KamerkringInloggen
Kamerbrief

Derde voortgangsbrief herijking handhavingsinstrumentarium

24 sep 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 79048b79c0249c64 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202517 050Misbruik en oneigenlijk gebruik op het gebiedvan belastingen, sociale zekerheid en subsidiesNr. 609 BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 24 september 2024«Er komt een recht op vergissen. Een enkele fout kan niet langer eenburger diep in de problemen duwen.» Zo geeft het kabinet in hetHoofdlijnenakkoord1 aan dat het wil werken aan het herstel vanvertrouwen tussen mensen en de overheid. Daarvoor is het nodig dat deoverheid anders gaat kijken naar mensen. Ook op het gebied vanhandhaving in de sociale zekerheid.In het rapport van de Parlementaire Enquêtecommissie Fraudebeleid enDienstverlening (PEFD)2 staat: «Een overheid die mensen niet ziet, raakthet vertrouwen kwijt.» Het is van belang dat de overheid mensen écht ziet.De overheid kan er niet vanuit gaan dat alle mensen zichzelf prima kunnenredden en alles begrijpen. Dat is geen realistisch mensbeeld. Een fout issnel gemaakt. Zeker in de sociale zekerheid. Daarom moet bij handhavingin de sociale zekerheid de menselijke blik centraal staan. Op dit momentheeft de uitvoering, mede aan de hand van jurisprudentie, een werkwijzegevonden die past bij deze visie op handhaven. Deze uitvoeringspraktijkneemt de hardheden in het stelsel voor een groot deel weg. Het iswenselijk om deze visie én uitvoeringspraktijk nu ook te vertalen in hetwettelijk handhavingsstelsel. Of anders gezegd: het handhavingsinstru-mentarium te herijken.Bij de herijking van het handhavingsstelsel zoek ik nadrukkelijk naareen balans. Zoals uitgedrukt in het rapport van de PEFD: «Pak echtefraude aan, maar sla niet door.» Het uitgangspunt is dat de meestemensen het juiste willen doen. Als mensen onbedoeld een foutmaken, moet de uitvoering de ruimte hebben om daar passend op tereageren. Maar vertrouwen moet niet doorslaan in naïviteit. Want1«Hoop, lef en trots», Hoofdlijnenakkoord 2024–2028 van PVV, VVD, NSC en BBB.2«Blind voor mens en recht», rapport parlementaire enquêtecommissie Fraudebestrijding enDienstverlening, februari 2024. kst-17050-609ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6091 het draagvlak voor de sociale zekerheid wordt niet alleen uitgeholddoor te harde handhaving, maar ook door het niet passend kunnenbestraffen van daadwerkelijk misbruik. Beide kanten van de medailleworden daarom meegenomen in de herijking.Handhaving is een breed begrip in het kader van de herijking. Het gaatniet alleen om de reactie op een overtreding. Ook preventie is onderdeelvan deze herijking. Want liever dan reageren als het is misgegaan, wil ikvergissingen en misbruik voorkomen. Door heldere regels, begrijpelijkecommunicatie en passende dienstverlening. En door misbruikbestendigewetgeving. Hiermee worden de nadelige gevolgen voor uitkeringsgerech-tigden en de overheid beperkt.Met de herijking stel ik een stelselwijziging voor op het gebied vanhandhaving en sanctionering en geef ik invulling aan het vergisrecht. Hetwettelijk stelsel zal beter aansluiten bij maatschappelijke visie, jurispru-dentie en uitvoeringspraktijk. In deze brief neem ik u graag mee in deontwikkelingen op alle onderdelen van de herijking van het handhavings-instrumentarium.LeeswijzerDe herijking is in 2020 gestart en uw Kamer heeft sindsdien al verschil-lende voortgangsbrieven ontvangen.3 In deze brief zet ik uiteen waar hettraject op dit moment staat en welke denkrichtingen ik nader uitwerk.Allereerst neem ik u mee in de samenhang tussen de herijking en eenaantal trajecten die daar inhoudelijk raakvlakken mee hebben. Vervolgensga ik in op de ontwikkelingen en gemaakte keuzes rondom het ontwerp-wetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid, en in het bijzonder op deuitwerking