Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 11 november 2024, over Begrotingsonderdeel Jeugd
Brontekst
Versie 8d20aa7ee55a032f · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 839JeugdzorgNr. 1049 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 10 december 2024 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op11 november 2024 overleg gevoerd met de heer Karremans, Staatssecre-taris Jeugd, Preventie en Sport, en de heer Struycken, StaatssecretarisRechtsbescherming, over:–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 14 februari 2024 inzake reactie op verzoekcommissie over de brief van FNV Zorg & Welzijn inzake desituatie VIGO (Kamerstuk 31 839, nr. 993);–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 18 maart 2024 inzake reactie op verzoekcommissie over de brief van het Landelijk Oudercontact Voorde Trekkende beroepsbevolking inzake de mogelijke maatrege-len «het stopzetten van de subsidieregeling voor schippersin-ternaten» (Kamerstuk 29 214, nr. 102);–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 12 april 2024 inzake resultaten onderzoekervaringen met ABA (Kamerstuk 31 839, nr. 1017);–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 17 mei 2024 inzake procesvoorstel NationaleJeugdstrategie (Kamerstuk 35 883, nr. 3);–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 27 mei 2024 inzake reactie op verzoek commis-sie over het inspectierapport inzake de ZIKOS-afdelingen(Kamerstuk 31 839, nr. 1020);–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 11 juni 2024 inzake toezegging overzichtlandelijke initiatieven inzake het mentale welzijn van jongeren(Kamerstuk 25 424, nr. 699);–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 21 juni 2024 inzake voortgangsbrief jeugd(Kamerstuk 31 839, nr. 1024);–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 21 juni 2024 inzake antwoorden op vragencommissie inzake AMvB reële prijzen Jeugdwet, onderzoekdata wijkteams jeugd en RVS-rapport Kinderen uit de knel(Kamerstuk 31 839, nr. 994) (Kamerstuk 31 839, nr. 1023); kst-31839-1049ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10491 –de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 22 maart 2024 inzake AMvB reële prijzenJeugdwet, onderzoek data wijkteams jeugd en RVS-rapportKinderen uit de knel (Kamerstuk 31 839, nr. 994);–de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d.16 oktober 2024 inzake beleidsreactie op RSJ-advies Vrijheids-beperkende maatregelen in de open residentiële jeugdhulp?(Kamerstuk 31 839, nr. 1029);–de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d.5 november 2024 inzake voortgangsbrief jeugd (Kamerstuk31 839, nr. 1031);–de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d.25 oktober 2024 inzake antwoorden op vragen commissie overde beleidsreactie op het rapport van het NAR over ervaringenvan volwassenen, ouders en zorgverleners met ABA-behandelingen (Kamerstuk 25 424, nr. 698) (Kamerstuk25 424, nr. 712);–de brief van de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijnen Sport d.d. 11 juni 2024 inzake beleidsreactie op het rapportvan het NAR over ervaringen van volwassenen, ouders enzorgverleners met ABA-behandelingen (Kamerstuk 25 424,nr. 698);–de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d.6 november 2024 inzake nazending bijlagen bij de voortgangs-brief jeugd (Kamerstuk 31 839, nr. 1031) (Kamerstuk 31 839,nr. 1032).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,MohandisDe griffier van de commissie,EsmeijerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10492 Voorzitter: MohandisGriffier: DoomsAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bruyning, Ceder, Crijns,Van den Hil, Mohandis, Paulusma, Rikkers-Oosterkamp, Stoffer enWesterveld,en de heer Karremans, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, en deheer Struycken, Staatssecretaris Rechtsbescherming.Aanvang 16.31 uur.De voorzitter:Welkom allemaal bij het begrotingsonderdeel Jeugd. Voor mij is dit hettweede begrotingsonderdeel, want hiervoor had ik het mooie WGOCultuur. Dat was een mooie zit. Welkom aan de Kamerleden, de beideStaatssecretarissen die allebei een onderdeel voor hun rekening gaannemen, alle aanwezigen hier, iedereen die dit op afstand volgt. Er is eensprekersvolgorde. We noemen dat de begrotingsvolgorde: eerst degrootste oppositiepartij, dan de grootste coalitiepartij et cetera et cetera.Aanwezig zijn in ieder geval mevrouw Westerveld van GroenLinks-Partijvan de Arbeid, mevrouw Paulusma van D66, mevrouw Van den Hil van deVVD, de heer Stoffer van de SGP, de heer Crijns van de PVV, de heer Cedervan de ChristenUnie, mevrouw Bruyning – sorry, ik was even uwachternaam kwijt; ik heb al een debat achter de rug en ik zie geen bordje –van NSC en mevrouw Rikkers van BBB. Ik geef u allen vier interruptiesonderling in de eerste termijn van de Kamer. Ik geef nu als eerste hetwoord aan mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dank u wel, voorzitter. De vorige, maar meteen ook de eerste keer dat wijmet deze woordvoerders Jeugdzorg een debat hadden, was in eenspoeddebat. Dat werd aangevraagd door de PVV met steun van eigenlijkalle partijen. Dat ging over de misstanden in de gesloten jeugdzorg. Datwas niet omdat de inspectie of het ministerie ons daarop wees, maaromdat een jongere zelf, Jason Bhugwandass, met dat rapport kwam. Ikherinner me heel goed de duidelijke en heel felle woorden van eigenlijkalle partijen hier. Er moest nu worden ingegrepen, want het kon zo nietlanger. PVV, BBB en VVD gebruikten dit zelf als excuus om niet voor hetvoorstel van NSC en mij te stemmen om via een beknopte parlementaireenquête eens kritisch te kijken naar de rol die de politiek zelf speelt, dusniet alleen het ministerie, maar ook de Kamer.Er gaat namelijk nogal veel mis in de jeugdzorg, maar zelfreflectie vondende partijen te lang duren, want er moest nu meteen actie komen. Datdebat was in maart. We zijn nu acht maanden verder. In die acht maandenheb ik geen enkele urgentie gemerkt, niet van het ministerie, ook niet vande Kamerfracties. Het lijkt wel of na dat debat ook alle mooie woordenover urgentie en actie waren verdwenen. Sterker nog, in het hoofdlijnen-akkoord dat in mei verscheen, vond kennelijk geen van de vier fracties desituatie in de jeugdzorg zo’n enorme prioriteit meer. Er staan een paarzinnen in, maar die komen er eigenlijk op neer dat verder wordt gegaanmet alles wat al in gang is gezet. Dat zou verder uitgewerkt worden,hoorde ik toen ik mijn teleurstelling daarover liet blijken. Maar hetregeerprogramma dat in september verscheen stelde nog meer teleur.Voorzitter. Waar blijven die spoedwetten wanneer het gaat om mensen-levens? Ik heb die vraag ook al tijdens het zorgbegrotingsdebat gesteld enik stel hem weer, want intussen zijn er een aantal kinderen overleden diemeededen aan het onderzoek van Jason. Zij zullen die erkenning nietmeer meemaken als die er nog komt. Ik lees in de stukken die we vorigeweek kregen dat het onderzoek naar de vraag over het ontbrekendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10493 toezicht weer vertraging oploopt en dat we daar nog zeker een jaar opmoeten wachten. In dat debat vroeg ik onder meer naar goede nazorgvoor de slachtoffers. Van hen hoor ik dat het niet goed gaat met dienazorg. Een concrete vraag aan de Staatssecretaris is: wat is er nouconcreet gedaan? We zijn acht maanden verder. Op welke manier wordendeze jongeren ondersteund? Als ik naar die jongeren luister, begrijp ikheel goed dat zij opnieuw teleurgesteld zijn, dat zij vertrouwen verliezen,dat zij zich in de steek gelaten voelen door politici die medeleven betonen,maar daarna gewoon weer bezig gaan met heel veel andere dingen.Soortgelijke verhalen hoorden wij ook vorige week van jongeren enouders die bij ons in de Tweede Kamer te gast waren om te praten over desituatie waar ze in zitten. Dat zijn gezinnen die echt in de overlevingsstandstaan, maar tegelijkertijd ook strijden om gezien te worden door instantiesen om de hulp te krijgen die nodig is. Ze hebben helemaal niets aan helemooie woorden. Ik begrijp hun teleurstelling en ook de boosheid dieeronder zit heel goed. Je zult maar met een kind zitten dat misschien dekomende maanden niet overleeft terwijl je geen hulp krijgt. Ik zeg dit zohard, omdat het precies is wat ik de afgelopen zeven jaar als woord-voerder meemaak: veel beloven, maar als puntje bij paaltje komt is dejeugdzorg voor geen enkele partij die aan de macht is prioriteit. Mijnvraag aan de Staatssecretaris is dus nogmaals: waar zijn die spoed-plannen wanneer het gaat om mensenlevens? Mijn vraag aan de collega’svan coalitiepartijen is: waar waren jullie toen over het hoofdlijnenakkoordwerd onderhandeld? Waarom zijn jullie partijleiders niet net zo druk metmensen die echt in crisis zitten – want daar heb ik het over – als met decrisis die mensen ervaren, om de Minister-President te parafraseren? Hetis volstrekt helder dat we met de plannen die ook nu beschreven staan,weer precies hetzelfde rondje draaien als de afgelopen jaren. Mooiewoorden iedere keer. Geen enkele partij zegt «jeugdzorg is voor ons geenprioriteit», maar als puntje bij paaltje komt, blijkt wel wat anders.Ik noem drie voorbeelden waarin afspraken niet worden nagekomen. Deeerste gaat over de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, die in2019 door toenmalig bewindspersoon Hugo de Jonge is aangekondigd.Dit jaar, vijf jaar later, is die wet eindelijk in de Kamer ingediend. En nuwachten we alweer een paar maanden totdat het kabinet antwoord geeftop de door de fracties gestelde vragen zodat we verder kunnen. Ik doenaar deze Staatssecretaris met klem een oproep: stuur deze antwoordenzo snel mogelijk naar de Kamer zodat we door kunnen gaan! Zodat we dewet in 2025 in de Kamer kunnen bespreken. Dat is dan zes jaar na deaankondiging. Zes jaar waarin deze wet steeds het antwoord was opvragen die wij stelden. Er zou immers een wet komen. Zes jaar waarinniets concreets is gebeurd.Dan voorbeeld twee: de discussie over de reikwijdte. Toenmalig bewinds-persoon Maarten van Ooijen pakte heel groot uit in het AD met eenaankondiging dat er een maatschappelijke discussie zou plaatsvindenover de reikwijdte. Want we moesten het niet vanzelfsprekend vinden datzo veel kinderen werden doorgestuurd naar jeugdzorg. Er zou een grootsaangevlogen discussie komen. Die discussie zou uiteindelijk moetenleiden tot een wetsvoorstel, zoals ook is afgesproken in de hervormings-agenda. Inmiddels, na de grootse aankondiging van deze discussie, zijnwe weer anderhalf jaar verder. Ik citeer letterlijk wat ik lees in de voort-gangsmonitor van de hervormingsagenda die we deze keer kregen:«Allereerst staat het Rijk aan de lat. Zij zal onder andere een maatschappe-lijke dialoog initiëren over het normaliseren en versterken van het gewoneleven en de Jeugdwet aanpassen zodat de jeugdhulpplicht beter kanworden geduid, afgebakend en gericht op jeugdigen en gezinnen in demeest kwetsbare situaties.» Dit staat op bladzijde 10. De conclusie is datde dialoog waarmee zo groot werd uitgepakt, nog niet eens is begonnen.Het wetsvoorstel zou naar verwachting in de zomer van 2025 in consul-tatie gaan. Consultatie betekent dus dat de wet nog niet eens naar deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10494 Kamer wordt gestuurd. De ervaring leert dat het daarna nog zeker nog eenjaar, en vaak veel langer, duurt voordat het wetsvoorstel in de Kamerkomt. Opnieuw doe ik met klem een oproep aan de Staatssecretaris: «Ditmoet sneller! Maak haast met het voorstel zodat we in ieder geval ergensover kunnen praten in de Kamer! Zodat we in ieder geval de discussie metelkaar kunnen voeren.» Waar het op andere onderwerpen gaat overspoed- en noodwetten, zie ik hier alleen maar vertraging. Ik zei het al bijde VWS-begroting: deze crisis is echt voor jeugdigen, voor gezinnen, voorhulpverleners, voor gemeenten. Het is geen ervaren crisis, het is eenechte crisis waar veel jongeren, en ouders, iedere dag in zitten. Een echtecrisis waarin jongeren overlijden. En dan is dit soort vertraging onaccep-tabel.Voorbeeld drie gaat over de Hervormingsagenda Jeugd zelf. Zoals ik netal zei, kregen we deze week de voortgangsmonitor. Die concludeert watwij al jaren zeggen: de uitvoering van de hervormingsagenda loopt achterop de planning. En dan staat er letterlijk de zin: «Dit geldt in het bijzondervoor de afspraken die nog moeten worden uitgevoerd door het Rijk en deVNG.» Dat staat op bladzijde 9. En Staatssecretaris, dat «Rijk» bent u. Watis uw reactie en uitleg op dit gebrek aan voortgang van het Rijk? Voelt udie urgentie wel genoeg? En zo ja, kunt u per punt waarop het Rijkvolgens de voortgangsmonitor achterloopt, uitleggen hoe we gaanversnellen? Ik snap dat dit met het oog op de tijd wat veel is voor hetdebat vanavond, dus dit mag ook later per brief. Per punt zou ik graag eenreactie hebben.Dan heb ik een vraag aan de Staatssecretaris. Bent u het met ons eens datals het Rijk al achterloopt op de implementatie van de hervormings-agenda, we dan niet kunnen verwachten dat gemeenten die besparingvan 1 miljard vanaf 2026 wel gaan halen? Het idee is dat er een beterstelsel komt, wat geld oplevert en zo moeten de gemeenten uiteindelijk1 miljard bezuinigen. Maar als het Rijk de afspraken niet nakomt, hoekunnen we die besparing van gemeenten dan wel verwachten? Moet datniet hand in hand gaan zoals volgens mij de afspraak is? Begin 2025 komtde deskundigencommissie met een zwaarwegend advies over deuitvoering van de hervormingsagenda en de financiële afspraken dieeronder liggen. Als ik kijk naar de voortgangsmonitor is misschien wel teverwachten dat de conclusie is dat de financiële afspraken, inclusief die1 miljard aan bezuinigingen in 2026, in dit tempo niet gehaald gaanworden. Ik heb dan weer een vraag aan de Staatssecretaris, namelijk: kanhij toezeggen dat hij dat zwaarwegende advies van de commissie diespecifiek is ingesteld om te monitoren hoe dit loopt, gaat opvolgen? Gaathij opnieuw naar financiële afspraken kijken met de VNG? Want als hetRijk zelf de afspraken niet nakomt, kun je de rekening niet ergens andersneerleggen.Voorzitter. Ook op andere punten moeten we veel te lang wachten.Ironisch genoeg is een van de dingen waarop we veel te lang moetenwachten een overzicht van de wachtlijsten zelf. Hoe kan het dat ik al zevenjaar, sinds ik in de Kamer zit, vraag om hoeveel jongeren het eigenlijkgaat? Hoe kan het dat we vrij precies in beeld hebben hoeveel jongeren intotaal een vorm van jeugdhulp krijgen, maar dat het daarbinnen kennelijkmoeilijk is om een uitsplitsing te sturen? Het maakt nogal uit of iemandeven tijdelijk vastloopt op school of dat je een kind hebt – vorige weekspraken we met de ouders – dat een hele zware eetstoornis heeft, dat nuhulp nodig heeft en dat nog maanden op die wachtlijst staat? We wetenallemaal dat een wachtlijst de situatie niet beter maakt. Er zijn jongerendie een ernstig trauma hebben opgelopen en die meteen hulp nodighebben, zoals ook de inspecties vaak constateren. Het is evident dat je alsministerie en Kamer helemaal niet goed kunt sturen op het stelsel als ergeen beeld is om hoeveel mensen het gaat.Daarover gesproken: recent stelde ik Kamervragen over eetstoornissen.Deskundigen vertellen ons dat het aantal jongeren met een eetstoornisTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10495 toeneemt, dat dat waarschijnlijk steeds ernstigere vormen aanneemt endat die jongeren steeds jonger worden. Ik vind het bizar en onacceptabeldat, terwijl deskundigen dat denken, wij hier landelijk geen enkel beeld bijhebben. Een eetstoornis is een van de meest dodelijke en misschien welde dodelijkste psychiatrische aandoening is. Kinderen op jonge leeftijdworden erdoor getroffen. Dan moeten we dat landelijk in beeld hebben.Graag een reactie van de Staatssecretaris. De afgelopen jaren was eenStaatssecretaris of Minister het telkens met ons eens en werd er verbe-tering beloofd, maar na zeven jaar lees ik weer dat we nog een tijdmoeten wachten.We bespreken vandaag de begroting voor 2025. Ook daarin zie ik watkeuzes die haaks staan op de mooie woorden van de Staatssecretaris inde voortgangsbrieven. Neem bijvoorbeeld de integrale aanpak voorjongeren. Niet alles moet zorg zijn; er moet ook worden gekeken naar hetsociaal domein, de maatschappij zelf en andere departementen, zoalsonderwijs. Daar ben ik het helemaal mee eens. Tegelijkertijd bezuinigt ditkabinet op onderwijs, sport, cultuur en preventie. Allemaal plekken dieheel belangrijk zijn voor het welzijn van jongeren en waar jongeren diemisschien even niet lekker in hun vel zitten, naartoe kunnen gaan om ietsanders te doen en om met leeftijdgenoten mooie dingen te ondernemen.Cultuur en sport zijn daar essentieel voor, maar daarop wordt bezuinigd.Hoe rijmt de Staatssecretaris deze bezuinigingen met al die mooiewoorden en met de ambitie om minder jongeren naar jeugdzorg door testuren? Veel meer moet immers opgelost worden via het sociaal domeinen via informele netwerken. Hoe staat het daarmee, vraag ik de Staatsse-cretaris.Hoe verhoudt zich deze bezuiniging tot de mooie woorden vanvoorgangers over de Big Five? Die moeten op orde zijn voordat jongerenjeugdzorg verlaten. Dus school of werk, inkomen, welzijn, sociaal netwerken wonen. Daarover gesproken: wat vindt de Staatssecretaris ervan datblijkt dat het aantal jongeren dat dakloos is, nog groter is dan uit eerderecijfers werd opgemaakt? Weet hij dat veel van deze jongeren, hoe kan hetook anders, een verleden hebben in de jeugdzorg? Kan hij uitleggen water gaat gebeuren met de specifieke uitkeringen, de SPUK’s? Ik lees in debegroting dat er 10% bezuinigd gaat worden op de SPUK die onder meerde bovenregionale expertisecentra bekostigt. Dat zijn centra die er dooreen amendement van GroenLinks uit 2019 zijn gekomen. Waarom gaathier geld af en wat betekent dat voor deze centra? Blijft deze kortingbestaan, ook als het kabinet besluit om die SPUK toch te behouden?Ik las het rapport over wat de expertisenetwerken doen. Vanuit het veldhoor ik daar allemaal mooie verhalen over van mensen uit de jeugdzorg.Er gebeuren allerlei hartstikke nuttige dingen. Ik wil wel nog een keerrichting deze Staatssecretaris opmerken dat het oorspronkelijke doel,zoals het destijds in het amendement beschreven stond, was dat er26 miljoen beschikbaar zou komen voor jongeren met multiproblematiek,die op geen enkele andere plek terechtkunnen, dat er gewerkt wordt aanexpertise en deskundigheidsbevordering en dat het een fijne omgevingmoet zijn en niet de gesloten jeugdzorg zoals we die nu kennen. Dat washet idee. Ik zie alle mooie dingen die er gebeuren, maar het oorspronke-lijke doel wordt uit het oog verloren, zo lijkt het, terwijl er in mijn optieknog steeds hard behoefte aan is. Ik hoor daar ook graag een reactie opvan de Staatssecretaris.Ik heb een vraag. Is de Staatssecretaris met de jeugdzorgaanbieders enmedewerkers in gesprek over het wegbezuinigen van het Stagefonds? Zonee, wat is het inhoudelijke motief achter deze bezuiniging? Ik krijg dangraag meer context dan alleen het wijzen naar het rapport van deRekenkamer, want dat heb ik ook gelezen. Kan hij ook uitleggen waaromhij ondanks alle personeelstekorten in de sector ook weer op de subsidie«Jeugdhulp. Alles in het werk» wil bezuinigen? Hierover kregen wijafgelopen week een petitie aangeboden. Hoe kijkt de Staatssecretaris aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10496 tegen de brief van verslavingszorgdeskundigen die aangeven datjongeren de jeugdverslavingszorg te laat bereiken en dat hier heel watwerk te verrichten is? Zij wijzen ook weer op het belang van preventiedoor betere screening. Hoe ziet de Staatssecretaris dit?Voorzitter. De bovenregionale expertisenetwerken zijn een goede brugnaar de groep waar ik al jaren aandacht voor vraag, namelijk jongerenmet multiproblematiek. Daarvan weten we allemaal dat ze al jaren tussenwal en schip vallen. Dat was zeven jaar geleden al zo, maar pijnlijk genoeglijkt er in al die jaren niets veranderd te zijn. Dat bleek ook uit de emoti-onele gesprekken die we afgelopen week hier informeel hadden. Wehadden als Kamercommissie een aantal jongeren en ouders uitgenodigdom even zonder camera’s erbij naar hun verhalen te luisteren. Dat heeftmij, maar ook alle collega’s die daarbij waren, aangegrepen. Je hoort daarnamelijk direct de verhalen van mensen over hoe zij worstelen met hetsysteem, terwijl ze er zo graag willen zijn voor hun kind. Dat doetnatuurlijk ook wat met de rest van de familie, met broers en zussen. Hetkan ook effect hebben op school, maar bijvoorbeeld ook op werk.Sommige ouders moeten noodgedwongen vrij nemen. Dat moet je ookmaar net kunnen en dat moet je werkgever ook maar net toestaan.Wij hoorden dat niet alleen van ouders, maar het blijkt natuurlijk ook allang uit inspectierapporten. De Staatssecretaris stuurde die inspectierap-porten vorige week zelf naar de Kamer. De inspectie oordeelt snoeihard enzegt: er is onvoldoende goede en passende hulp voor jongeren metcomplexe hulpvragen. Ook de afbouw van de gesloten jeugdzorg looptniet goed. Dat is natuurlijk ook iets waar we de Staatssecretaris en zijnvoorgangers al jarenlang voor waarschuwen.Voorzitter. Ik werd echt boos bij het lezen van de inspectierapporten,omdat zaken die we hier met elkaar hebben afgesproken in de praktijk nietop orde zijn. Dat kan gebeuren. Soms maak je hier afspraken met elkaaren dan gebeurt dat niet in de praktijk. Maar er zijn twee redenen waaromik dit echt heel hoog opneem. Een. Het gaat echt over mensen- enkinderrechten die niet op orde zijn. We houden ons niet aan onze eigenwetten, maar ook niet aan internationale afspraken, bijvoorbeeld hetVerdrag inzake de rechten van het kind. Twee. Als de inspectie heel hardeconclusies trekt over dingen die we in de Kamer met elkaar hebbenafgesproken, dan wil ik dat wij proactief worden geïnformeerd. Nugebeurde dat wel door inspectierapporten naar de Kamer te sturen, maarwe hadden nog 23 andere bijlagen. Je moet dat er ook maar net uit lezenin zo’n korte tijd. Ik wil dus graag dat wij in het vervolg actief wordengeïnformeerd.Ik zal even heel concreet noemen waar ik het over heb. Eén ding isbijvoorbeeld het onderwijs. We hebben als Kamer al jaren geleden metelkaar en met de toenmalig bewindspersonen op Zorg en Onderwijsafgesproken dat er een passend onderwijsaanbod zou zijn voor kinderendie in de jeugdzorg zitten, omdat we toen al wisten dat dit niet op ordewas. De hele Kamer stond achter de motie. Het zou geregeld worden. Iklees in de inspectierapporten dat dit niet goed gaat. Dat gaat zowel overde gesloten jeugdzorg als over de open settingen. Daar wordt op heel veelplekken onderwijs als onvoldoende beoordeeld door de inspectie. Datmoet gewoon anders. Onderwijs kunnen volgen op je eigen niveau isgewoon een recht. Ik durf hier wel te zeggen dat de hele Kamer ditbelangrijk vindt.Het tweede punt dat ik noem, is de rechtspositie. We hebben vorig jaareen debat gehad over de wet die de rechtspositie van jongeren in degesloten jeugdzorg zou verbeteren. Die wet is afgelopen jaar per 1 januariingegaan. We lezen gewoon dat instellingen zich daar niet aan houden.Dan kijk ik ook naar de Staatssecretaris. De hele Kamer zei: we moeten derechtspositie van jongeren verbeteren. Dan moet dat ook gebeuren,helemaal als we dat met elkaar in een wet afspreken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10497 Het derde punt is het punt over de vertrouwenspersoon. Ik heb een aantaljaar geleden een amendement op de wet ingediend, waarin we detoegang tot vertrouwenspersonen en de toegang van vertrouwensper-sonen tot jongeren goed regelen. Het ministerie vond het destijdsonnodig om dit in de wet op te nemen. Gelukkig hebben we dat toch, ookmet hulp van het ministerie, in die wet opgenomen. Ik lees nu dat dietoegang tot vertrouwenspersonen nog steeds niet goed is geborgd. Datzijn drie concrete voorbeelden waarvan ik denk dat de hele Kamer diebelangrijk vindt, die we hebben afgesproken in wetgeving en waarvan iknu in inspectierapporten lees dat dit onvoldoende gaat. Ik wil dat daarverbetering in komt.Voorzitter. Dan ga ik nu naar de jeugdbescherming. Dat zijn vragen aanStaatssecretaris Struycken. Ik kan het bijna als volgt samenvatten: alleswat ik hierboven heb gezegd over het gebrek aan tempo en urgentierondom de jeugdzorg kunnen we ook wel zeggen over de jeugdbe-scherming. Al sinds 2019 waarschuwen inspecties herhaaldelijk datkwetsbare kinderen onvoldoende worden beschermd. De laatste jarenkrijgt de Kamer – ik lees het in ieder geval elke drie of vier maanden – eensignaleringsbrief van beide inspecties, waarin echt heel harde conclusiesstaan. De inspecties zeggen dat kinderen die in een kwetsbare positiezitten onvoldoende beschermd worden. Zij geven die boodschap aan dehuidige Staatssecretaris en gaven die ook aan zijn voorgangers: grijp in,doe iets, pak die stelselverantwoordelijkheid.Nu lees ik dat de nieuwe Staatssecretaris de handschoen heeft opgepakten in een brief aankondigt dat het regionaal veiligheidsteam eenzelfstandige organisatie gaat worden, die taken overneemt van VeiligThuis, de Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerdeinstellingen. Ik ben natuurlijk de laatste die tegen een voortvarendeaanpak is, laat dat heel duidelijk zijn. Ik heb wel een paar vragen aan deStaatssecretaris over zorgvuldigheid. Wij krijgen namelijk signalen dat deaankondiging bij een aantal partijen in het veld wel wat rauw op het dakviel. Ik wil hem vragen of alle betrokken organisaties en medewerkersmeegenomen in het proces. Wat gaat het concreet voor medewerkersbetekenen? Een aantal van hen heeft bewust ervoor gekozen om bij eenbepaalde organisatie te werken. Er zijn immers verschillende organisatiesmet verschillende cao’s en verschillende afspraken over secundairearbeidsvoorwaarden en pensioen. Worden medewerkers en vakbondenook in dat opzicht genoeg betrokken bij de plannen? We moeten natuurlijkvoorkomen dat nog meer mensen de sector verlaten.Kan de Staatssecretaris uitleggen waarom hij een nieuwe zelfstandigeorganisatie als dé oplossing ziet? Gaat dit niet weer zorgen voor eennieuwe laag met nieuwe bestuurders en een nieuwe raad van toezicht?Hoe ziet hij dat? Ik lees in de brief dat er nog geen financiële onder-bouwing voor de plannen is. Dit is toch een vrij grote transformatie. Tochis er in de begroting van 2025 en de jaren daarna geen geld ingeboekt. Erzijn geen structurele middelen en geen transitiemiddelen beschikbaar. Isde Staatssecretaris het met ons eens dat dit een ingrijpende aankondigingis? Als er geen enkel zicht op is dat het financieel gerealiseerd kanworden, doet dat iets met de plannen. Daar heb ik graag een reactie op.In september kwam het evaluatierapport van de pilot over kostelozerechtsbijstand kinderbescherming naar de Kamer. Al jaren zeggen wij, enook andere partijen in de Kamer, dat de rechtspositie van ouders bijuithuisplaatsingen of kinderbeschermingsmaatregelen onvoldoende is. Zestaan soms zonder advocaat in de rechtszaal, waardoor ze een ongelijkepositie hebben ten opzichte van de overheid.De voorzitter:U heeft een interruptie, mevrouw Westerveld. Mevrouw Van den Hil, aan uhet woord.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10498 Mevrouw Van den Hil (VVD):Het is een mooi en bevlogen betoog, maar dat zijn we gewend. Ik wildeheel even ingaan op het toekomstscenario gezins- en jeugdbeschermingen op de reorganisatie. Als je al wat ouder bent en al wat langer op dezeaardbol meeloopt, dan krijg je soms een aha-erlebnis. Ik dacht: hebben wedat niet ooit al eens gehad met de Bureaus Jeugdzorg? Ik was toentertijdtoezichthouder bij een gecertificeerde instelling. Ik zag al die dingen ’snachts in mijn dromen weer voorbijkomen. Misschien speelt mevrouwWesterveld mijn vraag door, dat mag ook. Mijn vraag is eigenlijk of devorm op een gegeven moment leidend is om alles maar weer een beetjein goede banen te leiden. Of is mevrouw Westerveld het met mij eens dat,zoals Confucius vroeger altijd zei: een kritische blik op het verleden issoms een gerichte blik op de toekomst? Dat is niet altijd, maar hoe kijkt udaarnaar, mevrouw Westerveld?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik begrijp die vraag heel goed. Dat is ook de reden waarom ik een aantaltoch wel stevige vragen stelt aan de Staatssecretaris. Want laat ik duidelijkzijn: wij zijn de laatste partij die elke keer alleen maar boe roept. Ik wil juistdat er verbeteringen komen. Dat hebben we ook altijd tegen devoorgangers van de huidige bewindspersonen gezegd: wij willen dat dejeugdzorg beter wordt. Als we daarbij kunnen helpen, doen we dat. Maarwe zullen ook kritisch zijn en kritisch volgen welke plannen er liggen en ofdie echt verbetering gaan brengen, of dat het vooral iets is voor de vormof een mooie belofte, die niet wordt nagekomen. Dat moeten we allemaalniet willen. Maar ik ben ook niet van een partij die elke keer alleen maarzegt hoe het niet moet en niet wil meedenken over hoe het wel moet. Datvind ik namelijk ook onze verantwoordelijkheid. Daarom vind ik dit eenlastige vraag. Voor mij is in ieder geval duidelijk dat het zo niet langer kan.Het hele stelsel loopt vast. Daar waarschuwen de inspecties ook voor. Wehebben ook voorgangers van deze bewindspersoon elke keer opgeroepenom het anders aan te pakken. Dan vind ik ook dat ik niet weer moetroepen wat er allemaal niet deugt. Laten we dan maar zorgen dat er ietskomt te staan, een goede organisatievorm waar wij echt verder meekunnen. Zo zit ik in ieder geval in de wedstrijd.De voorzitter:Mevrouw Van den Hil, in tweede instantie.Mevrouw Van den Hil (VVD):Dank, mevrouw Westerveld, voor het antwoord. Daar ben ik het mee eens,want we moeten voortgang boeken. Maar heeft u het idee – volgens mijheeft u daar al iets over gezegd – dat alle partijen erbij betrokken zijn, degemeenten, de professionals, maar ook de ouders en de kinderen, zodatdaar een breed beeld over is? Ook ik wil heel graag vooruit, maar ik wildat wel samen met hen doen.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Volgens mij is dat heel belangrijk, juist ook om vertrouwen te krijgen.Maar we moeten voorkomen, zoals ik net al aangaf, dat straks weermedewerkers gedesillusioneerd de sector verlaten, omdat ze bijvoorbeeldzien dat er allerlei reorganisaties plaatsvinden waarvan ze niet op dehoogte zijn. We hebben al een tekort aan die bevlogen en goedemedewerkers, dus laten we alsjeblieft alles in het werk stellen om hen tebehouden.Hetzelfde geldt natuurlijk ook voor de positie van kinderen en ouders.Daarom ga ik daar dadelijk nog wat verder op in onder het kopje«rechtsbijstand». Ik begrijp heel goed dat heel veel mensen hetvertrouwen kwijt zijn geraakt, omdat ze hulp nodig hebben, maar voorhun gevoel in de steek zijn gelaten, omdat er onvoldoende bescherming isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10499 en omdat ze vaak in heel lange trajecten zitten, terwijl er soms heelingrijpende maatregelen in hun gezin plaatsvinden. Dat moet echtallemaal een heel stuk beter. Dat vinden wij en dat vinden inspecties. Ermoet echt wat gebeuren. Ik denk dat het een hele kluif wordt om datvertrouwen te herwinnen. Daarom is dat draagvlak zo ontzettendbelangrijk.De voorzitter:Mevrouw Westerveld, vervolgt u uw betoog.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik was bij de pilot over rechtsbijstand. Ouders staan soms zonderadvocaat in de rechtszaal, waardoor ze een ongelijke positie hebben tenopzichte van de overheid. We moeten ons even voorstellen om welkegezinnen dat gaat. Als je geen hulp krijgt in de rechtszaal, dan werkt datenorme ongelijkheid in de hand, terwijl je aan het vechten bent voor jegezin. In januari 2023 is er een pilot ingesteld voor kosteloze rechtsbij-stand voor ouders. Die pilot loopt op 1 januari 2025 af. Uit het evaluatie-rapport blijkt dat die pilot enorm van meerwaarde is. Wij zouden dan ookheel graag zien dat die pilot structureel beleid wordt vanaf 2025, waarinnatuurlijk de aandachtspunten – daarom is het ook een pilot – meege-nomen worden. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar? Wil hij datmeenemen? Dat is volgens mij een brede wens vanuit de Kamer, dusvolgens mij moeten wij dat gewoon regelen. Wij hebben daarvoor eenmotie klaarliggen.Uit het evaluatierapport blijkt ook dat de ondersteuning van kinderen indeze gerechtelijke procedures nog onvoldoende is geregeld, en dat erüberhaupt te weinig naar kinderen wordt geluisterd in de jeugdzorg en dejeugdbescherming. Dat bleek ook weer uit het rapport van de Kinderom-budsman van afgelopen week. In het evaluatierapport wordt aanbevolendat minderjarigen standaard de mogelijkheid wordt geboden om teworden bijgestaan door een professional die fungeert als belangenbehar-tiger en procesondersteuner voor het kind. Ik wil de Staatssecretarisvragen hoe hij daarnaar kijkt. Het kan bijvoorbeeld een bijzondere curatorzijn, maar ook een kinderbehartiger of vertrouwenspersoon. Mij lijkt datheel relevant. Wij weten allemaal dat kinderen de behoefte hebben omgehoord te worden en dat ze ook moeten worden bijgestaan doorprofessionals. