Drie onderzoeksrapporten over de wijkverpleging
Brontekst
Versie 3e33206ec299d121 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202423 235Thuiszorg en wijkverplegingNr. 241 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSGEZONDHEID, WELZIJN ENSPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 30 mei 2024Met deze brief informeer ik uw Kamer over drie rapporten over dewijkverpleging die recent zijn opgeleverd.Ten eerste informeer ik u over de eindrapportage van het RIVM over de(door)ontwikkeling van herkenbare en aanspreekbare (H&A) wijkver-pleging in de periode 2021–2023. Zoals ik eerder heb aangegeven1 brengthet RIVM sinds 2021 jaarlijks een publicatie uit over de ontwikkeling vanH&A wijkverpleging in de praktijk. In deze brief geef ik eerst een kortetoelichting op de achtergrond en het doel van H&A wijkverpleging.Vervolgens deel ik met u mijn reactie op het RIVM rapport.Daarnaast informeer ik u met deze brief ook over twee andere onder-zoeken. Ten eerste het onderzoek naar de toegankelijkheid van wijkver-pleging dat door Equalis in opdracht van het Ministerie van VWS isuitgevoerd. Ten tweede een onderzoek naar praktijkvariatie in deindicatiestelling door wijkverpleegkundigen dat in opdracht van V&VNmet financiering van het Ministerie van VWS is uitgevoerd.1. Onderzoek Herkenbare en aanspreekbare wijkverpleging Noodzaak voor herkenbare en aanspreekbare wijkverplegingMet de vergrijzing en toenemende zorgvraag neemt de druk op de zorg inde toekomst toe. Om de toegankelijkheid en continuïteit van de zorg tekunnen blijven waarborgen, is het noodzakelijk dat de zorg op een anderemanier georganiseerd wordt. In het Integraal Zorgakkoord (IZA) en hetprogramma Wonen, Ondersteuning en Zorg voor Ouderen (WOZO) zettenwe daarom samen met het veld in op passende zorg. De wijkverpleging iscruciaal om mensen in de thuissituatie passende zorg te kunnen bieden.1Kamerstukken II 2023/2024, 29 389, nr. 123 kst-23235-241ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2411 Onderdeel van de gemaakte afspraken vormt daarom de (door)ontwik-keling van herkenbare en aanspreekbare (H&A) wijkverpleging.De urgentie voor «herkenbaarheid» en «aanspreekbaarheid» van dewijkverpleging is al langere tijd aanwezig. Naast de groeiende zorgvraagspeelt ook de krapte op de arbeidsmarkt een rol in de druk op debeschikbare capaciteit van de wijkverpleging. Bovendien kent dewijkverpleging veel verschillende aanbieders en is zodoende versnipperd.Dit maakt het voor cliënten en zorgprofessionals uit de eerstelijnszorg,sociaal domein of ziekenhuizen vaak onduidelijk bij wie zij wijkverplegingkunnen aanvragen. Hiermee gaat kostbare tijd en energie verloren. Doormiddel van herkenbare en aanspreekbare teams werkt het veld aan eenbetere samenwerking tussen aanbieders van wijkverpleging met winstvoor zowel cliënten als zorgprofessionals binnen de wijkverpleging en deomliggende domeinen.De noodzaak van herkenbaarheid en aanspreekbaarheid binnen dewijkverpleging is opnieuw bevestigd in de Visie Eerstelijnszorg 2030 die injanuari van dit jaar is vastgesteld. De wijkverpleging is één van dekernspelers van de samenwerking die in elke wijk vorm moet krijgen,samen met de huisarts, het sociaal domein en de apotheker. In wijken ofdorpen vormen zij een hecht wijkverband, dicht bij de inwoner. Om totdeze samenwerking te komen is het nodig dat de wijkverpleging sterkgeorganiseerd en goed bereikbaar is. Herkenbaarheid en aanspreek-baarheid van de wijkverpleging is nodig om, in lijn met de visie, dedomeinoverstijgende samenwerking in het veld toekomstbestendig teorganiseren.Ontwikkelingen tot nu toeDe eerste krachtige impuls voor de vorming van herkenbare enaanspreekbare teams in de wijk is gegeven met de Leidraad Herkenbareen aanspreekbare wijkverpleging (2020)2. In deze leidraad hebben dezeven partijen3 van het toenmalige Hoofdlijnenakkoord (HLA) wijkver-pleging 2019–2022 met elkaar onderschreven toe te willen werken naarmeer samenwerking binnen de wijkverpleging. Vanuit de subsidieondersteuning wijkverpleging (SOW) heb ik deze samenwerkingsver-banden financieel gestimuleerd. In totaal is meer dan € 8 miljoentoegekend aan zorgaanbieders om de opstartfase van samenwerkingenfinancieel te ondersteunen. Verschillende succesverhalen zijn terug tevinden op de website van de RVO4. In het IZA (2022) is afgesproken verderte werken aan de landelijke implementatie van H&A teams in de wijkver-pleging.Samenwerking vraagt om een type bekostiging dat dit stimuleert. In 2022is er door Berenschot onderzoek uitgevoerd naar de bekostiging vanH&A wijkverpleging5. Zoals eerder aangekondigd in de Kamerbrief«Vergrijzing en het integrale ouderenbeleid»6 is er naar aanleiding van ditonderzoek per 1 januari 2024 een nieuwe betaaltitel beschikbaar gekomenvoor de financiering van H&A wijkverpleging. In dezelfde brief is ookaangegeven dat de NZa de contractering van deze betaaltitel meeneemt inde evaluatie van het bekostigingsexperiment in de wijkverpleging.2https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2020/02/28/leidraad-herkenbare-en-aanspreekbare-wijkverpleging3Actiz, Patiëntenfederatie Nederland, V&VN, VNG, VWS, ZN en Zorgthuisnl4https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/sow#sow-in-de-praktijk5https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2022/11/29/invulling-en-bekostiging-herkenbare-en-aanspreekbare-wijkverpleging6Kamerstukken II 2023/2024, 29 389, nr. 123Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2412 Verderop in deze brief zal ik verder ingaan op de financiering van H&Awijkverpleging.Het RIVM heeft in opdracht van VWS de ontwikkeling van herkenbaarheiden aanspreekbaarheid van de wijkverpleging in de praktijk gemonitordover de periode 2021 t/m 2023. De eerste twee jaarlijkse rapporten hiervanzijn in respectievelijk 2022 en 2023 verschenen, waarvan de eerste met uis gedeeld7 en de tweede als publicatie op de website van het RIVM tevinden is8. Het derde en laatste rapport zend ik u met deze brief. In debijlage onderaan deze brief vindt u de samenvatting van dit rapport.Reactie op het rapportDe algemene tendens die het RIVM beschrijft is dat er in verschillenderegio’s positieve ontwikkelingen zijn ten aanzien van herkenbare enaanspreekbare wijkverpleging. Het RIVM concludeert ook dat dezesamenwerking leidt tot het beter en sneller oppakken van zorgvragen. Zodraagt het werken aan H&A wijkverpleging bij aan passende zorg. Ik vinddeze ontwikkeling positief. Tegelijkertijd zie ik dat er nog ruimte is voorverbetering. Daarom wil ik ingaan op drie belangrijke punten uit hetrapport waar nog kansen liggen ten aanzien van de ontwikkelingen vanH&A wijkverpleging, namelijk digitalisering en gegevensuitwisseling,financiering en de rollen en verantwoordelijkheden van verschillendepartijen.Digitalisering en gegevensuitwisselingElektronische gegevensuitwisseling in de zorg is van belang als het gaatom de juiste informatie op het juiste moment. Als zorgverleners gegevenselektronisch uitwisselen is er minder kans op fouten, doordat gegevensniet hoeven te worden overgetypt, en het scheelt zorgaanbieders tijd dieze vervolgens aan zorg kunnen besteden. Met de nationale visie op hetgezondheidsinformatiestelsel en de in het IZA gemaakte afspraken die ditraken, zet ik in op een vertrouwensmodel, generieke functies die deeluitmaken van een vertrouwensmodel en standaardisatie van zorgdata9.Het RIVM geeft in het rapport ook aan dat in onder meer het IZA aandachtis voor de knelpunten die in het veld worden geconstateerd. Ik heb ervertrouwen in dat de stappen die we hiermee zetten ook zullen bijdragenaan goede uitwisseling van gegevens binnen H&A samenwerkingsver-banden.Door het veld (NHG en V&VN) wordt er gewerkt aan een handreiking diegegevensuitwisseling