van het recht op vergissen als genoemd in het Hoofdlijnenak-koord. Ik informeer u ook over de ontwikkelingen op het gebied van depreventieve aanpak. Tot slot besteed ik aandacht aan de wijziging van deregeling die ziet op het invorderingsproces.Samenhang andere trajectenZoals in eerdere brieven is beschreven, vertoont de herijking van hethandhavingsinstrumentarium op verschillende punten overlap metandere trajecten. Zo werkt het kabinet in het programma Participatiewet inbalans4 onder meer aan de vereenvoudiging van de verplichtingen en deontwikkeling van vakmanschap. Deze ontwikkelingen sluiten aan bij dedoelstellingen van de herijking. Hetzelfde geldt voor het ontwerpwets-voorstel Wet versterking waarborgfunctie Awb5, waarin onder meer hetevenredigheidsbeginsel, het dienstbaarheidsbeginsel en de begrijpelijkemotivering van besluiten aan bod komen. En ook met de Vereenvoudi-gingsagenda sociale zekerheid6 wordt gewerkt aan vereenvoudiging vanhet stelsel. De verschillende trajecten overlappen op een aantal vlakkenmet elkaar. Zo draagt ieder traject bij aan het herstellen van vertrouwentussen de burger en overheid, en het meer centraal stellen van demenselijke maat. Maar elk traject kent een eigen reikwijdte, focus endoelgroep.De samenhang tussen deze trajecten wordt voortdurend bezien. Zo zorgenwe ervoor dat de wijzigingen die voortkomen uit de verschillende3Kamerstukken II, 17 050, nr. 596, Kamerstukken II, 17 050, nr. 601, Kamerstukken II, 17 050,nr. 603 en Kamerstukken II, 17 050, nr. 6054Kamerstukken II, 34 352, nr. 3065Algemene wet bestuursrecht6Kamerstukken II, 26 448, nr. 759Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6092 trajecten niet botsen, maar elkaar juist versterken in het gezamenlijke doelom te werken vanuit vertrouwen en de menselijke maat centraal te stellen.Hierbij is er ook aandacht voor de veranderopgave voor de uitvoering.Ontwerpwetsvoorstel Handhaving sociale zekerheidUitwerking regeerprogrammaIn het Hoofdlijnenakkoord staat dat een fout mensen niet in de problemenmoet brengen. Een uitwerking hiervan is een recht op vergissen. Aan dit«vergisrecht» wordt voor de sociale zekerheid invulling gegeven in hetontwerpwetsvoorstel. Hiermee geef ik het uitgangspunt van vertrouwenvorm. Vertrouwen dat de meeste mensen het juiste willen doen, terwijlhet wettelijk stelsel complex is. Hierdoor is een fout snel gemaakt. Op zo’nfout moet dan niet altijd automatisch een straf volgen.Frankrijk kent al een vergisrecht. Hierover heeft mijn voorganger ugeïnformeerd bij brief van 30 juni 2023. Het Franse vergisrecht kentevenwel een aantal nadelen. Zo kan er bijvoorbeeld slechts eenmaalaanspraak op worden gemaakt en vraagt het een actieve handelingvan de betrokkene. Daarom wordt de invulling van het Fransevergisrecht niet overgenomen, maar er is wel inspiratie uit gehaaldvoor de inkleding van dit onderwerp in het ontwerpwetsvoorstelHandhaving sociale zekerheid.Het voornemen is om het uitgangspunt van vertrouwen op verschillendemanieren in te kleden in het wetsvoorstel. Zo krijgen mensen een redelijketermijn om op eigen initiatief een vergissing te herstellen, zonder dat daareen straf op volgt. Daarnaast biedt het wetsvoorstel de mogelijkheid omvan sanctionering af te zien, als het bestuursorgaan van mening is dat eensanctie geen doel dient. Bijvoorbeeld omdat iemand zich in zo’n ingewik-kelde situatie bevindt, dat een sanctie de problemen alleen maar zalverergeren. Naast een uitbreiding van de mogelijkheid om af te zien vansanctionering, wordt ook de waarschuwingsbevoegdheid verbreed. Eenwaarschuwing biedt de mogelijkheid om iemand formeel te laten wetendat een verwijtbare overtreding is begaan, zonder dat daar een financiëlestraf aan verbonden is. Naast een schrikeffect, gaat de waarschuwing ookgepaard met voorlichting. Zo kan een waarschuwing bijdragen aan hetvoorkomen van toekomstige overtredingen.Ik