KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad 11 en 12 december 2025 (Kamerstuk 21501-32-1736)

9 dec 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 45bf2c3d97cf795f · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202621 501-32Landbouw- en VisserijraadNr. 1743 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 9 december 2025 De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurheeft een aantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister enStaatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur overo.a. de geannoteerde agenda van de Landbouw- en Visserijraad december2025 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1736). De volledige agenda is opgenomenaan het einde van het verslag.De vragen en opmerkingen zijn op 8 december 2025 aan de Minister enStaatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuurvoorgelegd. Bij brief van 9 december 2025 zijn de vragen beantwoordDe fungerend voorzitter van de commissie,PodtDe griffier van de commissie,Jansma kst-21501-32-1743ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17431 InhoudsopgaveIVragen en opmerkingen vanuit de fractiesVragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieVragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieVragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieVragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieVragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieVragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieVragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieVragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieVragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieIIAntwoord/ Reactie van de Minister en Staatssecretaris vanLandbouw, Visserij, Voedselzekerheid en NatuurIIIVolledige agenda I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van11–12 december 2025 en de toelichting op de Nederlandse inzet. Dezeleden vragen de Minister nadere toelichting over de manier waaropNederland de sociaaleconomische gevolgen van de dalende vangstad-viezen voor met name makreel zal opvangen, en hoe wordt gewaarborgddat het proces rondom de Haagse Preferenties transparant verloopt.Daarnaast vragen deze leden of Nederland aanvullend herstelbeleid zalinzetten voor de aal, naast het volgen van het International Council for theExploiration of the Sea (ICES)-advies.De leden van de D66-fractie merken op dat Nederland geen directevangstmogelijkheden heeft in de Middellandse Zee en Zwarte Zee, maarhechten er waarde aan dat kennis en best practices van Nederlandworden benut voor duurzaam visbeheer in deze regio’s. Zij vragen hoe ditconcreet vorm zal krijgen.De leden van de D66-fractie vragen naar de aanpak van de onderhande-lingen met Marokko over het nieuwe visserijprotocol. Deze ledenonderschrijven dat het proces rekening houdt met het zelfbeschikkings-recht van het volk van de Westelijke Sahara en vragen hoe Nederland eengelijk speelveld voor alle Europese Unie (EU)-schepen in Marokkaansewateren zal waarborgen, de vangstmogelijkheden optimaal kan benuttenen innovatie, monitoring en duurzaamheid kan integreren in het protocol.De leden van de D66-fractie zijn voorstander van het verlagen vanadministratieve lasten voor boeren, maar vrezen ook dat het schrappenvan regels ten koste gaat van inzet op het gebied van duurzaamheid. Dezeleden vragen de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) concreet te maken welke regelsvolgens het kabinet moeten worden geschrapt en toe te lichten hoe dezeniet ten koste gaat van onze voortrekkersrol op het gebied van een meerduurzame landbouw. Ook vragen deze leden welke gevolgen de recentevoorstellen van het Europees Parlement over het National and RegionalPartnerships Plan (NRPP) en de Conditionaliteitsverordening hebben voorde Nederlandse inzet bij de verdere onderhandelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17432 De leden van de D66-fractie willen graag aandacht vragen voor het verbodop «vleesachtige productnamen» voor plantaardige producten. Dezeleden zijn van mening dat het een onzinnig en ondoelmatig verbod is. Hetis een onderschatting van, en wat deze leden betreft neerbuigendheidjegens, Nederlandse consumenten die uitstekend in staat zijn te oordelenwat zij wel en niet willen kopen. Deze leden vragen de Minister toe telichten waar het beeld vandaan komt dat consumenten dit onderscheidniet zouden kunnen maken. Deze leden vragen de Minister derhalve zichuit te spreken tegen het verbod. Kan de Minister toelichten hoe eendergelijk verbod bijdraagt aan het stimuleren van meer plantaardigeproducten, conform de inzet vanhet kabinet (Kamerstuk 31 532, nr.291).Kan de Minister toezeggen zich in de Landbouw- en Visserijraad hardte maken voor het behoud van herkenbare en gangbare benamingen voorvleesvervangers?De leden van de D66-fractie willen tot slot graag aandacht vragen voor hetuitgelekte Omnibusvoorstel omtrent de versoepeling van de beoordelingvan bestrijdingsmiddelen en de brandbrief die daarover is geschreven-(Parkinsonalliantie Nederland, 30 november 2025, «Brandbrief overversoepeling beoordeling bestrijdingsmiddelen (Omnibus-package EC)»(https://parkinsonalliantie.nl/wp-content/uploads/2025/12/BrandbriefVoorstelEC-VersoepelingToetsingPesticiden_DEF.pdf)). Dezeleden maken zich samen met de ondertekenaars van de brandbriefernstige zorgen over het voorgestelde pakket. Noodzakelijke periodieketoetsing waarbij de laatste stand van de wetenschap langs de lat wordtgelegd van een veilige toepassing van mogelijk giftige middelen wordtvervangen door een onbeperkte toelating. Er komt daarnaast eenverruiming van het gebruik van verboden bestrijdingsmiddelen engevaarlijke stoffen worden niet verboden zonder alternatief. Wat dezeleden betreft zijn dit grote stappen achteruit op een systeem dat juistvernieuwing en aanscherping behoeft. Deze leden zijn ervan overtuigd dathet mogelijk is om alternatieven te stimuleren, innovaties op te schalen enop die manier het gebruik van gevaarlijke middelen verminderen. Zij zijnvan mening dat het huidige voorstel op deze drie punten het tegenoverge-stelde wordt bereikt. Deze leden vragen, vooruitlopend op de officiëlereactie, een reflectie van de Minister op de zorgen die de leden van deD66-fractie hier delen.De leden van de D66-fractie maken zich niet alleen zorgen over de inhoudvan het voorstel maar ook de behandelwijze en, met name, de behan-delsnelheid. Deze leden willen de Kamer zoveel mogelijk ruimte geven ommet de Minister in gesprek te gaan over de houding van Nederland bij debehandeling van het voorstel. Kan de Minister derhalve toelichten wat degemiddelde doorlooptijd is van publicatie en besluitvorming vanOmnibusvoorstellen? Verwacht zij een vergelijkbare doorlooptijd bij ditvoorstel? Mocht die gemiddelde doorlooptijd worden toegepast op hetvoorliggende voorstel, wanneer zou er dan besluitvorming plaatsvinden?Deze leden willen de Minister tevens vragen om toe te zeggen dat zij geenstappen zal zetten op dit dossier zonder een degelijk besluitvormings-proces in de Kamer.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben de brieven van de bewindspersonenmet interesse gelezen en hebben nog enkele vragen.De leden van de PVV-fractie vragen aan de bewindspersonen hoe zij kijkennaar de versterking van de bevoegdheden van het Europees Parlement bijde goedkeuring en wijzigingen van de plannen van de lidstaten en deversterking van de rol van het Europees Parlement in de besluitvormingTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17433 binnen het politieke sturingsmechanisme. Delen de bewindspersonen demening van deze leden dat er niet meer macht bij het Europees Parlementmoet komen te liggen, maar juist bij Nederland zelf? In aanvulling daaropvragen deze leden of de bewindspersonen in dat geval elke inbreuk op desoevereiniteit van Nederland ten stelligste willen bevechten.De leden van de PVV-fractie vragen aan de bewindspersonen waarom erzo wordt ingezet op een gelijkwaardig speelveld voor alle buitenlandsevissersschepen in de Marokkaanse wateren en waarom er niet duidelijkkant wordt gekozen voor onze eigen Nederlandse vissers.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken metbetrekking tot de Landbouw- en Visserijraad van december. Deze ledenhebben hierover enkele vragen en opmerkingen.DerogatieDe leden van de VVD-fractie hebben uit Engelse media vernomen dat ermogelijk een negatief oordeel zal komen op de derogatieaanvraag van hetkabinet. Deze leden vragen wat daar van waar is. Heeft het kabinet hieriets over vernomen? Zo ja, dan horen deze leden graag een stand vanzaken. Zo nee, is het kabinet bereid om hierover navraag te doen? Dezeleden vragen wanneer het kabinet wel meer duidelijkheid denkt te hebbenen wanneer de Kamer hierover geïnformeerd zal worden, indien hetkabinet vooralsnog geen nadere conclusies kan trekken. Voorts hebbendeze leden begrepen dat Ierland mogelijk wel een nieuwe derogatie krijgt.Kan de Minister aangeven hoe zij kijkt naar de mogelijke verlenging vande Ierse derogatie en kan zij daarbij specifiek ingaan op de maatregelendie Ierland moet nemen om de derogatie binnen te halen? Hoe verhoudtdeze verlenging zich tot de Nederlandse aanvraag?Achtste Actieprogramma NitraatrichtlijnDe leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar het vastgestelde AchtsteActieprogramma Nitraatrichtlijn en vragen wanneer de Kamer deze zalontvangen. In de Kamerbrief van 17 oktober 2025 (Kamerstuk 33 037,nr.625) schreef het kabinet dat de Europese Commissie (EC) voor demilieueffectrapportage aangaf dat in het conceptprogramma desamenhang met het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water(KRW) ontbrak. Deze leden horen graag of en hoe het vastgesteldeprogramma daarop is aangepast.DierenwelzijnDe leden van de VVD-fractie constateren dat er een politiek akkoord isbereikt inzake de Verordening welzijn en traceerbaarheid van honden enkatten. Kan de Staatssecretaris aangeven wat dit akkoord betekent voorNederland? Kan hij in dat kader ook een stand van zaken geven over deNederlandse chipplicht voor katten?NGT’sDe leden van de VVD-fractie zijn verheugd om te lezen dat er een akkoordis bereikt omtrent het voorstel voor Nieuwe Genomische Technieken(NGT’s). Deze leden hopen dat deze ontwikkeling onder andere gaat leidentot nieuwe gewassen die minder vatbaar zijn voor ziekten en plagen. Zijvragen de Staatssecretaris om een eerste appreciatie van het uiteindelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17434 voorstel en de overeenkomsten (of verschillen) met de aanvankelijke inzetvan Nederland in de Raad.Stand van zaken implementatie richtlijnen in het derde kwartaal 2025(voor wat betreft LVVN-beleid)De leden van de VVD-fractie merken op dat met betrekking tot deuitvoeringsrichtlijn van de EC wat betreft de protocollen voor hetonderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen deMinister aangeeft dat de uiterste implementatiedatum 31 december 2025is, maar dat de implementatie niet op schema ligt. Kan de Ministertoelichten wanneer zij verwacht dat de richtlijn kan worden geïmplemen-teerd?VangstquotaDe leden van de VVD-fractie vragen het kabinet om de meest actuelestand van zaken omtrent de vangstmogelijkheden voor 2026 en eventuelecompromisvoorstellen of uitkomsten van de onderhandelingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda en de onderliggende stukken. Deze leden hebbenvragen en opmerkingen, met name op het gebied van visserij. Zij zullenhun vragen en opmerkingen hieronder uiteenzetten.Geannoteerde agendaVisserijDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over demogelijke uitkomsten van de Verordening vangstmogelijkheden voor2026. Aangezien de compromisvoorstellen nog niet bekend zijn, kunnendeze leden deze niet beoordelen. Wel vragen zij de Staatssecretaris welkescenario’s hij voorbereidt als het gaat over de compromisvoorstellen. DeStaatssecretaris geeft aan dat de voor Nederland belangrijke bestandennog op «pro memorie» staan. Het is deze leden niet duidelijk wanneer aande door de Staatssecretaris gestelde voorwaarde dat de ecologische ensociale pijlers en economische duurzaamheid «in evenwicht zijn» isvoldaan. Dit is een politieke afweging die nu onvoldoende helder is. Kande Staatssecretaris duidelijker uitleggen hoe hij op basis hiervan gaatinterveniëren?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de gezondheidvan de makreelpopulatie. Terwijl Nederlandse winkels besluiten om geenmakreel meer te verkopen, gaan derde landen door met de vangst enverkoop van de bedreigde vissoort (AD, 6 november 2025, «Noodsituatiemakreel verbloemt grotere plaatje: het gaat steeds beter met vispopula-tiesNoodsituatie makreel verbloemt grotere plaatje: het gaat steeds betermet vispopulaties» (https://www.ad.nl/economie/noodsituatie-makreel-verbloemt-grotere-plaatje-het-gaat-steeds-beter-met-vispopulaties~a8fa5626/)(AD, 6 november 2025)). Deze leden benadrukkendat het gedrag van consumenten én verkopers daadwerkelijk effectief zijnom visbestanden te doen herstellen. Deze leden roepen de Staatssecre-taris op om bij lidstaten en derde landen kenbaar te maken dat de vangstvan makreel geminimaliseerd moet worden. Zo kan het instorten van dezevispopulatie worden voorkomen. Ook benadrukken deze leden dat hetstoppen met het verkopen van makreel in de supermarkten alleen zinTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17435 heeft als derde landen zich ook committeren aan het niet langer overbe-vissen van makreel. Bovendien vragen zij de Staatssecretaris om nader inte gaan op het besluit om makreel niet meer in supermarkten te verkopen.Hoe zijn deze afspraken tot stand gekomen en wat zijn hiervan depositieve gevolgen voor het makreelbestand? Welke voordelen zijn er alsmeer lidstaten soortgelijke afspraken maken met supermarkten, en is deStaatssecretaris bereid om hiertoe de mogelijkheden met zijn Europesecollega’s te verkennen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op het voornemenvan de Staatssecretaris om «flexibiliteit op te zoeken» in de juridischekaders en wetenschappelijke adviezen omtrent vangstmogelijkheden voorde Middellandse en Zwarte Zee. Deze leden benadrukken dat het van hetgrootste belang is om de meest actuele en betrouwbare adviezen juistserieus te nemen en op te volgen. Het huidige verdienmodel van vissers isniet altijd duurzaam, dus kan de eenzijdige focus op dit belang afdoen aande gezondheid van visbestanden en zeenatuur. De houding van deStaatssecretaris vergroot dit risico. Kan de Staatssecretaris verzekeren dathij te allen tijde proactief binnen de letter van de wet zal handelen, inplaats van continue de randjes op te zoeken? Is hij het met deze ledeneens dat zowel vissers als de natuur niet gebaat zijn bij juridisch ofwetenschappelijk onhoudbaar handelen?LandbouwDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op de voorgenomenherziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Deze ledenstellen dat innovatie moet leiden tot een verduurzaming van de sector engeen doel op zich is. Gemeenschapsgeld moet te allen tijde wordenuitgegeven aan bewezen effectieve maatregelen die een gezonde bodemen een duurzame landbouw dichterbij brengen. Deelt de Minister dezemening? Tevens vinden deze leden dat «minder complexiteit en adminis-tratieve lasten» nooit mag leiden tot een feitelijke verzwakking ofvertraging van de gestelde doelen voor verduurzaming. Kan de Ministertoezeggen dat zij haar inzet voor het mogelijk herzien van het GLB altijdzal baseren op onafhankelijk en gedegen onderzoek naar de gevolgen vanaanpassingen voor dier en natuur, en geen steun zal uitspreken tot isvastgesteld dat deze het belang van verduurzaming en dierenwelzijn nietin het geding komen?Verslag LVR 17 november 2025VisserijDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen enopmerkingen over de visserij naar aanleiding van het verslag van deLandbouw- en Visserijraad van 17 november 2025. Deze leden lezen datNederland met vijf andere lidstaten heeft opgeroepen om het Gemeen-schappelijk Visserijbeleid (GVB) te herzien, met als doel deregulering.Deze leden zijn kritisch over dit voornemen. Zij vrezen dat het ter discussiestellen van het GVB het huidige beleid kwetsbaar maakt voor lobby enafzwakking, wat een bedreiging kan vormen voor de gezondheid vanvisbestanden, het herstellen van zeenatuur en daarmee het toekomstigeverdienvermogen van duurzame vissers. Hoe reageert de Staatssecretarisop de reactie van de EC dat er eerst een gedegen evaluatie moetplaatsvinden? Is de Staatssecretaris bereid om geen verdere oproepen tedoen in deze sfeer, totdat onafhankelijk en vanuit een brede belangenaf-weging is vastgesteld dat er reële obstakels zijn in het huidige GVB? Dezeleden benadrukken, in lijn met een breedgedragen oproep van Europesemilieuorganisaties, dat het GVB beter moet worden geïmplementeerd omTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17436 doelstellingen te kunnen realiseren, en juist niet moet worden afgezwakt.Zij vragen de Staatssecretaris om de notitie «Don’t sink the CommonFisheries Policy – fulfil its potential» (WWFEU, oktober 2025 (https://wwfeu.awsassets.panda.org/downloads/briefing_dont-sink-the-common-fisheries-policy.pdf)) te appreciëren en deze als basis te gebruiken voorverdere besprekingen rondom het GVB.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ten aanzien van hetbeschermen van de zeenatuur en het herstellen van de visbestandenhebben aanvullende vragen. Het GVB stelt als doel om de visserijsector teverduurzamen en een toekomstig verdienmodel te ontwikkelen. Hiertoewerd op nationaal niveau het Noordzeeakkoord gesloten, mede ominvulling te geven aan het GVB. Welke gevolgen heeft de oproep van deStaatssecretaris om het GVB te herzien voor de gemaakte afspraken indeze overlegstructuur? Wordt zijn oproep om het GVB te herzien gedragendoor de partners van het Noordzeeoverleg? Zo ja, wanneer is het voorstelaan hen voorgelegd en wat vonden de belanghebbenden hiervan?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwijzen ook naar de recenteuitzending «Zee van mogelijkheden» van het programma Wat houdt onstegen (HUMAN, 19 november 2025, «Zee van mogelijkheden» (https://npo.nl/start/afspelen/wat-houdt-ons-tegen_29)), waarin natuurorganisatiesen vissers pleiten voor het beschermen van de zeenatuur. Dit is eenrandvoorwaarde voor een toekomstbestendige visserij. Heeft de Staatsse-cretaris kennisgenomen van deze uitzending en de bevindingen, en deelthij deze opvatting? In de uitzending wordt het Noordzeeakkoord uitgelegden wordt gesteld dat de gemaakte afspraken Nederlandse vissers tengoede komen. Daarom vragen deze leden de Staatssecretaris om eenstand van zaken te geven over het uitvoeren van het Noordzeeakkoord.Met name de afspraak om 15 procent van de Noordzee te vrijwaarden vanbodemberoerende visserij is hier van belang. Zijn de partners reeds toteen akkoord gekomen om invulling te geven aan de 1,2 procent van deNoordzee die nog moet worden vrijgesteld? Op welke termijn informeertde Staatssecretaris de Kamer over hoe deze doelstelling wordt ingevuld?LandbouwDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister heeftopgeroepen tot meer vrijheid voor lidstaten om zelf te bepalen welkeinstrumenten zij inzetten om de GLB-doelen te bereiken. Zij pleitte ookvoor minder verplichte interventies. Kan de Minister feitelijk onderbouwendat het doen van minder verplichte interventies zal leiden tot eenduurzame landbouwsector met een verdienmodel voor biologischeboeren? Deelt zij de opvatting van deze leden dat juist de vrijblijvendheidvan landbouwbeleid heeft geleid tot vertraging van noodzakelijkemaatregelen om de toekomst van de landbouw te verzekeren?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen bij het diversenpunt overgewasbeschermingsmiddelen dat de Minister heeft gepleit voor «alterna-tieve middelen en maatregelen» voor landbouwgif. Deze leden vragen omeen nadere toelichting wat de Minister hiermee bedoelt en wat voormaatregelen zij dan voor zich ziet. Deze leden vragen tot slot aan deMinister of zij voortaan bereid is om op te roepen tot een Europeesverbod op glyfosaat en andere schadelijke chemische middelen diegebruikt worden in de landbouw.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17437 Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de onderlig-gende stukken voor het schriftelijk overleg over de Landbouw- enVisserijraad (december). Deze leden maken graag van de gelegenheidgebruik om op meerdere onderwerpen nog enkele vragen te stellen.De leden van de CDA-fractie merken op dat bij de aanlanding van vis eendeel van het gewicht verdwijnt doordat ijs afsmelt. Daarom wordt aldecennialang gewerkt met een praktijk waarbij circa 42 kilogram brutowordt gewogen om 40 kilogram netto te leveren en van het quotum af tetrekken. Deze leden hebben vernomen dat de EC deze werkwijze echterniet langer toestaat. Vanaf 10 januari 2026 moet het bruto gewicht wordengebruikt, wat in de praktijk neerkomt op een quotumverlies van ongeveer5 procent. Voor vissers met individueel verdeelde quota wordt dit ervarenals verlies van eigendom. In 2027 biedt de nieuwe controleverordeningmogelijk weer ruimte om met netto gewichten te werken. Voor 2026 zoueen tijdelijke compensatie uit het door de staat beheerde sanerings-quotum voor tong en schol een oplossing kunnen bieden. Deze ledenvragen de Staatssecretaris toe te lichten hoe hij het door de EC opgelegdegebruik van bruto gewichten vanaf 10 januari 2026 beoordeelt en welkegevolgen dit heeft voor vissers met individueel verdeelde quota. Is deStaatssecretaris bereid om voor 2026 een tijdelijke compensatie teverstrekken uit het beschikbare saneringsquotum voor tong en schol, terhoogte van circa 5 procent van de individuele contingenten, om daarmeehet «weegverlies» te verzachten? Zo nee, waarom niet?De leden van de CDA-fractie merken op dat tonijn steeds noordelijkervoorkomt en zelfs al voor de Belgische kust is gevangen. Het zalwaarschijnlijk een kwestie van tijd zijn voordat tonijn ook voor deNederlandse kust verschijnt. Tot nu toe hebben alleen de zuidelijkelanden, met name Frankrijk, een quotum. Deze leden vragen de Staatsse-cretaris of het klopt dat de EC het quotum voor tonijn wil verruimen. Inhoeverre acht de Staatssecretaris het gezien deze ontwikkeling reëel datook Nederland nu of in een later stadium pleit voor een tonijnquotumvoor kleinschalige vissers?De leden van de CDA-fractie merken op dat Ierland mogelijk toch eennieuwe derogatie krijgt van drie jaar op de Nitraatrichtlijn onder enkelestrenge voorwaarden. Tegelijkertijd komt uit berichtgeving in onderandere de Financial Times naar voren dat ingewijden binnen de ECaangeven dat het derogatieverzoek van Nederland al is afgewezen (FT,2 december 2025, «Brussels rejects Dutch request to dump manure onfields» (https://www.ft.com/content/04321157-09e6-4cc1-9c75-a6846ecd71a0)). Hoe beoordeelt de Minister de berichtgeving en hoegroot acht de Minister de kans dat een nieuwe derogatie alsnog ook aanNederland wordt toegekend? Welke alternatieven voor mestafzet ziet deMinister op de korte termijn als de derogatie definitief vervalt? Kan deMinister tevens aangeven welk ondersteunende rol verwacht mag wordenvan Europa als derogatie, in welke vorm dan ook, toch wordt toegekend?Deze leden vragen de Minister tevens hoe zij aankijkt tegen de mogelijkeverlenging van de Ierse derogatie. Hoe verhoudt deze situatie zich tot deNederlandse aanvraag voor een nieuwe derogatie?De leden van de CDA-fractie constateren dat er tijdens de aankomendeLandbouw- en Visserijraad ook zal worden gesproken over het voorstelvoor het nieuwe GLB na 2027. Deze leden vragen de Minister hoe zij hetvoorstel van de EC om de Nederlandse ontvangsten uit het GLB teverlagen beoordeeld en welke gevolgen deze mogelijke korting volgensde Minister zal hebben voor cruciale GLB-instrumenten zoals AgrarischTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17438 Natuur- en Landschapsbeheer (ANLb), de eco-regeling en ook voorondersteuning van jonge boeren en de Europese voedselstrategie. Hoewordt voortzetting van agrarisch natuurbeheer gewaarborgd als daar inhet GLB met beoogde bezuinigingen weinig middelen voor over blijven?In hoeverre en op welke manier is de Minister bereid programma’s tecofinancieren die anders mogelijk zullen verdwijnen door het nieuwekader van het GLB?De leden van de CDA-fractie vragen de Minister tevens toe te lichten hoegroot de kans is dat Nederland binnen de onderhandelingen over hetnieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) en de NRPP wordt verplicht omten minste 10 procent van de NRPP-middelen–die onder een brederEU-fonds vallen dan alleen het GLB–te reserveren voor plattelandsontwik-keling, en aan welke concrete typen maatregelen deze middelen volgenshet huidige voorstel van de EC mogen worden besteed.De leden van de CDA-fractie merken op dat de stikstofgebruiksnormenvoor landbouwgrond uit 2006 zijn gebaseerd op een modelmatigebenadering die niet goed aansluit bij de praktijk. De huidige stikstof-normen steunen op verouderd onderzoek naar onder meer opname enuitspoeling, terwijl rassen, bemesting, klimaat en teelttechnieken sterk zijnveranderd. Door jarenlange aanpassingen en aanscherpingen is de klooftussen theorie en praktijk alleen maar groter geworden. De door deMinister voorgesteld gewijzigde stikstofgebruiksnormen betekenen opzand- en lössgronden voor veel gewassen verlagingen tot 55 tot65procent van het landbouwkundig optimale bemestingsadvies, met forseeconomische gevolgen tot gevolg. Deze leden vragen de Minister of zijbekend is met het advies van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet(CDM) van 29 augustus 2025, waaruit blijkt dat de voorgestelde gebruiks-normen voor grasland in alle zand- en lössgebieden voldoen aan denitraatnorm van 50 milligram per liter. Kan de Minister toelichten waaromzij desondanks kiest voor lagere stikstofgebruiksnormen in de Uitvoe-ringsregeling Meststoffenwet dan door het CDM wordt geadviseerd?Erkent de Minister dat lagere stikstofgebruiksnormen de productiviteit vangrasland verminderen, waardoor grasland wordt omgezet in bouwland endaarmee de waterkwaliteit verslechtert, zoals ook door ZuivelNL en hetLouis Bolk Instituut wordt gesteld? Deze leden vragen de Minister gezienhet bovenstaande of zij bereid is te onderzoeken of het mogelijk is doorhet CDM-bemestingsadvies wél te volgen en aanvullend beleid teontwikkelen dat behoud van grasland stimuleert. Zo nee, waarom niet?Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen.Verordening vangstmogelijkheden 2025De leden van de JA21-fractie vragen hoeveel jaren er al sprake is vanoverbevissing van de makreel, hoe dat komt en wie daar volgens deStaatssecretaris met name verantwoordelijk voor zijn. Wat is de laatstestand van zaken van de markeelpopulatie, het vangstadvies en wat iservoor nodig om te voorkomen dat die populatie verder instort? Wat is deinzet van de Staatssecretaris voor het vaststellen van de Totale toegestanevangst (TAC) van de makreel en voor de verdeelsleutel? Klopt het berichtdat er zelfs zonder de EU wordt onderhandeld door de andere kuststatenen wat is de inzet van de Staatssecretaris om dat te herstellen? Watgebeurt er als op 20 december 2025 nog steeds geen TAC is vastgesteld?Klopt het dat sommige landen inzetten op een lagere beperking in de TACten opzichte van het formele wetenschappelijke advies? Wat gaat erTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 17439 gebeuren als andere kuststaten vasthouden aan een hoger quotum danwat de EU wetenschappelijk aanvaardbaar acht? Kan de Staatssecretaristoezeggen dan aan te sturen op stevige maatregelen om deze kuststatentot de orde te roepen? Welke andere landen kan de Staatssecretarisdaarmee aan zijn zijde vinden? Klopt het dat Noorwegen en de FaeröerEilanden zich eenzijdig steeds meer vangstquotum toe eigenen? Is deStaatssecretaris bereid om steun te zoeken om deze landen zwaarderonder druk te zetten om dat te stoppen? Graag ontvangen deze leden daareen toelichting op. Welke instrumenten of middelen kunnen daarvoorworden ingezet en op welke wil de Staatssecretaris aansturen? Is deStaatssecretaris bereid om bijvoorbeeld handelsmaatregelen te bepleitenals landen die zich structureel schuldig maken aan overbevissing van hunquotum? Welke mogelijkheden biedt Verordening (EU) nr. 1026/2012 vanhet Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffendebepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding van visbe-standen ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten in datkader? Op welke termijn zouden deze maatregelen kunnen wordeningezet?De leden van de JA21-fractie constateren dat de Staatssecretaris schrijftdat Nederland altijd benoemt dat maatregelen ten behoeve van de aaldienen te worden genomen via de Aalverordening (verordening van deRaad tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het bestandvan Europese aal (EC 1100/2007)). Kan de Staatssecretaris dat nadertoelichten? Welke maatregelen hebben daarbij de meeste prioriteit, en watzijn de gevolgen van het uitblijven daarvan? Welk deel van de TAC voormakreel werd vorig jaar toebedeeld aan Rusland als fishing party en welkdeel draait het dit keer op uit? Hoe wordt gecontroleerd op de nalevingdaarvan?De Staatssecretaris herhaalde in november zijn oproep om visserijonderdeel te maken van de bredere buitenlandse betrekkingen met deNoordoost-Atlantische partnerlanden. Dit lijkt deze leden zeer verstandig.Hoe landt deze suggestie? In hoeverre is daar animo voor?De leden van de JA21-fractie ook enkele vragen en opmerkingen over deHaagse preferenties voor Ierland hebben. Klopt het dat Ierland zich nuberoept op deze afspraken? Zo ja, wat is de juridische status daarvan? Inhoeverre is de EU verplicht zich aan die Haagse preferenties te houden?Deelt de Staatssecretaris de mening van deze leden dat het volstrektonacceptabel is dat gezien de enorme beperking van de makreelstandenook nog een enorm deel van het overgebleven, gekrompen quotum aanIerland wordt toebedeeld op grond van decennia-oude afspraken dieonder volstrekt andere omstandigheden zijn gemaakt?Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Nederland niet akkoord kan gaanmet een uitkomst waar deze Haagse preferenties een onderdeel vanzouden zijn?Verordening vangstmogelijkheden 2026 voor de Middellandse Zee en deZwarte ZeeDe leden van de JA21-fractie vragen welke visstanden in deze zeeënworden bedreigd door overbevissing en in hoeverre worden de voor dezesoorten vastgestelde quota gerespecteerd.Onderhandelingen met MarokkoDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen. DeStaatssecretaris schrijft dat het meest recente protocol met Marokko voorvisserij nietig is verklaard op basis van de beginselen van het zelfbeschik-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174310 kingsrecht, omdat het «volk van de Westelijke Sahara» moet instemmen.Welke gesprekken zijn gaande met het volk van de Westelijke Sahara?Volgens het Hof kan dit volk ook impliciet instemmen. Hoe kan wordenbeoordeeld of een volk impliciet instemt? Onder welke voorwaarden kandat worden geconstateerd? Is het de bedoeling dat het volk van deWestelijke Sahara ook profiteert van afspraken en hoe zou dat kunnen?Graag ontvangen deze leden hier een toelichting op.Stand van Zaken Geïmplementeerde richtlijnen 2025De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen. Tenaanzien van de lijst «Geïmplementeerde richtlijnen 2025» van 79richtlijnen ligt Nederland slechts in twee gevallen op schema, en van deoverige 77 is Nederland of niet op schema, of te laat. Wat is hier aan dehand? Hoe ziet deze lijst eruit voor onze buurlanden? In het kwartaalover-zicht staat dat de EC van mening is dat Nederland een aantal bepalingenvan de habitatrichtlijn niet of niet goed heeft omgezet. Waar gaat het daarom? Hoe ziet de Staatssecretaris dat? Hoe zit dat met artikelen 2, 3 en 4van de Vogelrichtlijn waarnaar wordt verwezen?CITESDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen. Wat isnu de Nederlandse inzet voor het voorstel van een aantal Afrikaanselanden naar aanleiding van de CITES African Dialogue Meeting for Africanelephant Range States? Welke onderdelen van dat voorstel wil Nederlandondersteunen en onder welke voorwaarden? Worden nu versoepelingenbepleit om ivoorhandel weer mogelijk te maken?Op welke manier zet Nederland zich ervoor in dat het opnemen van dePaubrasilia echinata niet problemen leidt voor musici met reeds van dithout vervaardigde strijkstokken?DEBAT Gemeenschappelijk landbouwbeleidDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen. Welkemogelijkheden zal het nieuwe GLB bieden voor innovaties en nieuwetechnologieën voor boeren en in hoeverre zullen die ook beschikbaar zijnvoor technieken om stikstofuitstoot te beperken? De Minister schrijft datzij minder bureaucratie en administratieve lasten wil. Op welke manierenwil de Minister de administratieve lastendruk verminderen?OntbossingsverordeningDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende vraag. Deze leden zijn het eensmet de bewindspersonen dat de huidige voorstellen onvoldoende zijn.Wat gaat de Staatssecretaris nu doen om te voorkomen dat die rapporta-geverplichtingen een te grote administratieve druk leggen op kleinedeelnemers?Nieuwe Genomische TechniekenDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende vraag. Hoe kijkt de Staatssecre-taris naar het voorstel voor een gedragscode voor patenteigenaren ommisbruik te voorkomen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174311 Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda van de Landbouw- en visserijraad van 11 en12 december. Deze leden hebben daarover nog een aantal vragen.De leden van de BBB-fractie waarderen de inzet van de Minister op hetgebied van de vereenvoudiging van het GLB. Deze leden vragen of deMinister kan toezeggen dat de voorgestelde vereenvoudigingsvoorstellenin 2026 gaan gelden. Bovendien willen deze leden graag weten welkeaanvullende vereenvoudigingen zijn er volgens de Minister nodig zijn inhet GLB na 2027 ten opzichte van het voorstel van de EC.De leden van de BBB-fractie maken zich over het MFK grote zorgen. Dezeleden zien dat de Nederlandse staat op dit moment vijf miljard euro meerlijkt te gaan moeten afdragen aan Europa. Daarnaast zien deze leden devoorgestelde daling van maar liefst 24 procent van de Nederlandseontvangsten van het GLB. Zij vragen de Minister daarom om door te latenrekenen wat de gevolgen zullen zijn voor voedselprijzen in Nederland. Watzijn daarnaast de te verwachten gevolgen voor de leefbaarheid van deregio’s, als door het nieuwe MFK en het single fund mogelijk veel mindergeld beschikbaar komt voor de regio’s, omdat ook andere sectorenaanspraak kunnen maken op geld dat op dit moment dankzij het GLBgeoormerkt is voor de landbouw en landelijke regio’s? Wat kan deMinister doen om te zorgen dat de leefbaarheid op het platteland en devoedselprijzen worden beschermd?De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over de afschaffing vanhet LIFE-programma, dat al sinds 1992 bestaat als financieringsinstrumentvoor milieu en klimaatactie. Dit programma wordt als afzonderlijkprogramma afgeschaft. Afschaffing van LIFE tot gevolg kan hebben datinvesteringen minder gericht en minder effectief zullen zijn, zeker omdathet bedrag niet meer specifiek is geoormerkt voor milieu en natuur, maarindustrie en milieu uit dezelfde pot moeten worden gefinancierd. Dezeleden vragen hoeveel geld er de afgelopen jaren beschikbaar geweest isvanuit LIFE en hoeveel geld daarvan in of door Nederland besteed is.Hoeveel heeft Nederland in die tijd bijgedragen aan LIFE? Is Nederlanddaarmee een netto-ontvanger van of een netto-bijdrager aan hetLIFE-fonds? Ziet de Staatssecretaris daarnaast gedurende de resterendelooptijd van LIFE een mogelijkheid om geld uit het LIFE-fonds te gebruikenvoor de toegezegde plannen om zoveel mogelijk wolven in Nederland vaneen zender te voorzien?De leden van de BBB-fractie herkennen de zorgen vanuit de sector over deOntbossingsverordening (EUDR). Deze leden maken zich vooral zorgenover de papierindustrie, omdat zij door het gebruik van veel (afval)hout-zaagsel vaak moeilijk kunnen aantonen dat hun papier gemaakt is vanhout dat gewonnen is uit een specifiek gebied. Daarom willen zij deStaatssecretaris graag vragen hoe het contact met de papier- en verpak-kingsproducenten verloopt en of er een oplossing gevonden is voor hunproblemen met deze verordening. Bestaat inmiddels de mogelijkheid totmassa-balansboekhouding of een vergelijkbaar systeem?Bovendien maken deze leden zich zorgen over de geluiden dat hetsysteem Trade Control and Expert System New Technology (TRACES)mogelijk onvoldoende ingericht is voor de taak die voorligt. Kan deStaatssecretaris daarover garanties geven? Bestaat er de mogelijkheid datnaleving en handhaving onmogelijk worden door de tekortkomingen vanTRACES en wordt daarmee in de onderhandelingen rekening gehoudenen een oplossing voor gezocht indien nodig?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174312 De leden van de BBB-fractie hebben ook een aantal vragen over de CITESwetgeving. Zij zien dat de regelgeving rondom CITES-bijlage II-dieren inNederland de laatste jaren tot onrust leidt. Hoewel de regels wereldwijdniet veranderden, is de inzet van de Nederlandse overheid en deNederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) wel veranderd. Dezeleden merken op dat eigenaren van dieren die onder CITES-bijlage IIvallen steeds vaker te maken krijgen met striktere handhaving van degeldende regelgeving, met voor betrokkenen mogelijk ingrijpendeconsequenties. Deze leden constateren dat voor veel houders het risicobestaat dat zij hun dieren kunnen kwijtraken. Decennialang gold regis-tratie doorgaans als voldoende bewijs van legale herkomst, waardoorhouders erop vertrouwden dat hun administratie voldeed aan de eisen.Houders werden in die tijd ook door ambtenaren van de Rijksdienst voorOndernemend Nederland (RVO) en NVWA geïnformeerd dat hunadministratie voldoende was. De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat,naar aanleiding van Europese kritiek op de wijze waarop Nederland delegaliteit van dieren beoordeelt, de norm recent aanzienlijk is verzwaarden de handhaving is aangescherpt. Wat jarenlang is geaccepteerd blijkt nuniet langer toereikend. Deze leden vrezen een hetze tegen houders, dieniet alleen onzekerheid betekent, maar ook te veel zou vragen van dehandhavingscapaciteit van de NVWA.De leden van de BBB-fractie constateren dat houders niet konden wetendat hun administratie niet afdoende was, omdat zij van de overheid tehoren kregen dat ze voldeden aan alle eisen. Gezien het feit dat inmiddelsvoor duizenden (nafok)dieren die vallen onder de CITES-bijlage II nietlanger aan te tonen is dat zij voldoen aan de definitie «in gevangenschapgefokt» in de breedste zin van het woord, ontstaan nu verschillendeproblemen. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris of hij op de hoogteis van deze problemen en de rechtszaken waarin ook door medewerkersvan de NVWA is verklaard, dat eigenaren jarenlang van de overheid tehoren kregen dat de administratie die zij voerden, voldoende was voor debewijslast die zij hadden voor dieren op de CITES bijlage II.Deelt de Staatssecretaris de mening dat er een schappelijke oplossinggevonden moet worden voor al die eigenaren van CITES bijlage II dieren,zodat aan de regels voldaan kan worden? Ziet de Staatssecretaris ruimteom met de sector in gesprek te gaan over een nulmeting of generaalpardon, zodat huidige houders onder voorwaarden de mogelijkheidkrijgen om hun dieren te registeren en legaliseren, ook als er mogelijkhiaten in de bestaande administratie zitten die ontstaan zijn in de tijdvoorafgaand aan de uitspraak van december 2019?De leden van de BBB-fractie constateren daarnaast dat de visserijonder-handelingen voor de pelagische vissoorten moeizaam verlopen enbenadrukken het belang van het volgen van de wetenschappelijkevangstadviezen van ICES. Deze leden vragen de Staatssecretaris dan ooknadrukkelijk om het belang van de wetenschappelijke adviezen van ICESonder de aandacht te brengen in de onderhandelingen met derde landen.De leden van de BBB-fractie verzoeken bovendien om het schrappen vande Haagse preferenties, omdat deze leiden tot een oneerlijke concurrentie-positie voor Nederlandse vissers. Deze leden vragen de Staatssecretarisom hiervan een topprioriteit te maken in de onderhandelingen en om,mocht Ierland dit alsnog willen indienen, een blokkerende minderheid tezoeken.De leden van de BBB-fractie vragen verder aandacht voor visverspreidingen willen duidelijkheid over hoe visbestanden hersteld moeten of kunnenworden wanneer soorten structureel van leefgebied verschuiven. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174313 natuur laat zich immers niet sturen. Deze leden vragen de Staatssecretarisdaarom om een reflectie op de gevolgen van de structurele verschuivingvan leefgebieden van vissoorten en de mogelijke reacties daarop als hetgaat om het verplichte herstel van bestanden in de gebieden waar vissenniet langer voorkomen omdat zij een ander leefgebied hebben gevonden.Deelt de Staatssecretaris de mening dat als vissen niet langer in eengebied voorkomen omdat bijvoorbeeld door klimaatverandering eenander gebied meer geschikt is en zij daarheen getrokken zijn, herstel vande visstand voor die soort in dat gebied moeizaam of onmogelijk zou zijnen daarmee niet langer afgedwongen zou moeten worden?De leden van de BBB-fractie steunen het vereenvoudigen van hetvisserijbeleid, het verminderen van administratieve lasten en hetmoderniseren van de vloot, waarbij regelgeving innovatie niet magbelemmeren. Deze leden delen bovendien de zorgen over het uitblijvenvan internationale afspraken voor onder meer makreel en steunen daaromde inzet om alle beschikbare instrumenten te gebruiken om duurzameafspraken te bereiken met derde landen.De leden van de BBB-fractie steunen de voorstellen van lidstaten zoalsFrankrijk, Slowakije en Finland om in het volgende MFK voldoendemiddelen te reserveren voor visserij en aquacultuur, waarbij het EuropeanMaritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) (EMFAF) eenvoudigeren beter toegankelijk moet worden.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om een updateover het uitbreiden van het instrumentarium waarmee jonge vissers meermogelijkheden krijgen om een bedrijf te starten.Op dit moment vist Rusland 50 procent van de makreel-TAC op, terwijlslechts 5 procent is toegestaan. Deze leden vinden dat onacceptabel.Voedselzekerheid is van groot strategisch belang, daarom is dit ookopgenomen in de defensiestrategie. Deze leden vragen de Staatssecre-taris hierover in gesprek te gaan met zijn Europese collega’s omgezamenlijk op te treden. Zij vragen de Staatssecretaris tevens met derdelanden zoals Noorwegen te spreken, aangezien er soms sprake is vanstrategische samenwerking tussen Rusland en Noorwegen en de Faeroëreilanden in bepaalde visserijonderhandelingen.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om in onderhan-delingen rekening te houden met sociaaleconomische omstandighedenen ICES-adviezen, en om de erkenning van de EU als kuststaat tebevorderen. Met name voor Atlanto-Scandische haring (ASH) hebben dekuststaten zonder de EU een vangsthoogte afgesproken.De leden van de BBB-fractie verzoeken, omdat makreel nog steedsduurzaam wordt gevangen, de Staatssecretaris daarom om in gesprek tegaan met supermarkten om te benadrukken dat makreel niet vermedenhoeft te worden door retailers.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris of het mogelijk isom een advies aan ICES te vragen. Volgens EU-Verordening nr. 724/2010van de Commissie d.d. 12 augustus 2010 tot vaststelling van bepalingenter uitvoering van realtimesluitingen van sommige visserijtakken in deNoordzee en het Skagerrak, wordt een tijdelijke sluiting van een gebiedopgelegd wanneer meer dan 10% van de vangst van soorten zoalskabeljauw, schelvis, pollak of wijting ondermaats is. Een RTC (Real-TimeClosure) wordt ingesteld voor een periode van 21 dagen en bestrijkt eengroot gebied. Hoewel deze maatregel oorspronkelijk bedoeld was omkwetsbare visbestanden te beschermen, dateert de regeling uit 2010 enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174314 sluit zij onvoldoende aan bij de huidige ontwikkelingen van de visbe-standen. De vangstmogelijkheden worden jaarlijks aangepast op basisvan wetenschappelijke inzichten, maar de criteria voor RTC’s blijvenongewijzigd.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris tenslotte omtijdens de Landbouw- en Visserijraad het wetenschappelijk onderzoeknaar pulsvisserij te bespreken en te verkennen of het in Europees verbandvia ICES weer kan worden toegestaan.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van onder meer degeannoteerde agenda. Deze leden hebben enkele vragen.Verordening vangstmogelijkheden 2026 Atlantische oceaan/NoordzeeDe leden van de SGP-fractie maken zich grote zorgen over het inroepenvan de Haagse preferenties op makreel door Ierland. Het zou grotegevolgen hebben voor visserijbedrijven, omdat al sprake is van een hogequotumkorting op basis van het wetenschappelijk advies. Deelt deStaatssecretaris de mening dat het inleveren van al schaars makreel-quotum voor Ierland onacceptabel is en geen recht doet aan de ontwikke-lingen en het Europese speelveld? Gaat Nederland zich verzetten tegeneen TAC- en quotaverordening waarin genoemde Haagse preferentiestoegekend worden?GLB na 2027De leden van de SGP-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgenvan het Europese voorstel voor het GLB na 2027. Deze leden constaterendat de integratie van het GLB in de NRPP’s de uitwerking ervan lidstatenmeer ruimte geeft voor het meer of minder steunen van hun agrariërs tenopzichte van andere lidstaten, al dan niet via inkomenssteun. Deelt deMinister de zorg van deze leden dat hierdoor eerder een ongelijkspeelveld kan ontstaan? Wil de Minister aandringen op zodanigeherziening dat sprake blijft van een eerlijk speelveld wat betreft financiëlesteun voor actieve landbouwbedrijven?De leden van de SGP-fractie constateren dat de EC aanstuurt op een forsebezuiniging op het budget voor het landbouwbeleid. Tegelijkertijdconstateren zij ook dat de EC aanstuurt op het sluiten van handelsver-dragen met landen waar minder strenge regels gelden voor milieu endierenwelzijn, waardoor de concurrentiepositie van tenminste een deelvan de Europese agrarische sector negatief wordt beïnvloedt. Verder zienzij dat de EC inzet op verduurzaming. Dat brengt kostenverhogingen metzich mee die niet zomaar op de markt terugverdiend kunnen worden.Deelt de Minister de mening van deze leden dat dit niet goed met elkaar terijmen is, de concurrentiepositie van onze boeren onder druk zet, evenalshet vermogen om te verduurzamen? Wat betekent dit voor de Neder-landse inzet wat betreft het GLB en het MFK?DerogatieDe leden van de SGP-fractie ontvangen graag meer informatie over destand van zaken met betrekking tot de aanvraag van een nieuwe derogatiebij de Nitraatrichtlijn. Wanneer verwacht de Minister hier duidelijkheidover te kunnen geven? Onder verwijzing naar de aangenomen motie vanhet lid Flach (Kamerstuk 28 973, nr. 276) willen deze leden weten op welkevariant van de derogatie nu door de Minister wordt ingezet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174315 Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorde Landbouw- en Visserijraad van 11 en 12 december en hebben hier nogeen aantal vragen over.DierenwelzijnswetgevingDe leden van de PvdD-fractie constateren dat de Minister in antwoord opeerdere vragen liet weten van plan te zijn om de EC aan te spreken op hetfeit dat de Europese dierenwelzijnswetgeving niet expliciet is opgenomenin het werkprogramma van de EC (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1734). In hetverslag van de afgelopen Raad lezen deze leden niet terug in hoeverre ditis gebeurd. Kan de Minister aangeven of zij dit heeft gedaan, er steun wasvoor dit pleidooi en wat de reactie van de Eurocommissaris was?ScoPAFFDe leden van de fractie van de PvdD merken op dat de volgende ScoPAFF-meeting gepland staat op 11 en 12 december 2025 en dat de Kamer nogniet is geïnformeerd over de voorgenomen Nederlandse inzet. Wil deMinister toezeggen om standaard minstens één week voor de ScoPAFFvergadering deze inzet met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet? Is deMinister het met de fractieleden van de PvdD eens dat de inzet van deNederlandse delegatie in ScoPAFF-vergaderingen valt onder het informa-tierecht van de Kamer en dat het de taak is van de Minister de Kamer hieractief en tijdig over te informeren? Zo nee, waarom niet? Deze leden lezenin voorgaande Kamerbrieven dat het College voor de toelating vangewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) de Nederlandsedelegatie adviseert over haar inzet op de beslispunten. Wil de Ministertoezeggen deze adviezen als bijlage aan te hechten bij de Kamerbrief overde Nederlandse inzet in de aankomende ScoPAFF-vergadering? Zo nee,waarom niet?De leden van de PvdD-fractie merken tevens op dat lidstaten ná eenScoPAFF-vergadering op uitnodiging van de EC een appreciatie kunnenleveren op agendapunten, zoals blijkt uit de «summary reports» vanvoorgaande vergaderingen. Wil de Minister toezeggen een eventueleNederlandse reactie met de Kamer te delen, uiterlijk één week vooraf-gaand aan de daaropvolgende ScoPAFF-meeting? Zo nee, waarom niet?Summary report van de ScoPAFF vergadering d.d. 1–2 oktoberDe leden van de PvdD-fractie lezen in het summary report van de ScoPAFFvergadering van 1 en 2 oktober 2025 dat lidstaten de mogelijkheid haddenom te reageren op het «renewal report» van de werkzame stof cyprodinilvoor 17 oktober 2025. Cyprodinil is geïdentificeerd als hormoonverstorenden kent grote risico’s voor zoogdieren en het waterleven. Heeft Nederlandop dit agendapunt een reactie ingestuurd en zo ja, kan de Minister dezereactie naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?De leden van de PvdD-fractie lezen in ditzelfde summary report daarnaastdat de EC lidstaten uitnodigde om voor 10 oktober 2025 te reageren ophet feit dat twee lidstaten de goedkeuring van zes werkzame stoffen metPFAS willen herzien (Artikel 21 van COM1107/2009). Heeft de Ministerhierop een appreciatie gegeven en zo ja, wil de Minister deze reactie naarde Kamer sturen? Zo nee, waarom niet? De EC heeft de rapporteur-lidstaten (RMS) van werkzame stoffen met PFAS opgeroepen om hunevaluaties van deze stoffen geen vertraging op te laten lopen, zodat ergeen verdere verlenging van de goedkeuringsperiode nodig is. Klopt hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174316 dat Nederland RMS is van de PFAS-stof flutonalil? Wat voor stappennemen de Minister en het Ctgb om te voldoen aan de oproep van de EC?ScoPAFF-meeting d.d. 11–12 decemberDe leden van de PvdD-fractie lezen in de agenda van de ScoPAFF-meetingvan 11–12 december dat een hernieuwing van de goedkeuring van dewerkzame stof spinosad op de agenda staat (B.03). Spinosad is zeertoxisch voor bijen. In het summary report van de meeting wordt benoemddat een stemming over spinosad is uitgesteld omdat enkele lidstatenaandrongen