Stand van zaken Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz)
Brontekst
Versie 98562d137d2cc7cd · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 311Zelfstandig ondernemerschap30 545Uitvoering Wet Werk en BijstandNr. 279 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 2 december 2024In de brief «Sociale Zekerheid in crisistijd» van 8 mei 20231 hebben detoenmalige bewindspersonen van het Ministerie van Sociale Zaken enWerkgelegenheid aan uw Kamer toegezegd om een aantal aanbevelingen2tot mogelijke verbetering van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen2004 (hierna: Bbz) nader te onderzoeken. De afgelopen periode heeft hetministerie een verkenning uitgevoerd om de behoefte aan en (on)moge-lijkheden van deze aanbevelingen voor het Bbz nader in kaart te brengen.Met deze brief wil ik uw Kamer – mede namens de Minister van SocialeZaken en Werkgelegenheid – informeren over de resultaten hiervan en deverbetermaatregelen die ik heb genomen.De zes aanbevelingen uit de brief «Sociale zekerheid in crisistijd»In deze brief zijn zes aanbevelingen gedaan om nader te bezien:1.Zorg dat gemeenten meer op gelijke manier het Bbz uitvoeren zodat deuitkomst van levensvatbaarheid- en vermogenstoetsen voor onderne-mers voorspelbaarder wordt;2.Kijk of het mogelijk is minder informatie uit te vragen;3.Behoud de kennisdeling en regionale samenwerking tussen gemeen-ten die bij de uitvoering van de Tozo is ontstaan;4.Maak het mogelijk om Bbz evenals in de Tozo met terugwerkendekracht te kunnen aanvragen;5.Maak de levensvatbaarheidstoets in het Bbz minder complex;6.Maak de vermogenstoets minder complex. Onderzoek of het mogelijkkan worden dat ondernemers een deel van hun vermogen mogengebruiken voor privéuitgaven, net als andere bijstandsontvangers.Hierna ga ik in hoe ik opvolging geef aan deze aanbevelingen en deconcrete verbetermaatregelen die ik in gang heb gezet. De aanbevelingen1Kamerstukken II, 2022/23, 26 448, nr. 7132Lessen uit de ervaringen met de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers(Tozo) en het tijdelijk aangepaste Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 («Bbz light») kst-31311-279ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2791 5 en 6 zijn voor de leesbaarheid van deze brief samengevoegd doordatnaar deze aanbevelingen (gezamenlijk) onderzoek is gedaan.Aanbevelingen 1 en 2: Zorg dat gemeenten meer op gelijke manier hetBbz uitvoeren zodat de uitkomst van levensvatbaarheid- en vermogens-toetsen voor ondernemers voorspelbaarder wordt. Kijk daarbij of hetmogelijk is minder informatie uit te vragen.Het Ministerie van SZW heeft naar aanleiding van deze aanbevelingStichting Stimulansz in 2023 opdracht gegeven de handreiking «Gege-vensuitvraag bij de Bbz-aanvraag» te ontwikkelen. Deze handreiking3 is indecember 2023 opgeleverd en gedeeld met gemeenten (onder andere viahet gemeentenieuws). In de handreiking vinden gemeenten inzicht enhandvatten om tot een uniforme manier van uitvoering vanBbz-aanvragen te komen. Gemeenten kunnen hiermee het recht op eenBbz uitkering of bedrijfskrediet, evenals de levensvatbaarheid en hetvermogen van de onderneming, op een uniforme en professionele manierbeoordelen. Ook biedt de handreiking inzicht of het mogelijk is minderinformatie uit te vragen. Dat kan niet altijd. De handreiking verduidelijktechter waarom welke informatie kan worden uitgevraagd en waarom deinformatie nodig is. Met deze handreiking wordt tegemoetgekomen aande aanbevelingen om ervoor te zorgen dat gemeenten meer op gelijkemanier het Bbz uitvoeren en om te kijken of het mogelijk is minderinformatie uit te vragen.Aanbeveling 3: Behoud de kennisdeling en regionale samenwerkingtussen gemeenten die bij de uitvoering van de Tozo is ontstaanGemeenten zijn overtuigd van nut en noodzaak van de kennisdeling enregionale samenwerking die tijdens de uitvoering van de Tozo zijnontstaan en willen deze graag continueren en intensiveren. Gemeentengeven deze samenwerking zelf