Verslag van een schriftelijk overleg over het onderzoek Nivel ‘Patiëntenstops bij huisartsenpraktijken’ (Kamerstuk 33578-140) en over de Beleidsreactie op rapport Algemene Rekenkamer ‘Focus op huisartsenzorg’ (Kamerstuk 33578-141)
Brontekst
Versie 3d5e3a7af1190dbc · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202533 578EerstelijnszorgNr. 157 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 22 mei 2025 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brieven van 2 april 2025 over hetonderzoek Nivel «Patiëntenstops bij huisartsenpraktijken» (Kamerstuk33 578, nr. 140) en over de Beleidsreactie op rapport Algemene Reken-kamer «Focus op huisartsenzorg» (Kamerstuk 33 578, nr. 141).De vragen en opmerkingen zijn op 24 april 2025 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 22 mei 2025zijn de vragen, voorzien van een inleiding, beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Sjerp kst-33578-157ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1571 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie7Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie8II.Reactie van de bewindspersoon9 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactieop het rapport van de Algemene Rekenkamer «Focus op huisartsenzorg»alsmede het Onderzoek van Nivel over «Patiëntenstops bij huisartsenprak-tijken» en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.Zoals in het regeerprogramma is afgesproken zet dit kabinet in opvoldoende praktijkhoudend huisartsen alsmede het verlagen van dedrempels van het praktijkhouderschap om zo meer mensen toegang totgoede huisartsenzorg te bieden. Kan de Minister aangeven hoe het met devorderingen hiervan zit? Hoeveel praktijkhoudend huisartsen zijn erbijgekomen in het afgelopen jaar? Welke drempels zijn er inmiddelsverlaagd om praktijkhouderschap aantrekkelijker te maken? Welkedrempels liggen er nog? Welke knelpunten rondom financiering vanhuisvesting bij huisartsen spelen er op dit moment nog? Is hier hetafgelopen jaar iets aan verbeterd? Welke acties hieromtrent kan de Kamerop korte termijn nog verwachten naast de al ingezette actieplannen die deMinister al benoemd in haar brief?Eind dit jaar wordt de nieuwe raming van het Capaciteitsorgaan verwacht,waarop het aantal opleidingsplaatsen in de huisartsenzorg bepaald zalworden. Het vullen van de opleidingsplekken blijkt helaas echter nu al eenuitdaging. Het Capaciteitsorgaan heeft daarom ook al aangegeven dat hetmeest recente advies mogelijk niet implementeerbaar was en dat er actiefgekeken zal moeten worden naar een betere organisatie van de huisart-senzorg. Kan de Minister al aangeven hoe zij hier in het Aanvullend Zorg-en Welzijnsakkoord (AZWA), invulling aan gaat geven? Wat kunnen dezorgverzekeraars eventueel nog doen om meer huisartsen in opleidingaan te trekken?De Algemene Rekenkamer (hierna: Rekenkamer) concludeert dat er eentekort aan huisartsenzorg is, zeker voor bepaalde regio’s. De Rekenkamerbenoemd dat het tekort aan huisartsen daarvan de oorzaak is, de Ministerbenoemd dit genuanceerder te zien, omdat er op dit moment meerhuisartsen dan ooit tevoren werkzaam zijn in Nederland. Inmiddelshebben we in Nederland op ongeveer 1.250 inwoners een werkzamehuisarts, waar dit in 2012 nog 1 huisarts op ongeveer 1.500 inwoners was.Deelt de Minister de mening dat huisartsenzorg de laatste jaren inten-siever geworden is? Zeker gezien het meer verplaatsen van zorg van detweede naar de eerstelijns? De leden van de PVV-fractie vindt het daaromniet relevant om te blijven benoemen dat er meer huisartsen zijn dan ooittevoren. Feit blijft dat anno 2025 nog steeds 1 op de 20 Nederlanders een(nieuwe) huisarts zoekt en dit probleem opgelost dient te worden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1572 Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interessekennisgenomen van de beleidsreactie op het rapport van de AlgemeneRekenkamer «Focus op huisartsenzorg» en op het Nivel-onderzoek«Patiëntenstops bij huisartsenpraktijken». Genoemde leden hebben grotezorgen over de problemen in de huisartsenzorg en vinden het dan ook vangroot belang dat het kabinet met duurzame oplossingen komt om dehuisartsenzorg te versterken en deze prioriteit geeft.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben meerdere vragen overde beleidsreactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer. Deconclusies van het rapport, namelijk dat ruim 700.000 mensen inNederland op zoek zijn naar een andere huisarts maar die vaak nietkunnen vinden vanwege patiëntenstops, baren deze leden grote zorgen.Huisartsen zijn de poortwachters van ons zorgsysteem. Het hebben vaneen vaste huisarts leidt tot minder vervolgzorg en daarmee tot minderzorgkosten en minder onnodige behandelingen voor patiënten. Deconclusie van de Rekenkamer dat op veel plekken in het land niet meerwordt voldaan aan de regel dat iedereen op een huisarts in de buurt magrekenen, onderstreept dat het water de huisartsenzorg aan de lippen staat,met alle gevolgen van dien voor de patiënt en ons zorgsysteem.De summiere reactie van de Minister op het 50-pagina tellende rapportstelt de betreffende leden niet gerust dat het kabinet de urgentie van ditprobleem voldoende onderkent en begrijpt. Allereerst lezen deze ledendat de Minister de conclusie van de Rekenkamer deelt dat er een tekort isaan huisartsenzorg, maar dat zij niet de conclusie deelt dat dit veroorzaaktwordt door een tekort aan huisartsen. Tegelijk lezen genoemde leden dathet beleid van de Minister erop is gericht om ook in de toekomstvoldoende huisartsen te hebben, en dat zij dit doet door maximaal in tezetten op het opleiden van huisartsen en het verhogen van het aantalopleidingsplaatsen. Hoe rijmt de Minister dit met elkaar? Vindt de Ministerwel of niet dat er sprake is van een huisartsentekort? En heeft dit wat haarbetreft wel of geen invloed op het tekort aan huisartsenzorg? Hoe kijkt deMinister bijvoorbeeld naar het advies van het Capaciteitsorgaan uit 2023dat jaarlijks 1.190 meer basisartsen moeten instromen in de huisartsenop-leiding vanwege de groeiende vraag naar huisartsenzorg, de conclusiesdie het orgaan doet op basis van inzichten in de ontwikkeling van dezorgvraag, de demografische ontwikkelingen en de arbeidstijdontwik-keling? Onderstreept zij dit? Wordt hierbij nog onderscheid gemaakttussen verschillende regio’s? En kijkt de Minister zelf naar demografischeontwikkelingen zoals bevolkingsgroei, wanneer zij schrijft dat zij niet deconclusie deelt dat er een tekort is aan huisartsen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast in de kabinetsre-actie dat het aantal werkzame huisartsen per regio verschilt en hetdaarom belangrijk is om de bereikbare capaciteit aan huisartsen beter inte zetten. Welke stappen worden hiertoe gezet? Met welke verschillendeuitdagingen hebben huisartsen te maken als zij een praktijk in de(rand)stad willen overnemen of starten en wanneer zij een praktijkdaarbuiten (in de regio) willen starten? Erkent de Minister dat beidegroepen huisartsen met eigen uitdagingen kampen en voldoendehandvatten moeten krijgen om een praktijk te starten of over te nemen, endat zij hierin indien nodig ondersteuning verdienen? In de beslisnota lezendeze leden daarnaast dat de voorstellen van de initiatiefnota van het lidBushoff «Stop de commercie, steun de huisarts» worden meegenomen bijde AZWA-onderhandelingen en dat er na afronding van het AZWAinhoudelijk op wordt gereageerd. Kan de Minister dit nader toelichten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1573 Betekent dit, met andere woorden, dat de initiatiefnota nu inzet is van deMinister bij de onderhandelingen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen het gewenste uitgangs-punt van de Minister dat huisartsen weer standaard met een vastepatiëntenpopulatie gaan werken. Ook zij achten het van enorm belang datpatiënten weer een vaste, vertrouwde huisarts hebben, die de patiënt kenten daardoor betere zorg kan leveren dan een arts die de achtergrond engeschiedenis van een patiënt uit een dossier moet vernemen. Genoemdeleden lezen in de kabinetsreactie dat de verzekeraar een belangrijke rolheeft om huisartsen te verleiden zich te vestigen in de (tekort)regio(’s).Hoe ziet de rol van verzekeraars in de huisartsenproblematiek er volgensde Minister uit? Op welke punten kan die worden verbeterd? Pakkenzorgverzekeraars wat de Minister betreft nu voldoende hun rol als het gaatom de huisartsentekorten?De Minister schrijft daarnaast in haar reactie dat er meerdere stappengezet zijn in het Integraal Zorgakkoord (IZA) om het werken met een vastepatiëntenpopulatie aantrekkelijker te maken, waaronder het beterorganiseren van de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-diensten),het invoeren en structureel bekostigen van Meer Tijd voor de Patiënt, hetbeschikbaar stellen van extra uren Praktijkondersteuner Huisarts –Geestelijke Gezondheidszorg (POH-GGZ) in de praktijk en het ontwikkelenvan de Handreiking huisvestingsproblematiek huisartsen en gezondheids-centra. De leden van GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven het belanghiervan, maar vragen waarom er in de Voorjaarsnota een structurelebezuiniging is ingeboekt op Meer Tijd voor de Patiënt van cumulatief96 miljoen van 2026 t/m 2029. Wat zijn de mogelijke gevolgen hiervan? Enals er sprake is van onderuitputting, waarom is er niet gepoogd een anderdoel te vinden voor deze middelen op het gebied van de huisartsenzorg,zeker aangezien de Minister zelf schrijft dat de ambitie van haar en kabinetop dit vlak om «extra stappen» vraagt? In hoeverre verwacht zij dezestappen op te kunnen vangen met het AZWA? Zijn deze verwachtingenmet de huidige middelen en de bezuiniging op de VWS-begroting bij deVoorjaarsnota nog realistisch? Hoe gaat de Minister, met andere woorden,invulling geven aan de afspraak in het regeerprogramma dat het kabinetinzet op voldoende praktijkhoudend huisartsen en het verlagen van dedrempels van het praktijkhouderschap om zo meer mensen toegang totgoede huisartsen te bieden?Tot slot lezen de genoemde leden over het voornemen van het kabinet omin het AZWA afspraken te maken over het opzetten van een landelijk«ruilsysteem» voor patiënten, zodat het makkelijker wordt om te wisselenof ruilen van huisarts, bijvoorbeeld na een verhuizing. Kan de Ministerdeze plannen nader toelichten? Hoe verwacht de Minister de problemenhiermee op te lossen, aangezien de ene huisartsenpraktijk populairder isdan de andere en de meeste mensen binnen eenzelfde regio verhuizen endoorgaans niet van een regio met een tekort aan huisartsen naar eenregio met voldoende huisartsen? Erkent de Minister dat dit voor patiëntenin dunbevolkte regio’s of die in een dorp wonen met één huisarts geenoptie is? Kan de Minister garanderen dat dit niet leidt tot extra administra-tieve kosten voor huisartsenpraktijken? Welke rol ziet de Minister hierinweggelegd voor zorgverzekeraars? Tot slot vragen deze leden hoe wordtomgegaan met de wensen van (beginnend) huisartsen voor een beterewerk-privébalans. Welke oplossingen draagt de Minister hiervoor aan?Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie met veelbelangstelling kennisgenomen van het Nivel-rapport «Patiëntenstops bijhuisartsenpraktijken». Zij achten het van groot belang dat hiermeeeindelijk systematisch is onderzocht wat het perspectief van de huisartsTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1574 op patiëntenstops is en welke redenen zij hebben voor het (gedwongen)invoeren hiervan. Deze leden vinden het schrikbarend dat 59% van dehuisartsenpraktijken het afgelopen jaar een vorm van een patiëntenstopheeft gehad en dat deze vaak van langdurige of meer permanente aardzijn. Nivel concludeert dat het voorkomen van patiëntenstops varieert perregio in Nederland, mede door verschillen in personeelscapaciteit,arbeidsmarktknelpunten, huisvestingsmogelijkheden en demografischefactoren. Hoe wordt dit meegenomen en omgezet in beleid? De Ministerschrijft in reactie op het rapport dat de conclusies duidelijk laten zien «datregionaal en zelfs lokaal maatwerk nodig is». Kan de Minister hier naderop ingaan? Wat bedoelt zij hiermee en hoe wordt hier invulling aangegeven? Hoe wordt bijvoorbeeld gestimuleerd dat huisartsen in regio’sof wijken waar een tekort is praktijken overnemen of beginnen?Uit het Nivel-onderzoek blijkt daarnaast dat de patiëntpopulatie in deomgeving van praktijken met patiëntenstops verschilt van de patiëntpopu-latie in de omgeving van praktijken zonder patiëntenstops. Zo komt eenduidelijk verband naar voren met een lagere sociaaleconomische positie.Hoe kijkt de Minister hiernaar, ook omdat hier mogelijk groepen doorgeraakt worden die al een hogere zorgvraag hebben of te maken hebbenmet grotere onderlinge gezondheidsverschillen? Nivel vindt bijvoorbeeldeen duidelijk verband tussen meer patiëntenstops en meer stedelijkeomgevingen, waar achterstandsproblematiek vaker voorkomt en relatiefmeer patiënten wonen die een complexe zorgvraag hebben. De leden vande GroenLinks-PvdA-fractie vrezen dat de eventuele gezondheidsver-schillen in deze gebieden door een hogere concentratie van patiënten-stops nog verder zullen toenemen. Hij kijkt de Minister hiernaar? Omnauwkeuriger na te gaan of de toegankelijkheid voor sommige groepenpersonen die oververtegenwoordigd zijn in deze gebieden hiermeedaadwerkelijk lager ligt, is volgens Nivel meer onderzoek nodig naar depatiënten- en zorgvraag-kenmerken in het verzorgingsgebied of de praktijkvan huisartsen. Is de Minister van plan of bereid om dergelijk onderzoekin gang te zetten, en daarbij specifiek te kijken naar de samenhang tussenpatiëntenstops, stedelijkheid en patiëntkenmerken?