tussen huisarts en wijkverpleegkundige over enweer beschrijft. Dat is een mooi voorbeeld van hoe we hier samenstappen in kunnen zetten. Het is van belang dat zorgverleners het metelkaar eens worden over welke informatie uitgewisseld wordt voor goedepatiëntenzorg. Daarnaast is de eOverdracht een gegevensuitwisseling opde Meerjarenagenda Wegiz. Het doel hiervan is de verpleegkundigeoverdracht gestandaardiseerd en elektronisch te laten plaatsvinden.FinancieringUit het rapport van het RIVM blijkt dat veel samenwerkingsverbandenwerden of worden gefinancierd vanuit de SOW-subsidies en/of het IZAwijkfonds. In de meeste gevallen was er nog geen sprake van structurele7Kamerstukken II 2022/2023, 23 235, nr. 2218https://www.rijksoverheid.nl/documenten/rapporten/2023/06/30/ontwikkeling-van-herkenbare-en-aanspreekbare-wijkverpleging9Kamerstukken II 2022/2023, 27 529, nr. 292Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2413 bekostiging. De inmiddels beschikbaar gekomen betaaltitel is tijdens delooptijd van het RIVM-onderzoek ingevoerd. Het effect van de betaaltitel isdaarom niet meegenomen in het onderzoek. De NZa zal het gebruik vande nieuwe betaaltitel monitoren. De verwachting is dat de eersteinformatie hierover in de loop van 2025 beschikbaar komt.Uit mijn gesprekken met veldpartijen blijkt dat zorgverzekeraars denieuwe prestatie nog niet of nauwelijks inkopen. Zij geven aan dat er in debekostiging voor de wijkverpleging andere geschikte manieren zijn om viade zorginkoop de activiteiten voor de ontwikkeling van H&A wijkver-pleging te financieren. Ik verwacht van zorgverzekeraars dat zij zorgaan-bieders in staat stellen en stimuleren om in elke regio H&A samenwer-kingsverbanden op te zetten, om zo bij te dragen aan passende entoegankelijke wijkverpleging voor iedereen die dat nodig heeft. Of ze ditdoen middels de nieuwe betaaltitel of via een andere route vind ik daarbijniet relevant.Zorgverzekeraars hebben in het IZA ook bevestigd dat er «geïnvesteerdmoet worden in de wijkverpleging, ook om de doelen van het IZAhaalbaar te maken».10Met alle IZA partijen hebben we afgesproken toe te werken naar passendezorg. Zorgcoördinatie, en daarmee samenwerking, heeft daarin eenbelangrijke plek. Ik heb er vertrouwen in dat het inkoopbeleid vanzorgverzekeraars, zoals afgesproken in de visie eerstelijnszorg, in lijn is«met de kernwaarden van de eerstelijnszorg en de doelen uit de visie».11Daarbij hoort uitdrukkelijk ook het stimuleren van de ontwikkelingH&A wijkverpleging.Rollen en verantwoordelijkhedenZoals het RIVM rapport laat zien zijn er regio’s waar actief samengewerktwordt aan een herkenbaar en aanspreekbare wijkverpleging. Er zijn echterook regio’s waar dit niet of moeizaam van de grond komt. Zorgaanbiedersgeven aan dat zij de wens hebben voor een grotere regierol van zorgver-zekeraars.In de Visie eerstelijnszorg 2030 is afgesproken dat partijen in de eerste-lijnszorg gezamenlijk de verantwoordelijkheid nemen om de toeganke-lijkheid en continuïteit van eerstelijnszorg te waarborgen12. Dit is ooknodig voor de landelijke realisatie van herkenbare en aanspreekbarewijkverpleging. Dit vraagt van aanbieders en zorgverzekeraars actievesamenwerking. Van zorgverzekeraars verwacht ik een aanjagende rol bijde totstandkoming van H&A wijkverpleging, als onderdeel van hunopdracht om een sterk georganiseerde eerstelijnszorg te helpen reali-seren. Zij kunnen dit zoals hierboven beschreven stimuleren via huncontracteringsbeleid. Van aanbieders in de wijkverpleging verwacht ik datzij actief plannen maken voor H&A wijkverpleging die zij voorleggen aande zorgverzekeraar. Ook verwacht ik dat partijen actief succesverhalen metbetrekking tot H&A wijkverpleging met elkaar delen om zo te leren vanelkaar. Het rapport geeft aan dat een doelgericht proces met procesbege-leiding, bijvoorbeeld van een projectleider, helpt bij het