verder vorm, bijvoorbeeld binnen dearbeidsmarktregio’s. In het raamwerk voor de regionale meerjarenagendavan de arbeidsmarktregio’s, waarin de samenwerkingsafspraken wordenvastgelegd, is nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de positie vanzelfstandigen en daarmee ook voor de dienstverlening aan deze groep.Tot slot wordt in opdracht van het Ministerie van SZW gewerkt aan eenhandreiking «Minimaregelingen en zelfstandigen». Deze biedt gemeenteninzicht in (het benutten van) gemeentelijke minimaregelingen voorzelfstandigen en handvatten voor de professionele beoordeling vanhulpvragen van zelfstandigen die een beroep willen doen op gemeente-lijke minimaregelingen. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan deaanbeveling om de kennisdeling en regionale samenwerking tussengemeenten die bij de uitvoering van de Tozo is ontstaan, te behouden.Aanbeveling 4: Maak het mogelijk om Bbz evenals in de Tozo metterugwerkende kracht te kunnen aanvragenIn het wetsvoorstel Participatiewet in balans4 is de mogelijkheidopgenomen om een uitkering aan te vragen met terugwerkende kracht.Gemeenten krijgen met dit wetsvoorstel de mogelijkheid om eenbijstandsuitkering met terugwerkende kracht te verstrekken (maximaal toten met 3 maanden terug) als individuele omstandigheden daarom vragen.Deze wijziging geldt ook voor het Bbz. Hiermee wordt tegemoetgekomenaan de aanbeveling om Bbz evenals in de Tozo met terugwerkende krachtte kunnen aanvragen.3Handreiking Gegevensuitvraag bij de Bbz-aanvraag (Stimulansz, december 2023)4Kamerstukken II, 2023/24, 36 582, nr. 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2792 Aanbevelingen 5 en 6: Onderzoek uitgevoerd naar de levensvatbaarheids-toets, de vermogenstoets en het bescheiden vrij te laten vermogenIn opdracht van het Ministerie van SZW is in de afgelopen periodeaanvullend onderzoek uitgevoerd met als kernvragen:•Kunnen de levensvatbaarheidstoets en de vermogenstoets voor de Bbzminder complex worden gemaakt?•Is het mogelijk dat de vermogenstoets voor ondernemers in het Bbzgelijk kan worden aan de vermogenstoets in de bijstand (Participatie-wet), zodat zij een deel van hun vermogen (uitsluitend) kunnenaanwenden voor privéuitgaven (het zogeheten «bescheiden vrij telaten vermogen»)?Randvoorwaarden voor dit onderzoek waren dat aanbevelingenuitvoerbaar moeten zijn en niet mogen leiden tot een situatie vanstaatssteun. Daarnaast geldt dat maatregelen budgetneutraal moetenkunnen worden gerealiseerd.Voor het onderzoek zijn in de eerste twee kwartalen van 2024 zesbijeenkomsten georganiseerd met professionals van 24 gemeenten dieverdeeld over het hele land belast zijn met beleid en uitvoering van hetBbz, de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en een aantalvertegenwoordigers van ondernemersverenigingen. Op basis van debevindingen uit deze bijeenkomsten is vervolgens een enquête opgesteld.Deze is breed uitgezet onder gemeentelijke professionals en overkoepe-lende ondernemersorganisaties, om vanuit de huidige uitvoeringspraktijkzo veel mogelijk input te verzamelen ter beoordeling van de wensen enmogelijkheden.Op basis van de inbreng van gemeentelijke professionals en onderne-mersvertegenwoordigers volgt een aantal conclusies:•Met betrekking tot de levensvatbaarheidstoets en vermogenstoets zijnaanpassingen in het Bbz niet gewenst. De levensvatbaarheidstoetswordt slechts in beperkte, specifieke situaties – zoals ingewikkeldebedrijfsstructuren – als complex ervaren. Gemeenten kiezen er daaromliever voor om voor deze specifieke, complexe situaties de toets externuit te besteden en de ruimte voor maatwerk te behouden. De vermo-genstoets wordt alleen op enkele specifieke aspecten als complexervaren. Deze aspecten zijn uitvoerig nader besproken, wat leidde totde conclusie dat over het algemeen codificatie niet gewenst is, omdater een grote behoefte is aan mogelijkheid tot maatwerk. Aan vereen-voudiging blijkt geen behoefte, wel aan meer uniformiteit in deuitvoering.