Verslag van een schriftelijk overleg over o.a. het evaluatierapport ‘Het vormingsonderwijs in Nederland’ en voorhang van wijzigingsregeling (Kamerstuk 36600-VIII-178)
Brontekst
Versie 789336190a560974 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 VIIIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap (VIII) voor het jaar 2026Nr. 14 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 13 november 2025 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap over de brief 3 juli 2025 over hetevaluatierapport «Het vormingsonderwijs in Nederland» en de voorhangvan de wijzigingsregeling (Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 178) en over de briefvan 11 juli 2025 over de verduidelijking van de voorhangprocedurerondom de wijzigingsregeling vormingsonderwijs (Kamerstuk 36 600 VIII,nr. 181).De vragen en opmerkingen zijn op 25 september 2025 aan de Staatssecre-taris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van13 november 2025 zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Bosnjakovic kst-36800-VIII-14ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 141 Inhoudblz.IVragen en opmerkingen uit de fracties2•Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie2•Inbreng van de leden van de VVD-fractie0•Inbreng van de leden van de NSC-fractie0•Inbreng van de leden van de BBB-fractie0•Inbreng van de leden van de SGP-fractie0•Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractie0IIReactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap0 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van de onderhavige brieven. Al sinds 1857 hebbenouders van leerlingen op de openbare basisschool een wettelijk recht omde school te vragen om vormingsonderwijs voor hun kinderen. Hetopenbaar onderwijs neemt immers niet één levensbeschouwing alsvertrekpunt, maar gaat uit van diversiteit en besteedt daar aandacht aan.Daarom ook kunnen kinderen er godsdienstig of humanistisch vormings-onderwijs krijgen. In totaal vinden wekelijks op 700 openbare basis-scholen bijna 3200 lessen vormingsonderwijs plaats, waarbij de meesteouders kiezen voor de humanistische variant. Het valt deze leden nu opdat de voormalige Staatssecretaris Paul in haar brief vooral kritischeopmerkingen plaatst bij de bevindingen inzake het vormingsonderwijs. Deevaluatiestudie «Het vormingsonderwijs in Nederland» van het Verwey-Jonker Instituut toont echter ook aan dat de subsidieregeling aan het CvV1effectief bijdraagt aan godsdienstig en levensbeschouwelijk onderwijs opopenbare basisscholen, dat het ook de professionele ontwikkeling vanvakleerkrachten bevordert via regiobegeleiders die de kwaliteit van hetvormingsonderwijs verbeteren en dat ouders en leerlingen het gereali-seerde aanbod aan vormingsonderwijs over het algemeen waarderen.Hoe waardeert de huidige Staatssecretaris deze bevindingen? Hoewaardeert hij de interlevensbeschouwelijke dialoog die voornamelijk aanbod komt bij het carrouselmodel, waarbij de leerlingen een lessenserievan meerdere denominaties door meerdere vakleerkrachten aangebodenkrijgen? Kan de Staatssecretaris ook nader toelichten waarom bij hetvormingsonderwijs juist dit carrouselmodel een risico betekent opvermenging van vormingsonderwijs met regulier onderwijs, watondoelmatig zou zijn?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de nieuwealgemene maatregel van bestuur het woord «aantoonbaar» toevoegt aan«op verzoek van ouders». Dit betekent dus dat vormingsonderwijsvoortaan «op aantoonbaar verzoek van ouders» tot stand komt. Realiseertde Staatssecretaris zich dat deze verplichting leidt tot aanzienlijkeadministratieve lasten bij scholen én bij het CvV? Hoe verhoudt deze taakzich tot de rol van het CvV, dat hiermee feitelijk een controlerende functiekrijgt toebedeeld ten opzichte van scholen en ouders? In hoeverre is zo’nrol wenselijk?Daarnaast merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat tot ditjaar de afspraak bestond dat het vormingsonderwijs niet harder mochtgroeien dan wel krimpen dan 1 procent ten opzichte van het voorgaande1CvV: Centrum voor VormingsonderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 142 jaar. Klopt het dat deze afspraak komt te vervallen in de nieuwe algemenemaatregel van bestuur? Betekent dit dat met de nieuwe regeling debepaling vervalt dat bij krimp of groei maximaal 1 procent van depersonele lasten wordt teruggevorderd of toegevoegd? Kan de Staatsse-cretaris uitsluiten dat het CvV in de toekomst wordt geconfronteerd metonvoorspelbare terugbetalingen, die grote gevolgen kunnen hebben voorhet arbeidsvoorwaardenbeleid en de stabiliteit van de organisatie? Is deStaatssecretaris bereid om, net als in de huidige regeling, wel eenduidelijke begrenzing op te nemen waarmee het CvV kan rekenen opvoorspelbaarheid en continuïteit in de financiering? Zo ja, hoe gaat hijdeze dan gestalte geven? Zo nee, waarom niet?Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deKamerbrief over het evaluatierapport «Het vormingsonderwijs inNederland» en de voorhang van de wijzigingsregeling en hebben daarnog enkele vragen over.De leden van de VVD-fractie lezen dat scholen inzichtelijk moeten makenof en hoe de wensen van ouders zijn geïnventariseerd. Deze leden vragenvoor hoeveel meer regeldruk dit gaat zorgen in het openbaar onderwijs.De leden van de VVD-fractie vragen wat kinderen op school doen als zijgeen gebruik maken van vormingsonderwijs als dit aan een ander deelvan de klas wel wordt gegeven. Deze leden vragen waarom deze groepleerlingen geen onderwijs mogen ontvangen dat een positieve impulsheeft op hun leerontwikkelingen. Zij vragen ook of dit niet eenomgekeerde manier van kansenongelijkheid is.De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel procent van deze regelingdaadwerkelijk wordt gebruikt voor het vormingsonderwijs zoals ditvolgens de wet is bedoeld.Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het evaluatie-rapport voor de subsidieregeling voor het vormingsonderwijs, hetwijzigingsvoorstel en andere gerelateerde stukken en hebben daarovernog enkele vragen en opmerkingen.De leden van de NSC-fractie lezen in het evaluatierapport dat de subsidie-regeling specifiek tot doel heeft het faciliteren van vormingsonderwijs opopenbare scholen voor ouders die daarom verzoeken. Het rapport beroeptzich daarbij op de OCW Nota subsidieaanvraag voor 2021 van Diensten-centrum GVO2/HVO3 (carrouselmodel) van 29 oktober 2020. Deelt deStaatssecretaris deze interpretatie en kan hij zijn antwoord toelichten?De leden van de NSC-fractie merken op dat het evaluatierapport conclu-deert dat de subsidie in algemene zin doelmatig is, maar signaleert datvormingsonderwijs regelmatig op verzoek van de school en niet van deouders wordt gerealiseerd, en dat scholen ouders onvoldoenderaadplegen over hun wensen. Deze leden vinden deze conclusie moeilijkte rijmen in het licht van de oorspronkelijke doelstelling van de regeling. Isde Staatssecretaris het eens dat de initiërende en sturende rol van deouders wezenlijk is voor een rechtmatig beroep op deze regeling?2GVO: godsdienstig vormingsonderwijs3HVO: humanistisch vormingsonderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 143 Voorts merken de leden van de NSC-fractie op dat in het evaluatierapportweliswaar scholen en uitvoerende organisaties zijn bevraagd, maar dat ergeen enkele ouder of leerling is gehoord. Gezien het feit dat de subsidiere-geling expliciet bedoeld is om vormingsonderwijs op verzoek van ouderste faciliteren, vinden deze leden dit een opmerkelijke omissie. Hoereflecteert de Staatssecretaris op het feit dat de primaire doelgroep van deregeling in het evaluatieonderzoek buiten beschouwing is gelaten enerkent hij dat dit de bruikbaarheid van de conclusies wezenlijk beperkt?De leden van de NSC-fractie constateren dat de voorgestelde wijzigingenop de regeling de aansturende rol van ouders beter moeten borgen. Dezeleden merken echter ook op dat in de voorgestelde gewijzigde regeling desubsidieontvanger alleen een inspanningsverplichting heeft. Als scholenniet of gebrekkig inventariseren, heeft dat geen gevolgen voor desubsidie. Er ontbreekt daarmee vooralsnog een duidelijke sanctie ofconsequentie bij structureel gebrek aan ouderbetrokkenheid. Dit roept devraag op of de wijziging voldoende tegemoetkomt aan de kritiek uit hetevaluatierapport, dat stelde dat scholen ouders te weinig raadplegen. Kande Staatssecretaris hierop een reactie geven?Inbreng van leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van het evaluatie-rapport «Het vormingsonderwijs in Nederland» en de voorhang van dewijzigingsregeling. Deze leden hebben geen vragen aan de Staatssecre-taris.Inbreng van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het evaluatieonderzoek en de wijzigingsregeling. Deze leden vindenhet belangrijk dat de positie van ouders wordt onderstreept.De leden van de SGP-fractie constateren dat de evaluatie een positiefbeeld laat zien van de situatie van het vormingsonderwijs. De middelenvoor het vormingsonderwijs blijken zeer doelmatig en effectief besteed teworden. Onderschrijft de Staatssecretaris in algemene zin deze conclusiesover het vormingsonderwijs? Welke inspanningen verricht hij om hethuidige niveau vast te houden en waar mogelijk verder te verbeteren?De leden van de SGP-fractie lezen in de nota van toelichting dat deMinister jaarlijks subsidie kan verstrekken aan het CvV. Deze leden wijzenerop dat de Minister volgens artikel 192 WPO4 bekostiging verstrekt aande rechtspersoon voor het vormingsonderwijs. Het betreft hier eendwingende en geen facultatieve bepaling, waarbij in de uitvoering moetworden voldaan aan de gestelde voorwaarden. Onderkent de Staatssecre-taris dat hier geen sprake is van een vrije bevoegdheden om al dan nietsubsidie te verstrekken, maar dat sprake is van een wettelijke opdracht?De leden vragen de Minister hierbij ook in te gaan op de conclusie uit hetevaluatierapport dat onzekerheid bestaat over de toekomst van hetvormingsonderwijs vanwege politieke onzekerheid. Zij constateren dat inde discussies over bezuinigingen politiek onvoldoende recht werd gedaanaan het feit dat de wetgever met het oog op het bieden van zekerheid juisteen wettelijke garantie op bekostiging heeft opgenomen. Wil de Staatsse-cretaris daaraan in het vervolg meer aandacht besteden?4WPO: Wet op het