Monitoring Woningbouw
Brontekst
Versie 34b59a957b8a52dc · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 847Integrale visie op de woningmarktNr. 1346 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 mei 2025Het realiseren van voldoende betaalbare woningen is een van de top-prioriteiten van dit kabinet. Om te sturen op de beleidsdoelen uit hetRegeerprogramma, – jaarlijks 100.000 nieuwe woningen waarvantweederde betaalbaar en 30% sociale huur – zijn goede monitoring enprognoses cruciaal. Monitoring biedt inzicht in hoe groot de woningbouw-opgave is, of er voldoende plannen zijn om woningen te bouwen(plancapaciteit), of er voldoende voortgang is in de planvorming en welkerealisatie ook gelet op economische ontwikkelingen verwacht kan worden.Goede monitoring vraagt ook om een duidelijke afweging: welke kennis ismet welke frequentie nodig om te kunnen sturen? Daarbij hecht ik er aanin het oog te houden dat registratie van data veel capaciteit vraagt en datde frequentie van de duiding van de data – liggen de woondealsregio’s opkoers, vraagt het beleid bijstelling? – en de bespreking van de conclusieshierover met de bestuurlijke partners, marktpartijen en corporaties zinvolen haalbaar moet blijven.In deze brief beschrijf ik op hoofdlijnen hoe ik wil monitoren en op welkemanier ik de monitorinformatie gebruik in onder meer de sturing op debestuurlijke woondealafspraken. De brief is voorzien van een bijlagewaarin u een gedetailleerde toelichting vindt. Ten slotte geef ik in dezebrief aan hoe ik invulling geef aan een aantal moties van uw Kamer diebetrekking hebben op monitoring of daaraan gerelateerde onderwerpen1.1Motie Welzijn c.s., Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 1162Motie Grinwis c.s., Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 1263Motie Mooijman c.s., Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 1228Motie Welzijn c.s., Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 1248Motie Welzijn c.s., Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 1222Motie Peter de Groot c.s. Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 1232 kst-32847-1346ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13461 Monitoring en sturingAls het gaat om monitoring en sturing op de woningbouwopgave is erallereerst goed zicht nodig op de ontwikkeling van de woningbouwopgavevoor de komende jaren: hoeveel woningen moeten er gebouwd worden,waar moeten deze woningen gebouwd worden en voor wie moeten wedeze woningen bouwen? De betaalbaarheid van de bouwopgave is daarbijeen belangrijk aandachtspunt. Voor het goede zicht op de bouwopgavelaat ik ABF Research jaarlijks de Primos prognose (bevolkings- enhuishoudensprognose) en de Woningmarktverkenning opstellen. Dezeopgave is vervolgens vertaald naar de woondeals met provincies engemeentes waarin de opgave per woondealregio is vastgesteld.Om samen met mijn bestuurlijke partners – de provincies en gemeenten –goed te kunnen sturen op de voortgang van de bestuurlijke afspraken inde woondeals, is goede en eenduidige monitor-informatie nodig. Daaromzijn met de VNG en het IPO bestuurlijke afspraken gemaakt over deindicatoren die per woningbouwplan elk half jaar bij de gemeentenworden uitgevraagd. Deze data wordt geregistreerd in de interbestuurlijkelandelijke monitor voortgang woningbouw (LMVW). De woningbouw-plannen worden gevolgd door bij te houden wat de ontwikkeling van deplannen is door de fases van de planvorming: van initiële planvormingnaar het (bestuurlijk) hard worden van de plannen, naar de vergunning-verlening, naar de start van de bouw en uiteindelijk de realisatie. Naastdeze informatie op planniveau levert het CBS data over het aantalbouwvergunningen, het aantal woningen waarvan de bouw gestart is enhet aantal daadwerkelijk gerealiseerde woningen, waardoor er een goedbeeld ontstaat van de voortgang op de woningbouw.Naast de kwantitatieve monitoring is er op ambtelijk en bestuurlijk niveauvoortdurend contact met lokale overheden over de voortgang van deprojecten. Op deze manier krijg ik de meer kwalitatieve signalen over devoortgang van de woningbouw. Daarnaast bereiken mij via de landelijkeversnellingstafel woningbouw signalen over knelpunten die aan deregionale en lokale versnellingstafels lastig op te lossen zijn. De signalenen informatie over de voortgang geven antwoord op de vraag of deafgesproken aantallen te realiseren woningen op tijd gerealiseerd kunnenworden met in acht neming van de afspraken over de betaalbaarheid vandeze woningen. Dit beeld bespreek ik in een vaste frequentie opbestuurlijk niveau met provincies en gemeenten. Halfjaarlijks voer ik metelke provincie een bestuurlijk woondeal overleg, waarbij ook eenvertegenwoordiging van gemeenten en corporaties aansluit. Hierinbespreken we of er voldoende plancapaciteit is (gepland aantal woningen)en worden de voortgang, knelpunten en vervolgacties met betrekking totdeze woningbouwplannen besproken. Voor wat betreft de plancapaciteitgeldt dat ik daarbij stuur op een overdimensionering van 130% tenopzichte van de bouwopgave zodat voldoende rekening gehouden wordtmet planuitval en planvertraging. Daarbij is mijn inzet richting deprovincies bovendien dat in regio’s die een substantieel woningtekorthebben en die grenzen aan regio’s waar nog geen sprake is van 130%plancapaciteit de mogelijkheid moet bestaan meer dan 130% plancapa-citeit in te plannen. Hiermee geef ik uitvoering aan de motie Mooijman dieom deze mogelijkheid vraagt. Bovendien vinden per woondealregiogemiddeld vier keer per jaar regionale bestuurlijke overleggen plaats enindien nodig incidentele bestuurlijke overleggen. De conclusies die in debestuurlijke