•Gemeenten kunnen inzetten op meer kennis en kennisdeling inzakecomplexe bedrijfsstructuren zoals bepaalde vormen van bv’s of van devennootschap onder firma.•Het introduceren van een zogeheten «bescheiden vrij te latenvermogen» in het Bbz is niet gewenst. Uitvoerige bespreking in de zesbijeenkomsten leidde tot de conclusie dat gemeenten een bescheidenvrij te laten vermogen in het Bbz weliswaar wenselijk zouden vinden,maar dit als onuitvoerbaar beschouwen. Dit komt mede doordat privéen bedrijfsvermogen van een zelfstandig ondernemer verstrengeld zijnen de toerekening van verplichtingen naar één van beide vermogens-bestanddelen praktisch onmogelijk is. Wel hebben gemeenten eenmogelijkheid gevonden om – binnen de kaders van het Bbz – bij deaanvraag een klein en specifiek deel van het vermogen vrij te latenvoor reeds voorziene, toekomstige privéuitgaven. Met deze ruimtevoor maatwerk kunnen gemeenten goed uit de voeten met de huidigeBbz-vermogenstoets.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2793 Een uitgebreidere weergave van de bevindingen van het onderzoek is alsbijlage bij deze brief gevoegd, evenals de twee deelrapporten «LessonsLearned Tozo» van Offermans en Van Gemert B.V.Aanvullende aanbeveling op basis van het onderzoekUit het onderzoek is, naast enkele aanbevelingen voor gemeenten, ooknog een nieuwe aanbeveling voor SZW voortgekomen, namelijk: dat dewijze waarop de Bbz-uitkeringstermijn voor starters is geformuleerd, zoukunnen worden herzien, omdat de huidige formulering er mogelijk toe zoukunnen leiden dat aan starters direct voor 36 maanden Bbz wordtverstrekt zonder dat tussentijds gecheckt wordt of er wel sprake is van eenlevensvatbaar bedrijf. Dit kan ertoe leiden dat starters te lang doorgaanmet een niet levensvatbaar bedrijf of zelfstandig beroep en zich daarbij inde schulden steken. Een dergelijke te soepele toepassing kan ookconcurrentieverstorend werken, doordat in dat geval minder levens-vatbare starters de markt op zouden worden geholpen ten nadele vanreeds gevestigde ondernemers.Aanpassing starterstermijn BbzNaar aanleiding van deze uitkomst uit het onderzoek ben ik voornemenshet Bbz zodanig aan te passen dat de initiële verstrekkingsperiode voorstarters maximaal 18 maanden wordt, met de optie van verlenging(en) totuiteindelijk maximaal 36 maanden. Gemeenten hebben al en behouden deruimte om indien nodig vaker een dergelijk toetsmoment te creëren,zowel binnen de eerste 18 maanden als bij latere verlenging(en). Ookhandelen de meeste gemeenten in de praktijk al zo dat regelmatigtoetsing plaatsvindt bij startende zelfstandigen. Deze aanpassing heeftdan ook geen budgettaire consequenties. Door de aanpassing wordtechter in álle gevallen voorkomen dat starters met een niet levensvatbaarbedrijf zich in de schulden steken doordat ze in het Bbz te lang doorgaan.Deze wijziging zal worden meegenomen in de voorziene aanpassing vanhet Bbz die voortvloeit uit de inwerkingtreding van het wetsvoorstelParticipatiewet in balans5. Hiermee wordt tegemoetgekomen aan dezeaanvullende aanbeveling.Tot slotHet onderzoek, waarbij vertegenwoordigers van gemeenten en onder-nemers nauw betrokken waren, heeft geholpen het Bbz en de uitvoeringervan grondig tegen het licht te houden en de nodige verbetermaatre-gelen te treffen. De in deze brief geschetste uitkomsten vormen dan ookde afronding van de invulling aan de motie Maatoug/Grinwis6 om samenmet gemeenten te bezien of er lessen te trekken zijn uit de invoering vande Tozo en het tijdelijk aangepaste Bbz (Bbz light). Het kabinet blijftaandacht houden voor passende ondersteuning voor de groep zelfstandigondernemers die tijdelijk in de problemen verkeert.De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.N.J. Nobel5Kamerstukken II, 2023/24, 36 582, nr. 26Kamerstukken II, 2020/21, 35 420, nr. 378Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2794 Bevindingen uit het onderzoek «Lessons learned Tozo» vanOffermans & van Gemert B.V. naar de aanbevelingen rond