Memorie van toelichting
Brontekst
Versie e7b7a4ffc53eaabb · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 855Wijziging van het voorstel van wet tot wijzigingvan de Vreemdelingenwet 2000 en de Algemenewet bestuursrecht in verband met maatregelenom de asielketen te ontlasten en de instroomvan asielzoekers te verminderen(Asielnoodmaatregelenwet) (novelle aanpassingstrafbaarstelling illegaal verblijf)Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING I. ALGEMEEN 1. Inleiding Dit wetsvoorstel wijzigt het voorstel voor de Asielnoodmaatregelenwet(Kamerstukken 36 704, hierna: ANMW) en het daarin voorgestelde artikel108a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Dat artikel stelt illegaalverblijf in Nederland door een meerderjarige vreemdeling strafbaar alsmisdrijf. Het is aan het wetsvoorstel toegevoegd via het gewijzigdeamendement-Vondeling (hierna: het amendement).1 In haar huidige vormgeldt de strafbaarstelling in artikel 108a Vw 2000 niet alleen voorvreemdelingen zonder rechtmatig verblijf in Nederland, maar ook vooranderen die, anders dan als pleger, in strafrechtelijke zin «deelnemen»aan dit feit. Zo volgt uit het Wetboek van Strafrecht (Sr) dat als een feitstrafbaar is gesteld als misdrijf, niet alleen de pleger van dat feit strafbaaris, maar ook degene die het feit doet plegen, medepleegt of uitlokt (artikel47 Sr), of die medeplichtig is aan het feit (artikel 48 Sr). Bij betrokkenheidvan bijvoorbeeld vrijwilligersorganisaties, zorgaanbieders, stichtingen ofreligieuze instellingen kunnen – kort gezegd – in voorkomende gevallenook de betreffende rechtspersonen en functioneel leidinggevendenstrafbaar zijn (artikel 51, tweede lid, Sr). Dat artikel 108a Vw 2000 nietalleen van toepassing is op illegaal in Nederland verblijvende vreemde-lingen, maar ook op degenen die hun (daarbij) hulp bieden, wordt in detoelichting op het amendement nadrukkelijk als doel vermeld: «Personenof organisaties die illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingenhelpen onder te duiken zullen op grond van artikel 47 Sr ook strafbaarzijn».Dat artikel 108a Vw 2000 niet alleen van toepassing is op plegers van hetdaarin omschreven strafbare feit, maar bijvoorbeeld ook op medeplegersen medeplichtigen, heeft verstrekkende implicaties. Als het voorstel voorde ANMW tot wet wordt verheven, brengt artikel 108a Vw 2000, insamenhang met de genoemde artikelen uit het Wetboek van Strafrecht,1Kamerstukken II 2024/25, 36 704, nr. 44. kst-36855-3ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 31 namelijk met zich dat het bieden van hulp aan illegaal in Nederlandverblijvende meerderjarige vreemdelingen strafbaar wordt, ook als dezehulp bijvoorbeeld wordt verleend uit overwegingen van medemense-lijkheid. Het is daarom aannemelijk dat de strafbaarstelling van illegaalverblijf in artikel 108a Vw 2000 ertoe leidt dat derden die hulp verlenen,wegens deelneming aan dat feit strafbaar zullen zijn. Dit is ook eencentrale bevinding uit een voorlichting die de Afdeling advisering van deRaad van State op verzoek van de Minister van Asiel en Migratie over hetamendement heeft uitgebracht (zie hierna paragraaf 2).Het kabinet wil voorkomen dat hulpverlening door derden aan illegaal inNederland verblijvende vreemdelingen strafbaar wordt. Daarbij wil hetkabinet een duidelijke grens trekken, zodat procedures over grensgevallenworden voorkomen. Dit draagt bij aan de rechtszekerheid en past bij deverwachting dat het bij die hulp in de regel zal gaan om situaties waarinde betrokkenen uit medemenselijkheid hebben gehandeld. Daaromverzekert dit wetsvoorstel dat derden die hulp verlenen aan illegaal inNederland verblijvende vreemdelingen, daarvoor niet gestraft kunnenworden. Daartoe wordt in artikel 108a Vw 2000 vastgelegd dat deelnemenaan het daarin omschreven misdrijf, anders dan als pleger, niet strafbaaris.2. Aanleiding voor het voorstel 2.1 De ontstane discussie over het amendement Het amendement werd op 1 juli 2025 na een hoofdelijke stemmingaanvaard. Naderhand zijn in de Tweede Kamer vragen gerezen over deprecieze reikwijdte en de gevolgen van het amendement voor mensen dieuit medemenselijkheid hulp verlenen aan vreemdelingen die illegaal inNederland verblijven. Deze vragen zijn op 3 juli 2025 door de Minister vanAsiel en Migratie beantwoord. In de beantwoording is het standpuntuitgedragen dat door dit amendement ook het verlenen van hulp aanonrechtmatig verblijvende vreemdelingen strafbaar wordt. Daarbij is er opgewezen dat het Openbaar Ministerie (OM) gaat over de strafrechtelijkehandhaving van de rechtsorde, dat het kabinet de handhavingspraktijk zalvragen de strafbaarstelling van illegaal verblijf primair in te zetten tegencriminele en overlastgevende vreemdelingen en dat daarmee niet voor dehand ligt dat hulpverlening via kerken of het Leger des Heils door diestrafbaarstelling wordt geraakt.2 Tijdens het tweeminutendebatVreemdelingen- en asielbeleid op 3 juli 2025 heeft de Minister van Asiel enMigratie gezegd dat hij het niet in de rede vindt liggen dat een organisatieals het Leger des Heils of het uitreiken van een kop soep wordt vervolgdof bestraft. Daarbij heeft hij benadrukt als Minister gelet op de triaspolitica geen definitief uitsluitsel te kunnen geven over de vraag hoe hetOM en de rechtspraak het artikel zullen interpreteren.3Tegen de hiervoor geschetste achtergrond heeft de Minister van Asiel enMigratie toegezegd om, zodra het wetsvoorstel in de Tweede Kamer zouzijn aangenomen, de Afdeling advisering van de Raad van State te vragente adviseren over mogelijke strafbaarheid van derden.4 Het wetsvoorstelis vervolgens op 3 juli 2025 na een hoofdelijke stemming door de TweedeKamer aanvaard.2Antwoord op Kamervragen van het lid Boomsma, Aanhangsel Handelingen II 2024/25, nr. 2652.3Handelingen II 2024/25, nr. 104, item 44, p. 6.4Antwoord op Kamervragen van het lid Diederik van Dijk, Aanhangsel Handelingen II 2024/25,nr. 2644.