KamerkringInloggen
Kamerstuk

Nota naar aanleiding van de verslagen

1 jul 2024 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie cb7f21b2d7f21afd · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202436 327Vaststelling van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering (Wetboek van Strafvordering)Nr. 11 NOTA NAAR AANLEIDING VAN DE VERSLAGENOntvangen 1 juli 2024 INHOUDSOPGAVEPaginaInleiding5Algemeen5Enkele centrale thema’s in de zes verslagen6Onderwerpen en wijzigingen die mede naar aanleiding van de zes versla-gen in aanvullingswetgeving worden geregeld12Verslag Boek 118I.ALGEMEEN BOEK 118Strafvordering in het algemeen181.Een ingrijpende modernisering191.1Inleiding192.Ontwikkelingen in het strafprocesrecht222.2Veranderingen in de aard van de criminaliteit en het sanctiearsenaal224.Inhoud van het wetboek op hoofdlijnen224.2Boek 1: «Strafvordering in het algemeen»224.8De «beweging naar voren»25II.ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 1251.Inleidende bepalingen en definities251.1Inleidende bepalingen251.2Definities442.De behandeling van zaken door de rechter482.1Algemene bepalingen482.2De relatieve bevoegdheid van de rechtbanken om strafbare feiten teberechten492.3De raadkamer512.4De rechter-commissaris (RC)553.Vervolging en opsporing van strafbare feiten623.1Het College van procureurs-generaal683.2Vervolging683.3Landelijke bevoegdheidsuitoefening door de officier van justitie77 kst-36327-11ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 111 3.4Opsporing854.De verdachte en zijn raadsman874.1De verdachte894.2De raadsman965.Het slachtoffer1015.1Definities1045.2De rechten van het slachtoffer1075.3De benadeelde partij1235.4Rechtsmiddelen1246.De getuige1256.1Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige1276.2Verschoningsrechten1286.4Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige1327.De deskundige1338.De processtukken1388.1De samenstelling van de processtukken en beslissingen over voeging,kennisneming, het verstrekken van een kopie en vertaling1389.Overdracht van berichten en het indienen van stukken1469.1Algemeen1469.2Betekening14711.Enige algemene voorzieningen15111.1Herstelrecht15211.2Videoconferentie15411.3De inzet van tolken16411.5Verstoring van ambtsverrichtingen164III.OVERIG BOEK 1166Verslag Boek 2168I.ALGEMEEN BOEK 2168Het opsporingsonderzoek168II.ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 21781.Algemene bepalingen1781.1Definities1781.2Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in het kadervan het opsporingsonderzoek1811.3Algemene bevoegdheid1881.4Verslaglegging door opsporingsambtenaren1901.5Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe1941.6Toestemming voor onderzoekshandelingen1962.De aangifte1972.3De wijze van aangifte doen2023.Het verhoor door opsporingsambtenaren2023.3Het verhoor van de getuige2024.Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie2035.Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming2045.1Algemene bepalingen2065.2Staandehouding en aanhouding2085.3Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling2085.4Voorlopige hechtenis2105.5Rechtsmiddelen2156.Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam2156.4Onderzoek in het lichaam2196.5Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam2216.7Bevoegdheden van de rechter-commissaris2297.Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens2307.1Algemene bepalingen230Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 112 7.2Inbeslagneming van voorwerpen2337.3Onderzoek van gegevens2397.4Ontoegankelijkmaking van gegevens2537.5Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht2578.Heimelijke bevoegdheden2638.1Algemene bepalingen2638.2De bevoegdheden26710.Onderzoek door de rechter-commissaris27510.1Algemene bepalingen27510.3Het verhoor van de getuige27610.6Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris27710.8Rechtsmiddelen278Verslag Boek 3284I.ALGEMEEN BOEK 3284Beslissingen over vervolging284II.ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 32901.Algemeen2902.Bezwaarschrift tegen de procesinleiding2993.De strafbeschikking3013.1Inhoud van de strafbeschikking3033.2Waarborgen bij het uitvaardigen van strafbeschikkingen3064.Het achterwege laten van vervolging3104.1Het sepot3105.Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten3166.Rechtsmiddelen326Verslag Boek 4329I.ALGEMEEN BOEK 4329Berechting329II.ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 43331.Het aanbrengen van de zaak ter berechting3331.1Procesinleiding en voorbereiding van de terechtzitting3431.2Oproeping voor de terechtzitting en intrekking van de procesinleiding3482.Het onderzoek op de terechtzitting3482.1Algemene bepalingen3482.3De omvang van het onderzoek3612.4Het onderzoek van de zaak zelf3633.De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis3653.2Bewijs3653.3Processuele sancties3673.5Inhoud van het eindvonnis3754.De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen3834.1De vordering van de benadeelde partij3834.2De vordering tot tenuitvoerlegging3864.3De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel3876.Herstelbeslissingen392III.OVERIG BOEK 4392Verslag Boek 5398I. ALGEMEEN BOEK 5398Rechtsmiddelen398Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 113 II.ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 54061.Algemene bepalingen4062.Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewonerechtsmiddelen4072.1Instellen en indienen4072.2Intrekken en afstand doen4142.3Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewone rechtsmid-delen4173.Verzet tegen strafbeschikkingen4183.2De behandeling van verzet4184.Hoger beroep tegen vonnissen4274.1Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen4274.2Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen4474.3De enkelvoudige kamer4505.Beroep in cassatie tegen arresten4545.1Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten4548.Herziening van arresten en vonnissen4678.1Herziening ten voordele van de gewezen verdachte467Verslag Boek 6472I.ALGEMEEN BOEK 6472Bijzondere regelingen472II.ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 64731.Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte4731.1Jeugdigen en jongvolwassenen4731.2Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staat zijnaan het proces tegen hen deel te nemen4992.Procesincidenten5032.1Wraking en verschoning van rechters5032.2Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad5043.Bijzondere procedures5113.1Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens5113.2Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen engegevens5173.3Rechtsmiddelen5184.Bevoegdheden van bijzondere aard5194.1Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast5194.2Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand5214.3Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf5224.4Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijkverkregen voordeel5235.Schadevergoeding en kosten5255.1Schadevergoeding5255.2Kosten531 Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 114 InleidingAlgemeenMet grote belangstelling hebben wij kennisgenomen van de zes verslagendie de Vaste Commissie voor Justitie en Veiligheid over dit wetsvoorsteltot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering heeftuitgebracht (Kamerstukken II 2022/23 en 2023/24, 36 327, nrs. 5 tot en met10). Het verheugt ons dat de meeste fracties steun uitspreken voor hetnieuwe Wetboek van Strafvordering. We zijn de rapporteurs Ellian enHelder en de fracties die inbreng hebben geleverd zeer erkentelijk voor degedegen voorbereiding van de schriftelijke behandeling van dit belang-rijke wetsvoorstel. Het is ons daarom een genoegen om hieronder in dezenota, waar aangewezen uitgebreid, in te gaan op de in de verslagengemaakte opmerkingen en gestelde vragen. Wij hopen daarmee eenbetekenisvolle bijdrage te hebben kunnen leveren aan de voorbereidingvan de al door de vaste commissie geplande mondelinge behandeling vandit wetsvoorstel in zes wetgevingsoverleggen en twee plenairebehandelingen.Graag maken wij vooruitlopend op de beantwoording van de in de zesverslagen concreet gestelde vragen in deze inleiding enkele algemeneopmerkingen.Het omvangrijke wetgevingsproject nieuw Wetboek van Strafvorderingbestaat uit meerdere wetsvoorstellen. Deze eerste vaststellingswet(Boeken 1 tot en met 6) vormt samen met de tweede vaststellingswet(Boeken 7 en 8) de kern van het nieuwe wetboek. De tweede vaststel-lingswet is in april 2024 aanhangig gemaakt voor advies bij de Afdelingadvisering van de Raad van State en wij verwachten dat dit wetsvoorstelnog in 2024 kan worden ingediend bij de Tweede Kamer. De eersteaanvullingswet bevat wijzigingen en aanvullingen op deze vaststellings-wetten, mede naar aanleiding van de vragen die door de Tweede Kamerzijn gesteld in de verslagen (zie hieronder nader). Deze aanvullingswet isop 8 mei 2024 in formele consultatie gegeven. Daarna volgen nog eentweede aanvullingswet en een invoeringswet.Het wetgevingsproject nieuw Wetboek van Strafvordering is in veleopzichten uniek. Ook deze nota naar aanleiding van de verslagen bij deeerste vaststellingswet is qua opzet bijzonder. De vaste commissie heeftzich bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel laten ondersteunen doorvier universiteiten. Deze universiteiten hebben in samenwerking per boekeen rapportage opgesteld. De vaste commissie heeft vervolgens metgebruikmaking van deze rapportages zes verslagen uitgebracht. Eenverslag per boek. Met de vaste commissie en de rapporteurs voor ditwetsvoorstel is afgesproken dat de beantwoording van de vragen uit dezeverslagen volgt in één (deze) nota naar aanleiding van de verslagen.In deze nota volgen wij de zes verslagen van de vaste commissie. Die zesverslagen zijn in het navolgende integraal en cursief opgenomen. Devragen die daarin zijn gesteld zijn in deze nota voorzien van (opeenvol-gende) nummers. In totaal zijn er 783 vragen gesteld. Direct onder eencursief opgenomen vraag wordt het antwoord op die vraag gegeven. Ookde antwoorden zijn genummerd. Deze nummering is nodig om op eengemakkelijke manier naar elders in de nota gegeven antwoorden teverwijzen. Door deze aanpak kan onnodige herhaling worden voorkomen.Niettemin is sprake van een omvangrijke nota. Dit is het gevolg van onzewens om met een gedegen beantwoording volledig recht te doen aan debelangwekkende vragen die in de verslagen zijn gesteld. Door debeschreven opzet en toegevoegde nummering van vragen en antwoordenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 115 is de nota toegankelijk gehouden en kunnen de rapporteurs en de fractiesdie inbreng hebben geleverd, de antwoorden op hun vragen goedterugvinden. Er is soms ook sprake van een gelijkluidende vraag. In datgeval wordt in het antwoord verwezen naar het eerdere antwoord.Elk verslag van de vaste commissie bevat een algemeen deel en eenartikelsgewijs deel van het desbetreffende boek met bijbehorendeinhoudsopgave. Enkele verslagen bevatten bovendien een deel «overig».Deze nota naar aanleiding van de verslagen heeft één inhoudsopgave,waarin de verschillende inhoudsopgaven uit de verslagen zijn samenge-voegd. Het algemeen deel van elk boek is opgenomen bij dat betreffendeboek en wordt steeds gevolgd door het artikelsgewijs deel van dat boeken, waar dat van toepassing is, het deel «overig». Voor de overzichte-lijkheid van deze nota zijn alleen die onderdelen uit de indeling van deverslagen vermeld waarover in de verslagen vragen zijn gesteld. Dezeonderdelen behouden wel hun oorspronkelijke nummering uit het verslag.Om de toegankelijkheid van deze nota verder te vergroten benoemen wijhieronder in deze inleiding eerst enkele centrale thema’s uit de verslagenwaarover door de verslagen heen («boek-overstijgend») meerdere vragenzijn gesteld. Daarna geven wij een overzicht van onderwerpen enwijzigingen die mede naar aanleiding van de verslagen in de aanvullings-wetgeving – in het bijzonder de eerste aanvullingswet – zijn opgenomen.Daarbij zal telkens naar de nummers van de vragen en antwoordenworden verwezen waarin nader op dit thema of op regeling in aanvul-lingswetgeving wordt ingegaan. Ook met deze twee overzichten beogenwij een bijdrage te leveren aan de verdere voorbereiding van de behan-deling van dit wetsvoorstel.Ten slotte vragen wij nog aandacht voor de wijze waarop in deze notanaar het huidige en nieuwe wetboek wordt verwezen. Daar waar in dezenota wordt gesproken over artikelen uit het huidige Wetboek vanStrafvordering worden die artikelen aangeduid als «huidig artikel». Hethuidige Wetboek van Strafvordering wordt aangeduid als «het huidigewetboek». Artikelen uit het nieuwe Wetboek van Strafvordering die zijnopgenomen in de eerste vaststellingswet zijn te herkennen aan de nieuwenummering (bijvoorbeeld 1.1.1). Ook worden die artikelen in deze notawel aangeduid met «in het nieuwe wetboek» of «opgenomen in de eerstevaststellingswet». Als er geen verwijzing achter een artikel staat wordtgedoeld op een artikel van het nieuwe Wetboek van Strafvordering zoalsopgenomen in de eerste vaststellingswet. Het nieuwe Wetboek vanStrafvordering wordt aangeduid als «het nieuwe wetboek».Enkele centrale thema’s in de zes verslagenZoals hierboven in deze inleiding al aangekondigd worden hier enkelecentrale thema’s benoemd waarover door de verslagen heen («boek-overstijgend») meerdere vragen zijn gesteld. Het gaat hier om thema’s diesamenhangen met de – in paragraaf 3 van de memorie van toelichtingomschreven – doelstellingen van de modernisering van het Wetboek vanStrafvordering en die daarom ook wat ons betreft van bijzonder gewichtzijn. Om mogelijke misverstanden te voorkomen wordt aangetekend dathet hierbij dus niet gaat om belangrijke thema’s die uitsluitend ofhoofdzakelijk binnen één boek aan de orde zijn, zoals de opsporings-bevoegdheden in Boek 2 of het jeugdstrafprocesrecht in Boek 6. Diethema’s – die overigens evenzeer aansluiten bij de bedoelde doestellingenvan de modernisering van het Wetboek van Strafvordering, voor watbetreft de opsporingsbevoegdheden betreft dit de doelstelling vanvereenvoudiging en actualisering van het voorbereidend onderzoek enregeling opsporingsbevoegdheden (paragraaf 3.3 memorie vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 116 toelichting) – zijn terug te vinden in de vragen en antwoorden metbetrekking tot het desbetreffende boek. Kortom, het gaat hierna omthema’s die in verschillende boeken spelen en waarover in verschillendeverslagen vragen zijn gesteld.De rol van beginselen en de verhouding tussen het wetboek enlagere regelgevingDoor de verslagen heen zijn vragen gesteld die betrekking hebben op inhet nieuwe wetboek vastgelegde beginselen en op de verhouding tussenhet nieuwe wetboek en lagere regelgeving waarvoor dat wetboek eengrondslag biedt. Dit thema houdt verband met een van de doelstellingenvan het nieuwe wetboek: een systematisch opgezet en inzichtelijk wetboekdat het toepasselijke recht weerspiegelt (zie paragraaf 3.2 van de memorievan toelichting).De vragen over beginselen die in het nieuwe wetboek zijn vastgelegd,betreffen bijvoorbeeld het recht op een eerlijk proces en het beginsel datstrafvordering plaatsvindt op een wijze die recht doet aan de belangenvan het slachtoffer (Boek 1), beginselen van proportionaliteit en subsidia-riteit (Boek 2) en beginselen van een goede procesorde (Boek 3). In dezevragen komt in de kern aan de orde hoe de vastgelegde beginselen zichverhouden tot bronnen van hoger recht, hoe deze beginselen doorwerkenin de specifieke bepalingen uit het nieuwe wetboek of in de strafrechts-praktijk, of er aan de vastgelegde beginselen niet meer andere beginselenmoeten worden toegevoegd en of zij in verband met hun reikwijdte op dejuiste plaats in het nieuwe wetboek staan (1, 2, 3, 7, 11, 12, 13, 14, 15, 16,17, 18, 19, 26, 28, 29, 30, 31, 134, 209, 218, 227, 380, 383, 384, 385, 388,390, 391). In de beantwoording van deze vragen is ingegaan op deinhoudelijke afweging die ten grondslag ligt aan de keuze om sommigebeginselen wel in het nieuwe wetboek vast te leggen en andere niet, enaan de keuze voor de plaats in het nieuwe wetboek waar deze beginselenworden vastgelegd. Voor de beantwoording en verdere details wordtverwezen naar de aangegeven antwoordnummers.Daarnaast is in de verslagen bij verschillende boeken gevraagd naar deverhouding tussen het nieuwe wetboek en de lagere regelgevingwaarvoor het nieuwe wetboek grondslagen biedt, en naar de invulling vaneen aantal algemene maatregelen van bestuur onder het nieuwe wetboek(10, 25, 120, 165, 167, 179, 220, 229, 231, 373, 400, 405, 407, 519, 541, 566,567, 572, 578, 585). In de beantwoording is ingegaan op het legaliteitsbe-ginsel en is uitgegaan van het bekende uitgangspunt dat de reikwijdte ende voornaamste duurzame normen in de wet worden opgenomen, terwijlvoorschriften van meer technische of administratieve aard ofvoorschriften die vaak wijziging behoeven, beter op lager niveau kunnenworden uitgewerkt. Of anders gezegd: de kern van de strafvorderlijkenormering is in het nieuwe wetboek neergelegd en de uitwerking vandeze normering in lagere regelgeving. Daarbij is in de beantwoordingingegaan op de overzichtelijkheid van het nieuwe wetboek en de lagereregelgeving als geheel. Voor de beantwoording en verdere details wordtverwezen naar de aangegeven antwoordnummers.De beweging naar vorenVeel gestelde vragen en gegeven antwoorden gaan in op de voorstellendie in samenhang worden aangeduid als de «beweging naar voren» (9,17, 39, 51, 92, 93, 95, 97, 122, 158, 162, 205, 260, 262, 263, 266, 267, 276,357, 358, 360, 361, 368, 369, 370, 371, 372, 449, 452, 453, 454, 455, 456,457, 458, 459, 460, 461, 464, 465, 466, 468, 470, 480, 481, 482, 484, 493,499, 500, 531, 537, 605, 608, 609, 627, 652, 709). Het gaat bij de bewegingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 117 naar voren om een samenstel van maatregelen die op elkaar ingrijpen enwaarmee wordt bevorderd dat strafzaken beter voorbereid bij dezittingsrechter komen. Dit thema betreft de doelstelling van de moderni-sering van het Wetboek van Strafvordering inzake een voortvarendeprocesgang en afronding van het onderzoek vóór de zitting (paragraaf 3.7van de memorie van toelichting). De voorschriften die op dit themabetrekking hebben zijn opgenomen in Boek 2, Afdeling 5.4.6 (het gaat omartikel 2.5.45) en Hoofdstuk 10, in Boek 4, Hoofdstukken 1 en 2, en inBoek 5, Afdeling 4.1.2.Een aantal van de aangeduide vragen is specifiek gesteld over degevolgen van de beweging naar voren voor de positie van de verdachte,zijn toegang tot processtukken en de mogelijkheid of noodzaak vroegtijdigonderzoekswensen kenbaar te maken (92, 93, 158, 162, 262, 263, 452, 458,459, 464, 466, 605, 609). Op vragen over rechtsbijstand in relatie tot debeweging naar voren wordt hieronder nader ingegaan.Een deel van de vragen betreft de implicaties van de afschaffing van depro-formazittingen en mogelijke gevolgen daarvan voor de werklast (9,122, 260, 266, 267, 357, 358). Ook is gevraagd naar de verschuiving vantaken in het kader van de beweging naar voren, de wijze waarop aan dezetaken invulling wordt gegeven door de officier van justitie, de rechter-commissaris en de zittingsvoorzitter, en hun onderlinge rolverdeling (357,358, 360, 453, 454, 455, 456, 460, 465, 499, 609). Specifieke vragenbetreffen de verhouding tussen de beweging naar voren enerzijds en de(niet-lijdelijke) taak van de zittingsrechter binnen het als contradictoirgekenschetste strafproces anderzijds (92, 452, 456, 459, 460, 464, 608,627). Ook wordt aandacht gevraagd voor de mede in het licht van debeweging naar voren bijgestelde criteria voor het beoordelen vangetuigenverzoeken (het zogenoemde trechtermodel) en de relatie tot hetonmiddellijkheidsbeginsel (369, 459, 460, 480, 481, 482, 484, 493, 500,605).In enkele vragen is gerefereerd aan de beweging naar voren terwijl dedaarin aan de orde gestelde voorschriften daarmee niet in verband staan;deze vragen hebben gelegenheid gegeven en zijn ook aangegrepen omhelder uiteen te zetten wat wel en wat niet onder de maatregelen van debeweging naar voren valt (39, 263, 267, 276, 652, 709).In diverse verslagen is de vraag opgeworpen of de maatregelen van debeweging naar voren bijdragen aan het verkorten van de doorlooptijdenen of hierdoor in verband met bestaande capaciteitstekorten achter-standen in de behandeling van strafzaken kunnen worden weggewerkt(17, 357, 358, 368, 371, 372, 449, 457, 461). Onder de noemer van debeweging naar voren worden inderdaad verschillende aanpassingenvoorgesteld die hieraan kunnen bijdragen. Deze zijn gericht op deorganisatie van de berechting en met name de aanloop naar meervoudigekamerzittingen. De belangrijkste is dat de pro-formazittingen wordenafgeschaft. Daarnaast worden aan de rechter en aan de verdediginghandvatten geboden zijn om het onderzoek en het verloop van destrafprocedure te bespoedigen. Samen stimuleren deze voorstellen datbenodigd onderzoek zoveel mogelijk wordt gedaan voorafgaand aan deinhoudelijke behandeling van de strafzaak, met als doel onnodigeaanhoudingen te voorkomen. Hier is van belang om op te merken dat debeweging naar voren niet de enige maatregel is die aan deze doelstellingbijdraagt. Aan deze doelstelling wordt ook en zelfs in de eerste plaatsbijgedragen door het treffen van praktische maatregelen. Niet uit het oogverloren moet immers worden dat daar uiteindelijk de grootste winst kanworden geboekt. In de tweede plaats zijn er ook andere onderdelen vanhet nieuwe wetboek (dan de onderdelen die uit de beweging naar vorenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 118 voortvloeien) die aan deze doelstelling bijdragen. Naast de onderdelen diein de vaststellingswetten zijn opgenomen, waaronder ook de bepalingendie een digitaal strafproces faciliteren, kan in dit verband ook wordengewezen op onderdelen uit de aanvullingswetgeving, vooral de regelingvan procesafspraken en de regeling tot verbetering van de buitengerech-telijke afdoening die (beide) in de eerste aanvullingswet zijn opgenomen.Het recht op rechtsbijstand van de verdachteEen boekoverstijgend thema in de verslagen betreft het recht van deverdachte op (gesubsidieerde) rechtsbijstand (85, 93, 95, 96, 97, 204, 205,212, 213, 253, 361, 362, 363, 364, 365, 366, 367, 370, 408, 410, 411, 458,583, 589, 590, 591, 592, 606, 608, 624, 627, 628, 664, 682, 683, 699, 700,726). Dit belangrijke thema sluit aan bij de doelstelling van de moderni-sering van het Wetboek van Strafvordering inzake een duidelijke regelingvan bevoegdheden en positie van de procesdeelnemers (paragraaf 3.4van de memorie van toelichting). Het betreft vragen over rechtsbijstandvan de verdachte in verschillende stadia van het strafproces. Over hetgeheel genomen wordt gevraagd hoe in verband met de gewenste«beweging naar voren» (zie hierboven) wordt gestimuleerd datverdachten tijdig van rechtsbijstand zijn voorzien en hoe de extrabenodigde rechtsbijstand wordt bekostigd. Een deel van deze vragenbetreft rechtsbijstand van minderjarige en kwetsbare meerderjarigeverdachten die worden uitgenodigd voor een verhoor (85, 93, 96, 204, 253,366, 628, 664, 699, 700). Ook zijn vragen gesteld over rechtsbijstand bij hetindienen van onderzoekswensen bij de rechter-commissaris, wat immerszou kunnen bijdragen aan de doelstelling van de beweging naar voren omte bevorderen dat zaken beter voorbereid voor de zittingsrechter komen(93, 97, 204, 205, 363, 364, 365, 370, 628). Verder is gevraagd naarrechtsbijstand bij het afstand doen van rechtsmiddelen op de terecht-zitting in eerste aanleg (583) en naar rechtsbijstand in hoger beroep (606,608, 624, 627). Ook zijn vragen gesteld over de rechtsbijstand in verbandmet de strafbeschikking, in het bijzonder bij het doen van afstand van hetrechtsmiddel van verzet tegen de strafbeschikking (408, 410, 411, 589, 590,591, 592). In de beantwoording is uitgegaan van het uitgangspunt dat het– met een aantal uitzonderingen – een vrije keuze van de verdachte is omzich te laten bijstaan door een gekozen of aangewezen raadsman. Op eenaantal punten wordt de rechtsbijstand van de verdachte of de subsidiëringdaarvan versterkt of is in de beantwoording aangekondigd dat demogelijkheden daartoe worden onderzocht. In het bijzonder is van belangdat al vooruitlopend op het nieuwe wetboek in het in consultatie gegevenwetsvoorstel versterking rechtsbijstand in het strafproces verdere stappenworden gezet voor wat betreft rechtsbijstand in verband met het verhooren in verband met de strafbeschikking. Als dat wetsvoorstel tot wet wordtverheven, zal de inhoud van dat wetsvoorstel op een later momentworden overgeheveld naar het nieuwe wetboek. Voor de beantwoordingen verdere details wordt verwezen naar de aangegeven antwoord-nummers.De rol en de rechten van het slachtofferIn de verslagen is een groot aantal – hieronder met de vraag- enantwoordnummering aangeduide – vragen gesteld over het slachtoffer inhet algemeen of in de hoedanigheid van spreekgerechtigde of benadeeldepartij. De rechten van het slachtoffer vormen een belangrijk onderwerpdat aansluit bij de doelstelling van de modernisering van het Wetboek vanStrafvordering inzake een duidelijke regeling van bevoegdheden enpositie van de procesdeelnemers (paragraaf 3.4 van de memorie vantoelichting).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 119 Niet alleen in de gestelde vragen, maar ook in de beantwoording wordttot uitdrukking gebracht dat veel belang wordt gehecht aan een goederegeling van de positie van het slachtoffer en een goede borging vantoegekende slachtofferrechten. In antwoord op enkele vragen in hoeverrehet nieuwe wetboek strekt tot verbetering van de positie van het slacht-offer wordt ingegaan op aanpassingen die daartoe strekken, bijvoorbeeldmet betrekking tot de kennisneming van de processtukken, de verruimingvan de mogelijkheid van beklag tegen het niet opsporen of niet vervolgenvan een strafbaar feit en de mogelijkheid van zelfstandig hoger beroeptegen afwijzing van de vordering benadeelde partij. Daarnaast wordtgewezen op het kabinetsbeleid dat is gericht op het actief in de praktijkborgen van de bestaande wettelijke voorzieningen ten behoeve van hetslachtoffer (27, 106, 114, 121). De belangrijke plaats die het slachtoffertoekomt in het hedendaagse strafprocesrecht is ook vertaald in het in hetnieuwe wetboek opgenomen beginsel dat strafvordering plaatsheeft opeen wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer (artikel 1.1.4).Diverse vragen zijn gesteld over de strekking en invulling van dat beginsel(14, 15, 16, 18, 19, 20, 134, 259, 557).Enkele vragen betreffen de regeling met betrekking tot herstelrechtvoor-zieningen, mediation en de pilot met betrekking tot een eindezaaksver-klaring na mediation die op grond van de Innovatiewet Strafvorderingloopt (183, 184, 185, 186, 444, 445, 446, 447).Diverse vragen betreffen het recht op informatie van het slachtoffer overde aanvang en het verloop van het strafproces tegen de verdachte (107,109). Zoals blijkt uit de verslagen wordt groot belang gehecht aan goedeinformatievoorziening met betrekking tot de vervolgingsbeslissing (60,130), waaronder het afzien of beëindigen van een opsporingsonderzoek ofhet niet vervolgen van het strafbare feit, ook met het oog op demogelijkheid daarover beklag in te dienen (61, 418, 423, 425, 427, 429, 430,439). Een aantal vragen is gesteld over de regeling van het beklag over hetniet opsporen of niet vervolgen (379, 425 tot en met 443, 447).Zoals blijkt uit andere vragen wordt er evenzeer belang aan gehecht dathet slachtoffer wordt geïnformeerd over andere beslissingen (dan debeslissing over opsporen en vervolgen) die in het kader van of gedurendehet strafproces worden genomen (182, 258, 264, 285, 560, 574, 657, 658).Een aantal vragen adresseert de mate waarin het slachtoffer of debenadeelde partij betrokken is, wordt gehoord of in de gelegenheid is zijnstandpunt kenbaar te maken bij processuele beslissingen, zoals tijdens hetopsporingsonderzoek (114, 259), bij de vervolgingsbeslissing, waaronderhet uitvaardigen van een strafbeschikking (75, 108, 110, 112, 115, 116, 117,132, 135, 379, 386, 389, 399), bij een eventuele schriftelijke ronde (468,470, 531, 537), bij het voornemen tot het maken van procesafspraken (75,109, 112, 382, 552, 553, 555) of bij de toepassing van videoconferentie(182).De positie van het slachtoffer in het strafproces komt ook aan de orde invragen naar het begrip slachtoffer (113) en het onderscheid met hetbegrip benadeelde partij (136). Deze afbakening is ook van belang inverband met de vragen naar het waarborgen en daadwerkelijk effectuerenvan slachtofferrechten gedurende het gehele strafproces, ook met het oogop het doenvermogen van slachtoffers (16, 106, 108, 111, 120, 122, 127,128, 382). Gevraagd is of daartoe, ook in het licht van de onderhande-lingen over het voorstel van de Europese Commissie voor de herzieningvan Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor derechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers vanstrafbare feiten, moet worden voorzien in (meer) rechtsmiddelen(«remedies») tegen de eventuele schending van die rechten (124, 125, 129,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1110 469, 564) en of het slachtoffer in de wettelijke regeling niet moet wordenaangemerkt als procespartij (547, 548).Vanuit de zorg dat slachtoffers die dat wensen aanwezig kunnen zijn bij deterechtzitting zijn vragen gesteld over mogelijke maatregelen om dat teverzekeren (131). Geopperd is te voorzien in een zelfstandig aanwezig-heidsrecht voor het slachtoffer, zodat een terechtzitting of het uitsprekenvan het vonnis kan alleen doorgaan als een slachtoffer aanwezig is ofexpliciet heeft laten weten niet aanwezig te willen zijn (123, 469, 471, 472,536), of om erin te voorzien dat de strafzaak, indien de terechtzitting heeftplaatsgevonden zonder aanwezigheid van het slachtoffer, alsnog kanworden «opengebroken» (124, 125, 564).In de beantwoording van deze vragen wordt erop gewezen dat hettoekennen van meer rechten aan het slachtoffer waarmee rechtstreeksinvloed kan worden uitgeoefend op het verloop van het strafproces, depositie van het slachtoffer doet verschuiven naar die van procespartij, enis uiteengezet dat en waarom dit onwenselijk wordt geacht. Een dergelijkewijziging naar een «driepartijenstelsel» heeft forse consequenties voor deinrichting van en de balans binnen het Nederlandse strafproces en voorde positie van het openbaar ministerie, de verdachte en zijn raadsman ende rol van de rechter (31, 114, 124, 469, 548). Voor de meer gedetailleerdebeantwoording wordt verwezen naar de aangegeven antwoordnummers.De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer komtaan de orde in vragen over het maken van beeld- of geluidsopnamen opde terechtzitting (494, 496, 539) en over het opstellen en verstrekken vanprocesstukken (165, 166, 167, 168, 251, 554). Ook zijn vragen gesteld overde regeling van het recht van het slachtoffer op de kennisneming envertaling van processtukken (44, 118, 126, 133, 139, 141).Met betrekking tot het spreekrecht zijn vragen gesteld naar mogelijkconflicterende belangen van het slachtoffer en de verdachte en meer inhet bijzonder de verhouding van het spreekrecht tot de onschuldpre-sumptie (451, 473, 474, 475), de kring van spreekgerechtigden en de matewaarin het aantal personen dat gebruik maakt van het spreekrecht kanworden beperkt (476, 477, 478) en de vraag of en in hoeverre de rechter inzijn vonnis moet ingaan op hetgeen de spreekgerechtigde naar vorenheeft gebracht (530).Naast diverse algemene vragen over de procespositie van de benadeeldepartij (136, 137, 138, 532, 534, 535, 541, 544, 545, 551, 574, 632) is inverband met de niet-ontvankelijkverklaring van de vordering van debenadeelde partij vanwege onevenredige belasting van het strafprocesgevraagd naar de mogelijkheid daarin verbetering te brengen door middelvan een eventuele afzonderlijke procedure voor een aparte schadevergoe-dingskamer en door middel van andere maatregelen die zijn geadviseerddoor de Commissie onderzoek stelsel schadevergoeding voor slachtoffersvan strafbare feiten (commissie-Donner) (203, 450, 479, 533, 534, 535, 546,547, 549, 632). In dat verband is in de vragen ook gerefereerd aan de inonderhandeling zijnde nieuwe richtlijn slachtofferrechten (450, 533, 547,548, 549, 655). Verder wordt in diverse vragen ingegaan op het recht vande benadeelde partij om een zelfstandig hoger beroep en cassatieberoepbij de strafrechter in te stellen tegen de afwijzing van haar vordering (612,630, 631, 634, 640, 643, 651, 655), en op de rechtsmiddelen die de oudersof voogd van de minderjarige verdachte die de leeftijd van veertien jaarnog niet heeft bereikt ter beschikking staan tegen beslissingen over devordering van de benadeelde partij, nu deze vordering word geacht tegende ouders of voogd gericht te zijn (558, 712). In enkele vragen komt demogelijkheid om in geval van overschrijding van de redelijke termijn ookTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1111 een schadevergoeding toe te kennen aan de benadeelde partij aan deorde (520, 541, 544, 545).Facilitering digitaal strafprocesIn verschillende verslagen zijn vragen gesteld over bepalingen in hetnieuwe wetboek die – kort samengevat – tot doel hebben een digitaalstrafproces te faciliteren (23, 34, 35, 36, 37, 159, 164, 175, 177, 492, 566,567, 568, 569, 570, 571, 572, 573, 576, 577, 578, 585, 586). Facilitering vaneen digitaal strafproces is dan ook een belangrijke doelstelling van demodernisering van het Wetboek van Strafvordering (paragraaf 3.5 van dememorie van toelichting). Het gaat dan in het bijzonder om het digitaalstrafdossier en de verplichting – en de uitzonderingen daarop – totuitwisseling van stukken en berichten langs elektronische weg (Boek 1).Verder gaat het om het instellen van rechtsmiddelen langs elektronischeweg (Boek 5). Voor de beantwoording en verdere details wordt verwezennaar de aangegeven antwoordnummers.In verband met het onderwerp digitaal strafproces is relevant dat in deverslagen met betrekking tot bepalingen in verschillende boeken (Boeken1, 2, 3 en 4) vragen zijn gesteld over geluids- en beeldopnamen alsbewijsmiddel en als gedeeltelijke vervanging van een proces-verbaal ofverslag (215, 237, 240, 409, 485, 486, 487, 488, 490, 491, 494, 495, 496,504). Op basis van de Innovatiewet Strafvordering wordt een pilotuitgevoerd waarin wordt bekeken hoe de nieuwe mogelijkheden metbetrekking tot audiovisuele registratie werken in de praktijk. De evaluatievan de pilots onder deze wet wordt oktober 2024 verwacht. Daarom is inde beantwoording tot uitgangspunt genomen dat eerst de uitkomsten vande evaluatie worden afgewacht en dat wanneer de evaluatie daartoeaanleiding geeft de uitkomsten via de tweede aanvullingswet in hetnieuwe Wetboek van Strafvordering worden verwerkt. Voor de beant-woording en verdere details wordt verwezen naar de aangegevenantwoordnummers.Onderwerpen en wijzigingen die mede naar aanleiding van de zesverslagen in aanvullingswetgeving worden geregeldZoals hierboven al aangekondigd, geven wij hier een overzicht vanonderwerpen en inhoudelijke wijzigingen die mede naar aanleiding vande verslagen in de aanvullingswetgeving zijn opgenomen. Op deze wijzekomen wij aan wensen vanuit de Tweede Kamer tegemoet door deonderwerpen en wijzigingen die daaruit voortvloeien in een afzonderlijkwetsvoorstel op te nemen die een afzonderlijke wetgevingsproceduredoorloopt – met consultatie van de betrokken organisaties uit destrafrechtspleging en advisering door de Afdeling advisering van de Raadvan State – alvorens bij de Tweede Kamer te worden ingediend en alsdandoor de Tweede en Eerste Kamer te worden behandeld. Bij diegelegenheid kunnen de Kamers deze onderwerpen en wijzigingen op huninhoudelijke merites beoordelen. Op deze manier kunnen op eendoeltreffende manier onderwerpen in het nieuwe wetboek wordengeregeld zonder dat de behandeling van de eerste en de tweede vaststel-lingswet vertraging oploopt. Ook wordt de wetssystematische samenhangvan de gewenste wijzigingen op deze wijze gewaarborgd en voorkomendat het wetgevingsproces van het wetboek als geheel door nota’s vanwijziging en amendementen onoverzichtelijk wordt. Deze aanpak metaanvullingswetgeving heeft daarom wat ons betreft de voorkeur bovenhet wijzigen van het voorliggende wetsvoorstel zelf. De eerste aanvul-lingswet is op 8 mei 2024 in formele consultatie gegeven voor een periodevan ruim vier maanden. Bij de indiening van de eerste aanvullingswet bijde Tweede Kamer wordt voorzien in een overzichtelijke weergave van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1112 wijzigingen en aanvullingen uit die eerste aanvullingswet in de tekstenvan de eerste en tweede vaststellingswet. Het voornemen is een pilot testarten die ziet op de weergave van gewijzigde wetgeving ten behoevevan de Tweede en Eerste Kamer. De eerste aanvullingswet gaat daaronderdeel van uitmaken. De aanvullingen en wijzigingen zullen dan metkleur worden weergegeven in de tekst van het nieuwe wetboek, zodat deTweede en Eerste Kamer overzicht houden op het totaal en goed kunnenzien wat de eerste aanvullingswet wijzigt en toevoegt aan de vaststellings-wetgeving.Eerste aanvullingswetAllereerst wordt in de eerste aanvullingswet artikel 1.1.1 (strafvorderlijkelegaliteitsbeginsel) aangepast in verband met de doorwerking vaninternationaal recht (zie daarover ook vraag 11 over de zelfstandige bronvan strafprocesrecht en vraag 386 over de normerende functie vanverplichtingen op grond van internationaal recht op de vervolgingsbe-slissing).In het verslag over Boek 2 wordt gevraagd naar de mogelijkheid totactualisering van artikel 2.1.8 (de bepaling die de misdrijven omschrijft diegelijk worden gesteld met een misdrijf waarop naar de wettelijkeomschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld). Deaanpassing van dit artikel naar aanleiding van nieuwe wetgeving dierecent in werking is getreden vindt plaats in de eerste aanvullingswet (zieonder meer de vragen 228 en 297).In de verslagen worden verschillende vragen gesteld over de voorge-nomen regeling van procesafspraken (zie de vragen 75, 109, 112, 382, 552,553 en 555). Met opname van deze regeling in de eerste aanvullingswetwordt invulling gegeven aan het aan de Tweede Kamer meegedeeldevoornemen om een wettelijke regeling te treffen voor het maken vanprocesafspraken in strafzaken (Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 742).Zoals in de beantwoording van deze vragen is aangegeven is daarbij ookaandacht besteed aan in die vragen genoemde aspecten, zoals debetrokkenheid en de belangen van slachtoffers bij procesafspraken en deeindverantwoordelijkheid van de rechter voor de inhoudelijke beslis-singen. In antwoord 555 wordt uiteengezet dat en waarom dit belangrijkeonderwerp in de eerste aanvullingswet is opgenomen en niet in hetvoorliggende wetsvoorstel voor de eerste vaststellingswet.Mede in reactie op enkele vragen uit de verslagen over de deskundigenbe-palingen in de verschillende boeken worden ook deze bepalingenaangepast in de eerste aanvullingswet. Zo wordt artikel 1.7.2 (kwalificatiesvan een deskundige) aangepast in reactie op vraag 154 en wordtartikel 1.7.5 over technisch opsporingsonderzoek gewijzigd in de eersteaanvullingswet om zo te verduidelijken op welk type onderzoek dedeskundigenregeling niet van toepassing is (zie daarvoor vraag 156). Inhet vervolg daarvan wordt in de eerste aanvullingswet ook voorzien in demogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen metbetrekking tot de verslaglegging van onderzoeken waarvoor specifieke ofbijzondere kennis vereist is maar die niet als deskundigenonderzoekworden aangemerkt (zie daarover vraag 256).In de verslagen worden verschillende vragen gesteld over devoorschriften en waarborgen die gelden voor de verdere verwerking vangegevens die door de uitoefening van opsporingsbevoegdheden wordenverkregen (208, 210 293, 319, 328, 329, 345, 346). Zoals in de beant-woording van deze vragen is aangegeven is van het aanvankelijkevoornemen om strafvorderlijke gegevensverwerkingsbepalingen niet inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1113 het nieuwe wetboek te regelen teruggekomen en is ervoor gekozen omhet bestaande strafvorderlijke recht op het gebied van gegevensver-werking alsnog (ook) in het nieuwe wetboek op te nemen door dit rechtdaarin om te zetten. Dit gebeurt door middel van de eerste aanvul-lingswet. Verdere beleidsontwikkeling op het terrein van strafvorderlijkegegevensverwerking zal buiten het kader van het wetgevingsproject vanhet nieuwe wetboek plaatsvinden. Zie voor een verdere toelichting deantwoorden op de aangeduide vragen.In het verslag over Boek 2 worden verschillende vragen gesteld over deregeling van bevoegdheden ten aanzien van het lichaam (Boek 2,Hoofdstuk 6). Zo wordt in de vragen 206, 216, 274, 275, 276 en 277 aan deorde gesteld of voor wat betreft de formulering van deze bevoegdhedeneen beter evenwicht kan worden bereikt tussen rechtszekerheid entoekomstbestendigheid. De vragen 289, 290 en 291 stellen aan de orde ofdeze bevoegdheden minder gedetailleerd kunnen worden opgeschreven.Mede naar aanleiding van deze vragen is in de eerste aanvullingswet eenvoorstel gedaan om de regeling van de onderzoekshandelingen metbetrekking tot het lichaam nog meer toekomstbestendig te maken en omde bevoegdheden minder gedetailleerd te formuleren.De eerste aanvullingswet verbetert ook inhoudelijk de regeling van debuitengerechtelijke afdoening door aanvullingen en wijzigingen door tevoeren in de Boeken 3, 5 en 7. Het betreft dan onder meer de introductievan een voorwaardelijke strafbeschikking, met een omzettingsprocedurevoor gevallen waarin strafbeschikkingen niet volledig zijn tenuitvoer-gelegd of de voorwaarden niet zijn nageleefd. Over het verband tussendie regeling en het voorliggende voorstel voor de eerste vaststellingswetzijn in de verslagen verschillende vragen gesteld en beantwoord (5, 601).Met het voorstel in de eerste aanvullingswet wordt ook voldaan aanenkele in de verslagen verwoorde wensen. Zo kan met behulp van devoorwaardelijke strafbeschikking de verdeling van zaken over gerechte-lijke en buitengerechtelijke afdoening worden geoptimaliseerd, hetgeenbijdraagt aan de doelstelling van een door de ZSM-werkwijze onder-steunde, tijdige afdoening van strafzaken (376), en aan de doelstelling omde strafbeschikking beter te richten op het straftoemetingsbeleid van derechter (401). Verder bevat de regeling een aantal verbeteringen dieaansluiten op vragen uit de verslagen. Zo is de voorwaardelijke strafbe-schikking standaard aan een proeftijd van een jaar gebonden (404). Ookzullen na de consultatie van de eerste aanvullingswet in de daarinopgenomen regeling van de buitengerechtelijke afdoening de in depraktijk al geldende waarborgen ten aanzien van rechtsbijstand envoorlichting bij vrijwillige voldoening aan de strafbeschikking expliciet inde wet worden vastgelegd (589) en zal worden verduidelijkt dat deregeling over het doen van afstand van verzet ook geldt voor gevallenwaarin afstand tegenover de officier van justitie of een gemandateerdeparketsecretaris wordt gedaan (591).De eerste aanvullingswet bevat een herstructurering en uniformering vande regeling van de (bijzondere) voorwaarden en het toezicht op denaleving daarvan. Met dit onderdeel van de eerste aanvullingswet wordttevens invulling gegeven aan wensen die in de verslagen wordengenoemd. Het gaat dan om een uniformering van voorwaarden (403) enom verduidelijking van de voorwaarden die aan het voorwaardelijk sepotkunnen worden verbonden; bij het voorwaardelijk sepot wordt conformhet beleid van het openbaar ministerie in de wet vastgelegd dat dit alleenonder de algemene voorwaarde mogelijk is; voor bijzondere voorwaardenzal voortaan alleen de – ook in de eerste aanvullingswet geregelde –voorwaardelijke strafbeschikking inzetbaar zijn (413, 414).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1114 Ook in Boek 4 over de berechting worden door middel van de eersteaanvullingswet enkele wijzigingen doorgevoerd mede naar aanleiding vanin de verslagen gestelde vragen (de vragen 468, 470, 479 en 531, 537).Mogelijk wordt gemaakt dat ook de benadeelde partij door de voorzitter ofde rechtbank in de gelegenheid kan worden gesteld aan een schriftelijkeronde mee te doen. Verder wordt in reactie op vraag 538 artikel 4.4.10aangepast in de eerste aanvullingswet, waardoor de reclasseringsmede-werker enkel wordt opgeroepen voor een zitting indien daartoe aanleidingis.In het verslag over Boek 5 zijn enkele vragen gesteld (579, 582, 583, 584,587) over de mogelijkheid van artikel 5.2.7 tot het doen van afstand van debevoegdheid tot het instellen van een rechtsmiddel. Naar aanleiding vandeze vragen wordt dit artikel in de eerste aanvullingswet aangevuld methet voorschrift dat aan de verdachte, alvorens hij afstand doet, wordtmeegedeeld dat een gedane afstand niet kan worden herroepen. Uitenkele vragen bij Boek 5 (646 en 647) is duidelijk geworden dat deformulering van artikel 5.5.12 – zoals ook uit de rapportage van deuniversiteiten naar voren komt – vraagtekens oproept en gemakkelijk totonjuiste lezing kan leiden. Dit geeft aanleiding tot herformulering vangenoemd artikel – dus geen inhoudelijke aanpassing van het voorschrift –die in de eerste aanvullingswet zal worden opgenomen na afloop van deformele consultatie.Tot slot worden ook ten aanzien van enkele onderwerpen uit Boek 6wijzigingen en aanvullingen opgenomen in de eerste aanvullingswet. Zowordt een omissie in artikel 6.1.14 over bijzondere voorwaarden hersteld(vraag 668). Op het gebied van het jeugdstrafrecht worden in de eersteaanvullingswet twee rechten uit de richtlijn nr. 2016/800/EU van hetEuropees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende de proce-durele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn in eenstrafprocedure (PbEU L132) toegevoegd aan de voorgestelde regelingvoor twaalf-minners (vraag 663). Dit betreft ten eerste het medischonderzoek dat de (hulp)officier van justitie ambtshalve of op verzoek vande verdachte kan laten uitvoeren om vast te stellen of de verdachte instaat is een verhoor te ondergaan of te worden onderworpen aan eenonderzoekshandeling. Ten tweede wordt het recht op een individuelebeoordeling ook van toepassing op deze twaalf-minners. Deze wijzigingwordt opgenomen in de eerste aanvullingswet na afloop van de formeleconsultatie. Op dat moment wordt ook artikel 6.1.17 aangepast, in die zindat de alleen zittende kinderrechter bevoegd wordt een straf op te leggenmet een maximale duur van een jaar, terwijl het onvoorwaardelijk deelvan die straf beperkt is tot zes maanden (669, 670, 696). Na afloop van deformele consultatie van de eerste aanvullingswet wordt ook een wijzigingvan artikel 6.1.30 (675) opgenomen. Deze wijziging betreft de toevoegingvan de mogelijkheid voor de rechter om advies te vragen aan de raadvoor de kinderbescherming.In antwoord 750 wordt ingegaan op de in de eerste aanvullingswetopgenomen mogelijkheid om bij klaagschrift een verzoek te doen tot hetverstrekken van niet-strafbare gegevens die op een inbeslaggenomengegevensdrager staan (denk hierbij aan vakantiefoto’s en een werkstukvan het kind van de verdachte). Tot slot wordt in antwoord 755 gewezenop het overnemen van een recente wijziging van het huidige artikel 509hhin het nieuwe artikel 6.5.1. Die wijziging volgt uit de Wet aanpak dieren-mishandeling en dierverwaarlozing.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1115 Tweede aanvullingswetZoals blijkt uit de verschillende antwoorden op de in de verslagengestelde vragen die gaan over de Innovatiewet Strafvordering en debijbehorende pilots (zie de algemene vraag 463) zullen de uitkomsten vanhet WODC-onderzoek naar deze pilots, indien deze uitkomsten daartoeaanleiding geven, door middel van de tweede aanvullingswet wordenverwerkt in het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Het betreft ondermeer de met de Innovatiewet Strafvordering voorziene regeling vanmediation tijdens de berechting (zie daarvoor de vragen 27, 444, 445 en446), de regeling van geluids- en beeldopnamen als bewijsmiddel en alsgedeeltelijke vervanging van een proces-verbaal of verslag (zie voor derelevante vragen hierboven bij het centrale thema van het digitaalstrafproces), de regeling van het onderzoek aan gegevens na inbeslag-neming (vraag 327) en de prejudiciële procedure in strafzaken (vragen732, 736 en 740).Los van het overnemen in het nieuwe wetboek van de regeling vanmediation tijdens de berechting, die onderdeel vormt van de InnovatiewetStrafvordering, is op in de verslagen gestelde vragen ook aangegeven dateen eventuele wettelijke verankering van een drietal andere mediation-onderwerpen wordt onderzocht en overwogen (183, 186). Daarbij gaat hetom een informatieplicht voor de politie om erop te wijzen dat herstelrechtbestaat, een instructienorm voor het openbaar ministerie en de rechterom ambtshalve te onderzoeken of mediation mogelijk is en om een rechtvan het slachtoffer en van de verdachte om de mogelijkheid vanmediation te laten onderzoeken. Als het gewenst en haalbaar is om deonderwerpen in de wet op te nemen, dan kunnen deze tezamen met deresultaten van de evaluatie van de Innovatiewet Strafvordering wordenopgenomen in de tweede aanvullingswet. Via deze aanpak kan eensamenhangende en evenwichtige regeling in het nieuwe Wetboek vanStrafvordering worden gerealiseerd.Verder zal naar aanleiding van een daarover gestelde vraag in het verslagover Boek 2 (343) in de komende periode in samenspraak met keten-partners worden bekeken of en in hoeverre aanleiding bestaat om derechter-commissaris ook een grotere rol te geven dan nu in het nieuwewetboek is voorzien bij het filteren van door de inzet van heimelijkebevoegdheden verzamelde bulkgegevens waartussen vermoedelijk ookverschoningsgerechtigd materiaal zit (Boek 2, Hoofdstuk 8). Het gaat danom een rol van de rechter-commissaris die vergelijkbaar is met de rol diede rechter-commissaris in het nieuwe wetboek al heeft ten aanzien vandoor de inzet van bevoegdheden ten aanzien van voorwerpen engegevens verkregen gegevens waartussen vermoedelijk ook verscho-ningsgerechtigd materiaal zit (Boek 2, Hoofdstuk 7). Mocht dit aanleidinggeven tot wetswijziging, dan zal deze wetswijziging worden meegenomenin de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering.Ten slotte is in antwoord 731 aangegeven dat de wijzigingen die in hetwetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende crimina-liteit II in de wrakingsregeling van het huidige wetboek worden doorge-voerd, nadat dat wetsvoorstel tot wet is verheven, via een aanvullingswetin het nieuwe wetboek zullen worden verwerkt. Hetzelfde geldt voor dewijzigingen die zijn voorgesteld in het wetsvoorstel versterking rechtsbij-stand in het strafproces (zie hierboven bij het centrale thema van het rechtop rechtsbijstand van de verdachte). Dit sluit aan bij het meer algemeneuitgangspunt om strafvorderlijke wijzigingen in lopende wetsvoorstellentot wijziging van het huidige wetboek nadat zij tot zijn verheven via eenaanvullingswet ook in het nieuwe wetboek over te nemen. Zie in ditverband ook de antwoorden 32, 258 en 450. Ook indien rechtspraak vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1116 het Hof van Justitie van de Europese Unie zou nopen tot bijstelling van deregeling van de opsporingsbevoegdheden zal daarin in aanvullingswet-geving worden voorzien (224).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1117 Verslag Boek 1 Het verslag bij Boek 1 (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 5) is vastge-steld op 2 juni 2023.I. ALGEMEEN BOEK 1 Strafvordering in het algemeenDe leden Ellian en Helder zijn door de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid benoemd tot rapporteurs op dit wetsvoorstel. Deze rapporteurshebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot de Vaststelling van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering, Boek 1 (36 327) (het wetsvoorstel) enhebben namens de commissie een aantal vragen.De leden van de VVD-fractie hebben met veel belangstelling kennisge-nomen van het wetsvoorstel. De modernisering van het wetboek houdteen grote wetgevingsoperatie in waarbij op ketenpartners, advocatuur,wetenschap en andere betrokken partijen een bijzonder beroep is enwordt gedaan, zowel bij de voorbereiding van de wetgeving als bij devoorbereiding van de invoering van het wetboek. Deze leden zijn partijenerkentelijk voor de positieve en waardevolle bijdrage van alle partners inde strafrechtketen en anderen aan dit omvangrijke wetsvoorstel. Dezeleden onderschrijven de noodzaak tot het vaststellen en implementerenvan een nieuw Wetboek van Strafvordering, zoals dat ook is verwoord inhet coalitieakkoord. Ook in het licht van de achterstanden in de strafrecht-keten is het belangrijk dat er een nieuw wetboek komt dat aansluit bij dewensen en behoeften vanuit de praktijk. Daarnaast is het voor deze ledenvan cruciaal belang dat de positie van het slachtoffer wordt geborgd enversterkt. Zij stellen graag nog een aantal vragen over het nieuwewetboek.De leden van de D66-fractie onderschrijven de noodzaak van de moderni-seringsoperatie omtrent het Wetboek van Strafvordering. Zij hebben danook met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en debijbehorende stukken. Zij hebben over boek 1 nog een aantal vragen.De leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen vanhet wetsvoorstel. Deze leden danken de regering en de verschillendebijstandsverleners voor het ontwerpen van het onderhavige wetsvoorstel.Volgens deze leden is het hoognodig dat het Wetboek van Strafvorderingwordt gemoderniseerd, nu dit wetboek in zijn huidige vorm niet meergenoeg aansluit bij de huidige tijd en (technologische) ontwikkelingen.Het formuleren van techniek-neutrale wetsbepalingen en bepalingenwaarin bepaalde rechten beter en duidelijker zijn verankerd, zien dezeleden als een vooruitgang. Deze leden maken van de gelegenheid gebruikom vragen te stellen aan de regering over het wetsvoorstel.De leden van de SP-fractie hebben het wetsvoorstel gelezen. Deze ledenzijn tevens de rapporteurs, de penvoerders, meelezers en projectteam vande inhoudelijke rapportage die naar de Kamer is gestuurd zeer erkentelijkvoor hun werk. Deze leden hebben nog een aantal vragen.De leden van de PvdA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorliggende wetsvoorstel ter vernieuwing van het Wetboek vanStrafvordering. Deze leden delen de mening van de regering dat er eennoodzaak bestaat om dit wetboek ingrijpend te moderniseren. Dezewetgevingsoperatie is van een niet te onderschatten grote omvang enbelang. Deze leden zijn dan ook verheugd dat zij daarbij kunnen rekenenop de bijstand vanuit de universiteiten. De door de universiteitenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1118 opgestelde uitgebreide rapportage over Boek 1 was voor deze leden vangroot belang. Zij kunnen zich vinden in de keuze van de rapporteursvanuit de Kamer om de vragen uit deze rapportage over te nemen. Dezeleden hebben daarnaast alleen nog enkele aanvullende vragen.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met belangstelling kennisge-nomen van het wetsvoorstel Wetboek van Strafvordering (Boek 1). Dezeleden spreken ook hun grote waardering uit voor de rapportage die doorde universiteiten is opgesteld. Zij zien daarom met grote belangstelling debeantwoording van die vragen tegemoet. Aanvullend hierop hebben zijnog behoefte aan het stellen van enkele vragen.De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel om het Wetboek van Strafvordering te moderni-seren. Deze leden onderschrijven de noodzaak om het Wetboek vanStrafvordering te moderniseren. Zij hebben nog enkele vragen enopmerkingen.1. Een ingrijpende modernisering 1.1 Inleiding Nu besloten is om pas na de inbreng van het laatste deel van het Wetboekvan Strafvordering één integrale nota naar aanleiding van het verslag testuren, behouden de leden van de VVD-fractie zich het recht voor op eenlater moment bij de inbreng van andere onderdelen van het nieuwewetboek ook nog enkele aanvullende vragen te stellen die verbandhouden met onderwerpen die worden behandeld in eerdere onderdelenvan het wetboek. Het valt bijvoorbeeld niet uit te sluiten dat er aanvul-lende vragen rijzen over de positie en rechten van verdachten of slacht-offers en de wijze waarop die in het eerste boek zijn vormgegeven nanadere bestudering van het vijfde boek over rechtsmiddelen.(1) De leden van de PVV-fractie vragen waarom de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit niet als algemene beginselen zijnopgenomen in de algemene bepalingen van Boek 1, maar uitsluitend zijnneergelegd in de algemene bepalingen van Boek 2. Deze leden zijn vanmening dat deze beginselen voor de hele strafrechtspleging gelden enzeker niet alleen voor het opsporingsonderzoek. De nadruk komt zoonterecht vrijwel alleen op het functioneren van de politie in het opspo-ringsonderzoek te liggen, terwijl de beginselen ook gelden voor hetOpenbaar Ministerie (OM) bij onder meer de vervolgingsbeslissing.1. In de eerste titel van Boek 1 zijn enkele beginselen opgenomen die optal van plaatsen in het wetboek een rol spelen. Hiermee wordt het grotebelang van deze beginselen voor de strafvorderlijke regelgeving enpraktijk tot uitdrukking gebracht. De gedachte achter de opname van dezealgemene beginselen in de eerste titel is niet om een complete cataloguste formuleren van beginselen die bij de vormgeving van het strafproces-recht van belang zijn, maar om aan het begin van het wetboek enkelebeginselen te formuleren die bij de uitleg en toepassing daarvan leidendzijn. Dat bepaalde beginselen niet in Boek 1 zijn vastgelegd, betekentvanzelfsprekend niet dat die beginselen niet van betekenis zouden zijnvoor het strafprocesrecht. Zo zijn de beginselen van proportionaliteit ensubsidiariteit neergelegd in Boek 2. Voor plaatsing in Boek 2 is gekozenomdat deze beginselen verhoudingsgewijs van grote betekenis zijn voorde normering van de daar toegekende opsporingsbevoegdheden. Vooralop het terrein van het opsporingsonderzoek heeft het voor de toeganke-lijkheid en kenbaarheid van het recht waarde deze beginselen nadrukkelijkvoorop te stellen. Dat laat onverlet dat de beginselen van proportionaliteiten subsidiariteit ook in andere rechtsgebieden en in andere delen van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1119 strafprocesrecht een rol spelen en dat soms ook andere beginselenrelevant kunnen zijn voor de normering van het opsporingsonderzoek.In het kader van het opsporingsonderzoek krijgen de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit een specifieke invulling, die kan afwijkenvan de betekenis die zij elders hebben. Dat komt tot uitdrukking in deformulering van artikel 2.1.3 en in de memorie van toelichting daarbij. Debeginselen normeren hier de gevallen waarin en de wijze waarop debevoegde autoriteit – in het bijzonder de opsporingsambtenaar of deofficier van justitie – een bevoegdheid in het opsporingsonderzoek kanuitoefenen. Het beginsel van proportionaliteit houdt in het verband vanhet opsporingsonderzoek in dat de uitoefening van een bevoegdheid ineen concreet geval in een redelijke verhouding moet staan tot hetdaarmee beoogde doel. Het beginsel van subsidiariteit brengt mee dateen bevoegdheid alleen mag worden uitgeoefend indien het daarmeebeoogde doel in het concrete geval niet op een andere, minder ingrij-pende wijze kan worden bereikt. Zo zal in veel gevallen de afwegingmoeten worden gemaakt of de inbreuk die wordt gemaakt op depersoonlijke levenssfeer van de verdachte noodzakelijk is voor dewaarheidsvinding, mede gezien de ernst van het strafbare feit en deoverige omstandigheden van het geval. De proportionaliteit en subsidia-riteit fungeren hier kortom als algemene wettelijke toepassingsvoor-waarden voor de uitoefening van opsporingsbevoegdheden. Daarmee ishet niet nodig om deze voorwaarden telkens te herhalen in de wettelijkebepalingen over de afzonderlijke bevoegdheden.Het is juist dat de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit ookrelevant zijn voor het openbaar ministerie bij het nemen van de vervol-gingsbeslissing. Voor de vervolgingsbeslissing geldt immers op grondvan artikel 3.1.1, eerste lid, dat de officier van justitie daarbij de begin-selen van een goede procesorde in acht neemt, waaronder het vertrou-wensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenaf-weging. Het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging vergtdat de concrete vervolgingsbeslissing de uitkomst is van een behoorlijkebelangenafweging door de officier van justitie. Dat houdt in dat op eenvoor de betrokkenen minst bezwarende wijze moet worden opgetreden(subsidiariteit) en dat er een redelijke verhouding moet zijn tussen diewijze van optreden en het beoogde doel (proportionaliteit). Ook in dezecontext krijgen deze beginselen weer een specifieke inkleuring. Zijnormeren hier de grote beleidsvrijheid die het openbaar ministerietoekomt als gevolg van de koppeling tussen het vervolgingsmonopolie enhet opportuniteitsbeginsel. Ook bij de straftoemeting door de rechterspeelt de proportionaliteit een belangrijke rol.Uit het voorgaande blijkt dat binnen de verschillende stadia van hetstrafvorderlijk onderzoek aan de beginselen van proportionaliteit ensubsidiariteit een eigen invulling wordt gegeven. Juist die specifiekeinkleuring maakt dat een beginsel in de betreffende context ook concreetbetekenis heeft voor de taakuitoefening van bijvoorbeeld de opsporings-ambtenaar, de officier van justitie of de rechter. Die concrete werkingontbreekt als de beginselen alleen in noodzakelijkerwijs abstracte termenin Boek 1 zouden worden opgenomen.(2) De leden van de CDA-fractie hebben vernomen dat, hoewel Boek 1 vanhet Wetboek van Strafvordering in het teken staat van algemenebepalingen, de algemene beginselen van proportionaliteit en subsidiariteitniet zijn opgenomen in een wettelijke bepaling. Deze leden vragen wat deargumenten zijn van de regering om deze beginselen niet op te nemen inBoek 1, nu zij van mening zijn dat in Boek 1 al wel enkele algemenebeginselen nadrukkelijk worden genoemd. (3) Daarnaast vragen dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1120 leden ook wat de gevolgen zijn als de beginselen van proportionaliteit ensubsidiariteit juist wel opgenomen zouden worden in Boek 1. Kan deregering voorbeelden geven van eventuele drempels die wordenverhoogd wanneer deze beginselen wel worden opgenomen in eenwettelijke bepaling?2. Voor het antwoord op vraag 2 wordt verwezen naar het antwoord opvraag 1.3. In aanvulling op het antwoord op vraag 1 kan worden opgemerkt dat debeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit alleen in abstractebewoordingen in Boek 1 zouden kunnen worden vastgelegd. Zij zoudendan immers zodanig moeten worden geformuleerd dat zij van toepassingzouden zijn op het gehele wetboek en daarmee op alle fasen van hetstrafproces. Meer in het algemeen kan worden gezegd dat het codificerenvan beginselen in Boek 1 er niet toe leidt dat de betekenis ervan verandertten opzichte van het huidige recht. Voor de beginselen die daar nu wel zijnopgenomen geldt immers dat zij ook al in het EVRM, het EU-handvest enhet IVBPR zijn neergelegd en voor een deel ook in bepalingen in deGrondwet zijn vervat. De gedachte is niet dat de wettelijke verankeringvan deze beginselen een zelfstandige bron van strafprocesrecht vormtnaast de verdragen waaraan zij zijn ontleend. Op dezelfde wijze zou eenwettelijke regeling van de proportionaliteit en subsidiariteit aan diebeginselen geen nieuwe of andere betekenis geven ten opzichte van deinhoud die zij volgens vaste jurisprudentie nu al hebben voor hetstrafprocesrecht. Alleen al om die reden kunnen bezwaarlijk voorbeeldenworden gegeven van eventuele drempels die zouden worden verhoogdwanneer deze beginselen wel wettelijk zouden worden geregeld. Tot slotwordt in aansluiting op het antwoord op vraag 1 benadrukt dat debeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit in het nieuwe wetboekwel expliciet zijn vastgelegd voor de procesfasen waarbinnen zij verhou-dingsgewijs van grote betekenis zijn, namelijk het opsporingsonderzoek(artikel 2.1.3) en – gegoten in de formulering als beginselen van eengoede procesorde, in het bijzonder het beginsel van een redelijke enbillijke belangenafweging – de vervolgingsbeslissing (artikel 3.1.1). Zijhebben een voor die context specifieke inkleuring gekregen, zodat zij ookconcrete betekenis hebben voor de taakuitoefening van de opsporings-ambtenaar of de officier van justitie.(4) De leden van de ChristenUnie-fractie vragen wanneer tot implemen-tatie van voorliggende wetsvoorstel zal worden overgegaan. Welk tijdspadziet de regering voor zich en welke weegmomenten horen daarbij?4. Met de organisaties in de strafrechtketen is afgestemd welke periodenodig is om de implementatievoorbereidingen te kunnen uitvoeren en demedewerkers op te leiden die met het nieuwe wetboek moeten werken.Gezien de vereisten vanuit de primaire processen en de beschikbareimplementatie- en verandercapaciteit in het bijzonder die op het gebiedvan informatievoorziening, is het voornemen het nieuwe wetboek inwerking te laten treden op 1 april 2029. Daarbij geldt dat de organisatiesvoor het uitvoeren van de implementatiewerkzaamheden een periodenodig hebben van drie jaren nadat de Tweede Kamer heeft ingestemd methet deze eerste vaststellingswet, het voorstel voor de tweede vaststel-lingswet (Boeken 7 en 8) en het voorstel voor de eerste aanvullingswet. Bijde inschatting van de duur van deze periode is er rekening mee gehoudendat alle systemen voor informatievoorziening en alle werkprocessen diezijn verbonden aan het wetboek, moeten worden aangepast en dat allebetrokken medewerkers voor inwerkingtreding moeten zijn opgeleid ommet het nieuwe wetboek te kunnen werken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1121 2. Ontwikkelingen in het strafprocesrecht 2.2 Veranderingen in de aard van de criminaliteit en het sanctiearsenaal (5) De leden van de CDA-fractie lezen dat het voornemen bestaat om, opeen later moment via een aanvullingswet dat een afzonderlijk wetgevings-traject doorloopt, de regeling van de strafbeschikking inhoudelijk aan tepassen. Deze leden vragen aan de regering wat de reden is geweest omdeze regeling niet direct aan te passen bij het huidige wetsvoorstel.5. Het instellen van vervolging door het uitvaardigen van een strafbe-schikking wordt geregeld in Boek 3, Hoofdstuk 3, zoals opgenomen in ditwetsvoorstel. De huidige regeling is daarin inhoudelijk ongewijzigdovergenomen en is alleen aangepast aan de wetstechnische uitgangs-punten van het nieuwe wetboek. De regeling van de strafbeschikkingwordt in de eerste aanvullingswet inhoudelijk aangepast. Zoals aange-kondigd in de achtste voortgangsrapportage (Kamerstukken II 2022/23,29 279, nr. 782, p. 8) is dit onderwerp onderdeel van de eerste aanvul-lingswet. Het betreft dan onder meer de introductie van een voorwaarde-lijke strafbeschikking, met een omzettingsprocedure voor gevallen waarinstrafbeschikkingen niet volledig zijn tenuitvoergelegd of de voorwaardenniet zijn nageleefd. Deze voorstellen ten aanzien van de strafbeschikkingvormen een onderdeel van een bredere verbetering van de regeling vande buitengerechtelijke afdoening, waarbij ook de transactie en deontnemingsschikking worden betrokken. De bedoelde wijzigingen zijneerder opgenomen in het conceptwetsvoorstel tot wijziging van het(huidige) Wetboek van Strafvordering en enkele andere wetten naaraanleiding van de evaluatie van de Wet OM-afdoening, dat in maart 2021in consultatie is gegeven. Later dat jaar is een begin gemaakt met hetverwerken van de daarover ontvangen consultatieadviezen. Op hetmoment dat het voorliggende wetsvoorstel (tot vaststelling van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering) ter advisering aan Afdelingadvisering van de Raad van State werd voorgelegd (april 2021) stond deinhoud van het genoemde wetsvoorstel – en daarmee van de beoogdenieuwe regeling van de strafbeschikking – dus nog niet vast. Ten aanzienvan benodigde wijzigingen of aanvullingen in het nieuwe wetboek isgekozen voor het werken met aanvullingswetten, die afzonderlijk inprocedure worden gebracht. Het doel van deze werkwijze is dat deparlementaire behandeling van de vaststellingswetten geen onnodigevertraging oploopt als gevolg van tussentijdse wijzigingen. Opmerkingverdient dat de nieuwe regeling van de strafbeschikking – als onderdeelvan de eerste aanvullingswet – opnieuw in formele consultatie is gegeven,waarna deze voor advies aan de Afdeling advisering van de Raad vanState zal worden gezonden. Een en ander draagt bij aan een zorgvuldigtotstandkomingsproces en aan de kwaliteit en de uitvoerbaarheid van dewettelijke regeling van dit belangrijke onderwerp. Tot slot kan er nog opworden gewezen dat het werken met een aanvullingswet niet leidt tot eenlatere inwerkingtreding van de nieuwe regeling van de strafbeschikkingdan wanneer deze in de nu voorgestelde vaststellingswet zou zijnopgenomen. Het voornemen is immers om de aanvullingswettentegelijkertijd met de rest van het nieuwe wetboek in werking te latentreden.4. Inhoud van het wetboek op hoofdlijnen 4.2 Boek 1: «Strafvordering in het algemeen» (6) De leden van de CDA-fractie lezen dat een verandering in de regelingvan het procesrecht van de raadkamer is dat de behandeling op de zittingvoortaan in beginsel openbaar is. Hierbij benadrukt de regering dat diteen aanpassing is van het uitgangspunt, en niet van de praktijk. DezeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1122 leden vragen daarom wat de noodzaak is geweest van de aanpassing vandit uitgangspunt, nu dit in praktijk al vaak het geval is.6. Het uitgangspunt in het huidige wetboek dat een raadkamerprocedureniet openbaar is, stamt nog uit de tijd dat de raadkamer uitsluitend wasbelast met, en gekoppeld aan, het (gerechtelijk) vooronderzoek. Onderinvloed van ontwikkelingen in de loop van de afgelopen eeuw, waarop inde memorie van toelichting nader wordt ingegaan in de algemeneinleiding op Boek 1, Titel 2.3, is die koppeling losgelaten. Er kwamensteeds meer raadkamerprocedures als nevenprocedures gedurende hetgehele strafproces, zoals voor de behandeling van beklag tegen inbeslag-neming en van een verzoek tot schadevergoeding wegens onterechtondergane voorlopige hechtenis. Daarnaast hebben de uit artikel 6 EVRMvoortvloeiende vereisten voor een eerlijk proces, met name het vereistevan openbaarheid, ertoe geleid, dat voor raadkamerprocedures waarin hetvaststellen van burgerlijke rechten en verplichtingen of van degegrondheid van de strafvervolging aan de orde is, een openbarebehandeling werd voorgeschreven.De omkering van dit uitgangspunt vormt een logisch sluitstuk van dezeontwikkelingen. In het nieuwe wetboek is de raadkamerprocedureduidelijk vormgegeven als een zitting die openbaar is, tenzij de wet andersbepaalt en wordt de beslissing, als de behandeling in het openbaar dientte geschieden, in het openbaar uitgesproken. Dit uitgangspunt sluit ookbeter aan bij artikel 121 van de Grondwet en de regeling wordt zo meer inovereenstemming gebracht met de regeling van de in beginsel openbareberechting. Een niet-openbare behandeling blijft gewenst voor diverseprocedures in het vooronderzoek, bijvoorbeeld ter bescherming van hetonderzoeksbelang of van belangen van de verdachte en andere betrok-kenen. Die gevallen worden uitdrukkelijk in de wet vastgelegd (ziebijvoorbeeld artikel 1.2.16, zesde lid).(7) De leden van de PvdA-fractie lezen dat in Boek 1 de beginselen zijnneergelegd die de strafvordering beheersen, waaronder het recht op eeneerlijk proces binnen een redelijke termijn en de onschuldpresumptie.Deze leden lezen ook dat de strafvordering plaatsvindt op een wijze dierecht doet aan de belangen van het slachtoffer. Deze leden delen hetbelang van deze rechtsbeginselen en de doorwerking daarvan voor dehele strafvordering. Daarnaast vragen zij waarom niet ook anderebeginselen hier zijn opgenomen, zoals de beginselen van subsidiariteit enproportionaliteit of de beginselen van een goede procesorde. Kan deregering hier nader op ingaan?7. Zie het antwoord op vraag 1 voor de vraag waarom de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit niet in Boek 1 zijn opgenomen. Meer inalgemene zin geldt dat met het opnemen van enkele algemene beginselenaan het begin van het nieuwe wetboek het grote belang van dezebeginselen voor de strafvorderlijke regelgeving en praktijk tot uitdrukkingwordt gebracht. De gedachte achter de opname van deze algemenebeginselen in de eerste titel is nadrukkelijk niet een complete catalogus teformuleren van (grond)rechten die bij de vormgeving van het strafproces-recht van belang zijn. Dat zou ook weinig toegevoegde waarde hebben;deze grondrechten zijn al in mensenrechtenverdragen neergelegd. Degedachte is om het wetboek te openen met enkele beginselen die bij deuitleg en toepassing daarvan leidend zijn. Dat bepaalde beginselen niet inBoek 1 zijn vastgelegd, betekent vanzelfsprekend niet dat die beginselenniet van betekenis zouden zijn voor het strafprocesrecht.Ten aanzien van de beginselen van een goede procesorde kan nog hetvolgende worden opgemerkt. Deze beginselen zijn niet in de eerste titelvan Boek 1 opgenomen. De precieze inhoud van deze beginselen isnamelijk voor enige discussie vatbaar en zij hoeven niet voor iederrechtsgebied of voor ieder onderdeel van het strafprocesrecht dezelfdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1123 betekenis te hebben. Vanwege het fundamentele belang van de begin-selen van een goede procesorde voor specifiek de vervolgingsbeslissingzijn deze wel in de wettelijke regeling van die beslissing centraal gesteld(artikel 3.1.1). In aanvulling op wettelijke en verdragsrechtelijkebepalingen normeren deze beginselen zelfstandig de inhoud van devervolgingsbeslissing en het daaraan ten grondslag liggende strafvorde-ringsbeleid. De keuze voor vastlegging in Boek 3 laat onverlet dat degenoemde beginselen ook in andere rechtsgebieden en in andere delenvan het strafprocesrecht een rol spelen, en dat ook andere beginselen vanbetekenis kunnen zijn voor de normering van de vervolgingsbeslissing. Deregeling in Boek 3 maakt het mogelijk om de inhoud van deze beginselentoe te spitsen op de afweging die de officier van justitie in een concreetgeval moet maken als het gaat om het al dan niet instellen van vervolging.Dat is van belang omdat de koppeling van vervolgingsmonopolie enopportuniteitsbeginsel meebrengt dat het openbaar ministerie bij devervolgingsbeslissing veel beleidsvrijheid toekomt. In aanvulling op hetwettelijk en verdragsrechtelijk kader vormen de beginselen van een goedeprocesorde een belangrijke waarborg tegen willekeurig gebruik van diebeleidsvrijheid. Toegespitst op de vervolgingsbeslissing houdt hetvertrouwensbeginsel bijvoorbeeld in dat de officier van justitie gebondenis aan de beleidsregels van het openbaar ministerie en aan door hetopenbaar ministerie gedane (of aan het openbaar ministerie toe terekenen) uitlatingen (of daarmee gelijk te stellen gedragingen) die bij deverdachte het gerechtvaardigde vertrouwen hebben gewekt dat hij niet(verder) zal worden vervolgd. Daarmee krijgt het vertrouwensbeginsel indeze specifieke context een concrete uitwerking die houvast biedt aan depraktijk. Een algemene regeling van het vertrouwensbeginsel en anderebeginselen van een goede procesorde voor het gehele wetboek zoudaarnaast weinig meerwaarde hebben.(8) De leden van de SGP-fractie lezen dat het wetsvoorstel pas in werkingtreedt als er middelen zijn ter financiering. Deze leden vragen de regeringwanneer de middelen hiervoor beschikbaar zijn. Deze leden wijzen tevensop het aantal algemene maatregelen van bestuur (AMvB’s) dat uitgewerktdient te worden en waarop politiecapaciteit, capaciteit bij het OM en derechterlijke macht op ingesteld moet worden. Deze leden vragen deregering of hier rekening mee gehouden wordt in de financiering en in deuitvoeringslast.8. Het complete beeld van de (structurele) uitvoeringsconsequenties vanhet nieuwe wetboek zal worden weergegeven in de memorie vantoelichting bij de invoeringswet, die naar verwachting in 2025 in formeleconsultatie wordt gegeven. Hierbij zal het zowel om de structurele kostenals de structurele baten van het nieuwe wetboek gaan. Bij de indieningvan het wetsvoorstel voor de invoeringswet bij de Tweede Kamer zal ingeval van per saldo eventuele structurele meerkosten tevens in voorzienmoeten zijn van de dekking van deze structurele meerkosten van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering. Eventuele budgettaire gevolgen zijnonderdeel van het reguliere begrotingsproces.Het kan hierbij onder andere gaan om de gevolgen voor de personeleinzet. Net als bij het opstellen van de wetsvoorstellen worden deketenorganisaties met het oog op de uitvoerbaarheid ook betrokken bijhet opstellen van de «uitvoeringsregels (waaronder algemene maatre-gelen van bestuur). Een van de uitgangspunten bij het opstellen van deuitvoeringsregels is dat onnodige (extra) werkbelasting wordt vermeden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1124 4.8 De «beweging naar voren» (9) De leden van de CDA-fractie lezen dat zo spoedig mogelijk, maaruiterlijk drie maanden nadat de gevangenhouding van de verdachte isbevolen, de officier van justitie de verdachte en rechter-commissaris (RC)informeert over de stand van zaken van het opsporingsonderzoek. Inhoeverre leidt dit tot een hogere werkdruk voor de officier van justitie, nudeze ook de verdachte en rechter-commissaris moet informeren als nogniet alles bekend is over het opsporingsonderzoek?9. Het nieuwe voorschrift dat de officier van justitie uiterlijk binnen driemaanden na het bevel tot gevangenhouding de verdachte en de rechter-commissaris moet informeren over de stand van zaken in het opsporings-onderzoek indien nog geen procesinleiding is ingediend, behoort tot devoorstellen die zijn gericht op een betere voorbereiding van de vervol-gingsbeslissing en – indien de zaak ter berechting wordt aangebracht – deterechtzitting (ook wel aangeduid als de «beweging naar voren»). In hethuidige wetboek moet de zaak uiterlijk binnen drie maanden gevangen-houding door middel van een pro-formadagvaarding bij de rechter zijnaangebracht. Ook bij die eerste pro-formazitting moet de officier vanjustitie, met het oog op voortduring van de voorlopige hechtenis, op basisvan een (voorlopige) tenlastelegging de rechter en de verdediginginformeren over de stand van zaken in het opsporingsonderzoek en deverwachting op welke termijn de zaak inhoudelijk kan worden behandeld.Het verschil is dat de officier van justitie volgens het wetsvoorstel dezeinformatie nu niet op een pro-formazitting maar door middel van een«stand-van-zakenbericht» moet verstrekken aan de verdachte die zich invoorlopige hechtenis bevindt en de rechter-commissaris.Bij gelegenheid van de consultatie over Boek 2 in 2017 is door hetopenbaar ministerie de inschatting gemaakt dat per jaar in ongeveer 2.500strafzaken een kennisgeving over de stand van zaken in het onderzoek zalmoeten worden verzonden, met een beperkte toename van werklasten alsgevolg. In samenspraak met de organisaties uit de strafrechtketen wordeninmiddels de nieuwe ketenwerkprocessen en uitvoeringsconsequentiesvan de «beweging naar voren», ook op dit punt, zo goed mogelijk nader inkaart gebracht (zie ook paragraaf 10 in het algemeen deel van de memorievan toelichting, Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3 p. 73 e.v.).II. ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 1 1. Inleidende bepalingen en definities 1.1 Inleidende bepalingen (10) De rapporteurs hebben een aantal vragen ten aanzien van deinleidende bepalingen. Op welke wijze wordt gewaarborgd dat het gebruikvan AMvB’s ter uitwerking van bepaalde onderdelen van het wetboekgeen afbreuk doet aan de inzichtelijkheid voor de burger en bruikbaarheidvoor de rechtspraktijk van het nieuwe wetboek?10. Bij de ontwikkeling van het nieuwe Wetboek van Strafvordering is veelaandacht besteed aan de vraag welke regels op het niveau van de formelewet behoren te worden vastgesteld en welke regels kunnen wordenopgenomen in een algemene maatregel van bestuur (Kamerstukken II2015/16, 29 279, nr. 278, p. 8 (contourennota)). Bij het vinden van eenantwoord op deze vraag heeft het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel steedseen prominente rol gespeeld. Dit beginsel, neergelegd in artikel 1.1.1,vereist dat strafvordering plaatsheeft op de wijze bij wet voorzien. Hetbrengt een belangrijke waarborgfunctie mee: het strafproces moetzodanig bij formele wet worden geregeld, dat de burger wordt beschermdtegen willekeur van de overheid. Het beginsel beoogt de rechtszekerheidTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1125 en – door het primaat van formele wetgeving – de democratischelegitimiteit van regelgeving te bevorderen. In dat verband is van belangdat de burger in staat wordt gesteld overheidsoptreden te voorspellen endoorgronden. Het staat de formele wetgever niet vrij om dat over te latenaan (onder meer) de lagere regelgever, door te veel ruimte latendeprocedurevoorschriften te creëren (G.J.M. Corstens, Het Nederlandsstrafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer:Wolters Kluwer 2021, par. II.1). De wet moet voor de burger inzichtelijkzijn. Voor de wetgever betekent het strafvorderlijk legaliteitsbeginselconcreet dat de rechten van burgers en de bevoegdheden van de overheidin een formele wet moeten worden neergelegd en dat alleen deuitwerking daarvan in lagere regelgeving, in het bijzonder de algemenemaatregel van bestuur, mogelijk is. Dat vloeit ook voort uit de Aanwij-zingen voor de regelgeving (aanwijzing 2.19): de reikwijdte en devoornaamste duurzame normen worden in de wet opgenomen, terwijlvoorschriften van meer technische of administratieve aard ofvoorschriften die vaak wijziging behoeven, beter op lager niveau kunnenworden uitgewerkt.Opsporingsbevoegdheden en procedurele waarborgen worden zoveelmogelijk in de wet opgenomen (aanwijzing 2.21). Deze gebruikelijkerichtsnoeren voor de verhouding tussen de wet en de lagere regelgevingzijn ook in het nieuwe wetboek tot uitgangspunt genomen. De Afdelingadvisering van de Raad van State heeft deze uitgangspunten onder-schreven.Aan de hand van deze richtsnoeren is steeds beoordeeld welke regels inde wet, en welke in een algemene maatregel van bestuur terecht moetenkomen. Daarbij moet worden bedacht dat het hierbij steeds ook gaat omhet vinden van een balans. Door een (te) verspreide regeling vanstrafprocesrecht kunnen de samenhang, overzichtelijkheid en toeganke-lijkheid verminderen. Maar tegelijkertijd geldt dat als het strafprocesrechtte veel in detail bij formele wet wordt geregeld, juist afbreuk wordtgedaan aan de inzichtelijkheid van de wet voor de burger en bruik-baarheid voor de rechtspraktijk. Een optimale balans in de verdelingtussen de wettelijke regeling en daaronder hangende lagere regelgevingdraagt met andere woorden bij aan de inzichtelijkheid van de regels alsgeheel. Bij lezing van de wet krijgt men inzicht in de voornaamsteduurzame normen, zonder dat het zicht daarop wordt verminderd doorgedetailleerde uitwerkingen in de wet zelf. Bij het opstellen van dealgemene maatregelen van bestuur onder het nieuwe wetboek zal wordenbekeken hoe deze zo overzichtelijk mogelijk kunnen worden geordend.Een voorbeeld kan het voorgaande verduidelijken. De overzichtelijkheidvan het huidige wetboek heeft ernstig geleden door opeenvolgende– soms van veel details voorziene – wijzigingen die in de loop van de tijdin de relevante bepalingen van het opsporingsonderzoek zijn doorge-voerd. In Boek 2 zijn de regels van het opsporingsonderzoek vereen-voudigd en vernieuwd. Te gedetailleerde regels zijn vermeden en waardeze noodzakelijk zijn, worden deze in lagere regelgeving vastgesteld.Denk aan hoe de inhoud van bevelen, vorderingen en machtigingen in hetopsporingsonderzoek moeten worden geadministreerd: die voorschriftenkomen op het niveau van een algemene maatregel van bestuur terecht.De inhoudelijke voorwaarden waaronder bevoegdheden in het opspo-ringsonderzoek kunnen worden uitgeoefend, worden echter in de wet zelfvastgelegd. Een voorbeeld vormen de toepasselijke verdenkingscriteriawaaraan moet zijn voldaan om een bevoegdheid uit te oefenen.(11) Volgens de memorie van toelichting levert de verankering van hetrecht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn en de onschuld-presumptie in de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 geen zelfstandige bron vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1126 strafprocesrecht op. Kan de regering in dat kader toelichten wat debetekenis is van deze wettelijke verankering? Komt de verdachtebijvoorbeeld een beroep toe op artikelen 1.1.2 en 1.1.3 wanneer op dezerechten inbreuk wordt gemaakt?11. Het recht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn is in deeerste titel van Boek 1 opgenomen om het fundamentele belang ervan tebenadrukken. Het betreft hier een elementaire en onomstreden pijler vande strafvordering, die ook in de artikelen 6 EVRM, 47 EU-handvest, 14IVBPR en 17 Grondwet is neergelegd. De verhouding met de mensenrech-tenverdragen wordt met de opname in het wetboek geoptimaliseerd. Degedachte is niet dat de wettelijke verankering van dit recht eenzelfstandige bron van strafprocesrecht vormt naast de verdragen waar hetaan is ontleend. Het recht op een eerlijk proces krijgt hierdoor met anderewoorden geen andere of nieuwe betekenis. Artikel 1.1.2 is dan ook opengeformuleerd, zodat rekening kan worden gehouden met de rechtsontwik-keling. In het bijzonder is daarmee gewaarborgd dat de invulling van hetrecht gelijke tred kan houden met de ontwikkelingen in de rechtspraak vanhet EHRM. Met name die rechtspraak is leidend voor de invulling die aanhet recht op een eerlijk proces moet worden gegeven en voor de concreteconsequenties die dat heeft voor de positie van de verdachte in eenindividuele strafzaak. Voor de rechter, het openbaar ministerie en deverdediging kan de expliciete regeling in artikel 1.1.2 een signaal zijn datdit recht bij de toepassing van het strafprocesrecht en de uitoefening vanbevoegdheden zwaar weegt. De inhoud van concrete strafprocesrechte-lijke regels wordt daardoor mede ingekleurd. Ook de wetgever verbindtzich, door de eerlijkheid van het proces als algemene bepaling voorop testellen, er als het ware toe om dit beginsel in de formulering vanspecifieke strafprocesrechtelijke normen te laten doorklinken. Zo wordt inhet nieuwe wetboek voorzien in de mogelijkheid om bij overschrijding vande redelijke termijn een schadevergoeding toe te kennen aan de verdachte(artikel 4.3.12). Of de redelijke termijn in een bepaald geval isoverschreden, zal nog steeds moeten worden beoordeeld aan de handvan de rechtspraak van het EHRM, zoals deze nader door de Hoge Raad isingevuld. Het nieuwe artikel 1.1.2 brengt daar geen verandering in. Wel zalde verdediging in sommige gevallen een verweer waarin beroep wordtgedaan op een schending van het recht op een eerlijk proces krachtkunnen bijzetten door te wijzen op de wettelijke verankering van dat rechtin artikel 1.1.2 en – voor wat betreft de onschuldpresumptie – artikel 1.1.3.In die zin kan de verdachte dus inderdaad een beroep doen op dezebepalingen. Hoewel de inhoud van deze fundamentele rechten daarmeeniet verandert, kan een beroep daarop wel de discussie en de motiveringin een concrete strafzaak beïnvloeden en structureren.In lijn met de gedachte om in het nieuwe wetboek de verhouding tussenverdragen en EU-regelgeving en het nationale wetboek te optimaliseren,wordt als onderdeel van de eerste aanvullingswet – die een separatewetgevingsprocedure doorloopt – voorgesteld om in artikel 1.1.1 deverhouding tussen de nationale wet en internationale en EU-regelgevingbeter tot uitdrukking te brengen door een verwijzing naar hoger recht opte nemen. Daartoe wordt «onverminderd de werking van toepasselijkeverdragen en verbindende besluiten van volkenrechtelijke organisaties»toegevoegd aan die bepaling. Met deze toevoeging is geen inhoudelijkewijziging beoogd.(12) Klopt het beeld dat de bepalingen als beginselbepalingen in hetverlengde liggen van artikel 17 lid 1 Grondwet en van betekenis kunnenzijn bij de doorwerking van internationale regelingen en rechtspraak, inhet bijzonder van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)en de Europese Unie (EU)?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1127 12. In lijn met het antwoord op vraag 11 kan worden bevestigd dat deartikelen 1.1.2 en 1.1.3 in het verlengde liggen van artikel 17, eerste lid,van de Grondwet en dat zij van betekenis kunnen zijn bij de doorwerkingvan internationale regelingen en rechtspraak. Door het recht op een eerlijkproces en de onschuldpresumptie hier expliciet te noemen worden dezegrondwettelijke en verdragsrechtelijke beginselen nog eens nadrukkelijkonder de aandacht gebracht bij de strafrechter en alle andere personen enfunctionarissen die bij de strafrechtspleging betrokken zijn. Aldus wordt eraan het begin van het wetboek een brug geslagen tussen verdrag enGrondwet enerzijds en concrete procesrechtelijke voorzieningen enprocedures in het wetboek anderzijds. Nieuwe ontwikkelingen in Europeserechtspraak kunnen van invloed zijn op die procesrechtelijke voorzie-ningen en procedures en bijvoorbeeld door middel van verdragsconformeinterpretatie door de rechter in acht worden genomen bij de toepassingvan het wetboek. Wel is het zo dat de doorwerking van die internationaleregelingen niet wordt bepaald door het Wetboek van Strafvordering, maardoor de artikelen 93 en 94 van de Grondwet (en het EU-rechtelijke kadervoor zover het de doorwerking van EU-recht betreft). De artikelen 1.1.2 en1.1.3 kunnen in zoverre worden gezien als een bevestiging (en niet als eenuitbreiding) van de opdracht aan de Nederlandse strafrechter om bij detoepassing van het strafprocesrecht rekening te houden met Europese eninternationale regelgeving en jurisprudentie die met de eerlijkheid van hetproces en de onschuldpresumptie samenhangt.(13) De rapporteurs vragen of de regering een overzicht kan geven van(voorbeelden van) de uitwerking van het recht op een eerlijk proces in deBoeken 2 tot en met 6. Zou daarbij de keuze voor de uitwerking vanspecifieke deelrechten van het recht op een eerlijk proces en de plaatsingvan die uitwerking in het wetboek nader kunnen worden toegelicht enonderbouwd?13. Het recht op een eerlijk proces is van fundamenteel belang voor hetgehele strafprocesrecht. Men zou kunnen stellen dat in wezen het helewetboek eraan bijdraagt dat het strafproces plaatsvindt op een wijzewaarbij het recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd. Op veleplaatsen in het nieuwe wetboek zijn waarborgen voor de verdedigingopgenomen die kunnen worden beschouwd als een uitwerking van hetrecht op een eerlijk proces. Het is dan ook ondoenlijk om daarvan een minof meer volledig overzicht te geven. Hieronder wordt voor de Boeken 1 toten met 6 telkens een voorbeeld gegeven van een specifiek aspect van hetrecht op een eerlijk proces dat daar is geregeld.–In artikel 1.2.16 is de nieuwe hoofdregel opgenomen dat raadkamerzit-tingen openbaar zijn, tenzij de wet anders bepaalt. Dit is beter dan hetoude uitgangspunt in lijn met het recht op een openbare behandelingals opgenomen in artikel 6 EVRM.–Boek 2 bevat nieuwe bepalingen die eraan bijdragen dat het ondervra-gingsrecht van de verdachte (artikel 6 EVRM) beter is gewaarborgd. Zois vastgelegd dat de raadsman van de verdachte bijzondere toegangkan worden verleend tot het verhoor van een verdachte door eenopsporingsambtenaar (artikel 2.3.11) en is bij getuigenverhoren doorde rechter-commissaris de nieuwe hoofdregel dat de verdachte daarbijaanwezig mag zijn (artikel 2.10.29).–In artikel 3.4.2 is voorzien in het recht van een verdachte die isverhoord op een kennisgeving van niet-vervolging, indien de officiervan justitie op basis van de uitkomsten van het opsporingsonderzoekbesluit te seponeren. Voor de bescherming van de rechtspositie van deverdachte wordt hier dus aangeknoopt bij het eerste verhoor van deverdachte. Deze nieuwe wettelijke systematiek sluit beter dan dehuidige aan bij artikel 6 EVRM, nu het moment van het eerste verhoorin veel gevallen het begin van de «criminal charge» vormt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1128 –In Boek 4 zijn de bestaande criteria voor het beoordelen van getuigen-verzoeken aangepast en is het toepassingsbereik daarvan verduidelijkt,met inachtneming van de regels die voortvloeien uit de rechtspraakvan het EHRM over het ondervragingsrecht van artikel 6 EVRM. In hetverlengde daarvan bepaalt artikel 4.3.11 dat het bewijs dat deverdachte het feit heeft begaan niet in beslissende mate kan steunenop mededelingen van een persoon die de verdachte niet heeft kunnenondervragen, tenzij het recht op een eerlijk proces daardoor niet wordtgeschonden.–Wat betreft de doorwerking van artikel 6 EVRM in de regeling van hethoger beroep verdient aandacht dat het verlofstelsel niet in Boek 5(rechtsmiddelen) terugkeert. Dit heeft mede als achtergrond dat demotivering van de beslissing om geen verlof te verlenen enkele malenin strijd is geoordeeld met artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR.–In Boek 6 is een regeling opgenomen die betrekking heeft op (kortgezegd) personen met een beperking of ziekte. Indien de officier vanjustitie of de rechter vermoedt dat de verdachte een beperking of eenziekte heeft waardoor deze onvoldoende in staat is het proces tegenhem te begrijpen of daaraan deel te nemen, neemt hij de maatregelendie hij noodzakelijk acht om de verdachte hiertoe voldoende in staat testellen. Deze benadering is gebaseerd op het recht op effectieveparticipatie, dat door het EHRM wordt afgeleid uit artikel 6 EVRM.Deze voorbeelden laten zien dat het algemeen geformuleerde recht opeen eerlijk proces van artikel 1.1.2 op verschillende plaatsen in hetwetboek een concrete uitwerking krijgt. Die uitwerking is ook noodzakelijkom duidelijk te maken wat de consequenties zijn van het recht op eeneerlijk proces voor de specifieke rechten en bevoegdheden van deprocespartijen in een bepaalde fase van het strafproces. Met eenalgemene omschrijving van het recht op een eerlijk proces in Boek 1 kandan ook geenszins worden volstaan. Specifieke deelrechten, zoals hetrecht van de verdachte om getuigen te ondervragen, moeten wordengeregeld op de plaats waar de uitoefening van die rechten aan de orde is.Voor het verhoor van getuigen door een opsporingsambtenaar of derechter-commissaris is dat bijvoorbeeld Boek 2, voor het getuigenverhoordoor de zittingsrechter is dat Boek 4. De keuze om specifieke deelrechtenvan het recht op een eerlijk proces in het wetboek uit te werken, laat zichlastig in algemene zin toelichten of onderbouwen. Of een uitwerkingnoodzakelijk is zal onder meer afhangen van de uitleg die in de jurispru-dentie van het EHRM wordt gegeven aan (het betreffende deelrecht van)artikel 6 EVRM en van de vraag of verwezenlijking van dit deelrecht eenuitwerking in wettelijke procesregels vergt. In het nieuwe wetboek is (zieook het antwoord op vraag 11) gestreefd naar het optimaliseren van deverhouding met de mensenrechtenverdragen, bijvoorbeeld door de tekstvan de wet op onderdelen (meer) in overeenstemming te brengen met deEHRM-rechtspraak. Hierboven zijn daarvan een aantal voorbeeldengegeven.(14) Hoe verhoudt het uitgangspunt dat strafvordering plaatsvindt op eenwijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer zich tot derechten van de verdachte, zoals neergelegd in onder meer artikelen 1.1.2en 1.1.3? Kan een overzicht worden gegeven van (voorbeelden van) deuitwerking van dit artikel in de Boeken 2 tot en met 6?14. Het opnemen van het beginsel dat strafvordering plaatsvindt op eenwijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer strekt ertoe tebenadrukken dat de strafrechtelijke autoriteiten zich te allen tijderekenschap geven van de belangen van het slachtoffer. Het beginselopgenomen in artikel 1.1.4 is aldus op te vatten als een uitdrukkelijkeopdracht om bij het maken van afwegingen en het nemen van beslis-singen rekening te houden met de belangen van het slachtoffer, bijvoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1129 beeld bij de vervolgingsbeslissing of de beslissing om een rechtsmiddel inte stellen of een processuele sanctie toe te passen. Het slachtoffer heeft inde loop der jaren een sterkere wettelijke positie gekregen. Deze positiedient vergezeld te gaan van zorg voor zijn kwetsbaarheid. Het strafproces-recht kent rechten toe aan het slachtoffer en moet er ook op ingericht zijnhet slachtoffer zo te behandelen dat het niet voor een tweede keerslachtoffer wordt; dit keer niet van het strafbaar feit maar van debehandeling tijdens het strafproces.Voor de verdachte zijn het recht op een eerlijk proces binnen een redelijketermijn en het vermoeden van onschuld fundamentele beginselen, dieonder meer in de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 zijn neergelegd. Beide uitgangs-punten, recht doen aan de belangen van het slachtoffer en de funda-mentele rechten van de verdachte waarborgen, dienen in acht te wordengenomen. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat deze beginselenop verschillende wijze doorwerken in het strafproces, omdat de verdachteen het slachtoffer in het strafproces niet dezelfde positie hebben. In dewettelijke regeling van het strafproces wordt, waar nodig, een afweginggemaakt tussen de verschillende belangen en wordt een evenwichtbepaald. Een voorbeeld hiervan is de regeling van de bevoegdheden vande verschillende procesdeelnemers tijdens het onderzoek op de terecht-zitting.Het slachtoffer kan in verschillende hoedanigheden betrokken zijn bij hetstrafproces. Het slachtoffer kan aangifte doen en op de hoogte wordengesteld van de voortgang van het strafproces en desgewenst hetonderzoek op de terechtzitting bijwonen, zonder een actieve inbreng tehebben. Hiernaast kan het slachtoffer gebruik maken van het spreekrecht,als getuige optreden, zich als benadeelde partij voegen in het strafproces(om een vordering tot schadevergoeding in te dienen) of als belangheb-bende een klacht indienen bij het gerechtshof, als opsporing of vervolgingachterwege blijft of niet wordt voortgezet of als vervolging plaats vindtdoor uitvaardiging van een strafbeschikking. Bij elk van deze rollen bevatde wettelijke regeling passende bijbehorende voorschriften die eenuitwerking vormen van het beginsel dat strafvordering plaatsvindt op eenwijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer. Het meest in hetoog springend is de catalogus van rechten voor het slachtoffers,waaronder het recht op diverse informatie en het recht op kennisnemingvan processtukken, die is opgenomen in Boek 1, Hoofdstuk 5. Terillustratie worden ook enkele voorbeelden gegeven uit de Boeken 2 tot enmet 6 van het nieuwe wetboek.In Boek 2, Hoofdstuk 2, is een aantal waarborgen opgenomen voor hetdoen van aangifte. De aangever of zijn gemachtigde die de Nederlandsetaal niet of niet voldoende beheerst, wordt in staat gesteld aangifte tedoen in een taal die hij begrijpt of spreekt (artikel 2.2.7). Verder is bepaalddat de aangifte aan de aangever wordt uitgereikt of toegezonden, tenzijhet belang van het onderzoek zich daartegen verzet (artikel 2.2.9). Indiensprake is van een gegrond vermoeden dat het slachtoffer in verband methet afleggen van zijn verklaring ernstige overlast zal ondervinden of in deuitoefening van zijn beroep ernstig zal worden belemmerd, kan gekozenworden voor aangifte onder nummer of kan gebruik gemaakt worden vandomiciliekeuze.In Boek 3 is geregeld dat de officier van justitie in een strafbeschikking deverplichting kan opleggen tot betaling aan de Staat van een geldbedragten behoeve van het slachtoffer. Dit betekent dat als de officier van justitiebesluit om geen procesinleiding in te dienen, maar de zaak af te doen meteen strafbeschikking, het slachtoffer daarmee niet de mogelijkheid verliestom schadevergoeding te krijgen binnen het kader van de vervolging. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1130 slachtoffer heeft dan ook de voordelen van de schadevergoedingsmaat-regel, te weten dat de Staat zorgdraagt voor de inning bij degene aan wiede maatregel is opgelegd en dat onder voorwaarden de voorschotregelingvan toepassing is (artikel 3.3.1).Tijdens de berechting, die is geregeld in Boek 4, kan het slachtoffer eenverklaring afleggen ter uitoefening van het spreekrecht (artikel 4.2.46).Verder heeft het slachtoffer soms een bevoegdheid als de rechterprocessuele beslissingen overweegt. Zo kan het ter sprake brengen vanprocesstukken tijdens de terechtzitting achterwege blijven indien deofficier van justitie en de verdachte alsmede het slachtoffer, indien het opde terechtzitting aanwezig is, daarmee instemmen (artikel 4.2.31). Voor hetslachtoffer is dit een verbetering van zijn positie, want in de bestaanderegeling is er geen aandacht voor het belang dat een benadeelde partij ofslachtoffer kan hebben bij het bespreken van processtukken.Boek 5, betreffende rechtsmiddelen, bevat de nieuwe mogelijkheid dat debenadeelde partij haar in eerste aanleg ingediende vordering in hogerberoep kan vermeerderen (artikel 5.4.34) en dat zij tegen een gehele ofgedeeltelijke afwijzing van haar vordering in het eindvonnis zelfstandighoger beroep kan instellen bij de strafrechter indien de vordering meerdan € 1.750 bedraagt (artikel 5.4.35). Dit zijn verbeteringen van de positievan het slachtoffer ten opzichte van het huidige recht. In dit boek zijnverder verscheidene bepalingen opgenomen waaruit blijkt dat rekeningwordt gehouden met het belang van slachtoffers, zoals het voorschrift dathet gerecht ervoor zorgt dat (ook) slachtoffers langs elektronische wegkennis kunnen nemen van rechtsmiddelen die volgens het door de griffievan het gerecht bijgehouden register zijn ingesteld of ingediend in hunzaak (artikel 5.2.8), of het voorschrift dat de griffier van de Hoge Raadkennis geeft van de beslissing van de Hoge Raad aan het slachtoffer datdaarom verzoekt. Het slachtoffer krijgt desgevraagd ook een kopie van hetarrest van de Hoge Raad (artikel 5.5.16).Ten slotte een voorbeeld van een waarborg voor het slachtoffer in Boek 6,die is opgenomen in de regeling voor de berechting van verdachten dieten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van twaalf jaar,maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt. Uitgangspunt is dat dezaak niet in het openbaar plaatsvindt en dat de rechter tot het bijwonenvan de terechtzitting bijzondere toegang kan verlenen. Aan het slachtofferwordt toegang verleend, tenzij de rechter wegens bijzondere redenenanders beslist (artikel 6.1.22). Deze benadering illustreert dat de regelinghet belang dat het slachtoffer heeft bij het bijwonen van de zaak uitdruk-kelijk onderkent.