overleggen woondeals worden getrokken over de voortgangTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13462 en de noodzakelijk acties die nodig zijn om de voortgang te versnellen,rapporteer ik aan uw Kamer, zoals in mijn brief van 18 oktober 20242.Frequentie van de monitoringUw Kamer wordt met regelmaat geïnformeerd over de voortgang van dewoningbouw. In januari en juli ontvangt u de rapportage plancapaciteitvan ABF Research over de voortgang van de woningbouwplannen in deprovincies en de woondealregio’s. Deze rapportage zal ik uitbreiden metCBS data over verleende bouwvergunningen, het aantal woningenwaarvan de bouw gestart is en het aantal gerealiseerde woningen. In debegeleidende brief zal ik deze rapportages voorzien van duiding.Hiermee bied ik Uw Kamer zicht op de voortgang van de woningbouw ende trendmatige ontwikkeling op basis waarvan ik het gesprek aan ga metmijn bestuurlijke partners. De trend is belangrijk omdat cijfers per maandfluctueren en er sprake kan zijn van seizoenseffecten. De frequentie van deinformatievoorziening is hiermee dusdanig dat tussentijds ontwikkelingenkunnen worden besproken met mijn bestuurlijke partners aan dewoondealtafels om te bezien of de rapportages aanleiding geven totbijsturen. Over de conclusies die ik trek uit de halfjaarlijkse bestuurlijkeoverleggen woondeals informeer ik uw Kamer telkens zodra deze zijnafgerond.Reactie op de moties op hoofdlijnenIn de bijlage ga ik uitbreid in op de wijze waarop ik de woningbouwmonitor en op de wijze waarop ik naast de zojuist al besproken moties ooknog een aantal andere moties uitvoer. Samengevat is dit als volgt:•Voor de motie Welzijn3 waarin gevraagd wordt om per kwartaal deKamer van actuele informatie over de voortgang in de woningbouw tevoorzien, verwijs ik naar bovenstaande tekst.•De motie Welzijn4 waarin gevraagd wordt naar cijfers over optoppen,splitsen en transformeren voer ik binnen de mogelijkheden die debestaande registraties bieden uit. De informatievoorziening op dit puntvanuit het CBS wordt binnenkort ook aangevuld. Hiermee ontstaat eengoed beeld van de ontwikkelingen, zij het dat dit niet volledig hetgedetailleerde niveau heeft dat de motie beoogt omdat deze datasimpelweg niet bij het CBS voorhanden is.•De motie Grinwis5 waarin gevraagd wordt naar definities en 130%plancapaciteit en sturing daarop, is uitgevoerd doordat zowel deinterbestuurlijke landelijke monitor voortgang woningbouw als dehandreiking publieke private monitors uitgaan van heldere definitiesen doordat ik binnen de woondeals op de gevraagde 130% plancapaci-teit stuur.•De motie Welzijn6 waarin gevraagd wordt om gerichte prioritering enversnelling van woningbouwprojecten op basis van woningbouwloca-ties met interbestuurlijke conflicten voer ik uit binnen de inmiddelsbestaande werkwijze. Hierin wordt geacteerd op rechtstreekse signalenen escalatieverzoeken vanuit de versnellingstafels. Na weging vandeze signalen wordt bezien of en zo ja welke bestuurlijke interventiepassend is. Bijvoorbeeld de inzet van het Expertteam Woningbouw ofde Landelijke Versnellingstafel Woningbouw. Door u het jaarverslagvan de landelijke versnellingstafel toe te zenden, voorzie ik op dit puntook in rapportage.2Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 12093Motie Welzijn c.s., Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 12484Motie Welzijn c.s., Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 11625Motie Grinwis c.s., Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 12636Motie Welzijn c.s., Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 1222Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13463 •De motie De Groot7 waarin gevraagd wordt een lijst met de Kamer tedelen over genoemde knelpunten aan de versnellingstafels, wordtuitgevoerd met behulp van de woondealtafels. Op die tafels komen devanuit de versnellingstafels aangegeven knelpunten aan bod die ombestuurlijke of beleidsmatige oplossingen vragen. De knelpuntenzullen uw Kamer worden gerapporteerd na afloop van de aanstaandebestuurlijke overleggen woondeals waarvan de laatste eind juniplaatsvindt.•De motie Mooiman8 met het verzoek om ruimte voor meer dan 130%plancapaciteit in regio’s die grenzen aan regio’s waar nog geen sprakeis van deze 130% heb ik hierboven reeds besproken. Dit stel ik aan deorde in mijn gesprekken met provincies in de bestuurlijke overleggenwoondeals.Ten slotteHet ontwikkelen van goede data met een juiste frequentie is onderdeelvan een permanente ontwikkeling. Hierin trekken we nauw op metgemeenten en provincies voor de juiste mate van detail en frequentie.Informatie is een middel om te sturen, en geen doel op zich. De tijd dielokaal besteed wordt om data te vergaren en te registreren kan immersniet besteed worden aan de uitvoering van woningbouwplannen. Hetgrote belang van het terugdringen van het woningtekort vraagt er om datRijk, lokale overheden, maar ook de marktpartijen en corporaties goedsamenwerken en tijd en capaciteit zo effectief mogelijk besteden. Deinformatie die beschikbaar komt met onder meer de uitvoering van debestuurlijke afspraken over monitoring (de LMVW), de data van het CBS,en de prognose informatie van ABF geven een goed beeld van devoortgang op de woningbouw. Met deze brief heb ik u geïnformeerd hoeik daarmee stuur, en hoe ik uw Kamer daarover informeer.De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. Keijzer7Motie Peter de Groot c.s. Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 12328Motie Mooijman c.s., Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 1228Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13464 BIJLAGEIn deze bijlage wordt achtereenvolgens het volgende toegelicht:1.Bepalen van de bouwopgave2.Bouwprognose3.De monitoring van de voortgang van de woningbouw4.De monitoring van de gerealiseerde nieuwe woningen5.Specifieke dataIn de samenvattende tabel aan het einde van deze bijlage wordt tenslotteop hoofdlijnen de inhoud van de beschikbare monitor en prognoseinformatie samengevat.1. Bepalen van de bouwopgave De basis voor het inzicht in de bouwopgave vormen twee periodiekepublicaties. De regionale bevolkings- en huishoudensprognose Primos ende Woningmarktverkenning (Socrates scenariomodel). Op basis van dezepublicaties treedt het Rijk met provincies en gemeenten in overleg om de(regionale) woningbouwopgave vast te stellen.Primos-prognoseDe Primos prognose van ABF Research is een regionale bevolkings- enhuishoudensprognose. Voor de bepaling van de bouwopgave is eenaantal uitkomsten van deze prognose relevant; de verwachte groei van hetaantal huishoudens, de verwachte sloop en de raming van het huidigewoningtekort. Deze drie componenten tezamen bepalen de bouwopgave.De jaarlijkse nationale CBS-bevolkingsprognose vormt het vertrekpuntvoor de Primos-prognose.Uiteraard kent de Primos prognose zoals alle prognoses onzekerheden,vandaar dat Primos altijd een bandbreedte presenteert.Woningmarktverkenning (Socrates)Primos biedt inzicht in het aantal te bouwen woningen. De Woningmarkt-verkenning van ABF (met het Socrates model) biedt vervolgens inzichtenin de kwalitatieve opgave: welke woningen zouden gebouwd moetenworden? Het gaat daarbij niet om een prognose, maar om een scenariouitwerking met een kwalitatief optimaal bouwprogramma. Op basis vanverwachte ontwikkelingen binnen in de bestaande woningvoorraad(mutaties in de woningvoorraad zoals huizenprijzen en sloop), deverhuisdynamiek, de woonvoorkeuren (afgeleid op basis van hetWoononderzoek Nederland9) en de inkomensontwikkeling, biedt ABFinzicht in een optimaal consumentgericht bouwprogramma. Eenbelangrijk aspect hiervan is de eigendomsvorm en prijsklasse van de tebouwen woningen. Om met de nieuw toe te voegen woningen zo goedmogelijk aan te sluiten bij de woningbehoefte dient circa tweederde vande nieuw te bouwen woningen in de categorie betaalbaar te vallen, zoalsde uitkomst van de Woningmarktverkenning de laatste jaren laat zien.Daarom wordt er vanuit het Rijk ingezet op tweederde betaalbaarheid.Het optimale bouwprogramma moet niet gezien worden als eenberekening van een woningtekort per type woning en per prijssegment.Een woningzoekende zoekt een woning die zo goed mogelijk voldoet aande woonwensen tegen een acceptabel prijsniveau. Daarbij kunnen9Woononderzoek Nederland (WoON). Het WoON is gebaseerd op een grootschalige enquête dieinzicht geeft in onder meer de woonsituatie, woonlasten, verhuizingen en woonwensen vanhuishoudens in Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13465 verschillende typen woningen substituten zijn voor elkaar. Bovendiengeldt dat het overgrote deel van het aanbod van woningen beschikbaarkomt uit de bestaande voorraad door bijvoorbeeld verhuizingen.2. De bouwprognose De Primos prognose bevat ook een prognose van de te verwachtenwoningbouw, zowel op nationaal als op regionaal niveau. In combinatiemet het woningtekort in het startjaar, de prognose van de huishoudgroeien de sloopverwachting geeft het daarmee inzicht in de te verwachtenontwikkeling van het woningtekort nationaal en per woningmarktregio.Ook dit alles binnen een bandbreedte van onzekerheid.Het is mijn inzet om de bouwprognoses voor de kortere termijn meer dannu nog bij Primos het geval is, ook te baseren op actuele economischeontwikkelingen die relevant zijn voor de woningbouw. Ik verleenbinnenkort opdracht aan een aantal partijen die gaan bezien of en zo jahoe een model ontwikkeld kan worden waarmee een dergelijke prognoseopgesteld kan worden. Behalve de economische ontwikkelingen zijnuiteraard ook de ontwikkelingen in de omvang en voortgang in deplanvoorraad, daarbij van belang. De monitoring daarvan bespreek ik inde volgende paragraaf.3. Monitoring voortgang woningbouw Voor de monitoring van de voortgang van de woningbouw is er eenaantal belangrijke bronnen.3a. Landelijke monitor voortgang woningbouw De belangrijkste bron is de Landelijke Monitor Voortgang Woningbouw(LMVW). Tussen het Rijk, het IPO en de VNG is afgesproken dat de LMVWhét verantwoordings- en sturingsinstrument is voor de monitoring van dewoondeals en de nationale bouwdoelstelling. De LMVW bevat allegemeentelijke woningbouwplannen. De belangrijkste gegevens in deLMVW data zijn de aantallen woningen per plan uitgesplitst in geplandopleverjaar, de betaalbaarheidsklasses van deze woningen en de locatievan de plannen. Afgesproken is dat de data voor de LMVW tweemaal perjaar wordt uitgevraagd bij de gemeenten. ABF Research rapporteerthierover in de rapportage plancapaciteit en dit rapport stuur ik aan uwKamer.In de motie Grinwis wordt gevraagd om een overprogrammering van130% voor elke provincie. Deze 130% is reeds als streven vastgelegd in dewoondeals en is als verplichting opgenomen in het voorstel voor de wetversterking regie volkshuisvesting. Met de LMVW wordt gemonitord ofinderdaad sprake is van 130% plancapaciteit ten opzichte van de reste-rende bouwopgave. Indien dit niet het geval is, zal de regio in kwestieextra plannen moeten toevoegen aan de planvoorraad. Hiermee acht ik demotie Grinwis voor zover betrekking hebbend op de gevraagde overpro-grammering uitgevoerd.De LMVW is een relatief nieuwe informatiebron. Tot enkele jaren geledenbestond er geen landelijke inventarisatie van de plancapaciteit. Inmiddelsvindt deze uitvraag tweemaal per jaar plaats op basis van