KamerkringInloggen
Kamerbrief

Resultaten Landelijke afweging primaire bouwgrondstoffen

18 aug 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie 7a3e319aa19fa465 · officiële bron

32 852 Grondstoffenvoorzieningszekerheid Nr. 428 Brief van de staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal Den Haag, 18 augustus 2026 We staan voor grote maatschappelijke opgaven als waterveiligheid, infrastructuur, energietransitie en (woning)bouw. Het is in dat licht belangrijk om helder te hebben of er voldoende bouwgrondstoffen beschikbaar zijn om deze te kunnen realiseren. In 2024 heeft het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW) het initiatief genomen om meer inzicht te krijgen in de vraag naar en de winning van de primaire bouwgrondstoffen zoals zand, grind en klei. Het kabinet streeft naar een circulaire economie in 2050.[voetnoot 1] Dit betekent minder gebruik van primaire grondstoffen en meer hergebruik van bouw- en sloopafval, secundaire bouwstoffen en biogrondstoffen zoals hout. Ook met deze ambities blijven primaire bouwgrondstoffen nodig. Met deze brief geef ik mede namens de minister van Infrastructuur en Waterstaat, invulling aan de toezeggingen, zoals gedaan in de brief van 23 april 2024[voetnoot 2]. Het betreft: De ontwikkeling van een landelijk beeld van de winning van primaire bouwgrondstoffen. Het op basis hiervan beleidskeuzes voorbereiden over de winning van bouwgrondstoffen, inclusief een integrale afweging voor de belangrijkste wingebieden waarvoor IenW bevoegd gezag is: het rivierengebied in de zuidelijke en oostelijke provincies, het IJsselmeergebied en de Noordzee. Tevens geef ik met deze brief invulling aan de motie Mooiman c.s.[voetnoot 3]. Rolverdeling IenW is op grond van de Omgevingswet verantwoordelijk voor het ontgrondingenbeleid. Tot 2003 voerde het Rijk ook de regie op de winning van primaire bouwgrondstoffen. Centraal in dat beleid stonden taakstellingen, vastgelegde afspraken over te winnen hoeveelheden die door Rijkswaterstaat en de provincies werden uitgevoerd. Sinds de voltooiing van de decentralisatie in 2008 is het aan de markt om te zorgen voor de voorziening in bouwgrondstoffen (vraag en aanbod). De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het aanvragen van een vergunning voor een ontgronding. Daarmee is het aan de initiatiefnemer om projecten te ontwikkelen met een goede ruimtelijke inpassing en maatschappelijk draagvlak[voetnoot 4],[voetnoot 5],[voetnoot 6]. Gedeputeerde Staten (provincies) zijn het bevoegde gezag voor vergunningen op land, in de regionale wateren en in het winterbed van de grote rivieren. Rijkswaterstaat is het bevoegd gezag voor de vergunningverlening in Rijkswateren. Waar Rijkswaterstaat voor de kustlijnzorg zelf initiatiefnemer is, geeft de Inspectie Leefomgeving en Transport de vergunning af. De winning van primaire bouwgrondstoffen heeft ingrijpende gevolgen voor het water- en bodemsysteem. Met name bij winning op land ontstaat een ander landschap, ecosysteem en ruimtegebruik. IenW en de provincies kunnen regels stellen aan hoe op een verantwoorde manier en met maatschappelijk draagvlak primaire bouwgrondstoffen in Nederland op een zorgvuldige manier kunnen worden gewonnen. Landelijk beeld Om te komen tot een landelijk beeld van de winning van primaire bouwgrondstoffen zijn diverse onderzoeken en analyses uitgevoerd. Witteveen+Bos heeft met Economisch Instituut Bouwnijverheid (EIB) aan de hand van een scenariostudie de verwachte vraag in 2030 en 2050 onderzocht. Deze studie is reeds aan uw Kamer aangeboden met de brief van 23 april 2024. Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) onderzoekt jaarlijks de in Nederland gewonnen hoeveelheden en publiceert deze op haar website.