KamerkringInloggen
Kamerbrief

Inzet grondbeleid voor woningbouw

14 jul 2025 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 730bb0bc71d35c62 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202534 682Nationale OmgevingsvisieNr. 230 BRIEF VAN DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING EN RUIMTE-LIJKE ORDENING Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 14 juli 2025We staan in Nederland voor een grote woningbouwopgave: het realiserenvan 100.000 woningen per jaar om het woningtekort terug te dringen.Hiervoor is het onder andere belangrijk dat gemeente grondbeleid voerenen ik zet mij ervoor in om gemeenten hierbij te ondersteunen. In deKamerbrief Modernisering van het Grondbeleid1 zijn een aantal maatre-gelen aangekondigd die hierop zien. Daarnaast is in het Regeerpro-gramma opgenomen actieve Rijksbetrokkenheid verder te verkennen en tekijken naar bijvoorbeeld een grondfaciliteit die gemeenten stimuleertactief grondbeleid te voeren.In deze brief neem ik u mee in de eerste resultaten bij het vormgeven vandeze maatregelen. Het Rijkssturingskompas (bijlage 1) helpt mij mijnbeleidsmatige inzet bij grootschalige woningbouw verder te bepalen. UwKamer vraagt mij regelmatig naar actieve Rijksinzet. Voor enkelespecifieke locaties heb ik hiervoor inmiddels een doorbraakaanpakgepresenteerd.2 Ik ga mijn inzet verder concretiseren aan de hand van hetRijkssturingskompas.Meer actief grondbeleid moet de snelheid van woningbouw, eenbetaalbaar woningbouwprogramma helpen mogelijk maken en publieketekorten verminderen. Daarom heb ik een verkenning uitgevoerd naar eenregeling voor de verwerving van grond voor woningbouw (voorheen ookwel Rijksgrondfaciliteit genoemd), waarmee ik gemeenten ondersteun bijhet innemen van (strategische) grondposities en meedeel in de risico’svan grondaankopen. Ik ga de regeling verder uitwerken en streef ernaardeze in 2026 operationeel te hebben.Maar het aankopen van grond (actief grondbeleid) is lang niet altijd nodig.Gemeenten hebben verschillende instrumenten om een gebiedsontwik-1Kamerstukken II, 2022–2023, 34 682, nr. 1642Kamerstukken II, 2024–2025, 32 847, nr. 1350 kst-34682-230ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 2301 keling te faciliteren en publieke kosten te dekken (faciliterend grond-beleid). Hier is nog winst te behalen. Niet altijd is het bijvoorbeeldmogelijk voor een marktpartij in te schatten welke kosten zij moeten gaanbetalen. Ik kom daarom met voorstellen die het kostenverhaal inzichte-lijker moeten maken voor marktpartijen. Als zij vooraf beter weten welkekosten een gemeente in rekening gaat brengen, kunnen zij dit meewegenbij hun investeringsbeslissing. En tenslotte wil ik gemeenten helpen bijhet vormgeven van anterieure overeenkomsten, zodat zij enerzijdshiermee kosten kunnen verhalen en anderzijds de realisatie van dewoningbouw kunnen garanderen stimuleren en borgen.20 juni jl. stuurde ik u een brief over een voorstel en dilemma’s bij eenplanbatenheffing of een vergelijkbaar systeem3. In die brief ga ik in opmogelijke aanpassingen aan wet- en regelgeving om de waardestijgingvan grond als gevolg functiewijziging, meer dan nu, te benutten voorgebiedsontwikkeling. Daar ga ik graag met uw Kamer over in gesprek. Indeze brief ga ik in op acties en maatregelen die ik nu neem of ga nemenom de inzet van grondbeleid voor woningbouw binnen de huidigewettelijke kaders te verbeteren om het doel van 100.000 nieuwe woningenper jaar te bereiken.RijkssturingskompasMet de woondeals maak ik met alle provincies en gemeenten afsprakenover de woningbouwdoelen. Met financiële regelingen zoals de Woning-bouwimpuls en de Realisatiestimulans draag ik bij in het publieke tekortop woningbouwplannen. Ook kunnen gemeenten, corporaties enmarktpartijen zich wenden tot het expertteam Woningbouw voorondersteuning bij