KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag van een schriftelijk overleg over de voorhang ontwerpbesluit wijziging Mediabesluit 2008 in verband met de wijziging van het maximum aandeel televisiereclame en de verhoging van de maximum verenigingsreserve voor de landelijke publieke mediadienst (Kamerstuk 32827-324)

7 nov 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 5677cba06df2fe1e · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202532 827Toekomst mediabeleidNr. 328 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 7 november 2024 De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap over de brief van 24 september 2024 over devoorhang ontwerpbesluit wijziging Mediabesluit 2008 in verband met dewijziging van het maximum aandeel televisiereclame en de verhoging vande maximum verenigingsreserve voor de landelijke publieke mediadienst(Kamerstuk 32 827, nr. 324).De vragen en opmerkingen zijn op 16 oktober 2024 aan de Minister vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 6 november2024 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,BrometAdjunct-griffier van de commissie,Huls kst-32827-328ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3281 InhoudIVragen en opmerkingen uit de fracties2•Inbreng van de leden van de PVV-fractie2•Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie3•Inbreng van de leden van de VVD-fractie3•Inbreng van de leden van de NSC-fractie4•Inbreng van de leden van de BBB-fractie4•Inbreng van de leden van de CDA-fractie5IIReactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur enWetenschap6 I Vragen en opmerkingen uit de fracties Inbreng van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie danken de Minister voor de toegezondenstukken en hebben een aantal vragen met betrekking tot dit ontwerpbe-sluit.De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat er in2021 door toenmalig Minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs enMedia, de heer Slob, een wijziging is geweest in de Mediawet 2008 inverband met het percentage maximum aandeel televisiereclame op onzepublieke zenders. Zo lazen deze leden in die wijziging dat het juist debedoeling was om van tien procent af te bouwen naar uiteindelijk vijfprocent reclame en dat er per jaar geenafwijkingen plaats mochten vinden van meer dan één procent. Voor hetjaar 2024 werd dit percentage vastgesteld op zeven procent. Ditpercentage is conform de afspraken voor dat jaar met één procent extraverhoogd. Ook viel het de leden op dat voor het jaar 2025 dit percentageafgebouwd zou moeten worden naar zes procent.Echter, het viel de leden van de PVV-fractie ook op dat de Minister dezezes procent op acht procent wenst te houden. Dit wijkt uiteraard af van deafspraak dat het percentage aan reclame per jaar afneemt en dat dezemaar met minimaal één procent extra verhoogd mag worden wanneer erverlaagd wordt. Kan de Minister de afweging die hij heeft gemaakt om afte wijken van dit reeds vastgestelde beleid uitgebreid toelichten aan deKamer?Ook vragen de leden van de PVV-fractie of in aankomende jarenafgeweken blijft worden van dit reeds gemaakte beleid. Kan de Ministertoelichten of dit volgens hem een structurele afwijking blijft of dat er tochgehouden gaat worden aan de eerder genoemde afbouwpercentages?Mocht dit toch structureel worden, dan horen deze leden uiteraard graagwaarom er afgeweken wordt van de eerder vastgestelde reclamepercen-tages.De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan aangeven welkeopbrengsten worden verwacht uit het aanhouden van het reclameper-centage van acht procent.Verder vragen de leden van de PVV-fractie of de Minister ook uit heeftlaten zoeken wat voor impact deze extra Ster1-reclame heeft op decommerciële zenders. Zo nee, dan zouden deze leden uiteraard graaghoren waarom dat