ontwikkelen vansamenwerking.10file:///H:/Downloads/integraal-zorg-akkoord%20(2).pdf, p. 99.11https://open.overheid.nl/documenten/548ce6c8-70a5-4113-84ef-4b69a022347d/file, p. 512https://open.overheid.nl/documenten/548ce6c8-70a5-4113-84ef-4b69a022347d/file, p. 9Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2414 De Visie eerstelijnszorg 2030 zie ik als een nieuwe impuls om in elke regiodoor te pakken met concrete afspraken rondom de herkenbaarheid enaanspreekbaarheid van de wijkverpleging.2. Onderzoek naar toegankelijkheid van de wijkverpleging Eind 2023 is door Equalis in opdracht van VWS een onderzoek gestartnaar de toegankelijkheid van de wijkverpleging. Dit rapport is recentopgeleverd en met deze brief informeer ik u hierover.De aanleiding van dit onderzoek was tweeledig: enerzijds zien we alenkele jaren een oplopende onderschrijding van het budgettair kaderwijkverpleging. Daarnaast signaleerden Actiz en ZorgthuisNL dataanbieders van wijkverpleging steeds vaker geen nieuwe cliënten in zorgkunnen nemen vanwege capaciteitsgebrek13. Samen met partijen uit dewijkverpleging wilde ik duidelijk krijgen of en in welke mate de toeganke-lijkheid van de wijkverpleging voor cliënten onder druk staat en of het(vaker) afwijzen van nieuwe cliënten ook daadwerkelijk bijdraagt aan deonderschrijding van het budgettair kader. Het onderzoek van Equalis inopdracht van VWS bekijkt de toegankelijkheid van de wijkverplegingvanuit het perspectief van de cliënt. Vanuit dit perspectief is onderzochthoe vaak er afwijzing van een zorgvraag plaatsvindt, hoelang het duurtvoordat een cliënt wijkverpleging ontvangt en waar cliënten terechtkomenals zij geen wijkverpleging kunnen vinden.Op basis van de resultaten kan geconcludeerd worden dat er verschil-lende routes zijn voor het proces van zoeken en aanvragen van wijkver-pleging en deze aanzienlijk verschillen per regio. Een groot deel van dehuisartsen, zorgverzekeraars en wijkverplegingsorganisaties geven aandat de duur van het zoekproces afhankelijk is van de regio en decomplexiteit van de zorgvraag.Voor cliënten die via het ziekenhuis in de wijkverpleging komen zijn deresultaten gebaseerd op data van ziekenhuizen. Voor cliënten die niet viahet ziekenhuis in de wijkverpleging komen, zijn de resultaten gebaseerdop een kwalitatieve aanpak (interviews). De interviews hebben plaatsge-vonden in drie regio’s en de ziekenhuisdata zijn afkomstig van 15 zieken-huizen uit zeven verschillende provincies. Het was niet haalbaar om dieinterviews in alle regio’s uit te voeren. Dit betekent dat de onderzoeksre-sultaten niet (volledig) generaliseerbaar zijn voor heel Nederland.Equalis heeft verschillende routes naar wijkverpleging onderzocht: vanuithet ziekenhuis, via de huisarts en via zorgbemiddeling van de zorgverze-keraar. Ziekenhuizen geven aan dat er weinig capaciteitsproblemenworden ervaren en dat het nauwelijks voorkomt dat cliënten lang opwijkverpleging moeten wachten. Op basis van data van 15 ziekenhuizenlaat het rapport zien dat veruit de meeste cliënten (84%) op of binnen ééndag na de gewenste ontslagdatum wijkverpleging kunnen ontvangen.Zo’n 4,3% wordt twee dagen later dan gewenst ontslagen en zo’n 6,7%drie tot zeven dagen later. Enkele (complexe) gevallen (1,6%) moetenlanger dan een week wachten.Bij huisartsen bestaat een meer divers beeld over de toegankelijkheid vande wijkverpleging. De mate waarin het lastig is voor huisartsen omwijkverpleging te regelen, verschilt per postcodegebied. Uit informatieover zorgbemiddeling door zorgverzekeraars blijkt dat bij 40% van de13https://www.actiz.nl/sites/default/files/2023-03/SiRM%20-%20Wachten%20op%20wijkverpleging.%20Onderzoek%20naar%20de%20beschikbaarheid%20van%20wijkverpleging.