringszekerheidsrap-portage.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 222 § 2.5.4. Onderbreking van de levering van warmte aan verbruikers Artikel 2.18 onderbreking van de levering van warmte 1. Het aangewezen warmtebedrijf doet al hetgeen redelijkerwijs in zijnvermogen ligt om een onderbreking van de levering van warmte aanverbruikers te voorkomen en indien een onderbreking zich toch voordoet,deze zo snel mogelijk te beëindigen.2. Het aangewezen warmtebedrijf stelt een verbruiker tenminste driedagen van tevoren op de hoogte van de door hem geplande werkzaam-heden waarbij de levering van warmte aan verbruikers moet wordenonderbroken.3. Een aangewezen warmtebedrijf houdt een storingsregistratie bijbetreffende de levering van warmte aan verbruikers en publiceert dezejaarlijks op een geschikte wijze.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de inhoud van de storingsregistratie;b. de wijze waarop de storing voor verbruikers bekend wordt gemaakt.Artikel 2.19 storingscompensatie 1. Een aangewezen warmtebedrijf keert aan een verbruiker eencompensatie uit bij een ernstige storing in de levering van warmte aanverbruikers waarvan de oorzaak gelegen is in:a. de collectieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijfof het warmtetransportnet van een warmtetransportbeheerder;b. de afleverset voor warmte, indien deze de eigendom is van hetaangewezen warmtebedrijf;c. de leveringsaansluiting;d. het inpandig leidingstelsel van de gebouweigenaar;e. een warmtebron;f. de warmtetransportaansluiting.2. Het eerste lid is niet van toepassing indien de ernstige storing hetgevolg is van een situatie die niet aan het aangewezen warmtebedrijf ofde warmtetransportbeheerder kan worden toegerekend en zo weinigvoorkomt dat daar redelijkerwijs geen rekening mee hoeft te wordengehouden.3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:a. de hoogte van de compensatie bij een ernstige storing die voorstoringen van verschillende tijdsduur verschillend kan wordenvastgesteld;b. het moment van aanvang en beëindiging van de verplichting tot hetbetalen van compensatie bij een ernstige storing.§ 2.5.5. De uitstoot van broeikasgassen Artikel 2.20 normen uitstoot broeikasgassen 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgegeven over:a. de gemiddelde toegestane uitstoot van broeikasgassen die jaarlijksten gevolge van de levering van warmte aan verbruikers door eenaangewezen warmtebedrijf in een warmtekavel is toegestaan, waarbij eenonderscheid kan worden gemaakt tussen een op het moment vaninwerkingtreding van dit artikel bestaande dan wel een nog aan te leggenof uit te breiden collectieve warmtevoorziening;b. de wijze waarop de uitstoot van broeikasgassen wordt berekend envastgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 223 2. De bij of krachtens het eerste lid jaarlijks vastgestelde normen voorde gemiddelde toegestane uitstoot van broeikasgassen bestaan uit eenexact getal, waarbij de uitstoot van broeikasgassen wordt uitgedrukt inkilogram kooldioxide-equivalenten.3. De bij of krachtens het eerste lid vastgestelde normen voor degemiddelde uitstoot van broeikasgassen zullen eens in de vijf jaren opdoeltreffendheid en effecten worden geëvalueerd.4. Een aangewezen warmtebedrijf stoot ten gevolge van de levering vanwarmte aan verbruikers niet meer broeikasgassen uit dan de norm,bepaald bij of krachtens het eerste lid. Indien de uitstoot van broeikas-gassen meer is dan deze norm, meldt het aangewezen warmtebedrijf ditonmiddellijk aan de Autoriteit Consument en Markt.5. De Autoriteit Consument en Markt kan bij besluit vaststellen dat hetaangewezen warmtebedrijf vijf jaar na de eerste overschrijding van eennorm, bepaald bij of krachtens het eerste lid, nog steeds meer broeikas-gassen uitstoot dan deze norm.Artikel 2.21 ontheffing normen uitstoot broeikasgassen 1. De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van eenaangewezen warmtebedrijf voor een door de Autoriteit Consument enMarkt te bepalen periode ontheffing verlenen van de bij of krachtensartikel 2.20, eerste lid, bepaalde normen indien aannemelijk is dat hetaangewezen warmtebedrijf niet kan voldoen aan deze normen doordat derealisatie van een nieuwe duurzame warmtebron niet uitvoerbaar is.2. De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van eenaangewezen warmtebedrijf ontheffing verlenen van de bij of krachtensartikel 2.20, eerste lid, bepaalde normen voor een door de AutoriteitConsument en Markt te bepalen periode voor een op het moment vaninwerkingtreding van dit artikel bestaande collectieve warmtevoorzieningindien:a. deze collectieve warmtevoorziening afhankelijk is van eenniet-duurzame warmtebron die de collectieve warmtevoorziening vooreen groot deel in warmte voorziet, enb. aannemelijk is dat het aangewezen warmtebedrijf niet kan voldoenaan de normen, bepaald bij of krachtens artikel 2.20, eerste lid, doordat devervanging van de niet-duurzame warmtebron door een duurzamewarmtebron niet uitvoerbaar is.3. De Autoriteit Consument en Markt kan aan een ontheffingvoorschriften en beperkingen verbinden alsmede op aanvraag van eenaangewezen warmtebedrijf de geldigheidsduur van een ontheffingverlengen.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraagte verstrekken gegevens en bescheiden;b. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluittot ontheffing neemt;c. de periode, bedoeld in het eerste en tweede lid;d. wanneer er sprake is van een groot deel als bedoeld in het tweede lid,onderdeel a;e. de voorwaarden waaronder een aanvraag om verlenging van hettijdvak waarvoor een ontheffing geldt wordt ingewilligd.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de voorschriften en beperkingen die aan eenontheffing kunnen worden verbonden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 224 Artikel 2.22 informatie over de uitstoot van broeikasgassen op defactuur 1. Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker informatieover de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de levering vanwarmte op de gespecificeerde factuur, bedoeld in artikel 2.36, eerste lid.2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de informatie bedoeld in het eerste lid;b. de wijze waarop een aangewezen warmtebedrijf de informatie aanverbruikers verstrekt.Artikel 2.23 openbare informatie over de uitstoot van broeikas-gassen 1. Het aangewezen warmtebedrijf maakt elk jaar binnen een bijministeriële regeling te bepalen termijn betrouwbare informatie over deuitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de levering van warmte aanverbruikers op inzichtelijke wijze openbaar.2. De Autoriteit Consument en Markt kan het aangewezen warmtebedrijfverzoeken om een verklaring van een accountant waarin de informatie,bedoeld in het eerste lid, is gecontroleerd.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.§ 2.5.6. Aansluiten op of afsluiten van een collectieve warmtevoorziening Artikel 2.24 informatie bij aanbod aansluitovereenkomst opcollectieve warmtevoorziening 1. Bij een aanbod aan een gebouweigenaar om te worden aangeslotenop een collectieve warmtevoorziening verstrekt het aangewezen warmte-bedrijf de gebouweigenaar op duidelijke en begrijpelijke wijze devolgende informatie:a. een omschrijving van de te leveren goederen en diensten en deovereengekomen kwaliteitsniveaus daarvan, die in ieder geval betrekkinghebben op:1°. de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte;2°. de soort geleverde warmte;3°. de tarieven van de te leveren goederen en diensten in verband metde levering van warmte, waaronder het tarief van de aansluiting op eencollectieve warmtevoorziening;b. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaanom veilig gebruik te kunnen maken van de geleverde warmte;c. de warmtebehoefte van het gebouw of de eenheden in een gebouwen kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om deverblijfsruimte te kunnen verwarmen tot een binnentemperatuur vanminimaal 20 graden Celsius uitgaande van een buitentemperatuur die nietlager is dan -10 graden Celsius;d. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaanom tapwater te kunnen leveren op een temperatuur of te kunnenverwarmen tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriëleregeling vastgestelde norm;e. de verwachte datum dat de levering van warmte zal aanvangen.2. In het geval van een aanbod voor een aansluiting op een nog aan teleggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening verstrekt hetaangewezen warmtebedrijf in afwijking van het eerste lid, onderdeel a,onder 3, de minimale en maximale tarieven van de te leveren goederenen diensten in verband met de levering van warmte die het warmtebedrijfde eerste drie jaar na aanvang van de levering van warmte in rekening zalTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 225 kunnen brengen. De minimale en maximale tarieven worden berekend opgrond van de daadwerkelijk verwachte kosten van de te leveren goederenen diensten in verband met de levering van warmte.3. Het aangewezen warmtebedrijf kan de Dienst voor het kadaster en deopenbare registers als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Organisa-tiewet Kadaster verzoeken om de naam en adresgegevens van degebouweigenaar beschikbaar te stellen. De Dienst voor het kadaster en deopenbare registers verstrekt deze gegevens aan het aangewezenwarmtebedrijf.4. Het aangewezen warmtebedrijf kan een systeembeheerder voor gasals bedoeld in artikel 1.1 van de Energiewet verzoeken informatie teverstrekken ten aanzien van de grootte van de gasaansluiting van eengebouw van de gebouweigenaar, bedoeld in het eerste lid. De systeembe-heerder verstrekt deze informatie aan het aangewezen warmtebedrijf.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de informatie, bedoeld in het eerste lid;b. overige informatie die het aangewezen warmtebedrijf bij een aanbodom te worden aangesloten op een collectieve warmtevoorziening aan degebouweigenaar verstrekt;c. de procedure volgens welke het aangewezen warmtebedrijf deinformatie, bedoeld in het eerste lid, en vijfde lid, onderdeel b, terbeschikking stelt aan een gebouweigenaar.Artikel 2.25 aanbod aansluitovereenkomst bij aanleg ofuitbreiding collectieve warmtevoorziening in geval van verplichtbeëindigen van gebruik fossiele brandstoffen 1. Een aangewezen warmtebedrijf doet uiterlijk op een door het collegevast te stellen tijdstip voor de aanleg of uitbreiding van een collectievewarmtevoorziening een gebouweigenaar een aanbod aangesloten teworden op deze collectieve warmtevoorziening indien deze gebouwei-genaar eigenaar is van een gebouw dat zich bevindt binnen een warmte-kavel en waarvoor in een omgevingsplan regels zijn gesteld die in eengebied het gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening vangebouwen, en voor zover van toepassing, voor de energievoorziening vanmilieubelastende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, enwaarvoor verwarming door een collectief warmtesysteem is aangewezen.2. Bij het aanbod, bedoeld in het eerste lid, verzoekt het aangewezenwarmtebedrijf de gebouweigenaar om binnen een bij ministeriële regelingte bepalen termijn aan te geven indien deze het aanbod niet aanvaardt enniet aangesloten wil worden op de nog aan te leggen of uit te breidencollectieve warmtevoorziening.3. Indien een gebouweigenaar binnen de termijn, bedoeld in het tweedelid, niet te kennen heeft gegeven het aanbod niet te aanvaarden, heeft degebouweigenaar het aanbod voor een overeenkomst tot aansluiting op denog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorzieningstilzwijgend aanvaard. Het aangewezen warmtebedrijf informeert degebouweigenaar over de stilzwijgende aanvaarding van het aanbod engeeft de gebouweigenaar de gelegenheid binnen 14 dagen de overeen-komst zonder opgave van redenen en kosteloos te ontbinden.4. In aanvulling op de gegevens, bedoeld in artikel 2.24, eerste lid,verstrekt het aangewezen warmtebedrijf een gebouweigenaar als bedoeldin het eerste lid, informatie over de gevolgen voor de gebouweigenaarindien deze niet binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, te kennengeeft het aanbod niet te aanvaarden en niet aangesloten te willen wordenop de nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 226 Artikel 2.26 nieuw aanbod aansluitovereenkomst bij nietaanvaarden ingeval van situatie artikel 2.25 1. Het aangewezen warmtebedrijf doet op verzoek van een gebouwei-genaar opnieuw een aanbod om aangesloten te worden als bedoeld inartikel 2.25, eerste lid, indien de gebouweigenaar naar aanleiding van hetverzoek, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, heeft aangegeven nietaangesloten te willen worden op een nog aan te leggen of uit te breidencollectieve warmtevoorziening, alsnog verzoekt om een aansluiting opeen nog aan te leggen of uit te breiden collectieve warmtevoorziening.2. Het eerste lid is niet van toepassing indien zich de situatie, genoemdin artikel 2.12, eerste lid, onderdeel i of j, onder 1 of 2, voordoet.Artikel 2.27 algemene aansluitverplichting van drie jaar ingevalvan situatie artikel 2.25 1. Een gebouweigenaar die het aanbod om aangesloten te worden alsbedoeld in artikel 2.25, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgend heeftaanvaard, kan de overeenkomst door middel van opzegging nietbeëindigen tot drie jaar na aanvang van de levering van warmte van decollectieve warmtevoorziening.2. Het eerste lid is niet van toepassing indien:a. een gebouweigenaar als bedoeld in het eerste lid, binnen drie jaar naaanvang van de levering van warmte van de collectieve warmtevoor-ziening de eigendom van het gebouw overdraagt. Op zijn rechtsopvolgerzijn de artikelen 2.25 en 2.26 van overeenkomstige toepassing;b. het gebouw waarop de overeenkomst betrekking heeft geslooptwordt.Artikel 2.28 oprichten nieuw gebouw ingeval van situatieartikel 2.25 1. De artikelen 2.25 tot en met 2.27 zijn van overeenkomstige toepassingop de situatie dat een natuurlijk persoon of rechtspersoon voornemens isna de termijn, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid, een gebouw op terichten dat zich bevindt in het gebied binnen een warmtekavel waarvoorin een omgevingsplan regels zijn gesteld die in een gebied het gebruikvan gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zovervan toepassing, voor de energievoorziening van milieubelastendeactiviteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarmingdoor een collectief warmtesysteem is aangewezen.2. Het eerste lid is niet van toepassing indien zich de situatie, genoemdin artikel 2.12, eerste lid, onderdeel i of j, onder 1 of 2, voordoet.Artikel 2.29 kosten van afsluiten kleinverbruikers en grootver-bruikers 1. Indien de gebouweigenaar van een gebouw met een individueleleveringsaansluiting van maximaal 100 kilowatt nadat het gebouw isaangesloten op de collectieve warmtevoorziening een aangewezenwarmtebedrijf verzoekt om afgesloten te worden van de collectievewarmtevoorziening, kan een aangewezen warmtebedrijf voor de afsluitingeen tarief in rekening brengen dat niet meer bedraagt dan het door deAutoriteit Consument en Markt vastgestelde maximale tarief voor hetafsluiten van een collectieve warmtevoorziening.2. Indien een gebouweigenaar van een gebouw met een individueleleveringsaansluiting van meer dan 100 kilowatt nadat het gebouw isaangesloten op de collectieve warmtevoorziening een aangewezenwarmtebedrijf verzoekt om afgesloten te worden van de collectievewarmtevoorziening, kan een aangewezen warmtebedrijf voor de afsluitingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 227 een tarief in rekening brengen dat niet meer bedraagt dan het door deAutoriteit Consument en Markt op grond van de artikelen 7.14, eerste lid,of 7.20, eerste lid, vastgestelde maximale tarief voor het afsluiten van eencollectieve warmtevoorziening voor grootverbruikers.3. Het aangewezen warmtebedrijf kan in aanvulling op het maximaletarief, bedoeld in het tweede lid, een op verzoek van het warmtebedrijfdoor de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen opslag in rekeningbrengen indien door de afsluiting het aangewezen warmtebedrijfstructureel geen redelijk rendement kan behalen of de afsluiting leidt toteen significante verhoging van de tarieven voor de resterende verbruikersvan de collectieve warmtevoorziening.4. Indien een gebouw gesloopt wordt, kan een aangewezen warmtebe-drijf voor de afsluiting van een collectieve warmtevoorziening een door deAutoriteit Consument en Markt vast te stellen tarief dat is gebaseerd op dewerkelijke kosten van de afsluiting in rekening brengen.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden vastgesteld over:a. de wijze waarop de Autoriteit Consument en Markt het tarief berekenten vaststelt op grond van het eerste en tweede lid, en de opslag berekenten vaststelt op grond van het derde lid;b. de wijze waarop wordt bepaald dat het aangewezen warmtebedrijfstructureel geen redelijke rendement als bedoeld in het derde lid kanbehalen.§ 2.5.7. De levering van warmte aan verbruikers Artikel 2.30 leveringsovereenkomst 1. Een in Nederland gevestigd aangewezen warmtebedrijf verstrekt eenverbruiker voorafgaand aan het sluiten van een overeenkomst tot leveringvan warmte op duidelijke en begrijpelijke wijze de volgende informatie:a. een omschrijving van de te leveren goederen en diensten en deovereengekomen kwaliteitsniveaus daarvan, die in ieder geval betrekkinghebben op:1°. de minimum- en maximumtemperatuur van de te leveren warmte,bedoeld in artikel 2.15, tweede lid, onderdeel f, onder 1;2°. de soort geleverde warmte;3°. de tarieven van en voorwaarden waaronder deze goederen endiensten worden geleverd;b. een omschrijving van de terugbetalingsregelingen als de geleverdegoederen en diensten niet aan de overeengekomen kwaliteitsniveausvoldoen;c. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan omveilig gebruik te kunnen maken van de door het aangewezen warmtebe-drijf geleverde warmte;d. de warmtebehoefte van het gebouw en de kenmerken van debinneninstallatie waaraan moet zijn voldaan om de verblijfsruimte tekunnen verwarmen tot een binnentemperatuur van minimaal 20 gradenCelsius, uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager is dan–10 graden Celsius, voor zover er warmte ten behoeve van ruimtever-warming wordt geleverd;e. dat warmte zal worden geleverd waarmee de verblijfsruimte van deverbruiker te verwarmen is tot een binnentemperatuur van minimaal20 graden Celsius uitgaande van een buitentemperatuur die niet lager isdan –10 graden Celsius indien is voldaan aan de waarden en kenmerken,bedoeld in onderdeel d, voor zover er warmte ten behoeve van ruimtever-warming wordt geleverd;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 228 f. de kenmerken van de binneninstallatie waaraan moet zijn voldaan omtapwater te kunnen leveren op een temperatuur of te kunnen verwarmentot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regelingvastgestelde norm, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordtgeleverd;g. dat tapwater wordt geleverd op een temperatuur of dat te verwarmenis tot een temperatuur die voldoet aan een bij ministeriële regelingvastgestelde norm indien voldaan is aan de kenmerken, bedoeld inonderdeel f, voor zover er warmte ten behoeve van tapwater wordtgeleverd.2. In het geval van een overeenkomst op afstand of een overeenkomstbuiten de verkoopruimte als bedoeld in artikel 230m, eerste lid, Boek 6van het Burgerlijk Wetboek is artikel 230v van Boek 6 van het BurgerlijkWetboek van overeenkomstige toepassing op de informatieverplichtingenvoor een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in het eerste lid.3. Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker voorafgaandaan het sluiten van een leveringsovereenkomst een samenvatting van debelangrijkste voorwaarden uit de overeenkomst in begrijpelijke taal.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de inhoud van de leveringsovereenkomst;b. de informatie die het aangewezen warmtebedrijf al dan niet vooraf-gaand aan het sluiten van een leveringsovereenkomst aan verbruikersverstrekt.Artikel 2.31 wijzigen en opzeggen van een leveringsovereen-komst 1. Een aangewezen warmtebedrijf stelt een verbruiker op toereikendewijze in kennis van een voornemen tot wijziging van de:a. tarieven voor de levering van warmte;b. aan de leveringsovereenkomst verbonden voorwaarden.2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over het wijzigen en opzeggen van een leveringsovereen-komst tussen een aangewezen warmtebedrijf en verbruiker.Artikel 2.32 vernietigbaarheid leveringsovereenkomst Een leveringsovereenkomst met een kleinverbruiker die niet voldoet aanhet bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.30 en 2.31 is vernietigbaar.Artikel 2.33 gevolgen van een opzegging van een leveringsover-eenkomst 1. Een aangewezen warmtebedrijf reageert schriftelijk op een opzeggingen motiveert daarin in voorkomend geval waarom de beëindiging niet kanplaatsvinden.2. Een aangewezen warmtebedrijf geeft geen gevolg aan de opzeggingindien:a. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de levering van warmteaan die verbruiker geheel te beëindigen;b. beëindiging van de levering van warmte aan een verbruiker leidt totaanzienlijk blijvend nadeel voor een andere verbruiker.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelsworden gesteld over:a. de situaties waarin het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is delevering aan een verbruiker geheel te beëindigen;b. wanneer er sprake is van een aanzienlijk blijvend nadeel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 229 Artikel 2.34 opzeggen leveringsovereenkomst ingeval van situatieartikel 2.25 1. Een verbruiker kan een leveringsovereenkomst met betrekking tot eengebouw waarvan de gebouweigenaar het aanbod om aangesloten teworden, bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, heeft aanvaard of stilzwijgendheeft aanvaard, door middel van opzegging niet beëindigen tot drie jaarna aanvang van de levering van warmte nadat het gebouw op eencollectieve warmtevoorziening is aangesloten.2. Het eerste lid geldt niet in het geval:a. de verbruiker binnen drie jaar na aanvang van de levering vanwarmte, bedoeld in het eerste lid, verhuist;b. de gebouweigenaar wordt afgesloten van de collectieve warmtevoor-ziening.Artikel 2.35 opzegvergoeding 1. Een aangewezen warmtebedrijf kan een kleinverbruiker voor deopzegging van een leveringsovereenkomst alleen een opzegvergoeding inrekening brengen, indien het een tussentijdse opzegging betreft van eenovereenkomst voor bepaalde duur en een vooraf of tijdens de overeen-komst vast overeengekomen prijs of vast overeengekomen kosten, en deopzegvergoeding in de overeenkomst is opgenomen.2. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over devoorwaarden en de hoogte van de opzegvergoeding.Artikel 2.36 factuur 1. Een aangewezen warmtebedrijf verstrekt een verbruiker periodiek enkosteloos facturen en factureringsinformatie, waarin de gegevens inzakede geleverde warmte op transparante en begrijpelijke wijze is weerge-geven.2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:a. de inhoud en inrichting van facturen en factureringsinformatie;b. de frequentie van facturen en factureringsinformatie;c. het verstrekken van gegevens aan de verbruiker over het verbruik vanwarmte;d. het toesturen van facturen en factureringsinformatie;e. de omstandigheden waarin en termijnen waarbinnen een aange-wezen warmtebedrijf de facturen en factureringsinformatie verstrekt.Artikel 2.37 betalingswijzen 1. Een aangewezen warmtebedrijf biedt een verbruiker een ruime keuzeuit betalingswijzen.2. Een aangewezen warmtebedrijf is goed bereikbaar voor eenverbruiker.3. Een aangewezen warmtebedrijf handelt correspondentie van eenverbruiker binnen tien werkdagen af. Indien een oplossing in deze periodeniet mogelijk is, ontvangt de verbruiker binnen vijf werkdagen berichtbinnen welke termijn een adequate reactie kan worden verwacht.4. Een aangewezen warmtebedrijf gebruikt de aan hem verstrektegegevens over een verbruiker uitsluitend voor het uitvoeren van de taken,bedoeld in artikel 2.12, en het nakomen van de verplichtingen op grondvan dit hoofdstuk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 230 Artikel 2.38 klachtenprocedure 1. Een aangewezen warmtebedrijf voorziet in een transparante,kosteloze en eenvoudige interne procedure voor de behandeling vanklachten van zijn verbruikers.2. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld, die kunnenverschillen per type verbruiker, over:a. de voorwaarden en inrichting waaraan de klachtenprocedure moetvoldoen;b. de termijnen die gelden voor de klachtenprocedure.Artikel 2.39 voorkomen beëindiging levering 1. Een aangewezen warmtebedrijf neemt preventieve maatregelen omhet beëindigen van levering van warmte aan een kleinverbruiker wegenswanbetaling zoveel mogelijk te voorkomen.2. Een aangewezen warmtebedrijf beëindigt:a. de levering van warmte aan een kleinverbruiker niet in verband metwanbetaling, behoudens in bij ministeriële regeling te bepalen gevallen;b. de levering van warmte ten behoeve van bij ministeriële regeling aante wijzen kleinverbruikers niet in verband met wanbetaling indien isvoldaan aan bij die regeling te bepalen voorwaarden.3. Bij ministeriële regeling worden nadere regels gesteld over:a. de maatregelen die een aangewezen warmtebedrijf neemt ombetalingsachterstanden te verhelpen of te voorkomen;b. het beperken, opschorten, beëindigen of hervatten van de leveringvan warmte aan kleinverbruikers.