op wijzigingen in het renewal report, in het bijzonder overdata over het chronische risico voor volwassen bijen en larven. Kan deMinister deze gang van zaken in detail toelichten? Wil de Ministertoezeggen om tegen de hernieuwing van spinosad te stemmen zolang hetrenewal report onvolledig is over het risico voor bijen en larven, of indienzij daar niet toe bereid is, zich in ieder geval te onthouden van stemming?Zo nee, waarom niet?De leden van de PvdD-fractie constateren dat één van de beslispunten inde ScoPAFF-vergadering van 11 en 12 december 2025 de verlenging vande goedkeuringsperiode van de werkzame stof boscalid is. Boscalid is zeerpersistent in de bodem en in water. Boscalid is sinds 2018 zes keerverlengd zonder herbeoordeling. Wil de Minister toezeggen tegen testemmen zolang de EC niet heeft onderbouwd of zij voldoet aan dehierboven toegelichte uitspraak van het Europees Hof, in het bijzonder de«objectieve» en «in concreto» analyse van de rol van de aanvrager inmogelijke vertragingen in de hernieuwingsprocedure? Of, indien zij hierniet toe bereid is, zich in ieder geval te onthouden van stemming? Zo nee,waarom niet?De leden van de PvdD-fractie zien dat de volgende ScoPAFF-vergaderingook beslist over de verlenging van de goedkeuringsperiode van esfenva-leraat. Esfenvaleraat is een Candidate for Substution (CfS) en leidt totgezondheidsrisico’s zoals hormoonverstorende, neurotoxische effecten enrisico’s voor de ontwikkeling. De stof is daarnaast zeer giftig voor hetwaterleven, ongewervelde dieren en honingbijen. Esfenvaleraat is in 2016opnieuw toegelaten voor zeven jaar en aangemerkt als CfS. Sindsdien isde goedkeuringsperiode van esfenvaleraat drie keer verlengd zonderherbeoordeling tot 31 mei 2026. Wil de Minister toezegge tegen testemmen zolang de EC niet heeft onderbouwd of zij voldoet aan dehierboven beschreven uitspraak van het Europees Hof, in het bijzonder de«objectieve» en «in concreto» analyse van de rol van de aanvrager inmogelijke vertragingen in de hernieuwingsprocedure? Of, indien zij hierniet toe bereid is, zich in ieder geval te onthouden van stemming? Zo nee,waarom niet?De leden van de PvdD-fractie constateren dat ook een verlenging van degoedkeuringsperiode van zes actieve stoffen met PFAS op de agenda vande volgende ScoPAFF-vergadering staat: fluazinam, fluometuron,fluopyram, flutonalil, penoxsulam en prosulfuron. Fluometuron is eenCandidate for Substitution en is mogelijk schadelijk voor de voortplanting.Prosulfuron is ook een CfS en is acuut giftig voor mensen en schadelijkvoor de reproductie. Alle zes de stoffen zijn al meerdere keren verlengdzonder hernieuwde goedkeuring. Wil de Minister toezeggen tegen testemmen zolang de EC niet heeft onderbouwd of zij voldoet aan dehierboven beschreven uitspraak van het Europees Hof, in het bijzonder de«objectieve» en «in concreto» analyse van de rol van de aanvrager inmogelijke vertragingen in de hernieuwingsprocedure? Of, indien zij hierniet toe bereid is, zich in ieder geval te onthouden van stemming? Zo nee,waarom niet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174317 De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat actieve stoffen metbestrijdingsmiddelen zijn uitgesloten van het REACH-voorstel over eenverbod op PFAS omdat deze stoffen reeds onder een toelatingskadervallen, COM(1107/2009). Deelt de Minister de mening dat een verlengingvan de goedkeuringsperiode van bestrijdingsmiddelen met PFAS tot welzeven jaar na de oorspronkelijke vervaldatum (fluazinam) de maatschap-pelijke ongerustheid rondom PFAS voedt? Zo nee, waarom niet?Fluazinam en fluometuron breken af in TFA. Hoe denkt de Minister overhet niet verlengen van de goedkeuringsperiode van deze actieve stoffentotdat de EC haar herziene «mandate on TFA» heeft gepubliceerd?De leden van de PvdD-fractie constateren tevens dat het Ctgb het middelLuna Sensation met de werkzame stof fluopyram niet opnieuw heefttoegelaten omdat geen acceptabel risico kan worden vastgesteld voorwerkenden, bijen en vogels. Bij de beoordeling van een middel wordtgrotendeels uitgegaan van de werkzame stof. Kan de Minister toelichtenhoe het mogelijk is dat in de ScoPAFF toch weer voor verlenging voorligtvoor fluopyram? Wil de Minister toezeggen tegen de verlenging testemmen? Als de Minister dit niet wil, kan zij de Kamer hierover eeninhoudelijke appreciatie geven?Call for Evidence en afzwakkingen natuurwetgevingDe leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de EC in augustus een korteCall for Evidence heeft uitgezet. In de beperkte consultatieperiode hebbenbijna 200.000 burgers zich uitgesproken tegen het afzwakken van debestaande natuurbeschermingswetten (BNN VARA, 12 september 2025, «Tweehonderdduizend burgers zeggen «nee» tegen afzwakking natuurbe-schermingswetten» (https://www.bnnvara.nl/vroegevogels/artikelen/tweehonderdduizend-burgers-zeggen-nee-tegen-afzwakking-natuurbeschermingswetten)). Deze uitkomst staat in scherp contrast metde daaropvolgende stappen van EC, die juist gericht zijn op hetverzwakken van diverse natuur- en milieuregels. Deelt de Minister deopvatting dat de uitgesproken maatschappelijke weerstand tegen dezeafzwakkingen, zoals ingebracht bij de Call for evidence, zwaarwegend zoumoeten zijn in de verdere besluitvorming binnen de EC en de Raad?Erkent zij dat dit geluid onvoldoende wordt meegenomen door de EC? Zonee, waarom niet?MercosurDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben een aantal vragenover de Nederlandse houding ten aanzien van het EU-Mercosurverdrag.Dit verdrag is desastreus voor natuur, biodiversiteit, mensenrechten enNederlandse boeren door import van goedkoop vlees en veevoer uitontboste gebieden met slechte standaarden op het gebied van natuur envoedselveiligheid.Deze leden hebben met zorg gekeken naar het kabinetsstandpunt over hetEU-Mercosurverdrag. Ondanks dat de Kamer meermaals een motie heeftaangenomen om zich actief tegen een Mercosurakkoord met eenlandbouwparagraaf erin te verzetten, staat het kabinet positief tegenoverMercosur. Deze leden lezen in de Telegraaf (Telegraaf, 21 november 2025,«Uitdaging na spanning in kabinet: Dick Schoof moet de boer op inBrussel voor uitzondering mestbeleid» (https://www.telegraaf.nl/politiek/uitdaging-na-spanning-in-kabinet-dick-schoof-moet-de-boer-op-in-brussel-voor-uitzondering-mestbeleid/106418793.html)) dat het kabinet in ruil voorsteun aan het Mercosurverdrag de derogatie wil verkrijgen. Deze ledenlezen in de Financial Times dat het het kabinet niet is gelukt om dederogatie te verkrijgen. Klopt het bericht uit de Financial Times en zo ja, isTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174318 het kabinet bereid om Nederlandse boeren te steunen door zijn standpuntover het Mercosurverdrag te herzien? Zo nee, waarom niet?De leden van de PvdD-fractie wijzen op het Wageningen-rapport (WUR,april 2025, «Effecten van het EU-Mercosur-akkoord op de Nederlandseeconomie» (https://open.overheid.nl/documenten/ca11cba2-a803-4475-8a12-40fb3bbfe91e/file)), dat faillissementsrisico’s toont voor Nederlandseboeren in een aantal sectoren. Hoe beoordeelt de Minister deze risico’s, enwat is haar boodschap aan boeren die hierdoor geraakt worden? Kan deMinister reflecteren op het cumulatieve effect van alle lopende handels-verdragen op de Nederlandse boeren? Deze leden waarschuwen datMercosurverdrag de deuren wagenwijd opent voor producten die niet aanNederlandse standaarden voldoen, met onduidelijke herkomst vanproducten. Hoe beoordeelt de Minister het effect hiervan op de Neder-landse boeren en dierenwelzijn in het algemeen? Erkent de Minister datdit verdrag geen verbeteringen brengt voor dierenwelzijn? Zo nee, hoeverdedigt zij dat standpunt?De leden van de PvdD-fractie uiten hun zorgen over voedselveiligheid,met verwijzing naar recente terugroepacties van bijvoorbeeld Braziliaansrundvlees (RTE, 1 december 2025, «European Commission recallsBrazilian beef containing banned hormones» (https://www.rte.ie/news/2025/1201/1546761-beef-recall-europe/)). Deze leden vragen aan deMinister wat het kabinet doet om voedselveiligheid te garanderen bijimport uit Mercosur-landen, als de herkomst van het vlees nauwelijks tecontroleren is. Hoe reageert de Minister op de kritiek dat Mercosur deEuropese normen voor volksgezondheid ondermijnt door import vanvlees uit ontboste gebieden met zwakke controles?EUDRDe leden van de PvdD-fractie constateren dat de EU DeforestationRegulation (EUDR), die per 30 december 2025 van kracht zou worden,momenteel wordt afgezwakt door voorstellen van de EC. Deze voorstellenbevatten vereenvoudigingen die bedoeld zijn om de administratieve lastte verminderen, bijvoorbeeld door downstream verkopers te ontheffenvan due diligence-rapportages. Deze leden constateren ook dat hetkabinet zelfs pleit voor een verdere versoepeling en voor uitstel van éénjaar. Deze leden vragen de Minister hoe zij denkt dat gaat wordengehandhaafd met het ingaan van het Mercosur-verdrag op ontbossing, alshet handhavingsmechanisme in de EUDR en de effectiviteit van de EUDRactief ondermijnd worden. Welke beschermingsmechanismen heeft de EUdan nog tegen de ontbossing, zo vragen deze leden.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister kan toelichten opwelke manier Nederland zich er binnen de EU voor inzet dat de EUDRgeen achterdeurtjes kent en dat alle grondstoffen, ook van kleineproducenten, volledig moeten voldoen aan de ontbossingsvrije en legaleproductie-eisen. Daarnaast willen zij weten welke rol Nederland speelt inhet verzet tegen verdere vertragingen of verdere versoepelingen van deimplementatie.Rebalancing mechanismDe leden van de PvdD-fractie wijzen verder op de recente ontwikkelingenrond het zogenaamde rebalancing mechanism binnen het Mercosur-verdrag. Dit mechanisme stelt landen in staat compensatie te eisen alsunilaterale maatregelen van de ander de handelsvoordelen ondermijnen.Deze leden vragende positie van de Minister over het risico dat hetrebalancing mechanism, gecombineerd met de afgezwakte EUDR,ontbossing juist aanwakkert door Mercosur-landen te compenseren enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174319 daarmee anti-ontbossingsinspanningen vanuit de EU ondermijnt. Welkegaranties biedt het kabinet hiertegen? Hoe beoordeelt de Minister hetzogenaamde «chilling-effect» dat kan optreden, wat betekent dat landenminder milieuwetten en -regels gaan maken, om te voorkomen dat anderelanden een beroep doen op het rebalancing mechanism? Is de Ministerhet met de leden van deze fractie eens dat dit mechanisme een remmendeffect kan hebben op democratische processen?SojamoratoriumDe leden van de PvdD-fractie wijzen op het Braziliaanse sojamoratorium,een vrijwillige afspraak sinds 2006 tussen soja-industrie en tussenhande-laren om geen soja te kopen van na 2008 ontbost Amazonegebied, dat nuaf dreigt te lopen(LSE Business Review, 28 november 2025, «The end ofthe Amazon soy moratorium will accelerate deforestation» (https://blogs.lse.ac.uk/businessreview/2025/11/28/the-end-of-the-amazon-soy-moratorium-will-accelerate-deforestation/)). Deze leden vragen hoe hetkabinet het sojamoratorium evalueert en of het zich inzet voor eenverlenging van effectieve beschermende maatregelen. Ook vragen dezeleden hoe dit de inzet van het kabinet ten opzichte van het Mercosur-verdrag verandert, aangezien er zonder moratorium en zonder effectievehandhaving een groot risico bestaat op extra ontbossing door hetMercosur-verdrag, niet alleen in de Amazone, maar ook in de Cerrado, demeest biodiverse savanne ter wereld.De leden van de PvdD-fractie dringen op basis van bovenstaande aan ophet zo spoedig mogelijk bijstellen van het kabinetsstandpunt over hetMercosurverdrag en in het belang van de Nederlandse boeren, de natuur,dierenwelzijn, klimaat en mensenrechten zich actief tegen het Mercosur-verdrag te verzetten.II Antwoord/ Reactie van de Minister en Staatssecretaris vanLandbouw,Visserij, Voedselzekerheid en Natuur InleidingMet deze brief beantwoorden wij de inbreng van de leden van de fractiesvan D66, PVV, VVD, GroenLinks-PvdA, CDA, JA21, BBB, PvdD en SGP inde Tweede Kamer die zijn gesteld tijdens het schriftelijk overleg van5 december jl. over de Landbouw- en Visserijraad (hierna: Raad) van11–12 december a.s. Uw Kamer heeft in de schriftelijke inbreng zeer veelvragen gesteld, waaronder ook veel vragen die niet zien op de agenda vande Landbouw- en Visserijraad. Wij verzoeken u te trachten het aantalvragen over onderwerpen die niet op de agenda van de Raad staan tebeperken. Het beantwoorden van grote hoeveelheden vragen binnen dedoor de Kamer gegeven zeer korte deadline kan ertoe leiden dat insommige gevallen de beantwoording minder volledig of accuraat is. Ditvinden wij vanuit het oogpunt van een zo goed mogelijke informatievoor-ziening aan de Kamer onwenselijk.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda voor de Landbouw- en Visserijraad van11–12 december 2025 en de toelichting op de Nederlandse inzet. Dezeleden vragen de Minister nadere toelichting over de manier waaropNederland de sociaaleconomische gevolgen van de dalende vangstad-viezen voor met name makreel zal opvangen, en hoe wordt gewaarborgddat het proces rondom de Haagse Preferenties transparant verloopt.Daarnaast vragen deze leden of Nederland aanvullend herstelbeleid zalTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174320 inzetten voor de aal, naast het volgen van het International Council for theExploiration of the Sea (ICES)-advies.AntwoordDe visserijsector is voor haar vangsten afhankelijk van de staat vanbestanden en dan ook ervan bewust dat in de bedrijfsvoering rekeninggenomen dient te worden met fluctuaties hierin. Mede gezien de situatiedat voor de pelagische sector nu meerdere bestanden een advies kennenmet vangstmogelijkheden (ver) onder het niveau van dit jaar vindt deStaatssecretaris de toepassing van Haagse Preferenties onwenselijk. Hijheeft het voorzitterschap gevraagd om tijdig cijfers beschikbaar te makenover de eventuele gevolgen van het toepassen van deze preferenties voorde vangstmogelijkheden van verschillende lidstaten. Daarmee kan eenadequate besluitvorming plaatsvinden in de Raad.Voor het herstel van het aalbestand is sinds 2007 de Europese Aalveror-dening van kracht. Op grond hiervan heeft Nederland sinds 2008 eennationaal beheerplan aal. Hierin zijn maatregelen opgenomen die zowelbetrekking hebben op visserijmaatregelen als op maatregelen om desterfte van aal als gevolg van migratiebelemmeringen te beperken. Demaatregelen gelden zowel voor de zee, voor kustwateren als voor debinnenwateren. Daarbovenop geldt op grond van de Verordeningvangstmogelijkheden sinds 2023 een gesloten periode van zes maandenvoor visserij op aal in de zee en kustwateren. Over de evaluatie van deaal-aanpak is de Tweede Kamer laatstelijk geïnformeerd per brief van19 december 2024 (Kamerstuk 29 664, nr. 211).De leden van de D66-fractie merken op dat Nederland geen directevangstmogelijkheden heeft in de Middellandse Zee en Zwarte Zee, maarhechten er waarde aan dat kennis en best practices van Nederlandworden benut voor duurzaam visbeheer in deze regio’s. Zij vragen hoe ditconcreet vorm zal krijgen.AntwoordKennisuitwisseling vindt reeds op meerdere manieren plaats tussen deverschillende zeebekkens. Zo worden ervaringen van lidstaten gedeeld viadiverse Europese overleggremia zoals bijvoorbeeld de regionale groepenen het attachénetwerk. Daarnaast nemen wetenschappers vanWageningen Marine Research deel aan verschillende internationalewerkgroepen. Deze ervaringen worden waar relevant ook benut inNederland.De leden van de D66-fractie vragen naar de aanpak van de onderhande-lingen met Marokko over het nieuwe visserijprotocol. Deze ledenonderschrijven dat het proces rekening houdt met het zelfbeschikkings-recht van het volk van de Westelijke Sahara en vragen hoe Nederland eengelijk speelveld voor alle Europese Unie (EU)-schepen in Marokkaansewateren zal waarborgen, de vangstmogelijkheden optimaal kan benuttenen innovatie, monitoring en duurzaamheid kan integreren in het protocol.AntwoordHet Gemeenschappelijk Visserij Beleid (GVB) is de garantie dat alleEU-vissersschepen onderling dezelfde rechten en plichten hebben. Deonderhandelingen met Marokko over een nieuw protocol moeten er voorzorgen dat de nieuwe afspraken hetzelfde zijn als de afspraken dieMarokko heeft gemaakt met niet-EU landen. Om een gelijk speelveldtussen de EU en derde landen in het nieuwe visserijprotocol te garan-deren, maar vooral ook om een goede utilisatie (benutting) mogelijk temaken, zijn innovatie, monitoring en duurzaamheid essentiële onderdelenwaar wederzijds bindende afspraken over gemaakt zullen moeten worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174321 De leden van de D66-fractie zijn voorstander van het verlagen vanadministratieve lasten voor boeren, maar vrezen ook dat het schrappenvan regels ten koste gaat van inzet op het gebied van duurzaamheid. Dezeleden vragen de Minister en Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) concreet te maken welke regelsvolgens het kabinet moeten worden geschrapt en toe te lichten hoe dezeniet ten koste gaat van onze voortrekkersrol op het gebied van een meerduurzame landbouw. Ook vragen deze leden welke gevolgen de recentevoorstellen van het Europees Parlement over het National and RegionalPartnerships Plan (NRPP) en de Conditionaliteitsverordening hebben voorde Nederlandse inzet bij de verdere onderhandelingen.De Minister richt zich bij het schrappen van regels op regels die beperktbijdragen aan doelbereik of een meer toekomstgerichte landbouwontmoedigen. Voorbeelden daarvan zijn bepaalde verplichte termijnen, ofverplichtingen voor EU-lidstaten die ervoor zouden kunnen zorgen datboeren afzien van deelname aan het Gemeenschappelijk landbouwbeleid(GLB).De Minister is bekend met de voorstellen die de Commissie heeft gedaanna kritiek van het EP op het Meerjarig Financieel Kader (MFK) en hetNRPP-voorstel in het bijzonder. Het is nog onduidelijk hoe die voorstellenhun uitwerking zullen krijgen. Binnen het kabinet bekijkt de Ministersamen met haar ambtsgenoten of en hoe dat de inzet in de onderhande-lingen zal wijzigen. Uiteraard houdt de Minister zich aan de kabinetspo-sitie zoals op 12 september met uw Kamer is gecommuniceerd(Kamerstuk 22 112, nr. 4147).De leden van de D66-fractie willen graag aandacht vragen voor het verbodop «vleesachtige productnamen» voor plantaardige producten. Dezeleden zijn van mening dat het een onzinnig en ondoelmatig verbod is. Hetis een onderschatting van, en wat deze leden betreft neerbuigendheidjegens, Nederlandse consumenten die uitstekend in staat zijn te oordelenwat zij wel en niet willen kopen. Deze leden vragen de Minister toe telichten waar het beeld vandaan komt dat consumenten dit onderscheidniet zouden kunnen maken. Deze leden vragen de Minister derhalve zichuit te spreken tegen het verbod. Kan de Minister toelichten hoe eendergelijk verbod bijdraagt aan het stimuleren van meer plantaardigeproducten, conform de inzet van het kabinet (Kamerstuk 31 532, nr. 291).Kan de Minister toezeggen zich in de Landbouw- en Visserijraad hard temaken voor het behoud van herkenbare en gangbare benamingen voorvleesvervangers?AntwoordIn de voorstellen van de Commissie tot de herziening van de Gemeen-schappelijke Marktordening (GMO-verordening) in het kader van het MFKzijn beperkte voorstellen opgenomen om de aanduiding «vlees» wettelijkte beschermen en uitsluitend voor eetbare delen van een dier toe te staan.In dat voorstel zijn negenentwintig namen opgenomen die uitsluitendvoorbehouden worden aan producten die uitsluitend van vlees zijnafgeleid, zoals rund, varken, kip, kotelet, T-bone, vleugel, borst, dij enbacon. Zoals aangegeven in het BNC-fiche (Kamerstuk 22 112, nr. 4145) ishet kabinet van mening dat deze voorgestelde regels ter bescherming vantraditionele vleesbenamingen, analoog aan die van zuivelbenamingen,lijken te passen in de behoefte van consumenten voor meer duidelijkheidin het schap en hen kan ondersteunen bij de keuze tussen dierlijke enniet-dierlijke producten.Het Europees Parlement (EP) heeft vervolgens echter verdergaandeverboden voorgesteld op gangbare «vleesachtige productnamen» (b.v.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174322 worst, burger etc.). Bij de Raadsbesprekingen is voor het kabinet heteerder met de Kamer gedeelde BNC-fiche leidend.De leden van de D66-fractie willen tot slot graag aandacht vragen voor hetuitgelekte Omnibusvoorstel omtrent de versoepeling van de beoordelingvan bestrijdingsmiddelen en de brandbrief die daarover is geschreven-(Parkinsonalliantie Nederland, 30 november 2025, «Brandbrief overversoepeling beoordeling bestrijdingsmiddelen (Omnibus-package EC)»(https://parkinsonalliantie.nl/wp-content/uploads/2025/12/BrandbriefVoorstelEC-VersoepelingToetsingPesticiden_DEF.pdf)). Dezeleden maken zich samen met de ondertekenaars van de brandbriefernstige zorgen over het voorgestelde pakket. Noodzakelijke periodieketoetsing waarbij de laatste stand van de wetenschap langs de lat wordtgelegd van een veilige toepassing van mogelijk giftige middelen wordtvervangen door een onbeperkte toelating. Er komt daarnaast eenverruiming van het gebruik van verboden bestrijdingsmiddelen engevaarlijke stoffen worden niet verboden zonder alternatief. Wat dezeleden betreft zijn dit grote stappen achteruit op een systeem dat juistvernieuwing en aanscherping behoeft. Deze leden zijn ervan overtuigd dathet mogelijk is om alternatieven te stimuleren, innovaties op te schalen enop die manier het gebruik van gevaarlijke middelen verminderen. Zij zijnvan mening dat het huidige voorstel op deze drie punten het tegenoverge-stelde wordt bereikt. Deze leden vragen, vooruitlopend op de officiëlereactie, een reflectie van de Minister op de zorgen die de leden van deD66-fractie hier delen.AntwoordHet klopt dat het Europese Omnibus voorstel voor de simplificatie vanregelgeving van de veiligheid van voedsel en diervoeder is uitgelekt,waarin ook voorstellen worden gedaan die zien op gewasbeschermings-middelen. Er wordt al gedurende lange tijd in de Landbouw- en Visse-rijraad om hervormingen van regelgeving voor gewasbeschermingsmid-delen gevraagd. Zo heeft de Minister bijvoorbeeld eerder actief in de Raadgepleit voor het versnellen en versimpelen van de toelating vooralternatieve middelen en maatregelen, zogenoemde «groene middelen».Andere lidstaten uitten bijvoorbeeld hun zorgen rondom het krimpendemiddelenpakket. De Commissie dient dus in een voorstel voor hervor-mingen van regelgeving voor gewasbeschermingsmiddelen rekening tehouden met het zeer complexe krachtenveld op dit dossier.De Minister wil benadrukken dat dit gelekte voorstel nog geen definitiefvoorstel is. De Commissie zal naar verwachting het officiële voorstelmedio december 2025 publiceren. Een inhoudelijke kabinetsreactie op eengelekt document is niet gepast. Het kabinet volgt de reguliere procedurevoor de beoordeling van nieuwe Europese wetgevingsvoorstellen. Ditbetekent dat de Minister het definitieve Omnibus voorstel vanuit deCommissie zal afwachten en vervolgens in een BNC-fiche de kabinetsap-preciatie daarvan zal geven. Inbreng vanuit de maatschappij en belang-hebbenden, zoals de inbreng uit de brandbrief, worden uiteraardmeegenomen in deze appreciatie. Het BNC-fiche ontvangt de Kamerbinnen de daarvoor afgesproken tijd.De leden van de D66-fractie maken zich niet alleen zorgen over de inhoudvan het voorstel maar ook de behandelwijze en, met name, de behan-delsnelheid. Deze leden willen de Kamer zoveel mogelijk ruimte geven ommet de Minister in gesprek te gaan over de houding van Nederland bij debehandeling van het voorstel. Kan de Minister derhalve toelichten wat degemiddelde doorlooptijd is van publicatie en besluitvorming vanOmnibusvoorstellen? Verwacht zij een vergelijkbare doorlooptijd bij ditvoorstel? Mocht die gemiddelde doorlooptijd worden toegepast op hetvoorliggende voorstel, wanneer zou er dan besluitvorming plaatsvinden?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174323 Deze leden willen de Minister tevens vragen om toe te zeggen dat zij geenstappen zal zetten op dit dossier zonder een degelijk besluitvormings-proces in de Kamer.AntwoordDe doorlooptijd van de tot nu toe gepubliceerde omnibusvoorstellenvarieert; voor de meeste voorstellen is de Raad binnen enkele maandentot een Raadsmandaat voor onderhandelingen met het EP gekomen. Eenexacte planning van het aankomend Cypriotisch voorzitterschap voor debespreking van de verschillende omnibusvoorstellen is op moment vanschrijven nog niet bekend en het is ook nog onduidelijk wanneerbesluitvorming zal plaatsvinden over dit omnibusvoorstel. Wij hechtengroot belang aan het tijdig informeren van de Kamer en vinden hetbelangrijk dat er voldoende ruimte is voor zorgvuldige besluitvorming envoorbereiding op nationaal niveau, inclusief raadpleging van de nationaleparlementen. Daarom zal het kabinet het BNC-fiche met de kabinetsappre-ciatie van dit omnibusvoorstel in januari naar de Kamer sturen, voordatbesluitvorming over het voorstel plaatsvindt in Brussel.