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?Dan heb ik nog een paar punten. Omwille van de tijd heb ik mijn betoog albest ingekort, want eigenlijk valt er nog veel meer te vragen.Ik heb nog een paar vragen over pleegzorg en over de bijzondere kostendie pleegouders soms maken. Daar heb ik de afgelopen jaren vaak eenpunt van gemaakt. Pleegouders hoeven niet rijk te worden, maarpleegouders lopen soms wel in de zorg en ondersteuning van een kindaan tegen extra kosten die zij moeten maken. Niet altijd is duidelijk of diekosten ook vergoed worden. Na lang aandringen van onder meer ons is ernu een handreiking gekomen. Ik begrijp dat een aantal zaken niet in diehandreiking staan, bijvoorbeeld de kinderbijslag, waardoor sommigepleegouders daar flink op moeten bijleggen. Er komt een nieuw stelselvan kinderbijslag aan. Ik wil deze bewindspersonen vragen om het methun collega’s te hebben over de positie van pleegouders daarin.Nogmaals, pleegouders hoeven niet rijk te worden, maar we willennatuurlijk wel voorkomen dat mensen geen pleegouder meer kunnen zijnomdat ze enorm veel extra kosten moeten betalen, terwijl onduidelijk ishoe die vergoed worden.Ik begreep ook uit de afgelopen procedurevergadering dat hetABA-rapport op deze agenda is geplaatst omdat het nog wel even kanduren voordat we het plenaire debat hebben. Ik heb daar alvast tweevragen over. Ik wil van de Staatssecretaris weten hoe het kan dat wij vanonder meer LBVSO horen dat kinderen worden gefixeerd en dat er sprakeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104910 is van dwang en drang? Heeft de Staatssecretaris de inspectie gevraagdom deze meldingen serieus te nemen en te behandelen? Krijgen demensen die de melding doen ondersteuning bij de aangiftes? Is er contactmet LBVSO om de melders gericht te vragen of zij ondersteuning nodighebben? En hoe kan het dat een onlinecursus van een paar uur al eencertificaat kan opleveren om ABA-therapieën te geven? Volgens mij heeftmevrouw Paulusma dadelijk ook nog een paar vragen hierover.Ik heb nog een vraag over sociale media. Bij het begrotingsdebat maaktede Staatssecretaris een punt van kindermarketing. Dat was op zich eenterecht punt. Maar hoe pakt hij deze rol als het gaat om schadelijkealgoritmes en reclames op sociale media? Kinderen die worstelen metonzekerheid raken namelijk heel makkelijk vast in de fuik van dealgoritmes. Ik sprak vorige week met een aantal professionals van eenkliniek voor eetstoornissen. Zij hebben hier ongelofelijk veel last van. Ikzou de Staatssecretaris willen vragen of hij bijvoorbeeld een gesprek kanfaciliteren tussen deze professionals en de bazen van de grote socialeme-diaplatforms, zodat zij ook eens horen hoe enorm schadelijk de uitwerkingis van het feit dat er zo’n algoritme op zit. Ik begreep van mijn collega dieveel meer weet van digitale zaken dat dat ook uitgezet kan worden. Je kangewoon voorkomen dat kinderen in zo’n algoritme vast komen te zitten.Voorzitter. Ik heb nog één punt over de ondersteuning van jongerenorga-nisaties en daarna rond ik af. Ik blijf het herhalen: waarom wordenjongeren die een stem zijn voor anderen in de jeugdzorg niet structureelondersteund? Ik zou de Staatssecretaris op het hart willen drukken omeens te kijken naar zijn collega’s bij OCW. Die bieden bijvoorbeeldstudenten- en jongerenorganisaties structurele ondersteuning, waardoorzij een stabiele stem van jongeren zijn. Ik heb dat ook aan zijnvoorgangers gevraagd, maar ik zou het heel mooi vinden als jongeren dieopkomen voor andere jongeren die in de jeugdzorg zitten, jongeren die uithuis geplaatst zijn, jongeren die op welke andere manier dan ook het heelmoeilijk hebben ... Ik weet dat er allerlei vergoedingensystemen zijn, maarik wil graag dat daar een standaardorganisatie voor komt.Voorzitter, ik rond af. Ik heb flink wat vragen gesteld. Ik had met gemakmijn tijd kunnen verdubbelen. Dat ga ik niet doen, voorzitter, want ik weetdat er allerlei collega’s zijn met goede vragen. Maar afrondend zeg ik dathet gewoon niet goed gaat. Ik ben het ook wel zat om zeven jaar langhetzelfde verhaal te moeten houden, om iedere keer verwezen te wordennaar beloftes voor de toekomst en om dan te zien dat heel veel beloftes,ook hier, niet worden nagekomen. Ik lees allerlei mooie financiëleplannen, maar die stroken gewoon niet met de keuzes die wordengemaakt en vice versa. Ik verwacht dat deze twee bewindspersonenurgentie laten zien. Ik verwacht dat afspraken worden nagekomen. Ik zalhet niet nalaten hen daar iedere keer aan te houden, zoals men natuurlijkook mag verwachten van Kamerleden. Het gaat namelijk om kinderen diein nood zitten. Het gaat om gezinnen die in nood zitten. Het gaat omjeugdhulpverleners die onvoldoende worden gehoord. Het gaat omgemeenten die met financiële tekorten kampen. Er is nogal wat aan dehand en kwetsbare kinderen en gezinnen worden daar nu de dupe van.Maak dus alsjeblieft haast.De voorzitter:Ik dank mevrouw Westerveld. U heeft nog zo’n kleine vier minuten voorde tweede termijn. Dan weet u dat alvast. Ik ga naar de volgende spreker.Dat is de heer Crijns van de PVV-fractie.De heer Crijns (PVV):Dank u wel, voorzitter. Afgelopen week had ik mijn spreektekst voor ditdebat al klaar. Afgelopen woensdag ontvingen wij als Kamer de voort-gangsbrief van de Staatssecretaris, inclusief 22 bijlages. U mag megeloven: ik heb me dit weekend niet verveeld. Toen ik de voortgangsbriefTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104911 las, dacht ik: potverdorie, dit lijkt wel heel veel op mijn spreektekst, maargelukkig niet in alles. Het leek wel alsof onze fractie een voorspellendegave had. Die voorspellende gave hadden we al in 2014. Toenwaarschuwde de PVV al voor de decentralisatie van de jeugdzorg en deproblemen die daardoor zouden komen. Wij waren een van de weinigepartijen die tegen de wet voor de hervorming van de jeugdzorg stemden.Dat deden wij omdat wij kritisch stonden tegenover het overhevelen vanjeugdzorgtaken naar de gemeente. De PVV-fractie voorspelde toen al datgemeenten niet genoeg middelen en expertise zouden hebben om dejeugdzorg goed uit te voeren. Dit zou leiden tot kwaliteitsverlies enlangere wachtlijsten. We maakten duidelijk dat deze bezuinigingen de zorgvoor kwetsbare jongeren in gevaar zouden brengen. We spraken onzezorgen uit over de extra bureaucratie en de berg aan administratie diedeze decentralisatie zou opleveren.Voorzitter. Vandaag de dag kunnen we vaststellen dat de PVV toentertijdgelijk had. De jeugdzorg piept en kraakt aan alle kanten. Begin deze eeuwhad een op de 27 jongeren jeugdhulp nodig. Bij de decentralisatie was dital gestegen naar een op de tien jongeren. Maar vandaag de dag is dataantal explosief gestegen naar maar liefst een op de zeven jongeren. Datis geen gezonde ontwikkeling en de vraag die we onszelf moeten stellen,is simpel: waar is het misgegaan in onze maatschappij dat zo veeljongeren nu massaal jeugdhulp nodig hebben? En hoe kan het dat zo veeljongeren afhankelijk zijn geworden van jeugdzorg? Zijn er werkelijk zoveelmeer problemen dan vroeger of speelt hier iets anders?Voorzitter. Vroeger werden kinderen niet meteen in een hokje geplaatst. Zekregen geen rugzakje of een etiket opgeplakt. En natuurlijk waren er ookproblemen, want die zijn van alle tijden. Maar tegenwoordig lijkt het of bijelk klein probleem en bij elke kleine tegenslag meteen professionele hulpmoet worden ingeschakeld. En nu zien we de situatie dat iemand in eenhokje moet passen, een rugzakje moet hebben of een etiket opgeplaktmoet krijgen, voordat hij of zij überhaupt in aanmerking komt voor hulp.En zelfs dan is het nog maar de vraag of diegene het juiste stickertje krijgten de juiste hulp ontvangt, met alle gevolgen van dien.Voorzitter. We medicaliseren ook steeds meer problemen. Ouders zienzich steeds vaker gedwongen om een beroep te doen op de jeugdzorg,ook voor zaken die wij vroeger gewoon thuis zouden oplossen. Hetgevolg: de meest kwetsbare kinderen, die echt specialistische zorg nodighebben, komen op lang wachtlijsten terecht, met alle gevolgen van dien.Voorzitter. We moeten er ook voor waken dat jeugdhulp steeds vaker eenvangnet wordt voor allerlei maatschappelijke problemen, zoalsgeldzorgen van ouders, prestatiedruk bij kinderen en zelfs woningnood.Hierdoor raakt de jeugdzorg overbelast en wordt de hulp versnipperd.Voor de gemeenten is deze situatie inmiddels ook financieel volledigonhoudbaar. Tegelijkertijd blijft bij echte multiproblematiek vaak de bredegezinscontext onderbelicht. De focus ligt dan vooral op het kind, terwijl deproblemen juist vaak bij het hele gezin liggen. Wat is de mening van deStaatssecretaris en ziet hij ook dat de jeugdzorg nu vaak wordt ingezetterwijl er eigenlijk een ander probleem aan ten grondslag ligt? En wat kande Staatssecretaris doen om te voorkomen dat de jeugdzorg dadelijkoverspoeld wordt met problemen die eigenlijk elders opgelost zoudenmoeten worden?De voorzitter:Een interruptie van de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik deel een groot deel van de analyse van de heer Crijns. Een op de zevenjongeren in een welvarend land als Nederland, dat hoort gewoon niet. Enals er niet ingegrepen wordt, gaan we zelfs naar een op de zes jongeren.Dat kan gewoon niet. U, meneer Crijns, gaf aan dat dat problematisch isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104912 en dat daarvoor factoren te noemen zijn. Die factoren bespreken we hier.Een van de dingen die ik als een probleem zie, is dat wij in de Kamervanuit de departementen naar de jeugdzorg kijken. Wij doen dat vanuitVWS en dat is een onderdeel van het probleem, omdat vaak degemeenten aan zet zijn als je aan de voorkant wilt helpen. De gemeentemoet een gezin dat hulp nodig heeft stutten en helpen, maar dat ligt bijBZK. Scholen zien vaak kinderen die in nood zijn en die kunnen danbijspringen. Maar dat ligt dan weer bij het potje OCW. We hebbengelukkig vandaag JenV wel aan tafel, maar dat is ook niet altijd het geval.Na drie jaar als woordvoerder jeugdzorg constateer ik dat we niet verderkomen, omdat we hier alles proberen op te lossen, terwijl de jeugdzorg-problematiek ook gewoon interdepartementaal is en er dus eigenlijk eeninterdepartementaal plan nodig is. Daarvoor zou je ook met geld moetenkunnen schuiven, maar het argument is nu juist vaak: we kunnen geldvoor rechtsbescherming niet overhevelen naar BZK, omdat dat tweeverschillende departementen zijn en de begroting dat dus niet toelaat.Mijn vraag aan u is daarom ... Kort en bondig, voorzitter. Ik zie u kijken enik weet het, maar ik moest het even inleiden. Ik snap het.De voorzitter:Het gaat gewoon van uw spreektijd af!De heer Ceder (ChristenUnie):Zou het niet veel beter zijn om na dit debat te kijken of we niet ook in deKamer op een andere manier over jeugdzorg moeten gaan praten. Ik hebdaar een voorstel voor liggen, want we moeten het veel integralerbenaderen en de focus veel meer leggen op hoe je gezinnen waar het nietgoed gaat of waar iets mis dreigt te gaan, zo snel mogelijk preventief kuntstutten. We moeten dat desnoods doen met geld dat nu bij VWS ligt,zodat je de jeugdzorg aan de voorkant, bij de gemeenten, kunt plaatsen. Ikben benieuwd hoe u daarnaar kijkt, want dit is een van de factoren waar ikmij na drie jaar echt aan stoor. Ik erger me hieraan en ik vind dat wij alsparlementariërs daar iets aan zouden moeten doen. Wat is uw analyse?De heer Crijns (PVV):Ik onderstreep wat de heer Ceder zegt. Wij horen dat ook heel vaak. Ik benop verschillende werkbezoeken geweest. Je hoort heel vaak dat verschil-lende partijen tegen de muur en tegen wanden aan lopen: krijgen ze hethier niet geregeld, dan moeten ze daar weer naartoe; ze worden van hetkastje naar het muurtje gestuurd. Ik ben laatst op werkbezoek geweest – ikkom er dadelijk in mijn spreektekst op terug – in Tilburg, waar allerleiverschillende organisaties heel mooi samenwerkten. OCW werkte samenmet VWS en VWS kon weer samenwerken met JenV. Daar moet serieusnaar gekeken worden, want heel veel mensen lopen hiertegenaan.De voorzitter:Gaat u door met uw betoog. O wacht, sorry, een interruptie van mevrouwPaulusma.Mevrouw Paulusma (D66):Wellicht ben ik te vroeg, want ik hoopte dat de PVV ook met een soortoplossingsrichting zou komen. Ik deel wel een stuk van de analyse dat erveel vraag is naar jeugdzorg en dat een deel daarvan vroeger wellichtthuis of in andere verbanden werd opgelost. Ik heb in een ander debat ookweleens een discussie gehad met de Staatssecretaris over het opvoedenvan je kinderen. Zegt meneer Crijns dat de jeugdzorg vaker nee zoumoeten zeggen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104913 De heer Crijns (PVV):We moeten er als Kamer samen naar kijken. Mevrouw Westerveldrefereerde eraan dat de reikwijdte heel snel naar de Kamer moet komen,zodat we met z’n allen in gesprek kunnen gaan over wat er wel onderjeugdhulp valt en wat niet, bijvoorbeeld bepaalde kleine dingen. Ik hebopgezocht waarvoor je tegenwoordig jeugdhulp krijgt. Ik heb geenklompen, maar mijn klompen vielen wel bijna uit omdat je jeugdhulpkrijgt voor bijvoorbeeld sociale vaardigheden, emotionele begeleiding,hygiëne en zelfzorg. Bijvoorbeeld tandenpoetsen en douchen zijn gewoonbasiszaken die ouders vroeger zelf deden, maar daar krijg je nu professi-onele jeugdhulp voor. Bijvoorbeeld gezonde leefstijl, goede voeding,slapen en beweging horen in het gezin gestimuleerd te worden. Daar hoefje jeugdzorg niet voor in te schakelen. Dus ja, we moeten wel serieus gaankijken wat er dadelijk onder jeugdhulp valt en wat niet.De voorzitter:Dank u wel. Ik vraag de heer Crijns ... Een interruptie van de heer Stoffer.De heer Stoffer (SGP):Het is goed dat in het interruptiedebat tussen D66 en de PVV ook naarvoren kwam waar jeugdzorg allemaal aan besteed wordt, waarbij bij deheer Crijns de klompen ongeveer braken. Uitvielen, zegt hij. Het maaktniet uit, maar u heeft de klompen in ieder geval niet meer aan. Is de heerCrijns het met mij eens dat je nu in heel veel gezinnen ziet, ook gebrokengezinnen, dat de vraagstukken die de heer Crijns zojuist noemde wel eenprobleem zijn waar tegenaan wordt gelopen, die nadrukkelijk in desamenleving spelen en die je niet zomaar kunt laten lopen, of dat nouonder de jeugdzorg moet of waar dan ook? Ik ben het er helemaal meeeens dat het in het gezin thuishoort, maar we moeten wel constateren dathet in een heel aantal gezinnen helaas niet meer vanzelfsprekend is datdat zomaar lukt.De heer Crijns (PVV):Ik deel die mening. We moeten wel kijken dat jeugdprofessionals zichdadelijk concentreren op specialistische jeugdhulp. Er wordt nu te veel ente snel jeugdhulp gegeven. Ik begrijp de vraag van de heer Stoffer overgezinnen die niet meer weten hoe ze bepaalde dingen moeten doen dievroeger gewoon basisdingen waren. Je zou per incident of per voorvalmoeten kijken: wat speelt er in het gezin en wat kan er eventueel beter?We moeten wel beter kijken.De voorzitter:De heer Stoffer, kort in tweede instantie.De heer Stoffer (SGP):Ik zal het proberen. We zijn het erover eens dat dat probleem speelt. Waarzou de oplossing dan moeten liggen? Dat gezin zelf lost het niet op, duswaar los je dat wel op, is mijn vraag aan de heer Crijns. Het constaterenen het hier in het midden neerleggen helpt uiteindelijk niet.De heer Crijns (PVV):Dat heb ik natuurlijk ook opgezocht. In principe zouden gezinnen die tegende basisdingetjes aan lopen bijvoorbeeld terechtkunnen bij familie, bij hetnetwerk van de persoon zelf. Ze kunnen ondersteuning vinden op school.Ze kunnen bij de huisarts terecht, eventueel de basis-ggz, eventueel bijeen maatschappelijk werker. Vaak moet je gewoon het gezonde boeren-verstand gebruiken om een kind bepaalde dingen aan te kunnen leren.Eventueel heb je sociale wijkteams of gemeentelijke ondersteuning.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104914 De voorzitter:Ik vraag u uw betoog te vervolgen.De heer Crijns (PVV):Steeds meer jongeren kampen met mentale problemen, mede door detoenemende druk vanuit de samenleving. Ze ervaren prestatiedruk opschool, voelen de invloed van social media en hebben te maken metsociale ongelijkheid. Ook heeft de coronacrisis een hoge tol geëist. Aan deandere kant zien we dat tegenwoordig elk kind een medaille krijgt, of datnou wint of niet. Daardoor zijn we iets belangrijks uit het oog verloren: hetechte leven werkt niet zo. Door elke tegenslag weg te nemen en elkobstakel zachtjes te verpakken, hebben we een generatie gecreëerd dieniet is voorbereid op de harde realiteit. Het draait niet altijd om winnen,maar laten we eerlijk zijn: buiten de beschermde muren van dezesamenleving is de werkelijkheid kei- en keihard. Is de Staatssecretaris hetmet de PVV eens dat we jongeren tekortdoen door hen tegen elk obstakelte beschermen in plaats van hen weerbaar te maken voor het echtegrotemensenleven? Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen deze cultuurvan betutteling en tegen het gebrek aan verantwoordelijkheid dat onzejongeren wordt bijgebracht?Voorzitter. Weerbaarheid is het fundament van mentale gezondheid. Zoalsik al zei, staat de mentale weerbaarheid van onze jongeren onder grotedruk. Dit is precies de keerzijde van de medaille die we nu zien. Het aantalzelfdodingen onder jongeren is de afgelopen jaren explosief gestegen. Demeest recente cijfers van het CBS laten zien dat vorig jaar 54 jongerenonder de 20 jaar zich van het leven hebben beroofd. Dat zijn vier tot vijfkinderen per maand. Dat is een kleine daling ten opzichte van de 67 vaneen jaar eerder, maar nog steeds zijn deze aantallen schokkend. Hoe kanhet dat het aantal suïcides onder jongeren de laatste jaren zo explosief isgestegen, vraag ik de Staatssecretaris. Wat gaat de Staatssecretaris doenom deze zorgwekkende trend te keren? Bij mijn vorige wetgevingsoverlegJeugd, in januari, heb ik de toenmalige Staatssecretaris gevraagd naar hetSTORM-programma. Dat initiatief helpt jongeren om met hun problemenom te gaan. De vorige Staatssecretaris noemde het een goed programma,maar is hier sindsdien iets mee gedaan? Wanneer wordt het landelijkuitgerold? Hoe staat de nieuwe Staatssecretaris tegenover ditprogramma?Voorzitter. Ik kom op een ander belangrijk thema, een thema waaraanmevrouw Westerveld ook al refereerde, namelijk de reikwijdte van dejeugdhulp. De Kamer en veel gemeenten wachten al geruime tijd opduidelijkheid over de aanpassing hiervan. Gemeenten staan erom tespringen en hebben dringend behoefte aan heldere richtlijnen om tebepalen wat wel en niet onder de jeugdhulp valt. We lezen dat hetontwerpwetsvoorstel naar verwachting pas in de zomer van 2025 inconsultatie gaat. Onze vraag aan de Staatssecretaris is of dit niet snellerkan. Kan dit niet naar Q1? Kunnen we dit desnoods niet voor hetkerstreces regelen?Voorzitter. Tijdens werkbezoeken horen we vaak dat jeugdzorginstellingendie met meerdere gemeenten werken één uniform systeem willen vooralle aanvragen. Het kabinet zet hier gelukkig stappen in, namelijk met deHervormingsagenda Jeugd, waardoor de administratieve lasten wordenverminderd en er meer tijd vrijkomt voor de zorg. Kan de Staatssecretarisbevestigen dat dit uniforme systeem landelijk zal worden ingevoerd enniet regiogebonden blijft? Of blijft het toch alleen maar regionaal?Voorzitter. Dan de overgang van jongeren van 18-min naar 18-plus. Voorveel jongeren die opgroeien zonder een stabiel netwerk is het ongelofelijkmoeilijk om zelfstandig te worden. Voor wie is dat op zijn 18de niet lastig?Maar voor deze kwetsbare groep is het bijna onmogelijk. Op hun 18destopt de jeugdhulp en wordt verwacht dat ze direct op hun eigen benenkunnen staan. Het is eigenlijk te gek voor woorden dat we denken dat zijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104915 ineens alles zelf kunnen. Zorgaanbieders kunnen wel een verlengingaanvragen, maar dit leidt vaak tot een bureaucratisch drama. Jongeren enzorginstellingen raken dan verstrikt in papieren rompslomp en krijgenvaak afwijzingen omdat het geld uit een ander potje moet komen ofomdat er op dat moment geen woning beschikbaar is. Het gevolg is dathulp te laat of zelfs helemaal niet komt, waardoor te veel jongeren dakloosraken en van de radar verdwijnen – mevrouw Westerveld refereerde erook al aan – omdat er geen passende oplossing is en ze tussen wal enschip vallen. Dit blijkt duidelijk uit de recente ETHOS-telling van 9 oktober.Kan de Staatssecretaris samen met Staatssecretaris Maeijer en deMinister van Volkshuisvesting, mevrouw Keijzer, ervoor zorgen dat ermeer woningen beschikbaar komen voor jongeren van 18 tot en met 23jaar uit de jeugdzorg? Wat gaat de Staatssecretaris concreet doen om tevoorkomen dat deze jongeren op straat belanden? Kunnen we onder-zoeken of jongeren zich al vanaf hun 17de kunnen inschrijven bij eenwoningbouwvereniging?Voorzitter. Voor veel jongeren, vooral voor jongeren die uit de jeugdzorgkomen, zijn vijf dingen essentieel: een veilige woonplek, een plek opschool of werk, een stabiel inkomen, aandacht voor de mentalegezondheid en een ondersteunend netwerk. Deze Big Five vormen debasis voor zelfstandigheid en succes. Wat is de mening van de Staatsse-cretaris hierover? Vaak zien we dat wanneer de Big Five niet op orde zijn,deze jongeren in het criminele circuit belanden. Het lijkt wel alsofjongeren eerst een delict moeten plegen om via de jeugdreclasseringmeer hulp en een beter vangnet te krijgen. Dit kan toch niet de bedoelingzijn? Vanuit het werkveld horen we dat dit steeds vaker gebeurt. Is deStaatssecretaris zich bewust van deze zorgwekkende praktijk? Welkestappen gaat hij nemen om ervoor te zorgen dat jongeren tijdig deondersteuning krijgen die ze verdienen, zonder dat het zover hoeft tekomen? Kan de Staatssecretaris in gesprek gaan met gemeenten enzorgaanbieders om ervoor te zorgen dat zij samen met jongeren tijdig eentoekomstplan opstellen, waarbij de juiste partners vanuit anderedomeinen worden betrokken, zodat jongeren niet tussen wal en schipvallen zodra ze 18 worden?Voorzitter. Op 15 augustus stelde ik schriftelijke vragen over de jeugdzorg-aanbieders die nauwelijks nog het hoofd boven water kunnen houden. DeStaatssecretaris gaf in zijn beantwoording aan dat hij het gemiddeldewinstpercentage in de jeugdzorgsector niet kan verklaren. Kan hijinmiddels meer duidelijkheid geven? We zien ook dat zo’n 30% tot 40%van de grotere jeugdzorgaanbieders in ernstige financiële problemenverkeert. Een van deze grote jeugdzorgaanbieders komt uit mijn mooieprovincie Limburg, waar zestien gemeenten gedwongen werden om8 miljoen euro aan belastinggeld in een bijna failliete jeugdzorgaanbiederte pompen. Andere aanbieders stonden klaar om de zorg over te nemen,maar toch moest deze noodlijdende instelling gered worden.Wat gebeurt er met het geld? Wachtlijsten worden niet korter, geen extrapersoneel, geen betere zorg. Nee, 2,4 miljoen euro ging naar externeexpertise, inclusief een bizar salaris, maar dan ook echt een bizar salaris,van € 374.000 voor een interim-bestuurder. Nog eens € 750.000 ging naarconsultants voor het schrijven van een herstelplan en 3,7 miljoen eurowerd gereserveerd voor ontslagvergoedingen. In plaats van nieuwemensen aan te nemen, kregen de vertrekkende medewerkers dus eenvertrekpremie – en dan druk ik het nog netjes uit. Alsof dat nog nietgenoeg verspilling is, werd er ook nog eens 1,9 miljoen euro apart gezetvoor frictiekosten. Een jaar later is de situatie nog steeds een puinhoop.Fusies zijn mislukt, de omzet blijft dalen en de verkoop van vastgoedlevert weinig op. Nu moet deze jeugdzorgaanbieder opnieuw bezuinigen,dit keer 1,7 miljoen euro. Gemeenten hebben de organisatie drie maandende tijd gegeven om herstel aan te tonen en een fusiepartner te vinden.Anders volgen harde maatregelen. Ondertussen heeft het Ministerie vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104916 VWS een taskforce ingesteld voor een duurzame oplossing. Wat is eenduurzame oplossing, vraag ik de Staatssecretaris. En waarom nu pas?Waarom kwam deze taskforce niet eerder in actie? Is de Staatssecretariszich bewust van de ernst van deze situatie? Kan hij hierop reflecteren?Gebeurt het elders in het land ook dat er zo met geld wordt gesmeten?Voorzitter. De PVV is blij dat in het hoofdlijnenakkoord en het regeerak-koord staat dat de gesloten jeugdzorg zo snel mogelijk wordt afgebouwd.Maar we hebben altijd gezegd – dat zal de PVV ook altijd blijven doen –dat er eerst een goed alternatief moet zijn. De Staatssecretaris erkenderecent dat de afbouw van de gesloten jeugdzorg in Friesland in deafgelopen twee jaar veel te snel en ongecontroleerd naar nul is gegaan.Nu zien we dat door het gebrek aan passende alternatieven de geslotenjeugdzorg in Friesland tijdelijk weer moet worden heropend. Uit devoortgangsbrief blijkt dat het ontwikkelen van alternatieve zorgvormenvoor jongeren in de gesloten jeugdzorg nog tijd kost. De PVV-fractie maaktzich zorgen over de tussenperiode. Welke stappen worden er nu concreetgezet om te voorkomen dat deze kwetsbare jongeren zonder passendezorg komen te zitten? Is de Staatssecretaris van mening dat er misschienvoor een specifieke groep toch een vorm van gesloten jeugdzorg nodigblijft, maar dan in een setting die meer op een thuissituatie lijkt? Danzouden deze jongeren direct, vanaf minuut eén, de juiste hulp kunnenkrijgen, zonder het gevoel te hebben dat zij in een gevangenis zitten. Hoewordt de expertise van bijvoorbeeld jeugdzorginstellingen, professionalsen ervaringsdeskundigen hierbij betrokken, om te garanderen dat nieuwezorgvormen daadwerkelijk aansluiten op de behoeften van deze jongeren?Voordat een jongere in de gesloten jeugdzorg terechtkomt, gaat er vaakeen lang en ingewikkeld traject aan vooraf. Tijdens mijn werkbezoekenhoor ik vaak van zorgprofessionals dat ze niet weten dat ze met dezelfdejongeren bezig zijn. Er wordt langs elkaar heen gewerkt en dat leidt totverspilling van tijd en geld. Mijn fractie hoort echt vaak van jongeren datze het gevoel krijgen dat er niet naar hen wordt geluisterd en dat ze elkekeer opnieuw hun verhaal moeten doen, zonder dat er iets voor henverandert. Dit zorgt ervoor dat ze steeds verder wegzakken en hunvertrouwen in het systeem verliezen. Waarom worden deze jongeren zovaak doorgestuurd? Waarom worden signalen niet eerder opgepakt doorandere instanties? Met betere samenwerking en snellere acties vanorganisaties kunnen we deze jongeren veel eerder en effectiever helpen.Dit zou niet alleen tijd besparen, maar ook kosten.Voorzitter. Een oplossing die voor veel gemeenten in Nederland goedwerkt, of heeft gewerkt, is een vaste verwijsindex. Gemeenten zoalsParkstad in Limburg, maar ook steden zoals Rotterdam, Amsterdam enandere steden in Nederland, zien dat dit systeem zijn vruchten afwerpt. Entoch werd dit instrument via een motie uit de Jeugdwet geschrapt, tegenhet advies in van de vorige Staatssecretaris. Voorzitter, via u vraag ik aande Staatssecretaris of het verstandig is om een effectief instrumentzomaar te schrappen. Veel gemeenten betreuren het dat de verwijsindexuit de Jeugdwet wordt gehaald. Moeten we niet eerst goed en gedegenonderzoek doen hoe we dit instrument juist heel effectief kunnen inzettenen mogelijk verder kunnen ontwikkelen?Voorzitter. Recent was ik op werkbezoek in de gemeente Tilburg. Hier zagik een prachtig voorbeeld van hoe samenwerken in de jeugdzorg echt hetverschil maakt. De gezinsgerichte en integrale aanpak heeft geleid totminder uithuisplaatsingen en gedwongen maatregelen. Door eerder in tegrijpen en multiproblematiek direct aan te pakken worden jongeren engezinnen niet langer van de ene naar de andere organisatie gestuurd. Erwordt naar mensen geluisterd en zorgprofessionals durven weer out ofthe box te denken om deze gezinnen te helpen. Door deze aanpak wordenjongeren sneller geholpen en vaak wordt zelfs voorkomen dat zeüberhaupt in de jeugdzorg terechtkomen. Ook de voortgangsbriefbevestigde dit. Ik dacht eindelijk dat het wel kan, maar dit project is eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104917 pilot die in 2026 afloopt. Wat gebeurt daarna? Krijgt deze pilot eenverlenging? Wordt deze dan landelijk uitgerold? Dit kon ik niet goedopmaken uit de brief. De zorgprofessionals die ik sprak waren enthousiasten willen absoluut niet terug naar het oude systeem.Voorzitter. Tot slot wil ik afsluiten met het volgende. Het moet me echt vanhet hart dat we maar één keer per jaar zo’n groot debat over jeugd voeren.Misschien is het verstandig om te overwegen om twee keer per jaar eenjeugddebat te houden, omdat dit onderwerp simpelweg te belangrijk isom slechts één keer per jaar te bespreken.Voorzitter. Ik sluit af met een quote die ik tegenkwam en die ik zeerpassend vind voor dit Jeugddebat: «Wat je ook doet, blijf vastberaden. Debelangrijkste factor is nooit opgeven. Doorzettingsvermogen is hetverschil tussen falen en succes.»Tot zover.De voorzitter:Zeker. Als we het hebben over hoe vaak we het over jeugd hebben, voel ikme als voorzitter een beetje aangesproken. Maar het is ook aan ons alscommissie om in meerderheid te besluiten over hoe vaak we daaroverdebatteren. Ik wijs er nog maar even op dat we daar ook zelf over gaan. Ikzag drie interrupties, van mevrouw Paulusma, mevrouw Van den Hil enmevrouw Westerveld. Mevrouw Paulusma, u als eerste.Mevrouw Paulusma (D66):Het punt werd al tijdje geleden genoemd, maar de heer Crijns sloot er ookongeveer mee af. Hij had een heel betoog over mentale weerbaarheid enzei dat jongeren stevig in het leven moeten staan en niet zo kwetsbaarmoeten zijn. Meneer Crijns, dan doet het er echter wel toe wat wij zeggen,ook hier in de Kamer. Woorden doen ertoe. Ik zal een aantal dingenciteren. Ik heb het dan over transgender jongeren die in transitie zijn, diejeugdzorg en een heleboel andere vormen van ondersteuning nodighebben. Daarover zegt de heer Wilders, de partijleider van de heer Crijns:«straks moeten leerlingen met een penis op scholen zittend plassen»,«iedereen in een jurkje naar school» en «we moeten ophouden met dezegenderterreur». Toen was het nog niet erg genoeg, want in hetzelfdebetoog zei de heer Wilders van de PVV: «Wat is het? Vandaag wil je eenjongen zijn, morgen ben je een kameel, overmorgen een dromedaris.» Alsde heer Crijns zo’n betoog houdt over mentale weerbaarheid, dan vraag ikhem nu ook of hij met me deelt dat woorden die wij hier in dit huisuitspreken van waarde zijn en impact hebben op die mentaleweerbaarheid. Ik vraag de heer Crijns of hij zich genoodzaakt voelt omhier wat beter op te letten en of hij wellicht zijn partij in een anderebeweging kan krijgen, in plaats van deze jongeren tot de grond toe af tebranden. Ze willen namelijk zijn wie ze diep vanbinnen willen zijn, met allehulp en ondersteuning die ze kunnen krijgen.De heer Crijns (PVV):Woorden doen er inderdaad toe. Ik ga niet over de woorden van mijnpartijleider, de heer Wilders. De heer Wilders mag zeggen wat hij wil.Woorden doen ertoe en we moeten inderdaad wel goed kijken wat wezeggen en hoe we het zeggen, maar iedereen is vrij om te zeggen wat hijwil.Mevrouw Paulusma (D66):Daar gaan mijn interrupties. Dit is net te gemakkelijk. Dit was hetpartijstandpunt van de PVV. Ik vraag dus nu aan de heer Crijns of hij dezewoorden deelt. Hij trok namelijk net zo’n grote broek aan met hetstandpunt dat jongeren vooral zichzelf een beetje moeten oppeppen ensterk in de samenleving moeten staan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104918 De heer Crijns (PVV):Ja, ik deel die woorden.De voorzitter:Laten we even afspreken: eerst de microfoon aanzetten en dan spreken.Anders horen we het net wél of net niet. Maar u zei dat u de woordendeelt. Dan kom ik bij mevrouw Van den Hil.Mevrouw Van den Hil (VVD):Ik heb even een klein puntje. Het werd al even wat eerder genoemd, maarik dacht: ik laat meneer Crijns even uitpraten. Het gaat over de rol van hetgezin en hoe je dat punt op kan pakken. Er zijn daar ook relatie- engezinstherapeuten voor. Die zouden daar wat mij betreft een goeie rol inkunnen spelen. Ze zijn nog onderling in overleg over hoe ze omgaan methet wel of niet beschikbaar zijn. Is meneer Crijns het met me eens dat hetgoed zou zijn dat de Staatssecretarissen ook kijken hoe we diebeschikbaar houden? Is hij het met me eens dat zo’n therapeut daar eengoeie rol in kan spelen?De heer Crijns (PVV):Ik deel de mening van mevrouw Van den Hil. We moeten samen kijken,misschien samen optrekken en even kijken waar de Staatssecretaris meekomt.De voorzitter:Dan kom ik bij mevrouw Westerveld voor een interruptie.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik hoorde een aantal echt heel prima dingen in het betoog van de heerCrijns, maar het waren wel allemaal punten die ook de afgelopen zevenjaar op eigenlijk ieder willekeurig moment genoemd hadden kunnenworden. Ze zijn namelijk niet nieuw. Ik denk dat de heer Crijns dat achtmaanden geleden ook al wist, want toen vroeg hij – daar was ik blij mee –een spoeddebat aan over de situatie bij een aantal afdelingen in degesloten jeugdzorg. Daar had Jason een onderzoek over gepresenteerd.Meneer Crijns wilde «nu actie», er moesten «nu dingen beter», want wekonden de jongeren echt niet in de steek laten. Daarom stemde hij ooktegen een verzoek van mevrouw Bruyning en mij om als Kamer zelf ookeens aan reflectie te doen. We wilden kijken wat we zelf verkeerd doen, alswe elke keer dezelfde dingen roepen maar aan alle cijfers en rapporten diewe krijgen, zien dat er niks verbetert. Nou is mijn vraag aan de heer Crijns:wat is er de afgelopen acht maanden nou echt gebeurd? Waarom is ditnou niet echt een punt van prioriteit in het hoofdlijnenakkoord en hetregeerprogramma?De heer Crijns (PVV):In die afgelopen acht maanden is er naar mijn gevoel niet veel gebeurd.We hebben inderdaad dat debat aangevraagd omdat er actie ondernomenmoest worden. De vorige Staatssecretaris heeft aangegeven bepaaldedingen op te pakken, de handschoen op te pakken en zijn verantwoorde-lijkheid te nemen. Daarom hebben wij toentertijd de motie van u enmevrouw Bruyning niet gesteund. Deze Staatssecretaris is vandaag 131dagen Staatssecretaris, maar we moeten hem wel de kans geven om zijnbokshandschoenen aan te trekken, de ring in te stappen en te gaanvechten voor jeugdzorg. Er moeten dingen anders, maar de Staatssecre-taris moet wel de tijd krijgen.De voorzitter:Mevrouw Westerveld, wilt u nog een interruptie? U heeft er nog drie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104919 Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We hebben die tijd niet. Het is ook niet nieuw wat er speelt. Er komt nietineens een heel nieuwe situatie op ons af. Deze situatie is al jaren gaande.De Staatssecretaris is inderdaad nieuw, maar hij is natuurlijk welverantwoordelijk, ook voor het beleid van zijn voorgangers. Bij deze vierpartijen, die het hoofdlijnenakkoord hebben geschreven, zie ik niets terugvan de urgentie die ik wel hoor in deze debatten. Waarom is dit geenenorme prioriteit in het hoofdlijnenakkoord en in het regeerprogramma?We weten kennelijk wel allemaal met elkaar dat dit belangrijk is. Ik hoorook in het betoog van de heer Crijns dat dit belangrijk is, maar ik zie hetniet terug in beleid. In het hoofdlijnenakkoord en het regeerprogrammazie ik precies dezelfde woorden als die van de voorgangers van dezeStaatssecretaris. Ik zie eigenlijk alleen maar dingen in gang worden gezetdie al in gang zijn gezet door de voorgangers. Dat is mijn vraag aan deheer Crijns. Wat zorgt ervoor dat hij zegt dat er nu wel echt wat gaatveranderen en dat men niet doorgaat op dezelfde weg? Waaruit leidt hij afdat er echt wat gaat veranderen?De heer Crijns (PVV):Dat is inderdaad een hele goede vraag. Waar leid ik dat uit af? We moeteneven gaan kijken hoe het probleem tot stand is gekomen. In 2015 is dejeugdzorg gedecentraliseerd. Staatssecretaris Van Rijn van de PvdA heeftde decentralisatie voor elkaar gebokst. Hij heeft de jeugdzorg bij degemeentes gegooid, waardoor er niet de juiste expertise was. Er hebbenbudgetkortingen plaatsgevonden, waardoor gemeentes geld tekorthadden. Het is en-en-en. Het is een opeenstapeling van problemen. Wemoeten ernaar gaan kijken. De afgelopen tien jaar hebben partijen aan deknoppen gezeten die totaal nul komma nul hebben gedaan voor dejeugdzorg. We hebben altijd geroepen dat we een hart voor de jeugdzorghebben. We willen gaan kijken hoe we de jeugdzorg beter krijgen, maarwe moeten de nieuwe Staatssecretaris de tijd gunnen om dat voor elkaarte kunnen boksen.De voorzitter:U was aan het einde gekomen van uw betoog. Dan komen we bij devolgende spreker. Dat is mevrouw Paulusma van D66.Mevrouw Paulusma (D66):Dank u wel, voorzitter. Soms kun je bijna zeggen: ik sluit me aan bij dewoordvoering van mijn collega. Toen ik naar mevrouw Westerveldluisterde, dacht ik: wij delen grotendeels dezelfde opvattingen. Ik wilmevrouw Westerveld vooral een heel groot compliment geven voor haaronvermoeibare strijd op dit dossier. Die is heel inspirerend. Die is nogsteeds ontzettend nodig. Ik zou willen dat dat niet zo was. Ik waardeerhaar strijd bijzonder, dus bij dezen mijn complimenten.Voorzitter. Elk kind in Nederland verdient het om veilig, gezond en kansrijkop te groeien, maar voor veel jongeren in Nederland is dat helaas nietvanzelfsprekend. De gezondheid van kinderen en jongeren staat flinkonder druk. Steeds meer gezinnen zoeken hulp bij Jeugdzorg. In 2023kreeg een op de negen jongeren tot 23 jaar jeugdzorg. Wachtlijsten lopenop en de vraag om verbeteringen wordt steeds dringender, maar ik zienog niet dat dit kabinet en deze Staatssecretarissen de urgentie voelen endaadwerkelijk stappen willen zetten. Daarbij sluit ik aan bij de woordenvan mevrouw Westerveld: dit kabinet is ontzettend druk met een ervarencrisis en negeert de echte crisis. Daar zijn jongeren in dit land de dupevan.Voorzitter. Ik maak mij ernstig zorgen om de aangekondigde bezuini-gingen van dit kabinet op het gebied van preventie en de specifiekeuitkeringen aan gemeenten, want als we één ding weten, is het dat alleswat je aan het begin van het leven investeert zich later in het leven dubbelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104920 en dwars uitbetaalt. Van alles wat je tekortkomt aan het begin heb je derest van je leven last. Daarom begrijp ik echt totaal de keuze van ditkabinet niet om sport en cultuur minder toegankelijk te maken en juist tebezuinigen op programma’s die de gezondheid van kinderen en jongerenbevorderen. Dit kabinet bezuinigt op het kenniscentrum NederlandsJeugdinstituut, het Nederlands Centrum Jeugdgezondheid, KansrijkeStart, op het voorkomen van jeugdcriminaliteit, op de aanpak huiselijkgeweld en kindermishandeling, op de jeugdhulp en op het terugdringenvan gezondheidsachterstanden. De lijst lijkt eindeloos en ik zie alleenmaar maatregelen die de gezondheid van kinderen en jongeren die al ineen kwetsbare omgeving leven, nog verder op achterstand zetten. Nietalle antwoorden liggen in de jeugdhulp, maar het stelselmatig afbrekenvan preventieve alternatieven die vrij toegankelijk zijn, zorgt ervoor datgezinnen nergens meer terechtkunnen. Ik hoor graag van beide Staatsse-cretarissen hoe zij tot deze keuze zijn gekomen. Ik hoor ook graag hoe ditrijmt met het regeerprogramma waarin het streven staat dat het kabinetwil voorkomen dat steeds meer kinderen, jongeren en gezinnen hulpnodig hebben.Voorzitter. De Hervormingsagenda Jeugd is een belangrijk middel om dejeugdzorg toegankelijk en financieel toekomstbestendig te maken. Het isessentieel dat de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, diesamenloopt met de hervormingsagenda, snel wordt ingevoerd. Kan deStaatssecretaris aangeven wat de stand van zaken is en welk tijdpadhiervoor wordt verwacht?Dat de uitvoering van de hervormingsagenda nu achterloopt, heeft ookverregaande financiële consequenties. Mevrouw Westerveld had het daarook al over. Want de besparing van 1 miljard die met de hervormings-agenda gepaard gaat, lijkt ondanks de vertraging toch al te wordeningeboekt. Kan de Staatssecretaris aangeven op welke wijze gemeentengoede zorg kunnen verlenen als er nog geen verandering heeft plaatsge-vonden, maar zij toch al moeten inleveren? Kan de Staatssecretarisaangeven hoe hij het advies van de deskundigencommissie hierover zalwegen?Je zou bijna denken: kunnen er nog meer problemen zijn in de jeugdzorg?Kan het nog erger? Dat kan. Nog steeds worden de meest kwetsbaren nietvoldoende beschermd. Dit was drie jaar geleden – ik zeg met nadruk driejaar geleden – al de conclusie van de inspectie en dat is nu weer deconclusie. Ik citeer: «Nog altijd krijgt niet elk kind dat ernstig in zijnontwikkeling wordt bedreigd, tijdig passende bescherming en hulp.» Ditkan bijna klinken als iets heel erg technisch, maar het was Nora uitVlaardingen die niet tijdig passende bescherming en hulp kreeg, die nietgehoord werd nadat ze zelf om hulp vroeg.De beide Staatssecretarissen geven aan dat er een kwaliteitsverbeteringnodig is en dat die onderdeel is van de hervormingsagenda 2028. Zespreken ook over succesvolle proeftuinen, die ze willen gebruiken ombeleid voor jeugdbescherming te verbeteren. Gemeenten geven onder-tussen aan geen geld meer te hebben voor deze proeftuinen. En nietiedereen is onverdeeld enthousiast over de proeftuinen en de nieuwewerkwijze. De Raad voor de Kinderbescherming heeft zorgen, net als deAdviescommissie Rechtsbescherming en Rechtsstatelijkheid. Het baartD66 zorgen waar in dit hele traject de stem van het kind is gehoord. DeOmbudsman concludeert recent dat er te weinig invloed van jongeren enouders op jeugdhulp is en dat dit funest is.Voorzitter. Waar is de actie? Wat zeggen deze Staatssecretarissen vandaagnog tegen kinderen in nood? En wat zeggen ze tegen de gemeenten?Want proeftuinen zonder geld zijn als luchtballonnen die in stilteleeglopen.Een ander onderwerp dat mij aan het hart gaat, is ABA: een intensievevorm van therapie voor kinderen en jongeren met autisme. Een paarweken geleden was ik op bezoek bij de Merel Foundation in Leiden. Ik hebTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104921 daar met ouders gesproken over de positieve impact van ABA op hun kinden op hun gezin. Mijn stellige overtuiging is nog steeds dat alle kinderenmet autisme een plekje in onze samenleving hebben, zoals ze zijn. Wemoeten ons als samenleving heel goed achter de oren krabben over hoewij die plek voor hen daadwerkelijk kunnen creëren. Mijn andere stelligeovertuiging is dat voor ieder kind een passende vorm van zorg noodza-kelijk is. Voor sommige kinderen en gezinnen kan dat ABA zijn. Hetprobleem is nu dat er geen kwaliteitskaders zijn voor ABA. Hierdoorworden kinderen in sommige instellingen blootgesteld aan behandelingendie niet passend zijn en meer kwaad dan goed doen. Ondanks allemisstanden bij ABA-behandelingen lijkt de Staatssecretaris geen actie teondernemen. Wanneer wordt er ingegrepen? Is de Staatssecretaris op zijnminst bereid om met zorgverleners in gesprek te gaan om een kwaliteits-standaard op te tuigen?Voorzitter. Waar we zien dat ouders met kinderen met autisme naarstig opzoek zijn naar goede zorg, geldt dat eigenlijk voor de hele jeugdzorg in debrede zin. Het is dan ook niet gek dat zo veel gezinnen en kinderenwachten op goede zorg. Ik wil dat dat wachten stopt. Waar problemeneerst nog klein zijn, groeien ze naarmate je er geen aandacht aanbesteedt. Ik heb zo veel verhalen gelezen en ook gehoord over kinderendie van het kastje naar de muur werden gestuurd, uiteindelijk niet meernaar school kunnen en noodgedwongen hun dagen alleen thuisspenderen. Ik wil dat de Staatssecretaris onze zorgen wegneemt. Maarvooral ook wil ik dat hij de zorgen wegneemt van ouders en kinderen dienu op een wachtlijst staan en niet weten waar ze terechtkunnen. Ik sluitme ook aan bij de vraag van mevrouw Westerveld over hoe lang dewachtlijsten eigenlijk zijn, wie er zicht op heeft en wie de regie neemt.Natuurlijk willen we het liefste dat kinderen die zorg helemaal niet nodighebben. De beste manier om daarvoor te zorgen, is inzetten op preventieen het weghalen van het taboe om te praten over mentale uitdagingen.Gelukkig ziet D66 dat steeds meer jongeren zich uitspreken over hunmentale gezondheid. Die zorgen moeten we serieus nemen. Te vaak gaanbestuurders nog tegenover jongeren staan. Te vaak leggen ouderegeneraties de bal terug. Het lijkt me verschrikkelijk als je niet weet of jelater een huis en een vaste baan kunt vinden en of je in een schone, vrijeof veilige wereld kunt opgroeien.D66 vindt het belangrijk dat de samenleving niet tegenover maar naastjongeren gaat staan. We moeten stappen zetten om die grote problemenaan te pakken, we moeten omarmen dat jonge mensen hun zorgen ommentale gezondheid steeds beter verwoorden en we moeten datvertrouwen dus niet beschamen. Ik vind het bijzonder knap dat je, als jejong bent en worstelt in het leven, dat durft te zeggen. Dat je durft tezeggen: het gaat even niet zo goed met mij. Dat vergt moed.In het vorige kabinet is de aanpak «Mentale gezondheid van ons allemaal»gestart. Ik lees wel dat de Staatssecretaris met allerlei organisaties heeftgesproken, maar wat zijn nu de visie en het plan van deze Staatssecretarisom daadwerkelijk stappen te zetten? Kan de Staatssecretaris aangevenhoe hij daar samen met zijn collega’s van OCW en Binnenlandse Zakenmee aan de slag gaat?Voorzitter. Laten we de boodschap van jongeren niet naast onsneerleggen. Het is onze taak om hun stem te horen en hun zorgen serieuste nemen. Ik verwacht dat dit kabinet zich ook voor hen gaat inzetten. Nietmorgen, maar vandaag.De voorzitter:Ik dank mevrouw Paulusma. Dan kom ik bij de VVD, mevrouw Van den Hil.Mevrouw Van den Hil (VVD):Dank, voorzitter. Vandaag is het debat over het begrotingsonderdeelJeugd, een onderdeel dat iedereen van dichtbij kent. We zijn zelf als kleinTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104922 kindje geboren en in ons aller omgeving hebben we met kinderen temaken, ook ik. Privé geniet ik van – en ik geef toe: bemoei ik me somsmet – mijn nu al grote neven. Ik ben als misschien net een iets anderevolwassene vraagbaak voor achternichtjes en kinderen van vrienden. Inmijn werkzame leven in de zorg heb ik veel met kinderen te maken gehaden gewerkt. Dit verhaal is niet uniek en geldt, denk ik, voor allen die hierzitten.Een klein kind, geboren uit liefde tussen mensen. Een geboorte waaroveris nagedacht. Is dit het moment, kunnen we het samen aan en vooral:gaan we er volledig voor? Babykrampjes, het krijgen van tandjes, hethuilen en niet fit zijn na de belangrijke vaccinaties bij kleine kinderen. Bijgroter worden hoort daar ook nog bij dat kinderen leren fietsen en er weervanaf vallen. En dan komt school er nog bij, met alle huiswerkproblemenvan dien. En laten we de puberteit vooral niet vergeten.In Nederland is veel ondersteuning geregeld, zoals contact met dehuisartsen en het consultatiebureau. Maar de VVD vindt dat de ouders zelfaltijd degenen zijn die kijken wat nodig is. Hierbij kunnen zij een beroepdoen op hun eigen netwerk, zoals ouders, broers, zussen, tantes envrienden. Niet voor elk probleempje is gelijk zorg nodig. Groot wordengaat niet zonder horten en stoten, maar altijd met een lach en een traan.Zoals de hervormingsagenda bedacht heeft, met hulp en zorg dicht bij hetkind en diens opvoeders. Een goede sociale basis is hierbij belangrijk, omervoor te zorgen dat elk kind mee kan doen.Vanaf 2015 zijn we in Nederland een andere weg ingeslagen met dejeugdzorg. Die proberen we nu vorm te geven met de hervormings-agenda. Dat zeg ik met de nadruk op «proberen». De VVD ziet dat er doorvelen hard en met passie gewerkt wordt, maar dat er zeker ook nog veelmoet gebeuren. De VVD vindt dat deze hervormingsagenda de leidraad isvoor de komende jaren. Hulp dichtbij, daar waar de mensen elkaarkennen, waar de organisaties die laagdrempelige hulp kunnen bieden,gevestigd zijn. Er vinden goede bewegingen plaats vanuit de regio-plannen, maar de monitoring ontbreekt nog. Er is geen centraal overzichtvan alle acties en het is onduidelijk hoe het in de praktijk werkt. De oproepaan de Staatssecretaris is dan ook hier inzicht in te geven. Monitoringzoals bij de ETHOS Light-telling dakloosheid kan hiervoor een oplossingzijn. