Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
Brontekst
Versie 3e610485c6437dbd · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 600 XXIIVaststelling van de begrotingsstaat van hetMinisterie van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening (XXII) voor het jaar 2025Nr. 6 VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN ENANTWOORDENVastgesteld 15 oktober 2024 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,belast met het voorbereidend onderzoek van dit voorstel van wet, heeft deeer verslag uit te brengen in de vorm van een lijst van vragen met dedaarop gegeven antwoorden.De vragen zijn op 30 september 2024 voorgelegd aan de Minister voorVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Bij brief van 15 oktober 2024zijn ze door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordeningbeantwoord.Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbarebehandeling van het wetsvoorstel voldoende voorbereid.De voorzitter van de commissie,PostmaDe griffier van de commissie,Honsbeek kst-36600-XXII-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 61 Vragen en antwoorden1Vraag:Hoeveel bezwaarprocedures zijn er in de afgelopen tien jaren per jaaringediend tegen bouwprojecten? Hoeveel van deze procedures kwamenook bij de Raad van State terecht? Hoeveel bezwaarmakers werden er inhet gelijk gesteld bij de rechtbank? Hoeveel bezwaarmakers werden in hetgelijk gesteld bij de Raad van State? Hoeveel procent van de bezwarenwerden zowel bij de rechtbank, als ook bij de Raad van State afgewezen?Antwoord:In het jaarverslag van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad vanState, is het aantal zaken in de omgevingskamer opgenomen. Dat is veelruimer dan alleen woningbouw. Het aantal afgedane zaken door de Raadvan State, Omgevingskamer was in 2019 1.328, in 2020 1.891, in 20212.286, in 2022 2.242 en in 2023 2.262. Er wordt niet landelijk bijgehoudenhoeveel bezwaarschriften bij bestuursorganen of beroepszaken bijrechtbanken zijn ingediend.Momenteel laat ik een onderzoek uitvoeren naar de impact van bezwaar-en beroepsprocedures op vertraging in de woningbouw. Daarbij laat ikook de omvang, oorzaken, effecten en kosten van de juridische proce-dures onderzoeken.Ik streef ernaar het onderzoek nog voor de begrotingsbehandeling teversturen naar uw Kamer.2Hoeveel tijd neemt de gemiddelde bezwaarprocedure in beslag? Hoe heeftdat zich de afgelopen tien jaar ontwikkeld?Antwoord:De gemiddelde doorlooptijd van hoofdzaken en voorlopige voorzieningenin de Omgevingskamer was in 2016 28 weken, in 2017 28 weken, in 201831 weken, in 2019 48 weken, in 2020 33 weken, 2021 37 weken, 2022 39weken, in 2023 47 weken.3Vraag:Wat kost het om een bezwaarprocedure te starten? Kunt u inzichtelijkmaken hoeveel een bezwaarmaker gemiddeld aan proceskosten betaaltwanneer deze tot aan de Raad van State procedeert?Antwoord:Zie antwoord op vraag 1.4Vraag:Kunt u een overzicht geven van de actuele vraag naar woningen uitge-splitst per provincie?Antwoord:In de tabel hieronder is weergegeven hoe hoog het woningtekort perprovincie voor 2024 is (Zie ABF Research (2024), «Primos-prognose 2024,Prognose van bevolking, huishoudens en woningbehoefte»). Nationaalgaat ABF voor 2024 uit van een tekort van 400.500 woningen. Om hettekort in één keer naar een evenwichtig niveau van 2% terug te dringenzouden dit jaar 231.800 nieuwe woningen gerealiseerd moeten worden.De tabel laat de aantallen per provincie zien.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 62 woningtekort 2024in aantallenwoningtekort 2024in %aantal woningennodig om tekort naar2% terug te dringenGroningen13.7004,7%7.700Friesland9.4003,0%3.100Drenthe7.4003,2%2.700Overijssel20.6003,9%9.800Flevoland11.9006,4%8.000Gelderland48.8005,1%29.300Utrecht34.9005,7%22.100Noord-Holland81.7005,8%52.600Zuid-Holland96.0005,5%59.700Zeeland3.0001,6%–Noord-Brabant57.5004,8%33.000Limburg15.7002,9%4.600Nederland400.5004,9%231.800 Voor de komende jaren dient niet alleen het woningtekort te wordenteruggedrongen. Er dient daarnaast ook rekening gehouden te wordenmet de groei van het aantal huishoudens en met de te verwachten sloopvan oudere woningen. Vandaar dat het kabinet zich richt op langjarig100.000 nieuwe woningen per jaar realiseren.5Vraag:Hoeveel extra woningen denkt u te kunnen realiseren met de 1,25 miljardeuro die beschikbaar is voor grootschalige woningbouwlocaties?Antwoord:Dit kabinet heeft als doel om structureel 100.000 woningen per jaar terealiseren, die geschikt zijn voor de demografische en ruimtelijkeontwikkelingen de komende jaren. Voor de ondersteuning van de bouwvan deze woningen is in het Hoofdlijnenakkoord in totaal 5 miljard eurobeschikbaar gesteld tot en met 2029. De inzet van de 1,25 miljard eurovoor grootschalige woningbouwgebieden zal bijdragen aan dit doel.Hoeveel woningen extra gerealiseerd kunnen worden is afhankelijk van deuitwerking van de regelingen, de voorstellen die vervolgens vanuit degebieden volgen en de beoordeling daarvan. Het is daarom nu nog nietmogelijk om te bepalen van hoeveel woningen de bouw wordt onder-steund.In het proces van de Nota Ruimte wordt de keuze gemaakt voor extragrootschalige woningbouwgebieden met daarbinnen één of meerderewoningbouwlocaties.Bij het toekennen van de middelen zal het realiseren van voldoendebetaalbare woningen een vereiste zijn in lijn met afspraken uit dewoondeals. En zal er dus worden aangesloten bij de doelstelling om tweederde betaalbaar, 30% sociaal te bouwen en balans in de woningvoorraadte houden. De precieze aantallen zijn nu niet vooraf vast te stellen.6Vraag:Hoeveel extra grote woningbouwlocaties gaat u realiseren met de 1,25miljard euro die beschikbaar is voor grootschalige woningbouwlocaties?Antwoord:Zie antwoord op vraag 5.7Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 63 Hoeveel van de 1,25 miljard euro voor de grote woningbouwlocaties gaatu besteden aan sociale huurwoningen, hoeveel aan middenhuur enhoeveel aan goedkope koopwoningen?Antwoord:Zie antwoord op vraag 5.8Vraag:Wat zijn de kosten voor het oprichten van het nieuwe Ministerie vanVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO)? Kan dit wordenuitgesplitst per categorie kosten?Antwoord:Dit kabinet heeft besloten tot de oprichting van drie nieuwe ministeries,w.o. het Ministerie van VRO. Bij KB d.d. 2 juli is de oprichting een feit. Inlijn met het advies van formateur Van Zwol heeft het kabinet besloten datde inrichting van de ministeries «lean and mean» moet zijn. Daarmeeworden grote departementale herschikkingen voorkomen, inclusief dedaarmee gepaard gaande kosten (tijd, geld en capaciteit).De inrichting in een minimale variant wordt momenteel ambtelijkuitgewerkt en zal zo spoedig mogelijk voor besluitvorming aan deministerraad worden voorgelegd. Vooralsnog zijn de uiteindelijke kostennog niet bekend. Deze kosten hangen met name samen met de inzet vanambtelijke capaciteit. Daarnaast zijn (beperkt) kosten gemaakt tenbehoeve van de inrichting van de financiële administratie en de externecommunicatie.9Vraag:Hoeveel fte zijn van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties overgegaan naar het ministerie VRO?Antwoord:De apparaatsuitgaven zijn te vinden in artikel 11. Bij het Ministerie vanVRO zijn op dit artikel nog geen kosten opgenomen voor personeel. Ditkomt omdat alle fte die worden ingezet ten behoeve van het Ministerievan VRO in dienst zijn van het Ministerie van BZK en daarmee zijnverantwoord onder Hfd VII, artikel 11.10Vraag:Kunt u aangeven welk deel van de vrijgemaakte 5 miljard euro voorwoningbouw, op basis van de actuele meerjarenramingen, in welk jaar totbesteding komt en waar aan? Welk deel komt daadwerkelijk tot bestedingin de periode 2025–2029 en welk deel komt nog deze kabinetsperiode(2025–2028) tot besteding?Antwoord:Het grootste deel van de geraamde uitgaven voor de € 5 miljardwoningbouwmiddelen wordt verantwoord op artikel 1.2 van deVRO-begroting (Hoofdstuk XXII). Een deel van de uitgaven valt buiten demeerjarenperiode en is daardoor nog niet zichtbaar in de begroting 2025.In de onderstaande tabel vindt u een overzicht van de geraamdekasreeksen per regeling per jaar. Voor de realisatiestimulans wordt dekasuitgave gedaan in het jaar waarin de woningen gerealiseerd zijn. Deverplichtingen hiervoor worden in de jaren 2025 tot en met 2029aangegaan.Naast de onderstaande regelingen, is uit de € 5 miljard woningbouwmid-delen in totaal € 480 miljoen gereserveerd ter dekking van de verlagingTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 64 van de overdrachtsbelasting naar 8%. Deze belasting wordt verantwoordop de begroting van Financiën en Nationale Schuld (hoofdstuk IX).(bedrag x miljoen)20252026202720282029203020312032Realisatie-stimulans*361,9441,5516,1568,7652,7Woningbouwimpuls 2.0100,0100,090,090,090,0Groot-schalige woningbouw en grond180,0340,0440,0188,0100,0Opschalen woningbouw25,025,025,025,025,0Uitvoering woningbouw11,822,323,627,422,312,38,77,9Totaal316,8849,21020,1846,5806,0665,08,77,9 11Vraag:Kunt u aangeven welk deel van de vrijgemaakte 2,5 miljard euro voorinfrastructurele ontsluiting van woningbouw op basis van de actuelemeerjarenramingen in welk jaar tot besteding komt en waaraan datuitgegeven wordt? Kunt u dat uitsplitsen per project? Welk deel komtdaadwerkelijk tot besteding in de kabinetsperiode en welk deel komt na dekabinetsperiode tot besteding?Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:De Minister van IenW werkt in overleg met de Minister van VRO op ditmoment aan de concrete invulling van de vrijgemaakte € 2,5 miljard voorinfrastructurele ontsluiting van woningbouw. Gezien de ambitie van hetkabinet en de urgentie van de opgave is het streven om de middelen sneltoe te delen aan concrete projecten. Tegelijkertijd is een integraleafweging en een zorgvuldig proces hierin belangrijk. Het kabinet wilnamelijk uitvoerbare plannen met een realistisch uitgavenpatroon(kasritme). In de brief voorafgaand aan het NO MIRT zal de Minister vanIenW u over de voortgang informeren.12Vraag:Hoeveel extra geld komt er in 2025–2029 respectievelijk deze kabinetspe-riode (2025–2028) per saldo extra beschikbaar voor infrastructureleontsluiting van woningbouw, rekening houdend met de kasschuif infrawoningbouw van 850 miljoen euro in 2025 en 2026, en tevens rekeninghoudend met de bezuiniging van 10 procent (uit hoofde van het hoofdlij-nenakkoord) vanaf 2026 bij het Mobiliteitsfonds op de middelen voorbovenplanse infrastructuur?Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:In de periode 2025–2029 staat van de € 2,5 miljard € 1,650 miljardgereserveerd op de Aanvullende Post. In de periode 2025–2028 is dat€ 1,150 miljard. Aan de concrete uitwerking en invulling van de in hetHoofdlijnenakkoord aangekondigde bezuiniging van 10% op de specifiekeuitkeringen wordt momenteel gewerkt. De Kamer wordt hierover bij deVoorjaarsnota 2025 nader geïnformeerd.13Vraag:Klopt het dat onder de post «Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening»(onder «Bijstellingen Hoofdlijnenakkoord» in Tabel 4) er in 2025–2029cumulatief 686 miljoen euro wordt gekort op de extra 5 miljard euro voorwoningbouw uit het hoofdlijnenakkoord? Zo nee, kunt u toelichten wat ergebeurt met die 686 miljoen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 65 Antwoord:Er is niet gekort op de € 5 miljard extra voor woningbouw. Een deel vande geraamde uitgaven valt buiten de huidige meerjarenperiode en isdaardoor nog niet zichtbaar in de begroting 2025. Zie het antwoord opvraag 10 voor een uitsplitsing van de geraamde kasreeksen per regeling.14Vraag:Waarom is in Tabel 6 de dekking (vanuit post 25: dekking uit middelenwoningbouwimpuls) voor de introductie van het algemeen woningtariefvan 8 procent in de overdrachtsbelasting (post 24) in de jaren 2027 t/m2029 groter dan het budgettaire beslag van de verlaging van deoverdrachtsbelasting?Antwoord:De verlaging van het algemeen tarief binnen de overdrachtsbelasting naar8 procent leidt tot derving van inkomsten van € 108 miljoen per jaar,uitgezonderd 2025 (€ 205 miljoen). In 2025 ligt dit hoger vanwege hetverwachte anticipatie-effect, doordat de belasting wordt verlaagd in 2026wordt gewacht met de overdracht totdat de belasting is verlaagd. Voor deperiode 2026 tot en met 2029 wordt dit gedekt door de middelen uit dewoningbouwenvelop uit het Hoofdlijnenakkoord aan te wenden voor eencumulatief bedrag van € 480 miljoen. De dekking voor 2027 tot 2029 isgroter dan het gemiddelde om te compenseren voor de lagere dekking in2025 en 2026.15Vraag:Kunt u uitgebreid toelichten hoe de structurele verlaging van deoverdrachtsbelasting (deels) gedekt wordt met incidentele middelenvanuit de Woningbouwimpuls?Antwoord:Dit kabinet heeft als doel om 100.000 woningen per jaar te realiseren. Voorde ondersteuning van de realisatie van deze woningen is in totaal € 5miljard beschikbaar gesteld tot en met 2029. In het hoofdlijnenakkoord isopgenomen dat het bouwen van (private) huurwoningen wordt gestimu-leerd door het verminderen van de regeldruk en waar mogelijk debelastingdruk, en dat de woningbouwmiddelen ook deels worden ingezethiervoor. Vanwege deze afspraak wordt het algemeen tarief van deoverdrachtsbelasting voor woningen verlaagd naar 8%. Een verlaging vande overdrachtsbelasting maakt verhuur van woningen aantrekkelijker enverbetert ook de businesscase van nieuwbouwhuurwoningen, daarmeestimuleert het de bouw van huurwoningen. Omdat het bij de € 5 miljardvoor woningbouw om incidentele middelen gaat, wordt de verlaging in deeerste jaren gedekt uit deze envelop. Het gaat daarbij cumulatief om eenbedrag van € 480 miljoen. Vanaf 2030 is dekking gevonden binnen hetstructurele overschot van het inkomstenkader.16Vraag:Kunt u een integraal meerjarenoverzicht geven van de geraamde inzet vande 5 miljard euro extra woningbouwmiddelen uit het hoofdlijnenakkoord?Antwoord:Zie de tabel in het antwoord op vraag 10.17Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 66 Kunt u toelichten naar welke latere jaren de 850 miljoen euro uit 2025 en2026 voor Infra Woningbouw is verschoven? Klopt het dat dit na 2029 is?Zo ja, waarom is daar voor gekozen? Kunt u dit uitgebreid toelichten?Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:Van de € 850 miljoen schuift € 500 miljoen uit 2025 door naar 2030 en€ 350 miljoen van de € 500 miljoen in 2026 schuift door naar 2031.Daarmee zijn de kasmiddelen voor de ontsluiting van woningbouwlo-caties uit het Hoofdlijnenakkoord in een meer realistisch ritme gezet. Deervaring leert dat het opstellen en beoordelen van plannen tijd vergt en deuitgaven aan uitvoering volgen pas daarna. In 2025 en 2026 wordendaarom geen/weinig concrete uitgaven voorzien.Overigens is het zo dat deze middelen voor infra woningbouw boven opeerder afgesproken middelen van Rutte IV komen.18Vraag:De btw op tijdelijke verhuur gaat naar 21 procent, over welke tijdelijkeverhuur gaat dit?Antwoord:In lijn met het hoofdlijnenakkoord stelt het kabinet middels het Belas-tingplan 2025 voor om het verlaagde btw-tarief voor het verstrekken vanlogies binnen het kader van het hotel-, pension- en vakantiebestedingsbe-drijf aan personen die daar slechts voor een korte periode verblijf, per1 januari 2026 onder het algemene btw-tarief van 21% te brengen (Wet OB1968, Tabel I, b 11 wordt geschrapt).Het gaat hierbij om (gemeubileerde) verblijfruimten die zijn toegerust omdaarin kort te verblijven zonder dat de tijdelijke bewoner is belast met dezorg voor de inventaris.19Vraag:Wat is de potentie in de Nederlandse gemeente voor het verdichten vanbestaande steden? En heeft het Rijk, provincie en gemeenten tijdens dezekabinetsperiode voldoende capaciteit om deze potentie te benutten?Antwoord:Het verdichten van bestaande steden is enorm kansrijk en gebeurt alvolop: circa 70% van de gemeentelijke woningbouwplannen vindtbinnenstedelijk plaats.Voorbeelden zijn de stationsgebieden in grote steden waar veel woningenworden gerealiseerd. Ook binnen de grootschalige woningbouwgebiedenmaakt verdichting, transformatie en ontwikkeling langs knooppuntenonderdeel uit van de gebiedsontwikkeling.Voldoende capaciteit is voor zowel provincies, gemeenten als het Rijk eenaandachtspunt. Daarom stellen we ook prioriteiten, we kunnen als Rijkniet overal tegelijk zijn.Over de impact van de Rijksbrede taakstelling valt op dit moment noggeen specifieke uitspraak te doen. De invulling daarvan voor VRO wordtkomend jaar nader uitgewerkt.20Vraag:Wat zijn de geplande maatregelen voor het verbeteren van deleefbaarheid en veiligheid in achterstandswijken nadat er vanaf 2027 geengeld meer begroot is voor het Nationaal Programma Leefbaarheid enVeiligheid?