document · 11 mrt 2025 · Tweede Kamer
Memorie van toelichting zoals gewijzigd naar aanleiding van het advies van de Afdeling Advisering van de Raad van State
Brontekst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202536 381Voorstel van wet van de leden Boswijk enMutluer tot wijziging van het Wetboek vanStrafrecht en het Wetboek van Strafrecht BES inverband met het strafbaar stellen van hetopenbaar maken van beeldmateriaal vanslachtoffersNr. 6 MEMORIE VAN TOELICHTING ZOALS GEWIJZIGD NAARAANLEIDING VAN HET ADVIES VAN DE AFDELING ADVISERINGVAN DE RAAD VAN STATE I. ALGEMEEN 1. Inleiding In dit wetsvoorstel wordt de strafbaarstelling voorgesteld van het willensen wetens openbaar maken van beeldmateriaal van personen diedringend hulp behoeven of inmiddels zijn overleden. Het komt geregeldvoor dat omstanders foto’s of filmpjes maken van personen die zwaar-gewond zijn, vechten voor hun leven of die zelfs al gestorven zijn.Omstanders verkiezen in dat geval het pakken van hun telefoon om hetdrama te filmen boven het daadwerkelijk helpen van het slachtoffer of hetmet rust laten van werkende hulpverleners. De gemaakte beelden wordenvaak verder openbaar gemaakt en verspreid via sociale media, bijvoor-beeld op Facebook, X, TikTok, Instagram of Telegram. Het openbaarmaken van dergelijke beelden is een ernstige en strafwaardige inbreuk opde privacy en de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer, datbeschermd wordt door onder andere artikel 10 van de Grondwet, en heeftdaarnaast ook een enorme impact op de nabestaanden. Op het momentdat iemand slachtoffer is geworden van een ongeval of een misdrijf,verkeert deze persoon doorgaans in een toestand waarbij dringend hulpnodig is. Het is voor het slachtoffer zeer onwenselijk dat hiervan beeldenworden gemaakt die vervolgens zomaar online worden verspreid. Er zijnook zelfs situaties bekend dat de beelden van een slachtoffer al op hetinternet circuleerden voordat de naasten op de hoogte waren gesteld vande situatie. Hoe erg dat is, behoeft nauwelijks nadere uitleg. Eennormstelling met een afschrikwekkende strafbedreiging is daarom op zijnplaats, uitzonderingen in het belang van opsporing daargelaten. kst-36381-6ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 61 2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel 2.1 Aanleiding «Omstanders filmen reanimatie, politie woest: «Wat als dit jouw vader,moeder of kind was?»».1 «Politieagent hekelt gedrag omstanders diefilmen hoe slachtoffer ongeluk A28 voor zijn leven vecht: «Ga gewoonweg!»».2 «Politie: STOP met verspreiden van foto’s dodelijk slachtofferTilburg».3 «Ernstig ongeluk tot woede van politievakbond gefilmd: «Grofschandaal»».4 Woede om filmende omstanders bij dodelijk ongeval inNijmegen: «Het is pervers»5Het zijn tegenwoordig, helaas, bekende krantenkoppen. Na een dergelijknieuwsbericht gaat een golf van verontwaardiging door onze samen-leving. Zoiets zou toch niet moeten mogen? Wat bezielt deze mensen?Ook de politie laat geregeld van zich horen, zo ook nadat er beeldenwaren gemaakt van een 16-jarige jongen die in Almelo was omgekomen.«Wij verzoeken iedereen met klem te stoppen met het delen van dezefilmpjes en de beelden te verwijderen!», werd via sociale mediaopgeroepen door de politie. «Daarnaast worden de filmpjes ook gestuurdnaar mensen (ook naar veel kinderen blijkbaar) die ongewild geconfron-teerd worden met deze nare beelden», schreef de politie op Facebook.Eind januari 2023 werd een 14-jarige jongen meerdere keren in elkaargeslagen door een groep jongeren, waarna de beelden van die mishande-lingen via sociale media werden verspreid. De vader van de minderjarigejongen vertelde: «Het verspreiden van beelden is enorm vernederendvoor het slachtoffer en familie. Je «exposet» iemand, nagelt hem of haaraan de schandpaal. Het is ook bedreigend. Een signaal. «Kijk naar wat ermet hem is gebeurd. Dat kan ook met jou gebeuren». En het werkt voor dedaders statusverhogend.»6 Eind januari 2024 overleed een 20-jarigevrouw in Nijmegen na een aanrijding met een vuilniswagen, waarnaomstanders zelfs van dichtbij besloten het slachtoffer te filmen in plaatsvan te helpen of 112 te bellen: Filmers staan er vaak niet bij stil, welkeconsequenties hun beelden kunnen hebben. Die consequenties zijn groot,zegt woordvoerder Roy Heerkens van Slachtofferhulp Nederland.«Eigenlijk wordt iemand drie keer slachtoffer als je een ongeval filmt.Eerst ben je slachtoffer van het eigenlijke ongeval. Dan ben je extraslachtoffer als anderen dat zomaar gaan filmen. En als ze dan hun filmpjeergens plaatsen, word je nog een keer slachtoffer omdat allerlei mensener een mening over hebben.»7 Ook staan vers in iedereens geheugengegrift de beelden van de moordaanslag op misdaadjournalist Peter R. deVries, die in een razend tempo over het internet verspreid werden. Insommige gevallen kunnen mensen overigens door het maken en delenvan beelden van een strafbaar feit ook strafbaar zijn wegens het(mede)plegen van dat feit, zoals het geval was bij de moord op Peter R. deVries. Tegen twee verdachten heeft het Openbaar Ministerie 21 jaar celgeëist, omdat de zij beelden van het slachtoffer hebben gemaakt en dezehebben verspreid via sociale media. Het OM is mede omdat deze video isgemaakt en verspreid van oordeel dat er sprake was van een terroristisch1Algemeen Dagblad 31 januari 2020.2Dagblad van het Noorden 19 augustus 2022.3112Vandaag 31 mei 2022.4https://www.omroepbrabant.nl/nieuws/4436915/ernstig-ongeluk-tot-woede-van-politievakbond-gefilmd-grof-schandaal5https://www.gelderlander.nl/nijmegen/woede-om-filmende-omstanders-bij-dodelijk-ongeval-in-nijmegen-het-is-pervers~ab02a661/6De Telegraaf 9 mei 2023.7https://www.gelderlander.nl/nijmegen/woede-om-filmende-omstanders-bij-dodelijk-ongeval-in-nijmegen-het-is-pervers~ab02a661/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 62 oogmerk, waarbij het filmen en publiceren van de beelden als doelhadden om ernstige vrees aan de bevolking aan te jagen.8Tot vijftien jaar geleden liep vrijwel niemand met een smartphoneinclusief camera op straat. Tegenwoordig is dat vanzelfsprekend en kaniedereen vrij gemakkelijk een ongeluk of slachtoffer in beeld brengen. Datmaakt ook dat nieuwe uitdagingen zijn ontstaan rondom de (beschermingvan de) privacy en persoonlijke levenssfeer van personen. Vroeger hadeen journalist zo goed als een monopolie op het maken van bewegendbeeld bij een calamiteit, maar tijden zijn veranderd door de digitaliseringen door de opkomst van sociale media. Hoewel ook professionalsdiscutabele keuzes kunnen maken, zijn zij tenminste nog gehouden aan deCode voor journalistiek. In dit verband zijn met name de artikelen 18 tot enmet 22 van deze Code relevant, die gaan over het beschermen van deprivacy van personen.Het openbaar maken van beeldmateriaal van iemand die dringend hulpbehoeft, is een daadwerkelijke inbreuk op de menselijke waardigheid vanhet slachtoffer. Op dat moment kan de persoon zelf niet (meer) aangevenof hij of zij het wenselijk vindt dat er beelden worden gemaakt en ook nogeens openbaar worden gemaakt. En toch gebeurt het. Iemands recht opbescherming van de privacy en persoonlijke levenssfeer wordt op eendergelijk moment met voeten getreden. Dit besef leeft helaas nog teweinig bij de omstanders die de beelden openbaar maken door hetbijvoorbeeld online te delen, waarbij de sensatiezucht het wint vanmoraal. Het openbaar maken van de beelden van slachtoffers in eenhulpeloze toestand omwille van