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2415 verzoeken tot zorgbemiddeling binnen 1–2 dagen wijkverpleging wordtgevonden, bij 30% binnen een week en bij nog eens 30% duurt het langerdan een week. Equalis schat in dat in 2023 voor minder dan 1% van demensen die aanspraak maakte op wijkverpleging zorgbemiddeling isingezet. Met name bij complexe gevallen kan het soms erg lang durenvoor wijkverpleging beschikbaar is. Wanneer in de thuissituatie geenwijkverpleging beschikbaar is, kunnen er lastige situaties ontstaan metgrote impact op cliënten. Ook huisartsen en mantelzorgers ervaren danextra druk.Wijkverplegingsorganisaties wijzen in voorkomende gevallen cliënten af,maar dat betekent niet dat zij niet snel in zorg kunnen komen: in veelgevallen hebben andere aanbieders wel de mogelijkheid om zorg televeren. Wel zijn ziekenhuizen, huisartsen en cliënten in het geval van eenafwijzing genoodzaakt om zelf opnieuw een andere aanbieder tebenaderen. Uit de ziekenhuisdata blijkt dat bij circa 18% van de cliëntensprake was van één of meerdere afwijzingen.Tot slot probeert Equalis op basis van de onderzoeksresultaten enverschillende aannames de impact op het budgettair macrokader tebenaderen indien aan alle zorgvragen van zorgvragers wordt voldaan.Omdat de inschatting alleen gebaseerd is op basis van de data over deroute naar de wijkverpleging vanuit het ziekenhuis, kan deze nietgeëxtrapoleerd worden naar de volledige wijkverpleging.Equalis doet de aanbeveling om door te gaan op de weg die partijen inhet IZA hebben ingezet om de toegankelijkheid verder te verbeteren.Equalis stipt daarbij drie punten aan:•Beter coördineren van zorgvragen en beschikbare capaciteit in deregio.•Landelijk inzicht in zorgvraag en de beschikbare capaciteit moet inkaart worden gebracht.•Proactieve nazorgplanning door het ziekenhuis.Deze punten sluiten goed aan bij de afspraken die in het IZA en de visieeerstelijnszorg zijn gemaakt, waaronder die over de verdere inzet opherkenbare en aanspreekbare wijkverpleging.De opbrengsten van het onderzoek zullen worden besproken in de midterm review (MTR) van het IZA die deze zomer plaatsvindt. Ik informeeruw Kamer na de MTR over de uitkomsten en hoe ik met het veld aan deslag ga met de aanbevelingen.Met dit onderzoek naar de toegankelijkheid van de wijkverpleging is ookinvulling gegeven aan de motie van de leden Mohandis en Ellemeet overhet laten uitvoeren van een kwalitatief onderzoek naar de mate waarinmensen voldoende zorg thuis krijgen14.3. Onderzoek naar praktijkvariatie in indicatiestelling Het derde rapport waarover ik u informeer met deze brief gaat over deindicatiestelling door wijkverpleegkundigen.Een goede en eenduidige indicatiestelling door wijkverpleegkundigen isbelangrijk, omdat deze bepaalt welke zorg iemand ontvangt. Deaanleiding voor dit onderzoek is dat partijen van het Hoofdlijnenakkoord14Kamerstuk II 2022/23, 31 765, nr. 729Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2416 Wijkverpleging (HLA)15 (2019–2022) hebben geconstateerd dat er in eenaantal situaties in de praktijk mogelijk sprake is van onverklaarde enongewenste praktijkvariatie bij de indicatiestelling. In het hoofdlijnenak-koord hebben partijen afgesproken dat de praktijkvariatie in de indicatie-stelling wordt onderzocht. Dit onderzoek is uitgevoerd door de Univer-siteit Maastricht, Hogeschool Utrecht en Nivel in opdracht van V&VNnamens de partijen uit het HLA.Het onderzoek bestaat uit drie deelonderzoeken. Deelonderzoek 1definieert praktijkvariatie als de mate waarin wijkverpleegkundigenverschillen in de aard, omvang en duur van de zorg die zij indiceren bijcliënten in een vergelijkbare context. Er wordt onderscheid gemaakttussen gewenste en ongewenste praktijkvariatie. Er is sprake vangewenste praktijkvariatie als deze wordt veroorzaakt door kenmerken,context en voorkeuren van de cliënt, met betrekking tot het behalen vandoelen die meegewogen worden in een professioneel onderbouwdbesluitvormingsproces door de wijkverpleegkundige. Van ongewenstepraktijkvariatie