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 32 2.2 De voorlichting van de Afdeling advisering van de Raad van State In opvolging van de hiervoor genoemde toezegging is de Afdelingadvisering van de Raad van State bij brief van 11 juli 2025 om voorlichtingverzocht over de vraag of een aanmerkelijke kans bestaat dat naast despecifieke gedraging als bedoeld in het amendement ook individuelegedragingen van derden uit menselijkheid of humanitaire hulp kunnenworden aangemerkt als medeplegen of medeplichtigheid en daardoorstrafbaar kunnen zijn, en daarbij te betrekken welke criteria of gezichts-punten relevant kunnen zijn als het gaat om strafbaarheid wegensmedeplegen en medeplichtigheid aan dit strafbare feit.5 Op 29 augustus2025 is deze voorlichting openbaar gemaakt op de website van de Raadvan State.6De voorlichting ziet het als een reële mogelijkheid dat het verlenen vanhulp aan iemand die illegaal verblijft in Nederland een vorm vanmedeplegen of medeplichtigheid is. De hulpverlener maakt het immersmogelijk dat die persoon illegaal in Nederland kan blijven. Bij beperktevormen van hulp, zoals het geven van een kop soep, kan al sprake zijn vanmedeplichtigheid. Er kan volgens de voorlichting zelfs sprake zijn vanmedeplegen wanneer de hulpverlener intensiever bij de vreemdelingbetrokken is, gedurende een langere tijd hulp verleent of de vreemdelinghelpt om uit het zicht van de overheid te blijven. Daarbij is moeilijk inalgemene termen te duiden waar medeplichtigheid eindigt enmedeplegen begint. Slechts in bijzondere gevallen zal de hulpverlener eenberoep kunnen doen op een strafuitsluitingsgrond, waardoor hij nietgestraft wordt ook al pleegt hij een strafbaar feit. Het is volgens devoorlichting daarom aannemelijk dat de strafbaarstelling van illegaalverblijf ertoe leidt dat hulpverleners strafbaar zijn.De voorlichting noemt een aantal verschillende mogelijkheden om ditgevolg te vermijden. Een eerste mogelijkheid die de voorlichting noemt, isom de strafbaarstelling van illegaal verblijf in haar geheel uit het voorstelte schrappen. Als het de bedoeling is om illegaal verblijf strafbaar testellen, maar niet dat hulpverleners strafbaar zijn, dan moet de strafbaar-stelling worden aangepast. Hiervoor ziet de voorlichting twee mogelijk-heden, die ook tezamen kunnen worden toegepast. Zo kan van destrafbaarstelling een overtreding in plaats van een misdrijf wordengemaakt. Bij een overtreding is medeplichtigheid namelijk niet strafbaar,waardoor de meeste hulpverleners niet strafbaar zullen zijn. Een anderemogelijkheid die de voorlichting ziet, is dat een strafuitsluitingsgrond aande strafbepaling wordt toegevoegd waaruit blijkt dat hulpverlening uitmedemenselijkheid niet strafbaar is. In dat geval kan ook een hulpverlenerdie zich schuldig maakt aan medeplegen, een beroep doen op eenstrafuitsluitingsgrond.Bij brieven van 29 augustus 2025 aan de Tweede Kamer en Eerste Kamerheeft de Minister van Asiel en Migratie gereageerd op de voorlichting vande Afdeling advisering.7 Daarin schrijft hij dat de voorlichting hem tot deconclusie heeft gebracht dat het voorstel voor de ANMW, zoals dat thansaanhangig is bij de Eerste Kamer, in die zin aanpassing behoeft dat al uitde wet moet blijken dat zowel medeplegen van als medeplichtigheid aanillegaal verblijf niet strafbaar is. Alles afwegende, inclusief de voorlichtingvan de Afdeling advisering, kiest het kabinet ervoor hulpverlening nietstrafbaar te laten zijn door zowel medeplegen als medeplichtigheid5Kamerstukken II 2024/25, 36 704, bijlage bij nr. 79.6De voorlichting is te raadplegen via: https://www.raadvanstate.nl/adviezen/@152476/w03-25-00207-ii/.7Kamerstukken II 2024/25, 36 704, nr. 80; Kamerstukken I 2024/25, 36 704, C.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 33 expliciet uit te sluiten. De strafbaarstelling van illegaal verblijf zelf blijft instand (zie hierna paragraaf 4).3. Kern van het voorstel Om te verzekeren dat hulpverleners niet strafbaar zijn, ziet de Afdelingadvisering zoals gezegd twee mogelijkheden, die ook tezamen kunnenworden toegepast. Bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel zijn dezeverschillende mogelijkheden tegen elkaar afgewogen.De eerste mogelijkheid houdt in dat illegaal verblijf als overtreding wordtgekwalificeerd in plaats van als misdrijf. Bij een overtreding is medeplich-tigheid niet strafbaar (artikel 52 Sr), waardoor de meeste hulpverlenersniet strafbaar zullen zijn. Het is echter goed voor ogen te houden dat,zoals ook uit de voorlichting blijkt, tussen medeplegen en medeplich-tigheid een gradueel verschil en daarmee een vloeiende overgangbestaat. Dit betekent dat bij een keuze om alleen medeplichtigheid nietstrafbaar te maken, niet buiten twijfel zou komen te staan dat hulpver-lening in alle gevallen buiten de reikwijdte van de strafbepaling valt. Deverwachting is bijvoorbeeld gerechtvaardigd dat juist het zogehetenkerkasiel – een proces waarbij de illegale vreemdeling daadwerkelijk aande macht van de overheid wordt onttrokken – als medeplegen kan wordengekwalificeerd.8De tweede mogelijkheid houdt in dat een strafuitsluitingsgrond aan destrafbepaling wordt toegevoegd waaruit blijkt dat hulpverlening uitmedemenselijkheid niet strafbaar is. Volgens de voorlichting zou hierin ófbepaald kunnen worden dat medeplichtigheid niet strafbaar is óf dathulpverlening uit medemenselijkheid niet strafbaar is. In dat laatste gevalkan een hulpverlener die zich schuldig maakt aan medeplegen, eveneenseen beroep doen op de strafuitsluitingsgrond.Het kabinet vindt dat hulpverlening niet strafbaar moet zijn. Uit oogpuntvan rechtszekerheid wordt het wenselijk geacht om de uitsluiting vanstrafbaarheid van hulpverlening zo vorm te geven dat over de reikwijdtedaarvan geen discussie kan bestaan. Het kabinet acht medemenselijkheideen onvoldoende bepaald begrip om als criterium te kunnen dienen. Hethoeft immers niet, in ieder geval niet in eerste instantie, de reden te zijndat gewenste en noodzakelijke hulp wordt geboden. De reden kanbijvoorbeeld ook zijn dat de beroepseed daartoe noopt of omdat, al danniet door de overheid vergoed, beleidsmatig gewenste zorg of dienstver-lening wordt geboden. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan hetgeven van behandelingen om verspreiding van infectieziekten tevoorkomen of het bieden van handelingsperspectieven bij veiligheidspro-blemen ten gevolge van verward gedrag. Daarom wordt ervoor gekozenalle deelnemingsvormen, uitgezonderd het plegen zelf, uit te sluiten. Hetwetsvoorstel beoogt daarmee te vermijden dat in de strafrechtspraktijksteeds per geval zou moeten worden vastgesteld of hulp is verleend uitmedemenselijkheid of andere motieven. Het kabinet wil procedures endiscussies over grensgevallen voorkomen.Dit betekent dat de genoemde strafbepaling zich alleen uitstrekt tot depleger: personen die volledig voldoen aan de wettelijke delictsom-schrijving. De keuze om bij deze specifieke strafbepaling de overigedeelnemingsvormen uit te sluiten, wijkt af van het in de algemeneregeling van deelneming aan strafbare feiten (Titel V van het Eerste Boekvan het Wetboek van Strafrecht) neergelegde uitgangspunt dat ookbijdragen aan een delict onder voorwaarden een vorm van strafbare8Zie de voorlichting, paragraaf 7, onder a.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 34 betrokkenheid kunnen opleveren. De wettelijke systematiek laat evenwelruimte om bij afzonderlijke delicten af te wijken van algemene uitgangs-punten. In die lijn voorziet artikel 108a Vw 2000, vanwege de genoemdedringende redenen, in een uitzondering, doordat bij deze specifiekestrafbepaling de toepasselijkheid van de overige deelnemingsvormengeheel wordt uitgesloten.De uitsluiting van de overige deelnemingsvormen bij de strafbaarstellingvan illegaal verblijf geldt niet voor de huidige strafbepalingen diebetrekking hebben op illegaal verblijf in weerwil van een inreisverbod ofongewenstverklaring.9 Een relevant verschil met de strafbaarstelling vanillegaal verblijf is dat deze laatste strafbepalingen primair zien op despecifieke omstandigheid dat jegens de desbetreffende vreemdeling eeninreisverbod of ongewenstverklaring geldt. Een ongewenstverklaring ofhet uitvaardigen van een inreisverbod is alleen mogelijk wanneerspecifieke bezwaren bestaan tegen de aanwezigheid van een vreemdelingin Nederland, hetgeen de vreemdeling bekend is omdat dit blijkt uit eenten aanzien van hem genomen besluit. In het bijzonder valt te denken aande situatie dat een vreemdeling ongewenst is verklaard, omdat dievreemdeling een gevaar vormt voor de openbare orde of nationaleveiligheid, hij bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroor-deeld wegens een misdrijf waartegen een gevangenisstraf van drie jarenof meer is bedreigd dan wel hem terzake de maatregel van terbeschikking-stelling (TBS) is opgelegd.10 Gelet hierop, is er volgens het kabinet –anders dan bij de strafbaarstelling van illegaal verblijf – bij deze specifiekestrafbepalingen geen dringende reden om van algemene strafrechtelijkeuitgangspunten af te wijken door de reikwijdte daarvan te beperken tothet plegen van het feit.Het onverkort uitsluiten van de genoemde deelnemingsvormen,waaronder medeplegen en medeplichtigheid, betekent niet dat in hetgeheel niet kan worden opgetreden tegen laakbaar handelen door derden.Daartegen kan al worden opgetreden op grond van bestaande (straf)bepa-lingen.11 Zo is hulp aan illegaal verblijvende vreemdelingen met eenwinstoogmerk zelfstandig als mensensmokkel strafbaar gesteld (artikel197a Sr).12 Van mensenhandel kan sprake zijn als iemand het oogmerkheeft om de vreemdeling uit te buiten (artikel 273f Sr). Verder kunnenmensen een boete krijgen als zij nachtverblijf verschaffen aan eenvreemdeling die illegaal in Nederland verblijft, en daarvan geen meldingdoen aan de korpschef (artikel 4.40 van het Vreemdelingenbesluit 2000).Met de wijziging die wordt voorgesteld in artikel 108a Vw 2000, wordtgeen afbreuk gedaan aan deze bestaande (straf)bepalingen.9Artikel 108, zesde lid, Vw 2000 (illegaal verblijf in weerwil van een «licht» inreisverbod), artikel197 Sr (illegaal verblijf in weerwil van een ongewenstverklaring of «zwaar» inreisverbod).10Artikel 66a, zevende lid, en 67, eerste lid, onderdeel a en b, Vw 2000. Het aangenomenamendement van de leden Rajkowski en Van Zanten (Kamerstukken II 2024/25, 36 704, nr. 52)verlaagt de grens voor het kunnen opleggen van een ongewenstverklaring jegens eenvreemdeling die bij onherroepelijk geworden rechterlijk vonnis is veroordeeld wegens eenmisdrijf van drie naar twee jaar.11Zie de voorlichting, paragraaf 3.12De verplichting tot strafbaarstelling van mensensmokkel is neergelegd in het op 15 november2000 te New York tot stand gekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, overde zee en in de lucht, tot aanvulling van het Verdrag tegen transnationale georganiseerdemisdaad (Trb. 2001, 70), Richtlijn 2002/90/EG van de Raad van 28 november 2002 totomschrijving van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaal verblijf(PbEG 2002, L 328) en Kaderbesluit 2002/946/JBZ tot versterking van het strafrechtelijk kadervoor de bestrijding van hulpverlening bij illegale binnenkomst, illegale doortocht en illegaalverblijf (PbEG 2002, L 328).