[voetnoot 7] De Nederlandse Organisatie voor toegepast natuurwetenschappelijk onderzoek (TNO) heeft de theoretisch winbare hoeveelheden in kaart gebracht. Arcadis heeft met Bureau Documentatie Bouwwezen (BDB) onderzoek gedaan naar import en naar de ontwikkeling van de prijzen die voor primaire bouwgrondstoffen worden betaald. Daarnaast zijn marktpartijen (waaronder brancheorganisaties Cascade en de Nederlandse Vereniging van Leveranciers van Bouwgrondstoffen (NVLB)), Rijkswaterstaat, Rijksvastgoedbedrijf, andere overheden en kennisinstituten (waaronder Technische Universiteit Delft) bij het proces betrokken. Verder is het landelijk beeld twee keer in het landelijk Bouwberaad besproken en tevens dit voorjaar in een daartoe vanuit IenW georganiseerd strategisch overleg met de sector en medeoverheden. In notitie ‘Landelijk beeld en landelijke afweging bouwgrondstoffen’ (bijlage 3) is het landelijk beeld beschreven. De conclusies heb ik hieronder samengevat. Vraag en aanbod Uit de scenariostudie volgt dat tot 2050 de vraag naar grind, steenslag, industriezand en kalkzandsteenzand naar verwachting afneemt. Dit is het gevolg van een lagere bevolkingsgroei en minder nieuwbouw vanaf ongeveer 2030. De vraag naar ophoogzand blijft ongeveer gelijk, of neemt in enige mate toe, afhankelijk van het scenario. De vraag naar suppletiezand en klei neemt fors toe als gevolg van de opgave voor waterveiligheid. Deze toename versnelt na 2050[voetnoot 8]. Uit het onderzoek van TNO[voetnoot 9] blijkt dat primaire bouwgrondstoffen in ons land fysiek ruim voldoende aanwezig zijn (bijlage 4). De daadwerkelijke beschikbaarheid van primaire bouwgrondstoffen is daarom voor een groot deel een vraagstuk van ruimtelijke ordening en maatschappelijk draagvlak. Het gaat erom hoeveel ruimte we beschikbaar willen stellen om bouwgrondstoffen te winnen. De monitoringscijfers van het CBS laten zien dat grind, ophoog- en suppletiezand, beton- en metselzand, overig industriezand en klei jaarlijks in vrij constante hoeveelheden worden gewonnen. Bouwgrondstoffen worden in Nederland tevens geïmporteerd en geëxporteerd. Hierover zijn geen volledige cijfers beschikbaar, wel indicaties (zie verderop onder ‘Marktomstandigheden). Prognose Suppletiezand zal in de toekomst meer dan nu moeten worden gewonnen om de kustverdediging te realiseren. Suppletiezand is voorlopig voldoende voorhanden maar de bereikbaarheid ervan is voor de (verdere) toekomst niet verzekerd. Dit komt door concurrerende ruimteclaims, onder meer voor de kabels die nodig zijn voor de aanlanding van windenergie of voor telecom. Bij gelijkblijvende winning kan de Nederlandse productie van industriezand, ophoogzand en klei tot 2050 even groot zijn als de verwachte nationale vraag. Grind is daarvoor onvoldoende aanwezig en moet, net als tot dusver, grotendeels worden geïmporteerd. Dijkversterking vraagt veel klei. Klei is er voldoende in de rivieren en in de uiterwaarden en wordt afgezet in grotere hoeveelheden dan verkocht kan worden. Een significant deel van de vergunningen voor kleiwinning wordt momenteel niet benut. Vergunningen De winbedrijven signaleren vooral in het rivierengebied obstakels bij het verkrijgen van vergunningen voor ontgrondingen. Zij stellen dat het meer moeite en tijd kost dan voorheen om het maatschappelijk draagvlak te realiseren dat nodig is voor de vergunningsaanvraag. Het starten, uitbreiden of verlengen van een ontgrondingsproject vergt een zorgvuldige ruimtelijke en milieukundige afweging, waarbij maatschappelijk draagvlak volwaardig wordt meegewogen. De provincies stellen dat een vergunningsaanvraag dan ook het meest kansrijk is als deze gepaard gaat met een integraal ruimtelijk plan en een eindsituatie met aantoonbare maatschappelijke meerwaarde, zoals natuur of recreatie. Dat vergt flinke investeringen en goede kwaliteit van de vergunningsaanvragen. De provincies stellen dat er in principe geen belemmering is bij het aanvragen en beoordelen van een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit. Over de aanvragen rapporteren de provincies een wisselend beeld: zo blijft het aantal aanvragen bij Overijssel en Gelderland op peil, terwijl Noord-Brabant en Limburg minder aanvragen