KamerkringInloggen
Kamerbrief

Najaarsbrief Sport en Bewegen 2024

28 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 16a425be3fd3a84c · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202530 234Toekomstig sportbeleidNr. 396 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN VOLKSGEZONDHEID,WELZIJN EN SPORT Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 28 november 2024Dit afgelopen jaar was een bijzonder sportjaar. Eerst de mannen van hetNederlands elftal die voor het eerst sinds 2004 weer eens de halve finalevan het EK voetbal haalden en daarna de recordprestaties van TeamNLtijdens de Olympische en Paralympische Spelen in Parijs. Een bomvollesportzomer waar heel veel Nederlanders, inclusief ikzelf, van hebbengenoten. Het zorgde voor onvergetelijke momenten waarbij sport op eenunieke manier zorgt voor een gevoel van verbondenheid en inspiratie.Die prestaties komen echter niet uit de lucht vallen. Allereerst gaat erontzettend veel (vaak eenzame) training en toewijding aan vooraf vanonze sporters en hun coaches. Maar we hebben de afgelopen decenniaook samen met sportbonden, NOC*NSF, tal van professionals enorganisaties hard gewerkt aan en geïnvesteerd in een brede en solidesport- en beweegbasis in Nederland. Deze basis ligt (mede) ten grondslagaan het succes van onze Paralympiërs en Olympiërs.De brede en solide basis wordt voor een groot deel gevormd door dediverse Nederlandse sportinfrastructuur, met haar verenigingen envrijwilligers. Die is uniek in de wereld. En hoe meer Nederlandersopgroeien met sporten en bewegen, hoe meer talent uiteindelijk de wegnaar Olympisch en Paralympisch succes weet te vinden. Daarmee is demate van het Nederlandse Olympische en Paralympische succes dus ookergens een graadmeter van hoe het gaat met de sport in Nederland.Gezien de afgelopen Olympische en Paralympische Spelen, zou je kunnenzeggen: het gaat zeer goed dus. Maar de medaillespiegel van 2024 is vooreen groot deel een reflectie van het sportklimaat van vijftien tot vijfen-twintig jaar geleden, toen de gouden, zilveren en bronzen atleten van nubegonnen met sporten en zich ontwikkelden van pupil tot topsporter.De meeste pupillen worden overigens geen topsporter en zullen nooit eenOlympische of Paralympische medaille halen. Maar toch winnen ze. Want kst-30234-396ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3961 hoe ik naar sport kijk is niet als enkel een fysieke activiteit met eenresultaat als gevolg.Sport maakt het leven niet alleen leuker, door te sporten zit je lekkerder inje vel en in je hoofd, je maakt vrienden, je leert winnen en verliezen, jeleert omgaan met prestatiedruk en je werkt aan je zelfvertrouwen. Dezelessen maken je weerbaar en veerkrachtig en leren je omgaan metuitdagingen in het leven. Door van jongs af aan al te sporten is de kansgroot dat je dit op latere leeftijd ook nog doet. Daarmee verbeteren we dekwaliteit van leven van jong tot oud. Zoals ik aangaf: onze brede solidesportbasis is uniek in de wereld, maar tegelijkertijd niet vanzelfsprekend.Zo zien we dat een groot deel van de jeugd niet voldoet aan debeweegrichtlijnen en de motorische vaardigheden van jongeren gaan aleen hele tijd achteruit. Én lang nog niet iedereen kan profiteren van dekracht van sport. Bijvoorbeeld omdat je niet bent opgegroeid met sport, jeeen handicap hebt of omdat sport voor jou moeilijk betaalbaar is.Maar niet alleen door te sporten word je fitter, met bewegen ben je ook algoed bezig. Het helpt dan als de omgeving je uitnodigt om in beweging tekomen. Bovendien zien we ook dat de vraag naar sport verandert: wesporten bijvoorbeeld niet altijd meer bij een traditionele sportvereniging.Binnen het sport en beweegbeleid wat ik als Staatssecretaris zal voeren,heb ik daarom drie prioriteiten:1.jeugd meer laten sporten en bewegen;2.mensen met een handicap meer laten sporten en bewegen, en3.mensen in armoede meer laten sporten en bewegen.Om het concreet te maken: over vier jaar, in 2028, is het precies 100 jaargeleden dat Nederland in Amsterdam de Olympische Spelen organi-seerde. Ik wil dat we binnen die vier jaar samen met alle partners diehieraan bijdragen, of kunnen bijdragen, de volgende voortgang hebbengeboekt:•Het aandeel kinderen (4 t/m 11 jaar) dat voldoet aan de beweegrichtlijnis in 2028 toegenomen van de huidige 60 procent naar 65 procent.Voor jongeren (12 t/m 17 jaar) geldt dat dit aandeel van 40 naar50 procent is toegenomen.•Sportdeelname (wekelijks) van mensen met een handicap is toegeno-men van de huidige 38 procent naar 50 procent in 2028.•Sportdeelname (wekelijks) van kinderen en volwassenen in armoede istoegenomen van 44 procent nu naar 52 procent in 2028.In deze brief zet ik uiteen hoe ik dat wil bereiken, welke accenten ik wilaanbrengen en welke stappen ik daarvoor wil nemen.Daarbij maak ik op voorhand drie opmerkingen:•Aangezien het kabinet in juli van dit jaar is aangetreden, zullen veelplannen hiervoor nog moeten worden uitgewerkt. Ik heb daarbij welzoveel mogelijk prioriteiten en accenten aangegeven, hierbij wil iknadrukkelijk ook de ideeën en plannen die leven in de Tweede Kamermeenemen. Een aantal van die ideeën heb ik al meegenomen in dezebrief.•Met mijn inzet bouw ik voort op de gezamenlijk afspraken en activitei-ten die lopen vanuit Sportakkoord II en het actieplan Nederlandbeweegt. Sportakkoord II loopt tot en met 2026, dit is inclusief debestuurlijke afspraken van de Brede Regeling Combinatiefuncties. Hetactieplan Nederland Beweegt loopt tot en met 2025. In 2025 en 2026wil ik samen met de partners de gemaakte afspraken prioriteren enmeer richten op ondersteuning op de plekken en situaties waar hetécht nodig is. Hiermee beoog ik meer mensen in aanraking te latenkomen met sport en bewegen, in lijn met de drie prioriteiten die ikTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3962 eerder heb genoemd. Zowel de voortgangsmonitor Sportakkoord II1(bijlage 2) als de Voortgangsmonitor Brede Regeling Combinatiefunc-ties2 (bijlage 3a,b,c,d) en de evaluatie van het actieplan Nederlandbeweegt bieden hiervoor input.