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben de brieven van de bewindspersonenmet interesse gelezen en hebben nog enkele vragen.De leden van de PVV-fractie vragen aan de bewindspersonen hoe zij kijkennaar de versterking van de bevoegdheden van het Europees Parlement bijde goedkeuring en wijzigingen van de plannen van de lidstaten en deversterking van de rol van het Europees Parlement in de besluitvormingbinnen het politieke sturingsmechanisme. Delen de bewindspersonen demening van deze leden dat er niet meer macht bij het Europees Parlementmoet komen te liggen, maar juist bij Nederland zelf? In aanvulling daaropvragen deze leden of de bewindspersonen in dat geval elke inbreuk op desoevereiniteit van Nederland ten stelligste willen bevechten.AntwoordHet EP heeft bevoegdheden die zien op wetgeving, begroting, controle enextern beleid. Het EP is samen met de Raad van de Europese Unie (EU)waarin de lidstaten zijn vertegenwoordigd, medewetgever. Beideinstellingen staan op gelijke voet. De bevoegdheden van het EP, de Raadvan de EU en de Europese Commissie (hierna: Commissie) zijn vastgelegdin het Verdrag van Lissabon. Van wijziging van dat Verdrag en dus van(versterking of wijziging van) de bevoegdheden van het EP is momenteelgeen sprake, daar is ook geen draagvlak voor in de Raad. Verder kan deEU alleen optreden op gebieden waar de EU bevoegd is (attributiebe-ginsel). Bovendien treedt de EU alleen op als dit meerwaarde heeft bovennationaal optreden (subsidiariteitsbeginsel). Het kabinet toetst elk voorstelvan de Commissie scherp op deze uitgangspunten. De Kamer wordthierover steeds geïnformeerd (via zogeheten BNC-fiches).De leden van de PVV-fractie vragen aan de bewindspersonen waarom erzo wordt ingezet op een gelijkwaardig speelveld voor alle buitenlandsevissersschepen in de Marokkaanse wateren en waarom er niet duidelijkkant wordt gekozen voor onze eigen Nederlandse vissers.AntwoordHet gaat hier nadrukkelijk om inzet op een gelijkwaardig speelveld tussende EU-vissersschepen en vissersschepen uit zgn. derde landen, zoalsbijvoorbeeld Rusland, China en Turkije. Dit is daarmee ook in het belangvan Nederlandse vissersschepen, omdat er door soepelere afsprakenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174324 tussen Marokko en andere derde landen oneigenlijk concurrentie voorNederlandse en andere EU-schepen kan ontstaan.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de stukken metbetrekking tot de Landbouw- en Visserijraad van december. Deze ledenhebben hierover enkele vragen en opmerkingen.DerogatieDe leden van de VVD-fractie hebben uit Engelse media vernomen dat ermogelijk een negatief oordeel zal komen op de derogatieaanvraag van hetkabinet. Deze leden vragen wat daar van waar is. Heeft het kabinet hieriets over vernomen? Zo ja, dan horen deze leden graag een stand vanzaken. Zo nee, is het kabinet bereid om hierover navraag te doen? Dezeleden vragen wanneer het kabinet wel meer duidelijkheid denkt te hebbenen wanneer de Kamer hierover geïnformeerd zal worden, indien hetkabinet vooralsnog geen nadere conclusies kan trekken.AntwoordOp 11 juli jl. heeft de Minister de Commissie formeel verzocht om eennieuwe derogatie voor Nederland in behandeling te nemen (Kamerstuk33 037, nr. 606). In een schriftelijke reactie eind augustus heeft deCommissie laten weten zich nader te beraden over het verzoek. In detussentijd hebben er zowel op (hoog)ambtelijk als op politiek niveaugesprekken plaatsgevonden om de aanvraag nader toe te lichten en teonderbouwen. Deze gesprekken vinden op vertrouwelijke basis plaats. DeMinister kan hier dan ook niet verder inhoudelijk op ingaan. De Minister isop dit moment in afwachting van een formele reactie van de Commissie,zodra deze reactie er is zal de Minister uiteraard de Kamer hieroverinformeren.Voorts hebben deze leden begrepen dat Ierland mogelijk wel een nieuwederogatie krijgt. Kan de Minister aangeven hoe zij kijkt naar de mogelijkeverlenging van de Ierse derogatie en kan zij daarbij specifiek ingaan op demaatregelen die Ierland moet nemen om de derogatie binnen te halen?Hoe verhoudt deze verlenging zich tot de Nederlandse aanvraag?AntwoordHet is aan de Commissie om, na een positieve stemming in het Nitraat-comité, een voorstel voor een derogatie bekend te maken. De Minister kannu dan ook niet ingaan op de inhoud van een Ierse derogatie en devoorwaarden die eraan zullen worden gesteld. Zodra de eventuele Iersederogatie verleend is, zal het kabinet bezien in hoeverre dat zich verhoudttot de Nederlandse aanvraag.Achtste Actieprogramma NitraatrichtlijnDe leden van de VVD-fractie zijn benieuwd naar het vastgestelde AchtsteActieprogramma Nitraatrichtlijn en vragen wanneer de Kamer deze zalontvangen. In de Kamerbrief van 17 oktober 2025 (Kamerstuk 33 037,nr. 625) schreef het kabinet dat de Europese Commissie (EC) voor demilieueffectrapportage aangaf dat in het conceptprogramma desamenhang met het behalen van de doelen van de Kaderrichtlijn Water(KRW) ontbrak. Deze leden horen graag of en hoe het vastgesteldeprogramma daarop is aangepast.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174325 AntwoordIn de kamerbrief van 17 oktober jl. is naast het advies van de Commissievoor de Milieueffectrapportage (Commissie MER) ook aangegeven dat hetconcept 8e actieprogramma (8e AP) nadien is aangepast (Kamerstuk33 037, nr. 625). Deze aanpassing ziet op de ontwerpwijzigingsregeling totaanpassing van de stikstofgebruiksnormen en de aandachtsgebiedenstikstof, die van 20 oktober tot en met 9 november 2025 ter internetconsul-tatie is voorgelegd.De in de brief van 17 oktober jl. benoemde elementen, waaronder deuitkomsten van de internetconsultatie, de doorrekening van de waterkwa-liteitseffecten, het advies van de Commissie MER en de analyse naar deverhouding tussen het 8e AP en de Kaderrichtlijn Water (KRW), wordendoor het kabinet gewogen met het oog op de vaststelling van het 8eactieprogramma. De in de brief van 17 oktober jl. benoemde elementen,waaronder de uitkomsten van de internetconsultatie, de doorrekening vande waterkwaliteitseffecten, het advies van de Commissie MER en deanalyse naar de verhouding tussen het 8e AP en de Kaderrichtlijn Water(KRW), worden door het kabinet meegenomen in de vaststelling van het8e AP. De Nitraatrichtlijn vereist dat het 8e actieprogramma per 1 januari2026 moet gaan gelden, daarom is het de inzet van de Minister dat debesluitvorming in het kabinet over het 8e AP voor 1 januari wordtafgerond.DierenwelzijnDe leden van de VVD-fractie constateren dat er een politiek akkoord isbereikt inzake de Verordening welzijn en traceerbaarheid van honden enkatten. Kan de Staatssecretaris aangeven wat dit akkoord betekent voorNederland? Kan hij in dat kader ook een stand van zaken geven over deNederlandse chipplicht voor katten?AntwoordIn de onderhandelingen tussen het EP, de Commissie en Raad (triloog) iseen compromis bereikt over de tekst van de EU-verordening welzijn entraceerbaarheid van honden en katten. De finale compromistekst zalbinnenkort bekendgemaakt worden door het Deense voorzitterschap. DeStaatssecretaris zal dan de tekst op zijn merites beoordelen. De veror-dening sluit naar verwachting direct aan op het voornemen van deMinister om een chip- en registratieplicht voor katten in te voeren. Erwordt momenteel gezocht naar de meest geschikte uitvoerder. De Ministerstreef ernaar om medio 2026 de regelgeving ter consultatie aan te bieden.NGT’sDe leden van de VVD-fractie zijn verheugd om te lezen dat er een akkoordis bereikt omtrent het voorstel voor Nieuwe Genomische Technieken(NGT’s). Deze leden hopen dat deze ontwikkeling onder andere gaat leidentot nieuwe gewassen die minder vatbaar zijn voor ziekten en plagen. Zijvragen de Staatssecretaris om een eerste appreciatie van het uiteindelijkevoorstel en de overeenkomsten (of verschillen) met de aanvankelijke inzetvan Nederland in de Raad.AntwoordDe Staatssecretaris heeft de compromistekst uit de triloog nog nietontvangen, dus een appreciatie kan op dit moment nog niet wordengegeven. Deze appreciatie zal volgen zodra de compromistekst op deagenda van de Raad staat. Wel kan nu al worden aangegeven dat deStaatssecretaris zeer tevreden is met de inzet van het Deense voorzitter-schap om tot een compromis te komen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174326 Stand van zaken implementatie richtlijnen in het derde kwartaal 2025(voor wat betreft LVVN-beleid)De leden van de VVD-fractie merken op dat met betrekking tot deuitvoeringsrichtlijn van de EC wat betreft de protocollen voor hetonderzoek van bepaalde rassen van landbouw- en groentegewassen deMinister aangeeft dat de uiterste implementatiedatum 31 december 2025is, maar dat de implementatie niet op schema ligt. Kan de Ministertoelichten wanneer zij verwacht dat de richtlijn kan worden geïmplemen-teerd?AntwoordOp 2 juni 2025 heeft de Commissie de Uitvoeringsrichtlijn (EU) 2025/1079tot wijziging van de Richtlijnen 2003/90/EG en 2003/91/EG wat betreft deprotocollen voor het onderzoek van bepaalde rassen van landbouw- engroentegewassen, vastgesteld. Deze uitvoeringsrichtlijn is in Nederlanddoor middel van dynamische verwijzing in de nationale wetgeving tijdiggeïmplementeerd, zoals gebruikelijk bij dergelijke wetgeving. Op7 november jl. is de bijbehorende mededeling gepubliceerd in deStaatscourant (Staatscourant 2025, nr. 38330). Hetgeen standaard wordtgevolgd door een formele melding aan de Commissie. Daarmee zal dezeuitvoeringsrichtlijn per 31 december van dit jaar zijn geïmplementeerd.VangstquotaDe leden van de VVD-fractie vragen het kabinet om de meest actuelestand van zaken omtrent de vangstmogelijkheden voor 2026 en eventuelecompromisvoorstellen of uitkomsten van de onderhandelingen.AntwoordMomenteel zijn de onderhandelingen van de Commissie met derdelanden in de afrondende fase. Het is echter nog onzeker of op alleonderdelen een akkoord bereikt gaat worden. Zo is van makreel nog devraag of voor de start van de Raad een Total Allowable Catch (TAC) isvastgesteld. Tijdens de Raad zullen de EU-lidstaten op basis van debereikte akkoorden toewerken naar een Verordening die de vangstmoge-lijkheden en eventueel aanvullende maatregelen bepaalt voor 2026. Zoalsaangegeven zijn in dit voorstel de voor Nederland relevante bestandennog niet ingevuld. De verwachting is dat pas na het begin van de Raadeen inhoudelijk uitgewerkt voorstel zal worden voorgelegd.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van degeannoteerde agenda en de onderliggende stukken. Deze leden hebbenvragen en opmerkingen, met name op het gebied van visserij. Zij zullenhun vragen en opmerkingen hieronder uiteenzetten.Geannoteerde agendaVisserijDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over demogelijke uitkomsten van de Verordening vangstmogelijkheden voor2026. Aangezien de compromisvoorstellen nog niet bekend zijn, kunnendeze leden deze niet beoordelen. Wel vragen zij de Staatssecretaris welkescenario’s hij voorbereidt als het gaat over de compromisvoorstellen. DeStaatssecretaris geeft aan dat de voor Nederland belangrijke bestandennog op «pro memorie» staan. Het is deze leden niet duidelijk wanneer aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174327 de door de Staatssecretaris gestelde voorwaarde dat de ecologische ensociale pijlers en economische duurzaamheid «in evenwicht zijn» isvoldaan. Dit is een politieke afweging die nu onvoldoende helder is. Kande Staatssecretaris duidelijker uitleggen hoe hij op basis hiervan gaatinterveniëren?AntwoordIn het licht van de onderhandelingen kan de Staatssecretaris niet ingaanop «compromisvoorstellen». De Staatssecretaris zal van geval tot gevalbeoordelen in hoeverre aan de gestelde voorwaarde wordt voldaan dat deecologische en sociale pijlers en economische duurzaamheid «inevenwicht zijn».De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn bezorgd over de gezondheidvan de makreelpopulatie. Terwijl Nederlandse winkels besluiten om geenmakreel meer te verkopen, gaan derde landen door met de vangst enverkoop van de bedreigde vissoort (AD, 6 november 2025, «Noodsituatiemakreel verbloemt grotere plaatje: het gaat steeds beter met vispopulatiesNoodsituatie makreel verbloemt grotere plaatje: het gaat steeds beter metvispopulaties» (https://www.ad.nl/economie/noodsituatie-makreel-verbloemt-grotere-plaatje-het-gaat-steeds-beter-met-vispopulaties~a8fa5626/)(AD, 6 november 2025)). Deze leden benadrukkendat het gedrag van consumenten én verkopers daadwerkelijk effectief zijnom visbestanden te doen herstellen. Deze leden roepen de Staatssecre-taris op om bij lidstaten en derde landen kenbaar te maken dat de vangstvan makreel geminimaliseerd moet worden. Zo kan het instorten van dezevispopulatie worden voorkomen. Ook benadrukken deze leden dat hetstoppen met het verkopen van makreel in de supermarkten alleen zinheeft als derde landen zich ook committeren aan het niet langer overbe-vissen van makreel. Bovendien vragen zij de Staatssecretaris om nader inte gaan op het besluit om makreel niet meer in supermarkten te verkopen.Hoe zijn deze afspraken tot stand gekomen en wat zijn hiervan depositieve gevolgen voor het makreelbestand? Welke voordelen zijn er alsmeer lidstaten soortgelijke afspraken maken met supermarkten, en is deStaatssecretaris bereid om hiertoe de mogelijkheden met zijn Europesecollega’s te verkennen?AntwoordHoewel de staat van het makreelbestand zorgelijk is, wil de Staatssecre-taris vooropstellen dat het wetenschappelijk advies voor makreel voor2026 nog steeds ruimte laat voor een duurzame vangsthoeveelheid (vancirca 174.000 ton). De Staatssecretaris ziet geen reden dat dit niet aanconsumenten kan worden aangeboden. Zoals ook aangegeven in debeantwoording van het schriftelijk overleg van de Raad van 27 en28 oktober jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1730) is het aan supermarkten omop basis van de beschikbare informatie een afweging te maken oververkoop van makreel. De Staatssecretaris is bereid, zoals ook reedstoegezegd in de eerder genoemde beantwoording in oktober, in gesprekte gaan met het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) om tehoren hoe het tot zijn besluit is gekomen. De Commissie onderhandeltnamens de lidstaten met derde landen over de totaal toegestane vangstop basis van het wetenschappelijk vangstadvies.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op het voornemenvan de Staatssecretaris om «flexibiliteit op te zoeken» in de juridischekaders en wetenschappelijke adviezen omtrent vangstmogelijkheden voorde Middellandse en Zwarte Zee. Deze leden benadrukken dat het van hetgrootste belang is om de meest actuele en betrouwbare adviezen juistserieus te nemen en op te volgen. Het huidige verdienmodel van vissers isniet altijd duurzaam, dus kan de eenzijdige focus op dit belang afdoen aanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174328 de gezondheid van visbestanden en zee natuur. De houding van deStaatssecretaris vergroot dit risico. Kan de Staatssecretaris verzekeren dathij te allen tijde proactief binnen de letter van de wet zal handelen, inplaats van continue de randjes op te zoeken? Is hij het met deze ledeneens dat zowel vissers als de natuur niet gebaat zijn bij juridisch ofwetenschappelijk onhoudbaar handelen?AntwoordDe Staatssecretaris acht het van belang te handelen binnen de geldendejuridische kaders en met inachtneming van de wetenschappelijkeadviezen. Met het zoeken naar flexibiliteit wordt uitdrukkelijk niet bedoelddat de grenzen van deze kaders worden opgezocht, maar dat – voor zoverde regelgeving dit toelaat – wordt bezien hoe onnodige of disproporti-onele sociaaleconomische gevolgen voor vissers kunnen worden beperkt,zonder afbreuk te doen aan de ecologische doelstellingen. Duurzaambeheer van visbestanden vormt een van de uitgangspunten van deNederlandse inzet. De Staatssecretaris onderschrijft dat zowel vissers alshet mariene ecosysteem gebaat zijn bij juridisch en wetenschappelijkhoudbaar beleid, en zijn handelen is daarop gericht.LandbouwDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn kritisch op de voorgenomenherziening van het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Deze ledenstellen dat innovatie moet leiden tot een verduurzaming van de sector engeen doel op zich is. Gemeenschapsgeld moet te allen tijde wordenuitgegeven aan bewezen effectieve maatregelen die een gezonde bodemen een duurzame landbouw dichterbij brengen. Deelt de Minister dezemening?AntwoordInnovatie in de landbouw heeft altijd plaatsgevonden; door oplossingen tezoeken voor uitdagingen verandert de landbouwpraktijk. Nederland is metzijn sterke kenniscluster hier altijd een koploper in geweest. Ook in detoekomst zal innovatie nodig zijn om de uitdagingen van de sector rondbijvoorbeeld water of klimaat te adresseren. Wij denken daarbij overigensaan uitdagingen in de volle breedte van de landbouwpraktijk. Innovatieszijn nieuwe ontwikkelingen die vooraf geen succesgarantie hebben.Uiteraard is selectie op kansrijke innovaties wenselijk.Tevens vinden deze leden dat «minder complexiteit en administratievelasten» nooit mag leiden tot een feitelijke verzwakking of vertraging vande gestelde doelen voor verduurzaming. Kan de Minister toezeggen dat zijhaar inzet voor het mogelijk herzien van het GLB altijd zal baseren oponafhankelijk en gedegen onderzoek naar de gevolgen van aanpassingenvoor dier en natuur, en geen steun zal uitspreken tot is vastgesteld datdeze het belang van verduurzaming en dierenwelzijn niet in het gedingkomen?Antwoord:Bij de onderhandeling over het nieuwe GLB zal de Minister zich inzettenvoor alle doelen die het GLB beoogt te ondersteunen. Daarbij hebbennatuur en dierenwelzijn zeker de aandacht. Op basis van de voorstellendie gedaan worden zal een inschatting worden gemaakt van de effectenop het behalen van de verschillende doelen. De uitkomsten hiervanworden vervolgens betrokken in de onderhandelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174329 Verslag LVR 17 november 2025VisserijDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben nog enkele vragen enopmerkingen over de visserij naar aanleiding van het verslag van deLandbouw- en Visserijraad van 17 november 2025. Deze leden lezen datNederland met vijf andere lidstaten heeft opgeroepen om het Gemeen-schappelijk Visserijbeleid (GVB) te herzien, met als doel deregulering.Deze leden zijn kritisch over dit voornemen. Zij vrezen dat het ter discussiestellen van het GVB het huidige beleid kwetsbaar maakt voor lobby enafzwakking, wat een bedreiging kan vormen voor de gezondheid vanvisbestanden, het herstellen van zee natuur en daarmee het toekomstigeverdienvermogen van duurzame vissers. Hoe reageert de Staatssecretarisop de reactie van de EC dat er eerst een gedegen evaluatie moetplaatsvinden? Is de Staatssecretaris bereid om geen verdere oproepen tedoen in deze sfeer, totdat onafhankelijk en vanuit een brede belangenaf-weging is vastgesteld dat er reële obstakels zijn in het huidige GVB? Dezeleden benadrukken, in lijn met een breedgedragen oproep van Europesemilieuorganisaties, dat het GVB beter moet worden geïmplementeerd omdoelstellingen te kunnen realiseren, en juist niet moet worden afgezwakt.Zij vragen de Staatssecretaris om de notitie «Don’t sink the CommonFisheries Policy – fulfil its potential» (WWFEU, oktober 2025 (https://wwfeu.awsassets.panda.org/downloads/briefing_dont-sink-the-common-fisheries-policy.pdf)) te appreciëren en deze als basis te gebruiken voorverdere besprekingen rondom het GVB.AntwoordHet huidige GVB dateert uit 2013 en is op enkele punten aan herzieningtoe om tegemoet te komen aan de huidige uitdagingen. Zo is er bijvoor-beeld sinds de Brexit veel veranderd, omdat bijna alle visbestanden metderde landen beheerd worden. Andere prioriteiten van een herziening zijnhet aanpassen van regelgeving die innovatie in de weg staat, hetversterken van de stabiliteit van vangstmogelijkheden, administratievelastenverlichting en de onwerkbaarheid van de aanlandplicht. Dit laatstekomt ook naar voren in de EU-evaluatie van de aanlandplicht, gepubli-ceerd in juli 2025, waaruit duidelijk blijkt dat deze maatregel niet oplevertwat de bedoeling was, ecologisch noch economisch. Het handhaven vanhet huidige GVB is daarom niet altijd beter en oplossingen kunnen nietaltijd gevonden worden in het verbeteren van de implementatie, zoals hetWWF stelt in zijn rapport. Waar mogelijk zal de Staatssecretaris deherziening van het GVB blijven bepleiten, langs de lijn zoals uiteengezet inde Nederlandse reactie op de consultatie van het GVB welke ook met deKamer is gedeeld (Kenmerk 2024D32722 en Kamerstuk 21 501-32,nr. 1437) en kijkt uit naar de brede evaluatie van het GVB die deCommissie in mei 2026 hoopt te kunnen presenteren. Veel anderelidstaten kijken eveneens uit naar deze evaluatie en de vervolgstappen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben ten aanzien van hetbeschermen van de zee natuur en het herstellen van de visbestandenhebben aanvullende vragen. Het GVB stelt als doel om de visserijsector teverduurzamen en een toekomstig verdienmodel te ontwikkelen. Hiertoewerd op nationaal niveau het Noordzeeakkoord gesloten, mede ominvulling te geven aan het GVB. Welke gevolgen heeft de oproep van deStaatssecretaris om het GVB te herzien voor de gemaakte afspraken indeze overlegstructuur? Wordt zijn oproep om het GVB te herzien gedragendoor de partners van het Noordzeeoverleg? Zo ja, wanneer is het voorstelaan hen voorgelegd en wat vonden de belanghebbenden hiervan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174330 AntwoordOm een betrouwbare partner te zijn moet Nederland voldoen aan deEuropese regelgeving, waaronder het GVB. Dat staat los van het Noord-zeeakkoord en de daarin gemaakte afspraken. Deze staan niet ter discussiein het kader van de herziening van het GVB. Bij die herziening wordtgekeken hoe de lidstaten en de Commissie samen kunnen werken aan eentoekomstbestendige voedselwinning op zee en naar de transitie (ofaanpassingen) die daarvoor nodig is.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie verwijzen ook naar de recenteuitzending «Zee van mogelijkheden» van het programma Wat houdt onstegen (HUMAN, 19 november 2025, «Zee van mogelijkheden» (https://npo.nl/start/afspelen/wat-houdt-ons-tegen_29)), waarin natuurorganisatiesen vissers pleiten voor het beschermen van de zee natuur. Dit is eenrandvoorwaarde voor een toekomstbestendige visserij. Heeft de Staatsse-cretaris kennisgenomen van deze uitzending en de bevindingen, en deelthij deze opvatting? In de uitzending wordt het Noordzeeakkoord uitgelegden wordt gesteld dat de gemaakte afspraken Nederlandse vissers tengoede komen. Daarom vragen deze leden de Staatssecretaris om eenstand van zaken te geven over het uitvoeren van het Noordzeeakkoord.Met name de afspraak om 15 procent van de Noordzee te vrijwaarden vanbodemberoerende visserij is hier van belang. Zijn de partners reeds toteen akkoord gekomen om invulling te geven aan de 1,2 procent van deNoordzee die nog moet worden vrijgesteld? Op welke termijn informeertde Staatssecretaris de Kamer over hoe deze doelstelling wordt ingevuld?AntwoordJa, de Staatssecretaris heeft kennisgenomen van deze uitzending enonderschrijft dat visserij alleen kan plaatsvinden onder de ecologischerandvoorwaarde van het ecosysteem. Ook deelt de Staatssecretaris deopvatting dat het Noordzeeoverleg (NZO) een belangrijk overlegorgaan iswaar alle partijen die aan de Noordzee werken samenkomen omuitvoering te geven aan het Noordzeeakkoord (NZA). De Staatssecretarisheeft dit ook benoemd tijdens zijn deelname aan het meest recente NZOop 5 november jl. Het kabinet hecht veel waarde aan het Noordzeeoverlegen wil benadrukken dat ook in lastige tijden het zeer belangrijk is omsamen te werken. De Staatssecretaris zet zich ervoor in om voor 2030 15%van de Nederlandse Noordzee in beschermde gebieden te hebbengevrijwaard van bodemberoerende visserij t.b.v. zeebodembescherming.Sinds 2023 is 5% van de zeebodem gevrijwaard van bodemvisserij enafgelopen november is dit percentage gestegen naar 7,2% door sluitingvan een gedeelte van het Natura2000-gebied Doggersbank. Daarnaast ligthet voorstel waarmee deze maatregelen worden uitgebreid naar 13,8%bodembescherming bij de Commissie ter vaststelling voor en werkt deStaatssecretaris aan de (nationale) besluitvorming m.b.t. de resterende1,2% bodembescherming. De Staatssecretaris weegt het NZO-advies, dathij in goede orde heeft ontvangen, hierin mee en verwacht de Kamer enhet NZO hier in Q1 2026 over te informeren.Naast afspraken over gebiedsbescherming zijn in het NZA ook afsprakenvastgelegd over soortenbescherming. In het NZO en daaraan verbondenwerkgroepen stemt de Staatssecretaris deze afspraken af en wordtsamengewerkt aan de uitvoering van deze afspraken.LandbouwDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de Minister heeftopgeroepen tot meer vrijheid voor lidstaten om zelf te bepalen welkeinstrumenten zij inzetten om de GLB-doelen te bereiken. Zij pleitte ookvoor minder verplichte interventies. Kan de Minister feitelijk onderbouwendat het doen van minder verplichte interventies zal leiden tot eenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174331 duurzame landbouwsector met een verdienmodel voor biologischeboeren? Deelt zij de opvatting van deze leden dat juist de vrijblijvendheidvan landbouwbeleid heeft geleid tot vertraging van noodzakelijkemaatregelen om de toekomst van de landbouw te verzekeren?AntwoordHoe minder verplichte EU-interventies hoe beter de Minister deGLB-doelen in het toekomstige lidstaatplan kan toespitsen op deNederlandse situatie. Bovendien constateert de Minister dat deCommissie EU-breed voorstelt om relatief veel budget voor traditioneleinkomenssteun in te zetten, wat in combinatie met het lagere totaalbudget noopt tot keuzes in lidstaten die mogelijk juist ten koste zullengaan van groene doelen in de landbouw. GLB-interventies zoals deecoregeling en het agrarisch natuurbeheer komen hierdoor mogelijkonder budgettaire druk te staan. De focus op een aantal grotere inter-venties kan helpen om de uitvoeringskosten te verlagen en de effectiviteitvan GLB-regelingen zoals de ecoregeling en het agrarisch natuurbeheer tevergroten, zeker als er minder budget beschikbaar is in de toekomst.