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het Nivel-onderzoekbovendien dat de meest genoemde reden voor een patiëntenstop eenhoge zorgdruk binnen de patiëntpopulatie (59%) is. Dit verwijst naar hetaantal contacten/consulten binnen de praktijk. Hoe kijkt de Minister naarmogelijke oplossingen voor dit probleem? Is zij bijvoorbeeld bereid tekijken of populatiebekostiging hier een uitkomst kan bieden, waarbijrekening wordt gehouden met de kenmerken van de betreffende populatiein een wijk of regio? Op welke andere manieren kan worden gestimuleerddat een hoge zorgdruk binnen de patiëntpopulatie niet tot meer patiënten-stops leidt?Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de oorzaken van patiëntenstops,waaronder een relatief hoge zorgzwaarte van de patiëntenpopulatie tenopzichte van de beschikbare personele capaciteit maar ook huisvestings-problemen waardoor niet kan worden uitgebreid, elkaar versterken.Daarom gaven huisartsen aan dat zij weinig maatregelen zien die zij zelfkunnen nemen om patiëntenstops te voorkomen of op te heffen. Hoe kijktde Minister hiernaar? Deelt zij deze analyse? En zo ja, betekent dit dat hetnemen van verlichtende maatregelen of het aanreiken van oplossingenvoor een groot deel bij de (zowel lokale als regionale) politiek ligt en datdit dus vooral knoppen zijn waar de politiek aan kan draaien? Wat doet deMinister specifiek om het huisvestingsprobleem aan te pakken, met namein de stedelijke gebieden waar de problemen hieromtrent nog groter zijnvanwege schaarse beschikbaarheid en hoge kosten? Hoe kijkt de Ministernaar de voorstellen hierover, zoals het verantwoordelijk maken vanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1575 zorgverzekeraars en huisartsenorganisaties voor het opzetten vannetwerken die startende en stoppende praktijkhouders begeleiden en aanelkaar koppelen of om de administratieve lasten voor praktijkhoudersomlaag te brengen, bijvoorbeeld door de hulpmiddelenzorg weer onder tebrengen bij de apotheker en simpele knoppen aan het patiëntendossiertoe te voegen voor handelingen die nu onnodig veel tijd kosten?Onderschrijft de Minister de doelen van deze voorstellen en deelt zij demening dat deze ten goede kunnen komen aan het oplossen van deproblemen in de huisartsenproblematiek?Hoe beziet de Minister tot slot de rol van private equity en commerciëlepartijen in de huisartsenproblematiek? Op welke manier neemt zij dit meein de probleemanalyse? Is zij bereid (meer) drempels op te werpen voorprivate equity en commerciële partijen die de zorg voor de patiënt tengoede moeten komen, zodat niet het maken van winst maar het leverenvan goede zorg voorop blijft staan? We hebben immers gezien dat hetovernemen van huisartsenpraktijken door private equity of commerciëlepartijen meermaals tot aantoonbaar veel slechtere zorg heeft geleid, denkaan de grote misstanden die ontstonden bij Co-Med of Quin Dokters.Terwijl zij pretendeerden efficiëntere zorg te kunnen leveren doorbijvoorbeeld schaalvergroting en digitalisering, werd er in de praktijkvooral beknibbeld op de kwaliteit van zorg en de bereikbaarheid. Hoe gaatde Minister voorkomen dat deze partijen in het gat springen dat ontstaatdoor de problemen waar reguliere huisartsen tegenaan lopen?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van (de reactie op)het rapport van de Algemene Rekenkamer en Nivel over huisartsentekorten patiëntenstops. Zij hebben hierbij nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie merken op dat veel informatie ontbreekt ofniet duidelijk is, denk aan de aantallen fte’s en productiviteit. Op basis vanwelke cijfers maakt en evalueert het kabinet beleid voor de eerstelijnszorgen afspraken in huidige en toekomstige zorgakkoorden? Hoe denkt deMinister effectieve afspraken te kunnen maken als essentiële informatieover het aantal fte’s en productiviteit ontbreekt?Uit onderzoek van SiRM1 bleek al dat een uur extra werken in de zorg eenzeer positieve bijdrage kan leveren aan het oplossen van het personeels-tekort. Dat geldt zeker ook voor huisartsen, maar ook in dat deel van dezorgsector lijkt de wens om deeltijd te werken te domineren. De leden vande VVD-fractie vragen een reactie van de Minister op deze constatering.Op welke manier gaat zij het meer uren werken in de huisartsenzorgstimuleren?Volgens Nivel zijn 45 tot 230 huisartsenpraktijken overgenomen doorcommerciële investeerders, een ruime schatting. De leden van deVVD-fractie vinden het jammer dat negatieve voorbeelden, zoals Co-Med,ook de kwalitatief goede en goed bereikbare ketens van huisartsen in eenkwaad daglicht zetten. Deelt de Minister de visie dat ketens vanmeerwaarde kunnen zijn om huisartsenzorg toegankelijk te houden?1SiRM, 11 september 2023, De potentie van een hogere deeltijdfactor | SiRM.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1576 De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de manier waaropomgegaan wordt met zzp’ers in de zorg en hun opdrachtgevers.2 Klopt hetdat het kabinet nog niet heeft gereageerd op de door de LandelijkeHuisartsen Vereniging (LHV) opgestelde casuïstiek? Zo ja, wanneer wordtdeze reactie naar de Kamer gestuurd? Wat is uw verwachting van dewetgeving tegen schijnzelfstandigheid op de problemen die geschetstworden in zowel het Algemene Rekenkamer-rapport als het Nivel-rapport?Tot slot vinden de leden van de VVD-fractie het opvallend dat in hetNivel-rapport de oplossingsrichtingen digitalisering en meer hybride zorgzeer laag scoren. Zo heeft de commerciële aanbieder Arts en Zorg hetaantal praktijkbezoeken en de werkdruk aanzienlijk weten te verlagen doorde inzet van digitale consulten zonder aan kwaliteit in te boeten. Hierdoorkunnen huisartsen meer tijd besteden aan patiënten die een fysiek bezoeknodig hebben. Welke potentie ziet de Minister in digitale en hybridehuisartsenzorg in de aanpak van de geschetste problematiek? Hoe wil zijstimuleren dat deze oplossingsrichtingen worden aangeboden?Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de stukken overhuisartsenzorg. Zij hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de NSC-fractie lezen dat de Minister zich maximaal gaatinzetten op het opleiden van huisartsen, maar tegelijkertijd erkent dat dituitdagend is en dat er gewerkt moet worden aan een betere organisatievan de huisartsenzorg. In hoeverre wordt er in de huidige plannenvoldoende rekening gehouden met de regionale verschillen in tekorten?Zijn er concrete acties die gericht zijn op het versterken van de aantrekke-lijkheid van het huisartsenvak in de onderbevoorrechte regio’s?De leden van de NSC-fractie zijn van mening dat het verlagen van dewerkdruk een cruciale factor is voor het behoud van huisartsen. Deelt deMinister deze visie en zo ja, welke concrete maatregelen is zij bereid tenemen om de werkdruk voor huisartsen te verlagen?De leden van de NSC-fractie lezen dat het aantal huisartsen dat werkt meteen vaste patiëntenpopulatie al jaren achterblijft en dat het aantalhuisartsen dat als praktijkhouder werkt is gedaald. Deze leden merken opdat veel huisartsen drempels ervaren bij het oprichten van een eigenpraktijk. Welke concrete stappen onderneemt de Minister om de dalendetrend te keren en de drempels te verlagen?Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieMet interesse hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van debrief van de Minister met de beleidsreactie op het rapport AlgemeneRekenkamer «Focus op huisartsenzorg». Daartoe hebben deze ledenverdere vragen.De Minister geeft in deze brief aan dat de Rekenkamer geconcludeerdheeft dat er een tekort aan huisartsen is, en dat dit tekort in de toekomstnog verder zal toenemen. Voorts vragen de leden van de D66-fractie aande Minister welke structurele oorzaken de Minister ziet voor het aanhou-dende huisartsentekort, en hoe worden deze aangepakt in de plannen van2Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2024–2025, nr. 1842. Antwoord op vragen van deleden Tielen en Aartsen over de ontwikkelingen rondom zelfstandige zorgprofessionals (zzp’ersin de zorg) onder andere zoals beschreven in het artikel van RTL «In maand tijd ruim 4000minder zzp’ers, vooral in de zorg».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1577 de Minister. Deze leden vragen op welke wijze de Minister zich inspant omhet beroep van huisartsen toekomstbestendig te maken, ook gezien detoenemende werkdruk. Kan de Minister hierbij ingaan op het gegeven dater nu meer huisartsen dan ooit zijn? En of zij net als de leden vanD66-fractie ziet dat er kansen liggen in het breder inzetten van anderezorgverleners in de eerstelijnszorg en hulpverleners uit het sociaaldomein? Zo ja, op welke wijze is de Minister van plan om deze kansen tebenutten? Voorts vragen deze leden, wat zijn de plannen van de Ministerten aanzien van het beter spreiden van huisartsen over regio’s met eentekort?De leden van de D66-fractie hebben zorgen omtrent de huisvesting voorhuisartsenpraktijken. Erkent de Minister dat een tekort aan passendepraktijkruimten een belemmering vormt voor huisartsen om zich tevestigen? Op welke wijze wil de Minister gemeenten stimuleren ofondersteunen om in bestemmingsplannen in nieuwbouwwijkenvoldoende ruimte te reserveren voor huisartsenpraktijken? Ook vragendeze leden of de Minister bereid is te onderzoeken of er (tijdelijke)financieringsinstrumenten nodig zijn om praktijkruimten te realiseren ingebieden waar dit financieel gezien lastig is.Tot slot, deze leden vinden het belangrijk dat er op korte termijn plannenbekend zullen worden gemaakt om deze problemen aan te pakken.Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of de Minister kan aangevenwat haar overkoepelende inzet is om ervoor te zorgen dat de toegang totde huisartsenzorg verbeterd wordt. Kan de Minister daarbij toelichtenwelke stappen zij al heeft ondernomen en wat de Kamer verder kanverwachten?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben de recente onderzoeken over dehuisartsenzorg gelezen. Ze hebben hierover een aantal vragen aan deMinister.Genoemde leden vinden de rol van de huisarts als poortwachter heelbelangrijk. Toch zien zij dat deze rol in sommige regio’s niet goed werkt. Indeze regio’s willen weinig huisartsen een praktijk starten. Dat is eenprobleem, zeker omdat er straks meer ouderen bijkomen in die gebieden.De Minister zegt dat zorgverzekeraars een belangrijke taak hebben: zemoeten huisartsen helpen om zich in deze regio’s te vestigen. Welkeinstrumenten geeft de Minister aan zorgverzekeraars om huisartsen testimuleren om naar deze regio’s te komen?Daarnaast lezen genoemde leden dat de Minister eind dit jaar opnieuwkijkt naar het aantal opleidingsplekken voor huisartsen, op basis vannieuwe cijfers. Deze leden vinden dat de opleiding tot basisarts ook meeraandacht moet geven aan het praktijkhouderschap. Is de Minister bereidom, samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, teverkennen hoe het praktijkhouderschap meer structureel opgenomen kanworden in de coschappen van de opleiding tot basisarts? Bijvoorbeelddoor het als leerdoel op te nemen in het raamplan voor de coschappen?Verder horen de leden van de BBB-fractie dat huisartsen moeite hebbenom zich ergens te vestigen. Door de krappe woningmarkt is er vaak teweinig ruimte of zijn de panden te duur. Kan de Minister toezeggen omsamen met gemeenten te zorgen voor voldoende betaalbare en geschikteplekken voor huisartsen, in elk dorp en elke wijk?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1578 Tot slot ZZP huisartsen, genoemde leden zijn op de hoogte gebracht vanhet feit dat de LHV uitgebreide casuïstiek heeft aangeleverd bij de Ministervan VWS, de Minister van SZW en de Belastingdienst. Tot op heden heeftdit echter niet geleid tot duidelijkheid. Sterker nog, de situatie is alleenmaar onduidelijker geworden door het onverwachte besluit om allegeldige modelovereenkomsten te verlengen tot 1 januari 2029. Kan deMinister toezeggen om bij de Minister van SZW en de Staatssecretaris vanFinanciën er op aan te dringen dat de Belastingdienst geen sancties metterugwerkende kracht oplegt tot 1 januari 2025, zo lang er geen duide-lijkheid is over de ingediende casuïstiek van huisartsen en over de statusvan modelovereenkomsten in relatie tot de criteria die de Belastingdiensthanteert bij handhaving?II. Reactie van de bewindspersoon InleidingOp 2 april jl. heeft de Algemene Rekenkamer het focusonderzoek «Focusop huisartsentekort» aangeboden aan de Tweede Kamer. Diezelfde dagheeft u mijn reactie op dit rapport ontvangen3. Daarnaast heb ik uwKamer het rapport van het Nivel over patiëntenstops bij huisartsenprak-tijken toegestuurd4. Naar aanleiding van deze twee rapporten en mijnbeleidsreactie daarop hebben verschillende fracties vragen gesteld in eenSchriftelijke Overleg. Met deze brief stuur ik u de antwoorden op dezevragen.In deze antwoorden ga ik in op de afspraken die ik beoog te maken metveldpartijen in het «aanvullend zorg- en welzijnsakkoord» (AZWA). Omdatuw Kamer mij heeft verzocht de vragen uit het Schriftelijke Overleg tebeantwoorden voor het notaoverleg over de initiatiefnota Bushoff (26 mei2025), acht ik het van belang om u te informeren over mijn inzet. Hierbijmoet ik natuurlijk een voorbehoud maken. Het onderhandelaarsakkoord isnog niet gesloten en, nadat dit is gebeurd, vindt een achterbanraad-pleging plaats. De toelichting over het AZWA in deze brief betreft dusuitdrukkelijk mijn inzet.