Primair OnderwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 144 De leden van de SGP-fractie vinden het belangrijk dat de rol van oudersdoor de wijziging van de regeling wordt onderstreept. Deze leden vragenhoe de Minister op basis van de informatie die het CvV aanlevert actieverwil gaan toezien of scholen daadwerkelijk de ouders betrekken bij hetbepalen van het aanbod. Bovendien vragen zij op welke wijze hij scholenkan ondersteunen om hieraan op een goede wijze uitwerking te geven.De leden van de SGP-fractie delen de visie dat het inzetten van hetcarrouselmodel het risico kent van ondoelmatigheid, aangezien hetoverlapt met de wettelijke plicht van alle scholen om leerlingen onderwijste geven over godsdiensten en levensbeschouwingen in de samenleving.Deze leden vragen hoe de Minister er in de komende jaren zicht op wilhouden dat het carrouselmodel niet verder tot onwenselijke ontwikke-lingen leidt. Deze leden vragen daarbij ook aandacht voor het feit datouders en kinderen, wanneer zij nauwelijks of niet betrokken zijn bij hetbepalen van het aanbod, te maken krijgen met onderdelen waar zij geenbehoefte aan hebben of zelfs moeite mee hebben. Dat kan ook voor deschool tot uitdagingen leiden. Heeft de Staatssecretaris hier oog voor?De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat nauwelijks zicht bestaat opmate waarin openbare scholen voldoen aan hun plicht om op respectvolleen zo neutrale mogelijke wijze onderwijs te geven over godsdiensten enlevensbeschouwingen. Vanouds werd deze positie juist als een belangrijkemeerwaarde van de openbare school gezien. Is de Staatssecretaris bereidom in de komende jaren een onderzoek te laten verrichten, al dan nietdoor de inspectie, om te bezien wat de staat van dit onderwijs is inopenbare scholen? Deze leden wijzen erop dat het opmerkelijk is dathiervoor weinig aandacht bestaat, terwijl het direct raakt aan de grond-wettelijke rol van openbare scholen.Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van het evaluatierapport «Het vormingsonderwijs in Nederland»en de voorhang van de wijzigingsregeling. Deze leden zijn allereerst blijdat de subsidieregeling, hetzij gewijzigd, wordt voortgezet. Degelegenheid voor leerlingen om op openbare scholen op aanvraag vanouders vormingsonderwijs te ontvangen zien zij immers als een essentieelonderdeel van het openbaar onderwijs, mede zodat het openbaaronderwijs voor ieder kind toegankelijk is. De leden hebben behoefte aanhet stellen van enkele vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie zijn het eens met de Staatssecretarisop het punt dat het de bedoeling is dat het vormingsonderwijs opaanvraag van ouders wordt gegeven, maar hebben wel vragen over debeoogde wijzigingen in de regeling. Deze leden lezen in de wijzigingsre-geling dat er een beperkte toename van administratieve lasten wordtverwacht. Kan de Staatssecretaris deze toename kwalificeren, zowel voorscholen als voor het CvV? Meent de Staatssecretaris dat de huidigesubsidieregeling toereikend is om daarbinnen de toename van adminis-tratieve lasten te bekostigen? Zo ja, kan hij dit onderbouwen? Tevensvragen de leden of de Staatssecretaris wil reflecteren op de rol die hetCvV krijgt. Klopt het dat het CvV nu in de praktijk bij scholen moetcontroleren of deze wel subsidie aanvragen binnen het wettelijk kader? Isdit een rol die bij het CvV past?De leden van de ChristenUnie-fractie lezen in het evaluatierapport dat erin de afgelopen jaren een krimp is geweest in de realisatie van de lessenvormingsonderwijs dat in de afgelopen jaren werd gegeven, maar dat ervoor de komende jaren een groei wordt verwacht. Dit heeft logischerwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 145 gevolgen voor de financiële stabiliteit van het CvV. De algemenemaatregel van bestuur die de bekostiging nader uitwerkt, bevatmomenteel artikelleden die stellen dat het bedrag dat is bestemd voorpersoneelskosten met maximaal 2 procent per jaar kan stijgen tenopzichte van het meest recent vastgestelde subsidiebedrag dat is bestemdvoor personeelskosten.5 Deze leden vragen wat het effect van dezeartikelleden is als het aantal lessen krimpt, zoals afgelopen jaren isgebeurd. De leden vragen tevens wat het effect is dat deze artikelleden inde praktijk hebben gehad. Hebben ze bijgedragen aan de financiëlestabiliteit van het CvV?De leden van de ChristenUnie-fractie zien tevens dat de bovengenoemdeartikelleden vervallen per 31 december 2025. Wat is de reden dat dezeartikelleden eind dit jaar vervallen? Welke gevolgen kan dat hebben voorde financiële stabiliteit van het CvV en daarmee voor de banen van deleraren die het vormingsonderwijs verzorgen, zowel bij plotselinge groeiof krimp? De leden vragen of de Staatssecretaris kan borgen dat ook in detoekomst het CvV van stabiele en voorspelbare financiering wordtvoorzien, in het belang van de leerkrachten en van alle leerlingen dievormingsonderwijs ontvangen. Zo ja, op welke manier? Kan dat dooralsnog een dergelijke bepaling, zoals die nu nog geldt, op te nemen? Zonee, waarom niet?De leden van de ChristenUnie-fractie vragen waarom er aan artikel 8 eenlid wordt toegevoegd dat stelt dat de