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 35 4. Handhaving strafbaarstelling illegaal verblijf 4.1 Algemeen Het kabinet ziet dat het amendement veel heeft los gemaakt in desamenleving en bij maatschappelijke organisaties, ook vanwege desnelheid van het wetgevingsproces dat daaraan vooraf is gegaan. Ookerkent het kabinet dat de strafbaarstelling van illegaal verblijf voor deketenpartners in de asiel- en strafrechtsketen praktische (uitvoerings)con-sequenties met zich meebrengt. Niettemin ziet het kabinet geenaanleiding om de strafbaarstelling van illegaal verblijf te schrappen uit hetvoorstel voor de ANMW, of om op een later moment een afzonderlijkwetsvoorstel over dit onderwerp in te dienen, zoals de Raad voor derechtspraak (Rvdr) heeft geadviseerd. Strafbaarstelling kan bijdragen aaneen betere grip op migratie. Iemand die geen recht heeft op verblijf, hoortniet in Nederland thuis en zal zo mogelijk moeten vertrekken naar het landvan herkomst. Daarbij is de reikwijdte van de strafbaarstelling rechtensbeperkt tot de groep vreemdelingen die wel kunnen, maar niet willenmeewerken aan vertrek en dat effectief frustreren (zie hierna par. 4.4).Gelet op het grote belang nu met spoed maatregelen te nemen om deasielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen,kiest het kabinet ervoor de strafbaarstelling te handhaven. Hoewel ditvoorstel (technisch gesproken) er enkel toe strekt te verzekeren dat hulpaan vreemdelingen zonder rechtmatig verblijf van strafbaarheid isuitgesloten, merkt het kabinet ter verdere toelichting van deze keuze hetvolgende op.4.2 Nut en noodzaak Om te beginnen moet worden benadrukt dat ook op dit moment al wordtopgetreden tegen onrechtmatig verblijf. De in het amendement voorge-stelde strafbepaling krijgt een plaats naast de reeds bestaande strafbaar-stelling van het verblijf in weerwil van een ongewenstverklaring of zwaarinreisverbod (een misdrijf op grond van artikel 197 Sr) en de mogelijkheidtot vervolging ter zake van overtreding van een licht inreisverbod (eenovertreding op grond van artikel 108 Vw 2000). Bij dit laatste moetoverigens worden opgemerkt dat de in het amendement opgenomenstrafmaat aanvankelijk overeenkwam met die van artikel 197 Sr, dat zietop verblijf in Nederland in weerwil van een ongewenstverklaring. Bijamendement van de leden Van Zanten en Rajkowski is de strafmaat vanartikel 197 Sr echter gewijzigd naar een gevangenisstraf van ten hoogsteéén jaar of geldboete van de derde categorie, waarmee deze zich nuonderscheidt van de in het voorgestelde artikel 108a Vw 2000 opgenomenstrafmaat van een gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden ofgeldboete van de tweede categorie.13Als dit voorstel en de ANMW tot wet worden verheven, zal de bestuurs-rechtelijke inzet op terugkeer en verwijdering onverminderd leidendblijven. Handhaving zal, net als nu, primair plaatsvinden met toepassingvan de bestaande bestuursrechtelijke instrumenten, waaronder deongewenstverklaring (art. 67 Vw 2000). Daarnaast blijft het kabinetonverminderd inzetten op afspraken met de landen van herkomst en opverdere vereenvoudiging van (Europese) terugkeerprocedures. Uitein-delijk zal het antwoord op de problematiek van terugkeer en vertrekmoeten komen van het samenhangende gebruik van bestuursrechtelijkemaatregelen gericht op terugkeerondersteuning, informatievoorziening,bestuurlijke dwang en – uiteindelijk – de toepassing van strafrechtelijkesancties zoals opgenomen in het amendement. De in het voorgestelde13Kamerstukken II 2024/25, 36 704, nr. 52.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 36 artikel 108a Vw 2000 opgenomen strafbaarstelling van illegaal verblijf ende ongewenstverklaring zijn daarbij ongelijksoortige instrumenten meteen verschillende uitwerking. De strafbaarstelling is een strafrechtelijkesanctie die tot een gevangenisstraf of een boete kan leiden. Deongewenstverklaring is een bestuurlijke sanctie op basis van het illegaleverblijf en het gedrag van de vreemdeling die ertoe leidt dat de vreem-deling geen rechtmatig verblijf meer kan hebben en niet kan terugkerennaar Nederland. Het verblijf van de vreemdeling wordt daarmee tevenseen (gekwalificeerd) misdrijf. Dit misdrijf heeft, door het hiervoorgenoemde amendement van de leden Van Zanten en Rajkowski, eenhogere strafmaat. De aanwezigheid in Nederland na de oplegging van deongewenstverklaring kan worden beschouwd als een gekwalificeerdevorm van het delict onrechtmatig verblijf dat is neergelegd in artikel 108aVw 2000.Dat gezegd hebbende, meent het kabinet dat de in het amendementvoorgestelde strafbaarstelling van illegaal verblijf wel degelijk kanbijdragen aan meer grip krijgen op migratie en een effectiever terugkeer-beleid. In de optiek van het kabinet ligt het voor de hand dat een strafrech-telijke sanctie als extra negatieve prikkel bijdraagt aan gedragsbeïn-vloeding. Het kabinet verwacht dat de voorgestelde strafbaarstelling opzichzelf een afschrikwekkende werking heeft en daarmee kan helpen omillegale komst naar en illegaal verblijf in Nederland te voorkomen entegen te gaan. Uiteraard bepaalt het OM de kaders voor opsporing envervolging. Het OM heeft al aangekondigd vervolgingsbeleid te zullengaan ontwikkelen. Daarin zal de mate waarin een vreemdeling crimineelof overlastgevend gedrag vertoont als relevant belang worden betrokken.Het voorziene beleid zal zich daarnaast rekenschap geven van deinkadering zoals die in de EU-jurisprudentie over de Terugkeerrichtlijn14nader vorm heeft gekregen. In de kern komt deze jurisprudentie erop neerdat de terugkeerprocedure niet door het strafrecht mag wordenverhinderd of vertraagd.15Door de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV) is tijdens