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactieop het rapport van de Algemene Rekenkamer «Focus op huisartsenzorg»alsmede het Onderzoek van Nivel over «Patiëntenstops bij huisartsenprak-tijken» en hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.Zoals in het regeerprogramma is afgesproken zet dit kabinet in opvoldoende praktijkhoudend huisartsen alsmede het verlagen van dedrempels van het praktijkhouderschap om zo meer mensen toegang totgoede huisartsenzorg te bieden. Kan de Minister aangeven hoe het met devorderingen hiervan zit?Net zoals de leden van de PVV-fractie vind ik het belangrijk dat ervoldoende praktijkhoudend huisartsen zijn. Om te zorgen dat iedereinwoner van Nederland zich kan inschrijven bij een huisarts in de buurt, ishet van belang dat het aantal huisartsen dat werkt met een vastepatiëntenpopulatie toeneemt. Landelijk gezien hebben we op dit momentmeer huisartsen dan ooit en daarmee voldoende werkzame huisartsen omdit doel te bereiken. Op dit moment is er circa één werkzame huisarts op3Kamerstuk 33 578, nr. 1414Kamerstuk 33 578, nr. 140Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 1579 1.250 inwoners, terwijl dit in 2012 nog één huisarts op de circa1.500 inwoners was. Echter, relatief neem het aantal praktijkhoudendhuisartsen af (zie figuur 1). Daarom beoog ik met de partijen in hetAanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (hierna: AZWA) de afspraak temaken dat het werken met een vaste patiëntenpopulatie weer de normwordt voor huisartsen. Dat is niet eenvoudig omdat er verschillendefactoren hieraan in de weg staan. Ik wil hiervoor meerdere acties tegelijkin gang zetten. Enerzijds werk ik met partijen aan een set landelijkemaatregelen (de «werkagenda»). Anderzijds beoog ik afspraken te makenover regionaal maatwerk via de contractering door zorgverzekeraars.Mijn inzet voor de landelijke afspraken betreft onder andere:•Om te zorgen dat mensen makkelijker kunnen wisselen van huisartsdient er een landelijk functionerend ruil- en inschrijfsysteem te komen.Hiermee moet ook het inschrijfproces bij een huisartsenpraktijkeenvoudiger worden. Verschillende regio’s, zoals Haaglanden enOost-Brabant, hebben op regionale schaal al hierin initiatief genomen.De ervaringen uit deze initiatieven wil ik met de partijen meenemen inhet opzetten en uitrollen van een landelijk werkend systeem.•Er is een extra stap nodig in de aanpak van huisvestingsproblematiekonder huisartsen. Ik beoog afspraken te maken hoe financiëleknelpunten opgelost kunnen worden. Enerzijds met een nieuwe versievan de handreiking huisvesting en anderzijds met maatwerk per regio(zoals hieronder wordt beschreven onder de tweede beoogdeafspraak). Ook wil ik rollen en verantwoordelijkheden van onder meerhuisartsen zelf, gemeenten en zorgverzekeraars verder aanscherpen.•Ik ga met de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) in gesprek overtoekomstbestendige bekostiging van huisartsenzorg. Ik wil namelijkdat de bekostiging maximaal bijdraagt aan de toegankelijkheid van dehuisartsenzorg. Bovendien ben ik voornemens de NZa vragen per 2027de bekostiging in de huisartsenzorg aan te passen om maatwerkaf-spraken over de continuïteit van de huisartsenzorg te stimuleren. Metmaatwerk kunnen de drempels van het praktijkhouderschap in elkeregio verlaagd worden.•Samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV), InEen,Zorgverzekeraars Nederland (ZN), opleidingen en experts uit het velden de wetenschap wil ik onderzoeken welke mogelijkheden er zijn omactiever te sturen op spreiding van huisartsen over het land.•Tot slot werken huisartsen zelf onder leiding van het Zorginstituut aanhet vertalen van de kernwaarden van de huisartsenzorg naar werkbareen toetsbare uitgangspunten of normen. Zo kunnen deze kernwaarden,waaronder continuïteit, beter worden geborgd bij de inkoop doorzorgverzekeraars en door het toezicht van de toezichthouders.Het doel van de afspraken die ik beoog te maken over regionaal maatwerkis om de toegankelijkheid van huisartsenzorg in elke regio te garanderen.De stappen die hiervoor nodig zijn kunnen per regio verschillen. Daaromwil ik in het AZWA af spreken dat huisartsen, regionale huisartsenorgani-saties (RHO’s) en zorgverzekeraars gezamenlijk de verantwoordelijkheidnemen om de toegankelijkheid en continuïteit van huisartsenzorg in elkeregio duurzaam te borgen. Ik zie dit als de gezamenlijke topprioriteit. Erzijn al verschillende goede voorbeelden van regio’s die hierin hunverantwoordelijkheid nemen. Zo lukt het bijvoorbeeld Zeeland en Twenteom jonge huisartsen te verleiden om zich te vestigen als praktijkhouder.Dit soort goede voorbeelden gaan we opschalen. Zorgverzekeraars spelenhierin een belangrijke rol, omdat zij zorgplicht hebben voor hun verze-kerden. Mijn inzet is dat zij, in nauwe samenwerking met huisartsen in deregio, met maatwerk in de contractering investeren in werven, behoudenof ondersteunen van praktijkhoudend huisartsen, het starten, overnemenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15710 of uitbreiden van praktijken of het introduceren van innovatieve vormenvan werken in de regio.Het budgettair kader huisartsenzorg dient voor deze afspraken uiteraardvoldoende ruimte te bieden. Zoals afgesproken in het Hoofdlijnenakkoordgroeit dit kader 2027 en 2028 met hetzelfde percentage als het laatste jaarIntegraal Zorgakkoord (IZA) (3,5% per jaar).Hoeveel praktijkhoudend huisartsen zijn er bijgekomen in het afgelopenjaar?Het Nivel publiceert jaarlijks gegevens over de arbeidsmarkt in dehuisartsenzorg. De meest recente rapportage5 laat zien dat er in 20237.561 praktijkhoudend huisartsen waren. Dit is een afname van 24 prak-tijkhoudend huisartsen ten opzichte van 2022. In totaliteit nam het aantalhuisartsen in 2023 toe met 195 huisartsen ten opzichte van 2022 (zie figuur1).1 https://www.nivel.nl/nl/publicatie/huisartsen-en-praktijken-kaart-cijfers-uit-nivel-beroepenregistraties-de-zorg-2023-2024Welke drempels zijn er inmiddels verlaagd om praktijkhouderschapaantrekkelijker te maken? Welke drempels liggen er nog?Met het Integraal Zorgakkoord zijn al flink wat drempels verlaagd om hetpraktijkhouderschap voor huisartsen aantrekkelijker te maken. Op ditmoment heeft iedere huisartsenpraktijk toegang tot (structurele bekos-tiging van) Meer Tijd voor de Patiënt (MTVP). MTVP leidt tot kwalitatiefbetere zorg, verlaging van de werkdruk én meer werkplezier onder dehuisartsen. Ook is de organisatie van de avond-, nacht-, en weekenduren(ANW-uren) aangepast zodat de verantwoordelijkheid voor deze diensteneerlijker verdeeld is over de praktijkhoudend huisartsen en de niet-praktijkhoudend huisartsen. Daarnaast is het aantal uren poh-ggz in dehuisartsenpraktijk verhoogd én zijn er afspraken gemaakt over hoehuisvestingsproblematiek voor huisartsenpraktijken moet wordenaangepakt.5https://www.nivel.nl/nl/publicatie/huisartsen-en-praktijken-kaart-cijfers-uit-nivel-beroepenregistraties-de-zorg-2023-2024Figuur 1 Aantal huisartsen in Nederland naar functie in de periode 2013–2023Bron: Nivel (2025), Huisartsen en praktijken in kaart Cijfers uit Nivel Beroepenregistraties in deZorg 2023–20241Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15711 Met het AZWA wil ik een volgende stap zetten. Mijn doel is om met departijen voort te bouwen op de vele goede voorbeelden die de laatstejaren zijn ontstaan in verschillende regio’s om (jonge) huisartsen te helpenbij de stap naar het praktijkhouderschap.Welke knelpunten rondom financiering van huisvesting bij huisartsenspelen er op dit moment nog? Is hier het afgelopen jaar iets aanverbeterd? Welke acties hieromtrent kan de Kamer op korte termijn nogverwachten naast de al ingezette actieplannen die de Minister al benoemdin haar brief?Een belangrijk deel van het aantrekkelijker maken van het praktijkhouder-schap én een voorwaarde voor toegankelijke huisartsenzorg is betaalbareen passende huisvesting voor huisartsenpraktijken en gezondheidscentra.Mijn uitgangspunt daarbij is dat het organiseren van huisvesting hoort bijhet ondernemerschap van een praktijkhoudend huisarts. Huisvestingspro-blematiek wordt een probleem als daarmee de toegankelijkheid van dehuisartsenzorg onder druk komt te staan. In dat geval hebben ookzorgverzekeraars, RHO’s en gemeenten een belangrijke rol.De tarieven voor huisvesting zijn verdisconteerd in de gemiddeldkostendekkende tarieven van de huisartsenzorg. Toch komt het soms voordat huisartsen bij een uitbreiding of verhuizing naar een nieuw pand temaken krijgen met kosten die niet volledig gedekt kunnen worden uit detarieven. Deze incidentele kosten kunnen daarmee drukken op detoegankelijkheid van de huisartsenzorg omdat het een huisarts kanbelemmeren om uit te breiden. Zoals toegelicht in mijn antwoord op devraag van de PVV-fractie over mijn ambities in het regeerprogramma,beoog ik met de partijen af te spreken dat huisartsen, RHO’s en zorgverze-keraars gezamenlijk de verantwoordelijkheid van een toegankelijkehuisartsenzorg in de regio dragen. Het is mijn inzet dat zorgverzekeraars,in nauwe samenwerking met RHO’s, hiervan een prioriteit maken doormiddel van maatwerk in hun inkoopbeleid. Maatwerk kan ook wordeningezet voor huisvestingsproblematiek, wanneer er in een regio sprake isvan toegankelijkheidsproblematiek die daardoor (mede) wordt veroor-zaakt. Om te voorkomen dat regio’s zelf het wiel moeten uitvinden, beoogik landelijke afspraken te maken over de kaders voor het inzet vanmaatwerk.Naast de afspraak over regionaal maatwerk, werk ik ook met de partijenaan een hernieuwde versie van de Handreiking Huisvestingsproblematiek(hierna: Handreiking). Ik wil met de landelijke partijen de afspraak makendat hun leden werken volgens het principe «pas toe, of leg uit». Hiermeewordt de status van de Handreiking verder verstevigd met als doel decontinuïteit van huisartsenzorg – nu en in de toekomst – te borgen. Denieuwe versie van de handreiking gaat ook in op oplossingen voorfinanciële knelpunten, waaronder het genoemde maatwerk.Eind dit jaar wordt de nieuwe raming van het Capaciteitsorgaan verwacht,waarop het aantal opleidingsplaatsen in de huisartsenzorg bepaald zalworden. Het vullen van de opleidingsplekken blijkt helaas echter nu al eenuitdaging. Het Capaciteitsorgaan heeft daarom ook al aangegeven dat hetmeest recente advies mogelijk niet implementeerbaar was en dat er actiefgekeken zal moeten worden naar een betere organisatie van de huisart-senzorg. Kan de Minister al aangeven hoe zij hier in het Aanvullend Zorg-en Welzijnsakkoord (AZWA), invulling aan gaat geven?Zoals aangegeven in mijn reactie op de eerste vraag van de PVV-fractieben ik met de huisartsenpartijen en zorgverzekeraars in gesprek omstevige afspraken te maken om het praktijkhouderschap aantrekkelijker teTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15712 maken. Als meer huisartsen met een vaste patiëntenpopulatie werken,wordt de huisartsenzorg effectiever en kunnen meer mensen zich bij eenhuisartsenpraktijk inschrijven.Daarnaast is mijn inzet in het AZWA de versterking van de eerstelijnszorgstructureel te borgen, zoals in de visie eerstelijnszorg 2030 beoogd is.Hierdoor wordt in de wijk de samenwerking verbeterd door het inrichtenvan een hecht wijkverband. Zo’n verband bestaat ten minste uit eenhuisarts, wijkverpleging, apotheekzorg en sociaal domein professional. Ditzorgt ervoor dat de huisarts niet alleen staat in het wijkmanagement maardit samen doet. Daarnaast versterken we de «achterkant» van deeerstelijnszorg door regionale eerstelijnssamenwerkingsverbanden in terichten. Dit moet er onder andere voor zorgen dat er heldere samenwer-kingsafspraken komen in de regio en zorgverleners worden ontzorgd enondersteund zodat zij meer tijd hebben voor hun patiënten.Wat kunnen de zorgverzekeraars eventueel nog doen om meer huisartsenin opleiding aan te trekken?Ik zie een belangrijke rol voor zorgverzekeraars bij het komen tot eengezamenlijke regionale aanpak om de toegankelijkheid en continuïteit vande huisartsenzorg in elke regio te borgen. Met de beoogde afspraak overmaatwerk in de regio kunnen zorgverzekeraars via de contractering(financiële en inhoudelijke) afspraken hierover maken in nauwe samen-werking met RHO’s en huisartsen. Ik verwacht dat alle zorgverzekeraarsdeze rol in de toekomst ook pakken.Een goed voorbeeld van regionale initiatieven waarbij de zorgverzekeraareen rol speelt, is Polderdokter6: een initiatief van de gemeente Noordoost-polder in samenwerking met Zilveren Kruis en de RHO waarbij huisartsenrichting de Noordoostpolder worden getrokken en gebonden. Polder-dokter doet dit onder andere door huisartsen in opleiding (haio’s) hunhele opleiding in Noordoostpolder/Urk te laten volgen. Hierdoor kunnenhaio’s de gemeente beter leren kennen én alvast aan hun toekomstbouwen. Daarnaast biedt Polderdokterin samenwerking met de zorgverzekeraar ook voordelen voor (netafgestudeerde) huisartsen door hen te ondersteunen in de opzet ofovername van een praktijk, bijvoorbeeld met praktijkmanagement of deICT. Ook zijn er afspraken door de gemeente gemaakt waardoorhuisartsen voorrang krijgen bij de kinderopvang. Dit sluit aan bij debevindingen van het Nivel dat ook de privésituatie van jonge huisartsenbepalend is voor de keuze waar zij zich vestigen7. Door deze samenhan-gende aanpak lukt het deze regio jonge huisartsen aan te trekken.Mijn inzet in het AZWA is, zoals toegelicht, om afspraken te maken datzorgverzekeraars in elke regio hun verantwoordelijkheid voor de toegan-kelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg nemen.De Algemene Rekenkamer (hierna: Rekenkamer) concludeert dat er eentekort aan huisartsenzorg is, zeker voor bepaalde regio’s. De Rekenkamerbenoemd dat het tekort aan huisartsen daarvan de oorzaak is, de Ministerbenoemd dit genuanceerder te zien, omdat er op dit moment meerhuisartsen dan ooit tevoren werkzaam zijn in Nederland. Inmiddelshebben we in Nederland op ongeveer 1.250 inwoners een werkzame6Een initiatief van Medrie, Zilveren Kruis, huisartsenopleiding UMCG, de gemeente Noordoost-polder en de huisartsenpraktijken in de regio.7Nivel, Waar wil de (jonge) huisarts werken?, https://www.nivel.nl/sites/default/files/bestanden/1004704.