Kabinetsreactie op de Initiatiefnota van het lid De Korte over een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen (Kamerstuk 36624-2)
Brontekst
Versie 13af63645a4abcc3 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 624Initiatiefnota van het lid De Korte over eenkritische reflectie op euthanasie bij psychischlijden van jonge mensenNr. 4 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 10 februari 2025De vaste commissie voor VWS heeft in haar procedurevergadering van9 oktober 2024 gevraagd om een kabinetsreactie op de initiatiefnota vanhet voormalig lid Hertzberger (NSC) over een kritische reflectie opeuthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen. Met deze brief kom iktegemoet aan dit verzoek.Euthanasie bij psychisch lijden is complex, zeker waar het jonge mensenbetreft. Het is dan ook goed dat er, ook vanuit uw Kamer, aandacht wordtgevraagd voor dit onderwerp.In de initiatiefnota uit het voormalig lid Hertzberger haar zorgen over degroei van euthanasie bij jonge mensen met psychisch lijden. Zij geeft aandat het aantal euthanasiegevallen in de geestelijke gezondheidszorg deafgelopen jaren sterk is toegenomen, vooral onder vrouwen onder de 30jaar. Initiatiefnemer wijst erop dat deze ontwikkeling plaatsvindt in eencontext van een verschraald zorgaanbod in de geestelijke gezond-heidszorg (ggz), lange wachtlijsten en een verslechtering van het mentalewelzijn. Ook heeft de media-aandacht volgens haar geleid tot een golf vaneuthanasieverzoeken.Initiatiefnemer erkent dat de huidige Wet toetsing levensbeëindiging opverzoek en hulp bij zelfdoding (Wtl) ruimte biedt voor euthanasie bijpsychisch lijden. Zij is van mening dat de huidige wet volstaat, maar iszeer kritisch op de door haar gesignaleerde «verschuiving in de euthana-siepraktijk bij psychiatrie» en beoogt met haar initiatiefnota duidelijkheidte krijgen over hoe deze verschuiving past binnen de Wtl. Volgensinitiatiefnemer zijn de zorgvuldigheidseisen van de Wtl lastiger toe tepassen bij psychisch lijden dan bij somatische aandoeningen in het lichtvan onzekerheid over de prognose van een patiënt en de effectiviteit vanbehandelingen. Daarnaast leidt de lage bereidheid tot euthanasie binnen kst-36624-4ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 41 de beroepsgroep van ggz-behandelaren volgens initiatiefnemer tot eenonwenselijke specialisatie en concentratie van euthanasieverzoeken bijeen klein aantal artsen en het Expertisecentrum Euthanasie. Genoemdeonzekerheid, specialisatie en media-aandacht brengen volgens haarrisico’s met zich mee voor het vertrouwen in de euthanasiepraktijk bijpsychisch lijden.Initiatiefnemer doet vijf concrete voorstellen die helderheid moetenbieden over de invulling van en media-aandacht voor euthanasie bijpsychisch lijden van jonge mensen. Hieronder ga ik eerst kort in op dehuidige situatie rondom euthanasie bij psychisch lijden, meer specifiek a)de Wtl en psychisch lijden, b) de ontwikkeling in het aantal euthanasie-meldingen op basis van psychisch lijden, c) de bereidheid tot het verlenenvan euthanasie bij psychisch lijden. Vervolgens ga ik in op de concretevoorstellen uit de initiatiefnota.I Euthanasie bij psychisch lijden a. De Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding(Wtl) en psychisch lijden In de Wtl, die op 1 april 2002 in werking is getreden, zijn zes zorgvuldig-heidseisen neergelegd waaraan een arts zich dient te houden indien hijeuthanasie of hulp bij zelfdoding wil verlenen aan een patiënt.1 Het betrefteen codificatie van criteria zoals die in de rechtspraak voorafgaand aan deWtl zijn geformuleerd.2In het kader van euthanasie bij psychisch lijden is het Chabot-arrest vande Hoge Raad uit 1994 van belang. In die jaren was euthanasie alleenmogelijk met een beroep op «noodtoestand». De Hoge Raad oordeelde indit arrest, kort samengevat, dat een succesvol beroep op deze strafuitslui-tingsgrond niet is uitgesloten bij personen die ondraaglijk en uitzichtlooslijden zonder dat dat een somatische oorzaak heeft. Dit vergde wel dat hetonderzoek naar het bestaan van de noodtoestand met «uitzonderlijk grotebehoedzaamheid» moest plaatsvinden. Op basis hiervan is in de Wtleuthanasie bij psychisch lijden niet uitgesloten.De Wtl is van toepassing op patiënten van 12 jaar en ouder. Ten aanzienvan verzoeken van minderjarigen bevat de Wtl enkele bepalingen over debetrokkenheid van de ouders. Euthanasie bij psychisch lijden is duswettelijk mogelijk vanaf 12 jaar.Binnen de systematiek van de Wtl hebben de Regionale Toetsingscom-missies Euthanasie (RTE) de ruimte gekregen om de zorgvuldigheidseisen(de overwegend «open normen») van de Wtl nader in te vullen; de RTEzijn primair verantwoordelijk voor het toepassen en interpreteren van dewettelijke zorgvuldigheidseisen.Medisch-professionele richtlijnen en standpunten – waarin de medischeberoepsgroep heeft neergelegd wat het heersend medisch inzicht is – zijnvoor de RTE van belang bij het beoordelen van meldingen van euthanasie1De zorgvuldigheidseisen houden in dat de arts: a) de overtuiging heeft gekregen dat er sprakeis van een vrijwillig en weloverwogen verzoek van de patiënt; b) de overtuiging heeft gekregendat er sprake is van uitzichtloos en ondraaglijk lijden van de patiënt; c) de patiënt heeftvoorgelicht over de situatie waarin deze zich bevindt en over diens vooruitzichten; d) met depatiënt tot de overtuiging is gekomen dat er voor de situatie waarin deze zich bevindt geenredelijke andere oplossing is; e) ten minste één andere, onafhankelijke arts, heeft geraadpleegddie de patiënt heeft gezien en schriftelijk zijn oordeel heeft gegeven over de hiervoor onder a)tot en met d) genoemde zorgvuldigheidseisen; f) de levensbeëindiging op verzoek medischzorgvuldig heeft uitgevoerd (artikel 2, eerste lid, Wtl).2Kamerstuk 26 691, nr. 3, p. 7.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 42 voor zover zij passen binnen het wettelijke kader.3 In de EuthanasieCodehebben de RTE uitvoerig uiteengezet en toegelicht hoe de wettelijkezorgvuldigheidseisen door hen worden uitgelegd. De RTE geven daarbijaan dat indien het euthanasieverzoek (in overwegende mate) voortkomtuit lijden dat het gevolg is van een psychische stoornis van de arts grotebehoedzaamheid wordt verwacht waarbij altijd onafhankelijke psychia-trische expertise moet worden ingeroepen. Hiermee sluiten de RTE aan bijde beroepsgroepen Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevor-dering der Geneeskunst (KNMG) en NVvP (zie verder sub (4).De RTEtoetsen aan de wet, de wetsgeschiedenis en de relevante jurisprudentieen houden hierbij rekening met eerdere uitspraken van de toetsingscom-missies, de (medisch) professionele standaard en beslissingen van hetOpenbaar Ministerie (OM) betreffende euthanasie.4In de vierde evaluatie van de Wtl wordt door de onderzoekers aangegevendat het voor de hand ligt dat historisch gezien op het terrein van eutha-nasie en hulp bij zelfdoding grote betekenis