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat de data over monitoringbeschikbaar komen? We hebben het net al gehoord dat er ook geen datazijn over de wachtlijsten. Er kan geleerd worden van elkaar qua aanpak.We moeten weten wat de stand van zaken is en of iedereen in hetzelfdetempo en op redelijk identieke wijze met de hervormingsagenda aan deslag is.De VVD vindt dat de hervorming die is ingezet, voortgang moet vinden,met aandacht voor cruciale jeugdzorg, de rol van de ouders en hetverwerpen van niet-bewezen therapie. Vanuit deze achtergrond heeft deVVD veel vragen en bieden we ook mogelijke oplossingen vanuit devolgende hoofdstukken: bouwen aan een gezonde en weerbare generatie– niet voor elk probleem is jeugdzorg noodzakelijk – bewezen effectiviteitzal een nog harder criterium moeten worden, cruciale hulp voor jeugdmoet voorrang hebben, en als laatste, geen agressie tegen zorgverleners.Voorzitter. Het bouwen aan een gezonde en weerbare generatie. De VVDwil bouwen aan een gezonde en weerbare generatie met daarbij meeraandacht voor de rol van de ouders. Een sterke sociale basis geeft sterke,weerbare kinderen. Dat begint met aandacht. Je informeren en beseffendat een kind dat opgroeit altijd periodes kent waarbij niet alles soepelverloopt, maar die wel normaal zijn voor de ontwikkeling. Denk aan eenkeer niet lekker in je vel zitten of een onvoldoende halen op school. Datwaren bij mij hele drama’s. Dit vereist dat ouders hier kennis over hebben.Hierover heeft de VVD de volgende vragen aan de Staatssecretaris. Ommensen in een kwetsbare positie te helpen bij gesprekken over dekinderwens is het programma Nu Niet Zwanger al in veel gemeenten alsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104923 hulpbron geïntroduceerd. Dit kan echter nog beter. Hoe gaat de Staatsse-cretaris dit ondersteunen? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat in de komendejaren de financiering die hiervoor naar de gemeenten gaat hier ook voorwordt ingezet? Gaat het in de maatschappij even een keer mis met eenkind, zorg dan ook dat de ouders hierop worden aangesproken en kijksamen wat de juiste aanpak is. Zo nodigt bijvoorbeeld de burgemeestervan Houten de ouders en het kind persoonlijk uit voor een gesprek methem op het gemeentehuis, zo nodig met de wijkagent erbij. Wat de VVDbetreft, is het de verantwoordelijkheid van de ouders als kinderen foutedingen doen die geld kosten. De rekening is dan niet voor demaatschappij, maar voor de ouders zelf. Hoe gaat de Staatssecretariszorgen dat vroeg wordt ingegrepen als er een incident is met een kind?Hoe gaat hij goede voorbeelden die er al zijn voor een aanpakvormgeven? Hoe wordt de rol van de ouders hierin meegenomen? Hoegaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat de kosten die door de kinderenworden gemaakt op de ouders worden verhaald?Mijn collega Judith Tielen vroeg al vaker specifiek aandacht voorproblematiek van meisjes. De vorige Staatssecretaris wilde hier geenonderzoek naar laten doen. Maar kijk nu: uit cijfers blijkt dat de groei vanhet gebruik van jeugdzorg zich juist nog meer in deze groep bevindt. Watde VVD betreft, is het nodig dat er inzicht komt in de verschillen tussenopgroeiende jongens en opgroeiende meisjes en hoe die van invloed zijnop mentale gezondheid, toekomstperspectieven en behoefte aan zorg enondersteuning. Wat gaat de Staatssecretaris hieraan doen? Wat ishiervoor zijn aanpak? Hoe gaat hij de ontraden, maar aangenomenmotie-Tielen/Dobbe over dit onderwerp van het vorig WGO Jeugd tochuitvoeren? Ik heb het Kamerstuk en het motienummer, als de Staatssecre-taris dat graag wil.Voorzitter. Niet voor elk probleem is jeugdzorg noodzakelijk. Niet alle hulpdie nodig is, moet gezocht worden via jeugdzorg. Vaak zijn er ookproblemen op ander vlak, zoals echtscheidingen, schulden of anderezaken. Wanneer goed gekeken wordt wat het probleem is, kan de juistehulp worden gegeven. Hiervoor zal gezamenlijk opgetrokken moetenworden met alle partijen over alle domeinen heen, om zo een integraalplan te maken. Het digitale 7 factorenmodel kan hiervoor goed gebruiktworden en biedt goede resultaten. Hoe gaat de Staatssecretaris zorgendat professionals hier meer gebruik van gaan maken, waarbij ze onderlingkijken wat nog beter werkt om andersoortige problematiek ook op eenandere wijze aan te pakken zonder gelijk jeugdzorg in te zetten? Wat deVVD betreft ...Mevrouw Paulusma (D66):Ik volg de bijdrage vrij ver, maar ik ben ook wel heel erg verbaasd. Alsvoor niet alles jeugdzorg nodig is, hoe rijmt mevrouw Van den Hil dan deforse bezuinigingen van dit kabinet als het gaat om preventie? Dit kabinethakt met de botte bijl in juist alle maatregelen waarmee we zorgen datkinderen en jongeren niet in de jeugdzorg terechtkomen. Een groot deelvan die maatregelen verdwijnt, zeker de maatregelen die gemeentendoen. Dus hoe rijmt mevrouw Van den Hil deze twee zaken?Mevrouw Van den Hil (VVD):Zoals ik al zei, heeft niet alles geld nodig. Niet alles wat preventie is, zitdaarin. Kinderen kunnen onderling in een speeltuin buitenspelen. Diespeeltuinen zijn er. Dat kost geen geld. Het is dus niet zo dat er eenfinancieel potje hangt aan alles wat preventie is. Ik snap best dat mevrouwPaulusma ziet dat er bezuinigd is. Op sommige vlakken vraag ik me ook afhoe dit gaat uitpakken. Maar ik denk ook aan de rol van de ouders en demensen om die kinderen heen: hoe je zo’n kind naar buiten stuurt, despeeltuin in, of op andere wijze activeert.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104924 De voorzitter:Dank u. Ik vraag de VVD om verder te gaan met haar betoog.Mevrouw Van den Hil (VVD):Mevrouw Paulusma is het niet helemaal eens met mijn antwoord, denk ik.Ik heb mazzel, want ze heeft geen interrupties meer.De voorzitter:Nee, en daarom vraag ik mevrouw Van den Hil om haar betoog voort tezetten.Mevrouw Van den Hil (VVD):Bewezen effectiviteit zal een nog harder criterium moeten worden. Er zijnhonderden jeugdzorgaanbieders met duizenden typen trajecten, waarvanmaar een klein deel bewezen effectief is. Daarnaast blijven kinderen enjongeren vaak lang hangen in deze onbewezen trajecten, waarmee zebegeleid worden. Kortom, er lekt veel tijd, valse hoop en geld weg in dejeugdzorg. Wat de VVD betreft moet dit keihard aangepakt worden.We kennen enkele voorbeelden die genoemd worden in het veld. Het gaatom interventies die worden toegepast, waarvan bekend is dat ze nietwerken. Een voorbeeld is het organiseren van een reis of een kamp voorkinderen met gedragsproblemen, waarbij ze in korte tijd veel activiteitenondernemen, om daarna de behandeling te beëindigen, of het inzettenvan interventies die geweld met zich meebrengen, zoals kickboks-sessies,om gewelddadig gedrag af te leren. Wat de VVD betreft mogen en moetengemeenten hier duidelijker keuzes in maken. Hiervoor moeten zij wel detools krijgen. Aan de Staatssecretaris de vraag of de nieuwe wet over dereikwijdte hierin een rol gaat spelen. Wordt dit samen met alle partijen,zoals kind, ouders, gemeente, zorgorganisaties en professionals goedopgepakt en bekeken? Hoe gaat de Staatssecretaris versnipperingvoorkomen en toezicht houden?Ook voor de zelfdiagnoses en desinformatie, bijvoorbeeld aan de handvan TikTok, zal meer aandacht moeten zijn. Voor desinformatie enonbewezen therapie is geen plaats in de gefinancierde jeugdzorg. Hoegaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat hij de jeugd op deze manierbereikt met goede informatie? Hoe wordt de brug geslagen naar debelevingswereld van de jongeren?Cruciale hulp voor jeugd moet voorrang hebben. Het is belangrijk dat ervoor kinderen die specialistische complexe jeugdzorg nodig hebben, snelhulp is. Juist deze kinderen staan nu lang op de wachtlijst. Wat de VVDbetreft moet deze doelgroep absolute prioriteit krijgen. Alle maatregelendie we nemen, moeten hieraan bijdragen. Daarom zal ik kijken of hetmogelijk is om een oproep te doen om, desnoods via een algemenemaatregel van bestuur, prioriteiten te stellen in de voorzieningen die doorgemeenten aangeboden worden. Daarbij moet ook gekeken worden naareen passend financieringsmodel, zodat deze zorg niet in de knel kankomen. Zo worden de gelden en – misschien wel nog belangrijker – hetbeperkte personeel dat beschikbaar is, beter ingezet. Hoe gaat deStaatssecretaris hiermee aan de slag? Is hij van mening dat dit onderwerpook prioriteit nummer één is? Hoe gaat de Staatssecretaris zorgen voorgoede langetermijnafspraken en de daarbij behorende financiering?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Mevrouw Van den Hil begon over de afspraken die nodig zijn omduidelijkheid en perspectief te geven. Ik had het er in mijn betoog ook aleven over: begin 2025 geeft de deskundigencommissie een zwaarwegendadvies over de voortgang van de hervormingsagenda en over hetfinanciële plaatje. Wellicht constateert die deskundigencommissie dat hetfinanciële plaatje niet meer klopt, doordat de uitvoering van de hervor-mingsagenda achterloopt. In dat geval zou ik mevrouw Van den Hil willenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104925 vragen of haar partij het advies van de deskundigencommissie echt heelserieus neemt en zwaar laat wegen. Ze zijn immers niet voor nietsspecifiek ingesteld om dit te gaan bekijken.Mevrouw Van den Hil (VVD):Ik vind die deskundigencommissie zeker van belang. Wij gaan daar alspartij zeker goed naar kijken. Wel hoop ik dat zij beide kanten meenemen.We hadden vorige week ook een gesprek met ouders en deskundigen. Zijzeiden: niet alle hulp die aan de voorkant ingezet wordt, voorkomtzwaardere jeugdzorg. Dus ja, wij gaan daar zeker goed naar kijken, maar ikhoop dat de commissie beide kanten meeneemt. Voor de VVD is tempomaken met de cruciale complexe zorg echt het belangrijkste. Hoe meer ikerover praat, hoe meer bevlogen ik erover word. Ik vind het echtverschrikkelijk, dat we het personeel op een ander vlak inzetten, terwijljuist die kinderen en die gezinnen zitten te wachten. Dat kan er bij mij nietin. Dus ja.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Mag ik mijn vraag iets preciezer maken?De voorzitter:Dan moet het echt binnen tien seconden.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dat kan ik. Die deskundigencommissie gaat heel specifiek kijken of hetfinanciële plaatje en de afspraken uit de hervormingsagenda met elkaar inevenwicht zijn. Mijn vraag is dan: hoe serieus – wat mij betreft heelserieus – gaat de VVD het advies van die deskundigencommissiemeenemen?Mevrouw Van den Hil (VVD):Alle adviezen die komen, ook vanuit rondetafelgesprekken, nemen wijaltijd heel serieus. Ik denk ook, gezien de voorzitter, dat wij als VVD nietanders kunnen. Maar dat terzijde.De voorzitter:Mevrouw Van den Hil, gaat u verder.Mevrouw Van den Hil (VVD):Dan kom ik op een belangrijk punt: geen agressie tegen zorgverleners. AlsVVD hebben wij al vaker aandacht gevraagd voor agressie tegenzorgmedewerkers. Zelf heb ik hiervoor een puntenplan ingediend. In hetregeerprogramma is opgenomen dat er geen taakstraf gegeven wordtvoor agressie tegen zorgverleners. Ook is daarin de campagne «Agressietegen helpverleners, dat doe je niet!» opgenomen. Ook in de jeugdzorg isdat een groot probleem. De FVN heeft hier een uitgebreide aanpak voor.Zo geeft de FNV een handvat aan medewerkers in de jeugdzorg over hoehet risico op agressie kan worden geëvalueerd, hoe met incidenten moetworden omgegaan en hoe die goed kunnen worden afgehandeld. Is deStaatssecretaris bereid om samen met zijn collega, Minister Agema, hiernog meer aandacht voor te vragen?Wat is de stand van zaken rond mijn aangenomen motie over eenverplichte training voor mensen die agressief gedrag vertonen tegenhulpverleners? Hoe gaat de Staatssecretaris samen met zijn collega’s hiervaart achter zetten? Op dit punt krijg ik van de Staatssecretaris graag eenharde toezegging. Wat de VVD betreft zal hier iedere keer weer aandachtvoor gevraagd blijven worden, net zolang tot niemand het überhauptbedenkt om hulpverleners aan te vallen.Voorzitter, ik sluit af. Afgelopen week hadden wij een goed gesprek metouders en kinderen over de jeugdzorg. Zij gaven vooral aan dat het vaakTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104926 ontbreekt aan het samen met hen vormgeven van de zorg. Ga in gesprekmet hen, geef uitleg en kijk welke hulp een kind echt nodig heeft. Maaksamen een keuze. Het kan dan gaan om professionele zorg, maar ook omhulp binnen familie of vrienden. Kom los van hokjesdenken. Ga zorgendat de bekostiging, zoals afgesproken is, niet meer gaat via deDSM-indeling. Hierover is een motie van mijn hand aangenomen.Tijdens het rondetafelgesprek dat we hierover hadden, gaf Anne Pelzeraan dat er veel goeds in gang gezet wordt in de jeugdzorg en dat daar methart en ziel gewerkt wordt. Dat is ook het beeld dat de VVD heeft. Hiervoorhad Anne Pelzer een mooie beeldspraak: de gehele jeugdzorg lijkt wel eenorkest zonder dirigent. Aan de beide Staatssecretarissen, ieder op zijngebied, dan ook de dringende oproep om de baton op te pakken en alsdirigent dit orkest te gaan leiden, en wel op zo’n manier dat alles samenopgepakt wordt en in het juiste tempo gespeeld wordt, zodat er eenprachtig muziekstuk uit voortkomt.De voorzitter:Ik dank mevrouw Van den Hil voor haar eerste termijn. Dan kom ik bij deheer Stoffer van de SGP.De heer Stoffer (SGP):Voorzitter. Moeder Theresa heeft ooit gezegd: «Wat kan je doen om dewereldvrede te bevorderen? Ga naar huis en houd van je gezin.» Als wedaar echt invulling aan geven, moeten wij nu stoppen en gewoon naarhuis gaan, maar we zijn toch al hier, dus laten we maar doorgaan. Nueven serieus: stabiele en hechte gezinnen zijn de plekken waar kinderenkunnen wortelen en opbloeien. Ik denk dat moeder Theresa vooraldaarnaar verwees.De omgeving waar kinderen opgroeien, is cruciaal voor de manier waaropzij zich ontwikkelen. Door de individualisering, de hoge maatschappelijkeverwachtingen en de impact van sociale media staat de contextwaarbinnen kinderen opgroeien onder grote druk. De sterke toename vanhet gebruik van jeugdhulp is hier het gevolg van. Ik spreek slechts detalloze wetenschappers, onderzoekers en zorgmedewerkers na die terechtdeze analyse maakten. Hechte, ondersteunende relaties met en tussenhun ouders zijn voor kinderen de belangrijkste beschermende factor inhun ontwikkeling, zegt bijvoorbeeld het Nederlands Jeugdinstituut. Hetgebrek hieraan leidt tot een steeds groter roep om professionele hulp.De gevolgen hiervan zie je misschien wel het sterkst terug in desamenhang tussen scheidingen en jeugdhulp. De voorgangsbrief reptdaar nauwelijks over, maar alle cijfers spreken boekdelen. Er is sprake vanoververtegenwoordiging van kinderen uit gebroken gezinnen voor allevormen van jeugdhulp. Voor jeugdhulp met verblijf geldt dat bijna 80%van de kinderen gescheiden ouders heeft. In de jeugdbescherming heb jehet over zo’n 90%. We moeten ons dus ernstig afvragen: over wiensproblemen hebben we het nu eigenlijk? Hebben we het over de gedrags-problemen van jongeren of hebben we het over de relatieproblemen vanhun ouders? Laat helder zijn dat ik niet de illusie heb dat je dergelijkemaatschappelijke ontwikkelingen met een druk op de knop kunt tegen-houden of kunt omkeren. Maar wat we wel kunnen en moeten doen, is deomstandigheden voor gezinnen verbeteren, ouders handvatten bieden omde band met hun kinderen te versterken en de drempel voor relatieonder-steuning zo laag mogelijk maken. Over dat laatste punt heb ik dan ook eenamendement ingediend.Ik noem een voorbeeld dat ik recent hoorde. Vader en moeder voeren alruim een halfjaar tweewekelijkse gesprekken omdat er spanningen zijn inhun relatie. Ouders willen gaan voor de instandhouding van hun huwelijk,maar vader is geneigd, ook vanwege de financiële kosten van derelatietherapie, het bijltje erbij neer te leggen. Daarbij komt dat er nu geenfinanciële ruimte meer is om met hun vijf kinderen op vakantie te gaan. BijTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104927 het intakegesprek was de kinderen gevraagd of ze nog positievemomenten konden benoemen over het afgelopen jaar. Weet u wat hunantwoord was? Dat was: toen we vorig jaar met z’n allen op vakantiewaren. Ik denk dat dat het belang onderstreept van het amendement datwe hebben ingediend.Gezinnen versterken is ook het sociale netwerk rondom een gezinversterken. We hebben hierover de afgelopen jaren veel contact gehadmet Jolanda Doornbos. Begin dit jaar vroeg ik daarom aandacht voor hetbelang van schaduwgezinnen. Dat is ook een initiatief dat Jolanda heeftgenomen. Kinderen met een moeilijke thuissituatie kunnen daar terecht.Mijn vraag aan de Staatssecretaris is hoe het staat met de uitvoering vanmijn motie hierover.Bij de bespreking van de Hervormingsagenda Jeugd heeft mijnvoorganger, Kees van der Staaij, gepleit voor maatregelen om depleegzorg te versterken. Maar het bleef ons te stil op dit punt. Het blijftons ook nog steeds te stil op dit punt. In de Kamerbrief van vorige weekstaat: de versterking van pleegzorg en andere gezinsgerichte en klein-schalige vormen van verblijf is gewenst om jeugdigen een passendeverblijfsplek te bieden buiten de gesloten of grote open residentiëlejeugdhulp. Mijn vragen zijn als volgt. Hoe wordt dit vormgegeven? Jaagtde Staatssecretaris dit zelf aan of laat hij dit volledig over aan degemeenten?Voorzitter. De ambitie om de gesloten jeugdhulp af te bouwen, zet grotedruk op de hulpverlening en heeft ook gevolgen voor de jongeren zelf.Instellingen zoeken alternatieven om het aantal gesloten plaatsen maar telaten dalen. Dat is heel begrijpelijk, maar dat kan geen doel op zich zijn.Alternatieven moeten werkelijk een verbetering betekenen voor dejongeren. De Jeugdautoriteit signaleert een forse stijging van het aantaljongeren met 24 uursbegeleiding. Het betekent bijvoorbeeld dat eenjongere de hele dag met een begeleider naar een reguliere school gaat.Mijn vraag is: hoe en door wie wordt getoetst of zulke keuzes werkelijk hetbelang van de jongere dienen?Voorzitter. Op dit moment worden de contouren zichtbaar van een nieuweorganisatie van de jeugdbescherming. Het gaat om regionale veiligheids-teams die wat betreft schaal aansluiten bij de 25 veiligheidsregio’s. Datroept in de contourenfase al de nodige vragen op. We hebben momenteelnamelijk al 25 Veilig Thuisorganisaties die nu al een belangrijk deel van denieuwe taken uitvoeren. Over die organisaties kraakt de inspectie veelkritische noten. Mijn vraag is: waarom verwacht de Staatssecretaris winstvan een nieuwe structuur die voor een belangrijk deel lijkt op debestaande structuur? Wordt in de verdere verkenning duidelijk rekenschapgegeven van de structuren die we in de afgelopen decennia al hebbengehad en de teleurstellingen daarmee?Voorzitter. Helaas lezen we in de voortgangsbrief en de rapportage bijnaniets over de rechtsbescherming van gezinnen. Dit blijft een klemmendpunt. Eind november stuurt de Staatssecretaris een brief met plannenvoor wetgeving. Neemt hij daarbij ook uitdrukkelijk de actieve rol van derechter mee, is mijn vraag. Het is niet alleen belangrijk om te kijken naarde rechten van burgers, maar zeker ook naar de tijd, de middelen en demogelijkheden die rechters hebben om aandacht voor een zaak te hebben.Voorzitter. Het recht op jeugdhulp passend bij iemands levensovertuigingstaat in veel gemeenten en regio’s onder druk. We horen te veel verhalenover dat identiteitsgebonden zorg niet gecontracteerd is of dat gemeentenouders proberen af te schepen met een zorgaanbieder die gewoon nietmatcht. Dat leidt er vaak toe dat een zorgtraject uiteindelijk langer duurtdan nodig is. Mijn vraag is: wat doet de Staatssecretaris om het recht opidentiteitsgebonden zorg te waarborgen en om het belang hiervan onderde aandacht te brengen bij gemeenten?Voorzitter. Over gemeenten gesproken: de SGP ziet de verplichteregionalisering als een risico voor de verdere verzwakking van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104928 democratische controle van gemeenteraden op de jeugdzorg. Mijn vraagis: ziet de Staatssecretaris dat risico ook? Hoe zou hij dat willen onder-vangen? Ik maak uit de monitoring van de hervormingsagenda op datgemeenten afwachtend zijn wat betreft nieuwe wet- en regelgeving. DeSGP had al de stellige indruk dat gemeenten ook binnen de huidigewettelijke bepalingen meer zouden kunnen doen, bijvoorbeeld om dejeugdhulp af te bakenen. In de juridische verkenning hiernaar wordt ditinderdaad bevestigd, maar dat vergt wel een inhoudelijk waardegedrevendebat op lokaal niveau over de lastige keuzes die je dan moet maken. Mijnvraag is of de Staatssecretaris de gemeenten aanspoort om dit debat tegaan voeren.Voorzitter. Tot slot vraag ik aandacht voor het versterken van de kennisvan gemeenteraden en gemeenten zelf op het gebied van de inkoop vanjeugdhulp, een belangrijk instrument om de beleidsdoelen te realiseren.Mijn allerlaatste vraag luidt dan ook: hoe ondersteunt de Staatssecretarisgemeenten daarbij?Dank u wel.De voorzitter:Ik bedank de heer Stoffer voor zijn eerste termijn. Dan kom ik bij deNSC-fractie. Mevrouw Bruyning, aan u het woord.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank, voorzitter. Iedere dinsdag opent onze Voorzitter de plenairevergadering met een gedicht. Ik wil graag mijn bijdrage in dit WGO danook openen met een gedicht.Je bent nu gegaan in alle rust,en wat heb je die verdiend.Wat is dat je gegund,niet het leven dat je hier moest leiden,het onrecht waarin je steeds kwam.De deur die steeds maar weer op slot werd gedaan,letterlijk en figuurlijk,waar je doorheen moest gaan,was ronduit mensonterend.De zorg is koud, kil en hard.De liefde is verdwenen,maar toch bleef je vechten,om het systeem te veranderen en anderen te helpen,zelfs al was dat niet jouw taak.Ze hebben gefaald,en dat is niet jouw schuld.Ik hoop dat je hebt mogen voelen hoe onwijs geliefd je was.Woorden hebben kracht,maar jouw woorden al helemaal.Je was een lichtje voor velen,en misschien is jouw lichtje nou hier gedoofd,maar ik weet zeker dat daarboven jouw lichtje het meest straalt vanallemaal.Dit gedicht is geschreven door Lieke van The Unforgettables voor haarmede-unforgettable. Een geweldig lieve meid, die slechts 17 jaar isgeworden, doordat het systeem haar in de steek heeft gelaten.Voorzitter. Vaak willen we de focus leggen op wat er goed gaat, en begrijpme niet verkeerd: er zullen ook dingen goed gaan in de jeugdzorg. Maarlaten we vooral eerlijk zijn: het gaat nog te vaak mis. En ondanks deinspanningen van eenieder die op welke manier dan ook nauw betrokkenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104929 is om in de jeugdzorg daadwerkelijk voor de jeugd te zorgen en teontzorgen waar nodig, zijn jongeren vaak belast met grote zorgen overhun mentale welzijn, woonplek, fysieke welzijn en hun toekomst.Laat ik beginnen met de Hervormingsagenda Jeugd. Laat ik vooropstellendat we ervan uit mogen gaan dat deze met goede intenties is opgesteld.Toch wil ik nogmaals benadrukken dat dit niet de heilige graal is dieineens alle problemen in de jeugdzorg zal oplossen. De diversiteit en decomplexiteit van de jeugdzorgproblematiek vraagt om een veelomvat-tende benadering die verdergaat dan enkel en alleen een hervormings-agenda. Elke regio, elk kind en elk gezin is uniek en heeft maatwerk nodig.De hervormingsagenda, zoals die nu voorligt, biedt een generiek kader,maar schiet tekort in de details en de flexibiliteit die noodzakelijk zijn omdaadwerkelijk te doen wat nodig is.Dat doen wat daadwerkelijk nodig is, heel veel waard is, zien we in depraktijk bijvoorbeeld bij het initiatief Groen van Hart voor Brabant en bijdiverse proeftuinen. De focus van het ministerie ligt te sterk op de volgenshem structurele en effectief bewezen hervormingen, zonder voldoendeoog voor innovatieve oplossingen, die nu al effect sorteren. En dit terwijlde voornaamste maatregelen in de hervormingsagenda juist niet effectiefbewezen zijn. Daarom ook de volgende vraag aan de Staatssecretaris: hoekan de Staatssecretaris de geboekte successen binnen verschillendeinitiatieven/proeftuinen bundelen en omzetten in landelijk geldend beleid?De hervormingsagenda is ingestoken vanuit de prioritaire gedachte om tebezuinigen. Dit gold ook voor de drie voorgaande hervormingen van dejeugdzorg en we hebben eigenlijk alleen een groei van de kosten kunnenwaarnemen, de laatste zelfs met 50%. Zou dat in zichzelf al niet voldoendereden moeten zijn om onze aannames over de wijze waarop wij kostendenken te kunnen beheersen, serieus te bevragen? Is bezuinigen wel dejuiste oplossingsrichting? Bezuinigingen op korte termijn kunnen namelijkleiden tot fouten op de lange termijn. Investeren is de weg naar duurzamewinst. En is investeren in anders denken en doen niet juist wat hier zoumoeten gebeuren?Op papier staan er tegenover de bezuinigingen een aantal investeringen,maar gaan deze investeringen ook de diepgewortelde problemen ensymptomen zoals personeelstekorten, hoge werkdruk, bureaucratischerompslomp en echt luisteren naar en voorzien in de behoeften vankinderen, jongeren en ouders binnen het systeem echt oplossen? Noemmij dan maar een realist, want ik denk echt van niet. Hoe kijkt de Staatsse-cretaris aan tegen de hoofdtaak, gericht op bezuinigen in plaats vaninvesteren, en wat is zijn visie op wat deze bezuinigingen op de langetermijn gaan opleveren?De Raad van State en de Algemene Rekenkamer zijn meer dan duidelijkgeweest. Wanneer staan we eens een keer stil en kijken we naar wat weaan het doen zijn en waarom we het ook alweer aan het doen zijn? NSC isvan mening dat dit moment nu is aangebroken, omdat echt andersdenken en doen, terugkijken, erkennen, reflecteren en leren vereist. DeRaad van State vindt de plannen in de hervormingsagenda onvoldoendeonderbouwd om te kunnen aantonen dat de hervormingen daadwerkelijktot de gewenste veranderingen zullen leiden. Ik ga er gemakshalve evenvan uit dat de Staatssecretaris bekend is met het proefschrift Boemerang-beleid van dr. Sharon Stellaard, dat precies dit pijnpunt bevestigt over dehervormingen van de afgelopen 50 jaar. Kunnen we dan wegkijken vandatgene wat we nu aan het doen zijn met elkaar? Durven we het aan ommet elkaar te stellen dat er in 2028 echt iets veranderd zal zijn? Of hebbenwe oude wijn in nieuwe zakken gedaan?De rol van de gemeenten is erg groot. De Raad van State is dan ook bangdat de druk op de gemeenten mogelijk zal leiden tot ongelijke zorgvoorzie-ningen per regio. Hoe vaak staan we dan stil bij de vraag of de hulp diewij zo snel «hulp» noemen wel helpt? We lijken ons drukker te maken overde vraag of de hulp beschikbaar is dan over de vraag of de mensen erTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104930 daadwerkelijk mee geholpen zijn. Hoe waarborgt de Staatssecretaris datdit niet zal gebeuren, los van de wens om de Wet verbetering beschik-baarheid jeugdzorg zo snel mogelijk te implementeren? Daarbij wordentrouwens ook allerlei vraagtekens gezet door de Autoriteit Persoonsge-gevens, het veld en de mensen om wie het gaat.De Algemene Rekenkamer uit zorgen op dezelfde punten als de Raad vanState, maar gaat nog een stukje verder. Volgens de Algemene Rekenkameris er onvoldoende aandacht voor de fundamentele problemen in dejeugdzorg. Het risico bestaat dan ook dat deze problemen niet wordenopgelost, waardoor de kwaliteit alsnog in het gedrang komt. In hetregeerakkoord staat letterlijk opgenomen dat de HervormingsagendaJeugd zal worden uitgevoerd en doorgevoerd conform het advies van deRaad van State en de Algemene Rekenkamer. Hoe is de Staatssecretarisvan plan de zorgen van de Raad van State en de Algemene Rekenkamerconform het regeerakkoord gevolg te geven? Is de Staatssecretaris echtbereid om de onderste steen boven te krijgen?Een ander belangrijk moment in echt anders denken en doen is doorziendat integraliteit in de vorm van domeinverbindend samenwerken nodig is.De grens ligt niet bij de jeugdzorg. De hulpvragen binnen de jeugdzorgzijn vaak nauw verweven met onderwijs, huisvesting en het socialedomein. Om een duurzame verandering te realiseren is er coördinatie ensamenwerking nodig tussen verschillende sectoren, die alle dezelfdemankementen vertonen.Het laatste wat ik wil zeggen over de hervormingsagenda, gaat over debeperkte zeggenschap en betrokkenheid van ouders, jongeren en kinderenbij het opstellen, implementeren en uitvoeren van de hervormingsagenda.Juist zij weten vaak wat werkt in de praktijk. Hun ervaring en inzichten zijncruciaal voor effectieve en menselijke hervorming. Hoe is de Staatssecre-taris van plan ouders, jongeren en kinderen een prominentere rol te gevenbinnen de implementatie en uitvoering van de hervormingsagenda en, hetallerbelangrijkste, de tussentijdse bijstelling van de hervormingsagenda?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik heb dezelfde vraag die ik aan mevrouw Van den Hil stelde. Als straks dedeskundigencommissie komt, neemt dan ook de fractie van mevrouwBruyning dat advies heel serieus?De voorzitter:De deskundigencommissie.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank u wel voor de vraag, collega Westerveld. Uiteraard gaan wij hetadvies van de deskundigencommissie heel zwaar mee laten wegen. Dedeskundigencommissie is niet zomaar ingesteld; die is onafhankelijk. Hetis uiteraard belangrijk dat dat advies superserieus wordt genomen doorons allen, niet alleen door NSC maar door de hele Kamer. Daarom zeg ik:door iedereen.De voorzitter:Misschien kunnen de overigen het ... Nee, ik ga niks zeggen. MevrouwVan den Hil heeft een interruptie.Mevrouw Van den Hil (VVD):Ik heb een vraag aan collega Bruyning. Ik hoor haar over de hervormings-agenda. Laten we nou zorgen, denk ik dan, dat we nu niet weer ietsweggooien voor iets heel nieuws wat veel langer duurt, maar daar gaatmijn vraag niet over. Mijn vraag gaat over de integrale aanpak en decoördinatie. Vorige week – het kan ook de week ervoor zijn geweest –bereikte ons het bericht dat de Vereniging van Nederlandse Gemeentenzei: ik stap uit het IZA. Met het IZA werk je juist integraal, in samen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104931 werking. Daar zit 150 miljoen euro in voor alle gemeenten. Er ligt nu eenvoorgenomen besluit om dat weg te gooien. Is mevrouw Bruyning hetmet mij eens dat je juist integraal moet werken en dat dit toch wel zondeis?Mevrouw Bruyning (NSC):Dank aan collega Van den Hil voor de vraag. Uiteraard vind ik integraliteiteen heel belangrijke vorm – dat heb ik net aangegeven – om de juistejeugdhulp te leveren en mensen in z’n algemeenheid goed te kunnenhelpen. Van het IZA weet ik persoonlijk niet zo veel, maar wel dat het opintegraliteit is gericht. Ik zou het inderdaad zeer zonde vinden dat alsintegraliteit de leider is van het akkoord, de VNG zou aangeven eruit tewillen stappen. Ik ben natuurlijk niet persoonlijk verantwoordelijk voorwat de VNG doet of beslist, maar ik zou ze dan sterk willen vragen om hette heroverwegen.De voorzitter:Ik vraag u uw betoog voort te zetten.Mevrouw Bruyning (NSC):Voorzitter. Dan de wettelijke verankering van 18-min/18-plus. Denkt u eensterug aan de tijd dat u 18 werd. Hoe zag dit er voor u uit? Voor velejongeren uit de jeugdzorg, en voor mijzelf, was dit allesbehalve eenfeestje. Je wordt losgelaten in een wereld die je vreemd is geworden enmen verwacht dat je ineens volwassen bent. Wettelijk gezien ben jevolwassen, maar hoe zit dat mentaal? Onderzoek van ExpEx wijst uit datjongeren die op hun 18de uit de jeugdzorg stromen vaak een doorlopendebehoefte hebben aan ondersteuning. Jongvolwassenen die abrupt de zorgverliezen lopen een verhoogd risico op verslechtering van hun mentalegezondheid, op dakloosheid en werkloosheid. Hoewel investeringen ineen goede overgang van jeugdzorg naar volwassen zorg kosten met zichmeebrengen, kan het op langere termijn economische voordelenopleveren. Dat zou op z’n minst interessant moeten klinken, misschienniet om de mensen, maar in elk geval om het geld. Dat is namelijk waarwe het hier altijd over hebben in de Kamer: bezuinigen, andere maatre-gelen. Het gaat dus om het geld.Effectieve ondersteuning kan jongeren helpen om zelfstandiger te wordenen een bijdrage te leveren aan de samenleving, waardoor de afhanke-lijkheid van langdurige hulp wordt verminderd. In een samenleving diegelijke kansen voor iedereen promoot, is het essentieel dat jongeren uitde jeugdzorg dezelfde kansen krijgen als hun leeftijdsgenoten die niet inde zorg hebben gezeten. Wetgeving zou ervoor kunnen zorgen dat dezekwetsbare groep niet achterblijft. Elk individu is anders en sommigejongeren, zoals ik, waren of zijn op hun 18de misschien klaar voorzelfstandigheid, terwijl anderen nog behoefte hebben aan intensieve zorg.Door een goed geregelde overgang te verzekeren, kunnen we bijdragenaan het algehele welzijn en de emotionele stabiliteit van jongeren. Ditzorgt ervoor dat ze zich veiliger en gesteund voelen tijdens deze crucialelevensfase. Denk hierbij ook aan de Big Five, opgesteld voor en doorjongeren op basis van hun behoeften en wensen; meerdere collega’shebben dat al aangestipt. Hoe zou de Staatssecretaris de Big Fiveeventueel een plek willen geven in het beleid?Al met al zou het wettelijk verankeren van de overgang 18-min/18-plus inde jeugdzorg kunnen zorgen voor een dynamischer, inclusiever en meerondersteunend zorgsysteem dat jongeren helpt bij het maken van eenpositieve stap naar volwassenheid. We weten allemaal dat wetgevingstra-jecten vaak lang duren en juridisch ingewikkeld zijn, maar de Big Fiveonderdeel maken van landelijk beleid zou een goede eerste stap kunnenzijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104932 Voorzitter. Nu ga ik het hebben over jeugdzorg, IVRK en CPT. Ik wil deaandacht vestigen op een zorgwekkende kwestie die onze aandacht enactie vereist: de naleving van het Verdrag inzake de rechten van het kindbinnen de Nederlandse jeugdzorg. Het is de plicht van de regering om tevoldoen aan de normen van dit verdrag, dat bedoeld is om de rechten enhet welzijn van kinderen te beschermen. Op basis van welke interna-tionale verdragen, kinderrechten, mensenrechten en gehandicapten-rechten, die boven de Nederlandse wetgeving staan, doen we inNederland wat we doen binnen jeugdhulp en jeugdzorg, vraag ik deStaatssecretaris. We moeten kritisch kijken naar het huidige systeem ende realiteit onder ogen zien. Zijn de rechten van kinderen daadwerkelijkgewaarborgd of schieten we tekort? Daarom een cruciale vraag aan deStaatssecretaris, die volgt op de eerste vraag: hoe beoordeelt deStaatssecretaris de huidige naleving van het verdrag binnen onsjeugdzorgsysteem? Zijn er concrete stappen gezet om de rechten van hetkind centraal te stellen? We zijn allemaal op de hoogte van de langewachttijden en de gebrekkige toegang tot essentiële diensten. Hoe staathet met de wachtlijsten in de jeugdzorg? Wat zijn, los van voorliggendewetsvoorstellen en beleidshervormingen, de plannen om deze proble-matiek aan te pakken en ervoor te zorgen dat elk kind tijdig de benodigdehulp krijgt?Verder: hoe is de Staatssecretaris van plan de participatie van kinderen ende beslissingen die hen aangaan te prioriteren? Het verdrag benadrukt hetbelang van de stem van het kind. Hoe wil de Staatssecretaris waarborgendat er daadwerkelijk naar hen geluisterd wordt? Dat kan ook voor beideStaatssecretarissen gelden.Ook maak NSC zich ernstig zorgen over de harmonisatie tussen verschil-lende gemeenten en instanties. De afgelopen jaren hebben we gezien datde decentralisatie voor ongelijkheden zorgt in de toegang tot en dekwaliteit van jeugdzorg. Welke maatregelen neemt de Staatssecretaris omervoor te zorgen dat elk kind, ongeacht woonplaats, dezelfde hogenormen van zorg ontvangt? Is de Staatssecretaris van mening dat eerst dereikwijdte zou moeten worden behandeld in plaats van de Wet verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg?Tijdens het debat dat ik met uw voorganger heb gevoerd over de geslotenjeugdzorg had ik een kort een-tweetje over het CPT. Voor wie niet weetwat het CPT is: dat is het European Committee for the Prevention ofTorture and Inhuman or Degrading Treatment or Punishment. Zowel deStaatssecretaris als collega’s leken verward over het verzoek aan devoorzitter om een verzoek te sturen naar het CPT om hen uit te nodigenom op bezoek te komen in de Nederlandse gesloten jeugdzorg, aangezienzij onderzoek doen naar marteling, foltering en erbarmelijke omstandig-heden in geslotenheid. Er is toen niks mee gedaan. Onlangs heeft deVerenigde Naties uitgesproken dat er wel degelijk sprake is van marteling.Dit op basis van onder andere het rapport Eenzaam gesloten van JasonBhugwandass en de situatie in de gesloten jeugdzorg. Dankzij enormeinspanningen van Jason en vele anderen heeft het CPT alsnog een bezoekgebracht aan de gesloten jeugdzorg. Hierover zal ook een rapportverschijnen. NSC is benieuwd hoe deze Staatssecretaris hierin staat enwelke visie de Staatssecretaris hierop heeft. Is het voorgaande vaninvloed op het voornemen om in de open jeugdzorg vooralsnog vrijheids-beperkende maatregelen te blijven inzetten? Is de Staatssecretaris ookhier bereid de onderste steen boven te krijgen? De laatste vraag aan deStaatssecretaris Jeugd: hoe monitort u de effectiviteit van de maatregelendie reeds zijn geïmplementeerd? Welke evaluatiemethoden wordengebruikt om zeker te stellen dat we op de goede weg zijn?Voorzitter. Ik wil ook nog graag kort ingaan op onderwerpen die deStaatssecretaris Rechtsbescherming aangaan. We zijn kinderen aan hetbeschermen tegen de Kinderbescherming en kinderen aan het behan-delen voor de behandeling die ze kregen in de gesloten jeugdhulp. Als weTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104933 dit over onze eigen voorzieningen terugkrijgen, wie heeft er dan eigenlijkcomplexe problematiek? Ook hier zijn we druk bezig met het aanbrengenvan wijzigingen in het stelsel, namelijk door de implementatie van hettoekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Ook hier zal ik vragen naarde bekende weg. Want ook hier moeten we ons realiseren dat dit zekerniet de heilige graal is. Goede intenties hebben is het halve werk, maarhoe zit het in de praktijk? Is hier echt de tijd genomen om goed te kijkenen te reflecteren?Ten eerste wil ik het hebben over het publieke imago van de jeugdbe-scherming. Veel ouders en kinderen ervaren een gebrek aan vertrouwenin ons systeem. Ik wil dan ook aan de Staatssecretaris vragen welkeconcrete maatregelen de Staatssecretaris neemt om het vertrouwen teherstellen. Hoe gaan we er met elkaar voor zorgen dat kinderen nietslechts als dossiers gezien worden maar als individuen met uniekebehoeften?Dan de versnippering van instanties binnen de jeugdbescherming. Onssysteem lijkt te lijden onder overlappende verantwoordelijkheden encomplexe structuren. Een voorstel: zullen we eens beginnen bij het begin,namelijk de Aanwijzingen voor de regelgeving en de beginselen vanbehoorlijk bestuur? Dat zijn immers de kwaliteitskaders voor ons eigenhandelen. Kan de Staatssecretaris uitleggen welke stappen er wordengenomen om deze complexiteit te reduceren? Hoe worden de lopendeinitiatieven om de samenwerking tussen verschillende instantieseffectiever te laten verlopen geëvalueerd?Daarnaast moeten we het ook hebben over de waarborging van dekinderrechten binnen de jeugdbescherming. In welke mate zijn de rechtenvan onze kinderen daadwerkelijk verankerd in het besluitvormingsproces?Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen de inzet van de kinderrechtentoetsbij al het beleid dat over kinderen gaat? Zijn de beleidsmakers enbesluitvormers voldoende getraind om met de inzet van de kinderrechten-toets te werken?Tot slot het onderzoek naar de uithuisplaatsing van kinderen in het kadervan het toeslagenschandaal, een tragedie die gezinnen in ons land diepheeft getroffen. Welke voortgang is er geboekt in dit onderzoek en,belangrijker nog, wat gebeurt er om recht te doen aan de getroffengezinnen? Hoe zal er door zowel het Ministerie van VWS als het Ministerievan JenV worden omgegaan met de geleerde lessen uit dit onderzoek?Voor beide Staatssecretarissen nog een vraag: hoe kan de samenwerkingtussen ministeries belast met het beleid rondom jeugd worden verbeterd?Kunnen de Staatssecretarissen aangeven of zij de mening delen dat er eeninterministeriële visie op het kind dient te worden ontwikkeld? Onzejeugd, onze jongeren vormen de pijlers van onze toekomst. We hebben decollectieve verantwoordelijkheid om een systeem te bouwen dat nietalleen beschermt en zorgt, maar ook ons vertrouwen waard is. Dit vergttoewijding, transparantie en vooral actie; actie niet als symptoombe-strijding, maar om het probleem bij de wortel aan te pakken. Hier horende jongeren centraal te staan. Het is dan ook van cruciaal belang dat wehun stemmen horen en hun behoeften en wensen centraal stellen in onsbeleid en onze acties. Door te luisteren naar onze jongeren en hen actief tebetrekken bij besluitvorming kunnen we een samenleving creëren die henondersteunt en inspireert. Laten we ons richten op het bieden van dejuiste zorg, kansen en begeleiding, zodat zij optimaal kunnen floreren.Alleen samen kunnen we bouwen aan een positieve en hoopvolletoekomst voor ons allemaal.Dank u wel.De voorzitter:Dank, mevrouw Bruyning, voor uw eerste termijn. Dan kom ik bij defractie van de ChristenUnie. Meneer Ceder, aan u het woord.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104934 De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Een mens bloeit op in een gemeenschap, een kindgroeit op in een gezin. Heel veel kinderen groeien op in stabiele gezinnen,waar ze een goede basis meekrijgen voor de rest van hun leven. Bijtegenslag in het leven, wat ieder gezin op z’n tijd meemaakt, heeft eengezin soms krukken nodig ter ondersteuning. Het netwerk van familie,vrienden en buren kan dan hierin voorzien. Soms is een extra professi-onele steun in de rug nodig, waarbij de gemeente het eersteaanspreekpunt is. Daarbij moeten we waken voor de tendens vanmedicalisering en de gedachte dat elke situatie altijd om professionelehulp vraagt.Voorzitter. Dit staat in de inleiding van de startagenda van deChristenUnie: Elk kind verdient een huis. Die heb ik twee jaar geledengeschreven met beleidsmedewerkers. De nota bevat wat ons betreft dechristelijk-sociale bouwstenen voor verantwoord jeugdzorgbeleid, waarbijhet gezin en de familie hun verantwoordelijkheid zolang als kanbehouden. Kinderen zijn gebaat bij een veilige thuisbasis; fysiek, mentaalen sociaaleconomisch. Ze zijn gebaat bij gesprekken tussen generaties.Jongeren die elkaar opzoeken en met elkaar optrekken op zonnige dagenen op dagen dat er forse tegenwind is.Helaas weten we allemaal dat dit niet voor elk kind in Nederland het gevalis. Sterker nog, ik zei het net al: een op de zeven jongeren in Nederlandkrijgt momenteel een vorm van jeugdzorg. Als het tij niet gekeerd wordt,gaan we naar een op de zes. Dat zegt mij wel iets, voorzitter. Hoe rijk enwelvarend Nederland als land ook is, onze samenleving kent factoren dieonze kinderen ziek maken. En dus is het ook mede aan de overheid omeen eerlijk gesprek te voeren over wat mogelijk die factoren zijn en wat derol van de overheid wel en niet is. Alle acties om de jeugdzorg tehervormen en de kwaliteit te verbeteren zijn goed, maar dit is een veeldiepere en grotere opgave.Ik zou daarom twee dingen aan de Staatssecretaris willen vragen. Wat iszijn ambitie voor het aantal jongeren dat jeugdhulp krijgt in bijvoorbeeld2030? Het zou goed zijn om een ambitie te stellen, om te weten waar jeaan werkt. Afhankelijk van de leeftijd en de mate van zorg gaat hetmomenteel om ongeveer een op de zeven jongeren, zoals ik al zei. Willenwe niet een perspectiefboog waardoor we zeggen dat we dat aantal willenverminderen met bijvoorbeeld de helft? Dan krijgt over een aantal jaren,bijvoorbeeld in 2030, een op de veertien kinderen jeugdzorg. Dat is nietomdat ze buitengesloten worden, maar dan krijgt elk kind de juiste zorg.Dan lukt het ons om kinderen weerbaar te maken, waardoor ze dievormen van jeugdzorg ook niet nodig hebben. Hoe ziet de Staatssecretarisdat?Dan mijn tweede vraag. Er is op zo veel vlakken werk aan de winkel omonze kinderen goed te laten opgroeien, op te voeden en gezinnen teversterken. Denk aan de prestatiecultuur, die heel vaak genoemd wordtdoor studenten. Het smartphonegebruik, het woningtekort, armoede,drukke banen van ouders, eenzaamheid, ze drukken allemaal op onzekinderen en gezinnen en ze hangen met elkaar samen. De overheid heeftniet op elk onderdeel hiervan grip. Maar ik zou graag zien dat de Staatsse-cretaris en alle bewindspersonen die dit aangaat, wel een scherpe visiedurven neer te zetten voor de toekomst van onze kinderen.In het interruptiedebat met de heer Crijns heb ik het erover gehad dat dezecommissie VWS het niet gaat oplossen. Er is veel meer nodig en er is eenveel grotere visie nodig. Het gaat niet alleen om jeugdzorg, maar vooralom een sterke samenleving en sterke gezinnen om kinderen en jongerenheen. En als het even niet lukt, een sterke gemeente of sterke familieledendie om hen heen staan. Wil de Staatssecretaris ook over zo’n overkoepe-lende visie gaan nadenken? Ik ben ervan overtuigd dat investeringen juistaan de voorkant vruchten gaan afwerpen wat betreft de uitgaven aanjeugdzorg en jeugdbescherming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104935 Voorzitter. Wij willen dat elk kind de juiste zorg krijgt, en daar mag eenprijskaartje aan hangen. Dit is echter niet wat er nu in de praktijk gebeurt.De kosten stijgen alsmaar, maar de jongeren die het het hardst nodighebben krijgen niet het snelst hulp. Het zijn vaak welvarende gezinnen diesneller lichte vormen van jeugdzorg weten te vinden, met alle gevolgenvan dien. Met andere woorden, het kan beter. Als je preventie aan devoorkant serieus neemt, kunnen de kosten dalen, waarbij elk kind de juistezorg krijgt die het nodig heeft. Als je preventief gaat helpen, is het ookgoedkoper is. Een kind met een meervoudige complexiteit kost immersgewoon meer. Laten we verstandig beleid gaan gebruiken, zeg ik danmaar. Is het daarom de expliciete ambitie van de Staatssecretaris ommeer te gaan investeren in preventie en minder in jeugdzorg? Watbetekent dit specifiek voor de rol van gemeenten, waar we dit hebbenbelegd?Voorzitter. Het blijft me verbazen hoe in Den Haag alles is georganiseerdvoor kinderen die wat extra ondersteuning nodig hebben. Er zijn namelijknog steeds stevige schotten tussen VWS en OCW, terwijl er in de praktijkzo vaak helemaal geen schot in zit. Er is slechts frustratie. Dan zittenbeleidsregels die we hier bedacht hebben, dus in de weg. Dat gaat tenkoste van het kind. Wil de Staatssecretaris er werk van maken dat decontacten tussen OCW en VWS, maar ook de mogelijkheid om middelente verschuiven, goed geborgd worden? Wil hij er werk van maken dat deknelpunten waar ik het, sinds ik Kamerlid ben, al drie jaar lang samen metandere collega’s over heb, eindelijk opgelost worden?Voorzitter. Een belangrijke factor voor de gezondheid van onze kinderen isde opkomst van social media. We zien in onze samenleving de blikken nietgericht op elkaar, naar elkaar. Onze ogen zoeken geen contact meer metelkaar maar met het scherm voor ons. We hebben contact met de helewereld, maar schrikken terug voor contact van mens tot mens. Dat ditenorme impact heeft op onze kinderen en jongeren, is volgens mijevident. Het boek Generatie angststoornis van Jonathan Haidt en hetgesprek dat de Kamer vorige week met hem voerde, stelden dat opnieuwscherp. Door gebruik van social media en het vele smartphonegebruikgroeit er een generatie op die leeft vanuit angst. Kinderen worden onlineblootgesteld aan onveilige manieren van interactie. Dat maakt dat zeonzeker, angstig en moe worden; het leven in offlinewereld wordtmoeilijker en moeilijker. De techgiganten hebben er geen moeite mee omhen, maar eigenlijk ons allemaal, verslaafd aan hun bedenksels te makenen te houden, met als gevolg dat we denken dat ons leven beter wordt alswe meer aandacht richten op een schermpje dan op degene naast ons.Voorzitter. Het is niet alleen een probleem van kinderen en jongeren, maarook van volwassenen. Ik durf hier wel toe te geven dat enige verslavingaan de telefoon en aan social media mij niet vreemd is. Terwijl ik weet dathet niet nodig is en dat het vaak ook niet goed is, zit ik veel te lang tescrollen en kan ik niet anders dan bij elke melding van een nieuw berichtchecken wat het is, voor een nieuwe dopaminekick. Onze jongeren zijnhier echter nog kwetsbaarder voor dan volwassenen, omdat hun hersenennog niet volgroeid zijn. Omdat hun ontwikkeling nog volop gaande is,worden zij daarmee ook sterker gevormd door wat er op hen af komt.Voorzitter. We staan wat betreft voldoende beleid om de techreuzen tebeteugelen nog in de kinderschoenen, maar het is wel belangrijk omdaarover na te denken en om lef te tonen. De impact van sociale media ende smartphone is daarom volgens mij niet alleen een probleem voorjongeren, maar voor de hele samenleving. Mijn vragen aan de Staatsse-cretaris zijn: Wat is er tot nu toe bij het ministerie bekend over de impactvan sociale media en smartphonegebruik bij kinderen, jongeren envolwassenen? Welke impact heeft het op de mentale gezondheid en deontwikkeling van kinderen? Zou de Staatssecretaris het in kaart kunnenbrengen, op een rij zetten? We halen nu expertise van buiten en dat isbelangrijk. Maar het is ook belangrijk dat het kabinet hierover gaatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104936 nadenken en dat we het eens zijn over de feiten. Vervolgens is uiteraardde vraag wat we eraan kunnen doen. Ouders zien hun kinderen maarweten niet goed hoe ze hen kunnen begrenzen, zeker als ze zelf ook nietongevoelig zijn voor de telefoon en als de norm in de klas en de vrienden-groep anders is. Welke informatie kunnen ouders bijvoorbeeld krijgen opeen consultatiebureau, vraag ik aan de Staatssecretaris. Hoe kunnen zijworden geholpen om hier verstandig mee om te gaan? Ik denk dat we hetsoms ook wat verleerd zijn om strak te normeren, maar opvoeden begintwel thuis. Welke interventies kan VWS bieden om ouders te helpen omkinderen van smartphone- of gameverslaving af te laten komen? Wil deStaatssecretaris in kaart brengen welk type maatregelen we kunnenbedenken om jongeren beter om te laten gaan met smartphones en socialmedia? Welke impact zouden die maatregelen kunnen hebben? Volgensmij het is belangrijk om op basis van dat beeld vervolgens heldere keuzeste gaan maken en ons te begeven op het terrein van het begrenzen vantechreuzen, leeftijdsgrenzen en ondersteuning aan ouders.Voorzitter. Van veel gemeenten hoor ik dat het investeren in gezonderelaties van ouders en het ondersteunen van ouders die in een scheidingliggen echt helpen in het voorkomen van grotere problemen bij de oudersen de kinderen. Als één ouder niet in beeld is en de andere ouder er alleenvoor staat om zijn of haar kind op te voeden, dan is dat ook kwetsbaar. Ikben zelf opgegroeid in een eenoudergezin en ik heb diepe bewonderingvoor hoe mijn moeder voor mij heeft gezorgd. Ik heb ook gezien dat daarveel kracht voor nodig is, dat dat kwetsbaar kan zijn. Als je geen sterkegemeenschap om je heen hebt, is het nog lastiger. Er wordt hier vaakgedacht dat relaties een kwestie zijn die zich achter de voordeur afspeelt.Dat is ook zo, maar de gevolgen van echtscheidingen worden welafgewenteld op de maatschappij. De kosten dragen wij allemaal. Voor dewachtlijsten bij de rechtbanken betalen wij allemaal. Omdat die kosten ende gevolgen afgewenteld worden, is het wel degelijk een rol van deoverheid om te kijken wat wij kunnen doen binnen de juiste kaders bijmensen bij wie die relaties wringen en die hulp zoeken. Daarom vraag ikhoe de Staatssecretaris aankijkt tegen bijvoorbeeld landelijke gezinsverte-genwoordigers bij complexe scheidingen. Die zijn een grote factor watbetreft jeugdzorg en meervoudige complexiteit bij kinderen. Vaak heefthet gewoon te maken met scheidingen van ouders die verder sociaaleco-nomisch alles op een rijtje hebben. Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegenlokale relatie- en scheidingsloketten?Voorzitter. Een ander onderwerp is pleegzorg. Ook bij deze nieuweStaatssecretaris breng ik graag het onderwerp pleegzorg onder deaandacht. Dat is een mooie manier om kinderen zo thuis mogelijk of ineen huiselijke setting op te laten groeien. Het werven en behouden vanpleegouders vraagt wel blijvende investeringen. Is de Staatssecretarisdaartoe bereid en hoe ziet hij dat? Pleegouders blijven de komende jarennamelijk betalen voor kinderopvang die niet voor hun rekening is. Ook alwerkt het kabinet aan een nieuw stelsel, daar zijn deze pleegouders nunog niet mee geholpen. Kan de Staatssecretaris bijvoorbeeld wel werkenaan een kostendekkende vergoeding voor pleegouders?Voorzitter. Ik wil nog even stilstaan bij het toekomstscenario kind- engezinsbescherming naar aanleiding van de scenario’s die naar buiten zijngekomen. De Staatssecretaris stelt een flinke reorganisatie voor in dejeugdbescherming. Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming ende gecertificeerde instellingen worden in 25 regionale teams onderge-bracht die in opdracht van gemeenten werken. Ik kan de stap volgen datGI’s in publieke handen komen, maar ik heb wel vragen over de positio-nering van de jeugdreclassering. Het argument om de jeugdreclasseringlandelijk te houden, lijkt te zijn dat het Rijk de verantwoordelijkheid heeftover de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen. Maar dat lijkt meniet het sluitende argument, want nu valt dit al onder gemeenten. Hetgaat namelijk via de GI’s die de jeugdreclassering uitvoeren. Waarom kiestTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104937 de Staatssecretaris daarom niet voor het opnemen van de reclassering inbijvoorbeeld de regionale veiligheidsteams? De Staatssecretaris komt danmet de voorbehouden van financiën en tijd. Kan hij daarin een inschattingmaken hoelang deze reorganisatie gaat duren en hoeveel geld ermeegemoeid is? Maakt de Staatssecretaris zich er hard voor dat er voldoendetransformatiemiddelen beschikbaar zijn bij de voorjaarsbesluitvorming?Dat is de enige manier waarop dit succesvol gaat werken.Voorzitter. Het is goed om te lezen hoe het kabinet zich ervoor inspant omde gesloten jeugdzorg af te bouwen en dat er onderzoek wordt gedaannaar de ZIKOS-afdelingen. Dat was een belangrijk punt in de afgelopenjaren. Is de Staatssecretaris het met me eens dat niet-gesloten opvang vanjongeren, waarbij ze soms zelfs ambulant begeleid worden, soms meercapaciteit vraagt dan gesloten opvang? Deelt hij desondanks mijn meningdat dit geen drempel moet zijn om de gesloten jeugdzorg af te bouwen enverder te gaan met de ontwikkeling? Hoe worden jeugdzorgprofessionalsgetraind in het accepteren van risico’s? Die zullen namelijk meer genomenmoeten worden als opsluiten geen optie meer is. Dat is wel de bewegingdie we willen inzetten. Er zal dan misschien ook wel vaker iets misgaan.Deelt de Staatssecretaris dat dat erbij hoort en hoe worden zorgverlenersdaarin geschoold? Dat vraagt namelijk iets extra’s van hen.Tot slot. Werken in de jeugdzorg is, denk ik, heel mooi en ik wil iedereendie dit loodzware werk doet van harte bedanken voor hun inzet en voorhun hart voor kinderen en jongeren. Er zijn schokkende cijfers. 42% vanhet personeel verlaat de sector in de eerste vijf jaar. Wil de Staatssecre-taris daarom het gesprek aangaan met het Ministerie van OCW over devraag hoe dit cijfer omlaag kan worden gebracht? Misschien kan er ietsworden gedaan in de opleiding qua voorbereiding of verwachtingsma-nagement? En kan worden gekeken hoe er verbetering aangebracht kanworden in de opleiding tijdens werk, zodat die meer aansluit op de praktijken op wat er op de studenten afkomt? Daarnaast ben ik benieuwd of decultuuromslag die nu in de jeugdzorg plaatsvindt – het kijken naar de helecontext en de omgeving – ook al een plek heeft in de opleiding. Kan deStaatssecretaris ook daarover in gesprek gaan met de Minister van OCW?Tot zover. Dank u wel, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Dat vraagt om een interruptie van de heer Crijns.De heer Crijns (PVV):Ik heb inderdaad ook het rondetafelgesprek van Jonathan Haidt op tvgezien de afgelopen week. Ik deel de zorgen dat we moeten opletten metjongeren en social media. Jonathan Haidt heeft meerdere boekengeschreven en stelt dat het overbeschermen van jongeren hen minderveerkrachtig maakt. Hij stelt ook dat door het vermijden van tegenslagenkinderen niet voorbereid zijn op de realiteit van het volwassen leven. Erzijn ook andere mensen die het aankaarten. Marianne Hooijsma bijvoor-beeld is onderzoeker bij het Nederlands Jeugdinstituut en stelt datoverbeschermend opvoeden kan leiden tot een beperkt gevoel vanautonomie bij kinderen, en ouders die problemen overnemen en veel tebetrokken zijn bij het dagelijks leven van hun kind. Zij leggen daarmeeveel druk op hun kind. Is de heer Ceder het met de PVV eens dat we aanhet doorslaan zijn met het overbeschermen van onze kinderen?De heer Ceder (ChristenUnie):Eens. Ik denk inderdaad dat wij naast zorg bieden ook weerbare kinderenmoeten vormen, want het leven kent nou eenmaal tegenslagen. Dat is ookeen van de redenen waarom ik aangaf dat we moeten waken voor detendens van medicalisering. Geef elk kind de juiste zorg, maar niet elkkind dat niet perfect is heeft een vorm van jeugdzorg nodig. Ik denk weldat we erin zijn doorgeslagen dat we verwachten dat kinderen perfect zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104938 en gelijk zorg zoeken als dit niet zo is. Ik denk dat dit iets is waar we voormoeten waken, omdat kinderen weerbaar genoeg zijn.Als het gaat om social media ben ik het met u eens dat je kinderen moetleren omgaan met technologie en de gevaren van de samenleving. Er isalleen iets waar jongeren nu mee te maken hebben wat u en ik – ik ben 35en ik hoor dat u 40 bent – nooit hebben meegemaakt. Jongeren wordenop jonge leeftijd blootgesteld aan een wereld waarin zij met vreemdemensen in contact kunnen komen, buiten het toezicht van de ouders. Zijkunnen daar steeds meer in een fuik worden getrokken, afhankelijk vanwat voor een techreus wenselijk waar ze naar blijven kijken. Die trekkings-kracht, ook bij een onderontwikkeld brein, is een fenomeen dat u en ik niethebben meegemaakt. Ik heb MSN meegemaakt en ik heb Hyves meege-maakt. Ik zie mensen allemaal knikken; wij zijn inmiddels een beetje deoude garde geworden. Dat was de digitale revolutie, maar het verschilwas dat je het alsnog deelde met mensen die je kende. Je voegde mensentoe die je kende. Nu is er een socialmediawereld waarin mensen contactkunnen zoeken met kinderen en kinderen met mensen, gebieden enleefwerelden die zij niet kennen. Daarover zeg ik dat we er als overheid teweinig rekenschap van hebben gegeven hoe we dat kunnen borgen enhoe we dat moeten sturen. Juist daarom is de overheid op dat vlak welaan zet en vind ik dat geen overbescherming.De voorzitter:Dank u. Kort, meneer Crijns.De heer Crijns (PVV):Een heel mooi betoog. Ik kan me er goed in vinden. Is de heer Ceder hetmet mij eens dat de verantwoordelijkheid ook bij de ouders moet liggenen niet alleen bij de techreuzen en bij de overheid? We moeten het niet teveel naar ons toe trekken. Wat zou voor de ChristenUnie de beste optiezijn om het voor de jongeren te beperken?De heer Ceder (ChristenUnie):Ik vind dat de overheid niet de rol van de ouders hoeft over te nemen.Ouders mogen zelf weten hoe zij het gesprek met hun kinderen voeren.Alleen blijkt uit gesprekken die ik met ouders heb dat zij zelf niet wetenwat zij moeten doen. Ze weten niet wanneer ze het kind wel of geen iPadmoeten geven. Helpt een iPad een peuter van 3 in de ontwikkeling of juistniet? Is het beter om een kind een iPad te geven wanneer hij 6 is? Geef jeeen smartphone wanneer het kind 4 is of 12? Ouders weten het vaak niet.Daarin kan de overheid helpen. Ik heb bij het WGO Digitalisering gepleitvoor een schijf van vijf, waarin je gewoon wat handvatten krijgt over watverantwoord smartphonegebruik is. Het hoeft geen schijf van vijf te zijn,maar het moeten in ieder geval zichtbare tools zijn, iets wat op scholen enin winkels kan hangen. Daarmee informeer je ouders over wat volgens deoverheid verantwoorde keuzes zijn die je kunt overwegen bij smartphone-gebruik van jezelf of van je kinderen. Dat zou een goede interventie zijn.Een andere is toch leeftijdsverificatie. Een kind onder de 16 komt nietzomaar een slijterij of een casino binnen in de fysieke leefwereld. Maaronline kan een kind in twee tellen op elke gewenste pornowebsite komen.Het kan gokken, het kan dingen op afbetaling kopen, terwijl dat in defysieke wereld helemaal niet mogelijk is. Ik vind dat de overheid daar bestgrenzen mag trekken, omdat we die norm ook al in de fysieke leefwereldgetrokken hebben. Daar zie ik mogelijkheden voor de overheid om extrastappen te zetten.De voorzitter:Ik dank de heer Ceder en ik kom bij mevrouw Rikkers voor haar inbreng.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104939 Mevrouw Rikkers-Oosterkamp (BBB):Dank u wel, voorzitter. Vandaag spreken we over de begroting Jeugd. Heelbelangrijk, want onze jeugd is de toekomst, kwetsbaar maar ookveerkrachtig. Ik wil het graag hebben over jeugd en niet alleen over cijfers,wetten en regels. We hebben heel veel cijfers en we hebben heel veelwetten en regels uitgewerkt, maar het lukt ons niet om deze in praktijk tebrengen.BBB wil heel graag inzetten op vroegsignalering van mogelijkeproblemen. Dit kan al en dat doen wij in heel veel gemeenten samen metjongeren, scholen, GGD, huisartsen en andere zorgaanbieders, bijvoor-beeld door schoolmaatschappelijk werk. We willen graag meer doen metgezinshulp. Dat wordt al in heel veel gemeenten geboden door bijvoor-beeld steungezinnen. Het hoeft niet altijd als jeugdhulp. Laagdrempelig,zonder vooroordeel, want opvoeden is niet altijd makkelijk.Ook willen we meer inzetten op voorkoming van zogenaamde vechtschei-dingen. Hoewel ouders het echt niet willen, zijn kinderen de slachtoffers.Wij zien heel vaak dat het bij de ouders niet lukt om het van zichzelf tezien. Bij de buren zien ze het, maar van zichzelf niet. Hoe kunnen weervoor zorgen dat we een spiegel geven aan deze ouders, zondervooroordeel, en hen daarbij goed begeleiden?BBB wil heel graag doen wat nodig is. Niet alleen maar aanbodgestuurdwerken, maar kijken wat past bij het gezin en bij het kind. BBB wil ookgraag dat er genormaliseerd wordt. Het is niet erg als er hulp nodig is,maar zoals gezegd is niet alle hulp jeugdhulp. We willen graag iets doenaan de handelingsverlegenheid van zorgaanbieders. We moeten hun hetvertrouwen geven dat zij doen wat zij moeten doen. Wanneer er bijvoor-beeld een kind uit huis geplaatst wordt omdat het niet meer gaat, is hetenorm ingewikkeld om het kind weer thuis te krijgen. We zijn met z’n allenzo bang geworden dat het niet lukt en dat de ouders weer de fout ingaan,dat het allemaal perfect geregeld moet zijn voordat deze kinderen weernaar huis gaan. Om heel eerlijk te zeggen: ik heb ook twee kinderen en diegeven mij echt geen 10 als ouder zijnde. Dus waarom vragen we dit welvan andere ouders?Voorzitter. Ik wil heel graag een lans breken voor de pleegzorg. Wehebben 30.000 pleeggezinnen in dit land. We kunnen niet zonder hen. Nietalleen de ouders, maar ook de pleegbroers en -zussen hebben we nodig.Ze spelen een cruciale rol in het leven wanneer de biologische ouders datniet kunnen doen. Ze helpen opgroeien. Ze geven steun. Ze zetten hunhart en huis open. Deze ouders moeten wij echt ondersteunen. Ze moetengeen kosten dragen waarvan wij vinden dat wij ze moeten dragen. Wijmoeten ze ook een betere stem geven. We hebben nu heel vaakgesprekken met pleegouders. Zodra er een besluit komt over hunpleegkind, worden ze niet betrokken, omdat ze geen rol hebben. Ze zijnniets. Ze zijn geen ouder en ook geen zorgaanbieder, maar ze hebben weliedere dag te maken met het kind. Laten we dus alsjeblieft ook gaanluisteren naar die pleegouders en ze een rol geven.Ook willen we graag kijken hoe we veel meer kunnen samenwerken. Alsvoorbeeld noem ik Veilig Thuis. Hoe gaan we bevorderen dat ditsamengaat met scholen en andere professionals? In mijn tijd alswethouder bij de gemeente heb ik het volgende gezien. Wij hadden eengebiedsteam met een orthopedagoog. Die orthopedagoog wist dus heelgoed wat in het gezin speelde. Wanneer deze orthopedagoog of de schoolzei dat we echt Veilig Thuis moesten inschakelen en we al met z’n allenkeken, kregen we heel vaak hetzelfde protocol nog een keer en nog eenkeer voordat echt werd ingegrepen of voordat het serieus werd genomendoor Veilig Thuis. Ik snap dat, want de werkdruk is daar enorm. Wehebben veel te veel casussen en veel te weinig mensen. Als er daneindelijk iemand was van Veilig Thuis, waren de school en de gemeenteeven rustig. Het was eindelijk even van hun bordje. Maar dan komt erhelemaal geen terugkoppeling. Er wordt helemaal niets gedaan om deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104940 gemeente of de school erbij te betrekken, omdat zij geen rol hebben. Alleswordt op de AVG gegooid. Wij willen dus heel graag de Staatssecretarisvragen of er een duidelijk kader kan komen voor de AVG. Als je namelijkheel goed doorvraagt, kan er heel veel wél in de AVG. Dat hebben we opheel veel manieren gezien. Maar hoe gaan we de gemeente en VeiligThuis helpen, zodat zij weten dat het mag? Er is zo veel angst dat weverkeerde dingen doen, dat we de goede dingen ook vergeten te doen.Voorzitter. Al deze dingen beginnen volgens ons met samenwerken enmet luisteren: luisteren naar de kinderen, luisteren naar de professionalen, met alle respect, iets minder luisteren naar een jurist. Ja, ik zei: metalle respect! We moeten niet in een kramp schieten. We moeten dekinderen helpen. Als we dat vooropstellen, kunnen we heel mooie dingendoen zonder dat wij twee jaar moeten wachten op een wet of op eenhervormingsagenda. Ook ik krijg dan de vraag van mevrouw Westerveldwat wij gaan doen met de Commissie van Wijzen. Ik zal haar maar alvastantwoorden, want haar interrupties zijn op. Ook wij nemen het serieus.Wij zullen heel goed kijken naar het advies van deze Commissie vanWijzen. Ik wil daar alleen wel een kanttekening bij plaatsen. Toen ikwethouder was in Friesland hebben wij een regiovisie gemaakt. Wijhebben toen ook de Hervormingsagenda Jeugd beoordeeld. 90% van dedingen die hierin staan, deden wij in Friesland al, en de jeugdzorg inFriesland is echt niet perfect. Dit is dus geen heilige graal. Het is een heelmooi handvat om het gesprek met elkaar aan te gaan. Het is een kapstokwaar we veel dingen aan kunnen hangen, maar het is echt niet deoplossing voor de jeugdzorg.Wat moet er dan wel? Dat weet ik heel eerlijk gezegd ook niet precies.Maar luister vooral naar de mensen, want er zijn heel veel mensen die hetwel weten. Laten we echt gewoon samen met de kinderen kijken wat wekunnen doen. Dat is namelijk de rode draad die we afgelopen wekencontinu hoorden: er wordt niet naar ons geluisterd. Pas als de jongereeruit komt en je vraagt nog een keer aan de jongere, de ervaringsdes-kundige «wat heeft jou nou geholpen en wie heeft het verschil gemaakt»,dan is het antwoord eigenlijk altijd: «degene die naast mij kwam staan envroeg: wat heb je nodig, wat is er aan de hand, wat kunnen we doen omjou te helpen?» Dus ik zou ook heel graag willen dat dit de eerste vraag isdie aan een kind wordt gesteld. Ik zou ook graag willen dat we ophoudenmet over kinderen te praten, maar dat we mét kinderen gaan praten, ookin de zorg.Ook zouden wij heel graag willen kijken naar het 18-plus- en18-mingedeelte, want dat is al heel vaak mogelijk. Alleen, het is altijd eenuiterste. Is het een mogelijkheid dat wij omgekeerd gaan toetsen? Dus datgemeenten weten: wij zetten de 18-plus- en 18-min verlengde jeugdzorgin, tenzij we goede hulp hebben geboden en het niet nodig is. Daarhebben we geen wet voor nodig. Dat kan gewoon met een beleidskader,in mijn ogen.Te vaak horen wij nog dat er jongeren zijn, die in gesloten opvang zittenzonder een verklarende analyse. Dat gaat mij echt aan het hart, want dat isvolgens ons het eerste wat er gebeuren moet, zodat we weten wat er aande hand is. Kan de Staatssecretaris iets doen om te bevorderen dat dieverklarende analyse altijd aan het begin van een traject gemaakt wordt?Dat is volgens ons echt een heel belangrijke sleutel.Tot zover. Dank u wel.De voorzitter:Ik dank mevrouw Rikkers. Ik wil even een minuutje schorsen om teoverleggen over de schorsing.De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104941 De voorzitter:We zijn het niet eens. Ik zeg drie kwartier voor de schorsing en hiernaastwordt gezegd een uur. Als voorzitter ben ik nog steeds de baas, maar ikwil ook dat uw vragen goed worden beantwoord. Anders gaat het alsnoglanger duren. Dus we schorsen tot 19.55 uur, inclusief de dinerpauze.De vergadering wordt van 18.57 uur tot 20.00 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering en heet iedereen weer welkom om door tegaan. We zijn gekomen bij de eerste termijn van de zijde van het kabinet.Ik ga zo het woord geven aan de Staatssecretaris van VWS, de heerKarremans, en de Staatssecretaris Rechtsbescherming, de heer Struycken.Wie gaat er als eerste? De heer Karremans, aan u het woord.Staatssecretaris Karremans:Dank u wel voorzitter. Ik dank ook alle Kamerleden voor de vragen enbijdragen in eerste termijn. Voordat ik begin, wil ik graag ergens aandachtvoor vragen. Het is namelijk de Week van de Pleegzorg. Deze loopt vanwoensdag tot woensdag, dus we zitten er middenin. Pleegouders biedenvanuit hun hart een tweede thuis aan kinderen die dat nodig hebben. Vaakis dat voor een langere tijd. Daarmee geven zij hen de kans om op tegroeien en zich te ontwikkelen zoals alle andere kinderen. Ik sprak vorigeweek Arianne en Arie, pleegouders in Waarder, waar ik te gast was. Zij zijneen hubgezin van de Mockingbird-methode. Wat ben ik van hen onder deindruk! Ik kan niet anders zeggen. Het heeft echt enorme indruk op mijgemaakt. Ik wil hier dan ook zeggen dat ik groot respect heb voor hen,maar ook voor alle andere pleegouders die dit werk doen. Ik wil henhartelijk danken voor hun inzet. Daarbij gezegd: er wachten nog meer dan800 kinderen op een geschikt pleeggezin. Mocht u dit horen en denken dathet misschien iets voor u zou kunnen zijn, bezoek dan de websitewww.pleegzorg.nl. Daar kunt u meer te weten komen over pleegzorg,bijvoorbeeld door een korte test te doen om te zien of pleegouderschapbij u zou passen.Dan ga ik nu naar het debat. Nederlandse kinderen behoren tot degelukkigsten van de wereld. Tegelijkertijd lijken zij meer problemen tehebben dan ooit. De vraag naar jeugdzorg blijft toenemen. Dat is toch eenheel opmerkelijk contrast.Ik hoor vaak dat opgroeien in deze tijd niet gemakkelijk is, maar ik denkdat opgroeien voor elke generatie zo zijn uitdagingen kent. Dat was zovoor mijn ouders, voor mijzelf en dat zal ook zo zijn voor mijn kinderen.De vraag is hoe je goed met deze uitdagingen kunt omgaan. Dat geldt nietalleen voor kinderen en jongeren zelf, maar ook voor de ouders die henopvoeden. Misschien juist voor de ouders die hen opvoeden!Een uitdaging voor deze generatie is bijvoorbeeld het omgaan met deoverdaad aan social media. Daar werd ook door verschillende Kamerledenaandacht voor gevraagd. Die zijn leuk en zelfs ook nuttig – dat vind ik zelfook – maar ze zorgen ook voor stress en mentale druk. Hoor ik er nog welbij? Zie ik er nog wel goed uit? Verder speelt er prestatiedruk op school endaarbuiten. Haal ik wel goede cijfers? Ben ik wel goed genoeg? En dan iser ook nog een behoorlijke groep kinderen en jongeren die opgroeien inkwetsbare gezinnen of in armoede. Hoe betalen mijn ouders deboodschappen of hun schulden? Allemaal begrijpelijke vragen waar vaakreële problemen uit voortkomen.Maar deze problemen komen nu allemaal op het bord van de jeugdzorg.Een op de zeven jongeren zit in de jeugdhulp. Dat zijn er ontzettend veel.De vraag is of jeugdhulp wel de passende oplossing is voor de jongeren.Ik denk van niet. Natuurlijk moeten kwetsbare kinderen en jongeren diehet echt nodig hebben, kunnen rekenen op tijdige en passende hulp – juistdeze jongeren – maar de vragen die ik net aanstipte, zijn bredereTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104942 levensvragen of maatschappelijke vraagstukken. Die lossen we niet opmet zorg.Voorzitter. Ik vind dat we op een andere manier moeten gaan denken enomgaan met onze jeugd. Kinderen zijn nu eenmaal verschillend; laten wedat accepteren. Ook risico’s kunnen nooit helemaal weggepoetst worden,ook niet door de overheid. En tegenslag hoort ook bij het leven. Het is eenopgave voor ons allemaal – ouders, buren, leerkrachten, sportcoaches –om hen weer weerbaar te maken en te leren omgaan met de uitdagingenvan het leven. Als we daar serieus werk van maken, ben ik er echt vanovertuigd dat we meer jeugdzorg beschikbaar hebben voor de jongerendie het echt nodig hebben.Mijn voorganger is met de Hervormingsagenda Jeugd van start gegaan.Dat is bevestigd in het regeerprogramma en in het hoofdlijnenakkoord datis opgesteld door NSC, BBB, PVV en VVD. Samen met de inzet van enormveel betrokken partijen ga ik in deze kabinetsperiode hier stevig meeverder.Met de Hervormingsagenda Jeugd richten we ons op drie doelen:kinderen weerbaar laten opgroeien, de meest kwetsbare kinderen helpenmet betere specialistische zorg, in een stelsel dat houdbaar is voor detoekomst. De hervormingsagenda gaat ons helpen de jeugdzorg en hetjeugdzorgstelsel te verbeteren.Ik ga nu verder in op de verschillende onderwerpen die u aan de ordeheeft gesteld, in de volgende volgorde. Hier komen de welbekendeblokjes: jeugdstelsel en onderwerpen hervormingsagenda, reikwijdte enregionaliseren, gesloten jeugdhulp, overige zorgvormen en overigeonderwerpen. Ik geef de antwoorden niet in de volgorde waarin de vragengesteld zijn, maar alle vragen komen aan bod. Mocht ik iets gemisthebben, dan hoor ik dat uiteraard graag, maar volgens mij hebben wealles weten te vatten.Ik begin bij het jeugdstelsel en de hervormingsagenda. De eerste vraagdie ik beantwoord is de vraag van het VVD-Kamerlid mevrouw Van denHil. Zij vroeg of het bieden van hulp aan de meest kwetsbare kinderen ookprioriteit nummer één van deze Staatssecretaris is, en hoe deze Staatsse-cretaris gaat zorgen voor goede langetermijnafspraken en de daarbijbehorende financiering. Ik denk dat ik dat net al in mijn inleiding gezegdheb: het gaat juist om de meest kwetsbare kinderen. Voor hen moeten wijervoor zorgen dat de jeugdzorg toegankelijk wordt. Daarom zijn we metheel veel bezig en daarom hebben we natuurlijk ook de hervormingsa-genda opgesteld, waarin dit ook is vastgelegd. Het is dus niet alleen mijnprioriteit, maar ook de prioriteit van alle partijen die zich gecommitteerdhebben aan de hervormingsagenda. We zijn nu onder andere bezig metwetgeving om de versnippering aan te pakken en met het terugbrengenvan het gebruik van de jeugdhulp door domeinoverstijgende samen-werking te realiseren. Tegelijkertijd ben ik met de VNG in gesprek over demogelijkheden van een nieuw passend financieringsmodel voor dejeugdhulp.Mevrouw Westerveld van GroenLinks-PvdA vraagt naar mijn reactie op degebrekkige voortgang vanuit het Rijk. Verder vraagt zij of ik de urgentiewel voel en of ik per punt kan aangeven waar wij achterlopen. In devoortgangsrapportage hebben wij aangegeven welke maatregelen wijnemen en welke maatregelen de gemeenten moeten nemen. Ik denk dater zeker wel stappen gezet zijn; ik kan daar zo nog wel iets over vertellen.Tegelijkertijd klopt het dat we een aantal zaken nog moeten doen,waaronder de wet reikwijdte. Die heeft wat vertraging op gelopen, maarmet goede redenen. Het is namelijk een complexe wet die we goed willenmaken. Ik denk dat kwalitatief goede wetgeving belangrijk is. Ik kijk hierbijook even naar mijn rechterbuurman, de Staatssecretaris Rechtsbe-scherming, die verantwoordelijk is voor de kwaliteit van wetgeving. Ikdenk dat hij zal beamen dat het belangrijk is dat we met het veld maar ookmet de Kamer, die natuurlijk ook een aantal zeer belangrijke punten heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104943 aangegeven, kwalitatief goede wetgeving maken. We weten allemaal water kan gebeuren als we dat niet doen. Maar ik deel natuurlijk de urgentievan spoed. Ik wil ook liever dat die wet morgen in de Kamer ligt dan overeen paar maanden. Maar dat is wel de planning waarop we nu afkoersen.We gaan echt zo snel mogelijk. Dat kan ik u verzekeren.Ik kan me de vraag van mevrouw Westerveld trouwens totaal indenken:waar blijven de spoedplannen? Er is een crisis gaande. Dat zie ik ook. Datzie ik ook als ik zelf op bezoek ben in de jeugdzorg. Ik wil het ook goeddoen. Maar gelukkig zie ik ook al maatregelen die voortkomen uit dehervormingsagenda. Mevrouw Rikkers had gelijk dat er natuurlijk aleerder verschillende zaken zijn opgepakt door verschillende jeugdregio’s.Dat is alleen maar goed. Maar je ziet steeds meer stevige lokale teams. Ikwas laatst nog, vorige week, bij het stevige lokale team in Delft. Wat daargedaan wordt, is echt indrukwekkend. Dat is zo ontzettend goed. Daarwordt zo veel zorg opgepakt door die stevige lokale teams, die niethoeven door te verwijzen naar tweede- of derdelijnszorg. Ook inGroningen, Utrecht en Zwolle zien we daar hele goeie voorbeelden van.Daar zie je echt al de implementatie van maatregelen uit de hervormings-agenda die vandaag effect hebben op jongeren en op ouders.Maar dat is natuurlijk niet het enige. We zijn ook bezig met de afbouw ende ombouw van de gesloten jeugdzorg. Ik kom net uit de ministerraad,waar we een SPUK hebben geaccordeerd van 176 miljoen euro voor deafbouw en ombouw van de gesloten jeugdhulp. Daar is geld voor. Daarwordt voortgang op geboekt, dus daar kunnen gemeenten gewoon meeaan de slag. Tegelijkertijd lanceren we begin volgend jaar ook eenplatform voor mentale gezondheid waarop jongeren terecht kunnen. Wewerken dus aan heel veel zaken om op een laagdrempelige manier tezorgen dat de druk op de jeugdzorg minder wordt. Natuurlijk wil je zo veelmogelijk doen in een zo kort mogelijke tijd. Sommige dingen kosten noueenmaal tijd omdat je die zorgvuldig wilt doen, maar er gebeurt ook alheel veel wél.