ontvangen dan voorheen. Ontgrondingen kunnen een langdurige impact hebben op de omgeving voordat de gewenste eindsituatie is bereikt. Gemeenten letten daarop bij de afweging van belangen over de inrichting van de leefomgeving. Het komt daarom voor dat gemeenten de ook van hen vereiste omgevingsvergunningen weigeren, waardoor het verlenen van de omgevingsvergunning voor een ontgrondingsactiviteit niet mogelijk is. Daarnaast stemmen soms ook eigenaren van terreinen niet in met grondtransacties voor de voorgenomen ontgrondingen. Uit gesprekken met Rijkswaterstaat en de provincies blijkt dat er voor ophoogzand en industriezand momenteel nog voldoende ruimte is met betrekking tot de lopende vergunningen (verleend en in aanvraag). Lopende vergunningen van grote winningen worden, gelet op de maximale looptijd van vijftien jaar, vaak verlengd en/of uitgebreid. Uit deze gesprekken volgt de inschatting dat de komende 10 jaren geen tekorten worden verwacht. Marktomstandigheden Mocht de vergunningverlening in de toekomst stagneren, dan neemt op termijn (zodra de ruimte onder de huidige vergunningen is benut) de binnenlandse winning van ophoogzand en industriezand af. Als daardoor de winning in Nederland achterblijft bij de binnenlandse vraag, dan betekent dat niet automatisch dat er een tekort ontstaat. Europa is zelfvoorzienend in bouwgrondstoffen en hierin vindt vrij handelsverkeer plaats tussen de lidstaten van de Europese Unie. Eerder uitgevoerd onderzoek wijst in de richting van zowel Nederlandse import als export in de orde-grootte van enkele tientallen procenten van de binnenlandse productie[voetnoot 10]. Om meer inzicht te krijgen in hoe de markt de afgelopen jaren heeft gefunctioneerd, heb ik onderzoek[voetnoot 11] laten doen naar de prijsontwikkeling van zand, grind, klei en kalksteen (het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 5). Dit onderzoek laat zien dat de prijzen voor deze bouwgrondstoffen in de periode 2000-2024 in lijn zijn met de algemene trend in bouwkosten. Hieruit volgt dat de markt gewijzigde omstandigheden steeds goed heeft opgevangen. Grote trendbreuken zijn niet of nauwelijks zichtbaar, ook niet bij significante veranderingen in de binnenlandse winning, zoals de grotere productie van grind door het Grensmaasproject of het stopzetten van de mergelwinning. Uit het onderzoek blijkt geen duidelijke correlatie tussen enerzijds de binnenlandse productie en anderzijds de import van zand en grind. Wel laat het zien dat de import van zand en grind, bij elkaar opgeteld, de afgelopen jaren in grote lijnen gelijk was aan de binnenlandse productie. Bescherming van water en bodem IenW heeft een verantwoordelijkheid bij het beschermen van een blijvend goede werking van water- en bodemsystemen. Het bij ontgrondingen borgen van de draagkracht van gebieden is verankerd in de Omgevingswet en kan worden opgenomen in provinciaal beleid. Een doel is om na de winning een water- en bodemsysteem achter te laten met een in potentie vergelijkbare of grotere waarde. De beoordeling van de effecten op de draagkracht is een verplicht onderdeel bij de vergunningverlening. De provincie Noord-Brabant heeft hiervoor een concreet beoordelingskader[voetnoot 12]. Provincie Gelderland is momenteel bezig om criteria voor deze beoordeling op te nemen in de actualisering van haar ontgrondingenbeleid[voetnoot 13]. Ook andere provincies overwegen om hiervoor criteria op te nemen. In het IJsselmeergebied vindt de beoordeling van de milieueffecten plaats in een project-MER voor een vergunningaanvraag. De vergunningverlening voor zandwinning op de Noordzee (zowel commercieel als voor kustlijnzorg) wordt via een Milieu Effect Rapportage (MER) beoordeeld. Vanuit de ontgrondingsvergunning volgt de verplichting om onderzoek te doen naar de aannames en effecten die beschreven staan in de MER. Er is een plan voor de aanpak van onderzoek naar onder andere de (ecologische) rekolonisatie van zandwinvakken, de aanwezigheid van schelpdierbanken