§ 2.5.8. Meten van het verbruik van warmte Artikel 2.40 kosten gebaseerd op het gemeten verbruik 1. Een aangewezen warmtebedrijf baseert de aan de verbruiker inrekening te brengen kosten voor de levering van warmte op het gemetenverbruik met:a. een warmtemeter;b. een warmtekostenverdeler, ofc. een voor een verbruiker inzichtelijke verbruiksonafhankelijkewarmtekostenverdeelsystematiek.2. Indien een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiekwordt gebruikt kan aan een afzonderlijke verbruiker tevens wordentoegerekend:a. de kosten van verbruik van warmte in het gemeenschappelijk belang;b. de redelijke kosten voor de uitvoering van de verbruiksonafhankelijkewarmtekostenverdeelsystematiek indien dit door een ander dan hetaangewezen warmtebedrijf geschiedt.Artikel 2.41 warmtemeter, warmtekostenverdeler en verbruikson-afhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek 1. Een aangewezen warmtebedrijf installeert een warmtemeter bij eenleveringsaansluiting waar dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is.2. De installatie van een warmtemeter is in ieder geval technischhaalbaar en kostenefficiënt indien:a. een bestaande warmtemeter wordt vervangen;b. een nieuwe leveringsaansluiting wordt gemaakt in een nieuwgebouw;c. een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 231 3. Indien de installatie van een warmtemeter technisch niet haalbaar ofniet kostenefficiënt is, installeert een aangewezen warmtebedrijf eenwarmtekostenverdeler waar dat kostenefficiënt is.4. Een aangewezen warmtebedrijf hanteert een verbruiksonafhankelijkewarmtekostenverdeelsystematiek indien de installatie van een warmtekos-tenverdeler niet kostenefficiënt is.5. De verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek gaat uitvan een binnen de technische en financiële mogelijkheden zo nauwkeurigmogelijke benadering van het werkelijke aandeel in het totaal gemetenverbruik van een afzonderlijke verbruiker.6. De warmtekostenverdeler, de verbruiksonafhankelijke warmtekosten-verdeelsystematiek en andere technische voorzieningen voor benadering,meting of registratie van het aandeel van een afzonderlijke verbruiker inhet totale verbruik, worden aan de hand van daarvoor gangbaretechnische normen geïnstalleerd en toegepast.7. Indien een onroerende zaak, die is gebouwd voor 1 juli 2019, bestaatuit meerdere verblijfsruimten kan een aangewezen warmtebedrijf hetindividueel gemeten warmtegebruik van de verbruiker door middel vaneen warmtemeter, warmtekostenverdeler of een verbruiksonafhankelijkewarmtekostenverdeelsystematiek corrigeren aan de hand van correctie-factoren die door het aangewezen warmtebedrijf zijn vastgesteld met inacht name van de daarvoor gangbare technische normen voor:a. de ligging van verblijfswoonruimten;b. leidingverliezen voor transportleidingen.8. In dit artikel wordt onder een verbruiker mede verstaan een eindge-bruiker als bedoeld in artikel 10bis, eerste lid, eerste alinea van richtlijn2012/27/EU het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van richtlijnen 2009/125/EG en2010/30/EU en houdende intrekking van de richtlijnen 2004/8/EG en2006/32/EG (PbEU 2012, L 315).9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgesteld over de wijze waarop wordt bepaald:a. in welke andere situaties de installatie van een warmtemetertechnisch haalbaar of kostenefficiënt is;b. in welke situaties de installatie van een warmtekostenverdelerkostenefficiënt is.Artikel 2.42 eisen aan een warmtemeter, warmtekostenverdeleren verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsystematiek 1. Indien een aangewezen warmtebedrijf een warmtemeter of eenwarmtekostenverdeler installeert, is deze op afstand uitleesbaar.2. Een aangewezen warmtebedrijf leest meetgegevens van eenverbruiker, die beschikt over een warmtemeter of een warmtekostenver-deler die op afstand uitleesbaar is, niet op afstand uit indien de kleinver-bruiker hierom verzoekt.3. De meetgegevens van een warmtemeter en warmtekostenverdelerdie op afstand uitleesbaar zijn kunnen ten hoogste eenmaal per15 minuten worden gecollecteerd, gevalideerd of vastgesteld.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels, diekunnen verschillen voor de meting van het verbruik van warmte door eenkleinverbruiker en grootverbruiker, worden gesteld over:a. de eisen en functionaliteiten waar een warmtemeter, een warmtekos-tenverdeler en een verbruiksonafhankelijke warmtekostenverdeelsyste-matiek tenminste aan moeten voldoen;b. het installeren, beheren en uitlezen van een warmtemeter enwarmtekostenverdeler;c. het onderzoek naar de betrouwbaarheid van een warmtemeter,warmtekostenverdeler en verbruiksonafhankelijkewarmtekostenverdeelsystematiek;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 232 d. een controlesystematiek voor warmtemeters;e. de administratie in verband met het installeren, vervangen, ofverwijderen van een warmtemeter en warmtekostenverdeler;f. het collecteren, valideren en vaststellen van meetgegevens van eenwarmtemeter en warmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar zijn;g. de frequentie waarmee meetgegevens van een warmtemeter enwarmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar zijn worden gecollec-teerd, gevalideerd of vastgesteld.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgesteld over de beveiliging van meetgegevens van een warmtemeter enwarmtekostenverdeler die op afstand uitleesbaar is.§ 2.5.9. Toegang van warmtebronnen Artikel 2.43 toegang van warmtebronnen 1. Een aangewezen warmtebedrijf treedt op verzoek van een producentof producent van restwarmte in overleg over het gebruik door hetwarmtebedrijf van de warmtebron van de producent of producent vanrestwarmte.2. Na ontvangst van een verzoek geeft het aangewezen warmtebedrijfde producent of producent van restwarmte informatie, voor zover daaromis verzocht, over:a. de vraag van het aangewezen warmtebedrijf naar productiecapaciteitnu en de verwachte productiecapaciteit in de toekomst;b. indien er vraag naar productiecapaciteit is, de kenmerken van dezeproductiecapaciteit;c. de technische kenmerken van het collectief warmtesysteem,waaronder de druk, de temperatuur, de mate waarin de uitstoot vanbroeikasgassen wordt verminderd en het debiet;d. het afnameprofiel en de jaarlijkse afname van het betreffendewarmtesysteem.3. Een aangewezen warmtebedrijf doet de producent of producent vanrestwarmte een deugdelijk gemotiveerde schriftelijke beslissing toekomenover het gebruik van de warmtebron.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgesteld over:a. de eisen waaraan een verzoek als bedoeld in het eerste lid ten minstemoet voldoen;b. de termijn waarbinnen de informatie wordt verschaft;c. de termijn waarbinnen het overleg tussen het aangewezen warmtebe-drijf en de producent of producent van restwarmte wordt gestart.§ 2.5.10. Overige verplichtingen Artikel 2.44 eigendom warmtenet 1. Een aangewezen warmtebedrijf beschikt over de eigendom van hetwarmtenet van de collectieve warmtevoorziening waarop de taken,bedoeld in artikel 2.12, van het warmtebedrijf betrekking hebben.2. Het aangewezen warmtebedrijf draagt de eigendom van hetwarmtenet over aan het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf,indien de aanwijzing:a. is gewijzigd op grond van artikel 2.8, vijfde lid;b. is ingetrokken op grond van artikel 2.9, tweede of derde lid;c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van deaanwijzing;d. is overgedragen op grond van artikel 2.10, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 233 3. Indien in afwijking van het eerste lid het aangewezen warmtebedrijfop grond van artikel 12.10 alleen beschikt over de economische eigendomvan het warmtenet van een collectieve warmtevoorziening en eenopenbaar lichaam over de juridische eigendom van het warmtenet, dandraagt het aangewezen warmtebedrijf de economische eigendom van hetwarmtenet over aan het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf,indien de aanwijzing:a. is gewijzigd op grond van artikel 2.8, vijfde lid;b. is ingetrokken op grond van artikel 2.9, tweede of derde lid;c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van deaanwijzing;d. is overgedragen op grond van artikel 2.10.4. Het aangewezen warmtebedrijf waarvan de aanwijzing is gewijzigd,ingetrokken, komen te vervallen of overgedragen heeft recht op eentegenprestatie van het daarop volgende aangewezen warmtebedrijf die demarktwaarde van de verschafte rechten op het warmtenet vertegen-woordigt.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de overdracht van het eigendom van het warmteneten de tegenprestatie.Artikel 2.45 levering na overdracht van een aanwijzing Het andere warmtebedrijf dat na instemming van het college alsbedoeld in artikel 2.10, eerste lid, de aanwijzing heeft overgedragengekregen zet de levering van warmte aan verbruikers van het warmtebe-drijf waarvan het de aanwijzing heeft overgedragen gekregen, voort onderdezelfde voorwaarden en tarieven als die golden bij laatst genoemdwarmtebedrijf.Artikel 2.46 publicatie jaarrekening en bestuursverslag 1. Het aangewezen warmtebedrijf publiceert een jaarrekening en eenbestuursverslag overeenkomstig titel 9 van Boek 2 van het BurgerlijkWetboek met uitzondering van de artikelen 395a, 396, 397 en 403 van dezetitel.2. Het bestuursverslag bevat informatie over:a. de door het aangewezen warmtebedrijf bij verbruikers in rekeninggebrachte tarieven;b. de integrale kosten en opbrengsten die verband houden met delevering van warmte.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de toepassing van het eerste en tweede lid.§ 2.6. Verplichtingen gebouweigenaar Artikel 2.47 verplichting gebouweigenaar 1. Een gebouweigenaar die eigenaar is van een inpandig leidingstelseldat wordt gebruikt voor het leveren van warmte aan verbruikers:a. onderhoudt het inpandig leidingstelsel en de individuele leverings-aansluiting van de verbruiker op het inpandig leidingstelsel zodanig datde leveringszekerheid is verzekerd, tenzij de gebouweigenaar en hetaangewezen warmtebedrijf hierover andere afspraken maken;b. verleent medewerking aan het verzoek van het aangewezen warmte-bedrijf om een verbruiker die is aangesloten op zijn inpandig leidingstelselaf te sluiten van het inpandig leidingstelsel door:1°. zorg te dragen voor de afsluiting van de verbruiker van het inpandigleidingstelsel, ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 234 2°. het aangewezen warmtebedrijf toestemming te geven zorg te dragenvoor de afsluiting van de verbruiker van het inpandig leidingstelsel.2. Indien zich in het inpandig leidingstelsel van de gebouweigenaar eenernstige storing voordoet vergoedt de gebouweigenaar het aangewezenwarmtebedrijf de kosten van de op grond van artikel 2.19, eerste lid, aande verbruiker betaalde compensatie, tenzij de gebouweigenaar en hetaangewezen warmtebedrijf op grond van het eerste lid, onderdeel a,afspraken hebben gemaakt over het onderhoud van het inpandigleidingstelsel en de individuele leveringsaansluiting van de verbruiker dietot gevolg hebben dat het aangewezen warmtebedrijf verantwoordelijk isvoor het onderhoud van het inpandig leidingstelsel en de individueleleveringsaansluiting van de verbruiker daarop.§ 2.7. Overige bepalingen Artikel 2.48 exclusieve taak aangewezen warmtebedrijvenwarmtemeters en afleversets Het is ieder ander dan het aangewezen warmtebedrijf verboden detaken, bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onderdelen m en o, voor zoverhet betreft het ter beschikking stellen van een warmtemeter door middelvan verhuur, uit te voeren, tenzij het werkzaamheden betreft verricht dooreen derde als bedoeld in artikel 2.12, derde lid.Artikel 2.49 verbod handelen in strijd met voorschriften enbeperkingen Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking:a. als bedoeld in de artikelen 2.5, achtste lid, 2.7, elfde lid, 2.8, negendelid, en 2.15, elfde lid;b. als bedoeld in de artikelen 2.5, vierde lid, 2.7, vierde lid, 2.8, vierdelid, 2.10, vijfde lid, 2.13, vijfde lid, 2.14, vijfde lid, 2.17, vierde lid, en 2.21,derde lid.HOOFDSTUK 3. KLEINE COLLECTIEVE WARMTESYSTEMEN § 3.1. Ontheffing Artikel 3.1 ontheffing 1. Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf voor een kleincollectief warmtesysteem voor minimaal 20 en maximaal 30 jaar eenontheffing verlenen van artikel 1.2, eerste lid. In de ontheffing wordt hetgebied aangegeven waarvoor de ontheffing geldt.2. Alvorens een warmtebedrijf een aanvraag om een ontheffing indient,meldt het warmtebedrijf aan de Autoriteit Consument en Markt hetvoornemen een aanvraag in te dienen.3. De Autoriteit Consument en Markt deelt het warmtebedrijf binnen eenbij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de meldingmede of het een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt moetindienen waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bijbesluit vast te stellen of het warmtebedrijf:a. voldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 3.6, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft;b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.6, in hetgebied waarop de aanvraag betrekking heeft, uit te voeren.4. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in hetderde lid, voorschriften en beperkingen verbinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 235 5. Het warmtebedrijf overlegt bij een aanvraag om een ontheffing inieder geval:a. de mededeling van de Autoriteit Consument en Markt op grond vanhet derde lid naar aanleiding van de melding van het warmtebedrijf, en,b. het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in hetderde lid, waarin is vastgesteld dat het warmtebedrijf voldoet aan degronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b, indien deAutoriteit Consument en Markt in de mededeling op grond van het derdelid heeft aangegeven dat het warmtebedrijf een aanvraag om een besluitals bedoeld in het derde lid moet indienen.6. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om eenontheffing die betrekking heeft op een gebied dat in een warmtekavel ligtvan een aangewezen warmtebedrijf indien:a. het warmtebedrijf onvoldoende beschikt over de organisatorische entechnische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken,bedoeld in artikel 3.6, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft;b. het warmtebedrijf onvoldoende financieel in staat is de taken,bedoeld in artikel 3.6, in het gebied op de aanvraag betrekking heeft, uit tevoeren;c. het klein collectief warmtesysteem onlosmakelijk verbonden is meteen ander klein collectief warmtesysteem en deze systemen gezamenlijkgeen klein collectief warmtesysteem zijn;d. aannemelijk is dat op termijn het klein collectief warmtesysteemwaarvoor ontheffing wordt aangevraagd geen klein collectief warmte-systeem meer zal zijn;e. het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat doorde ontheffing het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijkrendement meer kan behalen;f. het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat doorde ontheffing de tarieven voor de resterende verbruikers van de collec-tieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf significantverhoogd zullen moeten worden;g. het aannemelijk is dat de in de aanvraag beschreven gevolgen voorverbruikers redelijkerwijs niet uitvoerbaar zijn.7. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om eenontheffing die betrekking heeft op een gebied dat buiten een warmtekavelligt indien:a. het warmtebedrijf onvoldoende beschikt over de organisatorische entechnische bekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken,bedoeld in artikel 3.6, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft;b. het warmtebedrijf onvoldoende financieel in staat is de taken,bedoeld in artikel 3.6, in het gebied op de aanvraag betrekking heeft, uit tevoeren;c. het door de ontheffing moeilijk of onmogelijk wordt in dat gebied eencollectieve warmtevoorziening door een nog aan te wijzen warmtebedrijfaan te leggen, voor zover in de toekomst voor dat gebied waarschijnlijkeen warmtebedrijf zal worden aangewezen;d. voldaan is aan het zesde lid, onderdelen c, d, en g.8. Het zesde lid, onderdelen a en b, en het zevende lid, onderdelen a enb, zijn niet van toepassing indien de Autoriteit Consument en Markt eenbesluit als bedoeld in het derde lid, heeft genomen waarin is vastgestelddat het warmtebedrijf voldoet aan de gronden genoemd in het derde lid,onderdelen a en b.9. Het college kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingenverbinden.10. Het warmtebedrijf meldt het college onmiddellijk indien redelij-kerwijs te voorzien is dat het collectief warmtesysteem waarvoor eenontheffing is verleend geen klein collectief warmtesysteem meer is.11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 236 a. de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing op grond van heteerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om een ontheffing teverstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen hetcollege een besluit neemt;b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derdelid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekkengegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de AutoriteitConsument en Markt het besluit neemt;c. de gronden, genoemd in het derde lid.12. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en negendelid.b. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde en zevende lid.§ 3.2. Wijziging, intrekking en overdragen van een ontheffing Artikel 3.2 wijziging ontheffing 1. Het college kan een ontheffing, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid,wijzigen.2. Artikel 3.1, eerste tot en met negende lid, en elfde en twaalfde lid, isvan overeenkomstige toepassing op de wijziging van de ontheffing.Artikel 3.3 intrekken ontheffing 1. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het college melden dateen besluit als bedoeld in artikel 2.13, zevende lid, of 2.20, vierde lid,gelezen in samenhang met artikel 3.7, is genomen waarin de AutoriteitConsument en Markt heeft vastgesteld dat er grond is een ontheffing alsbedoeld in artikel 3.1, eerste lid, in te trekken omdat het warmtebedrijf:a. niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 3.6 uit te voeren,met uitzondering van de taak, bedoeld in artikel 3.6, eerste lid,onderdeel g;b. in strijd handelt met artikel 2.13, vierde lid, gelezen in samenhangmet artikel 3.7;c. vijf jaar na de eerste overschrijding van een norm bepaald bij ofkrachtens artikel 2.20, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.7,nog steeds meer broeikasgassen uitstoot dan deze norm.2. Het college trekt de ontheffing in indien:a. het college een melding als bedoeld in het eerste lid heeft ontvangen;b. de ontheffing geen betrekking meer heeft op een klein collectiefwarmtesysteem.3. Het college kan de ontheffing intrekken indien het warmtebedrijf:a. de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen nietnakomt;b. in de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;c. hierom verzoekt.4. De ontheffing wordt op grond van het tweede lid, onderdeel a, en hetderde lid, niet ingetrokken voordat:a. aan een ander warmtebedrijf op grond van artikel 3.1, eerste lid, eenontheffing is verleend voor het gebied waarvoor de ontheffing geldt, ofb. een ander warmtebedrijf een aanwijzing is verleend voor het gebiedwaarvoor de ontheffing geldt.5. Indien binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn aan eenander warmtebedrijf geen ontheffing is verleend dan wel geen anderwarmtebedrijf een aanwijzing heeft verkregen, stelt het college een planop waarin is beschreven hoe de levering van warmte aan verbruikers vanhet warmtebedrijf kan worden verzekerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 237 6. Indien de ontheffing op grond van het tweede lid, onderdeel b, wordtingetrokken wordt het warmtebedrijf een aangewezen warmtebedrijf voorhet gebied waarvoor de ontheffing gold. Dit gebied wordt geacht eenwarmtekavel te zijn. De beperkingen en voorschriften verbonden aan deontheffing gaan gelden als aan de aanwijzing verbonden beperkingen envoorschriften.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de gronden, genoemd in het tweede en derde lid;b. de procedure en voorwaarden die gelden als een ontheffing wordtingetrokken.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld met betrekking tot:a. de procedure waarbinnen het college een ander warmtebedrijf eenontheffing verleent of een ander warmtebedrijf aanwijst;b. de inhoud van het plan, bedoeld in het vijfde lid, en de termijnwaarbinnen het college het plan moet hebben opgesteld.Artikel 3.4 overdragen ontheffing 1. Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf instemmen metde overdracht van een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, aaneen ander warmtebedrijf.2. Alvorens een warmtebedrijf een aanvraag om instemming met deoverdracht van een ontheffing indient, meldt het warmtebedrijf aan deAutoriteit Consument en Markt het voornemen een dergelijke aanvraag inte dienen.3. De Autoriteit Consument en Markt deelt het warmtebedrijf binnen eenbij ministeriële regeling te bepalen termijn na ontvangst van de meldingmede of het een aanvraag bij de Autoriteit Consument en Markt moetindienen waarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bijbesluit vast te stellen of het andere warmtebedrijf:a. voldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 3.6, in het gebied waarop de aanvraag betrekking heeft;b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.6, in hetgebied waarop de aanvraag betrekking heeft, uit te voeren.4. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in hetderde lid, voorschriften en beperkingen verbinden.5. Het warmtebedrijf overlegt bij een aanvraag om een ontheffing inieder geval:a. de reactie van de Autoriteit Consument en Markt op grond van hetderde lid op de melding van het warmtebedrijf, enb. het besluit van de Autoriteit Consument en Markt, bedoeld in hetderde lid, waarin is vastgesteld dat het andere warmtebedrijf voldoet aande gronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b, indien deAutoriteit Consument en Markt in de reactie op grond van het derde lidheeft aangegeven dat het warmtebedrijf een aanvraag om een besluit alsbedoeld in het derde lid moet indienen.6. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag ominstemming indien het andere warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid:a. onvoldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 3.6, voor het gebied, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid;b. onvoldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 3.6, inhet gebied waarvoor de ontheffing geldt uit te voeren;c. niet heeft ingestemd met de overdracht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 238 7. Het zesde lid, onderdelen a en b, is niet van toepassing indien deAutoriteit Consument en Markt een besluit als bedoeld in het derde lid,heeft genomen waarin is vastgesteld dat het andere warmtebedrijfvoldoet aan de gronden, genoemd in het derde lid, onderdelen a en b.8. Het college kan voorschriften en beperkingen aan de instemmingverbinden.9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag om instemming op grond van heteerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om instemming teverstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen hetcollege een besluit neemt;b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in het derdelid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit te verstrekkengegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen de AutoriteitConsument en Markt een besluit neemt;c. de gronden, genoemd in het derde lid.10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde en achtste lid;b. de afwijzingsgronden, genoemd in het zesde lid.Artikel 3.5 toezending aan de Autoriteit Consument en Markt Het college zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschriftvan de ontheffing, bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, de wijziging van deontheffing, bedoeld in artikel 3.2, eerste lid, de intrekking van deontheffing, bedoeld in artikel 3.3, tweede en derde lid, het plan, bedoeld inartikel 3.3, vijfde lid, en de instemming met de overdracht van eenontheffing, bedoeld in artikel 3.4, eerste lid.