merk nog op dat, behalve als er sprake is van dringende redenen, deuitkering wel wordt herzien naar de rechtmatige situatie. Dit is noodza-kelijk omdat de uitkeringshoogte ook doorwerkt naar andere terreinen,zoals toeslagen of gemeentelijke voorzieningen. Dit betekent dat een foutwel financiële gevolgen kan hebben, ook als deze niet bestraft wordt.Reacties op voorontwerpIn de zomer van 2023 is het ontwerpwetsvoorstel Handhaving socialezekerheid uitgezet voor internetconsultatie.7 In het najaar van datzelfdejaar hebben UWV, de SVB en de VNG uitvoeringstoetsen uitgevoerd. Ookhet Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) en de Raad voor de Recht-spraak hebben advies uitgebracht. Alle inbrengers ondersteunden de lijnom het handhavingsbeleid vorm te geven vanuit vertrouwen en demenselijke maat. Het voorstel werd daarin gezien als een stap in de goederichting. Ook het doel om passend handhaven in grotere mate mogelijk temaken werd breed ondersteund. Zorgen en kritiekpunten waren er ook.7https://www.internetconsultatie.nl/wethandhavingsocialezekerheid/b1Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6093 Uitvoerders gaven aan dat het voorstel nog de nodige aanpassingenbehoeft voordat het uitvoerbaar kan worden geacht.Ook de Raad voor de Rechtspraak had bedenkingen bij de opzet van hetwetsvoorstel en adviseerde om het voorstel in de huidige vorm niet in tedienen. In de bijlage onderaan deze brief is een korte samenvattingopgenomen van de reacties.Alle inbreng is de afgelopen maanden verwerkt in een nieuwe versie vanhet ontwerpwetsvoorstel. Bij de uitwerking van het voorstel stonden deeffecten op de burger, de uitvoering en het stelsel centraal.Inhoud wetsvoorstelMet het wetsvoorstel beoog ik een evenwichtig handhavingsstelsel tecreëren. Dat betekent dat er naast aandacht voor fouten, ook voldoendeaandacht moet zijn voor daadwerkelijk misbruik. Hiervoor worden in hetwetsvoorstel kaders gesteld, maar uiteindelijk is het aan de uitvoering omin een concreet geval te beslissen. Hieronder ga ik op hoofdlijnen in op debelangrijkste delen van het wetsvoorstel.Het uitgangspunt van het wetsvoorstel is dat op een fout niet automatischeen boete of maatregel8 moet volgen. De uitvoering krijgt de ruimte om afte wegen of een sanctie op zijn plaats is en zo ja, welke sanctie danevenredig is. Voor de uitlegbaarheid van de beslissing én voor deuniformiteit in het stelsel, wordt aan deze afweging richting gegeven meteen wettelijk afwegingskader. Er zijn gevallen waarin een boete weldegelijk de aangewezen reactie is, omdat aangenomen kan worden datmisbruik wordt gemaakt van een uitkering. Deze gevallen9 worden ookbenoemd in het wetsvoorstel. Verder wordt voorgesteld de onderwerpenterugvordering en kwijtschelding toe te voegen aan het wetsvoorstel.Deze onderdelen worden hierna toegelicht.Tot slot is, ten opzichte van de consultatieversie van het wetsvoorstel, hettoelichtingsgesprek komen te vervallen vanwege zwaarwegendebezwaren op het gebied van de uitvoering van een dergelijk gesprek. In deuitvoeringstoetsen werd geconcludeerd dat het niet zinvol is om in allegevallen een persoonlijk gesprek te voeren. De uitvoering wil dezeinschatting zelf kunnen maken. Om preventie wel een plaats te geven inhet wettelijk stelsel, onderzoek ik een verplichting voor bestuursorganenom de betrokkene, na constatering van een overtreding, te informerenover diens rechten en plichten. Het doel hiervan is om eventuele volgendefouten te voorkomen.Terugvordering en kwijtscheldingEen grote wijziging ten opzichte van de consultatieversie ziet op hetvoorstel om de onderwerpen terugvordering en kwijtschelding op tenemen in het wetsvoorstel. Eerder was slechts de beperking van deterugkijktermijn tot vijf jaar opgenomen, omdat de reikwijdte van hetwetsvoorstel oorspronkelijk beperkt was tot het proces van sanctieop-legging. Naar aanleiding van