•In 2025 vinden er geen bezuinigingen plaats, maar in de jaren vanaf2026 zullen we het met minder geld moeten doen. Dit vraagt omkeuzes, keuzes die ook noodzakelijk zijn om andere subsidies zoals deondersteuning aan het Jeugdfonds Sport en Cultuur, Fonds Gehandi-captensport en de instellingssubsidie topsport aan NOC*NSF in standte houden.Los van de geformuleerde prioriteiten vind ik het van belang dat sport enbewegen een onlosmakelijk onderdeel wordt van het dagelijks ritme vanmensen. Van de bank af, achter het bureau vandaan, uit de stoel; dat moethet devies zijn. Dat vergt niet alleen inzet vanuit VWS, maar ook vanuit debrede omgeving waar mensen zich in bevinden, zoals werkgevers en deopenbare ruimte. Er zijn goede voorbeelden van werkgevers die beweegmogelijkheden bieden aan hun medewerkers. Maar dit kan en moeten ermeer worden, en daar zie ik ook een rol voor mijzelf om dat te stimuleren.In deze brief ga ik ook in op een belangrijk overkoepelend thema: eensociaal veilige en eerlijke sport. Want iedereen moet met plezier kunnensporten in een veilige en verantwoorde omgeving. Een belangrijkonderdeel van de inzet die ik pleeg om dat te bevorderen, is de oprichtingvan een onafhankelijk integriteitscentrum in de sport waar ik later dezebrief op in ga.In 2025 start ik een beleidsevaluatie die input gaat opleveren voor nieuwbeleid na 2026. Hierbij zou ik ook verkennen of wetgeving tot de mogelijk-heden behoort. Conform de motie van de Kamerleden Van den Brink enRudmer Heerema zou deze verkenning na afronding van Sportakkoord IIplaatsvinden.3 In het Hoofdlijnenakkoord is echter het voornemenopgenomen dat Specifieke Uitkeringen vanuit het Rijk aan gemeentenworden overgeheveld naar het gemeentefonds om zo een flinke daling inde administratieve lastendruk te bewerkstelligen en gemeenten meerautonomie geven over de besteding van de middelen. De integralebesluitvorming over welke Specifieke Uitkeringen (SPUK’s) wel en nietworden omgezet naar een fondsuitkering in 2026 vindt plaats in heteerste kwartaal van 2025. Parallel aan deze besluitvorming zal ik alterna-tieve mogelijkheden voorbereiden om vanuit het Rijk beleidsdoelen op hetterrein van sport en bewegen te kunnen realiseren en verantwoordelijk-heden vast te leggen, waarbij ik onder andere het proces tot het komenvan een sport- en beweegwet herneem.In de volgende paragrafen licht ik mijn inzet op de door mij geformuleerdeprioriteiten toe en ga ik in op moties en toezeggingen die hieraangerelateerd zijn. De moties en toezeggingen die gerelateerd zijn aanandere onderwerpen dan de hierboven genoemde thema’s licht ik toe inbijlage 1.Bij deze brief vindt u de volgende bijlagen:Bijlage 1: Moties en toezeggingen1Kamerstukken II 2018/19, 30 234, nr. 201. Dit betreft de toezegging dat de TK jaarlijks wordtgeïnformeerd over de gemonitorde doelen, voortgang en resultaten van het Sportakkoord. Uontvangt nu een tussenrapportage die inzoomt op de thema’s vitaal, sociaal veilig en ruimtevoor sport en bewegen. Eind januari stuur ik de gehele rapportage naar de Kamer die zich richtop het lokale beleid bij twintig gemeenten.2Kamerstukken II 2022/23, 30 234, nr. 329.3Kamerstukken II 2022/23, 30 234, nr. 373.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3963 Bijlage 2: Voortgangsrapportage Sportakkoord II «Fundament versterkt»Bijlage 3a: Voortgangsmonitor Brede Regeling CombinatiefunctiesBijlage 3b: Verdieping vakleerkrachten bewegingsonderwijsBijlage 3c: Verdieping de buurtsportcoachBijlage 3d: Verdieping de clubontwikkelaarBijlage 4: Tussenrapportage BuitenspelenBijlage 5: Rapport «Financiële regelingen voor sport en zwemles»Bijlage 6: Rapport «Eigendom en exploitatie van zwembaden»Bijlage 7: One pager analyse sportverenigingenBijlage 8: Strategie sportverenigingenBijlage 9: Rapport «Amateursport fit voor de Toekomst»Bijlage 10: Plan van aanpak «Revolverend fonds» sportclubsBijlage 11: Monitor «Sporten voor mensen met een handicap vanzelf-sprekend»Bijlage 12: Topsportbegroting 2025 NOC*NSFBijlage 13: Rapport «Topsportpodium Nederland»Bijlage 14: Brief NKP: «Ontsluiting van private financiering tbv verduur-zaming amateursportlocatiesBijlage 15: Beleidsreactie NKP-rapport «Amateursport fit voor detoekomst»1. Jeugd meer laten sporten en bewegen Om een leven lang te sporten en bewegen, is het ontwikkelen vanbeweegwijsheid cruciaal. Beweegwijsheid gaat niet alleen over hetaanleren van motorische vaardigheden, maar ook over aspecten zoalsmotivatie, kennis en vertrouwen. De bouwstenen hiervoor zijn de gymles,buitenspelen en sport.Sportverenigingen spelen een belangrijke rol in het ontwikkelen vanbeweegwijsheid onder kinderen en zijn van grote maatschappelijkewaarde. Niet alleen om Nederlanders fit en in beweging te houden, wantsportverenigingen zijn veel meer dan dat. Het zijn de plekken waar wedagelijks nieuwe mensen ontmoeten, waar we vrienden maken en waarwe sámen sporten. Kinderen leren daar winnen en verliezen, vergrotenhun zelfvertrouwen en ontdekken waar hun talenten liggen. Dezehistorisch gegroeide infrastructuur van verenigd sporten is voor onsallemaal van grote waarde en is iets om zuinig op te zijn.Vitale verenigingen leunen vaak op een goede accommodatie en jeugdheeft baat bij een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot sporten enbewegen. Of het nu gaat om een sportveld, een speeltuin of een fietspad,zonder de juiste voorzieningen is sporten en bewegen niet mogelijk. Defysieke leefomgeving is daarmee bepalend voor het sport- en beweeg-gedrag van Nederlanders en ruimtelijke ordening is hierin essentieel.In deze paragraaf ga ik in op de wijze waarop ik jeugd in beweging wilbrengen en houden. Hierbij heb ik ook nadrukkelijk aandacht voortwee belangrijke voorwaarden om dit voor elkaar te krijgen, te weten:behoud van de unieke verenigingsstructuur en een sociale en fysiekeomgeving die uitnodigt tot sporten en bewegen.Wat is het probleem?In 2023 voldeed 60 procent van de kinderen (4 t/m 11 jaar) en 40 procentvan de jongeren (12 t/m 17 jaar) aan de beweegrichtlijn. Voor kinderen4–18 jaar houdt deze richtlijn in dat zij zich minstens één uur per dagmatig of zwaar intensief moeten inspannen (o.a. fietsen of buitenspelen),minstens drie keer per week spier- en botversterkende activiteitenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3964 (o.a. rennen, springen of dansen) moeten doen en veel stilzitten moetenvoorkomen.Deze percentages kinderen die voldoen aan de richtlijn zijn relatief stabieltot licht stijgend over tijd.4 De motorische vaardigheden van jongeren,zoals balanceren en koprollen, gaan al decennia achteruit5 en deafgelopen jaren verdubbelde ook het aandeel kinderen zonder eenzwemdiploma van 6 naar 13 procent.6 Experts