en het effect van vrijkomend fijn sediment op de ecologie. Onderlinge effecten tussen wingebieden Onderzocht is of er onderlinge afhankelijkheden zijn tussen de belangrijkste wingebieden, te weten Noordzee, IJsselmeergebied en rivierengebied. Afhankelijkheden blijken alleen te bestaan voor ophoogzand tussen deze drie gebieden en, in mindere mate voor industriezand tussen het IJsselmeergebied en rivierengebied. Kanttekening hierbij is dat deze afhankelijkheden lastig zijn te bepalen omdat Nederland geen gesloten systeem is maar onderdeel van een veel grotere Europese markt. Minder winning in het ene Nederlandse wingebied kan wel leiden tot meer vraag naar winning in de andere wingebieden maar dit is geen automatisch mechanisme. Commercieel ophoogzand (niet voor kustsuppletie bedoeld ophoogzand) is de afgelopen jaren in ongeveer gelijke hoeveelheden gewonnen in Noordzee, IJsselmeergebied en rivierengebied. De verwachting is dat die situatie tot 2037 niet verandert. Daardoor is er van daaruit geen aanleiding tot meer vraag naar winning van ophoogzand in de andere wingebieden. De garantie van voldoende beschikbaar suppletiezand tegen redelijke winningskosten voor de komende vijftig jaar staat echter onder druk. In gebieden waar op termijn de ruimtelijke mogelijkheden om nieuwe zandwingebieden aan te wijzen zodanig beperkt zijn door intensief (ander) ruimtegebruik ontstaat een tekort aan winmogelijkheden. Dat is als eerste verwacht ter hoogte van IJmuiden. Dan is een afweging nodig tussen de winning van ophoog- of suppletiezand[voetnoot 14]. De mogelijke effecten van meer of minder zandwinning in IJsselmeergebied en/of rivierengebied op de andere gebieden zijn moeilijk te voorspellen, vanwege de open markt. Industriezand wordt vrijwel alleen gewonnen in het rivierengebied, terwijl dit ook in het IJsselmeergebied aanwezig is. Ophoogzand en industriezand, en in mindere mate grind, worden ook binnendijks gewonnen, op locaties zonder directe toegang tot grote vaarwegen. Omdat de afvoer van de productie alleen per as kan, is de afzet van de in deze winningen gewonnen grondstoffen doorgaans alleen regionaal. Het Rijk kan voor deze winningen geen directe beleidskeuzes maken. Conclusies landelijk beeld Conclusie is dat er op dit moment geen tekorten zijn aan grind, ophoogzand, industriezand en klei en dat die de komende tien jaar ook niet worden verwacht. Uitzondering hierop is grind dat in Nederland in kleinere hoeveelheden commercieel winbaar is dan de binnenlandse behoefte; grind zal, zoals nu al het geval, grotendeels moeten worden geïmporteerd, al dan niet in de vorm van vervangende producten zoals steenslag. Als in de toekomst de winning in Nederland achter zou blijven bij de vraag naar bouwgrondstoffen dan leidt dit niet automatisch tot tekorten. Doordat bouwstoffen volop worden verhandeld tussen EU-Lidstaten worden in zo’n situatie tekorten voorkomen. De markt heeft zich in de afgelopen decennia steeds aan gewijzigde omstandigheden kunnen aanpassen. Ook knelpunten in de vergunningverlening heeft de markt tot nu toe goed opgevangen, zonder zichtbare gevolgen voor de prijs. Dit is echter geen reden om achterover te leunen. Het waarborgen van de bereikbaarheid van suppletiezand bijvoorbeeld is van existentieel belang voor ons land. Daarom gebeurt er al het nodige om voor de (verdere) toekomst de bereikbaarheid van suppletiezand te verzekeren. Verder is bekend dat de aanvraag van vergunningen voor ontgrondingen in het rivierengebied een jarenlange voorbereidingstijd vergt en dat ook de procedures lange doorlooptijden kunnen vergen. Dat betekent dat op de langere termijn situaties kunnen ontstaan die door normale marktwerking niet kunnen worden opgelost. Daarom zijn maatregelen nodig om tijdig op die eventuele situaties te kunnen inspelen. Beleidsinzet en beleidskeuzes Veilig stellen suppletiezand voor waterveiligheid Het is van existentieel belang om tot in de verre toekomst (in elk geval tot na 2100) voldoende