de consultatieopgemerkt dat niet valt uit te sluiten dat medewerkers van de dienst alsgevolg van het amendement mogelijkerwijs aangifte moeten doen als eenvreemdeling door diens eigen toedoen niet terugkeert. Dit vooruitzicht zouvolgens de DTenV tot gevolg kunnen hebben dat onrechtmatig verblij-vende vreemdelingen zich minder snel tot de dienst zullen wenden voor(zelfstandig) vertrek. Het kabinet begrijpt dat de DTenV hiermee doelt opde aangifteplicht uit artikel 162, eerste lid, onder c, van het Wetboek vanStrafvordering (Sv). Op grond van deze bepaling is DTenV verplicht omaangifte te doen van misdrijven waardoor een inbreuk wordt gemaakt opeen regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan haaris opgedragen. Daarbij moet niet alleen worden gedacht aan wettelijkeregelingen, maar ook aan bijvoorbeeld beleidsregels en contractueleregelingen. Het kabinet merkt hierover op dat het van de omstandighedenvan het geval zal afhangen of een vreemdeling die door zijn/haar eigentoedoen niet terugkeert, geacht kan worden daarmee inbreuk te maken opeen regeling waarvan de uitvoering of de zorg voor de naleving aan deDTenV is opgedragen. Het kabinet wijst er verder op dat het doen vanaangifte in voorkomende gevallen in overleg met de officier van justitie14Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 overgemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanenvan derdelanden die illegaal op hun grondgebied verblijven (PbEU L 348/98).15Zie hierna par. 4.4 voor een uitgebreidere bespreking van de relevante Europese en nationalejurisprudentie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 37 achterwege kan worden gelaten (art. 162, zesde lid, Sv). Het College vanP-G’s kan hierover ook beleidsregels vaststellen.164.3 Gevolgen voor betrokkenen Bij het maken van de keuze voor behoud van de strafbaarstelling vanillegaal verblijf heeft het kabinet de gevolgen hiervan voor vreemdelingenzonder rechtmatig verblijf in ogenschouw genomen. Ook de mogelijkemaatschappelijke neveneffecten van de strafbaarstelling zijn door hetkabinet in de belangenafweging betrokken. Afgezet tegen het doel van hetamendement – een effectiever terugkeerbeleid – acht het kabinet dezegevolgen evenredig. Het kabinet wil in dit verband met klem benadrukkendat het amendement geen afbreuk doet aan de toegang van vreemde-lingen zonder rechtmatig verblijf tot elementaire voorzieningen zoals zorg,onderwijs en bescherming door de politie. Registratie voor hulpverleningbij bijvoorbeeld een Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGZ) kan nietworden gebruikt voor opsporing, conform het beginsel van gegevensbe-scherming dat persoonsgegevens slechts voor het doel waarvoor zij zijnverzameld mogen worden verwerkt. Als het voorstel voor de ANMW totwet wordt verheven, blijft de politie verder vanzelfsprekend hulp biedenaan vreemdelingen wanneer zij deze behoeven, bijvoorbeeld als zijslachtoffer zijn van een strafbaar feit – in alle gevallen en ongeachtverblijfsstatus. Ook doet het amendement niet af aan het recht oponderwijs dat alle kinderen in Nederland toekomt.17 Zoals hiervoor al istoegelicht (zie par. 3), is in het onderhavige voorstel bovendien verzekerddat maatschappelijke instanties zoals de GGZ’en hun taken onverminderdkunnen blijven uitvoeren, zonder daarbij het risico te lopen op strafver-volging. Ook (leden van) kerkgenootschappen en andere (al dan nietreligieuze) gemeenschappen hoeven in dit voorstel niet langer bevreesdte zijn voor strafvervolging als zij hulp verlenen aan vreemdelingenzonder rechtmatig verblijf.4.4 Verhouding tot hoger recht Met betrekking tot de juridische bezwaren die tegen het amendement naarvoren zijn gebracht, merkt het kabinet het volgende op.Anders dan bijvoorbeeld de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA),twijfelt het kabinet niet aan de verenigbaarheid van het amendement methet EU-recht (met name de Terugkeerrichtlijn). Zo heeft het Hof vanJustitie van de EU in o.a. het Achughbabian-arrest bevestigd dat deTerugkeerrichtlijn zich er niet tegen verzet dat illegaal verblijf in het rechtvan een lidstaat wordt aangemerkt als een strafbaar feit en dat daaropstrafrechtelijke sancties, daaronder begrepen gevangenisstraf, kunnenworden gesteld teneinde illegaal verblijf tegen te gaan.18 Een dergelijkeregeling mag evenwel niet toestaan dat aan een illegale vreemdelinggevangenisstraf wordt opgelegd voordat de in artikel 8 van de Terugkeer-richtlijn bedoelde dwangmaatregelen zijn toegepast en, in geval vanvreemdelingenbewaring, de maximale duur van die bewaring nog nietverstreken. Er mag daarbij vanuit worden gegaan dat de maximale duurvan de bewaring ook is verstreken als de vreemdeling zijn uitzettingfrustreert en op basis daarvan, wegens het ontbreken van zicht op16Kamerstukken I 1985/86, 18054, 41a, p. 1.17Scholen kunnen hun leerplicht en kwalificatieplicht dus onverminderd blijven uitvoeren. Ziehet antwoord op de vragen van de leden Haage en Westerveld aan de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de gevolgen van de ANMW op het onderwijs,Aanhangsel II 2024/25, 2891.18HvJ EU 6 december 2011, ECLI:EU:C:2011:807, zaak C-392/11 (Achughbabian). Zie meerrecentelijk ook het JZ-arrest (HvJ EU 17 september 2020, zaak C-806/18, ECLI:EU:C:2020:724).Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 38 uitzetting binnen een redelijke termijn, de vreemdelingenbewaring moetworden opgeheven. Op grond van het Sagor-arrest kan worden geconclu-deerd dat de Terugkeerrichtlijn zich niet verzet tegen een regeling waarbijillegaal verblijf van onderdanen van derde landen wordt bestraft met eengeldboete, en zich evenmin verzet tegen een regeling waarbij de boetekan worden vervangen door vervangende hechtenis, mits gewaarborgd isdat de uitvoering van die straf een einde neemt zodra het mogelijk is omde betrokkene fysiek uit de lidstaat te verwijderen.19 Van de hiervoorgeschetste ruimte wordt door het amendement gebruik gemaakt.Mede op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de EU,heeft de Hoge Raad (HR) geoordeeld dat de Terugkeerrichtlijn zich nietertegen verzet dat op grond van artikel 197 Sr een gevangenisstraf wordtopgelegd aan een tot ongewenst vreemdeling verklaarde derdelander opwie de bij die richtlijn voorziene terugkeerprocedure is toegepast en die,zonder geldige reden om niet terug te keren, illegaal in Nederlandverblijft. Het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf aaneen dergelijke derdelander is evenwel strijdig met de richtlijn indien destappen van de in de richtlijn vastgelegde terugkeerprocedure nog nietzijn doorlopen, nu die strafoplegging de verwezenlijking van de met dezerichtlijn nagestreefde doelstelling, te weten de invoering van eendoeltreffend beleid van verwijdering en terugkeer van illegaal verblijvendeonderdanen van derde landen, in gevaar kan brengen. Dit laatste betekentdat de rechter die een onvoorwaardelijke gevangenisstraf oplegt aan eenderdelander wegens handelen in strijd met artikel 197 Sr, zich ervan dientte vergewissen dat de stappen van de terugkeerprocedure zijn doorlopenen daarvan in de motivering van zijn beslissing dient blijk te geven.20 Hetkabinet gaat ervan uit dat deze jurisprudentie van overeenkomstigetoepassing moet worden geacht op het voorgestelde artikel 108a Vw 2000.De groep die in beeld komt voor bestraffing met een vrijheidsstraf opgrond van artikel 108a Vw 2000 louter wegens illegaal verblijf zou in datgeval rechtens beperkt zijn tot de vreemdelingen die wel kunnen, maarniet willen meewerken aan vertrek en dat effectief frustreren. Uitgaandevan deze (strikte) interpretatie van de bepaling, komt de toepassing ervannaar het oordeel van het kabinet niet in strijd met de Terugkeerrichtlijn.Gelet op het feit dat voor strafbaarheid op grond van de beoogdestrafbepaling steeds is vereist dat de vreemdeling die in Nederlandverblijft «weet of ernstige reden heeft te vermoeden dat dat verblijf nietrechtmatig is», meent het kabinet dat het voorgestelde artikel 108a Vw2000, zoals gewijzigd door dit voorstel, een duidelijke en beperktewettelijke grondslag biedt voor de strafbaarstelling van illegaal verblijf.Mede gelet op het door het OM voorziene vervolgingsbeleid, verwacht hetkabinet ook niet dat deze duidelijke en beperkte strafbaarstelling zal leidentot vervolging van bijvoorbeeld kennismigranten wier verblijfsrecht dooreen fout van hun werkgever met terugwerkende kracht niet meeraanwezig blijkt te zijn (een voorbeeld dat in de consultatiereactie van deNOvA wordt genoemd). Het kabinet ziet dan ook geen aanleiding tot(verdere) inperking van de reikwijdte van artikel 108a Vw 2000, bijvoor-beeld aan de hand van de door de Commissie Meijers gedane tekstvoor-stellen.Zoals gezegd (zie par. 4.3), heeft het amendement geen gevolgen voor detoegang van illegaal verblijvende vreemdelingen tot elementairevoorzieningen zoals zorg, onderwijs en bescherming door de politie.Mede gelet hierop, is er in de optiek van het kabinet geen sprake vanstrijdigheid van het amendement met in internationale verdragen19HvJ EU 6 december 2012, zaak C-430/11, ECLI:EU:C:2012:777 (Sagor/Italië).20Zie o.a. HR 21 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY3151.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 39 verankerde mensenrechten zoals het recht op gezondheid, het recht opgeestelijke en lichamelijke integriteit, het recht op opvang en toegang totbasale voorzieningen en het recht op bescherming van de menselijkewaardigheid.5. Consultatie 5.1 Algemeen Een concept van het onderhavige wetsvoorstel is van maandag8 september tot en met vrijdag 26 september 2025 in internetconsultatiegegeven. Deze conceptversie is gedurende dezelfde periode tevensschriftelijk voorgelegd aan de politie, het OM, de Rvdr, de Immigratie- enNaturalisatiedienst (IND), het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA),de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV), de Koninklijke marechaussee(KMar), de Dienst Justitiële Inrichtingen (DJI), de Inspectie Justitie enVeiligheid (Inspectie JenV), de Adviescommissie voor Vreemdelingen-zaken (ACVZ), VluchtelingenWerk Nederland (VWN), de NOvA en deVereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) (hierna: de schriftelijkgeconsulteerde partijen). Voor deze relatief korte consultatie is gekozenvanwege het grote belang nu met spoed maatregelen te nemen om deasielketen te ontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen.Met het oog hierop, hecht het kabinet eraan dat de ANMW zo spoedigmogelijk door de Eerste Kamer kan worden behandeld. De inzet is erdaarom op gericht om het onderhavige wetsvoorstel zo snel mogelijk in tedienen.Naar aanleiding van de internetconsultatie zijn 672 reacties ontvangen,waarvan er 561 openbaar zijn.21 De ontvangen reacties zijn afkomstig vandiverse partijen, zoals burgers (waaronder ook vreemdelingen), juristen,academici, maatschappelijke organisaties, medische en publiekegezondheidsorganisaties, beroepsorganisaties, professionele, maatschap-pelijke en confessionele hulpverleners, mensenrechten- en kinderrechten-organisaties, lokale actiegroepen, de onderwijssector en lokaleoverheden. Van de schriftelijk geconsulteerde partijen hebben het OM, depolitie, KMar, Rvdr, NOvA, VNG, DTenV, Inspectie JenV en VWN eenreactie gegeven op het conceptvoorstel. De ontvangen reacties zijnoverwegend kritisch van aard. De algemene teneur is dat het aan de enekant positief is dat het voorstel