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15713 huisarts, waar dit in 2012 nog 1 huisarts op ongeveer 1.500 inwoners was.Deelt de Minister de mening dat huisartsenzorg de laatste jaren inten-siever geworden is? Zeker gezien het meer verplaatsen van zorg van detweede naar de eerstelijns? De leden van de PVV-fractie vindt het daaromniet relevant om te blijven benoemen dat er meer huisartsen zijn dan ooittevoren. Feit blijft dat anno 2025 nog steeds 1 op de 20 Nederlanders een(nieuwe) huisarts zoekt en dit probleem opgelost dient te worden.Het klopt dat er in de afgelopen decennia veel zorg verschoven is van detweede naar de eerste lijn. Vaak met positieve effecten. Zo hoevenmensen met een chronische aandoening veel minder vaak naar hetziekenhuis omdat hun eigen huisarts een groot deel van de zorg op zichneemt. Eenzelfde beweging hebben we gezien met de introductie van depoh-ggz, waardoor mensen met psychische klachten vaker in de huisart-senpraktijk geholpen kunnen worden. Tegelijkertijd leidt dit inderdaad toteen stijging van de zorgvraag in de huisartsenzorg. Verplaatsing van zorgkan dus alleen in goed overleg tussen de domeinen en als we daarbij ooghouden voor de werkdruk van huisartsen.Mijn inzet in het AZWA is daarom het versterken van de eerstelijnszorg eneen betere samenwerking tussen domeinen. Zo weten we dat niet elkconsult bij de huisarts gaat over een zorgvraag. Als mensen op eenandere plek, of met digitale ondersteuning, beter geholpen kunnenworden, kunnen we de druk op de huisartsenzorg verminderen.Zoals aangegeven doe ik er alles aan om te zorgen dat iedere inwonerszich kan inschrijven bij een huisarts in de buurt. Ik beoog daarover in hetAZWA een samenhangend pakket van maatregelen af te spreken. Mijninzet daarbij is niet alleen maar dat er méér huisartsen komen, maar dateen groter deel van de huisartsen gaat werken met een vaste patiëntenpo-pulatie. Dat is belangrijk omdat het werken met een vaste patiëntenpopu-latie voor de patiënt leidt tot de beste zorg, een hogere levensverwachtingen minder doorverwijzingen naar de tweedelijnszorg. Tegelijkertijd leidthet werken met een vaste populatie voor de huisarts tot een efficiënterinzet van personeel en meer werkplezier.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie en reactie van de bewindspersoonDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met veel interessekennisgenomen van de beleidsreactie op het rapport van de AlgemeneRekenkamer «Focus op huisartsenzorg» en op het Nivel-onderzoek«Patiëntenstops bij huisartsenpraktijken». Genoemde leden hebben grotezorgen over de problemen in de huisartsenzorg en vinden het dan ook vangroot belang dat het kabinet met duurzame oplossingen komt om dehuisartsenzorg te versterken en deze prioriteit geeft.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben meerdere vragen overde beleidsreactie op het rapport van de Algemene Rekenkamer. Deconclusies van het rapport, namelijk dat ruim 700.000 mensen inNederland op zoek zijn naar een andere huisarts maar die vaak nietkunnen vinden vanwege patiëntenstops, baren deze leden grote zorgen.Huisartsen zijn de poortwachters van ons zorgsysteem. Het hebben vaneen vaste huisarts leidt tot minder vervolgzorg en daarmee tot minderzorgkosten en minder onnodige behandelingen voor patiënten. Deconclusie van de Rekenkamer dat op veel plekken in het land niet meerwordt voldaan aan de regel dat iedereen op een huisarts in de buurt magrekenen, onderstreept dat het water de huisartsenzorg aan de lippen staat,met alle gevolgen van dien voor de patiënt en ons zorgsysteem.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15714 De summiere reactie van de Minister op het 50-pagina tellende rapportstelt de betreffende leden niet gerust dat het kabinet de urgentie van ditprobleem voldoende onderkent en begrijpt. Allereerst lezen deze ledendat de Minister de conclusie van de Rekenkamer deelt dat er een tekort isaan huisartsenzorg, maar dat zij niet de conclusie deelt dat dit veroorzaaktwordt door een tekort aan huisartsen. Tegelijk lezen genoemde leden dathet beleid van de Minister erop is gericht om ook in de toekomstvoldoende huisartsen te hebben, en dat zij dit doet door maximaal in tezetten op het opleiden van huisartsen en het verhogen van het aantalopleidingsplaatsen. Hoe rijmt de Minister dit met elkaar? Vindt de Ministerwel of niet dat er sprake is van een huisartsentekort? En heeft dit wat haarbetreft wel of geen invloed op het tekort aan huisartsenzorg?Net als de leden van de GroenLinks-PvdA fractie zie ik de toegankelijkheidvan de huisartsenzorg als een zeer urgent vraagstuk. Met mijn inzet in hetAZWA laat ik zien dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorg een vanmijn prioriteiten is. Dat was het ook al zo voor het rapport van deAlgemene Rekenkamer (hierna: Rekenkamer) werd gepubliceerd. Ombeter in beeld te krijgen hoe groot het toegankelijkheidsvraagstuk is heb ikde afgelopen periode zelf verschillende onderzoeken door het Nivel latendoen. De Rekenkamer heeft voor het onderzoek gebruik gemaakt vanbestaande rapporten, waaronder die van het Nivel, die vrijwel allemaalreeds met een beleidsreactie met uw Kamer waren gedeeld.Bij de toegankelijkheid van de huisartsenzorg kijk ik naar twee sporen. Teneerste kijk ik naar het aantal beschikbare huisartsen, nu en in de toekomst.Er zijn op dit moment meer huisartsen dan ooit, maar dat biedt geengaranties voor de toekomst. Mijn inzet is om maximaal in te zetten op hetbeschikbare aantal opleidingsplekken. Op basis van de adviezen van hetCapaciteitsorgaan stel ik opleidingsplaatsen beschikbaar. Tegelijkertijdgeeft het Capaciteitsorgaan ook aan dat de meest recente raming mogelijkniet uitvoerbaar zou zijn.Daarom is mijn tweede spoor zo belangrijk: het zo effectief mogelijkinzetten van beschikbare huisartsen. Ik constateer dat het hoge aantalbeschikbare huisartsen dat we hebben nog niet leidt tot een goedtoegankelijke huisartsenzorg voor iedereen. Mijn inzet is daarom om tezorgen dat meer huisartsen met een vaste patiëntenpopulatie gaanwerken. Dat leidt tot een betere toegankelijkheid, onder meer omdat erminder zorgverlening nodig is als huisartsen hun patiënten goed kennen.Daarnaast moeten huisartsen beter over het land verspreid worden,omdat er regio’s met tekorten zijn. In het AZWA zet ik in op concreteafspraken hierover die ik ook in bovenstaande antwoorden heb toegelicht.Hoe kijkt de Minister bijvoorbeeld naar het advies van het Capaciteits-orgaan uit 2023 dat jaarlijks 1.190 meer basisartsen moeten instromen inde huisartsenopleiding vanwege de groeiende vraag naar huisartsenzorg,de conclusies die het orgaan doet op basis van inzichten in de ontwik-keling van de zorgvraag, de demografische ontwikkelingen en dearbeidstijdontwikkeling? Onderstreept zij dit? Wordt hierbij nog onder-scheid gemaakt tussen verschillende regio’s?Ik zet maximaal in op het opleiden van meer huisartsen in Nederland. Opbasis van het advies van het Capaciteitsorgaan uit 2023 en samenwerkingmet de opleidingsinstituten is er een ingroeipad vormgegeven. Hierbij zijner de afgelopen jaren stapsgewijs meer huisartsenopleidingsplaatsenbeschikbaar gekomen. In het huidige advies van het Capaciteitsorgaan isgekeken wat landelijk nodig is. Daarbij is dus geen onderscheid tussenregio’s gemaakt. Op basis van dit advies stel ik het landelijke aantalopleidingsplaatsen vast. De opleidingsinstituten verdelen de opleidings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15715 plekken vervolgens over het land, waarbij er volgens de opleidingsinsti-tuten op dit moment sprake is van een optimale spreiding.En kijkt de Minister zelf naar demografische ontwikkelingen zoalsbevolkingsgroei, wanneer zij schrijft dat zij niet de conclusie deelt dat ereen tekort is aan huisartsen?Ja, ik neem hierbij demografische ontwikkelingen mee. De afgelopenjaren is het aantal huisartsen ten opzichte van de bevolking toegenomen.In 2024 was er 1 huisarts op circa 1250 inwoners, terwijl dit in 2012 nog1 huisarts op circa 1.500 inwoners was.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast in de kabinetsre-actie dat het aantal werkzame huisartsen per regio verschilt en hetdaarom belangrijk is om de bereikbare capaciteit aan huisartsen beter inte zetten. Welke stappen worden hiertoe gezet?Ik ben het eens met de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie dat dehuisartsen capaciteit beter verspreid moet worden over de regio’s.Daarom zet ik in op afspraken met partijen in het AZWA om te zorgen datde continuïteit en toegankelijkheid van huisartsenzorg in elke regio wordtgeborgd. Om dit te bereiken wil ik afspreken dat het werken met een vastepatiëntenpopulatie weer de norm wordt voor huisartsen. Hiervoor beoogik meerdere acties. Enerzijds werk ik met partijen aan een set landelijkemaatregelen (de «werkagenda») waarin onder andere aandacht is voorhuisvestingsproblematiek, toekomstbestendige bekostiging van dehuisartsenzorg en het verkennen van welk effectief beleid kan wordeningezet om huisartsen beter over het land te verspreiden.Anderzijds zet ik in op afspraken over regionaal maatwerk via decontractering door zorgverzekeraars. Mijn inzet is dat, via de contrac-tering, zorgverzekeraars de continuïteit en toegankelijkheid van huisart-senzorg zullen borgen in nauwe samenwerking met huisartsen en RHO’s.Ik wil met hen afspreken dat zij dat doen door met maatwerk te investerenin werven, behouden of ondersteunen van praktijkhoudend huisartsen,het starten, overnemen of uitbreiden van praktijken of het introducerenvan innovatieve vormen van werken in de regio.Met welke verschillende uitdagingen hebben huisartsen te maken als zijeen praktijk in de (rand)stad willen overnemen of starten en wanneer zijeen praktijk daarbuiten (in de regio) willen starten?Naast generieke uitdagingen bij het starten of overnemen van een praktijk(zoals de start als ondernemer, de administratieve stappen die daarbijkomen kijken en de stap van loondienst of waarnemerschap naareindverantwoordelijke en werkgever) verschillen uitdagingen ook perregio of per wijk. Zo verschilt het aantal huisartsen per inwoner per regio.In regio’s met minder huisartsen is het voor praktijkhouders bijvoorbeeldmoelijker een waarnemer of huisarts in loondienst te vinden. Ook hetvinden van geschikte huisvesting is in de ene regio lastiger dan in deandere. Uit onderzoek van het Nivel blijkt dat huisartsen meer huisves-tingsproblematiek ervaren in «sterk stedelijke» gebieden. Sterk stedelijkegebieden bevinden zich overigens ook buiten de randstad8.8Nivel, Huisvestigingsproblemen in de huisartsenpraktijk, https://www.nivel.nl/sites/default/files/bestanden/1004577.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15716 Erkent de Minister dat beide groepen huisartsen met eigen uitdagingenkampen en voldoende handvatten moeten krijgen om een praktijk testarten of over te nemen, en dat zij hierin indien nodig ondersteuningverdienen?Ja, ik erken dat elke beginnend praktijkhouder heeft te maken met eigenuitdagingen. Om het praktijkhouderschap aantrekkelijker te maken,moeten alle huisartsen die deze stap overwegen een beroep kunnen doenop ondersteuning bij het starten of overnemen van een praktijk. Deels isdat generieke ondersteuning, zoals bij- en nascholing over het praktijk-houderschap. Maar deels is dat ook maatwerk dat precies moet aansluitenop de situatie waarin de huisarts zit. Daarom zet ik in op afspraken met dehuisartsenpartijen en zorgverzekeraars over maatwerk in elke regio via decontractering. Middels dit maatwerk kunnen zorgverzekeraars in detoegankelijkheid en continuïteit van de huisartsenzorg investeren,passend bij de uitdagingen van elke regio.In de beslisnota lezen deze leden daarnaast dat de voorstellen van deinitiatiefnota van het lid Bushoff «Stop de commercie, steun de huisarts»worden meegenomen bij de AZWA-onderhandelingen en dat er naafronding van het AZWA inhoudelijk op wordt gereageerd. Kan deMinister dit nader toelichten? Betekent dit, met andere woorden, dat deinitiatiefnota nu inzet is van de Minister bij de onderhandelingen?Het lid Bushoff heeft zestien voorstellen gedaan in zijn initiatiefnota «Stopde commercie, steun de huisarts». Ik heb zijn initiatiefnota met veelinteresse gelezen en het bevestigde voor mij dat het lid Bushoff en ikhetzelfde doel delen: een toekomstbestendige huisartsenzorg vooriedereen in Nederland. Ik wil hem nogmaals bedanken voor de concretevoorstellen in zijn initiatiefnota. Voor een groot deel van deze voorstellengeldt dat ik deze – of de richting ervan – steun en dat ze in lijn zijn met deafspraken die ik momenteel maak over de huisartsenzorg in het AZWA.