zijn het erover eens dat inhet geval van sport en bewegen sprake is van jong geleerd is oudgedaan7. Een inactieve en motorisch achterblijvende jeugd heeft dusgevolgen voor de rest van het sportieve leven.Door diverse maatschappelijke ontwikkelingen (onder andere demogra-fische veranderingen, commercialisering en individualisering) is hetsportlandschap de afgelopen jaren aanzienlijk veranderd. Deze ontwikke-lingen hebben ertoe geleid dat de rol en positie van sportverenigingen isveranderd. Bovendien stellen zowel politiek als maatschappij hogere eisenaan diezelfde sportvereniging vergeleken met veertig jaar geleden. Naastde zorg voor nieuwe leden, voldoende vrijwilligers en accommodatiesmoeten verenigingen onder meer voldoen aan de basiseisen socialeveiligheid en toegankelijkheid en wordt meer regeldruk ervaren als gevolgvan overige wetgeving. De traditionele sportvereniging komt hiermeeonder druk te staan en leden en vrijwilligers dreigen af te haken. Op delange termijn lijkt het percentage leden van sportclubs bovendien lichtonder druk te staan.8 De gevolgen van roerige tijden, zoals de coronacrisisen de energiecrisis, zijn ook zichtbaar in de vitaliteit van sportvereni-gingen. Verenigingen moeten zich aanpassen en voor een deel van deverenigingen is dit moeilijk. Hiermee neemt ook de ongelijkheid tussensportverenigingen toe.Daarnaast is onderhoud en verduurzaming van sportaccommodaties eenbelangrijke opgave voor verenigingen. Een groot deel van de sportaccom-modaties in Nederland (60%) is gebouwd tussen 1970 en 1990 en isbovendien aan vervanging toe. Aangezien veel verenigingen nog denasleep van een hoge energierekening van vorig jaar aan het verwerkenzijn, ontbreekt de financiële buffer om in de toekomst te investeren. Allesbij elkaar staat een deel van de sportverenigingen voor een financiëleuitdaging om de nodige investeringen te doen voor zowel onderhoud alsverduurzaming.Maar ook het sporten op andere plekken dan de traditionele sportaccom-modatie staat onder druk. Om sport, bewegen en buitenspelen tebevorderen, moet de openbare ruimte uitnodigend, inspirerend enbeweegvriendelijk zijn ingericht. Al met al heerst er een grote druk op debeschikbare ruimte voor trapveldjes, veilige fietspaden en aantrekkelijkespeeltuinen en die zal in de toekomst alleen maar groter worden.4RIVM (2024). www.sportenbewegencijfers.nl5Mulier Instituut (2023). Kinderen en jongeren bewegen minder en hun motoriek gaat achteruit.Kennis- en innovatiescan WP2.6Mulier Instituut (2023). Zwemvaardigheid 2022. Inzicht in het zwemdiplomabezit van kinderen,factsheet 2023/27.7O.a. Dohle, S. en Wansink, B. (2013). Fit in 50 Years: Participation in High School Sports BestPredicts One’s Physical Activity after Age 70.8RIVM (2024). www.sportenbewegencijfers.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3965 Wat is mijn doel?De genoemde ontwikkelingen vragen inzet op samenwerking en hetverkennen van nieuwe wegen. Want de invloed van beleid is slechts eenbeperkte verklaring van het sport- en beweeggedrag van de jeugd, zostelde het Sociaal Cultureel Planbureau al in 20199.Van alle kanten wordt de jeugd namelijk verleid om stil te zitten. Denk aande tijd die wordt besteed aan social media en excessief gamen, deze tijdkan ten koste gaan van sporten en bewegen. Desondanks wil ik alle jeugdmeer in beweging krijgen. Dit is in lijn met de al eerder gestelde ambitie10dat 75 procent van de Nederlanders voldoende beweegt in 2040. Daaromstreef ik ernaar dat in 2028 – wanneer we op een kwart van die periodezitten – ook een kwart van de beoogde toename hebben gerealiseerd. Ditwil concreet zeggen: 65 procent van de kinderen (4 t/m 11 jaar) en50 procent van de jongeren (12 t/m 17 jaar) voldoet in dat jaar aan debeweegrichtlijnen.Wat is het huidige beleid?In Sportakkoord II werk ik samen met partners VSG, NOC*NSF enPlatform Ondernemende Sport (POS) aan deelakkoord Vaardig inbewegen. In dit deelakkoord staan vier opgaven centraal, te weten:−Inzet op motorische ontwikkeling en veelzijdig bewegen−Meer aandacht voor bewegen bij de jongste jeugd (0–4 jaar)−Betere kansen om sporten en bewegen te ontdekken (4–12 jaar)−Verhogen sportdeelname en voorkomen van uitval (12 jaar en ouder)Omdat zwemmen een belangrijke vaardigheid is om al op jonge leeftijdaan te leren, zet ik ook in op zwemvaardigheid. Later in deze brief ga ik inop diverse lopende onderzoeken op dit thema en de ondersteuning vanzwemles via onder andere het Jeugdfonds Sport en Cultuur.•Nederland heeft een rijke watercultuur en vrijwel iedereen haaltvanzelfsprekend een zwemdiploma. Niet alle kinderen kunnen directstarten met zwemles omdat er wachtlijsten zijn. De indruk bij deNationale Raad Zwemveiligheid (NRZ) en een enkele grote exploitantis dat deze eerder toenemen dan teruglopen. Zoals toegezegd11 delenwe enkele resultaten van pilots om wachtlijsten terug te dringen. Uitde pilot komen diverse mooie voorbeelden naar voren zoals de groeivan het aantal deelnemende scholen in Tilburg van vijf naar meer dantwintig. Maar ook de vangnetmethode in Amsterdam waar meer dandriehonderd kinderen «via de gekste wegen bij ons aangemeldworden» werpt haar vruchten af. De belangrijkste les is dat zwemleskort na schooltijd valt of staat bij een goede samenwerking tussenverschillende domeinen. Met andere woorden, als het op lokaal niveaulukt om partijen als maatschappelijk vastgoed, welzijn, sport, onder-wijs, zwemlesaanbieders, buurtsportcoaches en diverse anderepartijen met elkaar te verbinden dan kan badwater efficiënter benutworden voor zwemles. Die samenwerking is niet altijd vanzelfspre-kend, maar de zeven deelnemende gemeenten leren van elkaar opwelke manieren dit kansrijk is. De pilot wordt dan ook voortgezet,waarbij ik samen met VSG zal inzetten op het breder delen van degeleerde lessen en goede voorbeelden.•Via het programma MOOI in Beweging12 zetten we in op onderzoek eninnovatie om het complexe probleem van achteruitgang in motorische9SCP (2019). Kansen op sportieve groei? Een verklarend model van sportdeelname.10Kamerstukken II 2018/19, 32 793, nr. 339.11Kamerstukken II 2022/23, 30 234, nr. 376.12https://www.zonmw.nl/nl/nieuws/start-nieuwe-consortia-mooi-beweging.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3966 vaardigheden onder de jeugd tegen te gaan. De projecten leverenconcrete acties, interventies en beleidsmaatregelen op voor thuis,kinderopvang, onderwijs en buitenruimte.