is sprake als deze variatie niet wordt veroorzaakt doorkenmerken, context en voorkeuren van de cliënt, met betrekking tot hetbehalen van doelen, die meegewogen worden in een professioneelonderbouwd besluitvormingsproces door de wijkverpleegkundige.Uit deelonderzoek 2 blijkt dat er veel variatie is in documentatie vandossiers door wijkverpleegkundigen. Mede hierdoor is het niet gelukt omde mate van ongewenste praktijkvariatie vast te stellen. Wel is vastgestelddat de functionele status van de cliënt veel invloed heeft op de hoogte vande indicatiestelling (dit betreft gewenste praktijkvariatie). Daarnaast blijktuit het onderzoek dat 25% van de deelgenomen wijkverpleegkundigengeen aparte scholing heeft gehad om te kunnen indiceren. Dit is ook nietverplicht.Uit deelonderzoek 3 blijkt dat het normenkader niet altijd goed gebruiktwordt en vaak onvoldoende bekend is. Uit het onderzoek blijkt dat eengoede training over het indiceren een vereiste is en dit zou aantoonbaarmoeten zijn. Daarnaast blijkt dat verbeteracties, zoals intervisie enintercollegiale toetsing, de uniformiteit in de indicatiestelling kunnenbevorderen.De partijen van het HLA wijkverpleging (2019–2022) hebben mij aange-geven dat diverse aanbevelingen vanuit het onderzoek al opgepaktworden. Dit gaat bijvoorbeeld om;−de herijking van het Normenkader V&VN,−het vrij beschikbaar en toegankelijk maken van kaders en richtlijnen/handreikingen over indiceren door middel van evaluatie en actualisatievan de Toolbox Indicatieproces.Daarnaast hebben partijen mij in hun aanbiedingsbrief van het onderzoek,die ik meestuur met deze brief, aangegeven dat zij aan de slag gaan metde geprioriteerde aanbevelingen (zie bijlage 4). De komende periode ga ikmet partijen in gesprek om hierover concrete afspraken te maken.15Patientenfederatie Nederland, Zorgthuisnl, ActiZ, Zorgverzekeraars Nederland en Verpleegkun-digen & Verzorgenden NederlandTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2417 Tot slotEen sterke wijkverpleging en eerstelijnszorg zijn essentieel voor eentoekomstbestendige zorg. De uitkomsten en aanbevelingen van derapporten die ik u met deze brief heb gestuurd helpen om hier blijvend opin te zetten.De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,C. HelderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2418 SAMENVATTING RIVM RAPPORTHet meegezonden rapport is het derde rapport, en tevens eindrapportover de periode 2021–2023, van het RIVM ten aanzien van herkenbare enaanspreekbare wijkverpleging. Het RIVM heeft zowel in 2021 als in 2023twee verschillende vragenlijsten uitgezet. Dit ging om één vragenlijstonder professionals werkzaam in de wijkverpleging en één ondertransferverpleegkundigen. Daarnaast zijn er ook diepte-interviews enwerksessies gehouden waaraan ook mensen deelnamen die geenzorgprofessional waren, maar wel vanuit een andere positie betrokkenwaren bij projecten rondom H&A samenwerking. Een meer uitgebreidebeschrijving van de onderzoeksmethode is te vinden in de bijlage van hetrapport.Uit het rapport blijkt dat er in tenminste dertig regio’s in Nederland alactief samengewerkt wordt ten behoeve van herkenbare enaanspreekbare wijkverpleging. Ik vat het onderzoek samen aan de handvan de vier onderzoeksvragen die met het onderzoek zijn beantwoord.1.Wat betreft herkenbaarheid geven in de wijkverpleging werkzameprofessionals in 2023 vaker aan (49%) dat er een actueel overzicht vanwijkverplegingsaanbieders beschikbaar is in hun regio of wijk tenopzichte van 2021 (31%). De inhoud van dit overzicht was verschillend.Zo bevatte het onder andere contactgegevens van verschillendeaanbieders (55%) en/of van een centraal aanmeldpunt (19%). Een kleindeel van de professionals gaf aan dat er een actueel overzicht bestondvan welke aanbieder van wijkverpleging plek heeft voor een (nieuwe)cliënt (11% in 2023, 8% in 2021). Aangaande aanspreekbaarheid