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 67 Antwoord:In het Hoofdlijnenakkoord is aangekondigd dat het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid (NPLV) wordt doorgezet. Het Rijk draagthieraan bij door middel van de inzet van financiële middelen, eenadequaat juridisch instrumentarium en een goede kennisinfrastructuur.In het Regeerprogramma is opgenomen dat in de 20 kwetsbare gebieden,zoals opgenomen in het NPLV, sprake is van een grote woningbouwpo-tentie van circa 130.000 woningen. Om deze beoogde productie te kunnenverzilveren kunnen aanvullende investeringen aan de orde zijn, zoals hetaanpakken van de openbare ruimte of het op peil brengen van voorzie-ningen. Daarom wordt voor deze gebieden geld beschikbaar gesteldaanvullend op de realisatiestimulans. Daarnaast is in het Regeerpro-gramma aangekondigd dat de vanuit de ministeries van VRO, JenV, OCW,SZW en VWS beschikbare geldstromen voor investeringen in dezegebieden zoveel mogelijk worden gecontinueerd. Er wordt naar gestreefdom deze geldstromen waar mogelijk te bundelen en het aantal specifiekeuitkeringen verder terug te dringen om de administratieve lasten bijgemeenten te verminderen. Dit sluit aan bij de motie van het lid Dijk c.s.(Kamerstukken II, 2024–2025, 36 600 IX, nr. 16) waarin het Kabinetverzocht wordt met een plan te komen om de NPLV-gebieden in staat testellen om tot ten minste 2028 hun aanpak voort te zetten. Hierbij wordtook gevraagd om waar mogelijk de bureaucratie te verminderen doorfinanciële regelingen die er al zijn hiervoor te gebruiken. Over de preciezeuitwerking hiervan wordt u op korte termijn geïnformeerd.Het kabinet bevordert dat gemeenten en corporaties het beschikbarewooninstrumentarium in de komende periode daadwerkelijk gaaninzetten. Bovendien wordt de Wet bijzondere maatregelen grootstedelijkeproblematiek («Rotterdamwet») verbreed.Voor het meten van de voortgang en de effecten van het NPLV en deingezette interventies («wat werkt en wat niet») is een kennis- enmonitoringstraject ontwikkeld. Door middel van een Voortgangsrap-portage wordt uw Kamer hierover geïnformeerd.21Vraag:Welk bedrag van de 5 miljard euro voor woningbouw zal er wordeningezet voor het beter benutten van al bestaande gebouwen? Bijvoorbeeldvia woningsplitsing, optoppen en transformeren van oude kantoor-panden? Kunt u dit uitsplitsen?Antwoord:Uit de uitwerking van de realisatiestimulans volgt welke bijdrage perwoning beschikbaar komt. Die bijdrage is ook bedoeld voor het toevoegenvan extra woningen door het beter benutten van bestaande gebouwen enbijbehorende omgeving.22Vraag:Wat is de verwachte groei van de vraag naar sociale huurwoningen tot2030, en hoe verhoudt dit zich tot de huidige bouwplannen en beschikbarecapaciteit?Antwoord:ABF Research laat in woningmarktverkenningen (ABF Research (2023),«Woningmarktverkenning 2023–2038, Scenario’s met Primos Woning-markt (Socrates)») zien dat – om zo goed mogelijk tegemoet te komen aande verwachte vraag naar sociale huurwoningen – circa 30% van dewoningbouw een sociale huurwoning moet zijn. Hierbij geldt dat dezebehoefte aan nieuwe woningen in belangrijke mate ook veroorzaakt wordtdoor geplande sloop van (verouderde) sociale huurwoningen en doorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 68 verkoop van sociale huurwoningen en dus niet alleen door toename vande behoefte.In de woondeals met provincies en regio’s is daarom afgesproken dat 30%van de woningbouw een sociale huurwoning moet zijn. De lokaleoverheden vertalen dit door naar bouwplannen en daarmee plancapa-citeit. ABF-Research schat in «Inventarisatie Plancapaciteit Voorjaar 2024»het aandeel sociale huurwoningen in de beschikbare plancapaciteit t/m2043 op 33%. Uit de inventarisatie blijkt eveneens dat er voldoendeplannen zijn (rekening houdend met uitval en vertraging) om de woning-bouwopgave t/m 2030 te realiseren. Indien 33% daarvan inderdaad eensociale huurwoning is, kan aangenomen worden dat de plannen opnationaal niveau voldoende sociale huurwoningen bevatten om tegemoette komen aan de verwachte vraag. Op regionaal niveau kan dit beeldgedifferentieerd zijn.Op dit moment vindt er een herijking plaats van de Nationale PrestatieAfspraken die in 2022 tussen het Rijk, de provincies, de VNG, Aedes en deWoonbond zijn gesloten. Hierbij zullen de afspraken over nieuwbouwdoor woningcorporaties worden vernieuwd voor een langere periode enzal de financiële haalbaarheid van de opgave opnieuw getoetst worden.Corporaties hebben tot 2030 grosso modo voldoende investeringsruimtevoor deze nieuwbouwopgave, door hun huidige exploitatie en met ondergunstige voorwaarden geleend geld. De landelijke afspraken zullenvolgend jaar ook weer doorvertaald worden naar de herijking van dewoondeals. Bij de herijking van de NPA zullen partijen ook bindendeafspraken maken over wat er nodig is om de nieuwbouw door corporatiesrichting de doelstelling te krijgen.23Vraag:Hoe verschillen de gemiddelde woonlasten tussen de woningmarktre-gio’s, en welke regio’s lopen het meeste risico op overmatige woonlastenvoor lage inkomens? Kunt u dit per regio uitsplitsen?Antwoord:Op basis van cijfers uit de Woonbase is op te maken dat de gemiddeldetotale maandelijkse woonlasten (netto woonlasten + bijkomendewoonlasten) per woningmarktregio varieert tussen de 701 euro per maandin Friesland en 866 euro per maand in woningmarktregio MetropoolregioAmsterdam (zie onderstaande tabel). Wat huishoudens kunnen betalenaan woonlasten, hangt samen met het inkomen. Daarom hebben we voorde lage inkomens per woningmarktregio de gemiddelde woonquoteberekend; dit zijn de totale maandelijkse woonlasten als percentage vanhet besteedbaar inkomen (zie onderstaande tabel). De verschillen tussende regio’s zijn niet zo groot dat op basis hiervan een inschatting gemaaktkan worden van welke regio’s het meeste risico lopen op overmatigewoonlasten voor lage inkomens.WoonquoteWoningmarktregioGemiddeldetotalemaandelijksewoonlastenOnder sociaalminimumMinimaLage inkomens1 Friesland€ 70131,1%26,0%24,9%2 Groningen Drenthe€ 72231,6%26,8%26,0%3 Noord-Holland Noord€ 76532,1%26,9%25,6%4 Zwolle/Stedendriehoek€ 77731,8%26,7%26,1%5 MetropoolregioAmsterdam€ 86633,8%27,7%28,4%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 69 WoonquoteWoningmarktregioGemiddeldetotalemaandelijksewoonlastenOnder sociaalminimumMinimaLage inkomens6 Amersfoort/Noord-Veluwe/Zeewolde€ 82432,4%27,2%26,4%7 Holland Rijnland€ 82733,0%27,2%27,1%8 Oost-Nederland€ 76232,7%27,9%26,3%9 U16€ 85232,0%26,5%26,9%10 Food Valley€ 78630,4%25,2%25,8%11 Haaglanden/Midden-Holland/Rotterdam€ 78631,5%26,6%27,2%12 Arnhem Nijmegen€ 77130,4%26,4%26,8%13 Woongaard€ 81333,3%27,6%26,2%14 Drechtsteden/Hoeksche Waard/GoereeOverflakkee€ 76031,5%26,4%25,8%15 Noordoost Brabant€ 80931,9%26,7%26,3%16 West-Brabant en Hartvan Brabant€ 78131,8%26,3%26,2%17 Zeeland€ 71931,3%25,9%25,1%18 MetropoolregioEindhoven€ 80231,6%26,5%26,3%19 Limburg€ 74432,2%27,1%26,4%Nederland€ 79032,1%26,9%26,6% 24Vraag:Hoeveel studenten zijn er per stad op zoek naar een studentenkamer en inhoeverre sluit het huidige aantal studentenwoningen hierop aan? Kunt udit per stad uitsplitsen?Antwoord:In de meest recente Landelijke Monitor Studentenhuisvesting (2024) iseen drukindicator opgenomen per stad. Daarin staan niet de aantallen,maar staat wel beschreven hoe hoog de druk (en daarmee de aansluitingtussen vraag en aanbod) is per stad.In de 20 grootste studiesteden wordt in het collegejaar ’23-’24(peilmoment april 24) het totale tekort aan studentenwoningen geschat op23.100 woonruimten. Vooral in Amsterdam, Delft, Eindhoven, Leiden,Nijmegen, Rotterdam, ’s-Hertogenbosch, Utrecht en Zwolle is sprake vaneen relatief zeer krappe woningmarkt voor studenten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 610 25Vraag:Hoeveel extra studentenwoningen zullen er in de komende jaren gebouwdworden? Kunt u dit uitsplitsen per stad? Welk deel is daarvan zelfstandigen welk deel onzelfstandig?Antwoord:De Landelijke monitor studentenhuisvesting brengt jaarlijks het aantalbouwplannen in kaart. Gemeenten geven aan dat er voor 16.800wooneenheden studentenwoningen harde bouwplannen zijn voor deperiode 2024 tot en met 2032.Daarnaast zijn er 17.700 voorlopigebouwplannen, hiervan is de realisatie minder zeker. Een bouwplan is hardop het moment dat het een onherroepelijk of vastgesteld inpassingsplanof bestemmingsplan (met uitwerkingsplicht) is. Voorlopige of zachteplannen zijn nog niet onherroepelijk of vastgesteld. In de monitor wordtgeen uitsplitsing gemaakt naar stad of woningtype.26Vraag:Hoeveel procent van de nieuwbouwkoopwoningen in de komende jarenzal naar verwachting binnen het bereik vallen van starters, in het bijzondervoor starters met lage en middeninkomens?Antwoord:Het is lastig om op voorhand te bepalen welke woningen in het bereikvallen van starters. Starters kennen verschillende inkomens en daarbijbehorende leenruimte en dit heeft een effect op welke woningen binnenhun bereik vallen.In de plancapaciteitsrapportage is op basis van beschikbare gegevens eenraming gemaakt van de prijsklasses van de woningen in de plancapaciteit.Zie hiervoor ABF (2024), «Inventarisatie Plancapaciteit Voorjaar 2024»waarin ABF een inschatting maakt van de percentages in eigendomsvormen prijsklasses van de woningen in de plancapaciteit. Dit betreft overigensde plancapaciteit voor de periode 2024 t/m 2043. ABF raamt dat ongeveer17% van de woningen in plannen een betaalbare koopwoning is. Van debetaalbare koopwoningen is het merendeel (14%) middeldure koop (tot€ 390.000). Op basis van de leennormen 2024 zijn deze woningenbereikbaar voor starters met een middeninkomen (max 2 keer modaal)zonder additioneel eigen vermogen. 3% van de woningen valt daarnaastin de categorie goedkope koop (tot € 280.000). Deze prijs correspondeertmet de leenruimte van een inkomen onder de 1,5 keer modaal. Afhankelijkvan huishoudsamenstelling en energielabel kan het precieze inkomenbenodigd voor deze woningprijzen verschillen.ABF inventarisatie plancapaciteit:–33% van de woningen betreft goedkope huur,–16% van de woningen betreft middeldure huur,–8% van de woningen betreft dure huur,–3% van de woningen betreft goedkope koop,–14% van de woningen betreft middeldure koop,–27% van de woningen betreft dure koop27Vraag:Hoe groot is het tekort aan ambtenaren dat zich bezighoudt met vergun-ningverlening voor woningbouwprojecten?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 611 Op 20 maart jl. is de Tweede Kamer geïnformeerd over het versnellen vanprocessen en procedures in de woningbouw (Kamerstukken II 2023/2024,32 847, nr. 1159). In het destijds meegestuurde onderzoeksrapport vanBrink («Ambtelijk capaciteitstekort woningbouw») is het totale structureletekort in de planfase van woningbouw bij Nederlandse gemeentenbecijferd op ongeveer 1.700 fte. Het betreft het tekort in de planvoorbe-reiding, procedure-uitvoering (waaronder vergunningverlening),projectbegeleiding tot de realisatiefase en ondersteuning en managementvoor deze keten. Eventuele tekorten bij onder andere provincies zijnbuiten beschouwing gelaten.In het Regeerprogramma is opgenomen dat de uitvoeringskracht wordtversterkt. Daaronder valt het slimmer inzetten van capaciteit door kenniste delen, standaardiseren en digitaliseren, en door samenwerking tussengemeenten en tussen overheid en markt. Het doel is om meer te doen metbestaande capaciteit.28Vraag:Welk percentage van het huidige budget van 56 miljoen euro voor deaanpak van funderingsschade wordt aangewend voor onderzoek eninnovatie op dit gebied?Antwoord:Met het huidige budget geeft het kabinet invulling aan de eerste stappenvan een samenhangende nationale aanpak van funderingsschade.Onderzoek en innovatie vormt hier een onderdeel van. U wordt innovember middels een voortgangsbrief aanpak funderingsproblematiekhier nader over geïnformeerd.29Vraag:Hoe ziet de kostenverdeling voor de aanpak van funderingsproblematiektussen het Rijk, provincies en de gemeenten er op dit moment uit?Antwoord:Een kostenverdeling tussen de betrokken partijen is onderdeel van deverdere uitwerking van de samenhangende nationale aanpak. Over hetvervolgtraject van de nadere uitwerking van de samenhangende nationaleaanpak zal het kabinet de Kamer in november middels de voortgangsbriefinformeren.30Vraag:Hoe wordt bodemdaling en de gevolgen ervan meegenomen bijnieuwbouw- en inbreidingsprojecten? Is inzichtelijk hoeveel procent vande bestaande woningvoorraad gebouwd staat op dalende bodem? Kunt udit inzicht per provincie schematisch delen?Antwoord:Om rekening te houden met onder andere bodemdaling bij nieuwbouw enruimtelijke ontwikkelingen zijn het ruimtelijke afwegingskader en delandelijke maatlat als hulpinstrumenten ontwikkeld. Het afwegingskaderlaat zien waar in Nederland bodemdaling voorkomt en hoe heftig dezebodemdaling is. De maatlat geeft aan op welke wijze toekomstbestendigkan worden gebouwd om onder andere bodemdaling te voorkomen. Doorrekening te houden met bodemdaling in specifieke gebieden bij hetontwikkelen van nieuwbouw- en inbreidingsprojecten kunnen we degevolgen van bodemdaling beperken en nieuwe en grotere schadege-vallen zoveel mogelijk voorkomen. Op dit moment is het niet inzichtelijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 612 voor bestaande woningvoorraad een procentuele verdeling aan te gevenmet betrekking tot welke woningen waar op een dalende bodem staan.Wel kunt u een schematische verdeling van bestaande bebouwing inbodemdalingsgebied terugvinden op de klimaateffectatlas.(www.klimaateffectatlas.nl/nl/risicokaarten-funderingen).31Vraag:Kunt u cijfers geven over de ontwikkeling van de woonquote onderjongeren tussen de 25 en 30 jaar in de private huur over de afgelopen 10jaar?Antwoord:De woonquote van jongeren van 25 tot 30 jaar die in een privatehuurwoning wonen, ontwikkelde zich volgens het driejaarlijkse Woonon-derzoek Nederland zoals weergegeven in onderstaande tabel.De woonquote is het percentage van het besteedbaar huishoudinkomendat besteed wordt aan de woonuitgaven. Onder woonuitgaven vallen: dehuur, kosten voor water en energie, en de uitgaven voor heffingen enbelastingen van de Openbaar Publiekrechtelijke Lichamen (OPL).JaarWoonquote201235,2%201537,0%201835,2%202137,2% 32Vraag:Waarom wordt er gestreefd naar een plancapaciteit van 130 procentterwijl meer dan 30 procent van de bouwprojecten vertraging oploopt ofniet doorgaat?Antwoord:Op basis van ervaringscijfers gaat ABF Research ervan uit dat vanwegeplanvertragingen en planuitval er 30% meer plancapaciteit nodig is, danop basis van de omvang van de bouwopgave voor een specifiekeplanperiode nodig zou zijn. Om zeker te weten dat er voldoende plancapa-citeit is, wordt daarom in de woondeals van deze 130% uitgegaan. Daarbijgeldt dat in het verleden reeds vertraagde projecten (die al voor 2024gereed hadden moeten zijn) ook bijdragen aan de plancapaciteit voor na2024. Dit verklaart waarom een marge van 30% toch voldoende kan zijnterwijl meer dan 30% van de projecten vertraging kent.33Vraag:Wat zijn de te verwachten effecten van het verlagen van de brededoeluitkering (bedoeld voor openbaar vervoer in provincies en stadsre-gio’s) voor de bereikbaarheid van woningbouwlocaties?Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:Aan de vervoerregio’s is gevraagd wat de gevolgen zijn van de 10%taakstelling op de BDU Verkeer en Vervoer. De vervoerregio’s hebbenonder meer aangegeven dat de budgetkorting gevolgen kan hebben voorde hoogte van de tarieven en/of het OV-voorzieningenniveau in stad- enstreekvervoer. Dit heeft daarmee gevolgen voor de reizigers. De minis-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 613 teries van IenW en BZK zijn met de vervoerregio’s en de koepels de VNGen het IPO in gesprek over de precieze gevolgen van de maatregel.34Vraag:Kunt u aangeven of het mogelijk is dat alleenstaanden statushouders eengedeelde woning toegewezen kunnen krijgen? Zo ja, hoe vaak gebeurtdit? Zo nee, in potentie, hoeveel (sociale)woningen zou dit per jaar kunnenschelen in vergelijking met de huidige situatie?Antwoord:Het is mogelijk om alleenstaande statushouders in een onzelfstandigewoning te huisvesten. Zij krijgen dan een kamer toegewezen en delenvoorzieningen als badkamer en/of keuken. Het is aan gemeenten enwoningcorporaties om te besluiten of zij statushouders op deze wijzewillen huisvesten; van een aantal gemeenten is bekend dat zij dat doen. Erwordt niet landelijk bijgehouden hoe vaak statushouders op deze wijzegehuisvest worden. Vanwege de huidige krapte op de woningmarkt zethet kabinet in op meer onzelfstandige huisvesting voor statushouders.Momenteel wordt in beeld gebracht hoeveel statushouders op deze wijzegehuisvest kunnen worden en wat dat betekent voor het aantal socialehuurwoningen dat aan statushouders toegewezen kan worden. Dit wordtmeegenomen in de verdere uitwerking van de plannen zoals opgenomenin het Regeerprogramma.35Vraag:Kan per woningmarktregio weergegeven worden hoe lang de gemiddeldewachttijd voor een sociale huurwoning is?Antwoord:Het rapport Stand van de woonruimteverdeling (Rigo, 2019) maaktgebruik van informatie uit de woonruimteverdeelsystemen (onder andereWoningnet). Dit is de meest recente en enige informatie die inzicht geeftover de duur van de wachttijd (of inschrijfduur) naar regio (niet voor alleregio’s is informatie beschikbaar). De wachttijd is de periode vanafinschrijving als woningzoekende tot de toekenning van een woning. Dezoektijd is de periode vanaf de eerste zoekactie (reactie op een adver-tentie) tot aan de toekenning van een woning. De wachttijd is langer dande zoekduur omdat mensen bij inschrijving vaak nog geen dringendeverhuiswens hebben en eerst inschrijfduur willen opbouwen. In onder-staande tabel zijn de wachttijden van de woonruimteverdeelsystemenopgenomen van woningen die in 2017 werden verhuurd. Wat betreft dezoektijd per regio is er recentere informatie beschikbaar uit WoON2018 enWoON2021. Het gaat hier om de actieve zoektijd van huurders die in deafgelopen twee jaar zijn verhuisd naar een corporatiewoning. In degemiddelde zoektijd wordt geen onderscheid gemaakt tussen wachttijdenvoor starters en voor doorstromers.WoningwetregioGemiddeldezoektijd (jaar)WoON2021Gemiddeldezoektijd (jaar)WoON2018Friesland1,31,5Groningen Drenthe1,31,2Noord-Holland Noord2,21,2Zwolle/Stedendriehoek1,80,9Metropoolregio Amsterdam2,21,7Amersfoort/Noord-Veluwe/Zeewolde3,81,8Holland Rijnland4,21,2Oost-Nederland1,11,1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 614 WoningwetregioGemiddeldezoektijd (jaar)WoON2021Gemiddeldezoektijd (jaar)WoON2018U162,02,0Food Valley1,81,0Haaglanden/Midden-Holland/Rotterdam2,11,5Arnhem Nijmegen2,11,2Woongaard1,30,4Drechtsteden/Hoeksche Waard/Goeree Overflakkee1,51,2Noordoost Brabant1,32,1West-Brabant en Hart van Brabant1,91,8Zeeland1,00,8Metropoolregio Eindhoven2,01,2Limburg1,41,1Bron: WoON2021 en WoON2018Bron: Stand van de woonruimteverdeling (Rigo, 2019) 36Vraag:Wat zijn op dit moment de gemiddelde stichtingskosten van een socialehuurwoning?Antwoord:De gemiddelde stichtingskosten van een sociale huurwoning zijn dit jaar€ 270.000. Dit komt uit het rapport Indicatieve bestedingsruimte woning-corporaties (2024).37Vraag:Kunnen alle onderliggende juridische adviezen die ten grondslag liggenaan het besluit van de ministerraad om het regeerprogramma vast testellen op het gebied van volkshuisvesting en ruimtelijke ordening aan deKamer worden gestuurd?Antwoord:Ten aanzien van (juridische) adviezen over het regeerprogramma geldt datde in het regeerprogramma vervatte voornemens nog nadere uitwerkingen besluitvorming door het kabinet vergen. Hoewel het kabinet goedeinformatievoorziening aan de Kamer van groot belang acht, is hetverstrekken van interne ambtelijke adviezen aan de Kamer in dit stadiumwaar de besluitvorming nog gaande is, niet gebruikelijk. Voor verstrekkingvan ambtelijke adviezen in een nog niet afgerond proces van besluit-vorming door de ministerraad, zoals tijdens de afgelopen algemenepolitieke beschouwingen, is slechts bij (hoge) uitzondering plaats.Voorkomen moet worden dat de besluitvorming hierdoor in dit stadium teveel wordt beïnvloed en de ambtelijke advisering onderwerp wordt vanpubliek debat. Het kabinet hecht aan een zorgvuldig proces waarbij in deregel eerst door (leden van) het kabinet – mede op basis van ambtelijkeadviezen – besluiten worden genomen. Deze worden daarna gemotiveerdkenbaar gemaakt aan de Tweede Kamer, waarbij in het hierop volgendeparlementaire debat het kabinet graag bereid is om vragen vanuit uwKamer te beantwoorden.38Vraag:Zijn inmiddels alle afspraken die volgens Uitvoeringsrichtlijn Openbareagenda bewindslieden in uw openbare agenda hadden moeten komen opeen overzichtelijke en volledige wijze op de website van de rijksoverheidgepubliceerd? Hoeveel afspraken zijn pas achteraf gepubliceerd? En waarzijn deze precies te vinden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 615 Antwoord:Al de afspraken van de Minister van VRO met externe partijen zijnconform de Uitvoeringsrichtlijn Openbare agenda bewindsliedengepubliceerd. De meeste afspraken worden achteraf gepubliceerd,eveneens conform de richtlijn. Het met terugwerkende kracht publicerenvan de agenda-items heeft als voordeel dat alleen afspraken wordenopgenomen die daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. Ook kan meerinformatie worden opgenomen over de agenda-activiteit omdat achterafmeer duidelijkheid is over welke onderwerpen de bewindspersoon engesprekspartner hebben gesproken. De Minister van VRO heeft, net alsalle bewindspersonen, een eigen openbare agenda op rijksoverheid.nl.Binnen deze agenda kan worden gezocht op trefwoord en kunnen deresultaten worden gefilterd op periode (klik rechts op Toon filters). Tevensis er een regeringsbrede agenda waarin de activiteiten van alle bewinds-personen worden gecombineerd, met dezelfde zoek- en filtermogelijk-heden. Tot slot zijn agenda-activiteiten vindbaar via de algemenezoekfunctie van rijksoverheid.nl. Hierbij kunnen de zoekresultaten wordengefilterd op activiteiten.39Vraag:Wat zijn de te verwachten gevolgen van het «ravijnjaar» (2026) bijgemeenten voor de (capaciteit voor de) woningbouw?Antwoord:De middelen uit het gemeente- en provinciefonds zijn vrij besteedbaar.Het is aan de gemeenten en provincies hoe ze deze middelen aanwenden.Ze leggen over de besteding van de middelen verantwoording af aan degemeenteraad dan wel de provinciale staten.De ontwikkeling van het gemeente- en provinciefonds volgde tot en met2023 de omvang van de Rijksuitgaven. Oftewel als het Rijk meer tebesteden had, hadden gemeenten en provincies meer te besteden. Maarook omgekeerd als het rijk moest bezuinigen, moesten ook gemeenten enprovincies bezuinigen. Vanaf 2024 volgen het gemeente- en provincie-fonds de ontwikkeling van het bruto binnenlands product.Voor nieuw beleid geldt artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet, artikel108 Gemeentewet en artikel 112 Provinciewet waaruit volgt dat bijtoekenning van een nieuwe taak door het Rijk er ook gesproken moetworden over de dekking van de bijbehorende uitgaven. In geval vanmedebewind geldt artikel 108 Gemeentewet waaruit volgt dat de kosten,verbonden aan de uitvoering, voor zover zij ten laste van de betrokkengemeenten blijven, door het Rijk aan hen worden vergoed.Het gaat om de balans tussen ambitie, taken, middelen, en uitvoerings-kracht. Dit kabinet heeft als doel om gedurende de regeerperiode debalans tussen ambitie, taken, middelen en uitvoeringskracht te vinden engezamenlijk met gemeenten en provincies te sturen op een aantalbepalende gezamenlijke maatschappelijke opgaven.Daarnaast is het van belang, zoals aangegeven in het Hoofdlijnenakkoord,dat medeoverheden vroegtijdig worden betrokken bij voorbereiding vanbeleid en van wetgeving (mede aan de hand van de UitvoerbaarheidstoetsDecentrale Overheden). Eind augustus is dan ook het zogenaamdeOverhedenoverleg, overleg tussen Rijk en koepels (VNG, IPO en UvW),geweest. Dit najaar zal er wederom een Overhedenoverleg plaatsvindenover de mogelijke gevolgen van de beleidsvoornemens uit het Regeerpro-gramma voor de hierboven genoemde «balans». Ter voorbereiding hieropwerken Rijk en koepels de komende maanden ambtelijk gezamenlijk aanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 616 het inzichtelijk maken van de consequenties van het Regeerprogrammavoor uitvoerbaarheid.40Vraag:Welk deel van de vrijgemaakte vijf miljard euro voor woningbouw komtop basis van de actuele meerjarenramingen in welk jaar tot besteding (enwaaraan), welk deel komt daadwerkelijk tot besteding in de jaren2025–2029 en welk deel komt nog deze kabinetsperiode (2025–2028) totbesteding?Antwoord:Zie de tabel in het antwoord op vraag 10.41Vraag:Hoeveel extra geld komt er in 2025–2029, respectievelijk in deze kabinets-periode (2025–2028) per saldo extra beschikbaar voor infrastructureleontsluiting van woningbouw, rekening houdend met de kasschuifinfrastructuur woningbouw van 850 miljoen euro in 2025 en 2026, entevens rekening houdend met de bezuiniging van tien procent (voort-komend uit het hoofdlijnenakkoord) vanaf 2026 bij het Mobiliteitsfonds opde middelen voor bovenplanse infrastructuur?Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:In de periode 2025–2029 staat van de € 2,5 miljard € 1,650 miljardgereserveerd op de Aanvullende Post. In de periode 2025–2028 is dat€ 1,150 miljard. Aan de concrete uitwerking en invulling van de in hetHoofdlijnenakkoord aangekondigde bezuiniging van 10% op de specifiekeuitkeringen wordt momenteel gewerkt. De Kamer wordt hierover bij deVoorjaarsnota 2025 nader geïnformeerd.42Vraag:Deze begroting hangt samen met de Miljoenennota. Kan in tabel 4 van deMiljoenennota, onder «Bijstellingen Hoofdlijnenakkoord», de post«Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening» toegelicht worden in relatietot deze begroting?Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Financiën (FIN). DeMinister van FIN antwoordt met het volgende:Tabel 4 van de Miljoenennota geeft een overzicht van de kasschuiven,bijstellingen van het hoofdlijnenakkoord en aanvullende onderuitputtingweer. Deze hebben als doel de begrotingen realistischer te maken. VoorVRO is het budgetritme van de € 5 miljard uit het hoofdlijnenakkoordaangepast. De kasuitgaven van de realisatiestimulans en een deel van deuitvoeringskosten lopen door buiten de huidige meerjarenperiode. Zie hetantwoord op vraag 10 voor een uiteenzetting van de geraamde reeksenper regeling per jaar.43Vraag:Welk deel van de vrijgemaakte tweeënhalf miljard euro voor infrastruc-turele ontsluiting van woningbouw komt op basis van de actuelemeerjarenramingen in welk jaar tot besteding (en waaraan), welk deelkomt daadwerkelijk tot besteding in de jaren 2025–2029 en welk deel komtnog deze kabinetsperiode (2025–2028) tot besteding?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 617 Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:In de begroting van de € 2,5 miljard is in 2026 € 150 miljoen gereser-veerd. In elk van de jaren 2027, 2028, 2029 en 2030 bedraagt de reser-vering € 500 miljoen en in 2031 is de reservering € 350 miljoen. Besluit-vorming over de concrete invulling van de beschikbare budgetreeks voorinfrastructurele ontsluiting van woningbouw moet nog plaatsvinden. Zieook de beantwoording van vraag 11 en 12.44Vraag:Deze begroting hangt samen met de Miljoenennota. Is de interpretatie vande post «Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening» (onder «BijstellingenHoofdlijnenakkoord» in tabel 4 van de Miljoenennota) dat er in 2025–2029cumulatief 686 miljoen euro wordt gekort op de extra vijf miljard eurovoor woningbouw uit het Hoofdlijnenakkoord? Zo nee, wat is dan wel deinterpretatie?Antwoord:Zie antwoord vraag 10 en 13.45Vraag:Deze begroting hangt samen met de Miljoenennota. Waarom is in tabel 6van de Miljoenennota de dekking (vanuit post 25: dekking uit middelenwoningbouwimpuls) voor de introductie van het algemeen woningtariefvan 8% in de overdrachtsbelasting (post 24) in de jaren 2027–2029 groterdan het budgettaire beslag van de verlaging van de overdrachtsbelasting?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 14.46Vraag:Waarom wordt de structurele verlaging van de overdrachtsbelasting van2025–2029 deels gedekt met incidentele middelen vanuit de woningbou-wimpuls?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 15.47Vraag:Hoe verhoudt de financiering van een lastenverlichting (in de vorm vanverlaging van de overdrachtsbelasting) vanuit de uitgavenkant van debegroting (vanuit de woningbouwimpuls) zich (a) tot het Hoofdlijnenak-koord en (b) tot de begrotingsregels, die uitgaan van een scheiding vaninkomsten en uitgaven?Antwoord:De verlaging van de overdrachtsbelasting (OVB) is een uitwerking van hetHoofdlijnenakkoord (HLA). In het HLA is opgenomen dat er maatregelenworden genomen om private huur, midden huur en vrije huur aantrekke-lijker te maken. En dat het bouwen van (private) huurwoningen wordtgestimuleerd door het verminderen en de belastingdruk. Dit is gedaanmiddels een verlaging van de OVB. Dekking komt ook conform HLA uit dewoonimpuls.In de begrotingsregels is afgesproken dat het uitgavenkader en hetinkomstenkader in beginsel gedurende de kabinetsperiode niet wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 618 aangepast. Hieruit volgt automatisch een scheiding van inkomsten enuitgaven. Deze kaders zijn in de Miljoenennota op basis van de uitwerkingvan het HLA definitief vastgesteld. In het HLA is een specifieke eenmaligeuitzondering gegeven voor dekking van een mogelijke belastingverlagingvoor de verhuurders – door het kabinet in de uitwerking van het HLAingevuld met een verlaging van de OVB – met de dekking uit dewoningbouwmiddelen.48Vraag:Is het ook een beleidsoptie om de «reservering voorjaar» voor groepen inde knel te bestemmen voor verhoging van de huurtoeslag, gezien het feitdat de huurtoeslag volgens de Commissie sociaal minimum een van demeest kosteneffectieve instrumenten is om het inkomen op het sociaalminimum te verhogen?Antwoord:Het kabinet heeft in augustus deels invulling gegeven aan de envelop uithet hoofdl(nenakkoord voor groepen in de knel. Onder de maatregelenvallen het voorzetten van schoolmaalt(den en een samenhangend pakketgericht op het aanpakken van problematische schulden. Daarnaast betrefthet een aantal gerichte maatregelen die specifieke knelpunten intoeslagen, sociale zekerheid en fiscaliteitwegnemen. De reservering isbedoeld voor nog uit te werken beleidsopties bij onderwerpen zoalsOnafhankel(ke Commissie Toekomst Arbeidsongeschiktheidsstelsel(OCTAS), Participatiewet, Toeslagenwet, Caribisch Nederland en werkendearmen (kinderopvang). Hier zal na weging door het kabinet in het voorjaarover besloten worden.Voor de huurtoeslag is al een separate structurele intensivering van € 500miljoen beschikbaar gesteld.49Vraag:Welke netto-uitgaven van het Ministerie van VRO vallen buiten hetuitgavenkader?Antwoord:De meeste uitgaven vallen binnen het kader. Uitzonderingen zijn demiddelen uit het Nationaal Groeifonds en op artikel 12 de uitgaven voorde VPB van het RVB.50Vraag:Kan een integraal meerjarenoverzicht gegeven worden van de geraamdeinzet van de vijf miljard euro aan extra woningbouwmiddelen uit hetHoofdlijnenakkoord?Antwoord:Zie de tabel in het antwoord op vraag 10.51Vraag:Deze begroting hangt samen met de Miljoenennota en bijbehorendbijlagenboek. Klopt het dat in de verticale toelichting VRO cumulatief3,829 miljoen euro aan inzet van de vijf miljard euro woningbouwimpulsuit het Hoofdlijnenakkoord is ingeboekt, en dat hiervan daarnaastcumulatief 476 miljoen euro wordt besteed aan de verlaging van deoverdrachtsbelasting? Waar is de resterende 685 miljoen euro gebleven,en correspondeert deze met de cumulatieve 686 miljoen euro inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 619 2025–2029 op de post «Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening» (onder«Bijstellingen Hoofdlijnenakkoord») in tabel 4 van de Miljoenennota?