(15) Op welke wijze zou het beginsel dat strafvordering plaatsvindt metinachtneming van de belangen van slachtoffers invulling moeten krijgenin de praktijk?15. Zoals aangeduid in het antwoord op vraag 14, vormt het beginsel datstrafvordering plaatsvindt met inachtneming van de belangen vanslachtoffers een opdracht aan de strafrechtelijke autoriteiten om bij hetmaken van afwegingen en het nemen van beslissingen rekening tehouden met de belangen van het slachtoffer. De organisatie van destrafrechtspleging moet zodanig zijn ingericht dat de uitoefening van de inhet wetboek opgenomen rechten van slachtoffers in de praktijk daadwer-kelijk worden gewaarborgd. Verder moeten alle autoriteiten die een rolvervullen gedurende het strafproces erop letten dat het slachtoffer correctbejegend wordt, ook in situaties waarin er geen specifieke norm in hetwetboek is vastgelegd. Het is belangrijk dat functionarissen in dedagelijkse rechtspraktijk zorgvuldig met slachtoffers omgaan. Dit kan nietworden afgedwongen door regelgeving, maar leidraden of handreikingenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1131 voor de praktijk kunnen wel behulpzaam zijn. Een voorbeeld is de«Modelregeling inzake passende verblijfsomgeving slachtoffers», die deRaad voor de rechtspraak in 2012 heeft vastgesteld. De modelregelingschrijft onder meer voor hoe bodes bij rechtbanken en hoven slachtofferseen professioneel, kwalitatief goede en doelmatige opvang kunnenbieden. Ook schrijft de regeling voor dat ongewenste confrontatie met deverdachte moet worden vermeden en dat het slachtoffer een voorafvastgestelde plek in de zittingszaal inneemt.(16) Kan het slachtoffer via een beroep op artikel 1.1.4 afdwingen dat hetstrafproces recht doet aan zijn belangen?16. Het beginsel dat strafvordering plaatsvindt met inachtneming van debelangen van slachtoffers is opgenomen in Boek 1 als één van deleidende uitgangspunten van het strafproces. Voor de rechter, hetopenbaar ministerie en de politie vormt artikel 1.1.4 een signaal dat debelangen van het slachtoffer gewicht in de schaal leggen voor wat betreftde wijze waarop het strafprocesrecht wordt toegepast en bevoegdhedenworden uitgeoefend. De inhoud van concrete strafprocesrechtelijke regelswordt daardoor mede ingekleurd. Ook de wetgever verbindt zichzelf doorhet vooropstellen van de belangen van het slachtoffer om die belangenwaar aangewezen te laten doorklinken bij het formuleren van concretestrafrechtelijke normen. Zie voor voorbeelden daarvan het antwoord opvraag 14. Door de belangen van het slachtoffer in de eerste titel vanBoek 1 expliciet te benoemen worden deze nadrukkelijk onder deaandacht van de rechter en de procespartijen gebracht (vergelijk deantwoorden op vraag 11 en 12 over de artikelen 1.1.2 en 1.1.3). Het isdenkbaar dat een slachtoffer dat aan het strafproces deelneemt eenberoep doet op artikel 1.1.4 om zijn argumentatie kracht bij te zetten,bijvoorbeeld tijdens de berechting. De inhoud en reikwijdte van debepalingen op basis waarvan het strafproces plaatsvindt, verandertdaardoor op zichzelf niet, maar een beroep op het beginsel opgenomen inartikel 1.1.4 kan wel de discussie over de toepassing van die bepalingenen de motivering daarvan in een concrete strafzaak beïnvloeden enstructureren.(17) De leden van de D66-fractie wijzen erop dat de verplichting om eenstrafzaak binnen een redelijke termijn af te doen ook nu al bestaat, maardat dit in bepaalde type zaken waarin het opsporingsonderzoek veel tijd inbeslag neemt (zoals bij zaken waarin sprake is van een dodelijk slachtofferof bij grote fraudezaken) in de praktijk nauwelijks wordt gehaald. Kan deregering toelichten op welke wijze het onderhavige wetsvoorstel eenbijdrage gaat leveren aan een verbetering op dit vlak?17. De verdachte heeft recht op een eerlijk proces binnen een redelijketermijn. Het belang van dit al bestaande recht is onderstreept door dit inhet nieuwe wetboek al in het tweede artikel, direct na het artikel over hetstrafvorderlijk legaliteitsbeginsel, op te nemen. Dit wetsvoorstel verbetertde wettelijke voorwaarden waaronder berechting binnen een redelijketermijn in de praktijk kan worden gerealiseerd vooral door in te zetten opeen «beweging naar voren»: met een samenstel van maatregelen wordtbevorderd dat strafzaken beter voorbereid bij de zittingsrechter komen.Deze maatregelen komen niet alleen de kwaliteit van de berechting tengoede, maar kunnen ook bijdragen aan het terugdringen van doorloop-tijden, en daarmee aan het realiseren van het recht op berechting binneneen redelijke termijn in de praktijk.(18) De leden van de D66-fractie lezen dat de regering artikel 1.1.4 (rechtdoen aan belangen van het slachtoffer) in de eerste titel van het nieuwewetboek opneemt om te benadrukken dat de strafrechtelijke autoriteitenzich te allen tijde rekenschap geven van de belangen van het slachtoffer.Kan de regering aangeven hoe dit momenteel in de praktijk verloopt, ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1132 op dit gebied verbeteringen nodig zijn en zo ja, of verwacht wordt dat depraktijk gaat veranderen?18. De positie van het slachtoffer in het strafproces is in een relatief korttijdsbestek sterk tot ontwikkeling gekomen. Het slachtoffer heeft verschil-lende rechten die (voor een deel ter implementatie van EU-Richtlijn2012/29/EU) wettelijk zijn vastgelegd, waaronder het recht op informatie,het spreekrecht en het recht om als benadeelde partij een vordering totschadevergoeding te kunnen instellen in het strafproces. Het in art. 1.1.4neergelegde beginsel dat strafvordering plaatsvindt met inachtnemingvan de belangen van slachtoffers heeft hierbij een normerende functie.Het strekt er toe de bewustwording bij de strafrechtelijke autoriteitenverder te versterken dat bij de wijze waarop het strafprocesrecht wordttoegepast en bij het uitoefenen van bevoegdheden, waar mogelijkrekening moet worden gehouden met de uitwerking voor het slachtoffer.Zo neemt bijvoorbeeld de officier van justitie, naast de ernst van het feiten de persoon van de verdachte, de belangen van slachtoffers mee bij zijnkeuze voor een afdoeningsmodaliteit. Bij het aanbieden van eenOM-strafbeschikking wordt ook met de belangen van slachtoffers rekeninggehouden. Ook worden in het kader van het recht op bescherming vanslachtoffers hun belangen meegewogen bij de afweging of externevrijheden worden toegekend aan de veroordeelde in de tenuitvoerleg-gingsfase. Er zijn geen signalen dat structureel grote verbeteringen nodigzijn. Het borgen van de positie van het slachtoffer heeft de voortdurendeaandacht binnen het Ministerie van Justitie en Veiligheid. Als vanuit depraktijk wordt aangegeven dat op onderdelen verbetering nodig is,bespreekt het Ministerie van Justitie en Veiligheid de punten metketenpartners en wordt samen aan oplossingen gewerkt.(19) De leden van de PVV-fractie lezen dat in artikel 1.1.4 is vastgelegd datstrafvordering plaatsvindt op een wijze die recht doet aan de belangenvan het slachtoffer. In de memorie van toelichting bij dit voorgesteldewetsartikel staat dat «te allen tijde» rekening dient te worden gehoudenmet de belangen van het slachtoffer. Is «te allen tijde» niet veel te ruim,gezien het feit dat Nederland een tweepartijenstelsel kent (de verdachteen het OM) en het slachtoffer hier niet onder valt? Is deze (te) ruimebepaling niet in strijd met de onschuldpresumptie die geldt ten aanzienvan de verdachte? Zo nee, waarom niet?19. Het slachtoffer is als zodanig geen procespartij, maar wel procesdeel-nemer. Als procesdeelnemer heeft hij een aantal rechten, zoals het rechtop de kennisneming van processtukken en het recht om tijdens debehandeling van de zaak op de terechtzitting te spreken (als het eenernstig, spreekrechtwaardig delict betreft). Hiernaast is het mogelijk dateen slachtoffer in de hoedanigheid van getuige of van benadeelde partijeen belangrijke rol vervult in het strafproces.Het beginsel dat strafvordering plaatsvindt op een wijze die recht doet aande belangen van het slachtoffer brengt mee dat de officier van justitie ende rechter rekening dienen te houden met de belangen van het slacht-offer, ook al is het slachtoffer geen partij. Het openbaar ministerie treedtniet enkel op als de tegenpartij van de verdachte, maar draagt ookverantwoordelijkheid voor een integere rechtshandhaving. Dat betekentdat het openbaar ministerie de belangen van het slachtoffer in zijnafweging meeneemt, naast andere belangen, zoals die van de samen-leving. De rechter zal in zijn besluitvorming eveneens de belangen van hetslachtoffer meenemen. Een voorbeeld hiervan is dat de rechter bij destrafoplegging rekening houdt met hetgeen het slachtoffer mondeling ofschriftelijk naar voren heeft gebracht. Dit kan de zwaarte van de sanctiebetreffen en ook de vorm van de sanctie. De rechter kan bijvoorbeeld eenmaatregel opleggen die gericht is op de bescherming van het slachtoffer.Dat rekening moet worden gehouden met de belangen van het slachtofferbetekent uiteraard niet dat die belangen altijd zwaarder wegen dan andereTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1133 belangen. Evenmin mag dit afbreuk doen aan het recht op een eerlijkproces en aan principe van het vermoeden van onschuld, zoals vastgelegdin artikel 1.1.3 en in artikel 6, tweede lid, EVRM. Dit principe brengt meedat de verdachte voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld inrechte is komen vast te staan. Van de rechter wordt verwacht dat hij zichbij de behandeling en beoordeling van de zaak niet eenzijdig laatbeïnvloeden door het belang en verklaringen van het slachtoffer. Derechter zal ook de inbreng van de verdediging en van de officier vanjustitie meewegen in zijn oordeel. De mogelijkheden om recht te doen aande belangen van het slachtoffer vinden kortom hun grens in de eerlijkheidvan het proces en de onschuldpresumptie. Vanzelfsprekend mogen debelangen van het slachtoffer, hoe zwaarwegend ook, er nooit toe leidendat een onschuldige zou kunnen worden veroordeeld.(20) De leden van de PVV-fractie lezen dat het strafproces in de tweedeplaats zo moet zijn ingericht dat secundaire victimisatie wordt voorkomen.Waarom wordt het voorkomen van secundaire victimisatie een taak vande betrokken autoriteiten in het strafproces? Vanzelfsprekend is het eennobel streven, maar toch niet meer dan een inspanningsverplichting voorde organisaties en functionarissen in de strafrechtspleging? En zo nee,wordt straks de overheid aansprakelijk gesteld voor een gevoerdstrafproces waarbij het slachtoffer de overheid aansprakelijk kan stellen,hetgeen mogelijk tot gevolg heeft dat de betrokken instanties (te)voorzichtig gaan zijn in het vervolgingsbeleid? Ofwel: raakt dit hetopportuniteitsbeginsel? Hoe verhoudt daarnaast deze taak zich tot eenverdachte die uiteindelijk door de rechter wordt vrijgesproken, omdat nietwettig en overtuigend is bewezen dat hij/zij het ten laste gelegde feit heeftbegaan? Hier kan ook sprake zijn van victimisatie en als dat zo is, komtdan ook hier niet het opportuniteitsbeginsel in gevaar?20. Bij het voorkomen van secundaire victimisatie is het doel hetslachtoffer zo te behandelen dat het niet nog eens slachtoffer wordt;ditmaal niet van het strafbaar feit, maar van het strafproces. Dezedoelstelling is niet expliciet opgenomen in het Wetboek van Strafvor-dering, maar maakt wel deel uit van de ratio van slachtofferrechten die inhet wetboek zijn vastgelegd. Het voorkomen van secundaire victimisatie isbovendien een belangrijk aspect van een strafvordering die recht doet aande belangen van het slachtoffer (artikel 1.1.4). De doelstelling is ook degrondslag van het voorschrift opgenomen in artikel 1.5.2, eerste lid, dat deofficier van justitie zorgdraagt voor een correcte bejegening van hetslachtoffer. Het streven naar het voorkomen van secundaire victimisatiekomt verder tot uiting in concrete maatregelen die in het wetboek zijnopgenomen. Een voorbeeld hiervan vormt artikel 4.2.3, eerste lid. Hierin ishet uitgangspunt vastgelegd dat het onderzoek op de terechtzittingplaatsvindt in het openbaar. De rechtbank kan niettemin behandeling metgesloten deuren bevelen, onder meer als de eerbiediging van depersoonlijke levenssfeer van procesdeelnemers of anderszins bij de zaakbetrokkenen dit eist. Hierbij kan worden gedacht aan een slachtoffer dathet spreekrecht wil uitoefenen waarbij een openbare behandeling hetrisico van secundaire victimisatie met zich brengt. Op grond van de«Modelregeling inzake passende verblijfsomgeving slachtoffers» van deRaad voor de rechtspraak kunnen verdere maatregelen worden getroffenom te voorkomen dat in de rechtszaal het slachtoffer en de verdachteoogcontact hebben. Dit voorbeeld illustreert dat het erom gaat hetstrafproces zo in te richten en het slachtoffer zo te bejegenen, dat zoveelmogelijk wordt voorkomen dat hem extra leed wordt toegevoegd door oftijdens de strafprocedure.Een en ander is ook terug te voeren op (de preambule bij) de EU-richtlijn2012/29/EU, inzake minimumnormen voor slachtoffers. In overweging 53is opgenomen dat het risico op secundaire en herhaalde victimisatie, opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1134 intimidatie en op vergelding door de dader, dan wel als gevolg van dedeelname aan de strafprocedure, moet worden beperkt door de procedureop een gecoördineerde en respectvolle manier te laten verlopen, zodat hetslachtoffer vertrouwen kan krijgen in de autoriteiten. De richtlijn verplichtertoe maatregelen te kunnen treffen om het genoemde risico te beperken.De autoriteiten hebben dus tot taak om waar nodig maatregelen te treffen,maar niet om als resultaat te garanderen dat secundaire victimisatie nietvoorkomt. Het gaat om maatregelen die bijdragen aan de zorgvuldigheidwaarmee het slachtoffer in de procedure wordt behandeld en niet om deinhoud van het eindvonnis (vrijspraak of veroordeling; zie hieronder).In relatie tot het in de nieuwe wettelijke regeling gehandhaafde opportuni-teitsbeginsel geldt dat de officier van justitie bij zijn vervolgingsbeslissinghet belang van het slachtoffer nadrukkelijk dient mee te wegen naastandere, algemene belangen. Het algemeen belang dat de strafwet wordtgehandhaafd en dat slachtoffers genoegdoening wordt verschaft, moetworden afgewogen tegen andere algemene belangen. Tot die algemenebelangen behoren bijvoorbeeld ook het belang om een lopende reclasse-ringsbegeleiding van de verdachte niet te doorkruisen en het belang datburgers geen leed wordt toegevoegd als daarvoor geen reden is. Bij deafweging moet ook de beperkte opsporings- en vervolgingscapaciteitworden betrokken. Het voorgaande betekent dat de officier van justitie hetslachtofferbelang meeweegt bij zijn beslissing om al dan niet tevervolgen. Hiernaast spelen de verschillende genoemde andere overwe-gingen een belangrijke rol in zijn afweging. Het voorkomen van secun-daire victimisatie heeft dus geen doorslaggevende invloed op detoepassing van het opportuniteitsbeginsel. Met andere woorden: dewaarheidsvinding en het publieke belang dat de strafwet wordt gehand-haafd kunnen (en zullen meestal) prevaleren boven het risico op secun-daire victimisatie. De invoering van het nieuwe wetboek brengt geenverandering in de afweging die de officier van justitie in dit verbandmaakt. Er is dan ook geen reden om te verwachten dat het slachtoffer deoverheid succesvol aansprakelijk zal kunnen stellen voor een gevoerdstrafproces. Hierboven zijn verschillende maatregelen genoemd die, nadateen vervolging is ingesteld, kunnen bijdragen aan het tegengaan vansecundaire victimisatie tijdens het strafproces.Tot slot is het mogelijk dat het openbaar ministerie een strafbaar feitvervolgt en dat de rechter in die zaak de verdachte vervolgens vrijspreekt.De rechter komt op basis van waarheidsvinding en volgens de regels vaneen eerlijk proces tot zijn oordeel; dit staat niet ter discussie. Artikel 4.3.3verankert de taak van de rechter om op de grondslag van de tenlaste-legging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting tebeoordelen of bewezen is dat het feit door de verdachte is begaan. Alleenals de rechtbank het tenlastegelegde feit niet bewezen acht, spreekt zij deverdachte vrij (artikel 4.3.5). Het voorkomen van secundaire victimisatiespeelt in dit verband geen rol. Dat neemt niet weg dat een vrijspraakuiteraard zeer teleurstellend kan zijn voor het slachtoffer. Het is belangrijkdat het slachtoffer voordat de zaak op de zitting wordt behandeld goedwordt geïnformeerd over de mogelijke uitspraken, opdat het slachtoffergeen onrealistische verwachtingen heeft.(21) Artikel 1.1.18 is aangepast naar de huidige situatie waarin er zoweleen Minister van Justitie en Veiligheid alsook een Minister voor Rechtsbe-scherming is. Aangezien het wetboek «toekomstbestendig» is gemaakt,lijkt dit deze leden geen goed idee. Wat is de reden dat hiervoor isgekozen in genoemd artikel en is er geen alternatief?21. In artikel 1.1.18 is bepaald dat voor zover in het Wetboek van Strafvor-dering wordt gesproken over «Onze Minister» wordt bedoeld «OnzeMinister van Justitie en Veiligheid dan wel Onze Minister voor Rechtsbe-scherming, al naar gelang wie het aangaat». Het voordeel van dezeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1135 definitiebepaling is dat wanneer de taakverdeling tussen beide Ministersverandert geen wijziging van het Wetboek van Strafvordering nodig is endat wanneer de functietitel en/of de Ministers die verantwoordelijk zijnvoor het wetboek veranderen, dit slechts in één bepaling behoeft teworden gewijzigd. De bepaling is daarmee toekomstbestendig. Dat in (dedefinitiebepalingen van) wetten naar specifieke Ministers wordt verwezenis overigens gebruikelijk en in lijn met de Aanwijzingen voor de regel-geving.(22) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het huidige Wetboek vanStrafvordering op verschillende plaatsen is geregeld dat een kamer naareen andere kamer kan verwijzen, maar dat deze regeling niet dekkend is.Een meervoudige kamer kan namelijk een zaak niet naar de kantonrechterverwijzen of vice versa. Deze leden lezen dat de nieuwe regelingverwijzing mogelijk maakt tussen alle enkelvoudige en meervoudigekamers. Deze leden vragen aan de regering of het in de praktijk regelmatigvoorkomt dat een rechter een zaak zou willen verwijzen naar een anderekamer, zoals van een kantonrechter naar een meervoudige kamer.22. In de praktijk komt het zelden tot nooit voor dat een kantonrechter vanoordeel is dat de zaak naar een andere, enkelvoudige of meervoudige,kamer moet worden verwezen. De bepaling dat een kamer altijd naar eenandere kamer kan verwijzen is ingegeven doordat in het huidige wetboekin sommige gevallen geen verwijzingsmogelijkheid bestaat als de regelsvan de interne competentie niet in acht zijn genomen. In die gevallen is derechter genoodzaakt zich onbevoegd te verklaren. Dit vormt een formeleeindbeslissing, hetgeen inhoudt dat de officier van justitie de zaakopnieuw moet aanbrengen om de enkele reden dat de rechter van oordeelis dat een andere rechter over de zaak moet, of beter kan oordelen. Dit isinefficiënt. Daarom is in het nieuwe wetboek als regel opgenomen dat inalle gevallen waarin de zaak bij de verkeerde kamer dient, de zaak wordtverwezen naar de wel bevoegde kamer. Dit geldt niet alleen in gevallenvan onbevoegdheid. Verwijzing is volgens de regeling ook aangewezen ingevallen waarin de rechter van oordeel is dat de zaak beter door eenandere kamer kan worden behandeld. Dit laatste doet zich bijvoorbeeldvoor als de (enkelvoudige) politierechter aanleiding ziet om de zaak dooreen meervoudige kamer te laten beoordelen.(23) De leden van de CDA-fractie lezen dat uit de nieuwe regeling volgt datoverdracht langs de elektronische weg centraal staat bij berichtenverkeertussen professionals, waarbij de burger een bericht langs elektronischeweg kan overdragen. Deze leden vragen of een uitzondering bestaat voorburgers die omwille van uiteenlopende redenen niet langs de elektro-nische weg de berichten kunnen overdragen of ontvangen en bijvoor-beeld niet beschikken over een raadsman of raadsvrouw.23. In de nieuwe regeling is het uitgangspunt inderdaad dat berichtenlangs elektronische weg worden uitgewisseld. Voor professioneleprocesdeelnemers wordt overdracht van berichten langs elektronischeweg verplicht gesteld of bevorderd (artikel 1.9.3). Ook burgers wordengestimuleerd om van de elektronische weg gebruik te maken, maar eenverplichting om berichten langs elektronische weg over te dragen gaatvoor hen alleen gelden als zij door een advocaat worden bijgestaan(artikel 1.9.4, tweede lid). Voor burgers die niet door een advocaat wordenbijgestaan en om uiteenlopende redenen niet langs elektronische wegberichten kunnen overdragen of ontvangen is er dus geen verplichting omgebruik te maken van de elektronische weg.(24) De leden van de CDA-fractie lezen dat de Afdeling Advisering van deRaad van State (de Afdeling) haar zorgen uitspreekt over de uitvoer-baarheid van de voorgestelde nieuwe regelingen in het kader vancapaciteitstekorten, in het bijzonder bij de kabinetten van de rechter-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1136 commissaris. Deze leden vragen of de regering een reflectie kan geven opdeze geuite zorgen en de vraag kan beantwoorden op welke manier dezegeconstateerde zorgpunten kunnen worden weggenomen.24. Allereerst is van belang dat de justitiële keten door een financiëleimpuls in de gelegenheid is gesteld zich te versterken. In deJenV-begroting zijn hier middelen voor vrijgemaakt. De verwachting is datmet de vrijgemaakte middelen onder meer door het aantrekken enopleiden van extra personeel, in de komende jaren gebouwd kan wordenaan robuuste organisaties, zodat de achterstanden kunnen wordenweggewerkt en de werkdruk zal afnemen. Ook wordt geïnvesteerd in deprimaire informatiesystemen van met name openbaar ministerie enpolitie (Brief inzake hoofdlijnen beleid Ministerie van Justitie en Veiligheidd.d. 9 februari 2022, Kamerstukken II 2021/22, 35 925 VI, nr. 132). Deverwachting is dat deze binnen enkele jaren operationeel zullen zijn, zodattijdig de voor de implementatie van het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering noodzakelijke aanpassingen kunnen worden gedaan.Meer specifiek met betrekking tot het nieuwe Wetboek van Strafvorderingis € 450 miljoen beschikbaar gesteld voor de implementatie daarvan.Hierdoor worden de organisaties in staat gesteld om het nieuwe wetboekop zorgvuldige wijze te implementeren. De organisaties in de strafrecht-keten hebben met dit budget inmiddels projectorganisaties kunneninrichten, en er is een centraal implementatieprogrammateam opgerichtvoor de afstemming van de werkzaamheden tussen de organisaties.Deze versterkingen nemen niet weg dat het van groot belang is dat debetrokken organisaties zich kunnen concentreren op de implementatie vanhet nieuwe wetboek en dat het aantal veranderopgaven voor dezeorganisaties in deze periode maat houdt met de verandercapaciteiten.Tegen die achtergrond is onder meer door de Commissie-Letschert gepleitvoor een beleidsluwe periode in aanloop naar de inwerkingtreding vanhet nieuwe wetboek.Ten slotte is relevant dat de werklasteffecten voor de organisaties in destrafrechtketen (waaronder begrepen de tenuitvoerleggingsketen) in kaartworden gebracht. Hierbij gaat het zowel om werklastverzwaring alswerklastvermindering. Het totaalbeeld van de uitvoeringsconsequentiesvan het nieuwe wetboek wordt toegelicht in de memorie van toelichtingbij de invoeringswet. Voor de dekking van de eventuele meerkosten vandeze verwachte omvang zal ruimte gevonden worden binnen deJenV-begroting, zodat de organisaties die het betreft hun capaciteitkunnen vergroten (zie de achtste en negende voortgangsrapportage,Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nrs. 782 en 832).(25) De leden van de CDA-fractie lezen dat over de verhouding tussen dealgemene maatregel van bestuur en het legaliteitsbeginsel vanwegekritiek op eerdere voorstellen gekozen is voor een ruimer gebruik van dealgemene maatregel van bestuur in de strafvordering, waarovervoorlichting is verzocht aan de Raad van State. Deze leden vragen of deregering uiteen kan zetten wat deze kritiek en discussie inhoudt en wat deknelpunten zijn in de zogenoemde minder ruime verhouding tussen dealgemene maatregel van bestuur en het legaliteitsbeginsel.25. Zoals in het antwoord op vraag 10 is uiteengezet vloeit uit hetstrafvorderlijk legaliteitsbeginsel voort dat de rechten van burgers en debevoegdheden van de overheid in een formele wet moet wordenneergelegd en dat alleen de uitwerking daarvan in lagere regelgeving, inhet bijzonder de algemene maatregel van bestuur, mogelijk is. Dat vloeitook voort uit de Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 2.19): dereikwijdte en de voornaamste duurzame normen worden in de wetopgenomen, terwijl voorschriften van meer technische of administratieveaard of voorschriften die vaak wijziging behoeven, beter op lager niveaukunnen worden uitgewerkt. Opsporingsbevoegdheden en procedureleTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1137 waarborgen worden zoveel mogelijk in de wet opgenomen (aanwijzing2.21). Deze gebruikelijke richtsnoeren voor de verhouding tussen de weten de lagere regelgeving zijn ook in het nieuwe wetboek tot uitgangspuntgenomen.In de beginfase van de totstandkoming van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering – nog voordat de contourennota werd uitgebracht – isnagedacht over de mogelijkheid van een ruimer gebruik van de algemenemaatregel van bestuur, door in het wetboek een bepaling op te nemen diehet mogelijk maakt om, vooruitlopend op formele wetgeving, bijalgemene maatregel van bestuur tijdelijk te voorzien in een bepaalde(nieuwe) opsporingsbevoegdheid. Het zou neerkomen op een bepalingmet als strekking dat bij algemene maatregel van bestuur opsporingsamb-tenaren bevoegd kunnen worden verklaard om, onder in die algemenemaatregel van bestuur bepaalde voorwaarden en in de daarbij bepaaldegevallen, opsporingshandelingen te verrichten die een (meer danbeperkte) inbreuk maken op het recht op eerbiediging van de persoonlijkelevenssfeer.In deze wettelijke bepaling zou verder kunnen worden opgenomen datbinnen een bepaalde periode na totstandkoming van de algemenemaatregel van bestuur in regeling bij wet moet zijn voorzien. Dit zou eenmogelijkheid kunnen zijn om snel te kunnen reageren op bijvoorbeeldontwikkelingen op het gebied van informatie- en communicatietechno-logie. Ook zou een dergelijke bepaling van nut kunnen zijn, zo was degedachte, als wettelijke regeling van een bepaalde opsporingsactiviteit opzichzelf wenselijk is, maar men in de praktijk eerst ervaring wil opdoenmet deze activiteit alvorens voor een bepaalde wettelijke normering tekiezen.De gedachte om een dergelijke bepaling in overweging te nemen is echtersnel verworpen. In het licht van het legaliteitsbeginsel en de aanwijzingenvoor de regelgeving werd het onwenselijk geacht om een dergelijkeregeling tot stand te brengen. Het zou betekenen dat de inhoudelijkevoorwaarden waaronder met opsporingsbevoegdheden (meer danbeperkte) inbreuken op de grondrechten van burgers kunnen wordengemaakt, niet meer in de wet zouden worden bepaald nadat daaroverdoor de wetgever – democratisch gelegitimeerd – is beslist. En voor hetdoel eerst ervaring op te doen met een bepaalde vorm van regulering vaneen opsporingsbevoegdheid is al snel voor uitwerking bij wet gekozen:het is om redenen van legaliteit dat met de Innovatiewet Strafvorderingeen wettelijke basis is geschapen om vooruitlopend op het nieuwewetboek alvast enkele bevoegdheden te kunnen beproeven, maar wélnadat deze bevoegdheden – democratisch gelegitimeerd – door dewetgever (via de Innovatiewet Strafvordering) wettelijk zijn vastgelegd.(26) De leden van de SP-fractie constateren dat er in de inleidendebepalingen slechts twee van de rechten van de verdachte wordengenoemd. Is de regering het eens met de uitspraken van de Nederlandseorde van advocaten (NOvA) dat dit de indruk van plichtmatigheid envrijblijvendheid wekt? Wat vindt de regering van het idee om de afgeleidebeginselen van deze rechten duidelijk te benoemen en uit te werkenbijvoorbeeld in de vorm van de equality of arms en een onbeperktondervragingsrecht?26. De suggestie dat de keuze voor het opnemen van twee van de rechtenvan de verdachte in Boek 1, Titel 1.1, de indruk zou wekken van plichtma-tigheid en vrijblijvendheid wordt dezerzijds niet onderschreven. Deredenen waarom is gekozen voor het opnemen van juist deze tweefundamentele rechten zijn uiteengezet in de antwoorden op de vragen 1en 11. Het betreft hier elementaire pijlers van de strafvordering. Zij zijndaarmee van een andere orde dan andere, daarvan afgeleide beginselen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1138 Die specifieke rechten, zoals het recht van de verdachte om op deterechtzitting aanwezig te zijn, het recht op een adequate verdediging entoegang tot rechtsbijstand en het ondervragingsrecht worden uitgewerktin de onderdelen van het wetboek waar dit inhoudelijk het meest voor dehand ligt.Er is bewust niet voor gekozen om ook de van het recht op een eerlijkproces afgeleide beginselen expliciet te benoemen aan het begin van hetwetboek. De NOvA heeft in dit verband in het bijzonder het beginsel van«equality of arms», een in beginsel onbeperkt ondervragingsrecht, hetrecht op verdediging en het recht op vrije communicatie tussen deverdachte en zijn raadsman genoemd. Het voorstel om deze beginselenook in Boek 1, Titel 1.1, op te nemen is niet overgenomen, omdat niet isgestreefd naar het formuleren van een volledige catalogus van voor devormgeving van het strafprocesrecht relevante (grond)rechten. Dat zouook weinig toegevoegde waarde hebben, nu deze grondrechten ook al inmensenrechtenverdragen zijn neergelegd. Daar komt bij dat de door deNOvA genoemde beginselen grotendeels een nadere specificatie vormenvan het recht op een eerlijk proces dat al in artikel 1.1.2 is neergelegd. Eendergelijke specificatie kan gauw leiden tot discussie over de vraag of zijcompleet is en of zij de lading wel dekt. Het voorgaande neemt vanzelf-sprekend niet weg dat met de afgeleide beginselen waar de NOvA overspreekt in de verschillende boeken van het nieuwe wetboek rekening isgehouden. Het recht om getuigen en deskundigen te ondervragen,bijvoorbeeld, is vastgelegd in de regelingen van het opsporingsonderzoeken het onderzoek op de terechtzitting, zowel in eerste aanleg als in hogerberoep. Het recht op rechtsbijstand, het recht op vertolking en vertaling enhet recht op informatie over rechten zowel voor verdachten als voorslachtoffers zijn in verschillende hoofdstukken van Boek 1 uitgewerkt. InBoek 1 zijn ook het belang van onpartijdigheid en onbevooroordeeldheidvan de rechter (artikel 1.2.1), het zwijgrecht van de verdachte (artikel 1.4.3,tweede lid) en het pressieverbod (artikel 1.4.3, eerste lid) neergelegd. Dealgemene notie van «equality of arms» betreft niet zozeer een specifiekrecht, maar is mede richtinggevend bij de uitleg van de Nederlandsevoorschriften, onder meer als het gaat om het oproepen en horen vangetuigen. Deze notie leent zich als zodanig dan ook minder goed voorvastlegging in de wet.In antwoord op vraag 13 is opgemerkt dat een concrete uitwerking van hetalgemeen geformuleerde recht op een eerlijk proces van artikel 1.1.2 opverschillende plaatsen in het wetboek noodzakelijk is om duidelijk temaken wat de consequenties daarvan zijn voor de specifieke rechten enbevoegdheden van de procespartijen in een bepaalde fase van hetstrafproces. Een algemene omschrijving van afgeleide rechten in Boek 1,Titel 1.1, kan in die behoefte niet voorzien.(27) Kan de regering reflecteren op de kritiek van SlachtofferhulpNederland dat er geen voorstellen in staan ter verbetering van de positievan het slachtoffer?27. De afgelopen decennia is de positie van het slachtoffer in hetstrafproces gaandeweg sterk ontwikkeld. De positie van het slachtofferwordt in het nieuwe wetboek op een aantal punten wel degelijk verderverbeterd.Ten eerste wordt in het eerste hoofdstuk van Boek 1 bepaald dat strafvor-dering plaatsheeft op een wijze die recht doet aan de belangen van hetslachtoffer (artikel 1.1.4). Deze bepaling is een bevestiging en markeringvan de belangrijke positie van het slachtoffer. Een tweede verbeteringbetreft de regeling van het recht op kennisneming van de processtukken.Zie daarover het antwoord op vraag 118. In de derde plaats kan deverruiming genoemd worden van de mogelijkheid voor de rechtstreeksbelanghebbende om zich bij het gerechtshof te beklagen over het nietTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1139 opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten. Het nieuwe artikel 3.5.1maakt beklag over het achterwege blijven van opsporing mogelijk, terwijlhet huidige artikel 12 alleen beklag tegen niet vervolgen betreft. Dezeverruiming is een verbetering van de positie van het slachtoffer in dienshoedanigheid van rechtstreeks belanghebbende.Verder is er een verbetering van de positie van het slachtoffer dat zich metzijn schadevordering als benadeelde partij voegt in het strafproces.Artikel 5.4.35, eerste lid, opent de mogelijkheid dat de benadeelde partijtegen een gehele of gedeeltelijke afwijzing van haar vordering in heteindvonnis zelfstandig hoger beroep instelt indien de vordering meer dan€ 1.750 bedraagt. Deze mogelijkheid bestaat nu niet in zo ruime mate; hethuidige artikel 421, vierde lid, beperkt de mogelijkheid van hoger beroepdoor de benadeelde partij (bij de civiele rechter) tot de situatie waarin deverdachte en de officier van justitie geen hoger beroep hebben ingesteldtegen het eindvonnis. In de nieuwe regeling heeft de benadeelde partij inalle gevallen de mogelijkheid om hoger beroep in te stellen bij destrafrechter tegen een afwijzing van haar vordering. De nieuwe bepalingbetekent dus een verruiming. Ook wordt het mogelijk dat de benadeeldepartij de vordering tot schadevergoeding in hoger beroep vermeerdert(artikel 5.4.34, derde lid). Dit is een verbetering ten opzichte van hethuidige artikel 421, derde lid, dat vermeerdering in hoger beroep uitsluit.Het gevolg van de nieuwe bepaling is dat de benadeelde partij in hogerberoep nieuwe schadeposten kan opvoeren en verhoging van alopgevoerde schadeposten mag vorderen.In Boek 4 is een afdeling gereserveerd (Afdeling 4.1.2) waarin op een latermoment een procedure kan worden opgenomen voor de afzonderlijkebehandeling van de vordering tot schadevergoeding van de benadeeldepartij. Of een dergelijke afgesplitste procedure zal worden geïntroduceerd,is afhankelijk van het vervolg dat zal worden gegeven aan de beleidsre-actie van het kabinet op het advies van de Commissie onderzoek stelselschadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten, getiteld: «Opverhaal komen» (Kamerstukken II 2020/21, 33 552, nr. 83). De beleidsre-actie op het advies is op 2 juni 2023 aan de Tweede Kamer aangeboden(Kamerstukken II 2022/23, 33 552/29 279, nr. 111).De Innovatiewet Strafvordering voorziet in een verbetering ten aanzienvan mediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting. Debevoegdheid van de rechter om een zaak naar mediation te verwijzen isuitgebreid. Tevens is geregeld welke beslissingen de rechter kan nemennadat mediation met goed resultaat is afgerond en welke procesdeel-nemers bij die beslissingen worden betrokken. De rechter krijgt debevoegdheid om te verklaren dat de zaak is geëindigd. Deze nieuweregeling, waarbij ook slachtoffers uitdrukkelijk baat kunnen hebben, wordtbeproefd in enkele pilotprojecten. Afhankelijk van de evaluatie daarvankan deze regeling ook worden opgenomen in het nieuwe wetboek.De conclusie is dat er wel degelijk voorstellen zijn gedaan om de positievan slachtoffers te versterken. Daarnaast ligt de prioriteit bij het actief inde praktijk borgen van de bestaande wettelijke voorzieningen ten behoevevan het slachtoffer. Dit betekent onder meer dat procedures en werkwijzenzodanig moeten worden ingericht, dat de mogelijkheid tot uitoefening vanslachtofferrechten daardoor wordt gewaarborgd. Ook worden erinvesteringen gedaan in ICT-voorzieningen, zoals de inrichting van hetdigitale slachtofferportaal. Er is dan ook tijd en aandacht nodig om debestaande rechten van slachtoffers te waarborgen. Deze benadering isopgenomen in de Meerjarenagenda slachtofferbeleid (Kamerstukken II2021/22, 33 552, nr. 91), waarin staat dat de ambitie de komende jaren isgericht op het zo goed mogelijk tot uitvoering brengen van de slachtoffer-rechten en -voorzieningen die zijn geïntroduceerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1140 (28) De leden van de SP-fractie constateren dat de verankering van debeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit enkel in Boek 2 zijnopgenomen. Dit kan de indruk wekken dat zij niet op de strafrechtsplegingin het algemeen van toepassing zouden zijn. Kan de regering hier opreflecteren? Waarom is ervoor gekozen deze beginselen niet al eerder tebenoemen?28. In het antwoord op vraag 1 is uiteengezet waarom de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit alleen in Boek 2 en niet in de eerste titelvan Boek 1 zijn opgenomen. Uit de omstandigheid dat de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit alleen expliciet zijn opgenomen inBoek 2, kan niet worden afgeleid dat deze beginselen daarbuiten nietrelevant zijn.(29) De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de regering ervoor kiesteen aantal algemene beginselen wel, en een aantal algemene beginselenvan strafvordering niet op te nemen in de inleidende bepalingen. Kan deregering aangeven waarom bijvoorbeeld het recht op verdediging nieteen leidend beginsel behoort te zijn? Ziet de regering het risico dat doorhet formuleren van enkele bepalingen onbedoeld een hiërarchie inrechten en plichten wordt gecreëerd?29. De redenen waarom enkele algemene beginselen nu wordenvastgelegd in de eerste titel van Boek 1, en andere beginselen niet,worden in algemene zin toegelicht in de antwoorden op de vragen 1 en11. Ten aanzien van het recht op verdediging kan het volgende wordenopgemerkt. Het recht om zichzelf te verdedigen of daarbij de (in gevallenwaarin dat aangewezen is kosteloze) bijstand te hebben van eenraadsman, is expliciet geregeld in artikel 6, derde lid, onderdeel c, EVRM.Het kan worden beschouwd als een specifiek deelrecht van het algemenerecht op een eerlijk proces als bedoeld in het eerste lid van artikel 6 EVRM.Ten aanzien van dergelijke specifieke deelrechten en/of afgeleide rechtenis in antwoord op de vragen 13 en 26 aangegeven dat en waarom dezeconcreet zijn uitgewerkt op de plaats in het wetboek waar dit inhoudelijkhet meest voor de hand ligt. Als het gaat om het recht op verdediging isdat primair gebeurd in Boek 1, Hoofdstuk 4 (De verdachte en zijnraadsman). Daar is onder meer geregeld dat de verdachte het recht heeftom zich te doen bijstaan door een raadsman en dat hem zoveel mogelijkde gelegenheid wordt verschaft om zich met zijn raadsman in verbindingte stellen (artikel 1.4.5). Op grond van artikel 1.4.17 heeft de raadsmanvrije toegang tot de verdachte die rechtens zijn vrijheid is ontnomen enkan hij in beginsel vertrouwelijk met hem communiceren. Deze algemenebepalingen over het recht op verdediging zijn relevant voor het helewetboek en kunnen in die zin als «leidend» worden beschouwd. Dat zijniet in de eerste titel van Boek 1 zijn opgenomen doet aan hun grotebelang niet af. Een abstract geformuleerd recht op verdediging en/ofrechtsbijstand in die eerste titel zou daar weinig aan toevoegen en zoubovendien geen zelfstandige praktische betekenis hebben naast het reedsaangehaalde artikel 6, derde lid, onderdeel c, EVRM.Er is geen risico dat door het opnemen van enkele algemene beginselenin de eerste titel van Boek 1 onbedoeld een hiërarchie in rechten enplichten wordt gecreëerd. In het bovenstaande is ingegaan op deverhouding tussen de fundamentele beginselen van de artikelen 1.1.2 en1.1.3 enerzijds en de daarvan afgeleide specifieke deelrechten anderzijds.De concrete uitwerking van die rechten op de daartoe meest geëigendeplaats in het wetboek maakt de consequenties daarvan voor de rechts-praktijk duidelijk en hanteerbaar.(30) Kan de regering aangeven hoe de Rechtspraak in algemene zin zichheeft te verhouden tot conflicterende belangen van rechten die in dezealgemene bepalingen staan en die er niet in staan?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1141 30. In algemene zin kan worden gesteld dat het afwegen van conflic-terende belangen behoort tot de kerntaken van de rechter. De afwegingvan alle relevante belangen en rechten moet altijd plaatsvinden; daarvoormaakt niet uit of het gaat om een afweging tussen belangen en rechtendie in de eerste titel van Boek 1 zijn opgenomen onderling of om eenafweging tussen deze belangen en rechten enerzijds en belangen enrechten die niet als algemene bepaling worden genoemd anderzijds.Daarbij kan de vraag naar de precieze onderlinge verhouding tussenbeginselen niet eenvoudig worden beantwoord. Het gaat om eenafweging die in sterke mate afhangt van de concrete omstandigheden vanhet geval en die de rechter mede op basis van de verschillende stand-punten van de procespartijen zal moeten maken. Van een vaste rangordetussen de verschillende grond- en mensenrechten is geen sprake; deomstandigheid dat enkele van deze rechten nu in Boek 1 zijn vastgelegdmaakt dat niet anders. Zo zal de zittingsrechter in een concrete zaak vaakeen afweging moeten maken tussen enerzijds het belang dat de schuldigewordt gestraft en het belang dat het slachtoffer daarbij heeft en anderzijdsde inbreuk die wordt gemaakt op de rechten van de verdachte, bijvoor-beeld als deze rechter voor de vraag staat of aan een onrechtmatighandelen bij het opsporingsonderzoek of de vervolging een processuelesanctie moet worden verbonden (Boek 4, Titel 3.3). In de woorden van deHoge Raad (ECLI:NL:HR:2020:1889) gaat het hierbij om de met vervolgingen berechting van strafbare feiten gemoeide belangen – waaronder debelangen van waarheidsvinding en van de bestraffing van de daders vanstrafbare feiten – en de belangen die verband houden met de handhavingvan grondrechten en de bevordering van een normconform verloop vanhet voorbereidend onderzoek. De eerlijkheid van het proces vormt in ditverband een belangrijke factor; zo dient bewijsuitsluiting te volgen als deverdachte voorafgaand aan het verhoor door de opsporingsambtenaarniet de mogelijkheid heeft gehad om een raadsman te consulteren (het inartikel 6 EVRM besloten consultatierecht). Binnen deze afweging komendus belangen en rechten tot uitdrukking die een plaats hebben gekregenaan het begin van het nieuwe wetboek, in het bijzonder het recht op eeneerlijk proces (artikel 1.1.3) en de belangen van het slachtoffer(artikel 1.1.4). Tegelijkertijd wegen de belangen van waarheidsvinding envan de bestraffing van de daders van strafbare feiten hier eveneens zwaarmee, terwijl zij in de eerste titel van Boek 1 niet met zoveel woordenworden vermeld. Voor de uitkomst van de afweging tussen conflicterendebelangen zal niet van doorslaggevend belang zijn dat de belangen die naafweging de doorslag geven in de eerste titel van Boek 1 niet met zoveelwoorden zijn benoemd.(31) In het bijzonder maken de leden van de ChristenUnie-fractie zichzorgen over de weging van belangen in het strafprocesrecht zoals die nuhaar weerklank vindt in de inleidende bepalingen. Die wordt nu geredu-ceerd tot die van verdachten en slachtoffers. Dit kan de indruk wekken dathet strafproces een proces is tussen verdachte en slachtoffer. Hiermeeverdwijnt het samenlevingsperspectief uit beeld. De samenleving alsgeheel heeft belang bij een eerlijk en doelmatig strafproces dat ertoe leidtdat schuldigen worden gestraft en onschuldigen zoveel mogelijk met rustworden gelaten. Genoemde leden vragen de regering aan te geven hoedit fundamentele belang in de inleidende bepalingen kan wordenverankerd.31. In het wetboek worden de rechten en plichten van burgers en debevoegdheden en verplichtingen van de overheid in het kader van destrafvordering vastgelegd. Daarbij is het minder passend om met hetstrafprocesrecht nagestreefde doelstellingen in de wettekst teverwoorden. De memorie van toelichting is daarvoor de geëigende plaats.In de eerste paragraaf van de memorie van toelichting is benadrukt dat inhet nieuwe wetboek – net als in het huidige – een tweeledige hoofddoel-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1142 stelling centraal staat. Enerzijds moet zoveel mogelijk worden bevorderddat de strafwet wordt toegepast op de werkelijk schuldige. Dat brengt meedat soms ingrijpende onderzoeksbevoegdheden moeten wordentoegekend aan de met opsporing en vervolging belaste autoriteiten.Anderzijds moeten de rechten en vrijheden van de verdachte wordengeëerbiedigd. Het toekennen van deze rechten aan de verdachte verkleintde kans op onjuiste beslissingen en daarmee de kans dat onschuldigenworden gestraft. Een eerlijk proces is daarom inderdaad ook een belangvan de samenleving als geheel. De afgelopen decennia is het belang vande eerbiediging van de rechten en vrijheden van de verdachte toege-nomen, onder meer als gevolg van de jurisprudentie van het EHRM overonder meer artikel 6 EVRM. Naast de hoofddoelstelling van het strafpro-cesrecht zijn bovendien andere doelstellingen in de loop der tijd eenbelangrijkere plaats gaan innemen, waarbij de emancipatie van hetslachtoffer het denken over het strafproces de laatste decennia ingrijpendheeft gewijzigd. Dat recht wordt gedaan aan de belangen van hetslachtoffer is daarmee evenzeer een belang van de samenleving alsgeheel. De bedoelde verschuivingen krijgen nu onder meer een vertalingin de nieuwe algemene bepalingen van de artikelen 1.1.2 (eerlijk proces),1.1.3 (onschuldpresumptie) en 1.1.4 (recht doen aan de belangen van hetslachtoffer). Dat doet echter geenszins af aan het algemene belang dat isgemoeid met de bestraffing van degenen die de strafwet volgens deregels van het materiële recht hebben overtreden. Het betreft hier eendoelstelling die van andere aard is dan de (grond)rechten en beginselendie in de eerste titel van Boek 1 zijn opgenomen en die zich daardoorminder goed leent voor vastlegging in de inleidende bepalingen, maar dievanzelfsprekend wel belangrijk is. Om dat fundamentele belang teonderstrepen heeft deze doelstelling weliswaar niet aan het begin van hetwetboek, maar wel aan het begin van de memorie van toelichting eenprominente plek gekregen.Dat het strafproces niet moet worden gereduceerd tot een proces tussende verdachte enerzijds en het slachtoffer anderzijds wordt zonder meeronderschreven. Dit komt onder meer tot uitdrukking in twee belangrijkebeginselen die eveneens in Boek 1 zijn opgenomen, weliswaar niet inTitel 1.1 maar in Titel 3.2. Het eerste is dat het vervolgingsmonopolie bijhet openbaar ministerie ligt; alleen het openbaar ministerie kan strafbarefeiten ter berechting aanbrengen bij de strafrechter (artikel 1.3.3, eerstelid). Op grond hiervan is bijvoorbeeld uitgesloten dat het slachtoffer zelfvervolging kan instellen. Het slachtoffer heeft gaandeweg weliswaar eenstevige wettelijke positie gekregen als deelnemer aan het strafproces (enkan door het voeren van een beklagprocedure bij het gerechtshofbewerkstelligen dat alsnog een bevel tot vervolging aan het openbaarministerie wordt gegeven), maar een procespartij is hij als zodanig niet.Verder moet hier worden gewezen op het opportuniteitsbeginsel, datinhoudt dat de officier van justitie een zaak kan seponeren op grondenaan het algemeen belang ontleend (artikel 1.3.4). In dat verband moet hetalgemeen belang dat de strafwet wordt gehandhaafd en dat slachtoffersgenoegdoening wordt verschaft, worden afgewogen tegen anderealgemene belangen. Het opportuniteitsbeginsel is een fundamenteelbeginsel, dat het hele strafproces kleurt. Al met al is hiermee in Boek 1nadrukkelijk ook het fundamentele belang van de samenleving als geheelverankerd bij een eerlijk en doelmatig strafproces dat ertoe leidt datschuldigen worden gestraft en onschuldigen zoveel mogelijk met rustworden gelaten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1143 1.2 Definities Artikel 1.1.4 (recht doen aan belangen van het slachtoffer)(32) De leden van de VVD-fractie vragen wat de uitvoeringsconsequentieszijn op het gebied van ICT voor de ketenpartners als de definitie van hetwoord «jaar» niet langer twaalf keer dertig dagen (= 360 dagen) zou zijnmaar bijvoorbeeld 365? Klopt het dat een gevangene die door de rechtertot twintig jaar cel wordt veroordeeld in dat geval niet 7.200 dagengevangenisstraf krijgt opgelegd maar 7.300 dagen gevangenisstraf?32. Met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingenis in 2020 een wijziging doorgevoerd in de definitie van de term «jaar».Deze wijziging ziet zowel op het Wetboek van Strafrecht als op hetWetboek van Strafvordering en heeft dus bredere werking dan deberekening van gevangenisstraffen. Vanwege de grote (ICT-)inspanningdie de definitiewijziging zou vergen van de uitvoeringsketen is deze niet inwerking getreden. In de praktijk wordt momenteel dus nog steeds hetkalenderjaar van 365 dagen gehanteerd in plaats van 12 maanden van elk30 dagen (= 360 dagen). Omdat de verduidelijking die werd beoogd metde definitie van een jaar als 360 dagen niet opweegt tegen de benodigdeinspanningen voor implementatie, is inmiddels besloten de niet inwerking getreden definitiebepalingen te schrappen. Het betreffendewetsvoorstel is inmiddels aanhangig bij de Afdeling advisering van deRaad van State (Verzamelwet Justitie en Veiligheid 20XX). Indien datwetsvoorstel tot wet wordt verheven, zal via aanvullingswetgevingworden geregeld dat ook in het nieuwe Wetboek van Strafvordering eenkalenderjaar het uitgangspunt blijft. Doordat wordt vastgehouden aan hetkalenderjaar van 365 dagen zal dit dus geen nieuwe uitvoeringsconse-quenties hebben voor de ketenpartners. Het klopt dat de verschillendedefinities van een jaar zouden leiden tot een verschil van vijf dagen perjaar gevangenisstraf dat wordt opgelegd.Artikel 1.4.4 (mededeling van rechten)(33) De leden van de VVD-fractie lezen dat er nieuwe verplichtingenworden gecreëerd om ook de niet-aangehouden verdachte voorafgaandaan zijn eerste verhoor mededeling te doen van zijn recht op kennis-neming van de processtukken. Dit doet afbreuk aan het onderscheidtussen aangehouden en niet-aangehouden verdachten, dat is gebaseerdop EU-regelgeving. Om die reden heeft het OM ook geadviseerd om ditniet te doen. Wat zijn de uitvoeringsconsequenties voor de politie voordeze nieuwe verplichting? Wat zijn de consequenties voor het OM als eenniet-aangehouden verdachte niet is geïnformeerd over zijn recht opkennisneming van processtukken en zijn mogelijkheden om verzoeken inte stellen bij de rechter-commissaris voorafgaand aan zijn eerste verhoor?Deze leden vragen tot slot hoe deze rechten in de ons omringende landenworden overgebracht aan niet-aangehouden verdachten.33. Op grond van artikel 1.4.4, derde lid, worden verdachten die wordenuitgenodigd voor verhoor in kennis gesteld van een aantal rechten,waaronder het recht op kennisneming van de processtukken. Dit kan in depraktijk gestalte krijgen door informatie over deze rechten op te nemen ineen informatiebrochure die wordt verstrekt voorafgaand aan het verhoor,dan wel in de uitnodiging voor het verhoor zelf. De uitvoeringsconse-quenties van deze nieuwe bepaling voor de opsporingsinstanties bestaannaar verwachting dan ook uitsluitend uit het eenmalig aanpassen van deuitnodiging voor het verhoor of de informatiebrochure. De kostendekkingvoor dergelijke incidentele implementatiekosten is voorzien in hetregeerakkoord Rutte IV uit 2022 en is onderdeel van het doorlopendegesprek tussen de strafrechtketenorganisaties en het Ministerie (zie naderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1144 de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3,paragraaf 10.2).De uitvoeringsconsequenties zijn niet structureel van aard en hangen nietsamen met het aantal verhoren. Daarom wordt geen effect verwacht opde bedrijfsvoering van de opsporingsinstanties. In aanloop naar deimplementatie van het nieuwe wetboek wordt het beeld van de uitvoe-ringsconsequenties niettemin periodiek herijkt en als daartoe aanleidingbestaat krijgen de strafrechtketenorganisaties de gelegenheid om hunverwachtingen bij te stellen.Het niet naleven van een of meerdere van de informatieverplichtingen uitartikel 1.4.4, zowel ten aanzien van aangehouden als niet-aangehoudenverdachten, levert een vorm van onrechtmatig handelen bij het opspo-ringsonderzoek op. Dat is in het geldende recht niet anders. De vraagwelke gevolgen hieraan moeten worden verbonden, kan niet in algemenezin worden beantwoord. Dit vergt namelijk een beoordeling van deonrechtmatigheid in de context van de individuele strafzaak, waarbijonder meer het belang van de geschonden informatieverplichting en hetnadeel dat de verdachte daardoor concreet heeft ondervonden, vanbelang zijn. Het is daarom op grond van Boek 4, Titel 3.3 – de regeling diehet huidige artikel 359a opvolgt – aan de rechter om te beoordelen of hetniet naleven van de verschillende informatieverplichtingen uit artikel 1.4.4in een individuele zaak moet leiden tot toepassing van een processuelesanctie.Anders dan voor verdachten wier vrijheid rechtens is ontnomen, bestaater voor niet-aangehouden verdachten geen Europeesrechtelijkeverplichting om hen mededeling te doen van het recht op kennisnemingvan de processtukken en het recht de rechter-commissaris te verzoekenonderzoek te verrichten. Of, wanneer en hoe deze rechten aanniet-aangehouden worden medegedeeld, is daardoor in omringendelanden verschillend geregeld. Wel kan in algemene zin worden opgemerktdat vrijwel alle omringende landen een wettelijke verplichting kennen omniet-aangehouden verdachten voorafgaand aan het eerste verhoor bij depolitie in kennis te stellen van bepaalde rechten (deels voortvloeiend uitEuropeesrechtelijke verplichtingen). In sommige landen kan dezekennisgeving mondeling plaatsvinden, in andere landen wordt vooraf-gaand aan het verhoor een schriftelijke kennisgeving van rechten aan deniet-aangehouden verdachte verstrekt. In veel landen is sprake van eencombinatie: naast de schriftelijke kennisgeving wordt de verdachte vooraanvang van het verhoor mondeling (nogmaals) gewezen op belangrijkerechten zoals het recht op rechtsbijstand en het zwijgrecht (zie ook «Rightsin practice: access to a lawyer and procedural rights in criminal andEuropean arrest warrant proceedings» van het Europees Bureau voor degrondrechten, te raadplegen op https://fra.europa.eu/sites/default/files/fra_uploads/fra-2019-rights-in-practice-access-to-a-lawyer-and-procedural-rights-in-criminal-and-european-arrest-warrant-proceedings.pdf, p. 26–27).(34) De leden van de CDA-fractie lezen dat het nieuwe artikel 1.1.11 deregeling van de overdracht van berichten en het indienen van stukkenbevat. Deze leden zijn van mening dat betekening via de elektronischeweg veel voordelen heeft en zal bijdragen aan een efficiënter en voortva-render strafproces. Deze leden vragen zich echter wel af op welke manierde bevestiging van ontvangst van de dagvaarding gegeven moet wordendoor de ontvanger, nu dit in de huidige situatie gebeurt op een fysieke,goed controleerbare manier. Deze leden wijzen er hierbij ook op dat er inonze samenleving mensen zijn die niet goed mee kunnen komen via dedigitale weg.34. De dagvaarding, in het nieuwe wetboek procesinleiding genaamd,moet worden betekend aan de verdachte. Deze betekening kan langselektronische weg plaatsvinden of door middel van uitreikingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1145 (artikel 1.9.10). In het geval dat de betekening langs elektronische wegplaatsvindt, worden de dag en het tijdstip waarop de procesinleiding in deelektronische voorziening is geplaatst, vastgelegd en worden vastgelegdde wijze, de dag en het tijdstip waarop de betrokkene zich toegang tot deelektronische voorziening heeft verschaft en, zo mogelijk, het tijdstipwaarop deze persoon het bericht heeft ontsloten (artikel 1.9.15, eerste lid).Op deze wijze wordt verzekerd dat de ontvangst van de procesinleidingwordt bevestigd. De verdachte hoeft dus zelf niet te bevestigen dat hij hetbericht heeft ontvangen.(35) De leden van de PvdA-fractie lezen dat voor de overdracht vanberichten en indienen van stukken de elektronische weg de standaardgaat worden. Tegelijkertijd wijst de regering op de nog te leveren forseinspanning die nodig is om de digitalisering in de strafrechtketen teverbeteren. Kan de regering aangeven in welke delen van de strafrecht-keten de meeste inspanningen moeten worden geleverd?35. De individuele organisaties in de strafrechtketen hebben ieder huneigen digitaliseringsopgave. Zo heeft een aantal organisaties een groteoperatie lopen om het verouderde ICT-landschap te vervangen zodat beterkan worden aangesloten op de huidige eisen van privacy en informatiebe-veiliging.Daarnaast wordt er gezamenlijk gewerkt aan centrale digitalisering voorde keten om informatie te kunnen delen, Zo worden de mogelijkhedenvoor digitale informatie-uitwisseling met de burger (of hun vertegenwoor-diger) uitgebreid. Ook gaan de ketenpartners in 2024 door met hetdigitaliseren van de onderlinge informatie-uitwisseling en het inrichtenvan de daarvoor benodigde koppelvlakken. Op sommige plekken in destrafrechtketen gaat dit bijvoorbeeld gepaard met de vervanging vanpapieren dossiers door digitale opslag. Op andere plekken wordtemail-verkeer vervangen door geautomatiseerde koppelingen. In 2024wordt ook de ketensamenwerking op het gebied van uitwisseling vanmultimedia vervolgd. Het einddoel is dat multimedia volledig digitaaldoor de strafrechtketen kunnen stromen. Dat betekent dat er geenbestanden met beeld- en/of audiomateriaal meer per mail, DVD, CD,USB-stick of andere gegevensdragers worden verzonden naar ofuitgewisseld met ketenpartners of andere belanghebbenden. Verder wordthet gebruik van ketenvoorzieningen (zoals E-Semantiek, E-Koppeling,E-Handtekening, E-Makelaar en E-Portaal) structureel gestimuleerd engefaciliteerd. De ketenvoorzieningen die voor het behalen van dedigitaliseringsdoelen 2024 en voor het functioneren van de strafrechtketenrandvoorwaardelijk zijn maar nog ontbreken, zullen worden ontwikkeld.Verder noopt ook het nieuwe Wetboek van Strafvordering tot aanpassingin de (systemen voor) informatievoorziening. In ieder geval zal voor elkeketenpartner de omnummering van het wetboek ten opzichte van hethuidige wetboek een grote verandering zijn.Al met al is dit een omvangrijke en complexe operatie waarbij wordtsamengewerkt aan het in beeld brengen van de afhankelijkheden tussenketenpartners in een gezamenlijk IV-portfolio. Ook de consequenties vanhet nieuwe Wetboek van Strafvordering worden gezamenlijk in kaartgebracht, waardoor in de loop van 2024 een duidelijk en integraal beeldontstaat van de IV-consequenties van het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering en gedoseerd een start kan worden gemaakt met het oppakken vande feitelijke aan het nieuwe wetboek verbonden IV-opgave.Om als partners in de strafrechtketen in overleg te zijn over de digitalise-ringsopgaven en de uitvoering daarvan is het Duurzaam Digitaal Stelsel(DDS) ingericht. Het stelsel leent zich bij uitstek om (mogelijke) impact vankeuzes vanuit BIPOM en Basisplan Straf in samenhang met de overigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1146 partners te bespreken en te bezien. Op bestuurlijk en ambtelijk niveauworden deze onderwerpen dan ook geregeld in geagendeerd.De ervaringen uit eerdere trajecten en projecten in de strafrechtketenhebben geleid tot een ketenbreed vastgestelde Ketendoelarchitectuur(KDA), met bijbehorende afspraken en standaarden. In de ontwikkelingvan BIPOM en Basisplan Straf en in de ontvlechting van OM en Recht-spraak worden deze afspraken en standaarden uit de KDA alsuitgangspunt gehanteerd. Zo is een belangrijke basisvoorwaardegecreëerd waarop in de ICT-ontwikkeling in de organisaties effectief kanworden voortgebouwd.(36) Kan de regering aangeven hoe geborgd wordt dat alle schakels in dieketen op het moment van inwerkingtreding van het voorliggendwetsvoorstel in staat zijn om via de elektronische weg te werken?36. Om te zorgen dat interactie tussen de schakels van de keten goedverloopt, zijn er ketenbrede kaders en richtlijnen die door de partnersworden gevolgd als het gaat om onder andere digitalisering. Zo zijn erketenafspraken over standaarden en formats die gebruikt worden bijdigitaliseringsvraagstukken binnen de strafrechtketen. Voorafgaand aande inwerkingtreding van het nieuwe wetboek vinden ketentesten plaatszodat beoordeeld kan worden hetgeen gebouwd is, ook werkt.(37) In dit verband begrijpen deze leden dat alle procesdeelnemers straksverplicht worden om langs de elektronische weg stukken in te dienen enberichten over te dragen met uitzondering van de verdachte die geenraadsman heeft. Zien deze leden dit goed? Zo ja, hoe kan voorkomenworden dat de verdachte die niet via de elektronische weg communiceertdaardoor het risico loopt op achterstand te komen of om relevanteinformatie te missen? Hoe worden de niet-digitale stukken die dieverdachte inbrengt ingepast?37. In het nieuwe wetboek is het uitgangspunt dat berichten langselektronische weg worden uitgewisseld. Voor professionele procesdeel-nemers wordt overdracht van berichten langs elektronische weg verplichtgesteld of bevorderd (artikelen 1.9.2 en 1.9.3). Ook burgers wordengestimuleerd om van de elektronische weg gebruik te maken (artikel 1.9.4,eerste lid), maar een verplichting om berichten langs elektronische wegover te dragen gaat voor hen alleen gelden als zij door een advocaatworden bijgestaan (artikel 1.9.4, derde lid). In de gevallen dat een burgeronvoldoende vaardig zou zijn om zelfstandig van de elektronische weggebruik te maken, kan de rechtsbijstandverlener hierbij assisteren of hetindienen van berichten overnemen. Voor burgers die niet door eenadvocaat worden bijgestaan en niet langs elektronische weg berichtenkunnen overdragen of ontvangen is er dus geen verplichting om gebruikte maken van de elektronische weg.Berichten en niet-digitale stukken die de verdachte wil inbrengen kunnendus langs andere weg (bijvoorbeeld via de gewone post) wordenovergedragen zodat de officier van justitie en de rechter deze bij hunbeoordeling en beslissing kunnen betrekken (artikel 1.9.7, tweede lid).Evenmin staan de nieuwe regels eraan in de weg dat de burger op dezitting stukken overlegt, in de gevallen dat de wet dat toestaat(artikel 1.9.7, eerste lid).(38) De leden van de SGP-fractie lezen dat het begrip «opsporing» inartikel 1.1.6 is gedefinieerd als «het onderzoek in verband met strafbarefeiten onder gezag van de officier van justitie met als doel het nemen vanstrafvorderlijke beslissingen». Deze leden vragen de regering waarom isgekozen voor deze definiëring van het opsporingsbegrip. Zij wijzen op deopmerkingen van het OM waarbij wordt gewezen op de onduidelijkheid ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1147 het begrip «opsporing» of het begrip «opsporingsonderzoek» bedoeldwordt. Deze leden vragen de regering of zij duidelijk wil maken om welkbegrip het gaat en vragen de regering dit duidelijker uit te werken in dedefinitiebepaling.38. In artikel 1.1.6 wordt het begrip opsporing gedefinieerd. Het gaat om«onderzoek in verband met strafbare feiten onder gezag van de officiervan justitie met als doel het nemen van strafvorderlijke beslissingen».Deze definitie is dezelfde als de definitie die op dit moment wordtgehanteerd in artikel 132a. In de consultatieversie van Boek 1, naaraanleiding waarvan het OM de opmerkingen heeft gemaakt waaraan in devraagstelling is gerefereerd, werd voorgesteld om de definitie vanopsporing redactioneel op enkele onderdelen te wijzigen. Naar aanleidingvan door het OM in consultatie geleverde kritiek, is besloten dat voorstelniet door te zetten en de huidige definitie van het opsporingsbegrip in hetnieuwe wetboek te behouden. Dat is overeenkomstig het advies van hetOM dat aangaf niet overtuigd te zijn van de noodzaak om het huidigebegrip in het nieuwe wetboek te wijzigen. Een van de kritiekpunten vanhet OM met betrekking tot dat voorstel was dat daarin onduidelijk zou zijnof opsporing werd gedefinieerd of opsporingsonderzoek. Doordat hetbedoelde voorstel niet is doorgezet en overeenkomstig de wens van hetOM het huidige begrip in het nieuwe wetboek is behouden, is dit punt vankritiek is ondervangen.2. De behandeling van zaken door de rechter 2.1 Algemene bepalingen (39) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het nieuwe artikel 1.2.6 deverwijzingsbevoegdheid wordt vastgelegd. Deze leden zijn van meningdat dit artikel terdege bijdraagt aan het bevorderen van een efficiëntstrafproces, waarbij vertraging zoveel mogelijk wordt beperkt. Deze ledenzijn ook van mening dat de keuze tot de mogelijkheid van de verwijzings-bevoegdheid voor aanvang van het onderzoek op zitting een stap in degoede richting is wat betreft de beschreven «beweging naar voren». Heteerste lid van het nieuwe artikel maakt het mogelijk dat de enkelvoudigekamer een zaak naar een andere enkelvoudige kamer verwijst als zij debevoegdheid mist om de zaak te behandelen. Deze leden vragen of ditvaak voor zal komen, nu doorgaans voorafgaand aan de behandeling vande rechtszaak wordt beoordeeld bij welke rechter de zaak moet aandienen.Verwacht de regering dat veel gebruik gaat worden gemaakt van dezeverwijzingsbevoegdheid? Deze leden vragen in die lijn ook wat devermoedelijke oorzaak is van een in beginsel verkeerde verwijzing,bijvoorbeeld ingeval is gebleken dat de verdachte minderjarig was tentijde van het delict maar in beginsel niet terecht staat bij de kinderrechter,waardoor een rechter zichzelf niet bevoegd acht om de zaak te behan-delen.39. Verwijzing door een enkelvoudige kamer naar een andere enkel-voudige (of meervoudige) kamer omdat zij zich onbevoegd acht te zaak tebeoordelen komt niet vaak voor, omdat doorgaans voorafgaand aan debehandeling van de zaak correct wordt beoordeeld bij welke rechter dezaak moet worden aangebracht. Van deze verwijzingsbevoegdheid zalvooral gebruik worden gemaakt indien een wettelijk voorschrift daarom-trent bij vergissing wordt veronachtzaamd, bijvoorbeeld als de zaak tenonrechte niet bij de economische kamer is aangebracht, zoals is voorge-schreven in de artikelen 38 en 39 van de Wet op de economische delictenin verbinding met artikel 52 van de Wet op de rechterlijke organisatie. Ookzal de politierechter de zaak naar de kinderrechter moeten verwijzen alsblijkt dat de verdachte ten tijde van het plegen van het feit nog geenachttien jaar was, zoals in voorgeschreven Boek 6, Hoofdstuk 1, inverbinding met artikel 53 van de Wet op de rechterlijke organisatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1148 (40) De leden van de CDA-fractie lezen dat een meervoudige kamer ookeen zaak kan behandelen die juridisch eenvoudig blijkt te zijn, met alsvoorwaarde dat het belang daarvan groot is. Deze leden vragen of deregering nader kan concretiseren wat wordt verstaan onder een «grootbelang». Deze leden vragen ook wat de reden is dat deze definitie nietnader is toegelicht in de memorie van toelichting.40. Verwijzing van de ene naar de andere kamer is volgens de voorge-stelde regeling niet alleen aan de orde in gevallen van onbevoegdheid (ziehet antwoord op vraag 22), maar is ook aangewezen in gevallen waarin derechter van oordeel is dat de zaak beter door een andere kamer kanworden behandeld. Dit oordeel kan ook gelegen zijn in het belang van dezaak.Gebruik van deze mogelijkheid kan bijvoorbeeld in de rede liggen alsstrafbare feiten waarvoor dezelfde verdachte wordt vervolgd deels bij deenkelvoudige kamer en deels bij de meervoudige kamer ter berechtingzijn aangebracht, of deels bij de kantonrechter en deels bij de politie-rechter. Het belang van de zaak houdt in dat geval in dat door verwijzingde zaken kunnen worden gevoegd. De politierechter kan verwijzen naar demeervoudige kamer indien hij weliswaar bevoegd is te oordelen over hetvoorgelegde strafbare feit, maar beoordeling door drie rechters wenselijkvoorkomt vanwege maatschappelijke ophef of discussie over de kwestie.En op grond van de regeling is ook mogelijk, al zal het zal zich niet vaakvoordoen, dat de kantonrechter naar de meervoudige kamer verwijstomdat het gaat om feit dat weliswaar als overtreding strafbaar is gesteld,maar dat onderwerp is van een maatschappelijk omstreden kwestie ofverbonden is met een ingewikkelde strafzaak.Het belang van de zaak speelt ook een rol in de verwijzingsregeling inhoger beroep. Volgens die ten opzichte van de algemene verwijzingsre-geling enigszins geclausuleerde regeling is verwijzing door de enkel-voudige kamer naar de meervoudige kamer slechts mogelijk indien deraadsheer die zitting heeft in de enkelvoudige kamer van oordeel is dat dezaak niet van eenvoudige aard is of het belang ervan zich tegen behan-deling door een enkelvoudige kamer verzet.2.2 De relatieve bevoegdheid van de rechtbanken om strafbare feiten teberechten (41) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van debepalingen omtrent de relatieve bevoegdheid van de rechtbanken omstrafbare feiten te berechten en de toelichting hierbij. Deze leden merkenop dat in de memorie van toelichting het gevaar van forumshoppingwordt aangehaald, waarover wordt geschreven dat er geen aanwijzingenzijn dat de keuze in de praktijk door oneigenlijke motieven wordt bepaald.Volgens de regering is er ook geen reden om aan te nemen dat deinvoering van de landelijke bevoegdheid van de officier van justitie daarverandering in zal brengen. Kan de regering toelichten waar zij dezeaanname op heeft gebaseerd? Is dit enkel op grond van de ervaringenrondom de al bestaande landelijke parketten of is hier nader bij stilge-staan?41. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt aan de arrondisse-mentsofficier van justitie een landelijke opsporings- en vervolgingsbe-voegdheid toegekend. Dat betekent onder meer dat de officier van justitiede mogelijkheid krijgt om bij alle bevoegde rechtbanken in het landvorderingen te doen en strafbare feiten ter berechting aan te brengen(artikel 1.3.5). In de memorie van toelichting (Kamerstukken II 2022/23,36 327, nr. 3, p. 173) is uiteengezet dat de totstandkoming van dezelandelijke bevoegdheid van de officier van justitie past in een ontwikkelingvan het openbaar Ministerie van een verzameling lokale parketten naareen landelijke en centraal geleide organisatie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1149 In de memorie van toelichting is in reactie op de consultatieadviezen vande HR, de Rvdr, de NVvR en het OM aandacht besteed aan geuite zorgenover «forumshopping» (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 172 e.v.),hetgeen inhoudt dat de officier van justitie op basis van oneigenlijkemotieven de keuze maakt bij welke bevoegde rechtbank hij de zaak gaatvervolgen. In de toelichting is aangegeven dat er geen aanwijzingen zijndat de invoering van de landelijke bevoegdheid van de officier van justitiezou leiden tot «forumshopping». Dat berust op het volgende. Op grondvan het huidige artikel 2 zijn verschillende, maar niet alle rechtbankenrelatief bevoegd om van het te vervolgen feit kennis te nemen. Dezecompetentieregeling blijft in het nieuwe wetboek behouden (artikel 1.2.9).De landelijk bevoegde officier van justitie kan dus niet uit alle rechtbankenin Nederland kiezen, maar alleen uit de rechtbanken die bevoegd zijn omhet strafbare feit te berechten. Daarnaast zijn er op dit moment al drieparketten die landelijk bevoegd zijn: het landelijk parket, het functioneelparket en het parket centrale verwerking openbaar ministerie (CVOM). Deervaring die is opgedaan met deze parketten wijst er niet op datoneigenlijk gebruik wordt gemaakt van de keuzevrijheid van de daarwerkzame officieren van justitie met betrekking tot de rechtbank waar dezaak wordt vervolgd. Bovendien heeft ook de arrondissementsofficier vanjustitie op dit moment al vrijheid om te kiezen voor welke bevoegderechtbank hij de zaak zal vervolgen, omdat hij van rechtswege plaatsver-vanger is bij alle andere parketten dan het parket waarbij hij is aangesteld.Ook hier geldt dat niet is gebleken dat van die vrijheid misbruik wordtgemaakt. Op grond van het voorgaande heeft ook de Afdeling adviseringvan de Raad van State overwogen dat zij de vrees voor forumshoppingongegrond acht (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 4, p. 74). Verder isvan belang dat de keuzevrijheid van de officier van justitie voor derechtbank waar hij de zaak aanbrengt, ook in de tijd niet onbegrensd is.In de artikelen 1.3.8 en 1.3.9 is het beginsel van «eenheid van instantie»neergelegd. Behoudens uitzonderingen vindt geen verandering vanbehandelend parket meer plaats in gevallen waarin een rechter in de zaakis betrokken (artikel 1.3.8). En als de officier van justitie eenmaal voor eenbepaalde rechtbank heeft gekozen, wendt hij zich behoudens uitzonde-ringen voor de verdere behandeling van de zaak tot dezelfde rechtbank(artikel 1.3.9). Deze voorschriften voorkomen dat de officier van justitiegaandeweg de procedure zou kunnen overgaan tot forumshopping.(42) De leden van de CDA-fractie lezen dat op grond van het huidigeartikel 2 van het Wetboek van Strafvordering vaak meer rechtbankenrelatief bevoegd zijn, en dat dit onderdeel wordt behouden in de nieuweregeling. Deze leden lezen ook dat de regering schrijft dat dit in theorie hetgevaar van forumshoppen in zich heeft, nu het openbaar ministeriedoorgaans een keuze heeft bij welke bevoegde rechtbank het de zaak gaatvervolgen. Nu de regering ook schrijft dat er geen aanwijzingen zijn dat dekeuze in de praktijk door oneigenlijke motieven wordt bepaald, vragendeze leden wat de gedachte is achter het toch benoemen van de situatietot forumshoppen. In hoeverre is, los van het gegeven voorbeeld van eenarrest uit 1998, forumshopping voorgekomen in de praktijk?42. Het antwoord op deze vraag is gegeven in het antwoord op vraag 41.In aanvulling daarop kan worden verduidelijkt dat in de zaak die leidde tothet arrest van de Hoge Raad van 24 maart 1998 (NJ 1998/768) niet waskomen vast te staan dat sprake was van forumshopping. De Hoge Raadmerkte slechts op dat niet kan worden uitgesloten dat onder omstandig-heden in een geval waarin de verdachte na zijn aanhouding is overge-bracht naar een ander arrondissement het openbaar ministerieniet-ontvankelijk is in zijn vervolging wegens schending van beginselenvan een behoorlijke procesorde indien aannemelijk is geworden dat deverdachte in zijn verdediging is geschaad. In de desbetreffende zaakkonden de vaststellingen van het hof volgens de Hoge Raad echter niet totTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1150 dat oordeel leiden. Er zijn in het geheel geen zaken bekend waarin isvastgesteld dat sprake was van forumshopping.2.3 De raadkamer (43) De rapporteurs zien dat titel 2.3 beoogt een «flexibele basis» tebieden voor de uiteenlopende raadkamerprocedures die het nieuwewetboek kent; afzonderlijke regelingen kunnen van de algemenebepalingen afwijkingen. Mede gelet op de grote hoeveelheid raadkamer-procedures en de ongelijksoortigheid daarvan is het de rapporteurs echteronduidelijk in welke mate en op welke punten afzonderlijke regelingenvan raadkamerprocedures van de in titel 2.3 neergelegde «basisregeling»(kunnen) verschillen. Kan de regering een overzicht bieden van deafwijkingen elders in de wet?43. Evenals in het huidige recht is voor de berechting, dat wil zeggen deinhoudelijke behandeling van de strafzaak door de rechter in eerste aanlegof in hoger beroep, een uitgebreide regeling opgenomen in de Boeken 4en 5. Dit past ook bij het feit dat bij de berechting voor de verdachte hetmeeste op het spel staat.Naast de berechting kunnen zich gedurende het strafproces aan dehoofdzaak verwante, of daaruit voortvloeiende kwesties voordoenwaarover de rechter zich – op korte termijn – moet buigen. In de wettelijkeregeling is hiervoor als verkeersregel opgenomen, dat in die gevallen(wetstechnisch: als de wet niet bepaalt dat bij vonnis of arrest moetworden beslist, zie artikel 1.2.4), de zaak wordt behandeld door deraadkamer. Over de kwestie kan dan betrekkelijk snel door één of drierechter een beslissing worden genomen aan de hand van meer summiereen flexibele procedureregels. Dit houdt in dat de algemene basisregelingvoor raadkamerprocedures in Titel 2.3 van toepassing is voor zover dewettelijke regeling van de specifieke raadkamerkwestie niet in afwijkendeof aanvullende voorschriften voorziet.Enerzijds voorziet deze basisregeling in Boek 1 in algemeen geldendevoorschriften die niet bij elke afzonderlijke raadkamerprocedure opnieuwuitgeschreven hoeven te worden en anderzijds dient de regeling alsvangnet in het geval een beslissing in raadkamer moet worden genomenterwijl de wet niet voorziet in (uitgebreide) procedurevoorschriften. Eenvoorbeeld van dit laatste vormt een beroep van de officier van justitietegen de afwijzing door de rechter-commissaris van een vordering tot hetverlenen van een machtiging voor de inzet van een opsporings-bevoegdheid.Er kan aanleiding zijn tot het geven van afwijkende of aanvullendevoorschriften wanneer dat voor de betreffende raadkamerprocedurenodig is of vanwege de op het spel staande belangen of de betrokkenheidvan derden. Enkele voorbeelden kunnen dat verder verduidelijken.Waar de algemene raadkamerprocedure aanduidt welke rechtbankbevoegd is om in raadkamer te oordelen over de vordering, het bezwaar-schrift, het klaagschrift of het verzoek (artikel 1.2.12), is dit voor bepaalderaadkamerkwesties nader, en soms afwijkend, aangeduid. Beklag tegenniet-vervolgen moet worden ingediend bij het gerechtshof (artikel 3.5.1)en een beklag over de bij vonnis, arrest of strafbeschikking opgelegdeverbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer van voorwerpen bij hetgerecht dat de beslissing in hoogste feitelijke aanleg heeft genomen(artikel 6.4.3). Een ander voorbeeld is te vinden in de regeling van eenverzoek tot schadevergoeding (artikel 6.6.8, tweede lid).Staan bij de kwestie belangen op het spel van een derde naast die van hetopenbaar ministerie en de betrokken procespartij (degene die hetbezwaarschrift, het klaagschrift of het verzoek heeft ingediend), dan moetdie derde onder omstandigheden worden opgeroepen of geïnformeerd,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1151 bijvoorbeeld degene op wie het beklag tegen niet-vervolgen betrekkingheeft (artikel 3.5.7), de rechter van wie wraking is verzocht (artikel 6.2.4) ofdegene die naar het oordeel van de officier van justitie heeft te gelden alsrechthebbende van het voorwerp of van de gegevens dan wel anderebelanghebbenden (artikel 6.4.6).De beslissing van de raadkamer behoeft in beginsel niet te wordenbetekend. Daarom is daarover in de algemene regeling ook geen bepalingopgenomen. De beslissing moet echter wel worden betekend wanneerdaartegen een rechtsmiddel openstaat en/of omdat deze verband houdtmet vrijheidsbeneming. Om deze reden is ten aanzien van bevelen totvoorlopige hechtenis en tot verlenging en opheffing daarvan, beslissingentot schorsing van de voorlopige hechtenis en tot opheffing of wijzigingdaarvan en beslissingen waarbij opheffing van de voorlopige hechteniswordt geweigerd, bepaald dat deze beslissingen direct aan de verdachteworden betekend (artikel 2.5.22, eerste lid). Andere voorbeelden zijn debeslissing op een geschil over rechtsmacht (artikel 6.2.9), de beslissing opeen beklag of een afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking totvoorwerpen en gegevens (artikel 6.4.9, 6.4.12 en 6.4.13).Een allesomvattend overzicht bieden van alle afwijkende regels, isvanwege de veelheid en diversiteit van raadkamerkwesties ondoenlijk.Indien de wet voorziet in regeling van een specifieke raadkamerkwestiebiedt de desbetreffende regeling inzicht welke regels voor die procedurevan toepassing zijn (zie bijvoorbeeld voor veel voorkomende raadkamer-kwesties Boek 3, Hoofdstuk 5, (Beklag over het niet opsporen of nietvervolgen van strafbare feiten) en Boek 6, Hoofdstuk 4, Titel 4.1 (Beklagmet betrekking tot voorwerpen en gegevens).(44) De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan verduidelijkenwaarom in artikel 1.2.15 niet is opgenomen dat ook slachtoffers en zijn ofhaar raadsman het recht hebben om kennis te nemen van de stukken diebetrekking hebben op de zaak, voor zover het belang van het onderzoekhierdoor niet ernstig wordt geschaad.44. Voor slachtoffers is het recht op kennisneming van de processtukkengeregeld in boek 1, hoofdstuk 5 (artikel 1.5.5, derde lid). Voor raadkamer-procedures bevat artikel 1.2.15 een eigen regeling van het recht opkennisneming van stukken. Evenals in het huidige recht gaat het bij eenraadkamerprocedure om die stukken die voor de beoordeling van devoorliggende kwestie van belang zijn. Het recht op kennisneming komt inraadkamerprocedures toe aan het openbaar ministerie en de andere bij deraadkamerprocedure betrokken procespartij (degene die het bezwaar-schrift, het klaagschrift of het verzoek heeft ingediend; zie over het begrip«procespartij» nader de toelichting bij Boek 1, Titel 2.3). Voor hetslachtoffer dat als procespartij betrokken is in de desbetreffende raadka-merprocedure geldt dus een recht op kennisneming van de op dieprocedure betrekking hebbende stukken. Bijvoorbeeld indien hij eenklaagschrift indient over het uitblijven van een bevel tot teruggave vaneen voorwerp dat onder hem is inbeslaggenomen of waarop hij rechtheb-bende is (artikel 6.4.1). Het meest in het oog springende voorbeeld vaneen raadkamerprocedure waarbij het slachtoffer in de praktijk alsprocespartij vaker betrokken is, vormt de in Boek 3, Hoofdstuk 5,opgenomen procedure van het beklag over het niet opsporen of nietvervolgen van strafbare feiten. Voor die raadkamerprocedure is vanwegede aard van die procedure een meer specifieke regeling over de kennis-neming van de stukken geformuleerd. Geregeld is dat de kennisnemingvan stukken plaatsvindt op de wijze door de voorzitter te bepalen(artikel 3.5.8, tweede lid). Het slachtoffer dat een beklagprocedure startkan op grond van die regeling in beginsel dus kennisnemen van destukken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1152 (45) De leden van de VVD-fractie vragen of de afspraak uit het coalitieak-koord over het bevorderen dat meer rechterlijke uitspraken wordengepubliceerd op enigerlei wijze ook goed juridisch kan worden verankerdin het nieuwe wetboek. Het uitgangspunt van openbare zittingen waaropenbaar uitspraak wordt gedaan zou wat deze leden betreft gevolgdkunnen worden door het benoemen van het uitgangspunt dat de uitspraakna het weglaten van de identificerende persoonsgegevens van deverdachte wordt gepubliceerd op rechtspraak.nl. Hoe denkt de regeringhierover en kan zij de laatste stand van zaken geven met betrekking tot deuitvoering van deze coalitieafspraak?45. De Raad voor de rechtspraak geeft met het programma «Meer enverantwoord publiceren» uitvoering aan het streven om het merendeelvan de rechterlijke uitspraken online te publiceren (Kamerstukken II2021/22, 29 279, nr. 706). Ter ondersteuning van dit streven wordenbeleidsmatige voorbereidingen getroffen voor een wetsvoorstel voor depublicatie van rechterlijke uitspraken. Doel van de beoogde wet is tevoorzien in de wettelijke verankering van het uitgangspunt dat rechterlijkeuitspraken gepubliceerd worden, tenzij zich bij wet genoemde uitzonde-ringsgronden voordoen. Eerder is de Tweede Kamer over de contourenvan dit wetsvoorstel ingelicht (Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 801).(46) De leden van de D66-fractie lezen dat in artikel 1.2.15 de mogelijkheidis opgenomen voor de raadkamer om het OM te bevelen aanvullendestukken over te dragen. Deze leden onderschrijven het belang hiervan,zodat ervoor kan worden gezorgd dat raadkamers zoveel mogelijk opgrond van volledigheid beslissen. Deze leden vragen of er concreteervaringen uit de praktijk ten grondslag liggen aan de keuze om ditvoorschrift op te nemen. Kan de regering haar antwoord toelichten?46. Voor het opnemen van het voorschrift dat de raadkamer het openbaarministerie kan bevelen aanvullende stukken over te dragen, vormdenconcrete ervaringen uit de praktijk geen aanleiding. Het voorschrift isopgenomen om in samenhang met de voorschriften in de andere ledenvan artikel 1.2.15 een heldere en sluitende regeling te treffen. Tertoelichting dient het volgende.Het openbaar ministerie stelt aan de raadkamer de op de zaak betrekkinghebbende stukken ter beschikking. Daarbij hoeft het niet te gaan om hetgehele procesdossier, maar om de stukken die voor de beoordeling vande in raadkamer voorliggende kwestie van belang zijn. Het kan zichvoordoen dat de raadkamer voor een goede beoordeling van die kwestiekennis wil nemen van andere stukken uit het procesdossier. Dit voorschriftin het eerste lid verzekert dat de raadkamer daartoe kan bevelen. Het moetworden gelezen in samenhang met het derde lid, op grond waarvan hetopenbaar ministerie de overlegging van die stukken kan weigeren indienhet de verdachte de kennisneming hiervan (tijdelijk) heeft onthouden ofvan de voeging ervan bij de processtukken heeft afgezien op grond vaneen wettelijke bevoegdheid (artikel 1.2.15, derde lid). De gedachte achterdeze weigeringsgrond is de interne openbaarheid; indien de verdachteprocespartij is in de raadkamerprocedure (bijvoorbeeld bij een vorderingtot (verlenging van) de voorlopige hechtenis) is het onwenselijk dat derechter over meer informatie beschikt dan de verdediging.Het openbaar ministerie kan niet weigeren de door de raadkamergevraagde stukken te overleggen in twee specifieke gevallen(artikel 1.2.15, vierde lid), namelijk indien de raadkamerprocedure debehandeling betreft van het beroep van het openbaar ministerie tegen deafwijzing door de rechter-commissaris van een vordering tot hetachterwege laten van de voeging van stukken bij het procesdossier(artikel 1.8.3, eerste lid, of in artikel 1.8.5, vierde lid). In dat geval is dekennisneming door de raadkamer van de desbetreffende stukken juistaangewezen om een zorgvuldige beslissing te kunnen nemen op hetberoep tegen de weigering van de rechter-commissaris om de gevraagdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1153 machtiging te verlenen. Bij een dergelijk beroep is de verdachte nietbetrokken als procespartij. Er is dan sprake van een niet-openbareraadkamer (artikel 1.2.16, zesde lid) waarvoor de verdediging niet wordtopgeroepen omdat daardoor het belang van het onderzoek ernstig wordtgeschaad (artikel 1.2.18, vijfde lid).(47) De leden van de D66-fractie lezen dat er geen voorschriften in hetwetboek zijn opgenomen over het beslisschema van de raadkamer.Tegelijkertijd volgt uit de rechtspraak wel dat er verschil van inzichtbestaat over de wijze van toetsen door de raadkamer. Is het volgens deregering onder die omstandigheid wenselijk dat niet in het wetboek staatop welke wijze de raadkamer toetst maar alleen in de memorie vantoelichting?47. De algemene raadkamerprocedure laat aan de raadkamer om de zaakop de zitting te onderzoeken op de wijze die zij nodig oordeelt(artikel 1.2.19) en bevat een algemene bepaling over het nemen enuitspreken of meedelen van de beslissing van de raadkamer(artikel 1.2.23). Ter toelichting op dat onderzoek en het nemen van diebeslissing gaat de memorie van toelichting in op de wijze waarop deraadkamerkwestie over het algemeen moet worden benaderd, omdatdaarover blijkens de jurisprudentie niet altijd hetzelfde wordt gedacht. Detoelichting maakt duidelijk dat, en waarom, de raadkamer over hetalgemeen ex nunc toetst, dat wil zeggen volgens inzicht in de huidigesituatie en rekening houdend met nieuwe omstandigheden.Is sprake van een voorgeschreven nadere invulling van de wijze waaropde beslissing moet worden genomen, dan volgt dit uit de regeling van dedesbetreffende raadkamerprocedure. Zie bijvoorbeeld de beslissing in deprocedure waarin de rechtbank wordt verzocht te verklaren dat de zaak isgeëindigd (artikel 3.1.3), de beslissing op het bezwaarschrift tegen deprocesinleiding (artikel 3.2.3) of de beslissing op een beklag metbetrekking tot voorwerpen of gegevens (artikel 6.4.9).Een afwijking van de algemene ex nunc-benadering vormt de beslissingover een verzoek tot schadevergoeding met betrekking tot strafvorderlijkoptreden. De rechtmatigheid of onrechtmatigheid van strafvorderlijkoptreden wordt beoordeeld naar het tijdstip waarop het optredenplaatsvond (artikel 6.6.2). Hier is door de wet dus een ex tunc-beoordelingvoorgeschreven.Alles bijeengenomen is er vanwege de uiteenlopende aard van debeslissingen die in verschillende raadkamerprocedures worden genomengeen aanleiding een algemene bepaling over de wijze van toetsen op tenemen.(48) Met betrekking tot de raadkamer lezen de leden van de PVV-fractie dateen nieuwe mogelijkheid voor de raadkamer wordt opgenomen om tebevelen dat de verdachte of veroordeelde in persoon zal verschijnen enom daartoe eventueel diens medebrenging te gelasten. Deze leden gaanervan uit dat dit (mede gezien de mogelijke wens van slachtoffers en/ofnabestaanden dat de verdachte/veroordeelde verschijnt) zal leiden tot eentoename van het aantal bevelen tot verschijning en/of medebrenging, endaarmee een verzwaring van de werklast van de politie en de DienstJustitiële Inrichtingen (DJI). Is de mate van de toename onderzocht en zonee, waarom niet? Gaat dit alsnog zo spoedig mogelijk gebeuren? Eenimpactanalyse mag naar de mening van deze leden op dit punt zeker nietontbreken.48. De voorgestelde raadkamerprocedure verschilt inhoudelijk nietwezenlijk van de huidige procedure. Enkele voorschriften zijn verhelderdof aangevuld omdat over de mogelijkheid deze toe te passen in de praktijkonduidelijkheid bestond. Zo kon worden betwijfeld of de bevoegdheid vande raadkamer om «de nodige bevelen te geven» in het huidige artikel 23een voldoende uitdrukkelijke grondslag biedt voor de toepassing vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1154 dwangmiddelen. Aan die onduidelijkheid wordt met de voorgesteldewettelijke regeling een einde gemaakt. Met het opnemen in artikel 1.2.19van de mogelijkheid voor de raadkamer om de medebrenging van eenverdachte of veroordeelde te gelasten, wordt dan ook geen nieuwebevoegdheid in het leven geroepen maar slechts expliciet vermeld watook al geacht werd besloten te liggen in het huidige artikel 23.De behoefte of noodzaak om een bevel tot medebrenging van eenverdachte of veroordeelde te geven in een raadkamerprocedure komt inde huidige praktijk heel weinig voor. Er bestaat geen aanleiding om teveronderstellen dat het aantal gevallen waarin daartoe wordt overgegaanineens (fors) zal toenemen. Slachtoffers of nabestaanden zijn bij veelraadkamerprocedures niet aanwezig. Dat is bijvoorbeeld wel het geval bijde openbare raadkamerprocedure waarin vanaf negentig dagen gevan-genhouding moet worden geoordeeld over het voortduren van devoorlopige hechtenis van de verdachte. Maar ook in dat geval brengt deenkele wens van een slachtoffer dat een verdachte of veroordeeldeaanwezig is, niet zonder meer met zich dat de rechter dus ook demedebrenging beveelt. Het is immers ook in die situatie aan de rechterom te bezien of het nodig is dat een verdachte of veroordeelde in persoonaanwezig is, waarna ook nog de afweging moet worden gemaakt ofdaaraan ook een bevel medebrenging moet worden gekoppeld.Ten slotte is het zo dat de structurele werklasteffecten voor de organi-saties in de strafrechtketen uitgebreid zijn onderzocht in ketenverband.Daarbij is soms per artikel, soms per thema, met elkaar gesproken over degevolgen van het nieuwe wetboek. Geen van de organisaties in destrafrechtketen verwacht (substantiële) werklasteffecten van debevoegdheid tot het geven van een bevel medebrenging.(49) De leden van de CDA-fractie lezen dat na inventarisatie van debestaande raadkamerprocedure inmiddels iets meer dan de helft van alleprocedures openbaar is en iets minder dan de helft niet. De regering geeftaan in het nieuwe artikel 1.2.16 de hoofdregel om te draaien naar«openbaar, tenzij», en benadrukt dat met deze wijziging geen uitbreidingvan het aantal openbare raadkamers wordt beoogd. Deze leden vragenaan de regering of los van het beoogde uitgangspunt desalnietteminwordt verwacht dat met dit nieuwe artikel meer openbare raadkamerzit-tingen plaats zullen vinden, of dat het in zijn totaliteit geen invloed heeftop de aantallen openbare en niet-openbare raadkamerzittingen.49. In de huidige praktijk is iets meer dan de helft van de bestaanderaadkamerprocedures openbaar. Met de omkering van de hoofdregelzodat een raadkamerprocedure in beginsel openbaar is, tenzij de wetanders bepaalt, wordt beter aangesloten bij de vereisten van artikel 6EVRM. Dit is nader toegelicht in de memorie van toelichting, in dealgemene inleiding op Boek 1, Hoofdstuk 2, Titel 2.3. Het nieuweuitgangspunt leidt niet tot meer openbare raadkamerzittingen dan in hethuidige recht, omdat voor diverse procedures in het vooronderzoek eenniet-openbare behandeling gewenst en geregeld blijft.2.4 De rechter-commissaris (RC) (50) De rapporteurs vragen of de regering nader kan toelichten op welkewijze zal kunnen worden gegarandeerd dat de kabinetten van de RC degrote hoeveelheid extra taken die het nieuwe wetboek meebrengt op eenverantwoorde wijze zullen kunnen uitvoeren, gelet op het feit datmomenteel de personeelstekorten bij met name de kabinetten van de RCzeer groot zijn.50. Tijdens de totstandkoming van het nieuwe wetboek is nauw samenge-werkt met de strafrechtketenorganisaties. De conceptwetgeving is door dejaren heen informeel afgestemd met vertegenwoordigers van alleTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1155 betrokken strafrechtketenorganisaties, waaronder de Raad voor derechtspraak (Rvdr), en dat heeft hen telkens in staat gesteld om tussentijdste adviseren over onder meer de mogelijke uitvoeringsconsequenties. DeRvdr heeft daarnaast diverse formele consultatieadviezen uitgebracht enin december 2019 integraal advies uitgebracht over de Boeken 1 tot enmet 6 (Aanvullend ongevraagd advies inzake de ambtelijke eindversie vanhet Wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering, 18 december 2019).In zijn adviezen geeft de Raad voor de rechtspraak aan welke gevolgenverwacht kunnen worden voor de werklast en de organisatie van derechtspraak. Daarbij is niet alleen rekening gehouden met direct uit hetnieuwe wetboek volgende verplichtingen, maar ook met de gevolgen vanminder voorzienbare factoren, zoals de wijze waarop rechters enprocesdeelnemers invulling zullen geven aan de nieuwe wettelijkebepalingen.Om de «beweging naar voren» – het onderdeel van het wetsvoorstel datde grootste invloed heeft op de kabinetten rechter-commissaris – te latenslagen, zal een flinke versterking van (de kabinetten van) de rechters-commissarissen nodig zijn. Dit heeft ook gevolgen voor de benodigdehuisvesting. Tegelijkertijd hangt de omvang van het volume van debenodigde versterking sterk af van de mate waarin de praktijk gebruik zalgaan maken van de mogelijkheden die het nieuwe wetboek biedt. Daarbijkan worden gedacht aan de vroegtijdige indiening van onderzoekswensendoor de procesdeelnemers. In 2023 is in een ketenbrede werkgroep eeninschatting gemaakt van de personele gevolgen van de «beweging naarvoren». In dat kader heeft de Rvdr ingeschat dat de «beweging naarvoren» per saldo zal leiden tot een toename van zowel rechters, gerechts-juristen als uit ondersteunende krachten (griffie). Een ander door de Rvdruitgelicht thema is de aanwezigheid van de verdachte bij getuigenver-horen door de rechter-commissaris. In 2024 zijn specifieke berekeningenuitgevoerd op dit onderdeel van het wetsvoorstel. De inschatting isdaarbij uitgekomen op een verzwaring van de werkbelasting. Ook hierbijgeldt dat een deel daarvan bestaat uit ondersteunende krachten. Andereaspecten van de «beweging naar voren» en andere onderdelen van hetnieuwe wetboek leveren ook werklastbesparingen voor de rechtspraak (enandere organisaties) op. De Raad voert momenteel een herijking uit op deinschattingen over de werklasteffecten uit 2019 en 2020, waarin ook dewerklastenbesparingen in kaart zullen worden gebracht.Zoals ook aangegeven in de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstelwordt in de memorie van toelichting bij de invoeringswet een volledigoverzicht gegeven van de uitvoeringsconsequenties van het nieuwewetboek, inclusies de effecten voor de rechtspraak.De inzichten over de werklasteffecten stellen de strafrechtketenorgani-saties in staat om de voorzieningen te treffen die nodig zijn voor deimplementatie van het wetboek. De bedrijfsvoering maakt daar onderdeelvan uit. De strafrechtketenorganisaties zijn zelf verantwoordelijk voor deimplementatie van het nieuwe wetboek en zullen dat de komende jarennog gestalte geven met aanpassing van (gezamenlijke) werkprocessen.Indien nodig zullen tijdig extra middelen beschikbaar worden gesteld aande organisaties die te maken zullen krijgen met extra werklast als gevolgvan de invoering van het nieuwe wetboek, zodat deze organisaties in staatworden gesteld om personeel te werven en op te leiden voorafgaand aande inwerkingtreding van het nieuwe wetboek.(51) De expliciete koppeling van het optreden van de RC aan de belangenvan «rechtsbescherming en volledigheid, de evenwichtigheid en devoortgang van het opsporingsonderzoek», in combinatie met deversterkte rol van de rechter-commissaris, kan eveneens ertoe leiden datRC’s meer verzoeken tot het doen van onderzoek zullen toewijzen, dat zijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1156 vaker ambtshalve aanvullend onderzoek zullen (laten) uitvoeren en datvaker regiebijeenkomsten gehouden zullen worden. Ook dit leidt tot eentoename van de werklast voor de politie, de politie die de gewensteonderzoeken zal (moeten) uitvoeren en (via de officier van justitie) in eenvroeger stadium processtukken zal (moeten) aanleveren. Waarom is ergeen impactanalyse gemaakt op dit onderdeel?51. De voorgestelde regeling in Boek 2 houdt in dat de rechter-commissaris, als gevolg van het doorbreken van de negentigdagenregel,gedurende een langere periode en ononderbroken bevoegd is onderzoekte doen aan de hand van het positief geformuleerde criterium, dat hetmoet gaan om onderzoek dat redelijkerwijs van belang kan zijn voor de inhet kader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen (zieartikel 2.10.5). Daarnaast is zijn bevoegdheid tot ambtshalve onderzoekenigszins uitgebreid, namelijk tot die gevallen waarin hij onderzoek nodigacht in aanvulling op onderzoek dat hij reeds op grond van een vorderingvan de officier van justitie of op verzoek van de verdachte heeft gedaan(zie artikel 2.10.4).Niet gezegd is dat de langere periode gedurende welke de rechter-commissaris bevoegd is ook leidt tot het toewijzen van meer vorderingenen verzoeken. De regeling is er niet op gericht dat méér onderzoek wordtgedaan, maar dat onderzoek waarvan het nuttig en wenselijk is dat het openig moment wordt gedaan, zonder oponthoud en zo spoedig mogelijkkan worden gedaan. Met de vastlegging van het criterium waaraanvorderingen en verzoeken tot onderzoek worden getoetst is niet eenmateriële verruiming ten opzichte van het huidige recht beoogd. Indienhet gewenste onderzoek niet relevant is te achten voor de door dezittingsrechter uiteindelijk te nemen beslissingen, kan een vordering ofverzoek worden afgewezen. Daarnaast ligt het in de rede, zoals istoegelicht bij artikel 2.10.5, dat de rechter-commissaris onderzoekswensenblijft beoordelen met een rationele benadering en binnen reële mogelijk-heden. Indien bijvoorbeeld het verzoek het verhoor betreft van tiengetuigen die alle aanwezig waren bij een vechtpartij, kan een deel van hetverzoek, het verhoor van enkele van die getuigen, worden toegewezen,terwijl op het overige deel van het verzoek (de overige getuigen) wordtbeslist op basis van de resultaten van het verhoor van de aanvankelijktoegewezen getuigen.Daarnaast is er geen aanleiding te veronderstellen dat de voorgestelderegeling zal leiden tot een toename van de werklast van de politie.Onderzoek door de rechter-commissaris bestaat vooral in het verhorenvan getuigen en het benoemen van deskundigen. Bij gelegenheid van deconsultatie over Boek 2 in 2017 is door de ketenpartners, waaronder depolitie, de inschatting gemaakt dat van de hier genoemde voorschriftengeen werklasteffecten werden verwacht. Tot het maken van een impact-analyse hierover werd toen geen aanleiding gezien. Dit neemt niet wegdat in samenspraak met de organisaties uit de strafrechtketen de nieuweketenwerkprocessen en uitvoergingsconsequenties van de «bewegingnaar voren» zo goed mogelijk nader in kaart worden gebracht (zie ookparagraaf 10 in het algemeen deel van de memorie van toelichting).Daarbij worden ook de door de rapporteurs genoemde factoren opnieuwin ogenschouw genomen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de nieuwe procedure in artikel 1.2.31 voor de rechter-commissaris.Deze leden juichen toe dat niet alleen door de verdachte, maar ook doorhet slachtoffer een bezwaarschrift kan worden ingediend, volgensartikelen 1.5.15 en 2.6.27. Dat is echter wel pas op het einde.De hoofdregel in het nieuwe wetboek is dat rechtsmiddelen alleenopenstaan in gevallen bij de wet bepaald (zie artikel 5.1.1). Daarnaast is bijTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1157 de opzet van dit wetboek tot uitgangspunt gekozen dat de rechtsmiddelenzo veel mogelijk per hoofdstuk op één plaats worden geregeld, doorgaansin een titel aan het slot van een hoofdstuk. In Boek 1, Hoofdstuk 5, zijn derechtsmiddelen die passen in het kader van dat hoofdstuk over hetslachtoffer bijeengebracht en in Boek 2, Hoofdstuk 6, zijn in Titel 6.8rechtsmiddelen opgenomen voor de officier van justitie en het slachtofferin geval van bevoegdheidsuitoefening met betrekking tot het lichaam.