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen bij het diversenpunt overgewasbeschermingsmiddelen dat de Minister heeft gepleit voor «alterna-tieve middelen en maatregelen» voor landbouwgif. Deze leden vragen omeen nadere toelichting wat de Minister hiermee bedoelt en wat voormaatregelen zij dan voor zich ziet. Deze leden vragen tot slot aan deMinister of zij voortaan bereid is om op te roepen tot een Europeesverbod op glyfosaat en andere schadelijke chemische middelen diegebruikt worden in de landbouw.AntwoordMet alternatieve middelen en maatregelen bedoelt de Minister bijvoor-beeld het gebruik van biologische gewasbeschermingsmiddelen met eenlaag-risico profiel, geïntegreerde gewasbescherming (IPM) en precisie-technologie. Hiermee kan het gebruik van chemisch-synthetischegewasbeschermingsmiddelen worden verminderd.De goedkeuring van glyfosaat is in 2023 met 10 jaar verlengd op basis vaneen uitgebreid wetenschappelijk dossier waarbij is aangetoond datglyfosaat veilig kan worden toegepast. Een wetenschappelijk aantoonbareveilige toepassing geldt voor iedere stof. Mocht hier aanleiding toe zijn,dan wordt de goedkeuring van een stof tussentijds herbeoordeeld. Voorglyfosaat is hiertoe momenteel geen wetenschappelijke aanleiding.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de onderlig-gende stukken voor het schriftelijk overleg over de Landbouw- enVisserijraad (december). Deze leden maken graag van de gelegenheidgebruik om op meerdere onderwerpen nog enkele vragen te stellen.De leden van de CDA-fractie merken op dat bij de aanlanding van vis eendeel van het gewicht verdwijnt doordat ijs afsmelt. Daarom wordt aldecennialang gewerkt met een praktijk waarbij circa 42 kilogram brutowordt gewogen om 40 kilogram netto te leveren en van het quotum af tetrekken. Deze leden hebben vernomen dat de EC deze werkwijze echterniet langer toestaat. Vanaf 10 januari 2026 moet het bruto gewicht wordengebruikt, wat in de praktijk neerkomt op een quotumverlies van ongeveer5 procent. Voor vissers met individueel verdeelde quota wordt dit ervarenals verlies van eigendom. In 2027 biedt de nieuwe controleverordeningmogelijk weer ruimte om met netto gewichten te werken. Voor 2026 zoueen tijdelijke compensatie uit het door de staat beheerde sanerings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174332 quotum voor tong en schol een oplossing kunnen bieden. Deze ledenvragen de Staatssecretaris toe te lichten hoe hij het door de EC opgelegdegebruik van bruto gewichten vanaf 10 januari 2026 beoordeelt en welkegevolgen dit heeft voor vissers met individueel verdeelde quota. Is deStaatssecretaris bereid om voor 2026 een tijdelijke compensatie teverstrekken uit het beschikbare saneringsquotum voor tong en schol, terhoogte van circa 5 procent van de individuele contingenten, om daarmeehet «weegverlies» te verzachten? Zo nee, waarom niet?AntwoordOp basis van Verordening (EG) 1224/2009 (controleverordening) moet hetgewicht van de vangst bij aanlanding worden vastgesteld door middelvan een officiële weging. Hierbij zijn er voor verse vis geen juridischemogelijkheden om rekening te houden met afsmeltend ijs. Het is aan devisafslagen om te zorgen dat de vangsten zo goed mogelijk zijn ontdaanvan water en ijs. Het gewogen gewicht dat bij de weging wordt vastge-steld dient in mindering te worden gebracht op het quotum van de visser.De huidige praktijk, waarbij anticiperend op het waterverlies nog voorvaststelling een reductie van 5% wordt toegepast op het officiële gewicht,voldoet niet aan de voorschriften die reeds sinds 2009 verplicht zijn.Zoals de Staatssecretaris eerder aan de Kamer heeft laten weten, wordt erhard gewerkt om de lopende ingebrekestelling voor het toezicht op deweging, registratie en traceerbaarheid van visserijproducten op te lossen(Kamerstuk 21 501-32, nr. 1672). De Staatssecretaris kan niet ingaan op deprecieze inhoud ervan. In het kader van deze procedure dient Nederland tevoldoen aan de reeds geldende wet- en regelgeving. Hierbij is deStaatssecretaris in overleg met zowel de visafslagen als de producenten-organisaties (PO’s) om een werkbare oplossing te vinden binnen dekaders van de controleverordening. Hierbij kan echter niet wordenvoorkomen dat er negatieve effecten kunnen zijn voor individuele vissers.In 2024 heeft de Staatssecretaris de contingenten die zijn vrijgevallen alsgevolg van de plaatsgevonden sanering in beheer gegeven aan de PO’sop basis van hun vangsten in 2023 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1610). Het ishierbij aan de PO’s om de vrijgekomen vangstmogelijkheden te verdelenover hun leden. De Staatssecretaris is bereid met de sector in gesprek tegaan indien zij een voorstel willen doen hoe deze problematiek in dezeverdeling te betrekken. Daarnaast zet de Staatssecretaris zich tijdens dehuidige onderhandelingen over de comitologie van de controleveror-dening in om de nieuwe regels rondom de weging van visserijproductenzo goed mogelijk aan te laten sluiten bij de Nederlandse situatie, zoals ookeerder met de Kamer is gedeeld (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1706).De leden van de CDA-fractie merken op dat tonijn steeds noordelijkervoorkomt en zelfs al voor de Belgische kust is gevangen. Het zalwaarschijnlijk een kwestie van tijd zijn voordat tonijn ook voor deNederlandse kust verschijnt. Tot nu toe hebben alleen de zuidelijkelanden, met name Frankrijk, een quotum. Deze leden vragen de Staatsse-cretaris of het klopt dat de EC het quotum voor tonijn wil verruimen. Inhoeverre acht de Staatssecretaris het gezien deze ontwikkeling reëel datook Nederland nu of in een later stadium pleit voor een tonijnquotumvoor kleinschalige vissers?AntwoordTijdens de recente jaarvergadering van ICCAT (beheer-organisatie voorTonijn in de Atlantische Oceaan) heeft de Commissie een verruiming vande TAC van 17% kunnen afspreken. Dit was mogelijk vanwege de sterkverbeterde status van het Atlantische tonijnbestand. Een daadwerkelijkNederlands quotum voor gerichte tonijnvangst in de Noordzee lijktTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174333 voorlopig echter prematuur. Zeker ook omdat daarmee een ingewikkeldediscussie zou worden geopend over historische vangstrechten. Juist dezehistorische vangstrechten zijn van essentieel belang voor de Nederlandsesector in andere takken van visserij. Wel is de Staatssecretaris bereid metde sector in gesprek te gaan over de situatie rondom tonijn om met elkaarte delen welke (on)mogelijkheden er zijn rondom directe, maar ook voorhet aanlanden van bijvangst van tonijn.De leden van de CDA-fractie merken op dat Ierland mogelijk toch eennieuwe derogatie krijgt van drie jaar op de Nitraatrichtlijn onder enkelestrenge voorwaarden. Tegelijkertijd komt uit berichtgeving in onderandere de Financial Times naar voren dat ingewijden binnen de ECaangeven dat het derogatieverzoek van Nederland al is afgewezen (FT,2 december 2025, «Brussels rejects Dutch request to dump manure onfields» (https://www.ft.com/content/04321157-09e6-4cc1-9c75-a6846ecd71a0)). Hoe beoordeelt de Minister de berichtgeving en hoegroot acht de Minister de kans dat een nieuwe derogatie alsnog ook aanNederland wordt toegekend? Welke alternatieven voor mestafzet ziet deMinister op de korte termijn als de derogatie definitief vervalt? Kan deMinister tevens aangeven welk ondersteunende rol verwacht mag wordenvan Europa als derogatie, in welke vorm dan ook, toch wordt toegekend?Deze leden vragen de Minister tevens hoe zij aankijkt tegen de mogelijkeverlenging van de Ierse derogatie. Hoe verhoudt deze situatie zich tot deNederlandse aanvraag voor een nieuwe derogatie?AntwoordOp 11 juli jl. heeft de Minister de Commissie formeel verzocht om eennieuwe derogatie voor Nederland in behandeling te nemen (Kamerstuk33 037, nr. 606). In een schriftelijke reactie eind augustus heeft deCommissie laten weten zich nader te beraden over het verzoek. DeMinister is op dit moment in afwachting van een formele reactie van deCommissie, zodra deze reactie er is zal de Minister de Kamer hieroverinformeren.In het kader van de aanpak mestmarkt werkt de Minister reeds aanalternatieven voor de mestafzet vanwege de afbouw van de huidigederogatie (Kamerstuk 33 037, nr. 559). Onder andere heeft de Ministeringezet op het vergroten van de mogelijkheden voor export en hiertoe zijndit jaar enkele exportmissies uitgevoerd (naar Frankrijk, Polen enDuitsland). De mogelijkheden voor mestverwerking worden vergroot nunaar verwachting binnenkort de Europese regelgeving voor Renuredefinitief wordt vastgesteld en hierna Renure-producten toegepast mogenworden in de Nederlandse landbouw (boven de gebruiksnorm voordierlijke mest). De productie en het gebruik van Renure zullen bijdragenaan verlichting van de mestmarkt. Om de opschaling van de productie vanRenure te bevorderen is de Minister voornemens de bouw van mestver-werkingsinstallaties te faciliteren via een reeds eerder aangekondigdenieuwe subsidieregeling (Kamerstuk 36 725-XIV, nr. 4).Een voorstel voor een nieuwe derogatie van Ierland ligt op 9 december2025 ter stemming voor in het Nitraatcomité. Het is aan de Commissieom, na een positieve stemming in het Nitraatcomité, een voorstel vooreen derogatie bekend te maken. De Minister kan nu dan ook niet ingaanop de inhoud van een Ierse derogatie en de voorwaarden die eraan zullenworden gesteld. Zodra de eventuele Ierse derogatie verleend is, zal hetkabinet bezien in hoeverre dat zich verhoudt tot de Nederlandse aanvraag.De leden van de CDA-fractie constateren dat er tijdens de aankomendeLandbouw- en Visserijraad ook zal worden gesproken over het voorstelvoor het nieuwe GLB na 2027. Deze leden vragen de Minister hoe zij hetvoorstel van de EC om de Nederlandse ontvangsten uit het GLB teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174334 verlagen beoordeeld en welke gevolgen deze mogelijke korting volgensde Minister zal hebben voor cruciale GLB-instrumenten zoals AgrarischNatuur- en Landschapsbeheer (ANLb), de ecoregeling en ook voorondersteuning van jonge boeren en de Europese voedselstrategie. Hoewordt voortzetting van agrarisch natuurbeheer gewaarborgd als daar inhet GLB met beoogde bezuinigingen weinig middelen voor over blijven?In hoeverre en op welke manier is de Minister bereid programma’s tecofinancieren die anders mogelijk zullen verdwijnen door het nieuwekader van het GLB?AntwoordIn de toekomst zal er minder budget zijn en dat vraagt om een scherpeprioritering. De Minister maakt zich zorgen of er wel voldoende budget isvoor de ecoregeling en het agrarisch natuurbeheer. De Minister zet zichervoor in dit om te buigen.De leden van de CDA-fractie vragen de Minister tevens toe te lichten hoegroot de kans is dat Nederland binnen de onderhandelingen over hetnieuwe Meerjarig Financieel Kader (MFK) en de NRPP wordt verplicht omten minste 10 procent van de NRPP-middelen – die onder een brederEU-fonds vallen dan alleen het GLB – te reserveren voor plattelandsont-wikkeling, en aan welke concrete typen maatregelen deze middelenvolgens het huidige voorstel van de EC mogen worden besteed.AntwoordIn reactie op zorgen uit het EP over de MFK-voorstellen heeft de voorzittervan de Commissie in een brief aan de voorzitter van het EP en van deRaad van Ministers gesuggereerd om een spenderingsdoel van ten minste10% van de middelen uit de Nationale en Regionale Partnerschaps-plannen (NRP)-envelop te introduceren voor plattelandsgebieden,exclusief de minimumbedragen voor landbouw en visserij. Deze brief vande Commissie betreft geen formeel wetsvoorstel en het is uiteindelijk aande Raad en het EP om te besluiten of en hoe hier verder invulling aan tegeven. De suggestie van de voorzitter van de Commissie is nog nietinhoudelijk besproken in Raadsverband. Nederland kijkt kritisch naar hettoevoegen van doelstellingen, minimum percentages of geoormerktebedragen. Dit komt de flexibiliteit en modernisering van de EU-begrotingniet ten goede terwijl dit juist een van de kernpunten van de kabinetsinzetis. Het is in deze fase nog niet in te schatten hoe groot de kans is dat dezesuggestie daadwerkelijk onderdeel zal uit gaan maken van het nieuweMFK.De leden van de CDA-fractie merken op dat de stikstofgebruiksnormenvoor landbouwgrond uit 2006 zijn gebaseerd op een modelmatigebenadering die niet goed aansluit bij de praktijk. De huidige stikstof-normen steunen op verouderd onderzoek naar onder meer opname enuitspoeling, terwijl rassen, bemesting, klimaat en teelttechnieken sterk zijnveranderd. Door jarenlange aanpassingen en aanscherpingen is de klooftussen theorie en praktijk alleen maar groter geworden. De door deMinister voorgesteld gewijzigde stikstofgebruiksnormen betekenen opzand- en lössgronden voor veel gewassen verlagingen tot 55 tot 65procent van het landbouwkundig optimale bemestingsadvies, met forseeconomische gevolgen tot gevolg. Deze leden vragen de Minister of zijbekend is met het advies van de Commissie Deskundigen Meststoffenwet(CDM) van 29 augustus 2025, waaruit blijkt dat de voorgestelde gebruiks-normen voor grasland in alle zand- en lössgebieden voldoen aan denitraatnorm van 50 milligram per liter. Kan de Minister toelichten waaromzij desondanks kiest voor lagere stikstofgebruiksnormen in de Uitvoe-ringsregeling Meststoffenwet dan door het CDM wordt geadviseerd?Erkent de Minister dat lagere stikstofgebruiksnormen de productiviteit vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174335 grasland verminderen, waardoor grasland wordt omgezet in bouwland endaarmee de waterkwaliteit verslechtert, zoals ook door ZuivelNL en hetLouis Bolk Instituut wordt gesteld? Deze leden vragen de Minister gezienhet bovenstaande of zij bereid is te onderzoeken of het mogelijk is doorhet CDM-bemestingsadvies wél te volgen en aanvullend beleid teontwikkelen dat behoud van grasland stimuleert. Zo nee, waarom niet?AntwoordDe vraag van de leden van de CDA-fractie ziet op de ontwerpwijzigingsre-geling tot aanpassing van de stikstofgebruiksnormen en de aandachtsge-bieden stikstof, die van 20 oktober tot en met 9 november 2025 terinternetconsultatie is voorgelegd. In de brief van 17 oktober jl. heeft deMinister de Kamer het door de leden van de CDA-fractie aangehaaldeCommissie van Deskundigen Meststoffenwet (CDM)-advies «Actualiseringstikstofgebruiksnormen voor gewassen op zand- en lössgrond inNederland» toegezonden (Kamerstukken II, 2025/26, 33 037, nr. 625). HetCDM-actualisatieadvies heeft, in samenhang met de huidige waterkwali-teitsgegevens, zoals gerapporteerd door het RIVM in de Nitraatrapportageen het huidige «Ex ante onderzoek 8e Actieprogramma Nitraatrichtlijn»uitgevoerd door Wageningen Environmental Research (WEnR), geleid totde voorgestelde actualisatie van stikstofgebruiksnormen.Met de wijzigingsregeling wordt beoogd om het doel van 50 mg/l nitraatin het uitspoelend grondwater te behalen voor de verschillende grond-soortregio’s. Het voorstel omvat aangepaste stikstofgebruiksnormen vooralle gewassen, voor grasland en voor akker- en tuinbouwgewassen, die insamenhang in een specifieke regio moeten worden bezien met het oog ophet op gebiedsniveau te voldoen aan de 50 mg/l nitraat in het grondwater.Een verhoging van de stikstofgebruiksnormen voor grasland zou ertoeleiden dat de stikstofgebruiksnormen voor uitspoelingsgevoelige akker- entuinbouwgewassen (verder) verlaagd zouden moeten worden om opgebiedsniveau te voldoen aan de 50 mg/l nitraat in het grondwater. Voorzuidelijke zandgronden zou dit ertoe leiden dat de teelt van sommige vandeze gewassen op de zuidelijke zandgronden niet meer mogelijk ofrendabel is. Deze afwegingen hebben geleid tot de ontwerpwijzigingsre-geling met per zandregio een voorstel voor aangepaste stikstofgebruiks-normen. Op dit moment worden alle elementen, zoals benoemd invoornoemde brief van 17 oktober jl. door het kabinet gewogen met hetoog op de vaststelling van het 8e actieprogramma en de wijzigingsre-geling stikstofgebruiksnormen. Het is de inzet van de Minister dat debesluitvorming in het kabinet over het 8e AP voor 1 januari a.s. wordtafgerond.Vragen en opmerkingen van de leden van de JA21-fractieDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen.Verordening vangstmogelijkheden 2025De leden van de JA21-fractie vragen hoeveel jaren er al sprake is vanoverbevissing van de makreel, hoe dat komt en wie daar volgens deStaatssecretaris met name verantwoordelijk voor zijn.AntwoordDit exacte aantal jaren is nu niet te duiden. Met de Kuststaten die in hun200-mijlzone verantwoordelijk zijn voor het beheer en het maken vanonderlinge afspraken over makreel, in het bijzonder voor de verdeling vande vangsten, is het sinds Brexit niet meer gelukt om tot overeenstemminghierover te komen. De kuststaten voor makreel zijn de EU, het VerenigdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174336 Koninkrijk, de Faröer-eilanden, Noorwegen en IJsland. Gevolg hiervan isdat deze kuststaten zich elk een eigen deel van de overeengekomen TACtoe-eigenden wat zij gerechtvaardigd vinden. In de internationale wateren,waar geen kuststaat rechtskracht heeft, eigenen ook andere partijen,bijvoorbeeld de Russische Federatie, zich vangstmogelijkheden toe zonderhierover afspraken met de kuststaten te maken.Wat is de laatste stand van zaken van de markeelpopulatie, het vangst-advies en wat is ervoor nodig om te voorkomen dat die populatie verderinstort?AntwoordVoor het vangstadvies voor makreel voor 2026, onder meer gebaseerd oppopulatie-kenmerken, wordt verwezen naar het ICES-rapport (ICES advice– Mackerel (Scomber scombrus) in subareas 1–8 and 14 and in divisions9.a, 12.a, and 12.b (Northeast Atlantic and adjacent waters). ICES geefteen maximaal vangstadvies om te voorkomen dat het bestand verder zouafnemen, gebaseerd op Maximum Sustainable Yield (MSY), de maximaalduurzame oogst, de wetenschappelijke norm in dit geval.Wat is de inzet van de Staatssecretaris voor het vaststellen van de Totaletoegestane vangst (TAC) van de makreel en voor de verdeelsleutel?AntwoordDe Commissie onderhandelt namens de lidstaten met de derde landenover zowel de TAC als de verdeelsleutel. Hierbij zijn de pijlers van het GVBleidend. De inzet hiervoor wordt afgestemd met de lidstaten. Nederlandtoetst dan ook of wordt ingezet op zowel een duurzaam bestandsbeheerwaarvoor wetenschappelijke adviezen leidend zijn alsook of er oog is voorsociaaleconomische gevolgen.Klopt het bericht dat er zelfs zonder de EU wordt onderhandeld door deandere kuststaten en wat is de inzet van de Staatssecretaris om dat teherstellen?AntwoordDe Staatssecretaris heeft dit bericht ook vernomen. De Staatssecretarisvolgt de Commissie, in nauwe samenspraak met de lidstaten, in haaroverleg met de andere kuststaten om alsnog te komen tot een ook voor deEU gerechtvaardigd resultaat.Wat gebeurt er als op 20 december 2025 nog steeds geen TAC is vastge-steld?AntwoordDe datum van 20 december is alleen van toepassing op de onderhande-lingen tussen de EU en het Verenigd Koninkrijk, genoemd in artikel 499van de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst (HSO). In dit artikel isook opgenomen dat indien beide partijen niet op die datum tot overeen-stemming komen, zij een voorlopige vangsthoeveelheid dienen vast testellen gebaseerd op het wetenschappelijk advies. In de periode waaropdie voorlopige vangsthoeveelheid van toepassing is, dient verderoverlegd te worden over een definitieve vangsthoeveelheid.Klopt het dat sommige landen inzetten op een lagere beperking in de TACten opzichte van het formele wetenschappelijke advies? Wat gaat ergebeuren als andere kuststaten vasthouden aan een hoger quotum danwat de EU wetenschappelijk aanvaardbaar acht? Kan de Staatssecretaristoezeggen dan aan te sturen op stevige maatregelen om deze kuststatenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174337 tot de orde te roepen? Welke andere landen kan de Staatssecretarisdaarmee aan zijn zijde vinden?AntwoordZoals aangegeven is er op dit moment nog geen overeenstemmingbereikt over de hoogte van de TAC voor makreel, waardoor nog nietduidelijk is of uiteindelijk alle betrokken kuststaten in kunnen stemmenmet het wetenschappelijke advies. De Staatssecretaris zal de Commissieoproepen om alle beschikbare middelen in te zetten om een dergelijkesituatie te voorkomen. De Commissaris heeft dit ook in de Raad van 27 en28 oktober aangegeven, in reactie op een diversenpunt aangevraagd doorIerland en mede ingediend door België, Estland, Frankrijk, Nederland,Polen, Spanje en Zweden.Klopt het dat Noorwegen en de Faeröer Eilanden zich eenzijdig steedsmeer vangstquotum toe eigenen? Is de Staatssecretaris bereid om steunte zoeken om deze landen zwaarder onder druk te zetten om dat testoppen? Graag ontvangen deze leden daar een toelichting op.AntwoordOok Noorwegen en de Faröer-eilanden nemen, bij het ontbreken van eenovereenkomst over een verdeelsleutel, het deel dat zij gerechtvaardigdachten. Er is geregeld overleg met de andere lidstaten en de Commissiewelke mogelijkheden ter beschikking staan en hoe deze zorgvuldigkunnen worden ingezet.Welke instrumenten of middelen kunnen daarvoor worden ingezet en opwelke wil de Staatssecretaris aansturen? Is de Staatssecretaris bereid ombijvoorbeeld handelsmaatregelen te bepleiten als landen die zichstructureel schuldig maken aan overbevissing van hun quotum? Welkemogelijkheden biedt Verordening (EU) nr. 1026/2012 van het EuropeesParlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende bepaaldemaatregelen met het oog op de instandhouding van visbestanden tenaanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten in dat kader? Opwelke termijn zouden deze maatregelen kunnen worden ingezet?AntwoordDe mogelijkheid van maatregelen hangt samen met de aard en ernst vande situatie en de internationale kaders die ter beschikking staan. Veror-dening (EU) nr. 1026/2012 heeft als doel derde landen te overtuigen vanduurzame visserij op een met de EU gedeeld visbestand. Eventuelegerichte maatregelen in dat verband kunnen niet eerder genomen wordendan nadat aantoonbaar aan de voorwaarden is voldaan. Bijvoorbeeld demate van niet-duurzame visserij, de mate van niet samenwerken met deEU, procedures van hoor en wederhoor, etc.De leden van de JA21-fractie constateren dat de Staatssecretaris schrijftdat Nederland altijd benoemt dat maatregelen ten behoeve van de aaldienen te worden genomen via de Aalverordening (verordening van deRaad tot vaststelling van maatregelen voor het herstel van het bestandvan Europese aal (EC 1100/2007)). Kan de Staatssecretaris dat nadertoelichten? Welke maatregelen hebben daarbij de meeste prioriteit, en watzijn de gevolgen van het uitblijven daarvan?AntwoordSinds 2008 zijn er in Europees verband op basis van de Aalverordening(de EU-verordening 1100/2007) afspraken waarbij alle lidstaten maatre-gelen moeten treffen ter bescherming van de aalstand. Dat gaat overvisserijbeperkende maatregelen, maar ook bijvoorbeeld om hetaanpakken van migratiebelemmeringen. Dit is van belang omdatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174338 meerdere oorzaken een rol spelen in de achteruitgang van deze soort. Alsonderdeel van deze aanpak heeft Nederland sindsdien visserijmaatregeleningesteld, te weten een drie-maandssluiting van de aalvisserij in debelangrijkste uittrekperiode, sluiting van de aalvisserij in de rivieren envan de recreatieve visserij op aal. Daarnaast zijn voorwaarden vantoepassing om de sterfte van aal bij waterkrachtcentrales te verminderenen worden beroepsvissers ingezet om uittrekkende schieraal over tezetten bij stuwen en gemalen zodat de dieren naar zee kunnen uittrekken.In 2023 is een aanvullende maatregel opgenomen in de Verordeningvangstmogelijkheden op grond waarvan een gesloten periode van zesmaanden voor aalvisserij op zee en in de kustwateren is ingesteld.Nederland heeft er echter altijd voor gepleit dat het de voorkeur geniet omde noodzakelijke maatregelen voor herstel van de aal te treffen via deAalverordening. Met de Aalverordening wordt niet alleen gestuurd opvisserijmaatregelen maar wordt breed gekeken naar maatregelen diekunnen bijdragen aan aalherstel. Met name het wegnemen van migratie-belemmeringen is naast visserijmaatregelen van groot belang omaalherstel te bevorderen. Bovendien geldt de Aalverordening voor allewateren, waar maatregelen op grond van de Verordening vangstmogelijk-heden alleen gelden voor de zee en de kustwateren.Welk deel van de TAC voor makreel werd vorig jaar toebedeeld aanRusland als fishing party en welk deel draait het dit keer op uit? Hoe wordtgecontroleerd op de naleving daarvan?AntwoordDe Russische Federatie (RF) bepaalt op dit moment zelf hoeveel zij aanmakreel in internationale wateren bevist, en voor zover RF-vaartuigen inde Exclusief Economische Zone van een kuststaat voor een zekerehoeveelheid op makreel kan vissen is dat onder de overeenkomst die deRF daartoe gesloten heeft met die kuststaat. Cijfers van de Commissieveronderstellen dat de RF dit jaar (2025) bijna 20% van de totale vangst-mogelijkheid zal opvissen.De EU heeft met de RF geen overeenkomsten. De RF is gehouden haarvangstgegevens aan het secretariaat van de North East Atlantic FisheriesCommission (NEAFC) door te geven, maar deze kennen een zekerevertraging. De contracting parties onder NEAFC (het VK, de EU,Noorwegen, Faröer-eilanden, IJsland, Groenland en de RussischeFederatie) hebben zich in principe verbonden aan de controlevoor-schriften van NEAFC. In hun hoedanigheid als kuststaat, vlaggenstaat enhavenstaat dienen zij de betreffende regels na te leven en daarop tecontroleren. De Commissie heeft grote zorg