afsprakentussen Rijk, IPO en VNG. Deze inventarisatie is volop in ontwikkeling. Dekwaliteit van de data wordt steeds beter en vollediger, maar er moetennog wel de nodige stappen worden gezet door de lokale overheden.Daarmee is doorontwikkeling van de datakwaliteit een permanenteexercitie waar hard aan gewerkt wordt. Een systeem als de LMVW is watTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13466 dat betreft te vergelijken met de Basisadministratie Adressen enGebouwen. De BAG wordt net als de LMVW door gemeenten gevuld enhad eveneens na de initiële invoering tijd nodig om uit te groeien tot deadequate registratie die het nu inmiddels is.3b. Kadaster, mijlpaalinformatie We ontwikkelen de LMVW door zodat er meer zicht komt op de voortgangvan de projecten. De LMVW laat op dit moment zien of een woning-bouwplan nog «zacht» is – dat wil zeggen dat het plan nog niet in degemeenteraad is vastgesteld – of dat dit inmiddels wel het geval is (dan ishet plan bestuurlijk hard) en of het plan gerealiseerd is. Dit geeft eenbeperkt beeld, en daarom laten we het Kadaster onderzoeken hoe deLMVW plandata gekoppeld kan worden aan informatie uit andere bronnenzoals de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), de Basisregis-tratie Kadaster (BRK), de landelijke voorziening bekendmakingen enbeschikbaar stellen (LVBB) en het DSO. Uit de eerste tussenresultatenblijkt dat deze databronnen koppelbaar lijken aan de LMVW data, eninzicht kunnen geven in het moment waarop belangrijke mijlpalen zijngepasseerd (zoals het sluiten van een anterieure overeenkomst, deaanvraag en vervolgens de verlening van de vergunning en de start vande bouw). Voor het overgroot deel van de plannen komt daarmee tot opplanniveau, maar ook geaggregeerd naar gemeenten, regio’s, provinciesen nationaal, zicht op de totale planvoorraad, de status daarvan (hoever ishet plan- en bouwproces gevorderd) en op de snelheid waarin de plannenhet plan- en bouwproces doorlopen. Door deze informatie te ontlenen aanreeds beschikbare bronnen is het niet nodig de LMVW uitvraag aan degemeenten uit te breiden waarmee zwaardere administratieve lastenworden voorkomen. Dat is van belang omdat gemeenten hun beschikbarecapaciteit vooral moeten inzetten op het planproces zelf in plaats van opde rapportage daarvan. De mogelijkheid tot deze datakoppelingen wordenmomenteel nog verder onderzocht door het Kadaster. De mijlpaalinfor-matie zal wanneer de data koppeling inderdaad mogelijk blijkt, ookverwerkt worden in de halfjaarlijkse rapportage plancapaciteit van ABFResearch over de LMVW data zodat deze plancapaciteitsrapportagerichting uw Kamer informatiever wordt.3.c. Publieke ontsluiting LMVW data Momenteel wordt ook bezien hoe de LMVW data publiek ontslotenkunnen worden. Dit voor zover de data conform de bestuurlijke afsprakenhierover niet als vertrouwelijk zijn bestempeld (die vertrouwelijkheid heeftmet name betrekking op hele «vroege» plannen die nog niet geheel zijnuitgekristalliseerd en dus ook nog niet (volledig) met bijvoorbeeldomwonenden zijn gecommuniceerd.) Deze ontsluiting zou dan idealitergecombineerd worden met de «mijlpaalinformatie» zoals zojuist isbeschreven. Beoogd is om nog dit jaar een eerste versie van een publiekdashboard online te hebben staan. Dit geeft elke belangstellende, eniedere betrokkene bij de woningbouw (overheden, marktpartijen encorporaties maar ook indirect betrokkenen zoals netbeheerders of OVbedrijven en onderzoek- en adviesbureaus) de gelegenheid inzicht teverkrijgen in de geplande woningbouw in Nederland.Een voorbeeld van analyses die daarmee mogelijk worden is een recentonderzoek van de Radbouduniversiteit naar doorlooptijden en project-uitval van 20 jaar woningbouwplannen in Nederland. Dit onderzoek isvooral gebaseerd op data uit de periode voordat de LMVW werd opgezet.Niettemin blijkt dat uit deze (daarom) onvolledige data dat veel inzichtverkregen kan worden in de voortgang van verschillende type bouw-plannen. Zo blijkt bijvoorbeeld dat ruwweg geldt dat een overdimensio-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13467 nering van 130% plancapaciteit inderdaad verstandig is, dat de bouw vaneen woning gemiddeld inderdaad 10 jaar duurt en dat anders dan vaakgedacht wordt stedelijke projecten niet sneller gerealiseerd worden danprojecten op uitleglocaties.103.d. Informatie over projecten met subsidie en projecten in grootschaligegebieden Door mijn ministerie wordt regulier informatie over de projecten diesubsidie ontvangen ingewonnen. Dit stelt mijn ministerie in staat in tespelen op de stand van zaken in de regio bij deze projecten en zo kangemonitord worden of voldaan wordt aan de voorwaarden die bij desubsidieverlening gesteld zijn. Denk bij dit laatste bijvoorbeeld aan hetmoment waarop de bouw conform de subsidiebeschikking dient testarten. Over de stand van zaken van de voortgang van de door mijgesubsidieerde projecten informeer ik uw Kamer jaarlijks rond de maanddecember.Daarnaast monitoren we de woningbouwprojecten in de grootschaligegebieden. Deze informatie richt zich op de voortgang van de gebiedsont-wikkeling en de woningbouwplannen daarbinnen en op ontwikkelingenmet betrekking tot de randvoorwaarden voor de ontwikkeling zoalsbijvoorbeeld de financiële haalbaarheid of netcongestie. Over de standvan zaken van de grootschalige gebiedsontwikkeling informeer ik uwKamer jaarlijks rond de maand juni.3.e. Publieke Private Monitors (PPM’s) De hierboven genoemde landelijke monitor voortgang woningbouw(LMVW) is hét landelijke sturings- en verantwoordingsinstrument voor endoor de overheden. Hiernaast werken de lokale en regionale versnellings-tafels, waar overheden