het advies van de Raad voor de Rechtspraak,wordt nu de mogelijkheid onderzocht om een aantal wijzigingen door tevoeren op het gebied van terugvordering en kwijtschelding. Daarbij wordt8Een boete kan worden opgelegd na een overtreding van de inlichtingenplicht. Een maatregel iseen (tijdelijke) korting op de uitkering. Een maatregel kan worden opgelegd na overtreding vaneen meewerkverplichting. Bijvoorbeeld de identificatieplicht die in alle socialezekerheidswettenzit.9Denk bijvoorbeeld aan een aanvraag met vervalste papieren, zwart werken, of overtredingenwaarbij sprake is van opzet of grove schuld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6094 nog specifiek aandacht besteed aan recente ontwikkelingen in derechtspraak, zoals de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van18 april 2024.10Deze uitspraak heeft de toepassing van de dringende redenen-uitzondering op het gebied van herziening en terugvordering verruimd.11De (beleids)ruimte die is ontstaan met deze uitspraak wil ik behouden. Devolgende twee voorstellen worden nog in dat licht bezien.Ten aanzien van terugvordering overweeg ik twee wijzigingen. De eerstewijziging heeft betrekking op fouten van de overheid. Op dit momentschrijft de wet voor dat ten onrechte ontvangen uitkering altijd terugge-vorderd moet worden, tenzij sprake is van dringende redenen. In dieafweging speelt mee of de terugvordering het gevolg is van een fout vande overheid. Het voorstel is om de factor «fout van het bestuursorgaan»een bestendige plaats te geven in het wettelijk kader. Hierbij is hetrelevant of het voor de betrokkene redelijkerwijs duidelijk was of hadmoeten zijn dat (een deel van) de uitkering ten onrechte is toegekend.Invoering van dit criterium is gebaseerd op jurisprudentie en in lijn metrecente advisering door de Algemene Rekenkamer.12De tweede wijziging die overwogen wordt is het opnemen van dezesmaandenjurisprudentie.13 De zesmaandenjurisprudentie beschermt debetrokkene tegen traag handelen door het bestuursorgaan. Een bestuurs-orgaan moet binnen zes maanden reageren op een signaal van debetrokkene waaruit het bestuursorgaan redelijkerwijs had moeten afleidendat een uitkering te hoog is vastgesteld. Doet het bestuursorgaan dit niet,dan mag het niet meer terugvorderen over de periode na afloop van deeerste zes maanden na ontvangst van het signaal. Het bedrag dat voor ofbinnen die zes maanden te veel is uitbetaald, mag wel gewoon wordenteruggevorderd.Op het gebied van kwijtschelding is het voornemen om de termijn waarnaeen restschuld, die het gevolg is van een terugvordering door eenschending van de inlichtingenplicht, kan worden kwijtgescholden terug tebrengen van tien naar vijf jaar. Hiermee wordt tegemoet gekomen aantwee belangen. Aan de ene kant het belang van de individuele schul-denaar die erbij gebaat is om perspectief te hebben op een schuldenvrijetoekomst. En aan de andere kant het maatschappelijk belang datonterecht verkregen geld zo veel mogelijk teruggevorderd wordt.14 Bij eenkwijtscheldingstermijn van vijf jaar kan namelijk in de meeste gevallen devolledige uitkeringsschuld, of een groot deel ervan, worden terugbetaald.Deze termijn sluit bovendien aan bij de uitvoeringspraktijk bij vorderingendie niet het gevolg zijn van een overtreding van de inlichtingenplicht. Metdeze wijziging wordt de kwijtscheldingstermijn teruggedraaid naar desituatie voor de Fraudewet uit 2013.15 De uitvoering heeft op ditonderwerp ruimte om beleid te maken wanneer zij gebruik maken van debevoegdheid, en wanneer niet. Zo kunnen zij ervoor kiezen om in(misbruik)gevallen de schuld niet na vijf jaar kwijt te schelden.10ECLI:NL:CRVB:2024:72611Over de toepassing van de dringende redenen-uitzondering bent u eerder geïnformeerd in devoortgangsbrief van 30 juni 2023. Kamerstukken II, 17 050, nr. 605.12Zie het rapport «Grip op menselijke maat» van de Algemene Rekenkamer