regeling vervalt met ingang van1 augustus 2030. Deze leden lezen in het evaluatierapport juist dat desubsidie essentieel is voor het kunnen aanbieden van vormingsonderwijs.Kan de Staatssecretaris motiveren waarom de regeling dan over pakwegvijf jaar zou moeten vervallen?II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van de onderhavige brieven inzake het vormingson-derwijs. De fractie heeft een aantal vragen.Allereerst valt het de leden op dat de voormalige Staatssecretaris Paul inhaar brief vooral kritische opmerkingen plaatst bij de bevindingen inzakehet vormingsonderwijs, terwijl de evaluatiestudie aantoont dat desubsidieregeling aan het CvV effectief bijdraagt aan godsdienstig enlevensbeschouwelijk onderwijs op openbare basisscholen; dat het ook deprofessionele ontwikkeling van vakleerkrachten bevordert via regiobege-leiders die de kwaliteit van het vormingsonderwijs verbeteren en datouders en leerlingen het gerealiseerde aanbod aan vormingsonderwijsover het algemeen waarderen.Hoe waardeert de huidige Staatssecretaris deze bevindingen?Bijbehorende brief over het evaluatierapport diende hoofdzakelijk om aante geven welke bevindingen van de evaluatie hebben geleid totvoorstellen voor wijzigingen in de regeling.6 Zowel in het rapport als debrief van de voormalig Staatssecretaris wordt daarnaast opgemerkt datschoolleiders, leraren en vakleerkrachten vormingsonderwijs overwegendpositief zijn over het aanbod aan vormingsonderwijs. Ook ik heb5Staatsblad 2019, 152. Staatsblad 2019, 152 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen6Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 178Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 146 kennisgenomen van de inspanningen van het Centrum voor Vormingson-derwijs (hierna: het CvV) en de waardering van scholen daarvan. Maar, ikzie ook de nodige ruimte voor verbetering, zeker ten aanzien van depositie van ouders.Hoe waardeert de Staatssecretaris de interlevensbeschouwelijke dialoogdie voornamelijk aan bod komt bij het carrouselmodel, waarbij deleerlingen een lessenserie van meerdere denominaties door meerderevakleerkrachten aangeboden krijgen?De interlevensbeschouwelijke dialoog is een vorm die bijdraagt aan deidentiteitsontwikkeling van kinderen en het leren van en over elkaarsgeloof en levensovertuigingen. Interlevensbeschouwelijke dialoog isechter niet onlosmakelijk verbonden aan het vormingsonderwijs of hetcarrouselmodel, maar komt eveneens voor in het reguliere onderwijs.Iedere school is verplicht om aandacht te geven aan het kennisgebiedgeestelijke stromingen en de wettelijke burgerschapsopdracht. Daar iskennis over verschillende godsdiensten en de interlevensbeschouwelijkedialoog onderdeel van.Kan de Staatssecretaris ook nader toelichten waarom bij het vormingson-derwijs juist dit carrouselmodel een risico betekent op vermenging vanvormingsonderwijs met regulier onderwijs, wat ondoelmatig zou zijn?In de laatste jaren is een verschuiving in aanbod te zien van het klassiekemodel, waarbij leerlingen les krijgen over één denominatie door éénvakleerkracht, naar het carrouselmodel, waarbij leerlingen een lessenserievan meerdere denominaties door meerdere vakleerkrachten aangebodenkrijgen. Bij dit carrouselmodel kan overlap ontstaan tussen vormingson-derwijs en onderwijs dat behoort tot het reguliere curriculum, waarbijvakleerkrachten vormingsonderwijs (deels) verantwoordelijkheden vanreguliere leerkrachten kunnen overnemen. In dat geval wordt de subsidieverstrekt voor onderwijs, dat tot de taak van de reguliere leerkrachtbehoort en dat ook bekostigd wordt via de reguliere bekostiging vanscholen. Dat is een ondoelmatige inzet van de subsidie.Ondanks dat het carrouselmodel positief kan werken in de praktijk, ben ikook van mening dat deze positieve effecten eigenlijk bereikt zoudenmoeten worden met het uitvoeren van de wettelijke burgerschapsop-dracht (kennis over en respect voor verschillende godsdiensten enculturen) en het lesgeven over geestelijke stromingen (kennis overwereldbeschouwingen en religies) door scholen zelf. Daar zou hetcarrouselmodel niet nodig voor moeten zijn. Scholen die op deze maniergebruik maken van het carrouselmodel zouden dan zelfs een oneigenlijkvoordeel kunnen hebben ten opzichte van andere scholen.Daarnaast blijkt uit praktijkvoorbeelden dat op meerdere scholen hetcarrouselmodel ingezet wordt zonder specifieke toestemming van ouders.Dat vind ik zeer onwenselijk, aangezien de regeling gestoeld is op hetkeuzerecht van ouders.