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie delen het gewenste uitgangs-punt van de Minister dat huisartsen weer standaard met een vastepatiëntenpopulatie gaan werken. Ook zij achten het van enorm belang datpatiënten weer een vaste, vertrouwde huisarts hebben, die de patiënt kenten daardoor betere zorg kan leveren dan een arts die de achtergrond engeschiedenis van een patiënt uit een dossier moet vernemen. Genoemdeleden lezen in de kabinetsreactie dat de verzekeraar een belangrijke rolheeft om huisartsen te verleiden zich te vestigen in de (tekort)regio(’s).Hoe ziet de rol van verzekeraars in de huisartsenproblematiek er volgensde Minister uit? Op welke punten kan die worden verbeterd? Pakkenzorgverzekeraars wat de Minister betreft nu voldoende hun rol als het gaatom de huisartsentekorten?De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht en moet ervoor zorgen dat zijnverzekerden toegang hebben tot huisartsenzorg. De NZa ziet toe op deinvulling van de zorgverzekeraars van de zorgplicht. In mijn antwoord opvragen van de PVV-fractie heb ik toegelicht welke instrumenten dezorgverzekeraar daarvoor heeft. In de praktijk zie ik dat zorgverzekeraarsdie instrumenten steeds beter en vaker inzetten. Zo nemen steeds meerzorgverzekeraars modules in het inkoopbeleid op voor de begeleiding enondersteuning van beginnende praktijkhouders.Hoewel er veel goede voorbeelden zijn, kan nog niet iedereen zich bij eenhuisartsenpraktijk in de buurt inschrijven en verschilt het nog sterk perregio van welke ondersteuning een beginnend huisarts gebruik kanmaken. Ik wil dus dat de succesvolle aanpak uit een aantal regio’s ook opandere plekken wordt toegepast en dat dit niet vrijblijvend is. Mijn inzet inTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15717 het AZWA is daarom dat zorgverzekeraars, samen met de RHO’s,topprioriteit maken van de toegankelijkheid en continuïteit van dehuisartsenzorg in elke regio.Ik wil dat zorgverzekeraars via hun contractering (financieel) maatwerktoepassen waarmee zij in elke regio doen wat nodig is voor de toeganke-lijkheid van de huisartsenzorg. Dit vraagt om landelijke afspraken diekaders bieden hoe maatwerk effectief kan worden ingezet, zodat niet elkeregio het eigen wiel hoeft uit te vinden. Zorgverzekeraars kunnen dezeafspraken vervolgens vertalen naar het inkoopbeleid.De Minister schrijft daarnaast in haar reactie dat er meerdere stappengezet zijn in het Integraal Zorgakkoord (IZA) om het werken met een vastepatiëntenpopulatie aantrekkelijker te maken, waaronder het beterorganiseren van de avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-diensten),het invoeren en structureel bekostigen van Meer Tijd voor de Patiënt, hetbeschikbaar stellen van extra uren Praktijkondersteuner Huisarts –Geestelijke Gezondheidszorg (POH-GGZ) in de praktijk en het ontwikkelenvan de Handreiking huisvestingsproblematiek huisartsen en gezondheids-centra. De leden van GroenLinks-PvdA-fractie onderschrijven het belanghiervan, maar vragen waarom er in de Voorjaarsnota een structurelebezuiniging is ingeboekt op Meer Tijd voor de Patiënt van cumulatief96 miljoen van 2026 t/m 2029. Wat zijn de mogelijke gevolgen hiervan?Dit betreft geen structurele bezuiniging op Meer tijd Voor de Patiënt(MTVP). Het budgettair kader huisartsenzorg, inclusief de 220 mln. voorMTVP, blijft ongewijzigd (inclusief jaarlijkse loon- en prijsbijstelling en inIZA en AZWA afgesproken groei). De huidige inzet op MTVP blijft gelijk.De min op MTVP in de voorjaarsnota is geen onderdeel van het budgettairkader huisartsenzorg. Het betreft een gedeelte van een reeks voor MTVPop de post «nominaal en onverdeeld». Deze middelen uit het coalitieak-koord Rutte IV zouden pas vanaf 2026 beschikbaar komen. Het onderlig-gende idee bij deze reeks was dat voor MTVP extra huisartsen nodig zijn,waardoor dat op z’n vroegst in het vierde jaar na het starten van de reeks(2026) gerealiseerd kan worden. Dit vanwege de 3-jarige huisartsenop-leiding.LHV, InEen en ZN hebben rondom het IZA afgesproken om veel snellerdan in het coalitieakkoord was voorgenomen MTVP in te voeren. Al in2024 konden alle praktijken daar gebruik van maken. Inschatting was datdit zo’n € 220 mln. structureel zou kosten, met een snelle oploop in 2023en 2024. De middelen uit het coalitieakkoord Rutte IV waren hiervoor duste weinig en kwamen te laat beschikbaar. Daarom is een andere oplossinggevonden in het IZA, waarmee voldoende groeiruimte beschikbaar isgesteld in het budgettair kader huisartsenzorg om deze versneldeopschaling te financieren.De resterende middelen uit de coalitieakkoordreeks worden ingezet omknelpunten op de VWS-begroting op te vangen.En als er sprake is van onderuitputting, waarom is er niet gepoogd eenander doel te vinden voor deze middelen op het gebied van de huisart-senzorg, zeker aangezien de Minister zelf schrijft dat de ambitie van haaren kabinet op dit vlak om «extra stappen» vraagt?Zoals toegelicht is er geen sprake van onderuitputting binnen hetbudgettair kader huisartsenzorg. De landelijke opschaling van MTVP is opeen andere wijze gefinancierd om dit versneld mogelijk te maken. Dezeversnelde opschaling zien we ook terug in een overschrijding van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15718 budgettair kader huisartsenzorg in 2024. Naar verwachting zal dezeoverschrijding niet structureel van aard zijn, omdat het budgettair kaderjaarlijks verder doorgroeit met 3,5% per jaar.In hoeverre verwacht zij deze stappen op te kunnen vangen met hetAZWA? Zijn deze verwachtingen met de huidige middelen en de bezui-niging op de VWS-begroting bij de Voorjaarsnota nog realistisch?Zoals ik reeds heb toegelicht is er geen sprake van bezuinigingen op MeerTijd voor de Patiënt. Het budgettaire kader huisartsenzorg wordt nietverlaagd. Sterker nog: er is sprake van een forse groei. In de «IZA-jaren»(2023–2026) betreft dit een totale volumegroei van € 520 mln. Daarbovenop vindt een indexatie plaats op basis van de loon- en prijsontwik-keling. Zoals afgesproken in het hoofdlijnenakkoord groeit dit kader ook in2027 en 2028 met 3,5% per jaar. Hiermee kunnen de ambitieuze afsprakendie ik met partijen in het AZWA beoog te maken zeker worden gereali-seerd.Hoe gaat de Minister, met andere woorden, invulling geven aan deafspraak in het regeerprogramma dat het kabinet inzet op voldoendepraktijkhoudend huisartsen en het verlagen van de drempels van hetpraktijkhouderschap om zo meer mensen toegang tot goede huisartsen tebieden?Mijn inzet is om via twee sporen in te zetten op het verlagen van dedrempels van het praktijkhouderschap. Enerzijds beoog ik in het AZWAlandelijke afspraken te maken over het ruil- en inschrijfsysteem voorpatiënten, het verkennen van een toekomstbestendige bekostiging, hetonderzoeken van de mogelijkheden om huisartsen beter te spreiden overhet land en het vertalen van de kernwaarden in toetsbare uitgangspuntenof normen voor de toezichthouders en zorgverzekeraars. Daarnaast zet ikin op een afspraak over financieel maatwerk in de regio om de continuïteiten toegankelijkheid van de huisartsenzorg te borgen. Via dit maatwerkmoeten de drempels van het praktijkhouderschap lager worden, bijvoor-beeld door het ondersteunen van jonge huisartsen die de stap naar hetpraktijkhouderschap willen maken.Tot slot lezen de genoemde leden over het voornemen van het kabinet omin het AZWA afspraken te maken over het opzetten van een landelijk«ruilsysteem» voor patiënten, zodat het makkelijker wordt om te wisselenof ruilen van huisarts, bijvoorbeeld na een verhuizing. Kan de Ministerdeze plannen nader toelichten?Uit onderzoek dat Nivel in mijn opdracht heeft uitgevoerd, kwam naarvoren dat er een grote groep mensen is die wil ruilen van huisarts,bijvoorbeeld omdat zij verhuisd zijn9. Door (gedeeltelijke) patiëntenstopswordt het ruilen van huisarts op dit moment bemoeilijkt. Dit betreft deelseen «logistiek» vraagstuk: zolang mensen niet kunnen wisselen vanhuisarts, houden zij ook een plek bezet bij hun huidige huisarts. Het«ruilen» van huisarts is dus onderdeel van de oplossing. Op lokaal niveauzijn er al verschillende initiatieven met (periodieke) regionale ruilsystemenzoals in de regio Haaglanden en Brabant-Oost. Daar zijn in korte tijd veelmensen aan een nieuwe huisarts geholpen. Geïnspireerd door dezeregionale initiatieven werk ik met de partijen in het AZWA aan de afspraakdat er eind 2025 een landelijk werkend ruilsystem beschikbaar is voor elkeRHO. Zo kunnen mensen niet alleen in hun regio ruilen van huisarts, maar9Nivel, Burgers over inschrijving bij een (nieuwe) huisartsenpraktijk, https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2024/10/25/burgers-over-inschrijving-bij-een-nieuwe-huisartsenpraktijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15719 ook over regio’s heen. Deelname aan het ruilen is zowel voor de patiëntals voor de huisartsenpraktijk altijd vrijwillig.Hoe verwacht de Minister de problemen hiermee op te lossen, aangeziende ene huisartsenpraktijk populairder is dan de andere en de meestemensen binnen eenzelfde regio verhuizen en doorgaans niet van eenregio met een tekort aan huisartsen naar een regio met voldoendehuisartsen? Erkent de Minister dat dit voor patiënten in dunbevolkteregio’s of die in een dorp wonen met één huisarts geen optie is? Kan deMinister garanderen dat dit niet leidt tot extra administratieve kosten voorhuisartsenpraktijken? Welke rol ziet de Minister hierin weggelegd voorzorgverzekeraars?Het ruil- en inschrijfsysteem wordt opgezet om vraag en aanbod van deinschrijfplekken in de huisartsenzorg beter bij elkaar te brengen. Zoalsaangegeven, laten regionale voorbeelden zien dat dit goed werkt.Uiteraard zal zo’n systeem niet voor alle mensen die een nieuwe huisartszoeken een oplossing zijn, maar wel voor een deel van hen.Daarnaast is dit slechts een van de afspraken die ik beoog te maken metpartijen in het AZWA. Enerzijds breng ik met het ruilsysteem meer lucht inde huisartsenzorg door vraag en aanbod van inschrijfplekken bij elkaar tebrengen. Anderzijds is mijn inzet dat met de overige afspraken het aanbodvan inschrijfplekken ook vergroot wordt.Mijn inzet bij deze afspraak is dat het systeem niet leidt tot extra adminis-tratieve lasten bij de huisarts. Ik verwacht zelfs dat het kan leiden tot eenafname van de administratieve lasten. Het eerder aangehaalde voorbeeldin de regio Haaglanden laat zien dat dit kan. Door een samenwerkingtussen RHO Hadoks en Buurtdokters was het voor patiënten op de websitevan Hadoks direct zichtbaar welke praktijken open waren voor nieuwepatiënten. Inschrijven bij deze praktijken ging geautomatiseerd via dewebsite van Hadoks, waardoor er minder administratieve lasten warenvoor de huisarts10. Bij de landelijke implementatie van dit systeem zie ikeen belangrijke rol voor zorgverzekeraars en regionale huisartsenorgani-saties.Tot slot vragen deze leden hoe wordt omgegaan met de wensen van(beginnend) huisartsen voor een betere werk-privébalans. Welkeoplossingen draagt de Minister hiervoor aan?Ik vind het belangrijk dat het huisartsenvak aantrekkelijk blijft. Een goedewerk-privébalans maakt daar deel vanuit. Op dit moment kiezen jongehuisartsen vanuit dit oogpunt vaak voor het waarnemerschap. Vanuit hetoogpunt van toegankelijke huisartsenzorg vind ik dat onwenselijk en ookniet nodig. Ook in loondienst of als (beginnend) praktijkhouder is het goedmogelijk om werk en privé op een goede manier te combineren.Bovendien zal de druk bij de huidige groep praktijkhoudend huisartsenverlaagd worden als meer huisartsen de stap richting het praktijkhouder-schap zetten. Dit komt ook ten goede van een goede werk-privébalansonder (praktijkhoudend) huisartsen. Daarom is mijn inzet in het AZWAom, zoals eerder aangegeven, jonge huisartsen beter te ondersteunen bijhet zetten van de stap naar het praktijkhouderschap of naar anderevormen van het werken met een vaste patiëntenpopulatie.10https://www.hadoks.nl/nieuws/hadoks-helpt-inwoners-met-het-vinden-van-een-nieuwe-huisarts/Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15720 Daarnaast hebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie met veelbelangstelling kennisgenomen van het Nivel-rapport «Patiëntenstops bijhuisartsenpraktijken». Zij achten het van groot belang dat hiermeeeindelijk systematisch is onderzocht wat het perspectief van de huisartsop patiëntenstops is en welke redenen zij hebben voor het (gedwongen)invoeren hiervan. Deze leden vinden het schrikbarend dat 59% van dehuisartsenpraktijken het afgelopen jaar een vorm van een patiëntenstopheeft gehad en dat deze vaak van langdurige of meer permanente aardzijn. Nivel concludeert dat het voorkomen van patiëntenstops varieert perregio in Nederland, mede door verschillen in personeelscapaciteit,arbeidsmarktknelpunten, huisvestingsmogelijkheden en demografischefactoren. Hoe wordt dit meegenomen en omgezet in beleid?De kern van mijn inzet in de afspraken in AZWA over de huisartsenzorg isdat de toegankelijkheid en continuïteit in élke regio geborgd moetworden. Dat vraagt landelijk beleid – bijvoorbeeld op het gebied vanhuisvesting en spreiding van huisartsen – en maatwerk per regio. Omoveral tot goede en gelijkwaardige toegang tot zorg te komen is per regioiets anders nodig. Maatwerk is niet vrijblijvend. Op landelijk niveau wil ikdaarom afspraken maken met de partijen over de kaders van ditmaatwerk, om ongewenste verschillen tussen regio’s te voorkomen.De Minister schrijft in reactie op het rapport dat de conclusies duidelijklaten zien «dat regionaal en zelfs lokaal maatwerk nodig is». Kan deMinister hier nader op ingaan? Wat bedoelt zij hiermee en hoe wordt hierinvulling aan gegeven? Hoe wordt bijvoorbeeld gestimuleerd dathuisartsen in regio’s of wijken waar een tekort is praktijken overnemen ofbeginnen?Zoals aangegeven in mijn reactie op de vorige vraag van de GroenLinks-PvdA-fractie verschillen de knelpunten in de huisartsenzorg per regio enbinnen regio’s. Zo kan huisvestingsproblematiek in een specifieke wijkleiden tot een lokaal knelpunt. Het is belangrijk om deze knelpuntenregionaal of lokaal aan te pakken. Daarom wil ik met de partijen landelijkeafspraken maken over het toepassen van regionaal maatwerk zodat decontinuïteit van de huisartsenzorg geborgd wordt. Onderdeel van mijninzet is dat huisartsen, RHO’s en zorgverzekeraars in elke regio een planontwikkelen voor continue en toegankelijke huisartsenzorg. Via decontractering kunnen zorgverzekeraars vervolgens (financieel) maatwerkbieden. Mijn inzet is dat dat gebeurt in die regio’s en wijken waar de(verwachte) tekorten aan huisartsenzorg het grootst zijn en waar gerichteinvesteringen de meeste impact hebben.Uit het Nivel-onderzoek blijkt daarnaast dat de patiëntpopulatie in deomgeving van praktijken met patiëntenstops verschilt van de patiëntpopu-latie in de omgeving van praktijken zonder patiëntenstops. Zo komt eenduidelijk verband naar voren met een lagere sociaaleconomische positie.Hoe kijkt de Minister hiernaar, ook omdat hier mogelijk groepen doorgeraakt worden die al een hogere zorgvraag hebben of te maken hebbenmet grotere onderlinge gezondheidsverschillen? Nivel vindt bijvoorbeeldeen duidelijk verband tussen meer patiëntenstops en meer stedelijkeomgevingen, waar achterstandsproblematiek vaker voorkomt en relatiefmeer patiënten wonen die een complexe zorgvraag hebben. De leden vande GroenLinks-PvdA-fractie vrezen dat de eventuele gezondheidsver-schillen in deze gebieden door een hogere concentratie van patiënten-stops nog verder zullen toenemen. Hij kijkt de Minister hiernaar? Omnauwkeuriger na te gaan of de toegankelijkheid voor sommige groepenpersonen die oververtegenwoordigd zijn in deze gebieden hiermeedaadwerkelijk lager ligt, is volgens Nivel meer onderzoek nodig naar depatiënten- en zorgvraag-kenmerken in het verzorgingsgebied of de praktijkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15721 van huisartsen. Is de Minister van plan of bereid om dergelijk onderzoekin gang te zetten, en daarbij specifiek te kijken naar de samenhang tussenpatiëntenstops, stedelijkheid en patiëntkenmerken?Net zoals de leden van de fractie GroenLinks-PvdA, vind ik het belangrijkdat iedereen een gelijke toegang heeft tot de huisartsenzorg. Huisart-senzorg is juist van groot belang in de gebieden waar relatief meermensen wonen met een lagere sociaaleconomische positie. Met deafspraak die ik beoog te maken over regionaal maatwerk krijgen zorgver-zekeraars de mogelijkheid om in te spelen op de knelpunten van regio’sen wijken waar de huisartsenzorg onder druk staat. Op lokaal niveaukunnen zorgverzekeraars afhankelijk van de lokale context (incidentele)investeringen doen om de toegankelijkheid te borgen. Het rapport overpatiëntenstops vraagt om verdere verdieping. Hierover ga ik met het Nivelin gesprek.