Reactie op het verzoek van het lid Siderius, gedaan tijdens de Regeling van Werkzaamheden van 24 februari 2015, over het niet openbaar maken van een rapport over de werking van de anti-pestprogramma's en de afgekeurde methodes en de verzending aan de Tweede Kamer van het rapport
Brontekst
Versie a2f147ffbdcbd621 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2014–2015 29 240Veiligheid op school Nr. 71 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 2 maart 2015 In de regeling van werkzaamheden van 24 februari jl. heeft het lid Siderius (SP) verzocht om een brief over het niet openbaar maken van een rapport over de werking van de anti-pestprogramma’s en de afgekeurde methodes en de verzending aan de Tweede Kamer van het rapport (Handelingen II 2014/15, nr. 55). Dit verzoek is ingezonden op 24 februari jl. Met deze brief reageer ik op dit verzoek. De leden Bergkamp en Van Meenen (beiden D66) hebben op 19 februari 2015 schriftelijke vragen gesteld over hetzelfde onderwerp. De beantwoording van deze vragen stuur ik u hierbij tevens toe. In de regeling van werkzaamheden is gesproken over een rapport dat nader in zou gaan op de werking van anti-pestprogramma’s en afgekeurde methodes. Een dergelijk rapport bestaat niet. Zoals ik uw Kamer heb gemeld, heeft de Commissie Anti-pestprogram-ma’s de «Beoordeling anti-pestprogramma’s opgesteld.1 Deze rapportage is sinds 27 mei 2014 te vinden op de website van het Nederlands Jeugdinstituut en bevat het totaaloverzicht van de beoordelingen van de anti-pestprogramma’s die zijn aangemeld voor het beoordelingstraject.2 Daarnaast heb ik in mijn brief aan uw Kamer ook aangegeven dat de commissie iedere programmaeigenaar individuele feedback heeft gegeven. Over de individuele feedback heeft de commissie van het Nederlands Jeugdinstituut met de programmaeigenaren afgesproken dat dit vertrouwelijk zou blijven. Deze terugkoppeling bevat voor de indivi-duele programmaeigenaar informatie over mogelijke verbetering van de theoretische onderbouwing van het desbetreffende programma. Deze informatie is naar zijn aard bedrijfsgevoelig. Ik heb begrip voor de werkwijze die de commissie in dit proces hanteert. 1Kamerstuk 29 240, nr. 64.2www.nji.nl/antipestprogramma kst-29240-71ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2015Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 29 240, nr. 711 Om een beeld te krijgen van de wijze waarop de beoordeling tot stand zou komen heeft mijn departement een aantal beoordelingen in concept ontvangen en uiteindelijk ook één definitieve beoordeling. Naar aanleiding van een WOB-verzoek heb ik dit definitieve beoordelingsfor-mulier in september 2014 gedeeltelijk openbaar gemaakt.3 Ik begrijp dat u zich zorgen maakt na de berichtgeving in de media over mogelijk schadelijke anti-pestprogramma’s. De commissie heeft in beginsel niet geoordeeld of programma’s schadelijk zijn of niet. De commissie heeft aan de hand van een vaste set criteria beoordeeld of programma’s voldoende stevig onderbouwd zijn om pesten goed tegen te gaan.4 Het artikel in Trouw gaat over één methode, te weten M5. Het gaat in op de kritische kanttekening van de commissie dat zij een onderdeel van het programma ethisch niet verantwoord vindt en dat het naar haar inschatting mogelijk contraproductief zou kunnen werken. De program-maeigenaar heeft laten weten de kritische feedback te hebben verwerkt en het desbetreffende onderdeel te hebben aangepast. Zoals aangekondigd in mijn brief van mei 2014, is het empirisch onderzoek gestart naar de programma’s die door de commissie als veelbelovend zijn beoordeeld. Uiteindelijk zal de werking van ieder programma afhangen van een goede en professionele toepassing van het betrokken onderwijspersoneel, een goede samenwerking tussen de school en ouders en de breed gedragen norm in de school dat pesten onacceptabel is. De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, S. Dekker3http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/wob-verzoeken/2014/09/01/besluit-wob-verzoek-over-de-beoordeling-van-de-5m-pestaanpak.html4De drie criteria zijn (1) een goede theoretische onderbouwing, (2) een adequate empirische onderbouwing en (3) duidelijk beschreven randvoorwaarden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2014–2015, 29 240, nr. 712
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.