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de nieuwealgemene maatregel van bestuur het woord «aantoonbaar» toevoegt aan«op verzoek van ouders». Dit betekent dus dat vormingsonderwijsvoortaan «op aantoonbaar verzoek van ouders» tot stand komt.Realiseert de Staatssecretaris zich dat deze verplichting leidt tot aanzien-lijke administratieve lasten bij scholen én bij het CvV? Hoe verhoudt dezetaak zich tot de rol van het CvV, dat hiermee feitelijk een controlerendeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 147 functie krijgt toebedeeld ten opzichte van scholen en ouders? In hoeverreis zo’n rol wenselijk?Met het CvV is gesproken over deze administratie en er is een maniergevonden om de verzoeken van ouders goed in beeld te krijgen, zondereen overdaad aan administratieve lasten. Al sinds het bestaan van debekostigingsregeling met het CvV ontvangt het CvV subsidie omvormingsonderwijs «op verzoek van ouders» te geven. Het CvV heeftdaarmee ook een verantwoordingsplicht – maar geen controleplicht – overde verzoeken. Het CvV communiceert met scholen over hoe zij het aanbodaan vormingsonderwijs onder ouders kenbaar kunnen maken en het CvVrapporteert op geaggregeerd niveau over hoe deze verzoeken bij henbinnenkomen. Aan het eind van de periode van vijf jaar (na inwerking-treding van de wijzigingsregeling) wordt geëvalueerd hoe deze werkwijzebevalt, om te bezien of ouders daadwerkelijk beter gehoord worden inhun wensen.Daarnaast merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat tot ditjaar de afspraak bestond dat het vormingsonderwijs niet harder mochtgroeien dan wel krimpen dan 1 procent ten opzichte van het voorgaandejaar. Klopt het dat deze afspraak komt te vervallen in de nieuwe algemenemaatregel van bestuur? Betekent dit dat met de nieuwe regeling debepaling vervalt dat bij krimp of groei maximaal 1 procent van depersonele lasten wordt teruggevorderd of toegevoegd? Kan de Staatsse-cretaris uitsluiten dat het CvV in de toekomst wordt geconfronteerd metonvoorspelbare terugbetalingen, die grote gevolgen kunnen hebben voorhet arbeidsvoorwaardenbeleid en de stabiliteit van de organisatie? Is deStaatssecretaris bereid om, net als in de huidige regeling, wel eenduidelijke begrenzing op te nemen waarmee het CvV kan rekenen opvoorspelbaarheid en continuïteit in de financiering? Zo ja, hoe gaat hijdeze dan gestalte geven? Zo nee, waarom niet?Voor de vorige regeling zijn voor het eerst structureel middelen gereser-veerd op de begroting. Omdat er geen zicht was op eventuele schomme-lingen in de vraag en het dienstencentrum GVO/HVO (nu het CvV)behoefte had aan continuïteit van middelen, was deze afspraak gemaakt.Na vijf jaar verkeert het CvV in een meer bestendige situatie en is dezebepaling niet langer nodig. Het CvV kan goed inschatten welk aanbod hetgaat realiseren en een subsidieaanvraag doen die daarop gebaseerd is. Dehoogte van de instellingssubsidie sluit aan bij de huidige vraag naarvormingsonderwijs. Bij eventuele grote schommelingen in het aanbod zalhet Ministerie van OCW in overleg treden met het CvV, waarbij hetuitgangspunt is dat de continuïteit van het CvV wordt geborgd.Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van deKamerbrief over het evaluatierapport «Het vormingsonderwijs inNederland» en de voorhang van de wijzigingsregeling en hebben daarnog enkele vragen over.De leden van de VVD-fractie lezen dat scholen inzichtelijk moeten makenof en hoe de wensen van ouders zijn geïnventariseerd. Deze leden vragenvoor hoeveel meer regeldruk dit gaat zorgen in het openbaar onderwijs.Ten aanzien van de regeldruk geldt dat scholen al de verplichting haddenom het aanbod aan vormingsonderwijs onder ouders kenbaar te makenen om verzoeken te verzamelen en door te geven aan het CvV. Aanscholen wordt nu gevraagd om bij de aanvraag voor vormingsonderwijsinzicht te geven in hoe dat gebeurt. Dat is een lichte verhoging van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 148 regeldruk, maar wel de enige manier om zicht te krijgen of de aanvragendoor scholen gebaseerd zijn op ouderwensen. De essentie van de regelingis immers dat scholen vormingsonderwijs aanvragen op basis vanouderwensen. Daarom is het belangrijk om dit punt op te nemen in deregeling, zodat we doelmatige besteding van overheidsmiddelen beterkunnen waarborgen.De leden van de VVD-fractie vragen wat kinderen op school doen als zijgeen gebruik maken van vormingsonderwijs als dit aan een ander deelvan de klas wel wordt gegeven.Daar heeft het Ministerie van OCW geen zicht op. Scholen hebben deplicht om andere onderwijsactiviteiten te verzorgen aan de leerlingen diegeen vormingsonderwijs volgen. Daarbij zijn scholen vrij in het aanbod.Deze leden vragen waarom deze groep leerlingen geen onderwijs mogenontvangen dat een positieve impuls heeft op hun leerontwikkelingen. Zijvragen ook of dit niet een omgekeerde manier van kansenongelijkheid is.De leerlingen die geen vormingsonderwijs ontvangen, volgen op datmoment ander onderwijs bij de eigen leerkracht. De inhoud van datonderwijs kan van alles zijn, zolang er maar geen onderdelen uit hetcurriculum behandeld worden, die de leerlingen die wel vormingson-derwijs volgen hierdoor missen. Ik vertrouw erop dat de reguliereleerkracht op het moment van vormingsonderwijs aan de overigeleerlingen onderwijs verzorgt, dat eveneens positief is voor de leerontwik-kelingen.De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel procent van deze regelingdaadwerkelijk wordt gebruikt voor het vormingsonderwijs zoals ditvolgens de wet is bedoeld.Voor de regeling is in 2024 € 16 miljoen aangevraagd door het CvV,waarvan ongeveer € 1,5 miljoen nodig was voor de bedrijfsvoering enoverhead.Inbreng van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het evaluatie-rapport voor de subsidieregeling