projecten. In specifieke gevallen is er echter intoenemende mate behoefte aan verdergaande actieve Rijksbetrokkenheid.Dit is met name het geval in de zogeheten «grootschalige woningbouwlo-caties». Dit soort grootschalige woningbouwlocaties vragen in variërendemate een actieve Rijksbetrokkenheid vanwege de complexiteit van deopgave. Binnen de 17 reeds aangewezen grootschalige woningbouwlo-caties brengen we dit al in de praktijk.De overheid en de markt staan voor complexe opgaven en groteinvesteringen, die randvoorwaardelijk zijn voor de woningbouw.Momenteel ontbreekt het bij het Rijk aan een beleidskader om objectief afte wegen in welke mate en rol het ministerie betrokken moet zijn bijwoningbouwontwikkelingen. Het Rijkssturingskompas (bijlage 1) brengtde verschillende perspectieven in kaart en confronteert deze met elkaar. Inde praktijk lopen ze snel door elkaar en komt de beslissing tot standzonder de gewenste transparantie en inzicht in de specifieke kansen enuitdagingen die spelen. Het helpt bij het kiezen van een sturingsvorm ende argumentatie daarvoor structureren. Dat is geen statisch proces. Het iseen continu proces waarbij afhankelijk van de feitelijke stand van zaken deRijkssturing moet worden aangepast. Het kompas helpt de impliciete enexpliciete afwegingen voor Rijkssturing inzichtelijk te maken aan de handvan een aantal structurerende en reflectieve vragen. Het helpt ook om opregelmatige basis te reflecteren op de rol van het Rijk bij een gebiedsont-wikkeling en deze zo nodig aan te passen. De komende tijd ga ik metenkele casussen aan de slag om het kompas verder te bestendigen.Regeling Grondverwerving voor Woningbouw (grondfaciliteit)Bouwen begint met een locatie, grond waarop woningen kunnen wordengebouwd. Gemeenten kunnen de grond in handen hebben of verwerven,3Kamerstukken II, 2024-2025, 32 847, nr. 1351Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 2302 geschikt maken om op te bouwen en vervolgens verkopen aan eenmarktpartij (actief grondbeleid). Ook een marktpartij kan de grond hebbenverworven en de woningen ontwikkelen (faciliterend grondbeleid). Uiteerder onderzoek4 is gebleken dat actief grondbeleid de woningbouw tengoede kan komen. Toch is de afgelopen jaren een flinke daling te zien inde hoeveelheid grond die actief ontwikkeld wordt door gemeenten.Overigens is actief grondbeleid niet alleen van belang voor regie ensnelheid van de woningbouw, het kan ook de realisatie van socialewoningbouw helpen. Uit onderzoek (bijlage 2) dat het kadaster voor mijheeft uitgevoerd blijkt namelijk dat corporaties substantieel minderbetalen voor de grond wanneer zij deze kopen van een gemeente dan vaneen particuliere eigenaar. Meer actief grondbeleid door gemeenten kansociale woningbouw ten goede komen, corporaties kunnen dan vakergrond voor gunstige prijzen van gemeenten kopen en hierdoor wordt debouw van sociale huurwoningen goedkoper.5 Dit kan een extra reden zijnmeer actief grondbeleid te stimuleren.Actief grondbeleid door gemeenten helpt gemeenten om regie te voerenop de woningbouwproductie. Door het vestigen van voorkeursrecht engrondbezit kan een gemeenten grip krijgen op sneller en meer betaalbarewoningbouw te realiseren. Maar gemeenten zijn niet altijd in staat omactief grondbeleid te voeren of zijn daarin terughoudend vanwege hetrisico dat de grondwaarde verminderd. Voor het risico op de waardever-mindering zijn gemeenten verplicht een voorziening op de begroting aante houden. De voorziening legt een aanzienlijk beslag op de begroting enbestedingsruimte van een gemeente. Dit is een van de redenen waardoorze soms terughoudend zijn in de aankoop van grond voor woningbouw. Inhet regeerprogramma is daarom het advies uit het IBO-rapport «Op grondkun je bouwen»6 overgenomen. Het IBO-rapport adviseert om eenRijksgrondfaciliteit (eerder werd dit ook