(52) De leden van de D66-fractie van lezen dat, in het kader van deuitoefening van de taken van de rechter-commissaris, het begrip«toezicht» («toezicht op de rechtmatige toepassing van opsporings-bevoegdheden, de voortgang van het onderzoek en de evenwichtigheiden volledigheid van het onderzoek») problematisch werd geacht endaarom is geschrapt. De regering schrijft dat in een groot deel van destrafzaken de rechter-commissaris niet of nauwelijks wordt betrokken endat het idee van toezicht houden op het opsporingsonderzoek zich daarmoeilijk mee laat verenigen. Deze leden merken op dat een vorm vantoezicht op het opsporingsonderzoek in beginsel als iets positiefs moetworden gezien. Zij vragen of is overwogen om het «meekijken» van derechter-commissaris bij het opsporingsonderzoek breder te latenplaatsvinden dan alleen maar in gevallen waarbij de rechter-commissariswordt betrokken. Kan de regering hierop reflecteren? Zou het volgens deregering (los van capaciteitsproblemen) wenselijk zijn om bij allebijzondere opsporingsbevoegdheden een vorm van rechterlijke tussen-komst te hebben?52. De officier van justitie is verantwoordelijk voor de opsporing envervolging van strafbare feiten. Het opsporingsonderzoek vindt onder zijngezag plaats. De rechter-commissaris wordt op diverse momenten bij dezaak betrokken. Dit kan zijn tijdens het opsporingsonderzoek, naverwijzing door de zittingsrechter en in de fase van de tenuitvoerlegging.Tijdens het opsporingsonderzoek staat de bemoeienis van de rechter-commissaris in het teken van de rechtmatigheid, de evenwichtigheid, devolledigheid en de voortgang van het opsporingsonderzoek. Om dezebelangen te waarborgen, moet de rechter-commissaris op verschillendemanieren met het opsporingsonderzoek «meekijken». Zo moet derechter-commissaris voorafgaand aan de uitoefening van sommige– ingrijpende – opsporingsbevoegdheden worden geraadpleegd, doordatin de wet is bepaald dat de officier van justitie het bevel tot het uitoefenenvan die bevoegdheid pas kan geven na een voorafgaande machtiging vande rechter-commissaris. Te denken valt aan de bevoegdheid tot hetopnemen van telecommunicatie of vertrouwelijke communicatie of dedoorzoeking van een woning. De rechter-commissaris kan dan controlerenof de uitoefening van de bevoegdheid dringend noodzakelijk is. De redenvoor deze inzet van de rechter-commissaris ligt in de rechtsbescherming.Wegens de ingrijpendheid van de inbreuk op vrijheden van burgers wordtvoorafgaande toetsing door of uitoefening van de bevoegdheid door eenrechterlijke autoriteit aangewezen geacht.De rechter-commissaris kan ook zelf onderzoek doen tijdens het opspo-ringsonderzoek. Dat is geregeld in Boek 2, Hoofdstuk 10. Hij kan specifiekeonderzoekshandelingen verrichten op vordering van de officier van justitieen op verzoek van de verdachte die door hem is verhoord (artikelen 2.10.1en 2.10.2). Het onderzoek door de rechter-commissaris vindt plaats in hetbelang van de volledigheid, evenwichtigheid en voortgang van hetopsporingsonderzoek. Deze belangen kunnen meebrengen dat actief (ensoms spoedig) handelen ter aanvulling van de onderzoeksresultatennuttig en gerechtvaardigd is. Bij het verrichten van zijn onderzoek kan derechter-commissaris bijvoorbeeld leemtes of onduidelijkheden in hetverzamelde bewijs ontdekken waarvan hij aanvulling of verificatienoodzakelijk acht, terwijl daarbij soms ook nog spoedig handelen isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1158 gewenst. In bepaalde gevallen heeft hij daarom ook een bevoegdheid omdoor hem noodzakelijk geacht onderzoek ambtshalve te verrichten(artikel 2.10.3). Die bevoegdheid bestaat als de verdachte in voorlopigehechtenis is gesteld naar aanleiding van het strafbare feit waarvan hijwordt verdacht en ter aanvulling op het onderzoek dat de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie of op verzoek van deverdachte heeft verricht. Steeds geldt dat de rechter-commissaris zijnonderzoek verricht zoveel mogelijk na overleg met de officier van justitie.De regeling van het onderzoek door de rechter-commissaris in Boek 2 laatzien dat (ambtshalve) onderzoek door de rechter-commissaris alleenmogelijk is als de rechter-commissaris (eerder) – door de officier vanjustitie of de verdachte – in het opsporingsonderzoek is betrokken. Dat isniet zonder reden. In de loop der tijd heeft zich een ontwikkelingvoorgedaan waarin het gerechtelijk vooronderzoek (waarin het vooron-derzoek bijna geheel in handen lag van de rechter-commissaris) isverschoven naar een opsporingsonderzoek dat onder leiding staat van deofficier van justitie. Die ontwikkeling leidde in 2013 tot de afschaffing vanhet gerechtelijk vooronderzoek. De rechter-commissaris behield nog weleen positie in het vooronderzoek – die positie werd met de Wetversterking positie rechter-commissaris zelfs versterkt – maar zijnoptreden vond in de nieuwe systematiek plaats in het kader van het doorde officier van justitie geleide opsporingsonderzoek. Uit de parlementairegeschiedenis van de Wet versterking positie rechter-commissaris blijkt datdestijds is onderzocht of aan de rechter-commissaris een vaste betrok-kenheid in het opsporingsonderzoek zou moeten worden toegekend, metals ijkpunt de voorgeleiding van de verdachte. Deze mogelijkheid werdverworpen. Eén van de redenen daarvoor was dat er verwarring zouontstaan over de taken van de officier van justitie en de rechter-commissaris, en over de vraag wie de verantwoordelijkheid draagt voorhet opsporingsonderzoek (Kamerstukken II 2009/10, 32 177, nr. 3, p. 9). Derechter-commissaris zou met een zekere distantie moeten kijken naar hetopsporingsonderzoek en de tactisch-operationele beslissingen die daarinworden genomen (Kamerstukken II 2009/10, 32 177, nr. 3, p. 11). Doorgeen verantwoordelijkheid te dragen voor het zaaksdossier en op enigeafstand te blijven staan van het opsporingsapparaat, blijft de onafhanke-lijkheid van de rechter-commissaris gewaarborgd (vgl. M.S. Groenhuijsenen G. Knigge (red.), Afronding en verantwoording. Eindrapport onder-zoeksproject Strafvordering 2001, Deventer: Kluwer 2004, p. 103).De positionering van de rechter-commissaris zoals door de wetgevervastgesteld bij de Wet versterking positie rechter-commissaris wordt inhet nieuwe wetboek behouden. Artikel 2.10.3 laat dat goed zien. Debepaling fungeert enerzijds als een waarborg voor een volledig enevenwichtig onderzoek, terwijl tegelijkertijd is verzekerd dat de rechter-commissaris niet ongebreideld onderzoek verricht, maar complementairoptreedt aan de officier van justitie. Tegen deze achtergrond luidt hetantwoord op de eerste deelvraag van vraag 52 dus dat is vastgehoudenaan de in de loop der jaren gegroeide en wettelijk verankerde praktijk datde rechter-commissaris in bepaalde gevallen wordt betrokken bij hetopsporingsonderzoek, maar dat de officier van justitie daarover de leidingbehoudt. De daarvoor destijds gegeven redenen gelden nog steeds.Wel wordt de rechter-commissaris in het nieuwe wetboek vaker bij hetopsporingsonderzoek betrokken dan nu het geval is. Bij de bevoegdhedentot infiltratie en de zwaardere variant van stelselmatige informatie-inwinning is, anders dan nu, bepaald dat het bevel tot het uitoefenen vande desbetreffende bevoegdheid pas kan worden gegeven na een daartoedoor de rechter-commissaris verleende machtiging. Daaraan ligt tengrondslag dat het gaat om de meest ingrijpende undercoveroperaties. Erwordt op ingrijpende wijze inbreuk gemaakt op de persoonlijke levens-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1159 sfeer van de betrokkenen (niet alleen de verdachte, maar ook hemomringende personen), er is sprake van een grote mate van misleiding enbovendien kunnen de grondrechten van de betrokkenen onder drukkunnen komen te staan. Bij infiltratie speelt daarnaast dat de integriteit enbeheersbaarheid van de opsporing in het geding kunnen raken. Dezeaspecten hebben ertoe geleid een aan de uitoefening van de bevoegd-heden voorafgaande rechterlijke machtiging te introduceren. In antwoordop de tweede deelvraag onder vraag 52 wordt opgemerkt dat het nietwenselijk zou zijn om bij alle bijzondere opsporingsbevoegdheden eenvorm van rechterlijke tussenkomst te introduceren. Daarmee zou afbreukworden gedaan aan de positie van de officier van justitie als leider van hetopsporingsonderzoek. Feitelijk zou dan immers in strafzaken waarinbijzondere opsporingsbevoegdheden (veelvuldig) worden ingezet, derechter-commissaris een belangrijke en daarmee sturende rol krijgen.Hiervoor kwam al aan de orde dat dat niet zou passen bij de taak van derechter-commissaris om de rechtsbescherming, de evenwichtigheid, devolledigheid en de voortgang van het opsporingsonderzoek tewaarborgen. Bovendien zijn lang niet alle bijzondere opsporingsbevoegd-heden zo ingrijpend dat een voorafgaande rechterlijke machtigingnoodzakelijk is vanuit een oogpunt van rechtsbescherming voor debetrokkene of vanwege het risico dat de bevoegdheid meebrengt voor deintegriteit en beheersbaarheid van de opsporing.Van belang is verder dat wanneer de zaak ter berechting wordt aange-bracht, de zittingsrechter de uitoefening van opsporingsbevoegdhedenkan beoordelen. De officier van justitie moet de inzet van de opsporings-bevoegdheden, veelal in geval de verdediging hierover verweer heeftgevoerd, integraal verantwoorden aan de zittingsrechter. De mogelijketoets van de zittingsrechter werpt bovendien zijn schaduw vooruit enheeft wat betreft toekomstige zaken preventieve effecten. De officier vanjustitie heeft er vanwege het mogelijke gevolg van processuele sanctiesbij onrechtmatige opsporing alle belang bij dat de bevoegdhedenrechtmatig worden toegepast. Het gevolg hiervan is dat de officier vanjustitie zich tijdens het opsporingsonderzoek instelt op het mogelijkeoordeel van de zittingsrechter, en dit bij het nemen van beslissingen overde opsporing als leidraad neemt. In rechtsbescherming voor de betrok-kene(n) wordt dus ook voorzien door (anticipatie op) de toets door dezittingsrechter. Daarbij is de toets door de zittingsrechter meeromvattend.De toets van de rechter-commissaris betreft een toets vooraf. De wijzewaarop de officier van justitie vervolgens uitvoering geeft aan eenopsporingsbevoegdheid valt buiten de reikwijdte van de toets. Dezittingsrechter toetst achteraf en is daarmee wel in staat de wijze vanuitvoering in zijn beoordeling van de rechtmatigheid te betrekken. Hierbijkomt dat de zittingsrechter, anders dan de rechter-commissaris, beslist optegenspraak. Op de zitting heeft de verdediging de mogelijkheid omverweren te voeren over de toepassing van opsporingsbevoegdheden.Die mogelijkheid ontbreekt tijdens het opsporingsonderzoek omdat veelbevoegdheden ten aanzien waarvan een voorafgaande machtiging van derechter-commissaris is voorgeschreven, heimelijk (moeten) wordenuitgeoefend. De rechter-commissaris kan uit de aard der zaak niet, zoalsde zittingsrechter kan, beide kanten van het verhaal horen.Tegen deze achtergrond moet de betrokkenheid van de rechter bij hetopsporingsonderzoek in de daarvoor aangewezen situaties inderdaad alsiets positiefs worden gezien. Hierbij is niet alleen een rol weggelegd voorde rechter-commissaris maar ook een rol voor de zittingsrechter.Opmerking verdient daarbij dat naar aanleiding van de zogenoemdeProkuratuur-jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie(HvJ 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152), in artikel 2.1.7 eenvangnetbepaling is opgenomen, die het mogelijk maakt voor de officierTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1160 van justitie om voorafgaand aan het geven van een bevel om eenbepaalde opsporingsbevoegdheid uit te oefenen, een machtiging daartoete vorderen van de rechter-commissaris, zonder dat de wet dit op zichzelfvereist. Deze machtigingsmogelijkheid biedt een oplossing voor specifiekegevallen waarin op grond van (met name) rechtspraak van het Hof vanJustitie aanvullende rechterlijke waarborgen zijn – of lijken te zijn – vereistbij de uitoefening van bepaalde bevoegdheden, terwijl de wet op datmoment nog niet voorziet in die waarborgen. Maar ook in andere gevallenwaarin de officier van justitie dat nodig acht, staat het hem op grond vandeze bepaling vrij om een machtiging te vragen. Uit de rechtspraak van deHoge Raad volgde al dat de officier van justitie ook buiten de expliciet inde wet geregelde gevallen een bevel kan geven na een daartoe verleendemachtiging van de rechter-commissaris (ECLI:NL:HR:2022:475). Datgebeurt in de praktijk ook al (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:HR:2022:900,rechtsoverwegingen 3.6.3 en 3.6.4). Nu wordt daaraan een explicietewettelijke basis verleend. Ook hier geldt: de keuze om de rechter-commissaris in te schakelen, wordt gemaakt door de officier van justitie.Dat past bij de notie dat de officier van justitie de leiding heeft over hetopsporingsonderzoek, en dat de rechter-commissaris wordt ingeschakeldwaar dat nodig is om de rechtsbescherming, de evenwichtigheid, devolledigheid en de voortgang van het opsporingsonderzoek tewaarborgen.(53) De leden van de CDA-fractie lezen dat in artikel 1.2.28 is neergelegddat de officier van justitie ervoor zorg moet dragen dat de rechter-commissaris tijdig alle relevante stukken ontvangt. Deze leden vragen ofer een nadere definitie gegeven kan worden van «tijdig», en zo ja, welktermijn hiermee precies wordt bedoeld.53. Het voorschrift dat de officier van justitie ervoor zorgdraagt dat derechter-commissaris tijdig alle relevante stukken en inlichtingen ontvangtis ongewijzigd overgenomen uit het huidige wetboek (artikel 177a). Hetbetreft een algemene bepaling die tot uitdrukking brengt dat de officiervan justitie de rechter-commissaris vlot en eigener beweging de stukkenverschaft die de rechter-commissaris nodig heeft voor de uitoefening vanzijn bevoegdheden. Wat de rechter-commissaris voor zijn beslissing nodigheeft, verschilt per situatie. Wanneer de verdachte of het slachtoffer derechter-commissaris benadert met een verzoek of een bezwaarschrift, ishet zaak dat de officier van justitie de relevante stukken overlegt opdat derechter-commissaris hierop kan beslissen. Dit behoeft niet het gehelestrafdossier te zijn, hoewel het de rechter-commissaris vrijstaat omaanvullende informatie te verzoeken als hij die nodig heeft voor zijnbeslissing. Bij een vordering van de officier van justitie tot het verlenenvan een machtiging voor het inzetten van een opsporingsbevoegdheid ofeen vordering bewaring ligt verstrekking van het gehele strafdossier, voorzover op dat moment is gevormd, meer voor de hand voor het verkrijgenvan een afgewogen beslissing.Wat «tijdig» is in dit verband hangt mede af van de omvang encomplexiteit van de voor de gevraagde beslissing benodigde informatie.Van de vlotheid waarmee de officier van justitie de benodigde informatieverstrekt hangt af hoe snel de rechter-commissaris zal kunnen beslissen.Tijdigheid is daarmee ook in het eigen belang van de officier van justitie.Een voorschrift dat deze plicht tot informatieverschaffing aanvult isneergelegd in artikel 2.10.6. Indien de officier van justitie een vordering tothet verrichten van onderzoek indient of door de rechter-commissaris in degelegenheid wordt gesteld zijn standpunt kenbaar te maken over eenverzoek tot het verrichten van onderzoek van de kant van de verdachte,verstrekt hij zo spoedig mogelijk een kopie van de processtukken aan derechter-commissaris. In dat geval krijgt de rechter-commissaris dus deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1161 beschikking over alle processtukken die op dat moment deel uitmaken vanhet dossier.3. Vervolging en opsporing van strafbare feiten (54) De leden van de SP-fractie constateren dat de NOvA kritisch is op deinvulling van het vervolgingsbegrip en de formele koppeling van derechtsbescherming aan het eerste politieverhoor, omdat dit een breekpuntis met het huidige discours zonder dat hier behoefte aan lijkt te zijn. Hetidee om het eerste politieverhoor als beginpunt van de rechtsbe-scherming aan te merken is een miskenning van het feit dat er situatieszijn waarin de criminal charge niet met het verhoor van de verdachtebegint, maar eerder. Is de regering het eens met deze constatering van deNOvA? Wat is de rationalisatie achter deze koppeling van de rechtsbe-scherming aan het politieverhoor?54. Aan het wetboek van 1926 lag het uitgangspunt ten grondslag dat devervolging begint op het moment waarop de rechter door een vorderingvan de officier van justitie in de zaak wordt betrokken. De rechtsbe-scherming van de verdachte was daaraan gekoppeld. Deze koppelingtussen vervolging en rechtsbescherming is als gevolg van verschillende(in de memorie van toelichting beschreven) ontwikkelingen niet meer vandeze tijd. Er is een leemte ontstaan in de rechtsbescherming, die deelsdoor jurisprudentierecht is opgevuld; dit maakt het huidige recht er niettoegankelijker op. Daarom wordt de rechtsbescherming in het nieuwewetboek gekoppeld aan het eerste verhoor van de verdachte in hetopsporingsonderzoek. Ook in het geldende recht fungeert het eersteverhoor – als gevolg van eerdere wijzigingen van het huidige wetboek – alals aanknopingspunt voor het bieden van rechtsbescherming aan deverdachte, bijvoorbeeld als het gaat om het informeren van de verdachteover diens rechten (waaronder het recht op rechtsbijstand).In de memorie van toelichting wordt ingegaan op de verhouding tussenhet nieuwe vervolgingsbegrip en het begrip «criminal charge» in artikel 6EVRM. Daar wordt benadrukt dat deze begrippen uit elkaar moetenworden gehouden, omdat zij elk een verschillende functie vervullen. Hetvoorgestelde vervolgingsbegrip is een wettelijk begrip, dat eenbouwsteen vormt van de nationale wettelijke regeling. Het begrip«criminal charge» heeft zoals volgt uit de rechtspraak van het EHRM eeneigen, autonome betekenis, die losstaat van de betekenis die in denationale wetgeving aan het begrip vervolging wordt gegeven. Het EHRMverlangt dan ook niet dat het nationale vervolgingsbegrip overeenstemtmet het vervolgingsbegrip dat in Straatsburg wordt gehanteerd. Datlaatste begrip vormt een toetsingsmaatstaf bij de vraag of de toepassingvan de wetgeving in een concreet geval overeenstemt met de eisen dieartikel 6 EVRM daaraan stelt. Het begin van de vervolging wordt in dejurisprudentie van het EHRM gelegd bij het moment waarop sprake is vaneen handeling van de overheid waaraan de verdachte in redelijkheid deconclusie heeft kunnen verbinden dat hij wordt beschuldigd van eenstrafbaar feit. Met zijn nadruk op de subjectieve beleving van de verdachteis deze materiële omschrijving in de systematiek van het wetboek geenbruikbaar aanknopingspunt voor een wettelijke regeling. Om deze reden isde suggestie van de NOvA om voor het bepalen van het moment vanaanvang van de vervolging in het wetboek uit te gaan van het «criminalcharge»-begrip niet overgenomen. Het voorgestelde wettelijke vervol-gingsbegrip komt dus weliswaar niet met dit autonome begrip overeen,maar de gekozen systematiek sluit wel beter dan het huidige stelsel aanbij artikel 6 EVRM. Voor de bescherming van de rechtspositie wordtimmers aangesloten bij het eerste verhoor van de verdachte; dat momentis in het overgrote deel van de gevallen ook het begin van de «criminalcharge».Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1162 Gelet op de hierboven weergegeven argumentatie wordt dezerzijds nietde mening van de NOvA onderschreven dat hiermee zou worden miskenddat er situaties zijn waarin de «criminal charge» eerder begint dan hetmoment waarop de verdachte wordt verhoord. Dat die situaties zichkunnen voordoen wordt niet bestreden. Daarmee is echter nog nietgezegd dat het op dat eerdere moment al zinvol en noodzakelijk is ombepaalde verdedigingsrechten te kunnen uitoefenen. Dat de verdachteniet verplicht is tot antwoorden (artikel 1.4.3, tweede lid) zal bijvoorbeeldpas relevant zijn op het moment dat hij daadwerkelijk wordt verhoord;daarom moet hij voorafgaand aan zijn eerste verhoor op dat recht wordengewezen (artikel 1.4.4, tweede lid). Voor de strafvorderlijke autoriteiten– in het bijzonder opsporingsambtenaren en de officier van justitie – is vanbelang dat er in de praktijk een duidelijk aanwijsbaar aangrijppunt is voorde toekenning van verdedigingsrechten. De voorkeur gaat daarom uitnaar de specifiek aangewezen en vast te fixeren proceshandeling van heteerste verhoor in de hoedanigheid van verdachte (zie ook J.B.H.M.Simmelink en Y.G.M. Baaijens-van Geloven, «Vervolging en rechtsbe-scherming», in: M.S. Groenhuijsen en G. Knigge (red.), Het vooronderzoekin strafzaken. Tweede interim-rapport Strafvordering 2001, Deventer 2001,p. 444–449). Bij dit alles moet worden bedacht dat het autonomeStraatsburgse vervolgingsbegrip onverminderd van belang blijft bij devraag of de verdachte – eventueel ook in de periode voorafgaand aan heteerste verhoor – de rechtsbescherming heeft genoten waar hij op grondvan 6 EVRM aanspraak op kan maken. Zoals nog eens wordt onderstreeptdoor het nieuwe artikel 1.1.2 heeft de verdachte immers ook in het nieuwewetboek vanzelfsprekend recht op een eerlijk proces. De vormgeving ende toepassing van de nationale wettelijke regeling – inclusief het nationalewettelijke vervolgingsbegrip – kunnen daar op geen enkele wijze afbreukaan doen. Ook door het strategisch uitstellen van het eerste verhoor methet doel om de uitoefening van wettelijke verdedigingsrechten vooralsnogte beletten kunnen de waarborgen van artikel 6 EVRM en artikel 1.1.2 nietworden omzeild.(55) De leden van de SP-fractie lezen dat de Raad voor de rechtspraak(Rvdr) kritisch is over de voorgenomen invoering van een landelijkeopsporings- en vervolgingsbevoegdheid voor alle officieren van justitievanwege het gebrek aan onderbouwing, de onduidelijkheid voor depraktijk en de constatering dat hier geen behoefte aan lijkt te zijn in depraktijk. Waarom heeft de regering gekozen voor deze opname van delandelijke opsporings- en vervolgingsbevoegdheid? Kan de regeringreflecteren op de kritiek van de Rvdr?55. De eerste vraag betreft de redenen voor de invoering van eenlandelijke opsporings- en vervolgingsbevoegdheid voor alle officieren vanjustitie. De landelijke opsporingsbevoegdheid, neergelegd in artikel 1.3.12,moet worden onderscheiden van de landelijke vervolgingsbevoegdheid.Deze laatste bevoegdheid (meer precies geformuleerd: de bevoegdheidtot het doen van vorderingen en het indienen van procesinleidingen) volgtuit artikel 1.3.6. De landelijke opsporingsbevoegdheid en de landelijkevervolgingsbevoegdheid hangen met elkaar samen, maar de kritiek vande Rvdr heeft alleen betrekking op de in artikel 1.3.6 neergelegdelandelijke vervolgingsbevoegdheid. Het antwoord op deze vraag isdaarom toegespitst op deze bevoegdheid.In het kader van de voorbereidingen voor het nieuwe wetboek heeft hetopenbaar ministerie de wens te kennen gegeven dat aan de officieren vanjustitie bij de arrondissementsparketten een landelijke vervolgingsbe-voegdheid wordt toegekend, zodat het Wetboek van Strafvordering dezeofficieren van justitie de mogelijkheid biedt om bij alle rechtbanken in hetland strafbare feiten ter berechting aan te brengen. Aan die wens van hetopenbaar ministerie wordt tegemoetgekomen. In het nieuwe Wetboek vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1163 Strafvordering wordt aan de officier van justitie een landelijke vervol-gingsbevoegdheid toegekend (Boek 1, Hoofdstuk 3, Titel 3.3). Er zijnverschillende redenen te geven voor deze keuze.Allereerst past de keuze voor een landelijke bevoegdheid in een ontwik-keling van het openbaar Ministerie van een lokaal geleide organisatie,naar een – als gevolg van diverse maatschappelijke ontwikkelingen –landelijk geleide organisatie. Aan het eind van de vorige eeuw hebben eral grote veranderingen plaatsgevonden in de organisatiestructuur van hetopenbaar ministerie. Aan de top van het openbaar ministerie kwam hetCollege van procureurs-generaal te staan en er werden drie landelijkeparketten ingesteld, die een plaats kregen naast de arrondissementspar-ketten: het landelijk parket, het functioneel parket en het parket centraleverwerking openbaar ministerie (het parket CVOM). De afzonderlijkeressortsparketten werden opgeheven en vervangen door één landelijkopererend ressortsparket dat alle gerechtshoven bedient. Ook werd in deWet op de rechterlijke organisatie (de al langer bestaande) figuurneergelegd van het plaatsvervangerschap van rechtswege voor officierenvan justitie bij de arrondissementsparketten (artikel 136, vijfde lid, van deWet op de rechterlijke organisatie). Dit plaatsvervangerschap vanrechtswege maakt het al enkele decennia mogelijk dat officieren vanjustitie zaken aanbrengen bij een rechtbank die buiten hun eigenarrondissement valt. Met de instelling van de landelijke parketten en hetbestaan van het plaatsvervangerschap van rechtswege is de weg naarlandelijke bevoegdheid al ingeslagen. Het ligt voor de hand om op dieingeslagen weg nu door te gaan. Daarbij is ook van belang dat artikel 9van het huidige Wetboek van Strafvordering regelt dat de officier vanjustitie bij het arrondissementsparket is belast met de vervolging vanstrafbare feiten waarvan de rechtbank in het desbetreffende arrondis-sement kennisneemt, terwijl de regeling van het plaatsvervangerschapvan rechtswege in de Wet op de rechterlijke organisatie juist mogelijkmaakt dat arrondissementsofficier van justitie strafbare feiten aanbrengtbij andere rechtbanken dan die in het arrondissement waarbij hij isaangesteld. Dat lijkt niet goed met elkaar in overeenstemming. Weliswaarheeft de Hoge Raad duidelijk gemaakt dat artikel 9 niet in de weg staat aande figuur van het plaatsvervangerschap van rechtswege (vgl. HR 9 oktober2001, NJ 2001, 657), maar systematisch ligt het in de rede om in hetWetboek van Strafvordering, waarin de strafvorderlijke bevoegdhedenvan de officier van justitie zijn geregeld, tot uitdrukking te brengen dat alleofficieren van justitie landelijk bevoegd zijn. Een al langer bestaandeconstructie met hetzelfde doel wordt daarmee juridisch beter ingebed.De introductie van een landelijke bevoegdheid biedt ook een aantalpraktische voordelen ten opzichte van de bestaande figuur van hetplaatsvervangerschap van rechtswege. Zoals gezegd bestaat op ditmoment voor de arrondissementsofficier van justitie al de mogelijkheidom zaken aan te brengen bij een ander arrondissement dan het arrondis-sement waarbij hij is aangesteld. Daar zitten wel enkele haken en ogenaan. Als de officier van justitie optreedt als plaatsvervangend officier vanjustitie in een ander arrondissement, moet hij gebruik maken van deondersteuning van het parket in dat arrondissement. Dat is niet altijdpraktisch. Als de officier van justitie daarentegen gebruik maakt van eenlandelijke bevoegdheid zoals voorgesteld, kan hij – in elk arrondissementwaar hij optreedt – gebruikmaken van de ondersteuning van het parketwaarbij hij is aangesteld. Een ander voordeel van de figuur van delandelijke bevoegdheid van de officier van justitie, is dat zij een wettelijkebasis biedt voor het flexibel inzetten van ondersteunend personeel op deplaats waar dat op dat moment het meest nodig is. Omdat de arrondisse-mentsofficier van justitie landelijk bevoegd wordt, kunnen de parketmede-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1164 werkers die bij zijn parket werkzaam zijn bepaalde werkzaamheden inmandaat ook landelijk uitvoeren.Voor wat betreft de vraag te reflecteren op de kritiek die de Rvdr in zijnconsultatieadvies heeft geuit (consultatieadvies Rvdr Boeken 1 en 2, p. 9e.v.) kan het volgende worden opgemerkt. De Rvdr heeft de vrees geuitdat de landelijke bevoegdheid van de officier van justitie zal leiden totforumshopping. Zoals in het antwoord op vraag 41 is uiteengezet, is dievrees ongegrond. Een ander kritiekpunt van de Rvdr is dat de voorge-stelde regeling voor verdachten en slachtoffers tot onduidelijkheid leidtover de vraag welke zaak waar wordt aangebracht. In reactie daarop kan,om redenen die hierboven zijn vermeld, worden opgemerkt dat door deintroductie van de landelijke bevoegdheid de facto de mogelijkheden voorde officier van justitie om zaken elders aan te brengen niet veel groterwordt dan nu al het geval is (zie hierover nader ook het antwoord opvraag 69). Een groot effect op de zaakstromen ligt niet in de verwachting.Evenmin hoeft een en ander te leiden tot nadelige consequenties voor deburger, in het bijzonder niet waar het gaat om de (feitelijke) toeganke-lijkheid van de rechtspraak. De verdachte en het slachtoffer worden inkennis gesteld van de indiening van een procesinleiding bij een bepaalderechtbank. Als de officier van justitie eenmaal een bepaalde rechtbank inde zaak heeft betrokken, is hij (uitzonderingen daargelaten) verplicht omhet vervolg van de procedure bij diezelfde rechtbank te voeren(artikel 1.3.9). Ook kan niet meer van parket worden gewisseld als deofficier van justitie een rechter in de zaak heeft betrokken (artikel 1.3.8). Erbestaat vanaf dat moment dus geen risico dat de verdachte van het enenaar het andere arrondissement wordt gestuurd. Dit geldt ook voor hetslachtoffer dat door of namens de officier van justitie op de hoogte wordtgesteld van relevante informatie over de strafprocedure (artikel 1.5.4).Tegenover het eventuele nadeel van een langere reistijd naar eenrechtbank buiten het «eigen» arrondissement staat bovendien dat hetaanbrengen van de zaak bij een andere rechtbank voor de verdachte enhet slachtoffer als voordeel kan hebben dat de zaak sneller kan wordenbehandeld en afgedaan.De Rvdr heeft in dit verband aangevoerd dat de voorgestelde regeling vande landelijke bevoegdheid indruist tegen de bedoeling van de Wetherziening gerechtelijke kaart. Die bedoeling is, zo blijkt uit de memorievan toelichting bij het voorstel dat heeft geleid tot deze wet, bij te dragenaan de verbetering van de kwaliteit van de rechtspraak op drie hoofdon-derdelen: de kwaliteit en toegankelijkheid van het primaire proces (derechtspraak), de kwaliteit van bestuur en de kwaliteit van de bedrijfs-voering (Kamerstukken II 2010/11, 32 891, nr. 3, p. 1). Het voorgesteldesysteem met een landelijke bevoegdheid doet volgens de Rvdr geen rechtaan de tijdens de behandeling van die wet geuite (politieke) wens dat degewone, niet specialistische strafzaak tegen de gewone verdachte zo dichtmogelijk bij zijn woonadres wordt behandeld. Dit uitgangspunt zalevenwel ook met de invoering van een landelijke bevoegdheid blijvengelden en komt in de wet ook tot uitdrukking. Artikel 1.3.6 bepaalt dat deofficier van justitie zich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden in hetbijzonder richt op de strafbare feiten die worden berecht door derechtbank in zijn arrondissement. Van het willekeurig aanbrengen vanstrafzaken zal dan ook geen sprake zijn, zeker niet als in aanmerking wordtgenomen dat er enkele aanvullende instructienormen in de wet zijnopgenomen die maken dat de officier van justitie niet zomaar kanwisselen van parket en/of van rechtbank (zie de hiervoor besprokenartikelen 1.3.8 en 1.3.9).Voor zover de vrees van de Rvdr voor verlegging van de zaakstromen enverstoring van het bestaande evenwicht tussen de omvang van derechtbank en het aantal te berechten strafzaken zou worden bewaarheidTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1165 doordat officieren van justitie van andere arrondissementen rechtstreekszaken aanbrengen, wordt opgemerkt dat nadere afspraken kunnenworden gemaakt tussen het College van procureurs-generaal en de Raadvoor de rechtspraak of op lokaal niveau over de wijze waarop invullingwordt gegeven aan de uitoefening van de landelijke bevoegdheid van deofficier van justitie bij een arrondissementsparket. Dat gebeurt op ditmoment ook al. De arrondissementsparketten en de landelijke parkettenspreken periodiek met de rechtbanken af hoeveel zaken, van welke soort,zij zullen aanbrengen, zodat de beschikbare zittingscapaciteit optimaal kanworden ingericht.De Rvdr heeft verder opmerkingen gemaakt over de beslissing totniet-ontvankelijkheid als reactie op misbruik van de landelijkebevoegdheid. Daarop wordt nader ingegaan in het antwoord op vraag 56.(56) De leden van de SP-fractie constateren dat het OM eenniet-ontvankelijkverklaring als reactie op een afwijking van de instructie-normen beschouwt als «volkomen disproportioneel». Is de regering heteens met deze constatering? Zo nee, waarom vindt de regering dit nietdisproportioneel?56. In de in consultatie gegeven en nadien aan de Afdeling advisering vande Raad van State voor advies voorgelegde regeling ging het voorstel totinvoering van de landelijke vervolgingsbevoegdheid voor de officier vanjustitie vergezeld van diverse «instructienormen» om de mogelijkenegatieve consequenties van een landelijke bevoegdheid (zoals het risicovan forumshopping) te beteugelen. Deze instructienormen, met name dedaarin opgenomen norm dat de officier van justitie zich onthoudt vanoptreden buiten zijn eigen arrondissement of overdracht van een zaak aaneen officier van justitie in een ander arrondissement, tenzij dit redelij-kerwijs noodzakelijk is, stuitten op bezwaren. De Rvdr was daarnaast vanoordeel dat misbruik van de landelijke bevoegdheid moeilijk bewijsbaarzou zijn en dat de beslissing tot niet-ontvankelijkheid niet als voldoendestok achter de deur zou kunnen gelden om misbruik te voorkomen(consultatieadvies Rvdr Boeken 1 en 2, p. 10). Het OM vond blijkens zijnconsultatieadvies de reactie van niet-ontvankelijkheid op het schendenvan de hiervoor genoemde normen «volkomen disproportioneel»(consultatieadvies OM Boek 1, p. 18).Ook de Afdeling advisering van de Raad van State was kritisch. Zij wees eronder meer op dat onduidelijk was hoe de rechter zou moeten beoordelenof het gebruik van de landelijke vervolgingsbevoegdheid redelijkerwijsnoodzakelijk is, als de ratio van dat gebruik vooral is gelegen in organisa-torische belangen van het openbaar ministerie. En de einduitspraak vanniet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie leek de Afdeling niet demeest aangewezen reactie. De Afdeling adviseerde de beperking van delandelijke bevoegdheid van de officier van justitie door dwingendeinstructienormen uit het voorstel te schrappen. Dit advies, dat mede isgelezen in het licht van de kritische consultatiereactie van de Rvdr en hetOM, is opgevolgd. In het wetsvoorstel zoals dat bij de Tweede Kamer isingediend, zijn de instructienormen die inhielden dat de handelwijze vande officier van justitie «redelijkerwijs noodzakelijk» diende te zijn,achterwege gelaten. Aan de landelijke bevoegdheid van de officier vanjustitie worden nu minder beperkingen gesteld. In artikel 1.3.6 is bepaalddat de officier van justitie bij een arrondissementsparket zich bij deuitoefening van zijn bevoegdheden «in het bijzonder» richt op de strafbarefeiten die door de rechtbank in het arrondissement worden berecht.Daarmee wordt de officier van justitie richting gegeven bij de uitoefeningvan zijn bevoegdheden, maar hij hoeft zich niet tot die richting tebeperken. De arrondissementsofficier van justitie blijft zich primairbezighouden met de opsporing en vervolging van de lokale criminaliteit,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1166 maar kan desgewenst zaken opsporen en vervolgen in een anderarrondissement. Daarnaast zijn enkele bepalingen behouden dieuitdrukking geven aan het beginsel van «eenheid van instantie», hetuitgangspunt dat in beginsel alle rechterlijke bemoeienis met de zaak bijeen en dezelfde rechtbank moet zijn geconcentreerd. Dat beginsel ligt ookten grondslag aan het huidige Wetboek van Strafvordering. Op grond vandeze bepalingen vindt – als uitgangspunt – geen verandering vanbehandelend parket meer plaats in gevallen waarin een rechter in de zaakis betrokken (artikel 1.3.8). Het behoud van deze norm is van belang,omdat zij helderheid biedt voor de verdachte, het slachtoffer en de rechterbij welk parket men tijdens het opsporingsonderzoek terecht kan inverband met bijvoorbeeld onderzoekswensen, processtukken of verzoekenin verband met de voorlopige hechtenis. Belangrijk is ook de norm dat alsde officier van justitie eenmaal voor een bepaalde rechtbank heeftgekozen, hij zich behoudens uitzonderingen voor de verdere behandelingvan de zaak wendt tot dezelfde rechtbank (artikel 1.3.9).Niet-ontvankelijkheid vormt de meest aangewezen reactie op deschending van de regels met betrekking tot de landelijke bevoegdheidsuit-oefening. Dat is van oudsher het geval als het gaat om het corrigeren vande vervolgingsbeslissing. Het vervolgingsmonopolie brengt mee dat deofficier van justitie veel beoordelingsruimte heeft bij de beantwoordingvan de vraag of, en waar, de zaak bij de rechter wordt aangebracht en terzake van welk strafbaar feit. Die beslissing wordt beheerst door debeginselen van een goede procesorde. Deze beginselen vormen deleidraad aan de hand waarvan de rechter in voorkomend geval, weliswaarmarginaal, toetst of de officier van justitie in het gegeven geval – gelet opalle betrokken belangen – in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot hetindienen van een procesinleiding, inclusief de keuze voor de relatiefbevoegde rechtbank. Komt de rechter tot het oordeel dat de officier vanjustitie die beslissing in redelijkheid niet had kunnen nemen, dan spreekthij de niet-ontvankelijkheid uit. Dat gebeurt zeer zelden. Een dergelijkeuitspraak is denkbaar in het weinig voor de hand liggende geval dat derechter van oordeel zou zijn dat officier van justitie de zaak met inacht-neming van de wettelijke bepalingen heeft aangebracht bij een bevoegderechtbank, maar hij van zijn vrijheid misbruik heeft gemaakt. Dat zou aande orde kunnen zijn als de officier van justitie kiest voor een gelet op dekenmerken en omstandigheden van de strafzaak geheel niet voor de handliggende rechtbank. Het gaat hier dan om een reactie op de invulling diede officier van justitie heeft gegeven aan zijn vrijheid om te vervolgenwaar hij dat wil. Ook als de zaak in strijd met de regeling van de landelijkebevoegdheid aan de rechtbank is voorgelegd, bijvoorbeeld omdat – al danniet per abuis – artikel 1.3.8 of artikel 1.3.9 niet in acht is genomen, isniet-ontvankelijkverklaring een logische reactie. Eenniet-ontvankelijkverklaring is dan niet te zien als een «sanctie», maarvormt een uitdrukking van het oordeel dat de officier van justitie de regelsmet betrekking tot zijn landelijke bevoegdheidsuitoefening niet heeftnageleefd, waarna de officier van justitie de zaak opnieuw bij een andererelatief bevoegde rechtbank kan aanbrengen. Van een disproportionelereactie is dan ook geen sprake. Dat geldt temeer nu het aantal normen tenopzichte van de consultatieversie – de versie waarop het OM zijn kritiekgaf – op een dusdanige wijze is teruggebracht dat de keuze voor deofficier van justitie om een vordering te doen of een procesinleiding in tedienen waar hij dat wil, groot blijft. Er zal dus ook in de toekomst niet vaakaanleiding zijn voor de rechter om niet-ontvankelijkheid uit te spreken.De Afdeling heeft als alternatief gesuggereerd dat in gevallen waarin isgehandeld in strijd met de instructienormen, verwijzing plaatsvindt naareen andere rechtbank. Die suggestie is niet overgenomen. Verwijzing doorde rechter naar een andere rechtbank ligt minder voor de hand vanwegeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1167 het hiervoor besproken vervolgingsmonopolie van het openbaarministerie. Indien deze situatie zich zou voordoen is het aan het openbaarministerie om te beslissen of, en zo ja, voor welke bevoegde rechtbankwaar men alsnog wil vervolgen na een eerdereniet-ontvankelijkverklaring.3.1 Het College van procureurs-generaal (57) De rapporteurs vragen de regering of kan worden toegelicht of metde vervanging van het woord «richtige» door het woord «behoorlijke» inartikel 1.3.1 mede een inhoudelijke wijziging van de bepaling optreedt en,zo ja, waaruit die wijziging bestaat.57. In artikel 1.3.1, eerste lid, is bepaald dat het College van procureurs-generaal waakt voor de «behoorlijke» vervolging en opsporing vanstrafbare feiten. Het gaat er daarbij, zo blijkt uit de toelichting, onder meerom te voorkomen dat strafbare feiten niet worden opgespoord envervolgd zonder dat daarvoor een goede reden is. In het verlengdedaarvan ligt dat ook de opportuniteit van de vervolging en de opsporingtot de behoorlijkheid ervan moet worden gerekend en dat onder hetwaken voor een behoorlijke vervolging en opsporing ook de zorg voor eenevenwichtige benutting van de beschikbare capaciteit valt. In het huidigewetboek is in de artikelen 8 en 140 neergelegd dat het College waakt vooreen «richtige» vervolging en opsporing van strafbare feiten. Uit dememorie van toelichting bij artikel 1.3.1, eerste lid, blijkt dat niet is beoogdom met de veranderde woordkeus een inhoudelijke wijziging te bewerk-stelligen. Het gaat slechts om een modernisering van terminologie.Daarbij wordt erop gewezen dat ten aanzien van de term «richtige» eerderook al tot uitdrukking is gebracht dat daaronder valt het «vaststellen vande beleidsmatige kaders voor de uitvoeringspraktijk» (Kamerstukken II1996/97, 25 392, nr. 3, p. 56). Met het vaststellen van die kaders wordtervoor gezorgd dat de beschikbare capaciteit evenwichtig wordt benut.Dat is een taak die aan het College van procureurs-generaal is en blijftvoorbehouden.(58) De leden van de VVD-fractie vragen waarom gekozen is voor desanctie van niet-ontvankelijkheid van het OM op schending van instructie-normen ter zake de landelijke bevoegdheid. Is die sanctie passend, zekergelet op het compromis dat lijkt te zijn bereikt met de voorgestelderegeling van de landelijke bevoegdheid?58. Het antwoord op deze vraag is gegeven in het antwoord op vraag 56.3.2 Vervolging (59) De leden van de VVD-fractie onderschrijven de strekking van hetopportuniteitsbeginsel zoals dat in het nieuwe wetboek is neergelegd inartikel 1.3.4. Het is goed dat expliciet wettelijk wordt vastgelegd dat vanhet instellen van vervolging kan worden afgezien op gronden aan hetalgemeen belang ontleend. Wel vragen deze leden naar een toelichting ophet woord «mede» in artikel 1.3.4. Welke andere wettelijke mogelijkhedenzijn er voor het OM om af te zien van vervolging anders dan wegensopportuniteitsredenen?59. Artikel 1.3.4 bevat het opportuniteitsbeginsel. Op grond van ditbeginsel is de officier van justitie niet verplicht om te vervolgen. In deeerste plaats zal hij van vervolging afzien als hij een vervolging in debetreffende zaak niet haalbaar acht, bijvoorbeeld omdat er onvoldoendebewijs is of omdat de strafbaarheid ontbreekt. Dit wordt een technischsepot genoemd. In de tweede plaats kan de officier van justitie ookseponeren op grond van opportuniteitsoverwegingen (het zogehetenbeleidssepot), dus op gronden aan het algemeen belang ontleend. Hetwoord «mede» is in het artikel opgenomen om tot uitdrukking te brengenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1168 dat het beleidssepot naast het sepot op grond van haalbaarheidsoverwe-gingen staat.(60) De leden van de VVD-fractie begrijpen dat de officier van justitieverantwoording aflegt aan het College van procureurs-generaal wanneerwordt afgezien van het instellen van vervolging vanwege eenevenwichtige benutting van de beschikbare capaciteit. Desondanks achtendeze leden het van belang dat het voor de samenleving en zeker in hetbelang van eventuele slachtoffers belangrijk is om zo gedetailleerdmogelijk te motiveren wanneer wordt afgezien van het instellen vanvervolging. Hoe kan worden bevorderd dat de motivering van dezebeslissingen inzichtelijker en zichtbaarder worden gemaakt? Is hetbijvoorbeeld mogelijk dat de gehele motivering van de beslissing opverzoek van het slachtoffer naar hem wordt toegestuurd?60. Artikel 1.5.4 geeft het slachtoffer het recht om op zijn verzoekvoldoende informatie te ontvangen over de aanvang en voortgang van dezaak die betrekking heeft op het tegen dat slachtoffer begane strafbarefeit. Dit omvat het recht om informatie te ontvangen over het nietvervolgen van een strafbaar feit (tweede lid) alsook – indien het slacht-offer daarom verzoekt – informatie die hem in staat stelt te beslissen of hijzich over het achterwege blijven van vervolging bij het gerechtshof zalbeklagen (derde lid). Op grond van het derde lid moet de kennisgevingvan de informatie naast de beslissing ten minste de gehele motivering ofeen samenvatting van de motivering van de betrokken beslissingbevatten. In veel gevallen zal, zeker als het complexe zaken betreft, nietvolstaan kunnen worden met het geven van een samenvatting. Detoelichting moet zodanig zijn dat het slachtoffer de beslissing kanbegrijpen en kan beoordelen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof.Een heldere motivering en uitleg daarbij aan het slachtoffer kan – datwordt benadrukt – een bijdrage leveren aan begrip voor en acceptatie vande genomen beslissing om een strafbaar feit niet te vervolgen, endaarmee voorkomen dat het slachtoffer zich over die beslissing zalbeklagen bij het gerechtshof. Het moeten starten van een dergelijkeprocedure kan door het slachtoffer als een nieuwe teleurstelling wordenervaren. Daarom is naar aanleiding van onderzoeken naar het functio-neren van de beklagprocedure, waaronder een WODC-onderzoek over depraktijk van de beklagprocedure (zie L. van Lent, M. Boone en K. van denBos, Klachten tegen niet-vervolging (artikel 12 Sv-procedure), doorloop-tijden, instroom, verwachtingen van klagers en het belang van proce-durele rechtvaardigheid, Den Haag: Boom Juridisch 2019) het openbaarministerie een landelijk verbeterprogramma gestart. In onder andereernstige gewelds- en zedenzaken wordt maatwerk betracht. Gezien hetgrote aantal strafzaken waarin één of meer slachtoffers worden geregis-treerd, wordt in de meeste gevallen noodzakelijkerwijs gewerkt metstandaardbrieven. Inmiddels zijn de slachtofferbrieven herzien enaangepast, hetgeen moet zorgen voor juiste, eenvoudige en zaakgerichteinformatie. Dit heeft in de huidige praktijk geleid tot een betere motiveringvan sepotbeslissingen. Het onderwerp heeft ook de komende jaren deaandacht van het openbaar ministerie.(61) (In het verlengde van het voorgaande vragen deze leden of deregering nader kan ingaan op artikel 1.5.4. Dat artikel is van cruciaalbelang voor de beslissing voor slachtoffers om een eventuele artikel 12procedure te starten. Wat zijn «complexe» zaken en wat is «dusdanigkort?» in artikel 1.5.4?61. Zie het antwoord op vraag 60 over de inhoud van artikel 1.5.4 en hetbelang van de motivering van de beslissing om af te zien van vervolging.Voor het slachtoffer is het van belang kennis te kunnen nemen van demotivering van een beslissing om af te zien van een opsporingson-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1169 derzoek, om een opsporingsonderzoek te beëindigen of een strafbaar feitniet te vervolgen zodat hij kan beoordelen of hij een klacht bij hetgerechtshof zal indienen op basis van artikel 3.5.1. In veel gevallen, zekerals het complexe zaken betreft, zal niet volstaan kunnen worden met hetgeven van een samenvatting. Ook een samenvatting van de motiveringmag niet dusdanig kort zijn dat het slachtoffer de beslissing niet kanbegrijpen of niet kan beoordelen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof.Het is niet mogelijk om in algemene zin te bepalen wat «complexe zaken»zijn en wat bedoeld wordt met «dusdanig kort». Het gaat erom dat hetslachtoffer voldoende informatie krijgt over de beslissing (inclusief demotivering ervan), opdat hij de beslissing kan begrijpen en kan afwegenof hij beklag zal doen bij het gerechtshof. De omvang van de bedoeldesamenvatting hangt samen met de kenmerken van de concrete zaak.Hierbij is onder meer van belang wat de aard is van het strafbaar feit,welke opsporingshandelingen zijn verricht, welke bewijsvoering nodig isen of het opportuun is een feit te vervolgen. Als de officier van justitie eenzaak seponeert, dan moet het slachtoffer kennis kunnen nemen van dereden van het sepot. Daarbij kan sprake zijn van een technisch sepot(gebrek aan bewijs) of een beleidssepot (geen opportuniteit). Eenvoorbeeld: doorgaans zal de aan het slachtoffer te verstrekken informatiebij het niet vervolgen van een fietsendiefstal beknopter kunnen zijn dan ingeval het een (gekwalificeerde) mishandeling betreft. Het openbaarministerie zal in een concrete zaak moeten nagaan of een samenvattingpassend en toereikend is. In het antwoord op vraag 60 is ingegaan op demaatregelen die worden genomen om de motivering van sepotbeslis-singen in de praktijk te verbeteren.(62) De leden van de D66-fractie lezen dat in het nieuwe wetboek eenander vervolgingsbegrip wordt gehanteerd dan nu het geval is. Hetuitgangspunt dat aan het wetboek van 1926 ten grondslag ligt, is dat devervolging begint op het moment waarop de rechter door een vorderingvan de officier van justitie in de zaak wordt betrokken. De regering schrijftdat de rechtsbescherming van de verdachte daaraan was gekoppeld endat die systematiek niet meer van deze tijd is. Deze leden merken op dat inde praktijk de rechtsbescherming van de verdachte al langere tijd niet isgekoppeld aan het moment waarop een rechter in de zaak wordtbetrokken, maar dat rechtsbescherming al in een eerder stadium geregeldis. Er zijn bijvoorbeeld al rechten verbonden aan het moment van heteerste verhoor van een verdachte. Deze leden vragen daarom of devoorgestelde regeling moet worden gezien als codificatie van wat in depraktijk al geldt of (ook deels) als modificatie. Indien sprake is vanmodificatie, kan de regering dit dan toelichten?)62. In de memorie van toelichting is uitgelegd dat en waarom het nieuwewetboek een ander vervolgingsbegrip hanteert. Het nieuwe wetboek bevatoverigens net zomin als het bestaande een definitie van het begrip«vervolging». Wel geeft artikel 1.3.3 een beschrijving van de tweemanieren waarop vervolging kan worden ingesteld. De officier van justitiekan de zaak ter berechting aanbrengen bij de rechtbank door het indienenvan een procesinleiding en hij kan een strafbeschikking uitvaardigen. Hetbegin van de vervolging wordt daarmee duidelijk gemarkeerd. Juistomdat het vervolgingsbegrip niet langer fungeert als kapstok voor derechtsbescherming in het vooronderzoek (zie het antwoord op vraag 54),is het niet bezwaarlijk om het begin van de vervolging op een latermoment in de tijd te situeren.Het is juist dat de rechtsbescherming van de verdachte ook in het huidigerecht al is losgekoppeld van het wettelijke vervolgingsbegrip. Dat is in deeerste plaats het gevolg van tussentijdse wijzigingen van het huidigewetboek. In dit verband kan worden gewezen op de verplichting om deverdachte voorafgaand aan diens eerste verhoor te informeren over eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1170 aantal rechten, waaronder het recht op rechtsbijstand. Dit betekent dat deverdachte al in deze fase van het opsporingsonderzoek zijn procespositiekan bepalen. Ook wordt de verdachte op dat moment onder meergewezen op het zwijgrecht en (indien van toepassing) het recht opvertolking en vertaling (zie artikel 1.4.4, tweede lid, dat voortbouwt op hethuidige artikel 27c). Het derde lid van artikel 1.4.4 is nieuw en behelst indie zin een «modificatie» van het huidige recht. Het bepaalt dat deverdachte die wordt uitgenodigd voor verhoor voorafgaand aan zijneerste verhoor in kennis wordt gesteld van – onder meer – het recht opkennisneming van de processtukken en zijn recht om de rechter-commissaris te verzoeken onderzoek te doen. De verplichting om deverdachte op dat moment over deze rechten te informeren is geïntrodu-ceerd naar aanleiding van het advies van de Afdeling advisering van deRaad van State. Voor zowel de uitgenodigde als voor de aangehoudenverdachte is deze informatie van groot belang voor het effectief en tijdiguitoefenen van hun verdedigingsrechten. Op dit punt wordt daaromverder gegaan dan de Europese minimumnormen voorschrijven.In de tweede plaats wordt het wetboek nu in overeenstemming gebrachtmet ontwikkelingen in de rechtspraktijk en de jurisprudentie. Gewezen kanworden op de algemene wettelijke verplichting tot het meedelen van eenbeslissing tot niet-vervolging aan de verdachte die is verhoord(artikel 3.4.2). In het huidige wetboek is deze verplichting nog beperkt totgevallen waarin wordt afgezien van «verdere» vervolging (artikel 243,eerste lid). In de richtlijnen van het openbaar ministerie, waaraan deofficier van justitie op grond van het vertrouwensbeginsel is gebonden, isechter voorgeschreven dat ook van de beslissing om niet te vervolgenkennis moet worden gegeven aan de verdachte. Die beleidsregel wordt nugecodificeerd. De nieuwe wettelijke verplichting biedt meer beschermingdan de (informele) sepotmededeling naar huidig recht doet en kan eenpositief effect hebben op de rechtspositie van de verdachte door de nubestaande – niet te rechtvaardigen – verschillen weg te nemen. Dieaanvullende bescherming vloeit in het bijzonder voort uit de omstan-digheid dat de in artikel 3.4.3 omschreven rechtsgevolgen – inclusief deprocedure bij nieuwe bezwaren – voortaan gelden voor alle gevallen vankennisgeving van niet-vervolging. In zoverre is ook hier sprake van eenmodificatie. In alle gevallen geldt dat niet lichtvaardig moet kunnenworden teruggekomen van een beslissing tot niet-vervolging die aan deverdachte is medegedeeld, ongeacht of er (toevallig) al een rechter in dezaak betrokken is geweest.(63) De leden van de D66-fractie lezen onder het kopje «Gevolgen voor deverjaring» dat het volgens de regering aan de Hoge Raad is om te bepalenof de verandering van de systematiek met zich brengt dat het eersteverhoor zal worden aangemerkt als daad van vervolging die de verjaringstuit. Deze leden vragen of het wenselijk is dit aan de Hoge Raad te laten,aangezien dit ervoor kan zorgen dat er lange tijd onduidelijkheid zou zijnover het antwoord op deze vraag. Zou dit volgens de regering nietonwenselijk zijn? Wat zijn volgens de regering mogelijkheden om op kortetermijn een antwoord te hebben op deze vraag?63. Het is de vraag of de introductie van een nieuw vervolgingsbegrip inhet Wetboek van Strafvordering ook consequenties moet hebben voor deuitleg van de woorden «daad van vervolging» in artikel 72, eerste lid, vanhet Wetboek van Strafrecht. Dat laatste artikellid bepaalt dat een daad vanvervolging de verjaring van het recht tot strafvordering stuit. Vooropge-steld moet worden dat het Wetboek van Strafrecht zijn eigen begrippenkent, die kunnen afwijken van die in het Wetboek van Strafvordering. Datgeldt naar huidig recht ook voor het vervolgingsbegrip, dat in hetWetboek van Strafrecht – anders dan in het Wetboek van Strafvordering –bijvoorbeeld ook handelingen van de rechter kan omvatten. Een veran-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1171 dering van het strafvorderlijke vervolgingsbegrip heeft daarom ook geendirecte gevolgen voor de uitleg van het begrip «daad van vervolging» inhet materiële strafrecht. Om deze reden is het aan de Hoge Raad omhierover verdere jurisprudentie te ontwikkelen. Erkend kan worden dat hetonwenselijk zou zijn als er lange tijd onduidelijkheid zou bestaan over debetekenis van het vervolgingsbegrip in de verjaringsregeling. Het nieuwewetboek biedt echter in de vorm van de procedure tot het stellen vanprejudiciële vragen aan de Hoge Raad een mogelijkheid om hierover opbetrekkelijk korte termijn duidelijkheid te verkrijgen. Op grond van deregeling in Boek 6, Titel 2.3 kan de rechter een rechtsvraag stellen aan deHoge Raad ter beantwoording bij wijze van prejudiciële beslissing. Dezeregeling is als onderdeel van de Innovatiewet Strafvordering op 1 oktober2022 in werking getreden. Met toepassing van de nieuwe procedure kaneen rechtsvraag sneller door de Hoge Raad worden beantwoord dan hetgeval zou zijn indien eerst beroep in cassatie moet worden ingesteld omdie rechtsvraag aan de Hoge Raad te kunnen voorleggen. Mocht in derechtspraktijk onduidelijkheid ontstaan over de uitleg die aan een «daadvan vervolging» moet worden gegeven, dan kan de rechter via deze wegdus bewerkstelligen dat daarover spoedig meer helderheid wordtverschaft.(64) De leden van de D66-fractie lezen in de toelichting bij artikel 1.3.4,waarin het opportuniteitsbeginsel is neergelegd, dat de officier van justitiebij het nemen van de vervolgingsbeslissing gebonden is aan de begin-selen van een goede procesorde. Als de vervolgingsbeslissing niet metdie beginselen te verenigen is, levert dat grond op om de officier vanjustitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging, zo schrijft deregering. Kan de regering aangeven hoe vaak het in de praktijk voorkomtdat een rechter oordeelt dat de vervolgingsbeslissing in strijd is met debeginselen van een goede procesorde en in hoe veel van die gevallen deofficier van justitie niet-ontvankelijk wordt verklaard? Kan de regeringtevens toelichten of met dit nieuwe wetboek een wijziging van die praktijkwordt beoogd? Vindt de regering het wenselijk dat dit vaker of juistminder vaak voorkomt?64. Er vindt geen registratie plaats van de reden waarom het openbaarministerie niet-ontvankelijk is verklaard. Evenmin wordt apart bijge-houden hoe vaak de rechter oordeelt dat de vervolgingsbeslissing in strijdis met de beginselen van een goede procesorde. Om deze redenen kandeze vraag dan ook niet worden beantwoord.Bij het nemen van de vervolgingsbeslissing is de officier van justitie naarhuidig recht ook al gebonden aan de beginselen van een goedeprocesorde, waaronder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van eenredelijke en billijke belangenafweging. Als de vervolgingsbeslissing nietmet deze beginselen te verenigen is, levert dat volgens vaste jurispru-dentie – in uitzonderlijke gevallen – een grond op om de officier vanjustitie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging. In het nieuwewetboek wordt in artikel 3.1.1, eerste lid, expliciet vastgelegd dat deofficier van justitie de bedoelde beginselen in acht moet nemen bij hetnemen van een beslissing over het instellen van vervolging tegen deverdachte. Daarmee wordt de fundamentele betekenis van deze begin-selen voor de vervolgingsbeslissing onderstreept. De wettelijke veran-kering van het vertrouwensbeginsel beoogt inhoudelijk aan te sluiten bijde omlijning van dit beginsel in de rechtspraak. Voor zover het gaat omhet beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging geeft dehuidige rechtspraak blijk van terughoudendheid, in de zin dat alleen in(zeer) uitzonderlijke gevallen plaats is voor een niet-ontvankelijkverklaringvan het openbaar ministerie op de grond dat de officier van justitie niet inredelijkheid tot het instellen of voorzetten van vervolging heeft kunnenkomen. Het uitgangspunt dat het verstrekkende rechtsgevolg vanniet-ontvankelijkverklaring moet worden beperkt tot uitzonderlijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1172 gevallen, wordt nog steeds onderschreven. Wel laat de voorgesteldewettelijke regeling – binnen dat uitgangspunt – ruimte voor een eventuelebijstelling van de voorwaarden waaronder die niet-ontvankelijkverklaringin beeld komt.Vooropgesteld moet worden dat de officier van justitie bij het nemen vande vervolgingsbeslissing uiteraard altijd de beginselen van een goedeprocesorde in acht moet nemen. In de uitzonderlijke gevallen waarinniettemin achteraf door de rechter wordt geoordeeld dat de officier vanjustitie in het concrete geval in redelijkheid niet tot het instellen ofvoortzetten van vervolging kon komen, is en blijftniet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in die vervolgingeen passende reactie. Een toename of afname van het aantalniet-ontvankelijkverklaringen wordt als zodanig dan ook niet nagestreefd.Hoewel het uitgangspunt blijft dat niet-ontvankelijkverklaring totuitzonderlijke gevallen beperkt moet blijven, laat de nieuwe regeling zoalsgezegd wel ruimte voor een eventuele bijstelling van de voorwaardenwaaronder niet-ontvankelijkheid in beeld komt.(65) De leden van de D66-fractie constateren dat de Raad van Stateaangeeft dat een rechter de vervolgingsbeslissing van het OM in principealleen marginaal moet toetsen, maar zich wel afvraagt of deze toetsingniet minder terughoudend zou moeten zijn dan in de huidige praktijk hetgeval is. Hoe denkt de regering hierover?65. In de memorie van toelichting is verduidelijkt op welke wijze detoetsing van de vervolgingsbeslissing aan de hand van de beginselen vaneen goede procesorde door de rechter – in de bezwaarschriftprocedureen, na aanvang van de berechting, door de zittingsrechter – in concretegevallen dient plaats te vinden. De centrale vraag voor de rechter is of deofficier van justitie in het gegeven geval – gelet op alle betrokkenbelangen – in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot het indienen van eenprocesinleiding. De rechter dient de vervolgingsbeslissing dus marginaalte toetsen. Dit past bij de beleidsruimte die het openbaar ministerie opgrond van het opportuniteitsbeginsel toekomt en bij de strafvorderlijkerolverdeling tussen officier van justitie en rechter. In het geldende rechtkrijgt de toets door de zittingsrechter aldus gestalte dat die beoordelingalleen in uitzonderlijke gevallen ertoe kan leiden dat het openbaarministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, op de grond dat hetinstellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is met begin-selen van een goede procesorde (o.a. ECLI:NL:HR:2016:742). Hetuitgangspunt dat het verstrekkende rechtsgevolg vanniet-ontvankelijkheidverklaring moet worden beperkt tot uitzonderlijkegevallen wordt onderschreven. De wettelijke regeling laat – binnen datuitgangspunt – evenwel ruimte voor een eventuele bijstelling van devoorwaarden waaronder die niet-ontvankelijkverklaring in beeld komt.(66) De leden van de PVV-fractie lezen dat de redelijke termijn in straf-zaken aanvangt op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegensde betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid deverwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaaldstrafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld. In ditartikel(lid) is een limitatieve opsomming opgenomen van handelingen diegelden als een daad van vervolging. Een vordering tot bewaring en eenvordering aan de RC tot het verrichten van onderzoek (voorgesteldartikel 2.10.1) worden niet genoemd. Betekent het voorgaande dat devordering tot bewaring en de genoemde vordering aan de RC geen daadvan vervolging zijn? Betekent dit ook dat de redelijke termijn dan in diegevallen ook nog niet van start gaat?66. In het nieuwe artikel 1.3.3, eerste lid, is bepaald dat de officier vanjustitie vervolging kan instellen door het uitvaardigen van een strafbe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1173 schikking of het aanbrengen ter berechting door indiening van eenprocesinleiding. Op deze wijze zijn het moderne vervolgingsbegrip en hetbeginpunt van de vervolging in de wet vastgelegd. Hieruit volgt ondermeer dat niet iedere inschakeling van de rechter vervolging oplevert. Datbetekent inderdaad dat een vordering tot bewaring (artikel 2.5.42) en eenvordering dat de rechter-commissaris onderzoek verricht (artikel 2.10.1)– voorafgaand aan de indiening van de procesinleiding of de uitvaardigingvan de strafbeschikking – niet kunnen worden gezien als vervolging in dezin van het nieuwe Wetboek van Strafvordering. De redenen waarom inhet nieuwe wetboek is gekozen voor dit gewijzigde vervolgingsbegrip zijnuiteengezet in de memorie van toelichting bij Boek 1, Titel 3.2.De nieuwe algemene bepaling van artikel 1.1.2 onderstreept – in lijn metartikel 6 EVRM – dat de verdachte recht heeft op een eerlijk proces binneneen redelijke termijn. In antwoord op vraag 11 is toegelicht dat derechtspraak van het EHRM leidend is en blijft voor de invulling die aan hetrecht op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn moet wordengegeven en voor de concrete consequenties die dat heeft voor de positievan de verdachte in een individuele strafzaak. Of de redelijke termijn ineen bepaald geval is overschreden, zal in de toekomst dus nog steedsmoeten worden beoordeeld aan de hand van de EHRM-jurisprudentie,zoals deze nader door de Hoge Raad is ingevuld. De aanvang van de«criminal charge» – en dus het beginpunt van de redelijke termijn – wordtin die jurisprudentie gelegd bij het moment waarop sprake is van eenhandeling van de overheid waaraan de verdachte in redelijkheid deconclusie heeft kunnen verbinden dat hij wordt beschuldigd van eenstrafbaar feit. Het nieuwe wettelijke vervolgingsbegrip brengt daar geenverandering in. Zoals eerder opgemerkt (zie het antwoord op vraag 54) isde rechtsbescherming van de verdachte in het nieuwe wetboek immerslosgekoppeld van dat wettelijke vervolgingsbegrip.(67) De leden van de PVV-fractie lezen dat in dit onderdeel is bepaald datvervolging door het uitvaardigen van een strafbeschikking ook ingesteldwordt door personen met een publieke taak belast. Geldt dat ook voorpersonen met een publieke taak (bijvoorbeeld ambulancemedewerkers enbrandweerlieden) die niet onder de verantwoordelijkheid van het OMvallen bij de uitvoering van hun taken?67. Voor de beantwoording van deze vraag wordt verwezen naar hetantwoord op vraag 70 hierna.(68) De leden van de CDA-fractie lezen dat het nieuwe vervolgingsbegripmet zich meebrengt dat de fase van de strafprocedure waarin vanvervolging nog geen sprake is, ten opzichte van het geldende recht langerduurt. Dit is voor de regering ook een reden geweest om het verdachte-begrip aan te passen. Deze leden vragen of de aanpassing van hetvervolgingsbegrip en langere fase van de strafprocedure waarin nog geenvervolging is, ook gevolgen heeft voor de doorloop van het strafproces ansich en voor de informatiedeling tussen ketenpartners over de strafver-volging.68. Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 62 en 66 hanteerthet nieuwe wetboek een ander vervolgingsbegrip dan het huidigewetboek. In het nieuwe artikel 1.3.3, eerste lid, is bepaald dat de officiervan justitie vervolging kan instellen door het uitvaardigen van eenstrafbeschikking of het aanbrengen ter berechting door indiening van eenprocesinleiding. Op deze wijze zijn het moderne vervolgingsbegrip en hetbeginpunt van de vervolging in de wet vastgelegd. Deze nieuwebenadering heeft tot gevolg dat de vervolging in vergelijking met hethuidige wetboek op een later moment aanvangt. Waar de vorderingbewaring tegenwoordig bijvoorbeeld nog als het instellen van vervolgingwordt gezien, is daar in het nieuwe stelsel pas sprake van als eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1174 procesinleiding wordt ingediend of een strafbeschikking wordt uitge-vaardigd. Het begin van de vervolging verschuift aldus naar «achteren». Indie zin kan inderdaad worden gezegd dat de fase van de strafprocedurewaarin van vervolging nog geen sprake is – in verhouding tot devervolgingsfase – langer duurt dan volgens het geldende recht het gevalis. Omdat het vervolgingsbegrip niet langer fungeert als kapstok voor derechtsbescherming in het vooronderzoek (zie het antwoord op vraag 54),is het niet bezwaarlijk om het begin van de vervolging op een latermoment in de tijd te situeren. Deze keuze voor een nieuw vervolgings-begrip heeft inderdaad ook gevolgen voor het begrip «verdachte» (zieartikel 1.4.1). Een inhoudelijke verandering ten opzichte van het geldenderecht is daarmee echter niet beoogd.De verschuiving van het beginpunt van de vervolging ziet op het momentwaarop de fase van het vooronderzoek (opsporingsonderzoek) overgaat inde fase van de afdoening (in de vorm van berechting of een strafbe-schikking). De beslissing tot vervolging wordt door de officier van justitiegenomen op basis van het voorafgaande opsporingsonderzoek. In hetnieuwe stelsel zal er tussen de opsporingsfase en de vervolgingsfaseminder overlap zijn dan thans het geval is. Deze verschuiving staat dusgeheel los van de duur van het strafrechtelijk onderzoek als geheel. Er isdan ook geen reden om aan te nemen dat dit van invloed zou zijn op dedoorlooptijden. In het kader van de informatiedeling tussen ketenpartnersen procesdeelnemers over de strafvervolging speelt het wettelijkevervolgingsbegrip evenmin een rol. Zo wordt de kennisneming van deprocesstukken de verdediging in elk geval toegestaan vanaf het eersteverhoor (artikel 1.8.6, eerste lid). Voor het slachtoffer geldt dat hij nietalleen informatie ontvangt over het al dan niet instellen van vervolging,maar ook over het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëindigendaarvan en over het inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte(artikel 1.5.4, eerste lid). Zie verder bijvoorbeeld de artikelen 1.2.28, 1.3.16en 6.1.29.(69) De leden van de CDA-fractie lezen in het consultatieadvies van hetOM dat zij forse bezwaren uit tegen de regel inzake de landelijkebevoegdheid van de officier van justitie. Deze leden delen deels dezezorgen, in de zin van de toegankelijkheid en laagdrempeligheid van hetcontact tussen de burger en de officier van justitie. Deze leden vragen ofde regering in kan gaan op de bereikbaarheid van de officier van justitiemiddels de voorgestelde landelijke bevoegdheid. Deze leden zijn zich erook van bewust dat op sommige terreinen, zoals op het gebied vanzedenzaken, gespecialiseerde officieren van justitie bepaalde zakenbehandelen. Op welke manier kan de regering ervoor zorgen dat deofficier van justitie bij een landelijke bevoegdheid niet te ver van deburger af komt te staan?69. De invoering van een landelijke bevoegdheid van de officier vanjustitie zal er niet toe leiden dat de bereikbaarheid van de officier vanjustitie voor de burger vermindert. De landelijke bevoegdheid betreft in deeerste plaats de mogelijkheid om de zaak aan te brengen bij alle recht-banken die bevoegd zijn om die zaak te berechten. Voor de officier vanjustitie bij het landelijk parket, het functioneel parket en het parket centraleverwerking openbaar ministerie verandert er niets in de bestaandekeuzeruimte. Voor de officier van justitie die is aangesteld bij eenarrondissementsparket wordt de ruimte om zaken elders aan te brengendan in het parket waar hij is aangesteld de facto niet groter dan nu. Dearrondissementsofficier van justitie kan op dit moment in voorkomendgeval ook al zaken aanbrengen bij een rechtbank in een ander arrondis-sement, omdat hij van rechtswege plaatsvervanger is in alle andereparketten dan het parket waarbij hij is aangesteld (artikel 136, vijfde lid,van de Wet op de rechterlijke organisatie).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1175 Door de invoering van de landelijke bevoegdheid wordt de bestaandepraktijk praktisch en juridisch beter ingebed. Een groot effect op dezaakstromen ligt niet in de verwachting. Bovendien stimuleert de wet opverschillende manieren tot het aanbrengen van de zaak bij de meest voorde hand liggende rechtbank (zie hierover nader ook het antwoord opvraag 41). Artikel 1.3.6 bepaalt dat de arrondissementsofficier van justitiezich bij de uitoefening van zijn bevoegdheden in het bijzonder richt op destrafbare feiten die worden berecht door de rechtbank in zijn arrondis-sement. Het uitgangspunt is dus dat de arrondissementsofficier vanjustitie lokale criminaliteit vervolgt. Er is dan ook geen aanleiding teveronderstellen dat de voor de hand liggende handelwijze om lokaalgepleegde strafbare feiten ook bij de lokale rechtbank ter berechting aante brengen in een aanmerkelijk aantal gevallen zal wijzigen. Aanleidingvoor de keuze voor een andere rechtbank zal vaak gelegen zijn in deomstandigheid die ook meebrengt dat de andere rechtbank bevoegd is,bijvoorbeeld dat de verdachte woont of verblijft in het desbetreffendearrondissement of er al een andere vervolging tegen hem loopt.Het is ook denkbaar dat het opsporingsonderzoek dat onder leiding van deofficier van justitie is verricht, een bovenlokaal aspect blijkt te hebbenwaardoor het wenselijk is dat de zaak bij een andere rechtbank wordtaangebracht. Het is dan weinig praktisch als de zaak moet wordenovergedragen aan het desbetreffende arrondissementsparket. Het kan ookzo zijn dat bij een arrondissementsparket sprake is van een zodanigeoverbelasting dat de eis van een voortvarende afhandeling meebrengt datde zaak wordt «uitbesteed» aan een ander parket, dat de zaak danvervolgens aanbrengt bij de (relatief bevoegde) rechtbank van hetarrondissement waartoe het overbelaste parket behoort. Met de landelijkebevoegdheid van de arrondissementsofficier van justitie is kortom,gegeven de beperkte capaciteit van het openbaar ministerie, het organisa-torische belang van een flexibele inzet van personeel en middelengemoeid. Dat zal naar verwachting in een beperkt aantal gevallen alsgevolg kunnen hebben dat de burger, bijvoorbeeld het slachtoffer, moetafreizen naar een ander arrondissement. Dat kan als een nadeel wordenbeschouwd, maar daar staat als voordeel tegenover dat de zaak snellerkan worden behandeld en afgedaan. Daarbij waarborgen de voorschriftendie uitdrukking geven aan het beginsel van «eenheid van instantie» datvoor de burger duidelijk is bij welk parket hij moet zijn. Doorgaans is datdus het «lokale» parket. Behoudens uitzonderingen vindt geen veran-dering van behandelend parket meer plaats in gevallen waarin een rechterin de zaak is betrokken (artikel 1.3.8). En als de officier van justitie eenmaalvoor een bepaalde rechtbank heeft gekozen, wendt hij zich voor deverdere behandeling van de zaak tot dezelfde rechtbank (artikel 1.3.9).Een en ander zal er niet toe leiden dat de officier van justitie te ver van deburger komt af te staan. Van belang is allereerst dat elk arrondissements-parket gespecialiseerde officieren van justitie heeft als het gaat om (ondermeer) jeugdzaken, zedenzaken, cybercrime-zaken en fraudezaken. Het ligtniet voor de hand dat dergelijke zaken bij een rechtbank in een ander danhet «gebruikelijke» arrondissement worden aangebracht, omdat debenodigde expertise steeds aanwezig is. Iets anders ligt het in gevallenwaarin een hoge mate van specialisatie aan de orde is. Te denken valt aande (enige) landelijke luchtvaartofficier van justitie, die is aangesteld bij hetarrondissementsparket Noord-Holland. Diens landelijke bevoegdheid zalhet mogelijk maken zaken overal in Nederland op te sporen en tevervolgen. Daarbij moet worden bedacht dat de officier van justitie in zo’ngeval doorgaans de zaak zal nareizen en niet andersom. Dat betekent datals een luchtvaart-gerelateerd strafbaar feit in Limburg is gepleegd, deluchtvaartofficier van justitie met zijn personeel de zaak in Limburg kanvervolgen. Een belang voordeel voor alle betrokkenen is dat zo’nTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1176 gespecialiseerde officier van justitie de nodige expertise in huis zalhebben om het ten laste gelegde juridisch goed te waarderen en daaroverhelder en duidelijk te communiceren.3.3 Landelijke bevoegdheidsuitoefening door de officier van justitie (70) De rapporteurs hebben over de landelijke bevoegdheidsoefeningdoor de officier van justitie een aantal vragen. Kan worden gepreciseerdwelke functionarissen met een publieke taak zijn of kunnen wordenbegrepen onder de aanduiding «vertegenwoordigers van organisaties enpersonen met een publieke taak belast» in artikel 1.3.3 lid 2 sub b? Inhoeverre vallen daaronder eventueel ook medewerkers met een publieketaak die (zoals brandweerlieden of ambulancemedewerkers) hun takenformeel niet onder leiding van een officier van justitie uitvoeren? En hoewordt ten aanzien van hun eventuele strafvorderlijke optreden (het nemenvan vervolgingsbeslissingen) vanuit het Openbaar Ministerie (OM) hettoezicht georganiseerd?70. Om te beginnen moet worden benadrukt dat artikel 1.3.3, tweede lid,onderdeel b, alleen de mogelijkheid geeft om aan anderen dan de officiervan justitie de bevoegdheid te verlenen om vervolging in te stellen doorhet uitvaardigen van een strafbeschikking. Het aanbrengen ter berechtingdoor indiening van een procesinleiding blijft op grond van het vervol-gingsmonopolie in alle gevallen de exclusieve bevoegdheid van deofficier van justitie. Dat de hier bedoelde categorie functionarissen eenstrafbeschikking kan uitvaardigen volgt onder het huidige wetboek al uitartikel 257ba en wordt daarin nader uitgewerkt. In het nieuwe wetboek isde inhoud van dat artikel ongewijzigd overgenomen in artikel 3.3.3. Uit dehuidige en de nieuwe bepaling volgt dat de bevoegdheid van dezepersonen om een zogenoemde «bestuurlijke strafbeschikking» uit tevaardigen aan strikte voorwaarden is gebonden. De bevoegdheid wordtbij algemene maatregel van bestuur verleend aan daartoe aan te wijzenlichamen of personen, met een publieke taak belast, binnen daarbijgestelde grenzen (artikel 3.3.3, eerste lid). Deze lichamen en personenmaken van de bevoegdheid gebruik onder toezicht van en volgensrichtlijnen vast te stellen door het College van procureurs-generaal(artikel 3.3.3, tweede lid). En bij algemene maatregel van bestuur wordenvoorschriften gegeven over het toezicht op de wijze waarop zij van dezebevoegdheid gebruik maken en een intrekking van de verleendebevoegdheid door het College (artikel 3.3.1, tweede lid).De hier bedoelde algemene maatregel van bestuur is op dit moment hetBesluit OM-afdoening. Hoofdstuk IV van dit besluit betreft de bestuurlijkestrafbeschikking van artikel 257ba. In artikel 4.2 worden expliciet enlimitatief de lichamen en personen opgesomd aan wie de strafbeschik-kingsbevoegdheid is toegekend. Het gaat dan bijvoorbeeld om dedirecteuren van de Regionale Uitvoeringsdiensten, de dagelijkse besturenvan de waterschappen en de algemeen directeur van de Belastingdienst/Douane. Voor het gebruik van de strafbeschikkingsbevoegdheid zijn dezelichamen en personen primair aangewezen op processen-verbaal vanbuitengewoon opsporingsambtenaren, die in dienst kunnen zijn van ofwerkzaam kunnen zijn voor de aangewezen organisatie (het bevoegdgezag). De buitengewoon opsporingsambtenaar valt in een dergelijkesituatie onder het gezag van het aangewezen lichaam dan wel deaangewezen persoon, en dus niet onder het gezag van de officier vanjustitie. Uit het voorgaande blijkt dat de strafbeschikkingsbevoegdheidniet is toegekend aan brandweerlieden en ambulancemedewerkers.De relevante richtlijn van het College van procureurs-generaal is sinds1 januari 2024 de nieuwe Richtlijn bestuurlijke strafbeschikkingsbe-voegdheid fysieke leefomgevingsfeiten (art. 257ba, tweede lid, Sv). Hethiernavolgende is ontleend aan deze richtlijn (artikel 8). Het toezicht zaldoor het College primair worden gericht op de rechtmatigheid van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1177 toepassing en de kwaliteit van processen-verbaal. Daarnaast zal ookaandacht worden besteed aan de uitvoerbaarheid en werking van deregeling in het licht van de doelstellingen ervan. Met het oog op eengoede vervulling van deze taak wordt mandaat verleend aan de hoofdof-ficier van justitie van het functioneel parket en de hoofdofficieren van dearrondissementsparketten tot het uitoefenen van het toezicht op hetgebruik van de bestuurlijke strafbeschikkingsbevoegdheid. Van debetrokken hoofdofficieren wordt verwacht dat zij ten minste eenmaal perjaar aan het College schriftelijk verslag doen van hun bevindingen. Het isaan de hoofdofficieren om zelf te bepalen hoe zij op een doelmatige wijzeeen goed beeld kunnen krijgen van de toepassing van de bestuurlijkestrafbeschikkingsbevoegdheid door of namens het bevoegd gezag. Deresultaten van het toezicht kunnen, om te beginnen, leiden tot adviezentot verbetering van de uitvoeringspraktijk bij zowel het bevoegd gezag alshet openbaar ministerie en het CJIB. Daarnaast kunnen zij aanleidinggeven tot een advies aan de Minister van Justitie en Veiligheid totaanpassing van de regelgeving. In het uiterste geval zal een hoofdofficiergebruik kunnen maken van de bevoegdheid tot het tijdelijk intrekken vande bevoegdheid van een bevoegd gezag, overeenkomstig artikel 4.5 vanhet Besluit OM-afdoening.(71) Hoe verhoudt invoering van een landelijke bevoegdheid van deofficier van justitie zich tot de bevoegdheden van het Europees OpenbaarMinisterie?71. De introductie van een landelijke bevoegdheid in het nieuwe Wetboekvan Strafvordering heeft vooral betrekking op de officieren van justitie bijde arrondissementsparketten. Er bestond immers al een landelijkebevoegdheid voor de officieren van justitie bij het functioneel parket,landelijk parket en het parket centrale verwerking openbaar ministerie. Deintroductie van een landelijke bevoegdheid voor de arrondissementsof-ficier van justitie heeft geen gevolgen voor de bevoegdheid van hetEuropees Openbaar Ministerie in Nederland, omdat de Nederlandsegedelegeerde Europese openbaar aanklagers worden benoemd bij hetfunctioneel parket (artikel 144c van de Wet op de rechterlijke organisatie).De rechtbanken die bevoegd zijn om kennis te nemen van strafbare feitendie door het Europees Openbaar Ministerie worden vervolgd, worden alszodanig in het nieuwe wetboek benoemd en wijzigen evenmin tenopzichte van de huidige situatie (zie artikel 2, derde lid, van het huidigewetboek en artikel 1.2.9, tweede lid, onderdeel c, van het nieuwe). Kortom:de invoering van een landelijke bevoegdheid zoals opgenomen in hetnieuwe Wetboek van Strafvordering heeft geen gevolgen voor debevoegdheden van het Europees Openbaar Ministerie.(72) Kan worden verduidelijkt wat wordt bedoeld met het voorschrift inartikel 1.3.6 dat de bij een arrondissementsparket aangestelde officier vanjustitie zich bij de uitoefening van zijn landelijke bevoegdheid «in hetbijzonder richt» op de strafbare feiten die tot de bevoegdheid van zijn«eigen» rechtbank behoren? Welke mate van flexibiliteit biedt dit deofficier van justitie om in voorkomende gevallen bovenlokale zaken op tepakken?72. Volgens het huidige artikel 9, eerste lid, is de officier van justitie bij hetarrondissementsparket belast met de vervolging van strafbare feitenwaarvan de rechtbank in het arrondissement kennisneemt. De relatievebevoegdheid van de rechtbank is dus bepalend voor de relatievebevoegdheid van de officier van justitie bij een arrondissementsparket.Die officier kan alleen maar zaken behandelen die door de rechtbank vanzijn arrondissement kunnen worden berecht en hij kan die zaken ookalleen bij die rechtbank aanbrengen. Met de formulering in artikel 1.3.6, deopvolger van het huidige artikel 9, dat de officier van justitie bij eenarrondissementsparket zich «in het bijzonder richt» op de strafbare feitenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1178 die door de rechtbank in het arrondissement worden berecht, blijft deband met de «eigen» rechtbank vooropstaan, maar wordt de regelingflexibeler. De arrondissementsofficier van justitie blijft zich primairbezighouden met de vervolging van strafbare feiten die zijn gepleegdbinnen het arrondissement of feiten die zijn gepleegd door een verdachtedie woont of verblijft in zijn arrondissement, maar hij behoeft zich daartoeniet te beperken. Met de woorden «in het bijzonder» wordt duidelijkgemaakt dat de officier van justitie desgewenst zaken kan vervolgen bijeen bevoegde rechtbank in een ander arrondissement. Dat zal bijvoor-beeld gewenst zijn als blijkt dat de strafbare feiten waar het om gaat,samenhangen met strafbare feiten die in een ander arrondissement zijngepleegd. Of als het gaat om strafbare feiten die het arrondissement vande officier van justitie overstijgen. Maar ook praktische redenen kunnenten grondslag liggen aan het besluit om zaken op te sporen en tevervolgen in een ander arrondissement. Zo biedt de voorgesteldewettelijke regeling de mogelijkheid om zaken te vervolgen voor eenrechtbank in een ander arrondissement, als de capaciteit bij het «eigen»arrondissementsparket van de officier van justitie te beperkt is om diezaak snel op te pakken. Een eenmaal gemaakte keuze voor een rechtbankkan overigens niet zomaar worden herzien. Behoudens uitzonderingenvindt geen verandering van behandelend parket meer plaats in gevallenwaarin een rechter in de zaak is betrokken (artikel 1.3.8). En als de officiervan justitie eenmaal voor een bepaalde rechtbank heeft gekozen, wendthij zich voor de verdere behandeling van de zaak tot dezelfde rechtbank(artikel 1.3.9). Deze bepalingen zorgen ervoor dat voor de burger, alseenmaal een rechter in de zaak is betrokken, duidelijk is bij welk parket enbij welke rechtbank hij moet zijn. De flexibiliteit die de landelijkebevoegdheid biedt, geldt dus vooral vóórdat een rechter in de zaak wordtbetrokken.(73) Welke implicaties heeft de invoering van een landelijke bevoegdheidvan de officier van justitie voor de bevoegdheden van de assistent-officiervan justitie en van andere nieuw onderscheiden functies binnen het OM?73. De assistent-officier van justitie wordt in de Wet op de rechterlijkeorganisatie aangeduid als officier enkelvoudige zittingen. Het openbaarministerie spreekt in dit verband inmiddels over de «adjunct officier vanjustitie». Deze functie is in 2001 geïntroduceerd om het zogenoemde«loopbaangat» tussen de functie van parketsecretaris en die van officiervan justitie op te vullen, om ervoor te zorgen dat de werkzaamhedenbinnen het openbaar ministerie op het juiste niveau worden uitgevoerd enom het tekort aan officieren van justitie aan te vullen. De officier enkel-voudige zittingen zal, aldus de memorie van toelichting, met nameoptreden op de terechtzitting en andere werkzaamheden verrichten inzaken die door een alleenzittende rechter worden afgedaan, zoalspolitierechter- en kantonzaken en zaken betreffende de Wet administratief-rechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Stb. 2001, 494; Kamer-stukken II 1999/2000, 26 962, nr. 3, p. 1).Op dit moment is in artikel 136, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijkeorganisatie het plaatsvervangerschap van rechtswege voor de arrondisse-mentsofficieren van justitie opgenomen. Ook de officier van justitieenkelvoudige zittingen is ingevolge deze bepaling van rechtswegeplaatsvervanger bij de overige parketten. Verder is in het zesde lid vandeze bepaling opgenomen dat de officier enkelvoudige zittingen debevoegdheden en verplichtingen heeft die bij of krachtens de wet aan deofficier van justitie worden toegekend, met uitzondering van debevoegdheid om op te treden op de terechtzitting van een meervoudigekamer van de rechtbank (dat geldt eveneens voor de officier van justitieenkelvoudige zittingen bij de landelijke parketten, zie de artikelen 137,zesde lid, 137a, vijfde lid en 137b, zesde lid van de Wet op de rechterlijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1179 organisatie). Als gevolg van de invoering van de landelijke bevoegdheidvoor alle officieren van justitie bij de arrondissementsparketten zal hetplaatsvervangerschap van rechtswege bij de invoeringswet wordengeschrapt, terwijl het zesde lid zal worden behouden en vernummerd totvijfde lid. De adjunct-officier van justitie is met andere woorden op ditmoment plaatsvervanger van rechtswege, en zal op grond van het huidigezesde (toekomstige vijfde) lid na inwerkingtreding van het nieuweWetboek van Strafvordering ook de landelijke bevoegdheid hebben zoalsandere officieren van justitie die hebben. De enige beperking daarbij is datde adjunct-officier van justitie niet mag optreden op de terechtzitting vaneen meervoudige kamer van de rechtbank.In het algemeen geldt dat momenteel alle in de Wet op de rechterlijkeorganisatie als «officier van justitie» aangeduide functies – waaronder ookde substituut-officier van justitie en de plaatsvervangend officierenkelvoudige zittingen – op grond van artikel 136, vijfde lid, van de Wet opde rechterlijke organisatie van rechtswege plaatsvervangend officier vanjustitie zijn bij de overige parketten. Met het vervallen van vijfde lid en hetbehoud van zesde (toekomstige vijfde) lid verandert dat enigszins,aangezien daarin alleen ten aanzien van de officier enkelvoudige zittingenen de plaatsvervangend officier enkelvoudige zittingen is bepaald dat zijde bevoegdheden en verplichtingen hebben die bij of krachtens de wetaan de officier van justitie worden toegekend. Aan de (plaatsvervangend)officier enkelvoudige zittingen zal dus ook een landelijke bevoegdheidworden toegekend. De substituut-officier van justitie zal geen landelijkebevoegdheid hebben. Dat levert geen probleem op, omdat deze functie inde praktijk niet meer bestaat, terwijl de Wet op de rechterlijke organisatiedaarop nog niet is aangepast.Voor andere ambtenaren bij het openbaar ministerie dan officieren vanjustitie geldt dat zij de werkzaamheden van de officier van justitie inmandaat uitvoeren. Bij de introductie van de landelijke bevoegdheid vande officier van justitie bij de arrondissementsparketten, kunnen zij dielandelijke bevoegdheid wat betreft bepaalde werkzaamheden in mandaatuitoefenen.(74) Kan worden toegelicht in hoeverre invoering van een landelijkebevoegdheid voor de officier van justitie op termijn zal leiden totstructurele veranderingen in de organisatie van werkprocessen binnen hetOM? Welke impact hebben die eventuele structurele veranderingen op deverhouding tot en samenwerking met de gerechten en op de burger?74. De vraag naar structurele veranderingen in de organisatie vanwerkprocessen binnen het openbaar ministerie hangt mede af vantoekomstige ontwikkelingen en laat zich niet klip en klaar beantwoorden.Maar de verwachting is niet dat de introductie van landelijke bevoegdheidvoor de arrondissementsofficier van justitie gaat leiden tot structureleveranderingen in de organisatie van werkprocessen binnen het openbaarministerie. De introductie van de landelijke bevoegdheid past in een allang ingezette ontwikkeling van het openbaar Ministerie van eenverzameling lokale parketten naar een landelijke en centraal geleideorganisatie. De achtergrond van deze ontwikkeling werd, zoals in dememorie van toelichting nader uiteengezet, gevormd door maatschappe-lijke ontwikkelingen, ook in de verschijningsvormen van criminaliteit, dieom een landelijke, althans bovenlokale, aanpak voor de opsporing envervolging van strafbare feiten vroegen.De basis voor een anders, meer landelijk georganiseerd openbaarministerie waarin tot een meer flexibele en daardoor efficiëntere inzet vande beschikbare capaciteit kan worden gekomen, is feitelijk gelegd toen hetopenbaar ministerie in 1999 werd gereorganiseerd (Wet reorganisatieopenbaar ministerie en instelling landelijk parket). Naast de vorming vanhet College van procureurs-generaal werden landelijke parketten ingesteldTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1180 en werden afzonderlijke ressortsparketten opgeheven en vervangen dooréén landelijk opererend ressortsparket dat alle gerechtshoven «bedient».Daarvóór al was in de Wet op de samenstelling van de burgerlijkegerechten neergelegd dat arrondissementsofficieren van justitie vanrechtswege plaatsvervangend officier van justitie waren bij de overigearrondissementsparketten. (Wet van 4 februari 1994, Stb. 1994, 81. Vgl.Kamerstukken II 1993/94, 23 223, nr. 7, p. 14). Deze regel is met de Wetreorganisatie openbaar ministerie en instelling landelijk parket terechtge-komen in artikel 136, vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie.De regeling van het plaatsvervangerschap van rechtswege heeft alspraktisch nadeel dat de officier van justitie, als hij als plaatsvervangeroptreedt in een ander arrondissement, gebruik moet maken van deondersteuning van het parket waarbij hij als plaatsvervanger optreedt. Deparketmedewerkers die bij zijn parket van aanstelling werkzaam zijn,kunnen zijn bevoegdheden niet elders dan bij hun parket van aanstellingin mandaat uitoefenen. Dat nadeel verdwijnt met de introductie van delandelijke vervolgingsbevoegdheid van de officier van justitie. Eenlandelijke vervolgingsbevoegdheid past, zoals in het antwoord op vraag55 al is uiteengezet, bovendien systematisch beter in de wet. De factoworden met de introductie van de landelijke vervolgingsbevoegdheid demogelijkheden voor de officier van justitie om zaken elders aan tebrengen echter niet groter dan nu al het geval is. Er wordt vooral op eenpraktische en juridisch beter ingebedde manier uitkomst geboden om opmomenten waarop dit nuttig is recht te doen aan de aard van de zaak ofom in te spelen op organisatorische tekorten.Op de verhouding tot en de samenwerking met de gerechten is ingegaanin het antwoord op vraag 55 en op de vraag in hoeverre de landelijkebevoegdheid gevolgen heeft voor de burger wordt verwezen naar hetantwoord op vraag 55 en 69.(75) De leden van de VVD-fractie hebben net als andere fractiesmeermaals aandacht gevraagd voor de praktijk waarin spreekrecht-waardige zaken zonder instemming van het slachtoffer en zonder tijdigeadequate informatie door het OM zelfstandig worden afgedaan, integenspraak met bestaand beleid zoals dat is vervat in OM-aanwijzingen.Hoe kan in het nieuwe wetboek worden verzekerd dat slachtoffers zelfbepalen op welke wijze hij of zij betrokken is bij procesafspraken ofOM-afdoeningen? Graag ontvangen deze leden een reactie hierop.75. Vooropstaat dat in ieder stadium van het strafproces en bij elkemodaliteit van vervolging rekening moet worden gehouden met debelangen van het slachtoffer en dat de rechten van het slachtoffer moetenworden gewaarborgd. Dit geldt onverkort voor de fase die voorafgaat aanhet uitvaardigen van de strafbeschikking of de totstandkoming van eenprocesafspraak tussen het openbaar ministerie en de verdachte. Hetslachtoffer wordt op zijn verzoek op de hoogte gehouden van de aanvangen voortgang van de zaak (zie de artikelen 1.5.3 en 1.5.4, eerste en tweedelid). Daartoe kan het slachtoffer op een door het openbaar ministerietoegezonden wensenformulier aangeven welke informatie hij wenst teontvangen en op welke wijze hij overigens wil worden betrokken bij deafdoening van de zaak. Het slachtoffer wordt expliciet gewezen op demogelijkheid om een schriftelijke slachtofferverklaring in te dienen. Dewijze waarop de rechten en belangen van het slachtoffer nader in de wetworden gewaarborgd, is evenwel ook afhankelijk van het karakter van devervolgingsmodaliteit. Bij geen van deze modaliteiten – of het nuafdoening met een strafbeschikking is of berechting door de rechter – pasthet dat het slachtoffer geheel zelfstandig bepaalt hoe hij in dat kaderwenst te worden betrokken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1181 Het openbaar ministerie houdt bij afdoening met een strafbeschikkingzoveel mogelijk rekening met de belangen van het slachtoffer. Hetslachtoffer kan vooraf zijn wensen aan het openbaar ministerie kenbaarmaken. Te denken valt aan de wens om een schadevergoedingsmaatregelin de strafbeschikking op te leggen, zodat in voorkomende gevallen ookde voorschotregeling van toepassing is. Het slachtoffer kan stukken die hijrelevant acht voor de beoordeling van de zaak of van zijn vordering tegende verdachte – zoals een schriftelijke slachtofferverklaring of eenonderbouwing van een vordering tot schadevergoeding – indienen tervoeging bij de processtukken (zie artikel 1.5.5, eerste lid). Als hetslachtoffer heeft aangegeven informatie over de voortgang van de zaak tewillen ontvangen brengt het openbaar ministerie het slachtoffer tijdig opde hoogte van de datum van het hoor-gesprek met de verdachte, zodathet slachtoffer stukken ter onderbouwing van zijn schade tijdig kanindienen. Ook informeert het openbaar ministerie het slachtoffer over deinhoud van een strafbeschikking en of de bestrafte aan de strafbe-schikking heeft voldaan. Het openbaar ministerie wijst het slachtofferuitdrukkelijk op de mogelijkheid om op grond van artikel 3.5.1 beklag tedoen bij het gerechtshof tegen het uitvaardigen van de strafbeschikking.Het gevolg daarvan kan zijn dat de zaak alsnog ter berechting op deopenbare terechtzitting aanhangig moet worden gemaakt. Als sprake isvan een ernstig spreekrechtwaardig feit, waarbij het slachtoffer of eennabestaande te kennen heeft gegeven van het spreekrecht gebruik tewillen maken, vormt dat op grond van de Aanwijzing OM-strafbeschikking(Stcrt. 2022, 9133) een contra-indicatie voor afdoening met een strafbe-schikking. De uitvoeringspraktijk moet in lijn zijn met dit beleid.Voor wat betreft de vraag naar de betrokkenheid van het slachtoffer bijprocesafspraken kan het volgende worden opgemerkt. Op grond van hethuidige stelsel van strafvordering is het mogelijk om procesafspraken temaken, dat wil zeggen: afspraken tussen de officier van justitie en deverdediging over het verloop van de strafprocedure of de wijze vanafdoening van een strafzaak, waarvan een gezamenlijk afdoeningsvoorstelaan de rechter deel uitmaakt. De Hoge Raad heeft enkele randvoor-waarden en aandachtspunten geformuleerd die daarbij in acht moetenworden genomen, waaronder dat de officier van justitie in voorkomendegevallen rekening houdt met de belangen van het slachtoffer(ECLI:NL:HR:2022:1252). In de OM-Aanwijzing procesafspraken instrafzaken (Stcrt. 2023, 22351) is nader uitgewerkt op welke wijze debelangen van het slachtoffer onder de huidige wettelijke regeling wordenbetrokken bij de afweging om procesafspraken te maken. In de eersteaanvullingswet wordt voorzien in een specifieke wettelijke regeling vanprocesafspraken. Deze specifieke wettelijke regeling strekt er mede toe tewaarborgen dat procesafspraken ook recht doet aan de belangen van hetslachtoffer. Daartoe wordt onder meer geëxpliciteerd dat het slachtofferhet recht heeft om op zijn verzoek informatie te ontvangen over hetvoornemen van de officier van justitie om procesafspraken te makenalsook over de inhoud van tot stand gekomen procesafspraken. Ook wordtvoorgesteld in de wettelijke regeling vast te leggen dat het slachtoffer zijnstandpunt over (het voornemen tot het maken van) procesafsprakenkenbaar kan maken, zowel (schriftelijk) voorafgaand aan als (mondeling)tijdens het onderzoek op de terechtzitting. In de voorgestelde wettelijkeregeling kunnen ook procesafspraken worden gemaakt over de vorderingvan de benadeelde partij, maar alleen als de benadeelde partij daarmeeinstemt.(76) De leden van de D66-fractie lezen in de toelichting dat het een wenswas van het OM dat officieren van justitie de mogelijkheid zouden krijgenom bij alle rechtbanken in het land zaken aan te brengen. Waarom was ditTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1182 een wens van het OM? Lag hier een overtuigende onderbouwing aan tengrondslag?76. Aan de wens van het openbaar ministerie dat officieren van justitie bijde arrondissementsparketten een landelijke bevoegdheid krijgen omzaken aan te brengen ligt ten grondslag dat het openbaar ministerie deorganisatie zo wil inrichten, dat zonder overbodige bureaucratie op iedermoment de meest geschikte mensen op plekken kunnen worden ingezetwaar zij het meest nodig zijn. Het openbaar ministerie heeft daartoe inonder meer zijn consultatieadvies over Boek 1 naar voren gebracht dat desnel veranderende maatschappelijke ontwikkelingen en de daarmeeonvermijdelijk gepaard gaande wijzigingen in het criminaliteitsbeeld hetopenbaar ministerie ertoe noodzaken zich zo flexibel mogelijk te organi-seren om op deze veranderingen in te kunnen spelen (consultatieadviesOM Boek 1, p. 4–5).Aan deze wens wordt al tot op zekere hoogte tegemoetgekomen, namelijkmet de figuur van het plaatsvervangerschap van rechtswege (artikel 136,vijfde lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie). Op grond van dezefiguur zijn alle officieren van justitie bij de arrondissementsparketten vanrechtswege ook plaatsvervanger bij de andere parketten en kunnen zij ookzaken aanbrengen bij de relatief bevoegde rechtbank in de desbetreffendearrondissementen. Deze figuur kent echter enkele praktische bezwaren.Allereerst zijn parketmedewerkers, die een groot deel van de werkzaam-heden van de officier van justitie in mandaat uitvoeren, niet vanrechtswege plaatsvervanger bij de andere parketten. Dat betekent dat alsde officier van justitie zaken aanbrengt in een ander arrondissement danhet arrondissement waar hij is aangesteld, hij gebruik moet maken van deondersteuning van het parket waarbij hij als plaatsvervanger optreedt. Hijkan in deze gevallen geen gebruik maken van zijn eigen ondersteuning.Dat is niet altijd praktisch. Het voorgaande brengt eveneens mee datondersteunend personeel, zoals parketsecretarissen, niet uit naam vaneen officier van justitie die bij een ander parket is aangesteld, strafbeschik-kingen mogen uitvaardigen. Dit terwijl daaraan wel een legitiemebehoefte kan bestaan, namelijk als bij dat andere parket sprake is van eenachterstand in de verwerking van zaken. Daarmee hangt samen dat er bijhet openbaar ministerie behoefte bestaat aan een flexibele inzet vanondersteunend personeel. Die behoefte heeft in de praktijk geleid tot deoprichting van een zogenaamd «virtueel parket». Dit parket bestond uiteen poule van medewerkers van alle parketten en werkt achterstandenweg waar die maar in het land optreden. De procureur-generaal bij deHoge Raad heeft deze praktijk echter in strijd met het geldende rechtgeoordeeld. Een dergelijke flexibele inzet van personeel wordt met delandelijke bevoegdheid mogelijk. Parketmedewerkers kunnen nu bepaaldewerkzaamheden van de officier van justitie in mandaat ook landelijkuitoefenen. Het openbaar ministerie zal al met al door de introductie vande landelijke bevoegdheid meer slagkracht krijgen, en zo in staat wordengesteld zijn werkzaamheden beter te verrichten.Hiermee ligt er, gelet op het voorgaande, een overtuigende onderbouwingten grondslag aan de wens van het openbaar ministerie om – met het oogop een zo efficiënt mogelijke inzet van capaciteit en deskundigheid – overte gaan tot introductie van een landelijke bevoegdheid voor de officierenvan justitie bij de arrondissementsparketten. Daar komt bij dat er ookbelangrijke systematische argumenten bestaan ter onderbouwing van dekeuze voor de introductie van de landelijke bevoegdheid. Dezeargumenten zijn uitvoerig aan bod gekomen in het antwoord op vraag 55.