voor het vormingsonderwijs, hetwijzigingsvoorstel en andere gerelateerde stukken en hebben daarovernog enkele vragen en opmerkingen.De leden van de NSC-fractie lezen in het evaluatierapport dat de subsidie-regeling specifiek tot doel heeft het faciliteren van vormingsonderwijs opopenbare scholen voor ouders die daarom verzoeken. Het rapport beroeptzich daarbij op de OCW Nota subsidieaanvraag voor 2021 van Diensten-centrum GVO7/HVO8 (carrouselmodel) van 29 oktober 2020.Deelt de Staatssecretaris deze interpretatie en kan hij zijn antwoordtoelichten?Ja deze interpretatie deel ik en deze was ook al vastgelegd in de huidigeregeling.9 De wijzigingsregeling verbetert de borging van de positie vanouders en hun wens in vormingsonderwijs.7GVO: godsdienstig vormingsonderwijs8HVO: humanistisch vormingsonderwijs9https://wetten.overheid.nl/BWBR0042355/2022-04-01Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 149 De leden van de NSC-fractie merken op dat het evaluatierapport conclu-deert dat de subsidie in algemene zin doelmatig is, maar signaleert datvormingsonderwijs regelmatig op verzoek van de school en niet van deouders wordt gerealiseerd, en dat scholen ouders onvoldoenderaadplegen over hun wensen. Deze leden vinden deze conclusie moeilijkte rijmen in het licht van de oorspronkelijke doelstelling van de regeling.Is de Staatssecretaris het eens dat de initiërende en sturende rol van deouders wezenlijk is voor een rechtmatig beroep op deze regeling?Ja die overtuiging deel ik met de NSC-fractie. De subsidieregelingvormingsonderwijs is gestoeld op het keuzerecht van ouders. Daarom benik ook niet blij dat op meerdere scholen de wensen van ouders niet of nietvoldoende worden uitgevraagd. Het is daarom essentieel om in dewijzigingsregeling de positie van ouders beter te borgen.Voorts merken de leden van de NSC-fractie op dat in het evaluatierapportweliswaar scholen en uitvoerende organisaties zijn bevraagd, maar dat ergeen enkele ouder of leerling is gehoord. Gezien het feit dat de subsidiere-geling expliciet bedoeld is om vormingsonderwijs op verzoek van ouderste faciliteren, vinden deze leden dit een opmerkelijke omissie. Hoereflecteert de Staatssecretaris op het feit dat de primaire doelgroep van deregeling in het evaluatieonderzoek buiten beschouwing is gelaten enerkent hij dat dit de bruikbaarheid van de conclusies wezenlijk beperkt?Ja, dat is een beperking van deze evaluatie. Vanuit privacy-overwegingen(uitvragen van bijzondere persoonsgegevens) is in deze evaluatie dekeuze gemaakt om ouders niet te bevragen. Met de wijzigingsregelingwordt de positie van ouders versterkt en ontstaat de mogelijkheid om henbij de volgende evaluatie anoniem te kunnen bevragen.De leden van de NSC-fractie constateren dat de voorgestelde wijzigingenop de regeling de aansturende rol van ouders beter moeten borgen. Dezeleden merken echter ook op dat in de voorgestelde gewijzigde regeling desubsidieontvanger alleen een inspanningsverplichting heeft. Als scholenniet of gebrekkig inventariseren, heeft dat geen gevolgen voor desubsidie. Er ontbreekt daarmee vooralsnog een duidelijke sanctie ofconsequentie bij structureel gebrek aan ouderbetrokkenheid. Dit roept devraag op of de wijziging voldoende tegemoetkomt aan de kritiek uit hetevaluatierapport, dat stelde dat scholen ouders te weinig raadplegen.Kan de Staatssecretaris hierop een reactie geven?De evaluatie die in 2024 is uitgevoerd geeft inzicht in de uitvoering van devorige regeling. In die regeling was onvoldoende helder opgenomen hoescholen de ouders moeten bevragen. Dat wordt met de wijzigingsregelingbeter vastgelegd. Het CvV krijgt op dat punt voor de looptijd van dezewijzigingsregeling een inspanningsverplichting en geen resultaatsver-plichting, omdat het CvV hierbij afhankelijk is van de inspanningen vanscholen, waarvoor ik de administratieve last beperkt wil houden. In deevaluatie van deze regeling zal worden bezien wat het resultaat van deregistratie van het CvV is, of dit voldoende duidelijkheid over ouderbetrok-kenheid geeft en of verdere aanscherping in 2030 nodig is.Inbreng van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het evaluatieonderzoek en de wijzigingsregeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1410 De leden van de SGP-fractie constateren dat de evaluatie een positiefbeeld laat zien van de situatie van het vormingsonderwijs. De middelenvoor het vormingsonderwijs blijken zeer doelmatig en effectief besteed teworden. Onderschrijft de Staatssecretaris in algemene zin deze conclusiesover het vormingsonderwijs?Ik zie dat het vormingsonderwijs onder schoolleiders en lerarenoverwegend positief ontvangen wordt. Maar ik vind ook dat de uitvoeringvan de regeling niet in alle gevallen doelmatig is. In veel gevallen wordthet aanbod op verzoek van de schoolleiding gerealiseerd, waarbij de wensvan ouders niet meegenomen wordt of zelfs niet uitgevraagd wordt. Ditbeperkt de doelmatigheid van de subsidieregeling.Welke inspanningen verricht hij om het huidige niveau vast te houden enwaar mogelijk verder te verbeteren?Het huidige niveau wordt vooral vastgehouden door het CvV – en dezendende instanties die daaronder