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in het Nivel-onderzoekbovendien dat de meest genoemde reden voor een patiëntenstop eenhoge zorgdruk binnen de patiëntpopulatie (59%) is. Dit verwijst naar hetaantal contacten/consulten binnen de praktijk. Hoe kijkt de Minister naarmogelijke oplossingen voor dit probleem? Is zij bijvoorbeeld bereid tekijken of populatiebekostiging hier een uitkomst kan bieden, waarbijrekening wordt gehouden met de kenmerken van de betreffende populatiein een wijk of regio? Op welke andere manieren kan worden gestimuleerddat een hoge zorgdruk binnen de patiëntpopulatie niet tot meer patiënten-stops leidt?Met het AZWA zet ik in op het verlagen van de drempels van het praktijk-houderschap. Een toename van het aantal praktijkhoudend huisartsenvergroot enerzijds de inschrijfcapaciteit voor patiënten en verlaagtanderzijds de werkdruk voor huisartsen.Met een goede praktijkvoering kunnen praktijken – eventueel metondersteuning – de werkdruk verlagen. Ook daarom is het van belang datpraktijkhouders ondersteuning krijgen vanuit de RHO en zorgverzekeraar,om samen te kijken welke knelpunten leiden tot een patiëntenstop en hoedie kunnen worden opgelost.Ik ga in gesprek met de NZa over de wijze waarop de bekostiging kanbijdragen aan de gezamenlijke beleidsdoelen. Hierbij wil ik wel bena-drukken dat de bekostiging op dit moment al gedeeltelijk populatiebekos-tiging is: huisartsen krijgen per patiënt een inschrijftarief. De NZa houdtdaarbij ook al rekening met demografie. Huisartsen ontvangen bijvoor-beeld een toeslag op het inschrijftarief voor patiënten ouder 65 jaar envoor patiënten in postcodegebieden met een lage sociaaleconomischestatus.Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat de oorzaken van patiëntenstops,waaronder een relatief hoge zorgzwaarte van de patiëntenpopulatie tenopzichte van de beschikbare personele capaciteit maar ook huisvestings-problemen waardoor niet kan worden uitgebreid, elkaar versterken.Daarom gaven huisartsen aan dat zij weinig maatregelen zien die zij zelfkunnen nemen om patiëntenstops te voorkomen of op te heffen. Hoe kijktde Minister hiernaar? Deelt zij deze analyse? En zo ja, betekent dit dat hetnemen van verlichtende maatregelen of het aanreiken van oplossingenvoor een groot deel bij de (zowel lokale als regionale) politiek ligt en datdit dus vooral knoppen zijn waar de politiek aan kan draaien? Wat doet deMinister specifiek om het huisvestingsprobleem aan te pakken, met namein de stedelijke gebieden waar de problemen hieromtrent nog groter zijnvanwege schaarse beschikbaarheid en hoge kosten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15722 Geschikte en voldoende ruimte voor een huisartsenpraktijk is essentieelom goede zorg te kunnen leveren en de zorgvraag uit te omgeving van depraktijk op te kunnen vangen. Indien een praktijk niet kan uitbreiden omde toenemende zorgvraag op te kunnen vangen dan kan de toeganke-lijkheid van huisartsenzorg in de knel komen. Daarom zet ik in het AZWAin op een extra stap in de aanpak van huisvestingsproblematiek onderhuisartsen. Hierbij hebben partijen en ik aandacht voor de financiëleknelpunten die huisartsen kunnen ervaren en werken we aan aanscher-ping van de afspraken over rollen en verantwoordelijkheden van ondermeer huisartsen zelf, gemeenten en zorgverzekeraars.Hoe kijkt de Minister naar de voorstellen hierover, zoals het verantwoor-delijk maken van zorgverzekeraars en huisartsenorganisaties voor hetopzetten van netwerken die startende en stoppende praktijkhoudersbegeleiden en aan elkaar koppelen of om de administratieve lasten voorpraktijkhouders omlaag te brengen, bijvoorbeeld door de hulpmidde-lenzorg weer onder te brengen bij de apotheker en simpele knoppen aanhet patiëntendossier toe te voegen voor handelingen die nu onnodig veeltijd kosten? Onderschrijft de Minister de doelen van deze voorstellen endeelt zij de mening dat deze ten goede kunnen komen aan het oplossenvan de problemen in de huisartsenproblematiek?De bovenstaande voorstellen herken ik uit de initiatiefnota «Stop decommercie, steun de huisarts» van het lid Bushoff. De initiatiefnota ervaarik als steun in de rug tijdens mijn gesprekken over de huisartsenzorg metde AZWA-partijen. Voor een groot deel van de voorstellen uit initiatiefnotageldt dat ik ze – of de richting daarvan – steun en dat ze in lijn zijn metmijn inzet in het AZWA. Voor mijn specifieke reactie op bovenstaandevoorstellen verwijs ik u naar de parallel verzonden brief waarin ikuitgebreid reageer op deze initiatiefnota.Hoe beziet de Minister tot slot de rol van private equity en commerciëlepartijen in de huisartsenproblematiek? Op welke manier neemt zij dit meein de probleemanalyse?Ik zie de rol van private equity en commerciële partijen in de huisart-senzorg met zorg, maar ook met nuance. De opkomst van (bedrijfs)ketensis op zichzelf niet per definitie een probleem. Er zijn ook goede voor-beelden van (bedrijfs)keten waar wordt bijgedragen aan toegankelijke enkwalitatief goede huisartsenzorg. Niet alle vormen van private equity encommerciële betrokkenheid zijn problematisch, maar het is van belang datde kernwaarden van de beroepsgroep en de geldende wet- en regelgevingaltijd leidend blijven in het verlenen van zorg.De essentie van goede huisartsenzorg blijft voor mij de langdurige,toegankelijke relatie tussen huisarts en patiënt. Die mag nooit onderge-schikt raken aan financiële belangen. Daarom zie ik het als mijn verant-woordelijkheid om, samen met partijen in het veld, te waarborgen datiedereen in Nederland toegang heeft tot een vaste huisarts die werktvolgens de geldende wet- en regelgeving en de kernwaarden van het vak.Is zij bereid (meer) drempels op te werpen voor private equity encommerciële partijen die de zorg voor de patiënt ten goede moetenkomen, zodat niet het maken van winst maar het leveren van goede zorgvoorop blijft staan?Ik ben al bezig om deze drempels concreet vorm te geven en heb devolgende stappen genomen. Allereerst heb ik op 29 januari jl. hetWetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbiedersTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15723 (de Wibz) naar de Kamer gestuurd11. Daarmee wil ik de mogelijkheidcreëren om voorwaarden aan winstuitkering te stellen voor die catego-rieën van zorgaanbieders die zijn uitgezonderd van het verbod opwinstuitkering. En daarnaast zet ik in op aanscherping van het instrumen-tarium van de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa) om onwenselijke fusiesen overnames te kunnen tegenhouden. Eind januari het ik uw Kamerhierover geïnformeerd12. Momenteel werk ik met de NZa en IGJ aan hetwetsvoorstel en verwacht ik dit eind 2025 naar uw Kamer te sturen.We hebben immers gezien dat het overnemen van huisartsenpraktijkendoor private equity of commerciële partijen meermaals tot aantoonbaarveel slechtere zorg heeft geleid, denk aan de grote misstanden dieontstonden bij Co-Med of Quin Dokters. Terwijl zij pretendeerdenefficiëntere zorg te kunnen leveren door bijvoorbeeld schaalvergroting endigitalisering, werd er in de praktijk vooral beknibbeld op de kwaliteit vanzorg en de bereikbaarheid. Hoe gaat de Minister voorkomen dat dezepartijen in het gat springen dat ontstaat door de problemen waar regulierehuisartsen tegenaan lopen?Ik zie dat commerciële partijen zoals Co-Med en Quin Dokters zijnontstaan in reactie op knelpunten in de huisartsenzorg, zoals hetarbeidsmarkttekort en het stoppen van gevestigde praktijken. Tochhebben deze voorbeelden ook laten zien dat dergelijke initiatieven,wanneer zij niet aansluiten bij de kernwaarden van de huisartsenzorg enmeedoen in de regio, kunnen leiden tot ondermaatse zorg en onwense-lijke situaties voor patiënten en zorgverleners.Samen met landelijke en regionale partijen, verken ik hoe en op welketermijn de huisartsenkernwaarden (het fundament van de huisartsenzorg)geconcretiseerd kunnen worden zodat toezichthouders goed kunnenhandhaven en zorgverzekeraars hierop kunnen sturen in hun inkoop-beleid. Ik zet met de Wet integere bedrijfsvoering zorgaanbieders (Wibz)en via verscherpt toezicht in op het voorkomen van excessen. Toezicht-houders krijgen meer mogelijkheden om in te grijpen wanneer decontinuïteit, kwaliteit of toegankelijkheid van de huisartsenzorg in gevaarkomt. Zo voorkom ik dat partijen met een primair financieel motiefongecontroleerd ruimte krijgen in een domein dat draait om langdurige,persoonlijke zorgrelaties. Ook werk ik samen met de beroepsgroepen,huisartsen, zorgverzekeraars en gemeenten aan structurele oplossingenvoor praktijkovernames en huisvestingsproblematiek.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van (de reactie op)het rapport van de Algemene Rekenkamer en Nivel over huisartsentekorten patiëntenstops. Zij hebben hierbij nog enkele vragen.De leden van de VVD-fractie merken op dat veel informatie ontbreekt ofniet duidelijk is, denk aan de aantallen fte’s en productiviteit. Op basis vanwelke cijfers maakt en evalueert het kabinet beleid voor de eerstelijnszorgen afspraken in huidige en toekomstige zorgakkoorden? Hoe denkt deMinister effectieve afspraken te kunnen maken als essentiële informatieover het aantal fte’s en productiviteit ontbreekt?11Wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet toetreding zorgaanbieders, deJeugdwet en enige andere wetten in verband met de integriteit van de bedrijfsvoering vanzorg- en jeugdhulpaanbieders (Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders)(Kamerstuk 36 686)12Kamerstuk 31 765, nr. 899Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15724 Net als de VVD-fractie vind ik goede informatie en cijfers belangrijk voorbeleid en afspraken over de eerstelijnszorg. Ik wil graag het beeldwegnemen dat er een tekort aan informatie is in de huisartsenzorg. Hetonderzoek van de Algemene Rekenkamer laat juist zien dat er veelbeschikbare data is over de huisartsenzorg. Zo houdt het Nivel al decenniahet aantal huisartsen bij, hun werkvormen en de gewerkte uren. De NZageeft door middel van het kostprijsonderzoek huisartsenzorg ook eenrepresentatief inzicht in het gemiddeld aantal gewerkte uren vanpraktijkhoudend huisartsen én de hoeveelheid ingeschreven patiënten perhuisartsenpraktijk en per gewerkte fte. Omdat praktijkhouders over hetalgemeen ondernemer zijn, is er geen eenduidige definitie van een «fte».Nivel en NZa beschrijven in genoemde rapporten hoe zij daarmeeomgaan en welke aannames zij daarbij doen. Ik concludeer dus dat ervoldoende informatie beschikbaar is om stevige afspraken te maken inzorgakkoorden over de toekomst van de huisartsenzorg en om de effectenhiervan te monitoren.Uit onderzoek van SiRM13 bleek al dat een uur extra werken in de zorg eenzeer positieve bijdrage kan leveren aan het oplossen van het personeels-tekort. Dat geldt zeker ook voor huisartsen, maar ook in dat deel van dezorgsector lijkt de wens om deeltijd te werken te domineren. De leden vande VVD-fractie vragen een reactie van de Minister op deze constatering.Op welke manier gaat zij het meer uren werken in de huisartsenzorgstimuleren?Het is niet mijn ambitie om huisartsen meer uren te laten werken. Uitrecent onderzoek van Nivel blijkt dat huisartsen in 2024 gemiddeld 48 uurper week werkten (inclusief avond-, nacht- en weekendzorg)14. Uitonderzoek van de NZa blijkt dat de gemiddelde praktijkhouder 46,5 uurper week werkt in de dagpraktijk, dus exclusief de avond-, nacht- enweekenddiensten. Kortom: huisartsen werken gemiddeld meer dangenoeg uren. Mijn inzet is het beter organiseren van de huisartsenzorg:meer huisartsen die met een vaste patiëntenpopulatie werken, betereondersteuning van huisartsen en minder administratie. Zo kunnen we metdezelfde hoeveelheid huisartsen zorgen dat meer mensen zich bij eenhuisarts kunnen