(77) De leden van de D66-fractie constateren dat de RvdR de vrees heeftgeuit dat de landelijke bevoegdheid van de officier van justitie zal leidentot forumshopping. De regering geeft in reactie daarop aan dat die vreesTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1183 niet gegrond is en dat de officier van justitie alleen zaken ter berechtingkan aanbrengen bij een relatief bevoegde rechtbank. De regering schrijftdat het op zich juist is dat er dikwijls meer dan één bevoegde rechtbank is,maar dat dat nu ook al het geval is. Ook onder het huidige recht kan hetOM vaak kiezen uit verschillende bevoegde rechtbanken. Kan de regeringnader toelichten waarom het dan wenselijk is om een landelijkebevoegdheid te creëren voor de officier van justitie? Welke winst zal hiernaar verwachting mee worden behaald?77. Het antwoord op deze vraag is gegeven in het antwoord op vraag 76.(78) De leden van de D66-fractie lezen in de toelichting dat de rechter kantoetsen of de officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen beslissen tothet indienen van een procesinleiding, inclusief de keuze voor de relatiefbevoegde rechtbank. De officier van justitie kan als gevolg van deze toetsniet-ontvankelijk worden verklaard, maar dit moet in dit geval niet wordengezien als een sanctie maar als een herstelbare correctie op de vervol-gingsbeslissing, waarna de officier van justitie de zaak opnieuw bij eenandere relatief bevoegde rechtbank kan aanbrengen. Klopt het dat ditverder niets bewerkstelligt, behalve het verstrijken van extra tijd? Is hetrealistisch, gezien de al lange doorlooptijden bij rechtbanken en gerechts-hoven, dat zaken dan nog binnen een redelijke termijn kunnen wordenafgedaan?78. In het antwoord op vraag 56 is ingegaan op de reactie vanniet-ontvankelijkheid in de gevallen waarin de officier van justitie handeltin strijd met de wettelijke voorschriften bij de uitoefening van zijnlandelijke bevoegdheid of misbruik zou maken van de keuzevrijheid die dewettelijke regeling hem biedt. In de – naar verwachting zeldzame –gevallen dat de rechtbank van oordeel is dat de zaak niet bij haar hadbehoren te worden aangebracht en de niet-ontvankelijkheid uitspreekt, zalde officier van justitie de zaak bij een andere bevoegde rechtbank terberechting kunnen aanbrengen. Dit heeft enig extra tijdsverloop tengevolge, doordat opnieuw een procesinleiding moeten worden betekendaan de verdachte, en deze, evenals eventuele slachtoffers, opnieuw zalmoeten worden opgeroepen voor de terechtzitting bij een andererechtbank. Bij die andere rechtbank zal de zaak moeten wordenvoorbereid en zal tijd moeten worden ingeruimd voor de behandeling vande zaak. Of de behandeling van de zaak dan nog kan worden afgerondbinnen een redelijke termijn, is in het algemeen niet te zeggen. Dat hangtsterk af van de omstandigheden van het geval. Niet-ontvankelijkverklaringbij handelen in strijd met de wettelijke voorschriften is niettemin eenadequate reactie die strekt tot de handhaving van voorschriften die dekeuzevrijheid van het openbaar ministerie nader inkleden en die bijdragenaan voorspelbaarheid en rechtszekerheid, doordat zij bewerkstelligen datvanaf het moment waarop een zaak bij een bepaalde rechtbank inbehandeling is genomen, voor iedereen duidelijk is met welk parket enwelke rechtbank men te maken heeft. De voorschriften voorkomenbovendien dat steeds een andere rechter met dezelfde zaak zou wordenbelast.Van belang ten slotte is dat de hiervoor besproken gevolgen van eenniet-ontvankelijkverklaring in termen van tijdsverlies ook zouden bestaanals in plaats van niet-ontvankelijkverklaring, verwijzing zou plaatsvindennaar de rechtbank in het arrondissement waar de officier van justitie isaangesteld. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft dat laatsteals mogelijk alternatief gesuggereerd. Ook dan geldt echter dat naverwijzing een nieuwe oproeping moet worden betekend aan deverdachte, dat de zaak bij die rechtbank zal moeten worden voorbereid endat er tijd moet worden ingeruimd voor de behandeling van de zaak.Verwijzing door de rechter naar een andere rechtbank ligt bovendienminder voor de hand vanwege het vervolgingsmonopolie van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1184 openbaar ministerie. Het is aan het openbaar ministerie om te beslissenof, en zo ja, waar men wil vervolgen na een eerdereniet-ontvankelijkverklaring.(79) De leden van de SGP-fractie lezen dat de landelijke bevoegdheidsuit-oefening van de officier van justitie met additionele bepalingen wordtingeperkt. Deze leden constateren dat het OM zich hierover grote zorgenmaakt en vrezen tot geïnstitutionaliseerde bureaucratie. Deze leden vrezendat dat dit voorstel ertoe leidt dat de bestaande problematiek rondom deuitwisseling van mensen op verschillende parketten blijft bestaan en zelfstoe zal nemen. Zij vrezen dat de noodzakelijke flexibiliteit ernstig wordtbelemmerd. Zij vragen waarom voor deze regeling gekozen is. Zij vrezendat juist nu het Wetboek van Strafvordering gemoderniseerd wordt, dezeregeling zal leiden tot achteruitgang en de toekomstbestendigheid van hetOM belemmert. Kan de regering hierop reflecteren?79. In de vraagstelling lijkt te worden gerefereerd aan de kritiek die hetOM heeft geuit in zijn consultatieadvies. In het antwoord op vraag 56 is alaan de orde gekomen dat het stelsel met instructienormen waarmee delandelijke bevoegdheid van de officier van justitie in de consultatieversievan het wetsvoorstel was omgeven, is aangepast naar aanleiding vanonder meer de hier bedoelde kritiek van het OM en het advies van deAfdeling advisering van de Raad van State. In het wetsvoorstel zoals datbij de Tweede Kamer is ingediend, zijn de instructienormen die inhieldendat de handelwijze van de officier van justitie «redelijkerwijs noodzakelijk»diende te zijn, achterwege gelaten. Daardoor worden aan de landelijkebevoegdheid van de officier van justitie minder beperkingen gesteld danin de versie van het wetsvoorstel die het OM van zijn kritiek voorzag. Hetopenbaar ministerie wordt dus meer ruimte geboden. In het antwoord opvraag 56 wordt deze keuze uitgebreid toegelicht. Daarnaar wordt op dezeplaats kortheidshalve verwezen.3.4 Opsporing (80) De leden van de CDA-fractie lezen dat het opsporingsbegrip in depraktijk ruimer wordt geïnterpreteerd dan het begrip zoals het in hetWetboek van Strafvordering is opgenomen. Deze leden vragen aan deregering wat de reden is dat met het proces van moderniseren van hetWetboek van Strafvordering er niet voor gekozen is om het opsporings-begrip samen te laten vallen met de manier waarop het opsporingsbegripin de praktijk zijn uitwerking krijgt.80. De gedachte dat het opsporingsbegrip in de praktijk ruimer zouworden geïnterpreteerd is kennelijk ontleend aan de rapportage overBoek 1 van de samenwerkende universiteiten. In die rapportage schrijvende onderzoekers: «Het opsporingsbegrip is (alsnog) inhoudelijkongewijzigd gebleven, terwijl in de praktijk een ruimer begrip wordtaangehouden». Dat in de praktijk een ruimer begrip zou worden aange-houden wordt door de onderzoekers niet toegelicht en dezerzijds ook nietherkend. Het opsporingsbegrip in artikel 1.1.6 is evenals in het huidigewetboek waaruit het ongewijzigd is overgenomen, ruim gedefinieerd. Eeneerder gedaan voorstel tot redactionele bijstelling van het begrip is naaraanleiding van in consultatie geuite kritiek van het OM niet doorgezet. Dekeuze om het huidige ruime begrip inhoudelijk ongewijzigd over te nemenin het nieuwe wetboek is in lijn met de wens van het OM dat in zijnconsultatieadvies aangaf niet overtuigd te zijn van de noodzaak het begripaan te passen.(81) De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering in hoeverre degegevensvergaring en -verwerking van de digitale opsporing op ditmoment functioneert en welke knelpunten worden geconstateerd metbetrekking tot de mogelijkheid tot informatiedeling tussen ketenpartners.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1185 81. De digitale opsporing is een complex onderdeel van de opsporing datsterk in beweging is. De afgelopen decennia is het huidige Wetboek vanStrafvordering meermalen aangevuld met bevoegdheden voor opsporingin digitale omgevingen (o.a. de Wet computercriminaliteit III). Dedigitalisering van de samenleving en daarmee van de criminaliteit gaatonverminderd verder. Ondanks deze aanvullingen bevat het huidigewetboek lacunes. In de rechtspraktijk is daarom teruggevallen op meergenerieke bepalingen en jurisprudentieel ontwikkelde waarborgen. Demodernisering van het wetboek is aangegrepen om het geheel aanopsporingsbevoegdheden opnieuw te bezien. De Commissie moderni-sering opsporingsonderzoek in het digitale tijdperk heeft in 2018 hierovereen rapport uitgebracht ten behoeve van deze modernisering. Daarin isook de nadere normering van digitale opsporing zoals deze zich in derechtspraak heeft ontwikkeld, meegenomen. Het nieuwe wetboek kent inBoek 2 een nieuwe systematische indeling van deze bevoegdheden. Er isvoorzien in een noodzakelijk gebleken verbetering en uitbreiding van dezebevoegdheden en een codificatie van jurisprudentie. De nieuwe syste-matiek maakt het eenvoudiger om toekomstige aanpassingen, dieongetwijfeld nodig zullen blijken te zijn, goed in te passen in het wettelijkkader. Daarnaast is een aantal gewijzigde bevoegdheden al in werkinggetreden als onderdeel van de Innovatiewet Strafvordering met als doelom met deze bevoegdheden vooruitlopend op het nieuwe wetboekervaring op te doen.Door het nieuwe wetboek zal de opsporing meer duidelijkheid krijgen overde toepassingsvoorwaarden voor het uitoefenen van bevoegdheden ineen digitale omgeving. Zo wordt duidelijk wanneer en onder welkevoorwaarden onderzoek mag worden gedaan naar de inhoud vaninbeslaggenomen gegevensdragers. En wordt ook het internetonderzoekbeter gereguleerd.De digitale opsporing verkrijgt en verwerkt gegevens. De verkrijging vandie gegevens wordt gereguleerd door het Wetboek van Strafvordering. Derelevante gegevens uit digitale-gegevensdragers en geautomatiseerdewerken kunnen, als onderdeel van de processtukken, worden gedeeld metde strafrechtketen volgens de regels van het Wetboek van Strafvordering.Onder voorwaarden kunnen gegevens ook worden gebruikt voor anderestrafrechtelijke onderzoeken of worden verstrekt aan derden. Dezevoorwaarden zijn neergelegd in het Wetboek van Strafvordering en in deWet justitiële en strafvorderlijke gegevens en de Wet politiegegevens.In voorkomend geval kunnen gegevens ook worden gedeeld met partijenbuiten de strafrechtsketen. Daar moet dan wel een wettelijke grondslagvoor zijn. Zo wordt met enige regelmaat het Besluit politiegegevensaangepast om te voorzien in nieuwe en noodzakelijk grondslagen voor devertrekking van (bepaalde) politiegegevens, zoals bijvoorbeeld eengrondslag om gegevens met identificerende kenmerken van slachtoffersvan cybercrime te verstrekken aan het Nationaal Cybersecurity Centrum,dat deze nodig heeft voor de uitvoering van zijn taken. Wanneer de politieeen knelpunt ervaart in de mogelijkheden om gegevens te verstrekkenwordt dus overwogen of het noodzakelijk is een dergelijke grondslagonder de Wet politiegegevens te creëren.(82) De leden van de SGP-fractie lezen dat de verdenkingsvoorwaardenzullen worden vereenvoudigd. Deze leden menen dat het vereenvoudigenvan de verdenkingsvoorwaarden in veel gevallen zal leiden tot eenvereenvoudigd opsporingsproces, maar zij wijzen de regering erop dat ditniet mag leiden tot het wegvallen van huidige bevoegdheden van onderandere de politie. Deze leden vragen de regering of voldoende rekeninggehouden is met de bezwaren van de politie op het gebied van capaciteit,uitvoeringslast en foutgevoeligheid in de opsporing. Zij vragen deregering of zij hierop wil reflecteren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1186 82. In de consultatieversie van Boek 2 was een vereenvoudiging van deverdenkingscriteria voorgesteld. Tegen deze vereenvoudiging werden inde consultatieadviezen verschillende bezwaren naar voren gebracht,waaronder de bezwaren van de politie waarop in de vraagstelling wordtgedoeld. Naar aanleiding van de consultatie is besloten het voorstel totvereenvoudiging van de verdenkingscriteria niet door te zetten en om hethuidige stelsel van verdenkingscriteria in het nieuwe wetboek tehandhaven.4. De verdachte en zijn raadsman (83) De leden van de VVD-fractie vragen wat bedoeld wordt met dezinsnede «niet vertrouwelijk». Betekent dat, dat op basis van de voorge-stelde bepaling ook toezicht kan worden uitgeoefend op het contacttussen verdachte en raadsman? Is de regering voorts van mening dat devoorgestelde artikelen 1.4.17 en 1.4.18 voldoende tegemoetkomen aan desituaties waarin toezicht op het contact tussen verdachte en raadsmanwenselijk zou zijn?83. Met het nieuwe artikel 1.4.18, eerste lid, is geen inhoudelijke wijzigingten opzichte van het huidige artikel 46, eerste lid, beoogd. Devoorwaarden waaronder het vrije verkeer tussen de verdachte en diensraadsman kan worden beperkt, zijn onveranderd in het nieuwe wetboekopgenomen. Dit geldt eveneens voor de inhoud van die beperkingen. Tenopzichte van het huidige artikel 46, eerste lid, is de zinsnede «niet alleenzal mogen spreken en dat brieven of andere stukken, tussen raadsman enverdachte gewisseld, niet zullen worden uitgereikt» vervangen door «niet,dan wel niet vertrouwelijk, met hem zal communiceren». De woorden«niet vertrouwelijk» betreffen in dit verband een moderne, techniekonaf-hankelijke vertaling van het bestaande «niet alleen mogen spreken», datuitgaat van een fysiek gesprek tussen de verdachte en diens raadsman.Uit de nieuwe redactie volgt dat de beperking van het vrije verkeer tussenverdachte en raadsman zich ook kan uitstrekken tot andere vormen vancommunicatie. Van een inhoudelijke wijziging van de op te leggenbeperkingen is geen sprake. De voorgestelde artikelen 1.4.17 en 1.4.18bieden voldoende mogelijkheden om, indien dit in de vroegste fase vanhet opsporingsonderzoek noodzakelijk is, toezicht te kunnen houden ophet contact tussen de verdachte en diens raadsman en zo nodig dit vrijeverkeer aan beperkingen te onderwerpen.(84) De leden van de SP-fractie constateren dat de NOvA het merkwaardigacht dat de verdachte pas onderzoekswensen mag opgeven nadat dezezelf is gehoord. Dit vinden deze leden ook merkwaardig zeker met dekennis dat verdachten vaak als laatste in het onderzoek gehoord worden.Waarom is hiervoor gekozen? Hoe verhoudt deze keuze zich met een vlotverloop van het proces?84. Op grond van artikel 2.10.2, eerste lid, kan de verdachte «die isverhoord» de rechter-commissaris verzoeken onderzoek te verrichten.Artikel 1.4.4, derde en vierde lid, bepaalt dat de verdachte die is aange-houden of die wordt uitgenodigd voor verhoor, voorafgaand aan zijneerste verhoor van dat recht in kennis wordt gesteld. Na het verhoor kanhij dit recht effectueren. De verplichting om de verdachte al in deze vroegefase over dit recht te informeren is geïntroduceerd naar aanleiding van hetadvies van de Afdeling advisering van de Raad van State. Voor zowel deuitgenodigde als voor de aangehouden verdachte is deze informatie vanbelang voor het effectief en tijdig voeren van de verdediging. Op dit puntwordt daarom verder gegaan dan de Europese minimumnormenvoorschrijven. Dat de verdachte dit recht vanaf het moment van het eersteverhoor kan uitoefenen past in de algemene systematiek van het nieuwewetboek, waarin de rechtsbescherming van de verdachte is losgekoppeldvan het wettelijke vervolgingsbegrip (zie het antwoord op vraag 62).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1187 De achterliggende gedachte bij dit alles is dat de verdediging niet tot hetonderzoek op de terechtzitting hoeft te wachten om haar zienswijze enwensen tot het verrichten van aanvullend onderzoek kenbaar te maken,ook om redenen van een efficiënte behandeling van de zaak op deterechtzitting. Daarom is – ook al in de huidige wet – voorzien in eenflexibele voorziening die de verdediging in staat stelt om de rechter-commissaris snel en adequaat bij het onderzoek te betrekken (Kamer-stukken II 2009/10, 32 177, nr. 3, p. 16). Hiermee wordt dus beoogd eenvlot verloop van het strafproces te bevorderen. Het criterium van heteerste verhoor is inhoudelijk helder en legt het moment waarop omonderzoek kan worden verzocht in alle strafzaken in beginsel op een gelijkmoment. Het komt niet zinvol voor om het moment waarop onderzoeks-wensen kunnen worden ingediend nog verder naar voren te halen. Deverdachte hoeft zich in dit prille stadium nog niet bewust te zijn van deomstandigheid dat hij onderwerp is van een opsporingsonderzoek. Inverband met de tactiek van de opsporing kunnen er goede strategischeredenen zijn om het moment van het eerste verhoor van de verdachte uitte stellen (zie ook J.B.H.M. Simmelink en Y.G.M. Baaijens-van Geloven,«Vervolging en rechtsbescherming», in: M.S. Groenhuijsen en G. Knigge(red.), Het vooronderzoek in strafzaken. Tweede interim-rapport Strafvor-dering 2001, Deventer 2001, p. 448). Mogelijk worden in deze periodeheimelijke bevoegdheden toegepast waarvan de verdachte op datmoment nog geen kennis heeft. Het eerste verhoor is dan een natuurlijken logisch moment om de verdachte te informeren over de beschuldigingen over de rechten die hij daarna kan uitoefenen, waaronder het recht oprechtsbijstand en het recht om kennis te nemen van de processtukken(artikel 1.4.4, tweede, derde en vierde lid). Daar komt bij dat de verdachtein elk geval vanaf het eerste verhoor ook de kennisneming van deprocesstukken wordt toegestaan (artikel 1.8.6, eerste lid). Voor hetformuleren van adequate onderzoekswensen zullen kennis van het dossieren deskundige rechtsbijstand in de praktijk veelal noodzakelijk zijn. Ookom die reden komt het niet nuttig voor om de uitoefening van dit recht alvoorafgaand aan het eerste verhoor mogelijk te maken. Zie ook hetantwoord op vraag 162.(85) De leden van de SP-fractie lezen dat de Nederlandse Vereniging voorRechtspraak (NVvR) zich afvraagt of een meerderjarige kwetsbareverdachte recht op kosteloze rechtsbijstand krijgt bij alle verhoren ter zakede verdenking van elk misdrijf. Deze leden zijn het ook eens met deconstatering van de NVvR dat deze categorie verdachten een meer dangemiddeld belang hebben bij passende rechtsbijstand. Kan de regeringhier meer duidelijkheid over geven?85. Zowel op grond van het huidige (artikel 28b, eerste lid) als het nieuwewetboek (artikel 2.3.7, eerste lid), wordt voor een aangehouden, meerder-jarige kwetsbare verdachte door de raad van rechtsbijstand een raadsmanaangewezen. De door deze raadsman te verlenen consultatie- enverhoorbijstand in de piketfase is voor de verdachte kosteloos inzogeheten A-zaken (verdenking van een misdrijf met een wettelijkstrafmaximum van minimaal twaalf jaar gevangenisstraf) en B-zaken(verdenking van een misdrijf met een wettelijk strafmaximum vanminimaal vier jaar gevangenisstraf en de misdrijven genoemd inartikel 2.1.8). In de lichtere C-zaken (verdenking van een strafbaar feit meteen wettelijk strafmaximum van minder dan vier jaar gevangenisstraf endie niet in artikel 2.1.8 zijn genoemd) is voor kwetsbare verdachten deconsultatiebijstand kosteloos, maar de verhoorbijstand niet.Voor niet-aangehouden meerderjarige kwetsbare verdachten die door depolitie worden uitgenodigd voor een verhoor, wordt op dit moment geenraadsman aangewezen. Dit betekent dat deze verdachten op eigeninitiatief een raadsman kunnen benaderen. De kosten voor die rechtsbij-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1188 stand komen in beginsel voor rekening van de verdachte. Daarbij heeft deverdachte de mogelijkheid om aan bij de raad voor rechtsbijstand eentoevoeging aan te vragen. Of die toevoeging wordt verleend, is afhankelijkvan de zwaarte van de strafzaak en de hoogte van het inkomen van deverdachte. Als de toevoeging wordt verleend worden de kosten voorrechtsbijstand vrijwel geheel gedragen door de overheid en is deverdachte alleen een eigen bijdrage verschuldigd.De hiervoor omschreven benadering voor niet-aangehouden verdachtengaat uit van een bepaalde mate van zelfredzaamheid en het kunnenoverzien van de consequenties van het eigen handelen. Bij kwetsbareverdachten zijn beide echter allerminst vanzelfsprekend. Daarom is op23 januari 2024 een separaat conceptwetsvoorstel in (internet)consultatiegegeven dat nog in het huidige wetboek voorziet in een uitbreiding vanhet recht op gesubsidieerde rechtsbijstand voor minderjarige enkwetsbare meerderjarige verdachten die zich in vrijheid bevinden en doorde politie worden uitgenodigd voor verhoor (het wetsvoorstel versterkingrechtsbijstand in het strafproces). Op grond van dat wetsvoorstel zal ookin die gevallen voortaan door de raad voor rechtsbijstand een raadsmanworden aangewezen. Dit betekent dat – net als nu al bij aangehoudenverdachten het geval is – de overheid in die gevallen actief voorziet inrechtsbijstand, die voor de verdachte bovendien kosteloos is. Nadat ditwetsvoorstel tot wet is verheven, zal de inhoud daarvan via een aanvul-lingswet in het nieuwe wetboek worden verwerkt.4.1 De verdachte (86) De rapporteurs zien dat in artikel 1.4.3. geen verplichting tot hetgeven van de cautie is opgenomen. Waarom is ervoor gekozen deinstructienorm betreffende de cautie te plaatsen bij de bepalingen die ophet verhoor van de verdachte betrekking hebben?86. In het nieuwe artikel 1.4.3, tweede lid, is in algemene zin opgenomendat iemand die als verdachte wordt verhoord, niet verplicht is om opgestelde vragen te antwoorden. Dit recht, dat ook wel bekend is als hetzwijgrecht van de verdachte, kan worden onderscheiden van deverplichting van verhorende ambtenaren om de verdachte op dit recht tewijzen. Deze verplichting is beter bekend als cautieplicht en is, integenstelling tot de bepaling over het zwijgrecht zelf, gericht tot deverhorende ambtenaar en niet tot de verdachte. Daarom is de cautieplichtsteeds opgenomen op die plaatsen in het nieuwe wetboek waar proce-durele voorschriften over de verschillende verhoorsituaties zijnopgenomen (bijvoorbeeld: artikel 2.3.6 voor het verhoor door eenopsporingsambtenaar en artikel 4.2.12 voor het verhoor door de zittings-rechter). Deze plaatsing van de cautieplicht is ingegeven door wetssyste-matische redenen en betreft geen inhoudelijke wijziging van de cautie-plicht.(87) De leden van de D66-fractie lezen dat het er bij artikel 1.4.1, eerste lid,om gaat dat de betrokkene feitelijk als verdachte is aangemerkt en dat nietis vereist dat de betrokkene door een formele beslissing als verdachte isaangemerkt. Deze leden begrijpen dit uitgangspunt. Zij vragen wel of diter wel eens voor zorgt dat het in de praktijk onduidelijk is voor debetrokkene dat hij of zij als verdachte is aangemerkt, in situaties waarin ditwel duidelijk zou moeten zijn. Kan de regering daar iets over zeggen?87. In artikel 1.4.1 is het begrip verdachte gedefinieerd. In het eerste lid isbepaald dat onder verdachte voorafgaand aan het instellen van devervolging wordt verstaan degene die als zodanig is aangemerkt. Het gaaterom, zo blijkt uit de memorie van toelichting, dat iemand feitelijk– doorgaans door een opsporingsambtenaar – als verdachte is aange-merkt. Het is niet noodzakelijk dat er een formele beslissing is genomenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1189 over de status van de betrokkene als verdachte. Dat is op dit moment nietanders. Naar huidig recht wordt in de opsporingsfase als verdachteaangemerkt degene «te wiens aanzien uit feiten of omstandigheden eenredelijk vermoeden van schuld aan een strafbaar feit voortvloeit». Ook inde huidige definitie gaat het erom dat iemand feitelijk als verdachte wordtaangemerkt, en hoeft aan die status geen formele beslissing vooraf tegaan. Het verschil met de nieuwe definitie is dat niet langer een materieelcriterium wordt gehanteerd om de verdachte te definiëren, maar dat hetfeitelijk aangemerkt zijn als verdachte en het materiële criterium waaraanmoet zijn voldaan om als verdachte te mogen worden aangemerkt, uitelkaar worden getrokken. Op die manier wordt duidelijker tot uitdrukkinggebracht dat de rechten die in het Wetboek van Strafvordering wordentoegekend aan verdachten, voor elke verdachte gelden, en dat voor hetmogen uitoefenen van die rechten niet hoeft komen vast te staan dat eenredelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit bestaat.In de toelichting worden verschillende voorbeelden gegeven van situatieswaarin voor iemand duidelijk is dat hij als verdachte is aangemerkt, naastde – meest voor de hand liggende – situatie waarin hem dat wordtmeegedeeld (bijvoorbeeld bij zijn staandehouding of aanhouding ofvoorafgaand aan een verhoor, vgl. artikel 1.4.4). Te denken valt met nameaan de uitoefening van bepaalde onderzoeksbevoegdheden, die alleenjegens een verdachte mogen worden uitgeoefend. Uit het uitoefenen vanzo’n bevoegdheid zal volgen dat de betrokkene als verdachte is aange-merkt. Hij zal daarvan dan ook op de hoogte zijn. Met betrekking tot alleopsporingsbevoegdheden, waaronder bevoegdheden die ook jegensanderen dan verdachten mogen worden uitgeoefend, geldt dat aan debetrokkene zal moeten worden meegedeeld waarom die bevoegdheidwordt uitgeoefend. Zo zal een doorzoeking van een woning pas kunnenplaatsvinden nadat aan de bewoner is meegedeeld waarom diedoorzoeking plaatsvindt (vgl. artikel 1, eerste lid, van de Algemene wet ophet binnentreden). Als op dat moment duidelijk is dat de bewoner tevensde verdachte is (noodzakelijk is dat niet), moet dat hem ook wordenmeegedeeld.Kortom: als de verdachte van de uitoefening van bepaalde onderzoeksbe-voegdheden op de hoogte is, zal hij ook (kunnen) weten of hij alsverdachte is aangemerkt. En als iemand eenmaal als verdachte isaangemerkt, blijft hij verdachte, tenzij een beslissing wordt genomenwaaruit blijkt dat niet langer sprake is van een verdenking tegen hem (eensepotbeslissing). Ook die beslissing zal aan de verdachte moeten wordenmeegedeeld.(88) De leden van de D66-fractie constateren dat de opbouw van hetartikel over de mededeling van rechten aan de verdachte is gewijzigd doorde introductie van de verdachten die worden uitgenodigd voor verhoorals nieuwe categorie verdachten die recht heeft op een kennisgeving vanrechten. Kan de regering aangeven of deze kennisgeving van rechten aanuitgenodigde verdachten een geheel nieuw element is of dat dit alstaande praktijk is die nu gecodificeerd wordt?88. De kennisgeving van rechten aan niet-aangehouden verdachten dieworden uitgenodigd voor verhoor is niet geheel nieuw. Op grond van hethuidige wetboek wordt aan deze verdachten nu al mededeling gedaan vanhet recht op rechtsbijstand en het recht op vertolking en vertaling(artikel 27c, tweede lid). Daarnaast dient voor de start van het verhoor teworden gewezen op diens zwijgrecht (de cautie, artikel 29, tweede lid). Inhet nieuwe wetboek wordt deze verplichte kennisgeving aan deniet-aangehouden verdachte uitgebreid. Deze verdachte moet voortaanvoorafgaand aan het eerste voor schriftelijk in kennis worden gesteld vande hiervoor genoemde rechten, alsook van het recht op mededeling vanhet feit waarvan hij wordt verdacht, het recht op kennisneming vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1190 processtukken, het recht om stukken in te dienen ter voeging en het rechtom de rechter-commissaris te verzoeken onderzoek te verrichten(artikel 1.4.4).Op de site van de Rijksoverheid zijn verschillende informatiebladengepubliceerd waarmee verdachten over deze rechten worden geïnfor-meerd (https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brochures/2014/10/20/mededelingen-van-rechten-aan-de-verdachte). In de informatiebrochurevoor meerderjarige verdachten wordt op dit moment bij de opsommingvan de rechten van de verdachte geen onderscheid gemaakt tussenaangehouden en niet-aangehouden verdachten. In zoverre wordt in depraktijk nu al een uitgebreidere mededeling van rechten aan deniet-aangehouden gehouden gedaan dan het huidige wetboek vereist. Deinformatiebrochure voor minderjarige verdachten maakt bij deopsomming van rechten wel een onderscheid tussen aangehouden enniet-aangehouden verdachten. Bij de implementatie van het nieuwewetboek zullen de bestaande informatiebladen waar nodig aan de nieuwewettelijke regeling worden aangepast.(89) De leden van de D66-fractie lezen dat in het wetsvoorstel deverplichting is opgenomen om de verdachte die is uitgenodigd voorverhoor, voorafgaand aan het verhoor, schriftelijk te informeren over hetrecht op mededeling van het feit waarvan hij wordt verdacht. Deze ledenzijn van mening dat het van belang is dat een verdachte weet waarvan hijof zij wordt verdacht voordat hierover een verhoor plaatsvindt. Kan deregering aangeven hoe concreet aan een verdachte moet wordenmedegedeeld wat de verdenking inhoudt?89. Het recht van de verdachte om te weten voor welk strafbaar feit hij alsverdachte is aangemerkt, vloeit voort uit de Europese Richtlijn 2012/13/EUvan het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende hetrecht op informatie in strafprocedures (PbEU L142). Overweging 28 noemtin dit verband dat aan de verdachte «de omschrijving van het strafbarefeit waarvan de persoon wordt verdacht of beschuldigd, met inbegrip van,indien bekend, tijd en plaats en de mogelijke wettelijke kwalificatie van hetvermeende strafbare feit» moet worden verstrekt, en wel «in voldoendedetail, rekening houdend met de fase waarin de strafprocedure zichbevindt». De vraag hoeveel informatie moet worden verstrekt en hoeconcreet die informatie moet zijn is daarmee niet eenduidig te beant-woorden. Dit hangt in de praktijk veelal af van de voortgang van hetopsporingsonderzoek en de complexiteit van de zaak. Als het verhoor vande verdachte in een zeer vroeg stadium van het opsporingsonderzoekplaatsvindt, kan het voorkomen dat er nog weinig concrete informatiebekend is. In dat geval kan worden volstaan met een algemeneaanduiding van het strafbare feit waarvan betrokkene wordt verdacht.Indien er al wel nadere informatie bekend is over bijvoorbeeld het tijdstipen locatie waarop de verdenking betrekking heeft, vloeit uit de hiervoorgenoemde overweging voort dat ook die informatie aan de verdachtewordt meegedeeld.(90) De leden van de D66-fractie lezen dat de regering met artikel 1.4.4,derde lid, verder gaat dan de Europese minimumnormen. Deze leden zijnhet ermee eens dat het wenselijk is om verder te gaan, omdat debetreffende rechten zowel voor de verdachte die is uitgenodigd voorverhoor als voor de aangehouden verdachte van groot belang zijn voorhet effectief en tijdig uitoefenen van hun verdedigingsrechten. Kan deregering aangeven of in de huidige praktijk al op deze rechten wordtgewezen als het gaat om een uitgenodigde verdachte?90. Zie het antwoord op vraag 88.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1191 (91) De leden van de CDA-fractie lezen dat de verplichting die in het derdelid van het nieuwe artikel 1.4.4 wordt voorgesteld, aangaande deverdachte die is uitgenodigd voor verhoor te informeren over een aantalrechten, verder gaat dan de minimumnormen die zijn vastgelegd in deRichtlijn 2023/13/EU. Deze leden vragen of andere landen in de EuropeseUnie ook ervoor hebben gekozen om verder te gaan dan de minimum-eisen en deze leden vragen of de reden om daarvoor te kiezen naderonderbouwd kan worden.91. Zie het antwoord op vraag 33. Uit het daar genoemde onderzoek vanhet Europees Bureau voor de grondrechten blijkt dat veel Europeselidstaten ook niet-aangehouden verdachten schriftelijk informeren over dehun toekomende rechten, veelal door middel van een (gedeeltelijk)gestandaardiseerde informatiebrochure. Er is echter geen specifiekeinformatie beschikbaar over welke rechten niet-aangehouden verdachtenin individuele Europese lidstaten schriftelijk worden geïnformeerd, inhoeverre dit verder gaat dan de Europese minimumeisen uit Richtlijn2012/13/EU en om welke redenen lidstaten ervoor kiezenniet-aangehouden verdachten uitgebreider te informeren dan op grondvan de richtlijn verplicht is.(92) De leden van de PvdA-fractie hebben kennisgenomen van hetvoornemen om in het nieuwe wetboek in te zetten op een «beweging naarvoren» waarmee bevorderd moet worden dat strafzaken beter voorbereidbij de zittingsrechter komen. Deze leden begrijpen dit streven naar eenefficiënter verloop van het strafproces. Echter, zo menen deze leden, magdat streven niet ten koste gaan van de rechten van de verdachte. In hetnieuwe wetboek wordt vanwege de keuze voor meer contradictoiregedingvoering een grotere verantwoordelijkheid voor de effectuering vaneen eerlijk proces bij de verdachte en de verdediging neergelegd. Naar demening van deze leden betekent dit ook dat de verdediging in staat moetzijn die rol waar te maken. De wens voor een efficiënter verloop van hetstrafproces mag hiermee niet botsen. In dat verband vragen deze leden ofinactiviteit aan het begin van het strafproces gevolgen kan hebben voorde verdediging in een latere fase van het strafproces. Kan de verdedigingdie niet al in het begin bepaalde verweren heeft gevoerd of bijvoorbeeldbepaalde onderzoekverzoeken heeft gedaan dat later alsnog doen? Ofwordt de verdediging door de keuze voor de beweging naar voren inenige mate later in het strafproces beperkt?92. De huidige en in het nieuwe wetboek voorgestelde wijze van proces-voering kan contradictoir worden genoemd vanwege het tegensprekelijkkarakter; de standpunten die de verdachte en het openbaar ministerieinnemen en de kwesties die zij opwerpen zijn medebepalend voor dewijze waarop het strafproces wordt gevoerd. Het strafproces kent daarbijnog steeds inquisitoire trekken. Zo heeft de rechter een eigen verantwoor-delijkheid voor een rechtvaardige uitkomst van het strafproces. Daardooris sprake van een wisselwerking: als geen verweer wordt gevoerd tegende bevindingen uit het opsporingsonderzoek, zal daarover geen debatworden gevoerd. Van de rechter wordt verlangd dat hij beslissingen oppunten waarover wel debat is gevoerd, inzichtelijk motiveert.Het is dus zaak voor de verdediging om desgewenst naar voren tebrengen dat voor een zorgvuldige totstandkoming van het rechterlijkebewijsoordeel nader onderzoek moet worden gedaan. De voorstellen dieals de «beweging naar voren» worden aangeduid, beogen te stimulerendat dergelijke verzoeken zo spoedig mogelijk worden gedaan. Tegelij-kertijd blijft de zittingsrechter ook in het nieuwe wetboek verantwoordelijkvoor de volledigheid van het onderzoek en de juistheid van de genomenbeslissingen. In Nederland is geen sprake van een partijenproces waarinpartijen met tegengestelde belangen actief procederen voor een lijdelijkerechter. In alle gevallen dient de rechter die over de strafzaak oordeelt enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1192 vonnis wijst, zich rekenschap te geven van de vereisten die op basis vanartikel 6 EVRM aan een eerlijke berechting worden gesteld. Met het oogop die vereisten kan de rechter beslissen dat een onderzoekswens, hoewelin een laat stadium naar voren gebracht, alsnog moet worden ingewilligd,of kan hij ambtshalve beslissen dat nader onderzoek geboden is.De vraag of inactiviteit in een vroeg stadium van het strafproces voorrekening van de verdediging komt hangt af van de situatie en omstandig-heden binnen dat proces. Dit kan worden verduidelijkt aan de hand van deregeling voor de beoordeling van getuigenverzoeken die is opgenomen inBoek 4, Hoofdstuk 2. Deze regeling gaat uit van twee criteria in eenzogenoemd trechtermodel, waarbij verzoeken om een getuige te horenaanvankelijk ruimhartig worden beoordeeld, namelijk bij indiening binnende daarvoor in de wet bepaalde (en eventueel door de voorzitterverlengde) termijn van vier weken vanaf de procesinleiding, en strengerworden getoetst bij indiening na het verstrijken van die termijn. In denieuwe regeling is de toepasselijkheid van beide criteria op de verschil-lende momenten verduidelijkt. Zowel aan de rechter als aan de verde-diging en het openbaar ministerie wordt zo duidelijkheid geboden vanafwelk moment «stilzitten» kan worden tegengeworpen.Bij de beoordeling van verzoeken tot het oproepen en horen van getuigenkan de omstandigheid dat een termijn niet is nageleefd worden betrokkenbij de afweging of een verzoek alsnog moet worden gehonoreerd.Toetsing aan het strengere noodzaakcriterium kan leiden tot het oordeeldat een verzoek om een getuige te verhoren moet worden afgewezenomdat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen – en moeten –worden gedaan. Die toetsing moet plaatsvinden met inachtneming van(de jurisprudentie over) het in artikel 6 EVRM neergelegde ondervragings-recht. Dit kan ertoe leiden dat het verzoek wel moet worden ingewilligd.Niettemin wordt zo bevorderd dat getuigenverzoeken zo spoedig mogelijken binnen de in de wet opgenomen termijn worden ingediend. Hetnoodzaakcriterium vormt een nuttige stok achter de deur die kanbijdragen aan een actieve proceshouding van de verdediging binnen degrenzen van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht.De beoordeling van een getuigenverzoek wordt dus strenger in de loopvan het proces, maar verzoeken kunnen wel in ieder stadium wordengedaan en de rechter zal over die verzoeken ook steeds een beslissingmoeten nemen. Er kunnen zich immers ook omstandigheden voordoendie niet aan de verdediging te wijten zijn, die meebrengen dat pas in eenlaat stadium, na indiening van de procesinleiding of na aanvang van deterechtzitting, wordt verzocht om nader onderzoek. Bijvoorbeeld indien opdat moment een processtuk ter beschikking komt met informatie die voorde verdediging aanleiding vormt voor een verzoek om aanvullendonderzoek, zoals een proces-verbaal van verhoor van een (nieuwe)getuige of een (aanvullend) rapport van een deskundige. In dat geval zalde rechter rekening houden met het feit dat de vertraging niet aan deverdediging te wijten is en een verzoek dat voor toewijzing in aanmerkingkomt, alsnog toewijzen.Inactiviteit in de vorm van het achterwege laten van het indienen vanonderzoekswensen of van het voeren van een verweer kan ook eenstrategische keuze zijn in verband met de gekozen proceshouding van deverdachte of zijn wens te zwijgen over zijn eventuele betrokkenheid.Daarop wordt ingegaan bij het antwoord op vraag 169.(93) Ook vragen deze leden hoe de verdachte die geen raadsman heefttoch een goede positie kan krijgen nu met name in het begin van hetproces kennis van zaken nodig is. Is er voor verdachten al van het beginvan het strafproces een raadsman, al dan niet betaald uit de gesubsidi-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1193 eerde rechtsbijstand, voorhanden? Wordt het stelsel van gesubsidieerderechtsbijstand verbeterd in verband met het feit dat uit deze wetswijzigingeen actievere rol voor de verdediging voortvloeit?93. Voor verdachten die zijn aangehouden wegens een misdrijf waaropnaar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer isgesteld of een van de lichtere misdrijven die in artikel 2.1.8 zijn genoemden die worden opgehouden voor onderzoek, alsook voor verdachtentegen wie de bewaring is gevorderd (voorlopige hechtenis), wordt door deraad voor rechtsbijstand een raadsman aangewezen (artikel 1.4.12 inverbinding met de artikelen 1.4.13 en 2.3.7 van het nieuwe wetboek).Hetzelfde geldt voor aangehouden minderjarige en kwetsbare meerder-jarige verdachten die worden opgehouden voor onderzoek, ongeacht deernst van het strafbare feit waarvan zij worden verdacht. In die gevallenzorgt de overheid ervoor dat de verdachte wordt bijgestaan door eenraadsman en is die rechtsbijstand voor de verdachte kosteloos. Zie naderhet antwoord op vraag 85.Uiteraard hebben ook verdachten op vrije voeten recht op rechtsbijstand.Het uitgangspunt is dat deze verdachten desgewenst zelf contact dienenop te nemen met een beschikbare raadsman. De kosten voor dierechtsbijstand komen in beginsel voor rekening van de verdachte zelf.Verdachten die verminderd draagkrachtig zijn, hebben de mogelijkheidom bij de raad voor rechtsbijstand een aanvraag voor gesubsidieerderechtsbijstand (toevoeging) in te dienen. Als deze wordt toegekend,worden de kosten voor rechtsbijstand gedragen door de overheid en is deverdachte enkel een eigen bijdrage verschuldigd. Op dit moment is dehoofdregel van het beleid van de raad voor rechtsbijstand dat eentoevoeging aan een verdachte op vrije voeten pas wordt afgegeven vanafhet moment dat de verdachte de dagvaarding heeft ontvangen.De met het nieuwe wetboek beoogde «beweging naar voren» stimuleertdat het opsporingsonderzoek zoveel mogelijk is afgerond voorafgaandaan het onderzoek op de terechtzitting en dat verzoeken tot het doen van(nader) onderzoek zoveel mogelijk voorafgaand aan de terechtzitting zijngedaan. Voor wat betreft het indienen van onderzoekswensen bij derechter-commissaris wordt opgemerkt dat het huidige wetboek ook alvoorziet in de mogelijkheid voor onderzoek (zoals getuigenverhoren) doorde rechter-commissaris voorafgaand aan het onderzoek op de terecht-zitting. In de praktijk wordt van die mogelijkheid vaak gebruik gemaakt. Deregeling in Boek 2 houdt in dat de rechter-commissaris, als gevolg van hetdoorbreken van de negentigdagenregel (zie hierover nader het antwoordop de vragen 260 en 368), gedurende een langere periode en ononder-broken bevoegd is onderzoek te doen en daartoe door de verdediging kanworden benaderd.Een belangrijke randvoorwaarde voor het tijdig kunnen indienen vanonderzoekswensen is dat de verdachte zich desgewenst al in een vroegstadium van het opsporingsonderzoek kan laten bijstaan door eenraadsman en dat verminderd draagkrachtige verdachten daartoevroegtijdig een aanvraag voor gesubsidieerde rechtsbijstand kunnenindienen. In dit verband wordt voor verdachten die zich in vrijheidbevinden onderzocht of het moment waarop zij een aanvraag voorgesubsidieerde rechtsbijstand kunnen indienen, kan worden vervroegd.Om bij te dragen aan de met dit wetboek beoogde «beweging naarvoren», is bijvoorbeeld een aanpassing van het beleid van de raad voorrechtsbijstand zal op dit punt denkbaar, zodat een toevoeging al na heteerste verhoor van de verdachte kan worden verstrekt in plaats van pasop het moment dat de procesinleiding is ingediend. Daarmee zouden ookverminderd draagkrachtige verdachten op vrije voeten in staat gesteldzich al in een vroege fase van het opsporingsonderzoek te laten bijstaandoor een raadsman. Dit zou het mogelijk maken dat de raadsman al in eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1194 vroege fase het dossier kan opvragen en bestuderen, alsook de rechter-commissaris kan benaderen met onderzoekswensen. Ook is denkbaar datvoor de raadsman in een afzonderlijke vergoeding wordt voorzien voorhet bijwonen van een regiebijeenkomst bij de rechter-commissaris. Inantwoord 205 is toegelicht dat de benodigde financiële gevolgen van deze«vervroeging» van het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand voorverdachten die zich in vrijheid bevinden op dit moment in kaart wordtgebracht. Daarbij worden verschillende scenario’s doorgerekend,bijvoorbeeld door bij de eerdere aanspraak op gesubsidieerde rechtsbij-stand voor niet-kwetsbare, meerderjarige verdachten onderscheid temaken naar de ernst van de verdenking (door onderscheid te makentussen A-, B- en C-zaken, zoals gebruikelijk in het stelsel van gesubsidi-eerde rechtsbijstand in strafzaken).Volledigheidshalve wordt onder verwijzing naar het antwoord op vraag 85opgemerkt dat het wetsvoorstel versterking rechtsbijstand in hetstrafproces op 23 januari 2024 in (internet)consultatie is gegeven. Datwetsvoorstel voorziet nog in het huidige Wetboek van Strafvordering ineen uitbreiding van het recht op gesubsidieerde rechtsbijstand voorminderjarige en kwetsbare meerderjarige verdachten die zich in vrijheidbevinden en door de politie worden uitgenodigd voor verhoor. Op grondvan dat wetsvoorstel zal ook in die gevallen voortaan door de raad voorrechtsbijstand een raadsman worden aangewezen. Dit betekent dat – netals nu al bij aangehouden verdachten het geval is – de overheid in diegevallen actief voorziet in rechtsbijstand, die voor de verdachte bovendienkosteloos is. Nadat het wetsvoorstel tot wet is verheven, zal de inhouddaarvan via een aanvullingswet in het nieuwe wetboek worden verwerkt.(94) De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat in de consultatie deRaad voor de Rechtspraak haar zorgen heeft geuit over de positie van deminderjarige verdachte (pagina 12 van de consultatiereactie uit 2017).Deze leden vragen de regering in te gaan op de zorgen vanuit de Raad tenaanzien van de noodzaak voor inzet van gespecialiseerde ambtenaren enhet uitgangspunt dat bij minderjarige verdachten de minst ingrijpendetoepassing van bevoegdheden steeds voorop dient te staan.94. Vooropgesteld moet worden dat de titel over jeugdige en jongvolwas-senen verdachten, opgenomen in Boek 6, Hoofdstuk 1, beoogt deprocespositie van jeugdige personen te beschermen. Er wordt rekeninggehouden met specifieke kwetsbaarheden die verband houden met deminderjarigheid van de verdachte. De regeling is ook mede het gevolgvan internationale en Europese verplichtingen om bijzondere bepalingenvoor minderjarigen in het leven te roepen. Artikel 40, derde lid, van hetInternationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) moedigt deverdragspartijen aan in bijzondere straf(proces)rechtelijke voorschriftenvoor jeugdigen te voorzien. Dat artikel stelt daarbij de rehabilitatie van deminderjarige die in aanraking is gekomen met het strafrecht alsuitgangspunt voorop (artikel 40, vierde lid, IVRK). Daarnaast ziet artikel 37IVRK op de rechten van minderjarigen van wie de vrijheid is benomen. Debepalingen in het huidige wetboek zijn daarnaast aangevuld metbepalingen over onder meer medisch onderzoek, een individuelebeoordeling en de rol van de ouders. Deze bepalingen strekken totuitvoering van Richtlijn (EU) 2016/800 van het Europees Parlement en deRaad van 11 mei 2016 betreffende procedurele waarborgen voor kinderendie verdachte of beklaagde zijn in een strafprocedure (PbEU 2016, L 132)(hierna: Richtlijn 2016/800/EU). De desbetreffende bepalingen zijn op1 juni 2019 in werking getreden (Stb. 2019, 181). Deze bepalingen zijnovergenomen in het nieuwe wetboek. Het nieuwe wetboek is zo met hetinternationale recht in lijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1195 De Rvdr vroeg in zijn consultatieadvies in het bijzonder aandacht voor denoodzaak om bij opsporing, vervolging en berechting van minderjarigengespecialiseerde ambtenaren te betrekken. Binnen de politie en hetopenbaar ministerie vormt de omgang met jeugdige verdachten eenbijzonder taakaccent waarmee ook zonder nadere wettelijke voorzieningwordt gewaarborgd dat in de omgang met minderjarige verdachten metde bijzondere kwetsbare positie zoveel mogelijk rekening wordtgehouden. Dit is nader toegelicht bij gelegenheid van de implementatievan Richtlijn 2016/800/EU waarvan artikel 20 ook maatregelen in het kadervan de opleiding verlangt (Kamerstukken II 2018/19, 35 116, nr. 3, p. 6).Wanneer in de fase van het opsporingsonderzoek sprake is van vrijheids-beneming, wordt daarvan bovendien de Raad voor de kinderbeschermingonmiddellijk op de hoogte gesteld. Voor de fase van de voorlopigehechtenis en berechting geldt daarnaast dat de betrokkenheid van eengespecialiseerde kinderrechter is voorgeschreven.Ook het door de Rvdr in zijn consultatieadvies benoemde uitgangspuntvan de minst ingrijpende toepassing van bevoegdheden jegens minderja-rigen, vindt in het nieuwe wetboek op verschillende manieren vertaling.Zo is in artikel 6.1.3 een ten opzichte van de regeling voor volwassenenbeperkte regeling voorzien voor de toepassing van bevoegdheden. Debeperkte inzet van bevoegdheden op grond van dit artikel heeft in hetbijzonder betrekking op twaalfminners. Verder is ten aanzien van alleminderjarige verdachten geregeld dat voor het ophouden voor onderzoeken voor de inverzekeringstelling elke geschikte plaats kan wordenaangewezen (artikel 6.1.10). Dit kan ook de thuissituatie zijn. Dit geldt ookvoor de voorlopige hechtenis (artikel 6.1.13, zevende lid). Hiermee kanonnodig verblijf op het politiebureau of een arrestantencomplex wordenvoorkomen. Verder geldt als wettelijk uitgangspunt dat voorlopigehechtenis voor een zo kort mogelijke passende duur wordt bevolen(artikel 6.1.13, eerste lid). Ook de duur van de verlenging van devoorlopige hechtenis is beperkt tot een maand (artikel 6.1.13, vierde lid).Dit leidt slechts uitzondering in gevallen waarin het opleggen van eenpij-maatregel wordt overwogen (6.1.13). De mogelijkheden voor detoepassing van de herstelrecht waarvoor de Rvdr in zijn consultatieadvieseveneens aandacht vraagt, wijken ten slotte niet af van de regeling voorvolwassenen in Boek 1, Hoofdstuk 11, zodat een bijzonder regelinghiervoor in Boek 6, Titel 1.1, niet is voorzien.4.2 De raadsman (95) De rapporteurs hebben over de bepalingen inzake de raadsman eenaantal vragen. Kan de regering een reactie geven op hetgeen door deNOvA is opgemerkt, namelijk dat het aantal verdachten dat afziet vanrechtsbijstand of de bijstand tot een minimum zal beperken, zaltoenemen? Hoe verhoudt dat zich volgens de regering tot de voorgestelderegelingen, meer specifiek de gewenste beweging naar voren en de meercontradictoire gedingstructuur?95. Deze zorg van de NOvA houdt verband met de bestaandebevoegdheid voor de raad voor rechtsbijstand om de kosten vanrechtsbijstand van een verdachte na een onherroepelijke veroordelingterug te kunnen vorderen (artikel 43, derde en vierde lid, Wet op derechtsbijstand). In 2022 is deze bevoegdheid, die ook wel bekend is als demaatregel kostenverhaal rechtsbijstand, zeer kritisch geëvalueerd. Dezeevaluatie evenals het door de NOvA genoemde signaal, hebben geleid tothet voornemen om deze terugvorderingsbevoegdheid af te schaffen. DeTweede Kamer is hierover bij brief van 20 december 2023 geïnformeerd(Kamerstukken II 2023/24, 31 753, nr. 286, p. 5–6).(96) De rapporteurs lezen dat uit het nader rapport blijkt dat de regeringvoornemens is om het recht op gefinancierde rechtsbijstand in verbandTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1196 met het politieverhoor van de niet-aangehouden kwetsbare verdachte,mits er voldoende budgettaire mogelijkheden zijn, op te nemen in eenafzonderlijk wetsvoorstel (tot wijziging van het huidige wetboek), dat invoorbereiding is. Kan de regering hier een toelichting op geven? Omvatdat recht op gefinancierde rechtsbijstand consultatie- en verhoorbijstand(en zo ja, geldt dat voor alle verhoren van de aangehouden kwetsbareverdachte)?96. Voor niet-aangehouden meerderjarige kwetsbare verdachten die doorde politie worden uitgenodigd voor een verhoor, wordt op dit momentgeen raadsman aangewezen. Dit betekent dat deze verdachten op eigeninitiatief een raadsman kunnen benaderen. De kosten voor die rechtsbij-stand komen in beginsel voor rekening van de verdachte. Deze syste-matiek gaat uit van een bepaalde mate van zelfredzaamheid en hetkunnen overzien van de consequenties van het eigen handelen. Voorkwetsbare verdachten zijn beide echter allerminst vanzelfsprekend.Daarom is het voornemen voor deze groep verdachten het recht op vanoverheidswege gefinancierde rechtsbijstand uit te breiden, door zowel deconsultatie- als de verhoorbijstand bij het politieverhoor ook kosteloos temaken in gevallen waarin deze verdachten zich in vrijheid bevinden enworden uitgenodigd voor verhoor. Deze wijziging is opgenomen in het inhet antwoord op vraag 93 genoemde conceptwetsvoorstel tot wijzigingvan het huidige wetboek; de wijziging zal wanneer dit wetsvoorstel tot wetis verheven worden overgeheveld naar het nieuwe wetboek.(97) Hoe verhoudt de beschikbaarheid van (gefinancierde) rechtsbijstandzich tot een daadwerkelijke beweging naar voren? In hoeverre zou volgensde regering de verdachte bij bijvoorbeeld de indiening van verzoekenzoals het indienen van onderzoekswensen moeten kunnen beschikkenover gefinancierde rechtsbijstand? Zou de regering kunnen toelichten opwelke wijze de voorgestelde regeling gedurende het gehele strafprocestijdige rechtsbijstand voor verdachten stimuleert?97. Zie het antwoord op vraag 93.(98) De rapporteurs lezen dat in artikel 1.4.18 lid 3 is opgenomen dat derechtbank zo spoedig mogelijk beslist (na de raadsman te hebbengehoord). Wat betekent zo spoedig mogelijk? Kan de regering ingaan opde vraag of het mogelijk is hiervoor een termijn op te nemen?98. Het voorschrift dat de rechtbank «zo spoedig mogelijk» beslist, isongewijzigd overgenomen uit artikel 46 van het huidige wetboek. Desnelheid waarmee rechtbanken de vordering tot handhaving van het beveltot beperking van het vrije verkeer tussen de verdachte en diensraadsman zal kunnen behandelen, kan verschillen naar gelang hetmoment waarop de officier van justitie dit bevel geeft en de op datmoment beschikbare zittingscapaciteit bij de betreffende rechtbank.Daarom is ervoor gekozen geen absolute beslistermijn in de wet op tenemen. Uit het gegeven dat het bevel tot beperking van het vrije verkeerten hoogste zes dagen van kracht kan zijn (artikel 1.4.18, tweede lid), vloeitvoort dat de rechtbank in beginsel binnen die termijn over de vorderingtot handhaving van het bevel dient te beslissen. In de (schaarse) recht-spraak over dit punt, is een tijdverloop van 20 dagen als «niet tijdig»aangemerkt (Rechtbank ’s-Hertogenbosch 9 december 2004, NBSTRAF2005/78), maar worden beslissingen binnen de maximale geldingsduurvan het bevel doorgaans wel als voldoende tijdig beoordeeld.(99) Met betrekking tot het voorgestelde artikel 1.4.18 vragen de rappor-teurs of een alternatief (of cumulatief) zou kunnen zijn dat de officier vanjustitie (ook) een voorafgaande machtiging van de rechter-commissarisnodig heeft alvorens het betreffende bevel tot beperking van het vrijeverkeer te kunnen geven. Biedt de nu voorgestelde regeling beterewaarborgen ten opzichte van het geschetste alternatief, en zo ja waarom?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1197 Dat laat het voorschrift het bevel tot verlenging direct aan de rechtbankvoor te leggen onverlet. Wat verzet zich tegen de machtiging van de RCals extra, of eventuele alternatieve waarborg? Waarom is in art. 1.2.13 debehandeling niet aan de meervoudige raadkamer voorbehouden?99. De mogelijkheid voor de officier van justitie om tijdelijk het vrijeverkeer tussen de verdachte en raadsman te beperken is een ingrijpendebevoegdheid, die met stevige waarborgen is omgeven. In zowel hethuidige artikel 46 als het nieuwe, inhoudelijk ongewijzigde artikel 1.4.18 istoepassing van deze bevoegdheid daarom aan strenge criteria onder-worpen, heeft het bevel een maximale duur van zes dagen en is bepaalddat het bevel direct ter toetsing aan de rechtbank moet wordenvoorgelegd. In voorkomend geval kan het nodig zijn dat de officier vanjustitie deze bevoegdheid direct toepast op het moment dat aan de inartikel 1.4.18, eerste lid, genoemde criteria is voldaan en onmiddellijkebeperking van het vrije verkeer tussen verdachte en diens raadsmannoodzakelijk is ter bescherming van het met het opsporingsonderzoekgemoeide belang. Vanwege de noodzaak om in voorkomende gevallenmeteen te kunnen ingrijpen, is bepaald dat direct na het bevel eenvordering tot handhaving daarvan aan de rechtbank moet wordenvoorgelegd en dat de rechtbank zo spoedig mogelijk een beslissingneemt. Het verplicht stellen van een machtiging van de rechter-commissaris voorafgaand aan het beperkingsbevel – al dan niet inaanvulling op de rechterlijke toetsing achteraf – zou betekenen dat in debedoelde gevallen het beperkingsbevel niet direct kan worden gegeven.Met het verkrijgen van die machtiging is immers altijd enige tijd – hoe kortook – gemoeid, ook als erin zou worden voorzien (zoals in de regeling vanhet opsporingsonderzoek) dat de machtiging van de rechter-commissarisbij dringende noodzaak mondeling kan worden verleend (en binnen driedagen daarna moet worden vastgelegd). Gedurende het (korte) tijds-verloop dat met inschakeling van de rechter-commissaris is gemoeid blijfthet vrije verkeer tussen verdachte en raadsman zonder beperking instand, wat in dergelijke, uitzonderlijke gevallen tot grote schade voor hetopsporingsonderzoek zou kunnen leiden. Dit zou in de uiterste gevallenhet beperkingsbevel betekenisloos kunnen maken, omdat het contacttussen raadsman en verdachte dat het beperkingsbevel beoogt tevoorkomen door het tijdsverloop al heeft plaatsgevonden. Opmerkingverdient nog dat de noodzaak tot het uitoefenen van deze ingrijpendebevoegdheid zich zelden voordoet.Voor de behandeling van zaken door de rechtbank is – als hoofdregel –bepaald dat deze meervoudig plaatsvindt. In de gevallen waarin de wetdat bepaalt, kan behandeling door een enkelvoudige kamer plaatsvinden(artikel 1.2.5). Deze bepaling is algemeen en geldt eveneens voor debehandeling van zaken in raadkamer. In de algemene regeling voor deraadkamer is aangeduid dat behandeling door een enkelvoudige kamerkan plaatsvinden wanneer de zaak van eenvoudige aard is en indien hetbelang ervan zich daartegen niet verzet. Dit biedt de rechtbank, in beginselbeoordelingsruimte om zaken enkelvoudig of meervoudig te behandelen.Voor enkele raadkamerprocedures is op het niveau van de wet aangeduiddat meervoudige behandeling aangewezen is (artikel 1.2.13). De behan-deling van de vordering tot handhaving van het bevel tot beperking vanhet vrije verkeer met de verdachte is niet als zodanig aangewezen. Dekeuze daarvoor is ingegeven door het belang dat deze vordering zospoedig mogelijk door de rechtbank wordt getoetst. Behandeling door deenkelvoudige raadkamer zal in de praktijk eerder kunnen plaatsvinden dandoor een meervoudige raadkamer. Dit neemt niet weg dat goedvoorstelbaar is dat een dergelijke vordering vanwege het netelige karakterin de praktijk ter beoordeling aan een meervoudige kamer wordtvoorgelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1198 (100) De rapporteurs lezen dat in de voorgestelde regeling betreffende destelbrief de officier van justitie een centrale rol heeft. Hoe verhoudt zichdat tot de door de NOvA geschetste praktijk die laat zien dat een stelbriefaan de griffier er in de meeste gevallen voor zorgt dat de raadsmandaadwerkelijk als zodanig in het dossier bekend wordt geregistreerd?Waarom is ervoor gekozen om in de wettelijke regeling geen plicht op tenemen voor de officier van justitie om de griffier op de hoogte te stellenvan een stelbrief?100. Anders dan in het huidige wetboek is in het nieuwe artikel 1.4.11,tweede lid, opgenomen dat de officier van justitie de kennisgeving van hetoptreden door de raadsman («de stelbrief») direct bij de processtukkenvoegt. Zodra de rechtbank in de zaak wordt betrokken, bijvoorbeeld als deofficier van justitie een vordering tot inbewaringstelling of de procesin-leiding indient, kan ook de rechtbank van de stelbrief kennisnemen (zieook het nieuwe artikel 1.8.2, derde lid). Een aanvullende wettelijkeverplichting voor de officier van justitie om de griffier op de hoogte testellen van een ingekomen stelbrief, is in dat licht niet nodig. In gevallenwaarin een verdachte zich pas na ontvangst van de procesinleiding laatbijstaan door een raadsman, dient de stelbrief direct – dus zondertussenkomst van de officier van justitie – aan de rechtbank te wordentoegestuurd (artikel 1.4.11, derde lid).(101) De leden van de VVD-fractie vragen of is overwogen om eenvoorziening aan te brengen in artikel 1.4.10 om in uitzonderlijke gevallende ongelimiteerde en ongeclausuleerde bevoegdheid voor de verdachte tebeperken. Deze leden denken hierbij bijvoorbeeld aan een maximum-aantal advocaten in specifieke gevallen. Hoe denkt de regering hierover?101. Dit is bij de totstandkoming van artikel 1.4.10 niet overwogen. Eenregeling tot beperking van het aantal rechtsbijstandsverleners maakt weldeel uit van het bij koninklijke boodschap van 3 juni 2023 bij uw Kameringediende wetsvoorstel tot wijziging van de Penitentiaire beginselenwetin verband met aanvullende maatregelen tegen georganiseerde crimina-liteit tijdens detentie (Kamerstukken 36 372). Dit wetsvoorstel bevat denoodzakelijke maatregelen die de samenleving beschermen tegenvoortgezet crimineel handelen vanuit detentie. Kern van het voorstel is datten aanzien van bepaalde gedetineerden de mogelijkheden om met debuitenwereld te communiceren door middel van een ministerieel bevel,vergaand worden beperkt. Daarnaast bevat het wetsvoorstel eengrondslag om het aantal rechtsbijstandverleners waarmee een gedeti-neerde in een extra beveiligde inrichting of een afdeling voor intensieftoezicht geprivilegieerd contact mag hebben, te beperken tot twee. Ookworden de mogelijkheden om toezicht te houden op het contact tussen degedetineerde en diens rechtsbijstandverlener in deze inrichtingen enafdelingen versterkt. De bijzondere gevaarzetting die van deze gedeti-neerden uitgaat en die ook de aanleiding hebben gevormd voor deplaatsing in die inrichting of afdeling, noodzaken tot het treffen van dezemaatregelen. De maatregelen uit dit wetsvoorstel zijn niet beperkt totpersonen die wegens een strafbaar feit zijn veroordeeld, maar kunnen ookworden toegepast op verdachten wier voorlopige hechtenis wordttenuitvoergelegd in een extra beveiligde inrichting of een afdeling voorintensief toezicht. De maatregelen uit het genoemde wetsvoorstel wordenwettelijk ingebed in de Penitentiaire beginselenwet. Hierdoor is het nietnodig en niet wenselijk deze maatregelen toe te voegen aan het nieuwewetboek.(102) Deze leden stellen dat het recht op vrije advocaatkeuze cruciaal is inonze democratische rechtsstaat, maar dat in het kader van debescherming van de samenleving, medewerkers in de strafrechtketen enraadslieden zelf beperkingen aan dit recht moeten kunnen wordengesteld. Is de regering het daarmee eens?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 1199 102. Het recht van de verdachte om zelf een of meerdere raadslieden tekiezen is van groot belang in onze democratische rechtsstaat en vormtmeer specifiek een onderdeel van het recht op een eerlijk proces. Hetrecht op vrije advocatenkeuze, dat onder meer is opgenomen in artikel 6EVRM, wordt internationaalrechtelijk beschouwd als een belangrijkewaarborg voor de verdachte om een effectieve verdediging te kunnenvoeren, zie bijvoorbeeld ECLI:CE:ECHR:2015:1020JUD002570311, par. 78,(Dvorski/Kroatië). Tegelijkertijd volgt uit de rechtspraak van het EHRM datdit recht niet absoluut is en onder omstandigheden aan beperkingen kanworden onderworpen als daarvoor relevante gronden in het belang vande rechtspleging aanwezig zijn (zie par. 79 van de hiervoor aangehaaldeuitspraak van het EHRM). Tegen die achtergrond kan de stelling dat hetonder omstandigheden mogelijk moet zijn om beperkingen te stellen aanhet recht op de vrije advocaatkeuze worden onderschreven. Op enkelebeperkingen die in dit verband kunnen worden gesteld binnen de grenzenvan de artikelen 6 EVRM en 17 Grondwet, is uitputtend ingegaan in dememorie van toelichting bij het genoemde voorstel tot wijziging van dePenitentiaire beginselenwet (Kamerstukken II 2022/23, 36 372, nr. 3, p. 18tot en met 21).(103) De leden van de D66-fractie lezen in artikel 1.4.11, zesde lid, datraadslieden, indien hoger beroep of beroep in cassatie is ingesteld,opnieuw een zogenoemde stelbrief moeten sturen. In het derde lid isopgenomen dat stellen bij de rechtbank niet nodig is als de raadsman zicheerder bij de officier van justitie heeft gesteld, omdat dit in die gevallenkan worden afgeleid uit de processtukken. Hetzelfde geldt volgens dezeleden voor de hoger beroeps- en cassatiefase indien de raadsmanhetzelfde blijft, aangezien de processtukken worden doorgestuurd naarbijvoorbeeld het gerechtshof en de advocaat-generaal. Is het in zo’n gevalnodig om de raadsman te verplichten zich opnieuw te stellen?103. In de praktijk komt het met enige regelmaat voor dat een verdachtezich in hoger beroep door een andere raadsman dan de raadsman ineerste aanleg wil laten bijstaan. Daarnaast is het mogelijk dat deverdachte die in eerste aanleg is bijgestaan door een raadsman, bij debehandeling van het hoger beroep afziet van rechtsbijstand. Uit destelbrief in eerste aanleg kan niet worden afgeleid dat die raadsman deverdachte ook tijdens de behandeling van het hoger beroep zal bijstaan.Daarom is het nodig dat indien hoger beroep of beroep in cassatie isingesteld, de raadsman het gerechtshof respectievelijk de Hoge Raad vanzijn optreden in kennis stelt, ook in gevallen waarin die raadsman deverdachte al in eerste aanleg heeft bijgestaan.(104) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen vanartikel 1.4.18 en de toelichting hierbij over de beperking van het vrijeverkeer tussen raadsman en verdachte. De officier van justitie kan onderomstandigheden bevelen dat de raadsman geen toegang tot de verdachteheeft of niet vertrouwelijk met hem mag communiceren. In dit artikel isook voorgeschreven dat de officier van justitie direct na het afgeven vanzo’n bevel een vordering tot handhaving van het bevel bij de rechtbankindient. Deze leden vragen of deze volgorde wenselijk is. Zou het nietmeer in de rede liggen om voorafgaand aan het geven van zo’n bevel eenmoment van rechterlijke tussenkomst te creëren, aangezien het beperkenvan het vrije verkeer tussen een advocaat en een verdachte een ingrij-pende maatregel is?104. Zie het antwoord op vraag 99.(105) Deze leden vragen daarnaast of de regering iets kan toelichten overde effectiviteit van het huidige artikel 46 Sv. Heeft de regering overwogenom een ander hiervoor verantwoordelijk te maken dan de zaaksofficier?Zo nee, waarom niet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11100 105. In het huidige artikel 46 is een goede balans neergelegd tussenenerzijds het kunnen beperken van het vrije verkeer tussen verdachte endiens raadsman indien met het oog op het opsporingsonderzoeknoodzakelijk is en anderzijds het bieden van adequate waarborgen dieervoor zorgen dat deze bevoegdheid slechts in specifieke gevallenkortdurend kan worden toegepast en de inzet van die bevoegdheidvervolgens op korte termijn aan een rechterlijke toets te onderwerpen.Om deze reden is deze regeling in artikel 1.4.18 van het nieuwe wetboekinhoudelijk niet gewijzigd. De bevoegdheid is, zoals in algemene zingebruikelijk is bij in het wetboek aan het openbaar ministerie toegekendebevoegdheden, wettelijk toegekend aan de officier van justitie. Dat zal inde praktijk de zaaksofficier van justitie zijn. Deze kan het beste beoordelenof onmiddellijk ingrijpen in het vrije verkeer tussen verdachte enraadsman noodzakelijk is. De wet maakt het overigens wel mogelijk voorhet openbaar ministerie om te besluiten dat over de inzet van dezebevoegdheid door een andere officier van justitie dan de zaaksofficierwordt beslist.5. Het slachtoffer (106) De rapporteurs hebben een aantal algemene vragen over de positievan het slachtoffer. Op welke wijze wordt beoogd bestaande wet- enregelgeving op een goede wijze te implementeren en uit te voeren, metoog voor het doenvermogen van slachtoffers?106. De implementatie van bestaande wet- en regelgeving behoort striktgenomen niet tot de werkzaamheden die strekken tot de voorbereidingvan de implementatie van het nieuwe wetboek. Tegelijkertijd moetvanwege de uitvoerbaarheid van het nieuwe wetboek acht wordengeslagen op de eventuele (rest)opgave van eerdere wetgeving. Sommigevan deze (rest)opgaven zijn ondergebracht in specifieke programma’swaarin alle betrokken organisaties zijn vertegenwoordigd, zoals hetprogramma Informeren en Raadplegen Slachtoffers in de tenuitvoer-legging. De voorbereidingen in aanloop naar de inwerkingtreding van hetnieuwe wetboek vinden plaats in nauwe samenwerking met de strafrecht-ketenorganisaties en daarbij bestaat ook oog voor de effectuering vanbestaande wet- en regelgeving.Het doenvermogen van veel burgers kan ontoereikend zijn om (zonderrechtsbijstand) adequaat te participeren in het strafproces. Rekeninghouden met het doenvermogen van slachtoffers, is ook in het nieuwewetboek en bij de implementatie daarvan een belangrijk uitgangspunt.(107) Op welke wijze wordt voorzien in toegankelijke informatievoorzie-ningen en ondersteuning die bijdragen aan betere kennis bij het slacht-offer over zijn rechten en de uitoefening van deze rechten?107. Vanuit verschillende organisaties is er op verschillende momentenaandacht voor het informeren van slachtoffers en hun doenvermogen.Slachtoffers krijgen bij het eerste contact met de politie een verklaring vanrechten uitgereikt. Hierin komt terug welke rechten (nabestaanden van)slachtoffers van een strafbaar feit hebben, zoals het recht op informatie enop ondersteuning. Slachtofferhulp Nederland (SHN) kan vervolgens(kosteloos) een belangrijke rol vervullen door slachtoffers nader voor telichten over hun rechten. Daarnaast biedt SHN slachtoffers emotionele,praktische en juridische ondersteuning aan. SHN neemt hiervoor, naaangifte bij de politie of na de vervolgingsbeslissing van het openbaarministerie, actief contact op met het slachtoffer. Op die manier wordenslachtoffers door SHN begeleid en wordt er geen te groot beroep gedaanop het doenvermogen van slachtoffers om over de juiste informatie tebeschikken. Om de ondersteuning door SHN te versterken, wordt onderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11101 andere gekeken hoe SHN ook specifieke doelgroepen zoals laaggelet-terden en jonge slachtoffers beter kan bereiken.Tevens kunnen slachtoffers zich laten bijstaan door een slachtofferad-vocaat. In gewelds- en zedenzaken is de bijstand door een slachtofferad-vocaat kosteloos.Bij het openbaar ministerie vervullen slachtoffercoördinatoren eenbelangrijke rol bij het goed informeren van slachtoffers. Het openbaarministerie is eerder versterkt met 40 extra FTE aan slachtoffercoördina-toren. Daarnaast ontwikkelt het openbaar ministerie – met financiële steunvan de Minister voor Rechtsbescherming – informatieproducten voorslachtoffers voor op de website van het openbaar ministerie. Via eenanimatie krijgen slachtoffers meer inzicht in hoe het proces van aangiftetot aan de zitting verloopt. Daarnaast krijgen slachtoffers via een scrollstory uitleg hoe een zitting verloopt en wat hen te wachten staat (Kamer-stukken II 2023/24, 33 552, nr. 116).Daarnaast biedt het ketenbrede slachtofferportaal Mijnslachtofferzaak.nlhet slachtoffer informatie over de voortgang van hun strafzaak, biedt hetcontactmogelijkheden met betrokken organisaties en informatie over derechten van slachtoffers. Verder bieden verschillende ketenpartners en hetFonds Slachtofferhulp op hun eigen website praktische en juridischeinformatie aan voor slachtoffers.Ter voorbereiding op de inwerkingtreding van het nieuwe wetboekworden de professionals van de betrokken organisaties adequaat opgeleidzodat zij slachtoffers goed kunnen informeren. Daarnaast zal voorlich-tingsmateriaal worden ontwikkeld over de rechten van slachtoffers. Ditgebeurt onder andere door aanpassing van de desbetreffende informatieover rechten van slachtoffers in de gebruikelijke algemene publieksvoor-lichting op rijksoverheid.nl en websites van ketenpartners (zoals politie,openbaar ministerie, Rechtspraak, Slachtofferhulp Nederland en CJIB) envia gerichte communicatiemiddelen die aan slachtoffers kunnen wordenuitgereikt of verstuurd, zoals op politiebureaus of in de gebouwen van derechtspraak.(108) De rapporteurs lezen dat hoofdstuk 5 regels geeft inzake de positievan het slachtoffer en deze wettelijke regeling is voor haar toepassings-bereik niet beperkt tot het strafproces. De richtlijn slachtofferrechten isevenmin beperkt tot het strafproces. Gelden de regels van hoofdstuk 5ook voor buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten?108. De regels van Boek 1, Hoofdstuk 5, gelden ook voor buitengerechte-lijke afdoening van strafbare feiten, tenzij het tegendeel blijkt uit de tekstof strekking van de bepalingen. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij hetspreekrecht dat alleen in geval van berechting door de rechter kan wordenuitgeoefend. Voor de meeste slachtofferrechten, zoals het recht opcorrecte bejegening, slachtofferhulp, informatie en kennisneming vanprocesstukken geldt dat zij ook van toepassing zijn als de zaak buitenge-rechtelijk wordt afgedaan.(109) De voorgestelde wettelijke regeling gaat uit van een mondigslachtoffer dat zelf zijn rechten inroept. Dat veronderstelt dat het slacht-offer bekend is met zijn rechten. In de praktijk blijkt dat het slachtoffer nietaltijd of niet op het juiste moment bekend is met zijn rechten. Deoplossing kan tweeërlei zijn. Ofwel er moet wettelijk zijn gewaarborgd dathet slachtoffer bijtijds en volledig wordt geïnformeerd over zijn rechten.Ofwel het inroepen van bepaalde slachtofferrechten moet niet afhankelijkzijn gemaakt van een daartoe strekkend verzoek van het slachtoffer,hetgeen betekent dat politie en Openbaar Ministerie het slachtoffer actiefTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11102 en op eigen initiatief moeten informeren. Bij het voorbereiden en/ofmaken van procesafspraken met de verdediging moet de officier vanjustitie rekening houden met de belangen van het slachtoffer en/ofbenadeelde partij. Dat sluit aan bij de algemene instructienorm vanartikel 1.1.4. Procesafspraken kunnen doorwerken in de mogelijkhedenvan het slachtoffer om diens rechten te kunnen uitoefenen. Hoe kan deofficier van justitie hier invulling aan geven wanneer hij niet of niet bijtijdsop de hoogte is van die belangen van het slachtoffer?109. In het antwoord op vraag 75 is opgemerkt dat een specifiekewettelijke regeling van procesafspraken in voorbereiding is genomen alsonderdeel van de eerste aanvullingswet. In lijn met het in artikel 1.1.4verwoorde uitgangspunt zal die regeling waarborgen bevatten die ertoestrekken te verzekeren dat aan de belangen van het slachtoffer recht wordtgedaan. De nadere uitwerking daarvan vindt plaats in het kader van dieeerste aanvullingswet.(110) De leden van de SP-fractie zien dat Slachtofferhulp Nederland eropwijst dat er in het verleden herhaaldelijk toezeggingen gedaan zijn over deverbetering van de rechtspositie van het slachtoffer in het vooronderzoeken zij zien dit slechts beperkt terug in Boek 1. Slachtofferhulp Nederland isvan mening dat het slachtoffer de mogelijkheid dient te worden gebodenom zijn mening te geven over de afdoeningsbeslissing die de officier vanjustitie voornemens is te nemen. Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Isde regering bereid dit te verwerken in Boek 1?110. Zie het antwoord op vraag 60 voor de wijze waarop het wettelijkkader erin voorziet dat het slachtoffer op zijn verzoek op de hoogte wordtgehouden van de strafzaak en van bepaalde, daarin genomen beslis-singen, waaronder de vervolgingsbeslissing. Het staat het slachtoffer vrijom zijn wensen over de te nemen vervolgingsbeslissing kenbaar maken,bijvoorbeeld bij het doen van aangifte of het indienen van een schriftelijkeverklaring ter voeging bij de processtukken in de zin van artikel 1.5.5,eerste lid, dan wel nadat het slachtoffer op de voet van artikel 1.5.4, eerstelid, onderdeel b, is geïnformeerd over het inzenden van een proces-verbaal tegen een verdachte. De officier van justitie houdt binnen debredere belangenafweging die bij het nemen van een vervolgingsbe-slissing wordt gevraagd, zoveel mogelijk rekening met de belangen vanhet slachtoffer. Op zijn verzoek wordt het slachtoffer ook ingelicht over deaan de vervolgingsbeslissing ten grondslag liggende motivering. Hiermeeis gewaarborgd dat bij elke vervolgingsbeslissing de individuele belangenvan het slachtoffer op zorgvuldige wijze worden meegewogen door deofficier van justitie. Het slachtoffer kan opkomen tegen onredelijk gebruikvan het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel door hetopenbaar ministerie, door zich te beklagen bij het gerechtshof op grondvan Boek 3, Hoofdstuk 5. Aldus is voorzien in een wettelijke regeling dieevenwichtig is en recht doet aan de belangen van het slachtoffer.(111) Fonds Slachtofferhulp stelt de vraag hoe de regering kan garanderendat slachtoffers rechten hebben tijdens de hele gerechtsgang en nietalleen op de zitting. Kan de regering hier op reageren?111. Slachtoffers hebben rechten gedurende het gehele strafproces en ookbij buitengerechtelijke afdoening (zie over dit laatste nader de antwoordenop de vragen 108, 115 tot en met 117 en 132). In het wetboek is dereikwijdte van de slachtofferrechten verankerd in de artikelen die concreteslachtofferrechten behelzen. Deze artikelen betreffen soms het helestrafproces tot de uitspraak, zoals de mogelijkheid om in elke fase van hetstrafproces te verzoeken om de kennisneming van processtukken(artikel 1.5.5) of het recht op bijstand tijdens het opsporingsonderzoek enop de terechtzitting door een advocaat, een wettelijk vertegenwoordigeren door een persoon naar keuze (artikel 1.5.6). Soms heeft een bepalingbetrekking op een bepaalde fase in het onderzoek, zoals de aangifte. ZoTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11103 bepaalt artikel 2.2.9 onder meer dat de aangifte aan de aangever (dit kanhet slachtoffer zijn) wordt uitgereikt of toegezonden.Ook in de fase van de tenuitvoerlegging heeft het slachtoffer een aantalrechten. Zo heeft de Wet uitbreiding slachtofferrechten voor het slacht-offer de mogelijkheid geopend om een verklaring af te leggen in eenaantal situaties waarin aan de veroordeelde voorwaarden kunnen wordenopgelegd die direct de belangen van het slachtoffer raken. Dezemogelijkheid is in de tweede vaststellingswet in Boek 7 (Tenuitvoer-legging) overgenomen (de artikelen 7.4.5, 7.4.7 en 7.7.13 in de tweedevaststellingswet van het nieuwe Wetboek van Strafvordering).(112) Kan de regering garanderen dat procesafspraken ofOM-afdoeningen niet zonder actieve betrokkenheid van het slachtoffer totstand komen? Zo nee waarom niet, en waarom is hier dan voor gekozen?112. Zie het antwoord op vraag 109.5.1 Definities (113) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het nieuwe artikel 1.5.1 eendefinitie wordt neergelegd van onder andere het begrip «slachtoffer». Dekring van gerechtigden is aangevuld met personen die van het directeslachtoffer afhankelijk zijn. Volgens de regering zijn dit personen wienspositie vergelijkbaar is met onmiddellijke familieleden en in wierlevensonderhoud wordt voorzien door het direct getroffen slachtoffer. Deleden van de CDA-fractie vragen of stiefkinderen ook onder dezereikwijdte vallen. Deze leden verwijzen hierbij naar de recent in werkinggetreden Wet Uitbreiding Slachtofferrechten, waarbij de kring vanwettelijk spreekgerechtigden is uitgebreid met stiefkinderen enstiefbroers- en zussen.113. Stiefkinderen vallen als zodanig niet onder de definitie van direct ofindirect slachtoffer, zoals opgenomen in artikel 1.5.1, onderdelen a tot enmet d. Als direct slachtoffer wordt aangemerkt de natuurlijke persoon ofde rechtspersoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schadeheeft geleden. Als indirect slachtoffer wordt aangemerkt het familielid vaneen persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door eenstrafbaar feit, te weten de echtgenoot, de geregistreerde partner of eenandere levensgezel van het directe slachtoffer, de bloedverwant in rechtelijn, de bloedverwant in de zijlijn tot en met de vierde graad en de persoondie van het directe slachtoffer afhankelijk is.Dit betekent dat stiefkinderen in beginsel geen beroep kunnen doen opslachtofferrechten, voor zover zij niet (meer) van het directe slachtofferafhankelijk zijn. Zijn zij dat wel, dan zijn zij aan te merken als een indirectslachtoffer en komen hen de daarop betrekking hebbende rechten toe. Hetspreekrecht is hierop een uitzondering. Op basis van artikel 1.5.8, vierdelid, kan het spreekrecht namelijk ook worden uitgeoefend door personendie deel hebben uitgemaakt van het gezin waartoe het overledenslachtoffer behoorde en die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hetslachtoffer hebben gestaan. Deze bepaling is ingevoerd met de Wetuitbreiding slachtofferrechten.(114) De leden van de PvdA-fractie vragen of en zo ja, in hoeverre derechten van slachtoffers in het voorliggend wetsvoorstel verbeterdworden. Daarbij zouden zij willen verwijzen naar de reactie van Slachtof-ferhulp Nederland (SHN) die enkele verbeteringen voorstelde die niet inhet wetsvoorstel zijn overgenomen. Daarbij denken deze leden aan hetvoorstel om het slachtoffer tijdens het vooronderzoek het recht te gevenom de officier van justitie te verzoeken bepaalde onderzoekshandelingente (laten) verrichten of om de officier van justitie te vragen deze tevorderen bij de RC.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11104 114. Op een aantal punten worden de rechten van slachtoffers in hetnieuwe wetboek verruimd en wordt hun positie verbeterd. Zie hieroverhet antwoord op vraag 27. Het slachtoffer blijft ook in het nieuwe wetboekevenwel procesdeelnemer en is als zodanig geen procespartij. Alsprocesdeelnemer heeft het slachtoffer een aantal rechten, zoals het rechtom geïnformeerd te worden over de voortgang van de zaak en het rechtom kennis te nemen van de processtukken die voor hem van belang zijn.Kenmerkend voor een procespartij is dat deze zich tot de rechter kanwenden om een beslissing van die rechter te krijgen. Verder gaat het bijeen procespartij om degene op wie de beslissing van de rechterbetrekking heeft en die daarom het recht of de bevoegdheid heeft zichdaartegen te verweren of te verzetten.Als het slachtoffer het recht zou krijgen om tijdens het vooronderzoek deofficier van justitie te verzoeken bepaalde onderzoekshandelingen te(laten) verrichten of om de officier van justitie te vragen deze te vorderenbij de rechter-commissaris, dan zou de positie van het slachtofferverschuiven naar die van procespartij. Dit zou een fundamenteledoorbreking met zich brengen van het Nederlandse stelsel, waarbijslachtoffer en de verdachte als partijen tegenover elkaar zouden komen testaan. Een dergelijk driepartijenstelsel is onwenselijk en zou bovendien totsecundaire victimisatie van het slachtoffer kunnen leiden. Al lang geledenis de keuze gemaakt dat het strafproces in handen is van professionelefunctionarissen waarbij het openbaar ministerie (mede) de belangen vanslachtoffers behartigt. Die verantwoordelijkheid (inclusief de kostendaarvan) moet niet worden afgewenteld op slachtoffers zelf door hun tevragen om ook in het strafproces de eigen geschade belangen teverwoorden en te vertegenwoordigen. Een strafbaar feit vormt niet alleeneen inbreuk op de rechten van het slachtoffer maar ook op de rechtsorde;er is ook een maatschappelijk belang verbonden aan het handhaven vande strafwet. Het openbaar ministerie heeft de taak bij zijn beslissingenterdege rekening te houden met de belangen van het slachtoffer, maarmoet ook de maatschappelijke belangen en de belangen van hetslachtoffer en andere betrokkenen tegen elkaar afwegen (zie ook de visieop het slachtofferbeleid «Recht doen aan slachtoffers», Kamerstukken II2017/18, 33 552, nr. 2).In Nederland is de opsporing in handen van professionele organisaties.De opsporing is gericht op de opheldering van een strafbaar feit endaartoe worden op basis van een onafhankelijke weging objectiveerbarekeuzes gemaakt. De officier van justitie heeft de leiding over het opspo-ringsonderzoek en is daarvoor verantwoordelijk. Door het voorstel zou ditworden doorkruist. Het valt niet in te zien waarom de wensen van hetslachtoffer tot een betere keuze van de inzet van schaarse capaciteit zouleiden. De wensen van het slachtoffer zouden kunnen leiden tot bepaaldeonderzoekshandelingen die mogelijk niet de uitkomst van een onafhanke-lijke, meeromvattende afweging zijn, of om andere redenen niet deprioriteit moeten hebben. De inzet van schaarse middelen van opspo-ringsinstanties en rechtspraak en het strafproces als ultimum remediumvragen om een onafhankelijke weging van alle aspecten.Slachtoffers of nabestaanden kunnen in uitzonderlijke gevallen welverzoeken om een review als een onderzoek geen duidelijk resultaat heeftopgeleverd. Doel daarvan is in zaken waarin het opsporingsonderzoekvastloopt of dreigt vast te lopen, dan wel de bewijspositie in hoge mateproblematisch is, vast te stellen of alle mogelijke opsporingsrichtingen involdoende mate zijn uitgezocht. Bij een review wordt een team samenge-steld van deskundigen van openbaar ministerie en politie van buiten depolitie-eenheid en het parket die het opsporingsonderzoek in de zaakhebben verricht, waar nodig aangevuld met externe deskundigen. DitTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11105 team verricht een diepgaande, systematische herbeoordeling van alleonderzoeksinformatie en beslissingen die op basis daarvan zijn genomen.De Aanwijzing review (tweede beoordeling) (2006A019p; Stcrt. 2012,nr. 24713) bevat een algemeen kader voor de inzet en uitvoering van eenreview door openbaar ministerie en politie.(115) Daarnaast delen deze leden de mening van SHN dat het slachtofferook de mogelijkheid moet krijgen om zijn mening te geven over deafdoeningsbeslissing die de officier van justitie voornemens is te nemen.Waarom wordt het slachtoffer geen spreekrecht toegekend bij hetOM-hoorgesprek? Kan de regering hier nader op ingaan?115. Als er sprake is van een ernstig spreekrechtwaardig feit, waarbij hetslachtoffer of een nabestaande te kennen heeft gegeven van het spreek-recht gebruik te willen maken, vormt dat op grond van de AanwijzingOM-strafbeschikking (Stcrt. 2022, nr. 9133) een contra-indicatie voorafdoening met een strafbeschikking. In dat geval zal de zaak dus inbeginsel voor de rechter worden gebracht, zodat het slachtoffer op deterechtzitting zijn spreekrecht kan uitoefenen. Als de officier van justitiehet voornemen heeft om een strafbeschikking uit te vaardigen, heeft hetslachtoffer geen spreekrecht, maar kan hij wel een schriftelijke slachtoffer-verklaring indienen. Daarin kan hij zijn mening geven over onder meer devoorgenomen afdoeningsbeslissing. Artikel 3.3.4, eerste en tweede lid,schrijft voor dat bepaalde strafbeschikkingen alleen kunnen wordenuitgevaardigd als de verdachte door de officier van justitie is gehoord endaarbij heeft verklaard bereid te zijn de straf te voldoen dan wel zich aande aanwijzing te houden. Deze hoorplicht geldt bij een strafbeschikkingdie een taakstraf inhoudt, een ontzegging van de rijbevoegdheid, eengedragsaanwijzing, een hoge geldboete of een hoge schadevergoedings-maatregel. De wet voorziet niet in een recht van het slachtoffer omaanwezig te zijn bij dit OM-hoor-gesprek en evenmin in een spreekrechtvan het slachtoffer bij dit hoor-gesprek. Wel houdt het openbaar minis-terie bij een strafbeschikking zoveel mogelijk rekening met de belangenvan slachtoffers. De wijze waarop dat gebeurt is uiteengezet in hetantwoord op vraag 75.Het slachtoffer de mogelijkheid geven om bij het horen van de verdachtezijn spreekrecht uit te oefenen, past niet bij het karakter van de strafbe-schikking. Het gaat om een hoor-gesprek tussen de officier van justitie ende verdachte waarin onder meer de vraag centraal staat of de verdachte instaat en bereid is aan de strafbeschikking te voldoen; het is geen gesprekdat vergelijkbaar is met een openbare terechtzitting van de rechter. Omdateerdere versies van de beleidsregels van het openbaar ministerie (deAanwijzing OM-strafbeschikking en de Aanwijzing slachtofferrechten) opdit punt misverstanden konden wekken, is daarin de eerder wel gebruikteterm «hoorzitting» door het openbaar ministerie inmiddels vervangendoor de term «hoor-gesprek». Dat doet ook recht aan het verschil tussenbuitengerechtelijke afdoening door het openbaar ministerie en eenbehandeling van de zaak op de openbare terechtzitting door de rechter.Verder wijst het openbaar ministerie slachtoffers bij afdoening via eenOM-strafbeschikking op de mogelijkheid tot het afgeven van eenschriftelijke slachtofferverklaring.Als in de procedure van de OM-strafbeschikking spreekrecht zou wordengeïntroduceerd, zou dat een aanzienlijke verzwaring van de procedurebetekenen. Dit zou dan ten koste gaan van de doorlooptijden en zorgenvoor een hogere werklast bij het openbaar ministerie. Een dergelijkeaanpak zou afbreuk kunnen doen aan het doel van de strafbeschikkingwaar het betreft de daarmee beoogde capaciteitswinst. Verder zijn deprocesdeelnemers, waaronder het slachtoffer, niet gebaat bij langeredoorlooptijden. In deze afweging acht de regering het evenwichtig dat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11106 slachtoffer een schriftelijke slachtofferverklaring kan indienen, waarmeede officier van justitie rekening kan houden (zie over een en ander ookKamerstukken II 2022/23, 33 552, nr. 104).Tot slot kan het slachtoffer dat van het spreekrecht gebruik wil maken zichals rechtstreeks belanghebbende bij het gerechtshof beklagen over hetvervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking(artikel 3.5.1).5.2 De rechten van het slachtoffer (116) De rapporteurs hebben een aantal vragen over de rechten van hetslachtoffer. In de literatuur is betoogd dat het spreekrecht een wettelijkrecht is en derhalve uit hoofde van het huidige artikel 51e lid 1 Sv bestaat,gelijk het hoorrecht van artikel 10 lid 1 richtlijn slachtofferrechten, terwijlook is verdedigd dat het spreekrecht pas ontstaat als het slachtoffer terterechtzitting aanwezig is en heeft aangegeven het spreekrecht te willenuitoefenen. Hoe moet artikel 1.5.8 lid 1 worden gelezen?116. Artikel 1.5.8, tweede lid, bepaalt dat het slachtoffer op de terecht-zitting een verklaring kan afleggen ter uitoefening van diens spreekrecht.Als er sprake is van een ernstig spreekrechtwaardig feit, waarbij hetslachtoffer of een nabestaande te kennen heeft gegeven van het spreek-recht gebruik te willen maken, vormt dat op grond van de AanwijzingOM-strafbeschikking een contra-indicatie voor afdoening met eenstrafbeschikking. In dat geval zal de zaak dus in beginsel voor de rechterworden gebracht, zodat het slachtoffer op de terechtzitting zijn spreek-recht kan uitoefenen. Verder wijst het openbaar ministerie slachtoffers bijafdoening via een OM-strafbeschikking op de mogelijkheid tot het afgevenvan een schriftelijke slachtofferverklaring (Kamerstukken II 2022/23,33 552, nr. 104). Ook in gevallen waarin geen sprake is van een (ernstig)spreekrechtwaardig feit bestaat dus de mogelijkheid van een schriftelijkeslachtofferverklaring (zie verder het antwoord op vraag 117). Tot slot kanhet slachtoffer dat van het spreekrecht gebruik wil maken zich alsrechtstreeks belanghebbende bij het gerechtshof beklagen over hetvervolgen van een strafbaar feit door middel van een strafbeschikking(artikel 3.5.1).De beschreven gang van zaken is in overeenstemming met artikel 10,eerste lid, van Richtlijn 2012/29/EU. Dat artikel bepaalt dat lidstaten ervoorzorgen dat het slachtoffer in de loop van de strafprocedure kan wordengehoord en bewijselementen kan aanvoeren. Volgens overweging 41 vande richtlijn moet het recht van het slachtoffer om te worden gehoordworden geacht te zijn verleend indien hem wordt toegestaan schriftelijkeverklaringen of toelichtingen te verstrekken. Hieruit blijkt dat de richtlijnde lidstaten er niet toe verplicht om te voorzien in een recht om daadwer-kelijk te spreken. Nederland kent wel een spreekrecht, maar is nietverplicht om het slachtoffer in iedere strafzaak de mogelijkheid te gevenom mondeling zijn spreekrecht uit te oefenen. Aan de lidstaten wordt veelruimte gelaten om de wijze waarop het slachtoffer aan de strafprocedurekan deelnemen te regelen in het nationale recht.In de door de rapporteurs bedoelde literatuur bestaat inderdaad verschilvan mening over het moment waarop het spreekrecht ontstaat (zie A.J.Hommes & F.G.H. Kristen, «Spreekrecht in de strafbeschikkingspro-cedure», DD 2022/21; R.A. Hoving, «De positie van het slachtoffer bij deOM-strafbeschikking», DD 2022/56; A.J. Hommes & F.G.H. Kristen, «Geenspreekrecht bij de OM-strafbeschikking, dan dagvaarden!», DD 2022/64;R.A. Hoving, «Naschrift bij: «De positie van het slachtoffer bij deOM-strafbeschikking», (DD 2022/56)», DD 2022/65). Waar het in de kern omgaat, is dat het slachtoffer in alle strafzaken een adequate mogelijkheidwordt geboden om mondeling dan wel schriftelijk een verklaring af teleggen. In gevallen waarin de zaak door middel van een procesinleidingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11107 bij de rechter wordt aangebracht – hetgeen bij ernstige spreekrecht-waardige feiten in beginsel het geval is – kan het slachtoffer indiengewenst op grond van artikel 1.5.8 diens spreekrecht op de terechtzittinguitoefenen. Dat is hoe artikel 1.5.8 moet worden gelezen.(117) In de literatuur en door de Nationale ombudsman is verdedigd dathet spreekrecht ook moet kunnen worden uitgeoefend in de strafbeschik-kingsprocedure. Als dat als ongewenst wordt beschouwd, dan moetenspreekrechtwaardige delicten alleen worden gedagvaard en derhalve nietmet een strafbeschikkingsprocedure worden afgedaan. Dat kan alleenanders zijn wanneer de spreekgerechtigde daar expliciet mee instemt. Inde Aanwijzing slachtofferrechten is expliciet uitgesloten dat het slachtofferbij het OM-hoorgesprek aanwezig kan zijn en spreekrecht kan uitoefenen.Is dit beleid in het licht van het spreekrecht van artikel 1.5.8 en hethoorrecht van artikel 10 lid 1 Richtlijn slachtofferrechten handhaafbaar ofmoet worden bepaald dat spreekrechtwaardige delicten alleen kunnenworden gedagvaard?117. Zie de antwoorden op de vragen 115 en 116. Uit die antwoorden blijktdat artikel 1.5.8, tweede lid, niet van toepassing is op de procedure tenaanzien van de uitvaardiging van een strafbeschikking. Ook blijkt daaruitdat hetgeen de Aanwijzing OM-strafbeschikking ten aanzien van hethoor-gesprek bepaalt past binnen het kader van artikel 10 van Richtlijn2012/29/EU. Gelet op hetgeen ter beantwoording van de genoemdevragen is opgemerkt, is voorzien in een evenwichtige regeling die hetslachtoffer in alle zaken de mogelijkheid biedt om mondeling dan welschriftelijk een verklaring af te leggen.Artikel 10, eerste lid, van de Richtlijn 2012/29/EU bepaalt dat lidstatenervoor zorgen dat het slachtoffer in de loop van de strafprocedure kanworden gehoord en bewijselementen kan aanvoeren. Volgens overweging41 van de richtlijn moet het recht van het slachtoffer om te wordengehoord worden geacht te zijn verleend indien hem wordt toegestaanschriftelijke verklaringen of toelichtingen te verstrekken. Hieruit blijkt datde richtlijn niet verplicht tot het daadwerkelijk horen van een slachtoffer inhet kader van een voorgenomen strafbeschikking. Dit betekent dathetgeen de Aanwijzing OM-strafbeschikking ten aanzien van hethoor-gesprek bepaalt past binnen het kader van artikel 10 van de richtlijn.(118) De rapporteurs lezen dat de voorafgaande rechterlijke toets in devorm van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris als deofficier van justitie het toevoegen van stukken door het slachtoffer zelf ofde kennisneming van processtukken door het slachtoffer wil weigeren,wordt vervangen door de mogelijkheid van een rechterlijke toets achterafdoor de rechter-commissaris, in te roepen door het slachtoffer zelf. Dit iseen verkorting van de rechtsbescherming. Waarom is hiervoor gekozen?118. De regeling van het recht van het slachtoffer op de voeging enkennisneming van processtukken (Boek 1, Hoofdstuk 5) is verhelderd opdiverse punten, op vergelijkbare wijze als de regeling die ten aanzien vande verdachte geldt (Boek 1, Hoofdstuk 8). Aanleiding voor de herzieningvan deze regeling vormden enkele, zowel in de praktijk ervaren als in deliteratuur gesignaleerde problemen. Ook is voorzien in meer rechtsmid-delen. Daarmee is, anders dan in de gestelde vraag wordt verondersteld,de positie van het slachtoffer met betrekking tot de toegang tot proces-stukken versterkt.Het huidige artikel 51b leidt in de praktijk tot verwarring, omdat niet directduidelijk is op welke grond(en) de kennisneming dan wel de voeging vanstukken geweigerd kan worden. Dit wordt veroorzaakt doordat in datartikel de regeling van twee te onderscheiden rechten lijkt te zijnverknoopt. De kennisneming, bedoeld in het huidige artikel 51b, derde lid,betreft een verzoek tot inzage van stukken met het oog op een verzoek totTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11108 voeging van die stukken bij de processtukken. Voor de afwijzing van eendergelijk verzoek is een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist. Dit laatste geldt niet voor de afwijzing van eenverzoek om kennisneming van (reeds gevoegde) processtukken op grondvan het eerste lid. Tegen laatstbedoelde afwijzing staat in het huidigerecht geen rechtsmiddel open.In de voorgestelde regeling zijn de onderscheiden rechten beter vanelkaar onderscheiden.Het slachtoffer kan stukken waarover hij zelf beschikt indienen bij deofficier van justitie ter voeging bij de processtukken. De officier van justitiekan dit weigeren indien hij van oordeel is dat de stukken niet als proces-stukken kunnen worden aangemerkt (artikel 1.5.5, eerste lid). Tegen dezeweigering is bezwaar bij de rechter-commissaris mogelijk (artikel 1.5.15,eerste lid, onderdeel a).Het slachtoffer kan verzoeken om stukken, waarover de officier van justitiebeschikt of waarvan het slachtoffer meent dat de officier van justitiedaarover beschikt en die hij van belang acht voor de beoordeling van dezaak tegen de verdachte of van zijn vordering op de verdachte, bij deprocesstukken te voegen. Met het oog op de onderbouwing van zijnverzoek kan het slachtoffer verzoeken om inzage te krijgen in die stukken(artikel 1.5.5, tweede lid). De officier van justitie kan het voegen vanstukken onderscheidenlijk de inzage weigeren indien hij van oordeel is datde stukken niet als processtukken kunnen worden aangemerkt dan welindien hij dit onverenigbaar acht met een van de in artikel 187d, eerste lid,vermelde belangen. Voor die weigering heeft hij, net als nu, een vooraf-gaande rechterlijke machtiging van de rechter-commissaris nodig(artikel 1.5.5, tweede lid in verbinding met artikel 1.8.5, vierde lid). Van eenverkorting van de rechtsbescherming is dus geen sprake.Het recht van het slachtoffer op de kennisneming van processtukken, datwil zeggen stukken die door de officier van justitie al bij het procesdossierzijn gevoegd, is opgenomen in artikel 1.5.5, derde lid. Dat recht isverruimd doordat het huidige vereiste dat de stukken «voor hem vanbelang» zijn, is geschrapt. Dit vereiste was problematisch, omdat het vooreen slachtoffer in het algemeen moeilijk is te onderbouwen waarominformatie over de strafzaak voor hem van belang is. Met zijn slachtoffer-schap moet dat belang in feite worden verondersteld. Voor de officier vanjustitie is deze clausulering in het huidige recht de enige grond om eenverzoek om kennisneming door het slachtoffer af te wijzen. Deze biedtgeen bruikbaar criterium om het slachtoffer in voorkomend geval terbescherming van ándere belangen, bijvoorbeeld de persoonlijkelevenssfeer van derden of opsporingsbelangen, de kennisneming vanbepaalde stukken te onthouden. Om hierin te voorzien is in de nieuweregeling bepaald dat de kennisneming van bepaalde stukken aan hetslachtoffer kan worden onthouden in het belang van het onderzoek, in hetbelang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer of in hetbelang van de opsporing en vervolging van strafbare feiten dan wel opzwaarwichtige gronden aan het algemeen belang ontleend. Het slachtofferwordt in dat geval ervan in kennis gesteld dat de hem ter kennisneminggegeven stukken niet volledig zijn. Hiertegen kan het slachtoffer, andersdan in het huidige wetboek, een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris (artikel 1.5.15, eerste lid, onderdeel b).Het recht van het slachtoffer op de voeging en kennisneming vanprocesstukken is aldus versterkt en tegelijkertijd is voorzien in helderebeslis- en beroepsmogelijkheden.(119) Een aantal belangrijke geconsulteerde organisaties, waaronder deAfdeling, hebben nadrukkelijk geadviseerd rekening te houden met hetdoenvermogen van burgers in het strafproces. Kan de regering beves-tigen dat het niet alleen cruciaal is rekening te houden met het doenver-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11109 mogen van verdachten, maar juist en mogelijk nog meer bij slachtoffers?Deelt de regering dat niet van alle slachtoffers kan worden verwacht datzij (zeker in de periode kort na het delict) zelfstandig op de hoogte rakenvan de rechten die zij hebben en de mogelijkheden om hun rechten teeffectueren? En zo ja, kan de regering een paar voorbeelden geven waarinten opzichte van het huidige wetboek meer rekening is gehouden met hetdoenvermogen van slachtoffers?119. Het is van groot belang om rekening te houden met het doenver-mogen van verdachten en in het bijzonder ook van slachtoffers. Vanslachtoffers wordt niet verwacht dat zij zelfstandig op de hoogte raken vande rechten die zij hebben. In het antwoord op de vragen 106 en 107 istoegelicht hoe slachtoffers thans (actief) worden geïnformeerd over hunrechten en welke (kosteloze) ondersteuning er desgewenst voor henbeschikbaar is. Deze ondersteuning en informatievoorziening voorslachtoffers wordt vanzelfsprekend voortgezet, en waar nodig geactuali-seerd naar het nieuwe wetboek.