over onvoldoende strakkeregels wat betreft controle bij overladingen op volle zee en heeft in datverband voorstellen gedaan voor stringentere regelgeving. Deze zijnevenwel niet overgenomen door de andere partijen.De Staatssecretaris herhaalde in november zijn oproep om visserijonderdeel te maken van de bredere buitenlandse betrekkingen met deNoordoost-Atlantische partnerlanden. Dit lijkt deze leden zeer verstandig.Hoe landt deze suggestie? In hoeverre is daar animo voor?AntwoordDe Staatssecretaris heeft dit, samen met andere lidstaten, meermalenbepleit richting de Commissie; en zal dit blijven doen. Het is nogonbekend hoe de Commissie dit zal oppakken naast de reguliereonderhandelingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174339 De leden van de JA21-fractie ook enkele vragen en opmerkingen over deHaagse preferenties voor Ierland hebben. Klopt het dat Ierland zich nuberoept op deze afspraken? Zo ja, wat is de juridische status daarvan? Inhoeverre is de EU verplicht zich aan die Haagse preferenties te houden?AntwoordIerland heeft te kennen gegeven voornemens te zijn deze HaagsePreferenties aan te vragen. Een officieel verzoek hiertoe en de concreteinvulling hiervan dient voor zover bekend in het kader van de onderhan-delingen nog ingediend te worden. Volgens het Europese Hof van Justitieis er geen juridische verplichting een dergelijk verzoek in te willigen(European Court reports 1998 Page I-00681).Deelt de Staatssecretaris de mening van deze leden dat het volstrektonacceptabel is dat gezien de enorme beperking van de makreelstandenook nog een enorm deel van het overgebleven, gekrompen quotum aanIerland wordt toebedeeld op grond van decennia-oude afspraken dieonder volstrekt andere omstandigheden zijn gemaakt?Kan de Staatssecretaris bevestigen dat Nederland niet akkoord kan gaanmet een uitkomst waar deze Haagse preferenties een onderdeel vanzouden zijn?AntwoordDe Staatssecretaris is van mening dat het toekennen van de HaagsePreferenties onwenselijk is.Zoals aangegeven betreffen de Haagse preferentie meerdere bestanden.Het uiteindelijke voorstel zal worden beoordeeld op basis van de ernst vande gevolgen voor Nederland en de Nederlandse stem zal hierop wordenafgestemd.Verordening vangstmogelijkheden 2026 voor de Middellandse Zee en deZwarte ZeeDe leden van de JA21-fractie vragen welke visstanden in deze zeeënworden bedreigd door overbevissing en in hoeverre worden de voor dezesoorten vastgestelde quota gerespecteerd.AntwoordIn de Middellandse Zee en de Zwarte Zee worden de meeste visbestandenbeheerd door middel van capaciteitsbeperkingen (beperkingen aanbijvoorbeeld het aantal visdagen en het toegestane motorvermogen), incombinatie met selectiviteitsmaatregelen. De maatregelen wordenvastgesteld op basis van de wetenschappelijke adviezen en de meerjaren-plannen. Nederland heeft geen vangstmogelijkheden in Middellandse Zeeen de Zwarte Zee, daarom is informatie over de benutting van devastgestelde visserijcapaciteit niet gelijk paraat. Voorbeelden vanvisbestanden die zich in een kwetsbare situatie bevinden zijn de Europeseaal, horsmakreel, sprot, tarbot, ansjovis en sardientjes.Onderhandelingen met MarokkoDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen. DeStaatssecretaris schrijft dat het meest recente protocol met Marokko voorvisserij nietig is verklaard op basis van de beginselen van het zelfbeschik-kingsrecht, omdat het «volk van de Westelijke Sahara» moet instemmen.Welke gesprekken zijn gaande met het volk van de Westelijke Sahara?Volgens het Hof kan dit volk ook impliciet instemmen. Hoe kan wordenbeoordeeld of een volk impliciet instemt? Onder welke voorwaarden kanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174340 dat worden geconstateerd? Is het de bedoeling dat het volk van deWestelijke Sahara ook profiteert van afspraken en hoe zou dat kunnen?Graag ontvangen deze leden hier een toelichting op.AntwoordNaar het oordeel van het EU Hof van Justitie (hierna: het Hof) zijn dehandelsafspraken die tussen de EU en Marokko op het gebied van visserijzijn gesloten in strijd met het zelfbeschikkingsrecht van de oorspronkelijkebevolking van de Westelijke Sahara. Volgens het Hof hoeft de vereisteinstemming van de oorspronkelijke bevolking van de Westelijke Saharamet de handels- en visserijafspraken niet expliciet te zijn, maar kan dezeook impliciet zijn.Impliciete instemming kan volgens het EU Hof van Justitie wordenverondersteld als aan twee voorwaarden is voldaan: 1. De overeenkomstmag geen verplichtingen scheppen voor de (oorspronkelijke bevolking)van dat gebied; en 2. De betreffende bevolking moet een specifiek,concreet, substantieel en verifieerbaar voordeel ontvangen uit deexploitatie van de natuurlijke rijkdommen van dat gebied, dat inverhouding staat tot de omvang van die exploitatie. Dit voordeel moetgepaard gaan met garanties dat deze exploitatie plaatsvindt in omstandig-heden die in overeenstemming zijn met het beginsel van duurzameontwikkeling. Ook moet de betrokken overeenkomst voorzien in eenmechanisme voor regelmatige controle.Handels- en visserijafspraken zijn een exclusieve EU-competentie. DeCommissie voert namens de EU onderhandelingsgesprekken om in dezecasus tot afspraken te komen die in lijn zijn met de uitspraken van het Hof.In EU-verband vraagt Nederland naar en wijst het op het belang vanbetrokkenheid van partijen met een belang bij deze kwestie.Stand van Zaken Geïmplementeerde richtlijnen 2025De leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen. Tenaanzien van de lijst «Geïmplementeerde richtlijnen 2025» van 79richtlijnen ligt Nederland slechts in twee gevallen op schema, en van deoverige 77 is Nederland of niet op schema, of te laat. Wat is hier aan dehand? Hoe ziet deze lijst eruit voor onze buurlanden?AntwoordDeze gegevens komen uit het Nederlandse i-Timer systeem automatischbinnen. Dat de richtlijnen niet op schema liggen, betekent niet dat derichtlijnen niet tijdig geïmplementeerd worden. In de Kamerbrief van ditrichtlijnenoverzicht staat per ministerie aangegeven wat de reden is vande implementatieachterstand (Kamerstuk 21 109-275). Er is geen overzichtvan de implementatie van richtlijnen bij buurlanden.In het kwartaaloverzicht staat dat de EC van mening is dat Nederland eenaantal bepalingen van de habitatrichtlijn niet of niet goed heeft omgezet.Waar gaat het daar om? Hoe ziet de Staatssecretaris dat?AntwoordIn 2022 is de Commissie een inbreukprocedure gestart rondom bijvangst.De Commissie heeft daarin o.a. aangegeven dat er in Nederland nietvoldoende gemonitord wordt naar de bijvangst van walvisachtigen,specifiek de bruinvis. Deze inbreukprocedure maakt deel uit van een reeksinbreukprocedures die verschillende lidstaten hebben ontvangen.Nederland heeft in februari 2022 een eerste aanmaningsbrief ontvangenen in februari 2024 zijn vanuit de Commissie vervolgvragen gesteld. Opbeide brieven heeft Nederland binnen de gestelde termijn van tweemaanden gereageerd. Op 21 november 2025 heeft Nederland een MetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174341 Redenen Omkleed Advies (MROA) ontvangen. Een MROA is formele stapin de EU-inbreukprocedure waarbij de Commissie een lidstaat oproept omte voldoen, nadat een eerdere aanmaning (ingebrekestelling) nietadequaat is beantwoord. Momenteel wordt de inhoud van dit MROAbestudeerd en wordt gewerkt aan een reactie aan de Commissie. Omdatdit een lopende inbreukprocedure betreft kunnen er inhoudelijk geendetails met de Kamer worden gedeeld.Hoe zit dat met artikelen 2, 3 en 4 van de Vogelrichtlijn waarnaar wordtverwezen?AntwoordNederland is op dit moment bezig met het beantwoorden van het MetRedenen Omkleed Advies van de Commissie voor wat betreft deinbreukprocedure Grutto. De Kamer wordt hierover voor het Kerstrecesgeïnformeerd.CITESDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen. Wat isnu de Nederlandse inzet voor het voorstel van een aantal Afrikaanselanden naar aanleiding van de CITES African Dialogue Meeting for Africanelephant Range States? Welke onderdelen van dat voorstel wil Nederlandondersteunen en onder welke voorwaarden? Worden nu versoepelingenbepleit om ivoorhandel weer mogelijk te maken?AntwoordHet voorstel ziet op de overdracht van levende olifanten en dus niet op dehandel in ivoor. De populaties van Botswana, Namibië, Zuid Afrika enZimbabwe staan op bijlage II van het CITES-verdrag. Dit in tegenstellingtot de populaties van andere Afrikaanse landen, waarin alle handel isverboden. Voor de genoemde populaties onder bijlage II geldt een zgn.annotatie die de internationale handel inperkt. Een annotatie kan bepaaldedelen, producten of productgroepen uitsluiten. De voorwaarden in deannotatie waren tot nu toe niet gelijk voor de vier landen. De vier landenbeogen met het voorstel de annotatie te harmoniseren en devoorwaarden voor de overdracht van levende olifanten gelijk te trekken.Tijdens de twintigste CITES Conference of the Parties (CoP20) zijn allerange States van de Afrikaanse olifant verzocht met elkaar tot eenovereenstemming te komen op dit punt. Dit is gelukt en het voorstel ismet een aantal wijzigingen aangenomen. Voor de Europese Unie,waaronder Nederland, was de overeenstemming van belang. Voor depopulaties van alle vier de landen geldt nu dat er overdracht van levendeolifanten plaats mag vinden als de overdracht voldoet aan de definitie van»appropriate and acceptable destinations», zoals opgenomen in CITESResolutie Conf. 11.20 (Rev. CoP18) «Definition of the term «appropriateand acceptable destinations»». Een voorbeeld van een dergelijkebestemming is een beschermd gebied waar de Afrikaanse olifant vannature voorkomt.Op welke manier zet Nederland zich ervoor in dat het opnemen van dePaubrasilia echinata niet problemen leidt voor musici met reeds van dithout vervaardigde strijkstokken?AntwoordNaast consultatie voorafgaand aan CoP20 over dit punt, heeft Nederlandtijdens de CoP20 deelgenomen aan een werkgroep om samen metEU-lidstaten, Brazilië en andere Partijen een alternatief uit te werken. Ditalternatief is uiteindelijk aangenomen. Paubrasilia echinata blijft opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174342 appendix II, maar de annotatie is aangescherpt. De aangenomen annotatiezorgt er voor dat musici vrij kunnen reizen met reeds in het bezit zijndestrijkstokken ten behoeve van optredens. De uitkomsten van CoP20, waarmeer dan 300 besluiten zijn genomen, worden nu eerst goed bestudeerdom te kijken wat deze precies voor verschillende doelgroepen betekenen.De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) zal voor het einde vanhet jaar hierover communiceren. De besluiten treden na 90 dagen inwerking (5 maart 2026).DEBAT Gemeenschappelijk landbouwbeleidDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende opmerkingen en vragen. Welkemogelijkheden zal het nieuwe GLB bieden voor innovaties en nieuwetechnologieën voor boeren en in hoeverre zullen die ook beschikbaar zijnvoor technieken om stikstofuitstoot te beperken? De Minister schrijft datzij minder bureaucratie en administratieve lasten wil. Op welke manierenwil de Minister de administratieve lastendruk verminderen?AntwoordHet MFK richt zich in brede zin op het vergroten van het concurrentiever-mogen van de EU. Dat juicht het kabinet toe. Gevolg daarvan is wel dat degegarandeerde budgettaire ruimte voor innovatie en nieuwe technolo-gieën in de landbouwsector inclusief die voor stikstof is vervallen.Nationaal zullen lidstaten hiervoor zelf keuzes in het NRPP moeten makenwaarin de instrumenten voor innovatie beschikbaar blijven en het budgetervoor aan een brede nationale keuze wordt gelaten. Innovatie in deagrarische sector blijft wel heel belangrijk voor mij dus daarvoor zal ik mijblijven inzetten. Bij de toepassing van de instrumenten blijft de prioriteitdat boeren minder blokkades ervaren om deel te nemen aan deGLB-interventies. De Minister richt zich daarbij op het verkorten vantermijnen, het verminderen van invullen van gegevens en het vereenvou-digingen van EU rapportages omdat die vaak uiteindelijk doorwerken inhogere administratieve lasten voor de boeren.OntbossingsverordeningDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende vraag. Deze leden zijn het eensmet de bewindspersonen dat de huidige voorstellen onvoldoende zijn.Wat gaat de Staatssecretaris nu doen om te voorkomen dat die rapporta-geverplichtingen een te grote administratieve druk leggen op kleinedeelnemers?AntwoordOp dit moment vindt de triloog plaats over aanpassingen aan deEU-ontbossingsverordening (EUDR). Nederland zal daarin onthouden vanstemming over de voorgestelde wijzigingen, zoals toegelicht in deKamerbrief van 7 november jl. (Kamerstuk nr. 22112-4199), omdat hetkabinet van mening is dat de voorgestelde wijzigingen onduidelijkheidcreëren en tot fragmentatie in de handhaving leiden. Nederland zaldaarom in het kader van de review inzetten op daadwerkelijke lastenver-lichting voor bedrijven, die conform de regels van de Wereldhandelsorga-nisatie (WTO) is en niet leidt tot fragmentatie. Daarbij moet rekeninggehouden worden met de investeringen die al zijn gemaakt voor nalevingvan de EUDR. Dat vereist een zorgvuldig proces.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174343 Nieuwe Genomische TechniekenDe leden van de JA21-fractie hebben met interesse kennisgenomen vandeze stukken en hebben nog de volgende vraag. Hoe kijkt de Staatssecre-taris naar het voorstel voor een gedragscode voor patenteigenaren ommisbruik te voorkomen?AntwoordDe Staatssecretaris heeft de compromistekst uit de trilogen nog nietontvangen, dus een appreciatie daarvan kan op dit moment nog nietworden gegeven. Ten algemene is de inzet van de Staatssecretaris in deRaad om veredelaars meer transparantie te bieden in het octrooiland-schap van de plantveredeling. Het is daarbij van belang dat het hier gaatom vrijwillige maatregelen die de rechten van een octrooihouder nietbeperken, aangezien dat niet in lijn zou zijn met het Europees OctrooiVerdrag (EOV). Zo kunnen octrooihouders vrijwillig aangeven of zij vanplan zijn om een licentie te verlenen op hun octrooien of deze aan tebieden op licentieplatformen. Ten algemene steunt de Staatssecretaris hetgebruik van licentieplatformen om geoctrooieerde innovaties ondergelijke voorwaarden beschikbaar te stellen aan alle veredelaars.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de geannoteerde agenda van de Landbouw- en visserijraad van 11 en12 december. Deze leden hebben daarover nog een aantal vragen.De leden van de BBB-fractie waarderen de inzet van de Minister op hetgebied van de vereenvoudiging van het GLB. Deze leden vragen of deMinister kan toezeggen dat de voorgestelde vereenvoudigingsvoorstellenin 2026 gaan gelden. Bovendien willen deze leden graag weten welkeaanvullende vereenvoudigingen zijn er volgens de Minister nodig zijn inhet GLB na 2027 ten opzichte van het voorstel van de EC.AntwoordOp 10 november is er een voorlopig akkoord bereikt over de definitievetekst van het Omnibuspakket voor de Landbouw. Het vaststellen van hetOmnibuspakket vindt de Minister een belangrijke stap in de verbeteringvan de uitvoering van het GLB en de vermindering van regeldruk vooragrarische ondernemers. Het pakket dat er nu ligt, sluit wat de Ministerbetreft voldoende aan bij de inzet van het kabinet. Het voorlopige akkoordmoet nu door de Raad en het EP worden bevestigd voordat het in werkingkan treden. Zodra het Omnibuspakket voor de Landbouw definitief isvastgesteld, zal de Minister de Kamer nader informeren over de concretetoepassing in Nederland en wat er voor landbouwers op welk momentgaat veranderen.De leden van de BBB-fractie maken zich over het MFK grote zorgen. Dezeleden zien dat de Nederlandse staat op dit moment vijf miljard euro meerlijkt te gaan moeten afdragen aan Europa. Daarnaast zien deze leden devoorgestelde daling van maar liefst 24 procent van de Nederlandseontvangsten van het GLB. Zij vragen de Minister daarom om door te latenrekenen wat de gevolgen zullen zijn voor voedselprijzen in Nederland.AntwoordDe voorgestelde bedragen in het MFK-voorstel betreffen minimumbe-dragen die aan landbouw en visserij besteed moeten worden. Lidstatenkrijgen de vrijheid om op nationaal niveau keuzes te maken en middelenuit het niet-gealloceerde deel van hun NRP-envelop binnen het nationaleplan te alloceren aan een gewenst beleidsterrein. Pas nadat het NRP-planTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174344 is opgesteld en de middelen uit de vrije ruimte verdeeld zijn, is duidelijkhoeveel geld er naar de verschillende beleidsterreinen gaat. Voedsel-prijzen zijn afhankelijk van uiteenlopende factoren. Het is daarom nietmogelijk om te onderzoeken wat de gevolgen van het voorstel zoudenkunnen zijn voor voedselprijzen in Nederland.Wat zijn daarnaast de te verwachten gevolgen voor de leefbaarheid vande regio’s, als door het nieuwe MFK en het single fund mogelijk veelminder geld beschikbaar komt voor de regio’s, omdat ook andere sectorenaanspraak kunnen maken op geld dat op dit moment dankzij het GLBgeoormerkt is voor de landbouw en landelijke regio’s? Wat kan deMinister doen om te zorgen dat de leefbaarheid op het platteland en devoedselprijzen worden beschermd?AntwoordEen leefbaar landelijk gebied is belangrijk voor het kabinet. Het kabinetverwelkomt dan ook de aandacht die uitgaat naar de vitaliteit vanplattelandsgebieden in de MFK-voorstellen en zal zich inzetten voor hetthema plattelandsontwikkeling en rural proofing binnen het NRPP. Definanciële borging van middelen voor interventies, waaronder LEADER, isin het voorstel van de Commissie komen te vervallen, hoewel eeninvulling van LEADER door de lidstaten verplicht blijft. Van dit instrumentis bekend dat het bijdraagt aan de leefbaarheid in het landelijke gebied.Ook in de mogelijke nieuwe situatie ziet het kabinet kansen voor eenleefbaar landelijk gebied. De nieuwe MFK-structuur biedt gelegenheidvoor synergie tussen de instrumenten die bijdragen aan regionaleontwikkeling, plaatsgebonden beleid en het GLB. Lidstaten kunnen bij hetopstellen van hun nationale plannen bovendien zelf besluiten over deverdeling van de niet-gealloceerde middelen. Het staat nog niet vasthoeveel middelen er voor iedere opgave beschikbaar komen. Eeninschatting over de te verwachten gevolgen is daarom nog niet te gevenen is afhankelijk van verdere toedeling van middelen en uitwerking. Omeen beter beeld te krijgen van de staat van het platteland en de mogelijkebeleidsinzet en kansen voor financiering heeft het Ministerie van LVVN hetinitiatief genomen voor een «Rural Review». De resultaten van ditonderzoek kunnen ook richting geven aan de inzet om via het NRPP enander beleid om een leefbaar landelijk gebied te behouden en tebevorderen.De leden van de BBB-fractie hebben ook vragen over de afschaffing vanhet LIFE-programma, dat al sinds 1992 bestaat als financieringsinstrumentvoor milieu en klimaatactie. Dit programma wordt als afzonderlijkprogramma afgeschaft. Afschaffing van LIFE tot gevolg kan hebben datinvesteringen minder gericht en minder effectief zullen zijn, zeker omdathet bedrag niet meer specifiek is geoormerkt voor milieu en natuur, maarindustrie en milieu uit dezelfde pot moeten worden gefinancierd. Dezeleden vragen hoeveel geld er de afgelopen jaren beschikbaar geweest isvanuit LIFE en hoeveel geld daarvan in of door Nederland besteed is.Hoeveel heeft Nederland in die tijd bijgedragen aan LIFE? Is Nederlanddaarmee een netto-ontvanger van of een netto-bijdrager aan hetLIFE-fonds? Ziet de Staatssecretaris daarnaast gedurende de resterendelooptijd van LIFE een mogelijkheid om geld uit het LIFE-fonds te gebruikenvoor de toegezegde plannen om zoveel mogelijk wolven in Nederland vaneen zender te voorzien?AntwoordIn het voorstel van de Commissie voor het MFK vanaf 2028 keren deactiviteiten onder het huidige LIFE-programma (5,45 miljard euro over deperiode 2021–2027) terug binnen zowel het NRPP-voorstel als het voorstelvoor het Europees Concurrentievermogenfonds (ECF). AdviesbureauTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174345 ERAC stelt dat vanaf het begin van de huidige EU-budgetperiode2021–2027 tot aan de peildatum 1 september 2025 in Nederland ongeveer€ 113 miljoen aan LIFE-subsidie toegekend is aan 165 unieke organisaties,verdeeld over 158 projecten. In bredere zin stelt ERAC dat Nederland invergelijking met andere lidstaten zoals Duitsland, Zweden en Denemarkenrelatief veel profiteert van Europese middelen ten behoeve van klimaat,circulaire economie, biodiversiteit en milieu, waarvan hetLIFE-programma een belangrijk onderdeel is. Over de gehele MFK bezienis Nederland nettobetaler aan de EU-begroting. In de onderhandelingenvraagt het kabinet waar passend aandacht voor een goede borging van deelementen die LIFE tot een effectief en coherent instrument maken.Binnen het huidige LIFE-programma bestaat de mogelijkheid voor hetuitvoeren van projecten rond wolven. Het gebruik van LIFE-middelenspecifiek voor zenderen is alleen mogelijk als goed wordt onderbouwd dathet doel is om problemen met wolven te voorkomen of om samenlevenmet wolven beter mogelijk te maken; dat vloeit voort uit de LIFE vereisten.Of een projectaanvraag LIFE-financiering krijgt, hangt af van de kwaliteiten concurrentie met andere projectaanvragen. Provincies zijn verantwoor-delijk voor natuurbeleid. Dat betekent dat een aanvraag voorLIFE-middelen in beginsel vanuit provincies zou moeten komen; hetMinisterie van LVVN kan hierin ondersteunen.De leden van de BBB-fractie herkennen de zorgen vanuit de sector over deOntbossingsverordening (EUDR). Deze leden maken zich vooral zorgenover de papierindustrie, omdat zij door het gebruik van veel (afval)hout-zaagsel vaak moeilijk kunnen aantonen dat hun papier gemaakt is vanhout dat gewonnen is uit een specifiek gebied. Daarom willen zij deStaatssecretaris graag vragen hoe het contact met de papier- en verpak-kingsproducenten verloopt en of er een oplossing gevonden is voor hunproblemen met deze verordening. Bestaat inmiddels de mogelijkheid totmassa-balansboekhouding of een vergelijkbaar systeem?Bovendien maken deze leden zich zorgen over de geluiden dat hetsysteem Trade Control and Expert System New Technology (TRACES)mogelijk onvoldoende ingericht is voor de taak die voorligt. Kan deStaatssecretaris daarover garanties geven? Bestaat er de mogelijkheid datnaleving en handhaving onmogelijk worden door de tekortkomingen vanTRACES en wordt daarmee in de onderhandelingen rekening gehoudenen een oplossing voor gezocht indien nodig?AntwoordDe papierindustrie heeft onder de Europese houtverordening al ervaringop kunnen doen in het aantonen van de legaliteit van het gebruikte hout.Het is toegestaan om in overvloede te declareren (declaration in excess)op een zorgvuldigheidsverklaring om zo te zorgen dat het hout in degeïmporteerde partij zeker valt onder de herkomsten zoals genoemd in deverklaring. Focus van de handhaving ligt op het stelsel van zorgvuldig-heidseisen dat bedrijven moeten opstellen, toepassen en onderhouden.De verklaring in TRACES is daar het eindproduct van. Ook zonder deinformatie in TRACES kunnen bedrijven naleven en de NVWA handhaven.De leden van de BBB-fractie hebben ook een aantal vragen over de CITESwetgeving. Zij zien dat de regelgeving rondom CITES-bijlage II-dieren inNederland de laatste jaren tot onrust leidt. Hoewel de regels wereldwijdniet veranderden, is de inzet van de Nederlandse overheid en deNederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) wel veranderd. Dezeleden merken op dat eigenaren van dieren die onder CITES-bijlage IIvallen steeds vaker te maken krijgen met striktere handhaving van degeldende regelgeving, met voor betrokkenen mogelijk ingrijpendeconsequenties. Deze leden constateren dat voor veel houders het risicoTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174346 bestaat dat zij hun dieren kunnen kwijtraken. Decennialang gold regis-tratie doorgaans als voldoende bewijs van legale herkomst, waardoorhouders erop vertrouwden dat hun administratie voldeed aan de eisen.Houders werden in die tijd ook door ambtenaren van de Rijksdienst voorOndernemend Nederland (RVO) en NVWA geïnformeerd dat hunadministratie voldoende was. De leden van de BBB-fractie wijzen erop dat,naar aanleiding van Europese kritiek op de wijze waarop Nederland delegaliteit van dieren beoordeelt, de norm recent aanzienlijk is verzwaarden de handhaving is aangescherpt. Wat jarenlang is geaccepteerd blijkt nuniet langer toereikend. Deze leden vrezen een hetze tegen houders, dieniet alleen onzekerheid betekent, maar ook te veel zou vragen van dehandhavingscapaciteit van de NVWA.De leden van de BBB-fractie constateren dat houders niet konden wetendat hun administratie niet afdoende was, omdat zij van de overheid tehoren kregen dat ze voldeden aan alle eisen. Gezien het feit dat inmiddelsvoor duizenden (nafok)dieren die vallen onder de CITES-bijlage II nietlanger aan te tonen is dat zij voldoen aan de definitie «in gevangenschapgefokt» in de breedste zin van het woord, ontstaan nu verschillendeproblemen. Deze leden vragen aan de Staatssecretaris of hij op de hoogteis van deze problemen en de rechtszaken waarin ook door medewerkersvan de NVWA is verklaard, dat eigenaren jarenlang van de overheid tehoren kregen dat de administratie die zij voerden, voldoende was voor debewijslast die zij hadden voor dieren op de CITES bijlage II.Deelt de Staatssecretaris de mening dat er een schappelijke oplossinggevonden moet worden voor al die eigenaren van CITES bijlage II dieren,zodat aan de regels voldaan kan worden? Ziet de Staatssecretaris ruimteom met de sector in gesprek te gaan over een nulmeting of