delevensvatbaarheidstoets en de vermogenstoetsI. DE DRIE ONDERZOEKSVRAGEN 1. Levensvatbaarheidstoets (onderzoek of de levensvatbaarheidstoets vereenvoudigd kan worden)1.1 Algemeen De levensvatbaarheidstoets in het Bbz is een belangrijk instrument om tebepalen of iemand in aanmerking komt voor een uitkering (levenson-derhoud) en/of bedrijfskrediet. Professionals geven aan dat zij, zeker bijaanvragen voor bedrijfskrediet, de levensvatbaarheidstoets noodzakelijkvinden in het kader van hun zorgplicht richting de zelfstandig ondernemerén in het maatschappelijk belang. Voor de ondernemer biedt de levensvat-baarheidstoets een eerlijk perspectief. Een niet-levensvatbaar bedrijfwordt immers niet snel weer levensvatbaar. Dit kan ook leiden tot(verdere) schulden. In dat soort situaties kan de zelfstandig ondernemerbaat hebben bij de beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep enondersteuning bij het vinden van ander werk. Vanuit het maatschappelijkbelang moet de besteding van publiek geld zorgvuldig gebeuren en alleenworden verstrekt aan zelfstandig ondernemers waarvoor het Bbz alslaatste vangnet is bedoeld: zelfstandigen met relatief weinig inkomen enlage financiële buffers in de vorm van liquide middelen. Daarnaast kan hetverstrekken van financiële steun aan zelfstandig ondernemers waarbijgeen sprake is van levensvatbaarheid van het bedrijf of zelfstandig beroepleiden tot oneerlijke concurrentie, omdat deze ondernemers een oneerlijkvoordeel hebben ten opzichte van andere zelfstandig ondernemers.1.2 Bevindingen Uit het onderzoek is gebleken dat professionals de levensvatbaarheids-toets in het algemeen niet als complex ervaren. Bovendien besteden veelgemeenten voor complexere situaties de levensvatbaarheidstoets uit aaneen externe partij. Op deze manier kunnen gemeenten goed omgaan metdergelijke complexere situaties. Het kan bijvoorbeeld gaan om onderne-mingsstructuren zoals de besloten vennootschap en de vennootschaponder firma met medefirmanten, of situaties waarbij sprake is vanschuldsanering.1.3 Conclusie Concluderend geeft het onderzoek geen aanleiding tot het aanpassen vande regelgeving rondom de levensvatbaarheidstoets. Het staat gemeentenvrij op een eigen manier invulling te geven aan deze toets. Zij kunnen erbijvoorbeeld voor kiezen deze zelf uit te voeren of uit te besteden aan eenexterne partij, afhankelijk van de intensiteit en de zwaarte van deaanvraag. Op deze manier kunnen gemeenten goed omgaan metcomplexe situaties.Verder is ook geconcludeerd dat het Bbz ruimte biedt voor maatwerk endat dit niet verloren mag gaan. Gemeenten hebben hierdoor juist demogelijkheid om zelfstandig ondernemers hulp en ondersteuning tebieden die past bij de individuele situatie.BijlageTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2795 De eerdergenoemde handreiking Gegevensuitvraag bij de Bbz-aanvraagdraagt eraan bij dat gemeenten hiervoor hun kennisniveau met betrekkingtot het Bbz en het uitvoeren van levensvatbaarheidstoetsen op ordehebben.2. Vermogenstoets (onderzoek of de vermogenstoets vereenvoudigd kan worden)2.1 Algemeen De vermogenstoets in het Bbz is van belang om te bepalen in welke vormde bijstand kan worden verstrekt: renteloos, rentedragend of «om niet».Het gaat daarbij om zowel het totale vermogen (zakelijk en privé) als omhet eigen vermogen. Het is belangrijk, zeker voor een aanvraag bedrijfs-krediet, dat gemeentelijk professionals daarbij kunnen beschikken overrecente financiële informatie. Dit voorkomt toekomstige (hoge) terugvor-deringen. Maar er is niet altijd een recente jaarrekening en/ofboekhouding aanwezig en soms zijn er ook bezittingen in het buitenland,die lastig te achterhalen zijn. Omdat men afhankelijk is van wat deondernemer zelf verstrekt, kan een aanvraag in dergelijke situaties eenlangere doorlooptijd hebben.2.2 Bevindingen Uit het onderzoek is gebleken dat de complexiteit die professionalservaren bij de vermogenstoets met name spelen op de volgende thema’s:–de zogeheten 30-procent-grens7. Het wel/niet overschrijden van diegrens bepaalt namelijk of bijstand8 wordt verstrekt om niet of alsleenbijstand. Wanneer het eigen vermogen dus in de buurt van die30-procent-grens zit, is het zaak het vermogen zeer nauwkeurig vast testellen. Professionals hebben tegelijkertijd aangegeven dat dezecomplexiteit zich maar beperkt voordoet, omdat zij maar in eenbeperkt aantal gevallen per jaar te maken krijgen met vermogen datrichting deze 30-procent-grens gaat.