sensatiezucht, is strafrechtelijkverwijtbaar. Het leed voor familie en/of nabestaanden is al zo groot, en datwordt nog verder vergroot door sensatiezoekers die het beeldmateriaaldelen op sociale media. Ook druist het in tegen de menselijke waardigheiddie beschermd wordt conform artikel 1 van Handvest van de grondrechtenvan de Europese Unie (hierna: EU-Handvest).9In bepaalde gevallen kan het beeldmateriaal overigens wel nuttig blijken.Bijvoorbeeld wanneer iemand slachtoffer is geworden van een geweld-dadige overval en omstanders beelden hebben gemaakt die kunnenleiden naar de dader en/of die de politie verder kunnen helpen in hetopsporingsonderzoek. Met die wetenschap kan gesteld worden dat deonaanvaardbare inbreuk op het recht op privacy vooral ontstaat wanneerde beelden zonder gerechtvaardigd doel worden gemaakt en verspreid.Bovendien is het ook denkbaar dat omstanders bijvoorbeeld bij eengroepsmishandeling niet kunnen of durven in te grijpen, maar er wel inslagen door middel van het maken van foto’s of video’s bewijs te vergarenom de daders te kunnen opsporen. En deze beelden vervolgens wordengedeeld met de politie. Het filmen en het openbaar maken van de beeldenkan dus onder bijzondere omstandigheden een legitiem doel dienen.2.2 De noodzaak van strafbaarstelling Hoewel gelukkig niet elke omstander besluit een slachtoffer te filmen ende beelden openbaar te maken in plaats van te helpen, is het wel duidelijkdat dit probleem breed leeft in de samenleving. Maar op het gebied vanwet- en regelgeving bestaan op dit moment (te) weinig opties om iemanddie beelden van een persoon die dringend hulp behoeft openbaar maakt,8https://www.om.nl/actueel/nieuws/2024/01/31/drie-keer-levenslang-geeist-in-moordzaak-peter-r.-de-vries#:~:text=Moordmakelaar%20en%20filmers&text=Ook%20tegen%20hem%20eiste%20het,het%20OM%2021%20jaar%20cel.9Art. 1 EU Handvest luidt: De menselijke waardigheid is onschendbaar. Zij moet wordengeëerbiedigd en beschermd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 63 te sanctioneren. Dit zal in het navolgende blijken met behulp van eenaantal concrete voorbeelden.Allereerst bestaat de mogelijkheid dat een automobilist die tijdens hetrijden zichtbaar zijn telefoon gebruikt, beboet wordt. Dit komt in depraktijk regelmatig voor. In maart 2020 werden bijvoorbeeld in totaal 25boetes uitgedeeld aan filmende verkeersdeelnemers die een dodelijkongeluk filmden. De politie heeft in de nasleep van een verkeersongelukop de A12 verschillende boetes uitgedeeld aan voorbijgangers die methun telefoon het ongeval filmden.10 Deze strafbaarstelling ziet aldusconcreet op het tegengaan van telefoongebruik achter het stuur. Hetopenbaar maken van beelden van slachtoffers wordt hiermee nietbestraft. In het geval dat sprake is van een verkeersongeluk, heeft depolitie een extra instrument in handen in de vorm van artikel 5 Wegenver-keerswet: Het is een ieder verboden zich zodanig te gedragen dat gevaarop de weg wordt veroorzaakt of kan worden veroorzaakt of dat het verkeerop de weg wordt gehinderd of kan worden gehinderd. De grondslag vandit artikel is echter niet de bescherming van de privacy of de persoonlijkelevenssfeer van het slachtoffer, maar het (mogelijke) gevaar of de hinderop de weg die veroorzaakt wordt door de filmende omstanders. Het artikelis dus wederom niet gericht op het openbaar maken van beelden vanslachtoffers. Daarnaast beperkt het zich tot verkeerssituaties waarbij ooksprake moet zijn van gevaar of hinder als gevolg van het vervaardigen vande beelden. Duidelijk is dus dat ook deze strafwetgeving geen uitkomstbiedt.Ten tweede kan in bepaalde gevallen achteraf geprobeerd worden om eeninbreuk op de privacy te herstellen. Een gebruikelijke weg hiervoor isartikel 21 van de Auteurswet: Is een portret vervaardigd zonder daartoestrekkende opdracht, den maker door of vanwege den geportretteerde, ofte diens behoeve, gegeven, dan is openbaarmaking daarvan doordengene, wien het auteursrecht daarop toekomt, niet geoorloofd, voorzoover een redelijk belang van den geportretteerde of, na zijn overlijden,van een zijner nabestaanden zich tegen de openbaarmaking verzet. Ditartikel voldoet echter niet, omdat de reikwijdte beperkt is tot een portretvan de persoon. Een portret omvat zowel het gelaat-criterium als eenafbeelding waarop de geportretteerde herkenbaar moet zijn. Maarongeacht of iemands gelaat in beeld is of iemand direct herkenbaar is;beelden van jezelf of een dierbare terugzien in een ernstige situatie zalvoor extra pijn en leed zorgen. Het slachtoffer wordt op die manier nogeen keer slachtoffer. De voorgestelde strafbaarstelling kan de meerwaardevan de Auteurswet overigens juist bevestigen, nu tot uitdrukking wordtgebracht dat de privacy van het slachtoffer speciale bescherming behoeftevanwege de kwetsbare positie. Hierbij onderscheidt de voorgesteldestrafbaarstelling zich van de privacybescherming van de Auteurswet.Daarnaast zijn in het Wetboek van Strafrecht (Sr) enkele artikelenopgenomen die zien op het vervaardigen, dus het maken, van beeldenvan anderen. Bijvoorbeeld artikel 441b Sr: Met hechtenis van ten hoogstetwee maanden of geldboete van de derde categorie wordt gestraft hij die,gebruik makende van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddelwaarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, vaneen persoon, aanwezig op een voor het publiek toegankelijke plaats,wederrechtelijk een afbeelding vervaardigt. Dit artikel stelt echter alleenhet wederrechtelijk vervaardigen van een afbeelding met een technischhulpmiddel dat niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, strafbaar.Deze strafbaarstelling biedt dus geen soelaas voor omstanders dieslachtoffers van een ongeluk of strafbaar feit, zoals een groepsmishan-10RTV Utrecht 30 januari 2023.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 64 deling, in beeld brengen en deze beelden openbaar maken, omdat dit inhet open zicht plaatsvindt en dus niet heimelijk gebeurt. Bovendien moetvoor de strafbaarheid in de zin van artikel 441b Sr sprake zijn van degebruikmaking van een daartoe aangebracht technisch hulpmiddel.Daarvan is doorgaans geen sprake wanneer van een slachtoffer ofoverledene beelden (openbaar) worden gemaakt door een omstander.2.3 Overwogen alternatieven Het openbaar maken van beelden van slachtoffers is geen typischNederlands verschijnsel; ook andere landen worden ermee geconfron-teerd. Maar dat het regelmatig voorkomt, betekent niet dat de samen-leving het ermee eens is dat beelden openbaar worden gemaakt. Er iszelfs veel verontwaardiging over. Al in 2018 deed het Rode Kruis eenenquête, waarbij 88% van de respondenten van mening was dat hetfilmen van een ongeluk echt niet kan.11 Initiatiefnemers zijn van meningdat, parallel aan bewustwordingscampagnes, meer gedaan moet en kanworden om dit probleem uit onze samenleving te verbannen. Ook is hetbelangrijk dat mensen elkaar erop blijven aanspreken en corrigeren.Preventie is via bewustwordingscampagnes belangrijk, maar niet genoeg.Het openbaar maken van beelden van personen die dringend hulpbehoeven voor likes, aandacht en sensatie, is voor initiatiefnemers eenonacceptabele realiteit. Daarnaast heeft de Federatie NabestaandenGeweldsslachtoffers (FNG) in 2024 een petitie gestart waarbij opgeroepenwordt om het delen van filmpjes van slachtoffers strafbaar te stellen. Ookzijn er talloze oproepen vanuit de politie en andere organisaties gedaandat niet effectief gehandhaafd kan worden