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 10 en 13.52Vraag:Naar welke latere jaren is de 850 miljoen euro uit 2025 en 2026 voor InfraWoningbouw verschoven? Klopt het dat dit na 2029 is?Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:Dit klopt. Van de € 850 miljoen schuift € 500 miljoen uit 2025 door naar2030 en schuift € 150 miljoen van de € 500 miljoen in 2026 door naar2031.53Vraag:Klopt het dat er op basis van de huidige meerjarenramingen in 2025–2029slechts 1,65 miljard euro van de tweeënhalf miljard euro uit het Hoofdlij-nenakkoord wordt ingezet voor infrastructurele ontsluiting vanwoningbouw, waarvan nihil in 2025, 150 miljoen euro in 2026 en 1,15miljard euro binnen deze kabinetsperiode (2025–2028)?Antwoord:Dit klopt. Zie ook het antwoord op vraag 17.54Vraag:Wat gaat het kabinet doen om te bevorderen dat er bij de voorjaarsbesluit-vorming in 2025 voldoende realistische plannen zijn om binnen dezekabinetsperiode alsnog de naar latere jaren verschoven 850 miljoen eurovoor Infra Woningbouw tot besteding te kunnen laten komen?Antwoord:Dit is een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuur enWaterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:Het kabinet streeft naar een snel en zorgvuldig proces van toedeling vanmiddelen. In de periode tot aan het BO MIRT in het najaar van 2025 zet hetkabinet vol in op het snel opstellen en beoordelen van plannen. Concreteuitgaven volgen wanneer projecten in uitvoering zijn. Gezien dedoorlooptijd van aanleg van infrastructurele en mobiliteitsvoorzieningenzullen vooral in de later jaren middelen nodig zijn. Het kabinet wil namelijkuitvoerbare plannen met een realistisch uitgavenpatroon (kasritme).55Vraag:Kan inzichtelijk worden gemaakt hoe de extra vijf miljard euro voorwoningbouw en tweeënhalf miljard euro voor infrastructuur naar dewoningbouw toe over de komende jaren worden verspreid?Antwoord:Voor de verdeling van de € 5 miljard voor woningbouw verwijs ik naar detabel in het antwoord op vraag 10. Voor wat betreft de inzet op de € 2,5miljard is dit een vraag op het terrein van het Ministerie van Infrastructuuren Waterstaat (IenW). De Minister van IenW antwoordt met het volgende:De Minister van IenW werkt in overleg met de Minister van VRO op ditmoment aan de concrete invulling van de vrijgemaakte € 2,5 miljard voorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 620 infrastructurele ontsluiting van woningbouw. Dit in samenhang met degebiedsgerichte middelen vanuit VRO (vanuit de € 5 miljard) voor dewoningbouw. Wij gaan hierover tijdens de bestuurlijke overleggenLeefomgeving en MIRT in gesprek met de regio’s en andere betrokkenpartijen. Daar verwachten we een eerste beeld te krijgen van de woning-bouwambities in de verschillende regio’s. De verwachting is om op debestuurlijke overleggen Leefomgeving komend voorjaar (juni) de eersteconcrete (investerings)beslissingen over de inzet van de € 5 miljard en€ 2,5 miljard te nemen.56Vraag:Kunt u nader ingaan op het nut van een programma om tegenstrijdige enoverbodige regelgeving te schrappen? Waarom is dit volgens u de manierom het beoogde doel te bereiken?Antwoord:Dit kabinet heeft als ambitie om juridische belemmeringen in de woning-bouwopgave weg te nemen om zo de realisatie van 100.000 nieuwewoningen per jaar waar te maken. Daarom is in het Regeerprogrammaaangekondigd dat er gestart zal worden met een programma omtegenstrijdige en overbodige regelgeving te schrappen. Daar betrekkenwe andere overheden, departementen en marktpartijen bij. Het veld zalworden gevraagd om belemmerende regelgeving in de praktijk van alledag te signaleren. Deze signalen zullen worden getoetst en na politiekeweging bezien op mogelijke aanpassingen, zodat de woningbouwopgavehierdoor niet meer negatief wordt beïnvloed. Uiteindelijk zullen via hetreguliere wetgevingsproces alleen regels worden voorgesteld om teschrappen die met name leiden tot een snellere en/of goedkoperewoningbouw.57Vraag:Wanneer start het programma om tegenstrijdige en overbodige regel-geving te schrappen? Wanneer verwacht u eerste uitkomsten met deKamer te kunnen delen?Antwoord:Op dit moment ben ik bezig met de uitwerking van het programma. Ikverwacht u hierover in november te informeren.58Vraag:Welke mogelijkheden om procedures te versnellen en beroepsmogelijk-heden te beperken ziet u nog meer naast de reeds aangekondigdemaatregelen?Antwoord:De Minister van VRO informeert uw Kamer voor de begrotingsbehan-deling over het versnellen van de woningbouw. Daarin betrek ik ook deberoepsmogelijkheden en het versnellen van procedures.59Vraag:Op welke manier wilt u bewerkstelligen dat medeoverheden geenzwaardere eisen stellen dan landelijk geldende regelgeving voorgebouwen?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 621 In het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn de bouwtechnische regelsover bouwwerken landelijk geüniformeerd. Dit betekent dat gemeentengeen strengere technische regels op het gebied van veiligheid,gezondheid, bruikbaarheid en duurzaamheid mogen stellen, tenzij hetBesluit daar expliciet ruimte voor biedt. Die ruimte biedt het Besluit zeerbeperkt als het gaat om maatwerk op initiatief van het bevoegd gezag, watruimer als het gaat om andere regels op verzoek van de initiatiefnemer.Bovendien mogen gemeenten op grond van artikel 23.7 van deOmgevingswet ook geen privaatrechtelijke afspraken hierover maken.Ontwikkelaars en bouwers hoeven dus geen zwaardere eisen dan landelijkgeldende regelgeving te accepteren en ik zal medeoverheden hierbestuurlijk op aanspreken.60Vraag:Wordt in de aanpak industrieel bouwen ook aandacht besteed aan het(waar mogelijk) stimuleren van Nederlandse aanbieders, teneinde onderandere werkgelegenheid zoveel mogelijk in Nederland te houden?Antwoord:De Minister van VRO signaleert dat met name Nederlandse aanbieders destap zetten naar industrialisatie van hun bouwproces. De meesteNederlandse woningbouwfabrieken zijn gesitueerd in de regio en makengebruik van veelal lokale arbeidskrachten.De bouwregelgeving verschilt van land tot land en dat maakt datconcepten van buitenlandse partijen – die gewend zijn aan andereregelgeving te moeten voldoen – niet altijd geschikt zijn voor de Neder-landse markt (en andersom).61Vraag:Op welke manier kan gewaarborgd worden dat het programma Schoonen Emissieloos Bouwen (SEB) geen drempels opwerpt voor bouwonder-nemingen, waardoor de realisatie van woningbouwprojecten mogelijkgehinderd wordt?Antwoord:Het programma Schoon en Emissieloos Bouwen biedt opdrachtgevers en-nemers juist perspectief om te kunnen doorbouwen binnen de eisen dievanuit de natuurwetgeving aan stikstof worden gesteld. Het SEBprogramma ondersteunt de marktontwikkeling naar schoon enemissieloos bouwmaterieel, bouwlogistiek en toepassingen zoalsbouwhubs en prefab bouw. De ondersteuning bestaat uit onder meersubsidies aan marktpartijen voor de aanschaf van en ombouw naaremissieloos materieel en bijdragen voor opdracht gevende convenant-partners (rijksopdrachtgevers en medeoverheden) bij de meerkostenwanneer deels emissieloos wordt uitgevraagd in bouw-, onderhouds-, ensloopprojecten. Aan de basis van het programma ligt het convenant SEB.Daarbinnen hebben de rijksoverheid, gemeenten, provincies, water-schappen en grote opdrachtgevers zoals RWS, RVB, Prorail, de HavenRotterdam, Schiphol en de branche organisaties uit de bouw en logistiekesector afspraken gemaakt over het tempo waarop bouwprojecten schoonen emissieloos worden uitgevraagd. Hierbij bewaken de inmiddels meerdan 100 betrokken convenantpartijen met elkaar een goede balans tussenaan de ene kant voldoende ambitie en aan de andere kant een verduurza-mingtempo dat haalbaar en betaalbaar is.62Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 622 Kunt u in een tabel en/of grafiek inzichtelijk maken hoe de studentenwo-ningnood zich in de afgelopen tien jaar heeft ontwikkeld en wat deprognoses zijn tot 2030?Antwoord:Via de Landelijke Monitor Studentenhuisvesting (LMS) wordt de vraag enhet aanbod van studentenhuisvesting in kaart gebracht. De methoderondom het berekenen van de tekorten is de afgelopen jaren een aantalkeer veranderd. Zowel de berekening van de huidige vraag, de prognosevan het aantal studenten en prognose van het aanbod is in de loop van detijd zijn gewijzigd. De tekorten in aantallen tot tien jaar terug hebben wedan ook niet. Alleen beschikbaar zijn de tekorten vanaf 2 jaar geleden,toen de huidige systematiek werd ingevoerd en, omdat de prognose opacht jaar wordt gesteld, het peilmoment 2032. De tekorten op een rij:’21-’22: 26.800 (uit LMS 2022)’22-’23: 23.700 (uit LMS 2023). Dit is een daling tov jaar ervoor vanwegedaling van het totaal aantal studenten dat in Nederland studeert.’23-’24: 23.100 (uit LMS 2024)’31-’32: 26.300 tot 42.400 (uit LMS 2024)LMS= Landelijke Monitor Studentenhuisvesting63Vraag:Hoe heeft de woningnood onder starters zich in de afgelopen tien jaarontwikkeld?Antwoord:Figuur 1 en Figuur 2 laten de ontwikkeling zien van het aandeel starters(Woningmarkt 1e kwartaal 2024: meer transacties en hogere prijzen -Kadaster.nl zakelijk)in het aantal verkochte woningen en het aantaltransacties per leeftijd. In figuur 2 is te zien dat het aandeel van starters inhet totale aantal transacties tot eind 2019 geleidelijk terugliep. Gedifferen-tieerd naar leeftijd laat figuur 1 zien dat het aantal transacties voor kopersjonger dan 35 jaar in deze periode wel opliep, maar niet zo sterk als bijoudere kopers en beleggers. Vanaf 2019 loopt het aantal transacties en hetaandeel van starters weer verder op met een schokeffect in eind2020/begin 2021. Dit schokeffect wordt veroorzaakt door de invoering vande wet differentie overdrachtsbelasting (OVB) en de bijbehorendestartersvrijstelling. Uit het recent uitgevoerde onderzoek van SEO(Kamerstukken II 2024/25, 36 602 nr 5, bijlage evaluatieoverdrachtsbelasting- kopen zonder heffen) blijkt dat deze differentiatie depositie van starters ten opzichte van beleggers heeft verbeterd. Hetaandeel en het aantal transacties van starters neemt hierna verder toe,zeker in de vier grote steden Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Amsterdam(G4). Hierin speelt onder meer mee dat in de G4 het aanbod van koopwo-ningen is toegenomen door de verkoop van private huurwoningen. Dezewoningen vallen gemiddeld gezien in een lagere prijscategorie en wordenvaker gekocht door koopstarters (HYPERLINK «https://esb.nu/beleggers-verkopen-nu-meer-huizen-aan-eigenaar-bewoners-dan-ze-opkopen/).Concluderend kan worden gesteld dat de toegang van starters tenopzichte van doorstromers en beleggers licht is verbeterd. Ten opzichtevan 10 jaar gelden is het aandeel van starters in de G4 en G44 ongeveergelijk maar voor de rest van Nederland iets lager. Het aantal transactiesligt echter hoger. Dit alles betekent echter niet dat iedereen die een huiswil kopen daar in de huidige markt ook in slaagt.Definitie kadaster: Starter: is een particulier die voor het eerst in deregistratie van het Kadaster voorkomt als eigenaar – i.e. een particulier dievoor het eerst een woning koopt om hierin te gaan wonen in slaagt (BronTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 623 Kadaster). 64Vraag:Hoe heeft de gemiddelde leeftijd waarop mensen hun eerste koopwoningbetrekken zich in de afgelopen tien jaar ontwikkeld?Antwoord:De gemiddeld leeftijd van koopstarters is redelijk constant en ligt in eenbandbreedte tussen 29 jaar en 32 jaar. Tot 2015 liep de gemiddelde leeftijdlangzaam op. Daarna daalde de gemiddelde leeftijd en deze lijkt zich testabiliseren rond de 29,5 jaar. In 2021 is er een duidelijk anticipatie effectvan de Wet differentiatie overdrachtsbelasting zichtbaar. Koopstartersonder de 35 jaar zijn vanaf 1 januari 2021 vrijgesteld van overdrachtsbe-lasting wanneer hun woning onder de woningwaardegrens valt. In Q42020 hebben koopstarters die voldoen aan de voorwaarden hun aankoopuitgesteld naar Q1, waardoor er een groter aantal starters onder de 35 jaareen woning hebben gekocht in Q1. Voor koopstarters boven de 35 jaarhad deze timing geen effect waardoor de gemiddelde leeftijd in Q4 hogerligt.Figuur 1: Aantal transacties naar leeftijdsklasse.Figuur 2 Aandeel starters in het totaal aantal transactiesBron: Staat van de volkshuisvesting 2023Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 624 65Vraag:Kan het juridisch kader van de Nota Ruimte in een schema worden gezet?Welke wettelijke grondslag krijgt deze nota, welke wettelijke bevoegd-heden worden geïntroduceerd c.q. aangepast en hoe verhoudt de NotaRuimte zich tot de bevoegdheden van de medeoverheden?Antwoord:De Omgevingswet vereist dat het Rijk, de provincies en de gemeenten elkéén omgevingsvisie vaststellen. De Minister van VRO stelt in overeen-stemming met de Ministers die het aangaan de nationale omgevingsvisievast (NOVI). Die bevat de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling,het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van ons land ende hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integralebeleid.De Nota Ruimte wordt de nieuwe Nationale Omgevingsvisie en vervangtna vaststelling in uw kamer de huidige NOVI. De Nota Ruimte fungeert alszelfbindend kader voor de verdere uitwerking van het Rijksbeleid.De Nota Ruimte beschrijft op welke wijze het Rijk invulling wil geven aanhaar regierol en geeft een overzicht van de (juridische) instrumenten dieingezet kunnen worden. Hoe dat instrumentarium ingezet wordt zal hetkabinet beschrijven in een Uitvoeringsagenda, die tegelijk met deontwerpNota Ruimte aan de kamer gestuurd wordt.Provincies en gemeenten moeten bij hun beleidsvorming rekeninghouden met de Nota Ruimte. Om de beleidsdoelstellingen uit de NotaRuimte te realiseren zullen de keuzes, conform het instrumentarium vande Omgevingswet, uitgewerkt worden in lopende en nieuwe programma’sen projecten. Indien nodig, bijvoorbeeld om een nationaal belang teborgen, kan dat ook in regels die direct doorwerken in provincialeomgevingsverordeningen, waterschapsverordeningen, projectbesluiten ofgemeentelijke omgevingsplannen of in regels die direct sturing geven aande uitvoering van activiteiten.66Vraag:Hoe verhoudt het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie (NPRD)zich straks tot de Nota Ruimte?Antwoord:In de huidige Nationale Omgevingsvisie staat al dat Defensie ruimte nodigheeft. Om die ruimtebehoefte uit de NOVI concreet te maken werktFiguur 3 Gemiddelde leeftijd koopstarterTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 625 Defensie aan het NP Ruimte voor Defensie. In dit programma wordt deruimtebehoefte van Defensie uitgewerkt.Dan gaat het onder meer om ruimtebehoeften zoals laagvlieggebiedenvoor helikopters, locaties voor munitieopslag en uitbreiding van oefenter-reinen.In het kader van de Nota Ruimte worden integraal de keuzes gemaakt, ookdie van Defensie. De ruimtelijke keuzes die nu worden uitgewerkt in hetNP Ruimte voor Defensie landen in de Nota Ruimte.Voor de zoektocht naar locaties