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik zie ook dat er in het land heel veel gebeurt en dat mensen snoeihardaan het werk zijn. Maar uit de monitor die we kregen blijkt natuurlijk heelduidelijk dat het Rijk gewoon achterloopt en niet doet wat er is beloofd.Dat sluit ook aan bij de inleiding van de Staatssecretaris over dereikwijdte. Ja, we vinden met elkaar dat niet voor alle problemen naar dejeugdzorg moet worden verwezen. Maar het is al anderhalf jaar geledendat de voorganger van deze Staatssecretaris, Maarten van Ooijen, eengrote dialoog aankondigde. Ik lees nu dat die nog niet eens is begonnen.Daar zit wel mijn hele grote bezwaar. In die anderhalf jaar heeft het Rijkdus niet geleverd. Intussen wordt er bezuinigd op preventie, op sport, oponderwijs en op cultuur. We kunnen allemaal op onze klompen aanvoelendat het welzijn van jongeren daar niet beter van wordt. Vandaar mijnoproep tot urgentie aan de Staatssecretaris.Staatssecretaris Karremans:Dat snap ik ook. Die urgentie pak ik op. Dat kan ik mevrouw Westerveldverzekeren. Daarom zijn we ook druk bezig met die wet wat betreft dereikwijdte. Overal waar ik kom, zeggen wethouders natuurlijk ook ze datheel graag willen. Tegelijkertijd zeggen heel veel wethouders die ik spreekdat ze alvast met een aantal zaken aan de slag kunnen. We zien ook datsommige gemeenten echt vooroplopen met de implementatie van stevigelokale teams. Natuurlijk gebeurt er heel veel in het land, maar het is ookeen decentraal stelsel. Maar we zien ook dat sommige gemeenten daarinecht nog achterlopen. Ik denk dat daar echt nog wel een stap te zettenvalt. Dat erkent de VNG ook. Dit is geen twistpunt dat we daaroverhebben. Maar dat is wel het geval. Ik snap alle complexiteit. Hetzelfdegeldt voor de complexiteit ten aanzien van wetgeving. We willen hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104944 natuurlijk zo snel mogelijk, maar ik zeg er wel bij dat kwaliteit vanwetgeving ontzettend belangrijk is en dat dit niet makkelijk is. Dit is echtheel complex. Je kunt niet zomaar even een lijstje maken van «dit wel endit niet». Als je dat zou doen, heb je straks echt een hele slechte wet. Hetis belangrijk dat we daar heel zorgvuldig mee omgaan en dat we goedcontact hebben met aanbieders, met huisartsen, met noem maar op, omdaar een goede wet van te maken. Daar vraagt de Kamer volgens mij ookom. We gaan zo snel als mogelijk. De urgentie die mevrouw Westervelduitdraagt, herken ik volledig. Dat zeg ik dus daarover. De maatschappelijkedialoog, waarover mevrouw Westerveld in eerste termijn een vraagstelde. Volgens mij is er al een flink debat gaande en is dat inderdaadgestart door mijn voorganger. Dat debat wil ik voortzetten, vanzelf-sprekend ook met mijn eigen inbreng. Donderdag ga ik als onderdeelhiervan weer in gesprek met jongeren en influencers over de mentaalgezonde omgeving. MIND is hier al mee bezig en dat komt allemaaldaaruit voort. Onlangs heb ik ook gesproken met twee studenteninitia-tieven. Ik vond dat een bijzonder goed voorbeeld, want die kaarten opeigen initiatief de mentale gezondheid onder hun medestudenten aan. Datwaren Door het Geluid en Waar Trek Jij De Lijn. Dat komt dus allemaalvoort uit dezelfde beweging en het heeft ook allemaal hetzelfde doel.Mevrouw Westerveld had het over de bezuinigingen. In de subsidietaak-stelling hebben we de bezuinigingen op VWS vormgegeven en dat zietdus niet op het sociaal domein. Dat ziet voor een héél klein deel opleefstijl en dan voornamelijk op onderzoek en het meer efficiënt latensamenwerken van bepaalde partijen in dat domein. Dat hebben we ookbehandeld tijdens het begrotingsdebat VWS. Het ziet dus niet op hetsociaal domein, sterker nog: bij het IZA is – mevrouw Van den Hilrefereerde er al aan – 150 miljoen beschikbaar voor gemeenten juist omdie beweging naar voren te maken. Daarnaast hebben de Minister, deStaatssecretaris LMZ en ikzelf een addendum getekend, samen met deIZA-partijen, om meer geld beschikbaar te maken voor de gemeenten. Wehebben dat gedaan naar aanleiding van de gespreken die we daarovermet wethouders hebben gevoerd. En dat is ook positief ontvangen.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):De Staatssecretaris kan wel zeggen dat het niet over het sociaal domeingaat. Misschien is dat volgens de boeken strikt genomen niet zo, maar alser wordt bezuinigd op sport en als er bijvoorbeeld wordt bezuinigd ophoogbegaafde kinderen in het onderwijs, dan ... We weten allemaal wathet doet met kinderen als kinderen geen onderwijs krijgen en thuis komente zitten. Dat is ook niet bevorderlijk en die kinderen komen misschien ookwel weer bij de jeugdzorg terecht. We weten van cultuur dat juist heel veelmensen en ook heel veel jongeren die zich nergens anders thuis voelen,misschien wel lekker met elkaar muziek maken, naar een bandje gaan eneen leuke avond hebben. Dit zijn helemaal geen problemen die dejeugdzorg zou moeten oplossen, maar de Staatssecretaris gaf net in zijninleiding aan dat we niet overal jeugdzorg bij moeten halen. En daaromzijn mijn bezwaren wel degelijk dat op al die andere domeinen, waar ookdoor deze Staatssecretaris voortdurend naar wordt verwezen, fors wordtbezuinigd.Staatssecretaris Karremans:We krijgen nu weer een beetje het debatje dat we een aantal wekengeleden hadden bij de begrotingsbehandeling VWS. Er wordt inderdaadhier en daar een subsidietaakstelling ingevuld. Dat moet ook om deoverheidsfinanciën op orde te houden. Er is geen enkele bewindspersoondie begint met zijn baan en denkt: ik ga eens effe lekker bezuinigen. Echtniemand! Ik ook niet, want dat is, geloof mij, echt ontzettend vervelend.Maar we hebben nu eenmaal die opgave om de overheidsfinanciënTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104945 stabiel te houden, iets wat we ook allemaal belangrijk vinden. En daarstaan we dan ook voor.Hoe hebben we dat ingevuld? Ik kijk dan even naar mijn eigen taakstellingbij preventie. Daar hebben we het nu over, hè. Over Kansrijke Start werdgezegd dat het weg werd bezuinigd, maar het wordt helemaal nietwegbezuinigd. Sterker nog, het blijft volledig beschikbaar. Hetzelfde geldtvoor bevolkingsonderzoeken en vaccinaties, want daar gaat geen eurovanaf. Ik was afgelopen vrijdag nog bij een abortuskliniek en daar gaatook geen euro vanaf. Er zit juist heel veel geld in.Ook bij sport hebben we het op zo’n manier weten te doen dat mensenhet niet merken. Er gaat in de eerste jaren een beetje van onderzoek af enik vind dat we dat echt op een verantwoorde manier hebben gedaan. Alsjij hockeyt of als 12-jarig jochie of meissie voetbalt, dan ga je hier niks vanmerken. Nul komma nul! Dat debat bewaren we nog eventjes voor hetWGO Sport, maar daar hebben we het dus over. Ik vind het belangrijk omdit beeld er even tegenover te zetten, want er wordt nu gedaan of er eensoort draconische bezuiniging over de landelijke sport en preventie heenzou gaan. Dat is echt niet het geval. Ik heb het ook voorgerekend bij hetbegrotingsdebat VWS. Ik mag van mijn team geen getallen meergebruiken, want het werd daardoor een totaal onnavolgbaar verhaal,maar de conclusie was wel dat het om een relatief klein bedrag gaat.Je kunt het ook goed opvangen door efficiënter te gaan werken, want hetgaat niet altijd om geld. Mevrouw Westerveld refereerde al even aan hetvoorbeeld van kidsmarketing. Ik kom zo ook nog terug op social media,maar heel veel dingen hoeven dus niet per se in de financiële sfeer teliggen. Het kan ook daarbuiten. Dat daarover, voorzitter.Dan het punt van de heer Crijns – ik vond het een terecht punt – over hetintegraal werken: wat doet de Staatssecretaris om te voorkomen dat dejeugdzorg overspoeld raakt door problemen die eigenlijk elders opgelostmoeten worden? Daar is deze hervormingsagenda natuurlijk voor en daaris de verklarende analyse heel belangrijk bij; mevrouw Rikkers begon daarook over. Kijk naar het totaalbeeld en ga niet alleen een symptoombestrijden, bijvoorbeeld dat iemand faalangst heeft, maar kijk waardoordat komt en of dat in die omgeving zit. Dat zit in het convenant dat wehebben gesloten met de gemeenten, met de VNG. Ook die stevige lokaleteams kunnen dat. Ik heb een aantal voorbeelden genoemd vangemeenten waar daar al heel goed aan gewerkt wordt. Die hebbenmultidisciplinaire kennis. Die kijken niet door een sleutelgat, maar doen dedeur open en bekijken zo een casus. Dat werpt zijn vruchten af. We doenhet op die manier en we zien dat het werkt.Daarover ging ook de vraag van mevrouw Van den Hil over het zevenfac-torenmodel. Die brede analyse zit daar natuurlijk ook in.Dan de vraag van mevrouw Bruyning: hoe kan de Staatssecretarisgeboekte successen binnen verschillende initiatieven bundelen enomzetten tot landelijk geldend beleid? Dat is precies wat we doen. Ik benhet er helemaal mee eens dat er gemeenten zijn die het goede voorbeeldgeven en die probeer ik hier ook te noemen. Ik ga nog een flink aantalandere voorbeelden noemen. Die wil ik hier echt in het zonnetje zetten,omdat ik vind dat daar ontzettend goed werk wordt gedaan. Daar kunnenwe met z’n allen in heel Nederland van leren.Ook vraagt mevrouw Bruyning: hoe is de Staatssecretaris van planouders, jongeren en kinderen een prominente rol te geven binnen deimplementatie en uitvoering van de hervormingsagenda en, het allerbe-langrijkste, de tussentijdse bijstelling van de hervormingsagenda? Hetuitgangspunt van de hervormingsagenda is dat de hulp moet aansluitenbij de behoeften en de leefwereld van jeugdigen. Daarom hebben weonder andere de leefwereldtoets. Ook ikzelf praat veel met jongeren. Ikpraat geregeld met de NJR en op het ministerie vragen we ervaringsdes-kundigen om mee te denken over wetten om op die manier ook invullingte geven aan die vraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104946 Dan de vraag van de heer Ceder: wat zijn de ambities voor het aantaljeugdigen dat jeugdhulp krijgt in 2030? Ik heb net een discussie met mijnteam gehad of ik daar een getal op moest plakken. Dat ga ik wel doen. Ikwil dat het in 2028 nog maar maximaal een op de tien is. We moetenzorgvuldig kijken hoe we dat verder kunnen terugdringen, maar het moetin 2028 maximaal een op de tien zijn. Ik vind dat we dat met elkaarmoeten kunnen omdraaien. In de politiek ligt het noemen van cijfers altijdeen beetje gevoelig, maar ik vind het belangrijk om dat te doen; dat ismisschien nog de ondernemer in mij. Het stelt de Kamer ook in staat omte kijken hoe het ervoor staat.De heer Ceder (ChristenUnie):Dat vind ik fijn. Dan weet ik waar ik de Staatssecretaris op kan afrekenenop het moment dat we hier druk krijgen. Grapje hoor. Volgens mij is hetfijn en goed ...Staatssecretaris Karremans:Ik heb nu al spijt.De heer Ceder (ChristenUnie):Nee hoor. Ik zou het wel fijn vinden en ik denk dat het goed is. Ik denk datambitie daarop ook gaat helpen. Het zou wel goed zijn om erover na tedenken – dat wil ik bij de Staatssecretaris neerleggen – of we een plan vanaanpak kunnen krijgen: wat is een realistische beweging om uiteindelijkover een aantal jaren te kunnen concluderen dat we daar wel of niet zijn?Natuurlijk pinnen we daar de Staatssecretaris niet op vast, maar het helptwel om een soort stappenplan, een perspectiefboog of hoe u het wiltnoemen te hebben. Bent u bereid om dat te doen?Staatssecretaris Karremans:Ik denk dat de voortgangsbrief daar het juiste instrument voor is. Datkunnen we gebruiken om sowieso de voortgang sowieso en ook tevertellen wat we de komende tijd gaan doen om dat te bereiken. Dat zal afen toe bijsturing vergen, natuurlijk ook naar aanleiding van de input vande Kamer. Als we het zo kunnen afspreken, dan denk ik dat we dat op diemanier kunnen doen.Dan zie ik nog een interruptie.De voorzitter:Nog even over het punt van de heer Ceder. Kan ik dat als een toezeggingnoteren? Ik hoor dat het terugkomt in de reguliere jeugdbrief.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik vind het goed als het expliciet in de brief terugkeert, zodat we kunnenmeten waar we staan en waar nodig kunnen bijsturen. Dat zou ik fijnvinden.De voorzitter:Check, genoteerd. Ik vraag de Staatssecretaris om door te gaan.Staatssecretaris Karremans:Dan de vraag van mevrouw Bruyning: hoe kijk ik aan tegen de hoofdtaak,gericht op bezuinigen in plaats van investeren, als onderdeel van dehervormingsagenda? Ik denk dat financiële houdbaarheid een onderdeeldaarvan is. Ik denk ook dat het gerechtvaardigd is om te kijken naarhoeveel geld er naar de jeugdzorg gaat: is dat niet te veel, want je kan hetniet ergens anders uitgeven. Tegelijkertijd is kwaliteit het allerbelangrijksteen het kan hand in hand. Dat is ook het mooie. We willen minder kinderenin de jeugdzorg en dat betekent natuurlijk ook een daling van de uitgaven.Ik zeg er wel expliciet bij dat het niet alleen om geld gaat. Ik wil die indrukTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104947 ook niet wekken. Het gaat ook in heel grote mate om mensen. We hebbende mensen gewoon niet om het te doen. Het zou bij wijze van sprekenmooi zijn als we in Den Haag ... Soms denk ik: konden we sommigeproblemen maar met geld oplossen. Dat gaat helaas niet altijd. Somsheeft het te maken met geld – er gaat ook bij de jeugdzorg steeds meergeld bij – maar heel vaak ook niet. De hervormingsagenda gaat vooralover kwaliteit, over jongeren weerbaar en gelukkig laten opgroeien. Dat isook mijn taak als Staatssecretaris Jeugd.Mevrouw Paulusma vroeg op welke wijze gemeenten nog goede zorgkunnen verlenen als ze moeten inleveren. Het hoeft niet tegenstrijdig tezijn, heb ik al gezegd. Dat heeft mevrouw Van den Hil ook aangegeven endaar ben ik het mee eens. Laat ik het daar even bij laten. Overigens krijgenwe nog de deskundigencommissie. Daar is ook een vraag over gesteld endaar kom ik zo op. Die commissie kijkt er dus ook naar.Nou, dat is meteen de volgende vraag. Het advies van de deskundigen-commissie is in de basis leidend, zwaarwegend, ook voor ons. Dat heb ikook benadrukt richting de VNG.Mevrouw Bruyning vroeg hoe het staat met de wachttijden. Er zijnmeerdere vragen gesteld over inzicht in die problematiek, maar ik probeerhet in één antwoord mee te nemen. Het gebrek aan inzicht in de wacht-tijden is ook een grote frustratie voor mij, en voor iedereen die werkt aaneen betere jeugdzorg. Het is een decentraal stelsel en heel veelgemeenten registreren op verschillende manieren. Appels en peren moetje dus vertalen in citroenen en dat is gewoon heel moeilijk. In plaats vanéén boom met een overzicht hebben we nu twintig verschillende bomenmet allemaal verschillende takken en die zijn ook nog allemaal van eenverschillende soort. Ik heb vorige week een hele uitleg gekregen over hoedat registratiesysteem in elkaar zit. Dat heeft een uur geduurd. Dan heb ikhet dus alleen over het registratiesysteem. Dat zit ontzettend complex inelkaar. Nou, u weet hoeveel gemeenten en jeugdregio’s er zijn. Dieregistreren allemaal verschillend. Om u een beeld te geven: er zijn op ditmoment 3.000 productcodes, terwijl we naar minder dan 100 product-codes willen. Iedereen registreert weer een eigen productcode en heeftweer een eigen vorm. Als ik in de positie van mevrouw Westerveld hadgezeten, had ik exact dezelfde vragen gesteld. Logisch. Die vragen stel ikook op het ministerie. Maar als je met zo’n systeem te maken hebt, kun jenatuurlijk geen inzicht krijgen. Dat is heel lastig. Het is dus echt eerst zaakom dat te standaardiseren, zodat we het hebben over hetzelfde en wegoed inzicht krijgen in de wachttijden. Dat is voor mij heel belangrijk,maar ik kan me voorstellen dat het gezien de controlerende taak ookextreem belangrijk is voor de Kamer om daar überhaupt inzicht in tekunnen hebben. Daarom werken we daar hard aan en is het onderdeelvan de hervormingsagenda.De voorzitter:Mevrouw Van den Hil en daarna mevrouw Bruyning.Mevrouw Van den Hil (VVD):Dank aan de Staatssecretaris. De administratieve lasten zijn hier eigenlijknog niet benoemd. Die vraag had ik nog liggen. Die lasten zijn overall heelgroot. Collega Agema wil die met de helft terugbrengen en dat wilden de300 bewindspersonen daarvoor ook al. Maar in de jeugdzorg is dielastendruk echt extreem, groter dan in andere sectoren. Ik zeg: hebvertrouwen in de professionals. Hoe ziet u dat, is mijn concrete vraag. Hoegaat u dat aanpakken? Hoe gaat u er ook voor zorgen dat ze wat meeruniform kunnen registreren en inkopen? Ik denk dat dat een heel breedpakket is. Ik snap dat dat misschien niet iets is voor dit debat, maar datkan wat mij betreft later ook in een uitgewerkte brief of wat dan ook aande orde komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104948 Staatssecretaris Karremans:Superterechte vraag. De administratiedruk is een zorg voor niet alleenprofessionals in de jeugdzorg, maar ook voor heel veel andere professi-onals in de zorg, onder wie mijn vrouw. Die klaagt daar elke avond over;ja, dat is echt waar. De stappen die we hier zetten ten aanzien van dejeugdzorg – de inkoop, waar mevrouw Van den Hil ook al aan refereerde,is ook een heel belangrijk punt – zitten in het wetsvoorstel Wet verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg. Daar zit die regionalisering in. Dat zorgt vooreenduidige inkoop voor aanbieders, wat heel belangrijk is. Dat hebben weop die manier ingericht. Dat gaat heel veel helpen in die standaardisatie.Dat moet voorkomen dat je niet allemaal verschillende formulieren aanhet invullen bent en moet ervoor zorgen dat je niet met allerlei verschil-lende gemeenten als aanbieder moet dealen, maar dat je gewoon éénvorm van inkoop hebt vanuit de jeugdregio. Dat gaat daar heel erg bijhelpen, zeg ik tegen mevrouw Van den Hil.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank aan de Staatssecretaris voor zijn antwoorden tot nu toe. Ik heb weleen vraagje over de problemen die de Staatssecretaris net benoemde metbetrekking tot het decentrale stelsel en de verschillende manieren vanregistreren die gemeenten hanteren. Is dat niet veel makkelijker op telossen met een landelijk registratiesysteem, waarbij er dus landelijkgecoördineerd wordt?Staatssecretaris Karremans:Ik kom hier zo even op terug. We hebben een verschil van mening. Neehoor. We werken aan die standaardisatie. We willen uiteindelijk uitkomenop minder dan 100 productcodes. Het blijft een decentraal stelsel, maarwe willen de stelsels wel aan elkaar koppelen. Dat zijn we nu aan hetdoen. Je hebt niet alleen te maken met bijvoorbeeld gemeentelijkeinstroom via huisartsen of via de rechtsbescherming, via de rechter. Datwillen we allemaal op elkaar laten aansluiten. Dat in antwoord op dievraag.Voorzitter. De vragen over datamonitoring heb ik net allemaal beant-woord. Over administratieve lasten heb ik net ook al wat gezegd.Dan 18-min en 18-plus, waar mevrouw Rikkers aandacht voor vroeg. Is hetniet mogelijk om omgekeerd te toetsen, was de vraag. Werken metomgekeerde bewijslast zou inhouden dat alle jeugdhulp standaard na je18de doorloopt, tenzij de gemeente kan aantonen dat jeugdhulp niet meernodig is. Het uitgangspunt is dat aanbieders en gemeenten ruim op tijdhet gesprek aangaan met jongeren over hun toekomst. Dat willen we ook.De focus op bewijslast – heb je hier nog wel recht op of niet? – leidt af vanhet gesprek over de toekomst met jongeren. Bovendien verbetert het deovergang niet, maar verplaatst het in feite de discussie naar het momentwaarop de jongere 21 jaar is. Daarom denken wij dat dit geen goed ideeis.Hier haakt de vraag van de heer Crijns op aan of ik in gesprek kan gaanmet gemeenten en zorgaanbieders om ervoor te zorgen dat wij samenmet jongeren tijdig een toekomstplan opstellen. Het antwoord daarop is:ja. Dit is heel belangrijk, dit is de kern: op tijd beginnen met eentoekomstplan, je goed voorbereiden op die overgang. Dan komen die BigFive natuurlijk om de hoek kijken.De heer Crijns (PVV):Ik kan dit zien als een toezegging?Staatssecretaris Karremans:Ja.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104949 De voorzitter:Kunt u nog even herhalen wat de toezegging precies is?Staatssecretaris Karremans:Dat ik met gemeenten in gesprek ga om ervoor te zorgen dat zij jongerentijdig een toekomstplan laten opstellen.De voorzitter:«In gesprek gaan». Daarvan komt niet automatisch een terugkoppelingaan de Kamer, denk ik dan. In de voortgangsbrief, begrijp ik.Staatssecretaris Karremans:Het punt van de Big Five is precies waar het om gaat: wonen, werk ofschool, inkomen, gezondheid en support.Dan de vraag van de heer Crijns of ik met mevrouw Maeijer, mijn collegaop VWS, en de Minister van Volkshuisvesting kan zorgen voor meerwoningen voor jongeren van 18 tot 23 jaar uit de jeugdzorg en of wijkunnen onderzoeken of jongeren zich al vanaf hun 17de kunneninschrijven bij een woningbouwvereniging. Dit voorjaar is hetwetsvoorstel Versterking regie volkshuisvesting naar de Kamer gestuurd.Hierin worden jongeren uit de jeugdhulp met verblijf als urgente groepaangemerkt. De beoogde invoerdatum van deze wet is 1 januari 2026.Jongeren moeten 18 jaar zijn om het huurcontract te mogen onderte-kenen. Een minimumleeftijd voor inschrijving staat niet in de Woningweten ook niet in de Huisvestingswet. Dit valt onder de portefeuille van deMinister van VRO. Ik zal dit met haar bespreken en het haar vragen.Dan de vraag van mevrouw Westerveld over dakloosheid: hoe verhoudende bezuinigingen zich tot de ambitie om jongeren niet dakloos te latenopgroeien? Het aantal is hoger dan uit eerdere cijfers kon wordenopgemaakt, zegt zij. Uiteraard is het belangrijk om heel veel aandacht tehouden voor deze groep. In de hervormingsagenda committerengemeenten en jeugdhulpaanbieders zich eraan om samen met jongereneen tijdig toekomstperspectief te formuleren; we hadden het er net over.In het Nationaal Actieplan Dakloosheid is aandacht voor jongeren. Mijncollega Maeijer, Staatssecretaris LMZ, werkt naar aanleiding van demotie-Bruyning samen met de Ministeries van VRO en van SZW enverschillende stakeholders aan maatregelen om jongerendakloosheid tevoorkomen en op te lossen. Voor het debat over dakloosheid op19 december aanstaande informeert Staatssecretaris LMZ over devoortgang. Dat waren mijn antwoorden onder het kopje jeugdstelsel enhervormingsagenda.Dan kom ik bij het kopje reikwijdte en regionalisering. Allereerst de vraagvan de heer Crijns: waar is het misgegaan in onze maatschappij dat zoveel jongeren hulp nodig hebben? Nou, u kunt zich voorstellen dat ikmijzelf die vraag ook heb gesteld. Het is een stijging die allang gaande is,dat werd ook door de heer Crijns gezegd. Je ziet deze ook terug in anderezorgstelsels, niet alleen in de jeugdzorg, maar desondanks is deze net zoonwenselijk.Je zou twee oorzaken kunnen zien, in grote lijnen: oorzaken in desamenleving, prestatiedruk en problematiek ouders, waar de heer Stofferook aan refereerde. Medicalisering van problemen die bij gewoneopvoeding en opgroeien horen is inderdaad ook onderdeel daarvan. Maarer zijn ook oorzaken in het stelsel; professionals die zich onvoldoendegesteund voelen om nee te zeggen, het aanbod schept de vraag ensamenwerking tussen domeinen blijkt lastig. We zien dat de groei aanjeugdhulp vooral zit in ambulante hulp en we zien onder andere eenstijging bij hogere inkomens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104950 De heer Crijns (PVV):Kunnen we niet concluderen dat we misschien zijn doorgeslagen in hetaanbieden van jeugdhulp?Staatssecretaris Karremans:Ik zei al: aanbod creëert vraag. Dat is wat je ziet. Daarom zijn we ook bezigmet reikwijdte. Daarover gesproken, de heer Crijns zei ook dat bij elkekleine tegenslag professionele hulp ingeschakeld lijkt te moeten worden.Is dat dan het juiste label? Daarover heb ik al wat gezegd. We werken aandie wet, maar ik zie die maatschappelijke dialoog ook als een belangrijkonderdeel van draagvlak voor die reikwijdtewet. Professionals hebbendaar straks mee te maken. Zij moeten straks nee verkopen aan ouders diemisschien wel jeugdhulp willen die ze voorheen wel kregen en vervolgensniet meer krijgen. Daarom is het heel belangrijk dat hierover een politieke,maar ook maatschappelijke discussie is. Dat is belangrijk, maar met alleendie dialoog gaan we dat niet winnen. Het gaat ook om die stevige mentaleteams die stickertjes plakken; daar moeten we echt vanaf. Het is belangrijkdat we die brede analyse maken, daar hebben we het ook al over gehad,dus niet alleen kijken naar een klein deel van de problematiek, maar naarhet grotere plaatje.Mevrouw Westerveld heeft heel terecht ook gevraagd naar voortgangmaken met de reikwijdte. Ik heb daarover gezegd wat ik kan zeggen, maardat onderstreep ik nogmaals graag.Mevrouw Van den Hil (VVD):Goed dat u het even had over stickertjes. Ik dacht dat ik het ook overstempeltjes of stickertjes had, maar dat weet ik niet meer precies. Ik denkdat het heel belangrijk is wat de Staatssecretaris hieraan gaat doen, endaar ben ik heel benieuwd naar. Je moet als ouders toch ook niet willendat je kind een stempeltje heeft en dat levenslang achter zich aan draagt.Maar dat is wel vaak de manier om iets vergoed te krijgen. Dat is demanier om in het onderwijs dingen voor elkaar te krijgen. Ik vind datoprecht zorgelijk. Of het nou om geld gaat of niet, ik vind dat je het kindgewoon iets aandoet. Ik vind dat we dat we dat eigenlijk niet moetenwillen. Ik word er echt bijna agressief van.Staatssecretaris Karremans:Ik deel dat, maar daar is dus wel heel veel draagvlak voor nodig, ookvanuit politiek, zeg ik er maar bij. Uiteindelijk moet men in het onderwijszich sterker voelen om nee te kunnen zeggen, net als de professionals ofhuisartsen. We zien juist dat ze zich daar nu vaak onvoldoende ingesteund voelen. Dat is ook door de individualisering van demaatschappij; «ik heb recht op dit», een beetje dat verhaal. Maar daarmoeten we echt uit met elkaar, dat ben ik volstrekt met mevrouw Van denHil eens.De heer Stoffer vroeg of ik de gemeenten aanspoor om lokaal het debat tevoeren over de visie op jeugdzorg. Jazeker. Het is heel belangrijk, zeker ineen decentraal stelsel, dat lokaal het gesprek gevoerd wordt over welkevisie de gemeente heeft op het sociaal domein, in het bijzonder dejeugdhulp. Op landelijk niveau zal ik dit ook ondersteunen met eenmaatschappelijke dialoog. Alleen gezamenlijk, ook nadrukkelijk samenmet de gemeenten, kunnen we dit voor elkaar krijgen.Een vraag van de heer Stoffer was ook wat ik doe om het recht opidentiteitsgebonden zorg te waarborgen en het belang hiervan bij degemeenten onder de aandacht te brengen. Een belangrijke reden voor dedecentralisatie was dat de gemeenten zo lokaal konden bepalen waar debehoefte van hun inwoners ligt. Gemeenten kiezen de jeugdzorgaan-bieders waarmee ze samenwerken op basis van lokale behoeften,beschikbare voorzieningen en specifieke expertise. Ze houden hierbijrekening met specifieke doelgroepen om bijvoorbeeld identiteitsge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104951 bonden zorg beschikbaar te hebben. Dat is ook verankerd in de Jeugdwet.Ik heb hier aandacht voor in de gesprekken met de verschillendewethouders en de jeugdzorgbestuurders.Dan een vraag over de reikwijdte van mevrouw Van den Hil. Ze vraagt ofdie effectiviteit in de nieuwe reikwijdtewet een goede rol gaat spelen en ofdat goed afgestemd wordt. Dat is natuurlijk ook een onderdeel van dehervormingsagenda: effectieve zorg, zorg die werkt. We komen met een«beter niet doen»-lijst; die komt overigens niet in de wet, want in die lijstzitten natuurlijk continu veranderingen. Die lijst gaat er echter wel komen.In de reikwijdtewet staan natuurlijk veel andere zaken die daar een relatiemee hebben.Dan de vraag van mevrouw Bruyning of ik van mening ben dat eerst dewet reikwijdte zou moeten worden behandeld in plaats van de wetverbetering beschikbaarheid jeugdzorg. Ze staan los van elkaar en zebeogen allebei een ander doel. Het hoeft dus niet in een andere volgorde.De beschikbaarheid is belangrijk; daar kunnen we nu al winst mee boeken.De wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg ligt nu al in de Kamer. Wewerken nog aan de wet reikwijdte. Die verwachten we voor de zomer naarde Kamer te sturen. Het zijn twee verschillende wetten die ook eenverschillend doel beogen.Mevrouw Bruyning (NSC):Ik vind het toch wel apart dat de Staatssecretaris dit aangeeft. Als je debeschikbaarheid van de jeugdzorg zou willen verbeteren, moet je volgensmij toch wel eerst weten wat je reikwijdte is. Dat moet je wel wetenvoordat de überhaupt die beschikbaarheid verbetert. Dat houdt toch juistverband met elkaar? Het een kan in mijn optiek niet zonder het ander,maar ik kan het uiteraard mis hebben.Staatssecretaris Karremans:Deze wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg gaat over de specialis-tische jeugdzorg. De reikwijdtewet gaat over alle jeugdzorg en zietvoornamelijk op regionalisering, efficiënter inkopen en minder bureau-cratie. Daar hebben we het net over gehad. Dat is dus echt wat anders danalleen de reikwijdte. Van specialistische jeugdzorg weten we heel goedwat daarin zit. Nogmaals, ze kunnen echt in deze volgorde ingaan. Ik hoopook dat ze allebei snel door de Kamer kunnen komen.Dan de vraag van mevrouw Westerveld over verbetering van de beschik-baarheid en regionalisering: we wachten nu al aantal maanden opantwoorden waarmee we door kunnen gaan. De Kamer heeft meer dan300 – ik geloof zelfs 350 – schriftelijke vragen gesteld. Die antwoordenkomen allemaal nog voor de kerst. U kunt zich voorstellen dat hetnatuurlijk veel werk is om de beantwoording te doen, maar we proberendat echt zo snel mogelijk te doen. Dat kan ik u beloven: voor het kerstreceskunt u die antwoorden ontvangen. Daar kunt u mij dus aan houden.Dan ... Ik ben allemaal gevaarlijke dingen aan het doen!De voorzitter:Even een vraag. Er was toch reeds toegezegd dat die vragen voor de kerstbeantwoord worden? Of ik heb ik dat mis?Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We hebben al die vragen voor de zomer gesteld. Dat was op 6 juni.De voorzitter:Dan noteer ik gewoon dat die beantwoording voor het kerstreces moetkomen. Al die vragen moeten dan deze kant op komen. Maar goed, pointtaken. Gaat u door.