niet is gebeurd. Zo ja, dan horen zij graag wat de1Ster: Stichting Ether ReclameTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3282 uitkomst was van het onderzoek, alsook wat dan de motivatie van deMinister is geweest om te kiezen voor het behoud van deze acht procent.Inbreng van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van het ontwerpbesluit voor de wijziging van hetMediabesluit 2008 om het maximum aandeel televisiereclame en demaximum verenigingsreserve voor de landelijke publieke mediadienst tewijzigen. Deze leden constateren dat deze wijziging, het verruimen van demogelijkheid om méér reclameopbrengsten te genereren, is ingegevendoor een bezuiniging op de rijksmediabijdrage. Zij vragen of dit degeëigende route is om bezuinigingen door te voeren en vragen deMinister hierop in te gaan.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen de Minister om deconsequenties van dit voorstel nader uiteen te zetten. Deze leden vragenwat een ruimer reclameaandeel tot gevolg heeft voor het algemenekijkgedrag. Bezien vanuit belang van het bestaan van het publiekeomroepbestel, het voorzien in een betrouwbare nieuwsvoorziening en hetbieden van een forum voor aanbod dat commercieel minder interessant ismaar wel een publiek belang dient, valt te vrezen dat de reclameblokkenrond de populaire tv-programma’s disproportioneel langer worden, omdatandere tijdsloten voor commerciële partijen minder interessant zijn. Kande Minister hierop reflecteren? En valt er niet voor te vrezen dat uitein-delijk een aanbod ontstaat waarbij gesproken moet worden van eenreclame-onderbrekend programma-aanbod in plaats van het gewensteomgekeerde?Daarnaast vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie of deverlaging van de rijksmediabijdrage daadwerkelijk gecompenseerd zalkunnen worden door hogere reclame-inkomsten en of hier niet op z’nminst een waarborg moet worden geboden als die inkomsten uiteindelijkniet behaald kunnen worden.Tot slot vragen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hoe concreetgeregeld is dat commerciële belangen of optimalisering van reclame-inkomsten niet worden meegewogen in de inhoud van de program-mering. Volstaat de formele scheiding tussen de Ster en de publiekeomroep om een dergelijke ongewenste vermenging te voorkomen, zekernu de financiële belangen bij het genereren van extra reclame-inkomstentoenemen?Inbreng van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie danken de Minister voor de toegezondenstukken en hebben enkele vragen met betrekking tot dit ontwerpbesluit.De leden van de VVD-fractie vragen of het juist is dat een tijdlang hetbeleid was om de Ster-inkomsten naar de vijf procent toe te werken enhierop te houden. Kan de Minister de Kamer zijn afwegingen doentoekomen waarom hiervoor gekozen is?De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister de zorgen erkent bij deniet-belastinggeld gestuurde media wanneer de NPO2 zich bevindt op dereclamemarkt. Hoe gaat de Minister hiermee om en hoe wordt omgegaanmet het verschil van verdienvermogen tussen niet-belastinggeldgestuurde media en wel-belastinggeld gestuurde media?2NPO: Stichting Nederlandse Publieke OmroepTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3283 De leden van de VVD-fractie vragen wat de stand van zaken is rond deverkenning van het toestaan van Ster-reclames buiten de lineaire media.Kan de Minister aangeven of in de tussentijd geen onomkeerbare stappenworden gezet totdat de nieuwe Mediawet behandeld is?De leden van de VVD-fractie vragen of de Minister aanleiding heeft om tedenken dat hiermee de € 100 miljoen bezuiniging op de publieke omroep(deels) mee opgevangen kan worden. Kunt u het antwoord toelichten?Tot slot vragen de leden van de VVD-fractie de Minister of hij voornemensis de Ster-inkomsten nu op acht procent te