§ 3.3. Taken van een warmtebedrijf Artikel 3.6 taken 1. Het warmtebedrijf waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1,eerste lid, is verleend heeft uitsluitend tot taak om in het gebied waarvoorde ontheffing geldt:a. een klein collectief warmtesysteem op een doelmatige wijze aan teleggen, te beheren en te onderhouden;b. warmte op een doelmatige wijze te transporteren en te leveren aandegene die een leveringsaansluiting heeft op een binnen het gebiedaangelegd klein collectief warmtesysteem;c. zorg te dragen voor een betrouwbare levering van warmte metinachtneming van een goede kwaliteit van dienstverlening;d. warmte te leveren tegen transparante tarieven en onder transparanteen redelijke voorwaarden;e. de leveringszekerheid op een doelmatige wijze zeker te stellen;f. de veiligheid van het klein collectief warmtesysteem op eendoelmatige wijze te waarborgen;g. de duurzaamheid van het klein collectief warmtesysteem op eendoelmatige wijze te waarborgen;h. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indienhet gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor ineen omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik vangas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover vantoepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten,als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 239 collectief warmtesysteem is aangewezen, tenzij deze gebouweigenaarnaar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid,gelezen in samenhang met artikel 3.7, heeft aangegeven niet aangeslotente willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden klein collectiefwarmtesysteem;i. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indienhet gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebied waarvoor ineen omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik vangas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover vantoepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten,als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door eencollectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaarnaar aanleiding van het verzoek, bedoeld in artikel 2.25, tweede lid,gelezen in samenhang met artikel 3.7, heeft aangegeven niet aangeslotente willen worden op een nog aan te leggen of uit te breiden klein collectiefwarmtesysteem maar alsnog heeft verzocht om een leveringsaansluiting,tenzij:1°. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluitingaan te brengen;2°. door de leveringsaansluiting de overige aan het warmtebedrijfopgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden;j. een gebouweigenaar te voorzien van een leveringsaansluiting indienhet gebouw zich bevindt in een wamtekavel en in een gebied waarvoor ineen omgevingsplan regels zijn gesteld die in dat gebied het gebruik vangas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, en voor zover vantoepassing, voor de energievoorziening van milieubelastende activiteiten,als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoor verwarming door eencollectief warmtesysteem is aangewezen, en indien deze gebouweigenaarna de aanleg of uitbreiding van het klein collectief warmtesysteem heeftverzocht om een leveringsaansluiting, tenzij:1°. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluitingaan te brengen;2°. door de leveringsaansluiting de overige aan het warmtebedrijfopgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerd kunnen worden;k. een gebouweigenaar op verzoek op een doelmatige wijze en binneneen redelijke termijn af te sluiten van het klein collectief warmtesysteem;l. het verbruik van warmte van een op het klein collectief warmte-systeem aangesloten verbruiker te meten;m. ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijnbeschikt over een warmtemeter door middel van verhuur of een warmte-kostenverdeler, of dat binnen een redelijke termijn een verbruiksonafhan-kelijke warmtekostenverdeelsystematiek wordt toegepast;n. een verbruiker de gegevens te verstrekken die deze voor een efficiëntgebruik van de geleverde warmte op grond van de leveringsovereen-komst nodig heeft;o. ervoor te zorgen dat een verbruiker binnen een redelijke termijnbeschikt over een afleverset voor warmte indien:1°. een bestaande afleverset voor warmte dient te worden vervangen;2°. een nieuwe afleverset voor warmte dient te worden geïnstalleerd ineen nieuw of bestaand gebouw,tenzij dit voor de levering van warmte niet noodzakelijk is;p. zorg te dragen voor het beheer en onderhoud van de bij eenverbruiker geïnstalleerde warmtemeter, warmtekostenverdeler enafleverset voor warmte.2. Indien een gebouw zich bevindt in een warmtekavel en in een gebiedwaarvoor in een omgevingsplan geen regels zijn gesteld die in dat gebiedhet gebruik van gas uitsluiten als warmtevoorziening van gebouwen, envoor zover van toepassing, voor de energievoorziening van milieubelas-tende activiteiten, als bedoeld in artikel 62a Gaswet, en waarvoorverwarming door een collectief warmtesysteem niet is aangewezen, heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 240 het warmtebedrijf in plaats van de taken, bedoeld in het eerste lid,onderdelen h tot en met j, tot taak de gebouweigenaar te voorzien van eenleveringsaansluiting indien deze hierom heeft verzocht, tenzij:a. het redelijkerwijs technisch niet mogelijk is de leveringsaansluitingaan te brengen;b. door de leveringsaansluiting de overige aan het aangewezenwarmtebedrijf opgedragen taken en verplichtingen niet uitgevoerdkunnen worden.3. Het warmtebedrijf heeft tevens tot taak het warmtenet waarmeewarmte getransporteerd wordt van een warmtebron naar het gebiedwaarvoor de ontheffing geldt op een doelmatige wijze aan te leggen, tebeheren en te onderhouden. Het eerste lid, onderdelen a en f, is vanovereenkomstige toepassing.4. Het derde lid is niet van toepassing indien de taak, bedoeld in hetderde lid, reeds rust op een ander aangewezen warmtebedrijf of eenwarmtebedrijf met een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid.5. Een warmtebedrijf kan ter uitvoering van de taken, bedoeld in heteerste, tweede en derde lid, werkzaamheden laten uitvoeren door eenderde. Het warmtebedrijf behoudt de verantwoordelijkheid voor deuitvoering van deze werkzaamheden.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over een taak als bedoeld in het eerste, tweede enderde lid.§ 3.4. Verplichtingen warmtebedrijf Artikel 3.7 artikelen hoofdstuk 2 van overeenkomstigetoepassing De artikelen 2.13, 2.18 tot en met 2.20, 2.22 tot en met 2.42, 2.45, 2.46,2.48 en 2.49 zijn van overeenkomstige toepassing indien aan eenwarmtebedrijf een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1, eerste lid, isverleend met dien verstande dat telkens voor «artikel 2.12» wordt gelezen«artikel 3.6».Artikel 3.8 financiële monitoring 1. Een warmtebedrijf waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1,eerste lid, is verleend stelt elke drie jaar binnen een bij ministeriëleregeling te bepalen termijn een plan op met een beschrijving van:a. de organisatorische en technische bekwaamheid van hetwarmtebedrijf;b. de financiële situatie van het warmtebedrijf en in voorkomend gevalvan de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het BurgerlijkWetboek waartoe het warmtebedrijf behoort.2. Het warmtebedrijf verstrekt op verzoek van de Autoriteit Consumenten Markt het plan.3. Het warmtebedrijf meldt de Autoriteit Consument en Markt onmid-dellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiële situatie van hetwarmtebedrijf of in voorkomend geval de groep, bedoeld in artikel 24bvan Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoortsignificant verslechtert.4. De Autoriteit Consument en Markt kan:a. het warmtebedrijf opdragen de organisatorische en technischebekwaamheid te verbeteren;b. het warmtebedrijf en een rechtspersoon of vennootschap die deeluitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van hetBurgerlijk Wetboek waartoe het warmtebedrijf behoort opdragen het plante wijzigen of maatregelen te treffen teneinde de financiële situatie teverbeteren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 241 5. Het warmtebedrijf, de rechtspersoon of vennootschap volgen deopdracht op grond van het vierde lid op.6. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht verbinden.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de informatie, bedoeld in het eerste lid;b. de wijze waarop het warmtebedrijf de informatie meldt op grond vanhet eerste lid;c. de eisen aan de financiële situatie, bedoeld in het derde lid;d. de omstandigheden waarin sprake is van een significante verslech-tering van de financiële situatie als bedoeld in het derde lid.Artikel 3.9 plan leveringszekerheid en duurzaamheid 1. Het warmtebedrijf waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1,eerste lid, is verleend stelt elke drie jaar binnen een bij ministeriëleregeling te bepalen termijn voor het gebied, bedoeld in artikel 3.1, eerstelid, een plan op met in ieder geval een beschrijving van:a. de wijze waarop gedurende de komende drie jaar de leveringsze-kerheid wordt verzekerd;b. welke risico’s voor de leveringszekerheid gedurende de komende driejaar zich kunnen voordoen;c. de wijze waarop deze risico’s ondervangen zullen worden;d. de wijze waarop het warmtebedrijf de bij of krachtens artikel 2.20,eerste lid, bepaalde normen, gelezen in samenhang met artikel 3.7,voornemens is te bereiken.2. Het warmtebedrijf verstrekt het plan op verzoek van:a. de Autoriteit Consument en Markt;b. het college.3. De Autoriteit Consument en Markt kan ambtshalve of op advies vanhet college het warmtebedrijf binnen een bij ministeriële regeling tebepalen termijn na het verzoek opdragen het plan te wijzigen.4. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht verbinden.5. Het warmtebedrijf volgt de opdracht op en voert de in het planopgenomen maatregelen uit.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de inhoud van het plan.Artikel 3.10 ontheffing normen uitstoot broeikasgassen 1. De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van eenwarmtebedrijf voor een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalenperiode ontheffing verlenen van de normen bepaald bij of krachtensartikel 2.20, eerste lid, gelezen in samenhang met artikel 3.7, voor eenklein collectief warmtesysteem als bedoeld in artikel 12.11, eerste lid,indien:a. dit klein collectief warmtesysteem afhankelijk is van eenniet-duurzame warmtebron die het klein collectief warmtesysteem vooreen groot deel van warmte voorziet, enb. aannemelijk is dat het warmtebedrijf niet kan voldoen aan de normenbepaald bij of krachtens artikel 2.20, eerste lid, doordat de vervanging vande niet-duurzame warmtebron door een duurzame warmtebron nietuitvoerbaar is.2. De Autoriteit Consument en Markt kan aan de ontheffingvoorschriften en beperkingen verbinden alsmede op aanvraag van eenwarmtebedrijf de geldigheidsduur van een ontheffing verlengen.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 242 a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraagte verstrekken gegevens en bescheiden;b. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluittot ontheffing neemt;c. de periode, bedoeld in het eerste lid;d. wanneer er sprake is van een groot deel als bedoeld in het eerste lid,onderdeel a;e. de voorwaarden waaronder een aanvraag om verlenging van hettijdvak waarvoor een ontheffing geldt wordt ingewilligd.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de voorschriften en beperkingen die aan eenontheffing kunnen worden verbonden.Artikel 3.11 eigendom warmtenet van een klein collectiefwarmtesysteem 1. Een warmtebedrijf waaraan een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1,eerste lid, is verleend, beschikt over de eigendom van het warmtenet vaneen klein collectief warmtesysteem waarop de taken, bedoeld inartikel 3.6, van het warmtebedrijf betrekking hebben.2. Het warmtebedrijf draagt de eigendom van het warmtenet over aanhet daarop volgende warmtebedrijf dat de ontheffing, bedoeld inartikel 3.1, eerste lid, heeft verkregen, of dat een aanwijzing heeftverkregen voor het gebied waarvoor de ontheffing gold, indien deontheffing van het warmtebedrijf:a. is gewijzigd op grond van artikel 3.2, eerste lid, voor zover het gebiedwaarvoor de ontheffing gold is verkleind;b. is ingetrokken op grond van artikel 3.3, tweede of derde lid;c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van deontheffing;d. is overgedragen op grond van artikel 3.4, eerste lid.3. Het warmtebedrijf waarvan de ontheffing is gewijzigd, ingetrokken,komen te vervallen of overgedragen heeft recht op een tegenprestatie vanhet daarop volgende warmtebedrijf dat de ontheffing, bedoeld inartikel 3.1, eerste lid, heeft verkregen, die de marktwaarde van deverschafte rechten op het warmtenet vertegenwoordigt.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de overdracht van de eigendom van het warmtenet ende tegenprestatie.§ 3.5. Overige bepalingen Artikel 3.12 verbod handelen in strijd met voorschriften enbeperkingen Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperking:a. als bedoeld in de artikelen 3.1, negende lid, en 3.4, achtste lid;b. als bedoeld in de artikelen 3.1, vierde lid, 3.4, vierde lid, 3.8, zesde lid,3.9, vierde lid, en 3.10, tweede lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 243 HOOFDSTUK 4. VERHUURDERS EN VERENIGINGEN VANEIGENAARS § 4.1. Meldplicht en ontheffing Artikel 4.1 meldplicht 1. Een verhuurder of een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm meldt aan het college de voorgenomen leveringen het voorgenomen transport van warmte in een bepaald gebied aan zijnhuurder of de leden van de vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm tenzij:a. het de levering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 1.2,eerste lid, onderdeel d, betreft;b. het de doorlevering en het transport van warmte, bedoeld inartikel 1.2, eerste lid, onderdeel e of f, betreft.2. Het college kan de verhuurder, vereniging van eigenaars of daarmeevergelijkbare rechtsvorm binnen een bij ministeriële regeling te bepalentermijn na ontvangst van de melding op grond van het eerste lidaangeven dat een ontheffing aangevraagd dient te worden van artikel 1.2,eerste lid.3. Indien het college binnen de termijn, bedoeld in het tweede lid, nietheeft aangegeven dat een ontheffing aangevraagd dient te worden, wordtvoor de levering en het transport van warmte, bedoeld in het eerste lid,geacht een ontheffing verleend te zijn van artikel 1.2, eerste lid.Artikel 4.2 ontheffing 1. Het college kan op aanvraag van een verhuurder of een verenigingvan eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvorm voor de leveringen het transport van warmte, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, voorminimaal 20 en maximaal 30 jaar een ontheffing verlenen van artikel 1.2,eerste lid. In de ontheffing wordt het gebied aangegeven waarvoor deontheffing geldt.2. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om eenontheffing die betrekking heeft op een gebied dat in een warmtekavel ligtvan een aangewezen warmtebedrijf indien:a. het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat doorde ontheffing het aangewezen warmtebedrijf structureel geen redelijkrendement meer kan behalen;b. het aangewezen warmtebedrijf aannemelijk heeft gemaakt dat doorde ontheffing de tarieven voor de resterende verbruikers van de collec-tieve warmtevoorziening van het aangewezen warmtebedrijf significantverhoogd zullen moeten worden.3. Het college beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag om eenontheffing die betrekking heeft op een gebied dat buiten een warmtekavelligt, indien het door de ontheffing moeilijk of onmogelijk wordt in datgebied een collectieve warmtevoorziening door een nog aan te wijzenwarmtebedrijf aan te leggen, voor zover in de toekomst voor dat gebiedwaarschijnlijk een warmtebedrijf zal worden aangewezen.4. Het college kan aan de ontheffing voorschriften en beperkingenverbinden.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraagte verstrekken gegevens en bescheiden;b. de termijn waarbinnen het college een besluit tot ontheffing neemt.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de afwijzingsgronden, bedoeld in het tweede en derde lid;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 244 b. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het vierde lid.§ 4.2. Wijziging, intrekking en overdragen van een ontheffing Artikel 4.3 melden significante wijziging en wijziging ontheffing 1. De verhuurder of een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm meldt aan het college een significante wijzigingvan de levering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 4.1, eerstelid.2. Het college kan de verhuurder, vereniging van eigenaars of daarmeevergelijkbare rechtsvorm binnen een bij ministeriële regeling te bepalentermijn na ontvangst van de melding aangeven dat:a. een ontheffing aangevraagd dient te worden van artikel 1.2, eerste lid;b. een wijziging van de ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid,aangevraagd dient te worden.3. Voor de significante wijziging van de levering en het transport vanwarmte, bedoeld in het eerste lid, wordt geacht een ontheffing te zijnverleend van artikel 1.2, eerste lid, indien het college binnen de termijn,bedoeld in het tweede lid, niet heeft aangegeven dat voor deze signifi-cante wijziging een ontheffing of een wijziging van de ontheffingaangevraagd dient te worden.4. Het college kan ambtshalve of op aanvraag van een verhuurder ofeen vereniging van eigenaars of een daarmee vergelijkbare rechtsvormeen ontheffing, bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, wijzigen.5. Artikel 4.2, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstigtoepassing op de wijziging van de ontheffing.Artikel 4.4 intrekken ontheffing 1. Het college kan een ontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid,uitsluitend intrekken indien de verhuurder, vereniging van eigenaars ofdaarmee vergelijkbare rechtsvorm:a. de aan de ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen nietnakomt;b. in de aanvraag onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt;c. hierom verzoekt.2. De ontheffing wordt niet ingetrokken voordat:a. aan een andere verhuurder op grond van artikel 4.2, eerste lid, eenontheffing is verleend;b. aan een ander warmtebedrijf op grond van artikel 3.1, eerste lid, eenontheffing is verleend voor het gebied waarop de ingetrokken ontheffingbetrekking heeft, ofc. een warmtebedrijf een aanwijzing heeft verkregen voor het gebiedwaarop de ingetrokken ontheffing betrekking heeft.Artikel 4.5 overdragen ontheffing 1. Een ontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, kan alleen wordenovergedragen aan een andere verhuurder, vereniging van eigenaars ofeen daarmee vergelijkbare rechtsvorm indien deze na de overdracht dewarmte gaat leveren en transporteren als bedoeld in artikel 4.1, eerste lid.2. De verhuurder, vereniging van eigenaars of een daarmee verge-lijkbare rechtsvorm meldt de overdracht van de ontheffing, bedoeld inartikel 4.2, eerste lid, aan het college.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 245 § 4.3. Verplichtingen Artikel 4.6 artikelen hoofdstuk 2 van overeenkomstigetoepassing De artikelen 2.36 en 2.40 tot en met 2.42 zijn van overeenkomstigetoepassing op de levering en het transport van warmte, bedoeld inartikel 4.1, eerste lid.§ 4.4 Overige bepalingen Artikel 4.7 verbod handelen in strijd met voorschriften enbeperkingen Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperkingals bedoeld in artikel 4.2, vierde lid.HOOFDSTUK 5. WARMTETRANSPORTNETTEN § 5.1. Aanwijzing van een warmtetransportbeheerder Artikel 5.1 aanwijzing warmtetransportbeheerder 1. Onze Minister kan op aanvraag van een onderneming voor minimaal20 en maximaal 30 jaar een warmtetransportbeheerder aanwijzen die deexclusieve bevoegdheid heeft binnen een in de aanwijzing aangeduidgebied, de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, uit te voeren.2. Alvorens een onderneming een aanvraag om aangewezen te wordenop grond van het eerste lid indient, dient de onderneming een aanvraag inbij de Autoriteit Consument en Markt waarin de Autoriteit Consument enMarkt verzocht wordt bij besluit vast te stellen of de onderneming:a. voldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 5.6, eerste lid;b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerstelid, uit te voeren;c. voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.14.3. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in hettweede lid voorschriften en beperkingen verbinden.4. Bij een aanvraag om aangewezen te worden op grond van het eerstelid overlegt de onderneming in ieder geval het besluit, bedoeld in hettweede lid, waarin de Autoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld datde onderneming voldoet aan de gronden genoemd in het tweede lid,onderdelen a tot en met c.5. Onze Minister wint alvorens een warmtetransportbeheerder aan tewijzen advies in van het college van de gemeente en gedeputeerde statenvan de provincie op wiens grondgebied:a. de levering van warmte naar redelijke verwachting met gebruik-making van het warmtetransportnet zal plaatsvinden;b. de warmtebronnen zich bevinden waarvan de warmte of restwarmteafkomstig is die naar redelijke verwachting door het warmtetransportnetgetransporteerd zal worden.6. Onze Minister verleent uitsluitend de aanwijzing indien:a. sprake is van een grootschalig aanbod van meerdere warmtebronnendie de lokale warmtebehoefte structureel overstijgt en die met eenwarmtetransportnet op de meest doelmatige wijze beschikbaar kanworden gemaakt;b. er naar verwachting meerdere afzonderlijke afnemers in verschillendegemeenten in de regio warmte van het warmtetransportnet zullenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 246 afnemen;c. het beschikbaar maken van de warmtebronnen, bedoeld inonderdeel a, alleen door de aanwijzing van een warmtetransportbe-heerder leidt tot een efficiënte warmtetransitie in de regio en niet door desamenwerking tussen warmtebedrijven.7. Onze Minister kan voorschriften en beperkingen verbinden aan deaanwijzing.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag om aangewezen te worden op grondvan het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag te verstrekkengegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen Onze Minister hetbesluit tot aanwijzing neemt;b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in hettweede lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit teverstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen deAutoriteit Consument en Markt het besluit neemt;c. de gronden, genoemd in het tweede en het zesde lid.9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels gesteld worden over de voorschriften en beperkingen, bedoeld inhet derde en zevende lid.Artikel 5.2 wijziging aanwijzing van een warmtetransportbe-heerder 1. Onze Minister kan een aanwijzing van een warmtetransportbeheerderwijzigen.2. Artikel 5.1, vijfde tot en met negende lid, is van overeenkomstigetoepassing op deze wijziging waarbij geldt dat het vijfde lid alleen vantoepassing is indien de wijziging van de aanwijzing ziet op een wijzigingvan het gebied, bedoeld in artikel 5.1, eerste lid.Artikel 5.3 intrekking aanwijzing van een warmtetransportbe-heerder 1. De Autoriteit Consument en Markt kan aan Onze Minister melden dateen besluit als bedoeld in artikel 5.7, zesde lid, is genomen waarin deAutoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat er grond is deaanwijzing van een warmtetransportbeheerder in te trekken omdat dewarmtetransportbeheerder:a. niet langer in staat is een taak als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, uitte voeren;b. in strijd handelt met artikel 5.7, vierde lid.2. Onze Minister trekt een aanwijzing van een warmtetransportbe-heerder in indien Onze Minister een melding als bedoeld in het eerste lidheeft ontvangen.3. Onze Minister kan de aanwijzing van een warmtetransportbeheerderintrekken indien:a. de warmtetransportbeheerder de aan de aanwijzing verbondenvoorschriften of beperkingen niet nakomt;b. de warmtetransportbeheerder in de aanvraag onjuiste of onvolledigegegevens heeft verstrekt;c. de warmtetransportbeheerder hierom verzoekt.4. De warmtetransportbeheerder stelt de Autoriteit Consument en Marktzo spoedig mogelijk op de hoogte van het verzoek, bedoeld in het derdelid, onderdeel c.5. De aanwijzing wordt niet ingetrokken voordat een andere onder-neming op grond van artikel 5.1, eerste lid, is aangewezen als warmte-transportbeheerder.