suppletiezand beschikbaar te hebben voor de kustverdediging. Alleen met een goed geborgde kustverdediging komen we toe aan de andere opgaven zoals energietransitie, infrastructuur en woningbouw. In de ontwerp Nota Ruimte is opgenomen dat het van belang is op de Noordzee extra ruimte voor zandwinning te reserveren[voetnoot 15]. De reserveringszone voor zandwinning is aangewezen als het gebied waarbinnen zandwinning als activiteit van nationaal belang (voor waterveiligheid en klimaatbestendige inrichting) voorrang heeft op ander ruimtegebruik. Voor de kustverdediging is in het Partieel Herziene Programma Noordzee 2022-2027[voetnoot 16] die reserveringszone al verruimd van 12 tot 14 zeemijl uit de kust. Om de beschikbare en winbare voorraad te vergroten onderzoekt IenW diepere winning voor de PlanMER voor het Programma Noordzee 2028-2033. Daarnaast voert de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) onderzoek uit naar de ecologische effecten van zandwinning tot een diepte van 12 meter en maakt een vergelijking met de referentiesituatie tot 6 meter diep. De Minister informeert u te zijner tijd over de resultaten van dit onderzoek. Door geologische factoren en verschil in ruimtedruk is de beschikbaarheid van suppletiezand ongelijk verdeeld langs de kust. Dit kan tot gevolg hebben dat al vanaf 2038 in enkele kustvakken aanvullende maatregelen nodig zijn. Mocht dit aan de orde zijn dan kan een prioritering van suppletie boven commerciële winning van ophoogzand aan de orde zijn. Rivierengebied Op een vergelijkbare manier geldt dat in het rivierengebied ook suppletiezand, grind en klei nodig zullen zijn in het kader van het programma Ruimte voor de Rivier (RvdR) 2.0 en het Hoogwaterbeschermingsprogramma (HWBP). Door de vaststelling van het Programma Integraal Riviermanagement is al afgesproken om ontgrondingen in het zomerbed in principe te beëindigen om verdere erosie van de rivierbodem tegen te gaan[voetnoot 17]. In het kader van het programma Ruimte voor de Rivier 2.0 worden beleidskeuzes voorbereid, onder meer voor het stoppen van die erosie. Deze beleidskeuzes voor RvdR 2.0 worden in 2027 vastgelegd in het NWP. U wordt hierover nader geïnformeerd. IJsselmeergebied De uitkomsten van deze integrale afweging zijn van belang voor het Programma Zandwinning in het IJsselmeergebied. De beleidsvernieuwing die moest leiden tot dat programma is in afwachting van deze uitkomsten sinds september 2024 gepauzeerd.[voetnoot 18] Deze beleidsvernieuwing stopt. Daarmee blijven in het IJsselmeergebied de Beleidsregels ontgrondingen in rijkswateren (2022)[voetnoot 19] onder de Omgevingswet van kracht. Dit betekent dat zandwinning moet voldoen aan het multifunctionaliteitsprincipe. Als monitoring of onderzoeken in de toekomst knelpunten aangeven kan dit aanleiding geven tot beleidsvernieuwing. Verminderen gebruik De beste manier om ook in de verre toekomst verzekerd te blijven van voldoende bouwgrondstoffen is door het gebruik van primaire bouwgrondstoffen terug te dringen. Het Kabinet stimuleert daarom hergebruik van bouwmaterialen, onder meer door aan te sluiten bij het beleid van de Europese Commissie om voorwaarden op het gebied van duurzaamheid en veerkracht te introduceren in de Industriële Versnellingsverordening. Ook worden maatschappelijke opgaven, zoals circulaire economie, klimaatadaptatie, woningbouw en het versterken van de infrastructuur, in samenhang bezien, zodat maatregelen elkaar kunnen versterken en het gebruik van grondstoffen integraal kan worden verminderd. Daarnaast wordt gewerkt aan een efficiënter gebruik van bouwgrondstoffen door het aanpassen, renoveren, verduurzamen, optoppen en transformeren van bestaande gebouwen te stimuleren[voetnoot 20]. Deze beleidslijn sluit aan bij het Nationaal Programma Circulaire Economie (NPCE)[voetnoot 21] waarin het doel is opgenomen om het gebruik van primaire abiotische grondstoffen in Nederland te verminderen en toe te werken naar een volledig circulaire