vallen – hun werk te laten continueren.Daarover heeft mijn ministerie geregeld contact met het CvV.Daarnaast vind ik het – met het oog op doelmatigheid – van belang dat depositie van ouders beter gewaarborgd wordt. Met de wijzigingsregelingwordt het bevoegd gezag verplicht gesteld dat de wensen van oudersgeïnventariseerd worden, zodat deze wensen bepalend worden voor hetaanbod dat wordt gerealiseerd.Aan de hand van de vijfjaarlijkse evaluatie blijft mijn ministerie deuitvoering van de regeling monitoren en optimaliseren waar nodig.Deze leden wijzen erop dat de Minister volgens artikel 192 WPO10bekostiging verstrekt aan de rechtspersoon voor het vormingsonderwijs.Het betreft hier een dwingende en geen facultatieve bepaling, waarbij inde uitvoering moet worden voldaan aan de gestelde voorwaarden.Onderkent de Staatssecretaris dat hier geen sprake is van een vrijebevoegdheden om al dan niet subsidie te verstrekken, maar dat sprake isvan een wettelijke opdracht?Er is hier inderdaad sprake van een wettelijke opdracht. De wettelijkeverankering geeft enige zekerheid voor het voortbestaan van hetvormingsonderwijs, waarbij ook kan worden aangetekend dat de Kamerkan besluiten de wet op dit punt te wijzigen.11De leden vragen de Minister hierbij ook in te gaan op de conclusie uit hetevaluatierapport dat onzekerheid bestaat over de toekomst van hetvormingsonderwijs vanwege politieke onzekerheid. Zij constateren dat inde discussies over bezuinigingen politiek onvoldoende recht werd gedaanaan het feit dat de wetgever met het oog op het bieden van zekerheid juisteen wettelijke garantie op bekostiging heeft opgenomen. Wil de Staatsse-cretaris daaraan in het vervolg meer aandacht besteden?De uitvoering van de evaluatie liep in de periode dat er sprake was vanmogelijke bezuiniging op de subsidieregeling, waardoor er in het rapportook gerefereerd wordt aan deze politieke context.De structurele bekostiging van het vormingsonderwijs ligt wettelijk vast inzowel de Wet op het Primair Onderwijs als de Wet op de expertisecentra.Er is dus een wetswijziging nodig om de subsidie voor het vormingson-derwijs stop te zetten. Dat is nu niet aan de orde. Zo lang het vormingson-derwijs wettelijk is verankerd, zal het ook adequaat gefinancierd worden.10WPO: Wet op het Primair Onderwijs11Kamerstuk 36 600 VIII, nr. 14Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1411 Deze leden vragen hoe de Minister op basis van de informatie die het CvVaanlevert actiever wil gaan toezien of scholen daadwerkelijk de oudersbetrekken bij het bepalen van het aanbod. Bovendien vragen zij op welkewijze hij scholen kan ondersteunen om hieraan op een goede wijzeuitwerking te geven.De informatie die het CvV zal aanleveren over de inventarisatie van dewensen van ouders gaat allereerst een beter beeld geven van hoe scholendit doen. Daarnaast blijft de verplichting gelden voor openbare scholenom de mogelijkheid tot het volgen van vormingsonderwijs op te nemen inde schoolgids. Daar ziet de Inspectie van het Onderwijs (hierna: deinspectie) op toe. Het CvV ondersteunt scholen bij het uitvragen van debehoefte aan vormingsonderwijs. De volgende evaluatie moet uitwijzenwat de resultaten zijn van deze extra inspanningen.Deze leden vragen hoe de Minister er in de komende jaren zicht op wilhouden dat het carrouselmodel niet verder tot onwenselijke ontwikke-lingen leidt. Deze leden vragen daarbij ook aandacht voor het feit datouders en kinderen, wanneer zij nauwelijks of niet betrokken zijn bij hetbepalen van het aanbod, te maken krijgen met onderdelen waar zij geenbehoefte aan hebben of zelfs moeite mee hebben. Dat kan ook voor deschool tot uitdagingen leiden. Heeft de Staatssecretaris hier oog voor?Daar heb ik zeker oog voor. Ik deel met u dat vormingsonderwijs alleen opverzoek van ouders moet worden aangeboden. Met de aanscherpingen inde wijzigingsregeling tracht ik daarom de positie van ouders beter tewaarborgen en daarmee ook de doelmatigheid van de subsidie teverhogen.Waar vormingsonderwijs in voldoende mate in klassieke vorm (dus overéén levensbeschouwing) wordt gewenst zal het ook worden aangeboden.Het CvV zal ook beter in beeld brengen hoe dit uitgevraagd wordt. Ouderskunnen bij het doorgeven van hun voorkeur tevens een voorkeurdoorgeven voor onderwijs in carrouselvorm. Als voor beide soortenvormingsonderwijs de groepsgrootte voldoende is kunnen de vormen ookparallel worden aangeboden. Het is niet mogelijk om het carrouselmodelvoor alle leerlingen aan te bieden, zonder dat ouders daar expliciettoestemming voor gegeven hebben.De leden van de SGP-fractie wijzen erop dat nauwelijks zicht bestaat opmate waarin openbare scholen voldoen aan hun plicht om op respectvolleen zo neutrale mogelijke wijze onderwijs te geven over godsdiensten enlevensbeschouwingen. Vanouds werd deze positie juist als een belangrijkemeerwaarde van de openbare school gezien. Is de Staatssecretaris bereidom in de komende jaren een onderzoek te laten verrichten, al dan nietdoor de inspectie, om te bezien wat de staat van dit onderwijs is inopenbare scholen?De inspectie houdt toezicht op de naleving van alle deugdelijkheidseisen,waaronder ook het