houden of dat hij aanleidingheeft om te overwegen dat het in de toekomst wellicht nog een keerverhoogd dient te worden.Inbreng van de leden van de NSC-fractieHet oorspronkelijke doel van de stapsgewijze verlaging van het reclame-percentage was om de invloed van commerciële belangen op de publiekeomroep te beperken. Met de voorgestelde verhoging naar acht procentontstaat het risico dat deze invloed juist toeneemt. De leden van deNSC-fractie vragen daarom om een nadere toelichting van de Ministerhoe de onafhankelijkheid van de publieke omroep gewaarborgd blijftonder dit nieuwe regime. Het is van groot belang dat de publieke taak vande omroep niet in gevaar komt door commerciële druk.De verhoging van de maximale verenigingsreserve van € 750.000,- naar€ 1,5 miljoen wordt door de leden van de NSC-fractie ondersteund geziende veranderde financiële omstandigheden voor omroepverenigingen. Welvragen deze leden om bevestiging dat deze reserves uitsluitend wordenaangewend voor de publieke taak van de omroepen en niet voorcommerciële nevenactiviteiten die buiten de kerntaken van de omroepenvallen.Er is zorg over de afhankelijkheid van reclame-inkomsten als structureleoplossing voor de financiële problemen van de publieke omroep. Deleden van de NSC-fractie vragen de Minister daarom om binnen zesmaanden een toekomstbestendig plan te presenteren dat inzicht geeft inalternatieve financieringsmodellen voor de publieke omroep. Dit plan zoumoeten voorzien in mogelijkheden om de omroep te financieren zonderverdere verhoging van reclame-inkomsten. Daarnaast wordt gevraagd omte onderzoeken of opties zoals publiek-private samenwerkingen of eenherziening van de mediabijdrage tot de mogelijkheden behoren.Tot slot verzoeken de leden van de NSC-fractie de Minister om nader toete lichten hoe deze wijzigingen bijdragen aan een duurzame en onafhan-kelijke publieke omroep. Deze leden verzoeken de Minister dit mee tenemen in de plannen over de hervorming van de publieke omroep.Inbreng van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Voorhangontwerpbesluit wijziging Mediabesluit 2008 in verband met de wijzigingvan het maximum aandeel televisiereclame en de verhoging van demaximum verenigingsreserve voor de landelijke publieke mediadienst.Deze leden hebben hierbij vragen en opmerkingen.De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister kan toelichten waaromer, nu of bij de oorspronkelijke beslissing, geen impactassessmentgemaakt is van de gevolgen van dit besluit voor de positie van de anderemedia in de Nederlandse advertentiemarkt. Is de Minister bereid om ditTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3284 assessment alsnog uit te voeren? Zo ja, wanneer is dat gereed? En kan deMinister een toelichting geven indien hij hiertoe niet bereid is?Daarnaast verbaast het de leden van de BBB-fractie dat het, in het zichtvan aanstaande bezuinigingen, de NPO toegestaan wordt om via de Stermeer advertentie-inkomsten te genereren. Deze leden vragen de Ministerhoe hij gaat voorkomen dat de meeropbrengsten die NPO en de Ster gaanontvangen niet gebruikt gaan worden om een deel van de bezuiniging van€ 100 miljoen in de komende jaren op te vangen.De leden van de BBB-fractie constateren dat de hoeveelheid reclame-zendtijd op lineaire kanalen op acht procent blijft, waar de oorspronkelijkeinzet was om deze naar vijf procent terug te brengen. Deelt de Minister deopvatting dat hiermee sprake is van onvoorspelbaar en wisselend beleiddat impact heeft op andere Nederlandse partijen op de advertentiemarkt,waaronder commerciële radio en televisiestations en hun verdienkansen?Uit het ontwerpbesluit blijkt dat deze partijen daarover niet geconsulteerdzijn terwijl dit wel is gebeurd bij de publieke omroepen. Deze leden vragende Minister of inmiddels wel overleg met de commerciële