als werktitel gebruikt) op terichten waarmee het Rijk actief grondbeleid kan stimuleren door mee tedelen in het risico op de waardeontwikkeling van grond als een gemeentede grond verwerft.Uitkomsten verkenning naar grondfaciliteitMet een regeling die de grondverwerving voor woningbouw ondersteuntben ik voornemens dat het Rijk gedeeltelijk mee gaat delen in het risicovan de waardeontwikkeling van de (bouw)grond. Dit gaat dus verder danalleen een garantiefonds dat enkel voorziet in een mogelijke waardever-mindering. Door ook in de winsten mee te delen krijgt het een revolverendkarakter. Dit kan op meerdere manieren worden vormgegeven, bijvoor-beeld door risicodragend deel te nemen in de grondverwerving voorwoningbouw. Op deze manier is het een aanvulling op de bestaandeinstrumenten die toezien op het dekken van publieke tekorten, zoals deWoningbouwimpuls en het Gebiedsbudget.In het voorjaar van 2025 is met de ondersteuning van Deloitte een eersteverkenning (bijlage 3) uitgevoerd naar de mogelijke uitwerking (werkingenen spelregels). Daarnaast heb ik gesproken met mogelijke uitvoerders vande regeling over hoe de regeling vormgegeven zou kunnen worden. Deverkenning en de gesprekken geven meer grip op mogelijke criteria en deuitvoering van de faciliteit. In de volgende paragrafen ga ik kort in op de4Actief grondbeleid en woningbouwproductie, Kamerstukken II, 2020–2021, 34 682, nr. 855Bovendien heb ik aangekondigd samen met de VNG en Aedes te verkennen in hoeverre hetwenselijk en haalbaar is om richtlijnen op te stellen voor het bepalen van passende grond-prijzen voor sociale huurwoningen. (Kamerbrief II, 2023–2024, 29 453, nr. 571)6Kamerstukken II, 2023–2024, 32 847, nr. 1198Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 2303 belangrijkste uitkomsten van de verkenning en de gesprekken en welkerichting ik voor de regeling in wil gaan.Criteria om in aanmerking te komenDe regeling voor het ondersteunen van grondverwerving moet breedtoegankelijk zijn voor gemeenten. Dat betekent dat ik terughoudend wilzijn met selectiecriteria aan de voorkant. In de verkenning is wel bekekenvoor welke gemeenten een «Rijksgrondfaciliteit» mogelijk een geschiktinstrument kan zijn en over welke kenmerken gemeenten en/of projectenmoeten beschikken om in aanmerking te komen. Maar daaruit wordtduidelijk dat harde selectiecriteria al aan de voorkant goede projecten kanuitsluiten, als er wordt gewerkt met harde toelatingseisen. Terwijl in eersteinstantie ik beoog actief grondbeleid te stimuleren.Het is belangrijk om op een doelmatige en effectieve wijze de schaarsemiddelen te besteden. Dit wil ik bereiken door te sturen op het typeproject dat in aanmerking komt en bovenal welke resultaten er op welktermijn worden verwacht (output). Ik zie vooralsnog geen noodzaak om testuren op meer gedetailleerde criteria, zoals de financiële positie vangemeenten of de omvang van het gemeentelijk grondbezit. Dezeelementen zijn altijd context afhankelijk, omdat elke locatie anderekenmerken heeft (qua ligging, waarde, eigendom, huidige functie, etc.).Hoewel betoogt kan worden dat de regeling zich vanuit het oogpunt vanefficiëntie moet richten op gemeenten die financieel kwetsbaar zijn of opprojecten met een groot effect op de woningbouwopgave, gaat datvoorbij aan het doel. De regeling moet in eerste instantie gemeentenondersteunen bij het voeren van meer actief grondbeleid. Het is daaromnoodzakelijker te sturen op de gewenste output, bijvoorbeeld dat hetbinnen bepaalde termijnen wel onomkeerbare stappen richtingwoningbouw zijn gezet.Het voornemen dat de regeling breed toegankelijk moet zijn zorgt ervoordat in potentie veel gemeenten in aanmerking kunnen komen. Debeschikbare middelen hiervoor zijn echter relatief beperkt, namelijk € 390miljoen voor de komende vier jaar. Dat betekent dus dat overal dezeregeling