wordt toegekend aanrelevante medisch-professionele richtlijnen zoals voor het eerst is bepaaldin het Schoonheim-arrest van de Hoge Raad (1984), waarbij «hetverantwoord medisch inzicht, getoetst aan de in de medische ethiekgeldende normen te dezen» centraal stond. Ook in een recente uitspraakvan de Hoge Raad (de koffie-euthanasiezaak) werd aangegeven dat tenaanzien van de grenzen van het handelen van de arts in het kader vanlevensbeëindiging op verzoek «de normen en inzichten van medischeprofessionals» hebben te gelden. Dit wil volgens de onderzoekersoverigens niet zeggen dat de RTE in bepaalde situaties niet van dezerichtlijnen zouden mogen afwijken. Discrepanties tussen richtlijnen van deberoepsgroep en de wetsuitleg door de RTE moeten volgens de onder-zoekers echter worden geminimaliseerd.5 Dit standpunt onderschrijf ik.De professionele standaard voor euthanasie bij psychisch lijden isneergelegd in de richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten meteen psychische stoornis (2018) van de Nederlandse Vereniging voorPsychiatrie (NVvP).6 In de richtlijn is aangegeven dat er zowel in demaatschappij als binnen de beroepsgroep consensus bestaat over het feitdat extra behoedzaamheid in acht moet worden genomen wanneer degrondslag van een verzoek primair gelegen is in een psychische stoornis.De NVvP richtlijn wordt inmiddels herzien om aan te sluiten bij de laatstewetenschappelijke inzichten en inzichten uit de praktijk. Het betreft eeneerder voorziene, periodieke aanpassing waarbij de meest urgenteonderwerpen worden meegenomen. Er zal in ieder geval aandacht zijnvoor de huidige zorgen over euthanasie bij psychisch lijden bij jongemensen. Momenteel wordt nader in kaart gebracht welke onderwerpenverder geadresseerd zullen worden.3Volgens de RTE kan het voorkomen dat er een verschil bestaat tussen een standpunt of eenrichtlijn en de wet of de rechtspraak, meer in het bijzonder dat het standpunt of de richtlijnstrengere eisen stelt dan de wet of de rechtspraak. In een dergelijk geval zijn voor de RTE dewet, de rechtspraak en de bestaande toetsingspraktijk doorslaggevend. Zie: EuthanasieCode2022, Regionale Toetsingscommissies Euthanasie, juli 2022, p. 18.4EuthanasieCode 2022, Regionale Toetsingscommissies Euthanasie, juli 2022, p. 13.5Vierde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, Den Haag:ZonMw, mei 2023, p.49 e.v.6Startpagina – Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis –Richtlijn – Richtlijnendatabase.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 43 b. Ontwikkeling in het aantal euthanasiemeldingen op basis van psychischlijden In 2008 ontvingen de RTE voor het eerst 2 euthanasiemeldingen op basisvan psychisch lijden (6 jaar na inwerkingtreding van de Wtl) en in 2016voor het eerst een melding van een patiënt jonger dan 30 jaar. In 2023betrof het voor de eerste maal 2 minderjarigen van respectievelijk 16 en17 jaar.Het aantal euthanasiemeldingen op basis van psychisch lijden laat doorde linie een stijging zien – zowel het totaal aantal meldingen als het aantalmeldingen bij patiënten jonger dan 30 jaar – waarbij het aantal jaarlijksfluctueert. Het percentage euthanasiemeldingen op basis van psychischlijden op het totaal aantal meldingen dat jaarlijks door de RTE wordenontvangen is vooralsnog zeer beperkt en fluctueert, zoals uit onder-staande tabel blijkt. Expertisecentrum Euthanasie (EE) signaleertoverigens dat de afgelopen 10 jaar het aantal euthanasieverzoeken istoegenomen, maar dat het percentage ingewilligde verzoeken nagenoeggelijk is gebleven: ongeveer 10% van alle verzoeken op basis vanpsychisch lijden wordt ingewilligd.7 Voor patiënten tussen 18–30 jaar is ditpercentage volgens EE aanzienlijk lager, namelijk een kleine 4%.8 Uitrecent onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijdenonder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat slechts 3% van de ingediendeverzoeken werd gehonoreerd.9JaarTotaal aantaldoor RTEontvangen euthanasie-meldingenAantal doorRTE ontvangen euthanasie-meldingen waarbij hetverzoek voortkwam uit lijdendat het gevolg was van eenpsychische stoornisPercentage meldingenpsychiatrie op totaal aantalmeldingenAantal doorRTE ontvangen euthanasiemel-dingen waarbij het verzoekvoortkwam uit lijden dat hetgevolg was van een psychischestoornis -Leeftijd< 30 jaar20082.33120,09%---20092.63600,0%---20103.13620,06%---20113.695130,35%---20124.188140,33%---20134.829420,87%---20145.306410,77%---20155.516561,02%---20166.091600,99%120176.585831,26%420186.126671,09%520196.361681,07%320206.938881,3%520217.6661151,5%1420228.7201151,3%1120239.0681381,5%22 Waar het jonge mensen onder de 30 jaar betreft gaat het in de periode2016–2023 om de volgende aantallen, uitgesplitst naar geslacht:7Zoals de NVvP en de KNMG in hun gezamenlijke reactie op de onderhavige initiatiefnotaterecht opmerken, is het niet zo dat 90% van de mensen op de wachtlijst alsnog wordtafgewezen. Deze 90% betreft met name patiënten met een psychische stoornis die hun verzoekterugtrekken vanwege hernieuwde levenszin of motivatie voor behandeling. Zie: Reactie van deNVvP en de KNMG op de Initiatiefnota van Rosanne Hertzberger (Nieuw Sociaal Contract) «Eenkritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jonge mensen», 7 november 2024.8Reactie van Expertisecentrum Euthanasie op de initiatiefnota van NSC. De reactie is nietopenbaar maar ter informatie met VWS gedeeld.9Lizanne J.S. Schweren e.a., Requests for Medical Assistance in Dying by Young Dutch PeopleWith Psychiatric Disorders, JAMA Psychiatry, January 2, 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 44 JaarAantal door RTE ontvangeneuthanasiemeldingen waarbijhet verzoek voortkwam uitlijden dat het gevolg was vaneen psychische stoornisLeeftijd < 30 jaarAantal manAantal vrouw20166011201783413201867523201968312202088523202111514212202211511011202313822616 In de periode 2020–2023 gaat het om de volgende meldingen vanpatiënten jonger dan 30 jaar, uitgesplitst naar leeftijd en geslacht10:JaarAantal door RTE ontvangeneuthanasiemeldingen waarbijhet verzoek voortkwam uitlijden dat het gevolg was vaneen psychische stoornisJonger dan 30 jaar – leeftijdJonger dan 30 jaar – manJonger dan 30 jaar – vrouw202088 - waarvan 5 patiëntenjonger dan 30 jaar27 jaar: 329 jaar: 2232021115 - waarvan 14 patiëntenjonger dan 30 jaar18 jaar: 221 jaar: 122 jaar: 123 jaar: 225 jaar: 227 jaar: 428 jaar: 22122022115 - waarvan 11 patiëntenjonger dan 30 jaar18 jaar: 120 jaar: 121 jaar: 225 jaar: 228 jaar: 129 jaar: 40112023138 - waarvan 22 patiëntenjonger dan 30 jaar16 jaar: 117 jaar: 121 jaar: 122 jaar: 124 jaar: 425 jaar: 226 jaar: 627 jaar: 228 jaar: 329 jaar: 1616 Uit de cijfers van de RTE is gebleken dat in de periode 2020–2023 zevenmeldingen vanwege psychisch lijden als onzorgvuldig zijn beoordeeld opeen totaal van 456 meldingen vanwege psychisch lijden, ofwel 1,5%. Geenvan deze meldingen betrof mensen jonger dan 30 jaar.Uit bovenstaande cijfers wordt duidelijk dat het aantal euthanasiemel-dingen van patiënten onder de 30 jaar in 2021 aanzienlijk toenam en ietsdaalde in 2022 om vervolgens weer te stijgen in 2023. Hoewel hier zekeraanwijzingen voor zijn, valt te bezien hoe een en ander zich de komendejaren ontwikkelt en in hoeverre kan worden gesproken van een daadwer-kelijke «verschuiving in de euthanasiepraktijk bij psychiatrie». Op grondvan de door de RTE verstrekte informatie over de eerste helft van 2024 lijktde toename van het aantal euthanasiemeldingen op basis van psychischlijden door te zetten, ook onder jongeren onder de 30 jaar: in het eerste10Volgens de RTE zijn er geen specifieke gegevens over de periode 2016–2019 beschikbaar.