economie in 2050. De bouwsector is daarbij aangemerkt als één van de prioritaire sectoren. Het bevorderen van circulair ontwerpen, bouwen en aanbesteden, zodat al in de ontwerp- en uitvoeringsfase rekening wordt gehouden met losmaakbaarheid, herbruikbaarheid, levensduurverlenging en een lager materiaalgebruik, is daar onderdeel van. Ook wordt hoogwaardige recycling en de toepassing van secundaire grondstoffen in de bouw en infrastructuur bevorderd, onder meer via normering, kennisontwikkeling en circulaire inkoop[voetnoot 22]. Hierbij geldt evenwel dat primaire bouwgrondstoffen niet volledig kunnen worden vervangen kunnen door circulair materiaal. Tevens wordt nadrukkelijker uitgegaan van het principe Water en Bodem sturend, bijvoorbeeld door bij locatiekeuzes meer rekening te houden met de benodigde hoeveelheid ophoogzand. In het Ruimtelijk afwegingskader klimaatadaptieve gebouwde omgeving is daarom een “nee, tenzij” advies gegeven voor bouwen in de meest slappe gebieden vanuit bodemdaling[voetnoot 23]. Meer landelijke regie: monitoring en waar nodig passende maatregelen Met het oog op de belangrijke maatschappelijke opgaven waar we voor staan, vind ik het verstandig om de vinger aan de pols te houden zodat indien toch nodig tijdig kan worden ingegrepen. Ik doe dit door het huidige beleid aan te vullen met de hieronder beschreven maatregelen. Ten eerste gaan we door met de jaarlijkse monitoring door het CBS van de gewonnen hoeveelheden bouwgrondstoffen. Deze wordt aangevuld met de nog beschikbare voorraden aan winbare bouwgrondstoffen achter vergunningen. Periodiek zal ook de informatie over de vraag, prijsontwikkelingen, import en export, en ruimtebeslag worden geactualiseerd. Hiermee sluit ik ook aan bij de EU Strategie voor woningbouw.[voetnoot 24] Elke vijf jaar zal er een actueel landelijk beeld worden gepubliceerd. Ten tweede is het wenselijk dat IenW samen met de provincies en de winbedrijven voor ophoogzand en industriezand zicht houdt op het aantal ingediende vergunningaanvragen, de voortgang van de vergunningverlening en de nog beschikbare voorraden aan winbare bouwgrondstoffen achter vergunningen. Daartoe wordt er structureel overleg gevoerd met de provincies en winbedrijven. Zo ga ik door met de in 2022 vanuit het Ministerie van IenW gestarte periodieke gesprekken[voetnoot 25] met de voor de levering van bouwgrondstoffen belangrijkste provincies, Overijssel, Gelderland, Noord-Brabant en Limburg, en ga ik na of ook andere provincies daarbij aangesloten kunnen worden. Op de agenda van die gesprekken staan steeds de resultaten van de hierboven genoemde monitoring, de ontwikkeling van provinciaal ontgrondingenbeleid, handvatten voor de beoordeling van vergunningaanvragen, de actuele situatie rondom de vergunningen. Ook worden, als die zich voordoen, situaties besproken die normale marktwerking niet kan oplossen en die daarom wellicht ingrijpen van de overheid vragen. Ik blijf ook in contact met de initiatiefnemers en waar nodig andere belanghebbende partijen om hun signalen en knelpunten te vernemen. Ten derde: het betreft een gezamenlijke opgave voor de sector, IenW en alle provincies. Daarom zal jaarlijks, als vervolg van het op 6 mei 2026 gevoerde overleg, met deze partijen vanuit IenW samen met VRO een strategisch overleg plaatsvinden. Eventuele belemmeringen en knelpunten kunnen we op deze manier gezamenlijk en tijdig aanpakken. Tenslotte neem ik nog maatregelen wat betreft de beoordeling van effecten van een winning op de draagkracht van het water- en bodemsysteem: Ik laat onderzoeken hoe we via de regelgeving beter kunnen borgen dat de vergunningverlener de gevolgen voor het water- en bodemsysteem expliciet beoordeelt bij een voorgenomen winning. Bij zowel een nieuwe locatie als een uitbreiding of verlenging van een bestaande winning. Ik faciliteer de verdere ontwikkeling door de provincies van een set van criteria waarop het bevoegd gezag de effecten van een beoogde winning op het water- en bodemsysteem kan toetsen. Daarbij streef ik naar een zo uniform mogelijke lijst, zodat alle betrokkenen, die vaak in meerdere provincies actief zijn, weten waar ze aan toe zijn. Ik houd daarbij rekening met de samenhang van deze criteria met overige beoordelingsaspecten die Rijkswaterstaat en provincies meenemen, bijvoorbeeld natuur, landbouw, landschap en recreatie. Met deze maatregelen geef ik invulling aan de motie Mooiman c.s.