van april 2024.13Deze jurisprudentie geldt al voor gemeenten, maar de werkwijze zal nieuw zijn voor UWV ende SVB. Zie voor de jurisprudentie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:3571.14«Het burgerperspectief op de herijking van het handhavingsbeleid in de sociale zekerheid»,Motivaction, 202315https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stb-2012-462.htmlTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6095 Tussentijdse wijzigingen maatregelenbeleidMet het wetsvoorstel Participatiewet in Balans wordt de mogelijkheidgeboden om een meer evenredig maatregelenregime voor de Participa-tiewet, de IOAW en de IOAZ16 te bewerkstelligen.Op dit moment is het maatregelenbeleid voor gemeenten geregeld in debetreffende materiewetten en in gemeentelijke verordeningen. In hetkader van meer uniformiteit in de handhaving van de sociale zekerheid,worden deze wetten toegevoegd aan het Maatregelenbesluit socialezeker-heidswetten. Dit besluit geldt op dit moment al voor de werknemers- ende volksverzekeringen, die worden uitgevoerd door UWV en de SVB. Dewijziging van het Maatregelenbesluit in het kader van de Participatiewet inBalans, biedt een mooi aanknopingspunt om een aantal beleidswijzi-gingen in het maatregelenbeleid door te voeren, vooruitlopend op hetwetsvoorstel Handhaving sociale zekerheid. Zo worden de hoogte en duurvan de maatregelen aangepast en komt de verplichting om bij recidiveeen zwaardere maatregel op te leggen te vervallen. Ook krijgenuitvoerders en gemeenten meer ruimte om te beslissen of zij überhaupteen maatregel willen opleggen. Het resultaat hiervan is dat bestuursor-ganen het maatregelenregime meer naar eigen inzicht kunnen inkleden en– binnen de gestelde kaders – maatwerk kunnen toepassen. Bij mensendie een kleine fout maken, zoals het vergeten van een afspraak, kan eenmaatregel achterwege blijven. Maar bij mensen die doelbewust de regelsovertreden kan juist een zwaardere of langere maatregel opgelegdworden, om ervoor te zorgen dat zij hun verplichtingen gaan naleven.Deze wijzigingen dragen bij aan een meer evenredig maatregelenbeleid,dat beter aansluit bij de huidige uitvoeringspraktijk.Balans tussen ruimte voor de uitvoering en wettelijke kadersHet huidige handhavingsstelsel gaat uit van gebonden bevoegdhedenvoor bestuursorganen: er is sprake van een verplichting te herzien, eenverplichting tot terugvordering en een verplichting om te sanctioneren –of dat nou om een boete of maatregel gaat. Vrijere bevoegdheden op dezeonderwerpen kunnen ruimte aan de uitvoering bieden om per geval tebezien welke reactie passend is. In het kader van het wetsvoorstel is peronderwerp (herziening, terugvordering, boeteregime en maatregelen-regime) bezien of een bevoegdheid of een verplichting meer voor de handligt, welk effect dat heeft en welke voorkeur uitvoerders en gemeentenhebben. Hieronder licht ik de afwegingen per onderwerp toe.Met de verplichting om de uitkering te herzien wordt de rechtmatigeuitkering vastgesteld. Dit werkt door naar andere inkomensafhankelijkeregelingen, zoals gemeentelijke voorzieningen en toeslagen. Het ligtdaarom voor de hand om uit te blijven gaan van een verplichting tot hetbijstellen van de uitkering naar de rechtmatige situatie. In individuelegevallen kan hiervan af worden gezien, door gebruik te maken van dedringende redenen-uitzondering.Ten aanzien van de verplichting tot terugvordering wordt er een beleids-verdieping uitgevoerd naar de effecten van terugvorderingen. Hierna zal ikbezien hoe het terugvorderingsbeleid verder vormgegeven wordt.17 In detussentijd worden voor het wetsvoorstel de eerder toegelichte voorge-nomen wijzigingen op het gebied van terugvordering verder uitgewerkt.16Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers ende Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstan-digen17Hierbij worden ook andere beleidsmatige