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 45 halfjaar van 2024 ontvingen de RTE 105 meldingen op basis van psychischlijden waarvan 12 van mensen jonger dan 30 jaar.11c. Bereidheid tot het verlenen van euthanasie bij psychisch lijden Niet bekend is hoe groot de bereidheid is onder psychiaters om eutha-nasie op basis van psychisch lijden te verlenen in het algemeen of bijjonge mensen in het bijzonder.12 De cijfers over de «euthanasie-bereidheid van artsen», waar initiatiefnemer in haar initiatiefnota naarverwijst, zijn afkomstig uit de vierde evaluatie van de Wtl. In dezeevaluatie zijn echter geen psychiaters betrokken.Er kan dan ook niets worden gezegd over de huidige bereidheid onderpsychiaters om euthanasie op basis van psychisch lijden te verlenen. Welwordt in het veld gesignaleerd dat de bestaande terughoudendheid enhandelingsverlegenheid onder psychiaters ten aanzien van doodswensen/euthanasieverzoeken op psychische grondslag afneemt. Zo is er bredeinteresse voor het onderwerp, wordt het landelijk expertisenetwerkThaNet geregeld gevraagd voor scholing en onderwijs, zijn er binnendiverse ggz-instellingen initiatieven om de zogenaamde euthanasiezorgintern beter te regelen, zijn er meer psychiaters bereid om secondopinions te verrichten en wordt er in verschillende regio’s gezien dat desecond opinions in toenemende mate worden aangevraagd doorpsychiaters die werkzaam zijn in de ggz (en dus niet bij ExpertisecentrumEuthanasie).II Reactie op voorstellen initiatiefnemer Het voormalig lid Hertzberger vraagt in haar initiatiefnota de Kamer ermeein te stemmen de betrokken bewindspersoon te verzoeken om devolgende vijf voorstellen uit te voeren:(1) Wetenschappelijk onderzoek laten uitvoeren naar wat ergesteld kan worden over de prognose van veelvoorkomendepsychiatrische aandoeningen die hebben geleid tot euthanasie-aanvragen en welk aspect factoren zoals leeftijd hierin speelt.Initiatiefnemer geeft aan dat zij onderzoek wil laten uitvoeren naar «hoeuitzichtloosheid bij psychiatrische aandoeningen moet worden bezien alszorgvuldigheidscriterium, los van het criterium van de afwezigheid vaneen redelijk behandelalternatief.» Naar haar oordeel wordt de uitzicht-loosheid bepaald door twee aspecten: 1) het gebrek aan behandeloptiesen 2) de verwachting van het ziektebeloop. Zij is van mening dat in deEuthanasieCode van de RTE aan deze twee aspecten niet hetzelfdegewicht wordt gegeven. Volgens initiatiefnemer wordt in de Euthana-sieCode de nadruk gelegd op het eerste aspect: het wel of niet kunnenbehandelen of de symptomen te kunnen verzachten. En wordt uitzicht-loosheid in nauwe samenhang bekeken met het zorgvuldigheidscriteriumvan het ontbreken van redelijke alternatieve oplossingen. Zij vindt hetopvallend – met name wanneer het patiënten betreft met een psychischeaandoening – dat aan het tweede aspect, de prognose van de ziekte zelf,veel minder aandacht wordt besteed.Zoals in voorgaande al is toegelicht, zetten de RTE in de EuthanasieCodeuiteen hoe de wettelijke zorgvuldigheidseisen door hen worden uitgelegd.Richtinggevend daarbij zijn de wet, de wetsgeschiedenis en relevante11NRC Handelsblad, 8 september 2024 «Vaker euthanasie bij jonge mensen wegens psychischlijden – en psychiaters zijn er tot op het bot verdeeld over».12Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 2392 HERDRUK.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 46 jurisprudentie. Hierbij houden de RTE rekening met eerdere uitsprakenvan de toetsingscommissies, de (medisch) professionele standaard enbeslissingen van het OM betreffende euthanasie.In de Memorie van Toelichting bij de Wtl wordt voor de betekenis enreikwijdte van de begrippen «uitzichtloos» en «ondraaglijk lijden»verwezen naar de uiteenzetting die eerder naar aanleiding van hetChabot-arrest aan uw Kamer is verzonden: «Voor de uitzichtloosheid vanhet lijden is het medisch oordeel bepalend».Naar medisch vakkundig oordeel moet vaststaan dat de situatie van depatiënt verergert en niet te verbeteren is. Zo wordt de uitzichtloosheidgeobjectiveerd. Als de vraag of de verergering van het lijden kan wordenverminderd of opgeheven, door de behandelend arts ontkennend wordtbeantwoord, ontbreekt een reëel behandelingsperspectief. Of zodanigperspectief bestaat, kan volgens geobjectiveerde medische maatstavenworden nagegaan. Volgens de Commissie Aanvaardbaarheid Levensbe-ëindigend handelen van de KNMG spelen de volgende drie elementenhier een rol. Een behandelingsperspectief is reëel als (a) er naar huidigmedisch inzicht bij adequate behandeling zicht op verbetering is, (b)binnen afzienbare termijn, (c) met een redelijke verhouding tussen de teverwachten resultaten en de belasting van de behandeling voor depatiënt».13In de toelichting die de RTE in de EuthanasieCode geven op de wijzewaarop de uitzichtloosheid van het lijden beoordeeld dient te worden,staat onder meer: «Bij het beoordelen van de uitzichtloosheid staan dediagnose en de prognose centraal. De uitzichtloosheid betreft de vraag ofer een reëel uitzicht is op het wegnemen of verzachten van de symptomenanders dan door euthanasie. Daarbij moet de arts rekening houden metzowel de mate van verbetering die de behandeling kan bewerkstelligen alsmet de belasting die deze behandeling voor de patiënt met zich brengt. Deuitzichtloosheid moet worden gezien in relatie tot de ziekte of aandoeningvan de patiënt en de daarmee verbonden symptomen. Van uitzicht-loosheid is sprake wanneer curatieve of palliatieve behandelopties om deondraaglijkheid van het lijden weg te nemen, ontbreken.»Bovenstaande maakt duidelijk dat bij de beoordeling in welke mate(adequate) behandeling bij een bepaalde patiënt nog zicht kan geven opverbetering de prognose van de ziekte uiteraard van belang is. Van «veelminder aandacht» voor de prognose van de ziekte zelf is dan ook geensprake. Het is wél zo dat de beoordeling van de uitzichtloosheid van hetlijden nauw samenhangt met de beoordeling of er nog redelijke andereoplossingen zijn om het lijden van de patiënt weg te nemen of teverminderen.Het is aan de arts die melding doet van euthanasie of hulp bij zelfdodingom in het door hem aangeleverde modelverslag en bijbehorende stukkente onderbouwen hoe hij tot het oordeel is gekomen dat het lijden van debetreffende patiënt – in het licht van de diagnose en prognose –uitzichtloos was. Het is niet – zoals initiatiefnemer stelt – aan de RTE omop hun beurt te beoordelen wat in dat specifieke geval de verwachtingwas van het ziektebeloop bij de patiënt. Die inhoudelijke beoordeling isnamelijk al gedaan door de uitvoerend arts zelf, de second opinionpsychiater en de SCEN-arts14, die de patiënt hebben gezien en hierin toteen eigenstandig oordeel zijn gekomen. De RTE toetsen achteraf of demeldend arts navolgbaar heeft kunnen concluderen dat er inderdaad van13Kamerstuk 26 691, nr. 3, p. 10 en Kamerstuk 23 877, nr. 1, p. 4.14SCEN staat voor Steun en Consultatie bij Euthanasie in Nederland.