generaalpardon, zodat huidige houders onder voorwaarden de mogelijkheidkrijgen om hun dieren te registeren en legaliseren, ook als er mogelijkhiaten in de bestaande administratie zitten die ontstaan zijn in de tijdvoorafgaand aan de uitspraak van december 2019?AntwoordDe Staatssecretaris is op de hoogte van de uitspraak van de rechtbankOost-Brabant van 31 oktober 2025 (ECLI:NL:RBOBR:2025:7045). In die zaakheeft een voormalig medewerker van de Nederlandse Voedsel- enWarenautoriteit (NVWA) verklaard dat de toezichtspraktijk voor 2019 opeen andere manier vormgegeven werd. De Staatssecretaris herkent zichniet in dat beeld en is op 8 december 2025 in hoger beroep gegaan tegendeze uitspraak. Er is de Staatssecretaris geen rechterlijke uitspraak bekendvan december 2019. Wel zijn er in 2019 richtsnoeren gepubliceerd door deCommissie die zien op het bewijs van legale verwerving voor levendedieren van de in bijlage B genoemde diersoorten en de daarvoor vereistebewijsstukken. Mogelijk wordt hier door vragensteller naar verwezen. Hetis belangrijk dat als er onduidelijkheden over regelgeving zijn, dezeworden weggenomen. Op dit punt worden de gerechtelijke procedures nugevolgd. De Staatssecretaris wacht de uitkomst daarvan af.De leden van de BBB-fractie constateren daarnaast dat de visserijonder-handelingen voor de pelagische vissoorten moeizaam verlopen enbenadrukken het belang van het volgen van de wetenschappelijkevangstadviezen van ICES. Deze leden vragen de Staatssecretaris dan ooknadrukkelijk om het belang van de wetenschappelijke adviezen van ICESonder de aandacht te brengen in de onderhandelingen met derde landen.De leden van de BBB-fractie verzoeken bovendien om het schrappen vande Haagse preferenties, omdat deze leiden tot een oneerlijke concurrentie-positie voor Nederlandse vissers. Deze leden vragen de Staatssecretarisom hiervan een topprioriteit te maken in de onderhandelingen en om,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174347 mocht Ierland dit alsnog willen indienen, een blokkerende minderheid tezoeken.AntwoordDe derde landen kennen het belang van de wetenschappelijkeICES-adviezen. De Staatssecretaris vindt de Haagse Preferenties onwen-selijk en zal dit, waar mogelijk in samenwerking met gelijkgezindelidstaten, inbrengen.De leden van de BBB-fractie vragen verder aandacht voor visverspreidingen willen duidelijkheid over hoe visbestanden hersteld moeten of kunnenworden wanneer soorten structureel van leefgebied verschuiven. Denatuur laat zich immers niet sturen. Deze leden vragen de Staatssecretarisdaarom om een reflectie op de gevolgen van de structurele verschuivingvan leefgebieden van vissoorten en de mogelijke reacties daarop als hetgaat om het verplichte herstel van bestanden in de gebieden waar vissenniet langer voorkomen omdat zij een ander leefgebied hebben gevonden.Deelt de Staatssecretaris de mening dat als vissen niet langer in eengebied voorkomen omdat bijvoorbeeld door klimaatverandering eenander gebied meer geschikt is en zij daarheen getrokken zijn, herstel vande visstand voor die soort in dat gebied moeizaam of onmogelijk zou zijnen daarmee niet langer afgedwongen zou moeten worden?AntwoordDe Staatssecretaris acht het van belang dat wetenschappers eerstvaststellen of er daadwerkelijk een structurele en blijvende verschuivingis. Pas op basis van wetenschappelijke conclusies kan worden beoordeeldwelke gevolgen dit heeft voor beheer- en hersteldoelen. Het is daarom tevroeg om aan te nemen dat herstelverplichtingen niet langer zoudenmoeten gelden. Nederland blijft handelen op basis van de bestebeschikbare wetenschap.De leden van de BBB-fractie steunen het vereenvoudigen van hetvisserijbeleid, het verminderen van administratieve lasten en hetmoderniseren van de vloot, waarbij regelgeving innovatie niet magbelemmeren. Deze leden delen bovendien de zorgen over het uitblijvenvan internationale afspraken voor onder meer makreel en steunen daaromde inzet om alle beschikbare instrumenten te gebruiken om duurzameafspraken te bereiken met derde landen. De leden van de BBB-fractiesteunen de voorstellen van lidstaten zoals Frankrijk, Slowakije en Finlandom in het volgende MFK voldoende middelen te reserveren voor visserijen aquacultuur, waarbij het European Maritime Fisheries and AquacultureFund (EMFAF) (EMFAF) eenvoudiger en beter toegankelijk moet worden.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om een updateover het uitbreiden van het instrumentarium waarmee jonge vissers meermogelijkheden krijgen om een bedrijf te starten.AntwoordDe Staatssecretaris vindt het van belang om jonge vissers te onder-steunen. In 2025 zijn er meerdere subsidieregelingen opengesteld omvissers, waaronder ook jonge vissers, te ondersteunen bij de benodigdeinnovaties. Dit betrof de subsidieregeling «Innoveren in de visserijtech-nieken» (Kamerstuk 29 675, nr. 234) en subsidieregelingen onder hetEuropean Maritime Fisheries and Aquaculture Fund (EMFAF) voorinnovatieprojecten in de visserij en aquacultuur (Kamerstuk 29 675,nr. 233).Zoals eerder aan de Kamer gemeld, heeft bij het opstellen van deuitvoeringsagenda van de Visie Voedsel uit Zee en Grote Wateren, geenvan de deelnemende partijen aangegeven dat er behoefte is aan extraTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174348 acties gericht op ondersteuning bij bedrijfsovername. Om die reden is ergeen specifieke subsidieregeling gericht op de bedrijfsopvolging vanjonge vissers (Kamerstuk 30 252, nr. 210). Wel wordt de visserij- enaquacultuursector onderdeel van de Borgstellingsregeling Landbouw,waardoor onder meer startende visserijondernemers een lening bij debank af kunnen sluiten wanneer zij door een tekort aan zekerheden geenof minder gemakkelijk een reguliere lening kunnen afsluiten (Kamerstuk32 637, nr. 704).Op dit moment vist Rusland 50 procent van de makreel-TAC op, terwijlslechts 5 procent is toegestaan. Deze leden vinden dat onacceptabel.Voedselzekerheid is van groot strategisch belang, daarom is dit ookopgenomen in de defensiestrategie. Deze leden vragen de Staatssecre-taris hierover in gesprek te gaan met zijn Europese collega’s omgezamenlijk op te treden. Zij vragen de Staatssecretaris tevens met derdelanden zoals Noorwegen te spreken, aangezien er soms sprake is vanstrategische samenwerking tussen Rusland en Noorwegen en deFaeroër-eilanden in bepaalde visserijonderhandelingen.AntwoordCijfers van de Commissie veronderstellen dat de RF dit jaar (2025) bijna20% van de totale vangstmogelijkheid zal opvissen. De Staatssecretarisdeelt de mening dat overbevissing moet worden tegengegaan. OokNoorwegen en de Faröer-eilanden nemen, bij het ontbreken van eenovereenkomst over een verdeelsleutel, het deel dat zij gerechtvaardigdachten. Er is geregeld overleg met de andere lidstaten en de Commissiewelke mogelijkheden ter beschikking staan en hoe deze zorgvuldigkunnen worden ingezet.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris om in onderhan-delingen rekening te houden met sociaaleconomische omstandighedenen ICES-adviezen, en om de erkenning van de EU als kuststaat tebevorderen. Met name voor Atlanto-Scandische haring (ASH) hebben dekuststaten zonder de EU een vangsthoogte afgesproken.AntwoordWaar mogelijk binnen de wetenschappelijke adviezen bepleit de Staatsse-cretaris het meewegen van sociaaleconomische omstandigheden. Watbetreft de erkenning van de EU als kuststaat voor Atlanto-Scandischeharing (ASH) nemen de Commissie en lidstaten hun beheerverantwoorde-lijkheid in deze, maar kunnen «erkenning» en vangsthoogte nietafdwingen. Wel is onder de Handels- en Samenwerkingsovereenkomstmet het VK een vaste verdeelsleutel voor deze soort met de kuststaat VKopgenomen; het VK is hier dus in dat verband aan gehouden.De leden van de BBB-fractie verzoeken, omdat makreel nog steedsduurzaam wordt gevangen, de Staatssecretaris daarom om in gesprek tegaan met supermarkten om te benadrukken dat makreel niet vermedenhoeft te worden door retailers.Hoewel de staat van het makreelbestand zorgelijk is, wil de Staatssecre-taris vooropstellen dat het wetenschappelijk advies voor makreel voor2026 nog steeds ruimte laat voor een duurzame vangsthoeveelheid (vancirca 174.000 ton). De Staatssecretaris ziet geen reden dat dit niet aanconsumenten kan worden aangeboden. Zoals ook aangegeven in debeantwoording van het schriftelijk overleg van de Raad van 27 en28 oktober jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1730) is het aan supermarkten omop basis van de beschikbare informatie een afweging te maken oververkoop van makreel. De Staatssecretaris is, zoals ook reeds toegezegd inde eerder genoemde beantwoording in oktober, bereid in gesprek te gaanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174349 met het Centraal Bureau Levensmiddelenhandel (CBL) om te horen hoehet tot zijn besluit is gekomen.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris of het mogelijk isom een advies aan ICES te vragen. Volgens EU-Verordening nr. 724/2010van de Commissie d.d. 12 augustus 2010 tot vaststelling van bepalingenter uitvoering van realtimesluitingen van sommige visserijtakken in deNoordzee en het Skagerrak, wordt een tijdelijke sluiting van een gebiedopgelegd wanneer meer dan 10% van de vangst van soorten zoalskabeljauw, schelvis, pollak of wijting ondermaats is. Een RTC (Real-TimeClosure) wordt ingesteld voor een periode van 21 dagen en bestrijkt eengroot gebied. Hoewel deze maatregel oorspronkelijk bedoeld was omkwetsbare visbestanden te beschermen, dateert de regeling uit 2010 ensluit zij onvoldoende aan bij de huidige ontwikkelingen van de visbe-standen. De vangstmogelijkheden worden jaarlijks aangepast op basisvan wetenschappelijke inzichten, maar de criteria voor RTC’s blijvenongewijzigd.AntwoordDe Staatssecretaris is bekend met de knelpunten gerelateerd aanEU-Verordening nr. 724/2010 en deelt de mening van de leden van deBBB-fractie dat deze verordening toe is aan een herziening. Aangezien hettrilateraal akkoord tussen de EU, het VK en Noorwegen aanscherpingenbevat op de Real-Time Closure (RTC)-regels voor kabeljauw, heeft deStaatssecretaris toegezien op de opname van een algehele revisie van hetRTC-regime in de werkzaamheden tussen de drie betrokken landen vooraankomend jaar. Op deze manier zullen eventuele aanpassingen op hetgebied van RTC-maatregelen zich niet alleen beperken tot kabeljauw, maarzich ook richten op de biologische status van de overige bestanden omdeze beter te kunnen laten aansluiten bij de huidige stand van dezepopulaties. De revisie geeft de mogelijkheid om de voor Nederlandbelangrijke punten onder de aandacht te brengen bij de Commissie.Verder heeft Nederland de herziening van de RTC-regimes in november2025 ook geagendeerd in de Scheveningengroep (regionaal samenwer-kingsverband met lidstaten rond de Noordzee) om samen met dezelidstaten te bekijken welke aanpassingen gewenst zijn. De lidstatenherkenden de zorgen van Nederland en gaan hierover in 2026 verder metelkaar in gesprek. De jaarlijkse vangstadviezen van ICES zullen hiervoorals basis dienen.De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris tenslotte omtijdens de Landbouw- en Visserijraad het wetenschappelijk onderzoeknaar pulsvisserij te bespreken en te verkennen of het in Europees verbandvia ICES weer kan worden toegestaan.AntwoordDe Staatssecretaris ondersteunt de innovatieve kracht van de visserij-sector, onder andere door hier ruchtbaarheid aan te geven tijdens deRaad. Daarom heeft de Staatssecretaris bijvoorbeeld in maart 2025 al eendiversenpunt ingebracht op de Raad, dat breed gesteund werd doorandere lidstaten (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1703). Daarnaast noemt deStaatssecretaris het pulstuig bij de bilaterale contacten die hij heeft metandere lidstaten.Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractieDe leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van onder meer degeannoteerde agenda. Deze leden hebben enkele vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174350 Verordening vangstmogelijkheden 2026 Atlantische oceaan/NoordzeeDe leden van de SGP-fractie maken zich grote zorgen over het inroepenvan de Haagse preferenties op makreel door Ierland. Het zou grotegevolgen hebben voor visserijbedrijven, omdat al sprake is van een hogequotumkorting op basis van het wetenschappelijk advies. Deelt deStaatssecretaris de mening dat het inleveren van al schaars makreel-quotum voor Ierland onacceptabel is en geen recht doet aan de ontwikke-lingen en het Europese speelveld? Gaat Nederland zich verzetten tegeneen TAC- en quotaverordening waarin genoemde Haagse preferentiestoegekend worden?AntwoordDe Staatssecretaris is met de SGP van mening dat het toekennen van deHaagse Preferenties, zeker ook gezien de dalende vangstadviezen voormakreel, onwenselijk is en zal zich dan ook in lijn hiermee inzetten in deonderhandelingen tijdens de Raad.GLB na 2027De leden van de SGP-fractie maken zich grote zorgen over de gevolgenvan het Europese voorstel voor het GLB na 2027. Deze leden constaterendat de integratie van het GLB in de NRPP’s de uitwerking ervan lidstatenmeer ruimte geeft voor het meer of minder steunen van hun agrariërs tenopzichte van andere lidstaten, al dan niet via inkomenssteun. Deelt deMinister de zorg van deze leden dat hierdoor eerder een ongelijkspeelveld kan ontstaan? Wil de Minister aandringen op zodanigeherziening dat sprake blijft van een eerlijk speelveld wat betreft financiëlesteun voor actieve landbouwbedrijven?AntwoordDe Minister deelt de zorg van de leden van de SGP-fractie dat devoorstellen invloed kunnen hebben op het gelijke speelveld in de EU. Haarinzet is erop gericht dat gelijke speelveld zoveel mogelijk te behouden ente versterken.De leden van de SGP-fractie constateren dat de EC aanstuurt op een forsebezuiniging op het budget voor het landbouwbeleid. Tegelijkertijdconstateren zij ook dat de EC aanstuurt op het sluiten van handelsver-dragen met landen waar minder strenge regels gelden voor milieu endierenwelzijn, waardoor de concurrentiepositie van tenminste een deelvan de Europese agrarische sector negatief wordt beïnvloedt. Verder zienzij dat de EC inzet op verduurzaming. Dat brengt kostenverhogingen metzich mee die niet zomaar op de markt terugverdiend kunnen worden.Deelt de Minister de mening van deze leden dat dit niet goed met elkaar terijmen is, de concurrentiepositie van onze boeren onder druk zet, evenalshet vermogen om te verduurzamen? Wat betekent dit voor de Neder-landse inzet wat betreft het GLB en het MFK?De Nederlandse inzet op het GLB en het MFK is beschreven een Kamer-brief en bijbehorend BNC-fiche over het GLB (Kamerstuk 22 112, nr. 4147).Er zijn nu geen nieuwe inzichten die een aanpassing van die inzetnoodzakelijk maken. De Minister blijft uiteraard oog houden voor decomplexe afhankelijkheden van handelsverdragen, de opzet en syste-matiek van het MFK en het GLB en de Europese interne markt. Het blijftdaarbij belangrijk te blijven zoeken naar de juiste balans.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174351 DerogatieDe leden van de SGP-fractie ontvangen graag meer informatie over destand van zaken met betrekking tot de aanvraag van een nieuwe derogatiebij de Nitraatrichtlijn. Wanneer verwacht de Minister hier duidelijkheidover te kunnen geven? Onder verwijzing naar de aangenomen motie vanhet lid Flach (Kamerstuk 28 973, nr. 276) willen deze leden weten op welkevariant van de derogatie nu door de Minister wordt ingezet.AntwoordOp 11 juli jl. heeft de Minister de Commissie formeel verzocht om eennieuwe derogatie voor Nederland in behandeling te nemen (Kamerstuk33 037, nr. 606). In een schriftelijke reactie eind augustus heeft deCommissie laten weten zich nader te beraden over het verzoek. In detussentijd hebben er zowel op (hoog)ambtelijk als op politiek niveaugesprekken plaatsgevonden om de aanvraag nader toe te lichten en teonderbouwen. Deze gesprekken vinden op vertrouwelijke basis plaats.Daarom kan de Minister de Kamer ook geen mededelingen doen over devariant van de derogatie waarop wordt ingezet. De Minister is op ditmoment in afwachting van een formele reactie van de Commissie. Zodrade Minister meer weet zal de Kamer hierover uiteraard worden geïnfor-meerd (Kamerstuk 33 037, nr. 606).Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractieDe leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voorde Landbouw- en Visserijraad van 11 en 12 december en hebben hier nogeen aantal vragen over.DierenwelzijnswetgevingDe leden van de PvdD-fractie constateren dat de Minister in antwoord opeerdere vragen liet weten van plan te zijn om de EC aan te spreken op hetfeit dat de Europese dierenwelzijnswetgeving niet expliciet is opgenomenin het werkprogramma van de EC (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1734). In hetverslag van de afgelopen Raad lezen deze leden niet terug in hoeverre ditis gebeurd. Kan de Minister aangeven of zij dit heeft gedaan, er steun wasvoor dit pleidooi en wat de reactie van de Eurocommissaris was?AntwoordIn de vorige Raad heeft de Minister aangegeven nog steeds hoop tehebben dat de Commissie in 2026 een concreet voorstel zal gaan doenvoor dierenwelzijnsregelgeving op het boerenbedrijf. De Eurocommissarisvoor Gezondheid en Dierenwelzijn heeft inmiddels – tijdens de conferentieWelfare of Farm Animals in the EU of 2050 van 1 december jl. – aange-geven dat de Commissie voornemens is om eind 2026 dergelijkewetgevingsvoorstellen te zullen presenteren. Deze voorstellen zullendaarna nog worden behandeld door de Raad en het EP.ScoPAFFDe leden van de fractie van de PvdD merken op dat de volgende ScoPAFF-meeting gepland staat op 11 en 12 december 2025 en dat de Kamer nogniet is geïnformeerd over de voorgenomen Nederlandse inzet. Wil deMinister toezeggen om standaard minstens één week voor de ScoPAFF-vergadering deze inzet met de Kamer te delen? Zo nee, waarom niet?AntwoordOp 10 en 11 december 2025 staat de volgende SCoPAFF-vergaderinggewasbeschermingsmiddelen gepland. De Kamer zal, zoals gebruikelijk,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174352 vooraf op 8 december worden geïnformeerd over de stempunten die opde agenda staan. De stukken komen twee weken voor de vergaderingbeschikbaar, waarna het College voor de toelating van gewasbescher-mingsmiddelen en biociden (Ctgb) de Minister hier wetenschappelijk overadviseert. Na het advies te hebben ontvangen wordt samen met hetMinisterie van Infrastructuur en Waterstaat, het Ministerie van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport en het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid een Nederlands standpunt bepaald. De Ministerinformeer uw Kamer vervolgens zo snel als mogelijk over dit standpunt.Is de Minister het met de fractieleden van de PvdD eens dat de inzet vande Nederlandse delegatie in ScoPAFF-vergaderingen valt onder hetinformatierecht van de Kamer en dat het de taak is van de Minister deKamer hier actief en tijdig over te informeren? Zo nee, waarom niet? Dezeleden lezen in voorgaande Kamerbrieven dat het College voor de toelatingvan gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) de Nederlandsedelegatie adviseert over haar inzet op de beslispunten. Wil de Ministertoezeggen deze adviezen als bijlage aan te hechten bij de Kamerbrief overde Nederlandse inzet in de aankomende ScoPAFF-vergadering? Zo nee,waarom niet?AntwoordOp verzoek van de Kamer wordt de Kamer voorafgaand aan de verga-dering geïnformeerd over de stempunten die voor de SCoPAFF zijngeagendeerd. Zoals benoemd tracht de Minister de Kamer hierover zosnel als mogelijk te informeren. Voor de standpuntbepaling overtechnisch-wetenschappelijke voorstellen over de (hernieuwing van)goedkeuring van werkzame stoffen in de EU baseert de Minister zichvoornamelijk op de wetenschappelijke adviezen van het Ctgb. In deterugkoppeling van de Minister aan de Kamer verwijst de Minister ooknaar dit ambtelijk Ctgb advies.De leden van de PvdD-fractie merken tevens op dat lidstaten ná eenScoPAFF-vergadering op uitnodiging van de EC een appreciatie kunnenleveren op agendapunten, zoals blijkt uit de «summary reports» vanvoorgaande vergaderingen. Wil de Minister toezeggen een eventueleNederlandse reactie met de Kamer te delen, uiterlijk één week vooraf-gaand aan de daaropvolgende ScoPAFF-meeting? Zo nee, waarom niet?Summary report van de ScoPAFF vergadering d.d. 1-2 oktoberDe leden van de PvdD-fractie lezen in het summary report van de ScoPAFFvergadering van 1 en 2 oktober 2025 dat lidstaten de mogelijkheid haddenom te reageren op het «renewal report» van de werkzame stof cyprodinilvoor 17 oktober 2025. Cyprodinil is geïdentificeerd als hormoonverstorenden kent grote risico’s voor zoogdieren en het waterleven. Heeft Nederlandop dit agendapunt een reactie ingestuurd en zo ja, kan de Minister dezereactie naar de Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?AntwoordHet SCoPAFF is een permanent comité onder voorzitterschap van deCommissie over technisch-wetenschappelijke of procedurele besluitenover de (hernieuwing van) goedkeuring van werkzame stoffen in de EU ofde criteria waarlangs ze worden beoordeeld. Stoffen die op de agendastaan worden veelal meerdere vergaderingen achter elkaar besprokengedurende hun (her)beoordelingsproces. Het Ctgb neemt, als aangewezenNederlandse toelatingsautoriteit, actief deel aan deze discussies en leverttussen de periode gedurende meerdere vergaderingen commentaar oplopende onderwerpen. Dit betreft een ambtelijke wetenschappelijkediscussie tussen de Commissie, lidstaten, toelatingsautoriteiten enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174353 European Food Safety Authority (EFSA). De Minister informeert de Kamerover het Nederlandse standpunt wanneer er een officieel voorstel van deCommissie ter besluitvorming voorligt.De leden van de PvdD-fractie lezen in ditzelfde summary report daarnaastdat de EC lidstaten uitnodigde om voor 10 oktober 2025 te reageren ophet feit dat twee lidstaten de goedkeuring van zes werkzame stoffen metPFAS willen herzien (Artikel 21 van COM1107/2009). Heeft de Ministerhierop een appreciatie gegeven en zo ja, wil de Minister deze reactie naarde Kamer sturen? Zo nee, waarom niet?Nederland is een van de twee lidstaten die het betreft. De Minister heeft,samen met de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, een brief aan deCommissie gestuurd met de oproep om een snelle aanpak te realiserenwaarbij alle TFA (trifluorazijnzuur) producerende stoffen worden herbeoor-deeld. Deze oproep is later ook mondeling tijdens het SCoPAFF-overlegherhaald. De Kamer is hierover op 13 en 17 november 2025 (Kamer-stukken 36 800-XIV, nr. 8 en 2025Z17850) geïnformeerd.De EC heeft de rapporteur-lidstaten (RMS) van werkzame stoffen metPFAS opgeroepen om hun evaluaties van deze stoffen geen vertraging opte laten lopen, zodat er geen verdere verlenging van de goedkeuringspe-riode nodig is. Klopt het dat Nederland RMS is van de PFAS-stof fluto-nalil? Wat voor stappen nemen de Minister en het Ctgb om te voldoen aande oproep van de EC?AntwoordJa, Nederland is rapporterend lidstaat voor de stof flutolanil. Het Ctgbheeft de wetenschappelijke beoordeling inmiddels afgerond, waarna dezehet Europese peer review proces heeft doorlopen. De conclusie van hetpeer review is door EFSA bij de Commissie aangeleverd. Dit bevindt zichnu in de besluitvormingsfase. De Commissie beraadt zich momenteel opeen conceptvoorstel over het niet verlengen van de goedkeuring.ScoPAFF-meeting d.d. 11–12 decemberDe leden van de PvdD-fractie lezen in de agenda van de ScoPAFF-meetingvan 11–12 december dat een hernieuwing van de goedkeuring van dewerkzame stof spinosad op de agenda staat (B.03). Spinosad is zeertoxisch voor bijen. In het summary report van de meeting wordt benoemddat een stemming over spinosad is uitgesteld omdat enkele lidstatenaandrongen op wijzigingen in het renewal report, in het bijzonder overdata over het chronische risico voor volwassen bijen en larven. Kan deMinister deze gang van zaken in detail toelichten? Wil de Ministertoezeggen om tegen de hernieuwing van spinosad te stemmen zolang hetrenewal report onvolledig is over het risico voor bijen en larven, of indienzij daar niet toe bereid is, zich in ieder geval te onthouden van stemming?Zo nee, waarom niet?AntwoordHet op basis van de opmerkingen van enkele lidstaten aangepaste reviewreport is nog niet beschikbaar voor de lidstaten. De Minister baseert haarstandpunt voor de besluitvorming op het wetenschappelijke advies dathet Ctgb zal geven, zodra het aangepaste voorstel door de Commissiewordt voorgelegd.De leden van de PvdD-fractie constateren dat één van de beslispunten inde ScoPAFF-vergadering van 11 en 12 december 2025 de verlenging vande goedkeuringsperiode van de werkzame stof boscalid is. Boscalid is zeerpersistent in de bodem en in water. Boscalid is sinds 2018 zes keerverlengd zonder herbeoordeling. Wil de Minister toezeggen tegen teTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174354 stemmen zolang de EC niet heeft onderbouwd of zij voldoet aan dehierboven toegelichte uitspraak van het Europees Hof, in het bijzonder de«objectieve» en «in concreto» analyse van de rol van de aanvrager inmogelijke vertragingen in de hernieuwingsprocedure? Of, indien zij hierniet toe bereid is, zich in ieder geval te onthouden van stemming? Zo nee,waarom niet?AntwoordDe Commissie stelt voor om de goedkeuringsperiode van deze stof teverlengen omdat besluitvorming, buiten de schuld van de aanvrager om,niet tijdig is afgerond. Zonder procedurele verlenging zou deze werkzamestof van de markt worden gehaald zonder dat een zorgvuldigbeoordelings- en besluitvormingsproces is