omroepen overhet ontwerpbesluit heeft plaatsgevonden. Zo ja, tot welke inzichten leiddedat? Zo nee, wanneer is de Minister voornemens om dat alsnog te doen?En is de Minister bereid om de maatregel op te schorten tot dit overleg isgevoerd?De leden van de BBB-fractie vragen de Minister of hij de opvatting deeltdat betrouwbare media essentieel zijn in de strijd tegen desinformatie. Zoja, deelt de Minister de mening dat alle grote Nederlandse omroepenhierbij een positie vervullen, omdat alleen door al die omroepen samenalle Nederlanders bereikt kunnen worden?Daarnaast uiten de leden van de BBB-fractie hun zorgen over het feit datde Nederlandse advertentiemarkt krimpt en dat het overgrote deel van deopbrengsten wordt opgehaald door grote, internationale big tech-partijenwaarmee het geld uit Nederland weglekt en dus niet geherinvesteerdwordt in de Nederlandse mediamarkt en/of Nederlandse productiebe-drijven. Deelt de Minister de mening dat dit commerciële omroepenonevenredig hard raakt, omdat deze niet duaal gefinancierd worden?De leden van de BBB-fractie willen een meer integrale benadering waarbijmaatregelen worden getroffen die de Nederlandse media als geheelversterken en niet alleen de NPO. Deze leden vragen de Minister of hij zijnvisie hierop gedetailleerd kan toelichten aan de hand van de ideeën die hijhierover heeft. Tot slot vragen zij wat de visie is van de Minister op dewens van de NPO om op de online-advertentiemarkt actief te worden.Inbreng van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik omenkele verduidelijkende vragen te stellen over deze voorhang.De leden van de CDA-fractie zien dat het kabinet met deze voorhangvoornemens is de maximaal toegestane verenigingsreserve te verhogennaar € 1,5 miljoen. Dat is een verdubbeling. De achterliggende gedachtevoor de hoogte van de reserve is enerzijds achtergebleven indexering enanderzijds een schatting. Kan de Minister deze schatting verdertoelichten? Waarop is de schatting gebaseerd?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3285 De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan omschrijven wat hijeen gezonde financiële basis van een omroepvereniging vindt. Gaat deMinister evalueren of het verhogen van de verenigingsreserve tot hetgewenste resultaat leidt? Zo ja, wanneer vindt de evaluatie plaats?II Reactie van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap In dit schriftelijk overleg heeft uw vaste commissie voor Onderwijs,Cultuur en Wetenschap vragen gesteld naar aanleiding van mijn brief van24 september 2024 inzake de voorhang ontwerpbesluit wijziging Mediabe-sluit 2008 in verband met de wijziging van het maximum aandeeltelevisiereclame en de verhoging van de maximum verenigingsreservevoor de landelijke publieke mediadienst (Kamerstuk 32 827, nr. 324). Ikdank de leden voor de door hen gestelde vragen, waarop ik hieronderinga. Ik heb de beantwoording per onderwerp waar mogelijk samenge-voegd. Voordat ik de individuele vragen beantwoord hecht ik eraan eenaantal inleidende, algemene opmerkingen te maken.Het voorliggende besluit om de zendtijd voor reclame op de lineairekanalen op 8% te houden en niet verder af te bouwen komt voort uit debesluitvorming door het vorige kabinet bij de Voorjaarsnota 2023. Over ditbesluit is reeds gecommuniceerd in de Voorjaarsnota 2023 en in deMediabegrotingsbrief 2024 in november vorig jaar. Op dit late momentnog afwijken van dit besluit heeft negatieve gevolgen voor de financieringvan de landelijke publieke omroep en voor de Ster en adverteerders en isook vanuit het oogpunt van goed bestuur onwenselijk. Het betreft immersde financiering van 2025 en de verkoop van advertentieruimte voor 2025.Ik ben daarom niet bereid om af te zien van deze maatregel, maar ik zegwel toe om bij de toekomstige besluitvorming over reclame op delandelijke