kan bijdragen aan gemeentelijke grondaankopen. Het isnoodzakelijk om keuzes te maken bij de verdeling van de middelen. Dekeuze of inzet effectief is, wil ik bij een externe uitvoerder beleggen. Eenonafhankelijke organisatie is beter in staat om de inzet in de context vande aankoop te bezien en te beoordelen. Bij verdere uitwerking ga ik metuitvoerders en stakeholders in gesprek om ook tot duidelijke kaders tekomen waarbinnen een uitvoerder te werk kan gaan.Aard van de financiële bijdrageEen ander onderwerp dat in de verkenning en de gesprekken aan bod isgekomen betreft de aard van de financiële bijdrage. Wanneer de regelingeen revolverende karakter krijgt, in combinatie met het doel om de drukvan grondaankopen op de gemeentelijke begroting te verminderen, kanhet doelbereik worden vergroot. Dat kan met een achtergestelde lening,waarbij gemeenten geld lenen en de terugbetaling afhankelijk is van deverkoopwaarde van de grond (rekening houdend met de betaalde rente).Het is echter de vraag in hoeverre dit gemeenten echt helpt de druk op debegrotingsruimte te verminderen. Meer effectief lijkt het om middelsinbreng van eigen vermogen, of via een soortgelijke constructie, middelente verschaffen voor de aankoop van gronden. Het is mogelijk bijvoorbeeldmiddels een op te richten rechtspersoon, waarin het Rijk via een uitvoe-ringsorganisatie samen met een gemeente participeert, de grond aan tekopen. De grondaankopen zijn dan voor de gemeente «off-balance», zodatde aankoop niet meer drukt op de begroting van de gemeente. DaarvoorTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 2304 in de plaats komt de deelname in de rechtspersoon inclusief de verant-woordelijkheden en risico’s die daar bij horen.Betrokkenheid en sturing van de rijksoverheidBij de uitvoering is het de vraag in welke mate het Rijk betrokken moet zijnbij de projecten die gebruik maken van de regeling. Op basis van deverkenning concludeer ik dat de uitvoering het beste bij een derde belegdzou kunnen worden. Een externe uitvoeringsorganisatie heeft meermogelijkheden om de middelen effectief in te zetten, dan mijn ministerie.Bijvoorbeeld als het gaat om eventuele winst uit een project opnieuw in tezetten in andere grondaankopen. Er zijn een aantal organisaties diemogelijk in staat zijn om de regeling uit te voeren. Naar aanleiding van deverkenning zijn oriënterende gesprekken gevoerd met de Rijksdienst voorOndernemend Nederland (RVO), Stimuleringsfonds VolkshuisvestingNederlandse gemeenten (SVn) en het Rijksvastgoedbedrijf (rvb).Daarnaast heb ik ook met BNG Gebiedsontwikkeling (BNG GO) gesproken.Sinds 1997 heeft BNG GO samen met gemeenten ruimtelijke projectenontwikkeld. Doel van de gesprekken was om te kijken of en hoe eenorganisatie buiten het ministerie een regeling die grondaankopenondersteunt zou kunnen uitvoeren.Uit de gesprekken komt naar voren dat elke organisatie in staat is om eenproduct te bieden dat grondaankopen door gemeenten kan ondersteunen.Ieder van deze organisatie is anders georganiseerd en gefinancierd en datbepaalt mede het producttype/regeling die zij kunnen aanbieden. Bij hetverder vormgeven van de regeling ga ik de organisaties betrekken.Mijn voornemen is om de regeling de aankomende maanden verder uit tewerken en een keuze te maken voor één van de uitvoerders. Ik wil deregeling begin 2026 operationeel maken.Onderzoek naar de praktijk van het kostenverhaalHoewel ik wil kijken hoe ik meer actief grondbeleid kan stimuleren is hetzeker niet altijd nodig dat de overheid altijd de grond moet verwerven. Opveel plekken hebben marktpartijen grondposities en vaak kunnen zijflexibeler inspelen op marktontwikkelingen. Wanneer het initiatief voorwoningbouw bij een private grondeigenaar ligt, dan maakt de gemeenteafspraken over het kostenverhaal. De gemeente is namelijk wettelijkverplicht de