op de verwerpelijke enschrijnende gevallen waarin omstanders besluiten een slachtoffer tefilmen en dit online te zetten.Hoewel het in Nederland niet wettelijk geregeld is, zijn andere Europeselidstaten hier verder mee. Met name Duitsland kent specifieke wetgevingop dit terrein. Op grond van artikel 201a van het Duitse Wetboek vanStrafrecht is een persoon strafbaar als diegene een beeldopname maaktwaaruit de hulpeloosheid van een andere persoon blijkt, deze persoon debeeldopname vervolgens verspreidt en daardoor de persoonlijkelevenssfeer van die persoon schaadt. De strafmaat die hierbij wordtgesteld, is maximaal twee jaar gevangenisstraf of een geldboete vanmaximaal € 1.000.Initiatiefnemers hebben zich laten inspireren door deze wetgeving. Hetwetsartikel in Duitsland is duidelijk gestoeld op de bescherming van depersoon die in hulpeloze toestand verkeert. Een dergelijke norm- enstrafbaarstelling ligt ook in Nederland in de rede. Daarmee komt het nietalleen tegemoet aan een breed gedeeld gevoel in de samenleving, maaronderstreept het ook het recht op privacy en de persoonlijke levenssfeervan het slachtoffer en de naasten. De Duitse wet hanteert een systematiekwaarbij het vervaardigen van beeldmateriaal op zichzelf strafbaar is, maarop specifieke gronden een uitzonderingsgrond geldt. Het is volgensinitiatiefnemers een gerechtvaardigde vraag of het vervaardigen, dus hetmaken, van beelden van slachtoffers die dringend hulp behoeven ookstrafbaar zou moeten zijn. Het is voor initiatiefnemers een dilemma. Hetbijkomende feit dat beelden soms ook dienstbaar kunnen zijn aan deopsporing, heeft initiatiefnemers doen besluiten zich te beperken tot destrafbaarstelling van het openbaar maken van de beelden. Daarbijverdient het de benoeming dat de eerste persoon die het beeldmateriaal11Naast de aangehaalde enquête uit 2018 heeft het Rode Kruis geen andere (recente) enquêtesof onderzoeken verricht over dit specifieke onderwerp.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 65 openbaar maakt, in veel gevallen ook de persoon zal zijn die het slacht-offer heeft gefilmd.Daarnaast hebben initiatiefnemers ook overwogen om het verderverspreiden van beeldmateriaal van slachtoffers onder de strafbaarstellingte laten vallen, maar gezien de proportionaliteit en subsidiariteit van dezemaatregel, en daarnaast ook de (beperkte) mogelijkheden rondom dehandhaafbaarheid, hebben initiatiefnemers besloten om alleen hetopenbaar maken van de beelden strafbaar te stellen. Het verderverspreiden is tevens een laakbare handeling gezien het feit dat het eeninbreuk maakt op de privacy en persoonlijke levenssfeer van het slacht-offer, en de leefwereld van de nabestaanden. Ook kunnen op die manierveel mensen, zoals kinderen, online ongevraagd de beelden te zienkrijgen. Echter is de handhaafbaarheid bij het verder verspreiden dermatelastig gezien de omvang, dat hiervan af is gezien door initiatiefnemers.Het kan namelijk zijn dat een filmpje op een online platform staat, eniemand dit repost op zijn of haar account of liket waardoor de post eengroter bereik krijgt. Of dat iemand een filmpje ontvangt en deze verderverstuurt via een (besloten) groepsapp. Het is in dat geval enorm lastig tetraceren waar het filmpje precies vandaan komt en wie het exact allemaalheeft gedeeld. Om de uitvoerbaarheid, effectiviteit, proportionaliteit ensubsidiariteit van de voorgestelde strafbaarstelling te waarborgen,hebben initiatiefnemers aldus ervoor gekozen het verder verspreiden vande beelden niet strafbaar te stellen gezien de ruime reikwijdte. Op diemanier is de politie bij de opsporing niet de meeste tijd kwijt om teonderzoeken wie allemaal het filmpje heeft doorgestuurd, maar kan hetprobleem bij de kern worden aangepakt, namelijk bij de persoon die debeelden als eerste openbaar maakt.2.4 Inhoud wetsvoorstel Het onderhavig initiatiefwetsvoorstel biedt een oplossing voor de gevallenwaarin inbreuk wordt gemaakt op iemands recht op bescherming van depersoonlijke levenssfeer zoals neergelegd in artikel 10 van de Grondwet.In het huidige wettelijke kader is geen vervolging mogelijk voor dezespecifieke inbreuk. Om voldoende handvatten te bieden voor slachtoffersvan wie beelden zonder toestemming openbaar worden gemaakt en voorhet creëren van een duidelijke normstelling voor de openbaarmakers vanbeelden van personen die dringend hulp behoeven, creëert hetwetsvoorstel een nieuw artikel in het Wetboek van Strafrecht. De strekkingvan het nieuwe artikel is de strafbaarstelling van het opzettelijk openbaarmaken van beelden van iemand die dringend hulp behoeft of die dringendhulp behoefde en is overleden.Initiatiefnemers hebben bewust ervoor gekozen om het voorgesteldeartikel een onderdeel te laten zijn van de artikelen die bedoeld zijn terbescherming van de openbare orde, namelijk de artikelen in Boek II titel Vvan het Wetboek van Strafrecht en in Boek II Titel V van het Wetboek vanStrafrecht BES. De voorgestelde strafbaarstelling krijgt in het Wetboek vanStrafrecht BES aldus plaats in een soortgelijke titel als in het Wetboek vanStrafrecht, namelijk in de titel aangaande misdrijven tegen de openbareorde.Met de inwerkingtreding van de Wet Herwaardering StrafbaarstellingActuele Delictsvormen is een nieuw artikel 139h Wetboek van Strafrechtgeïntroduceerd:121.Met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van devierde categorie wordt gestraft:12Dit betreft het wetsartikel inzake de strafbaarstelling van wraakporno.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 66 a.Hij die opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon een afbeel-ding van seksuele aard vervaardigt;b.hij die de beschikking heeft over een afbeelding als bedoeld ondera terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze door ofals gevolg van een onder a strafbaar gestelde handeling isverkregen.2.Met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van devierde categorie wordt gestraft:a.hij die een afbeelding als bedoeld in het eerste lid, onder a,openbaar maakt terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoedendat deze door of als gevolg van een in het eerste lid, onder a,strafbaar gestelde handeling is verkregen;b.hij die van een persoon een afbeelding van seksuele aard openbaarmaakt, terwijl hij weet dat die openbaarmaking nadelig voor diepersoon kan zijn.Het gaat hierbij om het zonder toestemming vervaardigen van seksueelbeeldmateriaal, hierover beschikken en het openbaar maken hiervan(eerste lid en tweede lid, onder a). Daarnaast wordt het openbaar makenvan seksueel beeldmateriaal, in de wetenschap dat dit nadelig kan zijnvoor de afgebeelde persoon, strafbaar gesteld (tweede lid, onder b).Omdat de formulering van bepaalde begrippen in dit wetsartikel aansluitbij het door initiatiefnemers voorgestelde artikel, is ervoor gekozen om destrafbaarstelling van het openbaar maken van beeldmateriaal vanpersonen die dringend hulp behoeven of zijn overleden volgend opartikel 139h Sr in de wet op te nemen. De voorgestelde strafbaarstelling isweliswaar geen delict van seksuele aard, maar wel een openbareorde-delict dat ziet op de openbaarmaking van beeldmateriaal. Desystematiek van de wet leent zich er aldus voor om art. 139i Sr op devoorgestelde plek in het Wetboek van Strafrecht op te nemen.2.5 Toelichting bestanddelen artikel 139i, eerste lid, Wetboek vanStrafrecht De voorgestelde delictsomschrijving in artikel 139i, eerste lid, Wetboekvan Strafrecht bevat de volgende bestanddelen:•Opzettelijk;•Een