publieke omroep alle partijen te betrekken en daarover geenonomkeerbare besluiten te nemen totdat daarover in overleg met uwKamer is besloten. Het besluit staat ook los van de bezuiniging van € 100miljoen per 2027 waartoe door het huidige kabinet in het Hoofdlijnenak-koord is besloten.De leden van verschillende fracties vragen naar de afwegingen waaromervoor is gekozen om de voorgenomen afbouw niet door te zetten en hetpercentage via het voorliggende besluit vast te zetten op 8%.De reden om de voorgenomen afbouw naar 5% niet door te zetten maar inplaats daarvan het percentage op 8% te houden is de gewenste stabiliteitvan de financiering van de landelijke publieke omroep. Het vorige kabinetstond in 2023 voor een rijksbrede besparingsopgave. Die is deels ingevulddoor bij Voorjaarsnota 2023 te besluiten tot een korting op de rijksmedia-bijdrage van € 24,3 miljoen van 2025 tot en met 2028 en structureel € 13,4miljoen vanaf 2029. Het kabinet achtte het onverantwoord om hetminimumbudget van de landelijke publieke omroep naar beneden bij testellen en heeft er daarom voor gekozen om de afbouw niet door te zettenzodat de korting gecompenseerd kan worden. Die politieke keuze isdestijds aan de NPO en de omroepen gecommuniceerd. Vanuit behoorlijkbestuur kan ik daar niet van af wijken.De leden van de VVD-fractie vragen naar de afwegingen bij het voorge-nomen beleid om de ruimte voor reclame op de lineaire kanalen af tebouwen naar 5% van de beschikbare zendtijd en hierop te houden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3286 In de Visiebrief Toekomst publieke omroepbestel3 is afgesproken omreclame op de online en kanalen van de landelijke publieke omroep enreclame bij kinderprogrammering niet langer toe te staan en de toege-stane hoeveelheid reclame op de lineaire kanalen te halveren van 10% vande zendtijd naar 5%. De afwegingen daarbij waren de privacy van de kijkeren de stabiliteit en voorspelbaarheid van de financiering van de landelijkepublieke omroep. De financiële impact van een grotere stap in de afbouwvan reclame werd te groot geacht.De leden van de PVV-fractie vragen naar de gevolgen voor de afdracht vande Ster-inkomsten bij het percentage van 8%.Wanneer het percentage op 8% blijft verwacht de Ster in 2025 eenafdracht aan de mediabegroting van € 165,1 miljoen. Zonder aanpassingvan het Mediabesluit gaat het percentage zendtijd voor reclame in 2025naar 6% en in 2026 naar 5%. In dat geval verwacht de Ster een afdrachtvan € 149 miljoen in 2025 en van € 125 miljoen in 2026. Voor de finan-ciering van het minimumbudget van de landelijke publieke omroep is inde periode 2025 tot en met 2028 jaarlijks € 153,3 miljoen aan afdrachtnodig om de korting van € 24,3 miljoen op de rijksmediabijdrage tecompenseren.De leden van verschillende fracties vragen naar de toekomstplannen vanhet kabinet als het gaat de ruimte voor reclame op de landelijke publiekeomroep, bijvoorbeeld of het percentage nu structureel op 8% blijft en watde ideeën zijn over reclame op de online en on demand kanalen van deNPO.Er wordt steeds minder lineair televisie gekeken. Als gevolg daarvanzullen de opbrengsten van de reclame op de lineaire kanalen sowiesodalen. Dus los van het percentage toegestane zendtijd neemt deopbrengst af.In het kader van de voorgenomen hervorming van de landelijke publiekeomroep zal ik daarom voorstellen doen voor de ruimte voor reclame opde NPO-kanalen op de langere termijn. Daarbij ga ik alle belangenmeewegen: het belang van de landelijke publieke omroep, maar nadruk-kelijk ook de belangen van de commerciële mediapartijen. Daarbij spelenook nog de belangen van de adverteerders die baat hebben bij adverten-tieruimte bij zowel publieke als commerciële mediapartijen. Indien nodigzal ik hiervoor onderzoek laten uitvoeren, bijvoorbeeld in de vorm van