inschrijven, zonder dat huisartsen daarvoor meer hoevente werken.Volgens Nivel zijn 45 tot 230 huisartsenpraktijken overgenomen doorcommerciële investeerders, een ruime schatting. De leden van deVVD-fractie vinden het jammer dat negatieve voorbeelden, zoals Co-Med,ook de kwalitatief goede en goed bereikbare ketens van huisartsen in eenkwaad daglicht zetten. Deelt de Minister de visie dat ketens vanmeerwaarde kunnen zijn om huisartsenzorg toegankelijk te houden?Ja, ik deel de mening van de leden van de VVD-fractie dat ketens kunnenbijdragen aan het toegankelijk houden van de huisartsenzorg, zeker in eentijd van toenemende druk op de arbeidsmarkt. Zoals ik heb aangegeven inmijn reactie op vraag van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie, zie ikgoede voorbeelden van ketens die huisartsen ondersteunen bij deorganisatie van hun praktijk en bijdragen aan innovatie. Tegelijkertijd ishet cruciaal dat alle aanbieders van huisartsenzorg – groot of klein,commercieel of niet – voldoen aan de vier kernwaarden van de huisart-senzorg en aan de wettelijke eisen rond kwaliteit en toegankelijkheid.13SiRM, 11 september 2023, De potentie van een hogere deeltijdfactor | SiRM.14Nivel, De werkweek van de Nederlandse huisarts in 2024, https://www.nivel.nl/sites/default/files/bestanden/1004725.pdfTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15725 De leden van de VVD-fractie maken zich zorgen over de manier waaropomgegaan wordt met zzp’ers in de zorg en hun opdrachtgevers.15 Klopthet dat het kabinet nog niet heeft gereageerd op de door de LandelijkeHuisartsen Vereniging (LHV) opgestelde casuïstiek? Zo ja, wanneer wordtdeze reactie naar de Kamer gestuurd?Er is veel casuïstiek ingediend met een grote diversiteit. De afgelopenmaanden hebben het Ministerie van SZW en Financiën/Belastingdiensteen groot deel van deze casuïstiek beoordeeld. Het betreft een arbeids-rechtelijke duiding op basis van de bestaande wet- en regelgeving, aan dehand van de aangeleverde informatie. De beoordelingen worden gedeeldmet de indieners. De reactie op de door de LHV opgestelde casuïstiek isinmiddels gedeeld met de LHV. Op 6 mei hebben de Ministeries van VWS,SZW en Financiën/Belastingdienst tijdens een gesprek de beoordeling vande casusposities nader toegelicht aan de LHV. Op een later moment, als ikeen breed beeld heb van de beoordelingen van alle ingediende casuspo-sities, kan ik uw Kamer desgewenst in algemene zin nader informerenover dit traject.Wat is uw verwachting van de wetgeving tegen schijnzelfstandigheid opde problemen die geschetst worden in zowel het Algemene Rekenkamer-rapport als het Nivel-rapport?Allereerst wil ik benadrukken dat het opheffen van het handhavingsmora-torium niets heeft veranderd aan de wet- en regelgeving. Dit betekent dathet werken buiten dienstbetrekking dat voor 1 januari 2025 mogelijk wasop basis van wet- en regelgeving ook nu nog mogelijk is. De opheffingvan het handhavingsmoratorium per 1 januari 2025 betekent dat er weervolledig gehandhaafd wordt op de kwalificatie van de arbeidsrelatie voorde loonheffingen. Zoals ook aangegeven tijdens het Commissiedebatarbeidsmarkt van 19 december 2024 en in mijn brief van 17 december jl.16,kan het gebeuren dat er op bepaalde plekken (tijdelijk) gaten vallendoordat schijnzelfstandigen niet meer ingezet worden. Dit kan ook indelen van de huisartsenzorg het geval zijn.Tot slot vind ik het belangrijk om te benoemen dat 2025 eenovergangsjaar is, waarin voorzien wordt in een zachte landing. Samenmet SZW ondersteun ik zorgorganisaties ook door in samenwerking methet veld te komen tot alternatieven voor de inzet van zzp’ers. Het gaathierbij om het organisatie overstijgend opzetten van een flexibele schil inloondienst. Hiermee beoog ik de regionale samenwerking te stimulerenen te faciliteren.Tot slot vinden de leden van de VVD-fractie het opvallend dat in hetNivel-rapport de oplossingsrichtingen digitalisering en meer hybride zorgzeer laag scoren. Zo heeft de commerciële aanbieder Arts en Zorg hetaantal praktijkbezoeken en de werkdruk aanzienlijk weten te verlagen doorde inzet van digitale consulten zonder aan kwaliteit in te boeten. Hierdoorkunnen huisartsen meer tijd besteden aan patiënten die een fysiek bezoeknodig hebben. Welke potentie ziet de Minister in digitale en hybridehuisartsenzorg in de aanpak van de geschetste problematiek? Hoe wil zijstimuleren dat deze oplossingsrichtingen worden aangeboden?15Aanhangsel Handelingen II, 2024/25, nr. 1842. Antwoord op vragen van de leden Tielen enAartsen over de ontwikkelingen rondom zelfstandige zorgprofessionals (zzp’ers in de zorg)onder andere zoals beschreven in het artikel van RTL «In maand tijd ruim 4000 minder zzp’ers,vooral in de zorg».16Kamerstuk 29 282, nr. 587Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15726 Ik vind het belangrijk dat in de huisartsenzorg ingezet wordt op digitale enhybride zorg en ondersteuning waar dit van meerwaarde is voor burgers,patiënten en professionals. Dit is ook in lijn met de afspraken in de visieeerstelijnszorg 2030 en in het IZA. Daarin zetten we in op zelf, thuis,dichtbij en digitaal als het kan, op basis van samen beslissen. Passendeinzet van digitale en hybride zorg kan de dienstverlening richtingpatiënten verbeteren en vergemakkelijken, maar ook de druk op dehuisarts verlichten, zeker bij laagcomplexe zorgvragen. Ook kan daarbijnog beter ingespeeld worden op de voorkeuren en mogelijkheden vanindividuele burgers en patiënten. Het gaat hierbij niet om implementatieen opschaling van losse digitale en technische toepassingen, maar omanders werken en organiseren met passende inzet van digitale/technischetoepassingen. Daarbij is het van belang dat de voorwaarden en kaders oporde zijn, zoals benodigde vaardigheden, gebruiksgemak, databeschik-baarheid en veiligheid. Aan deze voorwaarden werk ik met veldpartijen,ook voor de huisartsenzorg, onder andere vanuit IZA-afspraken eninitiatieven als Digizo.nu.Er zijn ook al veel huisartsenpraktijken die hier vol op inzetten enpatiënten die er naar tevredenheid gebruik van maken: van mogelijkhedenom digitaal een afspraak te maken of een zorgvraag te stellen tot hetaanvragen van een herhaalrecept of een digitale triage. Tegelijkertijd vindik de mogelijkheden van fysieke consulten en het telefonisch kunnenbenaderen van een huisartsenpraktijk in de huisartsenzorg een groot goeddat altijd gewaarborgd moet blijven voor mensen die daar behoefte aanhebben. Dit is ook belangrijk voor toegankelijkheid voor mensen die nietdigitaal vaardig zijn of onvoldoende taalbeheersing hebben. Maarsimpelweg ook omdat een fysiek consult noodzakelijk kan zijn.Tot slot werk ik, naar aanleiding van het rapport van de IGJ en NZa overde opkomst van bedrijfsketen in de huisartsenzorg, samen met veldpar-tijen aan een afwegingskader voor gepaste inzet van digitale huisart-senzorg. Dit is van belang omdat ook bij digitale en hybride toepassingende kernwaarden van de huisartsenzorg geborgd moeten zijn.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de stukken overhuisartsenzorg. Zij hebben hierover nog enkele vragen.De leden van de NSC-fractie lezen dat de Minister zich maximaal gaatinzetten op het opleiden van huisartsen, maar tegelijkertijd erkent dat dituitdagend is en dat er gewerkt moet worden aan een betere organisatievan de huisartsenzorg. In hoeverre wordt er in de huidige plannenvoldoende rekening gehouden met de regionale verschillen in tekorten?Zijn er concrete acties die gericht zijn op het versterken van de aantrekke-lijkheid van het huisartsenvak in de onderbevoorrechte regio’s?Net als de leden van de NSC-fractie vind ik het belangrijk dat de huisart-senzorg toegankelijk en continu is in elke regio van Nederland. Daaromwil ik in het AZWA met partijen afspreken dat zorgverzekeraars via huncontractering maatwerk in de regio toepassen. Het is mijn inzet dat zijmiddels dit maatwerk samen met de betrokken huisartsen en RHO’s detoegankelijkheid en continuïteit van huisartsenzorg in elke regio topprio-riteit maken. Daarmee houd ik juist rekening met regionale verschillen.Zodra de landelijke afspraken hierover zijn gemaakt, kunnen zorgverzeke-raars deze vertalen naar inkoopbeleid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15727 Daarnaast zijn er mogelijkheden om huisartsen tijdens hun opleidingrichting de regio te trekken. Uit onderzoek van het Nivel blijkt dathuisartsen vooral aan het begin van hun loopbaan openstaan voorregionale wervingsinitiatieven17. In verschillende regio’s worden er op ditmoment huisartsen regionaal opgeleid waardoor haio’s tijdens hunopleiding al naar (tekort)-regio’s trekken zoals Zeeland, Twente en deNoordoostpolder. Ik ben in gesprek met de opleiders over de resultatenvan deze vorm van opleiden.De leden van de NSC-fractie zijn van mening dat het verlagen van dewerkdruk een cruciale factor is voor het behoud van huisartsen. Deelt deMinister deze visie en zo ja, welke concrete maatregelen is zij bereid tenemen om de werkdruk voor huisartsen te verlagen?De leden van de NSC-fractie lezen dat het aantal huisartsen dat werkt meteen vaste patiëntenpopulatie al jaren achterblijft en dat het aantalhuisartsen dat als praktijkhouder werkt is gedaald. Deze leden merken opdat veel huisartsen drempels ervaren bij het oprichten van een eigenpraktijk. Welke concrete stappen onderneemt de Minister om de dalendetrend te keren en de drempels te verlagen?In het AZWA zet ik in op concrete afspraken met de partijen om dewerkdruk te verminderen en de drempels voor het praktijkhouderschap teverlagen. Op hoofdlijnen betreft mijn inzet:•Landelijke activiteiten, om te komen tot een landelijk werkend ruil- eninschrijfsysteem voor patiënten, aanpak van de huisvestingsproblema-tiek, toekomstbestendige bekostiging, betere spreiding van huisartsenover het land en de vertaling van de kernwaarden naar werkbare entoetsbare uitgangspunten of normen.•Regionaal maatwerk waarbij zorgverzekeraars via de contracteringsamen met huisartsen en RHO’s maatwerk bieden om de continuïteiten toegankelijkheid van de huisartsenzorg in elke regio te borgen.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie enreactie van de bewindspersoonMet interesse hebben de leden van de D66-fractie kennisgenomen van debrief van de Minister met de beleidsreactie op het rapport AlgemeneRekenkamer «Focus op huisartsenzorg». Daartoe hebben deze ledenverdere vragen.De Minister geeft in deze brief aan dat de Rekenkamer geconcludeerdheeft dat er een tekort aan huisartsen is, en dat dit tekort in de toekomstnog verder zal toenemen. Voorts vragen de leden van de D66-fractie aande Minister welke structurele oorzaken de Minister ziet voor het aanhou-dende huisartsentekort, en hoe worden deze aangepakt in de plannen vande Minister.De knelpunten in de huisartsenzorg verschillen per regio. Voorbeeldenvan knelpunten zijn arbeidsmarktfactoren zoals opleidingsplekken, hetaantal beschikbare huisartsen in een regio, huisvestingsmogelijkheden,demografische factoren of de werkgelegenheid in de regio voor departner van de huisarts.Met de afspraken die ik in het AZWA beoog te maken wil ik via tweesporen inzetten op het borgen van een toegankelijke en continuehuisartsenzorg in elke regio. Op hoofdlijnen betreft dit:17https://www.nivel.nl/nl/nieuws/huisartsen-zijn-vooral-aan-het-begin-van-hun-loopbaan-geinteresseerd-regionaleTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15728 •Landelijke activiteiten, om te komen tot een landelijk werkend ruil- eninschrijfsysteem voor patiënten, aanpak van de huisvestingsproblema-tiek, toekomstbestendige bekostiging, betere spreiding van huisartsenover het land en de vertaling van de kernwaarden naar werkbare entoetsbare uitgangspunten of normen.