(120) Het bevreemdt de leden van de VVD-fractie dat een aantal onder-delen van de wet die zijn gericht op het bevorderen van de positie van hetslachtoffer bij AMvB worden uitgewerkt. In de memorie van toelichtingwordt een aantal keren (terecht) het primaat van de formele wet aange-haald boven de algemene maatregel van bestuur. Zo vermeldt dememorie van toelichting op p. 92–93 dat het uitgangspunt van hetwetboek blijft dat de reikwijdte en de voornaamste duurzame normen inhet wetboek worden opgenomen (Aanwijzingen voor de regelgeving(Stcrt. 2017, nr. 69426), aanwijzing 2.19), terwijl voorschriften van meertechnische of administratieve aard of voorschriften die vaak wijzigingbehoeven, beter op lager niveau kunnen worden uitgewerkt. Het is goeddat de meeste duurzame normen over de rechten van de verdachte in hetonderhavige wetsvoorstel zijn opgenomen. Datzelfde geldt helaas nietvoor de meest voorname en duurzame rechten van het slachtoffer. Kan deregering bewerkstelligen dat het uitgangspunt dat zij zelf hanteert voor derechten van de verdachte, ook wordt gehanteerd voor de rechten van hetslachtoffer? Kan de regering dus deze rechten op het niveau van de wetverankeren en echt alleen de voorschriften van technische of administra-tieve aard bij AMvB of ministeriële regeling op te nemen?120. Anders dan de vraag veronderstelt, zijn de belangrijkste en duurzamerechten van slachtoffers in het nieuwe wetboek zelf, en dus op het niveauvan de wet, vastgelegd. Boek 1, Hoofdstuk 5, bouwt voort op de huidigeTitel IIIA van het Eerste Boek, waarin sinds de Wet ter versterking van depositie van het slachtoffer in het strafproces (Stb. 2010, 1) een catalogusvan rechten van het slachtoffer is opgenomen. Deze regeling is aangevuldmet de implementatie van de Richtlijn 2012/29/EU van het EuropeesParlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimum-normen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming vanslachtoffers van strafbare feiten. In dit hoofdstuk zijn onder meeropgenomen het recht op correcte bejegening, het recht op informatiever-strekking over zijn rechten, het recht op informatie over de voortgang inde strafzaak, het recht op de kennisneming van processtukken en opvertaling van informatie en stukken, het recht op bijstand en belangenbe-hartiging, het spreekrecht en het recht zich als benadeelde partij te voegenin het strafproces.De structuur van de regelingen inzake slachtoffers is als volgt. Op hetniveau van de wet zijn de normen opgenomen die de positie van hetslachtoffer betreffen tijdens het gehele strafproces waaronder begrepende tenuitvoerlegging. Dit betreft voorschriften die het strafproces directnormeren. Op het niveau van een algemene maatregel van bestuur, in hethuidige Besluit slachtoffers van strafbare feiten, is een aantal normenmeer concreet uitgewerkt en in ministeriële regelingen zijn administra-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11110 tieve voorschriften vastgelegd. De hoofdelementen staan dus in de wet.Deze opzet heeft in de eerste plaats het voordeel van inzichtelijkheid. Ophet niveau van de wet blijft de regeling inzichtelijk en wordt ze nietonhelder doordat er veel detaillering in wordt opgenomen. Die vindtplaats op het niveau van de algemene maatregel van bestuur, waarin deuitwerking van verscheidene rechten van en voorzieningen voor slacht-offers in één regeling worden samengevoegd. De meest gedetailleerdevoorschriften van administratieve aard worden opgenomen in eenministeriële regeling. In de tweede plaats leidt een regeling op hoofdlijnenvan de slachtofferrechten tot een evenwichtige balans binnen hetwetboek. Indien alle voorschriften ter uitwerking van de slachtofferrechtenin het Wetboek van Strafvordering zouden worden opgenomen zou deregeling inzake slachtoffers daarin erg omvangrijk worden in verhoudingtot die inzake andere procesdeelnemers.In de derde plaats biedt de gekozen structuur flexibiliteit en demogelijkheid om de uitwerkingsregels zo nodig sneller te wijzigen. Eenaantal onderwerpen dat nu in het Besluit slachtoffers van strafbare feitenis opgenomen zal mogelijk moeten worden gewijzigd, bijvoorbeeld naaraanleiding van nieuwe EU-richtlijnen.Met deze opzet wordt ook aangesloten bij de Aanwijzingen voor deregelgeving (Stcrt. 2022, nr. 5649), waarin is aangeduid welkevoorschriften in de wet moeten worden opgenomen en welke uitwer-kingen kunnen worden gedelegeerd naar een algemene maatregel vanbestuur of een ministeriële regeling.(121) Bovenstaande klemt te meer, omdat de regering is verzocht bij deuitwerking van het nieuwe wetboek voortdurend bij zichzelf te rade tegaan of aandacht is besteed aan de positie van het slachtoffer, en zo ja, ofdeze positie dan in het voorliggende voorstel wordt versterkt. Kan deregering bevestigen dat het nieuwe wetboek op geen enkele wijze afbreukdoet aan bestaande rechten van slachtoffers? Welke onderdelen zijn alsgevolg van de gepleegde reflectie in het nieuwe wetboek gewijzigd die depositie van het slachtoffer tijdens het strafproces ten goede komen? Hoezijn de rechten van slachtoffers versterkt?121. Het nieuwe wetboek doet geen afbreuk aan bestaande rechten vanslachtoffers. Integendeel: de positie van slachtoffers wordt op een aantalpunten versterkt. Voor een overzicht van deze punten wordt verwezennaar het antwoord op vraag 27.(122) De leden van de VVD-fractie merken op dat het specifiek van belangis de positie van het slachtoffer beter te borgen in het nieuwe wetboekmet het oog op de «beweging naar voren». Deze leden menen dat demeeste slachtofferrechten over het algemeen goed kunnen wordengeëffectueerd op zitting. Zowel de rechter als het OM houdt in de praktijktijdens de zitting rekening met de belangen en rechten van slachtoffers.Dat is in veel mindere mate het geval tijdens het gerechtelijk vooron-derzoek. Als het resultaat van de «beweging naar voren» is dat het OMzelf vaker toezicht moet houden op de naleving van de uitoefening vanslachtofferrechten, ook in de gevallen waar dat op dit moment in depraktijk nog de rechter op zitting is of de rechter-commissaris, brengt diebeweging het inherente risico met zich mee dat slachtofferrechten mindereffectief kunnen worden ingezet. Hoe kijkt de regering hiernaar?122. De «beweging naar voren» brengt geen verandering in de regelingvan de slachtofferrechten en heeft ook niet tot gevolg dat het openbaarministerie vaker toezicht moet houden of de uitoefening van slachtoffer-rechten is gewaarborgd.De «beweging naar voren» verwijst naar een samenstel van voorschriftenom te bevorderen dat het strafproces vlotter verloopt en het onderzoek opde terechtzitting beter wordt voorbereid (zie paragraaf 4.8 van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11111 algemeen deel van de memorie van toelichting). Er wordt voorzien in eenbetere aansluiting tussen het opsporingsonderzoek en het onderzoek opde terechtzitting en in een duidelijke rolverdeling tussen rechter-commissaris, raadkamer en zittingsrechter. Geen van deze maatregelenbrengt met zich dat slachtofferrechten minder effectief zouden kunnenworden ingezet. Het wetsvoorstel bevat heldere voorschriften over ondermeer de informatieverstrekking aan het slachtoffer over het verloop vanhet strafproces, over de mogelijkheid om in elke fase van het strafproceste verzoeken om de kennisneming van processtukken en over deoproeping van het slachtoffer voor de terechtzitting. Zoals is toegelicht inde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel zal het nieuwe wetboekbinnen vijf jaar na inwerkingtreding ook worden geëvalueerd en zullenandere instrumenten worden ingezet om het proces van de implementatiete monitoren en de ervaringen die met het nieuwe wetboek wordenopgedaan in kaart te brengen, zoals een invoeringstoets (Kamerstukken II,36 327, nr. 3, p. 86). Daarbij zal ook aandacht besteed kunnen worden aande veranderingen als gevolg van de beweging naar voren en de vraag ofdit mogelijk onbedoelde negatieve gevolgen heeft voor (de controle op)de uitoefening van slachtofferrechten.(123) De leden van de VVD-fractie stellen dat in het Landelijk Aanhoudin-genprotocol is geregeld dat een zitting wordt aangehouden bijafwezigheid van een slachtoffer. Deze leden zien in de praktijk dat dit nietaltijd wordt nageleefd. Was het niet beter geweest om deze afspraak uithet protocol te verankeren in het nieuwe Wetboek van Strafvordering? Zonee, welke maatregelen worden dan getroffen om te verzekeren datslachtoffers indien zij daar behoefte aan hebben aanwezig kunnen zijn?Dat had wat deze leden betreft gekund via de introductie van eenzelfstandig aanwezigheidsrecht voor het slachtoffer. Hierdoor zou in feitede huidige default kunnen worden omgedraaid; een zitting kan alleendoorgaan als een slachtoffer aanwezig is of expliciet heeft laten weten nietaanwezig te willen zijn. Toen in 2005 werd besloten om voorlopig geenzelfstandigheidsrecht op te nemen, was de reden daarvoor dat er nog teweinig ervaring was opgedaan met rechten van slachtoffers in hetstrafproces. Kan de regering hierop reflecteren?123. Om te verzekeren dat het slachtoffer dat daaraan behoefte heeft, opde terechtzitting aanwezig kan zijn, is in de wet vastgelegd dat hij op dehoogte wordt gesteld van de plaats, de datum en het tijdstip van deterechtzitting (artikel 1.5.4, eerste lid, onderdeel f) en dat het slachtofferdat daarom heeft verzocht wordt opgeroepen voor de terechtzitting(artikel 4.1.11, derde lid).Het landelijk aanhoudingenprotocol is opgesteld door de Rechtspraak. Hetprotocol betreft de behandeling van verzoeken tot aanhouding vanstrafzaken. Dit aanhoudingenprotocol bevat een – niet uitputtende –opsomming van aandachtspunten en aanbevelingen. Hiermee wordtbeoogd de (formele) rechtseenheid, een voortvarend verloop van deprocesgang en een optimale benutting van de zittingscapaciteit tebevorderen. In het protocol wordt aanbevolen een gemotiveerd aanhou-dingsverzoek, behoudens zwaarwegende andere belangen, te honoreren,indien het slachtoffer, de nabestaande(n) van het slachtoffer of debenadeelde partij tevoren uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt prijs testellen op uitoefening van het spreekrecht of zich als benadeelde partij terterechtzitting te willen voegen in het strafproces of indien de benadeeldepartij, die zich reeds heeft gevoegd met gebruikmaking van een voegings-formulier, te kennen heeft gegeven de vordering tot schadevergoeding opde terechtzitting nader te willen toelichten. Bij niet gemotiveerdeafwezigheid op de terechtzitting, dan wel bij berichtgeving vanafwezigheid vlak voor de terechtzitting, is het aan de rechter een nadereafweging te maken. Indien het dossier reeds een uitvoerige schriftelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11112 slachtofferverklaring bevat of als de rechter beschikt over een volledigingevuld voegingsformulier dat voldoende gestaafd is, kan hij besluitendat hij voldoende is voorgelicht.Uit deze tekst kan worden afgeleid dat de aanwezigheid van het slacht-offer dat daaraan behoefte heeft, uitgangspunt is en dat de rechter alleenonder bepaalde omstandigheden zal besluiten dat hij voldoende isvoorgelicht en dus de zaak niet aanhoudt. Het is aan de rechter om in eenconcrete zaak af te wegen of de aanbevelingen van het protocol vantoepassing zijn. Hij neemt het belang van het slachtoffer mee in dezeafweging. Er is geen aanleiding om de inhoud van dit protocol in de wetop te nemen, nu er op dit moment geen concrete aanwijzingen zijn dat instrafzaken wordt besloten niet over te gaan tot aanhouding, zonderdaarbij rekening te houden met de belangen van het slachtoffer. Verder iser geen aanleiding om een zelfstandig aanwezigheidsrecht voor hetslachtoffer op te nemen. Een dergelijk recht zou de positie van hetslachtoffer doen verschuiven naar die van procespartij (zie het antwoordop vraag 114) en de beoordelingsruimte van de rechter inperken. Derechter heeft ruimte nodig om af te wegen of de zitting kan wordenvoortgezet of niet. De rechter weegt in deze beoordeling alle relevanteaspecten af, waaronder het belang van het slachtoffer, het belang van deverdachte en het belang van het onderzoek. Zie ook het antwoord opvraag 125.(124) De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan ingaan op hetvoorstel van Fonds Slachtofferhulp om meer remedies in te voeren omslachtofferrechten beter te waarborgen.124. Aan het slachtoffer zijn rechten toegekend, die hij moet kunnenuitoefenen gedurende het strafproces. De inzet is primair om de adequatenaleving van bestaande slachtofferrechten in de praktijk te verbeteren (zieook de antwoorden op de vragen 127 en 128). Deze benadering wordteffectiever geacht dan het creëren van aanvullende wettelijke mogelijk-heden voor slachtoffers om hun rechten af te dwingen. Het slachtoffer kanzijn rechten alleen uitoefenen als de autoriteiten (zoals politie, officier vanjustitie, rechter) ervoor zorgen dat hij zijn rechten ook daadwerkelijkbinnen de kaders van het strafprocesrecht kan effectueren. Dit betekentonder meer dat op de autoriteiten de plicht rust om het slachtoffer teinformeren over zijn rechten en – indien het slachtoffer dat wenst – overde voortgang van de zaak.Het Fonds Slachtofferhulp stelt voor rechtsmiddelen (remedies) teintroduceren om slachtofferrechten te waarborgen en pleit ervoorconsequenties te verbinden aan schendingen van rechten of duidelijkeomissies van politie, OM of rechtspraak tijdens de gehele rechtsgang. Ditvoorstel zou ertoe leiden dat het slachtoffer een voorziening in rechtekrijgt waarop hij een beroep kan doen als hij zijn recht niet kan uitoefenen,bijvoorbeeld omdat een autoriteit zijn zorgplicht niet nakomt.Bij de afweging ten aanzien van de toekenning van meer rechtsmiddelen(of andere voorzieningen in rechte) aan slachtoffers spelen zowelprincipiële als praktische argumenten een rol. Een principieel punt is datin het Nederlandse strafprocesrecht het slachtoffer procesdeelnemer is.Dit betekent onder andere dat een slachtoffer wel kan deelnemen aan hetstrafproces en daar zijn rechten kan uitoefenen, maar dat hij, behalveindien hij zich heeft gevoegd als benadeelde partij, geen procespartij iszoals het openbaar ministerie en de verdachte. In het strafproces staat inde eerste plaats de vraag centraal of de verdachte het tenlastegelegdestrafbare feit heeft begaan en, zo ja, welke straf of maatregel dan moetworden opgelegd. Indien een vordering benadeelde partij is ingediend,staat daarnaast de vraag ter beantwoording of deze vordering kan wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11113 toegewezen. Tegen een afwijzing van de vordering van de benadeeldepartij staat zelfstandig hoger beroep open indien deze vordering meer dan€ 1.750 bedraagt. Als het slachtoffer in algemene zin meer rechtsmiddelenter beschikking krijgt, kan dat forse consequenties hebben voor deinrichting van het strafproces. De door het Fonds Slachtofferhulpvoorgestelde wijziging raakt de positie van het openbaar ministerie, deverdachte en de verdediging, evenals de rol van de rechtspraak. De balansin het Nederlandse strafproces – op het vlak van de positie van deverschillende procesdeelnemers – kan hierdoor onder druk komen testaan. Dit geldt in het bijzonder als het slachtoffer een beroep kan doen opeen voorziening in rechte die de positie van de verdachte raakt.Van belang is dat de rechter er waar mogelijk op toeziet dat slachtoffer-rechten kunnen worden uitgeoefend. Een voorbeeld hiervan is het gevaldat het slachtoffer niet is geïnformeerd over de datum en plaats van deterechtzitting waar «zijn zaak» wordt behandeld. Als het slachtoffer heeftlaten weten gebruik te willen maken van zijn spreekrecht, dan zal derechter op de terechtzitting nagaan of het slachtoffer correct isopgeroepen. Verder ligt het in de rede dat de rechter de zaak aanhoudt alshet slachtoffer niet is verschenen en blijkt dat hij niet is geïnformeerd,terwijl hij wel had aangegeven spreekrecht te willen uitoefenen. Zie ookhet antwoord op vraag 123, waarin het aanhoudingenprotocol istoegelicht. Een ander voorbeeld is dat de rechter kan nagaan of hetslachtoffer op de zitting bijstand ontvangt door een advocaat en – waarnodig – door een tolk.Een ander aspect is dat de introductie van voorzieningen in rechte niet perdefinitie leidt tot een betere waarborging van slachtofferrechten. In eenaantal gevallen is dat wel mogelijk en voor die situaties is al een rechts-middel beschikbaar. Een voorbeeld hiervan is artikel 1.5.15. Deze bepalingbiedt het slachtoffer de mogelijkheid een bezwaarschrift in te dienen bij derechter-commissaris. Dit bezwaarschrift kan onder meer betrekkinghebben op de afwijzing van een verzoek om kennisneming van de(volledige) processtukken stukken bij de processtukken te voegen en deafwijzing van een verzoek om vertaling van schriftelijke informatie ofprocesstukken. Daarnaast zijn er situaties waarin een rechtsmiddel geenoplossing biedt voor het niet-naleven van voorschriften om ervoor tezorgen dat het slachtoffer zijn rechten binnen het strafproces kaneffectueren. Als het slachtoffer als toeschouwer bij de zitting had willenzijn, maar hij niet is geïnformeerd over de datum en plaats van de zittingen de zittingsdatum is gepasseerd en de rechter heeft besloten de zaakniet aan te houden, dan biedt een voorziening in rechte geen soelaas voorherstel. De omissie kan achteraf niet meer ongedaan worden gemaakt.Een ander voorbeeld is het geval waarin het slachtoffer heeft verzocht inkennis te worden gesteld van de invrijheidstelling of ontsnapping van deverdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt of van de veroor-deelde. Als de verdachte of veroordeelde in vrijheid is gesteld zonder dathet slachtoffer is geïnformeerd, dan kan het slachtoffer onverwachtsgeconfronteerd worden met de verdachte of veroordeelde. Ook in diesituatie kan een voorziening in rechte de omissie niet herstellen.Het is van belang voor ogen te houden dat het introduceren van nieuwerechtsmiddelen – in het geval het slachtoffer door een verzuim eenslachtofferrecht niet heeft kunnen uitoefenen – ook afbreuk kan doen aande efficiëntie en effectiviteit van het strafproces. Het toekennen van eenrechtsmiddel moet evenredig zijn aan de ernst van de niet-naleving vanhet desbetreffende voorschrift en moet toegevoegde waarde hebben, nietalleen voor het slachtoffer, maar ook voor de kwaliteit en juistheid van destrafrechtelijke beslissing. Een rechtsmiddel kan leiden tot taakverzwaringvan het openbaar ministerie en de rechtspraak en tot verlenging vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11114 doorlooptijden. Ook in dat opzicht is voorzichtigheid geboden. Eeneffectief en vlot verlopend strafproces is nodig voor een krachtigerechtshandhaving.De idee dat het toekennen van rechtsmiddelen in alle gevallen een beterewaarborg biedt dat het slachtoffer de uitoefening van rechten kaneffectueren is, kortom, zeer betrekkelijk. De beste manier om die waarborgte bieden is in de eerste plaats het zodanig inrichten van werkprocessendat de naleving van voorschriften die de rechten van slachtoffers betreffenis verzekerd en controleerbaar is. Daarnaast wordt ingezet op hetverhogen van het slachtofferbewustzijn van de betrokken ketenorgani-saties. Verder biedt de wet voor de naleving van specifieke voorschriftenwel een remedie waar dat aangewezen is, zoals hiervoor genoemd.(125) Subsidiair doet het fonds het voorstel om in artikel 1.5.8. enartikel 1.5.10 een extra lid toe te voegen waarin wordt verplicht deuitspraak uit te stellen of de zaak open te breken. Wat zijn de uitvoerings-consequenties voor de Rechtspraak en het OM als dit voorstel tot wet zouworden verheven?125. Door het Fonds Slachtofferhulp is naar voren gebracht dat bijomissies, waardoor een slachtoffer het spreekrecht niet heeft kunnenuitoefenen of de vordering tot schadevergoeding niet heeft kunnentoelichten, de uitspraak zou moeten worden uitgesteld of de zaak zoumoeten worden «opengebroken». Wat dit laatste betreft, is niet duidelijkwat precies wordt bedoeld met het «openbreken» van een zaak. Het ligtniet in de rede mogelijk te maken dat een strafzaak waarin de rechteruitspraak heeft gedaan, terwijl nadien blijkt dat een slachtoffer hetspreekrecht niet heeft kunnen uitoefenen of de vordering tot schadever-goeding niet heeft kunnen toelichten, over moet worden gedaan. Indienhoger beroep wordt ingesteld tegen de uitspraak, zou de behandeling inhoger beroep die mogelijkheid wel alsnog bieden. Wat betreft demogelijkheid de uitspraak uit te stellen of het onderzoek op de terecht-zitting aan te houden geldt, dat de rechter bij zijn beslissing of hij hetonderzoek op de terechtzitting voortzet of onderbreekt, verschillendebelangen meeweegt. Er is dus een afwegingsruimte voor de rechter om tebeoordelen of de aanwezigheid van het slachtoffer bij afweging van allebelangen en gelet op het onderzoek, aanhouding van de behandeling vande strafzaak rechtvaardigt. Het belang van het slachtoffer is een belangrijkelement van deze afweging, maar hiernaast zijn er andere aspecten diedaar onderdeel van uitmaken.In het antwoord op vraag 124 is gewezen op de principiële en praktischeargumenten die een rol spelen bij de toekenning van meer «remedies»aan slachtoffers. Dezelfde argumenten zijn relevant als het gaat om deverplichting om de uitspraak uit te stellen of de zaak «open te breken». Inde eerste plaats geldt ook hier dat de evenwichtige verhouding tussen deverschillende procesdeelnemers binnen het strafproces hierdoor onderdruk kan komen te staan. Verder heeft een verplichting om de zaak uit testellen consequenties voor de voortgang en efficiëntie van het straf-proces. De rechtbank zal nieuwe zittingen moet inplannen om de zaak tehervatten. Elke aanhouding van een zaak legt extra beslag op de schaarsecapaciteit van zittingsruimte, rechters en officieren van justitie. Daarnaastleidt het voorstel tot extra administratieve lasten en tot extracommunicatie-momenten tussen Rechtspraak, openbaar ministerie,slachtoffer en advocaat.Het voorstel staat op gespannen voet met de ambitie om de doorloop-tijden in de strafrechtketen te verbeteren. Ook moet rekening wordengehouden met het recht van een verdachte op afdoening van de zaakbinnen een redelijke termijn. Verder kan uitstel van de uitspraak gevolgenhebben voor de tenuitvoerlegging. Dit kan weer van invloed zijn op deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11115 effectiviteit van bepaalde opgelegde voorwaarden en (reclasserings)toe-zicht. Tot slot kan het juist ook in het belang van het slachtoffer zijn om zospoedig mogelijk duidelijkheid te krijgen over de uitspraak. Dezeverschillende invalshoeken illustreren dat het belangrijk is dat de rechterin een concrete zaak kan beoordelen of aanhouding gerechtvaardigd is ofniet. De conclusie is dat ervan wordt afgezien om het voorstel om derechter te verplichten de zaak uit te stellen of aan te houden, over tenemen.(126) Ook vragen deze leden hoe de regering beter kan garanderen dateen slachtoffer ter terechtzitting de processtukken waar hij recht op heeft,ook daadwerkelijk krijgt?126. Zolang de berechting niet is aangevangen, beslist de officier vanjustitie op een verzoek van het slachtoffer om kennisneming van deprocesstukken. Hij draagt er ook zorg voor dat bij toewijzing van datverzoek het slachtoffer daadwerkelijk kan kennisnemen van de stukken.Na de aanvang van de berechting beslist tot de aanvang van hetonderzoek op de terechtzitting de voorzitter van de rechtbank en daarnade rechtbank (artikel 1.5.5, vierde lid). De verdachte kan de voorzitter vande rechtbank verzoeken te bevelen dat de officier van justitie stukkenoverdraagt met het oog op voeging daarvan bij de processtukken, dan weldat hem met het oog op de onderbouwing van zijn verzoek de inzage vandeze stukken wordt toegestaan. Wanneer op de terechtzitting een verzoekom kennisneming wordt toegewezen zal de rechter, eventueel met behulpvan de griffier of de bode voor het maken van een kopie, ervoorzorgdragen dat het slachtoffer van die stukken kan kennisnemen.(127) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van titel 5.2waarin de rechten van het slachtoffer zijn neergelegd. Deze leden zijn vanoordeel dat de verbetering van de positie van het slachtoffer met namemoet liggen in het feitelijk borgen van de al bestaande slachtofferrechten.Bereiken de regering aanwijzingen dat er in de praktijk problemen wordenervaren bij het effectueren van de slachtofferrechten?127. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid heeft het WODC opdrachtgegeven om regelmatig onderzoek te doen in de vorm van de slachtoffer-monitor. Het onderzoek betreft de ervaringen van slachtoffers, naasten ofnabestaanden met de politie, het openbaar ministerie, de rechtspraak,Slachtofferhulp Nederland, het Centraal Justitieel Incassobureau en hetSchadefonds Geweldsmisdrijven. Uit de meest recente Slachtoffermonitor(in mei 2023 gepubliceerd) blijkt dat er veel waardering is voor dejustitiële slachtofferondersteuning in het algemeen en dat er ook ruimte isvoor verbetering. Slachtoffers zijn in meerderheid positief tot zeer positiefover de huidige kwaliteit van slachtofferondersteuning in de justitiëleketen. Het blijkt dat er een samenhang is tussen de totaalwaardering vanslachtoffers en de uitkomst van het strafproces. De Tweede Kamer isgeïnformeerd over de resultaten van de slachtoffermonitor en deactiviteiten die mede naar aanleiding van de monitor zijn gestart(Kamerstukken II 2022/23, 33 552, nr. 112).Het is van groot belang dat slachtoffers hun rechten in de praktijk kunnenverwezenlijken. In de antwoorden op de vragen 106 en 107 is nadertoegelicht welke juridische ondersteuning en informatievoorzieningendaartoe voor slachtoffers beschikbaar zijn. Als het gaat om hoe deeffectuering van slachtofferrechten in de praktijk verloopt, krijgt hetministerie Justitie en Veiligheid informatie uit onderzoeken en contactenmet organisaties die bij slachtoffers van delicten betrokken zijn, zoals deadvocatuur, Slachtofferhulp Nederland, politie en openbaar ministerie. Uitdeze informatie komt naar voren dat in de praktijk veel zaken goed gaan.Ook zijn er verbeterpunten. Het Ministerie van Justitie en Veiligheidbespreekt dergelijke verbeterpunten met de ketenpartners en werkt samenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11116 met hen aan oplossingen. Daarbij wordt de oplossing niet gezocht innieuwe wetgeving, maar in maatregelen die de praktijk kunnen onder-steunen. Hierbij wordt ook de werklast en capaciteit van de ketenpartnersbetrokken. In dit verband zijn afspraken gemaakt met het openbaarministerie over een taakoverdracht door het openbaar ministerie. Hetinformeren en raadplegen van slachtoffers in de tenuitvoerlegging wordtdoor het openbaar ministerie overgedragen aan het Centraal JustitieelIncassobureau (CJIB). Deze overdracht wordt aangegrepen om hetinformeren van slachtoffers en het betrekken van hun belangen in detenuitvoerleggingsfase waar nodig te verstevigen.Naar aanleiding van signalen over zaken die beter kunnen, wordt opverschillende terreinen gewerkt aan verbeteringen. Zo zijn samen met debetrokken organisaties stappen gezet om het recht op bescherming vande privacy van slachtoffers beter te borgen. Ter uitwerking van hetamendement Van Wijngaarden/Van Toorenburg wordt toegewerkt naareen algemene maatregel van bestuur om ervoor te zorgen dat in(proces)stukken bepaalde gegevens van het slachtoffer zoals adres,telefoonnummer en woonplaats, onvermeld blijven, tenzij deze gegevensvoor door de rechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belangkunnen zijn (Kamerstukken II 2022/23, 33 352, nr. 112). Vanuit de praktijkwordt verder het belang van een goede informatiepositie van slachtoffersbenadrukt. De introductie en doorontwikkeling van het ketenbrede portaalMijnSlachtofferzaak.nl levert hier een belangrijke bijdrage aan. Slacht-offers kunnen hier via één ingang informatie vinden over de voortgang inhun zaak, ook worden er contactmogelijkheden geboden met betrokkenorganisaties (Kamerstukken II 2022/23, 33 352, nr. 112). Er wordendaarnaast ook stappen gezet om knelpunten weg te nemen bij deverwezenlijking van de mogelijkheden voor een benadeelde partij om viahet instellen van een schadevergoedingsvordering in het strafprocescompensatie voor de geleden schade te verkrijgen. Naar aanleiding vanhet advies van de Commissie Donner wordt onder meer toegewerkt naaruitbreiding van het aantal gewelds- en zedendelicten dat onder deongemaximeerde voorschotregeling valt en wordt onderzoek verricht naarnormering van schadevergoedingsbedragen en standaardisering van debehandeling van de vordering benadeelde partij in het strafproces(Kamerstukken II 2022/23, 33 352 en 29 579, nr. 111).De afgelopen decennia heeft het slachtoffer een sterkere positie in hetstrafrecht gekregen. De organisaties in de strafrechtketen, waaronder depolitie en het openbaar ministerie, hebben in dat kader veel gerealiseerd.Dat geldt ook voor Slachtofferhulp Nederland en de advocatuur. Voor eenverdere verankering in de praktijk van het strafproces is tijd nodig. In degenoemde Meerjarenagenda is uiteengezet dat de focus primair ligt hetwaarborgen van de slachtofferrechten en -voorzieningen die de afgelopenjaren zijn geïntroduceerd. Er wordt door het Ministerie van Justitie enVeiligheid en de ketenpartners stap voor stap aan gewerkt om dezeborging te realiseren. Tevens wordt een Strategische Evaluatie Agenda(SEA) ontwikkeld (Kamerstukken II 2022/2023, 33 552, nr. 112; Kamer-stukken II 2023/24, 33 552, nr. 116) waarmee meer empirische en kwantita-tieve informatie kan worden verkregen over de vraag hoe de slachtoffer-rechten in de praktijk uitvoering krijgen. Met behulp van die informatiekan nog gerichter worden bepaald welke belemmeringen bij het effec-tueren van slachtofferrechten eventueel bestaan en hoe die kunnenworden weggenomen.(128) Hoe gaat de regering ervoor zorgen dat de rechten die in hetvoorstel zijn opgenomen daadwerkelijk worden geëffectueerd?De rechten van slachtoffers die in Boek 1, Hoofdstuk 5, zijn opgenomen,zijn ook vastgelegd in het huidige Wetboek van Strafvordering (Boek I,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11117 Titel IIIA). Slachtoffers kunnen deze rechten ook nu al verwezenlijken en zijworden hierbij zo goed mogelijk gefaciliteerd. In het antwoord op vraag27 wordt toegelicht dat er voorstellen zijn gedaan om de positie vanslachtoffers verder te versterken. De beleidsinzet is erop gericht om zowelde bestaande rechten als de uitbreiding hiervan zo goed mogelijk in depraktijk te brengen. Met het oog daarop worden de procedures enwerkwijzen aangepast en wordt geïnvesteerd in ICT-voorzieningen.Ook wordt verwezen naar het antwoord op vraag 127. Naar aanleiding vansignalen uit de praktijk wordt, waar dat nodig is, ingezet op borging vande uitoefening van de rechten. Om nog beter te kunnen toetsen of de weten het ingezette beleid ook leidt tot de daarmee beoogde resultaten eneffecten voor slachtoffers, wordt in overleg met betrokken organisatieseen Strategische Evaluatie Agenda (SEA) ontwikkeld (Kamerstukken II2022/2023, 33 552, nr. 112; Kamerstukken II 2023/24, 33 552, nr. 116).Hiermee kan meer empirische en kwantitatieve informatie wordenverkregen over de vraag hoe de slachtofferrechten in de praktijkuitvoering krijgen. Met behulp van die informatie kan nog gerichterworden bepaald welke belemmeringen bij het effectueren van slachtoffer-rechten eventueel bestaan en hoe die kunnen worden weggenomen.(129) Heeft de regering overwogen om niet-naleving van deze rechtendoor het OM te sanctioneren of andere remedies te introduceren en kande regering aangeven wat deze overweging inhield?129. Zie het antwoord op vraag 124.(130) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de rechtenop zowel algemene als zaaksgebonden informatie uit de artikelen 1.5.3 en1.5.4. Hierover vragen deze leden of de regering een toelichting kan gevenover de huidige praktijk hieromtrent. Zijn er aanwijzingen dat dit in depraktijk goed loopt of juist dat dit moet worden verbeterd? Wordenmotiveringen van beslissingen die aan een slachtoffer moeten wordenuitgelegd in de praktijk voldoende uitgebreid meegegeven of wordt dit (te)beknopt gedaan? Wordt in dit kader gewerkt met standaardbrieven en zoja, bij welke aspecten? Voor het geval de praktijk moet worden verbeterdop deze punten; kan de regering toelichten op welke manier hetwetsvoorstel hier aan gaat bijdragen?130. Uit de derde meting van de slachtoffermonitor 2022 (genoemd in hetantwoord op vraag 127) blijkt onder meer dat slachtoffers die contacthebben gehad met het openbaar ministerie de informatie die zij ontvingenover het proces waarderen. Hiernaast zijn er signalen uit de praktijk dat deinformatievoorziening op onderdelen of in concrete gevallen soms tewensen overlaat. Hieronder wordt toegelicht hoe voor die aspecten aanverbetering van de informatievoorziening aan slachtoffers wordt gewerkt.Volgens de regeling in artikel 1.5.3 zorgt de officier van justitie ervoor dathet slachtoffer bij zijn eerste contact met een betrokken opsporings-ambtenaar zonder onnodige vertraging in kennis wordt gesteld vaninformatie die hem in staat stelt de rechten die hem toekomen uit teoefenen. Verder zorgt de officier van justitie ervoor dat het slachtoffer bijof na zijn eerste contact met een betrokken opsporingsambtenaar zonderonnodige vertraging in kennis wordt gesteld van zijn recht, bedoeld inartikel 1.5.4, eerste lid, om voldoende informatie te ontvangen over deaanvang en voortgang van de zaak die betrekking heeft op het tegen hembegane strafbare feit. Als de officier van justitie aan deze zorgplicht heeftvoldaan dan kan het slachtoffer ervoor kiezen om door het openbaarministerie verder over de strafzaak te worden geïnformeerd. Het openbaarministerie stuurt een brief naar het slachtoffer met drie bijlagen: eenwensenformulier, een gegevensblad en een (formulier voor een) verzoektot schadevergoeding. Het is geen taak van het openbaar ministerie om inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11118 de loop van het strafproces herhaaldelijk aan het slachtoffer te vragen ofhij informatie wenst te ontvangen. Via het portaal MijnSlachtofferzaak kanhet slachtoffer informatie over het strafproces inzien. Deze informatie isafkomstig van de diverse organisaties die zijn aangesloten bij het portaal,te weten de politie, Slachtofferhulp Nederland, het openbaar ministerie,het Schadefonds Geweldsmisdrijven en het CJIB. Het slachtoffer kan opdie manier ook de afwikkeling van een vordering tot schadevergoedingvolgen. De aangesloten ketenorganisaties, waaronder het openbaarministerie, hebben het voornemen om in 2024 te starten met hetnotificeren van slachtoffers die hebben aangegeven over de strafzaak tewillen worden ingelicht. Dat wil zeggen dat zij er dan op worden gewezendat er nieuwe informatie beschikbaar is. Deze aanpak zal geleidelijkworden uitgebouwd. Er kunnen op middellange termijn documenten viahet portaal worden geraadpleegd en de mogelijkheden voor interactie,tussen slachtoffers en deelnemende ketenorganisaties worden uitgebreid.Dit betreft bijvoorbeeld het doorgeven van informatie over beschermings-behoeften aan organisaties zoals het CJIB. Het CJIB gaat taken uitvoerenop het gebied van het informeren en raadplegen van slachtoffers in defase van tenuitvoerlegging (zie het antwoord op vraag 127). Door hetopenbaar ministerie en het CJIB wordt bekeken hoe de informatievoor-ziening aan slachtoffers, op de punten die in artikel 1.5.4 wordengenoemd, kan worden verbeterd.De informatie over sepotbeslissingen van het openbaar ministerie is nunog vaak summier. Hierbij wordt aangetekend dat het openbaar ministerieer als organisatie niet aan ontkomt om te werken met standaardbrieven.In 2022 registreerde het openbaar ministerie 179.600 nieuwe strafzaken; in95.800 strafzaken werden één of meer slachtoffers geregistreerd. In dezaken waarbij een slachtoffercoördinator optreedt – zoals bij ernstigegewelds- en zedenzaken – is er persoonlijk contact met de slachtoffers,waaronder nabestaanden. De brieven die slachtoffercoördinatoren aanslachtoffers schrijven worden toegesneden op hun individuele situatie.Het openbaar ministerie werkt aan verdere verbeteringen. De brieven diehet openbaar ministerie verzendt bij een sepotbeslissing zullen wordenaangepast. In deze brieven zal een uitgebreidere motivering wordenopgenomen. Ook worden alle model-slachtofferbrieven opnieuw bekekenen aangepast. Het doel hiervan is te zorgen voor juiste, eenvoudige envoldoende zaaksgebonden informatie.Het in de praktijk brengen van slachtofferrechten en het voldoen doorpolitie en openbaar ministerie aan de zorgplicht ten aanzien van voorzie-ningen voor slachtoffers vergt voortdurende aandacht van de keten-partners. Waar nodig worden de werkprocessen verbeterd. Momenteelwordt er geen aanleiding gezien voor verdere normering in de wet, maarwordt ingezet op verbetering om de rechten in de praktijk te borgen.Overigens kennen de artikelen 1.5.3 en 1.5.4 beide een delegatie-grondslag, op grond waarvan het mogelijk is nadere regels te stellen, alsdat in de toekomst nodig zou zijn. Artikel 1.5.3, tweede lid, bepaalt dat bijof krachtens algemene maatregel van bestuur nadere regels wordengesteld over de inhoud, het aanbieden en verstrekken van de informatieals bedoeld in het eerste lid van dat artikel (de algemene informatie).Artikel 1.5.4, zevende lid, maakt het mogelijk om bij ministeriële regelingregels te stellen inzake het recht van het slachtoffer om informatie teontvangen in verband met de zaak en het in kennis stellen van hetslachtoffer van informatie in verband met de zaak. Het voornemen is omde inhoud van de bestaande algemene maatregel van bestuur en van degenoemde ministeriële regelingen onder vigeur van het nieuwe wetboekin stand te laten. Dit betreft het Besluit slachtoffers van strafbare feiten(Stb. 2016, 310), de Regeling algemene informatievoorziening slachtoffersTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11119 (Stcrt. 2017, nr. 18951) en de Regeling verstrekken zaaksinformatie aanslachtoffers (Stcrt. 2017, nr. 18999).(131) De leden van de D66-fractie merken met betrekking tot artikel 1.5.4.,eerste lid, sub f, op dat zij hebben vernomen dat het in de praktijk somsvoorkomt dat een slachtoffer niet op de hoogte is van het feit dat er eenzitting plaatsvindt. In een dergelijk geval kan een slachtoffer zijn of haarrechten niet uitoefenen. Heeft de regering gelijkluidende aanwijzingen?Wat moet volgens de regering in een dergelijke situatie, waarin blijkt dathet slachtoffer niet op de hoogte is van het plaatsvinden van de zitting,gebeuren?131. Het slachtoffer kan in het strafproces verschillende rollen vervullenen verschillende rechten uitoefenen, zoals het uitoefenen van hetspreekrecht, het optreden als benadeelde partij of het bijwonen van deterechtzitting als toeschouwer. De regeling van het informeren van hetslachtoffer over de zitting en diens oproeping daarvoor hangt samen metde rol die het slachtoffer vervult. In elk geval geldt dat slachtoffers kunnenlaten weten of zij op de hoogte willen worden gehouden van devoortgang van de strafzaak (artikel 1.5.3, eerste lid). Als slachtoffers dathebben verzocht is de officier van justitie verplicht om aan slachtoffersinformatie te geven over de datum, tijd en plaats van het onderzoek op deterechtzitting (artikel 1.5.4, eerste lid, onderdeel f). Op grond vanartikel 4.1.11, derde lid, roept de officier van justitie voor de terechtzittingop: het slachtoffer dat daarom heeft verzocht en de persoon die op grondvan artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen en om oproeping heeftverzocht. De officier van justitie roept ook de benadeelde partij op(artikel 4.1.11, derde lid, in verbinding met artikel 4.4.3).Uit contacten met organisaties uit de strafrechtketen blijkt dat het in depraktijk af en toe voorkomt dat een slachtoffer niet wordt geïnformeerdover een zitting. Dat kan verschillende oorzaken hebben. Bij het openbaarministerie kan men in voorkomend geval een administratieve vergissingmaken, maar het komt ook voor dat een slachtoffer bijvoorbeeld isverhuisd en geen adreswijziging aan het openbaar ministerie heeftdoorgegeven of dat een oproeping het slachtoffer om een andere redenniet of te laat heeft bereikt.Als een slachtoffer niet wordt geïnformeerd over een zitting, dan wordt hijbelemmerd in de uitoefening van zijn rechten. Dit geldt ook als hetslachtoffer niet tijdig wordt geïnformeerd, want de uitoefening vanrechten vergt voorbereidingstijd, bijvoorbeeld ten aanzien van hetgeen debenadeelde partij op de zitting naar voren wil brengen als onderbouwingvan zijn vordering. De beslissing of de inhoudelijke behandeling van dezaak doorgang moet vinden of moet worden aangehouden is aan derechter. Hij zal aan de hand van de processtukken nagaan of het slacht-offer op de hoogte is gesteld van de zittingsdatum of daarvoor isopgeroepen. In geval het slachtoffer te kennen had gegeven van zijnspreekrecht gebruik te willen maken of een reeds ingediende vorderingbenadeelde partij nader te willen toelichten en, hoewel opgeroepen voorde zitting, niet aanwezig is, zal de rechter moeten afwegen of eraanleiding is de behandeling aan te houden. Indien het dossier al eenuitvoerige schriftelijke slachtofferverklaring bevat of als de rechterbeschikt over een volledig ingevuld voegingsformulier dat voldoendegestaafd is, kan hij besluiten dat hij voldoende is voorgelicht (zie hetlandelijk aanhoudingenprotocol). Zoals in het antwoord op vraag 123werd toegelicht blijft de geldende beoordelingsruimte voor de rechter ookin het nieuwe wetboek bestaan.(132) De leden van de D66-fractie merken op dat een steeds groter aantalzaken buitengerechtelijk wordt afgedaan, bijvoorbeeld via een strafbe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11120 schikking. Deze leden zijn van mening dat dit een goede manier kan zijnom de doorlooptijden binnen strafzaken omlaag te krijgen en dat dit in hetbelang is of kan zijn van zowel de verdachte als het slachtoffer. Vanuit hetslachtoffer beredeneerd moet er wel een goede balans zijn tussen desnelheid van afdoening en het kunnen uitoefenen van slachtofferrechten,zoals het spreekrecht en het recht op schadevergoeding. Deze leden doende suggestie om een (minder vrijblijvende) mogelijkheid te creëren om inhet kader van een strafbeschikkingstraject op een (laagdrempelige)manier, die recht doet aan alle betrokken belangen, invulling te geven aanslachtofferrechten. Indien dit op een wijze gebeurt waardoor ook hetslachtoffer tevreden is met de gang van zaken, is het mogelijk om in eenstrafbeschikkingstraject de belangen van een verdachte en slachtofferdichter bij elkaar te krijgen. Kan de regering hier op reageren?132. Het openbaar ministerie houdt bij het uitvaardigen van een strafbe-schikking zoveel mogelijk rekening met de belangen van slachtoffers. Derechten van het slachtoffer moeten ook worden gewaarborgd als de zaakwordt afgedaan met een strafbeschikking. De wijze waarop dat gebeurt isuiteengezet in het antwoord op de vragen 75 en 115. Daar is ook toege-licht dat en waarom niet wordt voorzien in een recht van het slachtofferom bij het horen van de verdachte aanwezig te zijn of daar zijn spreek-recht uit te oefenen.In aanvulling daarop kan nog worden opgemerkt dat het openbaarministerie in beginsel aan elk slachtoffer een bericht stuurt als hetproces-verbaal tegen de verdachte door de opsporingsinstantie naar hetopenbaar ministerie is gestuurd. Bij de ontvangstbevestiging wordtalgemene informatie gevoegd over de gang van zaken bij het openbaarministerie, waarin onder meer wordt gewezen op de mogelijkheden totbemiddeling en het bestaan van slachtofferhulporganisaties. Bij deontvangstbevestiging worden ook een wensenformulier en een schade-vergoedingsformulier gevoegd. In het wensenformulier wordt hetslachtoffer inmiddels expliciet gewezen op de mogelijkheid om eenschriftelijke slachtofferverklaring te geven, zodat de officier van justitie debelangen van het slachtoffer nog beter kan meewegen (Kamerstukken II33 552, nr. 116, p. 2). Het slachtoffer kan het wensenformulier gebruikenom aan het openbaar ministerie zijn belangen kenbaar te maken en aan tegeven van welke rechten hij gebruik wil maken. Het OM brengt hetslachtoffer tijdig op de hoogte van de datum van het OM-hoor-gesprekmet de verdachte, zodat het slachtoffer stukken ter onderbouwing van eenmogelijk schadeverhaal tijdig kan indienen. De officier van justitie kan eenschadevergoedingsmaatregel opleggen als het slachtoffer laat weten dateen schadevergoeding gewenst is en het slachtoffer het openbaarministerie tijdig en onderbouwd heeft geïnformeerd over de geledenschade. Na uitvaardiging van de strafbeschikking wordt het slachtoffer datdaarom heeft verzocht door het openbaar ministerie geïnformeerd overde inhoud van de strafbeschikking en over de vraag of de bestrafte aan destrafbeschikking heeft voldaan.Al met al kan in het kader van de afdoening met een strafbeschikkinginvulling worden gegeven aan slachtofferrechten op een wijze die rechtdoet aan alle betrokken belangen.(133) De leden van de CDA-fractie lezen dat de vertaling die aan hetslachtoffer moet worden verstrekt, niet mag worden geweigerd. Dezeleden lezen ook dat met het oog op de omvang van de informatie wel kanworden getoetst in hoeverre de informatie noodzakelijk is om de rechtenvan het slachtoffer te kunnen uitoefenen. Deze leden vragen door wie ofwelke instantie deze toets wordt uitgevoerd.133. De toets in hoeverre vertaling van de informatie noodzakelijk is omde rechten van het slachtoffer te kunnen uitoefenen wordt primairuitgevoerd door de instantie waaraan het verzoek tot vertaling is gericht.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11121 Het verzoek om informatie te vertalen wordt gericht aan de officier vanjustitie en tijdens de tenuitvoerlegging aan de Minister (artikel 1.5.7, vijfdelid).Tegen de kennisgeving van de officier van justitie of de Minister dat zijnverzoek om vertaling van schriftelijke informatie of processtukken isafgewezen kan het slachtoffer een bezwaarschrift indienen bij derechter-commissaris (artikel 1.5.15, eerste lid, onderdeel d). Alvorens tebeslissen op een bezwaarschrift tegen de afwijzing van de Minister hoortde rechter-commissaris het slachtoffer en de Minister.(134) De leden van de SGP-fractie lezen dat het uitgangspunt vanartikel 1.1.4 is dat strafvordering plaatsvindt op een wijze die recht doetaan de belangen van de slachtoffers. Deze leden constateren dat hetwetsvoorstel allerhande verbeteringen ten opzichte van verdachte regelt,maar dat er geen voorstellen zijn gedaan tot verbetering van de positievan het slachtoffer. Deze leden vragen de regering te reflecteren opartikel 1.1.4 en de vraag in hoeverre het wetsvoorstel inderdaad aan debelangen van de slachtoffers recht doet.134. Zie het antwoord op de vragen 16 en 27.(135) Deze leden vragen tevens of het opportuniteitsbeginsel van deofficier van justitie en de capaciteit bij politie en OM niet te vaak leidt toteen conflict tussen de belangen van het slachtoffer en bovengenoemdefactoren. Deze leden vragen of bezien moet worden of de negatieveinterpretatie van het opportuniteitsbeginsel in de praktijk weer leidendwordt en gecodificeerd moet worden zodat slachtoffers daar rechten aankunnen ontlenen.135. Strafvordering heeft plaats op een wijze die recht doet aan debelangen van het slachtoffer. Dit leidende beginsel is vastgelegd inartikel 1.1.4. Dit beginsel geldt onverkort bij de toepassing van hetopportuniteitsbeginsel, dat is neergelegd in artikel 1.3.4. Het opportuni-teitsbeginsel brengt mee dat de officier van justitie niet verplicht is om tevervolgen. Ook in gevallen waarin hij een veroordeling haalbaar acht, kanhij van vervolging afzien. Het seponeren op gronden aan het algemeenbelang ontleend, vraagt om een belangenafweging. Dit kan bijvoorbeeldvergen dat de beperkte opsporings- en vervolgingscapaciteit moetworden afgewogen tegen het algemeen belang dat de strafwet wordtgehandhaafd en dat slachtoffers genoegdoening wordt verschaft. Eenwaarborg voor een evenwichtig vervolgings- en sepotbeleid, waarin debelangen van het slachtoffer zijn gewaarborgd, is gelegen in hetopsporings- en vervolgingsbeleid dat voor een belangrijk deel isvastgelegd in algemene aanwijzingen (richtlijnen) die door het Collegevan procureurs-generaal zijn vastgesteld. De officier van justitie is daaraanbij het nemen van de vervolgingsbeslissing gebonden. De officier vanjustitie is, zoals blijkt uit artikel 3.1.1, bij het nemen van de vervolgingsbe-slissing, verder gebonden aan de beginselen van een goede procesorde,waaronder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke enbillijke belangenafweging. In concrete gevallen kunnen slachtoffers zichtegen onredelijk gebruik van het opportuniteitsbeginsel door hetopenbaar ministerie beklagen bij het gerechtshof (Boek 3, Hoofdstuk 5).Daarmee is verzekerd dat rechtsbescherming kan worden geboden aanslachtoffers die rechtstreeks worden geraakt door het achterwege blijvenvan vervolging. Tegen deze achtergrond zijn op basis van het opportuni-teitsbeginsel genomen beslissingen over vervolging met toereikendewaarborgen is omgeven, die een zorgvuldige en afgewogen toepassingdaarvan verzekeren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11122 5.3 De benadeelde partij (136) De leden van de D66-fractie lezen in de toelichting dat een scherperonderscheid nodig wordt geacht tussen de begrippen slachtoffer enbenadeelde partij. Onder het huidige systeem bestaat echter ook alonderscheid tussen deze begrippen. Kan de regering toelichten waaromdit onderscheid scherper moet worden? Kan de regering daarbijvoorbeelden noemen van situaties waaruit blijkt dat het onderscheidmomenteel niet scherp genoeg is?136. De redenen waarom een scherper onderscheid tussen het slachtofferenerzijds en de benadeelde partij anderzijds nodig wordt geacht, zijn devolgende. Bij de introductie van bepalingen over het slachtoffer in hetWetboek van Strafvordering in 2011 is aansluiting gezocht bij de destijdsal bestaande regeling van de benadeelde partij en daarmee ook bij hetciviele schadevergoedingsrecht. Die aansluiting is naar huidig inzichtminder gelukkig, omdat het bij de toekenning van slachtofferrechten gaatom meer dan alleen schadevergoeding. Het recht op informatie over destrafzaak komt bijvoorbeeld ook toe aan het slachtoffer dat geen schadeheeft geleden die op grond van het burgerlijk recht voor vergoeding inaanmerking komt. In het nieuwe wetboek wordt daarom verduidelijkt datiemand slachtoffer kan zijn zonder benadeelde partij te zijn. Omgekeerd isook de kring van personen die zich als benadeelde partij in het strafproceskunnen voegen in een bepaald opzicht ruimer dan de kring van slacht-offers. Ook erfgenamen onder algemene titel kunnen zich op grond vanartikel 1.5.10, tweede lid, als benadeelde partij voegen, hoewel zij geenslachtoffers hoeven te zijn in de zin van artikel 1.5.1. Daarom is in hetnieuwe wetboek een eigen definitie van de benadeelde partij opgenomen(zie artikel 1.5.1, onderdeel f). Deze definitie heeft een technisch karakteren verwijst naar de personen die zich op grond van Boek 1, Titel 5.3, meteen vordering tot schadevergoeding in het strafproces kunnen voegen.Daarmee wordt buiten twijfel gesteld dat wanneer elders in het nieuwewetboek over een «benadeelde partij» wordt gesproken, daaronder allezojuist bedoelde personen zijn begrepen. Om duidelijkheid te scheppenop de bedoelde punten en misverstanden daarover te voorkomen wordtaldus in de nieuwe wettelijke regeling een scherper onderscheid gemaakttussen de begrippen «slachtoffer» en «benadeelde partij».(137) De leden van de D66-fractie lezen dat de benadeelde partij ookontvankelijk is als de verdachte met toepassing van artikel 39 Wetboekvan Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging. Kan de regeringtoelichten waar in dit kader het verschil zit tussen artikel 39 en de anderestrafuitsluitingsgronden?137. De benadeelde partij is alleen ontvankelijk in haar vordering indiende verdachte wordt veroordeeld dan wel met toepassing van artikel 39van het Wetboek van Strafrecht wordt ontslagen van rechtsvervolging(artikel 1.5.11, eerste lid, onderdeel a). Dat impliceert dat de benadeeldepartij niet-ontvankelijk is in haar vordering als de verdachte wordtvrijgesproken of vanwege de toepasselijkheid van een andere strafuitslui-tingsgrond wordt ontslagen van rechtsvervolging. Dit onderscheid tussenontoerekeningsvatbaarheid enerzijds en de overige strafuitsluitings-gronden anderzijds berust op het volgende. Ontoerekeningsvatbaarheidvormt naar burgerlijk recht geen grond voor afwijzing van de vordering.De omstandigheid dat een gedraging is verricht onder invloed van eengeestelijke tekortkoming is namelijk geen beletsel haar als een onrecht-matige daad aan de dader toe te rekenen (artikel 6:165 van het BurgerlijkWetboek). De mogelijkheid van de benadeelde partij om zich met haarvordering tot schadevergoeding te voegen in het strafproces heeftbetrekking op schade die op grond van het burgerlijk recht voorvergoeding in aanmerking komt. Daarom ligt het in de rede om ook op hetpunt van de ontoerekeningsvatbaarheid aansluiting te zoeken bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11123 civiele schadevergoedingsrecht. Overigens wordt ook in het strafrecht opeen belangrijk punt onderscheid gemaakt tussen ontoerekeningsvat-baarheid en andere strafuitsluitingsgronden. In gevallen waarin het feitwegens een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van degeestvermogens niet aan de verdachte kan worden toegerekend en omdie reden een ontslag van rechtsvervolging volgt, kan immers wel demaatregel van terbeschikkingstelling worden opgelegd (artikel 37a, eerstelid, Wetboek van Strafrecht). Bij toepasselijkheid van andere strafuitslui-tingsgronden is dat niet mogelijk. Anders dan in het huidige wetboek(artikel 361, tweede lid) is voor de ontvankelijkheid van de benadeeldepartij in het nieuwe wetboek niet meer relevant of die maatregelinderdaad aan de ontoerekeningsvatbare verdachte is opgelegd.(138) De leden van de D66-fractie constateren dat in artikel 1.5.11 deontvankelijkheidseis onder b anders is verwoord dan nu het geval is. Hetvalt deze leden op dat het element «door de verdachte is erkend» isgeschrapt. Kan de regering toelichten waarom dit is geschrapt?138. In de formulering van de in artikel 1.5.11, eerste lid, onderdeel b,opgenomen ontvankelijkheidseis is de zinsnede «door de verdachte iserkend» geschrapt omdat is aangesloten bij de aanduiding van een in deprocesinleiding opgenomen, ad informandum gevoegd feit in artikel 4.1.1,vierde lid. Daarin is bepaald dat indien de officier van justitie met het oogop het bepalen van de straf een niet tenlastegelegd feit op de terecht-zitting ter sprake wenst te brengen, hij dit feit in de procesinleiding kortaanduidt. In die formulering is niet opgenomen dat het feit door deverdachte is erkend. Daarom is dit vereiste ook vervallen in de aanduidingvan de ontvankelijkheidseis van de vordering van de benadeelde partij.Met de gewijzigde formulering is geen inhoudelijke verandering beoogd.Bij een ad informandum gevoegd feit gaat het om een feit dat of feiten dieniet zijn tenlastegelegd, maar waarvan de officier van justitie het wenselijkvindt dat de rechter dat feit of die feiten bij de strafoplegging meeweegt.De rechter kan het ad informandum gevoegde feit volgens vaste jurispru-dentie slechts meewegen bij de straf als de verdachte het feit zondervoorbehoud heeft erkend (HR 29 november 1983, NJ 1984/277; HR12 november 1985, NJ 1986/421; ECLI:NL:HR:2009:BK0949, NJ 2010/174).De codificatie van de voeging ad informandum in artikel 4.1.1 strekt er niettoe in deze rechtspraak wijziging te brengen. In de formulering van hetvereiste van ontvankelijkheid van de benadeelde partij, met name dezinsnede «en waarmee door de rechtbank bij de strafoplegging rekeningis gehouden», ligt het uit de rechtspraak voortvloeiende vereiste vanerkenning van het feit door de verdachte dus nog altijd besloten.5.4 Rechtsmiddelen (139) De leden van de D66-fractie constateren dat in het wetsvoorstel isvoorzien in meer mogelijkheden om bezwaar te maken tegen afwijzendebeslissingen van de officier van justitie. Het slachtoffer krijgt demogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen tegen de afwijzing vaneen verzoek tot het voegen van door hem ingediende stukken en tegen dekennisgeving dat de aan het slachtoffer ter kennisneming gegevenstukken niet volledig zijn. De bezwaarschriftmogelijkheid tegen debeslissing dat een slachtoffer geen kopie krijgt van bepaalde stukkenbestond al. Verwacht de regering dat de nieuwe bezwaarmogelijkhedenervoor gaan zorgen dat slachtoffers en benadeelde partijen vakerdaadwerkelijk de stukken gaan krijgen die zij ter voorbereiding op dezitting nodig hebben? Kan de regering onderbouwen waarom wel of niet?139. De regeling van het recht van het slachtoffer op de voeging enkennisneming van processtukken, waarop een nadere toelichting isgegeven in antwoord op vraag 118, is verbeterd en de positie van hetslachtoffer met betrekking tot de processtukken is versterkt. Het slacht-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11124 offer hoeft bij een verzoek om kennisneming niet langer aan te tonen datde procestukken voor hem van belang zijn. De officier van justitie krijgtconcrete handvatten om in voorkomend geval de kennisneming van(bepaalde gedeelten van) processtukken te onthouden na een belangenaf-weging. En het slachtoffer kan bij afwijzing van een verzoek in meergevallen bezwaar maken bij de rechter-commissaris. Daarmee wordt aanin de praktijk ervaren en in de literatuur gesignaleerde bezwaren die aande huidige regeling kleven tegemoetgekomen. Juist omdat de regelingveel duidelijker in haar toepassingsbereik is geworden en bovendien inruimere mate dan in het huidige recht is voorzien van de mogelijkheid ombij weigering van de officier van justitie het oordeel van de rechter-commissaris in te winnen, lijkt de verwachting niet ongerechtvaardigd datslachtoffers in ruimere mate van de stukken zullen worden voorzien die zijter voorbereiding op de zitting nodig zullen hebben.(140) De leden van de D66-fractie vragen omtrent de bezwaarschriftmoge-lijkheden ook binnen welke termijn een beslissing van de rechter-commissaris moet worden gegeven en wat de regering verwacht van deinhoud van deze beslissingen. Geeft de rechter-commissaris inhoudelijkeoverwegingen mee waaruit ook een lijn kan worden afgeleid voor nog tenemen beslissingen door het OM of wordt volstaan met een beknopteindoordeel?140. De rechter-commissaris beslist zo spoedig mogelijk op een bezwaar-schrift (artikel 1.2.32). Volgens het beslismodel in de algemene regelingvoor het indienen van en beslissen op rechtsmiddelen in Boek 5 verklaartde rechter-commissaris het bezwaarschrift niet-ontvankelijk of ongegronddan wel gegrond. In het laatste geval kan hij bevelen hetgeen volgens dewet behoort of had behoren plaats te vinden (artikel 5.6.1). Dit impliceertdat uit de beslissing duidelijk wordt wat moet gebeuren. Bij gegrondver-klaring van het bezwaarschrift dat het slachtoffer op grond vanartikel 1.5.15 bij de rechter-commissaris kan indienen tegen daaromschreven beslissingen van de officier van justitie bijvoorbeeld kan derechter-commissaris het verzoek om kennisneming of vertaling vanprocesstukken alsnog – al dan niet gedeeltelijk – toewijzen.(141) De leden van de CDA-fractie lezen dat op grond van de huidigeregeling het slachtoffer geen rechtsmiddel toekomt tegen de afwijzing vande officier van justitie van een verzoek om kennis te nemen van proces-stukken, maar dat in het nieuwe artikel 1.5.15 hierin wel wordt voorzien.Deze leden vragen of het in de lijn der verwachting ligt dat dit nieuwerechtsmiddel regelmatig wordt ingezet, en in die lijn vragen deze ledenook of in de huidige regeling daarin een gebrek wordt gevoeld.141. Zie het antwoord op de vragen 118 en 136.6. De getuige (142) De leden van de VVD-fractie vragen waarom de regering er niet voorheeft gekozen om de getuige te verplichten naar waarheid te verklaren.Weliswaar is de getuige niet verplicht te verschijnen, maar dat laatvolgens deze leden onverlet dat indien de getuige verschijnt naarwaarheid verklaart dient te worden. Kan de regering hierbij ook aangevenof in de ons omringende landen getuigen worden verplicht naar waarheidte verklaren?142. Er is niet voor gekozen om in Boek 1, Hoofdstuk 6, een algemenebepaling op te nemen die inhoudt dat de getuige verplicht is om naarwaarheid te verklaren. Deze keuze is gemaakt tegen de achtergrond vande verschillen tussen een verhoor door een opsporingsambtenaar en eenverhoor door de rechter(-commissaris). Een getuige die wordtopgeroepen om op een zitting een verklaring af te leggen is verplicht omte verschijnen en een verklaring af te leggen, en wordt beëdigd dat hij deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11125 gehele waarheid en niets dan de waarheid zal zeggen (artikel 4.2.37, derdelid). Indien hij weigert om te verschijnen of te antwoorden op vragen, kanhij worden vervolgd op grond van de artikelen 444 en 192 Sr, en indien hijopzettelijk een valse verklaring aflegt, kan hij worden vervolgd op grondvan artikel 207 Sr (meineed). In het nieuwe wetboek zijn deze uitgangs-punten eveneens van toepassing op het verhoor door de rechter-commissaris; de getuige is verplicht op de oproeping van de rechter-commissaris te verschijnen (artikel 2.10.26). Anders dan in het huidigewetboek, waarin het huidige artikel 216 specifiek aanduidt in welkegevallen een getuige moet of kan worden beëdigd, is bepaald dat degetuige door de rechter-commissaris in alle gevallen wordt beëdigd(artikel 2.10.30). De reden voor deze laatste wijziging is dat getuigen diedoor de rechter-commissaris zijn verhoord in veel gevallen niet opnieuwop de terechtzitting worden verhoord (en daar dus niet alsnog beëdigdworden), terwijl die verklaringen wel als bewijsmiddel worden gebruikt.Het verhoren onder ede blijft in het nieuwe wetboek voorbehouden aande rechter en blijft gekoppeld aan de plicht om te verschijnen en tespreken. Voor het politieverhoor gelden deze uitgangspunten niet:getuigen zijn niet verplicht om te verschijnen en te verklaren bij eenpolitieverhoor. Dat neemt niet weg dat het van belang is dat ook de bij depolitie afgelegde verklaring van de getuige in overeenstemming is met dewaarheid en controleerbaar is. In Boek 1, Hoofdstuk 6 zijn daarom normenvastgelegd voor de verhorende ambtenaar die daaraan bijdragen en dieop alle verhoren van toepassing zijn. Eén van die voorschriften houdt indat de verhorende ambtenaar ervoor zorgt dat de getuige bij zijnverklaring zoveel mogelijk uitdrukkelijk opgeeft welke feiten en omstan-digheden hij heeft waargenomen en ondervonden en wat zijn redenenvan wetenschap zijn (artikel 1.6.3).Een mededeling aan de getuige dat hij verplicht is naar waarheid teverklaren, kan echter bij de getuige ten onrechte de indruk wekken dat hijtot antwoorden verplicht is. In het bijzonder in het geval waarin een latereverdachte of medeverdachte in eerste instantie is verhoord als getuige,kan dit problematisch zijn voor het latere gebruik van die verklaring in destrafzaak (EHRM van 14 oktober 2010, NJ 2011/386 (Brusco/Frankrijk).Naar aanleiding van de vraag naar de verplichtingen voor getuigen bij hetpolitieverhoor in ons omringende landen heeft een beknopte verkenningplaatsgevonden. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat decontext van opsporing en vervolging, alsmede de verdeling van bevoegd-heden tussen de politie, de rechter-commissaris of onderzoeksrechter ende zittingsrechter verschillen per land. Niettemin tekent zich het beeld afdat evenals in Nederland in diverse landen (Duitsland en Frankrijk) hetverhoor bij de politie minder verplichtingen voor getuigen meebrengt danhet verhoor bij de rechter. Getuigen zijn niet verplicht om een eed af teleggen voorafgaand aan het politieverhoor en hebben geen spreekplicht.In Duitsland en Frankrijk geldt wel een verschijningsplicht voor getuigendie worden opgeroepen voor verhoor door het openbaar ministerierespectievelijk de politie. In het Duitse recht wordt bovendien iederegetuige vermaand de waarheid te spreken (artikel 57 Strafprozess-ordnung). Voor zover van toepassing wordt de getuige gewezen op destrafrechtelijke gevolgen van het afleggen van een onjuiste verklaring enover de mogelijkheid van beëdiging. Dit voorschrift, dat aan de rechter isgericht, geldt via schakelbepalingen ook voor het getuigenverhoor doorhet openbaar ministerie en de politie (artikelen 161a, eerste lid, en 163,derde lid, Strafprozessordnung). In het Belgische en Franse recht zijnvergelijkbare bepalingen niet aangetroffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11126 6.1 Algemene bepalingen met betrekking tot het verhoor van de getuige (143) De rapporteurs vragen of nader zou kunnen worden toegelichtwaarom er niet voor is gekozen in hoofdstuk 6 op te nemen dat de getuigenaar waarheid moet verklaren.143. Zie het antwoord op vraag 142.(144) Op grond van artikel 1.6.2 lid 1 moet de getuige erop wordengewezen dat hij recht heeft op rechtsbijstand. Wat is de omvang van ditrecht op (gefinancierde) rechtsbijstand van de getuige? In welke gevallenzou volgens de regering de getuige een recht op rechtsbijstand moetenhebben? Onder welke omstandigheden zou gefinancierde rechtsbijstandaan de getuige aan de orde moeten zijn?144. Getuigen kunnen zich op verschillende manieren laten bijstaan in hetopsporingsonderzoek. Zij kunnen voorafgaand aan het verhoor op eigeninitiatief een advocaat raadplegen voor advies en informatie. Ook wordtde advocaat van de getuige toegelaten tot het verhoor van de getuigedoor een opsporingsambtenaar of een rechter-commissaris, tenzij hetbelang van het onderzoek of het belang van de getuige zich daartegenverzet (artikelen 2.3.12 en 2.10.26).Diverse bepalingen in het nieuwe wetboek geven daarnaast aan bepaaldecategorieën getuigen het recht om zich te laten bijstaan door of zich teberaden met een advocaat. Getuigen die worden gegijzeld kunnenbijvoorbeeld gedurende de gijzeling overleggen met een advocaat(artikel 2.10.38). Bedreigde getuigen en getuigen aan wie toezeggingenzijn gedaan hebben het recht zich te laten bijstaan door een advocaat (deartikelen 2.10.39, tweede lid, en 2.10.60, eerste lid). Indien laatstgenoemdegetuigen nog geen rechtsbijstand hebben, wordt voor hen een advocaataangewezen. Ook kunnen verdachten worden verhoord als getuige in dezaak van een medeverdachte. In die gevallen wordt op grond vanartikel 2.10.12 een raadsman aangewezen, indien de verdachte nog geenraadsman heeft terwijl een raadsman wel bevoegd zou zijn het verhoor bijte wonen.Getuigen die tevens slachtoffer zijn, kunnen zich in hun hoedanigheid alsslachtoffer op grond van artikel 1.5.6 doen bijstaan tijdens het opsporings-onderzoek en op de terechtzitting.De vraag in welke situaties een getuige zich kan laten bijstaan door eenadvocaat moet worden onderscheiden van de vragen of de overheidambtshalve een advocaat voor de getuige aanwijst en of die rechtsbij-stand ook voor financiering van overheidswege in aanmerking komt. In degevallen waarin voor de getuige een advocaat wordt aangewezen is hetde verantwoordelijkheid van de raad voor rechtsbijstand om voor degetuige een beschikbare advocaat te benaderen. De bijstand door dieadvocaat is voor de betreffende getuige kosteloos (artikel 43, eerste lid,Wet op de rechtsbijstand).Betreft het een verdachte die als getuige wordt verhoord in de zaak vaneen medeverdachte, dan valt de rechtsbijstand in verband met datgetuigenverhoor onder het bereik van de gesubsidieerde rechtsbijstanddie al aan de getuige is toegekend in de zaak waarin hij zelf verdachte is.De bijstand door een advocaat bij het betreffende getuigenverhoor levertin dat geval geen extra kosten op voor betrokkene. Dit geldt op dezelfdewijze voor getuigen die tevens slachtoffer zijn en in die hoedanigheid inaanmerking komen voor gefinancierde rechtsbijstand; dit betreftslachtoffers en nabestaanden van zeden- of geweldsmisdrijven (zieartikel 44, vierde lid, van de Wet op de rechtsbijstand). Ook dan valt debijstand bij het getuigenverhoor onder de reeds in de hoedanigheid alsslachtoffer toegekende gefinancierde rechtsbijstand en levert dit geenextra kosten voor betrokkene op.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11127 Getuigen die niet onder een van de hiervoor genoemde categorieënvallen, kunnen bij de raad voor rechtsbijstand een aanvraag indienen voorde toevoeging van een advocaat waarbij op grond van de Wet op derechtsbijstand een draagkrachttoets plaatsvindt. De aanvrager isdaarnaast in beginsel een inkomensafhankelijke eigen bijdrageverschuldigd, maar de raad voor rechtsbijstand is bevoegd in voorko-mende gevallen af te zien van het opleggen van de eigen bijdrage(artikel 44, derde lid, van de Wet op de rechtsbijstand). In de werkin-structies van de raad voor rechtsbijstand wordt nader uitgewerkt in welkegevallen een toevoeging wordt verstrekt. Daarin is onder meeropgenomen dat een toevoeging wordt verstrekt aan getuigen die hetrisico lopen zichzelf door hun verklaring te belasten en daardoor alsnogals verdachte worden aangemerkt, alsook aan getuigen die wordengegijzeld.6.2 Verschoningsrechten (145) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van artikel 1.6.6uit het voorstel, waarin onder andere is bepaald dat getuigen zich van hetbeantwoorden van bepaalde vragen kunnen verschonen indien zedaardoor zichzelf zouden blootstellen aan het gevaar van een strafrechte-lijke vervolging. Als gevolg hiervan moet per vraag een beoordelingworden gemaakt en wordt per vraag besloten of de getuige een verscho-ningsrecht toekomt. In de praktijk komt het ook voor dat een medever-dachte in dezelfde strafzaak als getuige wordt gehoord. Soms wordt in datgeval aangenomen dat hem of haar op alle vragen een verschoningsrechttoekomt. Is overwogen om voor deze categorie getuigen een aparteregeling op te nemen in het wetboek? Vindt de regering dat getuigen dieook medeverdachte zijn in dezelfde strafzaak een algemeen verschonings-recht toekomt in plaats van een verschoningsrecht per vraag?145. In artikel 1.6.6 is de inhoud van het huidige artikel 219 overgenomenen aangevuld. De strekking blijft hetzelfde: getuigen kunnen zichverschonen van de beantwoording van bepaalde vragen indien zijdaardoor zichzelf of een verwant of (eerdere) partner aan gevaar voor eenstrafrechtelijke vervolging zouden blootstellen. De ratio van artikel 1.6.6 isdat een getuige niet mag worden gesteld voor de keuze om ofwel eenvalse verklaring af te leggen ofwel zichzelf of zijn verwanten of (eerdere)partner aan gevaar voor een strafrechtelijke vervolging bloot te stellen.Die ratio komt alleen in het geding wanneer de getuige vragen wordengesteld die dat gevaar in het leven roepen. Het geheel afzien van hetafleggen van enige verklaring is alleen voorzien in artikel 1.6.5, dat deopvolger is van het huidige artikel 217; dit betreft de getuige die eenverwant of (eerdere) partner is van de verdachte of medeverdachte. Ratiovan dit (familiair) verschoningsrecht is dat de getuige – als verwant of(eerdere) partner van de verdachte – niet mag worden verplicht enigeinformatie over de verdachte prijs te geven, onverschillig of dit informatieis die de getuige zelf of de verdachte aan het gevaar van strafrechtelijkevervolging zou blootstellen. Dit verschil zit ook in de huidige artikelen 217en 219 en is ongewijzigd overgenomen in het nieuwe wetboek. Voor watbetreft de medeverdachte die als getuige wordt verhoord in de zaak tegende verdachte komen deze bepalingen erop neer dat hij niet hoeft teverklaren als hij verwant of (eerdere) partner is van de verdachte, en datals dat niet zo is, maar hij zou door te antwoorden zichzelf of een verwantof (eerdere) partner aan het gevaar van strafrechtelijke vervolgingblootstellen, hij zich alleen kan verschonen van de beantwoording vanvragen die dat gevaar meebrengen. Voor zover in dat laatste geval alléénvragen worden gesteld waarvan de beantwoording dat gevaar oproept,hoeft de getuige per saldo op geen van deze vragen antwoord te geven.Dat komt in dat geval feitelijk neer op het niet afleggen van een verklaring.Concluderend kan worden gesteld dat deze bepalingen ook in geval eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11128 medeverdachte als getuige wordt verhoord in de zaak tegen de verdachteevenwichtig uitpakken.(146) De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting bijartikel 1.6.7 over het professioneel verschoningsrecht dat er geluiden uitde praktijk zijn dat niet alleen de klassieke verschoningsgerechtigdenmaar ook (steeds meer) andere beroepsbeoefenaren met een geheimhou-dingsplicht zich op het professioneel verschoningsrecht beroepen of dewens daartoe hebben. Kan de regering hier voorbeelden van geven? Omwelke beroepen gaat het?146. In de praktijk komt het in toenemende mate voor dat de klassiekefunctioneel verschoningsgerechtigden – dat zijn advocaten, notarissen,artsen en geestelijken – naast hun klassieke werkzaamheden anderewerkzaamheden verrichten. Er zijn bijvoorbeeld advocaten die tevens alsbedrijfsjurist of belastingadviseur optreden. Het komt voor dat zij ook voordergelijke activiteiten een beroep doen op het verschoningsrecht.Hierdoor ontstaan in de praktijk discussies en procedures over de vraag inhoeverre bepaalde informatie onder het verschoningsrecht valt. Eenvoorbeeld betreft de situatie waarin een arts, advocaat, notaris ofgeestelijke optreedt als bestuurder van een rechtspersoon. Een bestuurdervan een rechtspersoon heeft geen functioneel verschoningsrecht. Datwordt niet anders als de bestuurder een arts, advocaat, notaris ofgeestelijke is. Dit kan wel anders zijn wanneer de bestuurder in zijnhoedanigheid van arts, advocaat, notaris of geestelijke optreedt voor derechtspersoon of organisatie. Van belang is dus welke werkzaamhedenworden verricht: bestuurderswerkzaamheden (geen verschoningsrecht) ofwerkzaamheden die als «advocatuurlijk», «notarieel», «des arts» of «desgeestelijkens» kunnen worden aangemerkt.Naast het voorbeeld van de klassiek verschoningsgerechtigde die anderewerkzaamheden verricht kan ook als voorbeeld worden genoemd deberoepsbeoefenaar die een geheimhoudingsplicht heeft maar van wie– anders dan bij de klassieke verschoningsgerechtigden – geen verscho-ningsrecht is erkend in de rechtspraak. Te denken valt aan een mediator,een functionaris van een toezichthouder of een (register)accountant.In artikel 1.6.7 wordt op deze ontwikkelingen in de praktijk ingespeelddoor de codificatie van enkele in de rechtspraak ontwikkelde criteria. DeHoge Raad heeft in de jurisprudentie een aantal nadere voorwaardengesteld waaraan een persoon (beroepsgroep) moet voldoen voordat eenprofessioneel verschoningsrecht wordt toegekend. Deze jurisprudentiekan worden samengevat in de volgende drie eisen:1.Het moet gaan om een vertrouwenspersoon met wiens beroeponlosmakelijk een geheimhoudingsplicht is verbonden, terwijl datberoep alleen goed kan worden uitgeoefend als volledige vertrouwe-lijkheid is geboden (ook ten opzichte van de strafrechter);2.Met het beroep moet een in het algemeen belang noodzakelijkehulpverleningstaak worden behartigd; en3.Het algemene belang dat iemand zich – vrijelijk en zonder vrees vooropenbaarmaking – tot deze hulpverleners kan wenden moet prevalerenboven het belang van de waarheidsvinding.De derde eis lijkt doorslaggevend te zijn. Op basis van deze jurisprudentieheeft de Hoge Raad – buiten de vier klassieke groepen verschoningsge-rechtigden (de arts, de advocaat, de geestelijke en de notaris) – hetverschoningsrecht nauwelijks aan andere beroepsgroepen toegekend. Hetkomt toe aan hulpverleners die materieel gezien soortgelijk werk doen alsde klassieke verschoningsgerechtigden. De Hoge Raad laat zo hetverschoningsrecht zijn uitzonderingskarakter behouden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11129 (147) De leden van de D66-fractie hebben de toelichting bij artikel 1.6.8over het journalistiek verschoningsrecht gelezen. Is de evaluatie diehierover heeft plaatsgevonden al bij het opstellen van dit wetboekbetrokken? Zo nee, wordt dat alsnog gedaan en gaat dat tot wijzigingenleiden?147. Uit de beleidsreactie op de evaluatie van de Wet bronbescherming instrafzaken (Kamerstukken II 2022/23, 34 032, nr. 19) vloeit de wenselijkheidvan een tweetal – in wezen technische – wijzigingen voort die in hetvoorliggende wetsvoorstel zijn verwerkt.Artikel 2.7.61 vervangt het huidige artikel 98, eerste lid. De term «brievenen andere geschriften» uit het huidige artikel 98 wordt vervangen door«gegevens of aan voorwerpen te ontlenen informatie». De huidigeterminologie is gedateerd. Veel gegevens worden tegenwoordig digitaalbewaard. De informatie die object is van het functioneel verschonings-recht wordt in het nieuwe wetboek techniekonafhankelijk geformuleerdzodat het alle informatie omvat, ongeacht de manier waarop deze isvastgelegd. Hiermee wordt voor wat betreft het verschoningsrecht vanjournalisten dus tevens opvolging gegeven aan aanbeveling 2 uit deevaluatie.Verder wordt in het nieuwe wetboek de indruk weggenomen datjournalisten een geheimhoudingsplicht hebben en wordt daarmeeopvolging gegeven aan aanbeveling 1 van de evaluatie. De zinsnede uithet huidige artikel 98 «tot welke hun plicht tot geheimhouding zichuitstrekt» wordt in artikel 2.7.61 vervangen door «waarover het verscho-ningsrecht zich uitstrekt». De reden daarvan is allereerst dat in hetalgemeen geldt dat een geheimhoudingsplicht niet automatisch leidt toteen verschoningsrecht. Een tweede reden is dat de huidige formuleringgeen rekening houdt met het feit dat journalisten wel een verschonings-recht hebben maar geen geheimhoudingsplicht. Voor de beantwoordingvan de vraag over welke informatie «het verschoningsrecht zich uitstrekt»,gaat om informatie waarover de verschoningsgerechtigde zich, indien hijals getuige daarover zou worden bevraagd, zou kunnen verschonen. Ditbetekent ten aanzien van functioneel verschoningsgerechtigden dat hetmoet gaan om vertrouwelijke informatie die is verstrekt of verkregen inhet kader van het beroep in verband waarmee het verschoningsrecht istoegekend. Bij journalisten en publicisten moet het daarbij gaan om, kortgezegd, informatie over hun bron.(148) Zou de regering willen overwegen om te regelen dat journalisten,vanwege hun bijzondere en onafhankelijke positie in de maatschappij enhun waakhondfunctie, niet meer in de hoedanigheid van journalist alsgetuige kunnen worden opgeroepen of in ieder geval de drempeldaarvoor verder te verhogen?148. Met de Wet bronbescherming in strafzaken is in de wet vastgelegddat journalisten zich tegenover de rechter kunnen «verschonen». Datbetekent dat zij geen vragen over hun journalistieke bronnen hoeven tebeantwoorden. Voor alle functioneel verschoningsgerechtigden geldt datzij geen vragen over datgene waarover het verschoningsrecht zichuitstrekt op de zitting hoeven te beantwoorden, maar zij moeten wel op dezitting verschijnen als ze worden opgeroepen. Dat geldt dus ook voorjournalisten. Bij de vraag of een journalist als getuige in een zaak moetworden opgeroepen, spelen verschillende, soms uiteenlopende belangen.Het is voor journalisten van belang dat zij in alle vrijheid aan nieuws-garing kunnen doen en hun bronnen niet behoeven te onthullen. Opgrond van artikel 6 EVRM (recht op een eerlijk proces) heeft de verdachtehet recht om getuigen te ondervragen. Als de verdachte een belang heeftbij het kunnen ondervragen van een getuige, dan moet het dus mogelijkzijn die getuige op te roepen, ook als die getuige zich vervolgens(vermoedelijk) op het verschoningsrecht beroept. De verdachte heeft danwel de kans gehad vragen te stellen. Verder bestaan er op grond van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11130 jurisprudentie van het EHRM uitzonderingen op het verschoningsrecht. Deafweging die in verband met het journalistiek verschoningsrecht uit diejurisprudentie voortvloeit, is in het nieuwe wetboek gecodificeerd inartikel 1.6.8, tweede lid. Deze bepaling houdt in dat de rechter het beroepvan de getuige op het journalistiek verschoningsrecht kan afwijzen indienhij oordeelt dat, bij het onbeantwoord blijven van aan deze getuigegestelde vragen, aan een zwaarder wegend maatschappelijk belang eenonevenredig grote schade zou worden toegebracht. Dit vraagt eenzorgvuldige belangenafweging door de rechter. Tegen deze achtergrondligt het niet in de rede dat journalisten als zodanig zouden wordenuitgesloten van de mogelijkheid te worden opgeroepen als getuige of datde drempel daarvoor hoger zou worden gelegd dan het geval is bij anderefunctioneel verschoningsgerechtigden.(149) De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat ook geestelijkenonder het verschoningsrecht (kunnen) vallen. Als voorbeeld van eensituatie waarin een geestelijke zich op het verschoningsrecht kanberoepen wordt het verlenen van bijstand aan een gelovige in geestelijkenood genoemd. Deze leden vragen welke andere situaties de regering nogmeer voor zich ziet waarin een beroep kan worden gedaan op hetverschoningsrecht. Voorts vragen zij naar de definitie van vertrouwelijkverkeer in deze. Hoe verhoudt dit zich bijvoorbeeld tot informatie die ineen kleine, besloten groep in een pastorale setting wordt gedeeld waar degeestelijke deel van uit maakt maar ook andere leden van de geloofsge-meenschap? Voorts vragen zij in hoeverre met voorliggend artikel entoelichting een verandering plaatsvindt in het verschoningsrecht voorgeestelijken.149. Met artikel 1.6.7 is geen inhoudelijke wijziging beoogd in hetfunctioneel verschoningsrecht voor geestelijken. Ten opzichte van hethuidige artikel 218 zijn enkele redactionele wijzigingen doorgevoerdwaardoor de reikwijdte van het functioneel verschoningsrecht is verduide-lijkt. Voor de beroepsbeoefenaren aan wie een functioneel verschonings-recht toekomt, geldt dat dit verschoningsrecht zich niet over al hunactiviteiten uitstrekt; het verschoningsrecht strekt zich niet uit over alleswaarvan de verschoningsgerechtigde wetenschap heeft. In de eersteplaats strekt het verschoningsrecht zich niet uit over activiteiten die nietonder een voor de beroepsbeoefenaar geldende geheimhoudingsplichtvallen. In de tweede plaats strekt het verschoningsrecht zich niet uit overactiviteiten of wetenschap die geen verband houden met de essentiëlehulpverleningstaak die de verschoningsgerechtigde uitoefent. Het gaat,met andere woorden, om het bestaan van een individuele hulpverlenings-relatie tussen de verschoningsgerechtigde – in dit geval de geestelijke –en degene die zijn hulp en bijstand zoekt.Artikel 1.6.7, met de daarin gehanteerde criteria, biedt een kader aan dehand waarvan door de rechter kan worden beoordeeld welke gevallen welen welke niet onder het verschoningsrecht vallen. Dit geldt eveneens voorbeoordeling van de diverse gevallen waarin een geestelijke zijn werktdoet. Tegen de achtergrond van dit beoordelingskader zal het verscho-ningsrecht van de geestelijke niet uitsluitend van toepassing zijn wanneereen gelovige zich in geestelijke nood bevindt, maar ook wanneer eengelovige buiten dat strikt omschreven geval zich voor geestelijke hulp enadvies vertrouwelijk tot de geestelijke wendt. Tegen de achtergrond vanhet beoordelingskader zal in het algemeen niet onder het verschonings-recht van de geestelijke vallen de informatie waarover hij de beschikkingkrijgt omdat die door de gelovige – buiten het vertrouwelijk verkeer in deindividuele hulpverleningsrelatie met de geestelijke – in een bredere kringvan gelovigen wordt gedeeld. Het uiteindelijke oordeel hierover is aan derechter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11131 6.4 Bepalingen met betrekking tot de minderjarige getuige (150) De leden van de ChristenUnie-fractie waarderen deze bepalingenpositief. Wel zijn zij benieuwd naar de uitwerking van het beperken vanhet aantal ondervragingen van een minderjarige getuige tot eenminimum. Hoe is dit anders ten opzichte van de bestaande praktijk, en indat geval, hoe vindt training hieromtrent plaats? Of is het enkel codificatievan bestaande praktijk?150. Het zoveel mogelijk beperken van het aantal keren dat een minder-jarige getuige wordt verhoord is al gebruikelijk in de praktijk. In dememorie van toelichting is aangegeven dat regel moet zijn dat deminderjarige alleen opnieuw wordt verhoord wanneer de verdedigingeerder geen kans heeft gehad om aan de minderjarige getuige vragen te(doen) stellen, of wanneer er nieuwe feiten of omstandigheden zijn dieeen nadere ondervraging wenselijk maken» (Kamerstukken II 2022/23,36 327, nr. 3, p. 264). Van het oproepen van een getuige voor de terecht-zitting kan daarnaast meer in het algemeen worden afgezien indien degezondheid of het welzijn van de getuige door het afleggen van eenverklaring op de terechtzitting in gevaar zou worden gebracht en hetvoorkomen van dit gevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuigeop de terechtzitting te kunnen verhoren (artikel 4.2.19). Om in de praktijkte voorkomen dat een minderjarige meermaals – al dan niet op deterechtzitting – moet worden verhoord, is dus van belang dat er bij heteerste verhoor reeds naar wordt gestreefd een zo volledig mogelijkeverklaring te verkrijgen en dat wordt bekeken hoe het ondervragingsrechtkan worden uitgeoefend. De verhorend ambtenaar moet inschatten welkevoorzieningen nodig zijn om het verhoor zo in te richten dat zowel dewaarheidsvinding als de belangen van de minderjarige getuige gewaar-borgd zijn. Voor het verhoor van zeer jonge kinderen kunnen bijvoorbeeldgespecialiseerde verhoorders en kindvriendelijke studio’s worden ingezet.Ten behoeve van de opsporing wordt in verhooropleidingen daarnaastaandacht besteed aan de negatieve aspecten en risico’s van herhaaldverhoren.(151) De leden van de ChristenUnie-fractie zien dat de memorie vantoelichting ook richtlijnen bevat voor de wijze waarop het verhoor dientplaats te vinden en het voorkomen van belasting. Zou het niet logisch zijnook op wetsniveau dit een plek te geven aangezien nu enkel het aantalondervragingen wordt gelimiteerd? Deze leden vragen voorts in hoeverrehet mogelijk is soortgelijke bepalingen op te nemen, dan wel vantoepassing te laten zijn op mensen met een (licht)verstandelijkebeperking.151. Met het uitgangspunt dat het aantal ondervragingen van eenminderjarige getuige tot een minimum wordt beperkt, wordt zowel hetbelang van de waarheidsvinding als het belang van de minderjarigegediend. Dit is vastgelegd in artikel 1.6.12. In de toelichting bij dat artikelwordt opgemerkt dat ook de inrichting van het verhoor deze beidebelangen moet dienen, en dat bij het afnemen van het verhoor rekeningwordt gehouden met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van deminderjarige. De maatregelen die daarbij worden genoemd, zoals hetverhoor in een kindvriendelijke studio en het vaker onderbreken van eenverhoor, illustreren de wijze waarop de verhorende ambtenaar rekeningkan houden met de leeftijd en het ontwikkelingsniveau van de minder-jarige. Voor enkele van die maatregelen geldt dat zij zijn vastgelegd inlagere regelgeving. Relevant in dit verband is het Besluit slachtoffers vanstrafbare feiten, dat in artikel 11 diverse maatregelen beschrijft die kunnenworden genomen bij het verhoren van slachtoffers met specifiekebeschermingsbehoeften, waartoe op grond van artikel 13 in ieder gevalminderjarige slachtoffers worden gerekend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11132 Dat de getuige eigen belangen heeft die bescherming verdienen, wordt inhet nieuwe wetboek expliciet erkend. Diverse bepalingen bevattenvoorschriften om rekening te houden met de belangen van een jeugdigeof anderszins kwetsbare getuige (zie bijvoorbeeld de artikelen 1.6.13,2.10.30, tweede lid, en 4.2.37, derde lid). Meer in het algemeen kan derechtbank afzien van het oproepen van een getuige indien de gezondheidof het welzijn van de getuige door het afleggen van een verklaring op deterechtzitting in gevaar zou worden gebracht en het voorkomen van ditgevaar zwaarder weegt dan het belang om de getuige op de terechtzittingte kunnen verhoren (artikel 4.2.19). Een mogelijkheid is daarnaast dat derechtbank beslist dat de getuige wel zal worden verhoord, maar dat hetverhoor wordt opgedragen aan de rechter-commissaris als alternatiefvoor het soms als belastend ervaren verhoor op een openbare terecht-zitting (artikel 4.2.20). Deze bepalingen zien niet specifiek op minderjarigeof anderszins kwetsbare getuigen, maar bieden de mogelijkheid om tenaanzien van iedere getuige een belangenafweging te maken. De HogeRaad kan bij de toetsing in cassatie van de beslissing om het getuigen-verzoek af te wijzen met het oog op de gezondheid of het welzijn van degetuige betrekken «of de rechter zich heeft uitgelaten over demogelijkheid om bij het horen als getuige maatregelen te treffen terbescherming van het belang van het welzijn van de getuige»(ECLI:NL:HR:2020:446). De specifieke beschermingsbehoefte van getuigenverschilt per individu, en daarom moet aan de rechtspraktijk ook deruimte worden geboden om die behoefte per geval te onderkennen enpassende maatregelen te treffen. Een wettelijke regeling die voorschrijftop welke wijze het verhoor van diverse categorieën getuigen moetplaatsvinden, zou vanwege die uiteenlopende beschermingsbehoefteneen hoge mate van detail moeten bevatten en is daarom onwenselijk.(152) De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering vanmening is dat, ook wanneer er geen bekende woon- of verblijfplaats inNederland is, nog wel een inspanning behoort te worden gedaan omouders te bereiken. Deze leden vragen dit specifiek ook nog voor ouderswaarvan een bekende woon- of verblijfplaats in het buitenland is.152. De voorschriften die zijn opgenomen om de ouder van de minder-jarige getuige die wordt uitgenodigd of opgeroepen voor verhoordaarover te informeren zijn, in lijn met diverse (niet bindende) Europeseen internationale instrumenten, opgenomen in artikel 1.6.13. Dezemededelingen beogen de ouder in de gelegenheid te stellen om zijnminderjarig kind bij het verhoor ondersteuning en uitleg te geven. In hetgeval dat de ouder geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederlandheeft, kan van het doen van deze mededelingen aan de ouder wordenafgezien. In de wet is niet vastgelegd dat er sprake is van een inspan-ningsverplichting om de ouder zonder bekende woon- of verblijfplaats inNederland te bereiken. Niettemin is denkbaar dat een ouder waarvan geenwoon- of verblijfplaats in Nederland bekend is toch eenvoudig te bereikenis, bijvoorbeeld omdat wel een elektronisch adres of een adres in hetbuitenland bekend is. De inspanningen die nodig zijn om de ouder tebereiken, de belangen die daarmee zijn gemoeid en de eventuelevertraging die kan worden aanvaard, variëren sterk per geval. Van debetrokken instanties mag worden verwacht dat zij zich inspannen om deouder te informeren. Zij kunnen indien geen bekende woon- of verblijf-plaats in Nederland bekend is per geval bepalen of in het licht van allerelevante omstandigheden van mededeling kan worden afgezien.7. De deskundige (153) Volgens de rapporteurs beoogt hoofdstuk 7 niet te voorzien in eencatalogus van alle rechten die een deskundige toekomen. De regeling terzake van de ondervraging van de deskundige wordt in Boeken 2 en 4Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11133 opgenomen. De regering maakt daarin een andere keuze dan bij degetuige, ten aanzien van wie in Boek 1 wel algemene uitgangspunten voorhet verhoor zijn opgenomen. Kan de regering toelichten waarom voor eenverschillende invulling wordt gekozen?153. Het verhoor van getuigen en deskundigen is geregeld in Boek 2 overhet opsporingsonderzoek en het Boek 4 over de berechting. In Boek 1 datbetrekking heeft op strafvordering in het algemeen zijn voor de getuigealgemene bepalingen over het verhoor opgenomen. Dat die in Boek 1voor de deskundige ontbreken heeft als reden dat voor getuigenverhoreneen aantal bepalingen gelden die voor de deskundigenverhoren nietonmiddellijk relevant zijn zoals waarborgen die bevorderen dat de getuigebij het verhoor uit eigen waarneming verklaart. Daar komt bij datdeskundigen hun onderzoek veelal in een schriftelijk verslag neerleggenen dat een deskundige alleen bij uitzondering wordt verhoord. Dat is ookde reden waarom het algemene hoofdstuk over de deskundige (Boek 1,Hoofdstuk 7) zich voor wat betreft de wijze van informatieoverdrachtconcentreert op schriftelijke verslaglegging en de daaraan te stellen eisen.Daar waar het verhoor van getuigen en deskundigen algemene regelsgemeen heeft, zijn die voor zowel de getuige als de deskundige in Boek 1opgenomen; te denken valt aan de regels over de identiteitsvaststelling bijeen verhoor (artikelen 1.6.1 en 1.7.6) en over verschoningsrechten(artikelen 1.6.5 tot en met 1.6.9 en 1.7.3, derde lid).(154) De rapporteurs lezen dat in artikel 1.7.2 is bepaald dat bij AMvBnadere regels kunnen worden gesteld ten aanzien van de kwalificaties diedeskundigen dienen te hebben en de toetsing daarvan. Heeft de regeringdaarmee beoogd tot uitdrukking te brengen dat die AMvB vooral vanbelang is voor geregistreerde deskundigen?154. Op grond van artikel 1.7.2, tweede lid, kunnen bij algemenemaatregel van bestuur regels worden gesteld over de kwalificatieswaarover deskundigen moeten beschikken en over de wijze waarop dedeskundigheid van deskundigen kan worden getoetst. Dit artikel is degrondslag voor regels die zijn opgenomen in het huidige Besluit registerdeskundige in strafzaken. In artikel 12 van dat besluit is bepaald in welkegevallen een aanvraag tot inschrijving in het Nederlands registergerechtelijk deskundigen (NRGD) in aanmerking komt voor toetsing enaan welke eisen een deskundige moet voldoen om in het register teworden ingeschreven. De eisen die dat artikel stelt zijn niet alleen vanbelang voor deskundigen die in het register worden geregistreerd. Opgrond van artikel 20 van het besluit beoordeelt de rechter de geschiktheidvan deskundigen die niet zijn opgenomen in het register voordat zij alsdeskundige worden benoemd, aan de hand van de in artikel 12, tweedelid, van het besluit genoemde kwaliteitseisen. Om in de wet te verduide-lijken dat de regels die kunnen worden gesteld over de kwalificatieswaarover deskundigen moeten beschikken niet alleen van belang zijn voorde toetsing van een aanvraag tot inschrijving in het NRGD maar ook voorde toetsing door de rechter van de geschiktheid van een deskundige dieniet in dat register is ingeschreven, zal artikel 1.7.2 worden gewijzigd in deeerste aanvullingswet. Voorgesteld zal worden in de wet op te nemen datde geschiktheid om als deskundige op te treden bij benoeming van eendeskundige die niet in het register is ingeschreven, zoveel mogelijk wordtbeoordeeld aan de hand van de kwaliteitseisen die bij algemenemaatregel van bestuur zullen worden gesteld. Door dit voorschrift uitartikel 20 van voornoemd besluit op het niveau van de wet vast te leggen,wordt verhelderd dat dit een hoofdelement in de regeling voor debenoeming van deskundigen is. Zoals in de achtste voortgangsrapportageis aangegeven, zullen via de eerste aanvullingswet nog enkele wijzigingenin onder meer de deskundigenregeling worden doorgevoerd; dit is eenvan de wijzigingen die in dit verband zal worden meegenomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11134 (155) Acht de regering het met het oog op de veiligheid van deskundigenin high profile zaken nodig of wenselijk om te voorzien in een regeling omdie veiligheid te waarborgen, zoals een regeling over anoniem rappor-teren over de zaak?155. Een verdachte moet al het belastende materiaal dat tegen hem wordtingebracht, kunnen onderzoeken op betrouwbaarheid. Dat geldt ook voorverslagen van deskundigen die als bewijsmateriaal dienen. Het gaatdaarbij niet alleen om de resultaten van een onderzoek of de inhoud vanhet verslag dat door een deskundige is opgesteld. Ook moet kunnenworden getoetst of de deskundige terecht geschikt is bevonden om alszodanig op te treden. In de regel zal de verdachte over informatie overonder meer de opleiding en de werkervaring van de deskundige moetenkunnen beschikken om dat te kunnen beoordelen. Tegen die achtergrondmoet met het afschermen van de identiteit van een deskundige terug-houdend worden omgegaan. Aan de andere kant mag de veiligheid vandeskundigen die rapporteren in strafzaken niet in gevaar komen en is hetook belangrijk dat potentiële nadelige gevolgen deskundigen er niet vanweerhoudt in het kader van een strafzaak gestelde vragen te beant-woorden. In voorkomende gevallen zal een afweging moeten wordengemaakt tussen deze belangen. Dat is mogelijk op grond van de wettelijkeregeling.De wet schrijft niet voor dat de naam van een deskundige wordtopgenomen in het benoemingsbesluit of in het verslag van dedeskundige. Wel zal de de officier van justitie of rechter-commissaris diede deskundige benoemt moeten kunnen beoordelen of deze inderdaaddeskundig is op het terrein waarop het onderzoek betrekking heeft. Ookzal er communicatie moeten kunnen plaatsvinden tussen de deskundigeen degene die hem heeft opgedragen een onderzoek te verrichten,bijvoorbeeld als de deskundige de officier van justitie of de rechter-commissaris vragen wil stellen ter verheldering van zijn opdracht(artikelen 2.4.2, derde lid, en 2.10.53, derde lid).Bij het horen, verhoren of ondervragen van een deskundige zal steeds deidentiteit van de deskundige moeten worden vastgesteld (artikel 1.7.6).Gegevens over de identiteit van de deskundige moeten in dat geval ook ineen proces-verbaal worden opgenomen. In uitzonderlijke gevallen kunnener redenen zijn om te voorkomen dat deze gegevens bekend worden. Zokan de rechter op de terechtzitting het stellen van vragen over de identiteitvan een deskundige achterwege laten als er een gegrond vermoedenbestaat dat de deskundige in verband met het afleggen van zijn verklaringoverlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zal wordenbelemmerd (artikel 4.2.37, dat betrekking heeft op het verhoor vangetuigen, is zoals blijkt uit artikel 4.2.44 van toepassing op het verhoor vaneen deskundige). Ook de rechter-commissaris kan bij het verhoren vaneen deskundige voorkomen dat gegevens, waaronder persoonsgegevens,bekend worden bij de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsmanals er een dergelijk vermoeden bestaat (artikel 2.10.32, dat betrekkingheeft het verhoor van getuigen, is zoals blijkt uit artikel 2.10.58 ook vantoepassing op het verhoor van een deskundige). Tot slot is in een uiterstgeval denkbaar dat bij een gegrond vermoeden van ernstige overlast ofernstige beroepsmatige belemmering, zoals een ernstige bedreiging vande deskundige, de officier van justitie met een machtiging van derechter-commissaris de voeging van bepaalde stukken of gedeeltendaarvan bij de processtukken, zoals de gegevens over de identiteit vaneen deskundige, achterwege laat (artikel 1.8.3). Alleen als dit noodzakelijkis vanwege de hiervoor genoemde risico’s zullen identiteitsgegevens dusonvermeld kunnen blijven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11135 (156) Het onderscheid tussen technisch onderzoek en deskundigenon-derzoek heeft als gevolg dat wettelijke waarborgen niet steeds vantoepassing zijn. Op welke wijze worden de belangen van de verdedigingin het geval van technisch onderzoek gewaarborgd?156. Dat niet alle wettelijke waarborgen die gelden bij deskundigenon-derzoek van toepassing zijn op het technisch opsporingsonderzoekbetekent niet dat daaraan geen eisen worden gesteld.Uit verschillende bronnen volgen eisen aan de uitvoering van technischopsporingsonderzoek en degenen die hiermee zijn belast. Deze eisendragen bij aan de betrouwbaarheid, bruikbaarheid en inzichtelijkheid vande onderzoeksresultaten voor het doel waarvoor zij zijn beoogd: gebruikin een strafzaak. Gedacht kan bijvoorbeeld worden aan de verbaliserings-plicht voor opsporingsambtenaren, de toepasselijke normen van deInternationale Organisatie voor Standaardisatie (ISO-normen), de normenvoor de forensische opsporing (FO-normen), en de Politiewet 2012 enaanvullende regelingen waarin is neergelegd dat politieambtenarenvoldoende moeten zijn toegerust om hun werk goed uit te voeren.Daarnaast zijn regels over sommige onderzoeken opgenomen in eenalgemene maatregel van bestuur, bijvoorbeeld in het Besluit middelenon-derzoek bij geweldplegers. De onderzoeksresultaten zullen steeds aan deverdediging moeten worden meegedeeld (zie bijvoorbeeld artikel 18 vandat besluit), de resultaten kunnen op de terechtzitting ter discussieworden gesteld, degene die het onderzoek heeft uitgevoerd kan zo nodigworden verhoord en desgewenst kan tegenonderzoek worden verzocht(artikel 2.4.3 en verder en artikel 2.10.54 en verder).Artikel 1.7.5, dat betrekking heeft op technisch opsporingsonderzoek, zalworden gewijzigd in de eerste aanvullingswet. Voorgesteld zal worden indat artikel te verduidelijken op welke typen onderzoek waarvoor specifiekeof bijzondere kennis vereist is de deskundigenregeling niet van toepassingis. Op grond van artikel 1.7.5 zoals dat zal worden voorgesteld in de eersteaanvullingswet kunnen bij algemene maatregel van bestuur eisen wordengesteld aan de verslaglegging van deze typen onderzoek. Het is debedoeling dat in de op te stellen regeling – voor de onderzoeken waarvoordit nog niet het geval is – eisen worden vastgelegd die waarborgen dathet onderzoek op een transparante wijze wordt uitgevoerd en kan wordengetoetst. Zo zal daarin kunnen worden geregeld dat in het verslag wordtvermeld welke methode is toegepast, in welke mate deze methode en deresultaten daarvan betrouwbaar kunnen worden geacht en welkebekwaamheid degene die het onderzoek heeft verricht, heeft bij detoepassing van de methode. Zo zijn de belangen van de verdediging ookgewaarborgd bij het onderzoek waarop de deskundigenregeling niet vantoepassing is.