–de waardering van vermogensbestanddelen. De «waarde in heteconomisch verkeer» is namelijk niet altijd eenduidig. Voor sommigevermogensbestandsdelen (zoals auto’s) bestaan verschillendemethodieken en bronnen om de waarde te bepalen. Daardoor kunnener tussen gemeenten verschillen ontstaan. Professionals wensen hierinenerzijds meer uniformiteit, maar zien anderzijds codificering niet alsoplossing, omdat dit de maatwerkmogelijkheden aantast die het Bbzop dit moment biedt.–de situatie van een vof9 met medevennoten in relatie tot eenvermogenstoets van een zelfstandig ondernemer. Onder het vermogenvan degene die de Bbz-aanvraag heeft ingediend, wordt namelijk medeverstaan het vermogen van de medevenno(o)t(en). Bij medevennotenbinnen het gezin is dit geen probleem maar in een situatie waarin demedevennoten derden zijn, kan dit tot problemen leiden wanneermedevennoten weigeren de gevraagde informatie over hun vermogente verstrekken (of deze informatie om andere redenen niet tijdig ofvolledig beschikbaar is). De vermogenstoets kan dan niet uitgevoerdworden.7De 30%-grens is één van de grenzen en onderdeel van de volledige vermogenstoets.8Het gaat hier om algemene bijstand ofwel de aanvullende uitkering die eerst voorlopig alsleenbijstand wordt verstrekt. Na het boekjaar wordt bekeken bij de definitieve vaststelling of deleenbijstand lening blijft of om niet verstrekt wordt.9Vennootschap onder firmaTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2796 Professionals zien vaak dat de zelfstandig ondernemer de Bbz-aanvraagterugtrekt op het moment dat het duidelijk wordt dat ook de financiëleinformatie van medefirmanten moet worden aangeleverd. De ondernemerverdwijnt dan weer uit beeld, terwijl diens inkomen niet toereikend is. Ookkan deze situatie leiden tot problematische situaties binnen de vof.Overigens is het merendeel van de professionals van mening datfinanciële informatie van medevennoten weliswaar nodig is bij eenBbz-aanvraag voor bedrijfskrediet, maar niet nodig zou (behoren te) zijnbij een Bbz-aanvraag voor levensonderhoud. Tijdens het onderzoek isdaarom de suggestie gedaan om te bezien of de regelgeving kan wordenaangepast, zodat bij samenwerkingsverbanden zoals vof’s de informatieover het vermogen van de medevennoten niet nodig is bij de aanvraag entoekenning van een Bbz-aanvraag voor levensonderhoud. Deze voorge-stelde aanpassing kan leiden tot een meer uniforme werkwijze tussengemeenten.2.3 Conclusie Concluderend geeft het onderzoek geen aanleiding tot het ingrijpendaanpassen van de regelgeving rondom de vermogenstoets.–Ondanks de ervaren complexiteit rondom de 30-procent-grens is eruit het onderzoek geen eenduidig beeld gekomen over de noodzaakom (en hoe) de 30-procent-grens te wijzigen, mede gelet op het feit datsituaties waarin dit speelt zich maar beperkt voordoen. Devermogensbeneden- en -bovengrenzen houden verband met hetbijstandskarakter van de regeling. Het percentage van 30% is geba-seerd op de overweging dat kredietverlenende instellingen in hetalgemeen niet verder financieren dan tot maximaal 70% van dewaarde van de bezittingen. De grenzen worden daarom ongewijzigdgehouden.–Rond de waardering van vermogensbestanddelen wensen debetrokken professionals geen aanpassingen in wet- en regelgeving,maar hebben zij anderzijds wel de wens dat er meer uniformiteit komtin de uitvoering hiervan. Ik laat de vermogensgrens in het Bbz daaromongewijzigd.