eenimpactanalyse. Mede naar aanleiding van vragen van de leden van deBBB-fractie zeg ik toe dat ik deze voorstellen ga afstemmen met allebetrokken partijen. Ik ben niet bereid om de voorliggende maatregel uit testellen. Tot die tijd blijf ik bij het voornemen om het percentage reclame-zendtijd voor lineaire kanalen op 8% te houden. Ik zeg daarbij toe dat ikdaarnaast geen onomkeerbare stappen neem voordat daarover in overlegmet uw Kamer is besloten, zoals de leden van de VVD-fractie vragen.Als reactie op de vragen van de leden van de NSC-fractie zal ik bij mijnplannen voor de hervorming ook een reflectie op de verschillendefinancieringsmodellen en de mogelijkheden voor publiek-privatesamenwerking meenemen. Dit zal ik doen vanuit het perspectief vanduurzame financiering en onafhankelijkheid van de landelijke publiekeomroep.3Kamerstuk 32 827, nr. 157.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3287 De leden van de VVD-fractie en de leden van de BBB-fractie vragen verderof de opbrengst van deze maatregel gebruikt gaat worden voor deinvulling van de bezuiniging op de landelijke publieke omroep van € 100miljoen uit het Hoofdlijnenakkoord van het huidige kabinet.De aanleiding van deze maatregel betreft de verlaging van de rijksmedia-bijdrage van € 24,3 miljoen per 2025 uit de Voorjaarsnota 2023 en dewens om het minimumbudget op peil te houden. Dat staat los van debezuiniging van € 100 miljoen. Gezien het afnemende lineaire kijkgedragontstaat hiermee ook geen ruimte om de € 100 miljoen bezuiniging per2027 op te vangen. Bovendien worden de Ster-inkomsten afgedragen aande mediabegroting en niet rechtstreeks aan de NPO. Het is daarmee viahet budgetrecht altijd aan uw Kamer om te bepalen hoeveel budget er aande publieke omroep wordt toegekend, inclusief het aandeelSter-inkomsten. Uiteraard met inachtneming van de bepalingen in deMediawet over het minimumbudget van de publieke omroep.De leden van de BBB-fractie, de VVD-fractie en de fractie van de PVVvragen naar de impact van het voorgenomen besluit op de commerciëlezenders en naar de afstemming met deze partijen.Door het voorliggende besluit blijft het percentage toegestane zendtijdvoor reclame op de lineaire kanalen in 2025 8%. Dat is hetzelfdepercentage als in 2024. Naar het effect hiervan op de advertentiemarkt ende commerciële zenders is geen onderzoek gedaan en er is geenafstemming geweest met de commerciële partijen. Wel heb ik mede naaraanleiding van dit besluit met enkele commerciële partijen gesprokenover de toekomst van reclame op de publieke omroep. Zoals ik hierbovenheb toegezegd ga ik de mogelijke impact op de commerciële media-partijen bij mijn voorstellen over reclame in het kader van de hervormingvan de landelijke publieke omroep meewegen en ik zal deze voorstellenmet hen afstemmen.De leden van de BBB-fractie en de leden van de VVD-fractie vragennadrukkelijk aandacht voor de integrale benadering van de geheleNederlandse mediasector en voor het verschil in verdienvermogen tussencommerciële media en publiek gefinancierde media.Ik deel de mening van de leden van de BBB-fractie dat betrouwbare mediaessentieel zijn in de strijd tegen desinformatie en dat alle Nederlandseomroepen hier een verantwoordelijkheid hebben. Ik ben mij ervan bewustdat het verdienmodel van private media onder druk staat. Dit ligt echterniet aan de publieke omroep die reclame mag uitzenden. De positie vande publieke omroep op de reclamemarkt is immers relatief klein vanwegede beperkende bepalingen die voor de publieke omroep gelden. Deprivate omroepen en kranten hebben vooral een sterkere concurrent in degrote internationale mediaondernemingen en tech-platforms die eensteeds groter deel van de advertentiebestedingen naar zich toe trekken.Bovendien zien adverteerders de mogelijkheid om zowel via publieke alsprivate