kosten, die zij maakt om de ontwikkeling mogelijk te maken,te verhalen bij de grondeigenaar (vaak een ontwikkelaar).Voor het verhalen van kosten zijn er twee wegen: het publiekrechtelijkespoor, met kostenverhaalregels in het omgevingsplan, en het privaatrech-telijk spoor, met het vastleggen van het kostenverhaal in een anterieureovereenkomst. Omdat de gemeente wettelijk verplicht is haar kosten teverhalen, zou het voor de volledigheid van het kostenverhaal niet uitmoeten maken welk spoor wordt gevolgd. Metafoor en Fakton hebbeneen onderzoek uitgevoerd naar de praktijk van het kostenverhaal (ziebijlage 4). Uit het onderzoek blijkt dat op het gebied van kennis, voorspel-baarheid en transparantie winst is te behalen.Veel gemeenten verhalen kosten, hanteren een vaste werkwijze en hebbende hoogte van het kostenverhaal inzichtelijk. In de meeste gevallen lukthet om anterieur tot overeenstemming te komen over het kostenverhaal.Dat wil alleen niet zeggen dat gemeenten in die gevallen ook alle kostenverhalen. In beginsel moeten gemeenten bij het privaatrechtelijkekostenverhaal rekening houden met de kostensoortenlijst zoalsopgenomen in de bijlage bij het Omgevingsbesluit (publiekrechtelijkspoor). Die kostensoorten, die via het publiekrechtelijk spoor verhaaldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 2305 kunnen worden, hebben een «schaduwwerking». Op het moment dat heteen gemeente niet lukt met een anterieure overeenkomst het kosten-verhaal te verzekeren, kan zij het kostenverhaal met kostenverhaalregelsin het Omgevingsplan vastleggen.In de praktijk passen de gemeenten de kostensoortenlijst echter niet altijdtoe. Volgens het rapport zijn daar verschillende redenen voor. Soms is heteen gebrek aan kennis. Soms passen gemeenten de kostensoortenlijstbewust niet toe omdat zij andere prioriteiten hebben, bijvoorbeeld devoortgang van de woningbouw. Het gevolg hiervan is dat gemeentensoms minder kosten verhalen dan wat op basis van de Omgevingswetmogelijk is. Maar het kan ook tot onduidelijkheid leiden en de onderhan-delingen over een anterieure overeenkomst vertragen.In navolging van het onderzoek wil ik daarom, in overleg met de partijenin het veld, verschillende producten vormgeven die het proces vankostenverhaal door gemeente ondersteunen, de voorspelbaarheid van hetkostenverhaal voor marktpartijen vergroten en op die manier bijdragenaan soepele onderhandelingen over een anterieure overeenkomst. Dezeproducten hebben tot doel de partijen te ondersteunen bij het berekenenen vaststellen van het publieke kostenverhaal en de vertaling daarvan inde privaatrechtelijke route. De onderzoekers bevelen de volgendemaatregelen aan:1.Handreiking standaardisatie van gemeentelijke kostenverhaalsnota’s2.Een routekaart met uitleg over kostenverhaal op hoofdlijnen3.Uitbreiding plankostenscan voor privaatrechtelijke route die aansluitbij faciliterend grondbeleid4.Het vormgeven van een model voor anterieure overeenkomstenNaast dat het voor marktpartijen helpt als kostenverhaalnota’s gelijkeinformatie bevatten, beschikken nóg lang niet alle gemeenten (metwoningbouwplannen) over een kostenverhaalnota. Een handreiking moetook handvatten bieden om een kostenverhaalnota op te stellen. Belangrijkis dat de kostenverhaalnota een kader biedt voor de keuze tussen hetpubliekrechtelijk- en het privaatrechtelijk kostenverhaal en dat in de notawordt vastgelegd hoe in die beide sporen wordt gewerkt. Materieelmoeten beide sporen voor kostenverhaal, privaatrechtelijk en publiekrech-telijk, tot een gelijke uitkomst leiden; nieuwe woningen waarbij demarktpartij naar draagkracht bijdraagt aan de publieke investeringen.Maar dat wil niet zeggen dat in het privaatrechtelijke spoor exact dezelfdekosten worden gemaakt of dat de hoogte van de kosten exact gelijk zijn.Zo maakt een gemeente bij het opstellen