–Ondanks de mogelijke complicaties die kunnen ontstaan in de situatievan een vof met medevennoten is uit een nadere verkenning geenmogelijkheid gebleken om de regels voor deze specifieke situatie aante passen. Dit zou leiden tot een ingewikkelde en gedetailleerdejuridische uitwerking (definities omtrent type samenwerkingsverbanden type medevennoot, zeer gedetailleerde voorwaarden) waardoor deregels voor zowel gemeenten als ondernemers zeer complex worden.Een dergelijke constructie in het Bbz zou in mijn ogen dan ook nietuitvoerbaar zijn. Daarnaast valt niet uit te sluiten dat een dergelijkevrijstelling (voor het verstrekken van informatie over het vermogenvan medevennoten in specifiek benoemde situaties) begunstigendvoor het samenwerkingsverband kan zijn/is. Dit zou ongewenstebevoordeling en concurrentievervalsing tot gevolg kunnen hebben. Iklaat de huidige regels rondom de vermogenstoets van medevennotendaarom ongewijzigd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2797 3. Bescheiden vrij te laten vermogen (onderzoek of de zelfstandige Bbz-gerechtigde net als in de Participatieweteen beroep kan doen op het zogeheten bescheiden vrij te laten vermogen)3.1 Algemeen De onderzoeksvraag was om de optie te onderzoeken van een bescheidenvrij te laten vermogen in het Bbz, waarop de zelfstandig ondernemer netals andere bijstandsontvangers een beroep kan doen bij eenBbz-aanvraag.3.2 Bevindingen Het merendeel van de professionals vindt het lastig uitlegbaar dat hetvermogen (de liquide middelen) van zelfstandig ondernemers eerstteruggebracht moet worden tot nul, voordat er recht op Bbz ontstaat. Zijzouden een bescheiden vrij te laten vermogen in het Bbz enerzijdswenselijk vinden, maar zien dit anderzijds als onuitvoerbaar. Dit komtdoordat privé en bedrijfsvermogen van een zelfstandig ondernemerverstrengeld zijn. De toerekening van verplichtingen naar één van beidevermogensbestanddelen is praktisch onmogelijk en daardoor onuit-voerbaar.Veel gemeenten geven aan dat zij op dit moment ondernemers wel demogelijkheid bieden om specifieke middelen voor reeds voorziene,toekomstige uitgaven te reserveren, zoals voor de heffing van (lokale)privé belastingen. Er zijn ook gemeenten die bij de aanvraag specifiekkijken naar de situatie van de ondernemer en op basis van die situatiemiddelen reserveren. Op deze manier heeft de zelfstandig ondernemerfinanciële middelen beschikbaar voor toekomstige privéuitgaven. Dezewerkwijze staat nu niet in het Bbz. Toch geeft een merendeel van deondervraagden aan codificering van deze werkwijze of van een vastbedrag onwenselijk te vinden, omdat dit ten koste gaat van de maatwerk-mogelijkheden die het Bbz nu biedt.3.3 Conclusie Concluderend geeft het onderzoek geen aanleiding tot aanpassingen in deregelgeving m.b.t. een bescheiden vrij te laten vermogen. Tegenover hetontbreken van een bescheiden vrij te laten vermogen staat dat het Bbzeen omvangrijk vrij te laten noodzakelijk bedrijfsvermogen kent. Dit staatbijstandsverlening niet in de weg, maar is wel relevant voor het bepalenof de Bbz-bijstand wordt verstrekt als lening of om niet. Dit eigen(bedrijfs)vermogen waarover de zelfstandige beschikt, heeft verschillendefuncties. Te denken valt aan het opvangen van bedrijfsrisico’s, definanciering van het bedrijf of beroep en indirect de mogelijkheid tevoldoen aan rente- en aflossingsverplichtingen. Het voor het bedrijfbestemde vermogen moet in het Bbz dan ook buiten beschouwing blijven,mits de bestemming van dit vermogen verantwoord en gewaarborgd is.Hieronder is mede begrepen het vermogen gebonden in de door dezelfstandige en zijn gezin in eigendom bewoonde woning.Gemeenten hebben, zoals onder 3.1 beschreven, een mogelijkheidgevonden om – binnen de kaders van het besluit – bij de Bbz-aanvraageen klein en specifiek deel van het vermogen vrij te laten voor reedsvoorziene, toekomstige privéuitgaven. Deze werkwijze geeft ook invullingaan de zorgplicht van gemeenten om te voorkomen dat ondernemers nietdirect schulden hoeven te maken bij toekomstige uitgaven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2798 