omroepen hun advertenties weg te zetten als aanvullend op elkaar.Het is onvermijdelijk dat de belangen van de publieke media en decommerciële media niet altijd overeenkomen. In plaats van te kijken naarde verschillen wil ik ook kijken waar sprake is van een gezamenlijk belang.Om een sterke Nederlandse mediasector te behouden ga ik bij devoorgenomen hervorming en mijn voorstellen voor reclame op delandelijke publieke omroep, onderzoeken welke mogelijkheden er zijn totmeer gezamenlijk optrekken op de advertentiemarkt tussen commerciëleen publieke omroepen. Ik wil voorkomen dat we maatregelen treffen dieeen averechts effect hebben waardoor bijvoorbeeld reclamebestedingenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3288 weglekken naar het buitenland en niet meer geïnvesteerd worden in deNederlandse mediasector.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en de leden van de NSC-fractievragen naar de effecten van de maatregel op kijkgedrag, programmeringen op de onafhankelijkheid van de landelijke publieke omroep vancommerciële invloeden. Daarnaast merken de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie op dat deze wijziging, het verruimen van de mogelijkheid omméér reclameopbrengsten te genereren, is ingegeven door een bezui-niging op de rijksmediabijdrage. Zij vragen of dit de geëigende route isom bezuinigingen door te voeren.Ik merk om te beginnen op dat er geen sprake is van een verruiming ofeen toename van de ruimte voor reclame op de landelijke publiekeomroep. Het percentage was tot en met 2021 10% en is verlaagd naar 8%.Het is nooit lager geweest dan 8%.Al vanaf 1965 vormen de reclameopbrengsten een bron van inkomsten inde mediabegroting. Hierdoor is meer financiering beschikbaar gekomenter dekking van de kosten van de publieke omroep. Financiering dieanders via een hogere omroepbijdrage (in het jaar 2000 is de omroepbij-drage afgeschaft) en een groter beslag op publieke middelen ten laste vanburgers zou komen. De Ster-gelden zijn, naast de rijksmediabijdrage, eenzelfstandige bron voor de financiering van het jaarlijkse budget van depublieke omroep. Deze systematiek van duale financiering draagt bij aaneen zo stabiel mogelijke financiering en zorgt er ook voor dat voldaan kanworden aan de eisen die de wet stelt aan de minimale omvang van hetjaarlijkse budget van de publieke omroep. De wetgever heeft beoogd omzorg te dragen voor een stabiele financiering van de publieke omroep,omdat het een essentieel instituut is binnen onze democratische rechts-staat.De reden om niet door te gaan op de route van verdere stapsgewijzeverlaging van het percentage reclamezendtijd is om ondanks de verlagingvan de rijksmediabijdrage per 2025 de minimale omvang van het jaarlijksebudget van de publieke omroep te garanderen.Ik ben het eens met de leden van de NSC-fractie en van de GroenLinks-PvdA- fractie dat medefinanciering uit reclamegelden er niet toe magleiden dat er geprogrammeerd wordt vanuit commerciële overwegingen.De programma’s zijn er niet voor de reclame-inkomsten maar andersom:de reclame-inkomsten zijn er voor de programma’s. De verkoop vanreclamezendtijd is om principiële reden daarom bewust buiten depublieke omroep geplaatst en ondergebracht bij de Ster. De NPO is nietverantwoordelijk voor de reclame-inkomsten, net zomin als dat de Sterverantwoordelijk is of invloed heeft op het programmeerbeleid. Ik acht ditnog steeds een belangrijke en effectieve waarborg tegen vercommerciali-sering van de publieke programmering. Daar voeg ik nog het volgendeaan toe. Reclamegelden gaan naar de Staat, niet naar de NPO. De Ministerbepaalt in samenspraak met het parlement via de begroting vervolgenswelk bedrag aan Ster-gelden uiteindelijk aan de landelijke publiekeomroep ten goede komt. De publieke omroep heeft dus geen zeggen-schap over de