beoogt om hulpverlening aan illegaal inNederland verblijvende vreemdelingen van strafbaarheid uit te sluiten,maar dat het behoud van de strafbaarstelling van illegaal verblijf zelf omdiverse redenen onwenselijk is. Ook bestaat er de nodige scepsis over deuitvoerbaarheid van de strafbaarstelling.Het kabinet is erkentelijk voor de vele reacties uit de internetconsultatie envan de schriftelijk geconsulteerde partijen. Het erkent dat uit deze reactiesde nodige zorgen blijken omtrent (het behoud van) de strafbaarstellingvan illegaal verblijf. Naar aanleiding van deze reacties is de toelichting opdiverse punten aangevuld en verhelderd. Hierna worden de ontvangenreacties uitgebreider besproken en van een antwoord voorzien.5.2 Instemming met het blijven toestaan van hulp aan vreemdelingenzonder rechtmatig verblijf Veel respondenten op de internetconsulatie – met name bezorgdeburgers, gelovigen en (organisaties van) hulpverleners (o.a. het RodeKruis) – zijn opgelucht dat het voorstel beoogt om hulpverlening aan21De openbare reacties zijn te raadplegen via: https://www.internetconsultatie.nl/novelle/reacties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 310 illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen van strafbaarheid uit tesluiten. Dit geldt ook voor de schriftelijk geconsulteerde partijen. Diversedaarvan schrijven dat het voorstel bij hen levende zorgen over decriminalisering van hulpverlening aan vreemdelingen zonder rechtmatigverblijf wegneemt. Het OM is positief gestemd over het vastleggen in hetderde lid van artikel 108a Vw 2000 dat deelnemen aan het daarinomschreven misdrijf, anders dan als pleger, niet strafbaar is. Een duidelijkafgebakende strafbaarstelling voorkomt dat er in de praktijk discussieontstaat over mogelijke grensgevallen, aldus het OM. De politie en deKMar geven vergelijkbare reacties op dit punt. Het kabinet is uiteraardverheugd dat het (hoofd)doel van dit wetsvoorstel brede steun genietonder de respondenten op de internetconsultatie en de schriftelijkgeconsulteerde partijen.5.3 Kritiek op het behoud van de strafbaarstelling van illegaal verblijf Het behoud van de strafbaarstelling van illegaal verblijf in het voorstelroept bij veel burgers en maatschappelijke organisaties verontwaardigdereacties op. Een veelgehoorde kritiek is dat de strafbaarstelling vanillegaal verblijf neerkomt op het strafbaar stellen van iemands bestaan(«geen mens is illegaal»). Amnesty International noemt de strafbaar-stelling een «dieptepunt in het Nederlandse migratiebeleid». De vakbondFNV citeert een Filipijnse ongedocumenteerde huishoudelijk werker:«How [could] someone who works, cares for Dutch families, and tries tolive peacefully and invisibly be labelled a criminal?». Veel respondententwijfelen bovendien of strafbaarstelling daadwerkelijk bijdraagt aanterugkeer, ook gelet op de ervaringen in andere EU-lidstaten die illegaalverblijf strafbaar hebben gesteld. Tegelijkertijd wordt gevreesd dat destrafbaarstelling ertoe leidt dat vreemdelingen zonder rechtmatig verblijfhet contact met overheids-, zorg- en hulpinstanties zullen gaan mijden.O.a. het Rode Kruis en de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij totbevordering der Geneeskunst (KNMG) stellen dat het strafbaar stellen vanillegaal verblijf op zichzelf ertoe kan leiden dat mensen zonder recht-matige verblijfsstatus uit angst voor vervolging geen hulp meer durvenvragen aan zorgverleners. Dit zou ernstige maatschappelijke gevolgenkunnen hebben, zoals het niet-melden van infectieziekten, de toename vanuitbuiting door criminele netwerken en de ondermijning van de openbareorde. Juristen, academici, maatschappelijke organisaties en mensenrech-tenorganisaties brengen daarnaast diverse juridische bezwaren naarvoren tegen de strafbaarstelling. Kort gezegd komen deze bezwaren eropneer dat de strafbaarstelling in strijd zou zijn met Europees recht (m.n. deTerugkeerrichtlijn), internationale (mensenrechten)verdragen (EVRM,VN-kinderrechtenverdrag) en artikel 1 van de Grondwet. De CommissieMeijers doet in dit verband een concreet voorstel om de reikwijdte van destrafbepaling (verder) in te perken.De schriftelijk geconsulteerde partijen brengen grotendeels vergelijkbareargumenten naar voren. Zo merkt de DTenV op niet bekend te zijn metonderzoeken waaruit blijkt dat strafbaarstelling van illegaal verblijf eeneffectieve maatregel is om meer vreemdelingen te doen laten terugkeren.Uit de onderzoeken en adviezen die wel bij de DTenV bekend zijn zoueerder het tegendeel blijken. De VNG vreest voor het ontstaan van een«schaduwsamenleving» van illegaal in Nederland verblijvende vreemde-lingen die mogelijk geen gebruik maken van noodzakelijke voorzieningen,met alle negatieve maatschappelijke gevolgen van dien (o.a. dakloosheid,gezondheidsproblemen en maatschappelijke overlast). De Inspectie JenV,DTenV, politie, KMar en VWN zien vergelijkbare risico’s. De laatste driepartijen benadrukken dat deze risico’s in hun optiek ook aanwezig blijvenna de in dit voorstel voorgestelde wijziging in de strafbepaling. VWN achthet voorstel in strijd met Europees en internationaal recht, disproporti-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 311 oneel en ineffectief voor het doel dat de regering ermee zegt na testreven, namelijk het bevorderen van terugkeer. De NOvA merkt op dat erverschillende vormen van niet-rechtmatig verblijf bestaan, waarbij hetonduidelijk blijft welke vormen nu precies tot strafbaarheid leiden. Ookmerkt de NOvA op dat voor exact dezelfde strafmaat is gekozen als bijartikel 197 Sr, terwijl het niet om dezelfde delicten gaat. Tot slot adviseertde Rvdr met klem om de noodzaak en de wenselijkheid van de strafbaar-stelling, de weging van de verschillende