afbeelding;•Openbaar maken;•Iemand die dringend hulp behoeft.2.5.1 Opzettelijk Met het bestanddeel «opzettelijk» wordt tot uitdrukking gebracht datsprake dient te zijn van het willens en wetens openbaar maken van debeelden van slachtoffers. Onder opzettelijk valt ook voorwaardelijk opzet.In het geval van dit initiatiefwetsvoorstel gaat het om het aanvaarden vande aanmerkelijke kans dat iemand door het openbaar maken van debeelden de privacy en de persoonlijke levenssfeer van iemand diedringend hulp behoeft, schendt. Het opzet van de pleger heeft gezien depositionering van het bestanddeel «opzettelijk» mede betrekking op deomstandigheid dat de afgebeelde persoon iemand is die dringend hulpbehoeft, hetgeen voor ieder redelijk denkend mens onder die omstandig-heden impliceert dat het slachtoffer dringend hulp behoeft.Het wetsvoorstel strekt ertoe om het openbaar maken van beeldmateriaalvan personen die dringend hulp behoeven of zijn overleden als zodanigstrafbaar te stellen. Hiermee wordt aangesloten bij de strafbaarstellingvan de openbaarmaking van seksueel beeldmateriaal in artikel 139h Sr.Tijdens de parlementaire behandeling is bij amendement (Kamerstukken IITweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 67 35 080, 2018/2019, nr. 21) het bestanddeel «met het oogmerk vanbenadeling van die persoon» vervangen door «terwijl hij weet dat dieopenbaarmaking nadelig voor die persoon kan zijn». De ondergrens voorstrafrechtelijke aansprakelijkheid ligt aldus eveneens bij (voorwaardelijk)opzet.2.5.2 Een afbeelding Met het bestanddeel «afbeelding» sluiten initiatiefnemers aan bij degebruikelijke terminologie in het Wetboek van Strafrecht, zoals eveneenswordt gebruikt in de artikelen 139f Sr en 139h Sr. Onder afbeeldingworden alle vormen van beeldmateriaal verstaan, zoals foto’s, videomate-riaal en livestreamingbeelden. Omdat het steeds normaler lijkt te wordenom livebeelden te streamen op bijvoorbeeld Facebook en Instagram, ishet van belang dat ook dit type beeldmateriaal onder de reikwijdte van destrafbepaling valt. Wat betreft de herkenbaarheid van de persoon op deafbeelding, gaat het over alle persoons- en omgevingskenmerken waaruitafgeleid kan worden over welk slachtoffer het gaat. Dit zal uit de contexten omstandigheden van het geval moeten blijken.2.5.3 Openbaar maken Middels het bestanddeel «openbaar maken» wordt aangesloten bijhetzelfde bestanddeel zoals aan de orde is in artikel 139h Wetboek vanStrafrecht. Hieronder valt blijkens de memorie van toelichting (Kamer-stukken II 35 080, 2018/19, nr. 3, p. 23) zowel het aan één als aan meerpersonen bekendmaken. Dit houdt derhalve in dat de dader zich wendt tothet publiek of tot iemand in het publiek, wat ook een kring van privéper-sonen kan inhouden. Van de dader moet gezegd kunnen worden dat hijmoet heeft willen openbaar maken. Hierbij wordt verondersteld dat deafbeeldingen voorafgaand aan de gedraging van de betrokkene nog nietopenbaar waren. In navolging op de antwoorden van de Minister vanJustitie en Veiligheid in de Nota naar aanleiding van het verslag (Kamer-stukken II 35 080 2018/19, nr. 7, p. 11) wordt onder «het moeten hebbenwillen openbaar maken» onder meer gerekend dat iemand de afbeeldingaan een groep toont. Het enkel tonen van de afbeelding aan één persoonzonder het met deze persoon te delen, zal in beginsel niet gelden alsopenbaar maken. Dat kan anders zijn wanneer de dader met de beeldenfysiek rondgaat en ze dus in letterlijke zin deelt.2.5.4 Iemand die dringend hulp behoeft Met het bestanddeel «iemand die dringend hulp behoeft» wordt deprivacy-schendende aard van het delict tot uitdrukking gebracht,waardoor de menselijke waardigheid in het geding komt. Er is sprake vaniemand die dringend hulp behoeft indien diegene zodanig in eenkwetsbare toestand verkeert, dat gevaar bestaat voor leven of gezondheid.Men zou hierbij kunnen spreken van een acute noodsituatie of acutehulpbehoevendheid. De dringende hulpbehoevendheid kan bijvoorbeeldhet gevolg zijn van een aandoening, een (verkeers)ongeval, een misdrijf ofeen ramp. Het begrip «iemand die dringend hulp behoeft» is anders danhet verkeren in «hulpeloze toestand», waar bijvoorbeeld in artikel 255Wetboek van Strafrecht over gesproken wordt. In het geval van hetverkeren in «hulpeloze toestand» is een inbreuk op iemands privacy nietnodig wil er sprake van strafbaarheid kunnen zijn. In het kader van hetonderhavig wetsvoorstel is het van belang dat ook sprake is van eeninbreuk op iemands privacy. Door de keuze voor het bestanddeel «iemanddie dringend hulp behoeft», is de strafbaarstelling van toepassing op hetopenbaar maken van beeldmateriaal waarop iemand te zien is die in eenzodanige kwetsbare toestand verkeert dat gevaar bestaat voor zijn of haarTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 68 leven of gezondheid. Ieder normaal, redelijk denkend mens begrijpt dathet afgebeelde slachtoffer dringend hulp behoeft gelet op de omstan-digheid zoals zichtbaar op de afbeelding. Wanneer bijvoorbeeld een autocompleet in de kreukels ligt, een slachtoffer bebloed op de grond ligt ofiemand zichtbaar ernstig letsel heeft waar dringend hulpverlening bijnodig is, wordt geacht dat het duidelijk genoeg is dat het slachtofferdringend hulp behoeft en het filmen ervan, en vervolgens openbaar temaken geen handeling is van toegevoegde waarde.2.6 Strafmaat Wat betreft de strafbedreiging, wordt gekozen voor maximaal één jaargevangenisstraf of een boete van de derde categorie.13 Dit is grotendeelsovereenkomstig de strafmaat van artikel 139h, eerste lid Sr, met dienverstande dat de boetecategorie door initiatiefnemers na de consultatie-ronde naar beneden is bijgesteld van de vierde naar de derde categorie.Er is niet gekozen voor de hogere strafmaat zoals in artikel 139h, tweedelid Sr, dus een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaar of eengeldboete van de vierde categorie, omdat het openbaar maken van eenafbeelding van seksuele aard «terwijl hij weet dat die openbaarmakingnadelig voor die persoon kan zijn», verwijtbaarder wordt geacht doorinitiatiefnemers en van een andere orde is.2.7 Artikel 139i, tweede lid, Wetboek van Strafrecht In het tweede lid is opgenomen dat met dezelfde straf wordt gestraft hijdie het misdrijf omschreven in het eerste lid in dezelfde omstandighedenpleegt ten aanzien van iemand die dringend hulp behoefde en isoverleden. Of het slachtoffer nog hulp behoeft of dat de hulp niet (meer)heeft kunnen baten, doet wat betreft initiatiefnemers niets af aan deprivacyschending, de schending van de persoonlijke levenssfeer en hetleed dat nabestaanden wordt aangedaan. Een parallel kan wordengetrokken met de artikelen 270 en 271 van het Wetboek van Strafrecht(smaadschrift tegen een overledene of de verspreiding van een voor eenoverledene smadelijk geschrift).Het beschermde belang is de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeervan een overledene. Deze persoonlijkheidsrechten werken immers na hetoverlijden door. Dit volgt met name uit een WODC-onderzoek uit 2022naar de strafbaarstelling van lijkschennis. De onderzoekers schrevenhierin:«Naast het recht op menselijke waardigheid, heeft de overledene recht opeerbiediging van het privéleven. Dit recht speelt een belangrijke rol bij debescherming van de genetische informatie die besloten ligt in hetlichaamsmateriaal. Maar ook in geval er foto’s van het overleden lichaamworden gemaakt kan het recht op eerbiediging van het privéleven, meerspecifiek het recht op privacy, in het gedrang komen. In deze gevallen zalsprake zijn van zowel objectieve als subjectieve bescherming van hetrecht op eerbieding van het privéleven.»142.8 Artikel 139i, derde lid, Wetboek van Strafrecht Artikel 139i, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht bevat een strafuit-sluitingsgrond voor degene die te goeder trouw heeft kunnen aannemendat het algemeen belang het openbaar maken van de beelden vereiste.Onder omstandigheden kan het openbaar maken van beeldmateriaal van13Een boete van de derde categorie bedraagt maximaal € 9.000.14WODC-onderzoek «Strafbaarstelling van lijkschennis», oktober 2022, p. 177.