Ster-gelden. Verder is de publieke omroep gebonden aanstrenge regels over plaatsing van reclame. Er zijn niet alleen beperkenderegels over de maximale hoeveelheid reclame, zowel in totaliteit per jaarals per programmakanaal per dag. Er gelden ook beperkende regels overde plaatsing van reclame. Zo is programmaonderbrekende reclameverboden en gelden er restricties voor reclame rond kinderprogramma’s.Ook dit zijn waarborgen tegen commercieel programmeren. Al met al zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 3289 er dus belangrijke en effectieve waarborgen tegen vercommercialiseringvan de publieke programmering.Tot slot hebben de leden van de CDA-fractie en de leden van deNSC-fractie nog enkele vragen gesteld over het besluit om de maximaaltoegestane omvang van de verenigingsreserve te verhogen.De leden van de NSC-fractie vragen bevestiging dat deze reservesuitsluitend worden aangewend voor de publieke taak van de omroepen enniet voor commerciële nevenactiviteiten die buiten de kerntaken van deomroepen vallen.Dat kan ik bevestigen, de middelen uit de algemene reserve mogen alleenworden ingezet voor de kerntaken van de omroepen. In de Mediawet 2008artikel 2.174a, lid 1, is opgenomen dat omroepen netto-inkomsten uitcontributies en verenigingsactiviteiten mogen reserveren voor vereni-gingsactiviteiten. Het betreft een zeer beperkte categorie activiteiten, diein artikel 2.136, lid 2, en lid 3, gedefinieerd is als: activiteiten die redelij-kerwijs nodig zijn voor het goed functioneren van de omroepvereniging,activiteiten die gebruikelijk zijn voor het versterken van de band met deleden en activiteiten in de vorm van evenementen die ondersteunend zijnaan het uitdragen van de missie van de vereniging.De leden van de CDA-fractie zien dat het kabinet met deze voorhangvoornemens is de maximaal toegestane verenigingsreserve te verhogennaar € 1,5 miljoen. Dat is een verdubbeling. De achterliggende gedachtevoor de hoogte van de reserve is enerzijds achtergebleven indexering enanderzijds een schatting. Kan de Minister deze schatting verdertoelichten? Waarop is de schatting gebaseerd?Sinds de vaststelling van de Mediawet in 2008 is het maximum algemenereserve niet meer geïndexeerd. Het maximum van 2008 (€ 750.000) komtna indexatie met de CPI-percentages tot en met 2024 uit op € 1,1 miljoen.Het maximum van de toegestane verenigingsreserve geldt voor alleomroepen, terwijl niet alle omroepen een gelijke financiële situatiehebben. Daar moet bij het bepalen van het maximum rekening meeworden gehouden. Omroep MAX bijvoorbeeld heeft relatief veel eigeninkomsten uit verenigingsactiviteiten. Een gezonde financiële basis wordtonder meer aangeduid met de solvabiliteit (verhouding eigen vermogen/totaal vermogen). In zijn algemeenheid is de geldende norm voor eengoede solvabiliteit tussen 25 – 40. Met de verhoging naar € 1.500.000komen alle omroepen boven de ondergrens van 25 uit.De leden van de CDA-fractie vragen of de Minister kan omschrijven wat hijeen gezonde financiële basis van een omroepvereniging vindt. Gaat deMinister evalueren of het verhogen van de verenigingsreserve tot hetgewenste resultaat leidt? Zo ja, wanneer vindt de evaluatie plaats?Financiële gezondheid is gelinkt aan financiële balans en stabiliteit, hetvermogen om uitgaven en inkomsten te beheren. Een gezondeverhouding eigen vermogen ten opzichte van het totale vermogen draagthieraan bij. De vraag of het maximum toereikend is, is al onderdeel van degebruikelijke afstemming met de omroepen, onder andere aan de handvan de jaarlijkse rechtmatigheidstoetsing van de jaarrekeningen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 827, nr. 32810

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 2fd685867d44204f

14 okt 2026 · 7d054e30e9ba7736

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.