•In Sportakkoord II werken we samen met partners VSG, NOC*NSF enPOS aan deelakkoord Ruimte voor sport en bewegen. De publiekeverantwoordelijkheid en de budgetten voor het accommodatiebeleidliggen primair bij de gemeenten. De rijksoverheid ondersteuntgemeenten waar mogelijk en roept hen op om lokale en regionaleafstemming te zoeken over de spreiding van sportvoorzieningen, depublieke ruimte voor sport en bewegen open en toegankelijk tehouden, sportparken meer open te stellen voor het bredere publiek envoor nieuwe exploitatiemodellen. Via deze weg kunnen we nieuwemogelijkheden testen door meer samenwerking te zoeken tussenbijvoorbeeld sport, ondernemers en onderwijs, om sportvoorzieningenzo veel mogelijk van waarde te laten zijn voor de omgeving en desamenleving. Vanuit het actieplan Nederland beweegt zet ik in op eengezonde, beweegvriendelijke leefomgeving. Hiervoor werk ik ondermeer samen met de Ministeries van Infrastructuur en Waterstaat(IenW), Volkshuisvesting en Ruimtelijk Ordening (VRO) en Binnen-landse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) als het gaat om verbeterin-gen in de leefomgeving en actieve mobiliteit (bevorderen van lopen enfietsen).Wat kunt u van mij verwachten?Mijn inzet is gericht op het normaliseren van sport en bewegen in hetleven van de jeugd. Op korte termijn ga ik met partners in Sportakkoord IIeen gezamenlijke plan rondom jeugdsport en talentonwikkeling opstellen,gericht op het stimuleren van «beweegwijsheid». Zoals hiervoor als isopgemerkt, gaat dat verder dan een koprol leren of een fitheidstest halen.Om een leven lang sporten en bewegen aan te leren, is het ontwikkelenvan beweegwijsheid (motorische vaardigheden, motivatie om te sporten,kennis en vertrouwen in eigen kunnen) cruciaal. De bouwstenen hiervoorzijn de gymles, buitenspelen en sport. Ook ouders hebben hier in eenbelangrijke rol. Samen vullen die elkaar aan tot een «sportopvoeding» dieleidt tot duurzaam sport- en beweeggedrag in latere levensfasen. Met ditgezamenlijke plan wil ik aansturen op het slimmer bundelen van iedersinzet om zo de basisvaardigheden van de jeugd te verbeteren. Beterebasisvaardigheden komen ook ten goede aan sporters die meer in zichhebben en potentie hebben om zich te ontwikkelen richting een talentvollesporter. Maar ook buiten de sport kan dit direct effect hebben. Zo hoor ikzowel van Defensie als van de politie geluiden dat de basisvaardighedenvan huidige instromers minder goed zijn dan twintig jaar geleden. Ik gamet hen in overleg om te kijken hoe we deze ontwikkeling samen kunnenomkeren.•Sporthelden op School is een landelijk platform dat topsportersinzet om clinics te geven op scholen, met als uiteindelijk doel kinderenen jongeren te inspireren en meer te laten bewegen. Ik verleng deondersteuning aan deze organisatie tot en met ten minste 2025 zodatzij met de inspirerende waarde van topsport kunnen werken aan eenaanpak waarmee het platform in de toekomst zelfstandig in staat is omlokale sportaanbieders te verbinden met scholen. Op die manierkrijgen kinderen en jongeren de kans om na de clinic structureel teblijven sporten bij een lokale sportclub. Met deze informatie envoorgenomen vervolgstappen op dit onderwerp doe ik een motie vande leden Heerema en Van der Laan13 en hieraan gerelateerde13Kamerstukken II, 2022/23, 32 793, nr. 662.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3967 toezegging14 af om de Kamer te informeren over de pilot sport enonderwijs.•De verantwoordelijkheid voor de gymles ligt primair bij het Ministerievan Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW), maar ik blijf mijonverminderd inzetten op bewegen in en rondom de school. Datgaat om zaken als een dynamische schooldag, bewegen gedurende delessen, gezonde schoolpleinen voor actief pauzegedrag en ook om hetstimuleren van gymlessen. Op school liggen kansen om het beweeg-gedrag nu en in de toekomst te vergroten. Bovendien blijkt dat meerbewegen op school ook kan helpen bij het verbeteren van concentra-tie, rekenvaardigheid en het gedrag van kinderen in de klas15.Daarnaast ga ik kijken hoe ik beweeggedrag van kinderen kanstimuleren met doelstellingen op andere beleidsterreinen, denk aanhet realiseren van meer groenblauwe schoolpleinen. Hiermeestimuleren we niet alleen het beweeggedrag van kinderen, maar leverje ook een grote bijdrage aan de hittestress en daarmee klimaatadapta-tie in een wijk.•Buitenspelen is voor kinderen de meest voorkomende vorm vanbewegen in de leefomgeving. Zoals uw Kamer van mij gevraagd heeft,heb ik een onderzoek uitgezet naar welke elementen speeltuinenmoeten bevatten om kinderen uit te dagen om te gaan buitenspelen.De tussenrapportage is toegevoegd in bijlage 4. Begin 2025 levert hetMulier Instituut de eindrapportage van dit onderzoek op.16 Daarnaastblijf ik gemeenten stimuleren om (inclusief) buitenspeelbeleid teformuleren en te implementeren.•Ik ga met gemeenten, provincies en de sportsector in overleg om tekomen tot een plan van aanpak gericht op het creëren van eentoekomstbestendige sport- en beweeginfrastructuur. Ik verkenmet deze partijen de mogelijkheden voor een gerichte aanpak van debouw en renovatie van sportaccommodaties. Ook werk ik aan een planvoor voldoende ruimte voor sportvoorzieningen, beweegmogelijkhe-den en buitenspeelruimte. Naar verwachting informeer ik medio 2025uw Kamer hierover.•Ik neem de motie van de leden Leijten en Van Nispen17, die oproeptom te onderzoeken hoe een sportnorm kan worden vastgesteld, terhand. Ik laat daarom momenteel een verkennend onderzoek uitvoerenom vast te stellen wat de rol van sport, bewegen en buitenspelen is inruimtelijke ordening, en in hoeverre dit onder druk staat. Ik streefernaar dit onderzoek in het eerste kwartaal van 2025 aan uw Kamer testuren. Tevens laat ik in kaart brengen wat het «geheim» is van28 hotspots, waar de benutting van de openbare ruimte of sportac-commodaties positief afsteekt ten opzichte van vergelijkbare locaties.18Dat wil zeggen dat de principes worden beschreven van een succes-volle benutting en exploitatie van sportaccommodaties en deopenbare ruimte die zowel kosteneffectief is als maatschappelijkewaarde oplevert. Ik betrek de opbrengsten van dit project bij deuitvoering van de motie van de leden Van Dijk en Van Nispen19 overhet uitwerken van voorstellen over het aankomende tekort aansportaccommodaties, waarbij ik ook wettelijke verankering in eensport- en beweegwet verken.14Kamerstukken II, 2023/24, 30 234, nr. 386.15Onderwijskennis (2022). https://www.onderwijskennis.nl/kennisbank/het-belang-van-meer-bewegen-op-school16Uit een tussenrapportage blijkt dat het wel of niet buitenspelen van kinderen afhangt vanverschillende factoren. De inrichting van een speelplek lijkt een beperkte rol te spelen. Devoorlopige conclusies worden in verdiepende gesprekken getoetst onder onderzoekers,praktijkprofessionals en kinderen.17Kamerstukken II 2022/2023, 30 234, nr. 352.18https://www.zonmw.nl/nl/nieuws/start-nieuwe-consortia-mooi-beweging.19Kamerstukken II 2023/2024, 36 410 XVI, nr. 123.