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 247 regels worden gesteld over:a. de gronden, genoemd in het derde lid;b. de procedure en de termijn waarbinnen Onze Minister een anderewarmtetransportbeheerder aanwijst.Artikel 5.4 overdragen aanwijzing van een warmtetransportbe-heerder 1. Onze Minister kan op aanvraag van een warmtetransportbeheerderinstemmen met de overdracht van een aanwijzing van een warmtetrans-portbeheerder aan een andere onderneming.2. Alvorens de warmtetransportbeheerder een aanvraag om eeninstemming als bedoeld in het eerste lid indient, dient de warmtetrans-portbeheerder een aanvraag in bij de Autoriteit Consument en Marktwaarin de Autoriteit Consument en Markt verzocht wordt bij besluit vast testellen of de andere onderneming, bedoeld in het eerste lid:a. voldoende beschikt over de organisatorische en technischebekwaamheid noodzakelijk voor de uitvoering van de taken, bedoeld inartikel 5.6, eerste lid;b. voldoende financieel in staat is de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerstelid, uit te voeren;c. voldoet aan de voorwaarden gesteld in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.14.3. De Autoriteit Consument en Markt kan aan het besluit, bedoeld in hettweede lid, voorschriften en beperkingen verbinden.4. Bij een aanvraag om instemming overlegt de warmtetransportbe-heerder in ieder geval het besluit, bedoeld in het tweede lid, waarin deAutoriteit Consument en Markt heeft vastgesteld dat de andere onder-neming, bedoeld in het eerste lid, voldoet aan de gronden, genoemd inhet tweede lid, onderdelen a tot en met c.5. Onze Minister beslist uitsluitend afwijzend op een aanvraag ominstemming indien de andere onderneming, bedoeld in het eerste lid, nietheeft ingestemd met de overdracht.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument enMarkt een besluit als bedoeld in het tweede lid neemt.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag om instemming wordt ingediend, de bijde aanvraag om instemming te verstrekken gegevens en bescheiden ende termijn waarbinnen Onze Minister het besluit tot instemming neemt;b. de wijze waarop de aanvraag om een besluit als bedoeld in hettweede lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om dat besluit teverstrekken gegevens en bescheiden en de termijn waarbinnen deAutoriteit Consument en Markt het besluit neemt;c. de gronden, bedoeld in het tweede lid;.d. de voorschriften en beperkingen, bedoeld in het derde lid.Artikel 5.5 toezending aan de Autoriteit Consument en Markt Onze Minister zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschriftvan de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder, de wijziging van deaanwijzing van een warmtetransportbeheerder, bedoeld in artikel 5.2,eerste lid, de intrekking van de aanwijzing van een warmtetransportbe-heerder, bedoeld in artikel 5.3, tweede en derde lid, en de instemming metde overdracht van de aanwijzing van een warmtetransportbeheerder,bedoeld in artikel 5.4, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 248 § 5.2. Taken van een warmtetransportbeheerder Artikel 5.6 taken 1. De warmtetransportbeheerder heeft uitsluitend tot taak om in hetgebied waarvoor de aanwijzing geldt:a. het warmtetransportnet aan te leggen waardoor op een doelmatigewijze de in de regio aanwezige grote warmtebronnen ontsloten kunnenworden zodat kan worden voldaan aan de verwachte vraag naar warmtein de regio;b. degene die daarom verzoekt te voorzien van een warmtetransport-aansluiting tenzij:1°. daardoor de betrouwbaarheid van het warmtetransport in het gedingkomt;2°. daardoor de efficiënte exploitatie en een efficiënt beheer van hettransportnet in het geding komt;3°. de kosten van de voor de warmtetransportaansluiting noodzakelijkeinvesteringen in het warmtetransportnet niet in verhouding staan tot deverwachte met de warmtetransportaansluiting samenhangendeinkomsten voor de warmtetransportbeheerder;c. het warmtetransportnet op een doelmatige wijze te beheren en teonderhouden;d. de betrouwbaarheid van het warmtetransport op een doelmatigewijze zeker te stellen;e. de veiligheid van het warmtetransportnet op een doelmatige wijze tewaarborgen;f. warmte op een doelmatige wijze te transporteren;g. de beschikbare transportcapaciteit zodanig te verdelen dat dit leidt toteen efficiënt gebruik van het warmtetransportnet;h. de temperatuur van de warmte die wordt ingevoed in en afgenomenvan het warmtetransportnet zodanig vast te stellen dat dit leidt tot eendoelmatig gebruik van het warmtetransportnet;i. het warmtetransportnet als geheel in balans te houden en tewaarborgen dat onbalans op een efficiënte wijze wordt gecorrigeerd ofvoorkomen;j. een programma per warmtetransportaansluiting vast te stellen waarinde hoeveelheid warmte is opgenomen die op de warmtetransportaan-sluiting wordt ingevoed of onttrokken;k. de hoeveelheid warmte per warmtetransportaansluiting te meten dievan het warmtetransportnet wordt afgenomen en ingevoed;l. vraag naar en aanbod van warmte van partijen met een warmtetrans-portaansluiting en partijen die in de toekomst gebruik willen maken vanhet warmtetransportnet in kaart te brengen en bijeen te brengen.2. Een warmtetransportbeheerder kan werkzaamheden laten uitvoerendoor een derde ter uitvoering van de taken, bedoeld in het eerste lid. Dewarmtetransportbeheerder behoudt de verantwoordelijkheid voor deuitvoering van deze werkzaamheden.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de taken van de warmtetransportbeheerder.§ 5.3. Verplichtingen warmtetransportbeheerder § 5.3.1. Niet uit kunnen voeren van een taak Artikel 5.7 meldplicht bij niet nakomen taken 1. Een warmtetransportbeheerder meldt Onze Minister en de AutoriteitConsument en Markt onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat dewarmtetransportbeheerder een taak als bedoeld in artikel 5.6, eerste lid,niet langer kan uitvoeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 249 2. Een warmtetransportbeheerder meldt Onze Minister en de AutoriteitConsument en Markt op korte termijn na de melding:a. welke maatregelen de warmtetransportbeheerder heeft genomen omde taak wederom uit te kunnen voeren of te voorkomen dat de warmte-transportbeheerder de taak niet kan uitvoeren;b. wanneer in voorkomend geval de warmtetransportbeheerder de taakweer uit zal kunnen voeren.3. De Autoriteit Consument en Markt kan de warmtetransportbeheerderopdragen maatregelen te treffen indien redelijkerwijs kan wordenvoorzien dat de warmtetransportbeheerder een taak niet langer kanuitvoeren.4. De warmtetransportbeheerder volgt de opdracht op grond van hetderde lid op.5. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht verbinden.6. De Autoriteit Consument en Markt kan bij besluit vaststellen dat dewarmtetransportbeheerder:a. niet langer in staat is een taak uit te voeren;b. in strijd handelt met het vierde lid.Artikel 5.8 financiële monitoring 1. Een warmtetransportbeheerder zendt elk jaar binnen een bijministeriële regeling te bepalen termijn aan de Autoriteit Consument enMarkt informatie over:a. de organisatorische en technische bekwaamheid van dewarmtetransportbeheerder;b. de financiële situatie van de warmtetransportbeheerder en invoorkomend geval van de groep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 vanhet Burgerlijk Wetboek waartoe de warmtetransportbeheerder behoort.2. Een warmtetransportbeheerder meldt de Autoriteit Consument enMarkt onmiddellijk als redelijkerwijs te voorzien is dat de financiëlesituatie van de warmtetransportbeheerder of in voorkomend geval degroep, bedoeld in artikel 24b van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboekwaartoe de warmtetransportbeheerder behoort significant verslechtert.3. De Autoriteit Consument en Markt kan:a. de warmtetransportbeheerder opdragen de organisatorische entechnische bekwaamheid te verbeteren;b. de warmtetransportbeheerder en een rechtspersoon of vennootschapdie deel uitmaakt van een groep als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 vanhet Burgerlijk Wetboek waartoe de warmtetransportbeheerder behoortopdragen een plan op te stellen of maatregelen te treffen om de financiëlesituatie te verbeteren.4. De warmtetransportbeheerder, de rechtspersoon of vennootschapvolgen de opdracht op grond van het derde lid op.5. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht verbinden.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgesteld over:a. de informatie, bedoeld in het eerste lid;b. de wijze waarop de warmtetransportbeheerder de informatie meldtop grond van het eerste lid;c. de eisen aan de financiële situatie, bedoeld in het tweede lid;d. de omstandigheden waarin sprake is van een significante verslech-tering van de financiële situatie als bedoeld in het tweede lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 250 § 5.3.2. Warmtetransportinvesteringsplan Artikel 5.9 warmtetransportinvesteringsplan 1. Een warmtetransportbeheerder stelt periodiek binnen een bijministeriële regeling te bepalen termijn een warmtetransportinveste-ringsplan op.2. Een warmtetransportinvesteringsplan bevat:a. een beschrijving en onderbouwing van de voorgenomen investe-ringen in de aanleg, uitbreiding of vervanging van het warmtetransportnetdie de warmtetransportbeheerder noodzakelijk acht voor de uitvoeringvan zijn taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, en de in dat lichtoverwogen alternatieven voor de investeringen;b. een beschrijving van de wijze waarop de voorgenomen investeringenpassen binnen een langetermijnvisie van de warmtetransportbeheerderop het warmtetransportnet.3. In het warmtetransportinvesteringsplan wordt rekening gehoudenmet de plannen met betrekking tot de levering van warmte in de regioopgenomen in een omgevingsplan, een omgevingsvisie als bedoeld inartikel 3.1, eerste lid, van de Omgevingswet, of een provincialeomgevingsvisie als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, van deOmgevingswet.4. Een warmtetransportbeheerder legt een ontwerp-warmtetransportinvesteringsplan achtereenvolgens voor aan:a. partijen met een warmtetransportaansluiting en partijen waarvan hetaannemelijk is dat zij zullen verzoeken om een warmtetransportaan-sluiting en verantwoordt daarbij op welke wijze de ingediende zienswijzenal dan niet hebben geleid tot wijziging van het plan;b. het college van de gemeente en gedeputeerde staten van deprovincie op wiens grondgebied de levering van warmte naar redelijkeverwachting gebruik zal maken van het warmtetransportnet en verant-woordt daarbij op welke wijze de ingediende zienswijzen al dan niethebben geleid tot wijziging van het plan;c. de Autoriteit Consument en Markt.5. De Autoriteit Consument en Markt toetst of:a. de in het ontwerp-warmtetransportinvesteringsplan opgenomeninvesteringen noodzakelijk zijn voor de warmtetransportbeheerder om detaken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, op doelmatige wijze uit te voeren;b. de warmtetransportbeheerder ook anderszins in redelijkheid tot hetontwerp-warmtetransportinvesteringsplan heeft kunnen komen.6. Een warmtetransportbeheerder stelt het warmtetransportinveste-ringsplan vast en verantwoordt daarbij op welke wijze de resultaten vande toets van de Autoriteit Consument en Markt op grond van het vijfde lidal dan niet hebben geleid tot wijziging van het investeringsplan.7. Een warmtetransportbeheerder voert de in het warmtetransportinves-teringsplan opgenomen investeringen uit.8. Een warmtetransportbeheerder zendt een wijziging van het warmte-transportinvesteringsplan aan de Autoriteit Consument en Markt. Hetvierde tot en met zevende lid en negende en tiende lid zijn van overeen-komstige toepassing op een significante wijziging van de investeringenals bedoeld in het tweede lid.9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de frequentie waarmee een warmtetransportinvesteringsplan wordtopgesteld;b. de procedure voor totstandkoming;c. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt hetontwerp-warmtetransportinvesteringsplan toetst.10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 251 a. de inhoud en het aggregatieniveau van eenwarmtetransportinvesteringsplan;b. een wijziging van het warmtransportinvesteringsplan;c. de wijze waarop de noodzakelijkheid van de investeringen wordtaangetoond.Artikel 5.10 exploitatieplan 1. Een warmtetransportbeheerder stelt periodiek binnen een bijministeriële regeling te bepalen termijn een exploitatieplan op.2. Een exploitatieplan bevat:a. een beschrijving van de wijze waarop vorm wordt gegeven aan detaken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, onderdelen d, h, i en l;b. een beschrijving van de wijze waarop met schaarste van transportca-paciteit wordt omgegaan;c. een overzicht van goederen en diensten die worden aangeboden inverband met het transport van warmte.3. De warmtetransportbeheerder zendt op verzoek van de AutoriteitConsument en Markt het exploitatieplan naar de Autoriteit Consument enMarkt.4. De Autoriteit Consument en Markt kan de warmtetransportbeheerderbinnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn na het verzoekopdragen het exploitatieplan te wijzigen indien door de inhoud van ditplan de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, in hetgeding kan komen.5. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht op grond van het vierde lid verbinden.6. De warmtetransportbeheerder volgt de opdracht op en voert de in hetexploitatieplan opgenomen maatregelen uit.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de frequentie waarmee een exploitatieplan wordt opgesteld;b. de procedure voor totstandkoming en bekendmaking van eenexploitatieplan.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de inhoud van een exploitatieplan;b. een wijziging van een exploitatieplan.§ 5.3.3. Waarborgen onafhankelijkheid warmtetransportbeheerder Artikel 5.11 waarborgen voor onafhankelijkheid Het is een warmtetransportbeheerder verboden in het gebied waarvoordeze op grond van artikel 5.1, eerste lid, is aangewezen warmte teproduceren, te leveren of daarin te handelen.Artikel 5.12 toegestane activiteiten 1. Een warmtetransportbeheerder en een met een warmtetransportbe-heerder verbonden groepsmaatschappij als bedoeld in artikel 24b vanBoek 2 van het Burgerlijk wetboek beperkt zich naast de in artikel 5.6,eerste lid, toegekende taken in Nederland tot handelingen en activiteitendie gerelateerd zijn aan de aanleg en het beheer van energie-infrastructuur.2. Onder handelingen en activiteiten worden in ieder geval verstaanhandelingen en activiteiten als bedoeld in artikel 3.19, tweede lid, en 3.20,eerste lid, van de Energiewet.3. Onder energie-infrastructuur wordt in ieder geval verstaan:a. een transmissiesysteem of distributiesysteem als bedoeld inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 252 artikel 1.1 van de Energiewet;b. infrastructuur voor koolstofdioxide, waterstof, warmte, koude enbiogas.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels gesteld worden over de handelingen en activiteiten, bedoeld in heteerste lid.§ 5.3.4. Informatieverplichtingen Artikel 5.13 verstrekken informatie 1. De warmtetransportbeheerder verstrekt op verzoek van de partijen,bedoeld in artikel 5.9, vierde lid, onderdeel a, of het college of gedepu-teerde staten, bedoeld in artikel 5.9, vierde lid, onderdeel b:a. een overzicht van goederen en diensten die worden aangeboden inverband met het transport van warmte;b. informatie over de prijzen van en voorwaarden waaronder dezegoederen en diensten kunnen worden geleverd.2. Een partij die verzoekt om een warmtetransportaansluiting omwarmte op het warmtetransportnet te kunnen invoeden stelt aan dewarmtetransportbeheerder informatie ter beschikking:a. tegen welke prijzen en voorwaarden zij goederen en dienstenaanbiedt in verband met de productie van warmte of het ter beschikkingstellen van restwarmte;b. over de uitstoot van broeikasgassen ten gevolge van de te leverenwarmte.3. De warmtetransportbeheerder verstrekt de informatie over degoederen en diensten, bedoeld in het tweede lid, op verzoek aan departijen, bedoeld in artikel 5.9, vierde lid, onderdeel a, of het college ofgedeputeerde staten, bedoeld in artikel 5.9, vierde lid, onderdeel b.§ 5.3.5. Overige verplichtingen Artikel 5.14 aandelen warmtetransportbeheerder in handen vaneen openbaar lichaam 1. De aandelen in een warmtetransportbeheerder berusten direct ofindirect bij de Staat der Nederlanden, een provincie, gemeente of anderopenbaar lichaam, onverminderd het bepaalde in artikel 3.15 van deEnergiewet.2. Onder indirect berusten wordt verstaan dat de aandelen in eenwarmtetransportbeheerder, berusten bij één of meer rechtspersonenwaarvan alle aandelen worden gehouden door de Staat der Nederlanden,een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam of bij een rechts-persoon die een volledige dochtermaatschappij is van één of meerrechtspersonen waarvan alle aandelen worden gehouden door de Staatder Nederlanden, een provincie, gemeente of ander openbaar lichaam.Artikel 5.15 eigendom warmtetransportnet 1. De warmtetransportbeheerder beschikt over de eigendom van hetdoor hem beheerde warmtetransportnet.2. De warmtetransportbeheerder draagt de eigendom van het warmte-transportnet over aan de daarop volgende warmtetransportbeheerder,indien de aanwijzing van de warmtetransportbeheerder:a. is gewijzigd op grond van artikel 5.2, voor zover het gebied waaropde aanwijzing betrekking heeft is verkleind;b. is ingetrokken op grond van artikel 5.3, tweede of derde lid;c. is komen te vervallen door het verloop van de termijn van deaanwijzing;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 253 d. is overgedragen op grond van artikel 5.4, eerste lid.3. De warmtetransportbeheerder waarvan de aanwijzing is gewijzigd,ingetrokken, komen te vervallen of overgedragen heeft recht op eentegenprestatie die de marktwaarde van de verschafte rechten op hetwarmtetransportnet vertegenwoordigt.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de overdracht van de eigendom van het warmtetrans-portnet en de tegenprestatie.§ 5.4. Verplichtingen derden Artikel 5.16 warmteprogramma 1. Degene die een warmtetransportaansluiting heeft is verantwoordelijkvoor het opstellen van een warmteprogramma waarin is opgenomen:a. hoeveel warmte op de warmtetransportaansluiting wordt ingevoed ofonttrokken;b. wanneer de invoeding of onttrekking van warmte plaatsvindt.2. De verantwoordelijkheid, bedoeld in het eerste lid, kan in zijn geheelworden overgedragen.3. Een aansluitingsverantwoordelijke zendt het warmteprogramma naarde warmtetransportbeheerder.4. De aansluitingsverantwoordelijke is verantwoordelijk voor eenafwijking van het warmteprogramma.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. het warmteprogramma en de wijze waarop het warmteprogrammawordt ingediend;b. de verantwoordelijkheid, bedoeld in het eerste lid;c. de overdracht van de verantwoordelijkheid, bedoeld in het tweede lid.Artikel 5.17 verbod overdragen warmtetransportcapaciteit 1. Het is een partij die warmtetransportcapaciteit afneemt van dewarmtetransportbeheerder verboden warmtetransportcapaciteit van dewarmtetransportbeheerder af te nemen anders dan voor eigen gebruik.2. Een partij die warmtetransportcapaciteit afneemt van de warmte-transportbeheerder en die niet gebruikt, stelt op verzoek van de warmte-transportbeheerder deze warmtetransportcapaciteit ter beschikking indiener geen warmtetransportcapaciteit beschikbaar is voor een andere partijmet een warmtetransportaansluiting en deze partij om deze warmtetrans-portcapaciteit heeft verzocht.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. het eigen gebruik van de warmtetransportcapaciteit, bedoeld in heteerste lid;b. de situaties waarin op grond van het tweede lid warmtetransportca-paciteit ter beschikking gesteld wordt.§ 5.5. Overige bepalingen Artikel 5.18 verbod handelen in strijd met voorschriften enbeperkingen Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperkingals bedoeld in de artikelen 5.1, derde en zevende lid, 5.4, derde lid, 5.7,vijfde lid, 5.8, vijfde lid, en 5.10, vijfde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 254 HOOFDSTUK 6. WARMTEPRODUCTIE § 6.1. Restwarmte Artikel 6.1 informatieverplichting producent van restwarmte 1. Een producent van restwarmte die deze warmte ongebruikt terechtlaat komen in lucht of water geeft een warmtebedrijf op verzoek van datwarmtebedrijf informatie over:a. de productiecapaciteit van restwarmte nu en de verwachte productie-capaciteit van restwarmte in de toekomst;b. de kenmerken van deze productiecapaciteit van restwarmte;c. de geschatte termijn waarop de restwarmte beschikbaar gemaakt kanworden.2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgesteld over:a. de eisen waaraan een verzoek als bedoeld in het eerste lid ten minstemoet voldoen;b. de informatie over de kenmerken van de productiecapaciteit vanrestwarmte;c. de termijn waarbinnen de informatie wordt verstrekt.Artikel 6.2 ter beschikking stellen restwarmte 1. Een producent van restwarmte die deze warmte ongebruikt terechtlaat komen in lucht of water stelt deze ter beschikking aan een warmtebe-drijf op een warmte overdrachtsstation waar de restwarmte wordtovergedragen op de collectieve warmtevoorziening of het klein collectiefwarmtesysteem van het warmtebedrijf of een warmtetransportnet vaneen warmtetransportbeheerder voor zover dit warmtebedrijf daarom heeftverzocht en indien de afname en het transport van de restwarmte vanafdat warmte overdrachtsstation mogelijk is gemaakt door het warmtebe-drijf.2. Een producent van restwarmte die deze warmte ter beschikking steltkan uitsluitend de volgende kosten in rekening brengen:a. de kosten die redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de wijziging vande restwarmte producerende installatie die noodzakelijk is om derestwarmte ter beschikking te stellen aan het warmtebedrijf dat daaromheeft verzocht;b. de kosten van de aanleg van het geheel van tot elkaar behorende,met elkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overigehulpmiddelen voor zover de aanleg noodzakelijk is voor het transport vande restwarmte door de producent van restwarmte tot aan het warmteoverdrachtsstation waar de restwarmte wordt overgedragen op decollectieve warmtevoorziening of het klein collectief warmtesysteem vanhet warmtebedrijf of een warmtetransportnet van eenwarmtetransportbeheerder;c. de jaarlijkse terugkerende kosten gemaakt ten behoeve van deonderdelen a en b.3. De producent van restwarmte maakt de kosten, bedoeld in hettweede lid, op transparante wijze inzichtelijk.4. Het warmtebedrijf en de producent van restwarmte leggen in eenovereenkomst voorafgaande aan het ter beschikking stellen van derestwarmte in ieder geval vast:a. de kenmerken van de productiecapaciteit en hoe en onder welkevoorwaarden de restwarmte ter beschikking wordt gesteld;b. wat de kosten hiervan zijn of hoe de kosten, bedoeld in het tweedelid, worden berekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 255 5. Het eerste lid is niet van toepassing indien de producent vanrestwarmte een toestemming is geweigerd noodzakelijk voor de wijzigingvan de restwarmte producerende installatie, bedoeld in het tweede lid,onderdeel a, of de aanleg van de leidingen, installatie en overigehulpmiddelen, bedoeld in het tweede lid, onderdeel b.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de kosten, bedoeld in het tweede lid, en de wijze waarop deze kostenworden berekend;b. de wijze waarop de kosten, bedoeld in het tweede lid, op transpa-rante wijze inzichtelijk, worden gemaakt;c. de kenmerken van de productiecapaciteit en de voorwaarden,bedoeld in het vierde lid, onderdeel a.