voor Defensie zijn de afwegingsprincipesvan de NOVI het uitgangspunt: 1. Combinaties van functies gaan voorenkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staancentraal; 3. Afwentelen voorkomen.In het voorontwerp Nota Ruimte staat al een eerste overzicht van dekoppelkansen tussen Defensie en andere ruimtevragers. Zo is Defensieeen van de grootste natuurbeheerders en ook op nieuwe locaties kanDefensie bijdragen aan de doelstellingen op het gebied van natuur enbiodiversiteit. Daarnaast wordt waar dat mogelijk en veilig is ruimtegeboden voor het opwekken en opslaan van duurzame energie, niet alleenvoor eigen gebruik maar ook ten gunste van de omgeving. Bovendien kanDefensie ook een bijdrage leveren aan de leefbaarheid van dorpen doorzowel directe werkgelegenheid bij Defensie als indirecte werkgelegenheidbij aanleverende partijen en ook de behoefte aan voorzieningen.67Vraag:Op welke wijze wordt het principe «water en bodem sturend» preciesvormgegeven in de ruimtelijke ordening?Antwoord:In het Regeerprogramma staat dat we rekening houden met water enbodem. Voor toekomstige welvaart en veiligheid zijn keuzes in deruimtelijke ordening die rekening houden met water en bodem vanbelang. Dat doen we bijvoorbeeld bij het bouwen van huizen, om tevoorkomen dat huizen over 10 of 20 jaar gaan verzakken of een grootrisico kennen op zware overstromingen. Daar is niemand bij gebaat.Tegelijkertijd betekent «rekening houden met» ook dat we mee bewegenmet water en bodem en soms bijvoorbeeld accepteren dat er wateroverlast is. Denk aan een tuin van een woning die af en toe onder waterkomt te staan wanneer deze grenst aan een sloot die soms overloopt.Rekening houden met werkt dus twee kanten op. Het accent komt daarbijte liggen op wat er wel kan en hoe we daarvoor zorgen. We moetencreatief zijn en slimme keuzes maken met goede technische oplossingen.In de Nota Ruimte maken we deze keuzes integraal met het oog op eentoekomstbestendige inrichting van Nederland.68Vraag:Kan een actuele stand van zaken gegeven worden van het Kustpact? Watis hier de afgelopen periode mee gebeurd en hoe worden deze afsprakenvoortgezet/aangepast?Antwoord:Op 21 februari 2017 hebben 59 bij de kust betrokken overheden enmaatschappelijke organisaties het Kustpact ondertekend. Met hetKustpact streven partijen naar een goede balans tussen ontwikkeling tenaanzien van recreatieve bebouwing aan de kust enerzijds en beschermingen behoud van haar collectieve waarden en kernkwaliteiten anderzijds.Het laatste Bestuurlijke Overleg was op 28 september 2022. In dit overlegis middels een evaluatie gesproken over het destijds 5 jarig bestaan vanhet Kustpact en zijn de resultaten van de eerste versie van de Kustpactmo-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 626 nitor besproken. Conclusie was dat er werking uitgaat van het Kustpact ende partners tevreden zijn over de samenwerking.De Tweede Kamer wordt op de hoogte gehouden van de voortgang. Delaatste voorgangsbrief Kustpact is op 25 juni 2024 naar de Kamerverstuurd (Kamerstukken II 2023/24, 29 383 nr. 416).In het Kustpact Convenant is 31 december 2025 als einddatumopgenomen. De Kustpactpartners moeten gezamenlijk beslissen of, en zoja hoe, men de samenwerking wil continueren na 2025.De mogelijke scenario’s worden momenteel ambtelijk voorbereid. Er zijn 4scenario’s in beeld: het Kustpact stopt; het Kustpact gaat door in huidigevorm; het Kustpact gaat door, met aangescherpte scope en daarbijbehorende deelnemende partijen o.b.v. de actualiteiten; het Kustpactwordt verbreed tot een breder overleg Kust waar meerdere onderwerpenaan bod komen.Tijdens een bestuurlijk overleg begin 2025 worden deze mogelijkescenario’s bestuurlijk verkend. Eind 2025 kan het gekozen scenarioworden bestendigd door alle betrokken partijen.69Vraag:Kan in een schema de ontwikkeling van het aantal sociale huurwoningenop de BES-eilanden (uitgesplitst per eiland) over de afgelopen tien jaarworden weergegeven?Antwoord:Er zijn geen gegevens bekend over de ontwikkeling van het aantal socialehuurwoningen in de afgelopen tien jaar, omdat er geen nulmeting isgedaan in 2014. Wel kunnen de actuele cijfers gegeven worden over debestaande voorraad sociale huurwoningen. Dit betreft een afgerondeschatting op basis van het bezit van de woonstichting en/of het betref-fende Openbaar Lichaam:Aantal sociale huurwoningen per eilandBonaire500St. Eustatius100Saba50 70Vraag:Kan in een schema het aantal geplande nieuwe sociale huurwoningenvoor de komende vijf jaar voor de BES-eilanden (uitgesplitst naar eiland)worden weergegeven?Antwoord:Met elk eiland zijn afspraken gemaakt over het aantal te realiseren socialehuurwoningen vóór 2030. Op Bonaire is dit vastgelegd in de Woondeal,op Saba en St. Eustatius is voor elk van de eilanden een Letter of Intentgetekend. Voor Saba betreft dit betaalbare woningen waaronder ookbetaalbare koopwoningen.Deze zijn als volgt;Aantal geplande sociale huurwoningenBonaire700 à 1.000St. Eustatius50Saba50 Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 627 De precieze fasering per jaar wordt momenteel nader uitgewerkt.71Vraag:Wat zijn de verwachte concrete gevolgen van de verplichte budgettairetaakstelling van 22 procent op de apparaatsuitgaven van het Ministerievan VRO?Antwoord:Er is een gezamenlijk ambtelijk apparaat dat werkt voor beide ministeriesBZK en VRO. De apparaatsuitgaven van het kerndepartement van VROworden verantwoord op artikel 11 van de begroting van BZK, dus daarslaat de taakstelling dan ook neer. Op dit moment wordt voor hetambtelijk apparaat van BZK en VRO uitgewerkt wat de taakstellingbetekent en hoe deze op een verantwoorde en realistische manieringevuld kan worden.72Vraag:Op welke manier kan gewaarborgd worden dat grond voor grotemaatschappelijke opgaven niet in handen komt van grondeigenaren dieafkomstig zijn uit landen met dictatoriale regimes, zoals China?Antwoord:De Minister van VRO vindt het belangrijk dat er grond beschikbaar is voorgrote maatschappelijke opgaven, zoals bereikbaarheid en de woning-bouwopgave.Het uitgangspunt van het Nederlands contractenrecht is contractsvrijheid.Dat brengt mee dat het partijen in beginsel vrij staat om een overeen-komst aan te gaan met wie zij willen.Het is daarom lastig om de verkoop van grond aan bepaalde partijen tevoorkomen.Voor sommige landen of (rechts)personen gelden internationale sancties,die het verkopen van grond aan die partijen verbiedt.Overheidsorganen kunnen zelf meer regie op grond voeren, bijvoorbeelddoor de inzet van het voorkeursrecht. Door het voorkeursrecht verkrijgthet overheidsorgaan een eerste recht van koop.73Vraag:Op welke wijze wordt belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit gewaar-borgd met betrekking tot conceptueel en industrieel bouwen, waarondermodulaire bouw?Antwoord:Het waarborgen van belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit metbetrekking tot conceptueel en industrieel bouwen, waaronder modulairebouw, gebeurt door de Commissies Omgevingskwaliteit.In dat kader zijn de Federatie Ruimtelijke Kwaliteit (FRK – het overkoe-pelend orgaan van de commissies omgevingskwaliteit) en het College vanRijksadviseurs (CRa), in opdracht van het Ministerie van BZK, een trajectgestart over ruimtelijke kwaliteit bij fabrieksmatige woningbouw.Al eerder was een stedenbouwkundig kader uitgebracht en in november2023 verscheen een architectonisch kader. Momenteel wordt gewerkt aaneen governance kader waarin ook waarin ook procesafspraken wordenvastgelegd. Uitgangspunt is dat het belangrijk is dat op projectniveau alvroegtijdig wordt samengewerkt tussen ontwerpers, opdrachtgevers enbouwers. Deze kaders dienen ter inspiratie en zijn dus niet bindend.74Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 628 Vraag:Kan een actueel overzicht gegeven worden van de implementatie van deOmgevingswet? Hoeveel overheden zijn inmiddels aangesloten op hetDigitaal Stelsel Omgevingswet (DSO), hoeveel nog niet en welke concretestappen moeten er nog gezet worden?Antwoord:Richting inwerkingtreding ontving u ten aanzien van de aansluitcijfers vanoverheden op het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) maandrappor-tages. Deze rapportages ontvangt u sinds mei 2023 niet meer vanwege dedestijds al hoge aansluitcijfers (Kamerstukken II 2022/23, 33 118 nr. 255).Alle bevoegd gezagen (gemeenten, waterschappen, provincies, rijkspar-tijen) zijn met hun 3 lokale systemen aangesloten op het DSO. Op dezemanier kunnen zij allemaal aan de slag in de drie ketens (De VTH-keten, dePlanketen en de Toepasbareregel keten (TR-keten)).Ondanks dat alle bevoegd gezagen zijn aangesloten, wil dat niet zeggendat alle gezagen ook direct in de nieuwe ketens kunnen werken. Met namein de planketen hebben diverse gezagen, voornamelijk een aantalgemeenten, nog stappen te zetten. Zo zijn er bijvoorbeeld nog gemeentendie de bruidsschat zogezegd technisch in beheer moeten nemen, maarwachten een aantal gemeenten ook nog op functionaliteiten in hun lokalesoftware. Deze gezagen kunnen voorlopig gebruikmaken van de terugval-optie van de Tijdelijke Alternatieve Maatregelen (TAM). Via het leveran-ciersmanagement en het bieden van ondersteuning worden deze gezagen(verder) op weg geholpen. Via mijn voortgangsbrieven blijf ik u perkwartaal rapporteren over de (verdere) actuele stand van zaken tenaanzien van de implementatie van de Omgevingswet.75Vraag:Kunt u in een overzicht weergeven hoe de taakstelling van 22 procent ophet ambtelijk apparaat per onderdeel van het departement en voor deuitvoeringsorganisaties neerslaat?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 71.76Vraag:Kunt u aangeven op basis van welke criteria wordt bepaald hoe detaakstelling van 22 procent op het ambtelijk apparaat wordt ingevuld?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 71.77Vraag:Kunt u concreet aangeven welke taken/werkzaamheden niet meeruitgevoerd gaan worden vanwege de taakstelling van 22 procent op hetambtelijk apparaat?Antwoord:Het is nog te vroeg om hier uitspraken over te kunnen doen. Zie ook hetantwoord op vraag 71.78Vraag:Waarvoor zijn de vrijgevallen middelen als gevolg van de vertraging vande Wet vereenvoudiging van de huurtoeslag aangewend?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 629 Antwoord:De middelen zijn toegevoegd aan het generale beeld.79Vraag:Waarvoor zijn de vrijgevallen middelen vanwege de latere ingangsdatumvan de Wet versterking regie op de volkshuisvesting aangewend?Antwoord:De middelen zijn toegevoegd aan het generale beeld.80Vraag:Met welke inwerkingtredingdatum van de Wet vereenvoudiging van dehuurtoeslag wordt rekening gehouden?Antwoord:De eerstvolgende mogelijke datum voor inwerkingtreding hiervoor is1 januari 2026. Achtergrond hiervan is toegelicht in de brief van 25 maartj.l. (Kamerstukken II 2023/24, 36 311 nr. 12).81Vraag:Kunt u toelichten waarom niet is gekozen om ook in 2025 een bedrag van500 miljoen euro beschikbaar te stellen voor het verhogen van dehuurtoeslag, alsmede waar de 285 miljoen euro voor is gebruikt?Antwoord:In het hoofdlijnenakkoord heeft het kabinet een koopkrachtenvelop voorlastenverlichting van € 2 miljard en € 2,5 miljard opgenomen in 2025 en2026, en nog meer in latere jaren. Tijdens de augustusbesluitvorming iservoor gekozen deze enveloppen gefaseerd in te zetten, waaronder dehuurtoeslag. Dit zorgt er voor dat de koopkrachtontwikkeling beter wordtverspreid over de gehele kabinetsperiode.82Vraag:Hoe vaak doen zich storingen voor bij het DSO?Antwoord:Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) is een samenhangend stelselvan digitale voorzieningen, standaarden, gegevens, bronnen en onder-linge afspraken. Het bevat onder andere een centraal deel, de landelijkevoorziening van het DSO (DSO-LV), maar ook decentrale onderdelen. DeDSO-LV onderdelen zijn sinds inwerkingtreding stabiel en er is sprake vanruim voldoende capaciteit voor het huidige gebruik. Daarbij wordt eentoenemend gebruik geconstateerd en tegelijkertijd is een dalende trend inhet aantal incidenten zichtbaar. Het aantal incidenten is het laatstekwartaal bijna gehalveerd ten opzichte van het eerste kwartaal. Het aantalincidenten betrof 413 in het eerste kwartaal, 295 in het tweede kwartaal en217 in het derde kwartaal. De incidenten worden daarbij geprioriteerd opbasis van hun impact op de dienstverlening (prioriteit 1 t/m 4). Het aantalincidenten met een prioriteit 1 betrof in het eerste kwartaal 6, in hettweede kwartaal 5 en in het afgelopen kwartaal 2, welke allemaal binnende daarvoor vastgestelde termijnen zijn opgelost. De impact van demeeste incidenten op de dienstverlening was dan ook (zeer) gering.Naast incidenten komen er ook wijzigingsverzoeken binnen. Via dergelijkeverzoeken geven gebruikers aan welke aanpassingen zij wensen.Dergelijke verzoeken worden geanalyseerd, geprioriteerd en indienTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 630 relevant verwerkt. Ook in het aantal wijzigingsverzoeken is een dalendetrend zichtbaar. Het aantal verzoeken betrof 234 in het eerste kwartaal, 177in het tweede kwartaal en 91 in het derde kwartaal.83Vraag:Kunt u voor de eerste drie maatregelen die ter invulling dienen van hetstructureel beschikbaar gestelde bedrag van 500 miljoen euro voor dehuurtoeslag, alsmede de daarop volgende alinea inzake kwaliteitskortings-percentages een uitgebreide toelichting geven?Antwoord:De hier voorgestelde maatregelen zijn onderdeel van het wetsvoorstel terverbetering van de koopkracht en vereenvoudiging van de regeling(Kamerstukken II 2024/25, 36 608 nr. 2). Dit wetsvoorstel loopt mee methet Belastingplan en is reeds aan uw Kamer aangeboden. Een uitge-breidere toelichting op de genoemde maatregelen en de gevolgen hiervanis gegeven in de memorie van toelichting behorende bij dit wetsvoorstel(Kamerstukken II 2024/25, 36 608 nr. 3).84Vraag:Hoeveel woningen verwacht u dat er tot 2030 jaarlijks gebouwd worden?Kan dit in een schema per jaar worden gezet?Antwoord:De Primos prognose van ABF (Zie ABF Research (2024), «Primos-prognose 2024, Prognose van bevolking, huishoudens en woningbe-hoefte») bevat onderstaande tabel met de verwachte aantallen nieuwewoningen per jaar. De prognose van ABF is gebaseerd op inzichten endata waarin de situatie tot en met april/mei dit jaar zijn meegenomen. Inde cijfers wordt zichtbaar dat voor de jaren 2024 en 2025 een dip in dewoningbouw verwacht wordt. Dit is het gevolg van de voor de woning-bouwbouw negatieve economische omstandigheden in de jaren 2022 en2023. De inzet van het Kabinet is om het herstel, dat ABF na 2025 voorzietsneller te laten verlopen zodat zo snel mogelijk de 100.000 woningen perjaar kunnen worden gerealiseerd. Het aantal verleende vergunningenstijgt sinds begin dit jaar weer en de verkopen van nieuwbouwkoopwo-ningen zijn sinds het dieptepunt begin 2023 inmiddels gestegen met zo’n70%. De voortekenen zijn daarmee gunstig, maar hoe sterk en hoe snelhet herstel van de woningbouwproductie daadwerkelijk zal plaatsvindenzal in de toekomst moeten blijken.Jaarwoningbouw in aantal202478.400202577.000202692.8002027104.1002028100.8002029102.3002030102.300203196.600203292.200203388.100203482.900Bron: Primos prognose 2024 85Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 631 Kunt u in een grafiek een overzicht geven van het aantal gebouwdewoningen tussen 2010 en nu en van het aantal afgegeven vergunningenin die jaren?Antwoord:In onderstaande figuur wordt een overzicht gegeven van de woningbouw-productie en het aantal afgegeven vergunningen vanaf 2012. De woning-bouwproductie omvat de nieuwbouw en de nieuwe woningen uit (hetsaldo van) de zogenoemde overige toevoegingen (minus overigeonttrekkingen). Deze overige toevoegingen betreffen vooral woningtrans-formaties en woningsplitsingen.In de jaren voor 2012 was er nog geen basisadministratie gebouwen(BAG) en gebruikte het CBS het woningregister. Door deze methodebreukkunnen de cijfers van voor 2012 niet goed