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 47 de vereiste uitzichtloosheid sprake was en of ook aan de andere zorgvul-digheidseisen van de wet is voldaan. De RTE toetsen ieder individueelgeval, niet op basis van generiek onderzoek.In de NVvP richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met eenpsychische stoornis (2018) wordt onder meer aangegeven dat bijpatiënten met een psychische stoornis uitzichtloosheid sterk persoonsge-bonden en individueel bepaald is en dat uitzichtloosheid verwijst naar degeobjectiveerde visie van de arts over de al dan niet resterende behandel-opties bij deze specifieke patiënt.Bij de beoordeling van de uitzichtloosheid gaat het om een beoordelingdoor de arts van de individuele en persoonlijke situatie van deze uniekepatiënt, niet om een algemeen oordeel over uitzichtloosheid gegeven depsychiatrische diagnose(n).15Initiatiefnemer wijst erop dat in geval van euthanasie bij psychisch lijden«veel meer onzekerheid en houvast» geaccepteerd moet worden dan bijeuthanasie vanwege een somatische aandoening. En dat de vraag is of deuitzichtloosheid van een situatie wel met voldoende zekerheid kan wordenvastgesteld wanneer er zo weinig bekend is over het ziektebeloop en ditbeloop ook nog eens sterk individueel bepaald is.Dat het complex is bij een euthanasieverzoek op psychiatrische grondslaguitzichtloosheid te beoordelen, is bekend. Op basis van richtlijnen,expertise en beloop van de behandelingen van de individuele patiëntwordt een beoordeling van de uitzichtloosheid gemaakt. Er zijn diversestudies naar het beloop van psychiatrische aandoeningen en effecten vanbehandelingen op het beloop. Uiteraard spelen deze wetenschappelijkeonderzoeken en publicaties een rol bij de beoordeling van de uitzicht-loosheid van het lijden van een individuele patiënt. Dat door de aard vanpsychiatrische aandoeningen en psychiatrische behandelingen over deuitzichtloosheid geen absolute zekerheid kan worden verkregen, wordtdoor veel psychiaters als onvermijdelijk gezien. Vanwege de aard vanpsychisch lijden is het ingewikkeld om prognostische beweringen te doen.Ook lijden de meeste patiënten die op psychische gronden om euthanasievragen aan complexe aandoeningen en hebben zij klachten in meerderedomeinen die de huidige diagnostische modellen tarten.16 Uit hethierboven aangehaalde recente onderzoek naar euthanasieverzoekenvanwege psychisch lijden onder jonge mensen (<24 jaar) blijkt dat dejonge mensen wiens euthanasieverzoek werd gehonoreerd (3% van deverzoekers) meerdere psychiatrische diagnoses en een uitgebreidebehandelgeschiedenis hadden.17Het verlenen van euthanasie betreft (bijzonder) medisch handelen. Zoalshiervoor uiteen is gezet, is voor de beoordeling van de uitzichtloosheidvan het lijden het medisch oordeel bepalend en moet naar medischvakkundig oordeel vaststaan of hiervan sprake is. Of in het licht vanvoorgaande algemeen breed onderzoek naar de prognose van psychia-trische aandoeningen – in aanvulling op reeds bestaande studies naar hetbeloop van psychiatrische aandoeningen en effecten van behandelingenop het beloop – van meerwaarde is, is dan ook primair en logischerwijsaan de beroepsgroep.15NVvP Richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis (2018),p. 36.16The art of letting go – a study on irremediable psychiatric suffering in the context of physicianassisted death, S. van Veen 2022, p. 141–142.17Lizanne J.S. Schweren e.a., Requests for Medical Assistance in Dying by Young Dutch PeopleWith Psychiatric Disorders, JAMA Psychiatry, January 2, 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 48 (2) Een advisering door een commissie van wijzen over uitzicht-loosheid als zorgvuldigheidscriterium losstaand van het zorgvul-digheidscriterium van het ontbreken van een redelijk alternatief.Initiatiefnemer wil een commissie van wijzen vragen advies uit te brengenover welke aspecten moeten worden meegenomen bij het beoordelen vande uitzichtloosheid van de situatie. De aanbevelingen van deze commissie(onder meer over welke mate van onzekerheid over de prognoseacceptabel is bij euthanasie) zouden volgens haar op termijn kunnenleiden tot een scherpere omschrijving en methode om uitzichtloosheid tekunnen vaststellen, zodat de euthanasiewetgeving en -code ooktoereikend zijn voor psychisch lijden.De zorgvuldigheidseisen van de Wtl moeten blijkens de wetsgeschiedenisworden gezien als «open normen» die onvermijdelijk abstract geformu-leerd zijn en die in hun onderlinge samenhang voldoende bestendig zijnen niet zullen leiden tot een steeds verdergaande versoepeling bij deaanvaarding van levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding.18Bij de invulling van de open normen speelt de medisch-professionelenormering – binnen de kaders van de Wtl – een belangrijke rol. In dit kaderis de NVvP richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met eenpsychische stoornis (2018) relevant. Zoals hierboven is toegelicht staat inde NVvP richtlijn beschreven hoe ondraaglijk en uitzichtloos lijden bijpatiënten met een psychische stoornis en een verzoek om levensbeëin-diging beoordeeld moeten worden. Zoals ik eerder bij de beantwoordingvan Kamervragen van het lid Hertzberger (NSC) heb aangegeven, is hetaan de beroepsgroep om te bepalen wat de professionele standaard is.19Het is dan dus ook aan de NVvP om te bezien of de huidige richtlijn tenaanzien van het beoordelen van de uitzichtloosheid van het lijden moetworden aangepast en welke aspecten daarbij van belang zijn aangezienhet hier gaat om een medisch inhoudelijke discussie.20 De NVvP isinmiddels gestart met de herziening van de richtlijn. De huidige discussieomtrent de aard en omvang inzake euthanasie bij psychisch lijden bijjonge mensen zal hierbij geadresseerd worden. Ook zet de NVvP zichervoor in dat de huidige discussie binnen de beroepsgroep op construc-tieve wijze wordt voortgezet.Gezien voorgaande is het niet aan een commissie van wijzen om teadviseren over de uitzichtloosheid van het lijden bij psychisch lijden. In ditkader verwijs ik ook naar de gezamenlijke reactie van de NVvP en deKNMG op de onderhavige initiatiefnota.21(3) Wetenschappelijk onderzoek naar de staat van de ggz, deinvloed op euthanasieverzoeken en -meldingen en de beschik-baarheid van redelijke alternatieve oplossingen voor jongepsychiatrische patiënten die een euthanasieverzoek indienen.Initiatiefnemer wil onderzoek laten uitvoeren naar de staat van de ggz, debeschikbaarheid van redelijke alternatieve oplossingen, de wachtlijsten ende invloed hiervan op euthanasieverzoeken. Zij wil onder meer laten18Kamerstuk 26 691, nr. 6, p. 55.19Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 2392 HERDRUK.20Martin Buijsen – jurist en filosoof, en hoogleraar gezondheidsrecht aan de Erasmus Univer-siteit Rotterdam – merkte eerder in dit kader op dat de professionele beroepsgroep vanpsychiaters zichzelf in belangrijke mate reguleert en dat de psychiatrische beroepsgroep ookhier zélf naar consensus te streven heeft. Zie: Publieke ruzie van psychiaters over euthanasietoont onbegrip en gebrek aan professionaliteit, NRC Handelsblad d.d. 10 oktober 2024.21Reactie van de NVvP en de KNMG op de Initiatiefnota van Rosanne Hertzberger (NieuwSociaal Contract) «Een kritische reflectie op euthanasie bij psychisch lijden van jongemensen», 7 november 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 49 onderzoeken welke rol de situatie in de jeugdzorg en de ggz speelt bij degroei in het aantal euthanasieverzoeken en euthanasiemeldingen.Hieronder volgt een uiteenzetting van alle activiteiten die op dit momentworden opgepakt en die in dit kader relevant zijn.Vooropgesteld zij dat aan het verlenen van euthanasie op basis vanpsychisch lijden altijd een zeer intensief en lang behandeltraject vooraf isgegaan waarbij alle reële en voor de patiënt redelijke behandelingen zijngeprobeerd, maar de ondraaglijkheid van het lijden van patiënt deson-danks niet kon worden weggenomen of wezenlijk kon wordenverminderd. De gemiddelde patiënt die om euthanasie vanwegepsychisch lijden vraagt, is al meer dan tien jaar in behandeling.Onderzoek naar de oorzaken van de absolute en relatieve stijging van hetaantal euthanasiegevallenOp 17 juni 2024 heeft de voormalig Minister voor Medische Zorg uwKamer geïnformeerd over de opdracht die via ZonMw zal wordenverstrekt voor het onderzoek naar de oorzaken van de absolute enrelatieve stijging van het aantal euthanasiegevallen.22 De oproep die doorZonMw is opengesteld voor het indienen van de subsidieaanvragen is op3 oktober 2024 gesloten. Inmiddels heeft ZonMw de opdracht tot hetuitvoeren van het onderzoek verstrekt. Het is de bedoeling dat deresultaten van het onderzoek in juni 2026 worden opgeleverd.In de subsidieoproep van ZonMw is aangegeven dat bij het onderzoeknaar de oorzaken van de absolute en relatieve stijging van het aantaleuthanasiemeldingen onder meer gedacht dient te worden aan eenveranderend beeld van de kwaliteit van de gezondheidszorg of toene-mende media-aandacht voor euthanasie, in het bijzonder voor euthanasiebij mensen met een psychiatrische aandoening. De uitkomsten van ditonderzoek kunnen dan ook mogelijk de nodige inzichten opleveren overde vraag welke rol de situatie in de jeugdzorg en de ggz speelt bij de groeiin het aantal euthanasieverzoeken en -meldingen.SUNSET-studieExpertisecentrum Euthanasie en 113 Zelfmoordpreventie voeren samenlongitudinaal vragenlijstonderzoek uit onder mensen die verzoeken omeuthanasie op grond van psychisch lijden. Doelen van het onderzoek zijna) meer inzicht te krijgen in klinische kenmerken van de groep mensen dieeuthanasie aanvraagt, waaronder suïcidaliteit b) meer inzicht te krijgen inhet beloop van de doodswens in de eerste zes maanden na het euthana-sieverzoek, c) een ondersteuningsaanbod te ontwerpen voor deze groepop basis van de hulpbehoeften die zij rapporteren. Om voldoendedeelnemers te kunnen werven is de inclusieperiode van SUNSETverlengd. Het onderzoek zal lopen tot begin 2027.Het SUNSET-onderzoek zou kunnen worden verlengd en uitgebreid toteen langlopende cohortstudie, waardoor mensen met een psychiatrischeaandoening die een euthanasieverzoek doen voor langere tijd (bijv.meerdere jaren) gevolgd zouden kunnen worden. Onderzocht kan danworden hoe het deze mensen vergaat, of en hoe hun psychische klachtenveranderen, en of en hoe hun doodswens verandert. Ook kan dan zichtworden verkregen op veranderingen in de tijd (bijv. toename van hetaantal aanvragen), en kunnen mensen worden bevraagd over bijvoor-beeld het effect van behandeling in de ggz, of de invloed van verande-ringen in de ggz. Voor een dergelijke langlopende cohortstudie is echteraanvullende financiering nodig.22Kamerstuk 32 647, nr. 108.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 410 Onderzoek naar euthanasieverzoeken vanwege psychisch lijden onderjongerenExpertisecentrum Euthanasie (EE) en 113 Zelfmoordpreventie hebbensamen dossieronderzoek uitgevoerd naar jonge mensen (<24 jaar) dieverzoeken om euthanasie op grond van psychisch lijden. Doelen van ditretrospectieve onderzoek zijn a) meer inzicht te krijgen in ontwikkelingenin het aantal jonge mensen dat verzoekt om euthanasie vanwegepsychisch lijden, b) meer inzicht te krijgen in wie de jonge mensen dieoverlijden door euthanasie bij psychisch lijden zijn, c) meer inzicht tekrijgen in suïcidaliteit binnen deze jonge groep. De resultaten van ditonderzoek zijn onlangs gepubliceerd. Uit het onderzoek blijkt dat in deperiode 2012–2021 het aantal euthanasieverzoeken bij EE van jongerenonder de 24 jaar is toegenomen, met name onder jonge vrouwen. Hetbetrof 397 verzoeken van in totaal 353 jonge mensen. Het overgrote deelvan deze verzoeken werd door de patiënt ingetrokken (47,3%) dan weldoor EE afgewezen (44,8%). Aan 12 jonge mensen (3%) is euthanasieverleend. Zeventien jonge mensen (4,3%) overleden door zelfdodingterwijl hun euthanasie-aanvraag liep en 2 jonge mensen zijn overledendoor vrijwillig te stoppen met eten en drinken. Degenen die overledendoor middel van euthanasie of suïcide waren overwegend vrouwen bijwie sprake was van meerdere psychiatrische diagnoses, een uitgebreidebehandelgeschiedenis en prominente suïcidaliteit. Door de onderzoekersworden verschillende mogelijke oorzaken genoemd voor de stijging vanhet aantal euthanasieverzoeken door jonge mensen onder de 24 jaar,namelijk (1) toenemende publieke acceptatie van euthanasie, 2) verslech-tering van de geestelijke gezondheid onder jongeren en 3) toenemendewanhoop onder jonge psychiatrische patiënten die het gevoel hebben dathun behoeften niet worden vervuld, bijvoorbeeld wanneer behandelings-opties ontoegankelijk, onaanvaardbaar of ineffectief zijn. Zij wijzen er opdat er meer kennis nodig is over de onvervulde behoeften van eneffectieve interventies voor deze groep.23 Navraag bij de onderzoekersleert dat het hierboven genoemde SUNSET-onderzoek hiervan een(eerste) beeld kan geven.Daarnaast lopen er de volgende trajecten die mogelijk relevant zijn en zichbreder richten op mentale gezondheid – van preventie tot ondersteuningen zorg:Interdepartementaal Beleidsonderzoek (IBO) Mentale gezondheid en ggzSteeds meer mensen hebben