(157) De leden van de SP-fractie lezen dat er vanuit de literatuur aandachtwordt gevraagd voor de veiligheid van deskundigen die rapporteren inhigh profile zaken. Is er door de regering gekeken naar de mogelijkheidom de deskundige zo nodig anoniem te laten rapporteren?157. Zie het antwoord op vraag 155.(158) De leden van de SP-fractie constateren de zorgen van de NOvA dater in de praktijk sprake is van een gebrekkige mogelijkheid spoedig kenniste kunnen nemen van de processtukken. De voorgestelde regeling bevatechter voor zover te overzien geen prikkel om te bewerkstelligen dat depolitie en OM inderdaad zo snel mogelijk de processtukken aan deverdediging verstrekken. Op welke manier kan de regering ditwaarborgen? Kan de regering zich vinden in deze zorgen?158. Voor het kunnen uitoefenen van verdedigingsrechten en voor eengoede voorbereiding van de behandeling van strafzaken op de terecht-zitting, waarop het nieuwe wetboek is gericht, is een tijdige toegang tot deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11136 processtukken van groot belang. Mede op basis van die processtukkenkan de verdediging worden voorbereid en kan om aanvullend of tegenon-derzoek worden verzocht.De door de NOvA naar voren gebrachte zorg over de toegang van deverdachte tot de processtukken heeft geleid tot aanscherping van deregeling van informatieplichten en toegang tot processtukken. Hierbij is inhet bijzonder acht geslagen op het WODC-rapport over de consequentiesvan het nieuwe wetboek voor de positie van de verdediging (zie P.T.C. vanKampen e.a., Mind the gap, Modernisering Wetboek van Strafvordering:consequenties voor de verdediging, WODC 2018). Naar aanleiding van hetadvies van de Afdeling advisering van de Raad van State zijn nog enkeleverbeteringen aangebracht.De regeling van mededeling van rechten aan de verdachte bevat nu hetvoorschrift dat niet alleen de aangehouden verdachte maar ook deverdachte die wordt uitgenodigd voor verhoor voorafgaand aan zijneerste verhoor in kennis wordt gesteld van het recht op voeging enkennisneming van processtukken en het recht om onderzoekswensen in tedienen bij de rechter-commissaris.Voorzien is in wettelijke voorschriften die ertoe verplichten dat vanprocessen-verbaal waarvan de officier van justitie de kennisneming niettijdelijk aan de verdachte mag onthouden, nadat deze zijn opgemaaktdoor de opsporingsambtenaar of de rechter-commissaris direct een kopiewordt verstrekt (artikel 1.8.8, vierde en vijfde lid). Het betreft processen-verbaal waarvan de verdachte of zijn raadsman de inhoud al kent (metname het proces-verbaal van zijn eigen verhoor) of kan kennen (omdat hijof zijn raadsman bij het verhoor van een getuige aanwezig kon zijn).Voor zaken waarin de verdachte voorlopig gehecht is, is bepaald dat deofficier van justitie uiterlijk na drie maanden gevangenhouding ervoorzorgt dat de verdachte kan kennisnemen van de beschikbare proces-stukken – ongeacht of al verzoeken om kennisneming van processtukkenvan de zijde van verdachte zijn gedaan. De officier van justitie deelt bij diegelegenheid in voorkomend geval eigener beweging schriftelijk mee dathij in het belang van het onderzoek de kennisneming van bepaaldeprocesstukken onthoudt. Op dat moment informeert de officier vanjustitie, indien hij nog geen procesinleiding kan indienen, de verdachte ende rechter-commissaris ook over de stand van zaken in het opsporingson-derzoek. Hij geeft daarbij een (voorlopige) tenlastelegging en eenaanduiding van het moment waarop de zaak naar verwachting bij derechter zal worden aangebracht (artikel 2.10.64). Een dergelijk «stand vanzakenbericht» beoogt de verdachte beter in staat te stellen zijn verde-diging voor te bereiden, bijvoorbeeld door onderzoekswensen kenbaar temaken aan de rechter-commissaris.Om te bevorderen dat ter voorbereiding van de verdediging op deterechtzitting vlot kan worden kennisgenomen van de processtukken isverder bepaald dat de officier van justitie op het moment dat hij deprocesinleiding indient en aan de verdachte doet betekenen, tevens actief(dus niet pas na een verzoek daartoe) de processtukken ter beschikkingstelt aan de verdachte en/of zijn raadsman. Dit leidt tot een reëleverkorting van de doorlooptijd, omdat het met name in zaken met eenniet-gedetineerde verdachte één van de drie stappen wegneemt diemoeten worden gezet na ontvangst van een procesinleiding, namelijk(veelal) eerst rechtsbijstand zoeken, vervolgens het opvragen vanprocesstukken door de raadsman en na ontvangst en bestudering van deprocesstukken het indienen van onderzoekswensen door de raadsman.Met dit voorstel komt de tweede stap, het opvragen van processtukken, tevervallen (artikel 4.1.1, vijfde lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11137 8. De processtukken 8.1 De samenstelling van de processtukken en beslissingen over voeging,kennisneming, het verstrekken van een kopie en vertaling (159) De rapporteurs hebben een aantal vragen ten aanzien van deprocesstukken. Op welke wijze wordt in deze regeling voorzien in eendigitaal toegankelijk strafdossier?159. Een digitaal strafdossier is van groot belang voor een doelmatigstrafproces. Het bevordert een spoedigere (verstrekking) van proces-stukken in strafzaken, het tijdig kenbaar maken van onderzoekswensen,het overzicht houden op de volledigheid van het procesdossier en debeoordeling van de noodzaak tot nader onderzoek alvorens de zaak klaaris voor inhoudelijke behandeling.Om het werken met een digitaal strafdossier te faciliteren zijn in devoorgestelde regeling in Boek 1, Hoofdstukken 8 en 9, enkele kernbepa-lingen opgenomen. Voor nadere regels over het verstrekken van kopieënen over de wijze waarop de kennisneming van processtukken of de inzagedaarin plaatsvindt is een delegatiegrondslag opgenomen in artikel 1.8.11.Deze strekt ook tot het faciliteren van een digitaal strafproces en maakt hetmogelijk om de (technische) wijze waarop een en ander kan of moetplaatsvinden in een algemene maatregel van bestuur nader uit te werken.Daarnaast kunnen bij algemene maatregel van bestuur regels wordengesteld over de integriteit en de authenticiteit van processtukken inelektronische vorm. Voor de overdacht van berichten en het indienen vanstukken langs elektronische weg bevat Boek 1, Hoofdstuk 9, kernbepa-lingen en kunnen bij algemene maatregel van bestuur nadere regelsworden gesteld (artikel 1.9.9). Deze kernbepalingen uit Hoofdstuk 9houden het uitgangspunt in dat professionele deelnemers aan hetstrafproces in beginsel verplicht zijn om berichten langs elektronischeover te dragen en stukken langs die weg in te dienen.Ten opzichte van de huidige regeling zijn bepalingen zoveel mogelijktechniekonafhankelijk geformuleerd. Zo wordt in plaats van «afschrift» determ «kopie» gebruikt en is het begrip «schriftelijke mededeling» of«schriftelijk mededelen» vervangen door «kennisgeving» respectievelijk«in kennis stellen».Met de beschreven elementen draagt de voorgestelde regeling bij aan hetwerken met een digitaal strafdossier.In de voorbereidingen op de implementatie van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering wordt aansluiting gezocht bij de lopende verbetertrajectenop het gebied van digitalisering. Organisaties uit de strafrechtketenworden daarbij gewezen op de kansen die de nieuwe regeling biedt, omzo de mogelijke structurele baten van het nieuwe wetboek te realiseren.Aan de daadwerkelijke realisatie van een digitaal dossier wordt dan ookvolop gewerkt. Beeldbepalende projecten die binnen de strafrechtketen ophet gebied van digitalisering spelen zijn Alle Zaken Digitaal, DigitaalProces Dossier en Digitale Samenwerkingsruimte ZSM. Deze projectenleiden tot het terugdringen van een groot aantal papierstromen tussenopenbaar ministerie, Rechtspraak en de tenuitvoerleggingsketen en vormtde basis van de digitale uitwisseling van procesdossiers. Advocatenontvangen in bepaalde gevallen al langs elektronische weg strafdossiersvia het beveiligde webportaal Mijn Strafdossier. Deze functionaliteit wordtstap voor stap uitgebreid.(160) Kan nader worden toegelicht en verduidelijkt wat onder de term«verantwoordelijkheid» wordt verstaan in het kader van de samenstellingvan de processtukken in het stadium van het onderzoek ter terechtzitting?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11138 160. Zolang de berechting niet is aangevangen, dat wil zeggen totdat deprocesinleiding wordt ingediend, is de officier van justitie verantwoor-delijk voor de samenstelling van de processtukken. Daarna is de voorzitterof de rechtbank bevoegd te beslissen over de processtukken. Dezeformulering ter aanduiding van de zeggenschap tijdens de verschillendefasen van het strafproces is bewust gekozen.In de formulering «verantwoordelijk voor de samenstelling van deprocesstukken» komt de taak van de officier van justitie – die meerinhoudt dan «beslissingsbevoegdheid» – duidelijker tot uitdrukking. Op deofficier van justitie rust de verantwoordelijkheid voor het doen opmakenen aanleveren van (nieuwe) processtukken en voor de vorming van eenprocesdossier tijdens het opsporingsonderzoek. Hij is ook verantwoor-delijk voor de daadwerkelijke toegankelijkheid van de processtukken voorzover de kennisneming ervan is toegestaan. Na aanvang van deberechting is het aan de voorzitter van de rechtbank (in de voorberei-dende fase die volgt op de procesinleiding tot de aanvang van hetonderzoek op de terechtzitting) respectievelijk de rechtbank (na aanvangvan het onderzoek op de terechtzitting) om beslissingen te nemen over deprocesstukken (artikel 1.8.2). Het is doorgaans evenwel niet de rechter dienieuwe stukken genereert. Weliswaar volgt het indienen van de procesin-leiding op de vervolgingsbeslissing die de officier van justitie neemt naaraanleiding van de uitkomst van het opsporingsonderzoek (artikel 3.1.1),hetgeen impliceert dat dat opsporingsonderzoek is voltooid, maar in depraktijk kan ook nadien nog opsporing plaatsvinden of onderzoek wordenafgerond waarvan de resultaten in een onderzoeksverslag of proces-verbaal worden vastgelegd. Ook na indiening van de procesinleiding is deofficier van justitie doorgaans degene die als eerste de beschikking krijgtover dergelijke nieuwe stukken van de kant van de politie, het NFI of dereclassering. Hij zal deze na aanvang van de berechting ter voeging in hetdossier moeten aandragen bij de rechter. Verder volgt ook uit deartikelen 4.1.4, tweede lid, en 4.2.50 dat de officier van justitie tijdens deberechting – ook na een verzoek van de kant van de verdediging of na eenambtshalve beslissing daartoe van de rechter – een actieve rol blijfthouden bij de beschikbaarstelling van (proces)stukken ten behoeve vaneen adequate behandeling van de strafzaak.De hier geschetste afbakening van verantwoordelijkheden geldt ook inhoger beroep.(161) Indien de officier van justitie in gebreke blijft te beslissen kennis-neming van processtukken toe te staan, kan de verdachte de rechter-commissaris dan verzoeken een termijn te stellen voor de officier binnenwelke hij een beslissing neemt (artikel 1.8.6)? Hoe wordt gewaarborgd datde officier van justitie vervolgens daadwerkelijk tot een beslissing komtbinnen de gestelde termijn?161. Indien de officier van justitie in gebreke blijft te beslissen op eenverzoek om kennisneming van processtukken, kan de verdachte derechter-commissaris verzoeken de officier van justitie een termijn testellen binnen welke de kennisneming van processtukken wordt toege-staan (artikel 1.8.6). De rechter-commissaris zal – eventueel nadat hijdaarop is geattendeerd door de verdachte – de officier van justitie kunnenaanspreken indien deze niet binnen de gestelde termijn beslist.Als de officier van justitie van oordeel is dat het belang van het onderzoekdit vereist, kan hij de verdachte in kennis stellen dat hij de kennisnemingvan bepaalde processtukken (tijdelijk) onthoudt. De verdachte kan in datgeval een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris, dievervolgens over die kennisneming beslist (artikel 1.8.13, eerste lid,onderdeel b). Deze onthouding is tijdelijk, omdat de kennisneming vanalle processtukken de verdachte niet langer mag worden onthouden zodrade procesinleiding is ingediend dan wel een strafbeschikking is uitge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11139 vaardigd (artikel 1.8.10). Het is ook mogelijk dat de officier van justitie hetnoodzakelijk vindt dat ter bescherming van bepaalde, in de wet vermeldebelangen de voeging van bepaalde stukken of gedeelten daarvan bij deprocesstukken geheel achterwege wordt gelaten. In dat geval heeft hij eenmachtiging van de rechter-commissaris nodig. De desbetreffendevordering en de beslissing op die vordering door de rechter-commissarisworden bij de processtukken gevoegd (artikel 1.8.3).De mogelijkheid van termijnstelling door de rechter-commissaris komtovereen met de bestaande wetgeving en biedt een aanvullendevoorziening om verzoeken om kennisneming en verzoeken tot voegingvan stukken kracht bij te zetten. De rechter-commissaris vervult daarbijeen intermediaire rol. Bij de totstandkoming van de regeling is over eensituatie van overschrijding van de door de rechter-commissaris gesteldetermijn opgemerkt, dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de officier vanjustitie de kennisneming binnen de gestelde termijn verleent zonder dathet nodig is dat de rechter-commissaris hierbij nog wordt betrokken.Datzelfde geldt voor de besluitvorming over het al dan niet voegen vanstukken die de verdachte van belang acht voor de beoordeling van dezaak. Opgemerkt werd verder, dat zich evenwel bijzondere omstandig-heden kunnen voordoen die eraan in de weg staan om toch binnen degestelde termijn te reageren. In dergelijke gevallen ligt het op de weg vanhet openbaar ministerie om in overleg te treden met de verdediging (eneventueel de rechter-commissaris) met als doel duidelijkheid teverschaffen over de termijn waarbinnen alsnog de kennisneming kanworden verstrekt, respectievelijk besloten wordt over het voegen vanstukken. Daarnaast staat voor de verdachte de mogelijkheid open om derechter-commissaris andermaal te verzoeken om een termijn te stellen(Kamerstukken II 2009/10, 32 468, nr. 3, p. 20).(162) In gevallen waarin een betrokkene niet in het onderzoekstraject alsverdachte wordt verhoord of pas heel laat als verdachte wordt verhoord,kent de wet geen recht op kennisneming van de processtukken toe. Hoeverhoudt dit zich tot de gewenste beweging naar voren en de equality ofarms? Hoe wordt in die situaties gewaarborgd dat kennisneming van deprocesstukken toch in een zo vroeg mogelijk stadium plaatsvindt alswordt vastgehouden aan het eerste verhoor van de verdachte?162. De kennisneming van stukken wordt de verdachte volgens dewettelijke regeling in elk geval toegestaan vanaf het eerste verhoor(artikel 1.8.6), maar de kennisneming kan hem ook op een eerder momentdan bij gelegenheid van het eerste verhoor door de officier van justitieworden verleend, indien hij daarom verzoekt. Bij de totstandkoming vande huidige regeling is uitdrukkelijk aangegeven, dat voor de beant-woording van de vraag of de verdachte het recht op inzage toekomt moetworden aangeknoopt bij het begrip verdachte en niet bij de vraag of deverdachte al is verhoord. De zinsnede in de wettelijke bepaling datkennisneming in elk geval wordt toegestaan vanaf het eerste verhoor isdestijds opgenomen om aan discussies hierover een einde te maken en isbedoeld om meer duidelijkheid en houvast te bieden over het momentwaarop dit recht de verdachte in ieder geval toekomt (Kamerstukken II2009/10, 32 468, nr. 3, p. 20–22). Dit past ook in de algemene systematiekvan het nieuwe wetboek, waarin voor de rechtsbescherming van deverdachte wordt aangesloten bij het eerste verhoor.In welk stadium de verdachte voorafgaand aan de vervolgingsbeslissingwordt verhoord, is afhankelijk van de stand van het opsporingsonderzoeken wordt bepaald door de officier van justitie en de politie. In veruit demeeste gevallen wordt een verdachte, zeker wanneer het om een misdrijfgaat, verhoord voordat het opsporingsonderzoek is afgerond en devervolgingsbeslissing wordt genomen. Om te waarborgen dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11140 verdachte zijn verdedigingsrechten, waaronder kennisneming van deprocesstukken, kan uitoefenen, is in de wet de hoofdregel tot uitdrukkinggebracht dat de verdachte, voordat de officier van justitie vervolging vooreen misdrijf instelt, zoveel mogelijk wordt verhoord of, indien hij nieteerder als zodanig is verhoord, op zijn verzoek daartoe in de gelegenheidwordt gesteld (artikel 3.1.1, derde lid). Dit voorschrift biedt de verdachtede gelegenheid om, indien hij (nog) niet is verhoord ter zake van deverdenking van een misdrijf, te verzoeken dat hij wordt verhoord. Ook indat geval zal het verhoor pas plaatsvinden zodra de officier van justitie ende politie van oordeel zijn dat het belang van het onderzoek dat toelaat.Het is denkbaar dat een (rechts)persoon er belang in stelt om kennis tekunnen nemen van processtukken voordat hij is verhoord, omdat hij op dehoogte is van een tegen hem lopend opsporingsonderzoek. Over hetalgemeen zal hij daarbij eerst belang hebben indien hij door zijn verhoorin de wetenschap komt te verkeren dat hem mogelijk vervolging tewachten staat ter zake van een strafbaar feit. Vanaf dat moment kan hijook de rechter-commissaris inschakelen voor het doen van onderzoek.Doordat de verdachte recht heeft op bijstand van een raadsman inverband met het eerste verhoor kan deze raadsman de verdachte naderover de uitoefening van zijn rechten in kennis stellen. Zie over dit punt ookhet antwoord op vraag 84. Ook als een verdachte in voorkomend gevalpas laat in het opsporingsonderzoek wordt verhoord bestaat, zelfs naindiening van de procesinleiding, nog voldoende gelegenheid om van deprocestukken kennis te nemen en eventueel onderzoekswensen in tedienen. Daarin voorzien bepalingen in Boek 4, Hoofdstuk 1.De hiervoor aangeduide voorschriften dienen als waarborg voor eeneerlijke procesvoering, en wel in het bijzonder ter verwezenlijking van hetbeginsel van «equality of arms». Dat beginsel brengt mee dat deverdediging – zodra het belang van het onderzoek dat toelaat en in iedergeval op het moment dat een procesinleiding wordt ingediend of eenstrafbeschikking wordt uitgevaardigd – over gelijke informatie kanbeschikken als de officier van justitie, de gelegenheid krijgt om aanvullendof tegenonderzoek te laten instellen en bij het onderzoek op de terecht-zitting door de rechter ook gelijkwaardig aan de officier van justitie wordtbehandeld.Voor het antwoord op de vraag hoe met het oog op de «beweging naarvoren» wordt gewaarborgd dat kennisneming van de processtukken ineen zo vroeg mogelijk stadium plaatsvindt, wordt verwezen naar hetantwoord op vraag 158.(163) De rapporteurs lezen dat ten aanzien van een aantal processtukkende voorgestelde regeling (artikel 1.8.7) bepaalt dat de volledige kennis-neming niet aan de verdachte mag worden onthouden. Een sanctioneringontbreekt echter. Hoe wordt gewaarborgd dat de volledige kennisnemingvan de wettelijk aangewezen stukken daadwerkelijk niet wordtonthouden?163. De processen-verbaal waarvan de kennisneming niet mag wordenonthouden betreffen processen-verbaal waarvan de verdachte of zijnraadsman de inhoud al kent (met name het proces-verbaal van zijn eigenverhoor) of kan kennen (omdat hij of zijn raadsman bij het verhoor vaneen getuige aanwezig kon zijn). Ten opzichte van de huidige wettelijkeregeling is deze bepaling aangevuld met het voorschrift dat van dezeprocessen-verbaal nadat deze zijn opgemaakt door de opsporings-ambtenaar of de rechter-commissaris direct een kopie moet wordenverstrekt aan de verdachte of zijn raadsman (artikel 1.8.8, vierde en vijfdelid).Dit laat onverlet dat de kennisneming van de processtukken de verdachteop zijn verzoek wordt toegestaan door de officier van justitie en dat deverdachte, indien hem wordt meegedeeld dat hem in het belang van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11141 onderzoek de kennisneming van bepaalde stukken wordt onthouden en deter kennisneming gegeven stukken dus niet volledig zijn, daartegen eenbezwaarschrift kan indienen bij de rechter-commissaris, die vervolgenskan beoordelen of het voorschrift van artikel 1.8.7 ten onrechte niet isnageleefd. Zie voor mogelijkheid van termijnstelling door de rechter-commissaris het antwoord op vraag 161.(164) Een belangrijke vraag is in dat kader ook of een toekomstbestendigdigitaal strafdossier aan de voorgaande geschetste problematiek eenoplossing kan bieden. Wordt met een dergelijk digitaal dossier voorzien ineen systeem waarbij eenvoudig kan worden gezien of, wat en wanneerprocesstukken zijn toegevoegd? In hoeverre is de lopende problematiekmet betrekking tot digitalisering bij verschillende ketenpartners hierbijbeperkend?)164. In het webportaal voor advocatuur Mijn Strafdossier worden degebruikers in het startscherm geïnformeerd wanneer de laatstetoevoeging van informatie is geweest. Ook in MijnSlachtofferzaak, viawelk systeem slachtoffers door diverse organisaties over het verloop vanhun zaak worden geïnformeerd, staan berichten in een tijdlijn met demeest recente berichten bovenaan. Voor zover er sprake blijft vanindividuele systemen voor registratie van strafzaken per organisatie,worden processtukken voor een andere procesdeelnemer via elektro-nische weg beschikbaar gesteld.(165) In de wettelijke regeling betreffende de delegatiegrondslagen(artikel 1.8.11) wordt niet expliciet ingegaan op het aspect van privacy inverhouding tot processtukken. Hoe wordt dit aspect binnen de voorge-stelde regeling gewaarborgd?165. In artikel 1.8.11 is een aantal delegatiegrondslagen uit het huidigewetboek (inhoudelijk ongewijzigd) overgenomen. In het derde lid van hethuidige artikel 149a (overgenomen in het derde lid van het nieuweartikel 1.8.11) is bepaald dat bepaalde gegevens in het belang van debescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtofferonvermeld blijven in de processtukken, tenzij deze gegevens voor door derechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Opdeze wijze wordt de privacy van het slachtoffer dus gewaarborgd. Bijalgemene maatregel van bestuur zal vervolgens worden bepaald in welkegevallen vermelding van de daarin aan te wijzen gegevens preciesachterwege moet blijven. De betreffende algemene maatregel van bestuuris momenteel in voorbereiding (zie ook het antwoord op vraag 167). Hetvierde lid van het huidige artikel 149a bepaalt dat de bedoelde maatregelvan bestuur middels een voorhangprocedure wordt voorgelegd aan deStaten-Generaal.Een andere bepaling binnen de voorgestelde regeling met betrekking totde processtukken waarin het aspect van privacy wordt gewaarborgd is tevinden in artikel 1.8.8, tweede lid. Daar is geregeld dat in het belang van(onder meer) de bescherming van de persoonlijke levenssfeer kan wordenbepaald dat aan de verdachte van bepaalde (gedeelten van) proces-stukken alleen inzage wordt verleend en geen kopie wordt verstrekt. Ookdeze bepaling is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen uit het huidigewetboek (zie artikel 32, tweede lid). Een vergelijkbare bepaling geldt tenaanzien van de kennisneming van processtukken door het slachtoffer(artikel 1.5.5, derde lid).(166) De leden van de VVD-fractie lezen dat in het derde en vierde lid vanartikel 1.8.11 de inhoud van het amendement Van Wijngaarden-VanToorenburg is opgenomen (Kamerstuk 35 349, nr. 7). Als gevolg hiervankunnen bij of krachtens AMvB in het belang van de bescherming van depersoonlijke levenssfeer van het slachtoffer gegevens onvermeld blijvenin processtukken en in stukken waarvan de kennisneming ingevolge hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11142 Wetboek van Strafvordering wordt toegestaan. Deze leden vragenwaarom niet is gekozen de leden 3 en 4 van artikel 1.8.11 te plaatsen inhoofdstuk 5 waar ook de andere slachtofferrechten zijn omschreven. Kande regering daar een toelichting op geven?166. De plaatsing van de delegatiegrondslag van artikel 1.8.11, derde envierde lid, in Boek 1, Hoofdstuk 8, vloeit voort uit de omstandigheid dat devast te stellen algemene maatregel van bestuur betrekking heeft op deinhoud van de processtukken (en andere stukken waarvan de kennis-neming ingevolge het wetboek wordt toegestaan). Nu de betreffendeartikelleden strekken tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeervan het slachtoffer, is weliswaar sprake van een zekere inhoudelijkesamenhang met Boek 1, Hoofdstuk 5, waar de rechtspositie van hetslachtoffer in het strafproces is geregeld, maar vanwege de uit dealgemene maatregel van bestuur voortvloeiende verplichting om met hetoog op die bescherming bepaalde slachtoffergegevens onvermeld te latenin de stukken, is de plaatsing van deze delegatiegrondslag in hethoofdstuk over de samenstelling en de verstrekking van de processtukkeneen logischer keuze. Overigens geldt voor meer bepalingen die hetslachtoffer betreffen dat zij in andere hoofdstukken van Boek 1 zijngeplaatst, in het bijzonder als het gaat om tolkenbijstand (artikel 1.11.7) enherstelrechtvoorzieningen (artikelen 1.11.1 en 1.11.2). Ook buiten Boek 1zijn op diverse plaatsen bepalingen opgenomen die betrekking hebben opde positie van het slachtoffer, bijvoorbeeld als het gaat om de toezendingvan een kopie van de strafbeschikking (artikel 3.3.5, vierde lid), deoproeping van het slachtoffer voor de terechtzitting (artikel 4.1.11, derdelid, onderdeel a) en de uitoefening van het spreekrecht (artikel 4.2.46). Hetis, kortom, niet zo dat alle slachtofferrechten uitputtend zijn geregeld inBoek 5, Hoofdstuk 5. De keuze voor plaatsing van voorschriften in eenbepaald hoofdstuk of in een bepaalde titel is doorgaans ingegeven doorde gedachte dat dit de onderlinge samenhang en inzichtelijkheid van devoorschriften binnen de desbetreffende regeling bevordert.(167) Ook vragen deze leden wanneer naar verwachting de betreffendeAMvB of ministeriële regeling vooruitlopend op de inwerkingtreding vanhet nieuwe wetboek in werking treedt en of in de AMvB of ministeriëleregeling ook de gevolgen zijn opgenomen van het niet-naleven van debepaling.167. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 165 is de betreffendealgemene maatregel van bestuur momenteel in voorbereiding. Hetbelangrijkste uitgangspunt daarbij is dat het onvermeld laten vanslachtoffergegevens bij de bron plaatsvindt, door de opsteller van hetstuk, zodat deze gegevens niet achteraf hoeven te worden verwijderd. Hetontwerpbesluit is van 16 februari tot en met 12 april 2024 in formeleconsultatie geweest. De volgende stap is dat dit besluit in het kader vande voorhangprocedure aan de Tweede Kamer wordt voorgelegd, waarnahet moment van inwerkingtreding kan worden bepaald. Opgemerkt kanworden dat de delegatiegrondslag van het huidige artikel 149a, derde lid(overgenomen in artikel 1.8.11, derde lid), zich beperkt tot het aanwijzenvan de gegevens die in het belang van de persoonlijke levenssfeer van hetslachtoffer moeten worden weggelaten en het bepalen van de gevallenwaarin dat moet gebeuren. Op de gevolgen van niet-naleving van deverplichting om bepaalde slachtoffergegevens onvermeld te laten wordtnader ingegaan in het antwoord op vraag 168.(168) Wat voor mogelijkheden heeft het slachtoffer of diens vertegenwoor-diger voor rechtsherstel als slachtoffergegevens niet onvermeld zijngelaten, terwijl dat met het oog op het belang van de bescherming van depersoonlijke levenssfeer van het slachtoffer wel nodig was geweest?168. Indien slachtoffergegevens niet onvermeld zijn gelaten, terwijl dezegegevens ook niet redelijkerwijs van belang kunnen zijn voor door deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11143 rechter te nemen beslissingen, kan het slachtoffer zich tot de officier vanjustitie wenden met het verzoek om de betreffende gegevens alsnog te(laten) verwijderen. Op die wijze kan worden voorkomen dat de gegevensverder worden verspreid en/of langer toegankelijk blijven. In gevallenwaarin de verdachte al kennis heeft kunnen nemen van de processtukkenis de aantasting van de persoonlijke levenssfeer echter niet meerherstelbaar. Een eventueel rechtsmiddel biedt in die situatie dan ook geensoelaas. Juist daarom is in de concept-algemene maatregel van bestuurals uitgangspunt gehanteerd dat de betreffende slachtoffergegevens bijde bron, door de bevoegde autoriteiten worden weggelaten bij hetopstellen van de processtukken. Dat is de meest effectieve en bestuitvoerbare manier om ervoor te zorgen dat de persoonlijke levenssfeervan het slachtoffer adequaat wordt beschermd, zodat rechtsherstelachteraf niet meer aan de orde hoeft te zijn. Voor wat betreft de conse-quenties die in algemene zin zijn verbonden aan het niet naleven vanslachtofferrechten kan hier worden verwezen naar het antwoord op vraag124.(169) De leden van de D66-fractie lezen in de toelichting bij artikel 1.8.6 dathet OM moet zorgen voor een, naar de stand van het opsporingson-derzoek, zo volledig mogelijk procesdossier. Uit de toelichting blijkt dat deregering zich er ook van bewust is dat verdachten zich mogelijk langer ophun zwijgrecht blijven beroepen naarmate zij langer in het ongewisseblijven over de omvang van het belastende materiaal tegen hen. Vindt deregering het wenselijk dat in gevallen waarin de verdachte zich op hetzwijgrecht beroept omdat de inhoud van het dossier nog niet aan hem ofhaar bekend is gemaakt, het feit dát hij heeft gezwegen uiteindelijk aan deverdachte wordt tegengeworpen?169. De wettelijke regeling heeft tot uitgangspunt dat het openbaarministerie zorgt voor een, naar de stand van het opsporingsonderzoek, zovolledig mogelijk procesdossier en dat de verdachte in elk geval vanaf heteerste verhoor van de processtukken kan kennisnemen. Dit laatste lijdtuitzondering indien de officier van justitie de kennisneming van bepaaldeprocesstukken tijdelijk onthoudt omdat naar zijn oordeel het belang vanhet onderzoek dit vereist. Bij zijn beslissing om de verdachte de kennis-neming van bepaalde processtukken tijdelijk te onthouden in het belangvan het onderzoek zal de officier van justitie zich rekenschap geven van demogelijkheid dat de verdachte, omdat hij langer in het ongewisse blijftover de omvang van het belastend materiaal tegen hem, zich wellicht, aldan niet op advies van zijn raadsman, (langer) op zijn zwijgrecht beroept.De verdediging heeft immers behoefte aan kennisneming van deprocesstukken om te kunnen beoordelen of het aangewezen is om opbasis daarvan een verzoek tot het verrichten van onderzoek in te dienen.Onderzoekswensen die voortkomen uit laat ter beschikking gekomenprocesstukken, kunnen op dat moment pas op hun merites beoordeeldworden. Benodigd onderzoek kan dan ook pas in een later stadiumworden gedaan, maar zal wel worden verricht.Zie hierover ook hetantwoord op vraag 92. Dat de verdachte zulke onderzoekswensen pas opdat moment naar voren brengt kan hem dan dus niet worden tegenge-worpen.Voor het kunnen doen van een verzoek om onderzoek is het evenwel nietaltijd nodig over het gehele, afgeronde procesdossier te beschikken.Indien zich bij de beschikbare processtukken en verklaring van eengetuige bevindt die vanuit het gezichtspunt van de verdediging onvolledigof onbetrouwbaar is of waarbij anderszins vraagtekens te plaatsen zijn, iser alle reden voor de verdediging om te verzoeken deze getuige nader te(doen) verhoren. Daarmee behoeft niet te worden gewacht tot het geheleprocesdossier ter beschikking is gesteld of tot de bespreking van hetbewijsmateriaal op de terechtzitting.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11144 Het uitstellen van dergelijke verzoeken kan ook een strategische keuze zijnin verband met de gekozen proceshouding van de verdachte of zijn wenste zwijgen over zijn eventuele betrokkenheid. De keerzijde van de vrijheidvan de verdachte om een eigen processuele koers te kiezen is wel, dat aande gemaakte keuzen rechtsgevolgen kunnen worden verbonden. Wanneerpas op de terechtzitting wordt geopperd dat sprake is van een alibi tentijde van het strafbare feit of dat een andere persoon als (mede)dadermoet worden beschouwd, kan het late tijdstip waarop dit voor het eerstnaar voren wordt gebracht, door de rechter worden betrokken bij zijnbeslissing op een verzoek om nader onderzoek hiernaar te doen.De keuze om te zwijgen en geen inzicht te verschaffen in het eigenstandpunt of de eigen lezing van de toedracht is iets anders dan deonmogelijkheid of onwenselijkheid om, zolang men niet de beschikkingheeft over (alle) processtukken, verzoeken om aanvullend of tegenon-derzoek al tijdens het vooronderzoek te doen. Het is uiteindelijk aan derechter om het voorliggende bewijs te waarderen, mede in het licht vanhetgeen de verdachte al dan niet over zijn betrokkenheid heeft verklaard.Hij zal de verdachte slechts kunnen veroordelen indien op basis van devoorhanden zijnde wettige bewijsmiddelen buiten redelijke twijfel staatdat de verdachte het feit heeft begaan.(170) De leden van de D66-fractie constateren dat het wetboek geenregeling kent voor stukken die wel zijn opgemaakt, maar die de officiervan justitie niet aan het strafdossier heeft toegevoegd, terwijl de verde-diging soms wel de wens heeft om dit zogenoemde «schaduwdossier» inte zien. Vindt de regering het wenselijk om hier een regeling voor teontwerpen in het wetboek? Hoe zou dit zich verhouden tot artikel 3 vanhet Besluit processtukken in strafzaken? Heeft de regering informatie overde vraag hoe artikel 3 in de praktijk werkt?170. Bij de samenstelling van het procesdossier voegt de officier vanjustitie volgens zijn wettelijke opdracht alle stukken die voor de in hetkader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen redelij-kerwijs van belang kunnen zijn bij de processtukken. De officier vanjustitie zal dus alle stukken die op grond van het relevantiecriterium inaanmerking komen moeten voegen. Daarbij gaat het niet alleen ombelastende of ontlastende stukken in het kader van het bewijs van het tenlaste gelegde feit, maar ook bijvoorbeeld om stukken die van belangkunnen zijn voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, decontrole op de rechtmatigheid van het opsporingsonderzoek of destraftoemeting.Het nieuwe wetboek bevat een wettelijke regeling voor het geval deverdediging de kennisneming en/of voeging wenst van stukken die welzijn opgemaakt maar door de officier van justitie niet zijn gevoegd. Deverdachte kan de officier van justitie verzoeken zo nauwkeurig mogelijkomschreven stukken die hij van belang acht voor de beoordeling van dezaak bij de processtukken te voegen en hem, ter onderbouwing van datverzoek, daarin (eerst) inzage te verlenen (artikel 1.8.5). Voor een afwijzingvan een dergelijk verzoek ter bescherming van bepaalde, in de wetgenoemde belangen, heeft de officier van justitie een machtiging van derechter-commissaris nodig. Blijft de officier van justitie in gebrekehierover een beslissing te nemen, dan kan de rechter-commissaris hem opverzoek van de verdachte een termijn stellen. In deze wettelijke regelingligt dus besloten dat ook de met de desbetreffende strafzaak verbandhoudende stukken die de officier van justitie niet relevant heeft geacht– als zijnde redelijkerwijs van belang voor enige in het kader van deberechting door de rechter te nemen beslissing – ter beschikking moetenblijven, bijvoorbeeld in een zogenaamd schaduw- of onderzoeksdossier.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11145 Volgens artikel 3 van het Besluit processtukken in strafzaken is de officiervan justitie verplicht om aan het procesdossier een chronologisch verslagtoe te voegen, dat wil zeggen een overzicht wanneer en welke opsporings-handelingen of opsporingsbevoegdheden zijn verricht of uitgeoefend. Hijgeeft ook aan met betrekking tot welke opsporingshandelingen zich eenproces-verbaal of een andere vorm van verslaglegging (bijvoorbeeld eenopname van beeld en/of geluid) in het dossier bevindt. Bij de voeging vanprocesstukken met betrekking tot nieuwe opsporingshandelingen of-bevoegdheden wordt dit chronologisch verslag ook aangevuld.Dit chronologisch verslag wordt vooraan in het procesdossier opgenomenen in de wandelgangen wel het «moeder-proces-verbaal» of «loop-proces-verbaal» genoemd. Het biedt een overzichtelijke leeswijzer voor hetdossier. Het voorschrift geldt voor procesdossiers betreffende hetonderzoek naar ernstige misdrijven, dat wil zeggen met een strafbe-dreiging van zes jaar gevangenisstraf of meer, maar deze werkwijze wordtop veel bredere schaal toegepast. De aldus ingeburgerde werkwijze heeftgeleid tot meer uniforme processen-verbaal met een logische enherkenbare volgorde en indeling en werkt in de praktijk naar tevre-denheid.9. Overdracht van berichten en het indienen van stukken 9.1 Algemeen (171) De leden van de D66-fractie constateren dat in het voorgesteldeartikel 1.9.6 is bepaald dat door het opgeven van een nieuw adres heteerder opgegeven adres vervalt. Momenteel komt het in de praktijkgeregeld voor dat dagvaardingen voor strafzittingen niet in persoonworden betekend, bijvoorbeeld omdat dit op een verkeerd adres isgeprobeerd (vaak bij in het buitenland wonende verdachten), waarna deverdachte bij verstek wordt veroordeeld. Wordt deze problematiekvolgens de regering opgelost met deze regeling?171. Het doel van de nieuwe regeling in artikel 1.9.6 is het beperken vanhet aantal adressen waarnaar berichten moeten worden verzonden. Datheeft verschillende voordelen voor de overdracht van berichten, zoalsminder administratie in de strafrechtketen, minder verzending vanpotentieel gevoelige berichten naar niet meer in gebruik zijnde adressenen meer overzicht en duidelijkheid, ook voor de verdachte die zelf zijnadres kan kiezen. Voor te betekenen berichten, zoals de procesinleiding,geeft artikel 1.9.13 de volgorde van adressen waarin dit gebeurt. Deoverheid spant zich hierbij in de burger daadwerkelijk te bereiken. Ook opde burger rust een zekere inspanningsplicht om kennis te nemen van zijnzaak. Voor te betekenen berichten waarbij uitsluitend een adres in hetbuitenland bekend is geldt de regeling in Boek 8 (Internationale enEuropese strafrechtelijke samenwerking) van het nieuwe wetboek (die isopgenomen in de tweede vaststellingswet). Het betekenen en uitreikenvan stukken in het buitenland vergt, tenzij een verdrag anders bepaalt, dateen rechtshulpverzoek wordt gedaan aan de staat waar de betrokkene zijnadres heeft.(172) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het nieuwe artikel 1.9.5voorop komt te staan dat de toezending van berichten aan de burgerlangs de elektronische weg plaats moeten vinden. Deze leden lezen ookdat verschillende voorbeelden van tools gegeven worden om dit tebewerkstelligen, zoals via de website mijnoverheid.nl of via een specialeberichtenboxapp. Is de regering voornemens om een vaste communica-tielijn te kiezen, of kunnen verschillende manieren door elkaar bruikbaarzijn hiervoor? Deze leden vragen ook op welke manier aan de burgerduidelijk wordt gemaakt op welke wijze wordt gecommuniceerd, om tevoorkomen dat hierover verwarring ontstaat.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11146 172. Uit de regeling in het nieuwe wetboek vloeit voort wat de mogelijk-heden zijn voor de overdracht van berichten aan burgers en wat inbeginsel de volgorde daarbij is. Hiervoor kunnen verschillende vormenworden gebruikt. Als de wet dit voorschrijft, dient hiervoor de vorm teworden gebruikt die de meeste eisen stelt aan de inspanning die door deoverheid wordt geleverd om de persoon daadwerkelijk te bereiken: debetekening. Als de wet géén betekening voorschrijft, wordt het bericht aande burger uitgereikt of toegezonden (artikel 1.9.5). Bij de kennisgeving vanberichten aan burgers wordt de overdracht langs elektronische wegvooropgesteld. Procesdeelnemers kunnen een elektronisch adres opgevenvoor de overdracht van berichten in verband met een zaak (artikel 1.9.6).Toezending langs elektronische weg vindt plaats door plaatsing van eenbericht in de elektronische voorziening. Bij algemene maatregel vanbestuur kan worden bepaald dat in bepaalde gevallen de elektronischeoverdracht van een bericht rechtstreeks aan het e-mailadres kan plaats-vinden. Daarbij wordt enkel gedacht aan de toezending vanniet-vertrouwelijke berichten (artikel 1.9.5, derde lid). Voor de betekeningvan berichten aan burgers, met uitzondering van degenen van wie devrijheid is benomen, geldt dat als zij een elektronisch adres hebbenopgegeven, het bericht via de elektronische voorziening wordt aange-boden, tenzij het bericht al via uitreiking in persoon is betekend(artikel 1.9.13, tweede lid). Zowel bij betekening als toezending vanberichten langs elektronische weg ontvangt de persoon voor wie hetbericht is bestemd een notificatie dat het bericht in de elektronischevoorziening beschikbaar is (artikelen 1.9.5, derde lid en 1.9.11, tweede lid).Dit kan door een notificatie aan het elektronisch adres te verzenden;denkbaar is ook dat gebruik wordt gemaakt van een notificatiebericht vaneen door de betrokkene op de mobiele telefoon geïnstalleerde applicatiezoals de berichtenbox-app.Betekening van een bericht langs elektronische weg geldt als betekeningin persoon als degene voor wie het bestemd is zich na plaatsing van hetbericht in de elektronische voorziening de toegang verschaft tot dievoorziening (artikel 1.9.11, tweede lid). Indien het niet lukt om langselektronische weg een betekening in persoon te realiseren kan totbetekening in persoon door uitreiking worden uitgegaan, bijvoorbeeld inof bij de woning waar de betrokkene woont. In het antwoord op de vragen106 en 107 is aangegeven welke voorlichtende activiteiten zullen wordenuitgevoerd om burgers in het strafproces te informeren over hun rechtenen plichten.9.2 Betekening (173) De rapporteurs hebben een aantal vragen ten aanzien van debetekening. Zou de regering nader kunnen toelichten waarom hetpassend is om de ontvangst – indien betekening op de overige adressenniet mogelijk is – bij de instantie te beleggen die zelf verantwoordelijk isvoor een juiste uitreiking (namelijk het OM)?173. De regeling in artikel 1.9.13, zevende lid, waarin wordt bepaald datindien het bericht niet kan worden uitgereikt op het adres waar het isaangeboden, het wordt uitgereikt aan de autoriteit waarvan het isuitgegaan, vormt het sluitstuk van de inspanning die de overheid levert bijde betekening van berichten aan burgers. Het openbaar ministerie legtverantwoording af over de betekeningsinspanningen in het procesdossier.Net als in de huidige regeling is en blijft het de rechter die uiteindelijkoordeelt over de rechtsgeldigheid van de betekening.(174) De Rvdr en het OM hebben geadviseerd om het huidige systeem vanbetekening fundamenteel te herzien, nu het oude systeem complex enmoeilijk hanteerbaar is in de praktijk. De voorgestelde regeling bouwtechter in grote mate voort op het oude systeem. Kan de regering naderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11147 toelichten op welke wijze vereenvoudiging van het huidige systeem isgerealiseerd in dit voorstel? Welke alternatieven zijn overwogen enwaarom zijn die afgewezen? Hoe verhoudt het Nederlandse systeem zichmet dat van andere landen?174. De afgelopen jaren zijn stappen gezet om de regeling van debetekening in het huidige wetboek toe te snijden op het gebruik vanmoderne communicatiemiddelen. De regeling die tot stand is gekomendoor inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrech-telijke beslissingen (op 1 januari 2020) maakt betekening van gerechtelijkemededelingen door elektronische overdracht mogelijk. Bij deze totstand-koming zijn mede betrokken de uitkomsten van het rechtsvergelijkendeonderzoek Modaliteiten van betekening in rechtsvergelijkend perspectief(P.A.M. Mevis e.a., in opdracht van het WODC, september 2012). In ditonderzoek zijn verschillende systemen in andere landen beschreven(België, Duitsland, Engeland, Noorwegen en Zwitserland). Uit hetonderzoek kwam naar voren dat de wettelijke regelingen van alleonderzochte landen de mogelijkheid kennen van elektronischebetekening. Bij niet reageren door de betrokkene op de elektronischverzonden gerechtelijke mededeling wordt teruggevallen op de fysiekebetekening in persoon. Rekening houdend met de uitkomsten van hetonderzoek is met de inwerkingtreding van de Wet herziening tenuitvoer-legging strafrechtelijke beslissingen de mogelijkheid van betekening vangerechtelijke mededelingen door elektronische overdracht aan het huidigewetboek toegevoegd (artikelen 36b e.v.). De nieuwe regeling in Boek 1,Hoofdstuk 9, bouwt hierop voort. Een verschil is dat betekening langselektronische weg als wijze van betekening voorop wordt gesteld(artikel 1.9.10, eerste lid). De regeling wordt verder vereenvoudigd doorhet uitgangspunt dat voor het fysieke adres het door de burger gekozendomicilie voorgaat op het adres dat is opgenomen in de basisregistratiepersonen (artikel 1.9.13). Bij burgers die met het strafrecht in aanrakingkomen biedt de basisregistratie personen niet altijd de beste mogelijk-heden om de betrokkene daadwerkelijk te bereiken. De burger heeftvoortaan de mogelijkheid om een ander adres te kiezen (van zijn ouders,een vriend, zijn raadsman etc.). Hiermee wordt de advisering van derechtspraak en het openbaar ministerie gevolgd.(175) De rapporteurs vragen of het juist is dat de burger het risico dient tedragen voor de juiste betekening indien iets fout gaat in het digitaledoenvermogen van de burger. Is dat in lijn met jurisprudentie van hetEuropees Hof voor de Rechten van de Mens en het Hof van Justitie EU?175. Voor de betekenis van het EVRM voor de kennisgeving van gerechte-lijke stukken is van belang dat noch uit het EVRM, noch uit de jurispru-dentie van het EHRM rechtstreeks eisen voortvloeien over hoe debetekening van gerechtelijke stukken in strafzaken er uit moet zien. Deregeling daarvan is aan de verdragsstaten. De daadwerkelijke effectueringvan de rechten die het EVRM aan de verdachte toekent is op onderdelenwel afhankelijk van de betekening van gerechtelijke stukken in strafzaken.Hierbij gaat het met name om de in artikel 6, derde lid, EVRM explicietopgenomen recht van de verdachte om te worden ingelicht over de tegenhem ingebrachte beschuldiging, en het in artikel 6 EVRM door het EHRMingelezen algemene recht op aanwezigheid van de verdachte bij zijnberechting. Dit aanwezigheidsrecht is niet absoluut; verstekveroorde-lingen zijn mogelijk. Om het aanwezigheidsrecht te kunnen uitoefenen,moet de verdachte op de hoogte kunnen zijn van de terechtzitting. Deoverheid heeft hiertoe een inspanningsplicht. Die inspanningsplichtbrengt met zich dat de overheid in alle strafzaken daadwerkelijk, op eenactieve wijze, inspanningen dient te leveren ten einde de verdachte tebereiken over de komende terechtzitting. Ook op de burger rust eenzekere inspanningsplicht om kennis te nemen van zijn zaak.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11148 In geval een burger een elektronisch adres heeft opgegeven voor deoverdracht van berichten zal de betekening van een bericht in beginsellangs elektronische weg plaatsvinden, door aanbieding via de elektro-nische voorziening, onder gelijktijdige verzending van een notificatie aanhet opgegeven elektronische adres (artikel 1.9.13, tweede lid). Betekeningvan een bericht langs elektronische weg geldt als betekening in persoonals degene voor wie het bestemd is zich na plaatsing van het bericht in deelektronische voorziening de toegang verschaft tot die voorziening(artikel 1.9.11, tweede lid). Van een burger die in staat is een elektronischadres op te geven in de elektronische voorziening, mag over hetalgemeen worden verwacht dat hij ook in staat zal zijn om, na deontvangst van een notificatie, zich de toegang tot een bericht teverschaffen in de elektronische voorziening. Indien een burger dit nalaat,is sprake van een onvoltooide betekening in persoon langs elektronischeweg. In dat geval wordt door de overheid alsnog geprobeerd om totbetekening in persoon door uitreiking over te gaan, bijvoorbeeld in of bijde woning waar de betrokkene woont. Indien een burger zich geentoegang verschaft tot de elektronische voorziening leidt dit er dus nietautomatisch toe dat het risico bij de burger komt te liggen. Alsdan ligt hetop de weg van de overheid om inspanningen te verrichten om alsnog totrechtsgeldige betekening te komen en hierover verantwoording af teleggen in het dossier. Het uiteindelijke oordeel over de rechtsgeldigheidvan de betekening is aan de rechter.(176) Op welke wijze wordt gewaarborgd dat de burger een goedgeïnformeerde keuze kan maken over het wel of niet opgeven van eenelektronisch adres, waarbij oog is voor het zogenaamde doenvermogenvan de burger?176. In de nieuwe regeling inzake de overdracht van berichten en hetindienen van stukken in Boek 1, Hoofdstuk 9, wordt rekening gehoudenmet het doenvermogen van burgers. Waar professionele deelnemers aanhet strafproces worden verplicht om berichten langs elektronische wegover te dragen, gaat deze verplichting voor de burger alleen gelden als hijdoor een advocaat wordt bijgestaan (artikel 1.9.4, tweede lid).Uitgangspunt is dat een bericht op één, door de burger zelf gekozenadres, wordt overgedragen. Indien een burger kiest voor overdracht langselektronische weg dient hij een elektronisch adres op te geven via deelektronische voorziening (artikel 1.9.6, eerste lid). Wanneer een burgerdie hiertoe in staat is, mag over het algemeen worden aangenomen dathij over voldoende basisvaardigheden beschikt om de elektronischevoorziening te gebruiken. In het antwoord op de vragen 106 en 107 isaangegeven welke voorlichtende activiteiten zullen worden uitgevoerd omburgers in het strafproces te informeren over hun rechten en plichten.(177) In geval de burger gebruik maakt van een elektronisch adres, vindtbetekening enkel plaats wanneer dit bericht in de digitale voorzieningwordt geopend. Met het oog op de doorlooptijden rijst daarbij de vraagwanneer dient te worden overgegaan op klassieke betekening, wanneerde burger de digitale voorziening niet heeft geopend.177. Een betekening is voltooid als het bericht conform artikel 1.9.11,eerste lid, in de voorziening is geplaatst met notificatie aan de betrokkene.De betekening geldt als betekening in persoon als degene voor wie hetbestemd is zich toegang verschaft tot de elektronische voorziening nadateen bericht in die voorziening is geplaatst. Iedere betekening langselektronische weg wordt vastgelegd (artikel 1.9.15). Aangezien wordtvastgelegd wanneer iemand na de notificatie zich de toegang tot deelektronische voorziening verschaft, kan de officier van justitie op basisvan het uitblijven van een dergelijke vastlegging overgaan tot het (ook)fysiek betekenen van het bericht aan degene voor wie het bestemd is. Hetmoment waarop dat gebeurt hangt mede af van de inhoud van het berichtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11149 dat moet worden betekend en de termijnen die van toepassing zijn. Zo zaleen fysieke betekening van een oproeping voor een ingeplande terecht-zitting – met het oog op de doorlooptijden waarop in de vraagstellingwordt gewezen, maar ook in verband met het aanwezigheidsrecht van deverdachte – tijdig voorafgaand aan de zitting moeten plaatsvinden, maargeldt voor een fysieke betekening van een verstekvonnis geen vastedeadline.(178) Kan de regering nader toelichten wanneer sprake is van tijdigheid inde zin van artikel 1.9.17 lid 2 aan de hand van een aantal concretepraktijkvoorbeelden?178. Ingevolge artikel 1.9.17, tweede lid, kan nietigverklaring van debetekening door de rechter achterwege blijven als zich een omstandigheidheeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat het bericht degene voor wie hetbestemd was tijdig bekend was. Dan moet duidelijk zijn dat het bericht degeadresseerde heeft bereikt, ook al is de betekening niet rechtsgeldigverlopen. Als bijvoorbeeld een verdachte van wie niet bekend is of hijkennis heeft genomen van een oproeping voor de zitting, die op eenander dan het opgegeven adres aan zijn levensgezel is uitgereikt, aan derechtbank om aanhouding verzoekt is duidelijk dat hij van de dag van deterechtzitting op de hoogte is. Nietigverklaring van de betekening ligt danniet in de rede.Bij een bericht dat moet worden betekend is vaak sprake van eenrechtsgevolg dat intreedt als de verdachte niet tijdig handelt, zoals hetinstellen van een rechtsmiddel. Naast dat duidelijk moet zijn dat hetbericht de geadresseerde heeft bereikt, is ook het tijdstip waarop hetbericht hem heeft bereikt, van belang. Degene voor wie het bericht isbestemd moet voldoende tijd hebben gehad om te handelen op hetbericht. De uiteindelijke beoordeling hieromtrent is aan de rechter.(179) Hoe wordt op een verantwoorde manier omgegaan met de in dithoofdstuk opgenomen delegatiebepalingen? Op welke wijze wordt hetparlement daarbij betrokken?)179. De op grond van Boek 1, Hoofdstuk 9, in lagere regelgeving op tenemen nadere regels zullen op de gebruikelijke manier tot stand wordengebracht. Dat wil zeggen in nauw overleg met de ketenpartners die metdeze regels zullen moeten werken en met consultatie van de gebruikelijkeadviesinstanties. Aangezien de Tweede Kamer zoals blijkt uit de vraag-stelling, belang stelt in kennisneming van deze nadere regels zullen deze,wanneer zij in formele consultatie zijn gegeven, ook aan de Tweede Kamerworden toegezonden.(180) De leden van de SP-fractie zien dat de NVvR twijfels heeft over hetsysteem waarbij een niet anderszins uitgereikte dagvaarding wordtuitgereikt aan het OM. Deze leden delen deze twijfels. Is het passend omde ontvangst te beleggen bij de instantie die zelf verantwoordelijk is vooreen juiste uitreiking?180. Met de regeling in artikel 1.9.13, zevende lid, wordt voortgebouwd opde regeling in het huidige wetboek (artikel 36e, tweede lid, onderdeel b).Tot 1 januari 2020 was in het huidige wetboekbepaald dat indien geenuitreiking heeft kunnen plaatsvinden, de gerechtelijke mededeling wordtteruggezonden aan de autoriteit waarvan zij is uitgegaan en uiteindelijkbetekend aan de griffie van het gerecht. Met de inwerkingtreding van deWet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen is ditgewijzigd in uitreiking aan de autoriteit waarvan de gerechtelijkemededeling is uitgegaan. In het advies van de NVvR is de vraagopgeworpen of met de wijziging van de uitreiking aan de autoriteitwaarvan het bericht is uitgegaan geen afbreuk wordt gedaan aan deexterne controle van de betekening. Deze vraag kan ontkennend wordenbeantwoord, nu de griffie de uitreiking voorheen slechts voor kennis-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11150 geving aannam. Externe controle vindt plaats door de zittingsrechter, dieoordeelt over de rechtsgeldigheid van de betekening. Het openbaarministerie legt verantwoording af over de betekeningsinspanningen in hetprocesdossier.11. Enige algemene voorzieningen (181) De leden van de SP-fractie gaan ervan uit dat een gemotiveerdbezwaar van de verdachte tegen het gebruik van videoconferentie eengemotiveerde beslissing tot afwijzing van dat bezwaar vergt. Dat is echternog niet terug te vinden in de tekst. Kan de regering hier een reflectie opgeven? Is de regering het eens met deze argumentatie?181. Op grond van artikel 1.11.4, eerste lid, dient de verdachte in tweesituaties in te stemmen met de toepassing van videoconferentie. Daarvanis ten eerste sprake indien de verdachte aan de rechter-commissaris wordtvoorgeleid in het kader van de behandeling van de vordering tot bewaringen ten tweede bij zijn berechting. Dat betekent dat als een verdachtebezwaar heeft tegen de toepassing van videoconferentie, de verhorenderechter het verhoor in fysieke zin doorgang laat vinden (behoudens deuitzonderingsgevallen uit artikel 1.11.4, derde lid).In andere situaties dan de hiervoor genoemde voorgeleiding in het kadervan de bewaring en de berechting, houdt de rechter rekening met eeneventueel bezwaar van de verdachte tegen de toepassing van videoconfe-rentie (zie artikel 1.11.3, derde lid). De rechter maakt een afweging van allebelangen en beslist vervolgens of de toepassing van videoconferentie inde desbetreffende zaak opportuun is. Hij neemt daarbij het belang van eenbehoorlijke behandeling van de zaak in aanmerking, hetgeen inhoudt dathij afweegt of, en zo ja: in hoeverre, de toepassing van videoconferentie inde gegeven situatie strijdig is met, of juist strekt ter bescherming van allein het geding zijnde belangen. Het betreft, naast de belangen van deverdachte, de belangen van de te verhoren persoon (indien dit niet deverdachte is) en van overige procesdeelnemers alsmede het belang vaneen zorgvuldig, vlot en ordelijk verloop van de zitting. De rechter slaatdaarbij acht op de standpunten die de verdachte en de andere betrokkenprocesdeelnemers daarover kenbaar hebben gemaakt. Het is eigen aanhet werk van de rechter dat hij zijn beslissing, als uitkomst van dezebelangenafweging, aan de betrokkenen toelicht. Dit ligt te meer voor dehand indien de verdachte (of een andere procesdeelnemer) bezwarenheeft geuit tegen de toepassing van videoconferentie. Aldus maakt derechter in feite een gemotiveerde beslissing over de toepassing vanvideoconferentie. Het wordt niet nodig geacht dit in de tekst nader teverduidelijken.(182) De leden van de SP-fractie zien dat SHN adviseert in de wet eentermijn van twee weken voor de zitting op te nemen, zodat het slachtoffereen acceptabele tijd voor de zitting naar zijn mening wordt gevraagd inhet geval videoconferentie ten aanzien van de verdachte is gevorderd ofverzocht. SHN geeft aan dat de nodige zorgvuldigheid is vereist bij eendergelijke procedure waarbij het slachtoffer er bij voorkeur ook op wordtgewezen dat hij zich voor advies tot SHN of een advocaat kan wenden.Hoe kijkt de regering hier tegenaan? Is de regering bereid dit beter teborgen in de tekst?182. Bij de beslissing of al dan niet videoconferentie wordt toegepast,wordt uiteraard de nodige zorgvuldigheid in acht genomen. Om recht tedoen aan de procespositie van de persoon die op grond van artikel 1.5.8het spreekrecht kan uitoefenen – dat is doorgaans het slachtoffer of eenfamilielid van het slachtoffer – en om een zorgvuldige afweging te kunnenmaken, stelt de rechter ook deze persoon in de gelegenheid zijn mening tegeven over de toepassing van videoconferentie. In de regeling is daartoegeen termijn opgenomen, omdat dit tot onnodig oponthoud zou kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11151 leiden. Het is daarnaast denkbaar dat een beslissing om videoconferentietoe te passen kort voor de zitting juist in het belang is van de spreekge-rechtigde of overeenkomt met diens wens. Bovendien zijn er zittingen dieop kortere termijn dan de door SHN genoemde termijn van twee wekenplaatsvinden, zoals raadkamerzittingen. Het stellen van termijnenbemoeilijkt de flexibele inzet van videoconferentie. De afweging van debelangen die in het geding zijn kan bij uitstek aan de rechter wordentoevertrouwd.11.1 Herstelrecht (183) De leden van de D66-fractie lezen dat in artikel 1.11.2 wordtvoorgeschreven dat de officier van justitie de betrokken opsporings-ambtenaar bevordert om in een zo vroeg mogelijk stadium herstelrecht-voorzieningen onder de aandacht van het slachtoffer en de verdachte tebrengen. Kan de regering toelichten waarom is gekozen voor detussenstap van bevorderen en niet voor de formulering «De betrokkenopsporingsambtenaar doet het slachtoffer en de verdachte in een zovroeg mogelijk stadium mededeling van...»?183. De formulering van artikel 1.11.2, eerste lid, is alleen redactioneelgewijzigd met het oog op de nieuwe terminologie van het wetboek. Debegrippen «het openbaar ministerie» en «de politie» zijn vervangen door«de officier van justitie» respectievelijk «de betrokken opsporings-ambtenaar». Voor het overige zijn de bewoordingen dezelfde als in hethuidige artikel 51h, eerste lid.In een later stadium kan het artikel wanneer daartoe aanleiding isinhoudelijk worden aangepast. Dan kan ook naar de formulering wordengekeken waarop in de vraag wordt gewezen. Er kan reden zijn om de wetaan te passen naar aanleiding van de evaluatie van de InnovatiewetStrafvordering, waarin een onderdeel is opgenomen ten aanzien vanmediation na aanvang van het onderzoek op de terechtzitting. Hieropwerd ingegaan in het antwoord op vraag 27. Verder is vanuit de TweedeKamer gevraagd om aanvullende wetgeving. Daarbij gaat het om eeninformatieplicht voor de politie om erop te wijzen dat herstelrecht bestaaten een instructienorm voor het openbaar ministerie en de rechter omambtshalve te onderzoeken of mediation mogelijk is. In dit kader is ooktoegezegd om in te gaan op een recht van het slachtoffer en van deverdachte om de mogelijkheid van mediation te laten onderzoeken.In de brief aan de Tweede Kamer van 1 november 2022 (Kamerstukken II2022/23, 29 279, nr. 741) is aangegeven dat overleg over verdergaandeaanpassingen van de wetgeving kan plaatsvinden, mits die toegevoegdewaarde hebben voor de rechtspraktijk en daarbij rekening wordtgehouden met de positie van de rechter en de procesdeelnemers. Ookdienen de doorlooptijden van strafzaken te worden bekeken, evenals deuitvoeringseffecten en financiering ervan. Het eventueel wettelijkverankeren van een informatieplicht, van instructienormen of van hetrecht op onderzoek of mediation mogelijk is heeft substantiële conse-quenties voor de rechtspraktijk en zal kosten met zich brengen. In verbandhiermee is het voorstel om de drie genoemde punten in de wet op tenemen in 2023 voorgelegd aan de ketenpartners. Als na deze consultatieblijkt dat het gewenst en haalbaar is om de onderwerpen in de wet op tenemen, dan kunnen deze tezamen met de resultaten van de evaluatie vande Innovatiewet Strafvordering worden opgenomen in de tweedeaanvullingswet bij het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Via dezeaanpak kan een samenhangende en evenwichtige regeling in het nieuweWetboek van Strafvordering worden gerealiseerd.(184) De leden van de SP-fractie missen vanuit Boek 1 de nadruk enintenties als het aankomt op herstelrechtvoorzieningen. Hierover is nauitgebreide consultatie in de strafrechtspraktijk een initiatiefwetsvoorstelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11152 geschreven door experts op dit gebied te weten Jacques Claessen, JohnBlad, Gert Jan Slump, Annemieke Wolthuis, Anneke van Hoek en Theo deRoos. Deze leden zijn net als de schrijvers van het initiatiefvoorstel vanmening dat er moet worden ingezet op het recht op rechtstreekse enzelfstandige aanmelding voor mediation in naast andere herstelrechtvoor-zieningen voor slachtoffers en verdachte, een informatieplicht voor depolitie én een onderzoeksplicht voor het OM en de rechter inzake demogelijkheden van mediation in strafzaken, herstelbemiddeling, herstel-conferenties en andere herstelrechtvoorzieningen. Kan de regeringreflecteren op de vraag in hoeverre dit terugkomt in Boek 1? Is de regeringbereid zich in te zetten op de vormgeving van een recht op rechtstreekseen zelfstandige aanmelding voor alle betrokkenen voor mediation instrafzaken dat nu formeel nog niet het geval is? Hoe kijkt de regering tenaanzien hiervan aan tegen het recht op bijstand door een advocaat en eentolk bij de inzet van mediation in strafzaken? Is de regering bereidartikel 1.11.1 en artikel 1.11.2 grondig te herzien zodat mediation instrafzaken en de herstelconferentie bij jeugdigen een vaste rol krijgen indit Boek 1?184. Op de regeling van herstelrechtvoorzieningen waaronder een rechtvan alle betrokkenen op rechtstreekse aanmelding voor mediation instrafzaken in Boek 1 is ingegaan in het antwoord op vraag 183. Inaanvulling daarop het volgende.De herstelconferentie bij jeugdigen is een vorm van herstelrecht. Het isniet nodig om elke specifieke vorm van herstelrecht in de wet op tenemen. Als het wenselijk en nodig is om modaliteiten van herstelrecht tereguleren of uit te werken dan kan dit bij of krachtens algemene maatregelvan bestuur. Artikel 1.11.2, vierde lid, biedt daarvoor een grondslag.In reactie op de vraag naar het recht op bijstand door een advocaat en eentolk bij de inzet van mediation in strafzaken wordt het volgendeopgemerkt. Het recht van het slachtoffer op bijstand is in algemene zinvastgelegd in artikel 1.5.6. Het recht van de verdachte op bijstand dooreen raadsman is neergelegd in artikel 1.4.5. De inzet van tolken wordtgeregeld in de artikelen 1.11.6 tot en met 1.11.8. Bij mediation wordt in depraktijk een tolk ingezet via het tolkenbureau van het openbaar ministerieals één van de betrokkenen (verdachte of slachtoffer) geen Nederlandsspreekt of verstaat. Advocaten krijgen altijd de gelegenheid om deslotovereenkomst, die het resultaat is van mediation in een strafzaak, in tezien. Dit gebeurt alleen als hun cliënt dit wil. In de praktijk gebeurt ditgeregeld. In de meeste gevallen zijn advocaten niet aanwezig bij deintakegesprekken, maar in uitzonderlijke situaties gebeurt dit wel. Verderkunnen advocaten namens hun cliënt een verzoek doen aan het openbaarministerie om de mogelijkheid van mediation te onderzoeken.(185) Verder dringen de leden van de SP-fractie er nu vast op aan om bijeen positieve evaluatie van het door de Tweede Kamer unaniem aange-nomen amendement bij de Innovatiewet Strafvordering (Kamerstuk35 869, nr. 11), dit op te nemen in de definitieve tekst van artikel 1.11.1en 1.11.2.185. Het is inderdaad afhankelijk van de evaluatie van de praktijk, die inhet kader van de Innovatiewet Strafvordering wordt uitgevoerd, of hetamendement bij de Innovatiewet Strafvordering definitief in het nieuwewetboek wordt opgenomen. Het is denkbaar dat de evaluatie onverdeeldpositief is, het is ook voorstelbaar dat de ervaringen van de verschillendeprocesdeelnemers op bepaalde punten negatief zijn of uiteenlopen. Alsbesloten wordt de bepaling ten aanzien van de verklaring dat de zaakgeëindigd is in het nieuwe wetboek op te nemen, zal ook worden bezienof deze bepaling op haar plaats is in de artikelen 1.11.1 of 1.11.2 of dat zijbeter kan worden ingebed in Boek 4, dat de berechting betreft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11153 (186) De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat nog niet wordtovergegaan tot herziening van herstelrecht in het Wetboek van Strafvor-dering. Deze leden constateren dat de nu voorliggende artikelen niet in lijnzijn met het Beleidskader herstelrechtvoorzieningen gedurende hetstrafrechtproces uit 2020. Zij achten het wenselijk ook al in de huidigebehandeling van het wetboek in elk geval de uitgangspunten voor eennieuwe regeling op te nemen. Hierbij denken zij aan de uitgangspuntendie ook eerder zijn geformuleerd als:1.het recht op rechtstreekse en zelfstandige aanmelding voor mediationin strafzaken en herstelbemiddeling en andere herstelrechtvoorzienin-gen voor slachtoffers en verdachten;2.een informatieplicht voor de politie (informatienorm);3.een onderzoeksplicht voor het OM en de rechter (instructienorm) ompartijen tijdig te wijzen op een herstelrechtelijke (deel)oplossing en detoegang tot herstelrecht.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering bereid is langsdeze lijnen alvast een regeling op te nemen die later, op basis van deevaluatie nog kan worden uitgewerkt in de aanvullingswet.186. De uitgangspunten voor een nieuwe regeling inzake herstelrechtvoor-zieningen komen aan de orde in het antwoord op vraag 183. Daarbij komtook de uitwerking in een aanvullingswet aan bod. Door een eventuelenieuwe regeling na evaluatie van de Innovatiewet Strafvordering en naconsultatie van de ketenpartners bij aanvullingswet in het nieuwewetboek te verwerken, kan een samenhangende en evenwichtige regelingvan mediation in strafzaken worden gerealiseerd. Daarbij verdientopmerking dat de aanvullingswetten tegelijkertijd met het nu aanhangigewetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe wetboek in werking treden.11.2 Videoconferentie (187) De rapporteurs hebben een aantal vragen inzake de videoconfe-rentie. Op welke onderdelen is de regeling inzake de videoconferentieverruimd?187. De regeling inzake videoconferentie is op enkele onderdelenverruimd. Aan de regeling is (in artikel 1.11.3, eerste lid) toegevoegd datnaast het horen, verhoren of ondervragen van een persoon ook hetbijwonen van een verhoor of zitting plaats kan vinden per videoconfe-rentie. Hierdoor wordt een persoon in staat gesteld als toehoorder eenverhoor of zitting bij te wonen, ook als deze persoon niet wordt onder-vraagd of verhoord. Bij deze mogelijkheid kan worden gedacht aan hetslachtoffer dat de zitting wenst bij te wonen zonder daarbij fysiekaanwezig te zijn, of aan de verdachte die via videoconferentie aanwezig isbij een getuigenverhoor door de rechter-commissaris.Bij het vereiste van instemming van de verdachte is opgenomen dat dezeniet alleen geldt voor berechting door de meervoudige kamer, maar vooriedere vorm van berechting, dus ook indien de zaak enkelvoudig wordtbehandeld (zie artikel 1.11.4, eerste lid, onderdeel b).Tot slot is de groep procesdeelnemers die door de rechter om hun meningwordt gevraagd over de toepassing van videoconferentie, uitgebreid. Inartikel 1.11.3, derde lid, is de verdachte of veroordeelde en de persoon diehet spreekrecht kan uitoefenen toegevoegd als persoon die de rechter inde gelegenheid stelt zijn mening over de toepassing van videoconferentiekenbaar te maken.(188) Wat is de achtergrond van de keuze de instemming van de verdachtete vereisen voor de vordering inbewaringstelling en de berechting en demogelijke uitzonderingen daarop te beperken tot het bijzondere belangvan de beveiliging? Bestaat er aanleiding de toepassing verder teverruimen ten aanzien van verdachten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11154 188. Het instemmingsrecht is opgenomen om de verdachte zeggenschapover de toepassing van videoconferentie te geven op twee kernmomentenin het tegen hem gevoerde strafproces. Op het moment dat op devordering tot inbewaringstelling moet worden beslist, is de verdachte inde gelegenheid om fysiek aanwezig te zijn bij de rechter die hem op dievordering moet horen, zodat hij op dat moment – dat de aanvang kanvormen van langer durende vrijheidsbeneming – naar voren kan brengenwat hij wenst. Het tweede moment vormt de berechting van de verdachte.Daarbij staat het belang van zijn aanwezigheidsrecht, dat voortvloeit uitartikel 6 EVRM en is opgenomen in artikel 14, derde lid aanhef en onder d,IVBPR, voorop. De verdachte moet in staat worden gesteld zich teverdedigen tegen de beschuldiging. Daarom moet eerst worden gekekennaar de mogelijkheid of de verdachte, indien hij dat wenst, fysiekaanwezig kan zijn. Het aanwezigheidsrecht is echter niet absoluut;berechting buiten aanwezigheid van de verdachte op de terechtzitting isonder omstandigheden mogelijk. De uitzonderingen op dat instemmings-recht zijn beperkt tot de gevallen waarin dat dringend noodzakelijk is, inhet bijzondere belang van de beveiliging van het verhoor of de zitting ofvan het vervoer naar of van de zitting. Uit jurisprudentie van het EHRMvolgt dat deelname aan een strafproces via videoconferentie zonderinstemming van de verdachte niet als zodanig in strijd is met het EVRM,zolang de toepassing van videoconferentie een legitiem doel dient en dewijze waarop het bewijs wordt gegeven verenigbaar is met de vereistenvan het recht op een eerlijk proces (EHRM 8 juni 2021, 61591/16(Dijkhuizen t. Nederland)). Tot een legitiem doel worden ook de bevei-liging van de zitting en het moeten vermijden van vervoer van deverdachte vanwege een ernstig risico voor verstoring van de openbareorde of ontsnapping gerekend (EHRM 5 oktober 2006, 45106/04 (MarcelloViola t. Italië)). Dit overrulen van de instemming van de verdachte isbeperkt tot deze gevallen, omdat het aanwezigheidsrecht bij de berechtingzwaar telt, nu daar de ondervraging belangrijker is, zeker naarmate detenlastelegging serieuzer is, en er dus meer op het spel staat voor deverdachte. Er bestaat geen aanleiding de toepassing van het instem-mingsrecht, of de uitzondering daarop, te verruimen.(189) De rapporteurs vragen voorts of de regering kan toelichten of en, zoja, hoe het afwegingskader van het Wetenschappelijk Onderzoek- enDocumentatiecentrum (WODC)-onderzoek «Eisen en waarborgen voor hetgebruik van videoconferentie ten aanzien van de verdachte in hetNederlandse strafproces in rechtsvergelijkend perspectief» in acht isgenomen bij de voorgestelde regeling.189. De onderzoekers van het WODC-onderzoek hebben op basis van hunbevindingen een afwegingskader geformuleerd, uitgesplist in zesfactoren, om handreikingen te verschaffen voor het besluit of toepassingvan videoconferentie ten aanzien van de verdachte in een concreet gevalopportuun is (zie A.M. de Hoon, M.F.H. Hirsch Ballin en S.G.M.J. Bollen,De verdachte in beeld. Eisen en waarborgen voor het gebruik vanvideoconferentie ten aanzien van verdachte in het Nederlandse straf-proces in rechtsvergelijkend perspectief, Vrije Universiteit Amsterdam2020). In het rapport is benadrukt dat ten aanzien van de vraag in hoeverremoet worden gedifferentieerd tussen verschillende factoren binnen datafwegingskader maatwerk nodig is, waarbij de rechter een afweging moetmaken van de situatie en omstandigheden van het voorliggende geval.Bij het opstellen van de regeling is het door de onderzoekers geformu-leerde afwegingskader voor ogen gehouden. Dit afwegingskader wordtgevormd door de volgende zes factoren:1.De mogelijkheid van lijfelijke aanwezigheid;2.De aanwezigheid van compenserende waarborgen in de manierwaarop videoconferentie wordt toegepast;3.De aard van de zitting en de procesfase waarin de zaak zich bevindt;Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11155 4.De zwaarte van het tenlastegelegde feit en de zwaarte van de straf diekan worden opgelegd;5.De wens (voor of tegen toepassing van videoconferentie) en hetgedrag van de verdachte;6.Het belang van een behoorlijke strafvordering en van andere proces-deelnemers.Deze zes factoren liggen in de voorgestelde regeling besloten, enerzijdsdoordat voor de vraag of de verdachte moet instemmen met detoepassing van videoconferentie is gedifferentieerd naar de aard van dezitting en de procesfase en anderzijds doordat de rechter bij zijn beslissinghet belang van een behoorlijke behandeling van de zaak in aanmerkingneemt en de procesdeelnemers in de gelegenheid stelt hun mening overde toepassing van videoconferentie kenbaar te maken.Daarbij is van belang voor ogen te houden dat de rechter die tot detoepassing van videoconferentie (ook zonder instemming van deverdachte of diens raadsman) beslist, het recht op een eerlijk procesbewaakt. Dit vergt een bredere toets dan de vaststelling of sprake is vaneen inbreuk op het aanwezigheidsrecht, namelijk van de eerlijkheid van deprocedure in zijn geheel (the overall fairness of the trial).(190) De voorgestelde regeling in artikel 1.11.3 schrijft voor dat deopsporingsambtenaar (lid 2) respectievelijk de rechter (lid 3) alvorens tebeslissen enkele genoemde betrokkenen om hun mening moet vragenover de toepassing van videoconferentie. In de regeling is echter nietopgenomen dat sprake moet zijn van een gemotiveerde beslissing. Kan deregering u toelichten of deze beslissing gemotiveerd moet worden?190. Zie het antwoord op vraag 181.(191) Ten aanzien van een situatie als bedoeld in artikel 1.11.4 lid 1,begrijpen de rapporteurs dat de verdachte kenbaar kan maken dat hij nietmet de toepassing van videoconferentie instemt. Het begrip«instemming» wordt echter noch in de wet noch in de memorie vantoelichting nader geduid. Kan de regering toelichten hoe het begrip«instemming» wordt ingevuld en of de advocaat daarbij een rol speelt? Inlid 3 van artikel 1.11.4 wordt voorzien in een uitzondering op de in heteerste en tweede lid bedoelde situaties uitsluitend in gevallen waarin hetbijzondere belang van de beveiliging van de zitting of van het vervoernaar en van de zitting dringend vergt dat van videoconferentie gebruikwordt gemaakt. Wat is er nodig om te spreken van het bijzondere belang?Zijn deze uitzonderingen afdoende? Hoe wordt in een dergelijk gevalverzekerd dat de verdachte voldoende zijn verdedigingsrechten kanuitoefenen? Hoe zit het met de openbaarheid? Kan de regering toelichtenwaarom voor de behandeling van de vordering tot gevangenhoudinggeen toestemming van de verdachte is vereist voor de inzet van videocon-ferentie? Kan de regering enkele concrete voorbeelden noemen,waaronder de verdachte mag afzien van videoconferentie nadat hijdaarmee heeft ingestemd? Kan de regering toelichten op welke wijzeeventuele praktische problemen, zoals problemen met de werking van devideoverbinding en de werking van de bijgevoegde link met de videocon-ferentie, worden onderzocht alvorens over te gaan op de controle van debetekening?191. Het begrip instemming is een naar algemeen taalgebruik helderbegrip: als de verdachte toestemming geeft voor de toepassing vanvideoconferentie, stemt hij in. Het is niet nodig dit begrip in de wettelijkeregeling nader uit te werken. Een raadsman kan bij de instemming met detoepassing van videoconferentie ook een rol spelen. Zoals het geval is indiverse situaties in het strafproces, kan het overleg met de verdachte overde toepassing van videoconferentie plaatsvinden met of door tussen-komst van de raadsman. Deze kan op grond van artikel 1.4.20, eerste lid,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11156 eventueel ook namens de verdachte instemmen met de toepassing vanvideoconferentie.De gemaakte uitzondering op het instemmingsrecht van de verdachtegeldt uitsluitend in gevallen waarin het bijzondere belang van debeveiliging van de zitting of van het vervoer naar en van de zittingdringend vergt dat de verdachte aan de voorgeleiding of terechtzittingdeelneemt via videoconferentie. Het bijzondere belang duidt aan dat hetom een specifiek belang gaat; een omstandigheid die alleen op despecifieke zaak betrekking heeft. Uit jurisprudentie van het EHRM volgt datzonder instemming van de verdachte deelname aan een strafproces viavideoconferentie niet als zodanig in strijd is met het EVRM, zolang detoepassing van videoconferentie een legitiem doel dient en waarborgen inacht zijn genomen om ervoor te zorgen dat de verdachte het proces kanvolgen en zijn verdedigingsrechten voldoende adequaat kan uitoefenen(EHRM 8 juni 2021, 61591/16 (Dijkhuizen t. Nederland)). Tot een legitiemdoel worden de beveiliging van de zitting en het moeten vermijden vanvervoer van de verdachte vanwege een ernstig risico voor verstoring vande openbare orde of ontsnapping gerekend (EHRM 5 oktober 2006,45106/04 (Marcello Viola t. Italië), zie ook A.M. de Hoon, M.F.H. HirschBallin en S.G.M.J. Bollen, De verdachte in beeld. Eisen en waarborgenvoor het gebruik van videoconferentie ten aanzien van verdachte in hetNederlandse strafproces in rechtsvergelijkend perspectief, Vrije Univer-siteit Amsterdam 2020, paragraaf 2.3.1).De uitzonderingen die in de regeling zijn opgenomen, zijn afdoende enwaarborgen dat videoconferentie ten aanzien van de verdachte zonderdiens instemming slechts in uitzonderlijke gevallen plaatsvindt. In allegevallen waarin videoconferentie wordt toegepast ten aanzien van deverdachte zal zorgvuldig moeten worden beoordeeld in hoeverre deverdediging in staat is op adequate wijze haar rechten uit te oefenen bij detoepassing van videoconferentie. Zo dient de verdachte vertrouwelijk metzijn raadsman te kunnen communiceren. De rechter ziet hierop toe. Tenaanzien van de openbaarheid wordt opgemerkt dat ook indien eenverdachte of een andere procesdeelnemer via videoconferentiedeelneemt, sprake is van een openbare zitting. Het publiek in dezittingszaal kan net als de anderen in de zittingszaal volgen wat door debetreffende persoon op afstand wordt gezegd.Het instemmingsrecht voor de toepassing van videoconferentie isopgenomen met betrekking tot twee kernmomenten in het tegen deverdachte gevoerde strafproces. Naast de berechting geldt het instem-mingsrecht voor het verhoor van de verdachte ter gelegenheid van debehandeling door de rechter-commissaris van de vordering tot inbewa-ringstelling, waarover de verdachte moet worden gehoord (artikel 2.5.42,derde lid). Juist dit moment, dat de aanvang kan vormen van langerdurende vrijheidsbeneming, rechtvaardigt dat de verdachte desgewenstde mogelijkheid heeft om ten overstaan van, en oog in oog met, derechter die daarover beslist zijn standpunt daarover naar voren tebrengen. Het instemmingsvereiste waarborgt dat de verdachte die eenmogelijk langere periode gedetineerd blijft daaraan voorafgaand tenminste een keer fysiek aanwezig is bij de rechter die daarover beslist. Ervindt geen gevangenhouding plaats zonder voorafgaande inbewaring-stelling. Om deze redenen is bij de vordering tot gevangenhouding geeninstemmingsrecht geregeld.Het plannen van de behandeling van een strafzaak is ingewikkeldnaarmate daarbij meer procesdeelnemers zijn betrokken, en kost tijd encapaciteit. Voor een gedetineerde verdachte moet bovendien tijdig zijnvervoer naar en van het gerechtsgebouw geregeld worden. Als deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11157 verdachte heeft ingestemd met de toepassing van videoconferentie, maghij daar nadien niet zonder goede reden van terugkomen. Een voorbeeldvan een situatie waarin een verdachte na instemming met toepassing vande videoconferentie daarvan alsnog zou kunnen afzien, is de situatiewaarin de verdachte niet is gedetineerd en er geen logistiek probleemontstaat als de verdachte te kennen geeft toch de zitting (of het verhoor)fysiek bij te willen wonen in plaats van middels videoconferentie. Eenandere denkbare situatie is dat de verdachte is gedetineerd en zich na zijninstemming een omstandigheid voordoet als gevolg waarvan hetbelangrijk is dat de verdachte en de raadsman beiden fysiek in dezittingszaal aanwezig zijn. In dat laatste geval moet met het oog op dezitting nog wel kunnen worden voorzien in vervoer van de verdachte naaren van het gerechtsgebouw.Deelname aan de zitting via videoconferentie geldt als een normaleverschijning. Er is dan sprake van een procedure op tegenspraak. Indiende verdachte heeft ingestemd met de toepassing van videoconferentiemaar vervolgens bij de zitting niet digitaal verschijnt, zal vanzelfsprekendonderzocht worden wat daar de reden voor is. Daarbij zijn twee situatieste onderscheiden. In het geval de verdachte gedetineerd is en te kennenheeft gegeven vanuit de penitentiaire inrichting via videoconferentie tewillen deelnemen zal, indien zich een technische storing voordoet, contactmet de desbetreffende penitentiaire inrichting worden opgenomen om nate gaan of de storing op korte termijn kan worden verholpen. Debetekening van de oproeping zal ook worden gecontroleerd, maar bij eengedetineerde verdachte ligt daar doorgaans niet het probleem. In depraktijk komt het een enkele keer voor dat geen sprake is van eentechnische storing, maar dat de gedetineerde verdachte door plotselingeomstandigheden in verband met zijn detentie of de situatie in depenitentiaire inrichting niet voor de camera kan verschijnen. In eendergelijk geval handelt de rechter naar bevind van zaken. Daarbij is hetvoorstelbaar dat de rechter de behandeling van de zaak aanhoudt, als hetniet mogelijk blijkt om de verdachte binnen korte tijd alsnog via videocon-ferentie te laten deelnemen. Het ligt in de rede hierover met de raadsmante overleggen. Deze kan ook aangeven of hij kort voor de zitting contactheeft gehad met zijn cliënt en of hij aanhouding van de behandeling vande zitting wenselijk acht of wellicht als gemachtigde van de afwezigeverdachte tot diens verdediging wil optreden (artikel 4.2.14). In dat laatstegeval is het niet nodig verstek te verlenen (artikel 4.2.15).In het geval dat de verdachte niet is gedetineerd, ligt het in de rede omeerst na te gaan of sprake is van een technische storing die op kortetermijn te verhelpen is. Daarna dient de betekening op correctheid teworden gecontroleerd en kan bij de raadsman worden nagevraagd of hijop de hoogte is van de wens of het voornemen van de verdachte om welof niet te verschijnen, of hij aanhouding van de behandeling van de zaakwenselijk vindt dan wel of hij als uitdrukkelijk daartoe gemachtigdraadsman de verdediging van zijn cliënt wil voeren. Bij de beslissing of debehandeling van de zaak moet worden aangehouden om de verdachte demogelijkheid te bieden alsnog bij de zitting aanwezig te zijn, zal de rechtersteeds het belang van het aanwezigheidsrecht van de verdachte moetenbetrekken (ECLI:NL:HR:1999:ZD1314). Daarbij is ook van belang of sprakeis van een inhoudelijke behandeling van de zaak of van een andere zitting.(192) Hoe verhoudt zich de toepassing van videoconferentie bij het horenvan getuigen tot het recht van de verdachte om effectief gebruik tekunnen maken van het ondervragingsrecht? Kan de regering toelichtenhoe de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat enverdachte bij toepassing van videoconferentie wordt gewaarborgd? Hoeverhouden de (bredere) mogelijkheden voor de toepassing zich totTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11158 artikel 5.1.9 Sv dat niet voorziet in de mogelijkheid om het politieverhoorvia videoconferentie door rechtshulp te bewerkstelligen?192. Uiteraard geldt dat de verdachte zijn ondervragingsrecht ten vollemoet kunnen uitoefenen onder de daarvoor geldende regels – zowel op dezitting als bij de rechter-commissaris – indien videoconferentie wordttoegepast bij een getuigenverhoor. In die gevallen beslist de rechter ofvan videoconferentie gebruik wordt gemaakt, waarbij «het belang van eenbehoorlijke behandeling van de zaak» in aanmerking wordt genomen(artikel 1.11.3, derde lid). In het bijzonder kan daarbij aandacht uitgaannaar de uitoefening van het ondervragingsrecht. Is de rechter er niet vanovertuigd dat via de videoconferentie voldoende tegemoet wordtgekomen aan het ondervragingsrecht van de verdachte, dan zal hij afzienvan de toepassing daarvan. Voor de effectieve uitoefening van hetondervragingsrecht is echter niet zonder meer vereist dat de verdachtefysiek aanwezig is bij het verhoor. Bovendien, zo is ook vermeld in detoelichting op artikel 1.11.3, derde lid, kan videoconferentie in sommigegevallen juist de uitoefening van het ondervragingsrecht mogelijk maken,waar dat anders mogelijk niet het geval zou zijn geweest.Tot slot is voor elk gebruik van videoconferenties van belang dat gebruikwordt gemaakt van een technisch hoogwaardige beeld- en geluidsver-binding in een opstelling die een volwaardige participatie van debetrokken procesdeelnemers mogelijk maakt. In het huidige Besluitvideoconferentie is dit vastgelegd in artikel 4. De voorschriften in datartikel strekken er mede toe dat de verdachte zijn verdedigingsrechtenadequaat kan uitoefenen. Indien de verdachte deelneemt aan de video-conferentie, is tevens de mogelijkheid van vertrouwelijke communicatiemet zijn raadsman van belang. Daartoe is in de genoemde bepaling ookhet vereiste opgenomen dat het systeem door middel waarvan videocon-ferentie wordt toegepast zodanig is ingericht dat overleg kan wordengevoerd zonder dat dit voor derden hoorbaar is en dat deelnemers aan devideoconferentie stukken kunnen uitwisselen. Het Besluit videoconferentiezal evenals andere algemene maatregelen van bestuur met het oog op hetnieuwe wetboek worden omgezet en vernieuwd.Met de Wet herziening regeling internationale samenwerking in strafzaken(Stb. 2017, 246; Kamerstukken 34 493) is onder andere de regeling van dezogenoemde «kleine rechtshulp» (het huidige Vijfde Boek, Titel 1)gemoderniseerd. Daarbij werd ook meer ruimte geboden om deze vormvan rechtshulp te verlenen zonder dat een verdrag daarvoor in eengrondslag voorziet. Dat gold ook voor de regeling van videoconferentie.De huidige artikelen 5.1.3a en 5.1.9 bieden de mogelijkheid om in de daarbeschreven gevallen een verzoek tot videoconferentie te doen of eenverzoek van een andere staat daartoe in te willigen zonder dat er tussendie andere staat en Nederland een verdrag van toepassing is dat in eengrondslag daarvoor voorziet. Deze mogelijkheid is voorzien voor situatieswaarmee in internationaal en Europees verdragsrechtelijk verband alruime ervaring was opgedaan en waarvoor het regelgevend kader van deartikelen 5.1.3a en 5.1.9 voldoende waarborgen bood. Het gaat dan omhet verhoren door rechterlijke autoriteiten van getuigen, deskundigen ende verdachte met het oog op het verkrijgen van bewijs.Zoals gezegd, bieden de huidige artikelen 5.1.3a en 5.1.9 onder de in dieartikelen omschreven voorwaarden de mogelijkheid om ook zonderverdragsbasis videoconferentie toe te passen. Dat neemt niet weg dat hetmogelijk blijft om ook in andere gevallen videoconferentie toe te passen,mits een verdrag daarvoor in een grondslag voorziet (Kamerstukken II2016/17, 34 493, nr. 6, p. 7). Immers wanneer een verdrag voorziet in eenverdergaande mogelijkheid tot rechtshulpverlening dan op basis van hetnationale recht mogelijk is, dan vormt die verdragsvoorziening (en dusniet de nationale wet) zelfstandig een basis voor uitvoering van eenverzoek om rechtshulp afkomstig van een staat die partij is bij hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11159 desbetreffende verdrag (Kamerstukken II 2015/16, 34 493, nr. 3, p. 13 enECLI:NL:HR:2009:BF0837). In het wetsvoorstel voor de tweede vaststel-lingswet wordt in een nieuw artikel 8.1.1 deze verhouding tussen dewettelijke regeling en toepasselijke verdragen nader beschreven. Voorzover een verdrag zou voorzien in de mogelijkheid om ook een politie-verhoor via videoconferentie in het buitenland af te nemen, staan dehuidige artikelen 5.1.3a en 5.1.9 (en ook de nieuwe artikelen 8.2.5 en8.2.15) daaraan dus niet in de weg.(193) De leden van de VVD-fractie vragen naar een nadere duiding van hetderde lid van artikel 1.11.4. Wat deze leden betreft zou het uitgangspunt indit artikel moeten zijn dat de rechter in het belang van de beveiliging vanhet verhoor of de zitting of van het vervoer naar of van de zitting gebruikmaakt van de videoconferentie. Wat deze leden betreft zou een wettelijkemotiveringsplicht voor de rechter om af te zien van het gebruik vanvideoconferentie in deze situaties niet onlogisch zijn, nu er in sommigegevallen een afweging dient te worden gemaakt tussen enerzijds hetbelang van de rechter om een verdachte fysiek in de zitting aanwezig tezien en anderzijds de beveiliging van de zitting en de beveiliging van hetvervoer van en naar de zitting en de belangen van derden, zoalsomwonenden. Wat vindt de regering hiervan? Hoe verhoudt dit wetsar-tikel zich tot de recente aanpassing van het Besluit videoconferentie?Waarom is gekozen voor een constructie waarbij de mening vanbetrokken procespartijen een rol speelt? Kan de regering bevestigen datzij naar aanleiding van de uitkomsten van het WODC-onderzoek naar hetItaliaanse 41bis-regime opnieuw kijkt naar de redactie van dit artikel?193. De eventuele toepassing van videoconferentie vergt een op deconcrete strafzaak toegesneden afweging van de rechter. Doordat derechter degene is die beslist of van videoconferentie gebruik wordtgemaakt, is gewaarborgd dat de toepassing zorgvuldig wordt afgewogen,rekening houdend met ieders belangen. Het is eigen aan het werk van derechter dat hij zijn beslissing, als uitkomst van deze belangenafweging,aan de betrokkenen toelicht. Dit ligt te meer voor de hand indien deverdachte (of een andere procesdeelnemer) bezwaren heeft geuit tegen detoepassing van videoconferentie. Hiermee neemt de rechter in feite eengemotiveerde beslissing over de toepassing van videoconferentie. Hetwordt daarom niet nodig geacht in de wet een motiveringsplicht voor derechter op te nemen. Zie ook het antwoord op vraag 181.De uitzonderingen op het instemmingsrecht van de verdachte die thans inhet Besluit videoconferentie genoemd worden, zijn in het nieuwe wetboekop wettelijk niveau geregeld. Bij de vormgeving van de regeling inzakevideoconferentie in het nieuwe wetboek is het wenselijk geacht om hettoepassingsbereik van de regeling in de wet aan te duiden en niet alleenhet instemmingsrecht, maar ook de uitzonderingen daarop in de wet zelfop te nemen, en dus niet in een algemene maatregel van bestuur. Hetgaat dus om verplaatsing naar de wet van een inhoudelijk ongewijzigdvoorschrift. De door de rechter te maken belangenafweging blijft dezelfdeals voorheen.Er is gekozen voor een constructie waarbij de mening van betrokkenprocespartijen een rol speelt om recht te kunnen doen aan de procespo-sitie van alle betrokkenen en om de rechter een zorgvuldige afwegingover de toepassing van videoconferentie in een concreet geval te kunnenlaten maken. Om die reden worden de te horen, verhoren of te onder-vragen persoon, de officier van justitie, de verdachte of de veroordeeldeen de persoon die op grond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kanuitoefenen in de gelegenheid gesteld hun mening te geven over detoepassing van videoconferentie. De rechter beslist uiteindelijk over detoepassing van videoconferentie na het afwegen van al die belangen enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11160 neemt daarbij het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak inaanmerking. Zie nader het antwoord op vraag 197.Op 27 juni 2023 is de eindrapportage «Vergelijkend onderzoek Italiaans41-bis detentieregime» aan de Tweede Kamer aangeboden (bijlage bijKamerstukken II 2022/23, 24 587, nr. 901). Het 41-bis regime is eenbestuursrechtelijke, preventieve maatregel die tot belangrijkste doel heefthet vermijden van contact en communicatie tussen gedetineerdeverdachten van of veroordeelden voor deelname aan een crimineleorganisatie en de leden van die criminele organisatie (zie p. 79 van dieeindrapportage). Het onderzoek gaat in op de vraag of Italiaanseartikel 41-bis gedetineerden volgens de wettelijke regeling in beginselgehoord worden via videoconferentie en zo ja, op welke gronden er doorde rechter van videoconferentie ten behoeve van een terechtzitting kanworden afgeweken (deelvraag 9). De eindrapportage van dit onderzoekgeeft geen aanleiding tot een heroverweging van de tekst vanartikel 1.11.4, derde lid. De rechter beschikt op basis van dat artikellid overde mogelijkheid – indien dat dringend noodzakelijk is in het bijzonderebelang van de beveiliging van het verhoor of de zitting of van het vervoernaar of van de zitting – te beslissen dat de verdachte ook zonder diensinstemming op afstand, via videoconferentie, wordt berecht of in verbandmet de bewaring wordt voorgeleid.(194) De leden van de PVV-fractie constateren dat in artikel 1.11.3 hethoren, verhoren of ondervragen van een verdachte via videoconferentie isvastgelegd. Aangezien het nieuwe Wetboek van Strafvordering toekomst-bestendig en techniekonafhankelijk dient te zijn, is het een omissie dat demogelijkheid om (onder voorwaarden) gebruik te maken van locatie-onafhankelijke consumentapparatuur en programmatuur (Skype,WhatsApp, Facetime etc.) niet nader is verkend. Gaat dit alsnog gebeurenen zo nee, waarom is dan uitdrukkelijk alleen gekozen voor videoconfe-rentie?194. Van videoconferentie is volgens de wettelijke regeling sprake bij eendirecte beeld- en geluidsverbinding tussen de betrokken personen. Dit iseen neutrale, techniekonafhankelijke omschrijving. Artikel 1.11.5 bevateen delegatiebepaling voor regels over videoconferentie. Dat biedt demogelijkheid om de technische eisen waaraan de beeld- of geluidsver-binding moet voldoen en de controle daarop, onder meer met het oog opde integriteit en authenticiteit van vastgelegde gegevens, bij algemenemaatregel van bestuur en een eventueel daarop gebaseerde ministeriëleregeling nader uit te werken. In het huidige Besluit videoconferentie, datevenals andere algemene maatregelen van bestuur met het oog op hetnieuwe wetboek zal worden omgezet en vernieuwd, is onder meeropgenomen dat het systeem door middel waarvan videoconferentie wordttoegepast, zodanig is ingericht dat de betrokken personen een natuurge-trouwe weergave krijgen van hetgeen zich in de andere ruimte afspeelt,dat overleg kan worden gevoerd zonder dat dit voor derden hoorbaar isen dat het systeem is beveiligd tegen verlies of tegen enige vorm vanonrechtmatige verwerking. Het is goed denkbaar dat met inachtnemingvan deze eisen gebruik kan worden gemaakt van bepaalde (toekomstige)locatie-onafhankelijke consumentenapparatuur- en programmatuur.(195) De leden van de CDA-fractie spreken hun waardering uit voor het feitdat de regeling van de videoconferentie met de nieuwe titel 11.2 wordtverankerd in het Wetboek van Strafvordering. Deze leden zien veelvoordelen van de inzet van de videoconferentie en zijn van mening dat hetkan bijdragen aan snellere doorlooptijden van procedures, beteretoegankelijkheid van het proces en aan het bieden van oplossingen voorgevallen waarin procesdeelnemers niet fysiek aanwezig kunnen zijn bijeen zitting. Deze leden vragen of ten tijde van de implementatie van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11161 nieuwe Wetboek van Strafvordering verwacht wordt dat alle zittingslo-caties van de rechtbanken in Nederland toegespitst zijn op het gebruik vande videoconferentie.195. Het gebruik van videoconferentie in de rechtszalen is nu al bij allegerechten mogelijk.(196) De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering aangeeft dat deregels omtrent de videoconferentie worden verruimd. Deze leden vragenaan de regering wat precies deze verruiming heeft ingehouden tenopzichte van de videoconferentie zoals deze was opgenomen bijalgemene maatregel van bestuur.196. Zie het antwoord op vraag 187.(197) De leden van de CDA-fractie vragen hoe de regering de kritiek vande RvdR op het nieuwe artikel 1.11.3 lid 3 beoordeelt. De RvdR voorzietmogelijke vertraging van de procedure en eindeloze discussies over hetgebruik van videoconferentie omdat de voorgestelde regeling debetrokkenen in de gelegenheid stelt hun mening te geven over detoepassing van de videoconferentie. De RvdR acht deze uitbreidingonwenselijk en beveelt aan de huidige situatie op dit punt te handhaven,te weten dat in beginsel slechts de te verhoren persoon in de gelegenheidwordt gesteld zijn mening over het horen/verhoren/ondervragen pervideoconferentie kenbaar te maken.197. In zijn advies heeft de Rvdr zich positief uitgelaten over de ruimte diehet voorstel de rechter biedt om in individuele gevallen een afweging temaken of het gebruik van videoconferentie een passende modaliteit voorhet horen, verhoren, ondervragen van een betrokkene of voor het bijwonen van een zitting of verhoor is. Wel gaf de Rvdr te kennen beducht tezijn voor vertraging en discussie omdat meer procesdeelnemers dan in dehuidige regeling in de gelegenheid moeten worden gesteld hun meningover de toepassing van videoconferentie kenbaar te maken.Bij de herformulering van de voorschriften inzake videoconferentie isgestreefd naar een zo uitgebalanceerd mogelijke regeling, waarin derechtspositie van de betrokken procesdeelnemers wordt versterkt. Zo isniet langer sprake van een uitsluitend ambtshalve mogelijkheid van derechter om te beslissen tot de toepassing van videoconferentie, maarkunnen procesdeelnemers om de toepassing daarvan ook verzoeken. Ookzijn ten opzichte van het huidige artikel 131a enkele procesdeelnemerstoegevoegd die in de gelegenheid worden gesteld hun mening daaroverkenbaar te maken. Dit doet recht aan de verschillende situaties waarin ende verschillende procesdeelnemers ten aanzien van wie videoconferentiekan worden toegepast. De regeling biedt een ruime en flexibelemogelijkheid aan de rechter om videoconferentie toe te passen, waarbijhij het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak in aanmerkingneemt. Om een zorgvuldige afweging te kunnen maken stelt hij debetrokken procesdeelnemers in de gelegenheid hun mening te geven. Eenwerkwijze, door de Rvdr in zijn advies aangeduid als «piepsysteem»,waarbij de betrokken procesdeelnemers in kennis worden gesteld van hetvoornemen tot de toepassing van videoconferentie ten aanzien van eenbepaalde procesdeelnemer en waarbij zij gedurende een aangeduidetermijn hun standpunt daarover kenbaar kunnen maken, is daarvoor goeddenkbaar. Zoals de Rvdr heeft aangegeven kan de rechter vervolgenswanneer bezwaren worden aangevoerd beslissen wat in de betreffendezaak passend is. Zoals in de toelichting bij deze bepaling is aangeduid, ishet kenbaar maken van een standpunt over de toepassing van videoconfe-rentie vooral van belang indien de betreffende procesdeelnemer door dietoepassing in een eigen belang wordt geraakt. Indien bijvoorbeeld hetvoornemen bestaat om tijdens een zitting waarbij de verdachte en eenspreekgerechtigde aanwezig zijn, een getuige via videoconferentie teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11162 verhoren, ligt het in de rede dat de verdachte zich – gezien zijn ondervra-gingsrecht – over die toepassing kan uitlaten, maar de spreekgerechtigdeniet.De rechter is en blijft degene die op basis van een belangenafweginguiteindelijk de beslissing neemt om al dan niet videoconferentie toe tepassen. Omdat praktische werkwijzen mogelijk zijn («piepsysteem») enomdat de rechter na een belangenafweging beslist, worden de door deRvdr geuite zorgen over mogelijke vertraging van het strafproces nietgedeeld.