II. AANVULLENDE (NIEUWE) AANBEVELINGEN Tijdens de bijeenkomsten met gemeentelijke professionals en onderne-mersvertegenwoordigers zijn diverse onderwerpen aan bod gekomen diein de uitvoering van het Bbz als aandachtspunten en/of knelpuntenworden ervaren. In de rapportage worden op basis van die bevindingenaanvullende aanbevelingen gedaan, die niet specifiek gaan over drieonderzoeksvragen.Eén aanbeveling is gericht aan het Ministerie van SZW en de overigeaanbevelingen zijn gericht aan gemeenten.4. Aanvullende aanbeveling voor het Ministerie van SZW Bezie of de maximale termijn van 36 maanden in het Bbz ten behoeve vande doelgroep starters kan worden opgesplitst in deeltermijnen mettussentijdse levensvatbaarheidstoetsing4.1 Algemeen Wanneer iemand vanuit de bijstand wil starten als zelfstandig onder-nemer, kan de gemeente (indien het bedrijf of zelfstandig beroep alslevensvatbaar wordt beoordeeld) een Bbz-uitkering voor levensonderhoudverstrekken. Dit geeft de ondernemer de kans om het bedrijf op te starten,zodat deze daarmee uiteindelijk zelfstandig in zijn levensonderhoud kanvoorzien. Het Bbz 1995 kende een aparte, maximale termijn voorinkomensondersteuning aan starters, namelijk een termijn van 18maanden. In 1999 is deze termijn gewijzigd naar 36 maanden10, omdat demaximale termijn van 18 maanden in een deel van de gevallen te kort wasen kon leiden tot zowel problemen na de start als tot het afwijzen van hetverzoek om krediet als bleek dat inkomensondersteuning langer nodigwas dan 18 maanden.Het Bbz 2004 heeft de maximale termijn van 36 maanden voor startersovergenomen: artikel 23 eerste lid bepaalt dat de Bbz-uitkering voorstarters voor ten hoogste 36 maanden kan.4.2 Bevindingen Uit het onderzoek komt naar voren dat er gemeenten zijn die worstelenmet de 36-maandstermijn voor starters. De huidige formulering zou ernamelijk mogelijk toe kunnen leiden dat aan starters direct voor 36maanden Bbz wordt verstrekt, zonder dat tussentijds gecheckt wordt of erwel sprake is van een levensvatbaar bedrijf. Een dergelijke benadering kanertoe leiden dat starters gaan «aanmodderen» en zich daarbij in deschulden steken.4.3 Conclusie Met de aanpassing van de termijn naar maximaal 36 maanden is destijdsniet beoogd dat de uitkering direct bij de aanvraag voor de volle termijnvan 36 maanden wordt verstrekt. Dit zou er immers toe kunnen leiden datstarters te lang doorgaan met een niet levensvatbaar bedrijf of zelfstandigberoep en zich daarbij in de schulden steken. Een dergelijke te soepeletoepassing werkt ook concurrentieverstorend, doordat in dat gevalminder-levensvatbare starters de markt op zouden worden geholpen tennadele van reeds gevestigde ondernemers. Concluderend geeft hetonderzoek dan ook aanleiding tot een aanpassing in de regelgeving m.b.t.de termijn voor starters.10Stb. 1999, nr. 542.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 2799 5. Aanvullende aanbevelingen voor gemeenten gericht op dedienstverlening aan zelfstandig ondernemers –Bezie of het aanlooptraject Bbz voor ondernemers verbeterd kanworden en of dit meer klantvriendelijk en laagdrempelig kan wordenvormgegeven.–Schrijf een handzame instructie vanuit het ondernemersperspectiefmet betrekking tot het Bbz traject.5.1 Algemeen Veel zelfstandig ondernemers zijn niet goed bekend met het Bbz enzoeken of vinden niet de juiste informatie hierover. Op het moment dat zijaankloppen bij de gemeente hebben zij zelf nog niet altijd duidelijk voorogen wat voor hulp er beschikbaar is of ze wel specifiek zijn geholpen meteen Bbz-aanvraag of beter met andere ondersteuning. En als het komt toteen Bbz-aanvraag, weten zij vaakniet goed welke gegevens zij moeten aanleveren, hoe de toetsing in zijnwerk gaat en welke consequenties dit kan hebben. Hierdoor kunnen zijmet name de levensvatbaarheidstoets en de vermogenstoets als complexervaren en onzeker zijn over de te verwachten uitkomst.5.2 Bevindingen Goede informatie en begeleiding in het