veranderingen op dit gebied, bijvoorbeeld met hetwetsvoorstel Versterking waarborgfunctie Awb, meegewogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6096 Bij de verplichting tot sanctionering is er sprake van twee typen sancties,met elk een eigen regime. Allereerst is er het boeteregime, dat vantoepassing is bij overtreding van de inlichtingenplicht. Het doel van eenboete is bestraffen. Bij een overtreding van de inlichtingenplicht kan ersprake zijn van veel verschillende situaties. Om daarop in te kunnenspelen worden drie hoofdreacties voorgesteld: afzien van sanctionering,de waarschuwing en de boete. Het is aan het bestuursorgaan om pergeval te beoordelen welke reactie gepast is.Omdat op een overtreding van de inlichtingenplicht een punitieve sanctiekan volgen, is het vanuit het oogpunt van rechtszekerheid wenselijk dat bijelke overtreding van de inlichtingenplicht hetzelfde proces wordt gevolgdom tot een passende reactie te komen. Daarom stel ik voor om niet tewerken met een discretionaire bevoegdheid. Maar wel met voldoenderuimte voor de uitvoering om, aan de hand van een wettelijk afwegings-kader, integraal af te wegen welke reactie gepast is.Ten tweede is er het maatregelenregime, dat van toepassing is bijovertreding van meewerkverplichtingen. Het doel van een maatregel isom regelnaleving te bevorderen. De meewerkverplichtingen zijn onderlingerg divers, daarom is er sprake van een aantal verschillende maatregelca-tegorieën. De verplichtingen die in de eerste paar categorieën zijngeplaatst zijn vaak meer administratief of procesmatig van aard. Zoals deverplichting om zich te identificeren of het tijdig verstrekken van debenodigde informatie. In die gevallen kan het voor regelnalevingeffectiever zijn als een uitvoerder of gemeente laagdrempelig, en duszonder oplegging van een sanctie, contact opneemt met een betrokkene.Voor die categorieën wordt daarom een discretionaire bevoegdheidoverwogen.18Bij de voorgaande afwegingen speelt nog het volgende mee. Uitonderzoek van de Nederlandse School voor Openbaar Bestuur blijkt datals de wetgever meer beleidsruimte biedt, de uitvoering deze ruimte zalinkleden met beleidsregels.19 Met volledige discretionaire ruimte«verplaatst» de wetgever de keuzes omtrent een passend handhavings-beleid dus eigenlijk naar de uitvoering. In de beginfase van het herijkings-traject heeft de uitvoering aangegeven hier de voordelen van in te zien,maar er ook bedenkingen bij te hebben. Dit vergroot namelijk deuitvoeringslast. Daarnaast mist de parlementaire controle op hethandhavingsbeleid wanneer de grote keuzes op dit gebied bij deuitvoering worden neergelegd. Terwijl deze controle, gelet op deontwikkelingen van de afgelopen jaren, juist wel wenselijk is. Daarom ishet voorstel om de wettelijke kaders en verplichting om te handhavengrotendeels te behouden.Uit het rapport «Blind voor mens en recht»: «Het is van belang datgemeenten en uitvoeringsorganisaties meer ruimte krijgen om naareigen inzicht te handhaven en terug te vorderen met oog voor alleindividuele omstandigheden. Een verplichting om te beboeten ofgeld terug te vorderen moet worden vervangen door eenbevoegdheid. Het nieuwe wettelijke regime moet garanderen dat eenbestuursorgaan bij belastende beslissingen altijd een integraleafweging maakt en het besluit motiveert. Boetes en terugvorde-ringen kunnen immers ingrijpende gevolgen hebben voor het levenvan mensen.»18Overheid.nl | Consultatie Aanpassing Maatregelenbesluit socialezekerheidswetten en BesluitParticipatiewet vanwege Participatiewet in balans (internetconsultatie.nl)19«Tussen staat en menselijke maat», Nederlandse School voor Openbaar Bestuur, 2021Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6097 Maar daarbij ook de uitvoering voldoende ruimte te bieden om binnen diekaders een afweging te maken. Met deze keuze wordt inhoudelijk invullinggegeven aan de aanbeveling