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104952 Staatssecretaris Karremans:Het signaal is denk ik helder, dank u.Dan de vraag van mevrouw Bruyning over regionalisering en overvoorkomen dat er in de regio’s ongelijke zorgvoorzieningen komen.Volgens mij wordt dat hier juist mee voorkomen. Momenteel bedenkenregio’s en subregio’s allemaal zelf welke vormen van zorg ze regionaalinkopen, en straks maken we die lijst. Dan vertellen we precies welke zorgze regionaal moeten inkopen. Dat zorgt juist voor meer gelijkheid daarin.Een vraag van de heer Stoffer is: hoe borg ik de democratische legitimiteitin de wet verbetering beschikbaarheid? Ik ben wethouder en gemeente-raadslid geweest en ik heb daar zelf ook altijd mee geworsteld. Je zit danaltijd met gemeenschappelijke regelingen en de vraag hoe dat zit metdemocratische legitimatie. Dat is altijd lastig. Tegelijkertijd is het natuurlijkzo dat we werken in een getrapt stelsel. Het wetsvoorstel verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg draagt de colleges van de gemeenten in deregio op om de jeugdregio te belasten met het inkopen van specialistischejeugdzorg. Daarbij wordt aangesloten bij de WGR, waarin duidelijke regelszijn opgenomen voor de positie van de gemeenteraden. Verder stellengemeenten de regiovisie vast. Die is de basis voor het werk van deJeugdregio en die gaat natuurlijk door de raden heen.De heer Stoffer (SGP):De Staatssecretaris schetst een herkenbaar beeld. Procedureel klopt hetnatuurlijk dat gemeenteraden in positie zijn. Maar stel dat ik de Staatsse-cretaris, via u, voorzitter, recht in z’n ogen kijk, ook met de ervaring die hijin het lokaal domein heeft, zegt hij dan ook dat dit wel goed gaat? Of heefthij misschien net als ik het gevoel dat het op z’n minst niet op het niveauis waar het zou moeten zijn?Staatssecretaris Karremans:Mijn ervaring is dat het ligt aan de gemeente en de gemeenteraad. Hetgaat ook om de rol die de gemeenteraad zichzelf daarin toebedeelt en inhoeverre ze dat onderdeel laat zijn van een debat met hun eigen porte-feuillehouder Jeugd in een gemeenteraad. Dat is mijn eerlijke antwoorddaarover. In sommige gemeenten zie je dat het helemaal geen probleemis onder gemeenteraadsleden. Andere zitten daar meer mee. Elkegemeenteraad is ook weer uniek in Nederland. Ze gaan daar verschillendmee om. Ik denk wel dat de mogelijkheden er zijn om het te waarborgen,zonder dat we natuurlijk voor alles een apart parlement moeten optuigen.Dat willen we natuurlijk ook weer niet.Dat waren mijn antwoorden op dit onderwerp.De voorzitter:Ik kijk even of daar nog vragen over zijn. Nee. Dan vraag ik u naar hetvolgende blok te gaan.Staatssecretaris Karremans:Dat is de transformatie gesloten jeugdhulp. De eerste vraag is vanmevrouw Westerveld. Dit is een aangrijpende afbouw en een aangrij-pende aankondiging en ze vroeg of ik een reactie wilde geven op debevindingen van de IGJ. Allereerst ben ik het eens met mevrouwWesterveld. Het is ingrijpend en het kan alleen onder de juistevoorwaarden, met meer landelijke regie en meer passende hulp. Ik zei aleven dat er vandaag een SPUK door de ministerraad is geloodst. Daarmeegaat 174 miljoen naar gemeenten voor afbouw en opbouw van alterna-tieven. Er is ook een landelijk afbouwplan. Dit is ook nodig, zodatgemeenten dan van elkaar weten met welke locaties zij stoppen. Wehebben daar een bestuurlijke aanjager voor. Aanbieders weten dan waarze aan toe zijn. Dat doen we dus. Maar ik geef gelijk toe dat het eencomplex proces is. De heer Ceder had het er ook al over. Daarom zettenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104953 we een aantal stappen. Plaatsing gebeurt alleen op basis van eengedeelde verklarende analyse. Jongeren en een gezin komen samen totde conclusie dat een situatie niet vanzelf overgaat en bepalen wat nu hetbeste is. Over de regeling van de frictiekosten had ik het net. Er zijnzorginhoudelijke kaders, bijvoorbeeld voor de forensische doelgroep, eneen consortium kleinschaligheid beziet wat wel en niet werkt, want dat isnatuurlijk precies de fase waar we nu in zitten.Dan de vraag van de heer Crijns. Blijft passende gesloten jeugdhulp in detussenperiode af- en opbouw nodig voor specifieke groepen in huiselijkesetting? Wat is de betrokkenheid van expertise van aanbieders enprofessionals? Ik ben het ermee eens dat de afbouw zorgvuldig moetgebeuren. Dat moet echt, want er zijn gewoon jongeren die veiligheid enbescherming nodig hebben. Ik heb dat ook in de brief aangegeven. Bijslachtoffers van loverboys, die soms voor komen rijden, wil je die deurkunnen dichtzetten. We hebben het natuurlijk over suïcide en ernstigeverslavingsproblematiek, dus die mogelijkheden wil je houden in hetbelang van het kind. Dat laatste zeg ik er nadrukkelijk bij. Er is gesprokenover een huiselijke setting. In 2025 moet gesloten jeugdhulp kleinschaligwerken, ook voor deze groepen. Ik heb daar voorbeelden van gezien, ookin Zetten. Daar waren kleinere groepen. Er zaten geen dertien jongerenmeer op een groep, maar vijf. Dat is de transformatie waar we in zitten.Dat kan ook, zoals in Zetten, op een terreinvoorziening. Het Klaverhof isdaar een voorbeeld van. In het consortium kleinschaligheid onderzoekenaanbieders en professionals met grote betrokkenheid samen metervaringsdeskundigen wat wel en niet werkt.De heer Crijns (PVV):Dank voor de beantwoording van de vraag. Als ik het goed begrijp, zal ernog altijd een kleine schaal van gesloten jeugdzorg moeten blijven. Wat ikvaak hoor bij jeugdzorginstellingen, is dat men vaak gemixt in geslotenjeugdzorginstellingen zit. Gaat het dan specifiek om mensen die hetslachtoffer zijn geworden van loverboys of mensen die verslaafd zijn aandrugs, zodat er een specifiek groepje in de gesloten jeugdzorg zit en zedaar niet meer gemixt zitten?Staatssecretaris Karremans:In Zetten zitten open en gesloten op hetzelfde terrein, maar het iskleinschaliger. Waar het voornamelijk grotere gesloten groepen waren, ishet nu nog steeds gesloten, maar dan kleinschalig. Ik krijg één correctie. Ikheb gezegd dat de Wet bereikbaarheid voor de zomer in de Tweede Kamerligt, maar die gaat dan in consultatie. Dat stond ook in de brief. Ik zeg hetvoor de zekerheid zodat we het goed hebben.De voorzitter:Er is een verschil tussen consultatie en wanneer wij het krijgen.Staatssecretaris Karremans:Ja, dat niemand boven zit te zweten ...Dat ging over de transformatie. Mevrouw Rikkers vroeg hoe ik deverklarende analyse bevorder. Daar ben ik het compleet mee eens. Datdoen we ook in het convenant. En dat willen we ook onderdeel latenworden van de reikwijdte. Het is belangrijk dat de verklarende analyse erkomt. We vinden dat heel belangrijk. Helemaal mee eens. Dat helptontzettend veel.Dan de vraag van mevrouw Westerveld over de afbouw van de geslotenjeugdzorg. Er is geen financiële onderbouwing van deze plannen. Er zijnfrictiekosten, in totaal 295 miljoen voor de residentiële transformatie. Ikhad het net ook al even over de SPUK die vandaag door de ministerraad isgegaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104954 De heer Stoffer zegt dat de Jeugdautoriteit een forse stijging signaleertvan jongeren met 24 uursbegeleiding. Hij vraagt hoe en door wie wordtgetoetst of zulke keuzes daadwerkelijk in het belang van de jongere zijn.Klopt. Er is sprake van meer 24 uursbegeleiding en meer intensieve zorgin de vorm van een-op-eenbegeleiding. Eerlijk gezegd, en dat wil ik welzijn, roept dat ook bij mij de vraag op of zo veel een-op-eenbegeleidinghoudbaar is. Als het al niet om het financiële aspect gaat, dan wel om hetmenselijke aspect. Hebben we die mensen wel? En zijn jongeren erbijgebaat? De gemeenten die verantwoordelijk zijn voor passende jeugdhulpmoeten erop toezien als ze deze zorg inkopen. IGJ moet toezien op dekwaliteit.Dan de vraag van mevrouw Bruyning over de effectiviteit van demaatregelen, welke evaluatiemethode wij daarvoor gebruiken en demonitoring daarvan. In juni hebben we een bestuurlijke afspraak gemaaktover de maatregelen om de transformatie gesloten jeugdzorg te onder-steunen en monitoring is onderdeel geweest van die afspraak. Wemonitoren op de doelen, namelijk afbouwcapaciteit, inhoudelijk kader,mate van tevredenheid over de zorg, vanuit het perspectief van cliënt enouders, en het voorkomen van plaatsingen in gesloten jeugdzorg. Hetlandelijk programmateam heeft een evaluatieopdracht uitgezet, zowelvoor procesevaluatie als voor resultaatevaluatie.Dan het niet nakomen van de rechtspositie van kinderen. Dit was eenvraag van mevrouw Westerveld. Ik heb hierover een brief gestuurd. IGJheeft geconstateerd dat het medewerkers van gesloten jeugdzorg nog nietlukt om op alle punten de wet na te komen. Ik denk niet dat dit onwil is. Ikdenk ook dat mevrouw Westerveld dat niet denkt. Ik heb het ook zelfgezien en ik heb met veel medewerkers gesproken de afgelopen maand. Ikzie hoe ze worstelen, en dat zeggen ze ook direct tegen mij, zeker op hetmoment van insluiting op de eigen kamer. Ik wil daarover wel met hen ingesprek gaan, want die rechtspositie is belangrijk. Ik heb dat ook in debrief vooropgezet. Het gaat inderdaad om de rechtspositie. Ik wil ook metmedewerkers in gesprek om te komen tot afspraken over hoe we hetinsluiten op de kamer nog verder kunnen afbouwen. Tegelijkertijd moetenwe er ook voor zorgen dat het ’s nachts veilig is voor jongeren enmedewerkers.Als u me toestaat, voorzitter, noem ik één voorbeeld. Ik heb vanmedewerkers gehoord dat je tijdens je dienst als medewerker op de groepslaapt, maar dat ze om 04.00 uur nog steeds dingen doen waarvan je wiltdat ze die niet doen – laat ik het daarbij houden. En dan? Je kunt voor dezoveelste keer vragen of ze naar de kamer willen gaan, maar als ze hetniet doen, ja, wat dan? Ik snap de worsteling. Ze geven zelf ook aan dathet niet mag en niet moet. Het moet ook alleen gebeuren in dreigendesituaties, als het niet anders kan.Mevrouw Van den Hil (VVD):Ik vind het mooi dat de Staatssecretaris ziet dat het niet eenvoudig is. Ikken dat uit de praktijk. Zoals ik het zie, zijn er verschillende maatschappe-lijke belangen. We willen afbouwen, we willen transformeren, we willenorde en veiligheid, maar we willen ook dat het voor de kinderen goedgaat. We hebben een soort maakbaarheidsideaal waarbij we geen incidenttoestaan. Ik vraag me af of de Staatssecretaris ook een opdracht ziet voorhet Rijk of voor het kabinet om daar eens wat op te sturen of om daar ietsmee te doen. Je kunt niet alles bij de professionals leggen, niet aan allebeide kanten. Dat gaat door mijn hoofd.Staatssecretaris Karremans:Eens, daar heb ik nadrukkelijk aandacht voor en daarom wil ik daarover ingesprek. De heer Ceder had het er ook over. Als we naar nieuwe alterna-tieven gaan, gaat er misschien meer gebeuren. Wat doet dat metmedewerkers? We moeten er goed over nadenken wat dat betekent enTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104955 welke vrijheidsbeperkende maatregelen je dan alsnog hebt. De crux is:hoe kun je meer maatwerk gaan bieden? Want nu is het gesloten of niet,vrij binair. Dan heb je deze bevoegdheden als begeleider of medewerker.We moeten veel meer naar een maatwerksituatie gaan, het veel meertoespitsen op het kind. Het moet ook voor de medewerkers veilig zijn.Dank voor die vraag. Daar heb ik nadrukkelijk aandacht voor.Dan de vraag van mevrouw Bruyning hoe ik sta ten opzichte van debevindingen van de VN en het CPT. Het CPT staat voor EuropeanCommittee for the Prevention of Torture and Inhuman or DegradingTreatment or Punishment. In maart is een motie aangenomen die devoorzitter opriep om het CPT uit te nodigen. Dat bezoek heeft plaatsge-vonden. Zij hebben met verschillende instanties gesproken en zijn opbezoek geweest bij drie instellingen, waaronder Harreveld. Eind volgendeweek komen ze terug om hun bevindingen met mij te delen. Ik hebbegrepen dat ze volgend jaar juni het rapport openbaar maken.Mevrouw Bruyning (NSC):Dan heb ik even een vraag aan de Staatssecretaris. Als de bevindingenmet de Staatssecretaris worden gedeeld, hoe wordt Kamer dan geïnfor-meerd? Is dat dan pas in juni wanneer zij het rapport openbaar maken? Ofis de Staatssecretaris bereid om de bevindingen die met de Staatssecre-taris gedeeld worden, met de Kamer te delen?Staatssecretaris Karremans:Ik denk dat u het gesprek met mij moet zien als een soort wederhoor-achtige setting. Pin me er niet op vast, maar ze willen het met mijbespreken. Zij gaan over hun eigen publicatie. Ik denk dat het niet netjes isom daartussen te gaan fietsen. Zij zullen het gesprek dat ik met hen hebwaarschijnlijk meenemen in hun rapport, zoals ze ook met professionalsen aanbieders hebben gesproken. Dat komt in juni. Dat is de volgorde. Ikdenk dat het onverantwoord zou zijn als ik verslag ga doen van hetgesprek dat ik met hen heb.Dan over ZIKOS. Mevrouw Westerveld vroeg wat er concreet gedaan is deafgelopen acht maanden en vroeg op welke manieren deze jongerenworden ondersteund. Ik heb het rapport bij me van Jason Bhugwandass.Ik heb het gelezen en het heeft diepe indruk op mij gemaakt. Dat wil ikallereerst zeggen. Uiteraard neem ik de opvolging uit dit rapport heel ergserieus. Dat verdienen deze jongeren. Ik heb ook met ZIKOS-jongerengesproken. U vraagt mij wat er concreet is gedaan sinds dat spoeddebatin maart. De ZIKOS-afdelingen in Zetten en Harreveld zijn gesloten en allejongeren zijn uitgestroomd naar een passende vervolgplek. Dat heeftprioriteit gehad. Dat heb ik zelf gezien. Ook mijn voorganger is naarZIKOS-locaties gegaan. Inmiddels is er een reflectie van de IGJ opgekomen. Die is met u gedeeld. Er is onafhankelijk onderzoek voorbereid.Dat is helaas omvangrijker dan voorzien. Ook hier geldt dat ik snel wilgaan, maar dat ook dit zorgvuldig moet gebeuren.De vraag van mevrouw Westerveld was voornamelijk: hoe worden dezejongeren ondersteund? Een van de aanbevelingen van JasonBhugwandass was: organiseer een steunpunt voor deze jongeren. Toenerover gesproken is, was de conclusie dat de beelden van hoe eendergelijk meldpunt of steunpunt eruit zou moeten zien, uiteenliepen. Dewens van jongeren is een plek waar niet alleen naar hen geluisterd wordt,maar waar ze ook worden geholpen. Ik verken nu de mogelijkheden omde jongeren support en ondersteuning te bieden, bijvoorbeeld in de vormvan begeleiding bij praktische vragen of om een volgende stap te kunnenzetten. Ik wil daarnaast jongeren faciliteren om elkaar op te zoeken,bijvoorbeeld instellingen te bezoeken of andere activiteiten te organi-seren. Dat willen zij zelf ook. Deze mogelijkheden werk ik nu verder uitmet jongeren en partijen als OZJ, VNG en Het Vergeten Kind.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104956 Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Het spoeddebat was acht maanden geleden. Dat neem ik trouwens dezeStaatssecretaris niet kwalijk, maar ik kijk ook even naar ons allemaal. Achtmaanden geleden zeiden alle partijen hier: er moet nu echt wat gebeuren.Ik las inderdaad het rapport naar de vraag hoe dit heeft kunnen gebeurenen hoe het kan dat inspecties en het ministerie dit niet hebben gezien.Uiteindelijk heeft nota bene een van de jongeren, Jason Bhugwandass,het zelf uitgezocht. Hij vertelt dit trouwens niet voor het eerst, maar hijstaat echt al sinds ik woordvoerder Jeugdzorg ben bij ons op de stoep.Toen hebben wij een spoeddebat gehouden. Ik hoor nu van de Staatsse-cretaris: ik ga het verkennen, ik ga het uitzoeken, ik ga kijken of dit ... Ikvind dat het te lang duurt. Als dat onderzoek naar hoe dit heeft kunnengebeuren pas op zijn vroegst over een jaar komt, dan hebben dezejongeren bijna twee jaar moeten wachten, ook op een stukje erkenning. Ikgaf net in mijn termijn al aan dat een aantal jongeren die daar in een vandie afdelingen hebben gezeten en die mee hebben gedaan aan hetonderzoek van Jason inmiddels niet meer leven. Dat geeft volgens mij deurgentie aan dat er meteen iets moet worden gedaan. Ik heb aan dejongeren zelf gevraagd wat er aan nazorg is gebeurd. Ik heb het ondermeer aan Jason gevraagd. Zij geven aan dat ze maar niets horen. Dat doetiets met deze jongeren. Dus vandaar mijn echt dringende oproep aan dezeStaatssecretaris: ga direct met hen in gesprek, vraag wat ze nodig hebben,maak daar een potje met geld voor en zorg dat ze erkenning krijgen voorwat hier is gebeurd.Staatssecretaris Karremans:Laat mij allereerst zeggen dat de verhalen over jongeren die er niet meerzijn mij echt raken. Dat is echt verschrikkelijk. Dus dat eerst. Er zijn geenwoorden voor om dat uit te drukken.Het onderzoek en het steunpunt zijn natuurlijk twee verschillende zaken. Ikwil daar het volgende over zeggen zonder te herhalen wat ik daar net overheb gezegd. We hebben echt geprobeerd om het steunpunt voortvarendop te pakken. Ik heb ook gezien dat mijn voorganger op VWS daar hardaan heeft getrokken. Je kunt zeggen «richt een steunpunt in», maar ditmoet ook goed gebeuren en het moet aansluiten bij de behoeften. Daarwil je gezamenlijk naar kijken. Het is nu eenmaal de realiteit dat de ideeëndaarover uiteen kunnen lopen. Wij proberen dat zo snel mogelijk te doen.Nogmaals, het signaal van mevrouw Westerveld is echt helder. Dat pak ikook op die manier op. Hetzelfde geldt voor dat onderzoek. Ik ga mezelfherhalen, maar ook daarvan zeg ik dat ik dat zorgvuldig wil doen, wantdan heeft het pas waarde. Het is niet zo dat we er bewust een langertraject van maken, maar het moet echt goed gebeuren. Maar het signaal ishelder. Dank u.Voorzitter. Dat waren de vragen over dit onderwerp. Dan heb ik nog hetkopje andere zorgvormen en het kopje overig. Ik probeer er dus zo snelmogelijk doorheen te gaan.Pleegzorg. We hebben net al gezegd dat het de Week van de Pleegzorg is.Hoe wordt de motie-Stoffer over de versterking van de pleegzorgvormgegeven? Jaagt de Staatssecretaris dit aan of laat hij dit volledig aangemeenten? Dit jaag ik aan, samen met de sector en inderdaad ook samenmet gemeenten. Wij doen veel. Wij ondersteunen bijvoorbeeld verschil-lende initiatieven. Wij doen nu ook een MKBA-onderzoek naar deMockingbird-methode. Daar was ik vorige week. Dat werkt echtwaanzinnig goed. In Engeland heeft deze methode gezorgd voor tientallenprocenten minder plaatsing in residentiële jeugdhulp. Als wij hier inNederland al de helft van dat effect kunnen realiseren, dan kunt u zichvoorstellen hoeveel effect dat heeft. Dat onderzoek financieren wij dus.Wij ondersteunen ook het platform pleegzorg.nl en een meerjarigewervingscampagne.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104957 Dan de vragen van de heer Ceder over de extra kosten. Ik snap dat heelgoed. Ik hoorde ook terug van pleegouders zelf dat dit vaak een belem-mering vormt om pleegouder te worden. Gelukkig werkt mijn collega vanSZW stapsgewijs aan het invoeren van een hoge en inkomensonafhanke-lijke vergoeding voor kinderopvang voor werkende ouders. Voor veelwerkende pleegouders zal kinderopvang komend jaar dus al goedkoperworden. Daar werken wij dus aan. Ik volg deze ontwikkeling natuurlijknauwlettend vanuit mijn portefeuille en vanuit het belang van depleegzorg.Dan de ABA, de autisme-behandelingsmethodiek. Daar heb ik een briefover gestuurd. Mevrouw Paulusma zei dat er niet zo veel gebeurd was,maar ik heb juist gevraagd aan het NJi om zaken in kaart te brengen eneen kennisproduct over de ABA op te stellen voor professionals. Wehebben het over kwaliteitsstandaarden. Die worden ontwikkeld in het velden dat juich ik ook toe. Het is ontzettend goed dat dit gebeurt. Ik vond hetook treffend dat mevrouw Paulusma zei dat ze ook ouders spreekt die erpositief over zijn. Dat is precies het beeld dat we hebben. Er zijn negatieveervaringen mee. Die betreur ik ook, zeker als het om dwang of hettoedienen van pijnprikkels gaat. Dat mag absoluut niet. Maar er zijn ookpositieve ervaringen. Dat is precies het wisselende beeld dat we terugge-kregen hebben uit het onderzoek.Gevraagd werd hoe het kan dat men binnen een paar uur een onlineABA-cursus kan geven. Om een misverstand uit de lucht te halen: hetklopt wel en het klopt niet. Het klopt niet dat ik zomaar een ABA-cursuskan doen en dat ik dan vanavond, na dit debat, de behandeling kan geven.Je moet een SKJ- of BIG-geregistreerde professional zijn. Er gaat dus eenhele opleiding aan vooraf en dan kun je dit als verdiepende cursus doen.Het is dus niet zo dat Jan en alleman het zomaar kan doen.Over pijnprikkels heb ik al iets gezegd.Dan de bovenregionale expertisenetwerken. Worden de middelen voordeze expertisecentra nog wel gebruikt voor het oorspronkelijke doel,namelijk beter helpen van kinderen met multiproblematiek? De bovenregi-onale expertisenetwerken zijn een versterking van de lokale en regionalestructuren. Zij adviseren bij vastgelopen casuïstiek. Vaak gaat het overjongeren met complexe problemen of multiproblematiek. Zij helpen omoplossingen te faciliteren. Zo financieren ze op verschillende plaatsenkleinschalige woonvoorzieningen en de ontwikkeling van nieuwezorgvormen. Daar zien we mooie voorbeelden van. De middelen van debovenregionale expertisenetwerken komen daarmee zeker ten goede aande ontwikkeling van de zorg en aan plekken voor de jeugd die dit hethardste nodig heeft. Ik heb dat zelf gezien.Dan de SPUK randvoorwaardelijke functies. Er gaat inderdaad 10%bezuinigd worden op de SPUK. Waarom gaat hier geld vanaf en watbetekent dit voor de bovenregionale expertisenetwerken? Dat is een vraagvan mevrouw Westerveld. Ik kan het niet mooier maken dan dat het in hethoofdlijnenakkoord is afgesproken: 10% bezuiniging op de BredeSPUK-regeling. Er is geen enkele bewindspersoon die dat leuk vindt om tedoen, maar het zijn afspraken die komen uit het hoofdlijnenakkoord. Datvullen we op die manier in. De korting die daarbij hoort, is al budgettairverwerkt in de begroting van VWS.De heer Crijns (PVV):Ik haak even aan op de ABA. Er is een brandbrief naar de Kamer gestuurd.Toen ik die brandbrief las, schrok ik even. Figuurlijk gezegd vielen mijnklompen ervan uit, om het zo maar even te zeggen. Wat vindt deStaatssecretaris van deze brandbrief en van het feit dat bijna 1.600slachtoffers zich hebben gemeld. Hoe kijkt hij hiertegen aan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104958 Staatssecretaris Karremans:Ik neem aan dat dit de brandbrief is van de LVBSO. Ik heb met zegesproken, ook hierover. Ik heb er ruim de tijd voor genomen om er methen over te spreken. Ik heb ook met hen van gedachten gewisseld overwat wij zien in het veld, dat er een onderzoek loopt, dat we een wisselendbeeld zien. Mevrouw Paulusma is er niet meer, maar ik haalde haar netaan, omdat ze zei dat ze ook ouders spreekt die er heel positief over zijn.Tegelijkertijd willen we echt dat er geen pijnprikkels en geen dwangworden gebruikt. Scholen mogen niet dwingen en zeggen dat kinderenABA moeten. Dat willen we tegengaan. Daarom juich ik die kwaliteitsstan-daarden toe en is het NJi nu bezig met dat kennisproduct. Daarna moetenwe zien wat we er verder mee kunnen. Maar het is niet aan mij om tekiezen wat de beste behandeling is voor een kind. Dat is echt aan het velden aan de behandelaars. In Amsterdam is men bijvoorbeeld bezig met eenalternatieve methode. Dat vind ik ook goed, want dan heb je iets te kiezen.Maar dat is echt aan de behandelaar en aan de ouders om de bestebehandelmethode te kiezen.De voorzitter:Nog even voor de volledigheid. Mevrouw Paulusma kon er alleen in deeerste termijn bij zijn, maar zij volgt dit debat gewoon. Dan vraag ik deStaatssecretaris om te gaan naar het blokje overige vragen en daarbij nietin herhaling te vervallen.Staatssecretaris Karremans:Dank, voorzitter. Gevraagd is wat mijn visie is op het zetten van stappenop het vlak van mentale problemen. Daar heb ik al veel over gezegd. Eenvan de belangrijkste dingen die ik te doen heb, is iets doen aan dementale problemen onder de jeugd. Dan heb je het niet over stelsels,maar echt over hoe dat ervaren wordt door de jeugd. We zijn bezig meteen werkagenda voor de ggz, maar die geldt in grote mate natuurlijk ookvoor de jeugd. Hoe kunnen we voorkomen dat er zo veel mentaleproblemen ontstaan? We weten dat die op bepaalde momenten ontstaan.We weten bijvoorbeeld dat er faalangst bestaat onder bepaalde groepenmeisjes van een bepaalde leeftijd en dat er gepercipieerde ADHD is onderbepaalde jongens, dus we hebben genoeg handvatten om dat aan tepakken. Ook onder studenten zien we het, ook de enorme eenzaamheiddie in de nasleep van corona wordt ervaren. Daar moeten we dus mee aande slag. Op dat punt zijn er ook veel goede initiatieven die we graag willenondersteunen en waarvoor we ook zelf een agenda willen ontwikkelen.Mevrouw Van den Hil vroeg naar de mentale gezondheid van meisjes. Ikkan een mooi voorbeeld uit Utrecht geven, waarmee werd voorkomen datmeiden allemaal individueel naar de tweedelijnszorg zouden gaan. Zijhadden allemaal te maken met faalangst rond de leeftijd van 13–14 jaar.Toen is er een collectieve faalangsttherapie geweest, waarmee werdvoorkomen dat al die meisjes de tweedelijnszorg instroomden. Metcollectieve oplossingen kun je dus heel veel bereiken als het om dezelfdesoort problematiek gaat. Dat zien we nu eenmaal bij dezelfde vergelijkbaregroepen.De heer Ceder heeft gesproken over de social media. Dat was een betoognaar mijn hart. Dit is precies waar wij mee bezig zijn. Ik heb dat ook aleerder aangekondigd: handelingsperspectief voor ouders. Hoe ga jeermee om? Het betoog van de heer Ceder was me van a tot z uit het hartgegrepen.Het genoemde boek over mentale gezondheid ben ik aan het lezen; ik hebhet nog niet uit. U wilt niet weten wat ik allemaal moet lezen op een dag,maar ik probeer er altijd een boek achteraan te lezen. De overprotectie inde echte wereld en de onderprotectie online is voor mij extreembelangrijk om met mijn Europese collega’s jeugd aan te kaarten. Ik hebgevraagd of dit op de agenda van de Europese Jeugdraad kan komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104959 Hetzelfde zie je namelijk ook in België, Denemarken, Duitsland en noemmaar op.Mevrouw Westerveld sprak over algoritmen en social media. Dat isprecies dit punt. Overigens zien we dit niet alleen bij eetstoornissen, maarook bij anticonceptie en vaccineren. Naar het voorbeeld van Jesse Klaverheb ik het filmpje van mijn eigen zoon online gezet toen hij gevaccineerdwerd. Wat grappend werd gezegd dat ik mijn zoon had geofferd op hetaltaar van de volksgezondheid, maar ik heb dat filmpje gebruikt om hetbelang van vaccineren te benadrukken. Er is zo veel desinformatie opTikTok, Instagram en andere social media, waar mensen hun kennisvandaan halen. Dat merken ook de professionals bij de GGD. Dat zien wekeihard terug in de vaccinatiegraad in Nederland, maar we zien het ookaan het anticonceptiegebruik en ook aan de eetstoornissen. Ik vond heteen heel terecht punt dat mevrouw Westerveld daarover maakte. Dat geldtook voor het punt dat mevrouw Van den Hil maakte over de desinformatievan TikTok.Preventie? Ja. Beweging naar de voorkant is alles in dit verhaal. Wemoeten voorkomen dat mensen instromen in de jeugdzorg. Dat willen wemet stevige sociale teams doen. Daarmee proberen wij mentaleproblemen voor te zijn en te voorkomen.Over bezuinigingen op preventie heb ik al gezegd dat die wel meevallen.Voor de precieze bezuinigingen verwijs ik naar de begroting van VWS.De heer Stoffer had een vraag over de motie over schaduwgezinnen. Diemotie is in uitvoering. We werken samen met OCW en de PO-Raad aan hetvergroten van de bekendheid van het initiatief bij gemeenten en scholen.De initiatiefnemer mevrouw Doornbos informeert ons actief over de pilotsdie lopen. Aan het eind van het jaar hebben wij weer een gesprek, dusbinnen nu en zes weken.Dan de vraag van mevrouw Westerveld over verslavingszorg jongeren.Hoe kijk ik aan tegen de brief van de verslavingszorgdeskundige ...De voorzitter:Even op het vorige punt nog, meneer Stoffer?De heer Stoffer (SGP):Jazeker, voorzitter. De Staatssecretaris geeft aan dat hij eind van dit jaarweer wordt geïnformeerd over de pilots. Zou hij daarna de Kamer kunneninformeren over de stand van zaken?De voorzitter:De stand van zaken.Staatssecretaris Karremans:Zo’n verzoek kan ik niet weigeren.De voorzitter:Check. Genoteerd wat betreft de motie-Stoffer.Staatssecretaris Karremans:Dan de vraag hoe ik aankijk tegen de brief van verslavingszorgdeskun-digen waarin zij aangeven dat jeugdverslavingszorg jongeren te laatbereikt en dat er op dat punt heel wat werk te verrichten is. Er wordt hierinook gewezen op het belang van screening. Vroegsignalering vanmiddelengebruik is inderdaad heel belangrijk. Dat geldt ook voor hetbespreekbaar maken door ouders en de omgeving. Ook is van belang datals zorg nodig is, de weg naar de huisarts of het lokale team gevondenwordt. Daarom zet ik in op de verbetering van de toegang tot jeugdhulp inde hervormingsagenda. Dit betreft de stevige lokale teams maar ook hetuitvoeren van een goede analyse van de ervaren problemen. Daar hebbenwe de brede analyse weer.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104960 Dan agressie tegen zorgmedewerkers. Daarover heb ik net al wat gezegd.Mevrouw Van den Hil had daar aandacht voor. Ik ben het daar helemaalmee eens. We pakken dit aan. Waar nodig zal ik ook aandacht vragen bijmijn collega Agema voor agressie tegen medewerkers in de jeugdzorg.Als wij naar nieuwe vormen, naar alternatieven, voor de geslotenjeugdzorg gaan, zullen we hier ook nadrukkelijk aandacht voor hebben. Ikvind dat ook belangrijk. De positie en de rol van medewerkers zijnbelangrijk. Zij doen waanzinnig goed werk, vanuit hun hart, om diekinderen te helpen. Zij krijgen ook te maken met flinke agressie. Daarmoet je aandacht voor hebben.Wat is het inhoudelijke motief achter de bezuinigingen op het Stagefonds?Dit is de portefeuille van mijn collega Agema, dus ik moet enigszinsterughoudend zijn in mijn reactie. Maar ik kan natuurlijk wel zeggen watzij daarover gezegd heeft. Dat was dat het rapport van de Rekenkamerzegt dat het tekort aan stageplekken niet kan worden opgelost met geld,zoals met het Stagefonds. Daarmee is de subsidie niet doelmatig. Op diemanier hebben we dus gekeken wat mogelijkheden zijn om die225 miljoen aan subsidies – mind you; dat is echt een waanzinnigbedrag – in te vullen. Dat is onder andere op die manier gedaan. Is hetleuk? Nee. Maar ja, daar hebben we al genoeg over gezegd.Gaat u stoppen met de subsidie voor de arbeidsmarktagenda? VWS geeftsamen met JenV al ruim vijf jaar subsidie aan het Arbeidsmarktfonds FCBvoor het delen van goede voorbeelden en handreikingen op thema’s alsgoed werkgeverschap, het inwerken van personeel en het aanpakken vanagressie. Maar geld of subsidie alleen is niet de oplossing. De subsidieloopt nog tot begin 2026. Een heroriëntatie is nodig. Dat zeggen betrokkenpartijen zelf ook. Daarover zijn we dus in overleg. Ik kan nog geenuitspraken doen over het vervolg.Dan de vraag van de heer Ceder of de cultuuromslag die in de jeugdzorgplaatsvindt ook in de opleidingen plaatsvindt. Is het niet handig om dat tedoen? Is dat niet goed om te doen? Moeten we daarover niet met OCW ingesprek gaan? Daarover heb ik al het een en ander gezegd. Het isinderdaad belangrijk om bij de opleiding en bij bij- en nascholing vanprofessionals breed te kijken naar samenwerking met andere partijen endisciplines. In de hervormingsagenda zijn afspraken gemaakt overinvesteren in kwaliteit en vakmanschap van professionals en een cultuurvan blijvend leren. Daar zien we namelijk ook echt een uitdaging in.Daarom is de werkorganisatie Kwaliteit en Blijvend Leren er gekomen. Dieheeft dat ook opgepakt. Zij zullen dit gaan doen met werkgevers enprofessionals, waarbij ook een relatie tot de opleidingen worden gelegd.Als het nodig is, wordt OCW daarbij betrokken.Wil ik met OCW in gesprek over een betere aansluiting van opleiding opwerk? Personeel, het behoud van personeel en de inzet op investeren isheel belangrijk. Dat betreft inderdaad ook managing expectations, zodatmen weet waarvoor men kiest. Dat is inderdaad heel belangrijk, net alshet verminderen van de administratietijd. Daarover is het al eerdergegaan. Er spelen meerdere zaken om het werk aantrekkelijker te maken.Dan suïcidepreventie. Hoe kan het zijn dat het aantal suïcides onderjongeren zo excessief is gestegen? Wat gaat de Staatssecretaris doen omdeze zorgwekkende trend te keren? Het is inderdaad zorgwekkend. Er is uitverschillende onderzoeken naar voren gekomen dat het mentaal niet goedgaat met jongeren en dat zij aangeven suïcidale gedachten te hebbengehad. De afgelopen jaren is het aantal jeugdigen onder de 20 die suïcidehebben gepleegd, redelijk gelijk gebleven. De Landelijke AgendaSuïcidepreventie van 113 blijft van groot belang om te voorkomen datjongeren suïcide plegen. Er is onder andere het Programma STORM, waarook al naar werd verwezen. Dat maakt onderdeel uit van de LandelijkeAgenda Suïcidepreventie en heeft het voorkomen van depressies ensuïcides onder jongeren van 12 tot 18 jaar tot doel. Daarnaast zet ik in opTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104961 het verbeteren van de beschikbaarheid van zorg voor jeugdigen en hetversterken van de mentale veerkracht van jongeren.De vraag over participatie wat betreft kinderen en jongeren heb ik albeantwoord.Dan de financiële ondersteuning van jongerenorganisaties. Waaromworden jongerenorganisaties niet structureel ondersteund zodat zij eenstructurele stem voor jongeren kunnen zijn? Een aantal jongeren- encliëntenorganisaties worden wel degelijk structureel gefinancierd, zoals deNJR, Ieder(in), Per Saldo en MIND. Bij de herijking van de subsidiere-geling voor gehandicaptenorganisaties is gekeken naar de mogelijkhedenom alle jongerenorganisaties aanspraak te laten maken op deze subsidie.Dit was helaas niet mogelijk. Er zijn wel nieuwe pg-organisaties, die debelangen van jongeren behartigen, sinds de herijking toegelaten tot dezesubsidieregeling, waaronder JongPIT. Andere jongerenorganisatieskrijgen een passende vergoeding voor hun inzet.De inzet van effectieve interventies voor ouders. Hoe gaat u de inzet vanNu Niet Zwanger ondersteunen en hoe zorgt u ervoor dat de financieringdie hiervoor naar gemeenten gaat, ook ingezet wordt? Het is de ambitievan Kansrijke Start om Nu Niet Zwanger landelijk beschikbaar te maken.Het is nu beschikbaar in 79 gemeenten en alle vijftien GGD-regio’s, en ersluiten zich nog steeds nieuwe gemeenten aan. Met ander woorden, voorgrosso modo 87% van de inwoners van Nederland is het beschikbaar. Wekunnen gemeenten niet verplichten om zich aan te sluiten bij de NNZ, NuNiet Zwanger, maar gemeenten krijgen vanuit het coalitieakkoordstructureel geld voor Kansrijke Start.Verder kunnen zij interventies als NNZ uit de SPUK-middelen, waarovervoor de komende drie jaar afspraken zijn gemaakt, financieren. Webekijken nu wat de toekomst is met betrekking tot die SPUK’s. Die SPUK’sworden volgens afspraak allemaal overgeheveld naar het Gemeentefonds,maar we bekijken wel welke we eventueel kunnen behouden of op eenandere manier wettelijk kunnen verankeren. Hierover wordt de Kamer noggeïnformeerd.Hoe gaat u programma’s als Stevig Ouderschap goed voortzetten?De voorzitter:Excuus, ik heb een interruptie van mevrouw Van den Hil.Mevrouw Van den Hil (VVD):Volgens mij kent de Staatssecretaris Nu Niet Zwanger ook vanuit zijneigen gemeente. Het is goed dat die SPUK’s voor drie jaar open wordengezet, maar dan zijn er nog steeds twee knelpunten. Ten eerste kunnengemeenten het ook aan een lantaarnpaal uitgeven, om het even grof tezeggen. Het is immers niet geoormerkt. Ten tweede: hoe gaat het dandaarna? Het zou toch zonde zijn dat zo’n programma, dat effectiefbewezen is, zou stoppen. Er zijn echt ook dingen die we niet effectiefkunnen bewijzen. Is er een mogelijkheid om het te labelen of teoormerken?Staatssecretaris Karremans:Die mogelijkheid is er. Het moet dan wel wettelijk verankerd worden, wantde SPUK stopt. Of er komt een alternatief instrument, namelijk de BFU.Dat zijn de twee mogelijkheden die er zijn. BZK werkt dat nu uit en daarbijzullen we bekijken wat we wel en wat we niet kunnen earmarken. Wehebben nu een gesprek over GALA, ook een SPUK, en dan meer in hetbijzonder over wat we eventueel wettelijk kunnen verankeren en wat weover kunnen laten gaan naar het Gemeentefonds. Daarover wordt deKamer in de loop van volgend jaar geïnformeerd.Maar het is een terecht punt, omdat je de regie natuurlijk wel zou willenhouden. Dat is ook de worsteling die ik nu heb met al die SPUK’s.Waarover wil ik de regie houden en wat kan prima naar de gemeentes?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104962 Hoe ga ik inzetten op programma’s als Stevig Ouderschap en datbekendmaken? Zoals ik al zei, krijgen gemeenten vanuit het coalitieak-koord structureel geld voor Kansrijke Start. Gemeenten kunnen inter-venties voor ouders in een kwetsbare positie, zoals Stevig Ouderschap,betalen uit de SPUK-middelen die nu beschikbaar zijn. Maar ja, welkeinterventies ingekocht worden, is uiteindelijk natuurlijk aan de gemeentenzelf. Maar het is zeker mogelijk.De continuïteit van de aanbieders. De heer Crijns had het in dit verbandover de situatie in Limburg. De financiële gezondheid van de jeugdhulp-aanbieder is primair de verantwoordelijkheid van de aanbieder zelf. Degemeente is verder verantwoordelijk voor de zorgcontinuïteit vanjeugdigen, waardoor gemeenten soms toch aanvullende afspraken dienente maken met aanbieders in financiële problemen. Maar inderdaad, bij despecifieke casus waar de heer Crijns het over had, is de Jeugdautoriteitactief betrokken. Omdat Limburg op dit moment te maken heeft metmeerdere aanbieders die er financieel niet goed voor staan, is besloten tothet oprichten van een taskforce. VWS is er dus ook bij betrokken. Dezetaskforce maakt een voorstel voor de duurzame inrichting van hetzorglandschap in Limburg op provinciaal niveau. Dus daar wordt aangewerkt.De winst. Het klopt dat ik in september nog geen verklaring kon geven.Inmiddels hebben we er wat meer informatie over. In de analyse zijn de 25grootste jeugdhulpaanbieders meegenomen, maar het is belangrijk om tezegen dat de winstmarge van die top 25 niet representatief is voor de helejeugdhulpsector. De voorlopige cijfers over 2023 ten opzichte van het jaardaarvoor, 2022, laten een voorzichtige verbetering zien in de winstmargevoor bijna alle subgroepen. Maar dit betekent alleen niet dat er nu sprakeis van een financieel gezonde exploitatie. Het is dus beter, maar we zijn ernog zeker niet. De financiële situatie van een groot aantal groteaanbieders staat, onder andere met het oog op het investeringsvermogenop de langere termijn, nog steeds onder druk.Over de inkoop: hoe ga ik het kennisniveau bij het inkoopbeleidvergroten? Daar zijn wij actief in, onder andere via het Ketenbureaui-Sociaal Domein. Dat deelt samen met de VNG kennis over jeugdzorg,denkt mee en helpt waar dat nodig is. Dit wordt mede ondersteund doorVWS.De verwijsindex werkt inderdaad in Rotterdam en ook in ParkstadLimburg, dus waarom wordt die dan toch geschrapt? De heer Crijns hadhet al even over de motie; het is een wens van de Kamer. Er zijn uitge-breide onderzoeken naar gedaan en dat lag natuurlijk daaraan tengrondslag. Is niet aan te geven wat de VIR oplevert voor kinderen engezinnen? Daarom heeft mevrouw Westerveld daar een motie overingediend. Het blijkt ook dat er onvoldoende draagvlak bij gemeenten,professionals en cliënten was, dus dat is de reden waarom daarmeegestopt is.Dan de vraag van mevrouw Rikkers over de terugkoppeling Veilig Thuis.Kan er gekeken worden naar een duidelijk kader voor de AVG en dejeugdhulp met betrekking tot Veilig Thuis en kan dit vervolgens onder deaandacht worden gebracht bij betrokken mensen? In de Wet maatschap-pelijke ondersteuning 2015 is geregeld dat de melder een terugkoppelingkrijgt. Dat is ook een onderdeel van het handelingsprotocol van VeiligThuis. Dit loopt in de praktijk niet altijd goed; dat is duidelijk. Veilig Thuisis zich ook daarvan bewust en zet zich er continu voor in om dat teverbeteren. Dit is een van de punten die in het toekomstscenario wordenmeegenomen.Dan was ik er, voorzitter.De voorzitter:De heer Crijns en mevrouw Bruyning. Eerst de heer Crijns.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104963 De heer Crijns (PVV):Bedankt voor de beantwoording over de verwijsindex. Ik wil daarover nogwel een klein punt maken. In heel veel gemeentes gaat het wel heel goeden er is ook een heel groot bereik door heel Nederland. De gemeentes diemeewerken zeggen ook: Patrick, luister eens, het werpt netjes zijnvruchten af. Ik vind het jammer dat een effectief instrument uit dejeugdzorg wordt geschrapt. Wat heeft de Staatssecretaris dan te zeggentegen die gemeenten en instanties die wel positief staan tegenover deverwijsindex?Staatssecretaris Karremans:De vraag is of het in de wet moet staan, dus of we dat verplicht moetendoen. Zij mogen gewoon blijven werken met een dergelijk systeem. Dat ishet antwoord op die vraag. Zij mogen dat met elkaar afspreken en danmogen ze ermee werken.Mevrouw Bruyning (NSC):Het kan aan mij liggen, maar volgens mij mis ik nog het antwoord op tweevragen, ondanks dat de Staatssecretaris de vragen heel goed heeftbeantwoord. Ik mis het antwoord op de vraag: hoe beoordeelt deStaatssecretaris de huidige naleving van het Internationaal Verdrag inzakede rechten van het kind binnen ons jeugdzorgsysteem? En ik mis ook nogeen antwoord op de vraag: hoe is de Staatssecretaris van plan aan dezorgen van de Raad van State en de Algemene Rekenkamer conform hetregeerakkoord gevolg te geven? Maar dat kan aan mij liggen. Dank u wel.Staatssecretaris Karremans:Ik kan nu heel snel gaan zoeken of we kunnen even naar de andereStaatssecretaris gaan. Ik heb ze er waarschijnlijk wel tussen zitten.De voorzitter:Dan doen we het zo en komt u er straks nog even op terug. Mevrouw Vanden Hil heeft nog een vraag, snel en bondig.Mevrouw Van den Hil (VVD):Ik had nog via de band een vraag gesteld over de gezinstherapeut.De voorzitter:Via de band?Mevrouw Van den Hil (VVD):Ik had een interruptie gedaan en toen is die vraag doorgespeeld naar deStaatssecretaris. Die ging over hoe hij ernaar kijkt om de gezinstherapeutin te zetten, omdat die in het zorgprestatiemodel op dit moment nietbeschikbaar is.De voorzitter:De Staatssecretaris zegt dat hij daar in de tweede termijn op terugkomt.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik had in ieder geval nog een vraag over de handreiking pleegzorg. Hetgaat over de bijzondere kosten. De Staatssecretaris heeft wel dingengezegd over de pleegzorg, maar niet hierover. En ik had nog een apartevraag over het volgende. We hebben afgelopen week de petitie gekregenover arbeidsmarktbeleid voor mensen in de jeugdzorg, maar er zijnnatuurlijk ook nog andere bezuinigingen. Maar ik vroeg de Staatssecre-taris nog of hij apart wilde reageren op wat wij bij de petitieaanbieding tezien kregen. Ik zal hem anders de tekst via het ministerie doorsturen. DeStaatssecretaris pakte volgens mij twee bezuinigingen samen.Voorzitter, ik wil de Staatssecretaris graag ook nog een vraag stellen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104964 De voorzitter:Voordat we dat gaan doen checken we het even. Ja? Oké. Dan de vraag.