§ 6.2. Garanties van oorsprong Artikel 6.3 begripsbepalingen In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaanonder:– garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbarebronnen: gegevens op een rekening voor garanties van oorsprong diebetrekking hebben op thermische energie uit hernieuwbare bronnen enwaarmee wordt aangetoond dat een producent van thermische energiemet zijn installatie een hoeveelheid thermische energie uit hernieuwbarebronnen heeft geproduceerd;– handelaar: onderneming die zich bezighoudt met het verhandelen vangaranties van oorsprong;– meetbedrijf: onderneming die zich bezig houdt met het collecteren,valideren en vaststellen van meetgegevens betreffende thermischeenergie uit hernieuwbare bronnen;– net voor thermische energie: geheel van tot elkaar behorende, metelkaar verbonden leidingen, bijbehorende installaties en overige hulpmid-delen dienstbaar aan het transport van thermische energie uithernieuwbare bronnen, behoudens voor zover deze leidingen, installatiesen hulpmiddelen zijn gelegen in een inpandig leidingstelsel, een binnenin-stallatie of een gebouw of werk van een producent van thermischeenergie en strekken tot toe- of afvoer van thermische energie uithernieuwbare bronnen ten behoeve van dat inpandig leidingstelsel, diebinneninstallatie of dat gebouw of werk van een producent vanthermische energie;– producent van thermische energie: onderneming die zich bezighoudtmet de productie van thermische energie uit hernieuwbare bronnen;– rekening voor garanties van oorsprong: staat waarop een tegoed vangaranties van oorsprong kan worden geboekt in het elektronischesysteem voor het uitgeven, overdragen en innemen van garanties vanoorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen;– thermische energie uit hernieuwbare bronnen: thermische energie dieten behoeve van verwarming of verkoeling van ruimten of processenwordt geleverd door middel van het transport van water of een anderevloeistof en die:a. is opgewekt in een productie-installatie die uitsluitend gebruik maaktvan hernieuwbare bronnen;b. is opgewekt met gebruik van hernieuwbare bronnen in een hybrideproductie-installatie die ook gebruik maakt van energie uit fossielebronnen;– verbruiker van thermische energie: natuurlijk persoon of rechts-persoon aan wie uitsluitend voor eigen verbruik thermische energie uithernieuwbare bronnen wordt geleverd;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 256 – warmteleveringsbedrijf van thermische energie: onderneming die zichbezighoudt met de levering van thermische energie uit hernieuwbarebronnen.Artikel 6.4 taken minister 1. Onze Minister is belast met het uitgeven, overdragen en innemen viaeen elektronisch systeem van garanties van oorsprong voor thermischeenergie uit hernieuwbare bronnen.2. Onze Minister opent op aanvraag van een in Nederland gevestigdeproducent van thermische energie, warmteleveringsbedrijf vanthermische energie of handelaar een rekening voor garanties vanoorsprong. Bij deze aanvraag overlegt de producent van thermischeenergie het resultaat van de vaststelling, bedoeld in artikel 6.5.3. Onze Minister boekt op aanvraag garanties van oorsprong voorthermische energie uit hernieuwbare bronnen op een daarbij aangegevenrekening voor garanties van oorsprong, indien een in Nederland geves-tigde producent van thermische energie bij deze aanvraag de gegevensover de gemeten hoeveelheid thermische energie uit hernieuwbarebronnen overlegt.4. Onze Minister kan de taken, bedoeld in het eerste tot en met derdelid, mandateren aan een niet-ondergeschikte die onafhankelijk is vanproducenten van thermische energie, warmteleveringsbedrijven vanthermische energie en handelaren.Artikel 6.5 vaststelling hernieuwbare bron Een meetbedrijf stelt op verzoek van een producent van thermischeenergie vast of:a. diens productie-installatie geschikt is voor de opwekking vanthermische energie uit hernieuwbare bronnen;b. de inrichting om te meten geschikt is voor de meting van dethermische energie uit hernieuwbare bronnen die met de productie-installatie wordt opgewekt en op een net voor thermische energieingevoed.Artikel 6.6 aantonen opwekking uit hernieuwbare bronnen Een garantie van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbarebronnen toont bij uitsluiting aan dat de daarop aangegeven hoeveelheidthermische energie is geproduceerd uit hernieuwbare bronnen.Artikel 6.7 afboeken garanties van oorsprong Een warmteleveringsbedrijf van thermische energie zorgt ervoor dat alsbewijs van levering van thermische energie uit hernieuwbare bronnen aaneen in Nederland gevestigde verbruiker van thermische energie, binnenéén maand na de levering een corresponderende hoeveelheid garantiesvan oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen vaneen Nederlandse rekening voor garanties van oorsprong wordt afgeboekt.Artikel 6.8 garanties van oorsprong binnen Europese Unie 1. Garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbarebronnen uitgegeven door een onafhankelijke instantie in een anderelidstaat van de Europese Unie, die naar aard en strekking overeenkomenmet in Nederland uitgegeven garanties van oorsprong, worden daarmeegelijkgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 257 2. Garanties van oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbarebronnen uitgegeven door een onafhankelijke instantie in een derde land,die naar aard en strekking overeenkomen met in Nederland uitgegevengaranties van oorsprong, worden niet erkend, behalve indien de EuropeseUnie daarvoor een overeenkomst heeft afgesloten met het derde land ende energie rechtstreeks uit dat land wordt ingevoerd of uitgevoerd.Artikel 6.9 delegatiegrondslag garanties van oorsprong 1. Bij ministeriële regeling worden de tarieven vastgesteld ter dekkingvan de kosten die worden gemaakt met betrekking tot de activiteiten,bedoeld in artikel 6.4.2. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld over:a. de informatie die door een producent van thermische energie,warmteleveringsbedrijf van thermische energie, handelaar of warmte-transportbeheerder verstrekt wordt aan Onze Minister;b. de uitgifte en de geldigheidsduur van een garantie van oorsprongvoor thermische energie uit hernieuwbare bronnen;c. de gegevens die worden vermeld op een garantie van oorsprong voorthermische energie uit hernieuwbare bronnen;d. de voorwaarden waaronder en de wijze waarop een producent vanthermische energie, warmteleveringsbedrijf van thermische energie ofhandelaar gebruik kunnen maken van de door hen verkregen garantiesvan oorsprong voor thermische energie uit hernieuwbare bronnen of dezekunnen verhandelen;e. de vaststelling, bedoeld in artikel 6.5;f. het meten van de hoeveelheid, bedoeld in artikel 6.4, derde lid.§ 6.3. Wijziging in zeggenschap Artikel 6.10 wijziging in zeggenschap 1. Een wijziging met betrekking tot zeggenschap in een installatie vaneen producent met een vermogen van meer dan 20 megawatt, wordtvoorafgaand aan de wijziging door één van de bij deze wijzigingbetrokken partijen binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijngemeld aan Onze Minister.2. Onze Minister kan binnen een bij ministeriële regeling te bepalentermijn op grond van overwegingen van openbare veiligheid, deleveringszekerheid of de betrouwbaarheid van een warmtetransportnet dewijziging verbieden of opdragen maatregelen te treffen.3. Onze Minister kan aan het verbod of de opdracht op grond van hettweede lid beperkingen en voorschriften verbinden. Het is verboden instrijd te handelen met een voorschrift of beperking.4. De producent neemt het verbod in acht of volgt de opdracht op.5. Rechtshandelingen verricht in strijd met het eerste lid of het verbodof opdracht, bedoeld in het vierde lid, zijn vernietigbaar.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgesteld met betrekking tot de melding op grond van het eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 258 HOOFDSTUK 7. TARIEFREGULERING § 7.1. Tariefregulering levering van warmte door een aangewezenwarmtebedrijf § 7.1.1. Door het aangewezen warmtebedrijf in rekening te brengenmaximale tarieven Artikel 7.1 door een aangewezen warmtebedrijf in rekening tebrengen maximale tarieven 1. Een aangewezen warmtebedrijf brengt ten behoeve van het uitvoerenvan de taken, bedoeld in artikel 2.12, bij een kleinverbruiker voor hetleveren van goederen en diensten ten hoogste de tarieven in rekening diezijn vastgesteld op grond van artikel 7.2, eerste lid, waarbij geldt dat hetaangewezen warmtebedrijf bij een kleinverbruiker voor de eerste drie jaarna aanvang van de levering van warmte door middel van de aansluitingvan het gebouw op het collectief warmtesysteem niet een hoger tarief inrekening kan brengen dan het maximale tarief, bedoeld in artikel 2.24,tweede lid, indien een verzoek is gedaan als bedoeld in artikel 2.25, eerstelid.2. Het aangewezen warmtebedrijf brengt tarieven in rekening voor devolgende goederen en diensten:a. het transport en de levering van warmte;b. het transport en levering van koude, indien de levering van koudenoodzakelijk is voor een efficiënte werking van de collectieve warmtevoor-ziening en het warmtebedrijf om die reden de verbruiker uitsluitend demogelijkheid biedt om warmte in combinatie met koude af te nemen;c. de afleverset voor warmte of een afleverset voor warmte en koude;d. het aansluiten op een collectieve warmtevoorziening;e. het afsluiten van een collectieve warmtevoorziening;f. de meting van het warmteverbruik;g. overige goederen of diensten.3. De tarieven zijn non-discriminatoir.4. Een aangewezen warmtebedrijf maakt op transparante wijze detarieven aan verbruikers bekend en openbaar.5. In afwijking van het eerste lid kunnen een aangewezen warmtebedrijfen een kleinverbruiker overeenkomen dat de kleinverbruiker een tarief inrekening wordt gebracht dat afwijkt van het tarief, bedoeld in het eerstelid, indien het aangewezen warmtebedrijf aantoonbaar een aanbod voorlevering van warmte heeft gedaan dat in ieder geval de mogelijkheidbevat om warmte geleverd te krijgen tegen ten hoogste het tarief, bedoeldin het eerste lid.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de goederen en diensten, bedoeld in het tweede lid;b. de wijze van bekendmaking en openbaarmaking van de tarieven,bedoeld in het vierde lid;c. het aanbod, bedoeld in het vijfde lid.§ 7.1.2. Vaststelling maximale tarieven voor kleinverbruikers door deAutoriteit Consument en Markt (fase 1) Artikel 7.2 vaststelling maximale tarieven fase 1 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt jaarlijks de maximale tarievenvast die een aangewezen warmtebedrijf voor de goederen en diensten,bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, in rekening kan brengen bij eenkleinverbruiker.2. De tarieven zijn non-discriminatoir en worden berekend op grondTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 259 van:a. een gecorrigeerd gasreferentietarief, ofb. een kostengebaseerd referentietarief inclusief een door de AutoriteitConsument en Markt vast te stellen redelijk rendement.3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of de maximaletarieven worden berekend op grond van het tweede lid, onderdeel a ofonderdeel b, waarbij de berekeningsmethode per goed of dienst kanverschillen.4. Van het besluit tot vaststelling van de maximale tarieven wordtmededeling gedaan in de Staatscourant.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de correctie op het gasreferentietarief, het kostengebaseerd referen-tietarief en de methode voor het berekenen van de tarieven;b. de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, ensubcategorieën van deze goederen en diensten;c. de verschillen in de berekeningsmethode, bedoeld in het derde lid;d. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen een vast,variabel, eenmalig of periodiek tarief.§ 7.1.3. Vaststelling maximale tarieven en tariefformules voor kleinver-bruikers door de Autoriteit Consument en Markt (fase 2) Artikel 7.3 vaststelling berekeningsmethode maximale tarievenen tariefformules in methodebesluit 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt voor een periode vanminimaal drie en maximaal vijf jaar een methodebesluit vast.2. De Autoriteit Consument en Markt stelt in het methodebesluit:a. de methode voor de berekening van de maximale tarieven vast dieeen aangewezen warmtebedrijf voor de goederen en diensten, bedoeld inartikel 7.1, tweede lid, in rekening kan brengen bij een kleinverbruiker;b. de methode voor het vaststellen van de tariefformules vast op grondwaarvan het aangewezen warmtebedrijf de maximale tarieven voor degoederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, berekent die hetin rekening kan brengen bij een kleinverbruiker.3. De methodes, bedoeld in het tweede lid, zijn kostengebaseerdinclusief een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellenredelijk rendement en bevatten een efficiëntieprikkel die het aangewezenwarmtebedrijf stimuleert efficiënte kosten te maken die in het economischverkeer gebruikelijk zijn, waarborgen een betrouwbare, betaalbare enduurzame warmtevoorziening en bevorderen de ontwikkeling vancollectieve warmte.4. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of de maximaletarieven voor de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid,worden berekend op grond van het tweede lid, onderdeel a ofonderdeel b, waarbij de berekeningsmethode per goed of dienst kanverschillen.5. De maximale tarieven en tariefformules kunnen per type collectievewarmtevoorziening verschillend worden vastgesteld.6. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing opde voorbereiding van het methodebesluit.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de methode voor de berekening van de maximale tarieven en demethode voor het vaststellen van de tariefformules;b. de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid, ensubcategorieën van deze goederen en diensten;c. de verschillende typen collectieve warmtevoorzieningen, bedoeld inhet vijfde lid;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 260 d. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen een vast,variabel, eenmalig of periodiek tarief.Artikel 7.4 tariefbesluit 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt jaarlijks een tariefbesluit vastvoor de goederen en diensten waarvoor de tarieven worden berekend opgrond van het artikel 7.3, tweede lid, onderdeel a.2. Van het tariefbesluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de termijn waarbinnen het tariefbesluit wordtvastgesteld.Artikel 7.5 tariefformulebesluit 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt jaarlijks bij besluit detariefformules vast voor de goederen en diensten waarvoor de tarievenworden berekend op grond van het artikel 7.3, tweede lid, onderdeel b.2. Van het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordt mededeling gedaanin de Staatscourant.3. De Autoriteit Consument en Markt kan tarieven die gelden in eenbepaald jaar corrigeren, indien de tariefformules door een aangewezenwarmtebedrijf onjuist zijn toegepast.4. Indien de Autoriteit Consument en Markt de tarieven gewijzigdvaststelt naar aanleiding van een het onjuist toepassen van de tarieffor-mules, kan zij de aanpassing van de tarieven verdisconteren in de tarievenvoor het eerstvolgende tariefjaar.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de termijn waarbinnen het besluit, bedoeld in het eerste lid, wordtvastgesteld;b. de toepassing van de tariefformules door het aangewezen warmtebe-drijf.§ 7.1.4 Vaststelling maximale tarieven voor verbruikers door de AutoriteitConsument en Markt (fase 3) Artikel 7.6 methodebesluit beoogde of toegestane inkomsten 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt voor een reguleringsperiodevan minimaal drie en maximaal vijf jaar een methodebesluit vast, waarinde methode is opgenomen voor het berekenen van de beoogde oftoegestane inkomsten ten behoeve van het uitvoeren van de taken,bedoeld in artikel 2.12.2. De Autoriteit Consument en Markt stelt jaarlijks op basis van demethode in het methodebesluit de beoogde of toegestane inkomsten vastper warmtebedrijf of warmtekavel.3. De methode op basis waarvan de beoogde of toegestane inkomstenworden vastgesteld is kostengebaseerd inclusief een door de AutoriteitConsument en Markt vast te stellen redelijk rendement en bevat eenefficiëntieprikkel die het aangewezen warmtebedrijf stimuleert efficiëntekosten te maken die in het economisch verkeer gebruikelijk zijn,waarborgt een betrouwbare, betaalbare en duurzame warmtevoorzieningen bevordert de ontwikkeling van collectieve warmte.4. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing opde voorbereiding van het methodebesluit.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de methode bedoeld in het derde lid;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 261 b. de procedure om te komen tot de vaststelling van de beoogde oftoegestane inkomsten.Artikel 7.7 vaststelling maximale tarieven door AutoriteitConsument en Markt op basis van tariefvoorstel 1. Een aangewezen warmtebedrijf zendt jaarlijks op een bij ministeriëleregeling te bepalen moment de Autoriteit Consument en Markt eentariefvoorstel.2. Het tariefvoorstel is non-discriminatoir, is gebaseerd op de op grondvan artikel 7.6, tweede lid, vastgestelde beoogde of toegestane inkomstenen bevat een voorstel voor een tarief ten aanzien van de goederen ofdiensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid.3. De Autoriteit Consument en Markt stelt op basis van het tariefvoorsteljaarlijks de maximale tarieven vast voor de goederen en diensten, bedoeldin artikel 7.1, tweede lid, en betrekt daarbij de op grond van artikel 7.6,tweede lid, vastgestelde beoogde of toegestane inkomsten.4. De Autoriteit Consument en Markt kan een aangewezen warmtebe-drijf opdragen binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn eentariefvoorstel of een wijziging van een tariefvoorstel in te dienen indien:a. de tarieven onvoldoende zijn gebaseerd op de vastgestelde beoogdeof toegestane inkomsten;b. het tariefvoorstel is gebaseerd op onjuiste gegevens;c. de tarieven niet voldoen aan de op grond van het tiende lid gestelderegels;d. de tarieven discriminatoir zijn.5. Indien een aangewezen warmtebedrijf niet binnen een bij ministeriëleregeling te bepalen termijn een tariefvoorstel of een wijziging van eentariefvoorstel heeft ingediend, kan de Autoriteit Consument en Markt detarieven ambtshalve vaststellen.6. De Autoriteit Consument en Markt kan op verzoek van een aange-wezen warmtebedrijf de tarieven die op grond van het derde lid zijnvastgesteld wijzigen indien het aangewezen warmtebedrijf een nieuwgoed of dienst wil aanbieden of een aangeboden goed of dienst signi-ficant wil wijzigen.7. Indien de Autoriteit Consument en Markt de tarieven gewijzigdvaststelt naar aanleiding van een verzoek daartoe van een aangewezenwarmtebedrijf op grond van het zesde lid, kan zij de aanpassing van detarieven verdisconteren in de tarieven voor het eerstvolgende tariefjaar.8. Indien het methodebesluit bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak isvernietigd, berekent de Autoriteit Consument en Markt zo nodig detarieven op grond van het derde lid opnieuw met inachtneming van dieuitspraak. De uitkomsten van de herberekening verdisconteert deAutoriteit Consument en Markt in de tarieven op het eerstvolgendemoment van vaststelling van de tarieven, bedoeld in het derde lid.9. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels gesteld worden over de goederen en diensten, bedoeld in hettweede lid.10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de toegestane inkomsten worden verdeeld over deverschillende goederen en diensten en subcategorieën van deze goederenen diensten die worden aangeboden door een aangewezen warmtebedrijf;b. de wijze waarop de toegestane inkomsten worden geïnd door eenvast, variabel, eenmalig of periodiek tarief;c. de procedure voor het indienen van het tariefvoorstel;d. de wijze waarop het tariefvoorstel, een gewijzigd tariefvoorstel of eenverzoek als bedoeld in het vijfde lid wordt ingediend en de bij hettariefvoorstel of het verzoek te verstrekken gegevens en bescheiden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 262 § 7.1.5. Overige bepalingen Artikel 7.8 regulatorische accountingregels 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt regulatorische accounting-regels vast gericht op de van een warmtebedrijf of de groep waartoe hetbehoort te verkrijgen noodzakelijke gegevens voor de uitvoering van debij of krachtens dit hoofdstuk gegeven bevoegdheden.2. De Autoriteit Consument en Markt kan een aangewezen warmtebe-drijf of de groep waartoe het behoort verzoeken informatie op grond vande regulatorische accountingregels te verstrekken. Het aangewezenwarmtebedrijf verstrekt de informatie binnen de in het verzoek gesteldetermijn.3. De informatie, bedoeld in het tweede lid, is gecontroleerd door eenregisteraccountant indien de Autoriteit Consument en Markt daarom heeftverzocht.Artikel 7.9 afzonderlijke boekhouding 1. Een aangewezen warmtebedrijf voert een afzonderlijke boekhoudingvoor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.12.2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de afzonderlijke boekhouding.Artikel 7.10 transparantie 1. Het aangewezen warmtebedrijf maakt jaarlijks de berekening van detarieven voor de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid,openbaar met uitzondering van bedrijfsvertrouwelijke gegevens.2. Het aangewezen warmtebedrijf verstrekt jaarlijks aan de AutoriteitConsument en Markt een afschrift van de berekening van de tarieven.3. De Autoriteit Consument en Markt maakt jaarlijks de berekening vaneen kostengebaseerd referentietarief inclusief het door de AutoriteitConsument en Markt vastgestelde redelijke rendement als bedoeld inartikel 7.2, tweede lid, onderdeel b, openbaar voor zover dit geenbedrijfsvertrouwelijke gegevens betreft.4. De Autoriteit Consument en Markt kan de gegevens die zij heeftverkregen voor de uitvoering van de bij of krachtens dit hoofdstukgegeven bevoegdheden analyseren en bewerken. De AutoriteitConsument en Markt kan het verslag van de monitoring openbaar maken,voor zover het geen bedrijfsvertrouwelijke gegevens betreft.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de wijze waarop:a. het aangewezen warmtebedrijf jaarlijks de berekening van de tarievenopenbaar dient te maken;b. de Autoriteit Consument en Markt de gegevens, bedoeld in het derdelid, openbaar maakt.Artikel 7.11 inwerkingtreding tarieven en tariefformules De tarieven en tariefformules, bedoeld in artikel 7.3, tweede lid, geldenvanaf een door de Autoriteit Consument en Markt te bepalen tijdstip tot1 januari van het jaar volgend op de datum van inwerkingtreding van hetbesluit tot vaststelling van de tarieven en de tariefformules. Indien op1 januari de tarieven of tariefformules voor dat jaar nog niet zijn vastge-steld, gelden de laatst vastgestelde tarieven of tariefformules tot de datumvan inwerkingtreding van het besluit tot vaststelling van de tarieven oftariefformules voor het volgende jaar. Daarbij verdisconteert de AutoriteitConsument en Markt de te late vaststelling van de tarieven of tarieffor-mules in de tarieven voor het eerstvolgende jaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 263 Artikel 7.12 rendementsmonitor en rendementstoets 1. De Autoriteit Consument en Markt verzamelt, analyseert en bewerktinlichtingen en gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van derendementen in de warmtesector. De Autoriteit Consument en Marktbrengt tweejaarlijks verslag uit van de monitoring aan Onze Minister.2. De Autoriteit Consument en Markt kan, indien de tarieven wordenvastgesteld of berekend op grond van artikel 7.2, eerste lid, toetsen of hetrendement van een aangewezen warmtebedrijf op al zijn warmtekavelsgezamenlijk hoger is dan een door de Autoriteit Consument en Markt vastte stellen redelijk rendement.3. Indien het rendement van een aangewezen warmtebedrijf op al zijnwarmtekavels gezamenlijk hoger is dan een door de Autoriteit Consumenten Markt vast te stellen redelijk rendement, kan de Autoriteit Consumenten Markt het meer dan redelijk behaalde rendement laten verdisconterenin de toekomstige tarieven van dat aangewezen warmtebedrijf.4. De Autoriteit Consument en Markt stelt beleidsregels vast teruitvoering van het tweede en derde lid, waarbij in ieder geval regelsworden gesteld over:a. de wijze van berekenen van het rendement van een aangewezenwarmtebedrijf;b. het redelijk rendement;c. de wijze waarop en de periode waarin verdisconteerd wordt.5. De Autoriteit Consument en Markt maakt de op grond van het eerstelid berekende rendementen per aangewezen warmtebedrijf openbaar.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de inlichtingen en gegevens met betrekkingtot de ontwikkeling van de rendementen in de warmteleveringsmarkt diedoor de Autoriteit Consument en Markt worden verzameld, geanalyseerden bewerkt.Artikel 7.13 correctie van de tarieven door de AutoriteitConsument en Markt De Autoriteit Consument en Markt kan de tarieven die gelden in eenbepaald jaar corrigeren, indien de tarieven die gelden in dat jaar of dejaren voorafgaand aan dat jaar:a. bij rechterlijke uitspraak of met toepassing van de artikel 6:19 of 7:11van de Algemene wet bestuursrecht zijn gewijzigd;b. zijn vastgesteld met inachtneming van onjuiste of onvolledigegegevens en de Autoriteit Consument en Markt, indien zij de beschikkinghad over juiste of volledige gegevens, tarieven zou hebben vastgestelddie in aanmerkelijke mate zouden afwijken van de vastgestelde tarieven;c. zijn berekend met gebruikmaking van geschatte gegevens en defeitelijke gegevens daarvan afwijken.7.1.6. Tariefregulering levering van warmte door een aangewezenwarmtebedrijf aan grootverbruikers Artikel 7.14 vaststelling tarieven voor grootverbruikers 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt overeenkomstig deartikelen 7.3, 7.4 en 7.5 de tarieven of tariefformules vast voor hettransport en de levering van warmte, bedoeld in artikel 7.1, tweede lid,onder a, voor een periode als bedoeld in artikel 7.3, eerste lid, die eenaangewezen warmtebedrijf ten behoeve van het uitvoeren van de taken,bedoeld in artikel 2.12, in rekening kan brengen bij een grootverbruiker.2. Een aangewezen warmtebedrijf brengt bij een grootverbruiker voorhet uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 2.12, ten hoogste tarieven inrekening die zijn vastgesteld of berekend overeenkomstig het eerste lid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 264 waarbij geldt dat het aangewezen warmtebedrijf een grootverbruiker voorde eerste drie jaar na aanvang van de levering van warmte door middelvan de aansluiting van het gebouw op het collectief warmtesysteem nieteen hoger tarief in rekening kan brengen dan het maximale tarief, bedoeldin artikel 2.24, tweede lid, voor zover een verzoek als bedoeld inartikel 2.25, eerste lid, is gedaan.3. De artikelen 7.8 tot en met 7.13 zijn van overeenkomstige toepassing.4. Dit artikel is niet van toepassing op het transport en de levering vanwarmte aan grootverbruikers die zorg dragen voor de doorlevering vanwarmte, bedoeld in artikel 1.1.