van de PEFD op het gebied van bevoegd-heden voor de uitvoering.20Aandacht voor preventieDe afgelopen jaren heeft in de handhaving een verschuiving van eenrepressieve blik naar een meer preventieve blik plaatsgevonden: demeeste mensen willen het juiste doen, dus het voorkomen van overtre-dingen is zinvoller dan streng bestraffen wanneer het misgaat. In dit kaderis een traject gestart rondom het versterken van de preventieve aanpak.Hieronder ga ik nader in op twee opbrengsten van dit traject.Team PreventieRuim twee jaar geleden is Team Preventie in het leven geroepen.21 Ditwas een team waarin professionals uit de uitvoering en beleid, samen metervaringsdeskundigen, hebben nagedacht over manieren waarop we de(gezamenlijke) preventieve aanpak kunnen versterken. In het eindadvies,als bijlage bijgevoegd bij deze brief, geeft Team Preventie aan dat het inhet veld van de sociale zekerheid niet schort aan kennis en ideeën overhoe we fouten kunnen voorkomen. Het belang van preventie is vooriedereen duidelijk en met elkaar weten uitvoering, beleid en wetenschapal heel veel.Over de opvolging van de aanbevelingen van Team Preventie informeer iku op een later moment. De inzet op begrijpelijke en menselijke dienstver-lening, doenbare processen en de lerende organisatie gaat onverminderddoor.Team Preventie constateert dat de tijd rijp is voor de volgende stap:van denken naar doen. Het team benoemt vier actielijnen in heteindadvies, waaronder een aantal aanbevelingen worden geplaatst.De actielijnen gaan over het begrijpen en ontmoeten van deuitkeringsontvanger, het leren van vergissingen en over het centraalstellen van preventie in het proces.Onderzoek toegevoegde waarde van preventieAEF en De Beleidsonderzoekers hebben onderzoek gedaan naar depotentiële toegevoegde waarde van preventief beleid. Het rapport van ditonderzoek is als bijlage bijgevoegd bij deze brief. Hierbij is breed gekekennaar materiële en immateriële kosten en baten. De onderzoekers hebbende belangrijkste kosten en baten benoemd, maar het bleek nog nietmogelijk deze te kwantificeren. Dit komt doordat het preventief beleid nogvolop in ontwikkeling is. De maatregel die het meest kostbaar is, maar dievolgens de onderzoekers ook het meest oplevert, is het vaker in gesprekgaan met uitkeringsgerechtigden. De implementatie van deze maatregelzorgt niet alleen dat mensen minder onbedoelde fouten maken, maarzorgt ook voor een groter vertrouwen van de burger in de overheid.Wijziging regeling rondom invorderingOp 5 juli 2024 is de wijziging van de Regeling tenuitvoerlegging bestuur-lijke boeten en terugvordering onverschuldigde betalingen gepubliceerd20«Blind voor mens en recht», rapport parlementaire enquêtecommissie Fraudebestrijding enDienstverlening, 2024, pagina 76.21U bent hierover geïnformeerd bij brief van 12 november 2020. Zie Kamerstukken II, 17 050,nr. 596Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6098 in de Staatscourant.22 Gelet op een implementatieperiode treedt dezewijziging per 1 januari 2025 inwerking. Zoals gemeld in de brief van30 juni 202323 betreft de wijziging van de Regeling een modernisering vanhet invorderingsbeleid van UWV en de SVB. Na de wijziging kan deuitvoering meer rekening houden met de individuele situatie van deschuldenaar.VervolgOp dit moment bereid ik het ontwerpwetsvoorstel voor om dit najaar aande Raad van State voor te leggen voor advies. Mijn ambitie is om hetvoorstel begin volgend jaar aan uw Kamer aan te bieden. Ook werk ik debenodigde wijzigingen van onderliggende regelgeving uit. Dezevoorstellen zullen te zijner tijd worden aangemeld voor internetconsultatieen UWV, de SVB en gemeenten zullen worden gevraagd om hier eenuitvoeringstoets op uit te voeren. Ook zal advies van de Raad voor deRechtspraak en het ATR worden ingewonnen. Hierbij zal ook het ontwerp-wetsvoorstel opnieuw meegezonden worden, om het pakket in