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3968 •Uw Kamer heeft via diverse moties20 verzocht om verschillendeonderzoeken op het gebied van zwemmen. Het onderzoek naar hetaanbod en gebruik van financiële ondersteuningsregelingen voorsportdeelname (jeugd en volwassenen) en zwemles (jeugd) vindt uterug in bijlage 5 van deze brief. Daarnaast is ook het onderzoek naarhet eigendom en exploitatie van zwembaden in bijlage 6 te vinden. Deonderzoeken naar het zwembadfonds en de scenario’s van deherinvoering van schoolzwemmen volgen later dit jaar. In het voorjaarvan 2025 kunt u van mij zoals toegezegd21 een aparte brief verwachtenmet een aanpak voor het stimuleren van zwemdiplomabezit inNederland. Hierin bundel ik de resultaten van alle genoemde onder-zoeken en de wijze waarop ik daar opvolging aan zal geven.•Met het Sportakkoord is een meerjarige samenhangende strategiegestart samen met betrokken partijen uit de sector, om sportvereni-gingen te ondersteunen zodat zij in kunnen spelen op de genoemdemaatschappelijke trends. Met de partners zijn afspraken gemaakt toten met 2026. In de monitor Sportbeleid van het Mulier Instituut22wordt bovendien geconcludeerd dat juist het verhogen van hetstrategisch gehalte van het sportbeleid en het stellen van doelen op delange termijn uitdagend is. Om die reden vind ik het van belang dat demeerjarige strategie van het Sportakkoord wordt voortgezet. Zoalsaangegeven ga ik in 2025 en 2026 samen met de partners de gemaakteafspraken prioriteren en richten op ondersteuning van sportverenigin-gen op de plekken en situaties waar het écht nodig is. Omdat ik zie datsportverenigingen het op dit moment lastig hebben.Het lid Mohandis c.s. heeft een motie23 ingediend om in samenspraakmet vertegenwoordigers van sportverenigingen te komen tot eenmeerjarige strategie voor sportverenigingen. Dit is een thema waar hetMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) al langere tijdaan werkt, en waar ik ook vol mee aan de slag wil gaan. In de brief van2 april24 jongstleden heeft de toenmalig Minister van VWS aangegeveneerst inzicht te willen krijgen in knelpunten waar sportverenigingenmee te maken hebben. Met deze brief wordt invulling gegeven aan detoezegging om uw Kamer te informeren over de uitkomsten van deanalyse. Een samenvatting van de analyse is als bijlage 7 toegevoegd.Op basis van de uitgevoerde analyse sportverenigingen onderschrijf ikde uitdagingen waar sportverenigingen voor staan volledig en zet ikmij nu al volop in om ze hierbij te helpen. Aanvullend wil ik op devolgende punten sportverenigingen nog gerichter ondersteunen:•Clubondersteuning•Regeldruk•Verduurzaming en onderhoud sportaccommodatiesVoor de volledige analyse sportverenigingen en de uitgewerktehoofdlijnen van de strategie sportverenigingen verwijs ik naarbijlage 8. Hiermee voldoe ik aan de toezegging25 om uw Kamer teinformeren over de uitkomsten van de analyse sportverenigingen.Deze aanzet om te komen tot een gedegen strategie zie ik als eeneerste invulling van wat de motie van het lid Mohandis c.s.26 van mijvraagt. Op de middellange termijn breid ik deze strategie verder uit.•Verduurzaming van de sportsector is belangrijk voor de continuïteit,weerbaarheid en de betaalbaarheid van sport. Op 14 juni 2024 is hetoptiedocument Amateursport fit voor de toekomst (bijlage 9) van het20Kamerstukken II, 2023/24, 36 410 XVI, nr. 117; Kamerstukken II, 2023/24, 36 410 XVI, nr. 116;Kamerstukken II, 2023/24 36 410 XVI, nr. 135; Kamerstukken II, 2023/24, 36 410 XVI, nr. 11821Kamerstukken II, 2023/24, 36 410 XVI, nr. 139.22Poel, H. van der, & Pulles, I. (2024). Monitor sportbeleid 2023. Mulier Instituut.23Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 115.24Kamerstukken II 2023/24, 30 234, nr. 389.25Kamerstukken II 2023/24, 30 234, nr. 389.26Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 115.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 3969 Nationaal Klimaat Platform (NKP) aangeboden aan de toenmaligeMinisters van VWS, Klimaat en Energie en Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties. In bijlage 15 ga ik, in nauwe samenwerking met deMinisters van KGG en VRO, nader in op de aanbevelingen uit hetoptiedocument. Ook reageer ik op een motie van het lid Olger vanDijk27 over de opzet van een revolverend fonds.•In het kader van de toekomst en verduurzaming van zwembadenverken ik op dit moment de mogelijkheden van een zwembadfonds enhet in publieke handen houden van zwembaden, in lijn met de motiesvan de leden Mohandis en Van Nispen.28 Hierover informeer ik uwKamer in het voorjaar van 2025.2. Mensen met een handicap meer laten sporten Sommige mensen ervaren meer belemmeringen dan anderen om tekunnen sporten en bewegen. Omdat sport en bewegen voor iedereentoegankelijk moet zijn, zet ik specifiek in op het wegnemen van belemme-ringen voor mensen met een handicap. Ik sprak tijdens de ParalympischeSpelen in Parijs een groepje jongeren die zichzelf de «Paris Potentials»noemen: jongeren met een handicap die ervan dromen later zelf Paralym-pisch sporter te worden en waarvan er een aantal al goed op weg waren.Zij waren op uitnodiging van NOC*NSF in Parijs. Een flink aantal jongensen meiden zei tegen mij: «Echt al mijn vrienden ken ik van mijn sport.» Ditis een treffende illustratie en één van de vele positieve aspecten van sportvoor mensen met een handicap.Wat is het probleem?Er zijn verschillende groepen mensen in Nederland die achterblijven insport en bewegen. Een daarvan is de groep mensen met een handicap. Dewekelijkse sportdeelname voor mensen met een handicap is gemiddeld38 procent en voor mensen met een motorische handicap 21 procent. Hetsportdeelnamecijfer voor iedereen van 12 jaar en ouder