geeftde meerderheid van de transferverpleegkundigen zowel in 2021 als in2023 aan dat zij met meer dan één aanbieder contact moeten leggenvoordat ze wijkverpleging voor hun cliënt hebben geregeld. Als eenzorgvraag niet opgepakt kan worden, geven de professionals aan datde aanvrager zelf verder moet zoeken (62%), dat ze er samen metandere partijen voor zorgen dat een zorgvraag alsnog wordt opgepakt(27%) of dat de zorgprofessionals andere aanbieders van wijkverple-ging benaderen (34%).2.Wat betreft de samenwerking tussen onderlinge aanbieders komt er uithet vragenlijstonderzoek een positieve trend naar voren. Zo zijn ervaker samenwerkingsafspraken tussen wijkverplegingsorganisatiesover onder andere (on)planbare nachtzorg en casemanagementdementie (54% in 2023; 34% in 2021). Ook kennen professionals vakercontactpersonen van andere aanbieders. Op het gebied van H&Awijkverpleging werken aanbieders bijvoorbeeld samen aan het krijgenvan inzicht in het zorgaanbod, gebruik van applicaties waaropaanmeldingen van nieuwe cliënten te zien zijn of structureel gezamen-lijk overleg voor het oppakken van (onbeantwoorde) zorgvragen.3.Het belang van de ontwikkeling van H&A wijkverpleging wordt doorzorgprofessionals onderschreven. Uit ervaringen van de onderzochtesamenwerkingsverbanden blijkt dat zorgprofessionals elkaar beterweten te vinden, kennen en van elkaar leren. Andere opbrengsten zijnonder andere het sneller oppakken van zorgvragen, betere toeleidingnaar passende zorg, meer overeenstemming in werkwijzen en visie,meer efficiëntie voor wijkverpleegkundigen en zorg(aan)vragers, meerduidelijkheid voor de cliënt en inzicht in knelpunten.4.Er komt een aantal werkzame elementen voor samenwerking uit hetrapport naar voren, waaronder elkaar als wijkverplegingsprofessionalsen -aanbieders kennen op zowel uitvoerend als bestuurlijk niveau, eendoelgericht proces, betrekken van stakeholders, regionale aansluiting,het delen van ervaring en kennis en beschikbare financiering. Ook zijner punten waar nog behoeften liggen voor het verder ontwikkelen vansamenwerking. Vanuit de samenwerkingsverbanden waren de grootsteBIJLAGE —Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 2419 wensen voor de toekomst «een grotere rol voor de zorgverzekeraar,een oplossing voor de ICT-systemen die niet op elkaar aansluiten enmeer lokale samenwerking, ook met het sociaal domein» (zie bij-lage 1). Betrokkenen vonden het van groot belang voor de (nabije)toekomst om tot een gedeelde visie te komen «op passende wijkver-pleegkundige zorg, samen met huisartsen, ziekenhuizen en het sociaaldomein» (zie bijlage 1). Het RIVM geeft in het rapport aan dat veeluitdagingen die in dit onderzoek naar voren komen erkend worden inde doelstellingen en afspraken die zijn gemaakt in het IZA, WOZO enGALA16.16Gezond en Actief Leven AkkoordTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 23 235, nr. 24110
Documentversies en bestanden
Officiële documentversies staan los van de versie van de brontekst die je in Kamerkring citeert.
- Drie onderzoeksrapporten over de wijkverplegingActuele officiële versie
- application/x-unknown-content-type kst-23235-241.odtDownload ↗
- PDF kst-23235-241.pdfDownload ↗
- text/html kst-23235-241.htmlDownload ↗
- application/xml kst-23235-241.xmlDownload ↗
- Metadata metadata.xmlOpen metadata ↗
- Metadata metadata_owms.xmlOpen metadata ↗
Bijlagen
- Onderzoek Praktijkvariatie Indicatiestelling Wijkverpleging
- Rapportage Clientvolgend onderzoek in de Wijkverpleging
- Beslisnota bij Kamerbrief over drie onderzoeksrapporten over de wijkverpleging
- Aanbieding eindrapportage Onderzoek Praktijkvariatie Indicatiestelling
- Eindrapport Herkenbare en Aanspreekbare Wijkverpleging
Bij dit hoofddocument
Geen gekoppeld hoofddocument gevonden.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Verder bij de Tweede Kamer
Externe officiële informatie