mentale klachten en/of psychische aandoe-ningen. De domeinen en sectoren die ondersteuning of zorg leveren aanmensen met mentale klachten staan in toenemende mate voor groteuitdagingen. Zo wordt de huidige druk op de ggz veroorzaakt doorenerzijds een toenemende zorgvraag en anderzijds de beperkte beschik-baarheid van personeel.In het IBO Mentale gezondheid en ggz wordt verkend hoe de mentalegezondheid van Nederlanders verbeterd kan worden, hoe de zorg enondersteuning voor mensen verbeterd kan worden en hoe de toeganke-lijkheid van de ggz voor mensen met mentale problemen verbeterd kanworden.Het IBO heeft als doel te komen tot:1) een brede probleemanalyse; 2) een overzicht van het handelingsper-spectief van de overheid ter voorkoming en beperking van mentaleklachten en psychische problemen en voor het oplossen van de struc-turele problemen in de toegang en inrichting van de ondersteuning en23Lizanne J.S. Schweren e.a., Requests for Medical Assistance in Dying by Young Dutch PeopleWith Psychiatric Disorders, JAMA Psychiatry, January 2, 2025.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 411 zorg; en 3) uitwerking van concrete beleidsvarianten op basis van hethandelingsperspectief. Het IBO start in november 2024 en het rapportwordt naar verwachting uiterl(k eind juni 2025 opgeleverd.24Voorts ben ik van plan om u voor de zomer te informeren over een brede,meer integrale, aanpak mentale gezondheid en ggz; op kortere termijnstuur ik u een werkagenda over de verbetering van de toegankelijkheidvan de ggz, met daarin vier lijnen: (1) verbeteren mentale gezondheid, (2)beperking instroom in de ggz, (3) bevorderen van door- en uitstroom uitde ggz en (4) verbeteren van de prikkels in het stelsel.Hervormingsagenda JeugdOp 20 juni 2023 is de Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028 opgesteld.Hierin hebben cliëntenorganisaties, professionals, jeugdzorginstellingen,gemeenten en het rijk een groot pakket aan afspraken opgenomen. Eendoel van de Hervormingsagenda Jeugd is ervoor te zorgen dat kinderenen gezinnen die hulp nodig hebben, zo snel mogelijk de juiste hulp enondersteuning krijgen. Onder de Hervormingsagenda liggen tal vanonderzoeken naar de ontwikkelingen binnen de jeugdzorg. Een belangrijkeconclusie die hierbij getrokken wordt is onder andere dat het schort aanpassende en beschikbare zorg voor de meest kwetsbare kinderen. Er zijndiverse maatregelen afgesproken om dit te verbeteren.Uit bovenstaande blijkt dat er al veel onderzoeken lopen dan weluitgevoerd zijn, op basis waarvan diverse maatregelen in gang zijn ofworden gezet. Gelet op de lopende onderzoeken lijkt aanvullendonderzoek op dit moment echter niet aangewezen. Mocht op basis van deuitkomsten van de lopende onderzoeken blijken dat er aanvullendonderzoek nodig is dan sluit ik vervolgonderzoek uiteraard niet uit.(4) Een advisering door een commissie van wijzen over de rol vande behandelend arts, de uitvoerend arts, de psychiater die eensecond opinion geeft en een SCEN arts en de gevolgen van hetgeringe draagvlak voor de euthanasiepraktijk bij de psychiatrie.Volgens initiatiefnemer is sprake van een specialisatie van euthanasie bijpsychisch lijden gezien het geringe aantal psychiaters dat verantwoor-delijk is voor veel van de euthanasie uitvoeringen, second opinions enSCEN-consulten bij jonge mensen. Zij signaleert dat veel euthanasiemel-dingen afkomstig zijn van Expertisecentrum Euthanasie (EE). Deze«euthanasie specialisatie» heeft volgens haar onwenselijke gevolgen.Initiatiefnemer vraagt zich af hoe onafhankelijk de betreffende specialistenzijn indien er slechts een beperkte groep psychiaters is die bereid is tot hetuitvoeren van euthanasie, elkaar goed kent en steeds weet te vindenbijvoorbeeld in app-groepen. Volgens haar is onduidelijk wat deuitwerking van de op grond van de richtlijnen vereiste onafhankelijkheidvan een second opinion psychiater en een SCEN-arts nog is naarmate hetaandeel bereidwillige artsen kleiner wordt. Initiatiefnemer vindt dat ooknaar de ethische bezwaren gekeken moet worden die achter de verdeeldevakgroep schuilgaat. Zij is van mening dat in de huidige situatie de groteindividuele verschillen tussen ggz-behandelaars in hoe zij omspringenmet een euthanasieverzoek, zeker bij een jongere patiëntengroep, totwillekeur, ongelijkheid en onzekerheid leiden. Daarnaast wijst zij erop dattijdens de wetsbehandeling van de Wtl deze euthanasie-specialisatiebinnen de psychiatrische beroepsgroep niet was voorzien en dat bijvoorkeur de behandelend arts de uitvoering op zich zou nemen.24Kamerstuk 36 600, nr. 2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 412 Initiatiefnemer wil dan ook advies laten uitbrengen door een commissievan wijzen over de door haar gesignaleerde risico’s van deze specialisatievoor de euthanasiepraktijk en de achterliggende ethische bezwarenbinnen de beroepsgroep.Vooropgesteld zij dat uit de vier evaluaties van de Wtl, de toetsingspraktijkdoor de RTE en het vervolgingsbeleid van het OM blijkt dat de Wtl goedfunctioneert en dat sprake is van een zorgvuldige euthanasiepraktijk.25In het licht van de door initiatiefnemer geuite bezwaren licht ik een aantalzaken graag nader toe.De Wtl vereist niet dat er een behandelrelatie is tussen de arts die deeuthanasie uitvoert en de patiënt. Wél is het zo dat het doorgaans debehandelend arts is die de euthanasie uitvoert. In alle gevallen geldt datde uitvoerend arts zich gedegen moet hebben geïnformeerd over desituatie van de patiënt en dat hij persoonlijk moet hebben vastgesteld dataan de zorgvuldigheidseisen is voldaan.26 De komst van de StichtingLevenseindekliniek (nu: Expertisecentrum Euthanasie) in 2012, waarbij derelatie tussen de arts die het verzoek beoordeelt en eventueel uitvoert ende patiënt beperkter is, was voor de RTE destijds een belangrijke redenom aanvankelijk alle meldingen van EE te behandelen als vragenoproepend (VO).Sinds 2015 is dit niet meer het geval omdat er inmiddels «geruime tijdervaring was opgedaan met het beoordelen van meldingen van aan deStichting Levenseindekliniek verbonden artsen».27Het is bekend dat – hoewel de meeste psychiaters het idee voor eutha-nasie bij psychisch lijden ondersteunen – er binnen de gehele beroeps-groep sprake is van terughoudendheid en handelingsverlegenheid tenaanzien van euthanasieverzoeken op psychische grondslag. Om die redenheeft het Ministerie van VWS dan ook een driejarige projectsubsidieverstrekt voor de oprichting van het landelijke expertisenetwerk ThaNet.ThaNet faciliteert dat kennis en expertise bij de zorgprofessionals binnende geestelijke gezondheidszorg over mensen met een persisterendedoodswens of euthanasieverzoek op psychische grondslag wordenvergroot. Met als doel dat de zorg die aan deze mensen wordt verleend,verbetert. ThaNet beoogt dat zorgprofessionals zich meer comfortabelvoelen om met hun patiënt het gesprek over de dood te voeren eneuthanasieverzoeken te beoordelen. Euthanasie kan