betrokken belangen, de uitlegvan de bestanddelen van de delictsomschrijving, de vraag hoe de nieuwestrafrechtelijke regel zich gaat verhouden tot bestaande wet- en regel-geving en hoger recht, en de uitvoerbaarheid in de praktijk uitgebreidertoe te lichten in de memorie van toelichting. De Rvdr benadrukt dat deprincipiële en praktische consequenties van strafbaarstelling van illegaalverblijf zodanig verstrekkend kunnen zijn, dat het een onderwerp is dateen eigen wetsvoorstel verdient, met een uitgebreide toelichting.Naar aanleiding van de zojuist besproken reacties is de memorie vantoelichting aangevuld en verduidelijkt. Zoals hiervoor in paragraaf 4 aluitgebreid aan de orde is gekomen, blijft het kabinet echter van meningdat strafbaarstelling van illegaal verblijf kan bijdragen aan meer gripkrijgen op migratie en een effectiever terugkeerbeleid. Van strijdigheidvan de strafbaarstelling met het Europees en internationaal recht isvolgens het kabinet geen sprake. Daarbij wil het kabinet nogmaals metklem benadrukken dat de toegang van vreemdelingen zonder rechtmatigverblijf tot elementaire voorzieningen zoals onderwijs, zorg enbescherming door de politie met dit voorstel gewaarborgd blijft. Gelet ophet grote belang nu met spoed maatregelen te nemen om de asielketen teontlasten en de instroom van asielzoekers te verminderen, kan het kabinetzich zoals gezegd niet vinden in de suggestie van de Rvdr om destrafbaarstelling van illegaal verblijf nu te schrappen uit de ANMW om opeen later moment een apart wetsvoorstel over dit onderwerp in procedurete brengen.5.4 Scepsis over de uitvoerbaarheid van de strafbaarstelling van illegaalverblijf Burgers, juristen, lokale overheden en maatschappelijke organisatieswijzen op de bestaande overbelasting van de strafrechtsketen en hebbentegen die achtergrond twijfels over de uitvoerbaarheid van de strafbaar-stelling van illegaal verblijf. Ook de Inspectie JenV heeft zorgen hierover.De DTenV vraagt aandacht voor het feit dat het in het uiterste gevalmoeten doen van aangifte door haar medewerkers effect zal hebben ophet werkproces. De politie, KMar en DTenV wijzen er bovendien op datnog geen volwaardige ex ante-uitvoeringstoets (EAUT) op de strafbaar-stelling van illegaal verblijf kon worden verricht vanwege de beperktbeschikbare tijd, het ontbreken van een nader juridisch kader en hetgebrek aan duidelijkheid over het vervolgingsbeleid.22 Zij benadrukken denoodzaak van het alsnog uitvoeren van een gedegen EAUT op ditonderdeel van het wetsvoorstel voor de ANMW.Het kabinet erkent dat de toevoeging van artikel 108a Vw 2000 aan hetvoorstel voor de ANMW via een amendement met zich meebrengt dat devoorbereiding en verkenning van de uitvoeringsconsequenties van dezestrafbepaling minder uitgebreid is geweest dan anders. Daarnaast herkenthet kabinet de zorgen over de uitvoerbaarheid van de strafbaarstelling van22Eind september is o.a. de uitvoeringstoets Strafbaarstelling Illegaliteit aangeboden aan deEerste en Tweede Kamer (Kamerstukken I 2025/26, 36 703, B). Deze uitvoeringstoets onder-zoekt op hoofdlijnen de uitvoerbaarheid, haalbaarheid en consequenties voor alle betrokken(keten)partners van het voorgestelde artikel 108a Vw 2000.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 312 illegaal verblijf en de mogelijke druk op de strafrechtketen. Van belang isdat het voorgestelde artikel 108a Vw 2000 zich uitsluitend richt op hetverwijtbaar niet naleven van de vertrekplicht, waarbij strafrecht alsultimum remedium aanvullend wordt toegepast nadat het bestaandebestuursrechtelijke instrumentarium is uitgeput. Met betrekking tot dezorgen van de DTenV over de precaire positie waarin het moeten doenvan aangifte zijn medewerkers brengt, merkt het kabinet tot slot hetvolgende op. Het kabinet erkent dat het moeten doen van aangiftezorgvuldig moet worden meegenomen in de inkadering van de werkpro-cessen, waarbij voor ogen moet worden gehouden dat aangifte enstrafrechtelijke vervolging in de meeste gevallen niet aan de orde zullenzijn en slechts als ultimum remedium dienen wanneer voor de regie-voerder van DTenV – door toedoen van de vreemdeling – geen anderperspectief meer rest om terugkeer naderbij te brengen. Zie ook hetgeenhierover in paragraaf 4.2 reeds is opgemerkt.6. Uitvoeringsaspecten Gelet op de aard van het voorstel, dat als (hoofd)doel heeft het uitsluitendat hulp aan illegaal verblijvende vreemdelingen tot strafbaarheid leidt,verwacht het kabinet niet dat dit leidt tot een toename van de administra-tieve lasten voor uitvoeringsorganisaties. Het voorstel sorteert ook geenregeldrukeffecten voor burgers en bedrijven. Wet- en regelgeving op hetgebied van het strafrecht valt namelijk niet onder het begrip «regeldruk»,aangezien het hier kosten betreft die aan burgers en bedrijven zelf tewijten zijn, omdat zij de wet overtreden.23II. ARTIKELSGEWIJS Artikel IDit wijzigingsvoorstel brengt mee dat uitsluitend het plegen van hetmisdrijf strafbaar wordt. Hulpverlening wordt niet strafbaar. Daartoeworden alle overige deelnemingsvormen uit Titel V van Boek 1 van hetWetboek van Strafrecht uitgesloten. Het gaat om: doen plegen,medeplegen, opzettelijk uitlokken (zie voor deze deelnemingsvormen:artikel 47 Sr), medeplichtigheid (artikel 48 Sr) alsmede opdracht geven enfeitelijk leidinggeven (artikel 51, tweede lid, Sr).De Minister van Asiel en Migratie,D.M. van Weel23Bijlage bij het Handboek Meting Regeldrukkosten van het Adviescollege Toetsing Regeldruk, p.9. Het Handboek is te raadplegen via: https://www.adviescollegeregeldruk.nl/documenten/2023/11/29/handboek-meting-regeldrukkosten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 855, nr. 313
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.