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 69 slachtoffers immers gerechtvaardigd zijn, zoals voor opsporingsdoel-einden. Hierbij wordt gewezen op de vrijheid van meningsuiting datvoortvloeit uit onder andere artikel 7 van de Grondwet en artikel 10 vanhet EVRM. Daarom is op degene die de beelden openbaar maakt, maarwel handelt in het algemeen belang, de strafuitsluitingsgrond vantoepassing. Dat is bijvoorbeeld het geval wanneer de intentie bij hetopenbaar maken van beelden is gericht op het bijdragen aan deopsporing van de dader. De strafbaarstelling belet daarmee journalisten,klokkenluiders en anderen niet om beelden in bepaalde situaties openbaarte maken, omdat er wellicht delicten mee kunnen worden opgelost ofomdat de strafbaarheid aan de hand van het beeldmateriaal kan wordenvastgesteld. Omdat het beroep van journalist niet duidelijk is afgebakend,is door initiatiefnemers bewust ervoor gekozen om deze beroepsgroepniet expliciet op te nemen in het wetsartikel. Ook anderen die niet zozeerals journalist te boek staan, zouden, op grond van het eerste lid vanartikel 139i van het Wetboek van Strafrecht, gerechtvaardigd beelden vanslachtoffers openbaar kunnen maken als het algemeen belang daarmeegediend is.Met de strafuitsluitingsgrond wordt bereikt dat bij de beslissing ofdaadwerkelijk vervolging wordt ingesteld en/of van strafbaarheid sprakeis, rekening moet worden gehouden met conflicterende belangen. Hierbijkan aan de ene kant het recht op vrije nieuwsgaring en aan de andere kanthet recht op bescherming van de privacy van slachtoffers aan de orde zijn.Wat betreft de formulering van het derde lid wordt aangesloten bij destrafuitsluitingsgrond van artikel 139g, tweede lid, Wetboek van Strafrechten artikel 273, tweede lid, Wetboek van Strafrecht.De term «te goeder trouw» is een term die doorgaans voorkomt in hetciviele recht en minder voorkomt in het strafrecht. Het is daarentegen nietongebruikelijk om deze term te hanteren in een strafrechtelijke bepaling.Als voorbeeld dient artikel 139g, tweede lid, Sr, waarin expliciet isopgenomen: Niet strafbaar is degene die te goeder trouw heeft kunnenaannemen dat het algemeen belang het verwerven, voorhanden hebben,ter beschikkingstellen, bekendmaken of gebruik van de gegevens, bedoeldin het eerste lid, vereiste. Een ander voorbeeld is de strafbaarstelling vansmaad in artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht, waarin isopgenomen: Noch smaad, noch smaadschrift bestaat voor zover de daderheeft gehandeld tot noodzakelijke verdediging, of te goeder trouw heeftkunnen aannemen dat het te last gelegde waar was en dat het algemeenbelang de telastlegging eiste.3. Verhouding tot hoger recht Op het moment dat zonder toestemming beelden openbaar wordengemaakt van iemand die dringend hulp behoeft, is sprake van een inbreukop iemands persoonlijke levenssfeer. Artikel 10 Grondwet en artikel 8EVRM beschermen dit recht op de persoonlijke levenssfeer, eveneens alsartikel 1 van het EU-Handvest (menselijke waardigheid), artikel 7(eerbiediging van het privéleven en het familie- en gezinsleven) en 8(bescherming van persoonsgegevens).De strafbaarstelling van het openbaar maken van beelden van slachtoffersimpliceert een beperking van de vrijheid van meningsuiting. De vrijheidvan meningsuiting wordt gewaarborgd in artikel 7 van de Grondwet en inartikel 10 van het EVRM. In artikel 7, derde lid, van de Grondwet komt aanbod dat censuur («voorafgaand verlof») wegens de inhoud van de uitingwordt verboden. De voorgestelde strafbaarstelling ziet juist op eenbevoegdheid voor de strafrechter achteraf, dus expliciet op de situatie vanhet openbaar maken van de beelden van een persoon die dringend hulpbehoeft nadat door een omstander is besloten het slachtoffer te filmen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 610 Van voorafgaand verlof in de zin van artikel 7, derde lid, van de Grondwetis derhalve geen sprake. Het filmen zelf, eveneens het verder verspreidenvan de beelden, vallen niet onder de voorgestelde strafbaarstelling.De handeling van het openbaar maken van de beelden zonder dat dit hetalgemeen belang dient, schaadt de privacy van het slachtoffer dusdanigdat een strafbaarstelling ingesteld moet worden. De impact van het onlinezetten van gevoelige beelden van een hulpbehoevend slachtoffer, kunnenzeer groot zijn voor zowel het slachtoffer als de naasten. Op het internetkunnen deze filmpjes continu blijven circuleren, met alle neveneffectenvan dien. Zo kan iemand steeds opnieuw slachtoffer worden. Een eerderebewustwordingscampagne en oproepen vanuit de politie, wijkagenten ende ACP hebben de afgelopen jaren niet geleid tot een maatschappelijkekentering in wat normaal gevonden wordt. Dit soort ramptoerisme moetworden tegengegaan met een strafbaarstelling, nu dringende oproepenvan onder andere de politie niet ertoe hebben geleid dat het fenomeenniet meer voorkomt. De filmer kan zelf de keuze maken om een filmpjevan een persoon die dringend hulp behoeft, allereerst niet te maken, maardaarnaast ook om die niet online te delen voor sensatiezucht of juist erbewust voor te kiezen om in het algemeen belang de beelden te delen metde opsporingsdiensten. Initiatiefnemers zien in dat het delen van debeelden met de opsporingsinstanties van belang kan zijn voor deopsporing, dus voor een strafbaarstelling voor het maken van beeldmate-riaal is niet gekozen.Op grond van artikel 10, eerste lid, van het EVRM heeft een ieder recht opvrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid om een mening tekoesteren, de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of teverstrekken en het recht op vrije nieuwsgaring, zonder inmenging vanenig openbaar gezag. Daar de uitoefening van deze vrijheden plichten enverantwoordelijkheden met zich brengt, kan zij worden onderworpen aanbepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij dewet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijkzijn in het kader van een zwaarwegend maatschappelijk belang, zoals hetvoorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten of de beschermingvan de goede naam of de rechten van anderen. Artikel 10, eerste lid,EVRM heeft ook betrekking op uitingen op het internet.De vrijheid van meningsuiting is overigens geen absoluut recht. Zoalshierboven aangegeven, kan dit grondrecht worden beperkt in het kadervan een zwaarwegend maatschappelijk belang en ieders verantwoorde-lijkheid voor de wet. Op grond van de jurisprudentie van het EHRM is eenbij de wet voorziene beperking van de vrijheid van meningsuiting niet instrijd met artikel 10 EVRM indien zij een gerechtvaardigd doel dient alsgenoemd in het tweede lid van deze verdragsbepaling en zij noodzakelijkis in een democratische samenleving, bij de beoordeling waarvan aan denationale autoriteiten een zekere