(198) De leden van de ChristenUnie-fractie vragen ten aanzien vanartikel 1.11.4 welke regels gelden ten aanzien van minderjarigen enmensen met een verstandelijke beperking voor het gebruik van videocon-ferentie. Zij constateren dat ook de RvdR adviseert op wetsniveauuitzonderingen te maken voor deze groepen. (consultatiereactie18 december 2019).198. Voor minderjarigen en mensen met een verstandelijke beperkinggelden ten aanzien van videoconferentie dezelfde regels als voor elkeandere te horen, te verhoren of te ondervragen persoon. Bij een wijzigingvan het Besluit Videoconferentie in 2020 (Besluit van 20 maart 2020,Stb. 101) zijn enkele categorische uitzonderingen op de mogelijketoepassing van videoconferentie in het strafrecht opgeheven. Minderja-rigen en verdachten bij wie een vermoeden bestaat dat zij lijden aan eenpsychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijkehandicap waren destijds uitgezonderd om – tegen de achtergrond van desummiere ervaringen die daarmee ten tijde van de totstandkoming van deregeling waren opgedaan – een gefaseerde en zorgvuldige invoering vanvideoconferentie in het strafrecht mogelijk te maken, waarbij de beslis-singsbevoegdheid of dit op zorgvuldige wijze kan plaatsvinden, bij deverhorend ambtenaar of rechter berust. Het uitgangspunt is en blijft datvideoconferentie moet kunnen worden toegepast in elke situatie waarin inhet strafrecht sprake is van horen, verhoren of ondervragen. Detoepassing van videoconferentie kan immers juist in het belang zijn vaneen minderjarige of een persoon met een verstandelijke beperking,bijvoorbeeld als fysieke aanwezigheid te belastend voor diegene zou zijnen de betreffende persoon via videoconferentie wel de mogelijkheid heeftom deel te nemen aan een verhoor of zitting.(199) De leden van de SGP-fractie lezen dat dit wetsvoorstel het mogelijkmaakt om in situaties van «horen, verhoren en ondervragen» videoconfe-rentie in te zetten. Deze leden constateren dat onder de huidige wet deMinister zoekende is naar mogelijkheden om verdachten via videoconfe-rentie aanwezig te laten zijn bij hun zitting zodat ingeval van bijvoorbeeldSyriëgangers zij niet terug naar Nederland gehaald hoeven te worden ombij de zitting aanwezig te kunnen zijn. Deze leden vragen de regering ofhet artikel over videoconferentie kan worden uitgebreid met demogelijkheid om bij zwaarwegende belangen van nationale veiligheidverdachte via videoconferentie aanwezig te laten zijn bij de zitting.199. De rechter beschikt over de mogelijkheid – indien dat dringendnoodzakelijk is in het bijzondere belang van de beveiliging van hetverhoor of de zitting of van het vervoer naar of van de zitting – tebeslissen dat de verdachte ook zonder diens instemming op afstand, viavideoconferentie, wordt berecht of in verband met de bewaring wordtvoorgeleid. Er bestaat geen aanleiding om daarnaast zwaarwegendebelangen van nationale veiligheid expliciet in de regeling op te nemen.Voor de situatie zoals in de vraagstelling is aangeduid, waarin een in hetbuitenland verblijvende verdachte door middel van videoconferentie zouworden berecht, in de zin van volledige participatie aan de inhoudelijkebehandeling van zijn strafzaak, geldt dat dit alleen mogelijk is indien eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11163 verdrag daarin voorziet en verder sprake is van een goede samenwerkingmet het oog op de praktische toepassing (zie Kamerstukken II 2021/22,29 754, nr. 622).11.3 De inzet van tolken (200) De leden van de ChristenUnie-fractie vragen naar de bepalingen diezien op de mogelijkheden voor opsporingsambtenaren om geen tolk in teschakelen. Zij vragen of de regering kan toelichten in welke situaties hetniet inschakelen van een tolk wenselijk wordt geacht. Voorts vragen zij ofhet niet verstandig zou zijn een verplichting op te nemen waarbij aanprocesdeelnemers wordt gevraagd of er behoefte is aan een tolk. Dezeleden wijzen er op dat veel procesdeelnemers niet bekend zullen zijn methun rechten in dezen en zich in een situatie bevinden die voor velen nieuwis.De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in welke gevallen niet gehoorzal moeten worden gegeven aan een redelijk verzoek van de getuige ommet behulp van een tolk te worden verhoord (toelichting derde lid).200. Het inschakelen van een tolk is geformuleerd als een instructienormaan degene die, naar gelang de processituatie, in gesprek gaat met deprocesdeelnemer. De verantwoordelijkheid voor het inschakelen van eentolk berust tijdens het vooronderzoek bij de verhorend opsporings-ambtenaar, de raadsman, de rechter-commissaris of raadsheer-commissaris en voor de zitting bij het openbaar ministerie, hetzijambtshalve, hetzij op bevel van de rechter.Uitingen over en weer tussen de verhorende opsporingsambtenaar, deraadsman of rechter enerzijds en degene die wordt verhoord en die deNederlandse taal onvoldoende beheerst anderzijds, moeten goed wordenbegrepen en correct worden weergegeven. Inschakeling van een tolk isdus niet alleen aangewezen indien daarom wordt verzocht door debetrokken procesdeelnemer, maar ook indien de noodzaak daartoe blijkt,ook al zou de procesdeelnemer desgevraagd aangeven daaraan geenbehoefte te hebben.Het ligt voor de hand dat aan een redelijk verzoek van de getuige om metbehulp van een tolk te worden verhoord, gevolg wordt gegeven. Dit is nietalleen in het belang van degene die wordt verhoord, maar ook van deverhorende ambtenaar en voor de kwaliteit van het strafproces.Het oordeel of bij de getuige sprake is van een voldoende beheersing vande Nederlandse taal – en dus of oproeping van een tolk noodzakelijk is – ismede afhankelijk van de fase waarin de getuige wordt verhoord, deinhoud van het verhoor en het belang van het verhoor. Zo zal in de fasewaarin nog slechts wordt verkend welke getuigen iets kunnen verklarenover de toedracht van het feit – en de vragen mogelijk niet verder strekkendan of de getuige iets gezien heeft –, eerder kunnen worden afgezien vanhet oproepen van een tolk dan bij verhoren (in een latere fase) waaringedetailleerd wordt doorgevraagd of wanneer duidelijk is dat (hetproces-verbaal van) de betreffende getuigenverklaring zal wordengebruikt als bewijsmiddel. In deze laatste gevallen is immers eenverdergaande beheersing van de Nederlandse taal vereist dan in heteerste geval.De getuige die tevens slachtoffer is, heeft in zijn hoedanigheid vanslachtoffer recht op bijstand door een tolk, ook tijdens het verhoor, enwordt op dit recht gewezen (artikelen 1.5.3 en 1.5.7; zie het huidigeartikel 5, onderdeel f, van het Besluit slachtoffers van strafbare feiten).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11164 11.5 Verstoring van ambtsverrichtingen (201) De leden van de VVD-fractie vragen of de regering heeft overwogenin het kader van het nieuwe wetboek om maatregelen te treffen omcontempt of court tegen te gaan. In veel andere landen hebben rechtersmogelijkheden daders van intimidaties en agressie tegen rechters direct tesanctioneren. Minachting voor rechters is in Nederland als zodanig geenstrafbaar feit, terwijl de afgelopen jaren de signalen van rechters die hierecht last van hebben zijn toegenomen. Deze leden begrijpen dat in eenspecifiek geval er sprake kan zijn van een strafbare belediging, bedreiging,enzovoorts. Dat is echter weer een aparte tijdrovende strafrechtelijkevervolgingsprocedure. Rechters kunnen momenteel zelf – anders dan zelfaangifte doen en wachten totdat het OM een (nieuwe) strafrechtelijkeprocedure begint tegen de verdachte – geen maatwerk leveren (bijvoor-beeld door het opleggen van een boete of een aantal dagen hechtenis) alsde situatie daarom vraagt. Kan de regering hierop ingaan? Deze ledenvragen in dit kader hoe vaak de afgelopen vijf jaren een verdachte isvervolgd wegens agressief gedrag jegens rechters. Hoe vaak is eenverdachte vervolgd voor belediging, bedreiging en ander strafbaar gedragdat werd gepleegd tijdens een zitting?201. Met Contempt of court wordt geduid op een rechtsfiguur uit hetAngelsaksische recht waarmee wordt geduid op «obstructie van derechtspleging en de bevoegdheid van de rechter om daartegen op tetreden» (G.K. Sluiter, Boekbespreking van: M. Lochs, Contempt of court– een meerwaarde voor de goede strafrechtspleging in Nederland? (diss.Leiden), Den Haag: Boom juridisch 2019», DD 2023/27). Deze obstructiekan verschillende vormen aannemen. In de vraag wordt verwezen naar«agressief gedrag jegens rechters» en «strafbaar gedrag dat werdgepleegd tijdens een zitting». Voor zover het strafbaar gedrag betreft, kanhet openbaar ministerie vervolging instellen, al dan niet op aangifte vande rechter. Voor het overige geldt dat het nieuwe wetboek, evenals hethuidige, de rechter (of iedere andere ambtenaar die met de leiding vanambtsverrichtingen is belast) ruime bevoegdheden geeft om de orde tehandhaven bij gelegenheid van ambtsverrichtingen, zoals een onderzoekop de terechtzitting (artikel 1.11.10). De rechter of ambtenaar kan allemaatregelen nemen die nodig zijn om de ambtsverrichtingen ongestoordte laten plaatsvinden, waaronder het doen verwijderen uit de zittingszaalvan degene die de orde verstoort. Uit onderzoek naar de toegevoegdewaarde van contempt of court voor het Nederlandse strafproces blijkt dathet Nederlandse instrumentarium op dit punt verschilt van de contempt ofcourt-bevoegdheden in die zin dat de rechter niet beschikt over een eigenbestraffende bevoegdheid bij ordeverstorend optreden op de zitting. Ditprobleem wordt echter, aldus Lochs, gerelativeerd doordat «tamelijkadequaat in andersoortige maatregelen is voorzien», zoals de zojuistgenoemde mogelijkheid om tijdens de zitting ordemaatregelen te treffen.Nu een bestraffende bevoegdheid daarnaast slecht in het Nederlandsestelsel past, wordt niet aanbevolen om een dergelijke bevoegdheid op tenemen (M. Lochs, Contempt of court. Een meerwaarde voor de goedestrafrechtspleging in Nederland? Diss. Leiden, Den Haag: Boom Juridisch2019, p. 347–351). Bij de voorbereiding van het nieuwe wetboek is, medeop basis van dit onderzoek, overwogen dat op dit punt geen behoeftebestaat aan uitbreiding van het wettelijk instrumentarium om strafbaargedrag en ordeverstoringen tegen te gaan.Voor wat betreft de vraag hoe vaak de afgelopen vijf jaar een verdachte isvervolgd wegens agressief gedrag (belediging, bedreiging en anderstrafbaar gedrag) jegens rechters kan het volgende worden opgemerkt.Het openbaar ministerie registreert niet of een strafbaar feit is gepleegdtegen een bepaalde beroepsgroep. Datzelfde geldt voor de Rechtspraakwat betreft veroordelingen wegens agressief gedrag jegens rechters. WelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11165 wordt door de gerechten de situaties geregistreerd waarin sprake isgeweest van agressie, belediging of geweld jegens rechters. Hierbij kanbijvoorbeeld worden gedacht aan agressief gedrag in de zittingszaal, maarook aan een dreigbrief aan een rechter of het aanspreken van een rechterop straat. De uitvraag bij de verschillende gerechten levert het volgendebeeld op wat betreft aantal keer dat een vorm van agressie of beledigingjegens rechters is geregistreerd:2020: 142021: 252022: 13t/m juli 2023: 5III. OVERIG BOEK 1 (202) De leden van de VVD-fractie lezen dat na een inventarisatie van deIV-opgave van de ketenpartners in de strafrechtketen een begin kanworden gemaakt met de grootste veranderingen in de ICT van deketenpartners, ook als de onderhavige wet nog niet is aangenomen doorbeide Kamers. Kan een overzicht worden gegeven van de grootsteveranderingen in de ICT van de ketenpartners als gevolg van het nieuwewetboek? Welke grondslag wordt gebruikt om veranderingen «alvast» inICT-systemen door te voeren als de wetstekst nog niet vaststaat en wordtde Kamer geïnformeerd over de consequenties van eventuele amende-menten op de ICT-systemen?202. Zie voor het antwoord op deze vraag allereerst het antwoord opvraag 35. Daarnaast wordt opgemerkt dat ketenpartners zelf nog aan hetbeoordelen zijn waar de impact van het wetboek op ziet. Er zal voordat detekst van het wetboek vaststaat, vooral beoordeeld worden welkeveranderingen nodig zijn. Ook worden alle voorbereidingen getroffenvoor het daadwerkelijk kunnen doorvoeren van die veranderingen. Om tevoorkomen dat er meerdere keren veranderingen moeten wordendoorgevoerd en daardoor meer kosten worden gemaakt dan nodig is,zullen de veranderingen zelf pas kunnen plaatsvinden als de tekst van hetgrootste deel van het wetboek door het parlement is goedgekeurd.(203) De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan aangevenwanneer het wetsvoorstel dat ziet op de verwerking van het rapport vande Commissie-Donner over de afgesplitste schadeprocedure naar deKamer wordt gestuurd.203. Zie het antwoord op vraag 27.(204) De leden van de VVD-fractie begrijpen dat aanvankelijk niet wasbeoogd in het nieuwe wetboek de rechtsbescherming van kwetsbareverdachten uit te breiden door ook de niet-aangehouden verdachten eenvorm van gesubsidieerde rechtsbijstand toe kennen. Na advies van deAfdeling advisering wordt dit nu voorgesteld. Ook wordt nu voorgestelddat de verdachte bij de indiening van onderzoekswensen bij de RC moetkunnen beschikken over gefinancierde rechtsbijstand. Kan nader wordentoegelicht waarom deze keuze is gemaakt en wat de financiële conse-quenties hiervan zijn? Is overwogen ook kwetsbare slachtoffers een vormvan gesubsidieerde rechtsbijstand toe te kennen? Hoe beoordeelt deregering het risico dat er een financiële prikkel kan ontstaan voorraadslieden en verdachten om (aanvullende) onderzoekswensen bij de RCin te dienen?204. In het antwoord op vraag 93 is ingegaan op het voornemen om demogelijkheden om aanspraak te maken op door de overheid gefinancierderechtsbijstand voor niet-aangehouden verdachten te verbeteren. Het risicodat veelvuldig verzoeken bij de rechter-commissaris zullen wordeningediend met als primaire doel om aanspraak te maken op door deoverheid gefinancierde rechtsbijstand, wordt niet groot geacht. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11166 verdachte kan vanaf het eerste verhoor weliswaar al terecht bij derechter-commissaris met verzoeken tot nader onderzoek dat hem zoukunnen ontlasten, maar voor een verdachte die zich niet in voorlopigehechtenis bevindt bestaat daartoe in veel gevallen pas een reëleaanleiding als duidelijk is welke vervolgingsbeslissing de officier vanjustitie zal nemen of heeft genomen. Indien het gewenste onderzoek niet– of gelet op de stand van het opsporingsonderzoek op dat moment nogniet – relevant is te achten voor de door de zittingsrechter uiteindelijk tenemen beslissingen, kan en zal de rechter-commissaris een verzoekafwijzen. De rechter-commissaris beoordeelt, met andere woorden, ofonderzoekswensen reëel zijn en voorkomt daarmee dat verzoeken omonjuiste (financiële) redenen zullen worden ingediend. Daarnaast is vanbelang dat niet-aangehouden verdachten die een toevoeging aanvragenmet het oog op de indiening van onderzoekswensen bij de rechter-commissaris een eigen bijdrage verschuldigd zijn. De kosten dieverdachten die zich in vrijheid bevinden in dat kader moet maken, zullendoorgaans worden afgewogen tegen het belang van bijstand door eenraadsman. De eigen bijdrage vormt in dit opzicht eveneens een waarborgtegen het (herhaaldelijk) indienen van onderzoekswensen met als primairereden om een aanspraak te maken op door de overheid gefinancierderechtsbijstand. Voor verdachten in voorlopige hechtenis voor wie bijstanddoor een raadsman op grond van het huidige wetboek al kosteloos is,wordt opgemerkt dat het indienen van onderzoekswensen bij de rechter-commissaris geen zelfstandige, aanvullende puntentoekenning voor deraadsman oplevert. Die werkzaamheden vallen onder de forfaitairepuntenvergoeding die op grond van het Besluit vergoedingen rechtsbij-stand 2000 voor de gehele strafzaak wordt toegekend. Ook in die gevallenis er dus geen financiële prikkel om onderzoekswensen in te dienen.Op dit moment kunnen slachtoffers die als gevolg van een geweldsmis-drijf of seksueel misdrijf ernstig lichamelijk of geestelijk letsel hebbenopgelopen al aanspraak maken op kosteloze rechtsbijstand door eenslachtofferadvocaat (artikel 44, vierde lid, van de Wet op de rechtsbij-stand). Dat geldt eveneens voor nabestaanden van een slachtoffer dat alsgevolg van een geweldsmisdrijf of seksueel misdrijf is overleden.Andere slachtoffers dan hiervoor genoemd kunnen in algemene zin deraad voor rechtsbijstand verzoeken om een slachtofferadvocaat toe tevoegen. Bij de beoordeling van de aanvraag toetst de raad voor rechtsbij-stand of bijstand door een advocaat noodzakelijk is. Indien de aanvraag isgedaan door een slachtoffer dat als kwetsbaar kan worden beschouwd,kan dit worden meegewogen in de beoordeling van de aanvraag.Daarnaast wordt gekeken naar de omvang en complexiteit van devordering tot schadevergoeding die het slachtoffer wil indienen. Als detoevoeging wordt verleend, worden de kosten voor rechtsbijstand vrijwelgeheel gedragen door de overheid en is het slachtoffer alleen een eigenbijdrage verschuldigd. Er bestaan op dit moment dus al verschillendemogelijkheden voor (kwetsbare) slachtoffers om aanspraak te maken opdoor de overheid gefinancierde rechtsbijstand. Het is niet nodig dezemogelijkheden bij gelegenheid van het nieuwe wetboek uit te breiden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11167 Verslag Boek 2 Het verslag bij Boek 2 (Kamerstukken II 2023/24, 36 327, nr. 6) is vastge-steld op 3 oktober 2023.I. ALGEMEEN BOEK 2 Het opsporingsonderzoekDe leden Ellian en Helder zijn door de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid benoemd tot rapporteurs op dit wetsvoorstel. Deze rapporteurshebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot de Vaststelling van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering, Boek 2 ( 36 327 ) (het wetsvoorstel)en hebben namens de commissie een aantal vragen.De leden van de VVD-fractie hebben belangstelling kennisgenomen vanhet wetsvoorstel. Zij stellen voorop dat wij in Nederland behoren tot detop van de wereld wanneer het gaat om de toepassingen van modernemiddelen ten behoeve van opsporingsonderzoeken. Deze leden sprekenhun waardering uit voor allen die elke dag keihard werken om Nederlandveilig te houden, daders op te sporen, slachtoffers te beschermen ennieuwe misdrijven te voorkomen.De leden van de VVD-fractie zijn ontzettend trots op de successen die deNederlandse opsporingsdiensten hebben bereikt, variërend van hetontsleutelen van PGP-telefoons tot cruciaal DNA-onderzoek door hetNederlands Forensisch Instituut (NFI). Het is cruciaal voor de waarheids-vinding en het oplossen van misdrijven dat de taken en bevoegdhedenvan de opsporing helder en techniek-neutraal in het Wetboek vanStrafvordering worden omschreven en dat de mogelijkheden vandigitalisering en artificial intelligence (AI) in samenwerking met anderelanden zo goed mogelijk worden benut, uiteraard voorzien van adequatewettelijke waarborgen. Het is belangrijk dat deze waarborgen zijnvastgelegd in het Wetboek van Strafvordering, zodat inbreuken op degrondrechten van verdachten en getuigen voldoende proportioneel envoorzienbaar zijn. Voornoemde leden sluiten zich aan bij de vragen die derapporteurs hebben ingebracht namens de commissie op basis van derapportage van de onderzoekers van vier samenwerkende universiteiten.De aan het woord zijnde leden stellen ter aanvulling hierop nog enkelevragen over Boek 2.De leden van de D66-fractie onderschrijven de noodzaak van de moderni-seringsoperatie omtrent het Wetboek van Strafvordering. Zij hebben danook met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en debijbehorende stukken. Zij hebben over Boek 2 nog de onderstaandevragen.(205) De leden van de D66-fractie merken op dat in het voorgesteldewetboek meer wordt verwacht van de verdediging dan onder het huidigestelsel. Verwacht de regering dat de voorgestelde wijzigingen de druk opde sociale advocatuur verder zullen vergroten? Zo ja, wat zijn dan demogelijkheden om hier iets tegen te doen? Of hoe zal dit wordenopgevangen?205. In samenspraak met de NOvA en de raad voor rechtsbijstand heeftSignificant Public in 2021 in opdracht van het Ministerie van Justitie enVeiligheid een impactanalyse uitgevoerd naar de extra werklast als gevolgvan het nieuwe wetboek voor de advocatuur, voor zover het de rechtsbij-stand bij de strafzaken in eerste aanleg betreft. Deze extra werkzaam-heden zijn in het onderzoek uitgedrukt in een gemiddelde extra tijdbe-steding in minuten per zaak, waarbij per processtap een lage, midden- enhoge inschatting is gemaakt. Daarbij is onderscheid gemaakt tussen zakenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11168 waarin de verdachte in voorlopige hechtenis is genomen en zaken waaringeen voorlopige hechtenis is toegepast. De resultaten per processtap zijnvervolgens vertaald naar een gemiddelde extra tijdbesteding in uren perjaar voor alle strafzaken gezamenlijk, waarbij eveneens een lage, midden-en hoge inschatting is gemaakt. In het middenscenario gaat het voorraadslieden die verdachten bijstaan om een gemiddelde extra tijdsbe-steding van 75 minuten per zaak waarin de verdachte in voorlopigehechtenis is genomen en 50 minuten per zaak indien de verdachte niet invoorlopige hechtenis is genomen. Naar aanleiding van deze onderzoeks-resultaten is berekend welke structurele financiële middelen nodig zijn omde extra tijdbesteding tot uitdrukking te brengen in de forfaitaire vergoe-dingen voor advocaten die verdachten onder het stelsel van gesubsidi-eerde rechtsbijstand bijstaan.In het antwoord op vraag 93 is toegelicht dat in het licht van de«beweging naar voren» het moment wordt vervroegd waarop verdachtendie zich in vrijheid bevinden een aanvraag voor gesubsidieerde rechtsbij-stand kunnen indienen. Dit maakt het mogelijk dat de raadsman van eendergelijke verdachte al in een vroege fase het dossier kan opvragen enbestuderen, alsook de rechter-commissaris kan benaderen met onder-zoekswensen. De financiële gevolgen van die uitbreiding zijn nietmeegenomen in het eerdergenoemde onderzoek van Significant Public enworden op dit moment in kaart gebracht. Daarbij worden verschillendescenario’s doorgerekend, bijvoorbeeld door bij de eerdere aanspraak opgesubsidieerde rechtsbijstand voor niet-kwetsbare, meerderjarigeverdachten onderscheid te maken naar de ernst van de verdenking (dooronderscheid te maken tussen A-, B- en C-zaken, zoals gebruikelijk in hetstelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand in strafzaken). Bij dit onderzoekworden ook de genoemde structurele meerkosten die voortvloeien uit hetonderzoek van Significant Public herijkt. Daarbij wordt onder meeruitgegaan van een verhoging van de forfaitaire vergoeding voor misdrijf-zaken (de rijen B11 en B12 uit de bijlage bij het Besluit vergoedingenrechtsbijstand 2000) van een punt per zaak.De resultaten van de hierboven genoemde onderzoeken wordenbetrokken bij de besluitvorming over financiële compensatie van het aanhet nieuwe wetboek verbonden meerwerk.De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het voorstel tot een nieuw Wetboek van Strafvordering, Boek 2. Dezeleden danken de regering voor het ontwerp van dit boek, en zijn zichervan bewust dat dit veel tijd en expertise vergt. Voornoemde leden zienhet grote belang van dit wetsvoorstel waardoor een volledige herstructu-rering van het huidige opsporingsonderzoek wordt geïntroduceerd. Dehuidige vorm is verouderd, ongestructureerd en onoverzichtelijkgeworden. Ook waarderen deze leden dat met dit wetsvoorstel eenspecifiek wettelijke basis is gelegd voor nieuwe, toekomstige opsporings-methoden. De aan het woord zijnde leden hebben nog een aantal vragenaan de regering over dit wetsvoorstel.(206) De leden van de CDA-fractie lezen dat door de wetgever niet steedskan worden voorzien welke nieuwe opsporingshandelingen in detoekomst zullen worden verricht. Zolang deze activiteiten een beperkteinbreuk maken op een grondrecht van burgers en niet zeer risicovol zijnvoor de integriteit en beheersbaarheid van de opsporing, kunnen dezebevoegdheden op algemene taakstellende bepalingen worden gebaseerd.Deze leden vragen of nu wordt bewerkstelligd dat wanneer een nieuweopsporingshandeling mogelijk is (al dan niet complex), dit op een snelleen efficiënte manier als nieuwe bepaling in het Wetboek van Strafvor-dering kan worden opgenomen. Zo ja, op welke manier kan dit?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11169 206. Als een nieuwe opsporingshandeling in de toekomst mogelijk is enhet verrichten van die handeling een beperkte inbreuk op een of meergrondrechten van burgers oplevert en voor de integriteit en beheers-baarheid van de opsporing niet zeer risicovol is, kan die handeling op dealgemene bevoegdheidsbepaling van artikel 2.1.9 worden gebaseerd. Ingevallen waarin een nieuwe opsporingshandeling een meer dan beperkteinbreuk op een of meer grondrechten van burgers vormt, de betrouw-baarheid van de bewijsvergaring daardoor in het geding kan zijn of dienieuwe opsporingshandeling risico’s voor de integriteit of beheers-baarheid van de opsporing in het leven roept, en deze opsporingshan-deling niet onder de reikwijdte van een al bestaande wettelijke opspo-ringsbevoegdheid kan worden verricht, is een (nieuwe) wettelijkegrondslag in het Wetboek van Strafvordering vereist. Die grondslag kanalleen door wetswijziging tot stand worden gebracht, volgens degebruikelijke wetgevingsprocedure, waarin een wetsvoorstel dat dezewijziging bevat aan de Afdeling advisering van de Raad van State omadvies wordt voorgelegd en waarin dat wetsvoorstel vervolgens wordtbehandeld en aanvaard door de Tweede en de Eerste Kamer. Dat geldtook voor zogeheten innovatiewetgeving. De Innovatiewet Strafvorderingbevat enkele nieuwe opsporingsbevoegdheden uit het nieuwe wetboek.Door de innovatiewet kan de opsporing, vooruitlopend op het nieuwewetboek, in de praktijk al werken met deze nieuwe bevoegdheden. Deinnovatiewet heeft echter ook de gehele wetgevingsprocedure doorlopenen dus niet een sneller pad bewandeld.Een en ander vloeit voort uit het legaliteitsbeginsel en het daarachterliggende democratiebeginsel.De inhoudelijke voorwaarden waaronder met een nieuwe opsporingsme-thode (meer dan beperkte) inbreuken op de grondrechten van burgerskunnen worden gemaakt, moeten door de wetgever – democratischgelegitimeerd – worden bepaald.Het behoort tegen deze achtergrond niet tot de mogelijkheden om eennieuw wetboek tot stand te brengen dat nooit meer gewijzigd hoeft teworden. Dat is ook niet een doelstelling van het voorliggendewetsvoorstel. Wel is een doelstelling om het stelsel van opsporings-bevoegdheden – binnen de grenzen die het legaliteitsbeginsel stelt –zoveel mogelijk techniekonafhankelijk en toekomstbestendig op te zetten.Daarom is de verwachting gerechtvaardigd dat de wettelijke regeling vande opsporingsbevoegdheden in Boek 2, Hoofdstukken 6 tot en met 8, nietsnel aangepast zal hoeven te worden. Zoals blijkt uit de antwoorden op devragen 275 en 277, wordt de regeling van de onderzoekshandelingen metbetrekking tot het lichaam (Hoofdstuk 6) in het voorstel van de eersteaanvullingswet nog meer toekomstbestendig gemaakt, mede in reactie opverschillende vragen die het verslag over Boek 2 zijn gesteld.Het nieuwe wetboek bevat in de genoemde hoofdstukken de onderzoeks-handelingen die nu en in de nabije toekomst een noodzakelijk hulpmiddelkunnen zijn voor de opsporing van een strafbaar feit. Niettemin is het zaakom ook in de toekomst de technologische en wetenschappelijke ontwikke-lingen met betrekking tot opsporing en opsporingshandelingen, bijvoor-beeld op het gebied van onderzoek aan lichaamsmateriaal en heimelijkeopsporingsmethodes, nauwgezet te blijven volgen. De snelheid waarmeehet huidige wetboek zich de afgelopen jaren aan nieuwe technieken enmethoden heeft aangepast, zoals op het terrein van het DNA-onderzoeken onderzoek in en aan computers, toont aan dat ook als de bevoegdheidtot het verrichten van een nieuwe onderzoekshandeling bij wet wordtgeregeld, de mogelijkheid bestaat om snel op die nieuwe ontwikkelingenin te spelen. Bovendien doen nieuwe ontwikkelingen zich doorgaans nietTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11170 van de ene op de andere dag voor, zodat er genoeg tijd is om daar in hetnieuwe wetboek bijtijds op in te spelen.(207) De leden van de CDA-fractie lezen dat de beginselen van proportio-naliteit en subsidiariteit bij een beperkt aantal bevoegdheden ertoe geleidhebben dat de toepassingscriteria zijn verzwaard of verlicht, hoofdzakelijkvan toepassing op gegevensvergaring. Deze leden horen uit de praktijkdat de informatiedeling op dit moment nog niet optimaal is, en eenmanier gezocht moet worden hoe informatie beter gedeeld kan wordentussen ketenpartners ten behoeve van de opsporing. De regering geeftaan dat bij sommige bevoegdheden de zwaarte en ingrijpendheid hogermoet worden ingeschat dan voorheen, maar dat deze verzwaringnauwelijks enige praktische betekenis heeft. Voornoemde leden vragenwaarom de regering dan voor een verzwaring heeft gekozen, nu zij zelfaangeeft dat in de praktijk niet veel verschil merkbaar zal zijn. Wordtverwacht dat deze verzwaring toch enige gevolgen zal hebben tenbehoeve van de informatiedeling binnen de opsporing?207. In de memorie van toelichting is uiteengezet dat de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit van betekenis zijn bij de afweging doorde wetgever welke voorwaarden in de wet moeten worden verbonden aande uitoefening van bevoegdheden. Deze beginselen komen onder anderetot uiting in het algemene uitgangspunt dat naarmate een bevoegdheidingrijpender is, deze aan zwaardere wettelijke toepassingscriteria isgebonden. Zij brengen in het licht van dit uitgangspunt mee dat dewettelijke toepassingscriteria voor de uitoefening van bevoegdheden metelkaar in evenwicht moeten zijn. Dat wil zeggen dat bevoegdheden vaneen vergelijkbare mate van ingrijpendheid moeten zijn voorzien van metelkaar corresponderende toepassingscriteria.Er is gekozen voor een verzwaring van toepassingscriteria bij enkeleopsporingsbevoegdheden om het wettelijk systeem van opsporings-bevoegdheden coherent en evenwichtig te doen zijn. Zoals aangegeven isde wetgever immers gebonden aan de beginselen van proportionaliteit ensubsidiariteit bij de afweging welke criteria worden verbonden aan deuitoefening van bevoegdheden. Die afweging heeft ertoe geleid detoepassingscriteria van sommige bevoegdheden te verzwaren. Zo wordenbij grootschalig DNA-onderzoek en bij zwaardere vormen van hetstelselmatig inwinnen van informatie (artikel 2.8.11, tweede lid) deverdenkingscriteria die het huidige wetboek hanteert, in enige mateverzwaard. Deze verzwaring houdt onder meer in dat deze bevoegdhedenalleen kunnen worden uitgeoefend bij een verdenking van in de wet naderbepaalde ernstige misdrijven. Maar in sommige gevallen zijn debestaande toepassingscriteria voor bevoegdheden juist verlicht. Zo is hethuidige vereiste dat ernstige bezwaren tegen de verdachte moetenbestaan voor de uitoefening van de bevoegdheid tot het verrichten vaneen DNA-onderzoek, als ook voor onderzoek aan de kleding en onderzoekaan en in het lichaam, niet overgenomen. Ook geldt voor een bevel totdirecte verstrekking van toekomstige gegevens (artikel 2.7.49, tweede lid)niet langer een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris engeldt voor een bevel tot het bevriezen van gegevens (artikel 2.7.45) eenminder zwaar verdenkingscriterium dan voorheen.De verwachting is niet dat de genoemde verzwaringen in toepassingscri-teria in de praktijk tot problemen zullen leiden. De genoemde bevoegd-heden worden nu ook al niet uitgeoefend als de verdenking een strafbaarfeit betreft dat minder ernstig is dan de strafbare feiten waarvoor dezebevoegdheden in het nieuwe wetboek mogen worden uitgeoefend. Voorde wijze waarop gegevens binnen de opsporing worden verwerkt(informatiedeling) worden ook geen gevolgen verwacht. Het vraagstukvan de optimalisering van de verstrekking van persoonsgegevens heeftmet name betrekking op de situatie nádat ter opsporing bevoegdhedenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11171 zijn uitgeoefend, namelijk wanneer op grond van de Wet politiegegevensen de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, maar ook het Wetboekvan Strafvordering de gegevens die op grond van de uitoefening van diebevoegdheden zijn verkregen, tussen (onderdelen van) de betrokkenketenpartners worden uitgewisseld. Binnen de strafrechtsketen zijn er inbeginsel geen juridische obstakels voor het delen van informatie(waaronder persoonsgegevens) in gevallen waarin dat noodzakelijk is.Indien de informatie nodig is voor de opsporing, vervolging en berechtingvan strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van sancties, kan zij in deregel worden verstrekt.(208) De leden van de CDA-fractie benadrukken dat zij al eerder hunzorgen hebben geuit in commissiedebatten over het uitblijven van hetmoderniseren van de Wet politiegegevens (Wpg) en de Wet justitiële enstrafvorderlijke gegevens (Wjsg). Deze leden constateren dat ook deonderzoekers van de universiteiten hebben geadviseerd dat het verza-melen en verwerken van gegevens voortdurend hand in hand gaan, en inlijn van het advies van de commissie Koops wel degelijk bij moderni-sering van het opsporingsonderzoek aandacht moet bestaan voor de wijzewaarop de gegevens verder kunnen worden gebruikt. Voornoemde ledenvragen de regering te reflecteren op deze adviezen. Kan de regering kantoelichten of, en zo ja wanneer, de Wpg wordt gemoderniseerd? Is hethuidige geheel aan waarborgen van de gegevensdeling op dit momentvoldoende?208. Het belang van de nadere normering van de verwerking vanpersoonsgegevens die in het kader van opsporingsonderzoeken zijnvergaard, wordt onderkend. De digitalisering en de technologischeontwikkelingen bieden niet alleen ongekende mogelijkheden voor decriminaliteit, maar ook nieuwe mogelijkheden voor de opsporing. Doorcomputers, servers en digitale-gegevensdragers in beslag te nemen of opafstand binnen te dringen, vergaart de opsporing steeds vaker zeer grotehoeveelheden gegevens, waar ook gegevens bij kunnen zitten vanburgers die niets met criminaliteit te maken hebben. Het vergaren vangrote hoeveelheden gegevens is hierbij slechts het begin. Om bruikbaar tezijn voor de opsporing moeten de gegevens nader worden geanalyseerden in verband worden gebracht met elkaar en met andere beschikbaregegevens. De ontwikkeling van de techniek stelt de opsporing in staat omdergelijke grote hoeveelheden gegevens te verwerken en dergelijkeverbanden te ontdekken. Voor een effectieve bestrijding van (georgani-seerde) criminaliteit is er voor de opsporing een toenemende noodzaakom gegevens waarover zij al beschikt verder te onderzoeken en hieraannieuwe informatie te ontlenen. Met deze ontwikkelingen kan er intoenemende mate niet alleen sprake zijn van een inbreuk op de privacyvan burgers door de inzet van bevoegdheden om gegevens te vergarenmaar ook door de verdere verwerking van die gegevens.De (verdere) verwerking van gegevens die met opsporingsbevoegdhedenzijn verkregen, wordt voornamelijk genormeerd door de Wet politiege-gevens (Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Denormering in het Wetboek van Strafvordering ziet veelal enkel op hetverzamelen van gegevens door middel van opsporingsbevoegdheden.Niettemin zijn, in navolging van de aanbevelingen van de Commissiemodernisering opsporingsonderzoek in het digitale tijdperk (Commissie-Koops), in het nieuwe wetboek ten aanzien van bepaalde gegevensver-werkingen nadere regels gesteld, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van hetonderzoek van een inbeslaggenomen smartphone. Evenwel wordtonderkend dat onder meer het doen van onderzoek aan gegevens die inbulk zijn vergaard en geautomatiseerde gegevensanalyse nieuwe vragenoproepen die niet alleen door de rechtspraktijk, maar ook door dewetgever moeten worden beantwoord.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11172 In Paragraaf 9.3 van het algemeen deel van de memorie van toelichting bijde eerste vaststellingswet is aandacht besteed aan de verdere verwerkingvan gegevens die zijn verkregen door de uitoefening van bevoegdhedenuit het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Zoals blijkt uit die toelichtingis een aantal bepalingen uit het huidige Wetboek van Strafvordering nietopgenomen in de eerste vaststellingswet. Het gaat hierbij om de huidigeartikelen 27b, 55c, vierde en vijfde lid, 61a, derde lid, 125n, 126nb, vierdelid, 126cc, 126dd, 126hh, 126jj, derde lid, laatste zin, vijfde en zesde lid,151a, achtste lid, 195a, vijfde lid, en het huidige artikel 5.1.8, zesde lid.Aanvankelijk bestond het voornemen om een nieuwe gegevensverwer-kingswet op het terrein van politie en justitie tot stand te brengen tervervanging van de Wet politiegegevens en de Wet justitiële en strafvor-derlijke gegevens. In die wet zou de normering van gegevensverwerkinghaar beslag krijgen in samenhang met de normering van gegevensver-werking in het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Tegen de achtergrondvan dit voornemen was de keuze gemaakt om de hiervoor genoemdebepalingen niet op te nemen in het nieuwe wetboek. In de aangehaaldeparagraaf van de memorie van toelichting is reeds gemeld dat de nieuwegegevensverwerkingswet er niet komt omdat voor de realisatie enimplementatie daarvan geen financiële middelen beschikbaar zijn(Kamerstukken II 2021/22, 32 761, nr. 218). Verder is in die paragraafmelding gemaakt van de door de Radboud Universiteit in opdracht vanhet WODC uitgevoerde verkennende studie naar de relevante gezichts-punten bij de normering van het verwerken van persoonsgegevens voorstrafvorderlijke doeleinden (M.I. Fedorova, R.M. te Molder, M.J. Dubelaar,S.M.A. Lestrade, T.F. Walree, Strafvorderlijke gegevensverwerking,Nijmegen 2022). In het rapport wordt voorgesteld om verwerkingshande-lingen die zijn gericht op kennisvermeerdering en een strafvorderlijk doeldienen wel in het nieuwe Wetboek van Strafvordering op te nemen enaldaar te normeren. De overige verwerkingshandelingen kunnen dan in deWet politiegegevens worden genormeerd. Daarmee wordt volgens deonderzoekers recht gedaan aan het uitgangspunt dat het Wetboek vanStrafvordering de uitoefening van opsporingsmethoden normeert, zoalsdat ook voortvloeit uit het strafvorderlijk legaliteitsbeginsel. Zoalsaangekondigd in de memorie van toelichting krijgt het merendeel van dehierboven genoemde bepalingen met de eerste aanvullingswet alsnogeen plaats in het nieuwe Wetboek van Strafvordering.Naast deze omzetting van bestaande artikelen blijft de noodzaak bestaanom beleid te ontwikkelen over toezicht op de gegevensverwerking in hetkader van de opsporing en de normering van het onderzoek van grotehoeveelheden gegevens. Aan de aanbevelingen uit het onderzoek van deRadboud Universiteit hierover is vooralsnog geen uitvoering gegeven, inhet licht van de keuze in deze eerste aanvullingswet voor slechts eenomzetting van de huidige bepalingen. Hier komt bij dat de richting waarinde normering zich zou moeten begeven, zich ook nog niet precies laatvaststellen. Hiermee houdt verband dat in de rechtspraak van het Hof vanJustitie van de Europese Unie in toenemende mate strenge eisen wordengesteld aan de vergaring en de verdere verwerking van gegevens, zekerals het zogenoemde bulkgegevens betreft. Het kenmerk van bulkgegevensis dat deze in grote mate betrekking hebben op personen die geenonderwerp zijn van een opsporingsonderzoek. De reikwijdte en betekenisvan deze jurisprudentie is nog niet uitgekristalliseerd. Het is dus zaak omde technologische ontwikkelingen en de rechtsontwikkeling nauwgezet teblijven volgen. De komende jaren zal buiten het kader van het wetgevings-project nieuw Wetboek van Strafvordering het beleid ten aanzien vangegevensverwerking verder worden ontwikkeld. Op dit moment is dusgekozen voor een omzetting van het bestaand strafvorderlijk recht opgebied van gegevensverwerking. Dit houdt ook daarmee verband dat eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11173 verdere normering significante uitvoeringsconsequenties kanmeebrengen alsmede een toename van de incidentele uitvoeringskostenvan het nieuwe wetboek. Dit zou nopen tot een onwenselijke verlengingvan de implementatietermijn van het nieuwe wetboek. Zoals aangegevenin de brief van 20 maart 2024 (Kamerstukken II 2023/24, 29 279, nr. 847)wordt uitgegaan van een implementatietermijn die duurt tot het tweedekwartaal van 2029. De datum van inwerkingtreding van het nieuwewetboek zal dan 1 april 2029 zijn.(209) De leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties hebben met grotebelangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden hebbengrote waardering voor de inzet om de procedurele regels voor destrafrechtspleging te actualiseren. Weliswaar zijn sinds 1926, de inwer-kingtreding van het huidige Wetboek van Strafvordering, de nodigeprocedurevoorschriften aangepast, maar dat is niet altijd aan helderheiden toegankelijkheid van het Wetboek ten goede gekomen, zo oordelendeze leden. Uiteindelijk moet het Wetboek erin voorzien dat strafvorderlijkoptreden van de overheid strak genormeerd is, waarin een verstandigeafweging gemaakt wordt tussen een effectieve strafrechtspleging enrechtsbescherming van alle betrokken partijen, waardoor uiteindelijk destrafrechter een gefundeerd oordeel kan vellen over de rechtmatigheidvan het overheidsoptreden en de rechtvaardigheid van de beslissing omin individuele strafzaken al dan niet te sanctioneren. Het komtvoornoemde leden echter voor dat, naast het herordenen, ook in ditwetsvoorstel de nodige fundamentele wijzigingen worden voorgesteld,die de vraag oproepen in hoeverre zij in lijn zijn met de ongeschreven(straf)rechtsnormen over equality of arms, proportionaliteit en subsidia-riteit, die nu, zo luidt de kritiek in de strafliteratuur, onvolledig enversnipperd worden gecodificeerd. Dat roept het risico in het leven dat inde praktijk minder aandacht zal worden besteed aan de naleving van deniet-gecodificeerde beginselen.209. In de antwoorden op (onder meer) de vragen 1, 3, 7, 11, 26 en 28 isingegaan op de wijze waarop een aantal belangrijke beginselen– waaronder de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit – in hetnieuwe wetboek is gecodificeerd. In het bijzonder is daar de keuzetoegelicht om enkele leidende beginselen vast te leggen in de eerste titelvan Boek 1 en om de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteitneer te leggen in Boek 2. Voor plaatsing van die laatste beginselen inBoek 2 is gekozen omdat zij verhoudingsgewijs van grote betekenis zijnvoor de normering van de daar toegekende opsporingsbevoegdheden (ziehet antwoord op vraag 1). De algemene notie van «equality of arms»betreft niet zozeer een specifieke rechtsnorm, maar is een aspect van hetrecht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 1.1.2 (zie hetantwoord op vraag 26).Aan de keuze om sommige beginselen wel te codificeren en andere niet,ligt dus een inhoudelijke afweging ten grondslag. Datzelfde geldt voor deplaats in het wetboek waar de gecodificeerde beginselen zijn vastgelegd.Dat in de praktijk minder aandacht zal worden besteed aan deniet-gecodificeerde beginselen, is niet aannemelijk. Dat de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit alleen expliciet zijn opgenomen inBoek 2, betekent bijvoorbeeld niet dat deze beginselen daarbuiten nietrelevant zijn; zij spelen ook in andere delen van het strafprocesrecht en inandere rechtsgebieden een rol. De omstandigheid dat een beginsel niet ofbeperkt wordt gecodificeerd, doet kortom geen afbreuk aan de gelding ende betekenis van dat (ongeschreven) beginsel in de praktijk.Tot slot kan hier worden herhaald dat de beginselen van proportionaliteiten subsidiariteit eveneens van betekenis zijn voor de wetgever (zie ookhet antwoord op vraag 1). Zij komen onder andere tot uitdrukking in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11174 uitgangspunt dat naarmate een bevoegdheid ingrijpender is, deze aanzwaardere wettelijke toepassingscriteria is gebonden. Bij de introductievan een nieuwe opsporingsbevoegdheid in Boek 2 kan dus wordenbeoordeeld welke normering in lijn met die beginselen daarbij moetworden gekozen. De notie van «equality of arms» kan – als onderdeel vanhet in Boek 1 opgenomen recht op een eerlijk proces – in het verband vanBoek 2 bijvoorbeeld meebrengen dat de verdachte in meer gevallen demogelijkheid moet hebben om een tegenonderzoek te laten verrichten (ziebijvoorbeeld de artikelen 2.4.3 en 2.10.54). Op deze wijze kunnen debedoelde beginselen, of zij nu gecodificeerd zijn of niet, een normerenderol vervullen bij het inrichten van nieuwe regelingen in Boek 2.(210) Ook zien de leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties nog nietduidelijk terug in hoeverre dit wetsvoorstel de bescherming vanniet-verdachte burgers probeert te waarborgen. Dit klemt bijvoorbeeld temeer in de wijze waarop informatiegestuurde opsporing wordt geregeld.Duidelijk moet bijvoorbeeld worden gemaakt hoe wordt voorkomen datde (bijzondere) persoonsgegevens van niet-verdachte burgers instrafrechtelijk relevante bestanden terechtkomt.(211) Daarnaast vinden deze leden dat in het opsporingsonderzoek zo snelmogelijk een onafhankelijk rechterlijk oordeel moet worden ingebouwdover de rechtmatigheid en rechtvaardigheid van strafrechtelijk ingrijpen.De rechter-commissaris zou vaker betrokken moeten worden in hetopsporingsonderzoek, zo stellen voornoemde leden. De rechter-commissaris is de bevoegde én geschikte functionaris om rechtmatig-heidsoordelen uit te spreken over de (voorgenomen) inzet van dwangmid-delen en om strafrechtelijke misslagen te helpen voorkomen. Daar zouméér gebruik van moeten worden gemaakt.210. Onderkend wordt dat onder meer het doen van onderzoek aangegevens die in bulk zijn vergaard vragen oproept waaronder vragen overde wijze waarop zo veel mogelijk wordt voorkomen dat gegevens vanpersonen die niet als verdachte zijn aan te merken, verder wordenverwerkt. Als gevolg van de toenemende digitalisering en de technolo-gische ontwikkelingen kunnen steeds grotere hoeveelheden gegevensworden geanalyseerd. Het onderscheid tussen de normering vangegevensvergaring en gegevensverwerking wordt daarmee gerelativeerdomdat niet alleen sprake kan zijn van een inbreuk op de privacy vanburgers door de inzet van bevoegdheden om gegevens te vergaren maarook door de verdere verwerking van die gegevens. In dit licht overweegtde regering om te voorzien in aanvullende wettelijke normering vangegevensverwerking. Verwezen wordt naar het antwoord op vraag 208.211. Zie het antwoord op vraag 52.(212) De leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties constateren dat hetwetsvoorstel niets regelt over de gefinancierde rechtsbijstand, maar datop de wetgever wel de plicht rust om ervoor te zorgen dat de strafadvo-catuur (die bijna geheel gefinancierd wordt uit het stelsel van gesubsidi-eerde rechtsbijstand) niet onevenredig wordt benadeeld door uitvoerings-consequenties van het wetsvoorstel. Daarover zien deze leden graag eenprecies overzicht van de regering van het flankerend financieel beleid omde ambities van het gemoderniseerde wetboek te realiseren.212. Zie de antwoorden op de vragen 93 en 205.(213) De aan het woord zijnde leden lezen op pagina’s 395 en 396 in dememorie van toelichting dat het verkrijgen van voldoende beschikbarefinanciële ruimte voor de genoemde uitbreiding een voorwaarde isvoordat de uitbreiding kan worden gerealiseerd. Deze leden zijn echtervan mening dat dat geen voorwaarde is maar dat die financiële ruimte alsvast uitgangspunt moet volgen uit het wetsvoorstel. Met andere woorden:kunnen de leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties ervan uitgaan datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11175 de beschikbaarheid van de benodigde financiële middelen geen hinderniszal zijn voor de genoemde uitbreiding van de rechtsbijstand? Zo nee,waarom niet? Aan welk jaarlijks bedrag moeten de aan het woord zijndeleden denken?213. De eventuele structurele meerkosten die nodig zijn voor deuitbreiding van de gesubsidieerde rechtsbijstand als gevolg van deinvoering van het nieuwe wetboek zullen door de overheid wordenbekostigd. Echter dient daarbij ook gekeken te worden of de gesubsidi-eerde rechtsbijstand als gevolg van het nieuwe wetboek tevens geenefficiencyvoordelen zal hebben. Op de inhoud van die uitbreidingen en dedaarmee gemoeide kosten is nader ingegaan in de antwoorden 93 en 205.De leden van de SP-fractie zijn de rapporteurs en onderzoekers wederomdankbaar voor het extra rapport dat is gemaakt op basis van de herzieningvan Boek 2 van het Wetboek van Strafvordering. Het werk dat hierin zit omhet overzichtelijker te maken voor de leden, en de vragen die wordengesteld namens de partijen wordt gewaardeerd. De leden van deSP-fractie hebben hiernaast nog een aantal aanvullende vragen(214) De leden van de SP-fractie constateren dat de Raad voor derechtspraak (Rvdr) nog een aantal zorgen heeft geuit over Boek 2. Kan deregering naar aanleiding van deze zorgen antwoord geven op de volgendevragen? Wat is de precieze verwachting van de gevolgen voor dewerklast? Deelt de regering de zorg van de Rvdr dat sommige zakenminder werklast zullen veroorzaken maar sommige ook juist weer meerwerklast? (215) Wat vindt de regering van de zorgen die de Rvdr heeft tenaanzien van audiovisuele registratie en de werklast die dit met zichmeebrengt?214. Zie het antwoord op vraag 50.215. Het nieuwe wetboek geeft op een aantal plekken de mogelijkheid om,in het geval een geluidsopname of geluids- en beeldopname is gemaakt,een volledig proces-verbaal achterwege te laten en te volstaan met eenverkort proces-verbaal naast die opname. Zie bijvoorbeeld deartikelen 1.2.22, 2.1.10 en 4.2.70. Zo kan voor wat betreft het onderzoek opde terechtzitting de opname daarvan vergezeld van een verkort proces-verbaal, het volledige proces-verbaal van dat onderzoek vervangen. Debelangrijkste mogelijkheden tot «audiovisuele registratie» zijn ookopgenomen in de Innovatiewet Strafvordering (Stb. 2022, 276). Met deInnovatiewet wordt vooruitgelopen op het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering. In de Innovatiewet is een vijftal nieuwe onderwerpen opgenomen,die sinds 1 oktober 2022 in de vorm van pilots worden beproefd in depraktijk. Het onderwerp audiovisuele registratie (hierna ook: AVR) heeftmet de Innovatiewet in de artikelen 559 tot en met 569 een plek gekregenin het huidige wetboek.Binnen de pilot AVR wordt momenteel bekeken hoe de nieuwe mogelijk-heden met betrekking tot audiovisuele registratie werken in de praktijk.Hierbij wordt gemonitord wat de opbrengsten van de toepassing van denieuwe mogelijkheden zijn en wordt uiteraard ook rekening gehoudenmet de zorgen van de Rvdr (die onder meer zien op de werklast voor derechters als zij in de toekomst beeldmateriaal moeten bekijken in plaatsvan volledige processen-verbaal kunnen lezen).Twee jaar na de inwerkingtreding van de Innovatiewet (1 oktober 2024) zaleen evaluatierapport verschijnen onder auspiciën van het WODC. Datevaluatierapport zal inzichten die zijn opgedaan in de pilots bevatten overde toepassing, opbrengsten en eventuele knelpunten van onder meerdeze nieuwe AVR-mogelijkheden. Dit rapport zal na verschijning zo snelmogelijk worden voorgelegd aan de Tweede Kamer. Mocht de evaluatieaanleiding geven tot aanpassing van de AVR-regelingen, zoals deze zijnopgenomen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering, dan gebeurt ditvia de tweede aanvullingswet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11176 Pas na het verschijnen van het evaluatierapport kan dus meer wordengezegd over de zorgen van de Rvdr ten aanzien van de werklast enkunnen eventueel aanpassingen in de regeling worden doorgevoerd omaan die zorgen tegemoet te komen.(216) De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel inzake het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Zij hebbennog de volgende vragen over het gedeelte dat Boek 2 betreft. Op pagina337 van de memorie van toelichting lezen de leden van de BBB-fractie:«de wettelijke regeling van de bevoegdheden in het opsporingsonderzoekis zoveel mogelijk techniekonafhankelijk geformuleerd.» Dit principewordt echter niet gehanteerd bij de bevoegdheden genoemd inhoofdstuk 6 van Boek 2 met als motivering dat «wanneer de ingrij-pendheid van een bevoegdheid mede of primair wordt bepaald door deingrijpendheid van het gehanteerde middel of wanneer niet kan wordenuitgesloten dat een bevoegdheid in de toekomst met middelen van zeeruiteenlopende aard en zwaarte kan worden uitgeoefend, beperkingen inde wettelijke normering moeten zijn verdisconteerd.» Voornoemde ledenvragen wat precies met de termen «ingrijpendheid van het gehanteerdemiddel» en «middelen van zeer uiteenlopende aard en zwaarte» wordtbedoeld nu er geen voorbeelden ter verduidelijking dan wel onder-bouwing zijn gegeven.Een verduidelijking of onderbouwing is naar de mening van de leden vande BBB-fractie wel nodig omdat het uitgangspunt is dat de gehanteerdeformuleringen zoveel mogelijk «techniekonafhankelijk» moeten zijn.Uitzonderingen daarop moeten deugdelijk gemotiveerd worden. Artikel 1van het Wetboek van Strafvordering (het legaliteitsbeginsel) vereist datinbreuken op grondrechten van burgers door de overheid bij wet moetenworden geregeld. Niet meer en niet minder. Nergens is vermeld dat heteen limitatieve opsomming moet zijn of dat het niet techniekonafhankelijkmag zijn.Sterker nog, in het boek Tekst & Commentaar Strafvordering (Tekst &Commentaar: Strafvordering, Wolters Kluwer, september 2023) is in detoelichting bij artikel 1 (onder aantekening 6) het volgende vermeld:«Leemten in de wet mogen niet worden opgevuld in die zin dat uitvoe-rende en de rechterlijke macht nieuwe bevoegdheden creëren die inbreukop rechten en vrijheden van burgers impliceren.» Dat vereist dus«slechts» dat er geen nieuwe bevoegdheden mogen worden geschapenzonder wettelijke grondslag en dus niet dat bevoegdheden, naarmate demiddelen waarmee de betreffende bevoegdheid wordt uitgeoefendzwaarder worden, nauwkeuriger moeten worden omschreven.216. Anders dan in de vraagstelling wordt verondersteld, is er ook tenaanzien van de in Boek 2, Hoofdstuk 6, neergelegde bevoegdheden metbetrekking tot het lichaam naar gestreefd dat die bevoegdheden zoveelmogelijk techniekonafhankelijk zijn geformuleerd. Dat komt bijvoorbeeldtot uitdrukking in het feit dat dat hoofdstuk bijvoorbeeld niet met welkemethode de wettelijk geregelde onderzoeken, bijvoorbeeldDNA-onderzoek, dient te worden verricht. Tegelijkertijd is ten tijde van hetopstellen van Boek 2 onderkend dat het streven naar techniekonafhanke-lijkheid wel een grens kent. Vanuit het legaliteitsbeginsel is het bezwaarlijkwanneer een omschrijving van een bevoegdheid, ongeacht of dat eenbevoegdheid met betrekking tot het lichaam of een andere opsporings-bevoegdheid betreft, wordt gehanteerd waaronder onderzoeken vallen diewat betreft hun mate van ingrijpendheid – bijvoorbeeld vanwege de ernstvan de inbreuk die wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit en depersoonlijke levenssfeer – aanmerkelijk uiteenlopen. In dit verband wordtin de memorie van toelichting als voorbeeld (Kamerstukken II 2023/24,36 327, nr. 3, p. 337) genoemd dat het nemen van vingerafdrukken voor deidentiteitsvaststelling en het afnemen van celmateriaal voor eenDNA-verwantschapsonderzoek beide als onderzoek ten aanzien vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11177 biometrische kenmerken kunnen worden beschouwd, maar qua ingrij-pendheid dusdanig van elkaar verschillen dat het gelet op het legaliteits-beginsel van belang is dat deze twee typen onderzoeken in Boek 2 niet alséén type onderzoeksbevoegdheid wordt geregeld, maar dat deze tweebevoegdheden in de wet aan een verschillende normering zijn gebonden,zoals in Boek 2 is voorgesteld en ook in het huidige wetboek al het gevalis. Vanuit het legaliteitsbeginsel zou het eveneens bezwaarlijk zijnwanneer een omschrijving van een bevoegdheid wordt gehanteerdwaaronder ook onderzoek kan vallen dat nu nog niet is te voorzien en tenaanzien waarvan de vraag kan worden gesteld of inzet daarvan onderdezelfde wettelijke voorwaarden wenselijk is als het onderzoek dat nu alwel mogelijk is. Ook om die reden is in Hoofdstuk 6 het onderscheidtussen bijvoorbeeld de verschillende bevoegdheden met betrekking tothet doen van biometrische onderzoeken gehandhaafd en er niet gekozenvoor gekozen om die bevoegdheden onder te brengen in één allesomvat-tende bevoegdheid tot het doen van onderzoek ten aanzien van biome-trische kenmerken. Ter onderbouwing daarvan is in de memorie vantoelichting (Kamerstukken II 2023/24, 36 327, nr. 3, p. 338) het voorbeeldvan de ontwikkelingen op het terrein van DNA-onderzoek genoemd. Toenin het begin van de jaren negentig van de vorige eeuw het klassiekeDNA-onderzoek in het wetboek werd geïntroduceerd, kon niet wordenbevroed dat in 2012 het DNA-verwantschapsonderzoek wettelijk zouworden ingevoerd. Als bij de introductie van het klassiek DNA-onderzoekwas gekozen voor de algemene categorie «onderzoek ten aanzien vanbiometrische kenmerken» zou het DNA-verwantschapsonderzoekautomatisch ook onder die categorie zijn gevallen terwijl dat typeDNA-onderzoek veel ingrijpender is en meer keerzijden kent dan hetklassieke DNA-onderzoek en daarom door de wetgever is voorzien vanandere, zwaardere, toepassingscriteria.II. ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 2 1. Algemene bepalingen 1.1 Definities (217) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van de definities.Kan de regering toelichten waarom in artikel 2.1.1 het begrip stelselmatigten aanzien van de ene bevoegdheid wel gedefinieerd wordt en tenaanzien van andere bevoegdheden niet?217. De definities van stelselmatig onderzoek van gegevens en vaningrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens vloeien voort uit enkelevan de aanbevelingen van de Commissie modernisering opsporingson-derzoek in het digitale tijdperk (Commissie-Koops). Deze commissie heeftonder meer een aantal aanbevelingen gedaan met betrekking tot (dewettelijke normering van) het onderzoek van gegevens. Een deel van dezeaanbevelingen had betrekking op de hier centraal staande definities. Determ «stelselmatig onderzoek van gegevens» is een species van het genusonderzoek van gegevens. Het betreft het onderzoek van gegevens waarbijop voorhand redelijkerwijs voorzienbaar een min of meer volledig beeldvan bepaalde aspecten van iemands privéleven kan ontstaan. De term«ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens» is een species van(stelselmatig) onderzoek van gegevens. Het betreft het onderzoek vangegevens waarbij op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar een ingrijpendbeeld van iemands privéleven kan ontstaan (Kamerstukken II 2022/23,36 327, nr. 3, p. 352).Het gebruik van de term «stelselmatig» in het Wetboek van Strafvorderingis niet nieuw. Zij werd al gebruikt in de context van de bestaandebevoegdheden tot stelselmatige observatie en het stelselmatig inwinnenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11178 van informatie (heimelijke bevoegdheden uit Boek 2, Hoofdstuk 8). Deuitleg die aan deze term wordt gegeven, te weten dat een min of meervolledig beeld moet worden verkregen van bepaalde aspecten vaniemands privéleven, is evenmin nieuw. Deze uitleg volgt de parlementairegeschiedenis van de Wet bijzondere opsporingsbevoegdheden en is naderomlijnd en geconcretiseerd in de rechtspraak van de Hoge Raad (Kamer-stukken II 1996/97, 25 403, nr. 3, p. 26–27 en – onder meer –ECLI:NL:HR:2012:BW9338 en ECLI:NL:HR:2021:80). In die rechtspraak gaathet om de vraag of de uitoefening van de bevoegdheid geschikt is voorhet verkrijgen van dat min of meer volledige beeld van bepaalde aspectenvan iemands privéleven. Of dat het geval is, hangt mede af van de plaatswaar de observaties plaatsvinden, de duur, intensiteit en frequentie ervan,en ook het eventuele gebruik van technische hulpmiddelen. Deze in decontext van de heimelijke bevoegdheden gegeven uitleg is geldend rechten dat verandert in het nieuwe wetboek niet. Het voor gebruik in diecontext neerleggen van deze – in de rechtspraktijk algemeen bekende –uitleg in de wet is dan ook niet nodig bevonden.Dat ervoor is gekozen om de termen «stelselmatig» en «ingrijpendstelselmatig» wel in de wet te definiëren in de context van onderzoek vangegevens als bedoeld in Boek 2, Hoofdstuk 7, berust op het volgende.Allereerst is het gebruik van deze termen in de context van gegevenson-derzoek in het nieuwe wetboek nieuw. En in de context van de bestaandeheimelijke bevoegdheden waarin stelselmatigheid een onderscheidendcriterium is, bestaat de term «ingrijpend stelselmatig onderzoek» niet.Deze term speelt alleen een rol in de context van het onderzoek vangegevens.Het is wenselijk dat in de wet wordt uiteengezet hoe deze termen zich totelkaar verhouden. Dat hoeft dan dus alleen te gebeuren bij het gegevens-onderzoek. In de tweede plaats wijkt de invulling die wordt gegeven aande criteria «stelselmatig» en «ingrijpend stelselmatig» in de context vangegevensonderzoek op enkele aspecten af van de invulling die daaraanwordt gegeven bij de bestaande heimelijke bevoegdheden waarinstelselmatigheid een rol speelt. De Commissie-Koops stelt dat de factor«plaats» weinig relevant is bij onderzoek aan mobiele apparaten. Ook determ «duur» zegt niets als binnen zeer korte tijd grote hoeveelheden datakunnen worden overgenomen en geautomatiseerde zoekopdrachtenbinnen fracties van seconden informatie opleveren. De Commissie-Koopsheeft daarom aanbevolen om een nieuw factorenkader te ontwikkelen, datis aangepast aan de context van digitaal onderzoek. Zij heeft daarbijfactoren genoemd als de hoeveelheid, aard en geautomatiseerdedoorzoekbaarheid van de gegevens, type drager, wijze van opslag enautomatisering van het onderzoek (Commissie modernisering opsporings-onderzoek in het digitale tijdperk (Commissie-Koops), Regulering vanopsporingsbevoegdheden in een digitale omgeving, 2018, p. 41 (hierna:rapport Commissie-Koops). Ook heeft zij geadviseerd om in de memorievan toelichting duiding te geven aan het criterium van (ingrijpende)stelselmatigheid, door middel van het noemen van factoren envoorbeelden die voor de komende jaren relevant zijn (rapport Commissie-Koops, p. 63). Aan dit advies is gevolg gegeven.Het voorgaande verklaart waarom de termen «stelselmatig onderzoek vangegevens» en «ingrijpend stelselmatig onderzoek van gegevens» voor deuitoefening van de daarop betrekking hebbende bevoegdheden van eenwettelijke definitie zijn voorzien, terwijl dat niet is gebeurd bij andere – albestaande – bevoegdheden waarbij stelselmatigheid een criterium is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11179 (218) Kan de regering ook toelichten waarom er wordt gekozen voorcodificatie van algemene beginselen in Boek 2 en niet in alle relevanteboeken afzonderlijk of vooraan in het nieuwe Wetboek?218. De redenen waarom de algemene beginselen van proportionaliteit ensubsidiariteit zijn gecodificeerd in Boek 2 – en niet vooraan in het nieuwewetboek, in Boek 1 – zijn toegelicht in het antwoord op vraag 1. Omdatdeze beginselen ook relevant zijn voor het openbaar ministerie bij hetnemen van de vervolgingsbeslissing, hebben zij daarnaast een plaatsgekregen in het eerste artikel van Boek 3. Op grond van artikel 3.1.1,eerste lid, neemt de officier van justitie bij die beslissing immers ondermeer het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging in acht.Dat laatste beginsel houdt in dat op een voor de betrokkenen minstbezwarende wijze moet worden opgetreden (subsidiariteit) en dat er eenredelijke verhouding moet zijn tussen die wijze van optreden en hetbeoogde doel (proportionaliteit). Afhankelijk van de context krijgen dezealgemene beginselen een specifieke inkleuring.De andere algemene beginselen die in Boek 2 zijn opgenomen, zijn hetbeginsel van doelbinding (artikel 2.1.2) en het instigatieverbod(artikel 2.1.4). Ook de formulering van deze algemene bepalingen istoegespitst op de uitoefening van bevoegdheden in het kader van hetopsporingsonderzoek, waarbij het instigatieverbod zich bovendienspecifiek richt tot de opsporingsambtenaar. Het beginsel van doelbindinggeldt bijvoorbeeld ook voor de uitoefening van controlebevoegdheden,maar wordt daar op een andere wijze ingevuld. Het instigatieverbod, zoalsomschreven in artikel 2.1.4, geldt alleen voor opsporingsambtenaren bijde uitoefening van hun opsporingstaak. Ook aan deze beginselen wordtdus een specifieke betekenis toegekend in het kader van het opsporings-onderzoek van Boek 2. Juist die specifieke inkleuring maakt dat eenbeginsel in de betreffende context ook concreet relevantie heeft voor detaakuitoefening van bijvoorbeeld de opsporingsambtenaar of de officiervan justitie. Die concrete werking ontbreekt als de beginselen alleen innoodzakelijkerwijs abstracte termen in Boek 1 zouden wordenopgenomen.(219) De leden van de VVD-fractie merken op dat de definitie van eenaanbieder van een communicatiedienst ruim moet worden opgevatvolgens de memorie van toelichting, omdat een horecagelegenheid die detelefoon ter beschikking stelt aan een klant hier ook onder valt. Omvat datbegrip naast dit voorbeeld en social mediaplatforms ook hostingbedrijvenen internet service providers?219. In artikel 2.1.1 is de aanbieder van een communicatiedienst gedefi-nieerd als «de natuurlijke persoon of rechtspersoon die in de uitoefeningvan een beroep of bedrijf aan de gebruikers van zijn dienst demogelijkheid biedt te communiceren met behulp van een geautomati-seerd werk, of gegevens verwerkt of opslaat ten behoeve van eenzodanige dienst of de gebruikers van die dienst». Zoals blijkt uit dememorie van toelichting op dit artikel is deze definitie, net zoals dedefinitie van «gebruiker van een communicatiedienst», ongewijzigdovergenomen uit het huidige wetboek. De definitie van aanbieder van eencommunicatiedienst is ontleend aan artikel 1, onderdeel c, van hetCybercrimeverdrag, en heeft in beginsel een ruim bereik.Een internet service provider die een zodanige dienst aanbiedt geldt alseen aanbieder van een communicatiedienst. Een hostingbedrijf datwebruimte aanbiedt kwalificeert als een aanbieder van een communicatie-dienst voor zover die webruimte wordt gebruikt voor de verwerking ofopslag ten behoeve van een zodanige dienst, of de gebruiker daarvan.Wordt die webruimte daarentegen gebruikt voor een ander doel, dankwalificeert een hostingbedrijf in zoverre niet als een aanbieder van eencommunicatiedienst.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11180 1.2 Algemene bepalingen over de uitoefening van bevoegdheden in hetkader van het opsporingsonderzoek (220) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van het voorge-stelde artikel 2.1.6. Met dit artikel zou het destijds specifiek door deTweede Kamer in de wet neergelegde toezicht op het doorlaatverbod enburgerinfiltratie gerelativeerd kunnen worden. Kan de regering hieropreflecteren?220. Het nieuwe wetboek bevat in artikel 2.1.6 een grondslag om bijalgemene maatregel van bestuur bevoegdheden aan te wijzen die nietkunnen worden uitgeoefend dan na voorafgaande toestemming van hetCollege van procureurs-generaal. Het artikel is de opvolger van hethuidige artikel 140a dat door amendering door de Tweede Kamer in hethuidige wetboek is opgenomen en dat tot doel heeft de uitoefening vanbepaalde ingrijpende bevoegdheden aan het toezicht van het College vanprocureurs-generaal te onderwerpen. In het huidige artikel 140a zijn tweebevoegdheden genoemd voor de inzet waarvan voorafgaandetoestemming van het College van procureurs-generaal is vereist. Hetbetreft burgerinfiltratie en de bevoegdheid om een uitzondering te makenop het doorlaatverbod. Inmiddels worden in beleidsregels van hetopenbaar ministerie, zoals opgenomen in de Aanwijzing opsporings-bevoegdheden, meer bevoegdheden genoemd waarvoor de toestemmingvan het College van procureurs-generaal is vereist, waaronder bijvoor-beeld infiltratie door opsporingsambtenaren, het opnemen van vertrou-welijke communicatie met een technisch hulpmiddel en het uitvoeren vaneen grootschalig DNA-onderzoek. Het huidige artikel 140a geeft in zoverregeen actueel beeld meer. Bij algemene maatregel van bestuur zullen inieder geval de twee bevoegdheden worden aangewezen die op ditmoment al in het huidige artikel 140a zijn genoemd. Daarnaast komeninfiltratie in het algemeen (dus naast burgerinfiltratie ook infiltratie dooropsporingsambtenaren) en de meer indringende vormen van stelsel-matige inwinning van informatie in aanmerking om te worden aange-wezen in de algemene maatregel van bestuur (zie de memorie vantoelichting op de artikelen 2.8.11 en 2.8.12 en de beleidsreactie op hetrapport van de commissie-Sorgdrager Kamerstukken II 2023/24, 29 628,nr. 1190). Datzelfde geldt voor het op afstand binnendringen in eendigitale-gegevensdrager of geautomatiseerde werk (Kamerstukken II2015/16, 34 372, nr. 3, p. 38). Ten slotte zal bij de voorbereiding van dealgemene maatregel van bestuur, daarbij voortbordurend op deAanwijzing opsporingsbevoegdheden, worden bezien welke anderebevoegdheden daarbij aanvullend zullen worden opgenomen. Eenrelativering van artikel 140a is dus bepaald niet beoogd.(221) Hoe waardeert de regering in dit verband de eerder geuite wens vanhet College van procureurs-generaal om artikel 2.1.6 in het geheel nietmeer op te nemen in het Wetboek van Strafvordering, omdat het eeninterne aangelegenheid zou betreffen?221. Het openbaar ministerie heeft in consultatie aangegeven van meningte zijn dat aan artikel 2.1.6 geen behoefte bestaat. Het heeft daartoeopgemerkt dat de procedure voor het geven van toestemming een interneprocedure binnen het openbaar ministerie is, en dat het artikel het risicoin zich bergt dat het beleid van het openbaar ministerie in de individuelestrafzaak ter discussie kan komen te staan.De reden om het huidige artikel 140a ook in het nieuwe wetboek tehandhaven (en te voorzien in de mogelijkheid van verbreding dooraanwijzing van bevoegdheden in een algemene maatregel van bestuur) isom in de wettelijke regeling van het opsporingsonderzoek duidelijk totuitdrukking te (blijven) laten komen dat de uitoefening van bepaaldeingrijpende bevoegdheden aan het vereiste van voorafgaandeinstemming van het College van procureurs-generaal is onderworpen. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11181 vereiste van toestemming en de voorgeschreven vastlegging daarvan zijneen waarborg dat de officier van justitie de beslissing tot inzet vanbepaalde ingrijpende opsporingsbevoegdheden niet eigenstandig neemtmaar dat daarmee door het College is ingestemd. Volgens welkeprocedures wordt beoordeeld of toestemming wordt gegeven – hetCollege laat zich in de praktijk adviseren door de centrale toetsingscom-missie – is een interne aangelegenheid van het openbaar ministerie die inde strafzaak niet ter beoordeling staat. Dat is dan ook de reden waaromartikel 2.1.6 in het voetspoor van het huidige artikel 140a geen naderebepalingen bevat over de procedure waarlangs de toestemming wordtgevraagd en gegeven. In de strafzaak staat voor wat betreft de vraag of inhet opsporingsonderzoek aan artikel 2.1.6 is voldaan, alleen ter beoor-deling of toestemming is gegeven. In de strafzaak beoordeelt de rechter,bijvoorbeeld naar aanleiding van een verweer van de verdediging over derechtmatigheid van de bevoegdheidsuitoefening, zelfstandig of aan dewettelijke toepassingscriteria daarvoor is voldaan. De rechter treedtdaarbij niet in overwegingen over geschiktheid en mogelijke doeltref-fendheid van de bevoegdheidsuitoefening en evenmin in overwegingenmet betrekking tot een evenwichtige benutting van de beschikbarecapaciteit of in overwegingen van opsporingstechnische en -tactischeaard. Tegen deze achtergrond is er geen risico dat het hierop betrekkinghebbende beleid van het openbaar ministerie – voor wat betreft de vraagof toestemming voor de uitoefening van ingrijpende opsporingsbevoegd-heden wordt gegeven en de overwegingen die tot de beslissing daaroverdoor het College van procureurs-generaal in een concreet onderzoekhebben geleid – in de individuele strafzaak als zodanig ter beoordelingkunnen komen te staan. In geval dat voor de uitoefening van ingrijpendeopsporingsbevoegdheden (ook) een machtiging van de rechter-commissaris is vereist, treedt de rechter-commissaris evenmin in debedoelde overwegingen, met dien verstande dat hij de noodzaak tot inzetvan de bevoegdheid indringend toetst, ook waar het de keuze betreft omde bevoegdheid in dit individuele geval in te zetten (zie hierover nader dememorie van toelichting op artikel 2.8.12). Ook dat is echter geenbeoordeling van het bedoelde beleid als zodanig.(222) Klopt het dat, anders dan thans het geval is met betrekking totartikel 140a Sv en de Aanwijzing voor de opsporing, de regeringartikel 2.1.6 niet ziet als een vormvoorschrift, maar als een interneregeling, waardoor niet-naleving ervan niet als onrechtmatig handelen inde zin van artikel 4.3.13–4.3.16 (thans vormverzuimen in de zin vanartikel 359z Sv: hier wordt gedoeld op artikel 359a Sv) moet wordenbeoordeeld? (223) Welk signaal wenst de regering af te geven doorintroductie van een voorschrift waarvan op voorhand al wordt gezegd dathet geen formeel vormvoorschrift is?222 en 223. Artikel 2.1.6 bevat evenals het huidige artikel 140a eenwettelijk vormvoorschrift. Wanneer niet aan dat vormvoorschrift isvoldaan beoordeelt de rechter in de strafzaak aan de hand van dedesbetreffende regeling (artikelen 4.3.12 tot en met 4.3.16) of daaraan eenprocessuele sanctie moet worden verbonden. Met de opmerking in dememorie van toelichting dat de beoordeling door het College vanprocureurs-generaal of toestemming wordt gegeven voor de uitoefeningvan een ingrijpende opsporingsbevoegdheid een «interne toets [betreft]..., niet een formeel vormvoorschrift», is bedoeld dat de proceduresvolgens welke wordt beoordeeld of voor de uitoefening van bepaaldeingrijpende opsporingsbevoegdheden toestemming wordt gegeven en dein het antwoord op vraag 221 geschetste overwegingen die tot debeslissing daarover door het College van procureurs-generaal in eenconcreet onderzoek hebben geleid, een interne aangelegenheid van hetopenbaar ministerie zijn. In de strafzaak staat voor wat betreft de vraag ofin het opsporingsonderzoek aan artikel 2.1.6 is voldaan slechts terTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11182 beoordeling of toestemming is gegeven. Wanneer die toestemming niet isgegeven in een geval waarin die is vereist, betreft dit onrechtmatighandelen van het openbaar ministerie waaraan een processuele sanctiekan worden verbonden als aan de daarvoor geldende criteria in dealgemene regeling van de processuele sancties is voldaan.(224) De rapporteurs hebben ook enkele vragen over artikel 2.1.7. De in ditartikel voorgestelde algemene machtigingsmogelijkheid voorziet, blijkensde jurisprudentie van de Hoge Raad, in een behoefte. Tegelijkertijd kunnenuit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie(HvJEU) vermoedelijk op korte termijn duidelijke conclusies wordengetrokken waaruit volgt dat voor toepassing van bepaalde in het Wetboekvan Strafvordering op te nemen bevoegdheden een machtiging van derechter-commissaris benodigd zal zijn. In hoeverre acht de regering hetverstandig om nu in het midden te laten voor welke bevoegdheden deofficier van justitie naar verwachting verplicht zal zijn een machtiging tevragen? Waarom kiest de regering voor deze afwachtende koers en nietvoor een proactieve koers, door ten aanzien van één of meer bevoegd-heden toch al voor te sorteren op een machtiging van de rechter-commissaris?224. Op grond van de algemene machtigingsmogelijkheid kan de officiervan justitie, in het geval op grond van de wet geen machtiging van derechter-commissaris is vereist, krachtens dit wetboek toch een machtigingvan de rechter-commissaris vorderen alvorens de uitoefening van eenopsporingsbevoegdheid te bevelen. Uit bestendige rechtspraak van deHoge Raad volgt dat deze mogelijkheid al in het stelsel van het huidigewetboek ligt besloten. Artikel 2.1.7 strekt tot de codificatie van de albestaande, algemene machtigingsmogelijkheid.De algemene machtigingsmogelijkheid kwam in de rechtspraak van deHoge Raad aan de orde naar aanleiding van het arrest Prokuratuur van hetHof van Justitie (HvJ 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152). In zijnuitleg van het EU-handvest heeft het Hof van Justitie het vereistevoorafgaande toetsing ontwikkeld. Het vereiste van voorafgaande toetsinghoudt in dat een rechterlijke instantie of onafhankelijke bestuurlijkeautoriteit beslist over de toepassing van een (specifieke) opsporings-bevoegdheid. De gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitiezijn op diverse punten nog onzeker. Zo is nog de vraag ten aanzien vanwelke opsporingsbevoegdheden en in welke gevallen het vereiste vanvoorafgaande toetsing geldt. Zoals aangekondigd in de memorie vantoelichting wordt verdere rechtspraak afgewacht alvorens (zo nodig) eenvoorstel tot codificatie wordt gedaan. Op dit moment zijn verschillendezaken aanhangig bij het Hof van Justitie naar aanleiding van prejudiciëlevragen van rechters uit de lidstaten over de reikwijdte en de betekenis vanhet vereiste van voorafgaande toetsing. In de tussentijd biedt dealgemene machtigingsmogelijkheid van artikel 2.1.7 een oplossing voorspecifieke gevallen waarin op grond van (met name) rechtspraak van hetHof van Justitie aanvullende rechterlijke waarborgen zijn – of lijken tezijn – vereist bij de uitoefening van bepaalde opsporingsbevoegdheden,terwijl de wet in die waarborgen op dat moment nog niet voorziet.De uitleg van het EU-handvest door het Hof van Justitie laat zich moeilijkvoorspellen. De vragen over de reikwijdte en betekenis van het vereistevan voorafgaande toetsing liggen deels op vooralsnog onontgonnenterrein. Bij gebrek aan (specifieke) EU-regelgeving of eerdereEU-rechtspraak op dit terrein heeft het Hof van Justitie veel beslisruimte.Een vooruitlopende koers van de nationale wetgever behelst daarmee hetrisico (mogelijk in verschillende opzichten) afwijkend te blijken tenopzichte van de koers die het Hof van Justitie zal inslaan. Een vooruitlo-pende koers van de nationale wetgever is daarom ongewenst. In hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11183 wetsvoorstel is een evenwichtige regeling van de opsporingsbevoegd-heden neergelegd. Indien de rechtspraak van het Hof van Justitie tot eenbijstelling daarvan noopt, wordt daaraan gevolg gegeven bij eenaanvullingswet.(225) De rapporteurs vragen de regering ook om toe te lichten aan welkecriteria de rechter-commissaris moet toetsen wanneer hem op grond vanartikel 2.1.7 om een machtiging wordt gevraagd voor toepassing van eenbevoegdheid die de officier van justitie volgens de wet zelfstandig kan(laten) toepassen.225. De rechter-commissaris kan worden betrokken bij de uitoefening vaneen bevoegdheid naar aanleiding van de algemene machtigingsmoge-lijkheid of moet daarbij worden betrokken naar aanleiding van eenmachtigingsverplichting bij een specifieke bevoegdheid. In beide gevallendient de officier van justitie op de voet van artikel 2.1.14 een vordering tothet verlenen van de machtiging in bij de rechter-commissaris. En in beidegevallen toetst de rechter-commissaris de vordering aan de criteria die dewet stelt aan de uitoefening van de desbetreffende bevoegdheid.De criteria betreffen in beginsel de specifieke toepassingsvoorwaardenvan de desbetreffende opsporingsbevoegdheid zoals neergelegd in dewettelijke bepaling ter zake, en de algemene voorwaarden voor deuitoefening van bevoegdheden in het kader van het opsporingsonderzoekzoals neergelegd in Boek 2, Titel 1.2. Onder het huidige Wetboek vanStrafvordering toetst de rechter-commissaris de vordering tevens aan devereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. Met de inwerkingtredingvan het nieuwe wetboek maken deze criteria onderdeel uit van dewettelijke criteria (zie artikel 2.1.3), en wordt de vordering via die weggetoetst aan deze vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.(226) De rapporteurs vragen hoe de in artikel 2.10.1 e.v. gesteldevormvoorschriften met betrekking tot vorderingen om onderzoek door derechter-commissaris zich verhouden tot de in artikel 2.1.7 voorgesteldeprocedure.226. De voorschriften van Boek 2, Hoofdstuk 10, over het onderzoek doorde rechter-commissaris zijn niet van toepassing op de algemene machti-gingsmogelijkheid van artikel 2.1.7. Zoals is uiteengezet in het antwoordop vraag 52 heeft de rechter-commissaris verschillende rollen bij hetopsporingsonderzoek. In Boek 2, Hoofdstuk 10, is geregeld dat derechter-commissaris specifieke onderzoekshandelingen kan verrichten opvordering van de officier van justitie, op verzoek van de verdachte of, inbepaalde gevallen, ambtshalve, in het belang van de volledigheid,evenwichtigheid en voortgang van het opsporingsonderzoek. Los van datonderzoek door de rechter-commissaris heeft de rechter-commissaris eenrol als toetser van de rechtmatigheid van de uitoefening van ingrijpendeopsporingsbevoegdheden. Voor de uitoefening van bepaalde ingrijpendeopsporingsbevoegdheden stelt het wetboek als voorwaarde dat de officiervan justitie een machtiging van de rechter-commissaris behoeft. Derechter-commissaris toetst in dat geval de vordering van de officier vanjustitie aan de criteria die wet stelt aan de uitoefening van de desbetref-fende bevoegdheid (zie ook het antwoord op vraag 225). De algemenemachtigingsmogelijkheid van artikel 2.1.7 kan worden toegepast opgevallen waarin de wet geen machtiging van de rechter-commissarisvereist en houdt verband met de rol van de rechter-commissaris alstoetser van de rechtmatigheid van de uitoefening van opsporings-bevoegdheden.(227) De leden van de VVD-fracties lezen een aantal keren in de artikelsge-wijze toelichting bij Titel 1.2 dat met codificatie van artikelen in deze titel(bijvoorbeeld 2.1.2 en 2.1.3) op een aantal deelelementen geen wijziging isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11184 beoogd ten aanzien van geldend recht. Kan de regering bij elk van deartikelen van titel 1.2 aangeven in welke gevallen wél wijziging is beoogdten opzichte van het geldend recht en hier ook per artikel een toelichtingop geven?227. Met betrekking tot de in de artikelen 2.1.2 en 2.1.3 neergelegdebeginselen van proportionaliteit, subsidiariteit en doelbinding geldt datdeze in het nieuwe Wetboek van Strafvordering worden gecodificeerd.Deze beginselen bestaan echter al als ongeschreven rechtsbeginselen.In artikel 2.1.4 is het zogenoemde instigatieverbod of het Tallon-criteriumneergelegd. Een opsporingsambtenaar mag een persoon niet brengen totandere strafbare feiten dan die waarop zijn opzet al tevoren was gericht.Tot nu toe was dit alleen in de wet bepaald bij enkele specifieke opspo-ringsbevoegdheden, zoals infiltratie en pseudokoop- en dienstverlening.Een belangrijke reden om deze regel in het nieuwe wetboek in eenalgemene bepaling centraal te stellen, is dat de regel – zoals blijkt uit derechtspraak van de Hoge Raad – niet is beperkt tot de bevoegdhedenwaarbij zij nu wettelijk is voorzien. In het bijzonder is zij van toepassing bijopsporingshandelingen die op basis van algemene taakstellendebepalingen (kunnen) worden verricht. Deze bepalingen kunnen eentoereikende grondslag vormen voor onder meer de inzet van bepaalde«lokmiddelen», zoals een lokfiets. Daarbij geldt op grond van de recht-spraak van de Hoge Raad onder meer als voorwaarde dat de verdachtedoor het plaatsen van de lokfiets niet tot andere handelingen is gebrachtdan die waarop zijn opzet al tevoren was gericht (zie o.a.ECLI:NL:HR:2018:62). Aan deze rechtspraak kunnen sterke indicatiesworden ontleend dat het instigatieverbod voor opsporingsambtenaren bijde uitoefening van hun opsporingstaak algemene gelding heeft. Eenbijkomend voordeel van het instigatieverbod als algemene regel van hetopsporingsonderzoek is dat dit verbod niet bij de verschillende bevoegd-heden waarbij dat verbod in het bijzonder een rol kan spelen, behoeft teworden herhaald. Van een verandering ten opzichte van het geldenderecht is al met al geen sprake, veeleer is sprake van codificatie van wat uitde rechtspraak al volgde en in de wet al gedeeltelijk was bepaald.Artikel 2.1.5 stelt als uitgangspunt buiten twijfel dat wanneer na eenveroordeling nog opsporingsonderzoek loopt naar de omvang vaneventueel wederrechtelijk verkregen voordeel, bevoegdheden voor deuitoefening waarvan sprake moet zijn van een verdenking, en die relevanten nodig zijn voor dat onderzoek, ook kunnen worden uitgeoefendwanneer de verdenking tot een veroordeling heeft geleid. Artikel 2.1.5 isnieuw, het huidige wetboek bevat hiervoor geen equivalent. Een wijzigingvan geldend recht is echter niet beoogd. De desbetreffende bevoegd-heden konden al worden toegepast ten behoeve van het bepalen vanwederrechtelijk verkregen voordeel (Kamerstukken II 2022/23, 36 327,nr. 3, p. 1378).Artikel 2.1.6 regelt dat bepaalde – bij algemene maatregel van bestuuraangewezen – bevoegdheden niet worden uitgeoefend dan na vooraf-gaande toestemming van het College van procureurs-generaal. De inhoudvan deze bepaling is nu opgenomen in het huidige artikel 140a en in deAanwijzing opsporingsbevoegdheden. Het gaat hier om zware opspo-ringsbevoegdheden waarbij de integriteit van de opsporing in het gedingkan zijn, zoals infiltratie. Bij dergelijke bevoegdheden toetst het Collegevan procureurs-generaal op advies van de Centrale toetsingscommissie(CTC) de rechtmatigheid en behoorlijkheid van de voorgenomen inzetdaarvan. Dit artikel is in het nieuwe wetboek als algemene bepalingopgenomen om in de wettelijke regeling van het opsporingsonderzoekduidelijk tot uitdrukking te laten (blijven) komen dat de uitoefening vandergelijke bevoegdheden aan de instemming van het College is onder-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11185 worpen. Een inhoudelijke verandering ten opzichte van het geldende rechtis niet beoogd. Wel is denkbaar dat bij het opstellen van de algemenemaatregel van bestuur nieuwe ingrijpende opsporingsbevoegdhedenworden toegevoegd die nu niet in artikel 140a of in de Aanwijzingopsporingsbevoegdheden is vermeld. Ten aanzien van het op afstandbinnendringen van een geautomatiseerd werk of een digitale-gegevensdrager – een van de meest ingrijpende heimelijke bevoegdhedendie nu noch in artikel 140a noch in de Aanwijzing opsporingsbevoegd-heden is opgenomen – bestaat daartoe het concrete voornemen (zie naderhet antwoord op vraag 220).In artikel 2.1.7 is – naar aanleiding van de zogenoemde Prokuratuur-jurisprudentie van het Hof van Justitie (HvJ 2 maart 2021, C-746/18,ECLI:EU:C:2021:152) – een vangnetbepaling opgenomen, die het mogelijkmaakt voor de officier van justitie om voorafgaand aan het geven van eenbevel om een bepaalde opsporingsbevoegdheid uit te oefenen, eenmachtiging daartoe te vorderen van de rechter-commissaris, zonder datde wet dit op zichzelf vereist. Deze machtigingsmogelijkheid is nieuw inhet Wetboek van Strafvordering. Voor de achtergrond van deze bepalingwordt verwezen naar het antwoord op vraag 211.Artikel 2.1.8 ten slotte bepaalt welke misdrijven gelijk worden gesteld metmisdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf vanvier jaar of meer is gesteld. Wanneer een bevoegdheid kan wordenuitgeoefend bij verdenking van een misdrijf waarop gevangenisstraf vanvier jaar of meer is gesteld, kan deze bevoegdheid ook worden uitge-oefend bij verdenking van een minder zwaar misdrijf dat in dit artikel isgenoemd. Het artikel is de opvolger van het huidige artikel 67, eerste lid,onderdelen b en c. Er is geen inhoudelijke wijziging ten opzichte van hetgeldende recht beoogd. De lijst van minder zware misdrijven is dezelfdeals in het huidige wetboek.(228) Voornoemde leden vragen of de regering voornemens is bij notavan wijziging te actualiseren, nu een groot aantal artikelen waarnaarwordt verwezen in het nieuwe Wetboek is gewijzigd en opnieuwgenummerd is door de Wet seksuele misdrijven?228. De opsomming in artikel 2.1.8 van artikelen waarin misdrijven zijnomschreven die voor de uitoefening van bevoegdheden worden gelijkge-steld met vierjaarsmisdrijven, moet worden geactualiseerd als de artikelenuit deze opsomming tussentijds veranderen. De noodzaak tot actuali-sering van de opsomming bestaat onder andere bij de misdrijven waaropin de Wet seksuele misdrijven minder dan vier jaar gevangenisstraf isgesteld. In overeenstemming met de gekozen werkwijze bij de totstand-koming van het nieuwe Wetboek van Strafvordering, waarbij benodigdewijzigingen en aanvullingen in het nieuwe wetboek via het aanvullings-spoor in een apart wetsvoorstel in procedure worden gebracht, (zie onderandere de negende voortgangsrapportage, Kamerstukken II 2023/24,29 279, nr. 832), worden deze en andere noodzakelijke actualiseringen vanartikel 2.1.8 die voortvloeien uit lopende wetsvoorstellen of inmiddels totstand gekomen wetten in aanvullingswetgeving opgenomen, en niet ineen nota van wijziging op het voorliggende wetsvoorstel. De aanpassingaan – specifiek – de Wet seksuele misdrijven is opgenomen in de eersteaanvullingswet.(229) De aan het woord zijnde leden vragen of straks een algemenemaatregel van bestuur (AMvB) wordt overwogen om de Aanwijzingopsporingsbevoegdheden in zijn geheel te vervangen, of dat dezeaanwijzing enkel wordt aangepast naar aanleiding van het nieuweWetboek.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11186 229. Het nieuwe wetboek bevat geen grondslag om de Aanwijzingopsporingsbevoegdheden geheel in een algemene maatregel van bestuurom te zetten. Wel zal het openbaar ministerie deze aanwijzing, evenalsandere beleidsregels, technisch moeten aanpassen aan het nieuwewetboek. Zo wordt in de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden vaakverwezen naar bevoegdheden met betrekking tot gegevens en naarheimelijke bevoegdheden. Deze bevoegdheden worden in het nieuwewetboek opnieuw geordend en geactualiseerd. De aanwijzing zal daaraantechnisch moeten worden aangepast. Artikel 2.1.6 bevat een wettelijkegrondslag om waar aangewezen de bevoegdheden voor de uitoefeningwaarvan op grond van de Aanwijzing opsporingsbevoegdheden vooraf-gaande toestemming van het College van procureurs-generaal is vereist,in die algemene maatregel van bestuur aan te wijzen. Daardoor kan deAanwijzing opsporingsbevoegdheden deels, voor het deel dat betrekkingheeft op het toestemmingsvereiste, in een algemene maatregel vanbestuur worden omgezet. Voor een nadere toelichting hierop en voor eenuiteenzetting over de beoordeling welke bevoegdheden voor aanwijzingin de algemene maatregel van bestuur in aanmerking komen, zodatdaarvoor voorafgaande toestemming van het College van procureurs-generaal is vereist, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 220.(230) De leden van de D66-fractie constateren dat in de toelichting bijartikel 2.1.6 (dat de toestemming vereist van het College van procureurs-generaal bij de inzet van bepaalde opsporingsbevoegdheden) wordtbenoemd dat sprake is van een «interne toets», «niet een formeelvormvoorschrift». Kan de regering aangeven of dit betekent dat bijniet-naleving van deze bepaling geen sprake is van een «vormverzuim»?Zo ja, vindt de regering dit wenselijk? Zo ja, waarom?230. Het toestemmingsvereiste van artikel 2.1.6 is een wettelijk vormvoor-schrift. Wanneer geen voorafgaande toestemming is verkregen terwijl ditwel was vereist, is in termen van de regeling van de processuele sanctiessprake van onrechtmatig handelen van het openbaar ministerie. Zie voormeer informatie het antwoord op vraag 222.(231) De leden van de CDA-fractie lezen dat het nieuwe artikel 2.1.6 hetvereiste van instemming van het College van procureurs-generaal regeltbij de inzet van bepaalde opsporingsbevoegdheden, zoals nu opgenomenin het huidige artikel 140a Sv. Uit de memorie van toelichting blijkt dat ditgaat om zware opsporingsbevoegdheden waarbij de integriteit van deopsporing aan de orde kan zijn, zoals bij infiltratie.Deze leden lezen dat in het nieuwe artikel 2.1.6 niet wordt verwezen naarde bevoegdheden waar dit artikel van toepassing op is, terwijl dit in hethuidige artikel 140a Sv wel het geval is. Wat is hiervoor de reden? Wordthet nieuwe artikel 2.1.6 voldoende duidelijk geacht? Kan de regering een(niet-limitatie opsomming) geven van bevoegdheden waarop dit criteriumvan toestemming van toepassing is?231. Om twee redenen is gekozen voor een opsomming in een algemenemaatregel van bestuur in plaats van een opsomming in de wet. De eerstereden is om flexibiliteit te bieden zodat het toestemmingsvereistegemakkelijker tot toekomstige ingrijpende opsporingsbevoegdheden kanworden uitgebreid wanneer daaraan behoefte bestaat. De tweede reden isom op een later moment, bij de vaststelling van de uitvoeringsregelsonder het nieuwe wetboek, te bezien welke bevoegdheden voor de inzetwaarvan nu op grond van de Aanwijzing opsporingsbevoegdhedentoestemming van het College van procureurs-generaal is vereist, inaanmerking komen om in de algemene maatregel van bestuur te wordenaangewezen. Aanwijzing in een algemene maatregel van bestuur wordtvoldoende duidelijk geacht. Daarbij is van belang dat het toestemmings-vereiste en het vereiste van vastlegging daarvan in de wet zelf zijnneergelegd. Voor wat betreft de vraag naar de bevoegdheden waarvan hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11187 de bedoeling is die in ieder geval aan te wijzen in de algemene maatregelvan bestuur wordt gewezen op de vier bevoegdheden die in het antwoordop vraag 220 zijn vermeld (kort weergegeven: uitzondering doorlaat-verbod, burgerinfiltratie, infiltratie door opsporingsambtenaren, de meerindringende vormen van stelselmatige inwinning van informatie en het opafstand binnendringen in een digitale-gegevensdrager of geautomati-seerde werk).(232) De leden van de CDA-fractie vragen of de regering kan reageren opde reactie van het College van procureurs-generaal op dit artikel, datvreest voor de situatie waarin het beleid van het College van procureurs-generaal ter toetsing aan de rechter wordt voorgelegd.232. Zie het antwoord op vraag 221.1.3 Algemene bevoegdheid (233) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van de algemenebevoegdheid.Kan de regering toelichten waarom er niet voor is gekozen om artikel 2.1.9dichter aan te laten sluiten bij de staande jurisprudentie van de HogeRaad, door bijvoorbeeld termen als «beperkte inbreuk op grondrechten»en «niet zeer risicovol voor de integriteit en beheersbaarheid van deopsporing» ook in de wet op te nemen?233. In artikel 2.1.9 is gekozen voor de formulering dat opsporingsambte-naren bevoegd zijn om ter uitvoering van hun taak «in overeenstemmingmet de geldende rechtsregels» onderzoekshandelingen te verrichten. Met«geldende rechtsregels» is gedoeld op wettelijke regels en rechtersrecht.Dit betekent dat wanneer voor een bepaalde opsporingshandeling eenspecifiek daarop toegesneden wettelijke regeling bestaat (bijvoorbeeldstelselmatige observatie) deze handeling alleen op basis van die regelingkan plaatsvinden en moet voldoen aan de in die regeling gesteldevoorwaarden. Er komt ook in tot uitdrukking dat voor het verrichten vaneen bepaalde opsporingshandeling alleen de bevoegdheid bestaatwanneer deze past in het systeem van de wet en besloten ligt in hetsamenstel van de daarin uitdrukkelijk geregelde bevoegdheden (dat is hetgeval bij bijvoorbeeld een kortstondige observatie). Het betekent ook dateen opsporingshandeling die niet berust op een specifiek daaroptoegesneden wettelijke regeling alleen mag worden ondernomen als dezevoldoet aan in de rechtspraak ontwikkelde voorwaarden waaronder devoorwaarden dat deze handeling geen of alleen een beperkte inbreuk opgrondrechten van burgers maakt en niet zeer risicovol is voor deintegriteit en beheersbaarheid van de opsporing. Het zou denkbaar zijndeze laatste twee voorwaarden in de formulering van de algemenebevoegdheidsbepaling tot uitdrukking te brengen, nu deze voorwaardenuit bestendige rechtspraak voortvloeien. Daarvoor is echter niet gekozenomdat deze voorwaarden al voortvloeien uit de – bovendien meeromvat-tende – formulering «in overeenstemming met de geldende rechtsregels».Een voordeel van deze formulering is verder dat deze aansluit bij deformulering van de algemene taakstellende bepaling van artikel 3Politiewet 2012. Door de keuze voor een aansluitende formulering kan ookniet de indruk ontstaan dat in de algemene bevoegdheidsbepalingvoorwaarden worden gesteld die niet zouden gelden als de desbetref-fende opsporingshandeling op basis van deze algemene taakstellendebepaling zou plaatsvinden (daarop zijn die voorwaarden uit de recht-spraak namelijk evenzeer van toepassing). Voor wat betreft deopsporingstaak van de politie is de reikwijdte van de algemene bevoegd-heidsbepaling namelijk identiek aan de bevoegdheid die uit de algemenetaakstellende bepaling van artikel 3 Politiewet 2012 voortvloeit.Doelstelling van de algemene bevoegdheid is dan ook slechts om in heteerste hoofdstuk over het opsporingsonderzoek te expliciteren wat al inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11188 de opsporingstaak van opsporingsambtenaren besloten ligt, namelijk debevoegdheid om voor opsporing het nodige onderzoek te verrichten.(234) De rapporteurs vragen waarom de regering in artikel 2.1.9 of in eennadere toelichting niet benadrukt dat deze algemene bevoegdheid onderomstandigheden ook gebruikt mag worden als er nog geen verdenking is.Zou in dat verband niet nadrukkelijk gewezen moeten worden op de aarden mate van verslaggeving die in zo’n geval nodig is en welke aanvul-lende waarborgen omtrent gegevensverwerking nodig zijn?234. Zoals in de memorie van toelichting op het opsporingsbegrip vanartikel 1.1.6 is aangegeven kan van opsporing ook sprake zijn wanneernog geen concrete verdenking van een strafbaar feit bestaat. Dit is metname van belang in gevallen waarin er aanleiding is na te gaan ofstrafbare feiten worden begaan om bij ontdekking daarvan met eenstrafvorderlijk doel op te treden. In het voetspoor daarvan kan dealgemene bevoegdheid in artikel 2.1.9 ook worden uitgeoefend ingevallen waarin van een concrete verdenking van een strafbaar feit geensprake is. Daarom is in de omschrijving van de algemene bevoegdheideen verdenking van een strafbaar feit ook niet als toepassingsvoorwaardeopgenomen. Dit is niet anders in het geldende recht; op basis van hethuidige opsporingsbegrip en van de huidige bepalingen over deopsporingstaak kunnen eveneens onderzoekshandelingen worden verrichtzonder dat sprake behoeft te zijn van een concrete verdenking van eenstrafbaar feit. Wel gelden uiteraard de begrenzingen die uit de algemenebevoegdheid en uit de algemene bepalingen van het opsporingson-derzoek voortvloeien: de onderzoekshandelingen moeten in overeen-stemming zijn met de geldende rechtsregels, moeten in het belang vanhet onderzoek plaatsvinden, moeten voldoen aan de vereisten vanproportionaliteit en subsidiariteit en mogen een eventueel daardoor inbeeld komende verdachte niet brengen tot andere strafbare feiten dan diewaarop zijn opzet al tevoren was gericht (zie de artikelen 2.1.2, 2.1.3 en2.1.4).Voor wat betreft de aard en mate van verslaglegging zijn de bepalingenover de verbaliseringsplicht van belang. Opsporingsambtenaren moetenproces-verbaal opmaken van datgene wat door hen tot opsporing isverricht of bevonden (artikel 2.1.10). Dat kunnen dus ook opsporingshan-delingen zijn die zijn verricht op een moment waarop nog geen concreteverdenking van een strafbaar feit bestond. In gevallen waarin dezeopsporingshandelingen echter niet tot een concrete verdenking leiden, iser ook geen reden om van die handelingen een proces-verbaal op temaken, omdat wat is verricht in dat geval niet relevant kan zijn voor enigein de strafzaak te nemen beslissing. Wel moet in enige vorm vanverslaglegging worden voorzien om doeltreffend te kunnen reageren opeen eventueel later door de officier van justitie of rechter gedaan verzoektot het afleggen van verantwoording over het deel van het opsporingson-derzoek dat niet in een proces-verbaal is neergelegd. Een en ander komtovereen met het geldende recht, omdat dezelfde regels voortvloeien uitde bepalingen over de verbaliseringsplicht in het huidige wetboek.Voor wat betreft de vraag of aanvullende waarborgen nodig zijn als hetgaat om de verwerking van persoonsgegevens van niet-verdachte burgerswordt kortheidshalve verwezen naar de antwoorden op de vragen 210 en293.(235) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van dealgemene bevoegdheidsbepaling die in het nieuwe wetboek isopgenomen, waarin is bepaald dat opsporingsambtenaren ter uitvoeringvan hun taak bevoegd zijn om in overeenstemming met de geldenderechtsregels onderzoekshandelingen te verrichten. Het valt deze leden opdat de bepaling ruim is geformuleerd. Waarom is dit wenselijk volgens deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11189 regering? Is het een bewuste keuze om de concrete invulling aan derechtspraak over te laten? Hoe verhoudt deze algemene bevoegdheidsbe-paling zich tot artikel 3 van de Politiewet op basis waarvan de politieinformatie mag verzamelen mits dit niet meer dan een geringe inbreukmaakt op de persoonlijke levenssfeer? Is de voorgestelde bevoegdheidruimer of minder ruim?235. Het is inderdaad wenselijk dat de algemene bevoegdheid vanartikel 2.1.9 ruim is omschreven. Dit is bovendien in overeenstemmingmet het geldende recht waarin de algemene bevoegdheid voortvloeit uitalgemeen geformuleerde bepalingen over de opsporingstaak. De ruimeomschrijving van de bevoegdheid in artikel 2.1.9 is verantwoord vanwegede beperkende voorwaarden die gelden voor onderzoekshandelingen dieop basis van dat artikel kunnen worden verricht. Deze beperkendevoorwaarden zijn in de antwoorden op de vragen 233 en 234 samengevatweergegeven. Daarnaar wordt kortheidshalve verwezen. Voor wat betreftde verhouding tussen de algemene bevoegdheid en de taakstellendebepaling van artikel 3 Politiewet 2012 kan worden opgemerkt dat debevoegdheden die uit deze bepalingen voortvloeien (voor zover het gaatom de opsporingstaak van de politie) in reikwijdte identiek zijn. Zij zijn dusnoch ruimer noch minder ruim. De enige doelstelling van de algemenebevoegdheid is om in het eerste hoofdstuk over het opsporingsonderzoekte expliciteren wat al in de opsporingstaak van opsporingsambtenarenbesloten ligt, namelijk de bevoegdheid om voor opsporing het nodigeonderzoek te verrichten.