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik wil nog een vraag stellen over de hervormingsagenda en de zorgen bijgemeenten. De Staatssecretaris heeft daar vrij kort antwoord op gegevenen ik vind dat zijn antwoord geen recht doet aan de enorme zorgen die erzijn. Mijn punt is het volgende. Stel dat een beter stelsel een besparingoplevert van 1 miljard. Dat is een fors bedrag. De hele Kamer heeft ookgezegd: je moet voorkomen dat er elk jaar alleen maar meer geld naarjeugdzorg gaat. We staan echt wel in de meedenkstand als het gaat overde vraag hoe je ervoor kunt zorgen dat je dat doorbreekt. Maar op hetmoment dat het Rijk zelf afspraken niet nakomt met betrekking tot allerleitoegezegde wetgeving – dan bedoel ik bijvoorbeeld dat we die helereikwijdtediscussie nog niet gevoerd hebben – kan je die bezuiniging tochniet alvast neerleggen bij gemeenten? Dat kan toch ook niet gelet op goedbestuur? Die afspraken moeten namelijk juist het stelsel verbeteren en diebesparingen opleveren.Staatssecretaris Karremans:In mijn beleving had ik daar toch best uitgebreid op gereageerd; ik moethet ook kort doen van de voorzitter. Kijk, ik ben zelf wethouder geweest. Ikkom uit een grote gemeente waar een enorm tekort is wat betreft dejeugdzorg. Ik zie de financiële gevolgen daarvan voor wethouders engemeenten. Dat betekent dat je misschien een zwembad of kinderboer-derij moet sluiten omdat je de jeugdzorgkosten moet betalen. Voordat ikhiernaartoe kwam en ik die subsidietaakstelling moest doen, heb ik zelfeen hele bezuinigingsronde in Rotterdam meegemaakt. Ik wéét wat datbetekent voor gemeenten. Veel heb ik geleerd, ook van mevrouwWesterveld, maar dat snap ik dus echt. Daar kom ik namelijk zelf vandaan.Maar ik zit nu natuurlijk in een andere positie, in een andere rol. Ik heb ookeen verantwoordelijkheid vanuit het Rijk. Ik wil daar twee dingen overzeggen. Eén. Die deskundigencommissie is er niet voor niets. We hebbendie gevraagd er een advies over te geven, een zwaarwegend advies. Datproces hebben we nu ingericht. Ik kan hier met alle liefde de positie vanhet Rijk gaan uitleggen, maar wat ik er wel over wil zeggen is dat het nietzo is – dat is namelijk te zwart-wit – dat alleen het Rijk nu dingen niet isnagekomen. Het is ook niet dat we dingen niet willen nakomen. Het is nietalsof je bewust je rekening niet betaalt of dat je bewust te laat komt vooreen afspraak. Nee, het is een complexe wet en we willen het graag goeddoen. Dat heeft de Kamer ook van ons gevraagd, namelijk: geenonbedoelde effecten, geen boemerangwetgeving. Dat heeft de Kamer vanons gevraagd. Dat voeren we dus uit. Dat is één.Het is ook zo dat heel veel al gedaan kan worden door gemeentes. Datzien gemeentes ook zelf. Een aantal gemeentes pakt dat echt op diemanier op, maar niet alle gemeenten doen dat. Dat betreft onder anderedie verklarende analyse, maar ook die stevige lokale dienst. Ook de heerStoffer heeft dat gezegd, namelijk dat er veel meer ruimte is. Natuurlijkhebben wij ook onze rol te spelen bij het wetsvoorstel en de reikwijdte,maar het is niet zo zwart-wit. Het is dus niet zo dat het alleen door VWSkomt dat we nu in deze situatie zitten. Dat is echt niet zo. Maar hetprocesantwoord is dat we de deskundigencommissie afwachten. Wehebben niet voor niets die deskundigencommissie, en dat advies iszwaarwegend.De voorzitter:Dan geef ik het woord aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104965 Staatssecretaris Struycken:Voorzitter, dank u wel. De heer Stoffer bracht Moeder Teresa ter sprake,maar er is nog een andere heilige die vandaag aandacht behoeft:Sint-Maarten. Het is vanavond Sint-Maarten. Een paar uur geledentrokken vele kinderen langs de deuren om aandacht voor hem te vragen,voor Sint-Martinus, de soldaat die zijn bezittingen gaf aan bedelaars enarmen, aan mensen in kwetsbare posities. Toen hij alles had weggegeven,scheurde hij nog de helft van zijn mantel af. Het beeld van Sint-Maarten,de zorg voor de kwetsbaren en kinderen langs de deuren is een beeld dathier vanavond past.Want ondanks jeugdhulp en andere ondersteuning in het vrijwillige kaderkunnen problemen binnen een gezin zodanig toenemen dat er grotezorgen zijn over de veiligheid en de ontwikkeling van kinderen. Dan isingrijpen door de overheid soms noodzakelijk, te vaak noodzakelijk. Opjaarbasis worden namelijk circa 32.000 kinderen begeleid. Ten aanzien vanmaar liefst 4.000 kinderen is het zwaarste middel van de uithuisplaatsingingezet. Het is pijnlijk om ons te realiseren dat we al jaren onvoldoende instaat zijn om de benodigde bescherming te bieden. We willen hetvertrouwen in de jeugdbescherming verbeteren, in ieder geval op driepunten: het moet meer gezinsgericht, er moet meer tijd komen voor kinden ouders, en kind en ouders verdienen betere rechtsbescherming. Methet toekomstscenario kijk ik samen met de collega’s van VWS en de VNG,de drie opdrachtgevers tezamen, hoe we op langere termijn structureleverbeteringen kunnen doorvoeren. Mijn voorgangers hebben dit inwerking gezet en ik ga hier voortvarend mee door; doortastend en metdoorzettingsvermogen, zeg ik met een knipoog naar de heer Crijns.De proeftuinen wijzen ons de weg. U heeft in de voortgangsrapportagekunnen lezen dat we vooruitgang boeken met de ontwikkeling van dewerkwijze van onderop met alle betrokken partijen en dat dit resultatenoplevert. In de proeftuinen bleek in nog geen 10% van de meer dan 1.250gezinnen en huishoudens die hiermee worden geholpen nog eengedwongen maatregel nodig; minder dan 10% in de proeftuinen dus.Belangrijk is dat we eind oktober met de drie opdrachtgevers eenontwikkelrichting hebben vastgesteld. Dat is een grote stap. Ik ga straks inop deze ontwikkelingen en op de uitwerkingsvraagstukken. Ik volg devolgende onderwerpen. Ik ga nog veel meer zeggen over het toekomst-scenario. Daarna ga ik iets zeggen over jeugdbescherming in hetalgemeen en daarna in verhouding tot criminaliteit. Vervolgens zal ik inhet algemeen iets zeggen over verbetering van rechtsbescherming. Danvolgt nog een opmerking over scheidingen en ten slotte een opmerkingover uithuisplaatsingen in verband met de kinderopvangtoeslagaffaire. Ikprobeer me zo veel mogelijk te beperken qua tijd.Wat het toekomstscenario betreft. De problemen zijn onverminderd groot.Het is nu te complex, onnavolgbaar, te weinig effectief. Er is sprake vanvoortdurende overdrachten van dossier en mede daardoor van te langewachttijden, het zogenaamde «estafettemodel». De problemen wordenniet integraal opgepakt en de gezamenlijke blik op passende hulp enaanpak van oorzaken ontbreekt. Er is te weinig gezamenlijke verantwoor-delijkheid in de keten. Organisaties wijzen naar elkaar, ieder vanuit deeigen werkwijze. Ouders en kinderen voelen zich onvoldoende gehoord.De besluitvorming is voor hen onvoldoende transparant en er is weinigvertrouwen. Dan is er ook nog handelingsverlegenheid bij betrokkenen bijelke horde in de estafette. Die estafette heeft ook weer tot gevolg datpartners die de horde hebben genomen langs de kant komen te staan enniet meer betrokken zijn, terwijl ze nog wel een bijdrage kunnen leveren.Deze knelpunten hangen samen met de inrichting van het stelsel, zo is deovertuiging. Dat kan alleen maar worden aangepakt door opnieuw over tegaan tot aanpassing van de inrichting van het stelsel en de wetgeving diedaarvoor nodig is. Dit moet op een andere manier: meer gezinsgericht,een brede integrale aanpak, een aanpak gericht op oorzaak van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104966 problemen, niet alleen bij de kinderen maar ook bij de volwassenen, bijhet gezin in zijn totaliteit, en dan ook nog vanuit vertrouwen en gericht oppassende hulp met een betere rechtsbescherming, met minder onnodigingrijpen en dus ook gericht op het voorkomen van uithuisplaatsingen enwaar mogelijk het bewerkstelligen van terugplaatsingen. En dat allesvanuit een lerend stelsel.Hoe gaan we dit doen? Het vraagt stevige lokale teams waarin expertiseten aanzien van veiligheidsvraagstukken aanwezig is. Een verstevigingvan de lokale teams staat vanuit de hervormingsagenda en het toekomst-scenario op de agenda. Dat vraag om goede aansluiting bij de bestaandesamenwerkingsverbanden, zoals bijvoorbeeld het netwerk zorg-straf, eenintensief samenwerkingsverband tussen verschillende ketenpartners metinbegrip van het Openbaar Ministerie en de Raad voor de Kinderbe-scherming en de Reclassering, een programma dat sinds een jaar of vier,vijf bestaat. In dit model komt er een regionaal veiligheidsteam dat dielokale teams aanvult met expertise. Het zorgt voor goede aansluiting opaanpalende domeinen, zoals de volwassenen-ggz. Mevrouw Bruyningnoemde de domeinverbindende samenwerking; dat zijn mooie woordendie tot uitdrukking brengen wat de bedoeling is. Dat vraagt eendoelmatige organisatie. Daarbij moet ook rekening worden gehouden metde krapte op de arbeidsmarkt die niet minder zal worden. Er zijnmisschien steeds minder mensen beschikbaar om dit goede werk te doen.Met het besluit voor de ontwikkelingsrichting van een regionaal veilig-heidsteam is een belangrijke stap gezet. De contouren heeft u in de briefkunnen lezen. Als het goed gaat, als het zover komt, komt er eenzelfstandige organisatie, waarin verschillende taken bij elkaar zijngevoegd, dat wil zeggen een bundeling van taken die nu nog bij verschil-lende organisaties zijn belegd, met een decentrale aansturing, zodatnauwe samenwerking wordt geborgd met de lokale teams in 25 regio’s.Dat is de beoogde schaalgrootte om enerzijds voldoende massa enkwaliteit te kunnen borgen en anderzijds het beste aan te sluiten bij delokale teams. We sluiten dus aan bij de in het jeugddomein bekenderegio-indeling. Dat bespoedigt ook de transitie. Het is van belang om tewaarborgen dat de RVT’s kwaliteit, continuïteit en rechtsgelijkheidbewerkstelligen en dat ze doelmatig zijn georganiseerd. Dat vraagt dat wevastleggen op welke wijze deze waarborgen kunnen worden verankerd engemonitord en dat het toezicht hierop kan worden georganiseerd, zoweldoor de gemeenten als door het Rijk.Voorzitter. De heer Stoffer vroeg wat de winst is van een geheel nieuwestructuur die lijkt op de bestaande. Nou, het doel van de RVT’s is niet omde structuur te veranderen. Het doel is om de professionals en dewerkprocessen die bij elkaar horen ook bij elkaar te brengen. Uit alleanalyses komt naar voren dat dit moet gebeuren op een manier die goedaansluit bij het decentrale sociale domein. Daar hoort een regionaleindeling bij. De teleurstellingen van de vorige stelselwijziging hebbenvooral betrekking op de versnippering, op dat estafettemodel dat ikbedoelde, en op het dubbele werk dat hieruit voortgekomen is. Het is juistdoor deze lessen dat we nu denken dat het goed is om de zaken meer teintegreren in één organisatie, genoemd regionaal veiligheidsteam. Datvergt een nieuwe structuur. Daarbij vinden we dat die regionale veilig-heidsteams ieder een publiekrechtelijke organisatie moeten zijn, want hetbehelst hier wel overheidsingrijpen.Voorzitter. De heer Ceder en mevrouw Westerveld vragen om eeninschatting van de duur van de reorganisatie en de omvang van dekosten. In de komende maanden wordt de ontwikkelrichting naderuitgewerkt, inclusief de beoogde transitiemiddelen en de structurelefinanciële randvoorwaarden. Morgen heb ik een nader overleg over definanciële onderbouwing, zowel over de structurele financiën als detransitiekosten. Op die basis gaan we ons hard maken om de benodigdetransitiemiddelen op tafel te krijgen. De volgende stap en het daaraanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104967 gekoppelde gewenste transitiepad zullen afhankelijk zijn van deuitkomsten van die uitwerking en de mogelijkheden tot financiële dekking.We streven ernaar medio 2025 besluitvorming te hebben over de inhoudvan de stelselwijziging en de bijbehorende aanpassingen in de wetgeving.Bij de uitwerking en bij de besluitvorming zal het inderdaad de vraag zijnwat dit betekent voor de professionals die nu werkzaam zijn in het veld.Dat is een belangrijke vraag, die mevrouw Westerveld terecht op tafellegde. Zorgvuldigheid is geboden om de mensen niet te verliezen bij eendergelijke omvangrijke verandering van het stelsel. We hebben oog voorde impact die deze veranderingen op hen kunnen hebben. We willen deprofessionals juist duurzaam in de positie brengen dat zij ook in hun eigenbeleving hun werk goed kunnen doen en daar meer voldoening aanontlenen. De proeftuinen laten zien dat de betrokken professionals metveel meer voldoening hun werk kunnen verrichten en ook het gevoelhebben dat zij beter werk doen. Dat wenkend toekomstperspectief is ookhoopgevend. Het geeft bij ons in ieder geval de hoop dat wij het veld meekunnen krijgen als het zover komt. Daarbij hebben we in de uitwerkingook de problematiek van de cao’s voor ogen.De voorzitter:Staatssecretaris, was u aan het einde gekomen?Staatssecretaris Struycken:Ik ga nog meer zeggen over de proeftuinen en de continuïteit.De voorzitter:Mevrouw Van den Hil, ik stel dan voor om uw interruptie nu te doen. Gaatuw gang.Mevrouw Van den Hil (VVD):Even over die omvorming. Vanwege mijn verleden – ik heb zelf in eenraad van toezicht van een GI gezeten – word ik getriggerd. Ik vraag me af:ondersteunen de vorm en de inhoud dit? Kunnen de gemeenten dat aan?Daar ben ik namelijk echt wel benieuwd naar. Ik zal er verder niet overuitweiden, maar met name bij dat stukje heb ik wat andere ervaringen.Staatssecretaris Struycken:Ik vind het moeilijk om de vraag in detail te beantwoorden. Ik weet wel datde VNG als een van de opdrachtgevers nauw betrokken is bij dit heleproces. Dat veronderstelt dat zij kennis hebben van wat er in degemeenten nodig is. Ik noemde wel dat versterking van de lokale teamseen belangrijk aspect is. Die zijn nauw ingebed in de gemeenten.Onderdeel van het hele proces is ook dat we werken aan meer eenvor-migheid en een gezamenlijk handelingskader dat ook behulpzaam zalkunnen zijn voor het lokale toezicht vanuit de gemeente, bijvoorbeelddoor de gemeenteraad. Voorzitter, ik hoop dat ik hiermee de vraag hebbeantwoord.De voorzitter:Mevrouw Van den Hil schudt nee, maar het was ook geen duidelijkevraag. Het moet echt een vraag zijn, zoals «dit wil ik weten» of «hoe zitdit?». Het moet geen proza zijn; het moet scherp zijn.Mevrouw Van den Hil (VVD):Goed, dan wordt die heel duidelijk. Ik snap dat gemeenten zeggen dat zehet zelf kunnen overzien, maar wat vindt de Staatssecretaris? Denkt deStaatssecretaris dat ze het werkelijk overzien en hoe gaat hij datmonitoren? Dat is waar ik angst voor heb.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104968 Staatssecretaris Struycken:Die versterking van de lokale teams is een belangrijk element. Daarin ligtbesloten dat dat misschien soms beter kan. De beoogde opzet van 25regionale veiligheidsteams is er juist op gericht om additioneleversterking en ondersteuning te bieden. Daarin wordt de expertisesamengebracht. Die combinatie van factoren maakt dat ik er, op basis vanwat ik weet, vertrouwen in heb dat dat in de meeste gevallen zo zal zijn. Ikheb u nog niet genoemd dat, daar waar zal blijken dat het niet goed gaat– laten we eerlijk zijn: het zal vroeg of laat ergens niet goed gaan – er danook mogelijkheden zijn om in te grijpen. Ik wil straks zeggen ... Ik ga hetstraks niet meer zeggen, maar ik doe het nu uit mijn hoofd: het is eendecentraal stelsel, maar er komt een sterke landelijke organisatiebovenop, een overkoepelend scenario, een terugkerend landelijkbestuurlijk overleg. Als ultimum remedium komt er een mogelijkheid voorhet Rijk om daar waar het echt niet anders kan, in te grijpen. Hoe datprecies vorm krijgt, kan ik nu nog niet zeggen; dat wordt uitgewerkt. Dezecombinatie van maatregelen moet in die nieuwe structuur borgen dat hetniet louter een decentrale structuur is, maar dat het een decentralestructuur is met adequate versterking op diverse niveaus en ook eenmogelijkheid tot ingrijpen daar waar het onverhoopt toch misgaat.Ik ga door met de vraag van de heer Crijns: hoe verder na de proeftuinen?Het huidig programma loopt tot en met 2026. Wij verwachten in hetvoorjaar van 2025 uw Kamer te kunnen melden hoe het preciesverdergaat met de toekomstscenario’s. Het is duidelijk dat de vraag hoewe na 2026 doorgaan, uitwerking verdient. We zijn hierover met allepartners en met de proeftuinen in gesprek. Ik neem ook de vrijheid tereflecteren op de vraag van mevrouw Rikkers, die de uitnodiging deed omhet niet al te juridisch te maken. Die uitnodiging is altijd goed als erjuristen in het gesprek zitten. Ik herken dat wel; ik herken de handelings-verlegenheid, zoals dat in het jargon heet. We hebben samen een soortwerkbezoek afgelegd aan een proeftuin. Daar bleek dat er bij de diverseprofessionals angst bestaat om het niet goed te doen. Dat betreft metname de gegevensuitwisseling, de AVG. Er bestaat angst om informatie tedelen. Het eigenaardige en problematische met de AVG is dat het heelvaak de perceptie is dat het niet kan. Er kan meer dan we denken, maarwe weten niet precies hoe het zit. Dat is een van de problemen die we opwillen lossen met de nieuwe structuur. Doordat je de taken van verschil-lende organisaties samenbrengt in één organisatie vervallen dus ook deschotten voor informatie-uitwisseling. Dat is een belangrijke component,maar dat is voor de toekomst. Op de korte termijn zal ik zeker vanuitJustitie en Veiligheid trachten behulpzaam te zijn om beter te inventari-seren waar een AVG-probleem is en waar niet, zodat die handelingsverle-genheid geen obstakel vormt om in de huidige situatie al te komen tot eenbetere vorm van samenwerking.Mevrouw Rikkers-Oosterkamp (BBB):Ik ben het helemaal eens met wat de Staatssecretaris zegt. Ik wil er welgraag een winstwaarschuwing bij geven. Wij hebben in de gemeentemeegemaakt dat het zelfs in de gemeentelijke organisatie moeilijk was omgegevens te delen met andere afdelingen. We moeten er dus nietautomatisch van uitgaan dat het, als er heel veel organisaties in éénstelsel zitten, dan wel gaat lukken. Kaders zijn daar dus wel heelbelangrijk.Staatssecretaris Struycken:«Winstwaarschuwingen» vind ik een onaangenaam woord, in hetalgemeen, maar zeker ook hier, maar u heeft helemaal gelijk. De belem-meringen zijn veel talrijker. Niet alleen de wet zit in de weg. Er zijn ookIT-systemen. Als dezelfde informatie op een andere manier wordtuitgevraagd, moet ze nog een keer gevraagd worden, maar dan netTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104969 anders. De functionaliteit en toegankelijkheid van de informatie zijn ookafhankelijk van hele andere factoren. Duidelijke feitelijke informatie is daareen onderdeel van. Dat is een project. Er zijn niet alleen juridische, maarook praktische knelpunten in de huidige situatie.Voorzitter. Mevrouw Paulusma vroeg of de proeftuinen wel verderkonden. Ik heb daar al iets over gezegd en hoop dat dat voldoende is. Ikzie dat Staatssecretaris Karremans hierom moet lachen.Mevrouw Bruyning vroeg of de stelselwijziging voldoende doordacht endoeltreffend is. Dat is een belangrijke vraag. Het punt waar we nu staan iseen resultante van een langdurig proces van doordenken. We leunenzwaar op die proeftuinen als richtinggevend voor waar we naartoe willen.Die proeftuinen behelzen meer dan doordenken. Dan is het al gedaan. Datgeeft mij wel vertrouwen dat het niet de zoveelste stelselwijziging is, maareen die is ingegeven door praktische ervaringen en juist ook vanuit derealiteit van de complexiteit, vanuit de complexiteit zoals ze werkelijkwordt ervaren. De proeftuinen liggen aan de basis van dat nieuwe model.Het gevoelen is sterk door allen die betrokken zijn bij die proeftuinen dathet op die manier echt kan werken en ook voldoening geeft en leidt totbetere resultaten in de zin van veel minder beschermende maatregelen,veel minder ingrijpen vanuit de rechtsbescherming. Of het voldoendedoordacht is, zal ook in belangrijke mate afhangen van de uitwerking,maar de basis is goed. Eén element zou ik nog wel expliciet willen maken.Verschillende sprekers vanavond vroegen of er wel voldoende geluisterdwordt naar de kinderen en de ouders, de ervaringsdeskundigen. Op ditpunt lijkt me dat essentieel. Ik vertrouw erop dat dat al gedaan is. Maarhet is zeker voor mij een aandachtspunt dat we dat blijven doen op allemomenten dat we in een fase van besluitvorming zitten.Mevrouw Westerveld vroeg of het toekomstscenario echt een nieuwezelfstandige organisatie moet zijn. Dat is een belangrijke vraag, die ikdaarom nog een keer wil adresseren. De overtuiging van alle betrokkenenis dat een nieuwe, zelfstandige organisatie nodig is, omdat alleen dandaadwerkelijk die estafette kan worden doorbroken en de gezinsgerichteaanpak werkelijk vorm kan krijgen. Er is nu een veelheid van organisatiesmet vrijblijvende afspraken en dan gaat het niet. Want iedere organisatiedie betrokken is, heeft een eigen focus. Er is te veel overlap. Te vaakmoeten dezelfde vragen worden gesteld, aan zowel het kind als deouders. Er zijn te veel belemmeringen voor informatie-uitwisseling en datbetekent inderdaad dat je tot een nieuwe organisatie moet komen om datte doorbreken. Vandaar het voornemen om oude organisaties zoals VeiligThuis en de gecertificeerde instellingen geheel op te doen gaan in deregionale veiligheidsteams. Minder lagen, minder organen, vereenvou-diging.Dan kom ik op de vraag van de heer Ceder over de jeugdreclassering.Waarom is de keuze gemaakt om de jeugdreclassering daarbuiten telaten? Sinds de Wet uitvoeringsketen strafrechtelijke beslissingen 2020 isde verantwoordelijkheid voor het stelsel van tenuitvoerlegging vanstrafrechtelijke beslissingen belegd bij de Minister van Justitie engedelegeerd aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming op dit moment.De gedachte achter deze wet is dat de Staatssecretaris Rechtsbe-scherming daardoor beter in staat is om regie te houden op het stelselvan tenuitvoerlegging, want met centrale aansturing kunnen uniformiteiten rechtsgelijkheid beter gewaarborgd worden. Afgelopen septemberheeft de Inspectie Justitie en Veiligheid een onderzoek uitgebracht over dezorgen rondom de doorlooptijden in de jeugdstrafrechtketen. Omvoldoende grip te hebben en te houden op de jeugdstrafrechtketen alsgeheel en meer specifiek op hoe jeugdigen door de keten heen gaan, achtde inspectie een gecoördineerde aanpak vanuit de gezamenlijke visie vanbelang. Dat betekent dat er meer regie moet zijn op de jeugdreclassering.Daar komt nog de zorg bij de inspectie en bij ons bij dat er maar weinigspecialistische kennis over het jeugdstrafrecht beschikbaar is. Ook dit isTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104970 een reden om de jeugdreclassering te centraliseren om de expertise teborgen. Tot zover het blokje over regionale veiligheidsteams en alles watdaarmee verband houdt.De voorzitter:Dank u wel. Mevrouw Bruyning.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank aan de Staatssecretaris voor zijn antwoorden tot nu toe. Ik heb nogwel even een vraag over de regionale veiligheidsteams. Is de Staatssecre-taris van mening dat de juridische basis waarop de regionale veiligheids-teams zouden kunnen werken waarvoor ze bedoeld zijn, al voldoende isgelegd? Of moet daar nog iets aan gebeuren?De voorzitter:Graag een bondig antwoord.Staatssecretaris Struycken:Wij verwachten dat diverse aanpassingen in de wetgeving nodig zijn. Inde komende maanden gaan we die verder inventariseren.De voorzitter:Gaat u verder.Staatssecretaris Struycken:Ik kom bij de vraag ...De voorzitter:Ik hoor u goed, maar wilt u het opnieuw doen, want anders is het geenonderdeel van het verslag.Staatssecretaris Struycken:Het past mij nog wel aandacht te besteden aan de vraag van mevrouwPaulusma of er voldoende urgentie wordt gevoeld. Ja. Zoals ookStaatssecretaris Karremans tot uitdrukking bracht wordt die urgentiebreed gevoeld. Dit is het meest complexe dossier dat ik in mijn porte-feuille heb aangetroffen. We hebben de afgelopen weken en maanden ergveel tijd besteed om hierin verder te komen. Dat heeft geleid tot hetbesluit van eind oktober. Dat is een grote stap. Het is nog lang niet delaatste stap, maar die wordt sterk ingegeven door de overtuiging die wijallen hebben – dat geldt ook op het departement van Justitie en Veiligheidin zijn totaliteit – dat wij hiermee verder moeten. Die stap die wij eindoktober hebben gezet, is echt van betekenis, ook al is het slechts eenontwikkelrichting en ook al is de financiële dekking nog niet geborgd.Maar daar blijft het niet bij, want het is evident dat in de rechtsbe-scherming van kinderen en ouderen het een en ander beter moet. Hetverheugt mij te kunnen zeggen dat u daarover in de komende weken eenbrief ontvangt: de contourenbrief Rechtsbescherming jeugd, en ouders,voeg ik daaraan toe.Voorzitter. Mevrouw Bruyning had nog een vraag over de kinderrechten-toets. De Kinderombudsman ontwikkelt momenteel een kinderrechten-toets die toegepast kan gaan worden op wetgeving en beleid dat kinderenaangaat. Deze ontwikkeling wordt met belangstelling gevolgd. Naarverwachting is deze kinderrechtentoets eind dit jaar gereed. Na opleveringdaarvan zal ik breed bespreken hoe dit instrument het beste kan wordengebruikt bij het maken van beleid.De voorzitter:Mevrouw Bruyning. Ik zit even te kijken. Ik wil bij vijf even de rem eropzetten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104971 Mevrouw Bruyning (NSC):Ik heb een korte vraag.De voorzitter:Het is uw vijfde.Mevrouw Bruyning (NSC):Oké.De voorzitter:Dus daarna is het klaar.Mevrouw Bruyning (NSC):Prima. Heel streng mag u zijn. Daarvoor bent u voorzitter. Even een vraagaan de Staatssecretaris. Als de kinderrechtentoets eind december klaar isen de Staatssecretaris gaat bespreken hoe hij deze gaat toepassen, is hijdan ook van mening dat eventueel de kinderrechtentoets met terugwer-kende kracht op bestaand beleid of wetgeving die over kinderen gaat, zoumoeten worden toegepast, om daarvan te kunnen leren?Staatssecretaris Struycken:Ik doorzie niet helemaal wat terugwerkende kracht in dit geval behelst. Dekinderrechtentoets zal niet tot geheel nieuwe inzichten moeten leiden. Diereflecteert waarschijnlijk zoals het nu al moet zijn. Die zal zeker vanwaarde zijn, ook bij de beoordeling van wat er op dit moment gebeurt.De heer Crijns vroeg hoe het kan dat jongeren soms eerst een delictmoeten plegen voordat ze hulp krijgen. Met het toekomstscenarioproberen we een integrale, gezinsgerichte aanpak te ontwikkelen. Die gaater hopelijk toe leiden dat al veel vroeger de juiste hulp wordt ingezet,zowel voor de ouders als voor de kinderen. De bedoeling is dat wedaarmee voorkomen dat moeilijk gedrag ontspoort in crimineel gedrag. Ikkan het ook anders zeggen. Juist het weggaan van het estafettemodelleidt er hopelijk toe dat er veel eerder passende hulp beschikbaar komt,doordat experts ten aanzien van criminaliteit al veel eerder een plaats aantafel hebben en daarmee ook een stem om crimineel gedrag tevoorkomen.Dan kom ik bij de vraag van mevrouw Van den Hil over de ouders en hunrol bij crimineel gedrag van hun kinderen. Met het programma Preventiemet gezag bieden we onder andere veel preventieve maatregelen aan omvroege signalen van afglijden een halt toe te roepen, bijvoorbeeld doorgesprekken van de politie met jongeren en hun ouders. Een familiege-richte aanpak met ouderinterventies is onderdeel van het programmaPreventie met gezag, dat binnen Justitie en Veiligheid een grote rol speelt.Het recent ontwikkelde landelijk kwaliteitskader Effectieve jeugdinter-venties voor preventie van jeugdcriminaliteit gaat helpen om bij voorkeurbewezen effectieve interventies in te zetten. Wanneer een minderjarige isverwezen naar HALT, een buitenstrafrechtelijke afdoening voor minderja-rigen bij lichte vergrijpen, kan ouders gevraagd worden een passendestrafmaatregel vorm te geven en die samen met het kind uit te voeren. Datis onderdeel van HALT. Door zo ouderlijke betrokkenheid te stimuleren,wordt ingezet op het vergroten van de opvoedvaardigheden van oudersen het vergroten van de motivatie van het gezin om gedragsveranderingteweeg te brengen.In het regeerprogramma is opgenomen dat het kabinet werkt aan extramogelijkheden om ouders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid.De Kamer wordt over de uitwerking van deze voorstellen in het voorjaarvan 2020 geïnformeerd en dan wordt ook de motie van het voormaligKamerlid Verkuijlen, die gewezen heeft op het belang van uitbreiding vanouderaansprakelijkheid, in heroverweging genomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104972 De voorzitter:Ik neem aan 2025.Staatssecretaris Struycken:Inderdaad, het voorjaar van 2025, als onderdeel van de evaluatie vanPreventie met gezag.Mevrouw Westerveld vroeg naar de pilot kosteloze rechtsbijstand. Uit depilot is heel duidelijk naar voren gekomen dat dit echt meerwaarde heeft.De besluitvorming hierover moet worden voorgelegd aan de minis-terraad. Nog voor de begrotingsbehandeling van Justitie en Veiligheid op20 en 21 november informeer ik uw Kamer over mijn plannen voor hetstructureel maken en over de reikwijdte. Dus vol verwachting klopt onshart.Mevrouw Westerveld had ook een vraag over rechtsbijstand aan kinderen.Gebleken is dat de ondersteuning van kinderen in gerechtelijke proce-dures onvoldoende is gewaarborgd. Uit de evaluatie van de pilot volgt datdie meerwaarde er is, maar van meerwaarde is ook het vaker toewijzenvan een bijzonder curator of ondersteuning door een pedagoog,ervaringsdeskundige of vertrouwenspersoon. Ik herken dat er verbete-ringen nodig zijn in de manier waarop kinderen op een kindvriendelijkemanier participeren in juridische procedures. Dat geldt trouwens nietalleen bij de jeugdbescherming, maar dat geldt ook voor echtsscheidings-situaties. In de contourenbrief Rechtsbescherming die ik zojuist aankon-digde voor de komende weken, kom ik daar ook op terug. Ik wil in heteerste kwartaal van het volgend jaar met de rechtspraak en anderebelangenorganisaties verder spreken over de manier waarop dit kanworden verbeterd. Hiermee wil ik ook zicht krijgen op welke middelendaarvoor nodig zijn.Voorzitter. Dan kom ik op de vraag van de heer Stoffer over de rol van derechter. In de contourenbrief die ik zojuist noemde, komen de maatregelente staan die de rechtsbescherming van ouders en kinderen versterken.Daarbij zal ik ook duidelijk maken wat dit voor de rechter betekent. Ik voegdaaraan toe dat ik vorige week maandag een bezoek heb gebracht aan derechtbank in Den Bosch om daar te spreken met familierechters die sterkebetrokkenheid hebben, maar ook nauw betrokken zijn bij de mogelijkheidom een actievere en voortijdigere rol te spelen, zelfs voordat een formeeltraject gaande is. De motivatie bij de rechtspraak is op dit punt zeer groot.Voorzitter. Dan kom ik op de vraag van de heer Ceder met betrekking totlandelijke gezinsvertegenwoordigers. De gezinsvertegenwoordiger maaktonderdeel uit van de brede aanpak die is ontwikkeld en in Haaglandenwordt toegepast en onderzocht. Gezinnen in een echtscheidingssituatieworden bij deze aanpak ondersteund door een gezinsvertegenwoordigeren een scheidingsadviesteam. Circa 70 gezinnen worden inmiddelsgevolgd om te toetsen of deze werkwijze helpt. De resultaten komen rondde zomer beschikbaar. We zien dat er binnen gemeenten ook andereinitiatieven zijn voor de aanpak van scheidingen, zoals scheidingsloketten.Veel hangt af van de hulpvragen die in de betreffende gemeente leven.Staatssecretaris Karremans en ik zetten ons in om de goede voorbeeldenen de ontwikkelde kennis breed onder de aandacht te brengen. Dat doe ikzeker ook vanuit Justitie en Veiligheid, want juist ik als nieuw bewinds-persoon met een overzicht over mijn hele portefeuille herken het beelddat complexe echtscheidingen vaak aan de wortel liggen van heel veelandere problematiek. Ik denk hierbij ook aan schuldenproblematiek.Dan kom ik op mijn een-na-laatste item.De heer Ceder (ChristenUnie):Ik ben blij dat er nu onderzoek loopt, dat gezinnen gevolgd worden en datin de zomer de resultaten komen. Ik zou natuurlijk graag willen dat ditgewoon bestendigd wordt en dat dit wordt uitgerold. Het is goed voor deouders, kinderen en zelfs ook voor de staatskas. Daarom zou ik graagTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104973 willen weten wat er na de zomer gebeurt als de resultaten bekend zijn. Bijeen positief resultaat mag ik natuurlijk hopen dat de Staatssecretaris ookgaat kijken hoe dit in beleid bestendigd kan worden, omdat er volgens mijalleen maar voordelen aan kleven. Ik ben dus toch wel even benieuwdnaar een haakje en naar wanneer de Kamer daarover geïnformeerd kanworden.Staatssecretaris Struycken:Door te vermelden dat het mij opvalt dat de echtscheidingsproblematiekzo vaak een rol speelt op de achtergrond of aan de basis ligt van andereproblematiek, geef ik al wel aan dat ik denk dat we daar beleidsmatig opallerlei manieren naar oplossingen moeten zoeken. Ik kan dat nu nietconcreter maken, want dat vergt nadere verdieping en studie mijnerzijds.Maar ik kan u verzekeren dat ik dit zie als een aanleiding om daar serieusmee verder te gaan.De voorzitter:Kort nog.De heer Ceder (ChristenUnie):Omdat we het er al een paar jaar met elkaar over hebben en het numondjesmaat op gang lijkt te komen, zou ik toch willen kijken of we eenstap verder kunnen gaan. Zou de Minister in ieder geval de Kamer kunneninformeren wanneer de resultaten beschikbaar zijn? Ik heb begrepen datdit rond de zomer is. Kan de Minister dan een voortgangsrapportagesturen aan de Kamer? Het kan zijn dat we ermee stoppen omdat deresultaten tegenvallen. Indien de resultaten echter positief zijn, willen weeen plan hoe we dit verder kunnen bestendigen.De voorzitter:Een verzoek om een voortgangsbrief voor de zomer.Staatssecretaris Struycken:De resultaten van de pilot zullen zeker een weerslag krijgen in een briefmet eventuele beleidsvoorstellen. Ik sluit niet uit dat er in eerderevoortgangsbrieven over andere dossiers aandacht zal worden besteed aanechtscheidingsproblematiek. Ik zeg toe dat ik de resultaten van deevaluatie van de pilot zal neerleggen in een brief aan de Kamer, metdaarin ook beleidsvoorstellen.De voorzitter:Dank u. Gezien de tijd wil ik iets tegen de Staatssecretaris zeggen. Het is22.00 uur. Ik wil proberen om 23.00 uur te eindigen, dus ook met detweede termijn van de Kamer. Zonder afbreuk te doen aan de beant-woording, verzoek ik u om iets bondiger in te gaan op de vragen.Staatssecretaris Struycken:Ik heb nog twee vragen die ik wil beantwoorden. De ene is een vraag vanmevrouw Bruyning met betrekking tot onderzoek. Het betreft de uithuis-plaatsingen in verband met de kinderopvangtoeslagen. U bent bekendmet de rapporten die reeds gepubliceerd zijn in 2022 en in 2023. Op ditmoment doet de onafhankelijke commissie-Hamer onderzoek naar derelatie tussen de toeslagenaffaire en uithuisplaatsingen. Ik verwacht datdit onderzoek op korte termijn, binnen enkele maanden, gereed is. Verderdoen de gecertificeerde instellingen, de Raad voor de Kinderbeschermingen de Rechtspraak zelf elk een reflectieonderzoek op het eigen handelen.Ook die onderzoeksrapporten worden in de komende maanden verwacht.Die rapporten krijgt u, zodra ik ze heb ontvangen. Dan volgt er zeker eenintegrale beleidsreactie. Ik verwacht dat samen te doen met mijn collega’sTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104974 van VWS en Financiën. Die laatste is de Staatssecretaris Toeslagen enDouane.Daarmee ben ik erdoorheen. Dank u wel.De voorzitter:Heel goed. Dank u wel. Ik weet dat de Staatssecretaris van VWS nog eenpaar antwoorden heeft liggen. Ik geef het woord aan de heer Karremans.Staatssecretaris Karremans:Dank, voorzitter. Allereerst was er nog een vraag van mevrouw Van denHil over de gezinstherapeut in het zorgprestatiemodel. Het kan zijn dat ikde vraag niet helemaal begrepen heb. Het zorgprestatiemodel gaat overggz voor 18-plus. Vragen daarover kunnen in het volgende ggz-debatworden beantwoord. Specifiek voor jongeren onder de 18 jaar geldt datgemeenten de ruimte hebben om gezinnen met multiproblematiek telaten ondersteunen, bijvoorbeeld door gezinstherapie en een gezinsge-richte aanpak. Een mooi voorbeeld daarvan zit overigens in Drenthe. Datantwoord doe ik in de aanbieding. Met korting.Mevrouw Van den Hil (VVD):Geen cent te veel, op z’n Zeeuws.De voorzitter:Er wordt een Zeeuwse opmerking gemaakt door collega Van den Hil. Maarhet is een Rotterdamse Staatssecretaris. Die gaat gewoon door met zijnbetoog.Staatssecretaris Karremans:Er was nog een vraag van mevrouw Bruyning over het internationaleverdrag van de rechten van het kind. Er is door de Staatssecretaris al ietsgezegd over de kinderrechtentoets. Als de IGJ iets constateert wat niet inlijn is met het internationaal verdrag, dan moet een instelling verbeter-maatregelen treffen. Het kabinet waardeert verder de herziening van hetstappenplan Het beste besluit van de Kinderombudsman. Waar mogelijkvragen we daar ook aandacht voor.Dan de bijzondere kosten van de pleegzorg. Mevrouw Westerveld haddaarnaar gevraagd. Ik had al iets gezegd over de kinderopvangkosten. Datwas een poging om die vraag te beantwoorden. Ik kan er nog bij zeggendat de Handreiking tarifering en inkoop pleegzorg van vorig jaar eenbelangrijke stap was voor de uniformiteit, maar ook voor de financieringen vergoedingen in de pleegzorg. Komende maand evalueren we diehandreiking onder leiding van de VNG, met gemeenten, aanbieders enpleegouders. Dat kan ik daarover zeggen.Mevrouw Bruyning vroeg hoe ik van plan ben de zorg van de Raad vanState en de Algemene Rekenkamer over het vormgeven van de hervor-mingsagenda weg te nemen. De hoofdpunten zagen op samenhang, opde vraag waarom specialistische jeugdhulp regionaal en niet landelijkwordt ingekocht, en op het verduidelijken van het begrip «beschik-baarheid». Al deze onderwerpen zijn opgenomen in het nader rapport. Datheeft u in april ontvangen.Ik dacht de vraag over de arbeidsmarkt al beantwoord te hebben.Gaat u stoppen met de subsidie voor de arbeidsmarktagenda? Dat waseen vraag van mevrouw Westerveld. Daarvan zei ik dat VWS al ruim vijfjaar subsidie geeft, samen met JenV, aan het Arbeidsmarktfonds FCB voorhet leveren van goede voorbeelden en handreikingen op thema’s als goedwerkgeverschap, inwerken van personeel en aanpakken van agressie.Subsidie is echter niet alleen de oplossing. De subsidie loopt nog totbegin 2026. Heroriëntatie is nodig; dat zeggen de betrokken partijen zelfook. Daarover zijn wij nu in overleg. Dat is het antwoord op de vraag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104975 De voorzitter:Ik dank u beiden. Ik kijk even naar de collega’s of er nog vragen zijn blijvenliggen. Zo niet, dan kijk ik even naar de Kamer. Wilt u meteen door, of wiltu nog een minuutje om af te stemmen? Zo niet, dan gaan we door. Ik wil uvooral verzoeken om te komen tot een soort afronding, zo nodig metafconcluderende moties – dit is een WGO, dus u kunt ook motiesindienen. Dan gaan we beginnen. Mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Als we het hebben over afconcluderen: mijn conclusie is in ieder geval datonze agenda te vol zat, waardoor we te weinig tijd hadden, en dat we hetveel vaker over jeugdzorg moeten gaan hebben, ook omdat er nogal forseambities zijn en we de afgelopen jaren hebben gezien dat die niet zijngehaald. Dat verwijt ik uiteraard deze bewindspersonen niet, maar hetstelt mij wel teleur dat we in het regeerprogramma soortgelijke bewoor-dingen zien en dat ik urgentie mis. Volgens mij was ik daarover vrijduidelijk in mijn eerste termijn. Omwille van de tijd zal ik dat nietherhalen.Ik heb een aantal moties, vier in totaal.