§ 7.2. Tariefregulering levering van warmte door middel van een kleincollectief warmtesysteem § 7.2.1. Door een warmtebedrijf in rekening te brengen maximale tarieven Artikel 7.15 door een warmtebedrijf in rekening te brengenmaximale tarieven 1. Een warmtebedrijf brengt ten behoeve van het uitvoeren van detaken, bedoeld in artikel 3.6, bij een kleinverbruiker die een leveringsaan-sluiting heeft op een klein collectief warmtesysteem voor het leveren vangoederen en diensten ten hoogste tarieven in rekening die door deAutoriteit Consument en Markt zijn vastgesteld op grond van artikel 7.16,eerste lid, waarbij geldt dat het warmtebedrijf bij degene die eenleveringsaansluiting heeft op een klein collectief warmtesysteem voor deeerste drie jaar na aanvang van de levering van warmte door middel vande aansluiting van het gebouw op het collectief warmtesysteem niet eenhoger tarief in rekening kan brengen dan het maximale tarief, bedoeld inartikel 2.24, tweede lid voor zover een verzoek als bedoeld in artikel 2.25,eerste lid, is gedaan.2. Het warmtebedrijf brengt tarieven in rekening voor de volgendegoederen en diensten:a. het transport en de levering van warmte;b. het transport en levering van koude, indien de levering van koudenoodzakelijk is voor een efficiënte werking van het collectieve warmte-systeem en het warmtebedrijf om die reden de verbruiker uitsluitend demogelijkheid biedt om warmte in combinatie met koude af te nemen;c. de afleverset voor warmte of een afleverset voor warmte en koude;d. het aansluiten op een collectieve warmtevoorziening;e. het afsluiten van een collectieve warmtevoorziening;f. de meting van het warmteverbruik;g. overige goederen en diensten.3. De tarieven zijn non-discriminatoir.4. Een warmtebedrijf maakt op transparante wijze de tarieven aan eenkleinverbruiker bekend.5. In afwijking van het eerste lid kunnen een warmtebedrijf en eenkleinverbruiker die een leveringsaansluiting heeft op een klein collectiefwarmtesysteem overeenkomen dat degene die een leveringsaansluitingheeft op een klein collectief warmtesysteem een tarief in rekening wordtgebracht voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 3.6, datafwijkt van het tarief, bedoeld in het eerste lid, indien het warmtebedrijfaantoonbaar een aanbod voor levering van warmte heeft gedaan dat inieder geval de mogelijkheid bevat om warmte geleverd te krijgen tegenten hoogste het tarief, bedoeld in het eerste lid.6. De artikelen 7.10, 7.11 en 7.13 zijn van overeenkomstige toepassing.7. Voor het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 3.6, ten aanzienvan de levering van warmte door een warmtebedrijf door middel van eenklein collectief warmtesysteem zijn de artikelen 7.8 en 7.9 van overeen-komstige toepassing, met dien verstande dat de Autoriteit Consument enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 265 Markt regulatorische accountingregels vast kan stellen die specifiekgericht zijn op een klein collectief warmtesysteem.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de goederen en diensten, bedoeld in het tweede lid;b. de wijze van bekendmaking van de tarieven, bedoeld in het vierde lid;c. het aanbod, bedoeld in het vijfde lid.§ 7.2.2. Vaststelling maximale tarieven voor kleinverbruikers door deAutoriteit Consument en Markt (fase 1) Artikel 7.16 vaststelling maximale tarieven fase 1 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt jaarlijks de maximale tarievenvast die een warmtebedrijf voor de goederen en diensten, bedoeld inartikel 7.15, tweede lid, in rekening kan brengen bij een kleinverbruiker dieeen leveringsaansluiting heeft op een klein collectief warmtesysteem.2. De tarieven zijn non-discriminatoir en worden berekend op grondvan:a. een gecorrigeerd gasreferentietarief, ofb. een kostengebaseerd referentietarief inclusief een door de AutoriteitConsument en Markt vast te stellen redelijk rendement.3. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of de maximaletarieven voor de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.15, tweede lid,door de Autoriteit Consument en Markt worden berekend op grond vanhet tweede lid, onderdeel a of onderdeel b, waarbij de berekeningsme-thode per goed of dienst kan verschillen.4. De tarieven worden vastgesteld voor de goederen en diensten,bedoeld in artikel 7.15, tweede lid.5. Van het besluit tot vaststelling van de tarieven wordt mededelinggedaan in de Staatscourant.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de correctie van het gasreferentietarief, het kostengebaseerdreferentietarief en de methode voor het berekenen van de tarieven;b. de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.15, tweede lid, ensubcategorieën van deze goederen en diensten;c. de verschillen in de berekeningsmethode, bedoeld in het derde lid;d. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen een vast,variabel, eenmalig of periodiek tarief.§ 7.2.3. Vaststelling maximale tarieven en tariefformules voor kleinver-bruikers door de Autoriteit Consument en Markt (fase 2) Artikel 7.17 vaststelling berekeningsmethode maximale tarievenen tariefformules in methodebesluit 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt voor een periode vanminimaal drie en maximaal vijf jaar een methodebesluit vast.2. De Autoriteit Consument en Markt stelt in het methodebesluit:a. de methode voor de berekening van de maximale tarieven vast dieeen warmtebedrijf in rekening kan brengen bij een kleinverbruiker die eenleveringsaansluiting heeft op een klein collectief warmtesysteem;b. de methode voor het vaststellen van de tariefformules vast op grondwaarvan het warmtebedrijf de maximale tarieven berekent die het inrekening kan brengen bij een kleinverbruiker die een leveringsaansluitingheeft op een klein collectief warmtesysteem.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 266 3. De Autoriteit Consument en Markt stelt, voor de goederen endiensten waarvoor de tarieven worden berekend op grond van het tweedelid, onderdeel a, jaarlijks een tariefbesluit vast en doet hiervan mededelingin de Staatscourant.4. De methodes, bedoeld in het tweede lid, zijn kostengebaseerdinclusief een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellenredelijk rendement en bevatten een efficiëntieprikkel die het warmtebedrijfstimuleert efficiënte kosten te maken die in het economisch verkeergebruikelijk zijn, waarborgen een betrouwbare, betaalbare en duurzamewarmtevoorziening en bevorderen de ontwikkeling van collectievewarmte.5. Bij algemene maatregel van bestuur wordt bepaald of de maximaletarieven voor de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.15, tweede lid,worden berekend op grond van het tweede lid, onderdeel a ofonderdeel b, waarbij de berekeningsmethode per goed of dienst kanverschillen.6. De maximale tarieven en tariefformules kunnen per type collectievewarmtevoorziening verschillend worden vastgesteld.7. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing opde voorbereiding van het methodebesluit.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de methode voor de berekening van de maximale tarieven en demethode voor het vaststellen van de tariefformules;b. de goederen en diensten, bedoeld in artikel 7.15, tweede lid, ensubcategorieën van deze goederen en diensten;c. de verschillende typen collectieve warmtevoorzieningen, bedoeld inhet zesde lid;d. de wijze waarop onderscheid wordt gemaakt tussen een vast,variabel, eenmalig of periodiek tarief.Artikel 7.18 tariefbesluit 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt, voor de goederen endiensten waarvoor de tarieven worden berekend op grond van hetartikel 7.17, tweede lid, onderdeel a, jaarlijks een tariefbesluit vast.2. Van het tariefbesluit wordt mededeling gedaan in de Staatscourant.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de termijn waarbinnen het tariefbesluit wordtvastgesteld.Artikel 7.19 tariefformulebesluit 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt, voor de goederen endiensten waarvoor de tarieven worden berekend op grond van hetartikel 7.17, tweede lid, onderdeel b, jaarlijks de tariefformules vast.2. Van het besluit tot vaststelling van de tariefformules wordtmededeling gedaan in de Staatscourant.3. De Autoriteit Consument en Markt kan de tarieven die gelden in eenbepaald jaar corrigeren, indien de tariefformules door het warmtebedrijfonjuist zijn toegepast.4. Indien de Autoriteit Consument en Markt de tarieven gewijzigdvaststelt naar aanleiding van het onjuist toepassen van de tariefformules,bedoeld in het derde lid, kan zij de gewijzigde vaststelling van de tarievenin de tarieven voor het eerstvolgende tariefjaar, verdisconteren.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de termijn waarbinnen het tariefformulebesluit wordt vastgesteld;b. de toepassing van de tariefformules door het warmtebedrijf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 267 § 7.2.4. Tariefregulering levering van warmte door een warmtebedrijf aangrootverbruikers Artikel 7.20 vaststelling tarieven voor grootverbruikers bij kleinecollectieve warmtesystemen 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt overeenkomstig deartikelen 7.17, 7.18 en 7.19 de tarieven of tariefformules vast voor hettransport en de levering van warmte, bedoeld in artikel 7.15, tweede lid,onder a, voor een periode als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, die eenwarmtebedrijf ten behoeve van het uitvoeren van de taken, bedoeld inartikel 3.6, in rekening kan brengen bij een grootverbruiker.2. Een warmtebedrijf brengt bij een grootverbruiker voor het uitvoerenvan de taken, bedoeld in artikel 3.6, ten hoogste tarieven in rekening diezijn vastgesteld of berekend overeenkomstig het eerste lid, waarbij geldtdat het warmtebedrijf een grootverbruiker voor de eerste drie jaar naaanvang van de levering van warmte door middel van de aansluiting vanhet gebouw op het collectief warmtesysteem niet een hoger tarief inrekening kan brengen dan het maximale tarief, bedoeld in artikel 2.24,tweede lid, voor zover een verzoek als bedoeld in artikel 2.25, eerste lid, isgedaan.3. Artikel 7.21 is van overeenkomstige toepassing.§ 7.2.5 Overige bepalingen Artikel 7.21 rendementsmonitor en rendementstoets 1. De Autoriteit Consument en Markt verzamelt, analyseert en bewerktinlichtingen en gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van derendementen in de warmtesector. De Autoriteit Consument en Marktbrengt tweejaarlijks aan Onze Minister verslag uit van de monitoring.2. De Autoriteit Consument en Markt kan toetsen of het rendement vaneen warmtebedrijf op al zijn warmtekavels gezamenlijk hoger is dan eendoor de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen redelijk rendement.3. Indien het rendement van een warmtebedrijf gezamenlijk hoger isdan een door de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen redelijkrendement, kan de Autoriteit Consument en Markt het meer dan redelijkbehaalde rendement laten verdisconteren in de toekomstige tarieven vandat warmtebedrijf.4. De Autoriteit Consument en Markt stelt beleidsregels vast teruitvoering van het tweede en derde lid, waarbij in ieder geval regelsworden gesteld over:a. de wijze van berekenen van het rendement van een warmtebedrijf;b. het redelijk rendement;c. de wijze waarop en de periode waarin verdisconteerd wordt.5. De Autoriteit Consument en Markt maakt de op grond van het eerstelid berekende rendementen per warmtebedrijf openbaar.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de inlichtingen en gegevens met betrekkingtot de ontwikkeling van de rendementen van warmtebedrijven die door deAutoriteit Consument en Markt worden verzameld, geanalyseerd enbewerkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 268 § 7.3. Tariefregulering levering van warmte aan ten hoogste 10 kleinver-bruikers Artikel 7.22 vaststelling tarieven door warmtebedrijf 1. Een warmtebedrijf dat warmte levert aan kleinverbruikers als bedoeldin artikel 1.2, eerste lid, onderdeel d, brengt voor de levering van warmtetarieven in rekening die zijn vastgesteld met inachtneming van een voorafdoor hem opgestelde berekeningsmethode.2. De tarieven zijn kostengebaseerd. De berekeningsmethode en detarieven zijn transparant, non-discriminatoir en gaan uit van een redelijkrendement.3. De Autoriteit Consument en Markt toetst op verzoek van degene dietarieven als bedoeld in het eerste lid in rekening gebracht krijgt of deberekeningsmethode en de tarieven in overeenstemming met het tweedelid zijn vastgesteld.4. Indien de berekeningsmethode of de tarieven niet voldoen aan de inhet tweede lid genoemde criteria past de Autoriteit Consument en Marktde berekeningsmethode of de tarieven aan.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de procedure voor de toetsing van de berekeningsmethode of detarieven, bedoeld in het tweede lid;b. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluitneemt;c. het redelijk rendement.§ 7.4. Tariefregulering verhuurders en vereniging van eigenaars diewarmte doorleveren aan hun huurders en leden Artikel 7.23 doorlevering van warmte De artikelen 7.1, 7.2, 7.15 en 7.16 zijn van overeenkomstige toepassingop het transport en de levering van warmte aan grootverbruikers diezorgdragen voor de doorlevering van warmte.§ 7.5. Tariefregulering warmtetransportbeheerder § 7.5.1. In rekening te brengen maximale tarieven Artikel 7.24 maximale tarieven warmtetransportbeheerder 1. Een warmtetransportbeheerder brengt voor het uitvoeren van detaken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid, ten hoogste de tarieven in rekeningvoor het transport van warmte die op grond van artikel 7.26, vierde lid,door de Autoriteit Consument en Markt zijn vastgesteld.2. De tarieven zijn non-discriminatoir.3. Een warmtetransportbeheerder maakt op transparante wijze detarieven van de goederen of diensten die worden aangeboden tenbehoeve van het transport van warmte bekend.§ 7.5.2. Procedure tot vaststelling van de maximale tarieven door deAutoriteit Consument en Markt Artikel 7.25 methodebesluit en vaststelling toegestane warmte-transportinkomsten 1. De Autoriteit Consument en Markt stelt voor een transportregule-ringsperiode van minimaal een jaar en maximaal vijf jaar op basis van eendoor haar in een methodebesluit bepaalde methode de toegestaneTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 269 warmtetransportinkomsten van een warmtetransportbeheerder vast teruitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid.2. De Autoriteit Consument en Markt kan gedurende een transportregu-leringsperiode deze periode wijzigen bij een significante en onvoorzienewijziging van de kosten van het transport van warmte over het warmte-transportnet die niet aan een warmtetransportbeheerder toe te rekenen is.3. De methode op basis waarvan de toegestane warmtetransportin-komsten worden vastgesteld is kostengebaseerd inclusief een door deAutoriteit Consument en Markt vast te stellen redelijk rendement en bevateen efficiëntieprikkel die de warmtetransportbeheerder stimuleertefficiënte kosten te maken die in het economisch verkeer gebruikelijk zijn.4. Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing opde voorbereiding van het methodebesluit.5. De Autoriteit Consument en Markt stelt voorafgaand aan het eerstejaar van een transportreguleringsperiode met inachtneming van hetmethodebesluit de toegestane warmtetransportinkomsten vast.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de duur van de transportreguleringsperiode;b. wanneer er sprake is van een significante en onvoorziene wijzigingvan de kosten, bedoeld in het tweede lid;c. de methode, de efficiëntieprikkel en het redelijk rendement, bedoeldin het derde lid;d. de procedure om te komen tot de vaststelling van de toegestanewarmtetransportinkomsten.Artikel 7.26 procedure transporttariefvoorstel en vaststellingmaximale tarieven door de Autoriteit Consument en Markt 1. Een warmtetransportbeheerder zendt de Autoriteit Consument enMarkt maximaal een keer per jaar en minimaal een keer in de vijf jaar vooreen bij ministeriële regeling te bepalen moment een transporttarief-voorstel.2. Het transporttariefvoorstel is non-discriminatoir, is gebaseerd op deop grond van artikel 7.25, vijfde lid, vastgestelde toegestane warmtetrans-portinkomsten en bevat een voorstel voor een tarief ten aanzien van devolgende goederen of diensten:a. het transport van warmte;b. het aansluiten op een warmtetransportnet;c. het afsluiten van een warmtetransportnet;d. overige goederen of diensten.3. Tarieven en voorwaarden kunnen verschillend worden vastgesteldvoor verschillende producten indien dit gerechtvaardigd is door eenverschil in kosten of risico’s voor het warmtetransportsysteem.4. De Autoriteit Consument en Markt stelt op basis van het transportta-riefvoorstel de maximale tarieven vast en betrekt bij het vaststellen van demaximale tarieven de op grond van artikel 7.25, vijfde lid, vastgesteldetoegestane warmtetransportinkomsten en eventuele inkomsten verkregendoor een warmtetransportbeheerder uit subsidie of uit bijdragen vanderden.5. De Autoriteit Consument en Markt kan een warmtetransportbe-heerder opdragen binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijneen transporttariefvoorstel of een wijziging van een transporttarief-voorstel in te dienen indien:a. de tarieven onvoldoende zijn gebaseerd op de op grond vanartikel 7.25, vijfde lid, vastgestelde toegestane warmtetransportinkomsten;b. het transporttariefvoorstel op basis waarvan de tarieven op grondvan het derde lid zijn vastgesteld is gebaseerd op onjuiste gegevens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 270 6. De Autoriteit Consument en Markt kan op verzoek van een warmte-transportbeheerder de tarieven die op grond van het vierde lid zijnvastgesteld wijzigen indien de warmtetransportbeheerder een nieuw goedof dienst wil aanbieden of een bestaand goed of dienst significantwijzigen.7. Indien de Autoriteit Consument en Markt de tarieven gewijzigdvaststelt naar aanleiding van een transporttariefvoorstel als bedoeld in hetvijfde lid of een wijziging van de tarieven op grond van het zesde lidverdisconteert zij de gewijzigde vaststelling van de tarieven in de tarievenvoor het eerstvolgende transporttariefvoorstel.8. Indien een transporttariefvoorstel door een warmtetransportbe-heerder niet binnen de termijn, bedoeld in het eerste lid, aan de AutoriteitConsument en Markt is gezonden, gelden de tarieven die reeds zijnvastgesteld voor het voorafgaande jaar totdat de Autoriteit Consument enMarkt op grond van het vierde lid de tarieven voor het volgende jaar heeftvastgesteld. Daarbij verdisconteert de Autoriteit Consument en Markt dete late vaststelling van de tarieven in de tarieven voor het volgende jaar.9. Indien het methodebesluit bij onherroepelijke rechterlijke uitspraak isvernietigd, herberekend de Autoriteit Consument en Markt zo nodig detarieven op grond van het vierde lid met inachtneming van die uitspraak.De uitkomsten van de herberekening verdisconteert de AutoriteitConsument en Markt in de tarieven voor het volgende jaar.10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de periode waarbinnen een warmtetransportbeheerder aan deAutoriteit Consument en Markt een transporttariefvoorstel zendt op grondvan het eerste lid;b. de goederen en diensten, bedoeld in het tweede lid, waarop hettransporttariefvoorstel betrekking heeft;c. de wijze waarop de toegestane warmtetransportinkomsten wordenverdeeld over de verschillende goederen en diensten die wordenaangeboden door een warmtetransportbeheerder;d. de wijze waarop de toegestane warmtetransportinkomsten wordengeïnd door een vast, variabel, eenmalig of periodiek tarief;e. de procedure voor het indienen van het transporttariefvoorstel;f. de wijze waarop eventuele door een warmtetransportbeheerder uitsubsidie of uit bijdragen van derden verkregen inkomsten verwerkt dienente worden in een tariefvoorstel;g. de wijze waarop het transporttariefvoorstel, een gewijzigd transport-tariefvoorstel of een verzoek als bedoeld in het zesde lid wordt ingedienden de bij het transporttariefvoorstel en het verzoek te verstrekkengegevens en bescheiden;h. de wijze waarop de Autoriteit Consument en Markt door eenwarmtetransportbeheerder uit subsidie of uit bijdragen van derdenverkregen inkomsten betrekt bij de vaststelling van de tarieven.11. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de verschillende categorieën op een warmte-transportnet aangesloten partijen.§ 7.5.3. Overige bepalingen Artikel 7.27 opvragen informatie door de Autoriteit Consumenten Markt 1. De Autoriteit Consument en Markt kan regulatorische accounting-regels vaststellen voor de transportreguleringsperiode, bedoeld inartikel 7.24, eerste lid, waardoor inzicht verkregen kan worden in dedaadwerkelijke kosten gemaakt door de warmtetransportbeheerder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 271 2. De Autoriteit Consument en Markt kan een warmtetransportbe-heerder verzoeken informatie op grond van de regulatorische accounting-regels te verstrekken. De warmtetransportbeheerder verstrekt deinformatie binnen de in het verzoek gestelde termijn.3. De informatie, bedoeld in het tweede lid, is gecontroleerd door eenregisteraccountant indien de Autoriteit Consument en Markt daarom heeftverzocht.Artikel 7.28 overige verplichtingen warmtetransportbeheerder 1. Een warmtetransportbeheerder voert een afzonderlijke boekhoudingvoor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 5.6, eerste lid.2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de afzonderlijke boekhouding.HOOFDSTUK 8. INFORMATIEVERSTREKKING EN VERWERKINGPERSOONSGEGEVENS Artikel 8.1 informatieverstrekking 1. Onze Minister en het college kunnen van eenieder gegevens ofinlichtingen verlangen die redelijkerwijs nodig zijn voor de uitoefeningvan aan hen bij of krachtens deze wet gegeven bevoegdheden.2. Onze Minister en het college kunnen een termijn stellen waarbinnende gegevens of inlichtingen worden verstrekt.3. Degene aan wie een verzoek is gedaan om gegevens en inlichtingente verstrekken, verstrekt de gegevens of inlichtingen binnen de gesteldetermijn en verleent medewerking die:a. Onze Minister redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van zijnbevoegdheden;b. het college redelijkerwijs kan vorderen bij de uitoefening van hunbevoegdheden.4. Onze Minister en het college gebruiken gegevens of inlichtingenwelke zij hebben verkregen in verband met enige werkzaamheid tenbehoeve van de uitvoering van een bevoegdheid op grond van deze wetuitsluitend voor de uitoefening van die bevoegdheid.Artikel 8.2 verwerking van persoonsgegevens 1. Onze Minister, de Autoriteit Consument en Markt en het collegeverwerken slechts persoonsgegevens voor zover dit noodzakelijk is voorde uitoefening van aan hen bij of krachtens deze wet gegeven bevoegd-heden.2. Een warmtebedrijf is bevoegd tot het verwerken van persoonsge-gevens voor zover dit noodzakelijk is voor de uitvoering van de taken,bedoeld in artikel 2.12 of 3.6, en verplichtingen op grond van deze wet.3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgesteld over de maximale bewaartermijn van de persoonsgegevens dievoor de verschillende verwerkingen van persoonsgegevens verschillendkan worden vastgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 272 HOOFDSTUK 9. TOEZICHT EN HANDHAVING § 9.1. Toezicht Artikel 9.1 toezicht college en Autoriteit Consument en Markt 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deartikelen 1.2, tweede lid, 2.12, eerste tot en met derde lid, en zevende lid,2.13 tot en met 2.14, 2.16 tot en met 2.20, 2.22 tot en met 2.31, 2.33, eersteen derde lid, 2.35 tot en met 2.43, 2.45, 2.46, 2.48, 2.49, onderdeel b, 3.6 toten met 3.9, 3.12, onderdeel b, 4.6, 5.6, 5.7 tot en met 5.18, 6.1 tot en met6.2, 6.7, 7.1, 7.7, 7.8, tweede en derde lid, 7.9 tot en met 7.11, 7.13, 7.14,tweede lid, 7.15, 7.20, tweede lid, 7.24, 7.26, 9.2, eerste lid, 9.5 tot en met9.9, 12.7, eerste lid, en 12.9 bepaalde zijn belast de daartoe bij besluit vande Autoriteit Consument en Markt aangewezen personen.2. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deartikelen 1.2, eerste lid, 2.12, zesde lid, 2.15, 2.44, 2.49, onderdeel a, 3.1,3.11, 3.12, onderdeel a, 4.1, 4.3, 4.5, 4.7, 8.1, derde lid, onderdeel b, 9.2,tweede lid, 12.8, 12.10 en 12.12 bepaalde zijn belast de daartoe bij besluitvan het college aangewezen personen.3. Van een besluit als bedoeld in het eerste en tweede lid, wordtmededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant.4. Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld metbetrekking tot de wijze van taakuitoefening door de personen, bedoeld inhet eerste lid en tweede lid.