een optie zijn om hetondraaglijk lijden te stoppen, maar het kan ook zijn dat door het opengesprek hierover te voeren er andere perspectieven ontstaan. ThaNetverwacht daarmee ook te kunnen bijdragen aan het probleem van dewachttijd bij EE.28 Voor hulpvragers die niet bij hun eigen behandelaarterecht kunnen is EE een vangnet. EE doet er dan ook veel aan om te25Zie in dit kader eveneens de reactie van de NVvP en de KNMG op de Initiatiefnota vanRosanne Hertzberger (Nieuw Sociaal Contract) «Een kritische reflectie op euthanasie bijpsychisch lijden van jonge mensen», 7 november 2024.26EuthanasieCode 2022, p. 20.27Vierde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek en hulp bij zelfdoding, Den Haag:ZonMw, mei 2023, p. 263–264.Na de derde wetsevaluatie hebben de RTE een aantal wijzigingen in haar werkwijze doorge-voerd, zoals het invoeren van een efficiëntere beoordelingsprocedure, aanpassingen in deuitgeschreven oordeelbrieven, en de instelling van een reflectiekamer. Gemelde zaken wordendoor de RTE onderverdeeld in niet vragen oproepende (NVO) meldingen en vragen oproe-pende (VO) meldingen. NVO meldingen worden door de leden van de betreffende RTE digitaalbeoordeeld en niet ter vergadering besproken. VO meldingen worden wel besproken in eencommissievergadering. Zie: Vierde evaluatie Wet toetsing levensbeëindiging op verzoek enhulp bij zelfdoding, Den Haag: ZonMw, mei 2023, p.18.28Kamerstuk 32 647, nr. 95; We moeten het met elkaar hebben over de behoedzaamheid van deeuthanasiepraktijk», NRC Handelblad 22 oktober 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 413 zorgen dat meer mensen in de reguliere ggz worden geholpen. Zoondersteunen consulenten van EE psychiaters en andere artsen bijcomplexe euthanasieverzoeken zoals bij psychisch lijden. Daarnaastondersteunt EE behandelaren door nascholingen en presentaties aan tebieden. Uiteindelijk zal dit resulteren in een kortere wachttijd voorpatiënten die zich toch bij EE aanmelden. In de visie van EE hoorteuthanasie thuis bij de eigen behandelaar.29Zoals eerder in deze kabinetsreactie is aangegeven, wordt in het veldgesignaleerd dat de bestaande terughoudendheid en handelingsverle-genheid onder psychiaters ten aanzien van euthanasieverzoeken oppsychische grondslag afneemt.Wat de door initiatiefnemer geuite zorgen over de onafhankelijkheid vande consultatie betreft het volgende.Het uitgangspunt van de RTE is dat de arts bij patiënten bij wie heteuthanasieverzoek (in overwegende mate) voortkomt uit lijden dat hetgevolg is van een psychische stoornis altijd psychiatrische expertise moetinroepen. De RTE sluiten hiermee aan bij de beroepsgroepen KNMG enNVvP. De RTE toetsen of de arts een onafhankelijk psychiater heeftgeraadpleegd en of deze heeft beoordeeld of de patiënt wilsbekwaam ister zake van het verzoek, of het lijden uitzichtloos is en of redelijkealternatieven ontbreken. De arts kan volgens de RTE zelf beslissen of hijeen onafhankelijk psychiater náást een (SCEN-)arts raadpleegt, of een(SCEN-)arts die tevens psychiater is.30In de NVvP richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met eenpsychische stoornis is de professionele standaard neergelegd voorlevensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis.Daarin is aangegeven hoe de extra behoedzaamheid betracht dient teworden bij een euthanasieverzoek van een patiënt met psychisch lijden. Inde NVvP richtlijn wordt een onderscheid gemaakt tussen twee verschil-lende fasen (een beoordelingsfase en een consultatiefase) en vereisthiermee de betrokkenheid van twee psychiaters. De RTE maken geenindeling in fasen en vereisen de raadpleging van één onafhankelijk(SCEN-)arts die tevens psychiater is. De RTE wijkt hiermee af van decriteria in de NVvP richtlijn.Second opinion door een onafhankelijke psychiaterIn de NVvP richtlijn is aangegeven dat de arts in de beoordelingsfase altijdeen onafhankelijk psychiater dient te raadplegen met specifieke deskun-digheid inzake de psychische stoornis van de patiënt, bij voorkeur eenspecialist uit een topreferent centrum of academisch ziekenhuis. Hetzoeken van een deskundig psychiater of specialistisch centrum en hetaanvragen van de second opinion is de verantwoordelijkheid van de arts.De psychiater die de second opinion verricht, dient onafhankelijk te zijn.Daarbij gaat het volgens de richtlijn om onafhankelijkheid ten opzichtevan zowel de arts als de patiënt. De vereiste onafhankelijkheid houdt indat de second opinion psychiater geen familielid van de arts of van depatiënt is; geen persoonlijke relatie heeft met de arts of de patiënt; geenlid is van het team, de groepspraktijk of de maatschap van de arts, en nietin een hiërarchische verhouding staat tot de arts en; geen behandelrelatieheeft of heeft gehad met de patiënt. Het is niet per se noodzakelijk dat de29Consulent-Euthanasie-van-Expertisecentrum-Euthanasie-U-staat-er-niet-alleen-voor.pdf(expertisecentrumeuthanasie.nl); in 2023 signaleerde EE een toename van het aantalpsychiaters dat een consulent van EE inschakelt voor advies en begeleiding, namelijk 57; bijnaeen verdubbeling ten opzichte van 2022; zie EE Jaarverslag 2023: https://expertisecentrumeuthanasie.nl/feiten-en-cijfers/.30EuthanasieCode 2022, p. 47.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 414 arts en degene die de second opinion verricht in verschillende instellingenwerkzaam zijn. In de verslaglegging dient de onafhankelijke psychiateronder meer aan te geven wat de onderlinge relatie is tussen de arts,patiënt en de second opinion psychiater.31Raadplegen (SCEN-)consulentDe arts behoort voorafgaand aan het uitvoeren van de euthanasie tenminste één andere, onafhankelijke arts (consulent) te raadplegen, die depatiënt ziet en beoordeelt of is voldaan aan de wettelijke zorgvuldig-heidseisen. Het is de professionele norm dat de onafhankelijke arts diewordt geraadpleegd een SCEN-arts is, maar dit is geen wettelijkvereiste.32 Ook de RTE geven er de voorkeur aan dat de consultatie wordtuitgevoerd door een SCEN-arts.33 Een arts kan een SCEN-arts inschakelendoor te bellen met een SCEN-telefoonnummer in de regio. De telefonistvan de telefooncentrale benadert vervolgens de dienstdoendeSCEN-arts.34In het modelverslag dat de uitvoerend arts bij de melding van levensbe-ëindiging op verzoek of hulp bij zelfdoding aan de lijkschouwer dient teoverhandigen (die de melding en de bijbehorende stukken vervolgens aande RTE stuurt) moet de arts aangeven of de door hem geraadpleegde artseen SCEN-arts is. Daarnaast moet de arts in het modelverslag motiverenwaarom hij en de door hem geraadpleegde arts onafhankelijk zijn tenopzichte van elkaar.35Uit bovenstaande volgt dat er in het huidige systeem veel voorwaardenzijn opgenomen om de onafhankelijkheid van de door de arts teraadplegen second opinion psychiater en (SCEN-)arts te waarborgen. Ditwordt door de RTE getoetst.De coördinerend voorzitter van de RTE heeft eerder in een interview metMedisch Contact aangegeven