zonder handicapis 62 procent.29Wat is mijn doel?De enorme verschillen in de samenleving in sportdeelname tussengroepen vind ik niet acceptabel. De ambitie voor Nederland moet zijn datwe er gezamenlijk de schouders onder zetten om de verschillen in sport-en beweegdeelname tussen mensen met en zonder handicap in detoekomst te verkleinen. En het liefst streef ik naar gelijke deelnamepercentages.En omdat ik vind dat deze kloof in acht jaar gedicht moet zijn, zullen wehalverwege die periode, in het jaar 2028, een deelnamecijfer van42 procent van wekelijkse sporters onder mensen met een handicapmoeten realiseren. Als dit slaagt, zie ik dit ook als een indicatie dat sporten bewegen in 2030 vanzelfsprekend is voor mensen met een handicap.30Wat is het huidige beleid?In Sportakkoord II is nadrukkelijk aandacht voor het toegankelijk makenvan de sport. Hiervoor wordt ingezet op vier soorten van toegankelijkheid,namelijk 1) de financiële toegankelijkheid, 2) de sociale toegankelijkheid,27Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 121.28Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nrs. 116 en 117.29RIVM (2024). www.sportenbewegenincijfers.nl.30Kamerstukken II 2021/22, 30 234, nr. 296.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 39610 3) de praktische toegankelijkheid en 4) de toeleiding en begeleiding vanmensen.Wat kunt u van mij verwachten?Ik wil me specifiek richten op het verder verbeteren van de praktische enfinanciële toegankelijkheid van sport, voor mensen met een handicap.Hiermee streef ik ernaar om concreet belemmeringen weg te nemen voormensen die wel willen sporten en bewegen maar dat niet kunnen.•In 2025 wordt het plan «Strategie sporten voor mensen met eenhandicap is vanzelfsprekend in 2030» uitgevoerd. Dit borduurt voort opde brief die mijn ambtsvoorganger aan u heeft gestuurd als reactie opde notitie Sporten en bewegen voor mensen met een handicap isvanzelfsprekend in 2030 (SP, Groen Links, D66 en PvdA).31 Met deuitvoering van deze strategie wordt met ruim 55 partijen samenge-werkt om daadwerkelijk het verschil te maken voor mensen met eenhandicap. Het Mulier Instituut monitort jaarlijks de voortgang op hetgebied van sporten met een handicap, dit is conform een motie vanhet lid Van Nispen c.s.32 en de toezegging aan uw Kamer. De monitorgaat zoals eerder toegezegd ook in op het aantal gerealiseerdeinclusieve speelplekken in Nederland. De monitor is als bijlage 11toegevoegd en hiermee beschouw ik de toezeggingen over hetinformeren van de Kamer over de voortgang van de inzet op mensenmet een handicap en het aantal gerealiseerde inclusieve speelplek-ken33 als afgedaan. Ik verwijs uw Kamer vanaf nu jaarlijks naar dezemonitor voor de meest recente cijfers. De strategie is ook onderdeelvan de werkagenda van de Nationale strategie rond het VN-verdragHandicap. Met deze integratie leg ik de verbinding met de doorontwik-keling van de paralympische topsport door in te zetten op de begin-nende jeugd, zij-instromer en paralympisch topsporter. Een concreetvoorbeeld hiervan is de jaarlijkse Paralympische Talentdag. Eensuccesvol concept: van de 84 Nederlandse sporters die afgelopenzomer in Parijs in actie kwamen, zijn er 31 ooit gescout op eenTalentdag.•Samen met Fonds Gehandicaptensport en de Esther Vergeer Founda-tion werk ik aan de mogelijkheden om tot één landelijk loket voorsporthulpmiddelen te komen. Dit moet een einde maken aan deverschillen in voorwaarden om in aanmerking te komen voor eensporthulpmiddel zoals een rolstoel, brace of prothese. In samenwer-king met gemeenten is gewerkt aan een modelbeleid WMO specifiekvoor sporthulpmiddelen. In 2025 span ik mij in om de eerste honderdgemeenten volgens dit modelbeleid de verstrekking van sporthulpmid-delen te gaan regelen. Op dit moment lopen gesprekken met deVereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) over samenwerking hierin.Op deze manier wordt de werkwijze rond de verstrekking vansporthulpmiddelen meer eenduidig.Eenzelfde werkwijze wil ik hanteren voor de Zorgverzekeringswet.Hiervoor is een specificatie van de regelgeving in de maak. Hierdoorwordt het voor mensen met een handicap duidelijk waarom eenaanvraag wordt toe- of afgewezen. De specificatie voor zorgverzeke-raars met betrekking tot sporthulpmiddelen wordt opgenomen in eenkwaliteitsregister. Op basis hiervan kunt u van mij een communicatie-plan verwachten om zorgverzekeraars te informeren over de werkwijzerondom sporthulpmiddelen.De komende tijd zal ik onderzoeken hoe het proces rondom hetverstrekken van topsporthulpmiddelen verbeterd kan worden en breng31Kamerstukken II 2021/22, 30 234, nr. 296.32Kamerstukken II 2020/21, 30 234, nr. 270.33Kamerstukken II 2023/24, 30 234, nr. 394.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 39611 ik mogelijke oplossingsrichtingen in kaart. Zo weten mensen met eenhandicap precies bij wie zij aan moeten kloppen voor een sporthulp-middel. Conform de toezegging aan de Kamer34 informeer ik uwKamer hierbij jaarlijks over de ontwikkelingen rondom sporthulpmid-delen.•De huidige sportvervoersvoorziening wordt opgenomen in delandelijke Valys-regeling. Zo moet er één integrale vervoersvoorzieningkomen voor sporters met een handicap waarbinnen specifiek hetsportvervoer wordt afgestemd op de behoeften van de sporter.Hierdoor hoeft een sporter niet meer bij verschillende loketten eenaanvraag in te dienen om vervoer te regelen. Sporters met eenhandicap maken namelijk nu ook al vaak gebruik van het WMO-vervoer. Op deze manier wordt aangesloten bij onder andere hetVN-verdrag Handicap, dat voorschrijft om verschillende vormen vanvervoer gezamenlijk aan te besteden en het vervoer voor diversedoelgroepen zo veel mogelijk te combineren.3. Mensen in armoede meer laten sporten Zoals in de vorige paragraaf beschreven zijn verschillende groepenmensen in Nederland die achterblijven in sport en bewegen.Wat is het probleem?Van de mensen met de laagste inkomens sport 44 procent wekelijks.Onder mensen met de hoogste inkomens is dat 69 procent35. Ook dehogere inkomens en hoger opgeleiden voldoen vaker aan de beweegricht-lijnen dan de rest van de bevolking. De kloof in sport- en beweeggedrag ishardnekkig, en vooral ook te groot.Wat is mijn doel?Het komt nog te vaak voor dat de inhoud van je portemonnee bepaalt of jeaan sport kunt doen. Ook hier vind ik dat we een kloof moeten dichten.Het streven zou moeten zijn dat er geen verschil is in sport deelnamepercentages tussen inkomensgroepen. En mensen met een kleine beursnet zo vaak wekelijks sporten. In samenwerking met alle huidige enpotentiële partners wil ik ook deze kloof dichten.Ook bij deze kloof tussen rijk en arm ben ik van mening dat deze in achtjaar gedicht moet zijn. En dat betekent dat we in 2028, vier jaar van nu,een deelnamecijfer van 52 procent onder de groep met de laagsteinkomens moeten nastreven.Wat is het huidige beleid?Het beleid uit Sportakkoord II waarbij nadrukkelijk aandacht is voor hettoegankelijk maken van de sport heeft ook betrekking op de groepmensen met een lager inkomen.