•Regionaal maatwerk waarbij zorgverzekeraars via de contracteringsamen met huisartsen en RHO’s maatwerk bieden om de continuïteiten toegankelijkheid van de huisartsenzorg in elke regio te borgen.Deze leden vragen op welke wijze de Minister zich inspant om het beroepvan huisartsen toekomstbestendig te maken, ook gezien de toenemendewerkdruk. Kan de Minister hierbij ingaan op het gegeven dat er nu meerhuisartsen dan ooit zijn?De afgelopen jaren zijn er al veel stappen gezet om de werkdruk vanhuisartsen te verminderen. Met de Visie Eerstelijnszorg 2030 zetten webreed in op het verminderen van de druk op de eerstelijnszorg en hetondersteunen van zorgverleners. Daarnaast is Meer Tijd Voor de Patiëntvoor iedere huisarts beschikbaar en zet ik in op het verminderen van deadministratieve lasten van huisartsen. In het AZWA zet ik in op afsprakenover betere samenwerking tussen domeinen, het verminderen vanadministratieve lasten en het beter organiseren van de huisartsenzorgdoor het verlagen van de drempels voor het praktijkhouderschap. Hierbijbeoog ik enerzijds landelijke acties af te spreken in een «werkagenda»huisartsenzorg. Anderzijds beoog ik afspraken te maken over regionaalmaatwerk via de contractering van zorgverzekeraars. Hiermee is mijn inzetom de beschikbare capaciteit aan huisartsen, die hoger is dan ooit, beterte benutten.En of zij net als de leden van D66-fractie ziet dat er kansen liggen in hetbreder inzetten van andere zorgverleners in de eerstelijnszorg enhulpverleners uit het sociaal domein? Zo ja, op welke wijze is de Ministervan plan om deze kansen te benutten?Net als de leden van de D66-fractie zie ik ook kansen in het brederbenutten van professionals in de eerstelijnszorg en uit het sociaal domein.Ik zet daarvoor, samen met partijen uit het zorgveld en het sociaal domein,in op het versterken van de brede eerstelijnszorg en de sociale basis. In devisie eerstelijnszorg is afgesproken dat er in de wijk gewerkt wordt aan hetinrichten van hechte wijkverbanden waar in ieder geval de huisarts,wijkverpleging, apotheekzorg en sociaal domein professional samenkomen. In dit verband maken zorgverleners afspraken over hoe in de wijkmet elkaar samengewerkt wordt om de inwoners goede zorg en hulp tebieden. Ook de paramedische beroepen, specialist ouderengeneeskundeen artsen verstandelijk gehandicapten zijn onderdeel van de visieeerstelijnszorg en worden bij de samenwerking in de wijk betrokken omzo de huisartsenzorg te ontlasten.In het AZWA wil ik gaan afspreken dat we de samenwerking versterkentussen het zorg en het sociaal domein, zodat mensen de zorg en onder-steuning krijgen die zij daadwerkelijk nodig hebben. Dit kan onder anderedoor landelijke afspraken te maken tussen o.a. zorgverzekeraars,gemeenten en VWS over concrete basisfunctionaliteiten op het snijvlaksociaal en medisch domein. Hierbij kan gedacht worden aan bijvoorbeeldde aanpak Sociaal Verwijzen, waarbij eerstelijnszorgverleners doorkunnen verwijzen naar het sociaal domein, wanneer een oplossing uit hetsociaal domein passender is. Daarnaast willen we afspraken maken overeen basisinfrastructuur ter ondersteuning van die basisfunctionaliteitendie zorgzame gemeenschappen faciliteert, die bestaat uit voldoendeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15729 voorzieningen in de wijk, waar een goede verbinding tussen formele eninformele zorg is, en waar gemeentelijke lokale teams goed verbondenzijn met de hechte wijkverbanden.Voorts vragen deze leden, wat zijn de plannen van de Minister ten aanzienvan het beter spreiden van huisartsen over regio’s met een tekort?Mijn inzet is om in het AZWA met de partijen de afspraak te maken dathuisartsen, RHO’s en zorgverzekeraars gezamenlijk de verantwoorde-lijkheid nemen om de toegankelijkheid en continuïteit van huisartsenzorgin elke regio duurzaam te borgen. Zorgverzekeraars kunnen in huncontractering maatwerk per regio bieden om continuïteit en toeganke-lijkheid van huisartsenzorg te borgen. Zorgverzekeraars kunnen ditmaatwerk inzetten om bepaalde regio’s aantrekkelijk(er) te maken voor(beginnende) huisartsen. Daarnaast onderzoek ik hoe landelijk beleid kanbijdragen aan een betere spreiding van huisartsen over het land zodat erook voldoende huisartsen komen in zogenoemde «tekort»-regio’s.De leden van de D66-fractie hebben zorgen omtrent de huisvesting voorhuisartsenpraktijken. Erkent de Minister dat een tekort aan passendepraktijkruimten een belemmering vormt voor huisartsen om zich tevestigen? Op welke wijze wil de Minister gemeenten stimuleren ofondersteunen om in bestemmingsplannen in nieuwbouwwijkenvoldoende ruimte te reserveren voor huisartsenpraktijken?Ik deel de zorgen van de leden van de D66-fractie, want een tekort aanpassende praktijkruimte kan een drempel vormen voor een huisarts omzich te kunnen vestigen. Deze drempel kan de toegankelijkheid van dehuisartsenzorg in regio’s onder druk zetten. Om deze drempel zoveelmogelijk te verlagen, zet ik in het AZWA in op afspraken over huisves-tingsproblematiek. Enerzijds werk ik met partijen aan een hernieuwdeHandreiking Huisvesting waarbij mijn inzet is dat partijen gaan werkenvolgens het «pas toe of leg uit»-principe. Anderzijds is er ook demogelijkheid van regionaal maatwerk mits de huisvestingsproblematiek(mede) een oorzaak is van de verminderde toegankelijkheid van dehuisartsenzorg in de regio.Daarnaast wil ik benadrukken dat het belangrijk is dat huisartsen op tijd bijhun RHO, gemeente en zorgverzekeraar aan de bel trekken als zijverwachten op de korte of langere termijn te maken krijgen met huisves-tingsproblematiek. Ik verwacht van deze partijen dat zij dan ook de rollenen handelingsperspectieven zoals beschreven in de Handreikingtoepassen. Omdat het opstellen van referentienormen voor maatschap-pelijke-, zorg-, en sportvoorzieningen een onderdeel is van de handelings-opties van gemeenten, verwacht ik dat gemeenten rekening zullen houdenmet eerstelijnszorg of huisartsenzorg bij nieuwbouw.Ook vragen deze leden of de Minister bereid is te onderzoeken of er(tijdelijke) financieringsinstrumenten nodig zijn om praktijkruimten terealiseren in gebieden waar dit financieel gezien lastig is.Net als de D66-fractie vind ik dit een belangrijk punt. Daarom werk ik inhet AZWA aan een afspraak over regionaal maatwerk dat wordt ingezetals de toegankelijkheid van de huisartsenzorg in een regio onder drukstaat. Zorgverzekeraars hebben zo de mogelijkheid tot (incidentele en/oftijdelijke) financiering bij huisvestingsproblematiek.Tot slot, deze leden vinden het belangrijk dat er op korte termijn plannenbekend zullen worden gemaakt om deze problemen aan te pakken.Daartoe vragen de leden van de D66-fractie of de Minister kan aangevenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15730 wat haar overkoepelende inzet is om ervoor te zorgen dat de toegang totde huisartsenzorg verbeterd wordt. Kan de Minister daarbij toelichtenwelke stappen zij al heeft ondernomen en wat de Kamer verder kanverwachten?Met de afspraken die ik in het AZWA beoog te maken wil ik via tweesporen inzetten op het borgen van een toegankelijke en continuehuisartsenzorg in elke regio. Op hoofdlijnen betreft dit:•Landelijke activiteiten, om te komen tot een landelijk werkend ruil- eninschrijfsysteem voor patiënten, aanpak van de huisvestingsproblema-tiek, toekomstbestendige bekostiging, betere spreiding van huisartsenover het land en de vertaling van de kernwaarden naar werkbare entoetsbare uitgangspunten of normen.•Regionaal maatwerk waarbij zorgverzekeraars via de contracteringsamen met huisartsen en RHO’s maatwerk bieden om de continuïteiten toegankelijkheid van de huisartsenzorg in elke regio te borgen.Zodra het AZWA is afgerond ga ik met de partijen aan de slag om degemaakte afspraken uit te voeren. Over de voortgang houd ik uw Kamerop de hoogte.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie enreactie van de bewindspersoonDe leden van de BBB-fractie hebben de recente onderzoeken over dehuisartsenzorg gelezen. Ze hebben hierover een aantal vragen aan deMinister.Genoemde leden vinden de rol van de huisarts als poortwachter heelbelangrijk. Toch zien zij dat deze rol in sommige regio’s niet goed werkt. Indeze regio’s willen weinig huisartsen een praktijk starten. Dat is eenprobleem, zeker omdat er straks meer ouderen bijkomen in die gebieden.De Minister zegt dat zorgverzekeraars een belangrijke taak hebben: zemoeten huisartsen helpen om zich in deze regio’s te vestigen. Welkeinstrumenten geeft de Minister aan zorgverzekeraars om huisartsen testimuleren om naar deze regio’s te komen?Net als de BBB-fractie, zie ik dat de toegankelijkheid van de huisartsenzorgniet in elke regio optimaal is. De zorgverzekeraar heeft een zorgplicht enmoet ervoor zorgen dat zijn verzekerden toegang hebben tot huisart-senzorg. De zorgverzekeraar heeft al voldoende instrumenten om dit tedoen. Dit laten succesvolle voorbeelden uit de regio’s ook zien. Dezevoorbeelden zijn nu nog de koplopers, maar ik wil dat deze overal waardat nodig is toegepast worden. Het is mijn inzet om daarover afspraken temaken in het AZWA.Daarnaast lezen genoemde leden dat de Minister eind dit jaar opnieuwkijkt naar het aantal opleidingsplekken voor huisartsen, op basis vannieuwe cijfers. Deze leden vinden dat de opleiding tot basisarts ook meeraandacht moet geven aan het praktijkhouderschap. Is de Minister bereidom, samen met de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, teverkennen hoe het praktijkhouderschap meer structureel opgenomen kanworden in de coschappen van de opleiding tot basisarts? Bijvoorbeelddoor het als leerdoel op te nemen in het raamplan voor de coschappen?Ik ga niet over de inhoud van de opleiding. In opdracht van De Neder-landse Federatie van Universitair Medische Centra en ArtsenfederatieKNMG is de werkgroep «Meer extramurale artsen» aan de slag om deopleidingsinhoud beter aan te laten sluiten op de zorgvraag van detoekomst, waarbij er meer aandacht is voor het extramurale werkveld. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15731 huisartsenopleiders hebben mij laten weten dat in 2021 reeds de urgentievoor meer praktijkmanagement in de huisartsopleiding werd vastgesteld.Dat heeft geleid tot een landelijk onderwijsprogramma praktijkmanage-ment waarin het onderwerp praktijkhouderschap, naast andere organisa-tievormen, een nadrukkelijke plaats heeft. Dit voorstel is dus al staandepraktijk.Verder horen de leden van de BBB-fractie dat huisartsen moeite hebbenom zich ergens te vestigen. Door de krappe woningmarkt is er vaak teweinig ruimte of zijn de panden te duur. Kan de Minister toezeggen omsamen met gemeenten te zorgen voor voldoende betaalbare en geschikteplekken voor huisartsen, in elk dorp en elke wijk?Ik deel de zorgen van de vragensteller en tegelijkertijd moet ik vaststellendat krapte op de woningmarkt en bij ander vastgoed breder in desamenleving speelt. Huisartsen zijn een van de partijen die hier last vanhebben. Toch is huisvesting wel een essentieel onderdeel van kwalitatiefgoede en toegankelijke huisartsenzorg. Daarom beschouw ik huisves-tingsproblematiek als een probleem als daarmee de toegankelijkheid vande huisartsenzorg onder druk komt te staan. In het AZWA heb ik specifiekaandacht voor huisvestingsproblematiek. Enerzijds werk ik met partijenaan een hernieuwde Handreiking Huisvesting en beoog ik de positiehiervan te verstevigen. Anderzijds is het mijn inzet om af te spreken dat,wanneer huisvestingsproblematiek (mede) een oorzaak is van discontinuehuisartsenzorg in de regio, er mogelijkheden zijn voor maatwerk vanuit dezorgverzekeraar.Tot slot ZZP huisartsen, genoemde leden zijn op de hoogte gebracht vanhet feit dat de LHV uitgebreide casuïstiek heeft aangeleverd bij de Ministervan VWS, de Minister van SZW en de Belastingdienst. Tot op heden heeftdit echter niet geleid tot duidelijkheid. Sterker nog, de situatie is alleenmaar onduidelijker geworden door het onverwachte besluit om allegeldige modelovereenkomsten te verlengen tot 1 januari 2029. Kan deMinister toezeggen om bij de Minister van SZW en de Staatssecretaris vanFinanciën er op aan te dringen dat de Belastingdienst geen sancties metterugwerkende kracht oplegt tot 1 januari 2025, zo lang er geen duide-lijkheid is over de ingediende casuïstiek van huisartsen en over de statusvan modelovereenkomsten in relatie tot de criteria die de Belastingdiensthanteert bij handhaving?Samen met de Minister van SZW en de Staatssecretaris van Financiënrealiseer ik mij dat het voldoen aan wet- en regelgeving en de opheffingvan het handhavingsmoratorium inspanning vergt en een spannendmoment kan zijn voor werkgevenden en werkenden. Dit geldt niet alleenvoor de huisartsen, maar voor alle sectoren. Wij vinden het hierbijbelangrijk dat alle sectoren gelijk behandeld worden. Werken met eenuitzondering op de handhaving voor een bepaalde sector achten wijjuridisch onhoudbaar, voor de uitvoering onhaalbaar en beleidsmatigonwenselijk, zeker uit oogpunt van rechtsgelijkheid tussen sectoren. Ikheb dit ook in mijn Kamerbrief van 17 december jl.18 inzake de opheffinghandhavingsmoratorium aangegeven. Aan uw wens om er bij de Ministervan SZW en de Staatssecretaris van Financiën op aan te dringen dat deBelastingdienst geen sancties met terugwerkende kracht oplegt tot1 januari 2025, kan ik daarom geen gehoor geven. Overigens legt deBelastingdienst, in het kader van de zachte landing, over 2025 geenbestuurlijke boetes op met betrekking tot de kwalificatie van de arbeidsre-latie voor de loonheffingen. Voor zover het gaat om correcties van de18Kamerstuk 29 282, nr. 587Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15732 loonheffingen kunnen deze wel met terugwerkende kracht tot 1 januari2025 worden opgelegd.De wetgeving is niet nieuw en de opheffing van het handhavingsmora-torium per 1 januari 2025 is al in 2022 aangekondigd. Ook in het IntegraalZorgakkoord (september 2022) is opgenomen dat partijen schijnzelfstan-digheid vermijden. In veel gevallen is voor de zorg al langere tijdvoorspelbaar geweest dat er sprake zou zijn van schijnzelfstandigheid. Ditgeldt ook voor een aantal situaties binnen de huisartsenzorg, zoalsbijvoorbeeld «langdurige dagwaarnemingen». De inmiddels met de LHVgedeelde beoordeling van de casusposities zal nog meer duidelijkheidgeven. Tijdens een gesprek op 6 mei 2025 hebben de Ministeries vanVWS, SZW en Financiën/Belastingdienst de beoordelingen toegelicht.Aanvullend zal er op korte termijn een overleg plaatsvinden tussen VWS,de Belastingdienst en de LHV over de binnen de huisartsenzorg geldendemodelovereenkomsten.Zoals in de Kamerbrief van 18 december 202419 van de Staatssecretarisvan Financiën – Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane toegezegd, heeft deBelastingdienst in 2025 aandacht voor een «zachte landing». In 2025 starthet risicogerichte toezicht op schijnzelfstandigheid in beginsel met eenbedrijfsbezoek. Bij een bedrijfsbezoek gaat de inspecteur in gesprek overde inhuur van zelfstandigen. In dit stadium is nog niet vastgesteld ofdaadwerkelijk sprake is van schijnzelfstandigheid. De opdrachtgeverwordt er zo nodig op gewezen dat van hem wordt verwacht dat schijnzelf-standigheid wordt voorkomen in diens organisatie. Hierdoor krijgt eenondernemer de kans om zijn bedrijfsvoering te verbeteren en te voldoenaan wet- en regelgeving.In enkele gevallen kan schijnzelfstandigheid direct via een boekenon-derzoek aan de orde komen, bijvoorbeeld bij concrete risicosignalen dieduiden op evidente schijnzelfstandigheid of als er bij controle op eenander belastingmiddel, bijvoorbeeld BTW, door de inspecteur schijnzelf-standigheid wordt geconstateerd.19Kamerstuk 31 311, nr. 280Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 33 578, nr. 15733
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.