dat er in het huidige stelsel in de praktijkwel enig zicht is op individuele artsen die relatief vaak euthanasieuitvoeren, en de zorgvuldigheid van dat aspect. De secretaris of decommissieleden van een van de vijf regionale RTE zien op basis van hunervaring of artsen meerdere euthanasieverzoeken op zich nemen. Als zijbemerken dat zij daarbij telkens dezelfde combinatie zien van arts plusSCEN-arts of onafhankelijk deskundige, worden er door de RTE vragengesteld om dat toe te lichten, want dan kan de onafhankelijkheid in hetgeding komen.36 In de EuthanasieCode wordt er in dit kader op gewezendat van niet-onafhankelijkheid sprake kan zijn als arts en consulentregelmatig, bijvoorbeeld, over en weer voor elkaar optreden.Tot slot, initiatiefnemer stelt dat in de huidige situatie de grote individueleverschillen tussen ggz-behandelaars in hoe zij omspringen met eeneuthanasieverzoek, zeker bij een jongere patiëntengroep, tot willekeur,ongelijkheid en onzekerheid leiden. Echter mag iedere arts/psychiater inNederland die geconfronteerd wordt met een euthanasieverzoek van eenpatiënt hierin een eigen afweging maken en op basis van professionele31NVvP Richtlijn Levensbeëindiging op verzoek bij patiënten met een psychische stoornis (2018),p. 22–24.32KNMG-standpunt Beslissingen rond het Levenseinde (18 november 2021), p.30.33Euthanasiecode 2022, p.3034Zie: https://www.knmg.nl/ik-ben-arts/scen/voor-artsen.35Het model voor het beredeneerd verslag van de behandelend arts is vastgesteld bij algemenemaatregel van bestuur (artikel 1a van het Besluit modellen artikel 9, tweede lid, Wet op deLijkbezorging).36RTE houdt vinger aan pols bij bovengemiddeld aantal euthanasieverzoeken, Medisch Contact,20 september 2024.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 415 bevindingen tot het oordeel komen of hij wel/niet aan een euthanasie-verzoek kan voldoen en of er aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Eenarts/psychiater is nooit verplicht euthanasie te verlenen en mag bijvoor-beeld op grond van geloofsovertuiging, gewetens- of andere bezwarenbesluiten om niet tot het verlenen van euthanasie bereid te zijn.Hoewel de huidige euthanasiepraktijk zorgvuldig is, goed functioneert enmet de nodige waarborgen is omgeven, baren de huidige meningsver-schillen binnen de beroepsgroep over euthanasie bij psychisch lijden, inhet bijzonder bij jongeren, en de wijze waarop de discussie daarover deafgelopen maanden gevoerd is mij zorgen. Deze zorgen heb ik in eenrecent gesprek aan de voorzitters van de NVvP en de KNMG overgebracht.De initiatieven die door de NVvP zijn gestart om een dialoog binnen deberoepsgroep te voeren en de NVvP richtlijn te herzien zijn in dat gespreknader toegelicht. Ik vind het positief dat de NVvP deze initiatieven heeftgenomen en heb vertrouwen in een goede uitkomst.Ik ben van mening dat, gezien het feit dat de huidige euthanasiepraktijkzorgvuldig is en euthanasie (bijzonder) medisch handelen betreft, dediscussie over de praktijk rondom euthanasie bij psychisch lijdenallereerst verder gevoerd dient te worden binnen de beroepsgroep.Het instellen van een commissie van wijzen om hierover te adviseren achtik in het licht van bovenstaande dan ook niet aangewezen.(5) Het initiatief uit het veld voor een vrijwillige mediarichtlijnvoor berichtgeving over euthanasie te omarmen en waar mogelijkte steunen en bevorderen.Initiatiefnemer merkt op dat er de afgelopen jaren steeds meer media-aandacht is gekomen voor euthanasie bij psychisch lijden, met name vanjonge mensen. En dat de berichtgeving hierover zeer eenzijdig is en metname gericht op euthanasieverzoeken van jonge mensen die ookdaadwerkelijk worden ingewilligd, terwijl dit maar een heel klein aantalbetreft. Zij wijst erop dat hierin het gevaar schuilt van het zogenaamdeWerther-effect, het effect dat zelfmoord door veel media-aandachtbesmettelijk kan zijn.Zoals ik onlangs ook al in antwoord op schriftelijke Kamervragen van hetvoormalig lid Hertzberger (NSC) heb aangegeven vind ik het, om degenuanceerdheid in het debat te vergroten, van groot belang dat in demedia zorgvuldig over euthanasie wordt bericht en dat in de volle breedteaandacht is voor euthanasie bij psychisch lijden.37 De mediarichtlijn vanEE, waarmee beoogd wordt zorgvuldige berichtgeving over euthana-siezorg te bevorderen en kwetsbare mensen te beschermen, ondersteun ikdan ook van harte. Ik roep de media op deze richtlijn op te volgen. Waarmogelijk zal ik de richtlijn onder de aandacht brengen en het gebruikervan bevorderen. Ook de NVvP en de KNMG hebben aangegeven demediarichtlijn te onderschrijven en de oproep om de richtlijn verder tebevorderen, te steunen.ConclusieIn het licht van de door initiatiefnemer gedane vijf voorstellen enbovengenoemde reactie daarop kan concluderend gesteld worden dat:•voor de beoordeling van de uitzichtloosheid van het lijden het medischoordeel bepalend is en dat naar medisch vakkundig oordeel moetvaststaan of hiervan sprake is. Het is dan ook primair aan de beroeps-37Aanhangsel Handelingen II 2023/24, nr. 2392 HERDRUK.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 416 groep om te bepalen of algemeen breed onderzoek naar de prognosevan psychiatrische aandoeningen – in aanvulling op reeds bestaandestudies naar het beloop van psychiatrische aandoeningen en effectenvan behandelingen op het beloop – van meerwaarde is;•het aan de medische professionals (beroepsgroep) is om te bepalenwat de professionele standaard is en of de huidige richtlijn ten aanzienvan het beoordelen van de uitzichtloosheid van het lijden moet wordenaangepast en welke aspecten daarbij van belang zijn aangezien hethier gaat om een medisch inhoudelijke discussie. Het is niet aan eencommissie van wijzen om hierover te adviseren.•aanvullend onderzoek – naar de staat van de ggz, de invloed opeuthanasieverzoeken en -meldingen en de beschikbaarheid vanredelijke alternatieve oplossingen voor jonge psychiatrische patiëntendie een euthanasieverzoek indienen – op dit moment niet aangewezenlijkt aangezien er al veel onderzoeken lopen dan wel uitgevoerd zijn, opbasis waarvan diverse maatregelen in gang zijn of worden gezet. Endat, mocht op basis van de uitkomsten van de lopende onderzoekenblijken dat er aanvullend onderzoek nodig is, vervolgonderzoekuiteraard niet wordt uitgesloten;•de discussie over de huidige praktijk rondom euthanasie bij psychischlijden, de wijze waarop deze praktijk is ingericht en waar dezeeventueel verbetering zou behoeven, allereerst verder gevoerd dient teworden binnen de beroepsgroep. Het instellen van een commissie vanwijzen om hierover te adviseren, is dan ook niet aangewezen.•de media worden opgeroepen de mediarichtlijn die door Expertisecen-trum Euthanasie is opgesteld ter harte te nemen.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V.P.G. KarremansTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 624, nr. 417
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.