aanlooptraject en tijdens deaanvraag kunnen de ervaren complexiteit bij ondernemers grotendeelswegnemen. Uit het onderzoek komt de aanbeveling om het aanlooptrajectte verbeteren, zodat het eerste gesprek door de zelfstandig ondernemersals laagdrempeliger en klantvriendelijker wordt ervaren. Zo kan dehulpverlening aan de ondernemer breed worden ingestoken en kan dezeworden toegeleid naar het juiste loket en op de juiste wijze wordenbegeleid. Ook vanuit ondernemersperspectief handzame informatie zoubehulpzaam kunnen zijn om de drempel bij ondernemers te verlagen enhen te informeren over bijvoorbeeld het Bbz traject.5.3 Conclusie De door Stichting Stimulansz opgestelde Handreiking Gegevensuitvraagbij de Bbz-aanvraag11 biedt gemeenten inzicht en handvatten om tot eenuniformere manier van uitvoering van Bbz-aanvragen te komen. Ookwerkt Stimulansz op dit moment aan een handreiking die gemeenteninzicht biedt in (het benutten van) gemeentelijke minimaregelingen voorzelfstandigen, met als doel om gemeenten handvatten te bieden omaanvragen van zelfstandigen die een beroep willen doen op minimarege-lingen professioneel te kunnen beoordelen en afhandelen.Deze handreikingen leiden tot meer uniformiteit in de afhandeling vanBbz-aanvragen. Dit draagt bij aan meer voorspelbaarheid voor deaanvragende partij.Uit het onderzoek komt de aanbeveling om, naast de handreikingen voorprofessionals, ook een handreiking te maken vanuit het ondernemersper-spectief.Een Bbz-aanvraag wordt vaak gedaan in tijden van stress en daarmeesamenhangend beperkter doenvermogen en op deze manier is deinformatie voor de zelfstandige in die omstandigheden laagdrempeligvindbaar en transparant. Een dergelijke handreiking zou geïnitieerd11Handreiking Gegevensuitvraag bij de Bbz-aanvraag (Stimulansz, december 2023)Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 27910 kunnen worden vanuit ondernemers(vertegenwoordigers) in samenspraakmet gemeenten.6. Aanvullende aanbevelingen aan gemeenten gericht op kennisen uitvoering van het Bbz –Maak in samenspraak met deskundigen formats ten behoeve vanbeperkte en uitgebreide levensvatbaarheidsonderzoeken.–Zet in op behoud en verdere ontwikkeling van de benodigde kennis opde diverse gebieden die relevant zijn voor het Bbz.6.1 Algemeen Gemeenten hebben aangegeven dat de toetsing van een Bbz-aanvraagveel kennis en vaardigheden vraagt en veel individueel toegespitsteafwegingen omvat. Daardoor is de uitvoering van het Bbz arbeidsintensiefen kunnen er gemeentelijke verschillen ontstaan. Professionals hebben,met behoud van de ruimte voor maatwerk, behoefte aan handvatten vooreen meer uniforme en minder arbeidsintensieve uitvoering.6.2 Bevindingen Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat er bij gemeentelijkeprofessionals een wens is voor meer uniformering in de uitvoering zonderdat de uniformering wordt vastgelegd in de regelgeving, omdat dit laatstede mogelijkheden tot maatwerk zou bemoeilijken. Aanbeveling is daaromom formats te ontwikkelen die vooral zien op beperkte en uitgebreidelevensvatbaarheidsonderzoeken. Door deze formats wordt het voorprofessionals helder welke informatie op welke wijze benodigd is. Ook kanhierdoor een meer uniforme werkwijze tussen gemeenten ontstaan.Tot slot is van belang dat gemeenten inzetten op het onderhouden enverder ontwikkelen van de benodigde kennis op de diverse gebieden dierelevant zijn voor de professionele uitvoering van het Bbz.6.3 Conclusie Gemeenten zijn overtuigd van nut en noodzaak van de kennisdeling enregionale samenwerking die tijdens de uitvoering van de Tozo zijnontstaan. Deze samenwerking wordt door gemeenten zelf verdervormgegeven, bijvoorbeeld binnen de arbeidsmarktregio’s. Gemeentenwillen deze graag continueren en intensiveren. De aanbevelingen rondkennisopbouw, kennisdeling en het ontwikkelen van formats kunnenhierin worden meegenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 311, nr. 27911
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.