doorlopen. Artikel 17 van degewasbeschermingsmiddelenverordening verplicht de Commissie indergelijke gevallen na consultatie van het SCoPAFF de goedkeuringspe-riode te verlengen zodat voldoende tijd is om dit proces af te ronden.Verder beraadt de Commissie zich nog op de uitspraak van het EuropeseHof. De Minister vindt het belangrijk om een zorgvuldig (her)beoorde-lingsproces te doorlopen en zal zodoende instemmen met het voorstel.De leden van de PvdD-fractie zien dat de volgende ScoPAFF-vergaderingook beslist over de verlenging van de goedkeuringsperiode van esfenva-leraat. Esfenvaleraat is een Candidate for Substution (CfS) en leidt totgezondheidsrisico’s zoals hormoonverstorende, neurotoxische effecten enrisico’s voor de ontwikkeling. De stof is daarnaast zeer giftig voor hetwaterleven, ongewervelde dieren en honingbijen. Esfenvaleraat is in 2016opnieuw toegelaten voor zeven jaar en aangemerkt als CfS. Sindsdien isde goedkeuringsperiode van esfenvaleraat drie keer verlengd zonderherbeoordeling tot 31 mei 2026. Wil de Minister toezeggen tegen testemmen zolang de EC niet heeft onderbouwd of zij voldoet aan dehierboven beschreven uitspraak van het Europees Hof, in het bijzonder de«objectieve» en «in concreto» analyse van de rol van de aanvrager inmogelijke vertragingen in de hernieuwingsprocedure? Of, indien zij hierniet toe bereid is, zich in ieder geval te onthouden van stemming? Zo nee,waarom niet?AntwoordDe Commissie stelt voor om de goedkeuringsperiode van deze stoffen teverlengen omdat besluitvorming, buiten de schuld van de aanvrager om,niet tijdig is afgerond. Zonder procedurele verlenging zouden dezewerkzame stoffen van de markt worden gehaald zonder dat eenzorgvuldig beoordelings- en besluitvormingsproces is doorlopen. Artikel17 van de gewasbeschermingsmiddelenverordening verplicht deCommissie in dergelijke gevallen na consultatie van het SCoPAFF degoedkeuringsperiode te verlengen zodat voldoende tijd is om dit proces afte ronden. Verder beraadt de Commissie zich nog op de uitspraak van hetEuropese Hof. De Minister vindt het belangrijk om een zorgvuldig(her)beoordelingsproces te doorlopen en zal zodoende instemmen methet voorstel.De leden van de PvdD-fractie constateren dat ook een verlenging van degoedkeuringsperiode van zes actieve stoffen met PFAS op de agenda vande volgende ScoPAFF-vergadering staat: fluazinam, fluometuron,fluopyram, flutonalil, penoxsulam en prosulfuron. Fluometuron is eenCandidate for Substitution en is mogelijk schadelijk voor de voortplanting.Prosulfuron is ook een CfS en is acuut giftig voor mensen en schadelijkvoor de reproductie. Alle zes de stoffen zijn al meerdere keren verlengdzonder hernieuwde goedkeuring. Wil de Minister toezeggen tegen testemmen zolang de EC niet heeft onderbouwd of zij voldoet aan dehierboven beschreven uitspraak van het Europees Hof, in het bijzonder deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174355 «objectieve» en «in concreto» analyse van de rol van de aanvrager inmogelijke vertragingen in de hernieuwingsprocedure? Of, indien zij hierniet toe bereid is, zich in ieder geval te onthouden van stemming? Zo nee,waarom niet?AntwoordDe Commissie stelt voor om de goedkeuringsperiode van deze stoffen teverlengen omdat besluitvorming, buiten de schuld van de aanvrager om,niet tijdig is afgerond. Zonder procedurele verlenging zouden dezewerkzame stoffen van de markt worden gehaald zonder dat eenzorgvuldig beoordelings- en besluitvormingsproces is doorlopen. Artikel17 van de gewasbeschermingsmiddelenverordening verplicht deCommissie in dergelijke gevallen na consultatie van het SCoPAFF degoedkeuringsperiode te verlengen zodat voldoende tijd is om dit proces afte ronden. Verder beraadt de Commissie zich nog op de uitspraak van hetEuropese Hof. De Minister vindt het belangrijk om een zorgvuldig(her)beoordelingsproces te doorlopen en zal zodoende instemmen methet voorstel.De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat actieve stoffen metbestrijdingsmiddelen zijn uitgesloten van het REACH-voorstel over eenverbod op PFAS omdat deze stoffen reeds onder een toelatingskadervallen, COM(1107/2009). Deelt de Minister de mening dat een verlengingvan de goedkeuringsperiode van bestrijdingsmiddelen met PFAS tot welzeven jaar na de oorspronkelijke vervaldatum (fluazinam) de maatschap-pelijke ongerustheid rondom PFAS voedt? Zo nee, waarom niet?Fluazinam en fluometuron breken af in TFA. Hoe denkt de Minister overhet niet verlengen van de goedkeuringsperiode van deze actieve stoffentotdat de EC haar herziene «mandate on TFA» heeft gepubliceerd?AntwoordDe Minister vindt het belangrijk dat (her)beoordelingsprocessenzorgvuldig worden doorlopen. Wanneer herbeoordelingen, buiten deschuld van de aanvrager om, niet tijdig zijn afgerond dient een goedkeu-ringsperiode te worden verlengd. Dit is ook een juridische verplichting. DeMinister heeft wel bij de Commissie erop aangedrongen dat de herbeoor-delingen van TFA-producerende stoffen zo snel als mogelijk wordenafgerond.De leden van de PvdD-fractie constateren tevens dat het Ctgb het middelLuna Sensation met de werkzame stof fluopyram niet opnieuw heefttoegelaten omdat geen acceptabel risico kan worden vastgesteld voorwerkenden, bijen en vogels. Bij de beoordeling van een middel wordtgrotendeels uitgegaan van de werkzame stof. Kan de Minister toelichtenhoe het mogelijk is dat in de ScoPAFF toch weer voor verlenging voorligtvoor fluopyram? Wil de Minister toezeggen tegen de verlenging testemmen? Als de Minister dit niet wil, kan zij de Kamer hierover eeninhoudelijke appreciatie geven?AntwoordHet middel Luna Sensation bevat twee werkzame stoffen: fluopyram entrifloxystrobin. De aanleiding van de herbeoordeling van het middel LunaSensation was de herbeoordeling van de stof trifloxystrobin. Dewerkzame stof fluopyram wordt momenteel Europees herbeoordeeld.Wanneer deze herbeoordeling is afgerond, start het Ctgb met de herbe-oordeling van toegelaten middelen op basis van fluopyram.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174356 Call for Evidence en afzwakkingen natuurwetgevingDe leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat de EC in augustus een korteCall for Evidence heeft uitgezet. In de beperkte consultatieperiode hebbenbijna 200.000 burgers zich uitgesproken tegen het afzwakken van debestaande natuurbeschermingswetten (BNN VARA, 12 september 2025, «Tweehonderdduizend burgers zeggen «nee» tegen afzwakking natuurbe-schermingswetten» (https://www.bnnvara.nl/vroegevogels/artikelen/tweehonderdduizend-burgers-zeggen-nee-tegen-afzwakking-natuurbeschermingswetten)). Deze uitkomst staat in scherp contrast metde daaropvolgende stappen van EC, die juist gericht zijn op hetverzwakken van diverse natuur- en milieuregels. Deelt de Minister deopvatting dat de uitgesproken maatschappelijke weerstand tegen dezeafzwakkingen, zoals ingebracht bij de Call for evidence, zwaarwegend zoumoeten zijn in de verdere besluitvorming binnen de EC en de Raad?Erkent zij dat dit geluid onvoldoende wordt meegenomen door de EC? Zonee, waarom niet?AntwoordHet kabinet gaat ervan uit dat de Commissie bij afwegingen over hetopnemen van dossiers in de milieu omnibus een gewogen afwegingmaakt over de gevolgen voor natuur- en milieuregels. Elke partij kanreageren op een Call for Evidence, het is vervolgens aan de Commissieom zorgvuldig om te gaan met de geleverde reacties. Voor wat betreft deRaad levert Nederland zijn input via de reguliere processen, dit gebeurtzorgvuldig en in afstemming met de Kamer.MercosurDe leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben een aantal vragenover de Nederlandse houding ten aanzien van het EU-Mercosurverdrag.Dit verdrag is desastreus voor natuur, biodiversiteit, mensenrechten enNederlandse boeren door import van goedkoop vlees en veevoer uitontboste gebieden met slechte standaarden op het gebied van natuur envoedselveiligheid.Deze leden hebben met zorg gekeken naar het kabinetsstandpunt over hetEU-Mercosurverdrag. Ondanks dat de Kamer meermaals een motie heeftaangenomen om zich actief tegen een Mercosurakkoord met eenlandbouwparagraaf erin te verzetten, staat het kabinet positief tegenoverMercosur. Deze leden lezen in de Telegraaf (Telegraaf, 21 november 2025,«Uitdaging na spanning in kabinet: Dick Schoof moet de boer op inBrussel voor uitzondering mestbeleid» (https://www.telegraaf.nl/politiek/uitdaging-na-spanning-in-kabinet-dick-schoof-moet-de-boer-op-in-brussel-voor-uitzondering-mestbeleid/106418793.html)) dat het kabinet in ruil voorsteun aan het Mercosurverdrag de derogatie wil verkrijgen. Deze ledenlezen in de Financial Times dat het het kabinet niet is gelukt om dederogatie te verkrijgen. Klopt het bericht uit de Financial Times en zo ja, ishet kabinet bereid om Nederlandse boeren te steunen door zijn standpuntover het Mercosurverdrag te herzien? Zo nee, waarom niet?AntwoordOp 11 juli jl. heeft de Minister de Commissie formeel verzocht om eennieuwe derogatie voor Nederland in behandeling te nemen (Kamerstuk33 037, nr. 606). In een schriftelijke reactie eind augustus heeft deCommissie laten weten zich nader te beraden over het verzoek. DeMinister is op dit moment in afwachting van een formele reactie van deCommissie. Het kabinet kijkt niet naar dossiers in isolatie, maar als geheel.Zo heeft het kabinet in de kabinetsappreciatie over het EU-Mercosur-akkoord aangegeven dat Nederland bij de Commissie zal blijven pleitenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174357 voor een positieve grondhouding voor de derogatieaanvraag voorNederland.De leden van de PvdD-fractie wijzen op het Wageningen-rapport (WUR,april 2025, «Effecten van het EU-Mercosur akkoord op de Nederlandseeconomie» (https://open.overheid.nl/documenten/ca11cba2-a803-4475-8a12-40fb3bbfe91e/file)), dat faillissementsrisico’s toont voor Nederlandseboeren in een aantal sectoren. Hoe beoordeelt de Minister deze risico’s, enwat is haar boodschap aan boeren die hierdoor geraakt worden? Kan deMinister reflecteren op het cumulatieve effect van alle lopende handels-verdragen op de Nederlandse boeren? Deze leden waarschuwen datMercosurverdrag de deuren wagenwijd opent voor producten die niet aanNederlandse standaarden voldoen, met onduidelijke herkomst vanproducten. Hoe beoordeelt de Minister het effect hiervan op de Neder-landse boeren en dierenwelzijn in het algemeen? Erkent de Minister datdit verdrag geen verbeteringen brengt voor dierenwelzijn? Zo nee, hoeverdedigt zij dat standpunt?AntwoordOp 14 november jl. is de kabinetsappreciatie over het EU-Mercosurakkoord aan de Kamer gezonden (Kamerstuk 31 985, nr. 107). Deappreciatie is positief vanwege de economische kansen en voorspel-baarheid die het akkoord biedt voor het Nederlandse bedrijfsleven,alsmede vanuit geopolitiek oogpunt. Ook voor landbouwsectoren (zoalszuivel) zijn positieve effecten te verwachten, bijvoorbeeld door hetwegnemen van technische barrières of hoge importheffingen en hetvergroten van marktkansen.Tegelijkertijd heeft het kabinet ook oog voor de risico’s die aan hetakkoord kleven, met name voor de sectoren die gevoelig zijn voorconcurrentie, zoals de rundvlees- en pluimveevlees sectoren. Daaromhecht het kabinet aan de mogelijkheid om efficiënt maatregelen te kunnentreffen om de landbouwsector te beschermen. Zoals aangegeven in dekabinetsappreciatie is het voorstel van de Commissie van 8 oktober jl.over de operationalisering van de vrijwaringsmaatregelen in hetEU-Mercosur akkoord een goede stap om Europese boeren extrazekerheid te bieden, inclusief de extra strenge maatregelen voor gevoeligelandbouwproducten. Ook kijkt het kabinet met belangstelling naar deuitwerking van de door de Commissie aangekondigde aanvullendevoorstellen inzake financiële compensatie onder het MFK en productie-standaarden (conform de Visie voor Landbouw en Voedsel van deCommissie). Voor wat betreft deze productiestandaarden heeft deCommissie op 25 november jl. de Impact Assessment gelanceerd overgevaarlijke gewasbeschermingsmiddelen die via geïmporteerdeproducten de EU kunnen binnenkomen. Daarnaast verwelkomt Nederlandhet voornemen van de Commissie om het aantal voedselveiligheidsauditsen controles verder te verhogen.Het is van belang om het cumulatieve effect van handelsakkoorden in degaten te houden. Nederland heeft in het verleden de Commissie ookopgeroepen de eerste studie, uit 2016, te actualiseren indien actueleontwikkelingen (zoals het afsluiten van nieuwe akkoorden) daartoe nopen.De studie is geactualiseerd in 2021 en laatstelijk in 2024 (JRC – TradeWinds of Change: Cumulative Effects of Bilateral Trade Agreements on theEU Agri-food sector). In het onderzoek uit 2024 concludeert de Commissiedat EU-handelsakkoorden, zeker wanneer de effecten van deze akkoordenbij elkaar worden opgeteld, een deel van de Europese Agri-Food sectoraanzienlijke groeikansen bieden. In het bijzonder zuivelproducten,varkensvlees, wijn en dranken, alsmede verwerkte agrovoedingspro-ducten kunnen profiteren van verbeterde toegang tot nieuwe markten. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174358 onderzoek toont echter ook aan dat er risico’s zijn voor andereagri-foodsectoren zoals pluimvee- en rundveesectoren. Tevens doet deCommissie jaarlijks onderzoek naar de implementatie en handhaving vanhandelsafspraken met derde landen (COM(2025)920 -Report on theimplementation and Enforcement of EU trade policy). Daaruit blijkt dat in2024 de totale handel in landbouwgoederen steeg met +6,4% methandelspartners met handelsakkoord, tegen slechts 2,8% groei methandelspartners zonder handelsakkoord.Op het gebied van dierenwelzijn bestaan geen internationale afdwingbarenormen. Het kabinet zet daarom – via de EU – in op zo hoog mogelijkestandaarden voor dierenwelzijn. Zoals in de kabinetsappreciatiebeschreven geldt dat Mercosur-landen moeten aantonen dat zij voldoenaan EU-dierenwelzijnsstandaarden voor leghennen om in aanmerking tekomen voor preferentiële behandeling van hele eieren in de schaal. Juistomdat er geen internationale afdwingbare normen voor dierenwelzijnbestaan, biedt het akkoord een platform om met de Mercosur-landen tespreken over het verhogen van dierenwelzijn, maar ook het gelijktrekkenvan productiestandaarden.De leden van de PvdD-fractie uiten hun zorgen over voedselveiligheid,met verwijzing naar recente terugroepacties van bijvoorbeeld Braziliaansrundvlees (RTE, 1 december 2025, «European Commission recallsBrazilian beef containing banned hormones» (https://www.rte.ie/news/2025/1201/1546761-beef-recall-europe/)). Deze leden vragen aan deMinister wat het kabinet doet om voedselveiligheid te garanderen bijimport uit Mercosur-landen, als de herkomst van het vlees nauwelijks tecontroleren is. Hoe reageert de Minister op de kritiek dat Mercosur deEuropese normen voor volksgezondheid ondermijnt door import vanvlees uit ontboste gebieden met zwakke controles?AntwoordAlle geïmporteerde producten – ook die uit de Mercosur-landen – moetenvoldoen aan de eisen die de EU stelt op het gebied van Europese plant- endiergezondheidseisen en voedselveiligheidseisen, inclusief residuen vanmedicijnen en antimicrobiële resistentie (AMR). In de kabinetsappreciatievan het EU-Mercosur akkoord is het systeem van controles uiteengezet.Het gaat daarbij om controles 1) in de productielanden, waar deCommissie audits uitvoert op productielocaties; als 2) aan de grens(douane); als 3) in de EU zelf, onder andere door de NVWA. Door dezecontroles wordt, zoals het in de vraag genoemde voorbeeld, voorkomendat producten die niet aan deze eisen voldoen de EU-markt opkomen.Het feit dat afgelopen maand een grote hoeveelheid rundvlees istegengehouden voordat het de Europese markt heeft bereikt, is eensignaal dat er aan Braziliaanse kant nog zaken te verbeteren zijn.Tegelijkertijd toont het ook aan dat de controles die door de EU zijningevoerd, effectief zijn. Desalniettemin heeft de Commissie toegezegdhet aantal controles en audits in derde landen te verhogen. Het kabinet zalde resultaten van deze audits en controles actief blijven monitoren.EUDRDe leden van de PvdD-fractie constateren dat de EU DeforestationRegulation (EUDR), die per 30 december 2025 van kracht zou worden,momenteel wordt afgezwakt door voorstellen van de EC. Deze voorstellenbevatten vereenvoudigingen die bedoeld zijn om de administratieve lastte verminderen, bijvoorbeeld door downstream verkopers te ontheffenvan due diligence-rapportages. Deze leden constateren ook dat hetkabinet zelfs pleit voor een verdere versoepeling en voor uitstel van éénTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174359 jaar. Deze leden vragen de Minister hoe zij denkt dat gaat wordengehandhaafd met het ingaan van het Mercosur-verdrag op ontbossing, alshet handhavingsmechanisme in de EUDR en de effectiviteit van de EUDRactief ondermijnd worden. Welke beschermingsmechanismen heeft de EUdan nog tegen de ontbossing, zo vragen deze leden.AntwoordIn het EU-Mercosur akkoord is afgesproken dat de verdragspartijen zichinzetten om ontbossing tegen te gaan en ook om illegale houtkap endaaraan gerelateerde handel te voorkomen. De afspraken in hetEU-Mercosur verdrag verplichten de Mercosur-landen dus tot actie envergen een inspanning van de verdragspartijen die handhaafbaar is via degeschillenbeslechting onder het duurzaamheidshoofdstuk van hetverdrag. Onder het EU Single Entry Point kunnen klachten ingediendworden door Europese bedrijven of ngo’s in geval van (vermeende)schending door de Mercosur-landen. Deze afspraken zorgen ervoor datMercosur-landen zich in brede zin moeten inzetten tegen ontbossing enzijn niet afhankelijk van de toepassing van de EU-ontbossingsverordening(EUDR). De EUDR is enkel gericht op producten die op de Europeseinterne markt komen. Producten die bijdragen aan ontbossing mogen,wanneer de EUDR volledig wordt toegepast, niet meer wordenverhandeld op de Europese markt.De leden van de PvdD-fractie vragen of de Minister kan toelichten opwelke manier Nederland zich er binnen de EU voor inzet dat de EUDRgeen achterdeurtjes kent en dat alle grondstoffen, ook van kleineproducenten, volledig moeten voldoen aan de ontbossingsvrije en legaleproductie-eisen. Daarnaast willen zij weten welke rol Nederland speelt inhet verzet tegen verdere vertragingen of verdere versoepelingen van deimplementatie.AntwoordZoals aangegeven in de Kamerbrief van 7 november jl. (Kamerstuk22112–4199), wil het kabinet in nauwe samenwerking met de Commissieen EU-lidstaten toewerken naar zorgvuldige implementatie van de EUDR.Daarbij moet een gelijk speelveld worden gehandhaafd en rekeningworden gehouden met het Nederlands bedrijfsleven dat aanzienlijk heeftgeïnvesteerd om te voldoen aan de wetgeving. Het kabinet steuntlastenverlichting voor bedrijven.Rebalancing mechanismDe leden van de PvdD-fractie wijzen verder op de recente ontwikkelingenrond het zogenaamde rebalancing mechanism binnen het Mercosur-verdrag. Dit mechanisme stelt landen in staat compensatie te eisen alsunilaterale maatregelen van de ander de handelsvoordelen ondermijnen.Deze leden vragende positie van de Minister over het risico dat hetrebalancing mechanism, gecombineerd met de afgezwakte EUDR,ontbossing juist aanwakkert door Mercosur-landen te compenseren endaarmee anti-ontbossingsinspanningen vanuit de EU ondermijnt. Welkegaranties biedt het kabinet hiertegen? Hoe beoordeelt de Minister hetzogenaamde «chilling-effect» dat kan optreden, wat betekent dat landenminder milieuwetten en -regels gaan maken, om te voorkomen dat anderelanden een beroep doen op het rebalancing mechanism? Is de Ministerhet met de leden van deze fractie eens dat dit mechanisme een remmendeffect kan hebben op democratische processen?AntwoordHet rebalancing mechanism is relevant wanneer een van de verdragspar-tijen een maatregel neemt die de voordelen onder het akkoord teniet doetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174360 of substantieel beperkt. Dan kan er via geschillenbeslechting een gepasteoplossing gevonden worden. Daarbij kan gedacht worden aan hetopschorten van preferentiële tarieven door de wederpartij tot een niveaudat gelijk staat aan de weggevallen voordelen. Een verdragspartij kan nietgedwongen worden een maatregel in te trekken. Derhalve kan de EUDRniet worden afgezwakt door het rebalancing mechanism. Bovendienwaren de mogelijke gevolgen van de EUDR bij het afronden van deonderhandelingen over het EU-Mercosur akkoord op 6 december 2024reeds bekend.Het kabinet kan zich niet vinden in de constatering dat het rebalancingmechanism leidt tot een «chilling-effect» en een remmend effect kanhebben op democratische processen. Naar verwachting vormt hetrebalancing mechanism geen obstakel voor verdere EU-wetgeving. Alleende effecten van wetgeving op de uit het Mercosur-verdrag volgendehandelsvoordelen zouden kunnen worden beoordeeld onder hetmechanisme. Dat gebeurt indien er sprake is van handelsvoordelen onderhet verdrag die teniet worden gedaan of substantieel worden beperkt. Diedrempel ligt dus hoog en betekent vervolgens niet dat wet- en regel-geving kan worden aangepast tegen de zin van één van de verdragspar-tijen.SojamoratoriumDe leden van de PvdD-fractie wijzen op het Braziliaanse sojamoratorium,een vrijwillige afspraak sinds 2006 tussen soja-industrie en tussenhande-laren om geen soja te kopen van na 2008 ontbost Amazonegebied, dat nuaf dreigt te lopen(LSE Business Review, 28 november 2025, «The end ofthe Amazon soy moratorium will accelerate deforestation» ( https://blogs.lse.ac.uk/businessreview/2025/11/28/the-end-of-the-amazon-soy-moratorium-will-accelerate-deforestation/ )). Deze leden vragen hoe hetkabinet het sojamoratorium evalueert en of het zich inzet voor eenverlenging van effectieve beschermende maatregelen.AntwoordHet soja moratorium is een afspraak tussen handelaren in soja in Braziliëom geen soja uit de Amazone meer te verhandelen die afkomstig is vanpercelen die sinds 2006 nog ontbost zijn. Het moratorium wordt in 2026opgeschort. Soja wordt in Brazilië niet alleen in de Amazone geprodu-ceerd maar ook in Parana, Rio Grande do Sul and Mato Grosso do Sul.Deze productiegebieden liggen niet allemaal in de Amazone. Dat is ookmeteen de reden die de handelaren aanvoeren om het moratorium op tezeggen: «er wordt niet alleen in de Amazone ontbost».Ook vragen deze leden hoe dit de inzet van het kabinet ten opzichte vanhet Mercosur-verdrag verandert, aangezien er zonder moratorium enzonder effectieve handhaving een groot risico bestaat op extra ontbossingdoor het Mercosur-verdrag, niet alleen in de Amazone, maar ook in deCerrado, de meest biodiverse savanne ter wereld.AntwoordHet kabinet blijft zich inzetten voor het tegengaan van ontbossing. In hetEU-Mercosur akkoord is afgesproken dat de verdragspartijen ontbossingtegen zullen gaan en ook illegale houtkap en daaraan gerelateerde handelzullen voorkomen. De afspraken in het EU-Mercosur akkoord verplichtende Mercosur-landen dus tot actie en vergen een inspanning van deverdragspartijen die handhaafbaar is via de geschillenbeslechting onderhet duurzaamheidshoofdstuk van het verdrag.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174361 De leden van de PvdD-fractie dringen op basis van bovenstaande aan ophet zo spoedig mogelijk bijstellen van het kabinetsstandpunt over hetMercosurverdrag en in het belang van de Nederlandse boeren, de natuur,dierenwelzijn, klimaat en mensenrechten zich actief tegen het Mercosur-verdrag te verzetten.AntwoordMet het versturen van de kabinetsappreciatie op 14 november jl. heeft hetkabinet de Kamer op de hoogte gesteld van het voorgenomen standpuntover het EU-Mercosur akkoord. De appreciatie is uitgebreid besprokenmet uw Kamer tijdens het Commissiedebat over de RBZ Handel van19 november jl.III Volledige agenda Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad (december)Kamerstuk 21 501-32-1736 – Brief Minister van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 1 december 2025Verslag Landbouw- en Visserijraad van 17 november 2025|Kamerstuk 21 501-32-1735 – Brief Minister van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 26 november 2025Stand van zaken implementatie richtlijnen in het eerste kwartaal2025 (v.w.b. LVVN-beleid)Kamerstuk 21 109-273 – Brief Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. vanWeel, d.d. 19 september 2025Nederlandse inzet bij de twintigste Conferentie van Partijen bijhet CITES-verdrag (CoP20)Kamerstuk 31 379-26 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie, d.d. 30 september 2025Voortgang 8e Actieprogramma NitraatrichtlijnKamerstuk 33 037-625 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 17 oktober 2025Stand van zaken implementatie richtlijnen in het derde kwartaal2025 (v.w.b. LVVN-beleid)Kamerstuk 21 109-275 – Brief Minister van Buitenlandse Zaken, D.M. vanWeel, d.d. 3 november 2025Kabinetsappreciatie Europese Commissie voorstel tot aanpassingEU- verordening ontbossingsvrije producten (EUDR) m.b.t.bepaalde verplichtingen voor primaire operators en handelarenKamerstuk 22 112-4199 – Brief Staatssecretaris van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie, d.d. 7 november 2025Kwartaalrapportage lopende EU-wetgevingshandelingen Minis-terie Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur derdekwartaal 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174362 Kamerstuk 22 112-4211 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselze-kerheid en Natuur, F.M. Wiersma, d.d. 18 november 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 21 501-32, nr. 174363

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · eba14af6f08ac5be

14 okt 2026 · e54679f02c16232a

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.