samen met marktpartijen en corporaties aan tafelzitten, met publiek private monitors (PPM’s) voor regionale sturing. Op deWoontop is afgesproken dat iedere versnellingstafel uiterlijk deze zomermet een PPM gaat werken. Inmiddels heeft de landelijke versnellingstafelwoningbouw een advies opgesteld (bestaande uit een handreiking en eenhandleiding)11 hoe deze PPM’s ingevuld kunnen worden en hoe er meegewerkt kan worden. De PPM’s bevatten de essentiële informatie over deprojecten (zoals aantallen en betaalbaarheidscategorieën), de planningvan de mijlpalen en indien van toepassing de data waarop deze gereali-seerd zijn en tenslotte de belangrijkste knelpunten. Daarmee is de PPMeen belangrijk middel om te werken aan voortgang op de versnellings-tafels.Een PPM is geen verantwoordingsinstrument. Dit zou zich niet verhoudenmet het (deels) vertrouwelijke karakter van de versnellingstafels endaarmee de PPM’s. De inzet is erop gericht dat aan de tafels met openboeken en dus vertrouwelijk met elkaar gesproken kan worden om opdeze manier knelpunten zo goed mogelijk in kaart te brengen. De PPM’sworden niet geaggregeerd tot een landelijke monitor.10Zie Ploegmakers, H., Wielen, T.J.A. van der en Krabben, E. van der (2025), De voortgang vanwoningbouwplannen: Een onderzoek naar de realisatie en doorlooptijden van woningbouw-projecten. Het Ministerie van VRO heeft voor dit onderzoek subsidie verleend.11https://www.volkshuisvestingnederland.nl/documenten/publicaties/2025/04/16/handreiking-publiek-private-monitor-ppmTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13468 Knelpunten en conflictenDe PPM’s zijn bedoeld om met elkaar aan de versnellingstafels relevanteprojectinformatie te delen op basis waarvan de partijen aan tafel hetgoede gesprek kunnen voeren over planning, knelpunten en oplossingendaarvan. Daarbij kan het ook gaan om verschillen van inzicht tussenpartijen, ook tussen overheden. Knelpunten kunnen ook voorgelegdworden aan het Expertteam Woningbouw die mee kan denken over eenoplossing. Wordt geen oplossing gevonden, dan kan dit aanleiding geventot escalatie naar de provinciale bestuurlijke overleggen woondeal (dewoondealtafels) of naar de Landelijke Versnellingstafel Woningbouw.Mogelijk dat hier wel oplossingen bereikt kunnen worden. Voorkomenmoet zien te worden dat knelpunten tot conflicten leiden.Kunnen knelpunten of conflicten niet worden opgelost dan kan dataanleiding geven tot een herschikking van de planvoorraad (een anderplan voorrang geven waar het knelpunt geen rol speelt).Naast de escalatie vanuit de versnellingstafels zijn er uiteraard ook directecontacten tussen mijn ministerie met de medeoverheden waardoor indiennodig rechtstreeks op signalen over knelpunten of conflicten geacteerdkan worden.De output van het gesprek aan de versnellingstafels die op basis van dePPM’s plaatsvindt en de escalatie van knelpunten naar het landelijk niveauwordt zo gebruikt als instrument voor versnelling en prioritering vanwoningbouwprojecten waar in de motie Welzijn12 om gevraagd wordt. Demotie vraagt ook om periodieke rapportage. Deze vindt plaats doordat ikhet jaarverslag van de Landelijke Versnellingstafel Woningbouw toezendaan de Kamer. Daarnaast informeer ik uw Kamer twee keer per jaar overde resultaten van de bestuurlijke overleggen woondeals.De knelpunten voor woningbouwprojecten die vanuit de versnellingstafelszijn aangedragen aan de woondealtafels vanwege een vraag om eenbestuurlijke of beleidsmatige oplossing zal ik uw Kamer rapporteren inmijn aanstaande brief over de op de Woontop afgesproken concretiseringvan de woondeals. Deze concretisering wordt besproken in de bestuurlijkeoverleggen woondeals waarvan de laatste eind juni plaatsvindt. Met dezeaanstaande rapportage geef ik ook uitvoering aan de motie De Groot enGrinwis13.In de voortgangsrapportage Woningbouw van juni 202414 is reeds eenuitgebreid overzicht van knelpunten gegeven. Het gaat onder meer overknelpunten op het gebied van netcongestie, mobiliteit, stikstof, capaciteit,betaalbaarheid en processen en procedures. Deze lijst betreft uiteraardeen momentopname en is in permanente ontwikkeling doordat er doorbetrokken partijen hard gewerkt om tot doorbraken te komen en omdat ernieuwe knelpunten kunnen ontstaan.Heldere definitiesIn de motie Grinwis wordt niet alleen gevraagd om 130% overprogram-mering (zie hiervoor onder 3.a.) maar ook om heldere definities metbetrekking tot de planvoorraad inclusief over de vraag wanneer een planhard is.Ten behoeve van de landelijke monitor voortgang woningbouw (LMVW)zijn door Rijk, IPO en VNG definities vastgelegd met betrekking tot deindicatoren die uitgevraagd worden. Deze zijn omschreven in eenzogenoemde basisset. Ook het advies over de vormgeving van de publiekprivate monitors bevat duidelijke definities van de indicatoren. En daar12Motie Welzijn c.s., Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 122213Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 123214Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 1187Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 13469 waar de indicatoren in de LMVW en de PPM’s dezelfde zijn (hetgeengrotendeels het geval is), is in het advies over de PPM’s aangesloten bij dedefinities van de LMVW.In de basisset van de LMVW is vastgelegd wat onder harde plancapaciteitmoet worden verstaan: een woningbouwplan waarvan de wijziging vanhet omgevingsplan (voorheen het bestemmingsplan) door de gemeen-teraad is vastgesteld. Het voorstel voor het Besluit wet regie gaat vandezelfde definitie uit.Over de term hard bestaat soms spraakverwarring. Feitelijk is een hardplan in de LMVW een bestuurlijk hard plan. Een