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat uit artikel 12 van het VN-Kinderrechtenverdragvoortkomt dat alle jongeren het recht hebben hun mening te geven overzaken die hen aangaan;constaterende dat er wel een landelijke financiële regeling is bij OCW voorjongeren die in het bestuur zitten van een politieke jongerenorganisatie(PJO) en van organisaties die de belangen van studenten en leerlingenvertegenwoordigen;constaterende dat daarentegen de belangen van jongeren in eenkwetsbare positie niet structureel zijn verankerd in beleid, zoals ervarings-deskundigen in de (jeugd)zorg, chronisch zieke jongeren of zwerfjongeren;verzoekt de regering dit soort organisaties net als politieke jongerenorga-nisaties en studenten- en scholierenorganisaties te faciliteren en struc-tureel financieel te ondersteunen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.Zij krijgt nr. 1033 (31 839).Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Misschien dat een aantal mensen bij OCW deze motie bekend voorkomt.In januari, toen we de begroting behandelden, diende ik een onderzoeks-motie in waarin we vroegen om de mogelijkheden te onderzoeken om, netals bij OCW, jongerenorganisaties structureel financieel te ondersteunen.Het lijkt ons namelijk heel goed dat jongeren een structurele stem hebben.We hebben bijvoorbeeld het LAKS, LBVSO, de JOB, het ISO en de LSVb.Die doen allemaal harstikke goed werk, net als onze politieke jongerenor-ganisaties. Ik zou heel graag willen dat VWS dat overneemt. We hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104976 daar al een paar jaar discussie over, dus ik heb nu in de motie even heelduidelijk gemaakt wat wij willen.Dan de volgende motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de inspectie IGJ bij een meerderheid van de bezochtejeugdzorginstellingen tekortkomingen constateert als het gaat omonderwijs, het inlichten van jongeren over hun rechten en toegang tot eenvertrouwenspersoon;constaterende dat hiermee kinderrechten worden geschonden, omdat nietwordt voldaan aan zowel de Jeugdwet als het Internationaal Verdraginzake de rechten van het kind;overwegende dat door de Kamer herhaaldelijk is gewezen op deze zakenen er diverse aangenomen moties liggen en toezeggingen zijn gedaan;verzoekt de regering om met de aanbieders voortvarend te werken aanoplossingen, te zorgen dat er uiterlijk over een jaar geen tekortkomingenmeer zijn waarbij kinderrechten worden geschonden, en de Kamerproactief te informeren als dit niet lukt,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.Zij krijgt nr. 1034 (31 839).Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat in het evaluatierapport van de pilot kosteloze rechtsbij-stand kinderbescherming wordt geconcludeerd dat kinderen onvoldoendeworden ondersteund in procedures rond gezagsbeëindiging enuithuisplaatsing;constaterende dat het van groot belang is dat kinderen worden gehoord;overwegende dat in veel Europese landen kinderen wél een eigenrechtsbijstandverlener hebben;constaterende dat er verschillende partijen zijn die de rol van proceson-dersteuner op zich kunnen nemen, zoals een bijzonder curator, eenkindbehartiger, een ervaringsdeskundige of een vertrouwenspersoon;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104977 verzoekt de regering om voor de zomer in kaart te brengen hoe standaardbijstand aan minderjarigen rond kinderbeschermingsmaatregelen vormkan krijgen en de Kamer hierover te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.Zij krijgt nr. 1035 (31 839).Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Dan de laatste motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de rechtspositie van ouders die te maken krijgen metkinderbeschermingsmaatregelen ongelijk is met die van de overheid;constaterende dat een pilot met kosteloze rechtsbijstand is begonnen in2023 voor ouders die te maken krijgen met gezagsbeëindiging of(spoed-)uithuisplaatsing;overwegende dat het evaluatierapport over de pilot positief is, maar datdie afloopt op 1 januari 2025;verzoekt de regering om van de pilot structureel beleid te maken, daarbijde verbeterpunten uit het evaluatierapport in ogenschouw nemende,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.Zij krijgt nr. 1036 (31 839).Dank, mevrouw Westerveld, voor uw tweede termijn. Dan kom ik bijmevrouw Van den Hil van de VVD. Sorry, excuus, mijn fout. Ik zit weer inde commissiesfeer. Het is laat. Ik moet de volgorde even goed aanhouden.De heer Crijns. Excuus.De heer Crijns (PVV):Het is inderdaad heel laat, voorzitter. Ik wil de beide Staatssecretarissenbedanken voor hun beantwoording. Ik wil even kwijt dat onze fractie hetniet over ABA heeft gehad omdat dit onderwerp gewoon een heelbelangrijk onderwerp is en goed moet worden besproken hier in deKamer. Ik hoop dat mevrouw Paulusma dit debat op de rol laat staan.Helaas is ze nu niet meer aanwezig, maar ik hoop dat ze meekijkt.Onze fractie heeft nog enkele moties. Een van de moties betreft dat dePVV van mening is dat de verwijsindex een goed instrument is. Met deverwijsindex heb je een beter inzicht in welke hulpverlening betrokken isbij het kind. Ouders en kinderen kunnen niet zomaar weglopen van ofwegduiken voor de benodigde zorg. Dan ga ik nu naar mijn moties toe.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104978 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de verwijsindex een waardevol instrument is voor desamenwerking tussen jeugdzorginstanties, scholen en gemeenten;verzoekt de regering om de verwijsindex in de Jeugdwet te behouden, deindex door te ontwikkelen tot een breder zorgsignaalinstrument en ervoorte zorgen dat de index op een eenduidige en gelijkmatige manier wordttoegepast door alle betrokken partijen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Crijns.Zij krijgt nr. 1037 (31 839).De heer Crijns (PVV):Ik heb nog een andere motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat jongeren uit problematische thuissituaties vaak op hun18de verjaardag zonder stabiel vangnet komen te staan en daardoor risicolopen dakloos te raken;overwegende dat het voor deze jongeren essentieel is om tijdig eenwoonplek te vinden;verzoekt de regering te onderzoeken of het mogelijk is voor jongeren omzich vanaf 17 jaar in te laten schrijven bij woningbouwverenigingen, zodatzij tijdig kans maken op een woonplek bij het bereiken van hun 18deverjaardag, en de Kamer hierover te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Crijns.Zij krijgt nr. 1038 (31 839).De heer Crijns (PVV):Er is een hele hoop personeelstekort in de zorg, ook in de jeugdzorg.Daarom wil ik de volgende motie indienen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104979 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het personeelstekort aanhoudt en nog steeds groeiendeis;overwegende dat het van belang is om gekwalificeerd personeel terug tewinnen om de jeugdzorg effectief te laten functioneren;verzoekt de regering om samen met werkgevers te kijken hoe voormaligjeugdzorgpersoneel kan worden verleid, binnen de huidige beleidsregelsen financiële kaders, om weer in de zorg te komen werken, en de Kamerhierover te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Crijns.Zij krijgt nr. 1039 (31 839).De heer Crijns (PVV):Mijn laatste motie gaat over de administratielasten voor jeugdzorginstel-lingen.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat verschillende gemeentes vaak uiteenlopende eisenstellen aan zorgaanbieders, wat leidt tot inefficiëntie en extra administra-tieve lasten voor de zorgaanbieders;overwegende dat deze versplintering ertoe leidt dat zorgaanbieders meertijd kwijt zijn aan het voldoen aan verschillende lokale eisen in plaats vanaan het leveren van zorg aan jongeren;verzoekt de regering om in samenwerking met gemeentes een plan teontwikkelen voor meer uniformiteit in de eisen die gesteld worden aanzorgaanbieders binnen de jeugdzorg,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Crijns.Zij krijgt nr. 1040 (31 839).De heer Crijns (PVV):Ik wil de Staatssecretarissen danken voor de beantwoording. Vanuit mijnrechteroog zie ik een vraag komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104980 De voorzitter:Ik dank u, meneer Crijns. U heeft inderdaad een interruptie van mevrouwWesterveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik heb eigenlijk twee vragen, over twee verschillende moties. Mijn eerstevraag betreft de laatste motie. Volgens mij is het al de afspraak datgemeentes steeds meer gaan uniformeren. Mijn vraag is dus wat dezemotie toevoegt.Mijn andere vraag gaat over de motie over de verwijsindex. De Kamerwas daar inderdaad in meerderheid voor, ook na signalen. Dat wordt metdeze motie teruggedraaid. Wat mij betreft is dit gewoon jojobeleid. Mijnvraag is dus waarom de heer Crijns deze motie indient.De voorzitter:Een vraag over twee moties. U kunt op allebei ingaan.De heer Crijns (PVV):Ik begin bij de laatste. Wij krijgen van gemeentes heel veel signalen dat deverwijsindex gewoon goed helpt en dat ze daar heel goed mee uit devoeten kunnen. Ik was laatst op werkbezoek bij de gemeente Parkstad, inHeerlen, en daar vertelde men mij dat een gezin uit Rotterdam onder deradar was gekomen en voor zorg bij de gemeente Heerlen aanklopte. Datis toen kortgesloten in een gesprek met Rotterdam: wat speelt er en wat iser aan de hand? Het is gewoon een heel goed instrument om hiermee aande slag te gaan. De gemeentes staan ook te springen om een heel goedinstrument. We moeten er verder ook voor zorgen dat de vroegtijdigesignalering voor jongeren wordt opgepakt.De andere vraag was of we het kunnen betrekken bij ... Uniformiteit isgewoon heel belangrijk. De administratieve lasten moeten omlaag endeze motie zet dat kracht bij.De voorzitter:Kort, mevrouw Westerveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik snap het; de tijd.Maar gemeenten mogen dit gewoon al doen. Het voorbeeld van de heerCrijns mogen gemeenten nu al doen, maar gemeenten hoeven het alleenniet meer te doen, omdat er ook signalen waren van gemeenten die ergeen gebruik van maakten en omdat er onnodig veel geld naartoe ging.Bovendien waren er ook vragen over onder meer de privacy. Dus vandaar.De voorzitter:Geen behoefte aan een reactie, meneer Crijns? Nee? Oké, dan gaan wedoor. Dan kom ik bij de heer Stoffer van de SGP. Het is ook voor mij eenbeetje verwarrend, maar u bent nu de volgende oppositiepartij!De heer Stoffer (SGP):Dat bracht mij ook wat in verwarring, want dat hebben we nog niet vaakmeegemaakt. Ik moet zeggen dat wij niet vaak de tweede oppositiepartijwaren.De voorzitter:Het kan snel gaan.De heer Stoffer (SGP):Ja. Het aantal zetels had ik graag nog wat mee laten groeien, maar ...Voorzitter. Dank aan beide Staatssecretarissen voor de uitgebreidebeantwoording van zowel onze vragen als die van onze collega’s. Er ligtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104981 ook een enorme uitdaging voor beiden in dit veld. Ik denk dat datvanavond ook wel weer helder is geworden.Als laatste dank voor het stukje catechisatie en de les over de katholiekeheiligenleer. Ik moet zeggen dat ik dat wel prachtig vond. Ik denk niet datik Staatssecretaris Struycken daarin zal verbeteren. Over Bijbelkenniskunnen we nog wel discussiëren, maar dit wint hij.Voorzitter, tot slot heb ik één motie en die luidt als volgt.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de Jeugdwet, artikel 2.3, vierde lid, gemeentenverplicht om bij de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijsrekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensover-tuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders;overwegende dat dit recht op keuzevrijheid en identiteitsgebonden zorgonder druk staat door de manier waarop gemeenten jeugdhulpcontracteren;verzoekt de regering in gesprek te gaan met gemeenten en jeugdzorgaan-bieders om te bezien hoe het recht op identiteitsgebonden zorg in depraktijk functioneert, welke maatregelen er eventueel genomen kunnenworden om «uitholling» van dit recht tegen te gaan, en de Kamer hieroverte informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Ceder.Zij krijgt nr. 1041 (31 839).De heer Stoffer (SGP):Dat was het, voorzitter. Dank u wel.De voorzitter:Dank u, meneer Stoffer. Dan kom ik bij mevrouw Van den Hil, VVD.Mevrouw Van den Hil (VVD):Voorzitter, dank, en ook dank aan beide Staatssecretarissen. Maar metname dank aan de ondersteuning voor alles, want eerlijk gezegd doen dietoch het meeste werk. Ook dank aan de ondersteuning van de Kamer ende voorzitter. En er zitten ook nog steeds mensen braaf op de tribune, hè!Het is wat uitgedund, maar ze zijn er nog wel.Voorzitter. Ik wil een aantal dingen nog even aanstippen. Ik ben blij dat deStaatssecretaris Nu Niet Zwanger volgend jaar meeneemt en terugkoppeltwat we daarmee gaan doen.De andere Staatssecretaris gaf aan dat er gewerkt wordt aan de ouderaan-sprakelijkheid. Ik neem aan dat daar ook het verhalen van schade in zit,want ik wil beide Staatssecretarissen echt meegeven dat zij moetenzorgen dat ouders de dirigent zijn van hun eigen kamerorkest. Eerst deproblemen oplossen en dan pas verder! En als het dan misgaat, ook echtaanpakken.Het toekomstscenario jeugdbescherming. Het is goed dat er ook centraalingegrepen kan worden. Dat was waar ik naar zocht, want dat is iets watTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104982 in het verleden echt niet kon. Daar liepen wij toen ook tegenaan. Ik hebhier zelf op het Ministerie van Justitie gezeten en ik kon niks. Dat is op zichdus een goeie.Dan heb ik één motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat juist kinderen die specialistische (complexe) jeugdzorgnodig hebben nu lang op de wachtlijst staan;constaterende dat gezien de krappe arbeidsmarkt personele inzet schaarsis en goed ingezet dient te worden;overwegende dat het belangrijk is dat er voor kinderen die specialistische(complexe) jeugdhulp nodig hebben snel hulp beschikbaar is;roept de regering op gemeenten te vragen in hun regiovisie niet alleen inte gaan op de aanpak van wachttijden, zoals in het wetsvoorstel en deAMvB worden bepaald, maar ook op hoe zij de gewenste beweging naarvoren concreet willen organiseren zodat hulp ook bij de meest kwetsbarenterechtkomt;verzoekt de regering in het kader van haar stelselverantwoordelijkheidgemeenten daarbij te ondersteunen, de ontwikkelingen in de regio’s op ditvlak actief te volgen en de relevante wet- en regelgeving die hierbij vanbelang is zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Van den Hil, Rikkers-Oosterkamp,Bruyning en Stoffer.Zij krijgt nr. 1042 (31 839).Mevrouw Van den Hil (VVD):Als laatste zou ik het volgende willen zeggen. Hou de hervormingsagendaals leidraad vast, monitor goed, zorg voor een totaaloverzicht zodat alleorkesten de partituren in hetzelfde tempo spelen, neem de leiding en beneen goede dirigent, zodat u beiden volgend jaar misschien bij Maestroterechtkunt.De voorzitter:De lat wordt hoog gelegd. Heel goed, mevrouw Van den Hil. Dan kom ik inde nieuwe volgorde bij de heer Ceder.De heer Ceder (ChristenUnie):Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Gezien de tijd heb ikeen motie en die wil ik graag voorlezen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104983 Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de overheid mede de randvoorwaarden schept vooreen samenleving waarin onze kinderen goed kunnen opgroeien;overwegende dat de verantwoordelijkheid van deze overheid voor onzekinderen dus verder strekt dan de jeugdzorg;overwegende dat deze randvoorwaarden zoals een woning, een goedklimaat, een sterk maatschappelijk middenveld en goed onderwijs onderdruk staan en jongeren zich zorgen maken over hun toekomst enperspectief missen;verzoekt de regering te komen met een integrale visie op de toekomst vanonze kinderen die de verantwoordelijkheid van de overheid schetst op inieder geval de beleidsterreinen wonen, onderwijs, klimaat en zorg, en demaatregelen die de regering neemt om het toekomstperspectief vankinderen en jongeren te verbeteren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.Zij krijgt nr. 1043 (31 839).De heer Ceder (ChristenUnie):Voorzitter. Volgens mij heb ik twee toezeggingen gekregen, waar ik zeertevreden mee ben, dus dank u wel. Ik kijk uit naar de verdere beant-woording.De voorzitter:Dank u. Dan kom ik bij mevrouw Bruyning.Mevrouw Bruyning (NSC):Dank, voorzitter. Ik dank de Staatssecretarissen voor hun antwoorden. Ikwil nog even opmerken dat ook wij als fractie het niet over ABA hebbengehad, omdat wij het een heel belangrijk onderwerp vinden zoals collegaCrijns ook al aangaf. We hopen inderdaad dat mevrouw Paulusma het opde agenda laat staan voor het plenaire debat, omdat het alle aandachtverdient.Ik heb drie moties, dus ik zal een beetje opschieten.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat de overgang van jeugdzorg naar volwassenenzorg voorveel jongeren op hun 18de verjaardag nog steeds problematisch enonvoldoende gecoördineerd verloopt, wat kan leiden tot ontsluiting vanzorg en ondersteuning;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104984 constaterende dat een «warme overdracht», waarbij zorgverleners uit dejeugd- en volwassenenhoek goed samenwerken en informatie gedeeldwordt, essentieel is voor een soepele overgang en continuïteit van zorg;ervan overtuigd dat de Big Five-benadering, een set van vijf kwaliteits-standaarden voor het zorgtraject, succesvol kan bijdragen aan deverbetering van deze overgang, met daarbij aandacht voor de jongere alspersoon, inclusief mentale gezondheid, sociale steunnetwerken,onderwijs/werk en woonplek;roept de regering op:–te onderzoeken of het concept van de warme overdracht als standaard-procedure wordt opgenomen in de afspraken tussen gemeenten enjeugdzorginstellingen, zodat elke jongere een vloeiende overgang kanervaren, zonder plotselinge onderbrekingen van hun zorgtraject;–gemeenten aan te sporen de implementatie van de Big Five aan tehouden als een essentiële voorwaarde voor het afbouwen vanjeugdzorg en het voorkomen van zorgvacuüms, met als doel dejongere centraal te stellen in hun transitie;–de effectiviteit en implementatie van deze maatregelen periodiek teevalueren, via de monitoring van de Hervormingsagenda Jeugd, en bijte sturen waar nodig, in nauwe samenspraak met betrokken zorgpro-fessionals en de jongeren en hun families zelf,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Bruyning, Van den Hil en Ceder.Zij krijgt nr. 1044 (31 839).Mevrouw Bruyning (NSC):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat kinderen en jongeren vaak afhankelijk zijn van dienstenen voorzieningen die onder de verantwoordelijkheid van meerdereministeries vallen, met name het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijnen Sport en het Ministerie van Justitie en Veiligheid;constaterende dat gebrek aan samenwerking en afstemming tussen dezeministeries kan leiden tot versnippering van beleid, waardoor de integraleondersteuning en ontwikkeling van het kind in het gedrang komt;van mening dat een gezamenlijke, breedgedragen visie op het kind en zijnontwikkeling essentieel is voor het waarborgen van samenhangende eneffectieve dienstverlening;roept de regering op om te bevorderen dat het Ministerie van VWS en hetMinisterie van JenV de samenwerking en samenhang tussen deprogramma’s Hervormingsagenda Jeugd en Toekomstscenario kind- engezinsbescherming nader intensiveert en binnen de kaders van deactiviteiten regelmatig evalueert waarbij ook andere relevante ministeriesbetrokken worden;Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104985 verzoekt de regering in samenspraak met betrokken maatschappelijkeorganisaties, zorgprofessionals en vertegenwoordigers van kinderen enjongeren ervoor te zorgen dat de visie uit de programma’s aansluit bij deactuele behoeften en uitdagingen van de doelgroep,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Bruyning.Zij krijgt nr. 1045 (31 839).Mevrouw Bruyning (NSC):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat ervaringsdeskundigen unieke inzichten bieden diebeleidsmakers kunnen helpen bij het ontwikkelen van effectieverjeugdbeleid, dat het huidige beleid vaak tekortschiet in het adresseren vande werkelijke behoeften en uitdagingen van jongeren, en dat hetbetrekken van ervaringsdeskundigen bij het beleidsvormingstraject kanleiden tot meer inclusieve en op maat gemaakte oplossingen;overwegende dat het essentieel is dat beleid niet alleen over jongerengaat, maar ook met hen wordt ontwikkeld;verzoekt de regering om een structureel platform op te zetten waarervaringsdeskundigen op het gebied van jeugdbeleid regelmatig kunnenbijdragen aan beleidsvorming en -evaluatie, om te zorgen voor eenevenwichtige vertegenwoordiging van diverse groepen jongeren,waaronder die met verschillende achtergronden en ervaringen, om actiefsamen te werken met bestaande organisaties en netwerken die zichrichten op jongerenparticipatie en ervaringsdeskundigheid, en om deKamer regelmatig te informeren over de voortgang en resultaten van dezebetrokkenheid van ervaringsdeskundigen bij het jeugdbeleid,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Bruyning en Ceder.Zij krijgt nr. 1046 (31 839).Mevrouw Bruyning (NSC):Dank u wel.De voorzitter:Heel goed. Dank, mevrouw Bruyning. Ik neem aan dat u aan het eindebent gekomen van uw tweede termijn. Mevrouw Rikkers.Mevrouw Rikkers-Oosterkamp (BBB):Dank u wel, voorzitter. Wij hebben geen moties. Ik wil graag de Staatsse-cretarissen en ook de medewerkers bedanken voor de beantwoording. Hetis fijn om te zien dat jullie onze zorgen delen. Ik kijk uit naar het volgendedebat.Dank u wel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104986 De voorzitter:Dank u wel. Ik dank de Kamerleden voor hun tweede termijn. Er zijn watmoties ingediend. We hadden bij het WGO Cultuur een schorsing van tienminuten en dat kan nu ook. Ik ben ervan overtuigd dat er op uw depar-tement driftig is meegeschreven door iedereen die heeft meegeluisterd. Ikzou dus zeggen: doe uw best. Ik schors de vergadering voor tien minuten.De vergadering wordt van 22.32 uur tot 22.42 uur geschorst.De voorzitter:Nog even een shout-out naar iedereen die fysiek aanwezig is of dit debatonline volgt; heel goed dat u het volhoudt. We gaan naar de tweedetermijn van de zijde van het kabinet. Ik geef eerst het woord aan deStaatssecretaris van VWS.Staatssecretaris Karremans:Dank, voorzitter. Ik begin met de motie van mevrouw Westerveld over definanciering van jongerenorganisaties. Daarvoor verwijs ik naar het debat.Ik heb daarop antwoord gegeven en gezegd dat wij een aantal jongerenor-ganisaties wel degelijk structureel financieren.Dan de motie van mevrouw Westerveld ...De voorzitter:U moet duidelijk zeggen «ontraden», «oordeel Kamer» of «ik neem hetover». U zei: ik verwijs naar het debat.Staatssecretaris Karremans:Wat zei ik? Ik zei niks, gewoon blanco. Ontraden, helaas. Excuus, u heefthelemaal gelijk; het is laat. Ik ontraad de motie. Ik zal het nummer er ookbij zeggen; dat is wel handig, hè?Dan de motie op stuk nr. 1034: «verzoekt de regering om met deaanbieders voortvarend te werken aan oplossingen, te zorgen dat uiterlijkover een jaar geen tekortkomingen meer zijn waarbij kinderrechtenworden geschonden en de Kamer proactief te informeren als dit niet lukt».Als ik ’m zo mag interpreteren dat ik mijn uiterste best ga doen omvoortvarend samen met aanbieders die tekortkomingen aan te pakken,dan wil ik ’m oordeel Kamer geven, maar ik kan natuurlijk geen garantiesgeven. Dus als ik ’m zo mag interpreteren, dan wil ik ’m oordeel Kamergeven, maar dat is even aan de indiener.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):We gaan dit gewoon heel scherp controleren de komende tijd. Maar ik heber alle vertrouwen in dat als de Staatssecretaris zegt «ik ga mijn uiterstebest doen», hij ook zijn uiterste best gaat doen.De voorzitter:Voor de scherpte zeg ik nog even dat u met uw uitleg de motie oordeelKamer geeft.Staatssecretaris Karremans:Dan de eerste motie van de PVV, de motie op stuk nr. 1039. De tellingloopt niet door in mijn stapeltje. De heer Crijns heeft drie motiesingediend en ik begin bij de eerste.De voorzitter:Dat kan, want dan liggen de andere moties bij de andere bewindspersoon.Het is even wat het is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104987 Staatssecretaris Karremans:Ik zal ’m noemen. Deze motie gaat erover dat we kijken hoe we voormaligjeugdzorgpersoneel kunnen verleiden weer terug te keren naar dejeugdzorg. Die krijgt oordeel Kamer.Dan de motie over de verwijsindex. Dat is de motie op, even kijken – hetwordt nu en soort Twee voor Twaalf – stuk nr. 1037. Ontraden, ook ...Mevrouw Van den Hil (VVD):Ik heb even een interruptie over de motie op stuk nr. 1040.De voorzitter:Dan gaan we even terug naar de achtste motie, die u oordeel Kamer gaf.Mevrouw Van den Hil (VVD):Ik snap de motie en ik onderschrijf ’m ook helemaal, maar volgens mijheeft u ditzelfde toegezegd in een debat naar aanleiding van een vraagvan mij. Dan is de motie overbodig en kunt u ’m overnemen. Ik vind hetvervelend, maar anders is het zonde.Staatssecretaris Karremans:Ik wil ’m ook wel overnemen.De voorzitter:De suggestie aan het kabinet is helder. Het is aan de Staatssecretaris omte bepalen of het oordeel Kamer of overnemen is.Staatssecretaris Karremans:Het klopt wat mevrouw Van den Hil zegt. Ik wil de motie ook welovernemen. Ik kijk even naar de indiener. Ja, ik neem de motie over.De voorzitter:Als we de motie overnemen, komt ze niet meer in stemming, zeg ik evenvoor de helderheid.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Volgens mij is dit de zevende motie, want het gaat toch over het zorgper-soneel. Of niet?De voorzitter:Neenee. Even stoppen. Even iets meer orde. We zijn nu bij de motie opstuk nr. 1040. Er komt een interruptie van mevrouw Van den Hil. Het waseen oordeel Kamer richting de PVV. Hier wordt de suggestie aan hetkabinet gedaan om de motie over te nemen. De Staatssecretaris zegt dan:ik neem ’m over. Ik zie de heer Crijns knikken. Daarmee is de motieovergenomen en komt ze niet meer in stemming.Staatssecretaris Karremans:De motie op stuk nr. 1039. Maar dat maakt het verhaal niet anders.De voorzitter:Het verhaal blijft hetzelfde maar dan hebben we het over de zevendemotie in uw stapel, de motie van de heer Crijns. De heer Crijns heeft daareen opmerking bij.De heer Crijns (PVV):Ja, inderdaad, u had het over de achtste motie, mevrouw Van den Hil.Staatssecretaris Karremans:Er lopen allemaal dingen door elkaar heen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104988 De voorzitter:Ik ga het nu even anders doen. Ik verzoek de Staatssecretaris om datstapeltje aan te houden qua nummering, anders gaat het niet goed. Dienummers moeten we expliciet noemen, anders ga ik het ook niet goedbijhouden. Laten we deze dan even opnieuw doen.Staatssecretaris Karremans:De motie op stuk nr. 1039 hebben we gehad. Die was oordeel Kamer. Datis helder, denk ik.Dan pak ik de motie op stuk nr. 1040. Die is ook oordeel Kamer en diewordt dan overgenomen.De voorzitter:Dan kijk ik even naar de indiener of dat akkoord is. Is het akkoord dat diewordt overgenomen?De heer Crijns (PVV):Als de Staatssecretaris een toezegging heeft gedaan richting mevrouwVan den Hil, neem ’m dan maar over.De voorzitter:Maar «overgenomen» betekent ook dat hij de motie omarmt, zeg maar.De motie-Crijns (31 839, nr. 1040) is overgenomen.Staatssecretaris Karremans:De motie op stuk nr. 1039 hebben we gehad.Voor de motie op stuk nr. 1037 over de VIR verwijs ik naar het debat, wantdaarin heb ik al uitleg gegeven. Ik moet erbij zeggen dat ik zei dat het degemeenten vrijstaat om de VIR te blijven gebruiken, maar ik bedoelde datze een alternatief kunnen gebruiken, dus niet de VIR zelf, maar eenalternatief. Dat om dat even recht te zetten. Voor de rest verwijs ik naarhet debat en is het oordeel: ontraden.Dan de motie van de PVV op stuk nr. 1038: verzoekt de regering teonderzoeken of het mogelijk is jongeren vanaf 17 jaar zich te lateninschrijven. Die is oordeel Kamer en die neem ik mee naar mijn collega’svan VRO en LMZ.Dan de motie op stuk nr. 1042 van VVD, PVV, BBB over complexe zorg.Deze verzoekt de regering in het kader van de stelselverantwoordelijkheidgemeenten te ondersteunen, de ontwikkelingen in de regio’s op dit vlakactief te volgen en de relevante wet- en regelgeving die hierbij van belangis zo spoedig mogelijk naar de Kamer te sturen. Oordeel Kamer.Dan de motie op stuk nr. 1041 van de ChristenUnie en de SGP overidentiteitsgebonden zorg. Daarover moet ik zeggen dat signalen dat hetontbreekt aan diversiteit in het aanbod ons niet bekend zijn. Er ligtnatuurlijk wel een wettelijke taak bij gemeenten om hierin te voorzien,zoals ik al aangaf. Gemeenten kiezen jeugdzorgaanbieders waarmee zesamenwerken op basis van lokale behoefte, beschikbare voorzieningen enspecifieke expertise. Enkele christelijke aanbieders die vaak doorgemeenten worden gecontracteerd, zijn Yulius, De Hoop en Eleos. Dat isde Griekse god voor de personificatie van medelijden, maar dat wist deheer Stoffer natuurlijk. Als de Kamer dit wil kan ik hierover in gesprekgaan met gemeenten, dus dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.Dan heb ik de motie van de ChristenUnie op stuk nr. 1043 over de visie.Daar moet ik even wat uitleg bij geven. Die ga ik ontraden, maar ik snapde gedachte zeker. Maar er ligt al een Visiedocument OOK in Balans overouderschap en opvoeding. Dat document is opgesteld door Pharos en hetNCJ, in nauwe samenwerking met het Ministerie van VWS en eenexpertgroep op het gebied van ouderschap, opvoeden en kinderen. In hetkader van de hervormingsagenda zijn we in gesprek met deze partijen omhieraan concreter uitvoering te geven. Het gaat erom concreet te makenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104989 wat onze kinderen en gezinnen nodig hebben om weer sterk op eigenbenen te staan. Daarnaast is het belangrijk om te noemen dat er eennationale jeugdstrategie komt en dat er een interdepartementale aanpak isvoor gezinnen in kwetsbare situaties en kinderarmoede. Nog eenvisiedocument gericht op jeugdigen en gezinnen voegt daar niet veel aantoe. Maar ik hoop dat de roep om een visiedocument op die manier ookbeantwoord wordt. De vraag om een nieuw visiedocument moet ikontraden. Dat is het antwoord op die motie.Dan heb ik de motie van de NSC op stuk nr. 1044. Die is oordeel Kamer.Dit is de motie op stuk nr. 1046. Het toekomstscenario heeft een panel vanervaringsdeskundigen opgezet, dus dat is er. Dat denkt actief mee met detotstandkoming van de resultaten van het programma. In het kader van dehervormingsagenda zijn cliëntenorganisaties, waar ook ervaringsdeskun-digen werken, betrokken bij werkgroepen, stuurgroepen en bestuurlijkoverleg. Bij de hervormingsagenda werken we met een leefwereldtoetswaarmee we de impact op een brede groep jongeren, waaronderervaringsdeskundigen, toetsen. We toetsen of veranderingen op termijnleiden tot zichtbare verbeteringen. Het panel en de leefwereldtoetsvormen het platform waar u in uw motie naar verwijst. Als ik ’m dus zomag uitleggen en interpreteren, geef ik ’m graag oordeel Kamer. Ik deelgraag de uitkomsten van elke leefwereldtoets met de Kamer, inclusief watwe daarmee hebben gedaan.Dan hebben we de motie op stuk nr. 1045. Die roept op om te bevorderendat de Ministeries van VWS en JenV samenwerking en samenhang tussenprogramma’s nader intensiveren. Ja, dat zien we zitten? Dat gaan wedoen. Dat is prima.Dan heb ik tot slot nog een amendement.De voorzitter:Ik kom nog even terug op de motie op stuk nr. 1045. «Dat gaan we doen»lijkt op overnemen. Of is dat oordeel Kamer?Staatssecretaris Karremans:Ja, oordeel Kamer.De voorzitter:Ja, oordeel Kamer. De motie op stuk nr. 1045 is dus oordeel Kamer. Datgeldt ook voor de vorige.Staatssecretaris Karremans:Dan tot slot over het amendement op stuk nr. 102, van de heer Stoffer. Erwas er maar een in het hele debat; dat is dus één nummer. Ditamendement zet in op het vergoeden van relatieversterking ten behoevevan minder jeugdzorggebruik, waarbij de dekking uit artikel 1 van de wetop de volksgezondheid wordt voorgesteld. Ik ga ’m ontraden. Scheiden iseen individuele keuze van ouders zelf. Inzet van de overheid is om bijscheiding schade voor gezinnen te voorkomen. Dat zien we ook in Twente.Complexe scheidingsproblematiek en laagdrempelige hulp zijn eengemeentelijke aangelegenheid. Dat werkt daar ook goed. Financiering vanrelatieversterking is geen rijksaangelegenheid. Er zijn, zoals ik al zei,mooie voorbeelden, zoals de inloopspreekuren voor ouders met relatie-problemen en het online cursusaanbod Ouders Inc. Voor complexescheidingen wordt ingezet op het delen van mooie voorbeelden en hetbreed verspreiden van kennis en kunde om van elkaar te leren. Daaroveris dat gezegd en ik ontraad ’m.Dan ben ik er doorheen, voorzitter.De voorzitter:Voor de goede orde: er lag één amendement, en dat amendementbrengen we niet in stemming bij de komende stemmingsronde. Dat volgtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104990 later dit jaar. Dat is even goed om te weten. Dan kom ik bij de laatstemoties en geef ik het woord aan de Staatssecretaris Rechtsbescherming.Staatssecretaris Struycken:Er liggen nog twee moties, die op stuk nr. 1035 en stuk nr. 1036, beide vanmevrouw Westerveld. De motie op stuk nr. 1035 geef ik oordeel Kamer ende motie op stuk nr. 1036 geef ik oordeel Kamer.De voorzitter:Fantastisch, heel goed. Dat moeten we vaker zo hebben: hup, gelijk eruit.Dank! Ik heb nog een lijstje met toezeggingen. Dat ga ik nog evenvoorlezen. Ik kijk naar de Kamerleden met de vraag om er even met mijscherp op te zijn of ik iets ben vergeten. Dat geldt ook voor het kabinet. Zokunnen we dat nog aanvullen. Dank voor uw geduld. Ik ga het evenvoorlezen. De toezeggingen die zijn gedaan, zijn als volgt.–De Staatssecretaris van VWS komt in de Voortgangsbrief Jeugd terugop de ambitie dat per 2028 een op de tien jongeren gebruikmaakt vande jeugdzorg.Ik zeg het even op die manier. Ja, dat is in de Voortgangsbrief.–Twee. De Staatssecretaris van VWS komt in de Voortgangsbrief Jeugdterug op zijn gesprek met gemeenten en zorgaanbieders om tijdig metjongeren te komen tot een toekomstplan.–Drie. De Staatssecretaris van VWS zegt toe dat de antwoorden opvragen van de Kamer – dat is die hele set die al eerder is genoemd –over de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg voor de kerst naarde Kamer komen.–Voor het plenaire debat over dakloosheid informeert de Staatssecreta-ris Langdurige en Maatschappelijke Zorg de Kamer over de voortgangom dakloosheid onder jongeren te voorkomen. Dat gaat u samen metuw collega op het departement ...Staatssecretaris Karremans:Ik doe dat niet; het is de portefeuille van mijn collega Maeijer. Zij komterop terug vóór 19 december. Dat is geen nieuwe toezegging.De voorzitter:Oké, check. Ik had ’m even voor de zekerheid genoteerd. Goed om ’m nogeven te herhalen. Dan komt het volgende punt.–Eind dit jaar heeft de Staatssecretaris VWS een gesprek over de pilotvan schaduwgezinnen. Hij informeert daar de Kamer over. Dat is hetvoorstel van Stoffer.Staatssecretaris Karremans:Er vindt een gesprek plaats, niet met mijzelf. Dat zal ambtelijk wordengevoerd. Het is het verzoek van de heer Stoffer en ik informeer de Kamerdaarna over de voortgang van de motie.De voorzitter:Dank u. Volgende punt.–De Staatssecretaris Rechtsbescherming informeert in het voorjaar van2025 de Kamer over hoe verdergegaan wordt met de proeftuinen.–De Kamer ontvangt in de komende weken een contourenbriefrechtsbescherming jeugd en ouders.Als het goed is, ga ik gewoon door.–De Kamer wordt in het voorjaar van 2025 geïnformeerd over voorstel-len als onderdeel van de evaluatie Preventie met Gezag.Staatssecretaris Struycken:De Kamer wordt geïnformeerd, maar niet als onderdeel van Preventie enGezag. Ze wordt wel geïnformeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104991 De voorzitter:Oké. Dan vullen we dat op die manier in.–De Staatssecretaris Rechtsbescherming komt in de voortgangsbriefterug op de resultaten uit de pilot rondom echtscheidingsproblema-tiek.–Voor de begrotingsbehandeling JenV wordt de Kamer geïnformeerdover de plannen met betrekking tot kosteloze rechtsbijstand.Tot slot heb ik genoteerd:–In de komende maanden ontvangt de Kamer een integrale beleidsreac-tie op het onderzoek naar de toeslagenaffaire en de uithuisplaatsingen.Als ik iets nog niet heb genoemd, dan is nu het moment. MevrouwWesterveld.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Ik begon niet voor niets in mijn inleiding en daarna ook in een debat overhet spoeddebat dat we acht maanden geleden hadden over de situatie bijZIKOS en dat ik daarna bij jongeren heb nagevraagd hoe het zat met denazorg. Zij waren erg teleurgesteld. Ik zei tegen de Staatssecretaris: gamet ze in gesprek, stel een pot met geld beschikbaar, zorg dat er ietsgebeurt. Ik ben dus wel benieuwd wat daar nu de opvolging is. Wat mijbetreft komt er echt erkenning, ook in de vorm van ondersteuning. Als ergeld nodig is, hoop ik dat deze Staatssecretaris ook daarnaar kijkt.Staatssecretaris Karremans:Volgens mij heb ik daar best wel uitgebreid op gereageerd in het debat.Het is allemaal al in gang gezet.Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):Van de jongeren hoor ik dat het nu echt onvoldoende is. Ik geef het maareven mee.De voorzitter:Ik kijk of een van de collega’s nog iets wil zeggen. Nee. Dan wil ik u allenbedanken. De Kamerleden, de vertegenwoordigers van het kabinet, debeide Staatssecretarissen, veel dank. Iedereen op de tribune, iedereen diedit debat volgt, dank voor al uw informatie en meedenken om dit debatverder te brengen. Ik dank u voor uw geduld. Het is precies 23.00 uur.Sluiting 23.00 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 104992
Gerelateerde bronnen
- Begrotingsonderdeel Jeugd
Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 11 november 2024, over Begrotingsonderdeel Jeugd
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.