§ 9.2. Handhaving Artikel 9.2 bindende gedragslijn 1. De Autoriteit Consument en Markt kan ter verzekering van denaleving een bindende gedragslijn opleggen met betrekking tot deartikelen waarvoor haar het toezicht op de naleving is opgedragen.2. Het college kan ter verzekering van de naleving een bindendegedragslijn opleggen met betrekking tot de artikelen waarvoor aan hetcollege het toezicht op de naleving is opgedragen.Artikel 9.3 last onder dwangsom 1. De Autoriteit Consument en Markt kan in geval van overtreding vanhet bepaalde bij of krachtens de artikelen waarvoor haar op grond vanartikel 9.1, eerste lid, het toezicht op de naleving is opgedragen deovertreder een last onder dwangsom opleggen.2. Het eerste lid is van toepassing op de eerste overschrijding van eenbij of krachtens artikel 2.20, eerste lid, bepaalde norm en niet op eenoverschrijding van deze norm gedurende vijf jaren na deze eersteoverschrijding, tenzij de overtreder inmiddels weer voldoet aan denormen, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, en er opnieuw een overtredingplaats vindt.3. Het college kan in geval van overtreding van het bepaalde bij ofkrachtens de artikelen waarvoor hen op grond van artikel 9.1, tweede lid,het toezicht op de naleving is opgedragen de overtreder een last onderdwangsom opleggen.4. Onze Minister kan in geval van overtreding van artikel 6.10, eerste envierde lid, de overtreder een last onder dwangsom opleggen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 273 Artikel 9.4 bestuurlijke boete 1. De Autoriteit Consument en Markt kan in geval van overtreding vanhet bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.3, 2.12, eerste tot en met derdelid, zesde en zevende lid, 2.13, eerste, tweede en vierde lid, 2.14, eerste,tweede, vierde en zesde lid, 2.15, tweede en elfde lid, 2.16, eerste, tweede,zesde tot en met elfde lid, 2.17, eerste, vijfde en zesde lid, 2.18, 2.19,eerste en derde lid, 2.22, 2.23, eerste en derde lid, 2.24, eerste, tweede envijfde lid, 2.25, eerste, derde en vierde lid, 2.26, eerste lid, 2.28, eerste lid,2.29, 2.30, 2.31, 2.33, eerste lid, 2.35 tot en met 2.43, 2.45, eerste lid, 2.46,3.6, eerste, tweede, derde en zesde lid, 3.7, 3.8, eerste tot en met derde lid,vijfde en zevende lid, 3.9, eerste, tweede, vijfde en zesde lid, 4.6, 5.6,eerste lid, onderdelen b tot en met i, derde lid, 5.7, eerste, tweede envierde lid, 5.8, eerste, tweede, vierde en zesde lid, 5.9, eerste, tweede,zesde tot en met tiende lid, 5.10, eerste, tweede, derde, zesde tot en metachtste lid, 5.11, 5.12, eerste en vierde lid, 5.13, eerste en derde lid, 5.14,eerste lid, 5.15, eerste, tweede en vierde lid, 5.16, eerste, derde en vijfdelid, 5.17, 5.18, 6.1, 6.2, eerste tot en met vierde lid, zesde lid, 6.7, 7.1,eerste tot en met vierde lid, zesde lid, 7.7, eerste, tweede, vijfde, negendeen tiende lid, 7.8, tweede en derde lid, 7.9, eerste lid, 7.10, eerste entweede lid, 7.15, eerste tot en met vierde lid, achtste lid, 7.22, eerste entweede lid, 7.24, 7.26, eerste, tweede en vijfde lid, 7.27, tweede en derdelid, 7.28, 9.5, derde lid, 9.6, vijfde lid, 9.7, vierde lid, 9.8, tweede lid, 12.5,tweede, derde en vijfde lid, en 12.9, eerste lid, vijfde lid, onderdeel a, enzesde lid, onderdeel a, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen vanten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie,bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indiendat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van de overtreder.2. De Autoriteit Consument en Markt kan in geval van overtreding vanhet bepaalde bij of krachtens de artikelen 2.20, eerste lid, de overtredereen bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat isvastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, vanhet Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meer is, van ten hoogste 10%van de omzet van de overtreder.3. Het tweede lid is van toepassing op de eerste overschrijding van eenbij of krachtens artikel 2.20, eerste lid, bepaalde norm en niet op eenoverschrijding van deze norm gedurende vijf jaren na deze eersteoverschrijding, tenzij de overtreder inmiddels weer voldoet aan denormen, bedoeld in artikel 2.20, eerste lid, en er opnieuw een overtredingplaats vindt.4. Het college kan in geval van overtreding van het bepaalde bij ofkrachtens de artikelen 2.15, eerste en zesde lid, 2.44, 3.1, tiende lid, 3.11,8.1, derde lid, onderdeel b, en 12.8, eerste lid, de overtreder een bestuur-lijke boete opleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voorde zesde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek vanStrafrecht, of, indien dat meer is, van ten hoogste 1% van de omzet van deovertreder.5. Het college kan in geval van overtreding van het bepaalde bij ofkrachtens artikel 1.2, eerste lid, de overtreder een bestuurlijke boeteopleggen van ten hoogste het bedrag dat is vastgesteld voor de zesdecategorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht,of, indien dat meer is, van ten hoogste 10% van de omzet van deovertreder.6. Onze Minister kan in geval van overtreding van artikel 6.10, eerste envierde lid, de overtreder een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogstehet bedrag dat is vastgesteld voor de zesde categorie, bedoeld inartikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, of, indien dat meeris, van ten hoogste 1% van de omzet van de overtreder.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 274 7. De bestuurlijke boete die ingevolge het eerste, tweede, vierde tot enmet zesde lid, ten hoogste kan worden opgelegd wordt verhoogd met100%, indien binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan dedagtekening van het van de overtreding opgemaakte rapport, bedoeld inartikel 5:48, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, een aan dieovertreder voor een eerdere overtreding van eenzelfde of een soortgelijkwettelijk voorschrift opgelegde bestuurlijke boete onherroepelijk isgeworden.§ 9.3. Interventiebevoegdheden Autoriteit Consument en Markt Artikel 9.5 opdragen maatregelen aan een derde 1. De Autoriteit Consument en Markt kan eenieder ander dan hetwarmtebedrijf opdragen maatregelen te treffen indien:a. de opdracht noodzakelijk is teneinde de leveringszekerheid zeker testellen, enb. het niet mogelijk is de leveringszekerheid voldoende zeker te stellendoor het warmtebedrijf een opdracht op grond van artikel 2.13, derde lid,op te leggen.2. De Autoriteit Consument en Markt kan eenieder ander dan dewarmtetransportbeheerder opdragen maatregelen te treffen indien:a. de opdracht noodzakelijk is teneinde de betrouwbaarheid van hetwarmtetransport zeker te stellen, enb. het niet mogelijk is de betrouwbaarheid voldoende zeker te stellendoor de warmtetransportbeheerder een opdracht op grond van artikel 5.7,derde lid, op te leggen.3. Eenieder volgt de opdracht op waarbij de Autoriteit Consument enMarkt een redelijke vergoeding vaststelt voor de uitvoering van deopdracht. De kosten van de redelijke vergoeding komen voor rekeningvan:a. het warmtebedrijf indien het een opdracht als bedoeld in het eerstelid betreft;b. de warmtetransportbeheerder indien het een opdracht als bedoeld inhet tweede lid betreft.4. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften en beperkingenaan de opdracht, bedoeld in het eerste en tweede lid, verbinden.5. Indien de Autoriteit Consument en Markt een ander warmtebedrijfdan het warmtebedrijf opdraagt als noodwarmtebedrijf de levering vanwarmte aan verbruikers van het warmtebedrijf over te nemen, is eeniederverplicht medewerking te verlenen aan dit noodwarmtebedrijf, voor zoverdit redelijkerwijs van hem kan worden verlangd.6. Indien de Autoriteit Consument en Markt een andere warmtetrans-portbeheerder dan de warmtetransportbeheerder opdraagt alsnoodwarmtetransportbeheerder het warmtetransport over te nemen, iseenieder verplicht medewerking te verlenen aan deze noodwarmtetrans-portbeheerder, voor zover dit redelijkerwijs van hem kan wordenverlangd.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regelsgesteld over:a. de redelijke vergoeding, bedoeld in het derde lid;b. de verplichtingen van het noodwarmtebedrijf die een opdracht opgrond van het vijfde lid heeft verkregen;c. de verplichtingen van de noodwarmtetransportbeheerder die eenopdracht op grond van het zesde lid heeft verkregen;d. de procedure en de vereisten die gelden in geval op grond van hetvijfde lid een ander warmtebedrijf wordt opgedragen de levering vanwarmte over te nemen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 275 Artikel 9.6 stille bewindvoerder 1. De Autoriteit Consument en Markt kan een persoon aanwijzen dievoor een bepaalde termijn opdrachten kan verstrekken aan een warmtebe-drijf indien door de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf de leveringsze-kerheid onvoldoende verzekerd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk isom de leveringszekerheid te verzekeren.2. De Autoriteit Consument en Markt kan een persoon aanwijzen dievoor een bepaalde termijn opdrachten kan verstrekken aan een warmte-transportbeheerder indien door de bedrijfsvoering van de warmtetrans-portbeheerder de betrouwbaarheid van het warmtetransport onvoldoendeverzekerd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk is om de betrouw-baarheid te verzekeren.3. Van het besluit tot aanwijzing van een persoon wordt mededelinggedaan door plaatsing in de Staatscourant.4. In het besluit op grond van het eerste en tweede lid wordt aange-geven ter bescherming van welk belang het besluit is genomen. Deaangewezen persoon verstrekt uitsluitend een opdracht ter beschermingvan dit belang. De Autoriteit Consument en Markt kan voorschriften enbeperkingen aan het besluit verbinden.5. Het warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder volgt de opdrachtvan de aangewezen persoon op en verstrekt deze alle daarvoor benodigdeinformatie. Het warmtebedrijf of de warmtetransportbeheerder is nietaansprakelijk voor schade als gevolg van het nakomen van deze verplich-tingen.6. Tegen een opdracht van een aangewezen persoon kan administratiefberoep worden ingesteld bij de Autoriteit Consument en Markt.7. Rechtshandelingen in strijd met een opdracht van een aangewezenpersoon zijn vernietigbaar. De vernietigingsgrond kan enkel wordeningeroepen door de aangewezen persoon of de Autoriteit Consument enMarkt.8. Voor schade ten gevolge van handelingen die zijn verricht in strijdmet een opdracht van een aangewezen persoon is een bestuurderpersoonlijk aansprakelijk tegenover het warmtebedrijf of de warmtetrans-portbeheerder.9. Onverminderd de aansprakelijkheid van de staat, is een aangewezenpersoon niet aansprakelijk voor schade ten gevolge van door hemverstrekte opdrachten.10. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelsworden gesteld over welke opdrachten een aangewezen persoon kangeven.Artikel 9.7 vervanging van het bestuur 1. De Autoriteit Consument en Markt kan een of meer personenaanwijzen die het bestuur of de leiding van een warmtebedrijf, vervangtdan wel vervangen, indien:a. door de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf de leveringszekerheidonvoldoende verzekerd wordt en direct ingrijpen noodzakelijk is om deleveringszekerheid te verzekeren, enb. ingrijpen anders dan op grond van artikel 9.6 om het belang van deleveringszekerheid te verzekeren, noodzakelijk is.2. De Autoriteit Consument en Markt kan een of meer personenaanwijzen die het bestuur of de leiding van een warmtetransportbe-heerder vervangt dan wel vervangen indien:a. door de bedrijfsvoering van de warmtetransportbeheerder debetrouwbaarheid van het warmtetransport onvoldoende verzekerd wordten direct ingrijpen noodzakelijk is om de betrouwbaarheid te verzekeren,enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 276 b. ingrijpen anders dan op grond van de artikel 9.6 om het belang vande betrouwbaarheid te verzekeren, noodzakelijk is.3. Van het besluit tot aanwijzing van een of meer personen wordtmededeling gedaan door plaatsing in de Staatscourant. De AutoriteitConsument en Markt kan voorschriften en beperkingen aan het besluitverbinden.4. De werkzaamheden van de aangewezen vervanger hebben tot doel teverzekeren dat:a. de bedrijfsvoering van het warmtebedrijf gericht is op de zekerstellingvan de leveringszekerheid indien de Autoriteit Consument en Marktgebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid op grond van het eerste lid;b. de bedrijfsvoering van de warmtetransportbeheerder gericht is op dezekerstelling van de betrouwbaarheid van het warmtetransport indien deAutoriteit Consument en Markt gebruik heeft gemaakt van debevoegdheid op grond van het tweede lid.5. Artikel 9.6, vijfde en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing,met dien verstande dat onder de opdracht van een aangewezen persoonals bedoeld in artikel 9.6, vijfde lid, wordt verstaan: het doel van dewerkzaamheden van de aangewezen vervanger, bedoeld in het vierde lid.§ 9.4. Overige bepalingen Artikel 9.8 metingen door de Autoriteit Consument en Markt 1. De Autoriteit Consument en Markt kan bij een producent, warmtebe-drijf, warmtetransportbeheerder of verbruiker metingen verrichten ofdoen verrichten.2. De producent, warmtebedrijf, warmtetransportbeheerder ofverbruiker verleent medewerking aan de metingen die in zijn leidingen,installaties of hulpmiddelen worden verricht.Artikel 9.9 verbod handelen in strijd met voorschriften enbeperkingen Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift of beperkingals bedoeld in de artikelen 9.5, vierde lid, 9.6, vierde lid, en 9.7, derde lid.HOOFDSTUK 10. GESCHILBESLECHTING Artikel 10 geschilbeslechting 1. Een warmtebedrijf stelt een onafhankelijke geschillencommissie inwaaraan een verbruiker of gebouweigenaar een geschil met een warmte-bedrijf kan voorleggen over:a. een leveringsovereenkomst en de wijze waarop deze wordtuitgevoerd;b. de toepassing van de artikelen 2.12, eerste lid, onderdelen i en j,onder 1 en 2, en tweede lid, onderdelen a en b, en 3.6, eerste lid,onderdelen i en j, onder 1 en 2, en tweede lid, onderdelen a en b, vandeze wet.2. De procedure bij de geschillencommissie is snel, transparant,eenvoudig en goedkoop.3. Het voorleggen van een geschil aan een onafhankelijke geschillen-commissie laat onverlet elke mogelijkheid voor de verbruiker of gebouw-eigenaar een hem ter beschikking staand rechtsmiddel aan te wenden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 277 HOOFDSTUK 11. OVERIGE BEPALINGEN Artikel 11.1 verbod stellen regels Gedeputeerde staten, provinciale staten, het college en de gemeen-teraad zijn niet bevoegd regels te stellen ten aanzien van het leveren,transporteren, produceren en inkopen van warmte, het beschikbaarstellen van restwarmte en de tarieven die daarvoor in rekening kunnenworden gebracht in het belang van een betrouwbare, betaalbare enbroeikasgassen-vrije warmtevoorziening.Artikel 11.2 vergoeding kosten verlening beschikkingen 1. Aan het college is een door het college vast te stellen vergoedingverschuldigd voor het nemen van een besluit op grond van deartikelen 2.5, eerste lid, 2.7, eerste lid, 2.10, eerste lid, 3.1, eerste lid, 3.2,eerste lid, en 3.4, eerste lid, voor ten hoogste de kosten die gemoeid zijnmet het geven van die beschikkingen.2. Aan Onze Minister is een door Onze Minister vast te stellenvergoeding verschuldigd voor het nemen van een besluit op grond van deartikelen 5.1, eerste lid, 5.2, eerste lid, en 5.4, eerste lid, voor ten hoogstede kosten die gemoeid zijn met het geven van die beschikkingen.3. De vergoeding bedraagt ten hoogste de gemaakte kosten en wordt inrekening gebracht bij degene aan wie de beschikking is gericht.4. Het verschuldigde bedrag kan worden ingevorderd bij dwangbevel.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de vaststelling van de vergoeding.Artikel 11.3 representatieve organisatie belanghebbende Een representatieve organisatie wordt geacht belanghebbende te zijn bijbesluiten, niet zijnde beschikkingen, genomen op grond hoofdstuk 7 vandeze wet.Artikel 11.4 inbreukprocedure bij het College van Beroep voorhet bedrijfsleven 1. Op verzoek van een representatieve organisatie kan het College vanBeroep voor het bedrijfsleven bevelen dat een warmtebedrijf eenhandelen of nalaten van een warmtebedrijf staakt dat:a. in strijd is met artikel 7.1, eerste lid, en dat nadeel toebrengt aan decollectieve belangen van kleinverbruikers;b. in strijd is met artikel 7.14, eerste lid, en dat nadeel toebrengt aan decollectieve belangen van grootverbruikers;c. in strijd is met artikel 7.15, eerste lid, en dat nadeel toebrengt aan decollectieve belangen van verbruikers;d. in strijd is met artikel 7.23 en dat nadeel toebrengt aan de collectievebelangen van verbruikers.2. Het College van Beroep voor het bedrijfsleven kan eveneens wordenverzocht het warmtebedrijf dat een inbreuk als genoemd in het eerste lidmaakt te veroordelen tot het openbaar maken of openbaar laten makenvan een beschikking, zulks op een door het College te bepalen wijze en opkosten van de door het College aan te geven partij of partijen.3. Geschillen terzake de tenuitvoerlegging van de in het eerste entweede lid bedoelde veroordelingen worden bij uitsluiting door hetCollege van Beroep voor het bedrijfsleven beslist.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 278 Artikel 11.5 rechtsbescherming Voor de mogelijkheid van bezwaar en beroep en de behandeling van ende uitspraak op bezwaar en beroep wordt:a. het besluit tot vaststelling van de warmtekavel en een aanwijzing alséén besluit aangemerkt;b. een aanwijzing als bedoeld in artikel 12.2, eerste, tweede, derde envierde lid, en de wijziging van de aanwijzing, bedoeld in artikel 12.3,eerste lid, als één besluit aangemerkt.Artikel 11.6 deelneming 1. In het belang van het stimuleren van de warmtetransitie kan OnzeMinister besluiten een naamloze of een besloten vennootschap metbeperkte aansprakelijkheid aan te wijzen, waarvan alle aandelen middellijkof onmiddellijk aan de Staat der Nederlanden behoren, die tot taak heeft:a. het oprichten of mede-oprichten van en actief deelnemen inwarmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang;b. het adviseren van medeoverheden over de oprichting of inrichtingvan warmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang.2. Onze Minister kan aan een besluit op grond van het eerste lidvoorschriften en beperkingen verbinden.3. Onze Minister kan een besluit op grond van het eerste lid intrekken ofwijzigen indien niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor hetgeven van dit besluit.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gegeven over het aanwijzen van een vennootschap alsbedoeld in het eerste lid.Artikel 11.7 parlementaire betrokkenheid Het koninklijk besluit, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, en het koninklijkbesluit waarmee de in artikel 12.24, derde, vierde, vijfde en zesde lid,genoemde artikelen in werking treden, treden niet eerder in werking danvier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal isovergelegd.HOOFDSTUK 12. SLOT- EN OVERGANGSBEPALINGEN § 12.1. Evaluatie Artikel 12.1 evaluatie 1. Onze Minister zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van ditartikel aan de Staten-Generaal een verslag waarin onderzocht is of zevenjaar na inwerkingtreding van dit artikel naar verwachting voldoendewarmtebedrijven met een publiek meerderheidsbelang of warmtege-meenschappen beschikbaar zijn waardoor er geen reden is de termijn van7 jaar, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, te verlengen.2. Onze Minister zendt binnen zeven jaar na de inwerkingtreding van ditartikel aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en deeffecten van deze wet in de praktijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 279 § 12.2. Overgangsrecht § 12.2.1 Bestaande collectieve warmtevoorzieningen Artikel 12.2 aanwijzing bestaande warmtebedrijven voor eenwarmtekavel 1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel eenovereenkomst geldt waarin een gemeente een warmtebedrijf voor eengebied het recht heeft gegeven of de verplichting heeft opgelegd warmtete transporteren en te leveren aan verbruikers, een collectieve warmte-voorziening te exploiteren of verbruikers aan te sluiten op een collectievewarmtevoorziening, verleent het college binnen een jaar na inwerking-treding van dit artikel een aanwijzing voor dit gebied.2. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel eenwarmtebedrijf warmte transporteert en levert in een gebied terwijl eenovereenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt, verleent het collegebinnen een jaar na inwerkingtreding van dit artikel het warmtebedrijf eenaanwijzing voor dit gebied.3. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel eenovereenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt en een warmtebedrijftransporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte in een gebiedmaar het college heeft wel een of meer besluiten genomen op basiswaarvan een warmtenet in dat gebied mag worden aangelegd, verleenthet college het warmtebedrijf binnen een jaar na inwerkingtreding van ditartikel een aanwijzing voor dit gebied voor zover de besluiten betrekkinghebben op één collectief warmtesysteem.4. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel eenovereenkomst als bedoeld in het eerste lid ontbreekt en een warmtebedrijftransporteert en levert op dat tijdstip nog geen warmte in een gebiedmaar het warmtebedrijf heeft wel een aansluitovereenkomst gesloten,verleent het college het warmtebedrijf een aanwijzing binnen een jaar nainwerkingtreding van dit artikel voor het gebied waarvoor de aansluitover-eenkomst geldt of de aansluitovereenkomsten gelden voor zover dezeaansluitovereenkomsten betrekking hebben op één collectief warmte-systeem.5. Onder een aansluitovereenkomst als bedoeld in het vierde lid wordteen overeenkomst verstaan die:a. een warmtebedrijf een recht en een plicht geeft de in de overeen-komst genoemde gebouwen of delen van gebouwen binnen 5 jaar nainwerkingtreding van dit artikel aan te sluiten op een collectievewarmtevoorziening;b. bindende financiële voorwaarden over de kosten van de aansluitingvan deze gebouwen of delen van gebouwen op een collectieve warmte-voorziening bevat, enc. waarin een termijn is bepaald wanneer de levering van warmteaanvangt met enkel onvoorzienbare omstandigheden of van derdenafhankelijke omstandigheden als ontbindende voorwaarde.6. Het gebied, bedoeld in het eerste tot en met vierde lid, wordtaangemerkt als warmtekavel met dien verstande dat het warmtekavel nietaaneengesloten hoeft te zijn.7. De overeenkomst, bedoeld in het eerste lid, komt te vervallen op hetmoment dat het college een aanwijzing op grond van het eerste lid heeftverleend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 280 Artikel 12.3 verplichting samenvoegen van warmtekavels bij ééncollectief warmtesysteem 1. Het college wijzigt een aanwijzing als bedoeld in artikel 12.2, eerste,tweede, derde of vierde lid, waardoor de aanwijzing ook geldt voor eenander warmtekavel indien:a. zonder toevoeging de collectieve warmtevoorziening in het enewarmtekavel afhankelijk is van de toegang tot de collectieve warmtevoor-ziening van het andere warmtekavel om warmte te kunnen leveren aanverbruikers, enb. voor dit andere warmtekavel hetzelfde warmtebedrijf is aangewezen.2. Het college trekt de aanwijzing als bedoeld in artikel 12.2, eerste,tweede, derde of vierde lid, in indien deze aanwijzing betrekking heeft opeen warmtekavel dat op grond van het eerste lid is toegevoegd aan eenander warmtekavel.3. Het eerste en tweede lid is niet van toepassing indien het college enhet aangewezen warmtebedrijf overeen zijn gekomen dat aan eenwarmtekavel niet een ander warmtekavel wordt toegevoegd.