bestuurlijk hard plan isgeen garantie dat het plan ook daadwerkelijk tot realisatie komt. Er is dannog geen bouwvergunning en de (voor)verkoop van de koopwoningenheeft ook nog niet plaatsgevonden. In zekere zin is een plan pas echtspijkerhard als er van startbouw sprake is.Met de definities in de LMVW en in het advies over de PPM acht ik demotie Grinwis voor zover betrekking hebbend op de vraag om definitiesook uitgevoerd.3.g. CBS-informatie Naast bovenstaande monitors publiceert het CBS statistieken over hetaantal bouwvergunningen en binnenkort ook van het aantal woningenwaarvan de bouw is gestart. Momenteel worden de bouwvergunningengebaseerd op maandelijkse CBS enquêtes onder gemeenten. Binnenkortgaat het CBS de bouwvergunningen ook baseren op de BasisregistratieAdressen en Gebouwen (de BAG). De verwachting is dat deze nieuwestatistiek een completer beeld biedt.Deze gegevens zullen ook worden opgenomen in de halfjaarlijkserapportage plancapaciteit en de jaarlijkse voortgangsrapportageWoningbouw en de Staat van de Volkshuisvesting.Tenslotte heeft mijn ministerie – naast bovenstaande statistieken enmonitors – frequent contact met lokale partijen over specifieke projectenen knelpunten die daarbij spelen. Daar waar via de genoemde monitorsrelevante informatie niet automatisch bekend wordt, dan zal dezeinformatie mij via deze kanalen toch kunnen bereiken.4. Realisaties Het CBS publiceert maandelijks op basis van de BAG cijfers over degerealiseerde woningen in Nederland als geheel en per gemeente. Ditbetreft zowel de nieuwbouw als het saldo van de zogenoemde overigetoevoegingen en onttrekkingen waar bijvoorbeeld de transformaties deelvan uitmaken. Deze cijfers zullen voortaan aan uw Kamer wordenaangeboden via de halfjaarlijkse rapportages plancapaciteit, de Staat vande Volkshuisvesting en de voortgangsrapportage woningbouw.Zicht op de verwachte betaalbaarheid van de woningen is er doordat in deLMVW de betaalbaarheid van de geplande woningen wordt uitgevraagd.In het kader van de realisatiestimulans waarmee ik gemeenten eenfinanciële bijdrage zal geven per gerealiseerde betaalbare woning, wordtmomenteel uitgewerkt hoe de daadwerkelijke realisatie van betaalbarewoningen goed in beeld gebracht kan worden. Over de uitwerking van derealisatiestimulans informeer ik u met een andere brief. Naast inzicht in devraag of er voldoende betaalbare woningen gebouwd worden, is er via deWoonbase (CBS) ook inzicht in de vraag welke huishoudens (in hetbijzonder met welke inkomens) deze woningen betrekken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 134610 De Basisregistratie Adressen en Gebouwen, de BAGData over welke woningen er in Nederland staan en hoeveel woningen ernieuw gerealiseerd worden, worden door het CBS ontleend aan deBasisregistratie Adressen en Gebouwen, de BAG.De BAG bevat gegevens van alle adressen en gebouwen in Nederland,zoals bouwjaar, oppervlakte, gebruiksdoel en locatie op de kaart. De BAGis onderdeel van het overheidsstelsel van basisregistraties, zoalsbijvoorbeeld ook de basisregistratie Kadaster (waaruit blijkt wie eigenaaris van de grond). Gemeenten zijn de bronhouders van de BAG. Zij zijnverantwoordelijk voor het opnemen van de gegevens in de BAG en voorde kwaliteit ervan. De BAG kent haar basis in de Wet basisregistratieadressen en gebouwen (BAG) en het onderliggende Besluit. Het eventueeluitvragen van extra gegevens vergt wijzigingen in dit Besluit inclusief definanciering van de mogelijke extra administratieve last daarvan voorgemeenten. Daarbij moet bedacht worden dat in de BAG bewust isgekozen voor een beperkt aantal gegevens die informatief zijn voormeerdere sectoren/beleidsopgaven tegelijk (enkelvoudige inwinning,meervoudig gebruik). Gegevens die enkel van belang zijn voor één spe-cifiek doel, bijvoorbeeld woningbouw, passen naar hun aard niet goed bijdeze basisregistratie.5. Specifiek type woningbouw Naast informatie over (de bouw van) woningen in het algemeen is er bijhet CBS data beschikbaar over welk specifiek type woningbouw dit kanbetreffen. Gaat het bijvoorbeeld om reguliere nieuwbouw of om transfor-matie van gebouwen zoals kantoren naar woningen? Van sommige typewoningbouw is niet altijd (meteen) bekend hoeveel nieuwe woningen ergerealiseerd zijn. Het CBS heeft het totaal aantal nieuwe woningen goedin beeld. Het is echter niet altijd bekend welk specifiek type woningbouwhet betreft. Als een specifiek type niet afzonderlijk uit de data af te leidenis, wil dat dus niet zeggen dat het totaal aantal nieuwe woningenonbekend zou zijn. In de tabel hieronder is weergegeven welke informatiena hoeveel weken of maanden beschikbaar is over het totaal aantalnieuwe woningen, de woningen uit transformaties, woningen uitsplitsingen en woningen uit optoppingen.Tabel 1. Informatie over specifieke type woningbouwPlanvorming inLMVWVergunningen CBScijfers?Startbouw CBScijfers?Realisaties CBScijfers?1Alle woningenData beschikbaar?JaJaJa2JaHoe snel?Enkele weken3< 4 weken4< 4 weken4<4 weken4TransformatiesData beschikbaar?JaPer juli 2025beschikbaar alsonderdeel v.d. totaleoverige toevoegin-gen met vertragingvan 4 wekenNeeJaHoe sneln.v.t.n.v.t.4 maandenSplitsingen ensamenvoegingenData beschikbaar?Nee5NeeJaHoe snel?n.v.t.n.v.t.4 maandenOptoppingenData beschikbaar?NeeNeeNee6Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 134611 Planvorming inLMVWVergunningen CBScijfers?Startbouw CBScijfers?Realisaties CBScijfers?1Hoe snel?n.v.t.n.v.t.n.v.t.1 CBS-cijfers zijn altijd eerst voorlopig. Het definitief worden van cijfers duurt meestal iets meer dan een jaar, maar de verschillen tussen devoorlopige en de definitieve zijn meestal beperkt.2 Vanaf juli 