zijn geheelte kunnen bezien aangezien de besluiten een uitwerking zijn van wat er inhet voorstel is opgenomen. Daarnaast gaat de inzet op het versterken vande preventieve aanpak onverminderd door. Hierbij sluit ik zoveel mogelijkaan bij trajecten die bijdragen aan een toegankelijke, begrijpelijke enbetrouwbare overheid. En werk ik nauw samen met de uitvoering engemeenten. Samen zorgen deze stappen voor een meer evenwichtighandhavingsbeleid, waarin de menselijke maat centraal staat en een foutmensen niet in de problemen brengt.De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,Y.J. van Hijum22Staatscourant 2024, 21780, nr. 2024-000015226723Kamerstukken II, 17 050, nr. 605Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 6099 REACTIES OP VOORONTWERPUit de internetconsultatie, uitvoeringstoetsen en de adviezen van hetAdviescollege toetsing regeldruk en de Raad voor de Rechtspraak kwamnaar voren dat de visie achter het wetsvoorstel breed ondersteund wordt.Alle inbrengers ondersteunden de lijn om het handhavingsbeleid vorm tegeven vanuit vertrouwen en de menselijke maat. Het voorstel werd daaringezien als een stap in de goede richting. Ook het doel om passendhandhaven in grotere mate mogelijk te maken werd breed ondersteund.Wel werden er zorgen geuit over de complexiteit, zowel van hetwetsvoorstel zelf als in de samenloop met eerder genoemde anderewetsvoorstellen. De Raad voor de Rechtspraak en de SVB stelden ookvragen bij de nut en noodzaak van een grote wetgevingsoperatie. Beidenvroegen zich af of de met het voorstel beoogde doelen niet met eenvou-diger ingrepen bereikt zouden kunnen worden. De uitvoeringslast was ookeen punt van zorg. De SVB en de VNG gaven aan dat het toelichtingsge-sprek een grote druk zou leggen op de capaciteit en op de expertise vanmedewerkers. Hierdoor zou de uitvoerbaarheid in het gedrang komen,zeker gezien de huidige krappe arbeidsmarkt. Ook het voorgesteldeafwegingskader werd niet door alle uitvoerders uitvoerbaar geacht. Dezorg zag daarbij vooral op de factor «gevolgen voor de betrokkene». Deuitvoering gaf aan dat deze factor lastig te objectiveren is en daarmee omeen zwaardere motivatie vraagt. Ook dit legt druk op de uitvoering.De Raad voor de Rechtspraak en de SVB uitten ook zorgen over detweeledigheid van het voorgestelde toelichtingsgesprek. Het doel van ditgesprek was enerzijds om de omstandigheden van betrokkene in kaart tebrengen, anderzijds om tot een passende reactie op de overtreding tekomen. De SVB heeft aangegeven dat deze tweeledigheid onrealistischeverwachtingen kan wekken bij de betrokkene. De Raad voor de Recht-spraak vroeg zich af of de vormvrijheid past bij de doelen van het gesprek.Voor de VNG en de Raad voor de Rechtspraak was het onduidelijk hoe hettoelichtingsgesprek en het zienswijzegesprek uit de Algemene wetbestuursrecht zich tot elkaar verhouden. De FNV was, vanuit burgerper-spectief, juist positief over de introductie van het toelichtingsgesprek. Totslot vroeg de Raad voor de Rechtspraak zich af of de huidige dwingendebepalingen om te herzien en terug te vorderen niet vervangen zoudenmoeten worden door discretionaire bevoegdheden voor de uitvoering. DeRaad voor de Rechtspraak zag het ook als een gemis dat het onderwerp«terugvordering» niet in dit wetsvoorstel is opgenomen.Het Adviescollege toetsing regeldruk heeft aangegeven dat nut ennoodzaak van de wijzigingen zijn onderbouwd en het college heeft geenopmerkingen bij minder belastende alternatieven. Het college vroeg welaandacht voor het evalueren van de verschillen in de wijze waaropbestuursorganen het toelichtingsgesprek uitvoeren en wat daar degevolgen van zijn.BIJLAGE.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 17 050, nr. 60910

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 98a542343df091c4

14 okt 2026 · 3bb1ba40b98f8fbe

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.