beoordelingsmarge («margin ofappreciation») toekomt. De noodzaak tot de inzet van een bevoegdheidwaarmee dit recht kan worden beperkt, wordt medebepaald aan de handvan de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit.De eis dat de beperking bij wet is voorzien, houdt in dat de regelingdaarvan is opgenomen in het nationale recht («prescribed by law») en datdeze voor de burger voorzienbaar moet zijn. Dit brengt met zich mee datde regeling voldoende precies moet zijn geformuleerd en dat zijwaarborgen biedt tegen willekeurige inmenging door de overheid in hetpersoonlijke leven van de burger. Met het oog op deze eis kan wordenvooropgesteld dat de inmengingen in het privéleven welke bij destrafbaarstelling die tegen het openbaar maken van beelden vanslachtoffers kunnen worden ingezet, en de voorwaarden en waarborgenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 611 die daarbij aan de orde zijn, worden omschreven in de wet en in ditinitiatiefwetsvoorstel. Met de voorgestelde strafbaarstelling wordt eenmaatschappelijke norm gesteld waardoor het voor burgers duidelijk is datdeze gedragingen onacceptabel zijn en zij hun gedrag hierop kunnenafstemmen. De rechten van verdachten worden gewaarborgd door dewaarborgen die de strafrechtelijke procedure biedt. De beoordeling van destrafbaarheid van een verdachte en over de op te leggen straf ofmaatregel is voorbehouden aan het Openbaar Ministerie en de recht-spraak. Daarbij gelden de nodige waarborgen voor de verdachte, zoals deonschuldpresumptie, het recht op bijstand van een raadsman en demogelijkheid van het instellen van rechtsmiddelen tegen een veroor-delend vonnis. Aldus is voldaan aan de eis dat de wettelijke regelingvoldoende precies is en dat zij een zorgvuldige toepassing waarborgt.Voor de beoordeling of een beperking van de vrijheid van meningsuitingnoodzakelijk is in een democratische samenleving, is het van belang ofdaartoe een dringende maatschappelijke noodzaak («pressing socialneed») bestaat.15 In het onderhavige geval is die maatschappelijkenoodzaak gelegen in de ingrijpende gevolgen die het openbaar makenvan beelden van slachtoffers kan hebben op het persoonlijke leven van deslachtoffers en de nabestaanden. In de eerste plaats betreft dit eenrechtstreekse aantasting van de privacy van het slachtoffer of overledene.Een slachtoffer die dringend hulp behoeft, kan vaak geen weerwoordgeven aan de persoon die het slachtoffer filmt. Het openbaar maken vandie beelden kan een serieuze impact hebben op de naasten en/ofnabestaanden, die op het internet geconfronteerd worden met heftige ofschokkende beelden van hun dierbare. Met deze constateringen wordtvoldaan aan de eis van de noodzakelijkheid van een beperking van devrijheid van meningsuiting middels het voorgestelde artikel 139i Sr. Daarkomt bij kijken dat er wel sprake kan zijn van de strafuitsluitingsgrond vanart. 139i, derde lid Sr, wat een voorziening inhoudt als de openbaarmakingvan de afbeelding te goeder trouw plaatsvindt in het algemeen belang.Uit jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens(EHRM) blijkt dat de lidstaten een positieve verplichting hebben omburgers te beschermen tegen inbreuken op hun privéleven doormedeburgers. Omdat in de huidige tijd informatie en persoonlijkegegevens zeer gemakkelijk openbaar gemaakt kunnen worden, is het deste meer van belang dat iemands persoonlijke levenssfeer beschermdwordt. Conform jurisprudentie van het EHRM genieten bijdragen aan hetpubliek debat over het algemeen belang in het kader van artikel 10 EVRMveel bescherming. Publicaties die alleen maar gericht zijn op sensatie-zucht, zijn volgens het EHRM geen bijdragen aan het publiek debat.16Initiatiefnemers benadrukken dat het openbaar maken van beeldmateriaalvan slachtoffers geen algemeen belang dient, en is berust op sensatie-zucht, likes en aandacht. Daarmee is dit dus geen toevoeging aan hetpubliek debat en kan de bescherming van de rechten en privacy vananderen van artikel 10 EVRM zwaarder wegen dan de vrijheid vanmeningsuiting, uitzonderingen daargelaten. Dit geldt met name ook voor15EHRM 19 juni 2012, Kurier zeitungsverlag und druckerei Gmbh t. Oostenrijk (No. 2),nr. 1593/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0619JUD000159306, par. 50. Krone Verlag GmbH t. Oostenrijk,19 juni 2012, nr. 27306/07, ECLI:CE:ECHR:2012:0619JUD002730607, EHRC 2012/204, par. 53en 56.16EHRM 19 juni 2012, Kurier zeitungsverlag und druckerei Gmbh t. Oostenrijk (No. 2),nr. 1593/06, ECLI:CE:ECHR:2012:0619JUD000159306, par. 50. Krone Verlag GmbH t. Oostenrijk,19 juni 2012, nr. 27306/07, ECLI:CE:ECHR:2012:0619JUD002730607, EHRC 2012/204, par. 53en 56.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 612 de situatie waarin bij het online delen van schokkende gebeurtenis geenrekening is gehouden met de gevoelens van de naasten van een slacht-offer.174. Uitvoerings- en financiële consequenties De uitvoeringsconsequenties van dit wetsvoorstel zijn nader in beeldgebracht door middel van een uitvoeringanalyse van de geconsulteerdeinstanties. Initiatiefnemers verwachten met dit wetsvoorstel geen grotegevolgen voor de werkprocessen van de politie, het Openbaar Ministerieen de rechtspraak, anders dan dat het een realiteit is dat meer strafbaarhandelen naar het internet verplaatst. Vanzelfsprekend moet ook hieropworden gehandhaafd. Aan de ene kant zal de nieuwe strafbaarstelling inbeperkte mate meer capaciteit vergen, maar aan de andere kant helpt denieuwe strafbaarstelling de politie om in sommige gevallen efficiënter tekunnen handhaven. Naast meer mogelijkheden tot handhaven leidt destrafbaarstelling ook, niet op de laatste plaats, tot het voorkomen vanmaatschappelijk leed voor het slachtoffer en de naasten.Denkbaar en wenselijk is dat op het moment dat het wetsvoorstel vankracht is, gelijktijdig door het ministerie gestart wordt met jaarlijksebewustwordingscampagnes om bewustwording te creëren van deonwenselijkheid van het maken van beelden en bewustwording van destrafbaarheid van het openbaar maken van beelden van mensen diedringend hulp behoeven of zijn overleden.Met de digitalisering van onze samenleving is vanzelfsprekend een nieuwterrein ontstaan waar, net als in de fysieke wereld, op moet wordengehandhaafd. Denk bijvoorbeeld aan strafbare feiten zoals belediging,discriminatie, oplichting, bedreiging, zedendelicten en andere misdrijven.Ook onderhavige strafbaarstelling zal moeten worden gehandhaafd om denormstelling te bekrachtigen. Dat zal wellicht een uitdaging zijn, maar welmogelijk, nu het gaat om het openbaar maken van beelden en dus om dezichtbaarheid daarvan. Wraakporno is immers in die lijn ook strafbaargesteld en zal dezelfde uitdagingen kennen om tot een veroordeling tekomen. De handhavingscapaciteit op online-gebied zal vanzelfsprekend inbalans moeten worden gebracht met de strafbare feiten die online wordengepleegd. Daarnaast moet een beroep gedaan worden op de socialemediaplatformen om schadelijke content van dit kaliber te weren op hunplatforms en de verantwoordelijkheid te nemen om hier streng op toe tezien. De Digital Services Act (DSA) kan hierbij een helpende hand biedenals het gaat om de verantwoordelijkheid van de online platforms, dieverplicht zijn om strafbaar materiaal direct offline te halen en mee tewerken met de opsporingsdiensten als daartoe wordt verzocht. Daarmeekrijgt de politie een extra handvat om het verwerpelijke gedrag vanfilmende omstanders een halt toe te roepen. Ook mag in bepaaldegevallen de officier van justitie het bevel geven om ongewenst beeldmate-riaal offline te halen.5. Consultatie Over dit initiatiefwetsvoorstel zijn adviezen ontvangen van de Neder-landse Vereniging voor de Rechtspraak (NVvR), Slachtofferhulp Nederland(SHN), Fonds Slachtofferhulp (FS), de Nederlandse Orde van Advocaten(NOvA), de politie en het Openbaar Ministerie (OM). Via internetconsulta-tie.nl zijn daarnaast negen individuele, niet-openbare reacties ontvangen.Op basis van de individuele reacties hebben initiatiefnemers besloten om17EHRM 14 juni 2007, Hachette Filipacchi Associés t. Frankrijk, nr. 71111/01,ECLI:CE:ECHR:2007:0614JUD007111101.