•Met een jaarlijks bedrag aan het Jeugdfonds Sport en Cultuur enVolwassenenfonds Sport en Cultuur draagt VWS bij aan het wegne-men van financiële drempels voor kinderen en volwassenen uitgezinnen die minder te besteden hebben. Deze subsidie zet ik voort enik ben voornemens om deze ondersteuning uit te breiden metmiddelen die specifiek gericht zijn op het ondersteunen van zwemles.Hiermee kom ik tegemoet aan de motie van het lid Mohandis36 die ook34TZ202306-290 (Kamerstuk 30 234, nr. 376).35Mulier Instituut (2024). Sport en zwemlesregelingen voor mensen met een laag inkomen.36Kamerstukken II 2023/24, 36 410 XVI, nr. 115.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 39612 vraagt om een verruiming van de sport- en cultuurfondsen naast hetkomen tot een verenigingsstrategie.•Naast de ondersteuning van het jeugd- en volwassenenfonds zoek ikook naar oplossingen om sport betaalbaar te houden voor iedereen.Dat is niet eenvoudig en vraagt een lange adem. Via het programmaMOOI in Beweging wordt onderzocht hoe sport voor iedereenbetaalbaar kan blijven. Met het onderzoeksproject «Wijk in beweging»worden samen met betrokkenen innovatieve oplossingen geïdentifi-ceerd, geïmplementeerd en geëvalueerd. De uitvoering vindt plaats inverschillende wijken (Slotermeer, Amsterdam; De Pierik, Zwolle;Didam, Montferland).Wat kunt u van mij verwachten?•Ik wil me specifiek richten op het verder verbeteren financiëletoegankelijkheid van sport. Hiermee streef ik ernaar om concreetbelemmeringen weg te nemen voor mensen die wel willen sporten enbewegen maar dat niet kunnen. Het gaat dan bijvoorbeeld om definanciële toegankelijkheid door directe ondersteuning aan mensen ofde betaalbaarheid van sport en bewegen te vergroten, maar ook deleefomgeving wordt hierin meegenomen.•Op basis van het toegezegde onderzoek37 naar financiële regelingenter ondersteuning van sporten voor mensen die minder te bestedenhebben, maak ik in samenwerking met de gemeenten en fondsen in2025 een plan om bestaande financiële regelingen te verduidelijken,waar mogelijk te bundelen en beter vindbaar te maken. De onderzoe-kers concluderen namelijk dat weliswaar veel regelingen beschikbaarzijn maar dat deze vaak lastig te vinden en moeilijk te begrijpen zijn.Bovendien zijn er grote verschillen – bijvoorbeeld in de voorwaardenof maximaal aan te vragen bedrag – tussen gemeenten. Voor mensenmet lage inkomens moet het duidelijk zijn waar zij beschikbareondersteuning kunnen vinden.•Ook verleng ik de projectfinanciering van de talentvoorziening zodattalentvolle sporters die het financieel lastig hebben, een steuntje in derug krijgen.•Tot slot heb ik een adviesaanvraag «Kansengelijkheid in sport enbewegen» aan NLsportraad gestuurd. De Raad start hier in 2025 mee.4. Sociaal veilige en eerlijke sport Om sport en bewegen vanzelfsprekend te laten zijn in Nederland is eenstevig fundament nodig: een veilige en integere sportsector. Eensportsector waarin iedereen veilig en met plezier kan sporten zonderangst voor intimidatie, discriminatie, misbruik of andere vormen vangrensoverschrijdend gedrag.Wat is het probleem?In 2022 maakte ruim een kwart (28%) van de Nederlandse sporters en/ofwedstrijdbezoekers van 12 jaar en ouder wangedrag mee in de sport of ishier getuige van geweest. Daarbij gaat het vooral om verbaal geweld,zoals schelden, pesten of treiteren (18%), gevolgd door vernieling ofvandalisme (10%).38Helaas komt discriminatie, net als in de samenleving, ook voor in hetbetaald voetbal en het amateurvoetbal. Het overgrote deel van destrafbare discriminatiefeiten met antisemitisme vindt plaats in het37Kamerstukken II 2023/24, 30 324, inbreng verslag van schriftelijk overleg.38RIVM (2024). www.sportenbewegenincijfers.nl.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 39613 voetbal.39 Er is in het voetbal meer bewustwording nodig voor antisemi-tisme, want antisemitische spreekkoren blijken een hardnekkig probleem.Vorig seizoen zijn twaalf antisemitische incidenten geregistreerd op eenbezoekersaantal van meer dan 200.000 per week.40 De impact op desamenleving is daarmee groot.Ook zijn er te veel meldingen van grensoverschrijdend gedrag zoalsseksuele intimidatie in de sport.41 De uitkomsten van het prevalentieon-derzoek «Grensoverschrijdend gedrag in de Nederlandse sport» doorI&O Research dateren van 2020. Er is uw Kamer toegezegd dit onderzoekom de vier jaar te herhalen. NOC*NSF zet momenteel een herhaalon-derzoek uit en de uitkomsten worden in 2025 verwacht.Wat is het huidige beleid?Samen met de strategische partners vanuit het Sportakkoord werk ik aaneen sociaal veilige sport voor zowel topsport als breedtesport, inclusief deondernemende sport. Zo zetten we in op een verenigingsbredegedragscode, de aanstelling van een vertrouwenscontactpersoon bij devereniging, meer aanvragen van een Verklaring Omtrent het Gedrag(VOG) en de ontwikkeling van vakkundig geschoolde trainers-coaches. Datvormt met elkaar de basiseisen voor een veilige sportomgeving. Sport-bonden worden door onder andere integriteitsmanagers ondersteund omgrensoverschrijdend gedrag tegen te gaan.•Racisme en discriminatie pakken we aan via de programma’s OnsVoetbal Is Van Iedereen 2 (OVIVI 2) en Onze Club Is Van Iedereen(OCIVI). Beide programma’s blijf ik ondersteunen. De campagneDiscriminatie = kansloos is daar onderdeel van en is op 25 september2024 van start gegaan. De campagne richt zich op de vraag hoe tehandelen als normen worden overschreden. Met de onlangs ver-stuurde strategie aanpak bestrijding antisemitisme42 zetten we alskabinet extra maatregelen in op uitingen van antisemitisme. Twee spe-cifieke maatregelen zijn opgesteld voor de sport, amateurvoetbal in hetbijzonder. Dit kabinet stelt vanaf 2026 jaarlijks extra middelenbeschikbaar voor amateurvoetbalclubs in het herkennen en tegengaanvan antisemitisme. Daarnaast zijn middelen beschikbaar voor eenterugkerende bewustwordings- campagne over de Holocaust enhedendaags antisemitisme in de gehele amateursport.