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de omstandigheden waarin er sprake is vanafhankelijkheid van de toegang, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.Artikel 12.4 voorschriften en beperkingen aanwijzing 1. De voorwaarden die aan een overeenkomst als bedoeld inartikel 12.2, eerste lid, zijn verbonden, gaan gelden als aan de aanwijzingverbonden beperkingen en voorschriften, voor zover deze voorwaardenniet in strijd zijn met het bepaalde bij of krachtens deze wet met uitzon-dering van de in artikel 2.5, eerste lid, en 2.7, eerste lid, genoemde duurvan de aanwijzing. Het college stelt bij het besluit, bedoeld in artikel 12.2,eerste lid, de beperkingen en voorschriften vast.2. De duur van aanwijzing als bedoeld in artikel 12.2, eerste tot en metvierde lid, wordt als volgt berekend:a. allereerst wordt de datum bepaald van de minst recente aansluitover-eenkomst, bedoeld in artikel 12.2, vijfde lid, van de laatste 10% van deleveringsaansluitingen of voorziene leveringsaansluitingen waarvoor doorhet aangewezen warmtebedrijf voor het tijdstip van inwerkingtreding vandit artikel een aansluitovereenkomst is gesloten in het desbetreffendewarmtekavel;b. vervolgens wordt het verschil berekend tussen de datum vaninwerkingtreding van dit artikel en de datum berekend op grond vanonderdeel a;c. de duur van de aanwijzing, bedoeld in de aanhef, bedraagt 30 jaarverminderd met de duur berekend op grond van onderdeel b met eenminimum van 14 jaar.3. Indien aan een aanwijzing als bedoeld in artikel 12.2, eerste tot enmet vierde lid, geheel of gedeeltelijk een overeenkomst als bedoeld inartikel 12.2, eerste lid, ten grondslag ligt, is in afwijking van het tweede lidde duur van de aanwijzing:a. de resterende duur van de overeenkomst indien de overeenkomstvoor bepaalde tijd is aangegaan met een minimum van 14 jaar waarbijgeldt dat indien deze duur meer dan 30 jaar is de aanwijzing voor 30 jaarwordt verleend;b. 30 jaar indien de overeenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan;c. 30 jaar verminderd met de duur dat in het gebied reeds warmte isgeleverd met een minimum van 14 jaar indien een bepaling ten aanzienvan de duur in de overeenkomst ontbreekt.4. Het derde lid is alleen van toepassing indien de op grond van hetderde lid, berekende duur van de aanwijzing langer is dan de duur van deaanwijzing berekend op grond van het tweede lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 281 5. Indien aan een aanwijzing als bedoeld in het tweede lid meerdereovereenkomsten als bedoeld in artikel 12.2, eerste lid, ten grondslagliggen, wordt bij de toepassing van het derde lid uitgegaan van deovereenkomst met de langstlopende duur.6. Indien een leveringsaansluiting of een voorziene leveringsaansluitingals bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, een centrale leveringsaan-sluiting is dan wordt elke zelfstandige woning als bedoeld in artikel 234van boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, die warmte geleverd krijgt doormiddel van die centrale leveringsaansluiting, aangemerkt als éénleveringsaansluiting.7. Indien het college op grond van artikel 12.3, eerste lid, verplicht is eenaanwijzing te wijzigen, bepaalt het college alleen de duur van degewijzigde aanwijzing en niet de duur van de afzonderlijke aanwijzingenverleend op grond van artikel 12.2, eerste tot en met vierde lid. Op deberekening van de duur van de gewijzigde aanwijzing, is het tweede tot enmet zesde lid en achtste lid, van overeenkomstige toepassing.8. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de toepassing van het tweede lid en zevendelid.Artikel 12.5 tijdelijke aanwijzing van een niet integraal warmtebe-drijf 1. Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in eenwarmtekavel niet een onderneming aanwezig is die zich bezig houdt methet transport en de levering van warmte en de productie of inkoop vanwarmte ten behoeve daarvan maar alleen een warmtenetbedrijf en eenwarmteleveringsbedrijf, verleent het college het warmteleveringsbedrijfde aanwijzing op grond van artikel 12.2, eerste, tweede, derde of vierdelid, of 12.3.2. Het warmteleveringsbedrijf en het warmtenetbedrijf, bedoeld in heteerste lid, richten binnen twee jaar na inwerkingtreding van dit artikel eenwarmtebedrijf op.3. Binnen 6 maanden na de aanwijzing op grond van artikel 12.2, eerste,tweede, derde of vierde lid, of 12.3 sluiten het aangewezen warmtebedrijfen het warmtenetbedrijf een overeenkomst waarin is vastgelegd dat hetwarmtenetbedrijf zodanig handelt dat het aangewezen warmtebedrijf detaken, bedoeld in artikel 2.12, op een doelmatige wijze kan uitvoeren enkan voldoen aan de verplichtingen die op het aangewezen warmtebedrijfop grond van deze wet rusten.4. Indien het warmtenetbedrijf en warmteleveringsbedrijf het warmtebe-drijf, bedoeld in het tweede lid, hebben opgericht:a. komt de aanwijzing, bedoeld in het derde lid, te vervallen en verleenthet college een aanwijzing aan het warmtebedrijf waarbij geldt dat deduur van de aanwijzing gelijk is aan de resterende duur van de aanwijzingdie komt te vervallen;b. is het derde lid niet meer van toepassing.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de overeenkomst, bedoeld in het derde lid.Artikel 12.6 toezending aan de Autoriteit Consument en Markt Het college zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschriftvan de aanwijzing, bedoeld in artikel 12.2, eerste tot en met vierde lid, ende wijziging van de aanwijzing, bedoeld in artikel 12.3, eerste lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 282 Artikel 12.7 taken Op een op grond van artikel 12.2 of 12.3 aangewezen warmtebedrijfrusten vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel de taken,bedoeld in artikel 2.12.Artikel 12.8 uitgewerkt kavelplan 1. Een op grond van artikel 12.2 of 12.3 aangewezen warmtebedrijf steltbinnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn een uitgewerktkavelplan op voor de warmtekavel waarvoor het is aangewezen met dienverstande dat in het uitgewerkt kavelplan de kenmerken van de collectievewarmtevoorziening waarop de aanwijzing betrekking heeft zijn weerge-geven.2. Het college kan uitsluitend instemming aan het uitgewerkt kavelplanonthouden als het uitgewerkt kavelplan de kenmerken van de collectievewarmtevoorziening niet op een juiste wijze weergeeft.3. Artikel 2.15, tweede lid, is van overeenkomstige toepassing.Artikel 12.9 derdentoegang tot een bestaande collectievewarmtevoorziening 1. Een op grond van artikel 12.2 of 12.3 aangewezen warmtebedrijfverleent een ander warmtebedrijf dat aangewezen wil worden voor eenwarmtekavel toegang tot zijn collectieve warmtevoorziening tegenredelijke voorwaarden en tarieven.2. De Autoriteit Consument en Markt kan op aanvraag van het aange-wezen warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid, ontheffing verlenen vanhet eerste lid, voor de resterende duur van de aanwijzing van ditwarmtebedrijf.3. De Autoriteit Consument en Markt verleent uitsluitend de ontheffingindien het aangewezen warmtebedrijf, bedoeld in het eerste lid, door detoegang tot zijn collectieve warmtevoorziening de taken, bedoeld inartikel 2.12, niet kan uitvoeren.4. De Autoriteit Consument en Markt kan aan een ontheffingvoorschriften en beperkingen verbinden.5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over:a. de wijze waarop de aanvraag wordt ingediend en de bij de aanvraagte verstrekken gegevens en bescheiden;b. de termijn waarbinnen de Autoriteit Consument en Markt een besluittot ontheffing neemt.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over:a. de redelijke voorwaarden en tarieven, bedoeld in het eerste lid;b. de grond, genoemd in het derde lid;c. de voorschriften en beperkingen die aan een ontheffing kunnenworden verbonden.Artikel 12.10 economische en juridische eigendom van eenbestaand warmtenet Indien op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel een openbaarlichaam beschikt over de juridische eigendom van een warmtenet van eenaangewezen warmtebedrijf kan in afwijking van artikel 2.44, eerste lid, ditopenbaar lichaam juridisch eigenaar blijven van dit warmtenet met dienverstande dat het aangewezen warmtebedrijf beschikt over de econo-mische eigendom van dit warmtenet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 283 § 12.2.2 Bestaande kleine collectieve warmtesystemen Artikel 12.11 ontheffing bestaande klein collectief warmte-systeem 1. Het college kan op aanvraag van een warmtebedrijf dat op het tijdstipvan inwerkingtreding van dit artikel warmte levert en transporteert meteen klein collectief warmtesysteem een ontheffing verlenen vanartikel 1.2, eerste lid, voor het gebied ter grootte van het warmtekavelwaarvoor het op grond van artikel 12.2 of 12.3 is aangewezen.2. Het college beslist alleen afwijzend op een aanvraag om eenontheffing indien het geen klein collectief warmtesysteem betreft.3. Het college kan aan een ontheffing voorschriften en beperkingenverbinden met dien verstande dat op het bepalen van de duur vanontheffing artikel 12.4, tweede tot en met zesde lid, van overeenkomstigetoepassing is.4. De ontheffing wordt geacht een ontheffing als bedoeld in artikel 3.1,eerste lid, te zijn.5. Het college zendt aan de Autoriteit Consument en Markt een afschriftvan de ontheffing.6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadereregels gesteld over de wijze waarop de aanvraag om een ontheffing opgrond van het eerste lid wordt ingediend, de bij de aanvraag om eenontheffing te verstrekken gegevens en bescheiden en de termijnwaarbinnen het college een besluit neemt.7. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over de voorschriften en beperkingen, bedoeld inhet derde lid.§ 12.2.3 Bestaande verhuurders en verenigingen van eigenaars Artikel 12.12 ontheffing bestaande verhuurders en verenigingenvan eigenaars 1. Een verhuurder of een vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm meldt binnen een half jaar na inwerkingtredingvan dit artikel aan het college de levering en transport van warmte op hettijdstip van inwerkingtreding van dit artikel in een bepaald gebied aan zijnhuurder of de leden van de vereniging van eigenaars of een daarmeevergelijkbare rechtsvorm tenzij:a. het de levering en het transport van warmte, bedoeld in artikel 1.2,eerste lid, onderdeel d, betreft;b. het de doorlevering en het transport van warmte, bedoeld inartikel 1.2, eerste lid, onderdeel e of f, betreft.2. De verhuurder, vereniging van eigenaars of daarmee vergelijkbarerechtsvorm, bedoeld in het eerste lid, wordt met de melding geacht eenontheffing als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, verkregen te hebben voor30 jaar.§ 12.2.4 Bestaande warmteproductie Artikel 12.13 restwarmte Artikel 6.2 is niet van toepassing op het ter beschikking stellen vanrestwarmte die deze warmte ongebruikt terecht laat komen in lucht enwater op basis van een overeenkomst tussen een producent vanrestwarmte en een warmtebedrijf die geldt op het moment van inwerking-treding van dit artikel, met uitzondering van een wijziging van dezeovereenkomst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 284 Artikel 12.14 garanties van oorsprong De Warmtewet en de daarop berustende bepalingen, zoals deze luiddenonmiddellijk voor de inwerkingtreding van artikel 8c van de Wet imple-mentatie EU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong,zijn van toepassing op de door Onze Minister op grond van de Warmtewetvoor de inwerkingtreding van artikel 8c van de Wet implementatieEU-richtlijn hernieuwbare energie voor garanties van oorsprong uitge-geven garanties van oorsprong voor warmte uit hernieuwbare bronnen.§ 12.3 Overige bepalingen Artikel 12.15 overgangsrecht aanhangige procedures op grondvan de Warmtewet 1. De op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanhangigeaanvragen tot en verzoeken om het nemen van besluiten op grond van deWarmtewet en bezwaren tegen besluiten op grond van de Warmtewetworden afgehandeld overeenkomstig de Warmtewet, zoals de Warmtewetluidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding vandit artikel.2. Overtredingen van het bepaalde bij of krachtens de Warmtewetworden afgehandeld overeenkomstig de Warmtewet zoals de Warmtewetluidde onmiddellijk voorafgaand aan het tijdstip van inwerkingtreding vanafdeling 9.2.Artikel 12.16 overgangsrecht vergunningen Warmtewet Verleende vergunningen op grond van artikel 9, eerste lid, van deWarmtewet vervallen uiterlijk binnen een jaar na inwerkingtreding vanartikel 12.2 en 12.3 van deze wet, of zo eerder, indien het college op grondvan artikel 12.2, eerste, tweede, derde of vierde lid, een warmtebedrijf eenaanwijzing heeft verleend.Artikel 12.17 Warmtewet tijdelijk van toepassing op bestaandewarmtebedrijven, bestaande verhuurders en verenigingen vaneigenaars en nieuw aangewezen warmtebedrijven of warmtebe-drijven met een ontheffing 1. Tot het tijdstip waarop het college op grond van artikel 12.2, eerste,tweede, derde of vierde lid, een warmtebedrijf heeft aangewezen voor eenwarmtekavel en tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van ditartikel, blijven op een leverancier als bedoeld in artikel 1 van deWarmtewet de artikelen 1, 2, eerste, derde en achtste lid, 4a, eerste,tweede en vierde lid, 5, 5a, 6, 7, artikel 8, eerste lid, vijfde lid, zesde lid,onderdelen b en c, zevende lid, achtste lid, 9, 10, 11, 12a, 12b, 12c, 12d, 13,15, 17, 18, 20, 23 en 24 van de Warmtewet en de daarop berustendebepalingen zoals deze luidden onmiddellijk voor inwerkingtreding van ditartikel van toepassing.2. Tot het tijdstip waarop het college op grond van artikel 12.2, eerste,tweede, derde of vierde lid, een warmtebedrijf heeft aangewezen voor eenwarmtekavel, en tot ten hoogste een jaar na inwerkingtreding van ditartikel:a. zijn de artikelen 1.1, 2.18, 2.19, 2.30 tot en met 2.33, 2.35 tot en met2.43, 2.47, 6.1, 6.2, 7.8, 7.9, 9.8, en 10, eerste lid, onderdeel a, tweede enderde lid, van deze wet van overeenkomstige toepassing op deleverancier, bedoeld in het eerste lid;b. zijn op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens deartikelen, bedoeld in het eerste lid, bepaalde, de artikelen 9.1, eerste lid,9.2, eerste lid, 9.3, eerste lid, en 9.4, eerste en vijfde lid, van deze wet vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 285 overeenkomstige toepassing;c. is artikel 1.2, eerste lid, niet van toepassing op de levering of hettransport van warmte door een leverancier als bedoeld in artikel 1 van deWarmtewet.3. Vanaf het tijdstip van inwerkingtreding van de artikelen 7.1, 7.2, 7.10,derde tot en met vijfde lid, 7.11, 7.12, 7.13 en 7.23 van deze wet, zijn, inafwijking van het eerste lid, de artikelen 2, derde lid, 4a, eerste, tweede envierde lid, 5, 5a, 6, 8, eerste lid, aanhef, zinssnede «tegen ten hoogste eendoor de Autoriteit Consument en Markt vast te stellen tarief» en laatstevolzin, vijfde lid, en zesde lid, onderdelen b en c, 23 en 24 van deWarmtewet en de daarop berustende bepalingen niet langer vantoepassing op de levering van warmte door een leverancier als bedoeld inartikel 1 van de Warmtewet.4. Vanaf het tijdstip, bedoeld in het derde lid, tot het tijdstip waarop hetcollege op grond van artikel 12.2, eerste, tweede, derde of vierde lid, eenwarmtebedrijf heeft aangewezen voor een warmtekavel, zijn:a. de artikelen 7.1, 7.2, 7.10, derde tot en met vijfde lid, 7.11, 7.12, 7.13,7.23 en 11.4, eerste lid, onderdelen a en d, tweede en derde lid, van dezewet van overeenkomstige toepassing op de levering van warmte door eenleverancier als bedoeld in artikel 1 van de Warmtewet;b. op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen,bedoeld in onderdeel a, bepaalde, de artikelen 9.1, eerste lid, 9.2, eerstelid, 9.3, eerste lid, en 9.4, eerste en vijfde lid, van deze wet van overeen-komstige toepassing.5. Tot het tijdstip waarop een verhuurder, vereniging van eigenaars ofeen daarmee vergelijkbare rechtsvorm een melding heeft gedaan opgrond van artikel 12.12, eerste lid, en tot ten hoogste een half jaar nainwerkingtreding van dit artikel:a. zijn de artikelen 1, 2.36 en 2.40 tot en met 2.42 van deze wet vanovereenkomstige toepassing op de levering van warmte door eenleverancier als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de Warmtewet, voorzover het de levering en transport van warmte, bedoeld in artikel 12.12,eerste lid, onderdelen a en b, betreft;b. zijn op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens deartikelen, bedoeld in onderdeel a, bepaalde, de artikelen 9.1, eerste lid,9.2, eerste lid, 9.3, eerste lid, en 9.4, eerste en vijfde lid, van deze wet vanovereenkomstige toepassing;c. is artikel 1.2, eerste lid, niet van toepassing op de levering of hettransport van warmte door een leverancier als bedoeld in artikel 1a, eerstelid, van de Warmtewet, voor zover het de levering of transport vanwarmte, bedoeld in artikel 12.12, eerste lid, onderdelen a en b, betreft.6. Indien de artikelen 7.1, 7.2, 7.10, derde tot en met vijfde lid, 7.11, 7.12,7.13 en 7.23 van deze wet nog niet in werking zijn getreden, zijn totinwerkingtreding van deze artikelen, op een warmtebedrijf dat isaangewezen op grond van artikel 2.5, eerste lid, of artikel 2.7, eerste lid, ofeen ontheffing heeft verkregen op grond van artikel 3.1, eerste lid:a. de artikelen 2, derde lid, 4a, eerste, tweede en vierde lid, 5, 5a, 6, 8,eerste lid, vijfde lid, en zesde lid, onderdelen b en c, 23 en 24 van deWarmtewet en de daarop berustende bepalingen van overeenkomstigetoepassing;b. op het toezicht op en de naleving van het bij of krachtens de artikelen,bedoeld in onderdeel a, bepaalde, de artikelen 13, 15, 17 en 18 van deWarmtewet van overeenkomstige toepassing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 286 § 12.4 Wijziging andere wetten Artikel 12.18 wijziging Gemeentewet, Provinciewet en Water-schapswet In artikel 228, tweede lid, onderdeel d, van de Gemeentewet,artikel 222c, tweede lid, onderdeel d, van de Provinciewet en artikel 114,tweede lid, onderdeel d, van de Waterschapswet wordt «artikel 38 van deWarmtewet» vervangen door «een warmtenet of warmtetransportnet alsbedoeld in artikel 1.1, van de Wet collectieve warmte».Artikel 12.19 wijziging Omgevingswet De Omgevingswet wordt als volgt gewijzigd:1. In artikel 10.14, onderdeel f, wordt «als bedoeld in artikel 1 van deWarmtewet» vervangen door «of warmtetransportnet als bedoeld inartikel 1.1 van de Wet collectieve warmte».2. In artikel 13.3e, eerste lid, onderdeel a, wordt «of artikel 1, eerste lid,van de Warmtewet» vervangen door: «of een warmtebedrijf of warmte-transportbeheerder als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet collectievewarmte».3. In artikel 23.3, eerste lid, onderdeel f, wordt «de Warmtewet»vervangen door «de Wet collectieve warmte».Artikel 12.20 wijziging Algemene wet bestuursrecht Bijlage 2. Bevoegdheidsregeling bestuursrechtspraak van de Algemenewet bestuursrecht wordt als volgt gewijzigd: AIn artikel 4 wordt in de opsomming «Warmtewet, met inbegrip van eenop grond van artikel 5, eerste lid, genomen besluit tot vaststelling van eenmaximumprijs, en met uitzondering van artikel 18» vervangen door «Wetcollectieve warmte, met uitzondering van de artikelen 9.3 en 9.4». BIn artikel 7 wordt in de opsomming «Warmtewet: artikel 18» vervangendoor «Wet collectieve warmte: de artikelen 9.3 en 9.4». CIn artikel 11 wordt in de opsomming «Warmtewet: artikel 18» vervangendoor «Wet collectieve warmte: de artikelen 9.3 en 9.4».Artikel 12.21 wijziging Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntie Artikel 6a van de Wet uitvoering EU-handelingen energie-efficiëntievervalt.Artikel 12.22 wijziging Energiewet De Energiewet wordt als volgt gewijzigd:Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 287 AArtikel 3.10 wordt als volgt gewijzigd:1. Aan het eerste lid wordt, onder vervanging van de punt aan het slotdoor een puntkomma, toegevoegd: onverminderd artikel 3.19, tweede lid,onderdeel d.2. Aan het tweede lid wordt toegevoegd: Dit verbod is niet vantoepassing op het houden van aandelen in, of deel nemen aan eenaangewezen warmtebedrijf als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet collec-tieve warmte, die deel uitmaakt van een groep waartoe ook eentransmissie- of distributiebeheerder hoort.3. Aan het derde lid wordt toegevoegd: Dit verbod is niet vantoepassing op een verbonden groepsmaatschappij die aandelen houdt in,of deelneemt aan een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in artikel 1.1van de Wet collectieve warmte. BIn artikel 3.19, tweede lid, wordt na onderdeel c, onder verlettering vande onderdelen d en e tot onderdelen e en f, een onderdeel ingevoegd,luidende:d. handelingen of activiteiten die bij of krachtens de Wet collectievewarmte zijn toegestaan aan een aangewezen warmtebedrijf als bedoeld inartikel 1.1 van die wet bij de uitoefening van zijn bedrijf, met uitzonderingvan de levering of handel van elektriciteit, gas of waterstofgas, alsmedede productie van elektriciteit, gas of waterstofgas, anders dan voorzelfgebruik of het veiligstellen van de leveringszekerheid, en onder devoorwaarde dat het aangewezen warmtebedrijf geen nevenactiviteitenverricht. CArtikel 3.21 wordt als volgt gewijzigd:1. Na het tweede lid wordt onder vernummering van het derde tot enmet zesde lid tot vijfde tot en met achtste lid, twee leden ingevoegd,luidende:3. Indien een infrastructuurbedrijf aandelen houdt in, of deelneemt aaneen aangewezen warmtebedrijf als bedoeld in artikel 1.1 van de Wetcollectieve warmte:a. bevatten de statuten van het warmtebedrijf de bepaling dat de ledenvan het bestuur en de meerderheid van de leden van de raad vancommissarissen geen statutaire bestuurder zijn van de transmissie- ofdistributiesysteembeheerder binnen de infrastructuurgroep waar hetinfrastructuurbedrijf deel van uitmaakt;b. neemt het infrastructuurbedrijf bij zijn handelen als aandeelhouder ofdeelnemer een evenwichtige afweging tussen de belangen van hetwarmtebedrijf en van de infrastructuurgroep in acht;c. is in geval het warmtebedrijf zelf geen deel uitmaakt van de infra-structuurgroep, het bepaalde bij of krachtens artikel 3.22 van overeenkom-stige toepassing;d. stelt de transmissie- of distributiesysteembeheerder binnen deinfrastructuurgroep geen zekerheid ten behoeve van het warmtebedrijf,noch maakt het zich op andere wijze sterk of verbindt het zich hoofdelijk ofanderszins naast of voor het warmtebedrijf.4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadereregels worden gesteld over het derde lid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 288 2. In het zevende lid, onderdelen a, b en f, (nieuw) en achtste lid,onderdeel a, (nieuw) wordt «derde lid» telkenmale vervangen door «vijfdelid». DIn artikel 5.20, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, wordt «3.21, eerste entweede lid,» vervangen door «3.21, eerste tot en met vierde lid,». EIn artikel 5.20, eerste lid, onderdeel c, onder 2°, wordt «3.21, eerste entweede lid,» vervangen door «3.21, eerste tot en met vierde lid,».§ 12.5. Slotbepalingen Artikel 12.23 intrekken Warmtewet De Warmtewet wordt ingetrokken.Artikel 12.24 inwerkingtreding 1. De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijkbesluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onder-delen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.2. Op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip komt artikel 2.42,eerste lid, te luiden:1. Een warmtemeter of warmtekostenverdeler is op afstand uitleesbaar,tenzij dit niet kostenefficiënt is.3. Indien de artikelen 7.3 tot en met 7.5 in werking treden:a. wordt in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, onderdeel a,«artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b,» vervangen door «artikel 7.3, derdelid,»;b. wordt in artikel 7.1, eerste lid, «vastgesteld op grond van artikel 7.2,eerste lid,» vervangen door «vastgesteld of berekend op grond vanartikel 7.4, eerste lid, of berekend op grond van artikel 7.5, eerste lid,»;c. vervalt artikel 7.2;d. wordt in artikel 7.10, derde lid, «artikel 7.2, tweede lid, onderdeel b,»vervangen door «artikel 7.3, derde lid,»;e. wordt in artikel 7.11 «artikel 7.3, tweede lid,» vervangen door«artikel 7.4, eerste lid, artikel 7.5, eerste lid,»;f. vervallen in artikel 7.12 het tweede tot en met vierde lid, ondervernummering van het vijfde en zesde lid tot het tweede en derde lid;g. wordt in artikel 7.23 «7.2,» vervangen door «7.3, 7.4, 7.5,».4. Indien de artikelen 7.17 tot en met 7.19 in werking treden:a. wordt in artikel 7.15, eerste lid, «vastgesteld op grond van artikel 7.16,eerste lid,» vervangen door «vastgesteld of berekend op grond vanartikel 7.18, eerste lid, of berekend op grond van artikel 7.19, eerste lid,»;b. vervallen in artikel 7.21 het tweede tot en met vierde lid, ondervernummering van het vijfde en zesde lid tot het tweede en derde lid;c. wordt in artikel 7.23 «en 7.16» vervangen door «,7.17, 7.18 en 7.19»;d. vervalt artikel 7.16.5. Indien de artikelen 7.14 en 7.20 in werking treden, wordt in artikel 9.4,eerste lid, na «7.10, eerste en tweede lid,» ingevoegd «7.14, tweede lid,7.20, tweede lid,».Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 289 6. Indien de artikelen 7.6 en 7.7 in werking treden:a. wordt in artikel 2.8, eerste lid, onderdeel b, en vijfde lid, onderdeel a,«artikel 7.3, derde lid,» vervangen door «artikel 7.6, derde lid,»;b. wordt in artikel 2.29, tweede lid, «7.14, eerste lid,» vervangen door«7.7, derde lid,»;c. wordt in artikel 7.1, eerste lid, «vastgesteld of berekend op grond vanartikel 7.4, eerste lid, of berekend op grond van artikel 7.5, eerste lid,»vervangen door «vastgesteld op grond van artikel 7.6, eerste lid,» enwordt «kleinverbruiker» vervangen door «verbruiker»;d. wordt in artikel 7.10, tweede lid, «artikel 7.3, derde lid,» vervangendoor «artikel 7.6, derde lid,»;e. wordt in artikel 7.11 «artikel 7.4, eerste lid, artikel 7.5, eerste lid,»vervangen door «artikel 7.7, derde lid,»;f. wordt in artikel 11.4, eerste lid, onderdeel a, «kleinverbruiker»vervangen door «verbruiker»;g. vervalt artikel 11.4, eerste lid, onderdeel b, onder verlettering van deonderdelen c en d tot b en c;h. vervallen de artikelen 7.1, vijfde lid, 7.3 tot en met 7.5, 7.12 en 7.14.Artikel 12.25 citeertitel Deze wet wordt aangehaald als: Wet collectieve warmte.Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst endat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulksaangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.GegevenDe Minister voor Klimaat en Energie,De Minister voor Klimaat en Energie,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 576, nr. 290

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · ca3e7fff02e06807

14 okt 2026 · 17a00d47bd0b046a

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.