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 613 de strafmaat van het voorgestelde artikel 139i Sr te wijzigen naarmaximaal één jaar gevangenisstraf of een geldboete van de derdecategorie, in plaats van een geldboete van de vierde categorie. Hiermeeloopt de strafmaat in de pas bij de algehele systematiek van het Wetboekvan Strafrecht. Initiatiefnemers hebben echter besloten om naast hetopenbaar maken van beelden van slachtoffers die dringend hulpbehoeven, niet ook het filmen van die beelden strafbaar te stellen. Dereden hiervan is gelegen in het feit dat beelden ook dienstbaar kunnen zijnaan de opsporing van het mogelijke strafbare feit en de opsporing van dedader. Door het normstellende effect van een strafbaarstelling van hetmaken van beelden, denken initiatiefnemers voorts dat dit een averechtseffect zou kunnen hebben. Omstanders kunnen namelijk besluiten opvoorhand om niet te filmen, ook als eventueel beeldmateriaal bruikbaarkan zijn om daders te traceren of een misdrijf te reconstrueren. Hoewelinitiatiefnemers van mening zijn dat ook het vervaardigen van beeldenvanuit sensatiezucht onwenselijk en verwijtbaar is, hebben ze om dezeredenen niet gekozen voor de strafbaarstelling. Initiatiefnemers menenwel dat bij de evaluatie van dit wetsvoorstel, die na vijf jaar na deinwerkingtreding zal plaatsvinden, ook dit aspect dient te wordenmeegenomen, zodat dan kan worden besloten of een uitbreiding van ditartikel wenselijk is.De NVvR benadrukt dat het buiten kijf staat dat wat met deze strafbaar-stelling wordt beoogd, sympathiek is. Wel vraagt de NederlandseVereniging voor Rechtspraak (NVvR) zich af of dit wetsvoorstel in depraktijk een effectief middel zal blijken bij het terugdringen van hetongewenste gedrag. Het wetsvoorstel stelt immers niet het maken, maarhet verspreiden van de beelden strafbaar. Het probleem dat zich daarbijaandient volgens de NVvR, is dat ernstige ongevallen met slachtoffersnieuwswaardige feiten zijn, waarbij het inmiddels gebruik is geworden datbij de berichtgeving beelden worden gebruikt. Ook als dit wetsvoorstelzou worden ingevoerd, bestaat er een legale vraag naar beelden vanongevallen. De NVvR benadrukt dat de werking van de strafbaarstelling inhet wetsvoorstel wordt beperkt door het begrip «goede trouw», echter isdit een civielrechtelijk begrip. In de toelichting wordt niet nader uiteen-gezet waarom voor dit begrip is gekozen. De NVvR stelt voor om niet tekiezen voor een terminologie die verder niet voorkomt in het strafrecht.Daarnaast acht de NVvR ook een aantal andere begrippen uit hetwetsvoorstel niet duidelijk, zoals «afbeeldingen» en «algemeen belang»,en adviseert op dit punt de memorie van toelichting te verduidelijken. Almet al is het volgens de NVvR de vraag of dit wetsvoorstel in de praktijkzal bijdragen aan het oplossen van het volgens initiatiefnemers terechtgesignaleerde probleem. Naar aanleiding van het advies van de NVvRhebben initiatiefnemers de memorie van toelichting op verschillendepunten aangevuld en uitgebreid. Ook hebben initiatiefnemers in dememorie van toelichting de begrippen «te goeder trouw», «algemeenbelang» en «afbeeldingen» aangevuld conform het advies van de NVvR.De opmerking over het strafbaar stellen van het filmen van slachtoffers isniet overgenomen naar aanleiding van de hierboven genoemde redenen.Slachtofferhulp Nederland (SHN) heeft met bijzondere belangstellingkennisgenomen van het initiatiefwetsvoorstel. SHN stelt dat initiatief-nemers terecht benoemen dat handhaving een uitdaging zal zijn, maar hetbrengt volgens hen wel voordelen met zich mee. Ten eerste zal eenafschrikwekkende werking uitgaan van een verbod op filmen en tentweede is het eenvoudiger te handhaven als de politie ter plaatse isgekomen. Wel heeft SHN enkele kanttekeningen geplaatst bij hetinitiatiefwetsvoorstel. Ten eerste is SHN van mening dat de redenen omhet filmen zelf niet strafbaar te stellen niet geheel overtuigend zijn. Onderandere het argument dat filmen met de telefoon voor sommigen eenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 614 automatisme is, overtuigt niet. Ten tweede is SHN van mening dat het eenen ander ervoor te zeggen is om het wetsvoorstel aan te vullen met eenstrafbaarstelling van het filmen van slachtoffers, omdat dit ook eeninbreuk is op de privacy van het slachtoffer. Initiatiefnemers hebben omde eerdergenoemde redenen besloten om dit advies niet over te nemen.Hoewel initiatiefnemers de redenering van Slachtofferhulp Nederlandbegrijpen, hebben zij de voorkeur om de evaluatie van de onderhavigewetsbepaling af te wachten alvorens wordt besloten om naast hetopenbaar maken ook het filmen strafbaar te stellen. Wel hebben initiatief-nemers naar aanleiding van het advies van Slachtofferhulp Nederland dememorie van toelichting op verschillende punten uitgebreid en naderafgebakend.Fonds Slachtofferhulp (FS) geeft in het advies aan de voorkeur te hebbenom enkel het openbaar maken van de beelden van slachtoffers strafbaarte stellen en niet mede het maken ervan. FS trekt hierbij wel de handhaaf-baarheid van de strafbaarstelling in twijfel en is van mening dat het ertoekan leiden dat de geloofwaardigheid van de rechtspraak wordt aangetast.In dat kader doet FS de aanbeveling om in het wetsartikel op te nemen datook verdere verspreiding van dergelijke beelden strafbaar wordt gesteld.Naar aanleiding van het advies van Fonds Slachtofferhulp hebbeninitiatiefnemers de memorie van toelichting nader aangevuld enafgebakend. Zoals hierboven beschreven, hebben initiatiefnemers ervoorgekozen om het maken of verder verspreiden van de beelden vanslachtoffers die dringend hulp behoeven op dit moment niet strafbaar testellen.De Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) benadrukt dat hetwetsvoorstel raakt aan een botsing tussen het grondrecht op informatie-garing enerzijds en verschillende andere grondrechten anderzijds, maardat het recht op informatiegaring niet absoluut is. De NOvA geeft aan datten aanzien van de noodzakelijkheid van het wetsvoorstel onder andere devraag meespeelt of sprake is van een gedeelde sociale norm over hetbetreffende gedrag. De onderbouwing in de memorie van toelichting is opdit punt te summier volgens de NOvA. Daarnaast adviseert de NOvA omhet aspect dat strafbaarstelling van verspreiding van de beelden vanslachtoffers mogelijk is op basis van een nationale positieve verplichtingtot ingrijpen die uit het EVRM is af te leiden, op te nemen in de memorievan toelichting. De NOvA stelt tevens voor om het bestanddeel «weder-rechtelijk» toe te voegen aan de delictsomschrijving, omdat anders in eengeval waarin het slachtoffer zelf van mening is dat hij een ander belanggroter acht dan de bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer, hijzelfeen strafbaar feit begaat door goedkeuring te geven aan