geven van onderwijs over de wettelijk vastgelegdekennisgebieden, waaronder «geestelijke stromingen». Op welke wijze datonderwijs gegeven wordt, is aan de school. Er zijn geen signalen diemaken dat op dit punt extra onderzoek nodig zou zijn bij openbarescholen.Inbreng van de leden van de ChristenUnie-fractieDe leden van de ChristenUnie-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van het evaluatierapport «Het vormingsonderwijs in Nederland»en de voorhang van de wijzigingsregeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1412 Deze leden lezen in de wijzigingsregeling dat er een beperkte toenamevan administratieve lasten wordt verwacht. Kan de Staatssecretaris dezetoename kwalificeren, zowel voor scholen als voor het CvV? Meent deStaatssecretaris dat de huidige subsidieregeling toereikend is omdaarbinnen de toename van administratieve lasten te bekostigen? Zo ja,kan hij dit onderbouwen?Met het CvV is gezocht naar een manier waarop zij dit kunnen uitvoeren,zonder overdadige administratieve last voor scholen. Met de wijzigingsre-geling houdt de administratieve last in dat (1) het CvV aan scholen gaanvragen hoe hun aanvraag tot stand gekomen, (2) wat daarbij de rol vanouders was en (3) dat het CvV deze informatie opslaat. Het CvV heeftaangegeven deze administratieve last te kunnen uitvoeren binnen dehuidige begroting.Tevens vragen de leden of de Staatssecretaris wil reflecteren op de rol diehet CvV krijgt. Klopt het dat het CvV nu in de praktijk bij scholen moetcontroleren of deze wel subsidie aanvragen binnen het wettelijk kader? Isdit een rol die bij het CvV past?In de toelichting op de wijzigingsregeling is aangegeven dat het voor hetCvV een inspanningsverplichting betreft en geen resultaatverplichting. Ikacht het passend bij de rol van het CvV om aan scholen uit te vragen hoede aanvraag tot stand is gekomen, omdat het CvV op deze manier ook kaninschatten of ouders voldoende betrokken zijn bij het aanbod. Vanuit hetwettelijk kader (WPO, artikel 50 lid 3) volgt de eis aan scholen om via deschoolgids ouders te informeren over de mogelijkheid om godsdienston-derwijs of levensbeschouwelijk onderwijs te ontvangen. De inspectiehoudt toezicht op deze eis.De algemene maatregel van bestuur die de bekostiging nader uitwerkt,bevat momenteel artikelleden die stellen dat het bedrag dat is bestemdvoor personeelskosten met maximaal 2 procent per jaar kan stijgen tenopzichte van het meest recent vastgestelde subsidiebedrag dat is bestemdvoor personeelskosten.12 Deze leden vragen wat het effect van dezeartikelleden is als het aantal lessen krimpt, zoals afgelopen jaren isgebeurd. De leden vragen tevens wat het effect is dat deze artikelleden inde praktijk hebben gehad. Hebben ze bijgedragen aan de financiëlestabiliteit van het CvV?De leden van de ChristenUnie-fractie zien tevens dat de bovengenoemdeartikelleden vervallen per 31 december 2025. Wat is de reden dat dezeartikelleden eind dit jaar vervallen? Welke gevolgen kan dat hebben voorde financiële stabiliteit van het CvV en daarmee voor de banen van deleraren die het vormingsonderwijs verzorgen, zowel bij plotselinge groeiof krimp?Het CvV houdt jaarlijks met groei of krimp rekening in de aanvraag van deinstellingssubsidie. Deze bepaling was in 2020 opgenomen om in debeginfase enige financiële stabiliteit te creëren en de financiële gevolgenvan schommelingen in de aanvragen beperkt te houden. Dat heeft geleidtot een gezonde financiële basis voor het CvV. Na de looptijd van vijf jaarzit het CvV in een meer bestendige situatie, waarbij ook beter kan wordeningespeeld op eventuele schommelingen. Daarmee is de noodzaak tot ditartikel vervallen.12Staatsblad 2019, 152. Staatsblad 2019, 152 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1413 De leden vragen of de Staatssecretaris kan borgen dat ook in de toekomsthet CvV van stabiele en voorspelbare financiering wordt voorzien, in hetbelang van de leerkrachten en van alle leerlingen die vormingsonderwijsontvangen. Zo ja, op welke manier? Kan dat door alsnog een dergelijkebepaling, zoals die nu nog geldt, op te nemen? Zo nee, waarom niet?Ik acht het om bovengenoemde reden niet noodzakelijk om een dergelijkebepaling op te nemen. De aanvragen van het CvV zijn de afgelopen jarenvrij constant gebleven en er is geen reden aan te nemen dat dat dekomende periode anders zal zijn.Kan de Staatssecretaris motiveren waarom de regeling dan over pakwegvijf jaar zou moeten vervallen?De reguliere looptijd voor dergelijke regelingen is vijf jaar. Omdat desubsidie op een wettelijk voorschrift berust bepaalt de Awb dat ten minsteeenmaal in de vijf jaren een verslag gepubliceerd moet worden over dedoeltreffendheid en de effecten van de subsidie in de praktijk. In het gevalvan het vormingsonderwijs bestaat er een wettelijke verplichting om eenrechtspersoon bekostiging te verstrekken voor het geven van vormingson-derwijs. Zonder wetswijziging is de continuïteit van die middelen wettelijkgeborgd. Een evaluatie kan wel leiden tot aanpassingen in desubsidieregeling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 VIII, nr. 1414
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.