van een anterieure overeen-komst kosten voor het opstellen hiervan en juridische bijstand voor hetopstellen van voorgaande overeenkomsten, zoals een intentie- en/ofsamenwerkingsovereenkomst. Ook kunnen afspraken worden gemaaktwie welke werkzaamheden uitvoert. Inzicht in de kosten die samenhangenmet het privaatrechtelijke spoor (o.a. het opstellen van een anterieureovereenkomst kan van meerwaarde zijn. Het mag echter niet leiden toteen verschil in materiele uitkomst tussen de twee sporen. Ik zal onder-zoeken of dat mogelijk is zonder dat ik eerder meer onduidelijkheid danduidelijkheid schep.Verschillende gemeenten werken al met een standaard anterieureovereenkomst en de provincies Gelderland en Noord-Brabant stellen eenmodel aan gemeenten beschikbaar. Daarnaast heeft het Instituut voorBouwrecht (IBR) aangekondigd met een handboek voor anterieureovereenkomsten te zullen komen. Ik vind het belangrijk dat met eenanterieure overeenkomst niet alleen het kostenverhaal wordt verzekerd,maar dat ook de snelheid van woningbouw wordt bevorderd. Het isdaarom van belang zakelijke afspraken te maken waarop kan wordenteruggevallen op momenten dat er verschillen van inzicht ontstaan. Ik gaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 2306 bezien of er in dat kader nog iets aanvullends nodig is ten opzichte van degenoemde initiatieven.In 2025 worden deze producten verder vormgegeven. Hierdoor wil ikeventuele verschillen in financiële haalbaarheid en lasten tussen actief enfaciliterend grondbeleid verkleinen en voorspelbaarheid vergroten. Ookmaak ik de kennis over kostenverhaal toegankelijker en neemt devoorspelbaarheid van het kostenverhaal toe. Dit moet op leiden totvoorspelbaar en volledig kostenverhaal en de snelheid in de realisatiebevorderen.Daarnaast heb ik u recent een brief gestuurd over de planbatenheffing ofeen vergelijkbaar systeem, de intensivering van het kostenverhaal. Daarinstel ik voor de wet- en regelgeving aan te passen om zo de ruimte voorhet kostenverhaal te vergroten, met als doel publieke tekorten teverkleinen. In die brief schets ik de dilemma’s bij beide systemen, en devoor- en nadelen. Maar zoals in die brief ook is aangegeven, is noch hetinvoeren van een planbatenheffing noch het intensiveren van hetkostenverhaal een quick fix, pas op de lange termijn gaat het resultaatopleveren. Van de maatregelen in deze brief om het huidige kostenverhaalbeter toe te passen, verwacht ik op veel kortere termijn resultaat.ResumerendMet de in deze brief aangekondigde maatregelen help ik gemeenten omgrondbeleid effectief in te zetten voor woningbouw. Zowel bij actief alsfaciliterend grondbeleid moeten gemeenten voldoende instrumentenhebben om publieke investeringen te bekostigen, snelheid in het proces tebevorderen en te bewaken. Marktpartijen moeten bovendien weten aanwelke kosten zij moeten bijdragen, welk programma zij moeten realiserenen welke planning er wordt gehanteerd zodat zij weloverwogen investe-ringsbeslissingen kunnen nemen.De voorstellen in deze brief moeten daarbij gaan helpen. En met behulpvan het Rijkssturingskompas ga ik concreter vormgeven wanneer en hoehet Rijk actief betrokken is of wordt bij gebiedsontwikkelingen.Met vriendelijke groet,De Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening,M.C.G. KeijzerTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 2307 VolgnummerNaamClassificatie1Rijkssturingskompas bij grootschaligegebiedsontwikkeling2Kostenverhaal Ontcijferd, de praktijkvan de rekening3Verkenning inrichting rijksgrondfacili-teit voor gemeenten4Wat betaalt een woningcorporatie voorde bouwgrond? BijlagenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 34 682, nr. 2308

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 74607b4ee532992d

14 okt 2026 · e2bfc3ae891ca9b1

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.