publicatie van debeelden. De NOvA adviseert ten slotte het begrip «afbeelding» nader af tebakenen, evenals de begrippen «dringend hulp behoeven» en «openbaarmaken». Overeenkomstig het advies van de NOvA hebben initiatief-nemers de memorie van toelichting op verschillende punten aangepast enaangevuld. Het bestanddeel wederrechtelijk is niet opgenomen in destrafbaarstelling. Dit zou een extra drempel vormen om tot strafbaarheidte komen, hetgeen onwenselijk wordt geacht door initiatiefnemers. Dewederrechtelijkheid van de gedraging ligt immers al in de strafbaarstellingals element besloten. Daarnaast zal in beginsel al het opzettelijk openbaarmaken van beeldmateriaal van slachtoffers die dringend hulp behoeveneen strafbare handeling opleveren. De strafrechtelijke aanpak is aldusgericht op situaties waarin iemand opzettelijk de privacy en de persoon-lijke levenssfeer van het slachtoffer schendt door het beeldmateriaalopenbaar te maken. Daarnaast hebben initiatiefnemers de memorie vantoelichting aangevuld met een nadere toelichting op het gebied van deinperking van de vrijheid van meningsuiting en de verhouding totEuropees recht en jurisprudentie van het EHRM.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 615 De politie acht het een sympathiek voorstel dat kan voorkomen datslachtoffers extra leed kunnen ondervinden. Wel ziet de politie een aantalmoeilijkheden in de opsporing, met name omdat vanwege de voorge-stelde strafmaat geen bevel tot voorlopige hechtenis kan wordengegeven, wat ontdekking buiten heterdaad lastig zou kunnen maken. Depolitie wijst op de mogelijkheid om aan het wetsvoorstel toe te voegendat het voorgestelde strafbare feit wordt toegevoegd aan art. 67, eerste lidSr zonder dat de strafmaat van de voorgestelde strafbepaling moetworden aangepast. Initiatiefnemers wijzen op het feit dat het openbaarmaken van beelden op sociale media, de verspreiding ervan voortduurtzolang de beelden online te vinden zijn. Hierbij is aldus sprake van eendirect herleidbaar delict van de persoon die de beelden als eersteopenbaar heeft gemaakt. Daarom is ontdekking hiervan altijd opheterdaad, omdat het gaat om de eerste openbaarmaking van de beelden.Het College van Procureurs-Generaal van het Openbaar Ministerieonderschrijft dat het omschreven gedrag leedtoevoegend en daarmeeonwenselijk kan zijn, en het dus in de reden ligt dat de ongerechtvaar-digde openbaarmaking van beelden van personen die dringend hulpbehoeven wordt tegengegaan. Wel vraagt het College zich af of dit soortongewenste maatschappelijke ontwikkelingen ook om een strafrechtelijkereactie vragen. Het College verzoekt aan initiatiefnemers daarom denoodzaak van de strafbaarstelling nader te onderbouwen door meerinformatie te geven over de ernst van het probleem. Ook verzoekt hetCollege een aanvullende toelichting over welke maatregelen al zijngenomen om de ongewenste openbaarmaking van de beelden op anderewijzen aan te pakken. Het College adviseert een nadere toelichting tegeven op wat wordt bedoeld met «degene die dringend hulp behoeft».Daarnaast adviseert het College het bestanddeel «wederrechtelijk» toe tevoegen aan de delictsomschrijving. De maximale gevangenisstraf voor devoorgestelde strafbaarstelling is volgens het College een passendstrafmaximum, maar heeft wel gevolgen voor de opsporing als hetbijvoorbeeld gaat over iemand met een anoniem profiel die de beeldenonline plaatst. Overeenkomstig het advies van het College hebbeninitiatiefnemers de memorie van toelichting verduidelijkt als het gaat omde noodzaak van de strafbaarstelling en het bestanddeel «degene diedringend hulp behoeft». Uitgelegd is waarom initiatiefnemers van meningzijn dat een strafrechtelijke norm gesteld moet worden. Initiatiefnemershebben daarnaast de memorie van toelichting aangevuld met een naderetoelichting op de noodzaak van de strafbaarstelling en alternatieven, enverduidelijkt op welke situaties de strafbaarstelling ziet. Ten slotte hebbeninitiatiefnemers in de memorie van toelichting aandacht besteed aan demogelijkheden tot handhaving van de strafbaarstelling en zijn initiatief-nemers ingegaan op de reden waarom niet is gekozen voor wederrechte-lijkheid als bestanddeel.II. ARTIKELSGEWIJS Artikel IMet dit artikel wordt voorgesteld om in Boek II, Titel V van het Wetboekvan Strafrecht, waarin misdrijven tegen de openbare orde zijnopgenomen, na artikel 139h van het Wetboek van Strafrecht een nieuwartikel 139i van het Wetboek van Strafrecht in te voegen. Dat artikelvoorziet in de strafbaarstelling van het openbaar maken van beeldmate-riaal van personen die dringend hulp behoeven of zijn overleden.De bestanddelen van de delictsomschrijving zijn reeds uitgebreidtoegelicht in paragraaf 2.5 van het algemeen deel van de toelichting.Strafbaar met een gevangenisstraf van één jaar of een boete van de derdeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 616 categorie, is degene die opzettelijk een afbeelding openbaar maakt (eerstelid) van iemand die dringend hulp behoeft, en degene die onder dezelfdeomstandigheden opzettelijk een afbeelding openbaar maakt van eenoverledene (tweede lid). Voor degene die te goeder trouw heeft kunnenaannemen dat openbaarmaking in het algemeen belang was, voorziet hetderde lid in een uitzondering op de strafbaarstelling. Hiermee wordtbeoogd een balans te vinden tussen art. 7 Grondwet en art. 10 EVRMenerzijds, en de privacy van het slachtoffer of overledene anderzijds. Ziehierover verder ook de paragrafen 2.8 en 3 van het algemeen deel van detoelichting.De formulering van (de bestanddelen van) het voorgestelde artikel 139iWetboek van Strafrecht, zoals «afbeelding» en «openbaar maken», sluit– zoals ook toegelicht in paragraaf 2.5 van het algemeen deel van detoelichting – in overwegende mate aan bij de overige bepalingen inBoek II, Titel V van het Wetboek van Strafrecht.De strafmaat sluit, zoals toegelicht in paragraaf 2.6 van het algemeen deelvan de toelichting, aan bij de strafmaat van artikel 139h, eerste lid, van hetWetboek van Strafrecht. Voor een toelichting op deze keuze zijn zij verderverwezen naar genoemde paragraaf.Artikel IIMet dit artikel wordt voorgesteld om de nieuwe strafbaarstelling indezelfde vorm in te voegen in het Wetboek van Strafrecht BES, als nieuwartikel 145f. De wettekst van het nieuwe artikel komt geheel overeen metde tekst uit het voorgestelde artikel 139i van het Wetboek van Strafrecht.Artikel IIIDit artikel bevat de evaluatiebepaling van het wetsvoorstel. Indien ditwetsvoorstel tot wet wordt verheven, stuurt Onze Minister van Justitie enVeiligheid binnen vijf jaar na de inwerkingtreding aan beide kamers vande Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effectendaarvan in de praktijk. In deze evaluatie zal de vraag centraal staan of dedoelstellingen zijn gerealiseerd. Ook wordt in deze evaluatie voorzien vaneen antwoord op de vraag of het strafbaar stellen van het filmen vanslachtoffers die dringend hulp behoeven, en dus niet alleen het openbaarmaken, ook geïmplementeerd zou moeten worden in het voorgesteldeartikel 139i Sr in het kader van de wenselijkheid en noodzakelijkheiddaarvan.Artikel IVDit artikel voorziet in de inwerkingtreding van de wet, die op een bijkoninklijk besluit te bepalen tijdstip geschiedt.BoswijkMutluerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 381, nr. 617
Versie d005ef22267a25d68e2108d8bbcda040076bd4fc0dbd1f13380ca0d07067e233 · Officiële bron.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.