•Samen met het Ministerie van OCW en de Alliantie Dans Veilig blijf ikmet overtuiging werken aan een veilige(re) en integere danssector.Naar aanleiding van aanbevelingen uit het onderzoek Schaduwdansenover misstanden in de danssector zijn onlangs een ethische commissieen een opvolgingscommissie ingesteld. Voor de ethische commissiezijn de leden volgens het instellingsbesluit benoemd. Het streven is omde benoeming voor de Opvolgingscommissie eind dit jaar af teronden. Zodra de Opvolgingscommissie is aangesteld en beidecommissies zijn gestart, wordt de Kamer geïnformeerd over eventueletussentijdse bevindingen, conform de toezegging43 aan de Kamer.Wat kunt u van mij verwachten?De sport speelt voor miljoenen Nederlanders een vormende rol. Met sportleer je niet alleen winnen en verliezen, doelen stellen en volgens de regels39Openbaar Ministerie (2023). Strafbare Discriminatie in Beeld 2023.40Ketenvoorziening Voetbal, 2023.41In 2019 beschikten het Centrum Veilige Sport Nederland en de sportbonden totaal over712 dossiers, dit was in 2022 gestegen naar 1.383.42Kamerstukken II 2023/24, 30 950, nr. 42943Kamerstukken II 2023/24, 30 234, nr. 394.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 39614 spelen, maar sport kan ook verrijken door meer (sociale) verbinding enplezier met elkaar. Zeker voor jongeren kan de sport een belangrijkopvoedingsmilieu zijn. En in die omgeving is geen ruimte voor grensover-schrijdend gedrag, sociale onveiligheid en uitsluiting. Door in te zetten opeen sociaal veilige en integere sport bewaak en versterk ik het vormendeen verrijkende karakter van de sector.•Volgend op de inspanningen van mijn voorganger en verzoeken vanuituw Kamer44 werk ik onverminderd aan ondersteuning van desportsector met een onafhankelijk integriteitscentrum sport op hetgebied van grensoverschrijdend gedrag, doping en wedstrijdmanipula-tie. Het huidig Centrum Veilige Sport NL (CVSN) wordt in dit centrumopgenomen en wordt daarmee dus onafhankelijk. Dit centrum krijgtwettelijke grondslagen en bevoegdheden om meldingen te verwerkenen opvolgingsadviezen te geven aan de sport. Ook krijgt het centrumeen preventietaak. In de memorie van toelichting op dit wetsvoorstelzal ik ook ingaan op de motie van het lid Westerveld c.s.45 die verzoekthet takenpakket van het nieuwe Centrum Veilige Sport Nederland uit tebreiden, zodat slachtoffers van grensoverschrijdend gedrag in desport- en danssector direct ondersteuning krijgen bij psychischeproblematiek of door het CVSN ondersteund worden bij het vindenvan een passende plek. In deze memorie van toelichting ga ik ook in opde motie van het Lid Heerema (VVD)46 die oproept tot een inzet diemogelijk maakt dat met de oprichting van het integriteitscentrum voorveilige sport de plegers van grensoverschrijdend gedrag niet meer inde sportsector kunnen werken.•De voorbereiding van het wetsvoorstel voor de oprichting, grondsla-gen en bevoegdheden van het integriteitscentrum, zal in verband metde beoogde zorgvuldigheid en afstemming meer tijd vergen danverwacht. Waar ik uw kamer had toegezegd ernaar te zullen streven deconsultatie van het wetsvoorstel nog dit jaar te hebben afgerond,verwacht ik nu het wetsvoorstel in het eerste kwartaal 2025 inconsultatie te kunnen brengen. Na consultatie zal het wetsvoorstel hetparlementaire proces doorlopen. Parallel aan dit wetgevingsprocesheb ik het voornemen een kwartiermaker aan te stellen die depraktische kant van de oprichting van het centrum zal voorbereiden.Sport en bewegen in beeldSinds 2014 geven de kernindicatoren Sport & Bewegen inzicht in de meestrelevante cijfers over het sport- en beweeggedrag in Nederland. Dedestijds vastgestelde twintig kernindicatoren zijn geëvalueerd. Vanuit hetNetwerk Kernindicatoren Sport en Bewegen adviseert het Rijksinstituutvoor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) om 25 kernindicatoren te gaangebruiken.47 Een aantal indicatoren wordt aangepast zodat deze de standvan sport en bewegen beter weergeven. Ik neem dit advies over en hebhet RIVM gevraagd om de dataverzameling rond de kernindicatorennamens het Ministerie van VWS te coördineren. RIVM publiceert dekernindicatoren op sportenbewegenincijfers.nl.Naast de kernindicatoren voor sport en bewegen, wordt via diversemonitors jaarlijks de ontwikkeling op de volgende beleidsterreinen inkaart gebracht:•Monitor Sportakkoord•Monitor Topsport in Nederland (TiN)•Voortgangsrapportage Actieplan Nederland Beweegt44Kamerstukken II 2021/22, 30 234, nr. 281 en Kamerstukken II 2021/22, 30 234, nr. 319.45Kamerstukken II 2023/24, 34 843, nr. 91.46Kamerstukken II 2023/24, 34 843, nr. 93.47RIVM (2024). Adviesrapport: vernieuwde set Kernindicatoren Sport en BewegenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 39615 •Monitor strategie Mensen met een handicapTot slotAan het begin van deze brief schreef ik dat nog niet iedereen kanprofiteren van de kracht van sport en bewegen. Vervolgens is per themauitgewerkt en toegelicht hoe mijn inzet waarde kan hebben voor iedereindividuele (potentiële) sporter. Ter afsluiting van deze brief zet ik ooknogmaals graag het licht op het feit dat we als maatschappij kunnenprofiteren van de kracht van sport.De sport is geen wondermiddel tegen alle ellende in de maatschappij,maar kan wel bijdragen aan oplossingen. Of het nu gaat om het prijswin-nende initiatief48 van statushouders die tot arbiter worden opgeleid omhet scheidsrechterstekort op te lossen voor AVV Zeeburgia of dat hetnieuwe sportveld op Sportpark Strijp in Eindhoven nu energie lévert aande wijk in plaats van verbruikt. U kunt van mij verwachten dat ik werk aaneen sterke sport- en beweegwereld. Daar heeft iedereen baat bij. Of je nusport, beweegt of daar nog aan moet beginnen.De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,V.P.G. Karremans48https://www.knvb.nl/nieuws/organisatie/maatschappelijke-projecten/69873/refugee-referees-wint-mvp-award-voor-diversiteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 30 234, nr. 39616

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 03d316bd215a7bce

14 okt 2026 · 2bde01271728d146

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.