2025. Nu ook al bekend, maar dan alleen het totaal aantal woningen dat reeds in startbouw is, maar niet het maandelijks aantalwoningen dat in start bouw gegaan is.3 De uitvraag bij de gemeenten vraagt om de planvoorraad van drie maanden eerder. De actualiteit van de mijlpaalinformatie die beoogd wordt toete voegen, zal slechts enkele weken oud zijn.4 Vier weken vanaf juli 2025, nu nog zes weken.5 Meestal niet bekend bij de gemeente omdat dit vaak private initiatieven zijn die pas bekend raken bij de gemeente bij de vergunningverlening.6 Data niet beschikbaar, maar via de CBS post «overig door verbouw» bestaat wel zicht op de ontwikkeling. TransformatiesBinnen de CBS-data over gerealiseerde woningen is het aantal nieuwewoningen door transformaties separaat onderscheiden. Deze apartecijfers zijn beschikbaar in een tijdbestek van vier maanden ten opzichtevan de verslagperiode. Dat is drie maanden langer dan bij de totalerealisatiecijfers. Dit komt omdat het CBS voor de woningtransformatiesBAG data moet combineren met data uit de basisregistratie personen.Verder wordt ieder kwartaal de transformatiemonitor gepubliceerd doorhet CBS, waarmee het aantal woningtransformaties van een recentkwartaal wordt getoond. De transformaties zijn geen onderdeel van dedata over de bouwvergunningen en de startbouwdata. Wanneer het CBSbinnenkort (ver)bouwvergunningen ook op BAG data gaat baseren kanhet CBS ook het aantal vergunningen voor de overige toevoegingenvermelden.15 Dit splitst het CBS echter niet uit naar transformaties,splitsingen en optopwoningen.Splitsingen (en samenvoegingen)Voor splitsingen geldt hetzelfde als voor transformaties, met de kantte-kening dat er behalve splitsingen ook samenvoegingen zijn. Als het gaatom de vraag hoeveel woningen worden toegevoegd door splitsingenrapporteer ik daarom doorgaans het saldo van beide omdat dat eenevenwichtig beeld geeft van de bijdrage hiervan aan het aantal nieuwewoningen.16OptopwoningenHoeveel woningen er door optoppen aan de woningvoorraad wordentoegevoegd is niet precies bekend. Nieuwe woningen door optoppenzitten net als transformaties wel in de realisatiecijfers, maar anders dan bijtransformaties kan het CBS de optopwoningen niet afzonderlijk onder-scheiden. Het CBS heeft onderzocht of het aantal nieuw gerealiseerdeoptopwoningen uit de bestaande registraties (met name de BAG) afgeleidzou kunnen worden. Het blijkt niet mogelijk op basis van de bestaandedataregistraties te komen tot betrouwbare cijfers over het aantal optopwo-ningen. Optopwoningen zitten wel in de CBS data, maar dan als15Overigens zal de registratie van vergunde toevoegingen aan reeds bestaande panden in deBAG minder informatief zijn dan bij realisatie van nieuwe panden. Dit komt omdat alleen denieuwe woningen die aan het pand toegevoegd gaan worden geregistreerd op het momentvan vergunningverlening, maar niet welke woningen in het pand gaan verdwijnen als deverbouwing compleet is. Omdat tegenover elke 3 toevoegingen ongeveer 1 onttrekking staat,kan verondersteld worden dat het aantal (woningen in deze) vergunningen die het CBS strakszal gaan publiceren ruwweg per saldo voor 2/3 deel tot extra woningen zal leiden.16Er geldt bovendien dat wanneer één woning in tweeën wordt gesplitst, dit in de BAG geboektwordt als twee nieuwe woningen en als één «verdwijnende» woning. En zo komt het ook in deCBS statistiek terecht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 134612 onderdeel van een ruimere categorie, namelijk de post «overig doorverbouw» tot stand gekomen woningen.17In de motie Welzijn18 wordt gevraagd naar cijfers over transformaties,splitsingen en optoppingen. Binnenkort zal door het CBS data gepubli-ceerd worden met betrekking tot het aantal verleende bouwvergunningenvoor de totale overige toevoegingen waarvan deze drie typenwoningbouw het overgrote deel uitmaken. Daarmee ontstaat ook eenbeter beeld van de te verwachten woningbouw uit transformaties,splitsingen en optoppingen.Voor wat betreft de realisaties zijn er voor transformaties en splitsingenwel afzonderlijke cijfers beschikbaar, maar zoals zojuist is beschreven, isdat voor optopwoningen niet mogelijk. Slechts wanneer gekozen zouworden voor een aparte (verplichte) uitvraag onder gemeenten naarspecifiekere cijfers, zou te achterhalen zijn wat de aantallen bouwvergun-ningen en realisaties per genoemd type woningbouw zijn. Vanwege deadministratieve last voor gemeenten van een dergelijke uitvraag ligt ditechter niet voor de hand.Met bovenstaande beschouw ik de moties Welzijn voor zover betrekkinghebbend op vragen naar cijfers over transformaties, splitsingen enoptoppingen afgedaan binnen de mogelijkheden die de bestaandedatabronnen bieden.Studentenwoningen en ouderenwoningenOf een extra woning ontstaat door optoppen, splitsen, transformatie ofdoor reguliere nieuwbouw doet voor het terugdringen van het woning-tekort in feite niet ter zake. Elke woning is er één. Voor ouderenwoningenen studentenwoningen ligt dit anders. Wil een woning geschikt zijn voorouderen dan stelt dat fysieke eisen aan die woning. En voor studentenwo-ningen geldt dat het hier zowel om onzelfstandige (met gedeeldevoordeur en gedeelde voorzieningen) als zelfstandige woningen kan gaan.Wat de beide type woningen bovendien gemeenschappelijk hebben is datde doelstelling voor ouderenwoningen en studentenwoningen gereali-seerd kan worden door zowel woningbouw als door aanpassing vanwoningen in de bestaande voorraad.Als het om het vaststellen van de opgave gaat, dan geldt dat voor beidetype woningen aparte prognoses gebruikt worden. Voor ouderen geldt datde woonbehoefte vastgesteld wordt op basis van de Primosprognose«Wonen