vergeleken worden met dehuidige en deze zijn daarom niet opgenomen in onderstaande figuur. De aantallen bouwvergunningen zijn lager dan de aantallen gerealiseerdewoningen. Dit komt omdat vergunningen voor woningtransformaties nietin de cijfers over de vergunde nieuwbouwwoningen zijn opgenomen. Ookwoningen die via splitsing of verbouw tot stand komen worden in devergunningenstatistiek niet meegenomen. Grosso modo geldt dat deontwikkeling in de aantallen gerealiseerde woningen twee jaar achter-lopen op de ontwikkeling van het aantal verleende bouwvergunningen.Bron: CBS-BAG en CBS-verleende woningbouwvergunningen86Vraag:Waarom gaat de realisatiestimulans pas vanaf 2026 in? En waarom looptde Woningbouwimpuls (Wbi) niet door tot 2025 ter compensatie van hetuitstellen van de realisatiestimulans?Antwoord:De realisatiestimulans is een bijdrage die wordt uitgekeerd bij dedaadwerkelijke realisatie van de woningen. Er is geen sprake van hetuitstellen van de realisatiestimulans. Het instrument zal in 2025 in werkingtreden. De uitkering van de realisatiestimulans zal plaatsvinden op basisvan de gerealiseerde woningen in 2025. De uitkering kan daarom pas in2026 plaatsvinden omdat eerst het aantal gerealiseerde woningen in 2025moet worden vastgesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 632 De zesde tranche van de Woningbouwimpuls is eind juni 2024 toegekenden zal worden voortgezet in een aangepaste vorm vanaf 2025.87Vraag:Wat is het verwachte effect van de realisatiestimulans op het aantalgebouwde woningen tot 2030?Antwoord:Het instrument wordt de komende tijd nog nader uitgewerkt. Hierin wordtook de hoogte van het bedrag per woning nader uitgewerkt. De hoogtevan dit bedrag is van belang om het verwachte effect uit te kunnenrekenen. De inschatting is nu dat er uitgegaan wordt van een bepaaldebasisbijdrage per betaalbare woning. Op basis van dit bedrag is deinschatting dat de bouw van ca. 300.000–400.000 woningen financieel kanworden ondersteund met de realisatiestimulans. Het gaat hierbij omwoningen waarvoor in de afgelopen jaren nog geen andere bijdrage isverstrekt.Bij het bepalen van de omvang van de realisatiestimulans per woningwordt een aanvullende bijdrage mogelijk voor bijvoorbeeld woningbouwin specifieke gebieden zoals NPLV en Elke regio telt en capaciteit vangemeenten. Of de woningen daadwerkelijk worden gerealiseerd is vanmeerdere factoren afhankelijk.Met de realisatiestimulans krijgen gemeenten middelen om naar eigeninzicht in te zetten om woningbouwprojecten te ondersteunen. Derealisatiestimulans wordt uitgekeerd voor elke nieuwe betaalbare woning,en dus voor woningen die worden gerealiseerd door de bestaandevoorraad beter te benutten, bijvoorbeeld door transformatie of hetoptoppen van bestaande woningen.Gemeenten worden zo gestimuleerd om effectieve plannen te maken ente ondersteunen, en krijgen door de voorspelbaarheid van de bijdrage ookzekerheid over de langere termijn. Dit bevordert de planvorming en maakthet makkelijker voor gemeenten om dekking voor woningbouwprojectente vinden.88Vraag:Hoe ziet de realisatiestimulans er precies uit?Antwoord:De realisatiestimulans komt voort uit het IBO Woningbouw en Grond(Kamerstukken II 2023/24, 32 847 nr. 1198) en wordt de komende tijdverder uitgewerkt. Dit najaar wordt uw Kamer geïnformeerd met deKabinetsreactie op het IBO, die ook meer inzicht geeft in de vormgevingvan de realisatiestimulans.89Vraag:Welk budget is er per woning beschikbaar vanuit de realisatiestimulans?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 87. Zoals ook in vraag 87 benoemd, wordt hetexacte budget per woning de komende tijd uitgewerkt. Er wordt uitgegaanvan een bepaald basisbedrag per woning waar boven op een differentiatievoor specifieke gebieden wordt aangebracht, aangezien in bijv. NPLV ofElke regio telt-gebieden een hogere bijdrage nodig is voor de realisatievan woningen. Ook kan er voor specifieke type woningen, zoals zorgge-schikte woningen, een hogere bijdrage nodig zijn. De totstandkoming vanhet budget per woning is dus van meerdere factoren afhankelijk en wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 633 de komende tijd verder uitgewerkt. Voor projecten waarbij meer onder-steuning nodig is wordt de Woningbouwimpuls voortgezet.90Vraag;Waarom wordt de verlaging van de eigen bijdrage voor de huurtoeslagniet al in 2025 geregeld?Antwoord:Zie antwoord op vraag 81.91Vraag:Op basis van welke criteria worden de middelen die bedoeld zijn voor hetaanjagen van de woningbouw (vijf miljard euro voor woningbouw entweeënhalf miljard euro voor infrastructuur) precies verdeeld?Antwoord:Dit zal de komende tijd verder worden uitgewerkt. Naar verwachtingwordt uw Kamer eind 2024 of begin 2025 over geïnformeerd. Voor watbetreft de inzet op de € 2,5 miljard is dit een vraag op het terrein van hetMinisterie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). Zie antwoord op vraag55.92Vraag:Kunt u in aanvulling op tabel 12 zo gedetailleerd mogelijk per jaaraangeven welke uitgaven worden gedaan in het kader van de toegezegde5 miljard euro ter ondersteuning van de woningbouw? Wordt dit bedragvolledig verbruikt of niet?Antwoord:Zie antwoord op vraag 10.93Vraag:Waarom loopt de inkomensoverdracht voor het Nationaal ProgrammaLeefbaarheid en Veiligheid (tot en met 2025) een jaar korter door dan desubsidie (2026)?Antwoord:Bij het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid is geen sprakevan inkomensoverdrachten.Bij de bijdrage aan medeoverheden gaat het specifiek om de Regelingkansrijke wijk. Deze heeft een doorlooptijd tot en met 2025. De bundelingvan middelen waarmee met deze Regeling een start is gemaakt, wordtdoor het Kabinet zoveel mogelijk doorgezet.94Vraag:Wat zijn de verwachte effecten van het opheffen van het Volkshuisves-tingsfonds (VHF)?Antwoord:Vanuit het Volkshuisvestingsfonds (VHF) zijn de afgelopen jaren bijdragenverstrekt aan gemeenten ten behoeve van de herstructurering vanparticuliere woningen in kwetsbare gebieden om de leefbaarheid enveiligheid aldaar te verbeteren. De bijdragen konden voor een deel ookworden ingezet ten behoeve van de openbare ruimte, maatschappelijkevoorzieningen en proceskosten. Alhoewel er op dit punt nog steeds eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 634 (rest-)opgave bestaat, is de keuze gemaakt om de rijksmiddelen vanaf nuprimair op nieuwbouw van woningen te richten. Waar mogelijk en zinvolgaat dat in combinatie met betere benutting van bestaande gebouwen.Optoppen, splitsen, transformatie en bijvoorbeeld ook sloop/nieuwbouwmet verdichting blijven daardoor in scope van rijkssubsidies. De StedelijkeFocusgebieden en de regio’s uit Elke Regio Telt kunnen boven op derealisatiestimulans een extra bijdrage krijgen. Voor de gebieden dieprioritair waren in het VHF heeft het kabinet ruim € 200 miljoen gereser-veerd, vanuit de erkenning dat woningbouw weliswaar een belangrijkesleutel is voor verbetering van de leefbaarheid, maar gepaard gaat metextra kosten vanwege grotere maatschappelijke opgaven.Daarnaast zijn er voor verduurzaming van woningen middelenbeschikbaar voor woningeigenaren. Er zijn landelijke subsidies voorisolatie beschikbaar zoals de Investeringssubsidie duurzame energie enenergiesparing (ISDE) voor eigenaar-bewoners en de Subsidieregelingverduurzaming voor verenigingen van eigenaars (SVVE) voor Vereni-gingen van Eigenaars (VvE’s). Voor eigenaar-bewoners en VvE’s is erboven op deze landelijke subsidie van 30% nog € 1,6 miljard beschikbaarvia gemeenten voor 750.000 woningen met lage energielabels (D of lager)en een lage WOZ-waarde. Gemeenten helpen hiermee woningeigenarenen VvE’s die extra ondersteuning nodig hebben. Bij de verdeling van dezemiddelen over gemeenten ontvangen gemeenten in stedelijke focusge-bieden en gemeenten met veel VvE’s extra middelen per woning voor deaanpak van woningen. Voor de resterende financieringsbehoefte is er hetWarmtefonds met gunstige leenvoorwaarden. Voor lage inkomens is ereen renteloze lening.95Vraag:Kunt u voor alle beleidsartikelen in de begroting aangeven waar (enhoeveel) vrij besteedbare ruimte aanwezig is?Antwoord:Uit de tabellen 13, 16, 18 en 20 blijkt dat de vrij besteedbare ruimte vooralle artikelen 0% is. De middelen zijn juridisch verplicht, bestuurlijkgebonden of beleidsmatig gereserveerd. De tabellen zijn opgesteld isconform model 1.33d van de Rijksbegrotingsvoorschriften van hetMinisterie van Financiën.96Vraag:Kunt u aangeven wat het ontvangen van 40 procent huurtoeslag boven deaftoppingsgrens concreet betekent en oplevert voor alle gehanteerdecategorieën aan huishoudens?Antwoord:Alle huishoudens met recht op huurtoeslag, behalve meerpersoonshuis-houdens onder de AOW-leeftijd, krijgen bij een rekenhuur boven deaftoppingsgrens 40% van het huurdeel tussen aftoppingsgrens enmaximum huurgrens via huurtoeslag vergoed. Voorstel is om dit ook voormeerpersoonshuishoudens onder de AOW-leeftijd te laten gelden(Kamerstukken II 2024/25 36 608 nr. 3). Dit kan tot maximaal bijna € 87 permaand extra huurtoeslag voor deze huishoudens betekenen. Zoals gezegdgold dit al voor andere huishoudtypen.97Vraag:Wat zijn de specifieke financiële effecten van de harmonisatie van hetaantal huishoudtypes voor de huurders?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 635 Antwoord:Het terugbrengen van het aantal huishoudtypen van 4 naar 2 heeft geenfinanciële gevolgen voor ouderenhuishoudens aangezien de parametersvoor ouderenhuishoudens worden overgenomen voorniet-ouderenhuishoudens. Niet-ouderenhuishoudens gaan er door dezemaatregel gemiddeld € 6 op vooruit omdat voor hen de inkomensafhan-kelijke afbouw van de huurtoeslag zal beginnen vanaf een hoger inkomen.De huidige inkomensafhankelijke afbouw is voor ouderen steiler dan dievan niet-ouderen maar door de gelijktijdige verhoging van de referentie-inkomensijkpunten zijn de inkomenseffecten positief.98Vraag:Wat wordt exact bedoeld met het verhogen van de referentie-inkomens(kpunten, waarmee de marginale druk verlaagd wordt? Kunt utevens cijfers koppelen aan genoemde verlaging?Antwoord:De eigen bijdrage in de huurtoeslag wordt berekend op basis van hetinkomen, met behulp van een kwadratische formule. Deze formule wordtbepaald o.b.v. de combinatie van de minimale eigenbijdrage met hetminimuminkomensijkpunt (het inkomensniveau vanaf waar de inkomens-afhankelijke opbouw van de eigenbijdrage begint) en de combinatie vande referentienormhuur en het referentie-inkomensijkpunt. Met eenverhoging van het referentie-inkomensijkpunt wordt de inkomensafhanke-lijke opbouw van de eigenbijdrage afgevlakt, deze bouwt dus minder steilop. De beoogde verhoging van de referentie-inkomensijkpunten bedraagt€ 1.000.99Vraag:Kunt u per figuur een uitgebreide toelichting geven?Antwoord:De 4 figuren tonen per huishoudtype welk deel van de (reken)huur naaftrek van de huurtoeslag door huurders nog betaald moet worden.Afgelopen jaren is het percentage fors verlaagd door opeenvolgendeverlagingen van de eigen bijdrage.Voor 2025 valt de daling bij meerpersoonshuishoudens onder deAOW-leeftijd met een huur boven de aftoppingsgrens op. Dat is hetgevolg van de maatregel om ook voor deze huishoudens 40% van hethuurdeel boven de aftoppingsgrens te vergoeden.Daarnaast valt in een aantal grafieken (3,5 en 6) de lichte stijging van denetto huur op. Dat is het gevolg van het feit dat een deel van de eigenbijdrage die een huurder betaalt (€ 37,14 per maand in 2025) nietgeïndexeerd wordt, wat wel geldt voor de rest van de eigen bijdrage(normhuur). Daarmee daalt de totale eigen bijdrage minder, waardoor denetto te betalen huur iets stijgt.100Vraag:Hoeveel extra budget heeft de Huurcommissie naar verwachting nodig alsgevolg van de invoering van de Wet betaalbare huur?Antwoord:De memorie van toelichting bij de Wet betaalbare huur bevat eenfinanciële paragraaf waarin de verwachte kosten voor de Huurcommissieals gevolg van de wet zijn geschetst. Op basis van die raming stijgen dekosten van de Huurcommissie in de eerste jaren met circa € 10 miljoenper jaar om in de jaren erna geleidelijk te dalen naar ca. € 4,1 miljoenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 636 structureel per jaar. In de voornoemde bedragen zijn de verwachte kostenals gevolg van het amendement De Hoop/Vedder (Kamerstukken II,2023/24, 36 496, no. 45) over het verbreden van de toegang tot deHuurcommissie voor vrije sectorhuurders en -verhuurders bij servicekos-tengeschillen, nog niet meegenomen. De Huurcommissie heeft dezekosten geraamd op ca. € 2 miljoen per jaar. Op dit moment bezie ik samenmet de Huurcommissie hoeveel geschillen in 2025 (en verder) verwachtworden, op basis van de eerdergenoemde ramingen en de laatstegegevens rondom de daadwerkelijke realisatie van de instroom vangeschillen. De uitkomst van deze raming en het bijbehorende kosten-plaatje zullen worden verwerkt bij voorjaarsnota 2025 in een aangepasteagentschapsparagraaf zoals die nu is opgenomen in paragraaf 5.2 van deontwerpbegroting 2025 voor het Ministerie van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening. Op basis van dat beeld wordt de jaarlijkse bijdragedie ik aan de Huurcommissie zal verstrekken voor het opdrachtjaar 2025vastgesteld.101Vraag:In 2025 is 275 miljoen euro beschikbaar voor woningbouwlocaties engrond; wat verstaat u onder uitgaven voor grond?Antwoord:Voor woningbouw zijn grondposities essentieel. Gemeenten hebben sindsde financiële crisis van 2008 minder grondposities ingenomen. Ook zijngemeenten terughoudend met het vestigen van bijvoorbeeld eenvoorkeursrecht. Het voeren van een actief grondbeleid, beleid waarbij eengemeente zelf de grond koopt, bouwrijp maakt en bouwrijpe kavelsverkoopt aan marktpartijen, kan risicovol zijn. Grond verandert voort-durend in waarde. Winsten zijn mogelijk maar er kan ook verlies wordengemaakt.Met de financiële regelingen (Woningbouwimpuls, Startbouwimpuls etc.)heeft de rijksoverheid de afgelopen jaren een bijdrage geleverd aantekorten bij woningbouw. Maar het risico op de grondontwikkeling bleefdaarbij bij gemeenten. Het voornemen is om een (Rijks)grondfaciliteit uitte werken. Dit is een verdere uitwerking van het advies zoals opgenomenin het IBO-rapport «Op grond kun je bouwen» (Kamerstukken II 2023/24,32 847 nr. 1198). De grondfaciliteit is primair bedoeld voor het stimulerenvan woningbouw en is gericht op het ondersteunen van gemeenten.Gemeenten zijn vaak terughoudend met het inzetten van instrumentenzoals het voorkeursrecht. Na het vestigen ervan kan het noodzakelijk zijngrond- en/of vastgoedaankopen te doen ten behoeve van de ontwikkeling.Dit kan een groot beslag leggen op de financiële ruimte van eengemeente. Ook hier moet de grondfaciliteit een oplossing kunnen bieden.102Vraag:In tabel 17 staat onderaan dat het College van Rijksbouwmeester enRijksadviseurs (CRa) geen budget meer krijgt. Wat betekent dit in depraktijk? Wordt het college daarmee opgeheven?Antwoord:De jaarlijkse bijdrage aan het College van Rijksbouwmeester en Rijksadvi-seurs (CRa) valt onder de post «Programma Ruimtelijk Ontwerp». HetCollege wordt dus niet opgeheven.103Vraag:Hoeveel braakliggende grond is op dit moment in het bezit van hetRijksvastgoedbedrijf? Kan dit per provincie worden weergegeven? En kanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 637 dit uitgesplitst worden naar bestemmingssoort die op dit moment op dezegrond rust?Antwoord:Braakliggende grond is grond die niet beheerd wordt en niet in gebruik isvoor een functie. Het Rijksvastgoedbedrijf geeft al haar gronden uit inpacht, deze gronden worden dus agrarisch gebruikt. Dit geldt ook voor degronden van het RVB die in de toekomst bestemd zijn voor gebiedsont-wikkelingsprojecten zoals bijvoorbeeld Lelystad ZuiderC. Deze grondenworden tot het moment dat deze noodzakelijk zijn voor het gebiedsontwik-kelingsproject agrarisch benut. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft dus geenbraakliggende gronden in bezit.104Vraag:Kunt u aangeven hoeveel (en welke) monumenten die in beheer zijn vanhet Rijksvastgoedbedrijf uitgerust zijn met zonnepanelen? Graag eengemotiveerd antwoord met zoveel mogelijk details, waaronder (indienmogelijk) foto’s, eventuele juridische verplichtingen met betrekking tot dezonnepanelen, voorwaarden waar plaatsing van zonnepanelen aan moetvoldoen en de totale omvang in vierkante meters die deze zonnepanelenhebben in relatie tot de totale omvang van onbenutte vierkante meters opgebouwen die onder het Rijksvastgoedbedrijf vallen etc.Antwoord:Het Rijksvastgoedbedrijf heeft momenteel 1,1 miljoen vierkante meterbruto vloeroppervlak aan monumenten in beheer. Te denken valt hierbijaan koninklijke paleizen en monumentale staatsgebouwen, gevange-nissen, rechtbanken en kantoren. Als onderdeel van de «Routekaartverduurzamen» voert het Rijksvastgoedbedrijf tijdens de reguliereonderhouds- en renovatiemomenten duurzaamheidsmaatregelen door. Deplaatsing van zonnepanelen kan onderdeel zijn van deze verduurzaming,dit is afhankelijk van het monument en specifieke (lokale) regelgeving. HetRijksvastgoedbedrijf heeft geen specifiek overzicht van geplaatstezonnepanelen op monumenten.105Vraag:Hoe wordt aan de taakstelling subsidies uitvoering gegeven? Welkesubsidies worden gekort? Welke effecten zal dat hebben?Antwoord:De taakstelling op subsidies is doorgevoerd op alle artikelen waarsubsidiebudget aanwezig is en is geboekt op diverse budgetten. Op debegroting van VRO staan de meeste subsidies op artikel 2. Daarom is hetgrootste deel van de taakstelling op dit artikel geboekt. De taakstelling isverwerkt op de subsidieregeling verduurzaming onderhoud huurwo-ningen, het onderdeel subsidie innovatie en de subsidieregeling proces-ondersteuning opschaling renovatieprojecten. De lopende regelingen zijnongewijzigd gebleven. Het resterende budget blijft naar verwachtingvoldoende voor de thans verwachte aanvragen.106Vraag:Waarom worden zoveel gelden van de subsidieregeling duurzaammaatschappelijk vastgoed (DUMAVA) naar achteren geschoven? Watbetekent dat voor de doelen? Hoe staat het met de doelen?Antwoord:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 638 Op dit moment is circa € 370 miljoen van de € 452,3 miljoen subsidieaangevraagd tijdens de derde openstelling van de DUMAVA-regeling. Tot31 oktober kunnen aanvragen nog ingediend worden. Omdat het zeeraannemelijk is dat we dit jaar niet tot volledige uitputting komen, is ervoorgekozen om een deel van de middelen naar achter te schuiven. Zo blijvendeze middelen voor de verduurzaming van het maatschappelijk vastgoedbeschikbaar. Na dit jaar is er in totaal nog circa € 1,5 miljard beschikbaarvoor de DUMAVA-regeling. Elk jaar zal goed gekeken worden wat hetbenodigd budget naar verwachting zal zijn en zal het subsidieplafond voorhet desbetreffende jaar hierop aangepast worden. De doelen zijnongewijzigd.107Vraag:Wat is de impact van het niet normeren van warmtepompen en afschaffenvan de salderingsregeling voor zonnepanelen op de geschatteCO2-reductie in de gebouwde omgeving?Antwoord:Op 24 oktober publiceert het PBL de nieuwe Klimaat- en Energiever-kenning, waarin een integrale doorrekening van de broeikasgasemissiesin de gebouwde omgeving wordt gemaakt. Hierin worden het afschaffenvan de salderingsregeling en het schrappen van de normering voorhybride warmtepompen per 2026 meegenomen.108Vraag:In tabel 58 staat dat er dat er voor biobased bouwen in 2025 13.212.000euro en in 2026 10.738.000 euro is gereserveerd. De jaren erna liggen debedragen een stuk lager. Kan er een overzicht worden gemaakt waargenoemde financiële middelen precies terecht gaan komen?Antwoord:De kosten van VRO voor biobased bouwen gaan naar de volgende postenin 2025 en 2026:20252026Bijdrage stichting NMD voor verbeteren milieudatabase metbiobased producten€ 363.000€ 120.000Uitvoering interventies nationale aanpak biobased bouwen€ 12.492.000€ 10.433.000Monitoring voortgang nationale aanpak biobased bouwen€ 357.000€ 185.000Totaal€ 13.212.000€ 10.738.000 Deze activiteiten komen voort uit de Nationale Aanpak Biobased Bouwen(NABB), een grootschalig programma van vier ministeries om de teelt,verwerking en toepassing van biogrondstoffen in de bouw te versnellen.Vanuit het Ministerie van Volkshuisvesting vinden in 2025 de volgendeactiviteiten plaats:–De eerste post betreft een subsidie aan de stichting NationaleMilieudatabase. Deze stichting bevordert de beschikbaarheid van(biobased) productkaarten in de milieudatabase, waarmee demilieuprestatie van gebouwen berekend wordt (interventie 26 in deNABB). Daarnaast voeren ze enkele onderzoeken uit om de milieudata-base in de toekomst te verbeteren voor biobased producten.–De uitvoeringsorganisatie voert interventies van de NABB uit die nietprimair bij de overheid liggen (zoals het opzetten van beleidsinstru-menten). Van de 45 interventies in de NABB worden 27 uitgevoerddoor de uitvoeringsorganisatie. Zo wordt er gewerkt aan certificeringvan materialen, het doen van brandtesten, het opzetten van productie-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 639 ketens, het begeleiden van individuele marktpartijen bij biobasedconceptontwikkeling, onderwijs en kennisdeling. Op dit moment is deuitvoeringsorganisatie Building Balance. Alle interventies rondomkennisdeling en onderwijs worden uitgevoerd door het NationaalKenniscentrum Biobased Bouw (NKBB).–Tot slot vindt er monitoring plaats van de aanpak: RVO monitortjaarlijks of de beoogde resultaten (bv. aantal hectare, % toepassing inde bouw) zijn behaald en in 2025 zal TNO de effectiviteit van deinterventies monitoren.Na 2026 liggen de begrote bedragen lager, omdat er vanuit het Klimaat-fonds middelen beschikbaar zijn tot en met 2026. Een klein deel van demiddelen loopt nog door in latere jaren, vanwege aangegane verplich-tingen. Er staat nog € 111,3 miljoen gereserveerd voor biobased bouwenin het Klimaatfonds, maar deze moet nog worden toegekend in eenvolgende voorjaarsbesluitvorming.[1] rijksoverheid. (2023). Nationale Aanpak Biobased Bouwen: vanboerenland tot bouwmateriaal. 8 november 2023.109Vraag:Hoe gaat u ervoor zorgen dat de nieuwe regelingen niet tot extraverantwoordingsdruk leiden, ook in situaties waarin meerdere regelingengestapeld kunnen worden gebruikt?Antwoord:Het kabinet werkt op verschillende manieren aan het eenvoudiger makenvan en waar mogelijk stapelen van regelingen. Zo werkt het NationaalWarmtefonds aan een mogelijkheid om tegelijk subsidie en financieringaan te vragen. Daarnaast hebben gemeenten in 2024 de mogelijkheidgekregen om Investeringssubsidie voor duurzame energie en energiebe-sparing aan te vragen, en te ontvangen namens de woningeigenaar. Degemeente kan dan in combinatie met gemeentelijke middelen (een deelvan) de factuur van een woningeigenaar betalen.110Vraag:Wat is het minimale aantal huizen dat moet worden gebouwd om alsgrootschalige woningbouwlocatie te worden aangewezen? Denkt u hierbijbijvoorbeeld aan minimaal 25.000 woningen? Waarom wel, waarom niet?Antwoord:De eisen die gesteld worden aan nieuwe grootschalige woningbouwge-bieden is een combinatie van:–Mate van snelheid waarmee het gebied ontwikkeld kan worden;–Minimale woningbouwproductie van een omvangrijk aantal woningen(nog nader te bepalen);–Complexiteit en haalbaarheid van de opgaven (denk aan mobiliteit,water, bodem, netcongestie, etc.);–Urgentie van de opgave in het betreffende gebied;–Rijksbetrokkenheid is noodzakelijk om de gebiedsontwikkeling totstand te kunnen brengen.111Vraag:Stelt u eisen aan de minimale omvang van grootschalige woningbouwlo-caties? Zo ja, welke eisen?Antwoord:Zie antwoord op vraag 110.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 640 112Vraag:Heeft u al zicht op welke locaties in welke gemeenten in aanmerkingkomen voor grootschalige woningbouwlocaties?Antwoord:Eerdere onderzoeken (bijvoorbeeld de Quickscan locaties en gebiedenmet kansen voor grootschalige woningbouw van APPM) hebben depotentie van enkele grootschalige woningbouwgebieden in beeldgebracht. In het proces van de Nota Ruimte wordt de keuze gemaakt voornieuwe grootschalige woningbouwgebieden met daarbinnen één ofmeerdere woningbouwlocaties. Dit zal mede op basis zijn van degedifferentieerde lange termijn ontwikkelstrategie voor verschillendetypen regio’s.113Vraag:Op welke manier krijgt de praktijk van mensen een plaats in uwverkenning naar de kostendelersnorm?Antwoord:In het regeerprogramma is afgesproken dat het kabinet verkent wat deconsequenties zijn van het aanpassen of afschaffen van de kostende-lersnorm in de sociale zekerheidswetten (Participatiewet, AIO, IOAW,IOAZ, Anw en de Toeslagenwet). Ook wordt gekeken welk effect dit heeftop woningdelen. Daarbij kunnen ervaringen uit de praktijk een relevanteaanvulling zijn.114Vraag:Is het Juridisch Loket één van de gesprekspartners in uw verkenning naarde kostendelersnorm?Antwoord:Zoals aangegeven bij vraag 113 wordt de verkenning nog vormgegeven.Bevindingen van het Juridisch Loket kunnen daarbij een relevanteaanvulling zijn. Dan zal het Juridisch Loket zeker een van de gespreks-partners zijn.115Vraag:Op welke manier vormen kennis en ervaring over de huidige juridischevraagstukken/belemmeringen in het kader van de woon- en leefsituatievan arbeidsmigranten een basis voor het nieuwe type huurovereenkomstdat u gaat ontwikkelen?Antwoord:Het kabinet voert de aanbevelingen van het Aanjaagteam beschermingarbeidsmigranten op het terrein van wonen («rapport Roemer») uit. Hetkabinet introduceert daarom een doelgroepencontract voor verhuur vanwoonruimten aan arbeidsmigranten, waarmee zowel voor de arbeidsmi-grant als voor de werkgever duidelijkheid wordt gegeven over degeldende huur(prijs)bescherming. Het kabinet streeft ernaar dit najaar eenwetsvoorstel hiertoe in internetconsultatie te brengen. De kennis enervaring over de huidige juridische situatie en hoe deze uitwerkt in depraktijk zijn belangrijk bij het vormgeven van het voorstel. Het kabinet isdaarvoor doorlopend in gesprek met alle relevante ketenpartijen.In de praktijk wordt nu bij de verhuur aan arbeidsmigranten vaak eenuitzonderingsmogelijkheid voor de huur gebruikt, namelijk een overeen-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 641 komst die «naar zijn aard van korte duur» is. Het huisvesten op dezeuitzonderingsmogelijkheid is echter niet altijd terecht en biedt arbeidsmi-granten zeer beperkte huurbescherming. Bekend is echter ook datarbeidsmigranten zich hiervan doorgaans niet bewust zijn. Het gevolg isdat arbeidsmigranten in de praktijk waar de feitelijke situatie niet naar zijnaard van korte duur is, geen huurbescherming en huurprijsbescherminggenieten, hetgeen tot misstanden kan leiden.Voorts geldt dat veel locaties waar arbeidsmigranten worden gehuisvest,niet een bestemming hebben waar permanent gewoond mag worden. Ditleidt tot onduidelijkheid over de geldende huur(prijs)bescherming, in hetbijzonder bij verhuurders en gemeenten. Deze onduidelijkheid kan eenbelemmering vormen voor de inzet van het kabinet om werkgevers vanarbeidsmigranten afspraken te laten maken met gemeenten over waarhun tijdelijke werknemers worden gehuisvest en daarbij meer ruimte telaten voor de huisvesting op het eigen terrein van de werkgever.Het doelgroepcontract voor arbeidsmigranten moet een oplossing biedenvoor de beschreven situaties.116Vraag:Bent u voornemens de informatievoorziening aan mensen met eenhuurwoning te verbeteren en de rechtshulp voor mensen te garanderen?Antwoord:Een goede informatievoorziening is aan huurders belangrijk, zowel vanuitde overheid als vanuit de verhuurder. Met de op 1 juli 2023 in werkinggetreden Wet goed verhuurderschap (Wgv) is een basisnorm voor goedverhuurderschap gecreëerd. Onderdeel van deze wet is een informatiever-strekkingsplicht voor verhuurders. Zij zijn verplicht om hun huurders overeen aantal in de Wgv genoemde zaken te informeren, waaronder overdiens rechten en plichten ten aanzien van het gehuurde, voor zover dezerechten en plichten niet in de huurovereenkomst zijn opgenomen.Hieronder wordt onder meer verstaan dat de huurder wordt geïnformeerdover de onderwerpen waarvoor de huurder zich kan wenden tot deHuurcommissie of tot de kantonrechter. Verhuurders zijn voorts verplichtom hun huurders te informeren over de contactgegevens van hetgemeentelijke meldpunt goed verhuurderschap. Hier kunnen huurders,woningzoekenden, omwonenden of andere belanghebbenden laagdrem-pelig melding maken van ongewenst verhuurgedrag, waaronder ookbegrepen het niet-naleven van de informatieverstrekkingsplicht door deverhuurder. De gemeente kan op basis van deze melding besluiten tothandhaving over te gaan of zij kan de melder doorverwijzen naar anderebevoegde instanties, zoals de Huurcommissie of het Juridisch Loket.Daarnaast wordt vanuit het Ministerie van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening op verschillende manieren gecommuniceerd over de relevantewet- en regelgeving, bijvoorbeeld via rijksoverheid.nl en volkshuisvesting-nederland.nl. Ook worden rondom specifieke thema’s en/of wetsvoor-stellen communicatiemiddelen gemaakt om verhuurders én huurders teinformeren over de wettelijke regels.117Vraag:Wat kost bij benadering het afschaffen van de inkomensafhankelijkehuurverhoging bij woningcorporaties?Antwoord:De inkomsten die voortkomen uit de inkomensafhankelijke hogerehuurverhoging (IAH) komen terecht bij de woningcorporatie die dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 642 huurverhoging toepast. Het afschaffen van de IAH kost het rijk daaromniets, maar betekent dat corporaties deze (extra) inkomsten mislopen.Het is niet precies bekend over hoeveel (extra) inkomsten uit de IAH hetbij woningcorporaties gaat. Het is aan corporaties zelf om te beslissen aldan niet gebruik te maken van de IAH en, zo ja, de hoogte van hethuurverhogingsbedrag te bepalen (zij kunnen bijvoorbeeld besluiten demaximaal toegestane verhoging van de IAH te hanteren of een geredu-ceerd bedrag). Afhankelijk van de inkomenscategorie van het huishoudin-komen is de maximaal toegestane hogere huurverhoging € 50 ofmaximaal € 100 op de maandhuur.In april 2024 is de evaluatie naar de IAH, uitgevoerd door onderzoeks-bureau RIGO, gepubliceerd (Kamerstukken II, 2023/2024, 27 926, nr. 384).Daarin is met behulp van de CBS Huurenquête de schatting gemaakt datde IAH voor (sociale) verhuurders in 2023 in totaal circa € 30 miljoen aan(extra) inkomsten heeft opgeleverd.118Vraag:Wat kost bij benadering een huurbevriezing bij woningcorporaties in hetgereguleerd segment?Antwoord:In deze vraag wordt het gereguleerde segment geïnterpreteerd als allewoningen onder de sociale huurgrens. Uitgaande van de op dit momentverwachte maximaal toegestane gemiddelde huurstijging (huursom-stijging) voor woningcorporaties van 6,1% in 2025 kost een huurbe-vriezing in 2025 in het sociale huursegment woningcorporaties naarverwachting ca. € 981 miljoen. Deze inkomstenderving werkt door involgende jaren en heeft daarmee een negatief effect op de investeringsca-paciteit van woningcorporaties.Wellicht ten overvloede kan erop gewezen worden dat we niet beschikkenover een bestaand instrument om woningcorporaties financieel tegemoette komen voor een eventuele huurbevriezing.119Vraag:Wat kost bij benadering een huurbevriezing bij commerciële verhuurdersin het gereguleerde segment?Antwoord:In deze vraag wordt het gereguleerde segment geïnterpreteerd als allewoningen onder de sociale huurgrens. Uitgaande van de op dit momentverwachte maximaal toegestane gemiddelde huurstijging (huursom-stijging) voor overige verhuurders van 6,6% in 2025 kost een huurbe-vriezing in 2025 in het sociale huursegment overige verhuurders naarverwachting ca. € 246 miljoen. Deze inkomstenderving werkt door involgende jaren en heeft daarmee een negatief effect op de investeringsca-paciteit.Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat ik niet beschik over een bestaandinstrument om verhuurders financieel tegemoet te komen voor eeneventuele huurbevriezing.Voor een eventuele huurbevriezing een wetswijziging vereist, omdat demaximaal toegestane huurverhoging in de wet is vastgelegd.120Vraag:Wat kost bij benadering een huurbevriezing bij commerciële verhuurdersin het geliberaliseerde segment?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 643 Antwoord:In deze vraag wordt het geliberaliseerde segment geïnterpreteerd als allewoningen boven de sociale huurgrens. Voor de huurontwikkeling geldener aparte regels voor middenhuurwoningen en vrije sector woningen. Deverwachte huurontwikkeling voor middenhuurwoningen voor 2025 is7,6%. Voor huurwoningen in de vrije sector is dat 4,6%.Een huurbevriezing voor middenhuurwoningen in 2025 kost overigeverhuurders circa € 214 miljoen. Een huurbevriezing van de vrije sectorhuurwoningen kost overige verhuurders € 185 miljoen. Deze inkomsten-derving werkt door in volgende jaren en heeft daarmee een negatief effectop de investeringscapaciteit van verhuurders.Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat ik niet beschik over een bestaandinstrument om verhuurders financieel tegemoet te komen voor eeneventuele huurbevriezing.Voor een eventuele huurbevriezing is een wetswijziging vereist, omdat demaximaal toegestane huurverhoging in de wet is vastgelegd.121Vraag:Wat kost bij benadering een huurbevriezing bij woningcorporaties in hetgeliberaliseerde segment?Antwoord:In deze vraag wordt het geliberaliseerde segment geïnterpreteerd als allewoningen boven de sociale huurgrens. Voor de huurontwikkeling geldener aparte regels voor middenhuurwoningen en vrije sector woningen. Deverwachte huurontwikkeling voor middenhuurwoningen voor 2025 is7,6%. Voor huurwoningen in de vrije sector is dat 4,6%.Een huurbevriezing voor middenhuurwoningen in 2025 kost corporatiescirca € 57 miljoen. Een huurbevriezing van de vrije sector huurwoningenkost corporaties € 18 miljoen. Deze inkomstenderving werkt door involgende jaren en heeft daarmee een negatief effect op de investeringsca-paciteit van woningcorporaties.Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat ik niet beschik over een bestaandinstrument om woningcorporaties financieel tegemoet te komen voor eeneventuele huurbevriezing.Voor een eventuele huurbevriezing is een wetswijziging vereist, omdat demaximaal toegestane huurverhoging in de wet is vastgelegd.122Vraag:Met hoeveel procent zijn de huren in het gereguleerde segment in deafgelopen tien jaar gestegen?Antwoord:De huren in het gereguleerde segment zijn de voorbij 10 jaar met devolgende percentages gestegen. Dat is inclusief huurverhogingen bijnieuwe verhuringen.2015: 2,6%2016: 1,8%2017: 1,4%2018: 2,1%2019: 2,3%2020: 2,8%2021: 0,3%2022: 2,6%2023: 1,0%2024: 5,6%Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 644 123Vraag:Met hoeveel procent zijn de huren in het geliberaliseerde segment in deafgelopen tien jaar gestegen?Antwoord:De huren in het geliberaliseerde segment zijn de voorbij 10 jaar met devolgende percentages gestegen. Dat is inclusief huurverhogingen bijnieuwe verhuringen2015: 1,8%2016: 2,2%2017: 2,3%2018: 3,1%2019: 3,3%2020: 3,0%2021: 2,2%2022: 3,8%2023: 4,5%2024: 5,0%124Vraag:Hoeveel investeringscapaciteit blijft er jaarlijks over indien de winstbe-lasting voor woningcorporaties afgeschaft wordt en deze afschaffinggebruikt wordt voor een eenmalige huurbevriezing?Antwoord:In onderstaande tabel vindt u de geraamde vennootschapsbelasting voorcorporaties voor de jaren 2025 t/m 2028 op basis van eigen prognoses vancorporaties (de Prospectieve informatie 2023)Bedragen x € 1 miljoen2025202620272028Vennootschapsbelastingwoningcorporaties€ 990€ 1.200€ 1.400€ 1.560 In het antwoord op vragen 118 en 121 is te lezen dat een huurbevriezingvoor corporaties in totaal ongeveer € 1 miljard aan huurinkomsten kost in2025. Dit betekent dat de huurbevriezing in 2025 nog meer kost dan dedaling in vennootschapsbelasting. In de jaren daarna is er wel sprake vaneen toenemend positief effect op de financiële positie van woningcorpo-raties. Enerzijds omdat de afdrachten aan de vennootschapsbelasting naarverwachting de komende jaren zouden toenemen voor woningcorpo-raties. Anderzijds omdat het effect van de huurbevriezing in de jaren na2025 langzaam zal afnemen doordat huurders vertrekken en nieuwehuurders een nieuwe aanvangshuur zullen betalen. Dit laatste wordt weerdeels gecompenseerd doordat na de huurbevriezing de toekomstigehuurverhogingen per 1 juli over een lager bedrag worden gerekend tenopzichte van het huidige beleid.Tot hoeveel extra investeringscapaciteit dit leidt hangt af van meerderefactoren, zoals de hoogte van de rente, het type investering en definanciële situatie van de verschillende corporaties.Wellicht ten overvloede wijs ik erop dat het afschaffen van de vennoot-schapsbelasting voor woningcorporaties niet zomaar kan vanwege debestaande staatsteunkaders.125Vraag:Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 645 Wat wordt bij benadering de gemiddelde huur per 1 januari 2025 in hetgereguleerde segment bij woningcorporaties?Antwoord:Volgens de CBS Huurenquête 2024 bedroeg de geschatte gemiddeldehuur op 30 juni 2024 in het gereguleerde segment bij woningcorporaties€ 607.Per 1 juli 2024 zijn de regels voor maximale huurverhoging geïndexeerd,in deze schatting is nog geen rekening gehouden met deze indexering.Woningcorporaties mogen per 1 juli 2024 conform de Nationale Prestatie-afspraken de huren maximaal met de CAO-loonontwikkeling minus 0,5%verhogen, ofwel met 6,1%. Uitgaande van deze maximale huurverhogingzou de gemiddelde huurprijs dan uitkomen op € 644. In welke mateverhuurders de huren daadwerkelijk verhogen is echter aan henzelf. Eenbetrouwbaardere raming per 1 januari 2025 is daarom niet te geven.Voor deze schatting is gebruik gemaakt van de CBS Huurenquête. Ditonderzoek wordt uitgevoerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek(CBS) en meet de gemiddelde huurontwikkeling in Nederland door middelvan een onderzoek onder verhuurders van woningen. Een woning is eengereguleerde huurwoning wanneer de aanvangshuur (huur bij aanvangvan het huurcontract) onder de op dat moment geldende liberalisatie-grens ligt.126Vraag:Wat wordt bij benadering de gemiddelde huur per 1 januari 2025 in hetgereguleerde segment bij commerciële partijen?Antwoord:Volgens de CBS Huurenquête 2024 bedroeg de geschatte gemiddeldehuur op 30 juni 2024 in het gereguleerde segment bij alle overigeverhuurders niet zijnde woningcorporaties € 712. Per 1 juli 2024 zijn deregels voor maximale huurverhoging geïndexeerd, in deze schatting isnog geen rekening gehouden met deze indexering.Private verhuurders mogen per 1 juli 2024 de huren in het gereguleerdesegment met maximaal de CAO-loonontwikkeling verhogen, ofwel met6,6%. Uitgaande van deze maximale huurverhoging zou de gemiddeldehuurprijs dan uitkomen op € 759. In welke mate verhuurders de hurendaadwerkelijk verhogen is echter aan henzelf. Een betrouwbaardereraming per 1 januari 2025 is daarom niet te geven.127Vraag:Hoeveel euro is er nu totaal beschikbaar voor het Nationaal FondsBetaalbare Koopwoningen?Antwoord:In de ontwerpbegroting van VRO (Kamerstukken II 2024/25 36 600 XXII nr.2) is € 70 miljoen opgenomen voor het Nationaal Fonds BetaalbareKoopwoningen (NFBK). Dit bedrag is vrijgemaakt middels twee amende-menten (Kamerstukken II 2022/23, 36 200 VII, nr. 52 en Kamerstukken II2023/24, 36 410 VII, nr. 15) uit de Kamer. Via een subsidiebeschikking is ditbedrag beschikbaar gesteld aan de uitvoerder van het fonds (Stimule-ringsfonds Volkshuisvesting (SVn) en OpMaat).128Vraag:Is er al geld beschikbaar gesteld uit het Nationaal Fonds BetaalbareKoopwoningen? Zo ja, wat is het effect van deze Rijksbijdrage?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 646 Antwoord:Op dit moment zijn Stimuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn) en Opmaatdruk bezig met de inrichting van het fonds. De middelen uit het fondsworden verspreid over de tijd in tranches beschikbaar gesteld aanontwikkelaars. Op deze manier krijgen ontwikkelaars meer tijd omprojecten met betaalbare woningbouw voor starters in te schrijven voorhet fonds. Naar verwachting opent de eerste tranche in december 2024.Tot die tijd kan het effect van de rijksbijdrage nog niet worden gemeten.Na verstrekken van de middelen zal het precieze aantal starters watgeholpen wordt met het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen(NFBK) worden bijgehouden en met uw Kamer worden gedeeld.129Vraag:Kan er een inschatting worden gegeven hoeveel woningen er middels hetNationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen gerealiseerd kunnen worden?Antwoord:Het aantal starters/woningen dat een kopersondersteuning ontvangt isafhankelijk van het cofinancieringspercentage en de gemiddeldekopersondersteuning. Hoe hoger de cofinanciering en hoe lager degemiddelde kopersondersteuning, hoe meer starters initieel gebruikkunnen maken van het fonds. Wanneer uitgegaan wordt van eencofinancieringspercentage van 25% en een gemiddelde kopersonder-steuning van 60.000 kunnen na aftrek van de uitvoeringskosten initieel1.680 starters aanspraak maken op het fonds op basis van de ramingenvan Simuleringsfonds Volkshuisvesting (SVn). Door de revolverende (hetuitgeleende geld dat terugkomt wordt steeds opnieuw ingezet voor dedoelgroep) werking zal dit over de tijd heen toenemen.130Vraag:Kunt u aangeven in hoeverre u structurele middelen voorziet voor deverdere uitvoering van het advies van de Raad voor Leefomgeving enInfrastructuur (Rli), met ontsluiting van kennis en informatie (loketten),begeleiding van eigenaren en kennisontwikkeling?Antwoord:Nee, dat kan de Minister van VRO nog niet aangeven. Over het vervolg-traject voor de verdere uitwerking van de aanpak zal de Minister van VROde Kamer in november informeren middels de voortgangsbrief.131Vraag:Hoe worden bodemdaling en de gevolgen ervan meegenomen bijnieuwbouw- en inbreidingsprojecten?Antwoord:Zie het antwoord op de vraag 30.132Vraag:Is inzichtelijk hoeveel procent van de bestaande woningvoorraadgebouwd is op een dalende bodem? Kunt u dit inzicht per provincieschematisch delen?Antwoord:Zie het antwoord op de vraag 30.133Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 647 Vraag:Voor welke doeleinden mag de realisatiestimulans worden gebruikt?Antwoord:De realisatiestimulans wordt de komende tijd verder uitgewerkt en zalworden gebaseerd op de uitkomsten van het IBO Woningbouw en Grond.Dit najaar wordt uw Kamer geïnformeerd met de Kabinetsreactie op hetIBO die ook meer inzicht geeft in de vormgeving van de realisatiesti-mulans.134Vraag:Hoeveel extra woningen denkt het kabinet te kunnen realiseren met de 1,9miljard euro die beschikbaar is als realisatiestimulans?Antwoord:Zie het antwoord op vraag 87.135Vraag:Hoeveel van de 1,9 miljard aan realisatiestimulans denkt u te bestedenaan sociale huurwoningen, hoeveel aan middenhuur en hoeveel aangoedkope koopwoningenAntwoord:Met de realisatiestimulans wordt bijgedragen aan de doelstelling om tweederde betaalbaar en 30% sociaal te bouwen. De precieze aantallen zijn nuniet vooraf vast te stellen.136Vraag:Met hoeveel procent huurverhoging is er rekening gehouden in hetkoopkrachtpakket voor Prinsjesdag?Antwoord:Onder het koopkrachtbeeld, dat op Prinsjesdag gepresenteerd is, ligt demacro-economische raming in de MEV van het CPB. Deze raming wordtvia de geraamde loon- en prijsontwikkeling beïnvloed door de huuront-wikkeling. De geraamde huurontwikkeling in de MEV bedraagt 3,8% voor2024 en 5,3% voor 2025.137Vraag:Kan de financiering van de nieuwe Woningbouwimpuls en NOVEX-versnellingslocaties worden gebruikt voor projecten die al subsidiehebben ontvangen, maar stil dreigen te vallen?Antwoord:Nee. Dergelijke bijdragen worden alleen in uitzonderlijke (markt)situatiesgedaan. In een situatie waarin de markt aantrekt is dit niet nodig. Denieuwe Woningbouwimpuls en NOVEX middelen zijn dan ook in eersteinstantie bedoeld voor afspraken over nieuwe woningbouwlocaties waarnog geen bijdrage voor is verstrekt.138Vraag:Is het reëel om te verwachten dat het openstaande bedrag dat voor deSubsidie verduurzaming en onderhoud huurwoningen (SVOH) gereser-veerd staat in 2025 volledig opgemaakt zal worden? En in de jarendaarna?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 648 Antwoord:Ja, de verwachting is dat het SVOH budget veel beter benut gaat worden.Er is een stijgende lijn te zien in het aantal aanvragen. Met de invoeringvan de Wet betaalbare huur per 1 juli 2024 zijn extra aftrekpuntengekomen voor slechte energielabels. Dit geeft verhuurders een duidelijkeprikkel om huurwoningen te verduurzamen. Ook is de SVOH-regelingsamen met belangenorganisaties en verhuurders gewijzigd; deze sluit nubeter aan bij de behoeften van de doelgroep. Afgelopen zomer heeft deinternetconsultatie van de wijzigingsregeling plaatsgevonden en dereacties waren positief. Met de wijzigingsregeling wordt de regelingverlengd tot en met 2029. Openstelling van de gewijzigde SVOH isvoorzien per januari 2025. Daarnaast zal de openstelling van maatregel 29in het eerste kwartaal van 2025 een aanzuigende werking hebben op deSVOH. Maatregel 29 is een van de maatregelen van de rijksoverheid uitNij Begun (inlossing ereschuld inwoners Groningen en Noord-Drenthe alsgevolg van de gaswinning). De maatregel geldt met terugwerkende krachtvanaf 25 april 2023. Alle noodzakelijke maatregelen voor verduurzamingtot de zogeheten standaard voor woningisolatie vallen onder deze aanpak.De regeling geldt voor woningeigenaren en particuliere verhuurders.Verhuurders in Groningen en Noord-Drenthe krijgen met maatregel 29een aanzienlijke aanvulling voor isolatiemaatregelen op de SVOH (tot wel50% van de kosten).Verder staat in het regeerprogramma opgenomen dat het kabinet hetuitfaseren van EFG huurwoningen voortzet, waarvoor regelgeving isaangekondigd. Dit zal ertoe leiden dat alle private verhuurders met EFGwoningen deze moeten verduurzamen naar tenminste label D. Financiëleondersteuning in de vorm van de SVOH fungeert als flankerend beleid bijdeze normering. Tot slot is een Versnellingsagenda private verhuur invoorbereiding. Deze heeft tot doel om de verduurzamingsopgave van dedoelgroep te versnellen. Om deze redenen zal de SVOH in 2025 en dejaren erna veel beter gevonden worden. Of deze maatregelen in 2025 alleiden tot een volledige uitputting van de SVOH is nu nog niet bekend.139Vraag:Welk percentage van het huidige budget van 56 miljoen euro voor deaanpak van funderingsschade wordt aangewend voor onderzoek eninnovatie op dit gebied?Antwoord:Zie het antwoord op de vraag 28.140Vraag:Wat is de stand van zaken met het oprichten van een landelijk informa-tiepunt funderingsproblematiek? Welke data is hiervoor beschikbaar? Opwelk niveau wordt de toegankelijkheid van het informatiepuntgeorganiseerd?Antwoord:De concrete uitwerking van een landelijke informatiepunt en loket isonderdeel van de uitwerking van de aanpak van funderingsproblematiekop nationaal niveau. Hierop komt het ministerie terug in de voortgangs-brief die in november naar de Kamer gestuurd wordt.141Vraag:Hoe ziet de kostenverdeling voor de aanpak van funderingsproblematiektussen het Rijk, de provincies en de gemeenten er op dit moment uit?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 649 Antwoord:Zie antwoord op de vraag 29.142Vraag:In hoeverre is er in de huidige incidentele middelen begeleiding encompensatie voorzien voor mensen die te maken hebben met schade alsgevolg van bodemdaling?Antwoord:In de eerste stappen is hierin niet voorzien. In de huidige middelen is welruimte gereserveerd voor onderzoek, advies en begeleiding van woningei-genaren, met name in gebieden waar urgente funderingsproblematiekspeelt. Dit wordt nog nader uitgewerkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 XXII, nr. 650
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.