[voetnoot 26]. Voor Rijksinstructies of -regels zie ik nu geen aanleiding. Ik monitor de situatie, blijf het gesprek met vooral de provincies voeren en zal waar nodig overgaan tot passende maatregelen. De staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, A.W.H. Bertram Een van de voor een circulaire economie geformuleerde doelen is dat het aandeel duurzame biogrondstoffen en secundaire grondstoffen binnen ons grondstoffenverbruik in 2030 minimaal 50%, en in 2035 minimaal 55%, is, tegen 39% in 2016. Biogrondstoffen omvatten al het plantaardig of dierlijk materiaal, of materiaal van plantaardige of dierlijke herkomst. Biogrondstoffen kunnen afkomstig zijn uit gewassen, bomen en planten, algen en dierlijke producten en afvalstromen. Kamerstuk 32852, nr. 392; Nationaal Programma Circulaire Economie, pag. 19 Kamerstuk 32 852, nr. 309 Tweede Kamer Vergaderjaar 2025-2026, 32 847, nr. 1472 Tweede Kamer, vergaderjaar 2002–2003, 28 600 XII, nr. 114 Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 31 200 XII, nr. 93 Tweede Kamer, vergaderjaar 2011–2012, 33 000 XII, nr. 115 Winning oppervlaktedelfstoffen 2004-2024, CBS, 22-05-2026, https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2026/21/winning-oppervlaktedelfstoffen-2017-2024 Sedimentbehoefte Nederlands kustsysteem bij toegenomen zeespiegelstijging, Kennisprogramma Zeespiegelstijging, Deltares, maart 2023, https://www.deltaprogramma.nl/documenten/2023/06/05/eindrapport-fase-1-zandige-kust-def-voor-publicatie-met-rijkslogo Oppervlaktedelfstoffen in Nederland, Geologisch aanwezige, technisch winbare en planologisch winbare voorraden, TNO, R16930, 12-06-2026 Winning van bouwgrondstoffen in Nederland. Een verkenning naar mogelijke (ruimtelijke) knelpunten in de toekomst, MWH december 2015 Onderzoek import en kosten primaire bouwgrondstoffen, Arcadis, 24-10-2025 Beleidsregel omgevingsrecht Noord-Brabant, https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR706990?#hoofdstuk_5_paragraaf_5.2_artikel_5.2.3 Notitie Reikwijdte en Detailniveau Actualisatie Ontgrondingenbeleid Gelderland, Arcadis, april 2026, pag. 30 Partiële herziening Programma Noordzee 2022-2027 (2026), https://www.tweedekamer.nl/kamerstukken/detail?id=2026D13024&did=2026D13024 Ontwerp Nota Ruimte, Ministerie van VRO, september 2025, pag. 311, resp. 174, https://open.overheid.nl/documenten/8a149097-f4b1-49bb-b19e-8c5f4a0b3084/file Kamerstukken 35325, nr. 10 Kamerstukken 31710, nr. 86 Kamerstuk 30015 en 35334, nr. 122 Staatscourant 2022, nr. 9290 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen Conform de kabinetsreactie op het advies van de Wetenschappelijke Klimaatraad (WKR) Nationaal Programma Circulaire Economie 2025, oktober 2025, https://open.overheid.nl/documenten/0b441980-8d06-4153-b59d-60715a28160c/file Zie onder meer de Aanpak Circulair Slopen en Hergebruik, https://www.allesovercirculairslopen.nl/ HKV lijn in water, TAUW en Defacto Stedenbouw, in opdracht van de ministeries van IenW en BZK, september 2023, https://open.overheid.nl/documenten/dpc-70aea1415d93774841338e28ce7d6ab1c6051be9/pdf De Europese strategie voor woningbouw: een meer competitieve en productieve bouwsector. Europese Commissie, COM(2025) 991 definitief, 16-12-2025, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=COM:2025:991:FIN Kamerstuk 30015, nr. 120 Tweede Kamer Vergaderjaar 2025-2026, 32 847, nr. 1472

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · 1cda67aed872e406

14 okt 2026 · aa19db050d4dab7b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.