met zorg» (Fortuna). In de aanstaande herijking van dewoondeals zullen de nieuwe inzichten uit Fortuna worden meegenomen.Voor studentenwoningen wordt gebruik gemaakt van de Primosprognose«Studentenhuisvesting» (Apollo). Hierin wordt de nationale studenten-prognose van het Ministerie van OCW lokaal naar diverse studiestedengespecifieerd om uitspraken te kunnen doen over het verwacht aantalthuis- en uitwonende studenten per stad. Dit wordt opgenomen in de inde Landelijke monitor studentenhuisvesting (LAS). De LAS wordt iedernajaar gepubliceerd en aangeboden aan uw Kamer.De monitoring van de ouderenwoning vindt onder andere plaats doordatin de LMVW sinds kort ook het geplande aantal ouderenwoningen wordt17Indien er veel meer dan nu het geval is opgetopt zou worden, dan zou de categorie «overigdoor verbouw» dus in omvang moeten toenemen. Het aantal nieuwe woningen in dezecategorie ligt de laatste jaren tussen de vier en vijfduizend woningen per jaar. (Zijnde het saldovan toevoegingen door overig verbouw minus de onttrekkingen door overig verbouw.)Overigens zullen optopwoningen soms deels foutief als transformatie geboekt worden. Vaneen pand dat getransformeerd wordt en waarbij tevens opgetopt wordt, zullen alle woningendoorgaans als transformaties worden geboekt.18Motie Welzijn c.s., Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 1162Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 134613 uitgevraagd. Daarnaast heeft het CBS recent een intern onderzoekafgerond naar de vraag of het mogelijk is uit de bestaande registraties afte leiden welk deel van de woningvoorraad als ouderenwoning te typerenvalt. Het gaat bij ouderenwoningen om nultredenwoningen die al dan nietbovendien geclusterde woonvormen betreffen die al dan niet bovendienzorggeschikt zijn. Het CBS is positief over de mogelijkheid vast te gaanstellen of een woning een nultredenwoningen is en of de woningzorggeschikt is. Dit geldt echter niet voor geclusterde woningen. Dezeblijken niet uit de beschikbare data af te leiden. Op termijn, bij eensuccesvolle doorontwikkeling van de CBS methodiek zou dit betekenendat het CBS in staat zal zijn om aan te geven in welke mate de woning-voorraad en de woningbouw bestaat uit nultredenwoningen enzorgschikte woningen.Hiernaast wordt jaarlijks de Monitor Ouderenhuisvesting huisvestinggepubliceerd en gedeeld met uw Kamer. Deze monitor geeft inzicht in hetaantal ouderenhuishoudens vanaf 55 jaar en hun woonsituatie in termenals eigendom, prijsklasse en geschiktheid.De jaarlijkse Landelijke monitor studentenhuisvesting bevat naastprognose ook informatie over het aanbod van studentenhuisvesting. Ditbestaat uit informatie over de bouwplannen voor studentenhuisvesting enhet actuele aanbod van studentenhuisvesting. Op basis hiervan kan eenactueel tekort aan studentenhuisvesting worden berekend per studen-tenstad.6. Overzichtstabel Tenslotte, in de tabel op de volgende pagina is een samenvatting gegevenvan de beschikbare monitor en prognose informatie.Tabel 2. Samenvatting monitor en prognose informatieWatInhoudFrequentieGebruik van de informatiePrognoses, wat is er nodig qua woningbouw?1. ABF Primos-prognoseKwantitatieve bouwopgave, nationaal en per regio &Jaarlijks in juliGeeft input voor de driejaarlijkseherijking van de bestuurlijkeafspraken woondeals2. ABF Woningmarkt-verkenningKwalitatief inzicht in de bouwopgaveJaarlijks in novemberPrognoses, wat is de woningbouwverwachting?3. ABF Primos prognoseWoningbouwprognose voor komende 15 jaar en verder,nationaal en per regioJaarlijks in juliGeeft inzicht op de vraag of hetbeleid voldoende op koers ligten geeft mogelijk inzicht inaangrijpingspunten beleid kanbetrokken worden bij bestuur-lijke overleggen woondeals4. kortere termijnprognoses(in ontwikkeling)Woningbouwprognose komende vijf jaar met meer (danPrimos) inzicht in factoren oorzaken die het bouwtempobepalenMinimaal jaarlijks,moment nog tebepalenMonitoring woningbouwplannen, wat is er aan planvoorraad en wat is de voortgang daarvan?5. interbestuurlijkeLandelijke MonitorVoortgang Woning-bouw (LMVW)Aantal woningen per plan met gepland opleverjaar, status(zacht, hard of gerealiseerd), kenmerken woning zoalseengezinswoningen of appartement, prijssegment eneigendom (betaalbaarheid) en locatie.Gaat gecombineerd worden met mijlpalen uit openbarebronnen:Principeakkoord B&W (zacht plan), anterieure overeen-komst, plan door gemeenteraad (hard plan), vergunningverleend, 1e woning startbouw, 1e woning gerealiseerd.Voorjaar en najaarGeeft inzicht op de vraag of hetbeleid voldoende op koers ligten geeft input voor de bestuur-lijk overleggen woondeals(halfjaarlijks provinciaal enminimaal halfjaarlijks regionaal)6. publiek privatemonitors (PPM’s)Projectkenmerken zoals aantal en betaalbaarheid,geplande en gerealiseerde mijlpalen en knelpuntenPrecieze frequentiekan per tafelverschillenWordt gebruikt aan lokale enregionale versnellingstafels voorhet goede gesprek over deversnelling van de lokale enregionale woningbouwTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 134614 WatInhoudFrequentieGebruik van de informatieMonitoring op woningniveau, wat is er gerealiseerd qua aantallen woningen?7. bouwvergunningenTot op gemeenteniveau het aantal verleende bouwver-gunningenMaandelijkse CBSstatistiekGeeft inzicht op de vraag of hetbeleid voldoende op koers ligtwordt betrokken bij bestuurlijkeoverleggen woondeals8. startbouwTot op gemeenteniveau het aantal bouwgestartewoningen9. realisatiesTot op gemeenteniveau het aantal gerealiseerdewoningen Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 847, nr. 134615
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.