(236) De leden van de CDA-fractie lezen dat op grond van artikel 2.1.9opsporingsambtenaren ter uitvoering van hun taak zijn bevoegd om inovereenstemming met de geldende rechtsregels onderzoekshandelingente verrichten. Kan de regering explicieter ingaan op welke onderzoekshan-delingen dit artikel betrekking heeft?236. Op basis van de algemene bevoegdheid in artikel 2.1.9 kunnenopsporingsambtenaren ter uitvoering van de opsporingstaak het nodigeonderzoek verrichten. Denk aan het veilig stellen van sporen, eenkortstondige observatie van een persoon of het plaatsen van een lokfietsof lokauto in een wijk waarin dit soort vervoersmiddelen vaak wordengestolen. Het kan dus om een scala aan opsporingshandelingen gaan, diemoeten voldoen aan de voorwaarden die in de antwoorden op de vragen233 en 234 samengevat zijn weergegeven.1.4 Verslaglegging door opsporingsambtenaren (237) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van de verslag-legging door opsporingsambtenaren. Waarom wacht de regering niet metcodificatie in artikel 2.1.10, derde lid, tot meer duidelijkheid bestaat overde voor- en nadelen van de vervanging van schriftelijke opnamen dooraudiovisuele opnamen?237. Zoals blijkt uit het antwoord op vraag 215 geeft het nieuwe wetboekop een aantal plekken de mogelijkheid om, in het geval een geluids-opname of geluids- en beeldopname is gemaakt, een volledig proces-verbaal achterwege te laten en te volstaan met een verkort proces-verbaalnaast die opname. Zo volgt ook uit artikel 2.1.10 dat opsporingsambte-naren hun proces-verbaal over het door hen opgespoorde strafbare feit enwat door hen tot opsporing is verricht of bevonden kunnen uitstellenindien op een geluids- of beeldopname is vastgelegd wat door hen totopsporing is verricht of bevonden. In geval van uitstel vermelden deopsporingsambtenaren in een verkort proces-verbaal wat op de opnameis vastgelegd (artikel 2.1.11, derde lid).De belangrijkste mogelijkheden tot «audiovisuele registratie» (AVR) in hetnieuwe wetboek, waaronder die van artikel 2.1.10, zijn ook opgenomen inde Innovatiewet Strafvordering (Stb. 2022, 276). Zie voor meer informatieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11190 over die wet het antwoord op vraag 215. Daaruit volgt onder meer dat deonderwerpen uit de Innovatiewet zullen worden geëvalueerd en datoktober 2024 een evaluatierapport onder auspiciën van het WODC zalverschijnen. Dat rapport zal meer duidelijkheid verschaffen over de voor-en nadelen van de nieuwe AVR-mogelijkheden. Mocht het rapportaanleiding geven om de bepalingen ten aanzien van AVR aan te passen inhet nieuwe wetboek, dan gebeurt dat in de tweede aanvullingswet.(238) In de praktijk komen veel situaties voor waarin geen sprake is vantussenkomst van de hulpofficier van justitie voorafgaand aan het insturenvan een proces-verbaal. Kan de regering in dit verband meer duidelijkheidgeven over het al dan niet behouden van het in artikel 2.1.12, eerste lid,genoemde vereiste van tussenkomst van de hulpofficier van justitie bijtoezending van processen-verbaal en over de rol die de beleidsontwik-keling over de rol van de hulpofficier van justitie hierin speelt?238. Artikel 2.1.12, eerste lid, bepaalt (in lijn met het huidige artikel 156)dat opgemaakte processen-verbaal door tussenkomst van de hulpofficiervan justitie – een functionaris van de politie, Koninklijke marechaussee ofbijzondere opsporingsdiensten – aan de officier van justitie wordenovergedragen. Dit voorschrift beoogt de kwaliteit van processen-verbaalte bevorderen (vgl. daarover ook het antwoord op vraag 239). Bij detotstandkoming van de Innovatiewet Strafvordering heeft de politiegewezen op de Ontwikkelagenda Opsporing. Binnen dit programmawerken het openbaar ministerie en de politie samen aan onder meer hetversterken van de positie van de hulpofficier van justitie als kwaliteitsbe-waker en bewaker van rechtswaarborgen en het toetsen van politieop-treden (Kamerstukken II 2020/21, 35 869, nr. 3, p. 12). Uit deze ontwikkel-agenda blijkt dat het streven is dat per basisteam waar mogelijk tenminste één hulpofficier van justitie sturend is op de kwaliteit vanprocessen-verbaal en medewerkers (bijlagen bij Kamerstukken II 2018/19,29 628, nr. 825: Ontwikkelagenda Opsporing, Hoofdlijnenversie8 november 2018, p. 10 en Brief van 9 november 2018, p. 3). De rol van dehulpofficier van justitie als kwaliteitsbewaker van processen-verbaalbinnen de basisteams van de politie komt ook in het (huidige en nieuwe)wetboek tot uitdrukking. Er bestaat daarom – zoals in de memorie vantoelichting is overwogen – op dit moment geen aanleiding om tebeoordelen of het vereiste van tussenkomst van een hulpofficier vanjustitie, dat zoals in het antwoord op vraag 239 wordt toegelicht eenbelangrijke kwaliteitswaarborg behelst, moet worden heroverwogen.(239) De rapporteurs vragen in hoeverre in artikel 2.1.12, eerste lid, sprakeis van het reguleren van institutionele verhoudingen tussen de politie enhet Openbaar Ministerie (OM), dat in de kern betrekking heeft op de wijzewaarop aan kwaliteitszorg wordt gedaan binnen de politie. Kan deregering toelichten in hoeverre het wenselijk is dat het Wetboek vanStrafvordering deze institutionele verhoudingen regelt?239. In artikel 2.1.12, eerste lid, is geregeld dat opsporingsambtenaren dedoor hen opgemaakte processen-verbaal en geluids- of beeldopnamenalsmede de bij hen binnengekomen aangiften en berichten over strafbarefeiten zo spoedig mogelijk, en door tussenkomst van de hulpofficier vanjustitie, overdragen aan de officier van justitie. Deze bepaling vormt deopvolger van het huidige artikel 156, dat dezelfde strekking heeft.Artikel 2.1.12, eerste lid, heeft inderdaad mede betrekking op institutioneleverhoudingen tussen de politie en het openbaar ministerie. Er is voorgekozen om dit voorschrift te handhaven omdat de bepaling beoogt dekwaliteit van processen-verbaal te bevorderen. Het is van belang dat dezekwaliteitswaarborg ook op wetsniveau wordt vastgelegd. Daarbij moetworden bedacht dat opsporingsambtenaren processen-verbaal veelal bijde aanvang van een opsporingsonderzoek opstellen en dat dezegedurende het verdere verloop daarvan én bij een eventuele vervolgingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11191 en berechting van groot belang zijn. De diverse betrokkenen in destrafrechtketen (opsporingsinstanties, openbaar ministerie, advocatuur,rechtspraak) moeten op de juistheid van de inhoud kunnen vertrouwen endie inhoud moet voldoende duidelijk zijn. De hulpofficier van justitie kanhierin een belangrijke controlerende rol vervullen, omdat hij «dicht op hetvuur zit» en een aanvullende (gedeeltelijk juridische) opleiding heeftgenoten.Meer in het algemeen geldt dat bepalingen in het Wetboek van Strafvor-dering kunnen raken aan de institutionele verhoudingen tussen de actorenin de strafvordering. Zo is ook wettelijk geregeld dat bij algemenemaatregel van bestuur aangewezen bevoegdheden niet worden uitge-oefend dan na voorafgaande toestemming van het College vanprocureurs-generaal (artikel 2.1.6, de opvolger van artikel 140a). Hetopenbaar ministerie heeft in consultatie aangegeven van mening te zijndat aan artikel 2.1.6 geen behoefte bestaat en daaraan onder meer tengrondslag gelegd dat de procedure voor het geven van toestemming eeninterne procedure binnen het openbaar ministerie is. Niettemin is ervoorgekozen de inhoud van artikel 140a in het nieuwe wetboek te handhaven.Zo wordt in de wettelijke regeling van het opsporingsonderzoek duidelijktot uitdrukking gebracht dat de uitoefening van bepaalde ingrijpendebevoegdheden aan het vereiste van voorafgaande instemming van hetCollege van procureurs-generaal is onderworpen, en zodoende dat deofficier van justitie de beslissing tot inzet van zulke bevoegdheden nieteigenstandig neemt en daarvan ook tegenover de rechter blijk wordtgegeven door vastlegging van de toestemming. Vergelijk hierover naderhet antwoord op vraag 221.(240) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van demogelijkheid die opsporingsambtenaren in het voorstel krijgen om hetopmaken van proces-verbaal uit te stellen indien op een geluids- ofbeeldopname is vastgelegd wat door hen tot opsporing is verricht ofbevonden. Er wordt dan een verkort proces-verbaal opgesteld. De rechterkan bevelen dat in een later stadium een volledig proces-verbaal wordtuitgewerkt. Is het mogelijk dat, als een rechter geen uitwerking beveelt,wordt volstaan met het verkorte proces-verbaal? Zo ja, hoe verhoudt ditzich volgens de regering tot artikel 3 van het Besluit processtukken instrafzaken dat voor bepaalde zaken een «proces-verbaal houdende eenverslag betreffende verrichte opsporingshandelingen» vereist? Kan deregering in dit verband ook ingaan op de inzichtelijkheid in opsporings-handelingen die niet tot vervolging hebben geleid?240. In het nieuwe wetboek is het mogelijk dat opsporingsambtenaren hetopmaken van een proces-verbaal uitstellen indien op een geluids- ofbeeldopname is vastgelegd wat door hen tot opsporing is verricht ofbevonden (artikel 2.1.10, derde lid). Dat kunnen bijvoorbeeld camera-beelden zijn van het delict, of opnames van afgenomen verhoren. Indergelijke gevallen moet een verkort proces-verbaal worden opgesteld,waarin wordt vermeld dat hetgeen door de opsporingsambtenaar totopsporing is verricht of bevonden op de opname is vastgelegd(artikel 2.1.11, derde lid). Dit verkort proces-verbaal is hoofdzakelijkbedoeld om de betrouwbaarheid te waarborgen van de opname diemeebrengt dat geen (volledig) proces-verbaal behoeft te wordenopgemaakt. Uit dit verkorte proces-verbaal moet ten minste kunnenworden afgeleid dat de opsporingsambtenaren die het hebben opgemaaktervoor instaan dat wat op de opname is te zien of te horen door hen isverricht of bevonden.Op grond van artikel 2.1.10, vierde lid, gebeurt het uitstellen van hetopmaken van proces-verbaal onder verantwoordelijk van de officier vanjustitie en met inachtneming van door het College van procureurs-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11192 generaal gegeven algemene aanwijzingen. Deze algemene aanwijzingenzullen naar verwachting zeker aanvankelijk vooral ruimte voor uitstelscheppen in zaken waarin buitengerechtelijke afdoening in de rede ligt oftot de mogelijkheden behoort. Als de zaak aan de rechter wordtvoorgelegd, ligt het in de rede dat de officier van justitie alsnog proces-verbaal laat opmaken van de informatie die op de opname is vastgelegdvoor zover dat voor een goede procesvoering in eerste aanleg noodza-kelijk is. Als dat niet is gebeurd, zal de officier van justitie in de procesin-leiding een opgave moeten opnemen van geluids- of beeldopnamenwaarvan geen volledig proces-verbaal is opgemaakt (artikel 4.1.1, derdelid, onderdeel d). De voorzitter van de rechtbank kan de officier van justitievervolgens bevelen dat van hetgeen op de opname is vastgelegd alsnogproces-verbaal wordt opgemaakt (artikel 4.1.7, eerste lid, onderdeel c).Tijdens het onderzoek op de terechtzitting kan de rechtbank hetzelfdebepalen (artikel 4.2.34). In gevallen waarin dit alles niet gebeurt, kan– onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie en met inacht-neming van de bedoelde algemene aanwijzingen – worden volstaan methet verkorte proces-verbaal.In artikel 3 van het Besluit processtukken in strafzaken is neergelegd datbij de opsporing van misdrijven waarop een gevangenisstraf van zes jaarof meer is gesteld, een proces-verbaal in het procesdossier wordtgevoegd met daarin een verslag van de in die strafzaak verrichteopsporingshandelingen. Concreet gaat het om een chronologischoverzicht van de verrichte opsporingshandelingen; een lijst waaruit blijktwanneer en welke opsporingshandelingen of opsporingsbevoegdhedentijdens het onderzoek zijn verricht of uitgeoefend. Van belang is dat kortmelding wordt gemaakt van de opsporingsactiviteiten die redelijkerwijsvan betekenis kunnen zijn voor (de beoordeling van het verloop van) hetonderzoek in de zaak (Stb. 2011, 602, p. 8 en p. 11). Gezien de aard van ditproces-verbaal – het gaat om een schriftelijk overzicht van de verschil-lende opsporingshandelingen die zijn verricht – ligt het niet voor de hand(in algemene aanwijzingen van het openbaar ministerie toe te laten) datdit wordt vervangen door een opname die wordt vergezeld van eenverkort proces-verbaal, ook al maakt de (techniekonafhankelijke) wettelijkeregeling dit in theorie mogelijk. Overigens zal het Besluit processtukken instrafzaken worden aangepast aan het nieuwe wetboek. Het zesde lid vanartikel 2.1.10 bevat de grondslag om bij algemene maatregel van bestuurin aanvulling op de wet nadere regels te stellen over de verbaliserings-plicht en de inhoud van processen-verbaal. In de memorie van toelichtingis, onder verwijzing naar artikel 3 van het Besluit processtukken instrafzaken, uiteengezet dat een verslag van de verrichte opsporingshande-lingen in daarvoor in aanmerking komende strafzaken van belang kan zijn.Gezien het voorgaande zal de wettelijke mogelijkheid om een volledigproces-verbaal te vervangen door een opname vergezeld van een verkortproces-verbaal, geen gevolgen hebben voor de inzichtelijkheid vanopsporingshandelingen die (al dan) niet tot vervolging hebben geleid. Inalle gevallen moet sprake zijn van een inzichtelijk overzicht van opspo-ringshandelingen.(241) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het eerste lid vanartikel 2.1.12 niet langer bepaald is dat ook inbeslaggenomen voorwerpenmoeten worden overgedragen aan het OM, maar dat dit niet wegneemtdat in de gevallen waarin er bij uitzondering aanleiding is het voorwerpaan het officier van justitie te verstrekken, daartoe kan wordenovergegaan. Wat kan onder deze uitzonderingsgevallen vallen?241. Inbeslaggenomen voorwerpen, zo volgt uit artikel 2.1.12, hoeven nietmaar mogen wel worden overgedragen aan de officier van justitie. Tedenken valt bij zo’n uitzonderlijk geval aan de situatie waarin het opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11193 voorhand al duidelijk is dat de officier van justitie het betreffendevoorwerp als stuk van overtuiging op de terechtzitting zal willen tonen ofaan de situatie waarin het inbeslaggenomen voorwerp staatgeheimeinformatie bevat.(242) De leden van de CDA-fractie vinden het opvallend dat toezendingvan processen-verbaal van opsporingsambtenaren nog steeds plaatsdient te vinden door tussenkomst van de hulpofficier van justitie. Zowelde Minister voor Rechtsbescherming als het College van procureurs-generaal hebben in de consultatiefase nadrukkelijk erkend dat in depraktijk vaak helemaal geen sprake is van tussenkomst door de hulpof-ficier van justitie. Waarom lijkt te worden vastgehouden aan een bepalingwaarvan algemeen bekend is dat zij al lang niet meer aansluit bij depraktijk?242. Zie het antwoord op vraag 238.(243) In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de hulpofficiervan justitie «waar aangewezen» de processen-verbaal dient te controlerenof te doen controleren. Daarmee wordt de suggestie gewekt dat hetvoorgestelde artikel 2.1.12 lid 1 een zekere discretionaire ruimte laat,terwijl dit uit de wettekst niet volgt. Onduidelijk is voor de leden van deCDA-fractie bovendien wie die discretionaire ruimte heeft: wie beslist ofhet «aangewezen» is om processen-verbaal te (doen) controleren?243. Artikel 2.1.12, eerste lid, laat geen discretionaire ruimte wat betreft deverplichting om processen-verbaal door tussenkomst van de hulpofficiervan justitie aan de officier van justitie over te dragen. Processen-verbaalzullen altijd via de hulpofficier van justitie naar de officier van justitiemoeten gaan. De woorden «waar aangewezen» die in de memorie vantoelichting bij artikel 2.1.12, eerste lid, zijn gebruikt, zien dan ook niet opdeze wettelijke verplichting. Zij hebben betrekking op de wijze waarop dehulpofficier van justitie invulling geeft aan zijn in artikel 2.1.12, eerste lid,besloten liggende taak om toe te zien op de kwaliteit van processen-verbaal. De hulpofficier van justitie kan ervoor kiezen de processen-verbaal die hij onder zich krijgt na een korte blik daarop door te zendennaar de officier van justitie, maar hij kan deze ook aan een meer indrin-gende toets onderwerpen. Dat laatste ligt met name voor de hand in de(juridisch) meer ingewikkelde zaken. De hulpofficier van justitie kan indergelijke zaken, als gekwalificeerde opsporingsambtenaar met eenaanvullende opleiding, een belangrijke bijdrage leveren aan (het contro-leren van) de juistheid en volledigheid van het proces-verbaal. Dehulpofficier van justitie wordt aldus door de in artikel 2.1.12, eerste lid,opgenomen regel in staat gesteld om op eigen wijze invulling te gevenaan zijn rol als kwaliteitsbewaker in het opsporingsonderzoek (vgl. in ditverband ook het antwoord op vraag 238).1.5 Vastlegging van bevelen en van machtigingen en vorderingen daartoe (244) De leden van de D66-fractie constateren dat in het voorstel alsuitgangspunt wordt genomen dat bevelen mondeling kunnen wordengegeven. Deze leden begrijpen dit vanuit het oogpunt van lastenver-lichting, maar vragen of deze ontwikkeling wel ten goede komt van deinzichtelijkheid van de opsporing. Zij vragen of het op deze manier voorde verdediging goed te controleren is of door justitie conform dewettelijke voorschriften is gehandeld. Kan hier door de regering opworden gereflecteerd?244. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering kan in een aantal gevalleneen bevel dat volgens het huidige wetboek schriftelijk moet zijn,mondeling worden gegeven. Het bevel wordt dan niet langer op schriftgesteld door degene die het heeft gegeven, maar zal worden vastgelegddoor de opsporingsambtenaar die aan het bevel uitvoering geeft. DieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11194 vastlegging vindt plaats in het proces-verbaal waarin de opsporings-ambtenaar verslag doet van de uitoefening van de bevoegdheid(artikel 2.1.10, eerste lid). Deze werkwijze doet geen afbreuk aan deinzichtelijkheid van de opsporing. De opsporingsambtenaar moet immersin zijn proces-verbaal de feiten en omstandigheden vastleggen die vanbelang zijn voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de opsporing(artikel 2.1.10, tweede lid).Er bestaat in de opsporingspraktijk bovendien al kennis van de voor deverlening van bepaalde bevelen relevante gegevens en ervaring met hetuiteenzetten ervan. In de huidige praktijk (met betrekking tot bevoegd-heden waarvoor op grond van het huidige wetboek een afzonderlijkevastleggingsplicht geldt) wordt namelijk gewerkt met zogenoemde«aanvraag-processen-verbaal». Daarin verzoekt de opsporingsambtenaarde officier van justitie om te bevelen een bepaalde bevoegdheid – bijvoor-beeld stelselmatige observatie – uit te oefenen. De opsporingsambtenaarzet zelf uiteen waarom naar zijn inzicht is voldaan aan de vereisten voorde uitoefening van de bevoegdheid en op welke manier hij debevoegdheid concreet zal uitoefenen. De inhoud van het daarop volgendebevel van de officier van justitie is in grote mate ontleend aan hetaanvraag-proces-verbaal.Ten slotte verdient opmerking dat de officier van justitie de mogelijkheidbehoudt om, ook in gevallen waarin dat niet wettelijk verplicht is, hetbevel zelf afzonderlijk vast te leggen als hij dat wenselijk of nodig acht.Dat laat zich voorstellen indien de officier van justitie het bevel wil latenvergezellen van nadere instructies. Als de officier van justitie aan hetbevel nadere instructies verbindt maar het bevel niet zelf vastlegt, zal deopsporingsambtenaar deze instructies moeten opnemen in het proces-verbaal waarin hij verslag doet van de uitoefening van de bevoegdheid.De informatie over die nadere instructies is immers nodig om te beoor-delen of de bevoegdheid rechtmatig is uitgeoefend.(245) De leden van de CDA-fractie lezen in artikel 2.1.13 dat afzonderlijkevastlegging van een bevel niet langer de regel, maar de uitzondering is.Om te bepalen wanneer in Boek 2 op deze regel een uitzondering moetworden gemaakt, zijn drie criteria genoemd in de memorie vantoelichting. Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om dezecriteria in dit artikellid op te nemen ten behoeve van de rechtszekerheid?245. In het nieuwe wetboek wordt geregeld dat bevelen alleen afzonderlijkworden vastgelegd als de wet dat bepaalt (artikel 2.1.13). Als een bevelniet afzonderlijk hoeft te worden vastgelegd, kan het mondeling wordengegeven. Het is dan aan de opsporingsambtenaar die uitvoering geeft aanhet bevel om in zijn proces-verbaal de inhoud van het bevel uiteen tezetten, evenals de feiten en omstandigheden die tot het verlenen van datbevel aanleiding gaven. Bij de beoordeling ten aanzien van welkebevoegdheden in de wet wordt neergelegd dat bevelen daartoe afzon-derlijk worden vastgelegd, zijn drie criteria gehanteerd. Allereerst isafzonderlijke vastlegging van het bevel vereist, als met de uitoefening vande bevoegdheid een grote inbreuk wordt gemaakt op een grondrecht. Uitdit criterium vloeit praktisch gesproken voort dat bevelen afzonderlijkmoeten worden vastgelegd als voor het geven daarvan een voorafgaandemachtiging van de rechter-commissaris is vereist. Het tweede criterium opbasis waarvan afzonderlijke vastlegging van het bevel is voorgeschreven,houdt in dat het bevel niet aan opsporingsambtenaren, maar aan derdenis gericht. Een voorbeeld vormen bevelen, gericht tot derden zoals eenbank, tot het verstrekken van gegevens. Het derde criterium is dat aanuitoefening van de bevoegdheid grote risico’s voor de integriteit ofbeheersbaarheid van de opsporing verbonden zijn. Een voorbeeld is debevoegdheid tot infiltratie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11195 Deze criteria hoeven niet in de wet te worden neergelegd, omdat zij zichniet richten tot de rechtspraktijk, maar tot de wetgever. Aan de hand vandeze criteria is bepaald ten aanzien van welke opsporingsbevoegdhedenhet bevel tot uitoefening daarvan, in afwijking van de nieuwe regel datbevelen mondeling worden gegeven, afzonderlijk moet wordenvastgelegd. In de memorie van toelichting wordt, door bespreking van diecriteria, verantwoording afgelegd van die afweging. Voor de rechtspraktijkis van belang dat in het nieuwe wetboek staat wat de uitkomst is van deaan de hand van deze criteria door de wetgever gemaakte afweging: bijeen aantal opsporingsbevoegdheden is in de wet neergelegd dat hetbevel tot het uitoefenen daarvan afzonderlijk dient te worden vastgelegd.1.6 Toestemming voor onderzoekshandelingen (246) De rapporteurs hebben een vraag over de toestemming vooronderzoekshandelingen. Kan de regering toelichten waarom er niet vooris gekozen om de in de staande jurisprudentie duidelijk bestendige eisenvan vrijwilligheid en ondubbelzinnigheid in de algemene regeling overtoestemming voor onderzoekshandelingen te codificeren?246. In het nieuwe Wetboek van Strafvordering wordt geregeld datonderzoekshandelingen kunnen worden verricht op basis vantoestemming van de verdachte of een derde, tenzij de aard van debevoegdheid zich ertegen verzet dat het onderzoek zou worden verrichtop basis van toestemming (artikel 2.1.16). Als toestemming wordtgegeven, hoeft niet te zijn voldaan aan de toepassingscriteria die zonderdie toestemming zouden gelden voor de uitoefening van de desbetref-fende bevoegdheid. In de memorie van toelichting is uiteengezet dat uitde rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad als algemene vereistenvoor rechtsgeldig gegeven toestemming voortvloeit dat de toestemmingondubbelzinnig en vrijwillig moet worden verleend en dat de betrokkenevoldoende geïnformeerd moet zijn. Dat laatste betekent dat voorbetrokkene duidelijk moet zijn voor welke onderzoekshandeling hijtoestemming verleent.De begrippen vrijwilligheid, ondubbelzinnigheid en geïnformeerdheid zijnin de jurisprudentie bestendige vereisten om gegeven toestemmingrechtsgeldig te doen zijn. In de memorie van toelichting wordt daaromook bij deze begrippen aangesloten. Tegelijkertijd gaat het om abstractenoties die duidelijk met elkaar samenhangen, maar waartussen deprecieze verhouding niet steeds valt af te bakenen. Bovendien zal deinvulling van deze begrippen anders zijn, afhankelijk van het recht datwordt beperkt als toestemming van de betrokkene wordt verkregen. Er isdaarom niet voor gekozen deze begrippen als zodanig te codificeren, maarbij bepaalde meer ingrijpende bevoegdheden te concretiseren aan welkevereisten moet zijn voldaan om op basis van toestemming onderzoek tekunnen verrichten. Zo is in artikel 2.6.3 – dat toestemming voor hetverrichten van onderzoekshandelingen aan het lichaam regelt – metbetrekking tot de meer ingrijpende lichaamsonderzoeken neergelegd datde betrokkene voorafgaand aan het onderzoek wordt gewezen op het doelvan het onderzoek en de gevolgen van het geven van toestemming en datde toestemming afzonderlijk wordt vastgelegd. Bovendien geldt voorenkele van die onderzoeken dat de toestemming alleen kan wordengevraagd door de functionaris die bevoegd is om een bevel te geven totuitoefening van de desbetreffende bevoegdheid. En in artikel 2.7.14 isbepaald dat de opsporingsambtenaar die met toestemming van debewoner een woning wenst te doorzoeken, zich legitimeert en vooraf-gaand aan de doorzoeking toestemming aan de bewoner vraagt, nadat hijde betrokkene heeft gewezen op het doel van de doorzoeking en degevolgen van zijn toestemming. Met dergelijke, concrete wettelijkevereisten, wordt beter gewaarborgd dat gegeven toestemming vrijwilligTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11196 en ondubbelzinnig tot stand komt en dat achteraf kan worden beoordeeldof rechtsgeldig toestemming is verleend, dan met codificatie van diebegrippen als zodanig in een algemene bepaling. De betrokkenopsporingsambtenaar kan aan de hand van deze concrete vereisten beterbeoordelen of hij het gewenste onderzoek in overeenstemming met hetrecht op basis van toestemming kan verrichten. Bovendien kan de rechterachteraf beter toetsen of de toestemming ondubbelzinnig en vrijwillig enop basis van voldoende informatie is verleend. Dat aan de in de wetgeformuleerde concrete vereisten is voldaan, moet namelijk ook blijkenuit het proces-verbaal waarin van het verrichte onderzoek verslag wordtgedaan.(247) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het eerste lid vanartikel 2.1.16 is opgenomen dat een verdachte en een derde kunnentoestemmen in een onderzoekshandeling. Deze leden vragen aan deregering waarom geen nadere eisen worden gesteld aan dietoestemming, zoals het opnemen van de eisen van ondubbelzinnigheid envrijwilligheid zoals die uit de rechtspraak volgen.247. Zie het antwoord op vraag 246.2. De aangifte (248) De leden van de VVD-fractie lezen dat het beleid over het doen vanaangifte «onder nummer», waarbij de identificerende persoonsgegevensvan de aangever buiten het proces-verbaal kunnen blijven, een wettelijkebasis krijgt in het nieuwe Wetboek. Is de regering bereid ook te onder-zoeken of het overige beleid met betrekking tot het werken «ondernummer» een duidelijkere wettelijke basis nodig heeft? Voornoemdeleden denken hierbij aan de praktijk waarbij rechters en officieren vanjustitie in bijvoorbeeld ondermijningszaken mogen werken ondernummer.248. Functionarissen die werkzaam zijn in het strafproces zijn zichtbaar enwerken in beginsel onder hun eigen naam. Dit uitgangspunt past bij devereisten die voortvloeien uit het recht op een eerlijk proces, zoalsopenbaarheid van de behandeling en berechting door een onafhankelijken onpartijdig gerecht. De kenbaarheid van deze functionarissen draagt bijaan het vertrouwen in de instanties waarvoor zij werken. In uitzonderlijkegevallen kunnen er echter redenen zijn om maatregelen te treffen omfunctionarissen werkzaam in het strafproces te beschermen. Het is ineerste instantie ter beoordeling van de werkgever welke maatregelen ineen bepaalde situatie passend en proportioneel zijn. Uitgangspunt dientsteeds te zijn dat zeer terughoudend wordt omgegaan met maatregelendie ertoe dienen de identiteit van de betrokken functionarissen af teschermen omdat het tegen de achtergrond van de vereisten van eeneerlijk strafproces in beginsel niet wenselijk is dat de betrokken functiona-rissen daaraan anoniem deelnemen. Voordat wordt besloten tot hetafschermen van de identiteit van functionarissen, zoals de mogelijkheidom te werken «onder nummer» in plaats van de eigen naam, zal altijdworden bezien of minder ingrijpende oplossingen mogelijk zijn.Rechters en officieren van justitie zijn fysiek aanwezig bij het onderzoekop de terechtzitting. Het vereiste van (externe) openbaarheid houdt in dathet onderzoek op de terechtzitting en de uitspraak in het openbaarplaatsvinden (artikel 6 EVRM, artikel 121 Grondwet, artikel 4 Wet op derechterlijke organisatie en de artikelen 4.2.3 en 4.2.6). Zittingen zijn dus inbeginsel toegankelijk voor publiek en pers. Dit maakt het voor een iedermogelijk om te controleren dat het strafproces eerlijk is en gaat machts-misbruik of willekeur tegen. Beperkingen van de openbaarheid zijnmogelijk, onder andere als het belang van de eerbiediging van depersoonlijke levenssfeer van procesdeelnemers of anderszins bij de zaakTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11197 betrokken dit eist (artikel 4.2.3). Dat laat onverlet dat ook in gevallenwaarin de rechter bepaalt dat tijdens de zitting geen beeld- of geluidsop-namen mogen worden gemaakt (zie Persrichtlijn 2013 van de rechtspraak)of dat in voorkomend geval een zaak met gesloten deuren wordtbehandeld, de identiteit van degenen die herkenbaar op de zittingaanwezig zijn door de andere aanwezigen op relatief eenvoudige wijzekan worden achterhaald. Het volledig afschermen van de identiteit van deop de zitting aanwezige rechters en officieren van justitie is daarmeefeitelijk niet mogelijk.Dat de identiteit van rechters zou worden afgeschermd is ook nietwenselijk vanuit het vereiste dat de zaak wordt behandeld door eenonafhankelijk en onpartijdig gerecht. De namen van rechters zullen ook bijprocespartijen bekend moeten zijn zodat zij kunnen onderzoeken of derechters in een specifieke zaak – zoals mag worden verwacht – onafhan-kelijk en onpartijdig zijn en dat zij, mochten ze menen dat er feiten enomstandigheden zijn waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zoukunnen leiden, kunnen verzoeken tot wraking (artikel 6.2.1). Bovendienmoet het eindvonnis de namen bevatten van de rechters door wie hetvonnis is gewezen (artikel 4.3.20) zodat kan worden gecontroleerd doorwelke rechters de beslissing is genomen.De naam van de officier van justitie hoeft niet in het vonnis te wordenvermeld. In uitzonderlijke gevallen staat de wettelijke regeling dan ookniet in de weg aan het werken «onder nummer» door officieren vanjustitie als dat vanwege zwaarwegende redenen nodig is. Het openbaarministerie heeft een procedure ontwikkeld om in strafzaken waarinveiligheidsrisico’s bestaan voor officieren van justitie te kunnen afwegenof er reden is de herkenbaarheid van officieren van justitie op de zitting tebeperken, bijvoorbeeld door het niet vermelden van de naam van deofficier van justitie. Aan de rechtbank zal in voorkomende gevallenworden gevraagd de nodige maatregelen te nemen. Het gaat hierbij omzeer uitzonderlijke gevallen, waarbij de te nemen maatregelen wordenbepaald aan de hand van de veiligheidsrisico’s in een concreet geval.Een ander uitvloeisel van het recht op een eerlijk proces (artikel 6 EVRM)is het beginsel van «equality of arms» dat de gelijkwaardigheid vanpartijen bij de berechting betreft. Een belangrijk aspect van dat beginsel ishet uitgangspunt van interne openbaarheid. Interne openbaarheid betreftde informatiepositie van de partijen tijdens de berechting. Deze dientgelijk zijn. Door de eis van interne openbaarheid wordt voorkomen datrecht wordt gedaan op informatie die de verdachte niet kende enwaarover hij zich niet heeft kunnen uitlaten. De verdachte moet debetrouwbaarheid van belastende informatie kunnen beoordelen en dezedesgewenst kunnen weerspreken. Hieruit volgt dat informatie in hetstrafproces waarvan de bron niet kan worden achterhaald, problematischis. Als gegevens over de identiteit van functionarissen die voorafgaandaan de terechtzitting bepaalde werkzaamheden hebben verricht zoalsofficieren van justitie niet worden vermeld in de stukken die zijnopgenomen in het dossier, raakt dit aan de interne openbaarheid. Hetweglaten van identiteitsgegevens is alleen mogelijk als de verdachtevoldoende mogelijkheden blijft houden om de betrouwbaarheid vanstukken te onderzoeken. Als het gaat om stukken opgemaakt ondernummer, zullen deze tot een uniek nummer herleidbaar moeten zijn enmoet kunnen worden vastgesteld dat degene die een bepaalde handelingheeft verricht daartoe ook bevoegd was.Uit het voorgaande blijkt dat in de praktijk in de gevallen waarin dit nodigis al maatregelen worden genomen om functionarissen werkzaam in hetstrafproces te beschermen. Met partijen in de strafrechtketen wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11198 gesprekken gevoerd om zicht te krijgen op de gevallen waarin de situatierechtvaardigt dat de identiteit van functionarissen wordt afgeschermd, deoplossingen die in dergelijke situaties worden gekozen en de knelpuntendie zich daarbij voordoen. Als die gesprekken daartoe aanleiding gevenzal worden bekeken in hoeverre het nodig is om in aanvullende maatre-gelen te voorzien.(249) De leden van de VVD-fractie benadrukken dat ook politieagenten inbijzondere gevallen onder nummer zouden mogen werken, zodat niet hunpersoonsgegevens maar enkel een nummer wordt opgenomen in hetproces-verbaal. Onder welke omstandigheden is dit nu mogelijk en deeltde regering de mening dat de bestrijding van de georganiseerdecriminaliteit met zich meebrengt dat ook anderen dan rechters enofficieren die betrokken zijn bij een strafzaak onder nummer zoudenmoeten kunnen werken? Kan de regering hierbij specifiek ingaan op hetbeleid rondom politieagenten en het beleid rondom gerechtsdeskun-digen?249. In het antwoord op vraag 248 is toegelicht dat er redenen kunnen zijnom maatregelen te nemen om personen die vanuit hun functie betrokkenzijn bij een strafzaak vanwege veiligheidsrisico’s te beschermen. Watdaarvoor nodig is zal per geval moeten worden beoordeeld. Met hetvervangen van identiteitsgegevens door een uniek nummer zal om de indat antwoord genoemde redenen steeds zeer terughoudend moetenworden omgegaan.Voor opsporingsambtenaren moet onderscheid worden gemaakt tussende opsporingsambtenaar die een proces-verbaal opmaakt, de opsporings-ambtenaar die als getuige wordt verhoord en de opsporingsambtenaardie aangifte doet van een strafbaar feit. Het proces-verbaal wordt dooropsporingsambtenaren persoonlijk opgemaakt, gedagtekend en onder-tekend (artikel 2.1.11, tweede lid). Uit het proces-verbaal dient te blijkendoor wie het is opgemaakt. In sommige gevallen wordt vanwegeveiligheidsrisico’s of vanwege de mogelijke gevolgen voor de beroepsuit-oefening in plaats van de naam van de opsporingsambtenaar een unieknummer opgenomen. In dergelijke gevallen kan uit het proces-verbaalniet worden afgeleid door welke individuele opsporingsambtenaar het isopgemaakt en dus evenmin of deze daartoe bevoegd was. Als daarover invoorkomend geval vragen rijzen kan hiervoor een voorziening wordengetroffen. Dat gebeurt in de praktijk bijvoorbeeld door een aanvullendproces-verbaal van een leidinggevende van de met een nummeraangeduide opsporingsambtenaar die op naam verklaart dat hetanonieme proces-verbaal ambtsedig is opgemaakt door een daartoebevoegde en hem bekende opsporingsambtenaar. In alle gevallen zal teachterhalen moeten zijn door welke opsporingsambtenaar het isopgemaakt, zodat diegene zo nodig bijvoorbeeld als getuige kan wordengehoord.Op het verhoor van een opsporingsambtenaar zijn de bepalingen metbetrekking tot het verhoor van getuigen van toepassing. De verdachtemoet gelegenheid krijgen getuigen te ondervragen en te doen onder-vragen (artikel 6, derde lid, onderdeel d, EVRM). Over de identiteit van degetuige mag geen onduidelijkheid bestaan. De verdachte moet diensbetrouwbaarheid en het waarheidsgehalte van de verklaring kunnentoetsen en weerspreken, zeker als die verklaring belastende informatiebevat. Daarvoor is de kenbaarheid van de getuige van belang. Eenbelangrijk, strafvorderlijk uitgangspunt is dan ook dat het afleggen vaneen verklaring zoveel mogelijk op naam gebeurt. Maatregelen die ertoedienen de identiteit van de getuige, in dit geval de opsporingsambtenaar,af te schermen zijn dus een uiterste redmiddel. De rechter kan op deterechtzitting het stellen van vragen over de identiteit van een getuigeachterwege laten als er een gegrond vermoeden bestaat dat de getuige inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11199 verband met het afleggen van zijn verklaring overlast zal ondervinden ofin de uitoefening van zijn beroep zal worden belemmerd en maatregelennemen die nodig zijn om de onthulling van identiteitsgegevens tevoorkomen (artikel 4.2.37). Ook de rechter-commissaris kan bij hetverhoren van een opsporingsambtenaar voorkomen dat gegevens,waaronder persoonsgegevens, bekend worden bij de verdachte als er eendergelijk vermoeden bestaat (artikel 2.10.32). Tot slot kan de opsporings-ambtenaar in zeer uitzonderlijke gevallen, als hij of een ander zich met hetoog op de af te leggen verklaring zich zodanig bedreigd kan achten dat,naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor zijn leven, zijngezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van zijn gezinslevenof zijn sociaaleconomisch bestaan moet worden gevreesd, als bedreigdegetuige worden gehoord (artikel 2.10.39 en verder). Hiertoe zal uiteraardenkel worden overgegaan als andere maatregelen niet de nodigebescherming kunnen bieden.Voor het doen van aangifte is om voornoemde redenen eveneens dehoofregel dat dit op naam gebeurt en dat het proces-verbaal de identiteitvan de aangever vermeldt (artikel 2.2.7, tweede lid). Dat geldt ook als deaangever een opsporingsambtenaar is. Als er een gegrond vermoedenbestaat dat de aangever in verband met het afleggen van zijn verklaringernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroepernstig zal worden belemmerd (artikel 2.2.7, tweede lid, in samenhangmet de artikelen 2.3.3, derde lid, en 2.3.4), kan hiervan worden afgewekenen kan aangifte op nummer worden gedaan. Op deze mogelijkheid wordtnader ingegaan in het antwoord op vraag 250.In het antwoord op vraag 155 is ingegaan op de mogelijkheden voordeskundigen om anoniem te rapporteren in strafzaken.(250) De leden van de CDA-fractie zijn verheugd te lezen dat het doen vanaangifte «onder nummer» wettelijk wordt verankerd. Op deze manierworden aangevers beschermd als er risico’s zijn voor de veiligheid van deaangever. Deze leden vragen of het doen van aangifte onder nummer kanworden gedaan door elke aangever die aangeeft te vrezen voor zijn ofhaar veiligheid, of dat dit alleen geldt als daar specifieke aanwijzingenvoor zijn. Verwacht de regering dat van deze mogelijkheid regelmatiggebruik gemaakt gaat worden en welke administratieve lasten zullenhiermee gepaard gaan?250. In beginsel kan elke aangever aangifte doen onder nummer als er eengegrond vermoeden bestaat dat de aangever in verband met het afleggenvan zijn verklaring ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefeningvan zijn beroep ernstig zal worden belemmerd (artikel 2.2.7, tweede lid, insamenhang met de artikelen 2.3.3, derde lid, en 2.3.4). Bij ernstige overlastvalt te denken aan situaties waarin door het afleggen van de verklaring depersoonlijke vrijheid van de getuige of de veiligheid van anderen ingevaar wordt gebracht. Bij ernstige beroepsmatige belemmeringen gaathet steeds om de situatie waarin voorzienbaar is dat het afleggen van eenverklaring ertoe leidt dat iemand zijn functie niet of in sterk verminderdemate kan uitoefenen.Met de mogelijkheid van het doen van aangifte «onder nummer», waarbijin de het proces-verbaal van de aangifte een unieke, numerieke codewordt opgenomen in plaats van de identiteitsgegevens van de aangever,moet – zoals ook in het antwoord op de vragen 248 en 249 over hetwerken onder nummer door functionarissen in het strafproces aan deorde kwam – terughoudend worden omgegaan. Strafvorderlijkuitgangspunt is namelijk dat het afleggen van een verklaring zoveelmogelijk op naam gebeurt. Vooral als die verklaring belastende informatiebevat, is het van belang dat de verschillende procesdeelnemers op dehoogte zijn van de identiteit van de aangever. Het weghouden van deidentiteitsgegevens uit het proces-verbaal van de aangifte kan ertoe leidenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11200 dat het moeilijker wordt om de betrouwbaarheid van de aangever ofgetuige, en diens afgelegde verklaring, te toetsen, wat in het kader van dewaarheidsvinding niet wenselijk is.Dat sprake moet zijn van een gegrond vermoeden dat de aangever inverband met het afleggen van zijn verklaring ernstige overlast zalondervinden of in de uitoefening van zijn beroep ernstig zal wordenbelemmerd drukt uit dat alleen dan tot toepassing van deze regel kanworden overgegaan indien de vrees voor de ernstige overlast of ernstigeberoepsmatige belemmering op redelijke gronden is gebaseerd, ofwel:indien het doen van aangifte of het afleggen van een verklaring een reëelrisico op ernstige overlast of ernstige beroepsbelemmeringen met zichbrengt. Het zal van de omstandigheden van het geval afhangen hoeconcreet de informatie is die tot het gegronde vermoeden leidt. Alsbijvoorbeeld aan het doen van aangifte bedreigingen zijn voorafgegaanen de aangever grote problemen te wachten staan indien hij zijn kennisover bepaalde strafbare feiten met de opsporingsinstanties deelt, zal hetin het algemeen niet moeilijk om voor te stellen dat het afleggen van eenverklaring tot ernstige overlast zal kunnen leiden. Of in een concreet gevalsprake is van een dergelijk gegrond vermoeden moet eerst wordenbeoordeeld door de opsporingsambtenaar die de aangifte opneemt.Vervolgens dient de officier van justitie of de hulpofficier van justitietoestemming te verlenen voor het doen van aangifte onder nummer.Aangezien met de regeling voor het aangeven of verklaren onder nummerzoveel mogelijk aansluiting is gezocht bij de huidige praktijk en het nugeldende beleid, wordt niet uitgegaan van een significante toename vanhet gebruik van deze mogelijkheid en daarmee ook niet van eenverhoging van de administratieve lasten die hiermee gepaard gaan.(251) Deze leden vragen of in de praktijk de bijstand bij rechtszaken vanuitSlachtofferhulp ook kan geschieden zonder de gegevens van slachtoffersen nabestaanden aan het voetlicht te brengen, aangezien de verdachtehiervan kennis zou kunnen nemen en dit schadelijk zou kunnen zijn voorde slachtoffers en/of nabestaanden.251. Om de privacy van slachtoffers binnen het strafproces te beschermenmoet zoveel mogelijk worden voorkomen dat hun persoonlijke gegevenszonder noodzaak ter kennis komen van de verdachte en anderen. In hetderde lid van het huidige artikel 149a (overgenomen in het nieuweartikel 1.8.11) is daarom bepaald dat bepaalde gegevens in het belang vande bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het slachtofferonvermeld blijven in de processtukken, tenzij deze gegevens voor door derechter te nemen beslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn (ziehet antwoord op vraag 165). Bij algemene maatregel van bestuur zalvervolgens worden bepaald in welke gevallen vermelding van de daarinaan te wijzen gegevens precies achterwege moet blijven. De betreffendealgemene maatregel van bestuur is momenteel in voorbereiding (zie ookhet antwoord op vraag 167). Het zesde lid van het huidige artikel 149abepaalt dat de bedoelde algemene maatregel van bestuur middels eenvoorhangprocedure wordt voorgelegd aan de Staten-Generaal.Het belangrijkste uitgangspunt bij het opstellen van de algemenemaatregel van bestuur is dat het onvermeld laten van slachtoffergegevensbij de bron plaatsvindt, door de opsteller van het stuk, zodat dezegegevens niet achteraf hoeven te worden verwijderd. Als het gaat omdocumenten of instanties waarvoor geen dwingende verplichting gaatgelden om de betreffende gegevens weg te laten, zal worden ingezet opaanvullende beleidsmaatregelen gericht op bewustwording. Met debetrokken instanties, waaronder Slachtofferhulp Nederland, zullenwerkafspraken worden gemaakt om zoveel mogelijk te vermijden dat dezegegevens zonder strafvorderlijke relevantie in het dossier terechtkomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11201 2.3 De wijze van aangifte doen (252) De leden van de CDA-fractie constateren dat de toelichting bij hetderde lid van artikel 2.2.9 ontbreekt. Kan dit worden aangevuld?252. In de memorie van toelichting is het derde lid van artikel 2.2.9 dooreen vergissing niet toegelicht. Door middel van deze nota naar aanleidingvan de verslagen wordt deze bepaling alsnog toegelicht. Titel 2.3 vanBoek 2, waarvan artikel 2.2.9 deel uitmaakt, betreft de wijze van aangiftedoen. In artikel 2.2.9 is als uitgangspunt bepaald dat de aangifte aan deaangever wordt uitgereikt of toegezonden. Het derde lid bevat deinstructienorm om de aangever, indien hij de Nederlandse taal niet of nietvoldoende beheerst, op zijn verzoek een vertaling van een bevestiging vande aangifte in een voor hem begrijpelijke taal uit te reiken of toe tezenden. Dit lid is overgenomen uit het huidige artikel 163, zevende lid. Deredactie ervan is in lijn gebracht met de terminologie van het nieuwewetboek. Inhoudelijk zijn geen veranderingen beoogd ten opzichte van hetgeldende recht.3. Het verhoor door opsporingsambtenaren (253) De leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties lezen op pagina’s 395en 396 van de memorie van toelichting dat de regering voornemens is degefinancierde rechtsbijstand voor kwetsbare verdachten die zijn aange-houden, uit te breiden naar kwetsbare verdachten die niet zijn aange-houden en worden uitgenodigd voor verhoor. De aan het woord zijndeleden kunnen zich daar zeer in vinden. Ook begrijpen zij dat daartoe eenafzonderlijk wetstraject wordt gevolgd. Acht de regering het wenselijk datnog voordat het nieuwe Wetboek van Strafvordering in werking treedt,deze uitbreiding van rechtsbijstand al bewerkstelligd is? Zo ja, aan welketermijn wordt dan gedacht? Wanneer kan het desbetreffende wetsvoorstelverwacht worden? Zo nee, waarom niet?253. Het wordt inderdaad wenselijk geacht dat deze uitbreiding vanrechtsbijstand voor kwetsbare meerderjarige verdachten die zich invrijheid bevinden vooruitlopend op het nieuwe wetboek wordt ingevoerd.Daartoe is het wetsvoorstel versterking rechtsbijstand in het strafproces inde periode januari-maart 2024 in formele consultatie gegeven. Naverwerking van de consultatiereacties wordt het wetsvoorstel voor adviesaanhangig gemaakt bij de Afdeling advisering van de Raad van State. Hetis de verwachting dat het wetsvoorstel versterking rechtsbijstand in hetstrafproces in het vierde kwartaal van 2024 bij de Tweede Kamer kanworden ingediend.3.3 Het verhoor van de getuige (254) De leden van de CDA-fractie lezen in artikel 2.3.11 dat bij complexeverhoren gespecialiseerde rechercheurs als verhorende opsporingsambte-naren kunnen worden ingezet. Deze leden zien de grote meerwaarde vandeze rechercheurs in en vragen of, gezien de huidige capaciteitstekortenbij de politie, voldoende gespecialiseerde rechercheurs beschikbaar zijn.Wat zijn de precieze voorwaarden om een dergelijke rechercheur hetverhoor te laten afnemen?254. In de toelichting bij artikel 2.3.11 is aangegeven dat bij complexeverhoren gespecialiseerde rechercheurs als verhorend opsporingsambte-naren kunnen worden ingezet. In de praktijk gaat het daarbij omverhoorders met een speciale verhooropleiding, zoals bijvoorbeeld deopleidingen «Verhoor kwetsbare getuigen in zedenzaken» en «Verhoorkwetsbare verdachten». Afhankelijk van de complexiteit van het verhoor(door de aard van de zaak of de te verhoren persoon, of een combinatiedaarvan) wordt een afweging gemaakt of een gespecialiseerd verhoordermoet worden ingezet en zo ja met welke specialisatie. De afweging omTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11202 een gespecialiseerde rechercheur het verhoor te laten afnemen verschiltdus per zaak en/of te verhoren persoon. De politie streeft ernaar om teallen tijde voldoende opgeleide (gespecialiseerde) rechercheursbeschikbaar te hebben. Op dit moment zijn er grosso modo voldoendegespecialiseerde verhoorders beschikbaar, maar de uitstroom – onderandere als gevolg van vergrijzing – maakt dat in sommige eenheden somskrapte in een specialisme ontstaat. Hier is, ook los van de invoering vanhet nieuwe wetboek, continu aandacht voor.4. Deskundigenonderzoek in opdracht van de officier van justitie (255) De rapporteurs hebben een vraag over het deskundigenonderzoek inopdracht van de officier van justitie. Is het recht op een eerlijk procesvoldoende gewaarborgd als het gaat om het recht op tegenonderzoek tenaanzien van zogenoemd «technisch opsporingsonderzoek»?255. Een technisch onderzoek kan – net zoals deskundigenonderzoek –aanleiding geven tot een aanvullend onderzoek of een tegenonderzoek.Daarvoor zal door de officier van justitie of de rechter-commissaris eendeskundige moeten worden benoemd (artikelen 2.4.3, eerste lid, en2.10.54, eerste lid). De verdachte kan daarom verzoeken. Op deze manieris het recht op een eerlijk proces als het gaat om het recht op tegenon-derzoek bij technisch onderzoek voldoende gewaarborgd.(256) Ten aanzien van het opsporingsonderzoek en de verslagleggingherhalen de leden van de SP-fractie graag een vraag uit het rapport vande onderzoekers van de universiteiten. Verdient het aanbeveling om tenaanzien van bepaalde aspecten van «technisch opsporingsonderzoek»nadere eisen te formuleren met betrekking tot de verslaglegging, zoalsbijvoorbeeld het vereiste van logging? Kan de regering hier nader opreageren?256. Ook voor onderzoeken waarvoor specifieke of bijzondere kennisvereist is, die niet als deskundigenonderzoek worden aangemerkt is hetbelangrijk dat het op een transparante wijze wordt uitgevoerd en kanworden getoetst, en dat de rechten van verdachten zijn gewaarborgd.Daarom worden ook bij dit onderzoek eisen gesteld aan de verslag-legging. Dat is nu al het geval. Zo geldt voor opsporingsambtenaren eenverbaliseringsplicht en bevatten verschillende algemene maatregelen vanbestuur regels over de verslaglegging van de daarin geregelde onder-zoeken. In artikel 17, tweede tot en met vierde lid, van het Besluitmiddelenonderzoek bij geweldplegers worden bijvoorbeeld eisen gesteldaan het verslag van een bloedonderzoek naar het gebruik van geweldbe-vorderende middelen. Via de eerste aanvullingswet zal worden voorzienin de mogelijkheid om bij algemene maatregel van bestuur regels testellen aan de verslaglegging van onderzoeken waarvoor specifieke ofbijzondere kennis vereist is maar die niet als deskundigenonderzoekworden aangemerkt, zoals dat het verslag van het onderzoek gemotiveerdmoet zijn en dat daarin zo mogelijk wordt aangegeven welke methode deonderzoeker heeft toegepast. Voor eventuele aanvullende eisen aan deverslaglegging zal waar mogelijk worden aangesloten bij de forensischeISO richtlijnen die op dit moment in ontwikkeling zijn en die onder meerbetrekking hebben op rapportage.Voor sommige vormen van digitaal forensisch onderzoek is het vereistevan logging relevant. Daarom is in de bepalingen over bevoegdhedenwaarbij dat relevant is bepaald dat bij algemene maatregel van bestuurregels worden gesteld over de uitoefening van deze bevoegdheden. Datbetreft onder meer het op geautomatiseerde wijze overnemen vangegevens op grond van artikel 2.8.8 en de geautomatiseerde wijze vanvastlegging van de uitvoering van een bevel tot het op afstand binnen-dringen in een digitale-gegevensdrager of een geautomatiseerd werk opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11203 grond van artikel 2.8.16. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan hetvereiste van logging. Voor het onderzoek aan bulkgegevens wordtverwezen naar de antwoorden op de vragen 210.5. Bevoegdheden tot vrijheidsbeperking en vrijheidsbeneming (257) De leden van de VVD-fractie vragen of de regering in algemene zinnader kan toelichten of de stappen die de rechtspraak heeft genomen omde beslissingen tot voorlopige hechtenis beter inhoudelijk te motivereninmiddels al hun vruchten hebben afgeworpen.257. Door de Rechtspraak is actie ondernomen om ervoor te zorgen dat demotivering van beslissingen over voorlopige hechtenis verbetert, onderandere door de invoering van door de Rechtspraak zelf vastgesteldeprofessionele standaarden, waarin het belang van een deugdelijkemotivering van beslissingen wordt onderschreven. Deze standaarden zijngepubliceerd, zodat iedereen er kennis van kan nemen en de gerechtenhebben zich aan de standaarden verbonden. Deze standaarden zijnbedoeld ter bevordering van de kwaliteit van het werk van de straf-rechters, in aanvulling op de wet, en zullen naar verwachting ook heteffect hebben dat de officier van justitie wordt gestimuleerd de vorde-ringen tot voorlopige hechtenis van een meer concrete motivering tevoorzien.(258) Ook vragen deze leden hoe is gewaarborgd dat slachtoffers ennabestaanden snel actief op de hoogte worden gesteld van de motiveringvan beslissingen van de raadkamer omtrent de continuering, schorsing ofopheffing van voorlopige hechtenis.258. Op grond van artikel 1.5.4, vierde lid, stelt de officier van justitie hetslachtoffer op zijn verzoek direct in kennis van de invrijheidsstelling vande verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt. Ook wordt hetslachtoffer op zijn verzoek door de officier van justitie schriftelijk geïnfor-meerd over de maatregelen die voor zijn bescherming zijn genomenindien de verdachte die zich in voorlopige hechtenis bevindt in vrijheidwordt gesteld (artikel 1.5.4, vijfde lid). Verder is van belang dat hetslachtoffer het recht heeft om informatie te ontvangen over de einduit-spraak in de zaak tegen de verdachte (artikel 1.5.4, eerste lid, onderdeel g).De einduitspraak kan ook beslissingen over voorlopige hechtenis bevatten(vgl. de artikelen 2.5.49 en 2.5.50). In algemene zin kunnen bij ministeriëleregeling regels worden gesteld inzake het informeren van het slachtofferin verband met de zaak (artikel 1.5.4, zevende lid).Op dit moment zijn deze regels opgenomen in de Regeling verstrekkingzaaksinformatie aan slachtoffers (Stcrt. 2017, nr. 18999). Deze regelingbepaalt dat het slachtoffer op elk moment in het strafproces bij de officiervan justitie het verzoek kan doen om informatie te ontvangen over deinvrijheidsstelling van de verdachte. Wanneer het slachtoffer dat verzoekheeft gedaan, stelt de officier van justitie het slachtoffer mondeling inkennis van de invrijheidsstelling van de verdachte binnen een week na deuitspraak, of nadien zodra bekend is dat de verdachte in vrijheid wordtgesteld. Tevens stelt de officier van justitie het slachtoffer hiervanschriftelijk in kennis. Deze informatie wordt kosteloos en in eenvoudige entoegankelijke bewoordingen aan het slachtoffer verstrekt. Daarbij wordtrekening gehouden met de persoonlijke kenmerken, waaronder de leeftijden het ontwikkelingsniveau van het slachtoffer. Volgens de Aanwijzingslachtoffers in het strafproces (Stcrt. 2024, nr. 4318) informeert hetopenbaar ministerie ter voorkoming van onverwachte confrontatie tussenslachtoffer en verdachte slachtoffers op verzoek over het moment dat deverdachte in vrijheid wordt gesteld. De informatie die wordt verstrektbehelst onder meer de schorsing of opheffing van voorlopige hechtenis.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11204 Het beleidsvoornemen is dat de verantwoordelijkheid van het openbaarministerie voor het raadplegen en informeren van slachtoffers in detenuitvoerleggingsfase overgaat naar de Minister voor Rechtsbe-scherming (Kamerstukken II 2023/2024, 33 552, nr. 116). Deze taken zullenworden uitgevoerd door het Centraal Justitieel Incassobureau. In hetvoorstel voor de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 20XX wordt eenwettelijke basis gecreëerd voor deze taakoverdracht. Dit wetsvoorstel issinds 15 mei 2024 aanhangig bij de Afdeling advisering van de Raad vanState. Na eventuele publicatie van deze Verzamelwet in het Staatsblad,wordt deze wetswijziging door middel van aanvullingswetgeving verwerktin het nieuwe Wetboek van Strafvordering.Beslissingen van de rechter over voorlopige hechtenis zijn gemotiveerd(artikel 2.5.2, tweede lid, en artikel 2.5.21, tweede lid). Het huidige en hetnieuwe wetboek bevatten geen verplichting om slachtoffers ennabestaanden op de hoogte te stellen van de motivering van de beslis-singen over voorlopige hechtenis. Het informeren van het slachtoffer overde motivering van alle afzonderlijke beslissingen over voorlopigehechtenis zou substantiële uitvoeringsconsequenties hebben, die nietopwegen tegen de beperkte toegevoegde waarde daarvan voor hetslachtoffer ten opzichte van de bestaande informatieverplichtingen tenaanzien van de invrijheidsstelling en de einduitspraak.(259) In hoeverre worden naast de belangen van het onderzoek ook debelangen van slachtoffers actief betrokken bij beslissingen tot schorsingen opheffing van de voorlopige hechtenis?259. Bij de beantwoording van deze vraag moet worden vooropgestelddat op grond van het nieuwe artikel 1.1.4 strafvordering moet plaats-hebben op een wijze die recht doet aan de belangen van het slachtoffer.Het opnemen van dit uitgangspunt in de wet strekt ertoe te benadrukkendat de strafrechtelijke autoriteiten zich te allen tijde rekenschap geven vande belangen van het slachtoffer bij het maken van afwegingen en hetnemen van beslissingen, voor zover de wet daarvoor ruimte biedt. Datgeldt ook voor de beslissingen over de voorlopige hechtenis van deverdachte, zij het dat daarbij onderscheid moet worden gemaakt tussende schorsing enerzijds en de opheffing anderzijds.De rechter kan bevelen dat de tenuitvoerlegging van de voorlopigehechtenis wordt geschorst, zodra de verdachte zich bereid heeft verklaardtot naleving van de aan de schorsing te verbinden voorwaarden(artikel 2.5.32). Die voorwaarden kunnen onder meer een contactverbod ofeen locatieverbod inhouden (artikel 2.5.33). Door een dergelijkevoorwaarde te verbinden aan de schorsing kan de rechter bijvoorbeeldrekening houden met de belangen van het slachtoffer. Als de verdachtezich niet bereid verklaart tot naleving van de betreffende voorwaarden, zalgeen schorsing worden bevolen.Opheffing van de voorlopige hechtenis moet plaatsvinden als geen grondmeer bestaat voor verdere vrijheidsbeneming, bijvoorbeeld als geensprake meer is van ernstige bezwaren tegen de verdachte (artikel 2.5.29).In die situatie kunnen de belangen van het slachtoffer een langerevrijheidsbeneming vanzelfsprekend niet rechtvaardigen. Wel eist de wetdat het slachtoffer op diens verzoek direct wordt geïnformeerd over deinvrijheidsstelling van de verdachte.(260) De leden van de CDA-fractie lezen dat voorgesteld wordt denegentigdagentermijn en daarmee de pro forma-zittingen af te schaffen.In plaats hiervan moet zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk drie maandennadat de gevangenhouding van de verdachte is bevolen, de officier vanjustitie de verdachte en de rechter-commissaris informeren over de standTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11205 van zaken van het opsporingsonderzoek. Leidt deze nieuwe regeling totmeer administratief werk voor de officier van justitie? Deze moet danimmers ook informeren over de zaak wanneer er nog relatief weinig overbekend is, omdat deze bijvoorbeeld erg complex is onder andere op hetgebied van de tenlastelegging als het moment waarop de zaak naarverwachting bij de rechter zal aanvangen.260. De verwachting is dat de afschaffing van de pro-formazittingen en hetstand van zakenbericht na drie maanden gevangenhouding niet tot meeradministratief werk leidt voor de officier van justitie. In de huidige situatievangt na negentig dagen gevangenhouding van een verdachte hetonderzoek op de terechtzitting aan. Het opsporingsonderzoek is danechter nog vaak in volle gang. Als in zo’n geval het onderzoek op deterechtzitting aanvangt, wordt gesproken van een pro-formazitting. Op diezitting toetst de rechter de noodzaak tot voortduring van de gevangen-houding en beoordeelt hij eventuele onderzoekswensen van de kant vande verdediging. Daarna wordt het onderzoek op de terechtzittinggeschorst. Inhoudelijk wordt er op een pro-formazitting dus nog niet overde strafzaak gesproken. Met het oog op de pro-formazitting dient deofficier van justitie echter al wel een (voorlopige) dagvaarding in tedienen, de beschikbare processtukken over te leggen en informatie teverstrekken over de stand van zaken van het opsporingsonderzoek. Insommige strafzaken zijn meerdere pro-formazittingen nodig voordat hetopsporingsonderzoek is afgerond en de inhoudelijke behandeling kanbeginnen. Voor die zittingen moeten de verdachte en andere procesdeel-nemers steeds worden opgeroepen.In het nieuwe wetboek is het niet langer de zittingsrechter die tijdens eenpro-formazitting oordeelt over de noodzaak tot voortduring van degevangenhouding, maar de (meervoudige) raadkamer. De termijn voorgevangenhouding kan door de raadkamer steeds worden verlengd metperiodes van ten hoogste drie maanden (artikel 2.5.45). Daarbij is nieuwdat de officier van justitie zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk driemaanden nadat de gevangenhouding van de verdachte is bevolen, indienhij nog geen procesinleiding kan indienen, de verdachte en de rechter-commissaris informeert over de stand van zaken in het opsporingson-derzoek. Hij geeft daarbij een (voorlopige) tenlastelegging en eenaanduiding van het moment waarop de zaak naar verwachting bij derechter zal worden aangebracht. Daarnaast zorgt de officier van justitieervoor dat de verdachte kan kennisnemen van de op dat momentbeschikbare processtukken (artikel 2.10.64). De verwachting is dat dezewerkzaamheden niet tot een (administratieve) werklastverzwaring leidenvoor de officier van justitie, omdat dezelfde handelingen in de huidigesituatie ook al na drie maanden moeten worden verricht.Vanzelfsprekend zal de officier van justitie bij de raadkamerzittingentelkens moeten motiveren waarom, in het licht van het nog lopendeopsporingsonderzoek, de voorlopige hechtenis moet voortduren, welkeopsporingshandelingen nog verricht (moeten) worden en op welketermijn hij naar verwachting de zaak ter berechting zal aanbrengen. Ookop dit punt is geen werklastverzwaring voor de officier van justitie teverwachten, nu deze acties in de huidige situatie (maar dan in het kadervan de pro-formazittingen) ook al van de officier van justitie wordenverwacht.5.1 Algemene bepalingen (261) De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting datbij artikel 2.5.1. niet is voorzien dat de uitzondering dat bij dringendenoodzaak afzonderlijke vastlegging van een bevel voor maximaal driedagen mag worden uitgesteld, niet van toepassing is op de rechter-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11206 commissaris. Het was bij het opstellen van het wetsvoorstel niet bekenddat hier behoefte aan zou zijn bij de rechter-commissaris. De aan hetwoord zijnde leden begrijpen dat het wetsvoorstel een werklastverzwaringvan de rechter-commissaris en de kabinetten van de rechter-commissarismet zich meebrengt. Kan in dat licht worden toegelicht waarom eenuitzondering voor bevelen van de rechter-commissaris hier echt niet nodigzou zijn?261. Boek 2, Hoofdstuk 5, bevat de bevoegdheden tot vrijheidsbeperkingen vrijheidsbeneming. In artikel 2.5.1 is neergelegd welke bevelen van de(hulp)officier van justitie afzonderlijk worden vastgelegd, dat wil zeggendat deze door degene die het bevel geeft op schrift worden gesteld. Metbetrekking tot deze bevelen is in artikel 2.1.13, tweede lid, derde zin,bepaald dat vastlegging van het bevel kan worden uitgesteld tot uiterlijkdrie dagen nadat het bevel is gegeven, indien daartoe een dringendenoodzaak bestaat. Op die manier kan, vooruitlopend op de vastleggingvan het bevel, alvast op basis van een mondeling bevel wordengehandeld. Dat kan aan de orde zijn als een verdachte buiten heterdaadmoet worden aangehouden (artikel 2.5.5) en hij uit het vizier van deopsporingsambtenaar zal zijn geraakt als moet worden gewacht tot hetbevel tot aanhouding op schrift is gesteld. In dergelijke gevallen is hetdringend noodzakelijk om de vastlegging van het bevel uit te stellen.De mogelijkheid om vastlegging van bepaalde bevelen bij dringendenoodzaak te kunnen uitstellen ontbreekt op grond van artikel 2.5.1, tweedelid, als het gaat om bevelen van de rechter-commissaris op grond vanBoek 2, Hoofdstuk 5. Concreet gaat het om bevelen met betrekking tot devoorlopige hechtenis. Ook in het huidige wetboek is voorgeschreven datbevelen van de rechter-commissaris met betrekking tot de voorlopigehechtenis vooraf moeten worden vastgelegd, zonder mogelijkheid omvastlegging daarvan bij dringende noodzaak drie dagen te kunnenuitstellen. Uit dit voorschrift vloeit dan ook geen werklastverzwaringvoort. De bestaande situatie verandert eenvoudigweg niet.Niet is gebleken dat voor de bevelen van de rechter-commissaris op grondvan Boek 2, Hoofdstuk 5, de behoefte bestaat aan de mogelijkheid om deafzonderlijke vastlegging daarvan voor maximaal drie dagen uit te stellen.In de consultatieadviezen is dit ook niet aan de orde gekomen. Dat is goedverklaarbaar, omdat ten aanzien van bevelen met betrekking tot devoorlopige hechtenis geldt dat deze altijd worden gegeven op eenmoment waarop er voldoende tijd en ruimte bestaat om het bevel opschrift te stellen, voordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd. Het bevelvan de rechter-commissaris om de verdachte in bewaring te nemen,wordt bijvoorbeeld gegeven voordat de termijn van inverzekeringstellingis verstreken, zodat er voldoende tijd bestaat om het bevel op schrift testellen. Voor een bevel tot schorsing van de voorlopige hechtenis(artikel 2.5.32) geldt dat de schorsing pas zal ingaan als het bevel opschrift is gesteld. Er bestaat geen dringende noodzaak om de verdachtemeteen nadat het bevel is gegeven, op vrije voeten te stellen. Allereerstzal het bevel tot schorsing gelijktijdig worden gegeven met het bevel totbewaring. Beide bevelen zullen dan gelijktijdig op schrift worden gesteld.Dat ook het bevel tot schorsing op schrift wordt gesteld, is bovendiennoodzakelijk, omdat aan het bevel tot schorsing per definitie voorwaardenzijn verbonden waaraan de verdachte zich – direct na zijn invrijheid-stelling – moet houden, en de politie en de reclassering moeten weten omwelke voorwaarden het gaat. Meer principieel geldt ten slotte dat het hiergaat om ingrijpende bevoegdheden tot vrijheidsbeneming. Het is daaromdes te belangrijker dat de beslissing daartoe, en de gronden (en in hetgeval van schorsing: voorwaarden) daarvoor, altijd op schrift staanvoordat het bevel ten uitvoer wordt gelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11207 5.2 Staandehouding en aanhouding (262) De leden van de VVD-fractie lezen dat de Afdeling advisering van deRaad van State (hierna: de Afdeling) heeft geadviseerd een wettelijkeverplichting voor de opsporing in het wetsvoorstel op te nemen om deverdachte (schriftelijk) in kennis te stellen van de verzoeken die hij bij derechter-commissaris kan indienen. Dit moment is volgens het OMprematuur. Deze leden begrijpen dat het wetsvoorstel naar aanleiding vanhet advies van de Afdeling is aangepast. Welke uitvoeringsconsequentieszijn hieraan verbonden voor politie en OM?262. In het antwoord op vraag 33 is in algemene zin aangegeven dat deuitvoeringsconsequenties die voor de opsporingsinstanties zijnverbonden aan de uitbreiding van de wettelijke verplichting omverdachten van hun rechten in kennis te stellen (waaronder het recht omvanaf het eerste verhoor onderzoekswensen in te dienen bij de rechter-commissaris), naar verwachting uitsluitend bestaan uit het eenmaligaanpassen van de informatiebrochure die de verdachte voorafgaand aanhet verhoor wordt verstrekt. In aanvulling op dat antwoord kan hierworden opgemerkt dat, zoals door het OM ook is benadrukt, voor hetdaadwerkelijk indienen van onderzoekswensen bij de rechter-commissarisvaak pas in een later stadium dan het eerste verhoor aanleiding bestaat.De kennisgeving van dit recht bevordert niettemin dat de verdachte vanafhet moment van het eerste verhoor op de hoogte is van dit recht, zijnprocespositie kan bepalen en na het verhoor desgewenst de rechter-commissaris kan benaderen met verzoeken.In aanvulling op het antwoord op vraag 33 kan verder worden aange-geven dat met het oog op de praktische uitvoerbaarheid voor deopsporingsinstanties de uitbreiding om de verdachte ook van het rechtom verzoeken bij de rechter-commissaris in te dienen in kennis te stellen,is beperkt tot aangehouden verdachten en niet-aangehouden verdachtendie voor verhoor worden uitgenodigd. Deze verplichting geldt dus nietmet betrekking tot de verdachte die staande is gehouden. Het is praktischmoeilijk uitvoerbaar om rechten zoals het recht om onderzoekswensen inte dienen bij de rechter-commissaris, mondeling over te brengen. Hierinkan beter worden voorzien door de uitreiking op het politiebureau van eeninformatieblad inhoudende de kennisgeving van rechten van deverdachte, in gevallen waarin de eerder staande gehouden daar wordtverhoord.5.3 Ophouden voor onderzoek en inverzekeringstelling (263) De leden van de VVD-fractie vragen met het oog op de «bewegingnaar voren» wat de voor- en nadelen zijn van verruiming van de termijnwaarbinnen de in verzekering gestelde verdachte uiterlijk wordtvoorgeleid voor de rechter-commissaris om te worden gehoord(artikel 2.5.17). Deze leden hebben begrip voor de huidige termijn van driedagen en achttien uur, maar kunnen zich voorstellen dat vier of vijf dagenmeer kans biedt voor een gedegen voorbereiding van het horen. Bedraagtdeze termijn in andere EU-lidstaten zoals Duitsland, Frankrijk, België enItalië eveneens drie dagen en achttien uur? Welke ruimte biedt derechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM)om deze termijn eventueel te verlengen?263. Het klopt dat een verdachte die in verzekering is gesteld binnen driedagen en achttien uur voor de rechter-commissaris dient te wordengeleid. Dat zijn de periode van het ophouden voor onderzoek (achttienuur) en van de inverzekeringstelling (drie dagen) bij elkaar opgeteld. Bijdie voorgeleiding wordt de verdachte verhoord en oordeelt de rechter-commissaris over de rechtmatigheid van de voortzetting van de inverzeke-ringstelling (artikel 2.5.17). Voor de gewenste «beweging naar voren»heeft de periode waarbinnen de verdachte voor de rechter-commissarisTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11208 moet worden geleid overigens geen gevolgen, omdat de voorstellen diezijn samen te vatten onder de noemer «beweging naar voren» er metname toe strekken te bevorderen dat het onderzoek op de terechtzittingbeter wordt voorbereid, en niet om de voorbereiding te bevorderen vanhet verhoor door de rechter-commissaris in verband met het voorarrestvan de verdachte.De regeling van de voorlopige hechtenis is in ieder land anders van opzet;niet ieder land kent als zodanig de figuur van de inverzekeringstelling (diewordt bevolen door de officier van justitie en na enkele dagen wordtgetoetst door de rechter). De termijn waarbinnen een gehechte verdachteuiterlijk voor het eerst voor een rechter moet worden geleid looptenigszins uiteen. In Nederland bedraagt deze termijn als gezegd driedagen en achttien uur.In België is de arrestatietermijn – enigszins vergelijkbaar met hetophouden voor onderzoek in de Nederlandse regeling – 48 uur (artikel 1van de Wet van 1990 betreffende de voorlopige hechtenis). Debevoegdheid tot arrestatie komt toe aan de procureur des Konings en depolitie. De eigenlijke voorlopige hechtenis neemt een aanvang met hetbevel tot aanhouding, dat alleen kan worden gegeven door de onder-zoeksrechter. Dit bevel geldt voor ten hoogste vijf dagen (artikel 21 van deWet van 1990 betreffende de voorlopige hechtenis). Voordat de termijn isverstreken dient door de raadkamer te worden getoetst op wettigheid enopportuniteit.In Frankrijk begint de hechtenis van de verdachte direct met de garde àvue – die wordt bevolen door de officier van justitie –, wat vergelijkbaar ismet de inverzekeringstelling in de Nederlandse regeling. De figuur van hetaanhouden en ophouden voor verhoor kent het Franse systeem niet. Degarde à vue duurt 24 uur en kan eenmaal door de officier van justitie met24 uur worden verlengd. In geval van verdenking van georganiseerdecriminaliteit of enkele terroristische misdrijven mag de garde à vue – mettussenkomst van de juge des libertés – worden verlengd tot ten hoogstevier respectievelijk zes dagen (artikel 706–88 van de Code de ProcedurePénal).In Duitsland mag bij dringende noodzaak door een politieambtenaar ofeen officier van justitie «voorlopige arrestatie» worden bevolen, als(vermoedelijk) aan de eisen van het voorarrest is voldaan (artikel 127,tweede lid, van de Strafprozessordnung). De gearresteerde moet uiterlijkop de dag na de arrestatie aan een rechter worden voorgeleid, die derechtmatigheid van de arrestatie beoordeelt (artikel 128 van de Strafpro-zessordnung). Deze rechter kan bij die gelegenheid gelijk de voorlopigehechtenis van de gearresteerde bevelen.Een vergelijking met het recht van de genoemde landen laat zien dat determijn waarbinnen de gehechte verdachte uiterlijk voor een rechter dientte worden geleid in ieder van deze landen verschillend is en uiteenlooptvan onmiddellijk (in België kan een verdachte na het ophouden vooronderzoek (arrestatie) alleen langer worden vastgehouden op bevel vande (onderzoeks)rechter zelf) tot drie dagen en achttien uur (Nederland).Artikel 5, derde lid, EVRM bepaalt dat de gehechte verdachte onverwijldvoor een rechter dient te worden geleid. Welke termijn als onverwijldheeft te gelden, zegt het verdrag niet. Daarvoor moet worden gekekennaar de jurisprudentie van het EHRM. Uit die jurisprudentie volgt dat elketermijn langer dan vier dagen in ieder geval niet als onverwijld heeft tegelden (EHRM 3 oktober 2006, par. 33, «EHRC» 2006/131 (m.nt. Van derVelde) (McKay t. Verenigd Koninkrijk). Zie in gelijke zin EHRM 4 oktober2007, nr. 74785/01, par. 32, (Nastase-Silivestru t. Roemenië) en EHRM23 juni 2009, nr. 39686/02, par. 43 (Oral en Atabay t. Turkije). Dat betekentTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11209 dat er weinig ruimte is om de termijn van drie dagen en achttien uurwaarbinnen de gehechte verdachte op grond van het Wetboek vanStrafvordering voor de rechter-commissaris moet worden geleid, teverlengen. Voor de doeleinden van de beweging naar voren is dat alsgezegd in elk geval niet nodig.5.4 Voorlopige hechtenis (264) De leden van de VVD-fractie vragen hoe wettelijk is gewaarborgd datslachtoffers ook in kennis worden gesteld van de kennisgeving die deverdachte krijgt uitgereikt wanneer de officier van justitie besluit dat hijniet zal worden vervolgd (artikel 2.5.40).264. Het slachtoffer heeft het recht om informatie te ontvangen over hetniet vervolgen van een strafbaar feit (artikel 1.5.4, eerste lid, onderdeel c).Bovendien wordt het slachtoffer dat daarom verzoekt in kennis gesteldvan de informatie die hij nodig heeft om te beslissen of hij tegen deniet-vervolging beklag zal doen bij het gerechtshof als bedoeld inartikel 3.5.1. De kennisgeving van het niet-vervolgen omvat naast debeslissing ten minste de motivering van die beslissing of een samen-vatting daarvan (artikel 1.5.4, derde lid). Artikel 2.5.40 ziet overigens,behalve op het geval dat de verdachte in het geheel niet zal wordenvervolgd, ook op de situatie waarin de verdachte wordt vervolgd voor eenfeit waarvoor geen voorlopige hechtenis is bevolen. Ook in dat gevalwordt het bevel tot voorlopige hechtenis van rechtswege opgeheven. Dangeldt weer dat dat de officier van justitie het slachtoffer dat daarom heeftverzocht direct in kennis stelt van de invrijheidsstelling van de verdachte(artikel 1.5.4, vierde lid; zie verder het antwoord op vraag 258).(265) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van deoverwegingen van de regering op het gebied van de voorlopigehechtenis. Deze leden juichen het toe dat in de voorgestelde regelingpogingen worden gedaan om rechters vaker te laten zoeken naaralternatieven voor de voorlopige hechtenis. Zij vragen wel, zoals ook ineen aantal consultatiereacties wordt benoemd, of de regering verwachtdat een wetswijziging ook tot een wijziging in de praktijk zal leiden. Kan deregering aangeven of zij verwacht dat rechters in de praktijk daadwerkelijkvaker voor een alternatief zullen kiezen en kan zij deze verwachtingtoelichten? Gaat de regering aanvullend beleid maken om dit te stimu-leren, bijvoorbeeld op het gebied van trainingen en cursussen aanrechters?265. In het nieuwe wetboek is de algemene verplichting voor de rechteropgenomen om in alle gevallen bij het bevel tot voorlopige hechtenis nate gaan of de tenuitvoerlegging van dat bevel kan worden geschorst. Ofdit gevolgen heeft voor het aantal schorsingen van voorlopige hechtenisis op voorhand niet te voorspellen. Het blijft een beoordeling op basis vande feiten en omstandigheden in elke individuele zaak. Om deze reden kanbijvoorbeeld niet worden gezegd, dat als het aantal schorsingen (verhou-dingsgewijs) daalt, de nieuwe verplichting niet aan zijn doelstelling heeftbeantwoord.De Rechtspraak en het openbaar ministerie zullen het beoordelen vanalternatieven voor voorlopige hechtenis stimuleren door ervoor te zorgendat officieren van justitie en rechters op de hoogte zijn van de praktischemogelijkheden die relevant zijn voor de schorsingsvoorwaarden. Alleprofessionals die met het nieuwe wetboek moeten werken zullen voorinwerkingtreding een opleiding krijgen over het nieuwe wetboek.Uiteraard zullen ook de nieuwe regels over voorlopige hechtenis voor dedesbetreffende functionarissen onderdeel van deze opleiding zijn.(266) De leden van de D66-fractie constateren dat in het wetsvoorstel depro-formazittingen worden afgeschaft. Dit zal er in de praktijk toe leidenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11210 dat de raadkamer van de rechtbank verantwoordelijk blijft voor beslis-singen over de voorlopige hechtenis. Is de regering zich ervan bewust datde samenstelling van raadkamers in de praktijk vaak wisselt, wat concreettot gevolg kan hebben dat steeds nieuwe rechters zich over de zaakmoeten buigen, terwijl het wenselijk is dat in beginsel dezelfde combinatieoordeelt over de voorlopige hechtenis? Kan de regering hierop reflecterenen hierbij ook de overbelasting van de rechtspraak meenemen?266. Zittingscombinaties wisselen inderdaad tussentijds van samen-stelling, ook in de huidige praktijk. Hoewel aan een pro-formazitting in hetideale geval wordt deelgenomen door de zittingscombinatie die ook metde inhoudelijke behandeling zal zijn belast, wordt dit in de praktijknauwelijks gerealiseerd en moeten meerdere combinaties zich dikwijls inde zaak inlezen (M. Dubelaar, R. van Leusden, J. ten Voorde en S. vanWingerden, Alleen voor de vorm? Frequentie, organisatie en praktijk vanpro-formazittingen, WODC 2015, p. 81). Naarmate het beoogde begin vande inhoudelijke behandeling verder weg ligt, is ook minder waarschijnlijkdat een vaste zittingscombinatie aan die zaak gekoppeld kan blijven.Dit praktische probleem wordt als zodanig niet beïnvloed door deafschaffing van de pro-formazittingen; in plaats van wisselingen in desamenstelling van de zittingscombinatie tussen de pro-formabehandelingen de inhoudelijke behandeling zal het dan vaker gaan om wisselingen inde samenstelling van raadkamers die voorafgaande aan berechting overhet voortduren van de voorlopige hechtenis moeten beslissen.De vraag of moet worden nagestreefd dat in de raadkamer per zaak steedsdezelfde rechters dienen plaats te nemen, wordt aan de praktijk overge-laten. De raadkamer oordeelt over de voorlopige hechtenis volgens inzichtin de stand van zaken op dat moment en rekening houdend met nieuweomstandigheden zodat op dat moment een rechtens juiste beslissingwordt genomen. De officier van justitie zal moeten onderbouwen waaromvoortduring van de voorlopige hechtenis noodzakelijk is en de raadkamerzal eventueel bekend geworden nieuwe feiten en omstandighedenbetrekken in haar oordeel.Het is aan de Rechtspraak om vorm te geven aan de interne organisatie,waaronder de behandeling van diverse zaakstromen, de verdeling vanzittingscapaciteit en de inroostering van personeel. Een vaste zittingscom-binatie die de strafzaak van begin tot eind onder zich heeft is moeilijk terealiseren vanwege de roosteropgave die beschikbaarheid van mensen enruimtes vergt op het juiste moment. Dit zal ook onder een nieuw wetboekcomplex zijn. Het inroosteren van dezelfde rechters op zittingen die opverschillende procesmomenten in één strafzaak (moeten) plaatsvinden islastig om meer redenen dan personele capaciteit alleen.De overbelasting binnen de Rechtspraak is echter breder dan hetvraagstuk over de inrichting van het zittingsbedrijf. In dat verband is vanbelang dat los van het nieuwe wetboek is besloten de gehele justitiëleketen te versterken, onder meer met adequate en voorspelbare finan-ciering in de strafrechtketen. In de rijksbegroting zijn extra financiëlemiddelen vrijgemaakt die zullen worden aangewend om de organisatieswaarop het nieuwe wetboek de grootste impact heeft, waaronder deRechtspraak, te versterken en bijvoorbeeld meer rechters te kunnenopleiden en de (juridische) ondersteuning te kunnen uitbreiden (Kamer-stukken II 2021/22, 35 925 VI, nr. 132).(267) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het nieuwe artikel 2.5.20wordt opgenomen dat de gevallen waarin de raadkamer over devoorlopige hechtenis oordeelt, het onderzoek op de zitting niet openbaaris, maar na 90 dagen wel openbaar wordt. Dit verschilt van de huidigeregeling rondom pro-formazittingen, waar de meervoudige kamer eenoordeelt velt. Deze leden vragen op welke manier de continuïteit van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11211 inhoudelijke behandeling van de strafzaak wordt bevorderd, nu desamenstelling van de raadkamer per zitting kan verschillen, maar desamenstelling van de meervoudige kamer in de huidige regelingdoorgaans gelijk is.267. Zie over de samenstelling van de raadkamer die over het voortdurenvan de voorlopige hechtenis oordeelt het antwoord op vraag 266. Inaanvulling daarop wordt ter voorkoming van misverstand opgemerkt datde afschaffing van de pro-formazittingen geen verandering meebrengt inde openbaarheid van de zitting; die is net als nu na drie maandengevangenhouding openbaar. Het verschil is alleen dat de openbaarheid nadrie maanden nu de zitting van de raadkamer betreft in plaats van deterechtzitting.(268) De leden van de CDA-fractie lezen voorts dat in het derde lid vanartikel 2.5.33 de toepassing van elektronisch toezicht in het kader van deschorsing van de voorlopige hechtenis is neergelegd. Deze leden zijn vanmening dat het gebruik van elektronisch toezicht veel voordelen kent,onder andere het ontlasten van het gevangeniswezen en capaciteit vanpolitie en justitie. Hoe vaak komt deze toepassing voor in Nederland? Kande regering een uitleg geven van de term «met enige regelmaat». Deelt deregering de mening dat elektronisch toezicht in meer gevallen dan nuingezet zou kunnen worden, met name als het gaat om jeugdigeverdachten?268. De rechter beslist in elk individueel geval over de schorsing van devoorlopige hechtenis en legt daarbij voorwaarden op die passend zijn bijde omstandigheden van de betreffende zaak, in welk kader hij tevens kanbeslissen elektronisch toezicht op te leggen met het oog op de nalevingvan de voorwaarden. In de periode maart 2023 tot en met januari 2024heeft 957 maal een schorsing voorlopige hechtenis plaatsgevonden metals voorwaarde elektronisch toezicht. Het betrof hierbij 846 personen.Voor maart 2023 werden deze gegevens niet structureel vastgelegd. Dit iswat in de memorie van toelichting is bedoeld met de zinssnede «metenige regelmaat».Het intensiveren van het reclasseringsadvies (Kamerstukken II 2022/23,29 279, nr. 811) is een middel om het inzicht over een passende inzet vanelektronisch toezicht te vergroten. De reclassering kan ten behoeve van devoorgeleiding aan de rechter-commissaris advies uitbrengen of deverdachte in vrijheid kan worden gesteld in afwachting van de inhoude-lijke behandeling van de zaak en, zo ja, onder welke voorwaarden. Dereclassering adviseert op dit moment in ongeveer 20 tot 25 procent van dezaken. Momenteel worden er pilots voorbereid om deze advisering doorde reclassering te intensiveren. Hierbij wordt onderzocht bij welkedoelgroepen (bijvoorbeeld adolescenten) dit van meerwaarde kan zijn.Eveneens wordt bekeken of het reclasseringsrapport voor de inhoudelijkebehandeling van de strafzaak eerder gereed kan zijn, en wat het effecthiervan is op doorlooptijden en de duur van de voorlopige hechtenis. Ookis de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming gevraagdadvies uit te brengen over de vraag of elektronisch toezicht bij zoweljeugdigen als volwassenen vaker, of op een andere manier toegepast kanworden en of dit wenselijk en zinvol is. Het gaat hierbij zowel overelektronisch toezicht in het kader van schorsing van de voorlopigehechtenis als om elektronisch toezicht als straf.(269) De leden van de CDA-fractie lezen de bezwaren die aan de ordekunnen zijn wat betreft zekerheidsstelling, zoals klassenjustitie enadministratieve bezwaren. De regering geeft daarnaast aan dat dezekerheidsstelling gering wordt toegepast, maar het opnemen van dezemogelijkheid in de wet past bij de inzet op het bevorderen van detoepassing van alternatieven voor voorlopige hechtenis. Hoe duidt deregering deze tegenstelling? Aan de ene kant erkent zij de bezwarenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11212 rondom de zekerheidstelling, maar aan de andere kant blijft deze regelingwel in de wet opgenomen wegens alternatieven voor voorlopigehechtenis. Hoe beoordeelt de regering dit op het gebied van proportiona-liteit en subsidiariteit? Hoe vaak is de zekerheidstelling de afgelopen jarenbevolen?269. De in de memorie van toelichting opgesomde bezwaren waarop doorde leden van de CDA-fractie wordt gedoeld, zijn mogelijke bezwaren diedoor Houweling zijn geïnventariseerd in het aldaar genoemde proefschrift(A.R. Houweling, Op borgsom vrij (diss. Rotterdam), 2009, p. 354 e.v.). Ditzijn geen bezwaren die noodzakelijkerwijs worden gedeeld door hetkabinet. De rechter heeft de mogelijkheid de voorlopige hechtenis ondervoorwaarden te schorsen en daarbij al dan niet een zekerheidstelling voorde nakoming van de voorwaarden vast te stellen. De zekerheidstelling kanbestaan uit de storting van geldwaarden. De rechter kan bij het vaststellenvan de hoogte van een borgsom rekening houden met alle van belanggeachte factoren, waaronder de draagkracht van de verdachte. In 2023 zijner 54 waarborgsommen betaald.(270) De leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties vragen de regeringom nog eens te onderbouwen waarom is afgezien van de in het consulta-tievoorstel voorgestelde stelsel waarin de rechter eerst een bevel totvoorlopige vrijheidsbeperking zou moeten overwegen, en pas als dat nietkan zich zou moeten buigen over totale vrijheidsbeneming. Dat zou beterpassen bij de benadering dat strafvorderlijke bevoegdheden niet dan inhet uiterste geval en proportioneel worden toegepast.270. In de consultatie-adviezen is kritisch gereageerd op het voorstel eenbevel tot toepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen te introdu-ceren. De Rvdr zag geen aanleiding voor wijziging van de huidigesystematiek van voorlopige hechtenis en schorsing, die in zijn ogenvoldoet. De NVvR oordeelde dat ook zonder introductie van het bevel tottoepassing van vrijheidsbeperkende maatregelen uitdrukking kan wordengegeven aan het belang van terughoudende toepassing van voorlopigehechtenis, en het belang van schorsing daarbij. De NOvA wees op hetrisico dat het bevel vanwege de lage drempel vaker zou worden toegepastdan thans de voorlopige hechtenis gevolgd door schorsing. Het OMoordeelde dat de figuur van schorsing van de voorlopige hechtenisvoldoende flexibiliteit biedt voor een gewenste ruimere toepassing vanalternatieven voor vrijheidsbeneming. Naar aanleiding van deze en meerkritische adviezen is in samenspraak met de betrokken organisatiesbesloten om af te zien van het voorstel. In plaats daarvan is de regelingvan de voorlopige hechtenis en de schorsing daarvan verbeterd. Derechter dient op grond van de nieuwe regeling in alle gevallen na te gaanof de voorlopige hechtenis kan worden geschorst. In het kader van dieschorsing kan toepassing worden gegeven aan alternatieven voorvrijheidsbeneming.(271) In dat verband wijzen deze leden de regering op de rapporten van deRaad voor de Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (RSJ) waarinstaat dat gezocht moet worden naar effectievere en passender alterna-tieven voor de toepassing van voorlopige hechtenis. Daarnaast roependeze leden de aanbevelingen van het VN-anti-foltercomité uit 2013 inherinnering, die erop neerkomen dat Nederland werk moet maken van hetterugdringen van de toepassing van voorlopige hechtenis. Deelt deregering de mening dat het voorstel voor de toepassing van voorlopigehechtenis op dit moment op gespannen voet staat met de verdragsrechte-lijke verplichtingen op proportionaliteit, subsidiariteit en de onschuldpre-sumptie?271. Deze mening wordt niet gedeeld. De regeling van de voorlopigehechtenis in het huidige Wetboek van Strafvordering is al in overeen-stemming met het EVRM en de jurisprudentie van het EHRM (dit wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11213 ook bevestigd door meerdere onderzoeken, zie bijvoorbeeld J. Crijns,B. Leeuw en H. Wermink, Pre-trial detention in the Netherlands: legalprinciples versus practical reality, Leiden 2016 en W. Hammerschick, C.Morgenstern, S. Bikelis, M. Boone, I. Durnescu, A. Jonckheere,J. Lindeman, E. Maes, M. Rogan, Detour. Towards Pre-trial detention asUltima Ratio (vergelijkend rapport), Wenen 2017) en de voorgestelderegeling in het nieuwe wetboek is dat ook. De regeling is in de wet metwezenlijke waarborgen omkleed. De misdrijven waarbij toepassing vanvoorlopige hechtenis mogelijk is zijn limitatief omschreven, er moetennadrukkelijk gronden voor toepassing zijn (geschokte rechtsorde bij zwaremisdrijven, herhalingsgevaar, collusiegevaar of vluchtgevaar), er moeteen stevige verdenking tegen de verdachte bestaan («ernstige bezwaren»)– alleen in het geval van verdenking van een terroristisch misdrijf bestaandaarop uitzonderingen – en tot slot dient het aannemelijk te zijn dat deduur van de voorlopige hechtenis niet langer zal zijn dan het naarverwachting opgelegde onvoorwaardelijke deel van de vrijheidsstraf(anticipatiegebod). De rechter toetst periodiek of voortzetting van devoorlopige hechtenis gerechtvaardigd is, waarbij voor de verdachtesteeds de mogelijkheid bestaat om opheffing of schorsing van devoorlopige hechtenis te verzoeken. Hoewel de wettelijke regeling van devoorlopige hechtenis dus in overeenstemming is met het EVRM en dejurisprudentie van het EHRM, wordt de toepassing ervan geregeldbekritiseerd, zowel nationaal (vanuit de rechtswetenschap, rechtspraktijken politiek) als internationaal en Europees. Voorlopige hechtenis zou teveel en te gemakkelijk worden toegepast – waarbij verlenging van devoorlopige hechtenis niet altijd voldoende concreet wordt gemotiveerd –en van alternatieven voor voorlopige hechtenis in het kader van deschorsing onder voorwaarden zou te weinig gebruik worden gemaakt.Deze kritiek behoeft op zichzelf genomen niet te leiden tot een (ingrij-pende) wijziging van de wettelijke regeling. Wel is ervoor gekozen om dealternatieven voor voorlopige hechtenis zowel in de wet als in het beleideen betere inbedding te geven, zodat de toepassing van deze alterna-tieven wordt gestimuleerd. De rechter krijgt de wettelijke opdracht omsteeds wanneer hij ten aanzien van een verdachte voorlopige hechtenisbeveelt, na te gaan of schorsing van de voorlopige hechtenis onmiddellijkof op termijn mogelijk is (artikel 2.5.31). Ten aanzien van jeugdigeverdachten was dit al geregeld (het huidige artikel 493). De aan deschorsing te verbinden voorwaarden worden bovendien in de wetverankerd (artikel 2.5.33). Dit bevordert de rechtszekerheid en ondersteunthet werk van de reclassering.De waarborgen ten aanzien van de motivering van de voorlopigehechtenis, die het huidige wetboek al bevat, blijven in het nieuwe wetboekbehouden (artikelen 2.5.2, tweede lid, en 2.5.21 tweede lid). Zoals ookeerder aangegeven in het antwoord op vraag 257, wordt daarnaast doorde Rechtspraak al actie ondernomen om de motivering van beslissingenover voorlopige hechtenis te verbeteren, bijvoorbeeld door de invoeringvan door de Rechtspraak zelf vastgestelde professionele standaarden,waarin het belang van een deugdelijke motivering van beslissingenexpliciet wordt onderschreven.(272) De leden van de SP-fractie sluiten zich graag aan bij een vraag dieook in de rapportage van de universiteiten naar voren komt en zoudengraag een antwoord van de regering hebben op de volgende vraag. Zouhet, om daadwerkelijk tot een praktijk te komen waarin alternatieven voorvoorlopige hechtenis breder worden toegepast, niet ook nodig zijn het OMin de wet nadrukkelijker op te dragen zich daartoe in te spannen? Gedachtkan worden aan bijvoorbeeld het altijd laten maken van een reclasserings-rapportage waarin mogelijke alternatieven worden onderzocht en hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11214 sluiten van convenanten met belangrijke organisaties (GGZ-instellingen,veilig thuis, etc.) opdat zij zich ook inspannen om de alternatieven teverwezenlijken.272. Er is niet voor gekozen om in de wet een inspanningsverplichtingvoor het openbaar ministerie op te nemen, om alternatieven voorvoorlopige hechtenis te overwegen. Daarvan wordt geen meerwaardeverwacht. In plaats daarvan wordt op een andere manier gestimuleerd datvoorlopige hechtenis vaker en eerder wordt geschorst, als dit in hetdesbetreffende geval passend is. Daartoe worden momenteel pilotsvoorbereid om advisering door de reclassering te intensiveren (Kamer-stukken II 2022/23, 29 279, nr. 811). De reclassering brengt dan in meergevallen ten behoeve van de voorgeleiding aan de rechter-commissarisadvies uit over de vraag of de verdachte in vrijheid kan worden gesteld inafwachting van de inhoudelijke behandeling van de zaak en, zo ja, onderwelke voorwaarden. Hierbij wordt onderzocht bij welke doelgroepen(bijvoorbeeld adolescenten) dit van meerwaarde kan zijn. Eveneens wordtbekeken of het reclasseringsrapport voor de inhoudelijke behandeling vande strafzaak eerder gereed kan zijn, en wat het effect hiervan is opdoorlooptijden en de duur van de voorlopige hechtenis.Ook is de Raad voor Strafrechttoepassing en Jeugdbescherming gevraagdadvies uit te brengen over de vraag of elektronisch toezicht bij zoweljeugdigen als volwassenen vaker, of op een andere manier toegepast kanworden en of dit wenselijk en zinvol is. Het gaat hierbij zowel overelektronisch toezicht in het kader van schorsing van de voorlopigehechtenis als om elektronisch toezicht als straf.5.5 Rechtsmiddelen (273) De leden van de CDA-fractie lezen dat in artikel 2.5.58 is vastgelegddat een verdachte bezwaar kan maken tegen het bevel tot het opleggenvan de maatregelen als bedoeld in artikel 2.5.16. Dit bezwaarschrift moetingediend worden bij de rechter-commissaris. Binnen welke termijn moetde rechter-commissaris beslissen over het bezwaar?273. De verdachte die wordt opgehouden voor onderzoek, in verzekeringis gesteld of tegen wie bewaring is bevolen, en tegen wie beperkendemaatregelen zijn genomen (artikel 2.5.16, eerste lid, onderdeel a), kandaartegen een bezwaarschrift indienen bij de rechter-commissaris(artikel 2.5.58). De rechter-commissaris beslist op het bezwaarschriftovereenkomstig de bepalingen in Titel 2.4 van Boek 1. Hij beslist zospoedig mogelijk (artikel 1.2.32, eerste lid).In geval van gevangenhouding of gevangenneming, kan de verdachte ditbezwaarschrift indienen bij de rechtbank die de gevangenhouding ofgevangenneming heeft bevolen (artikel 2.5.58). Op het bezwaarschriftwordt door de raadkamer in dat geval overeenkomstig de bepalingen inBoek 1, Titel 2.3, beslist. De raadkamer kan direct na de sluiting van hetonderzoek uitspraak doen (artikel 1.2.23, eerste lid). In het andere gevaldeelt de voorzitter mee wanneer de beslissing zal worden uitgesproken.Dit is uiterlijk binnen zes weken (artikel 1.2.23, tweede lid).6. Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam (274) De rapporteurs hebben een vraag ten aanzien van de bevoegdhedenmet betrekking tot het lichaam. Het voorstel ambieert een goede balans tevinden tussen rechtszekerheid (zo specifiek mogelijk omschrevenbevoegdheden) en toekomstbestendigheid (een meer open formulering,al dan niet in combinatie met delegatie naar lagere regelgeving). Kan deregering in dit verband toelichten ten aanzien van welke bevoegdheden inde opsporing momenteel het meest wordt gevreesd dat de omschrijvingervan onvoldoende toekomstbestendig is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11215 274. Tijdens de totstandkoming van Boek 2, Hoofdstuk 6 (bevoegdhedenmet betrekking tot het lichaam), is met de betrokken organisaties, zoalshet openbaar ministerie en de politie, bij de recente ontwikkelingen op hetterrein van de forensische opsporing stilgestaan. Ook zijn toen deonderzoeken met betrekking tot het lichaam in kaart gebracht en op hunvaliditeit en betrouwbaarheid voor de waarheidsvinding in strafzakenbeoordeeld. Boek 2, Hoofdstuk 6, is een weerslag van die exercities. In dathoofdstuk is een wettelijke grondslag gecreëerd voor die onderzoekenmet betrekking tot het lichaam die nu en in de nabije toekomst eennoodzakelijk hulpmiddel kunnen zijn voor de opsporing van een strafbaarfeit. Mede naar aanleiding van deze vraag en de vragen 275 en 277 zijn debevoegdheden uit Boek 2, Hoofdstuk 6, bij de voorbereiding van hetvoorstel van de zogenoemde eerste aanvullingswet opnieuw onder deloep genomen. Daarbij is getracht de toekomstbestendigheid van Boek 2,Hoofdstuk 6, te vergroten. Met technologische en wetenschappelijkeontwikkelingen met betrekking tot de (forensische) opsporing enonderzoekshandelingen met betrekking tot het lichaam die nu nog in dekinderschoenen staan of die nog niet aan de horizon zichtbaar zijn, kanechter slechts tot op zekere hoogte rekening worden gehouden. Het isonmogelijk om te voorkomen dat een omschrijving van een onderzoeks-bevoegdheid met betrekking tot het lichaam in Hoofdstuk 6 in detoekomst in verband met nieuwe relevante ontwikkelingen weer gewijzigddient te worden (zie ook het antwoord op vraag 206). Niettemin is deverwachting gerechtvaardigd dat de wettelijke regeling van de onder-zoeksbevoegdheden met betrekking tot het lichaam niet snel aangepastzal hoeven te worden, omdat die regeling zoveel mogelijk techniekonaf-hankelijk en toekomstbestendig is opgezet en die regeling, zoals hiervooris opgemerkt, in het voorstel van de eerste aanvullingswet nog meertoekomstbestendig wordt gemaakt. Voor de wijze waarop dat geschiedt,wordt verwezen naar de hierna gegeven reactie op vraag 275.(275) Hoe kunnen deze bevoegdheden meer open worden vormgegevenmet behulp van meer open terminologie in combinatie met nadereinvulling of beperking in lagere regelgeving?275. In de memorie van toelichting bij de eerste vaststellingswet is hetstreven geuit om de wettelijke regeling van het opsporingsonderzoek,waaronder de bevoegdheden met betrekking tot het lichaam, zoveelmogelijk techniekonafhankelijk en toekomstbestendig op te zetten.Tegelijkertijd is daarin aangegeven dat dit streven een grens kent. Vanuithet legaliteitsbeginsel is het bezwaarlijk wanneer een omschrijving vaneen bevoegdheid wordt gehanteerd waaronder onderzoeken vallen diewat betreft hun mate van ingrijpendheid – bijvoorbeeld vanwege de ernstvan de inbreuk die wordt gemaakt op de lichamelijke integriteit en depersoonlijke levenssfeer – aanmerkelijk uiteenlopen (Kamerstukken II2023/24, 36 327, nr. 3, p. 337). Datzelfde geldt voor een omschrijvingwaaronder ook onderzoek kan vallen dat nu nog niet is te voorzien en tenaanzien waarvan de vraag kan worden gesteld of inzet daarvan onderdezelfde wettelijke voorwaarden wenselijk is (Kamerstukken II 2022/23,36 327, nr. 3, p. 51). Om die reden is geen gevolg gegeven aan deconsultatieadviezen van het openbaar ministerie en de opsporingsin-stanties bij de consultatieversie van Boek 2, waarin ervoor werd gepleitom bij de bevoegdheden die in Boek 2, Hoofdstuk 6, centraal staan metcategorieën te werken, door in de wet te spreken over onderzoek tenaanzien van biometrische kenmerken, uiterlijke kenmerken, gedragsken-merken en onderzoek ten aanzien van lichaamsmateriaal (Kamerstukken II2023/24, 36 327, nr. 3, p. 51–52 en p. 337–338).Mede naar aanleiding van de vorige en de onderhavige vraag is deregeling van het onderzoek met betrekking tot het lichaam, zoals die nu inBoek 2, Hoofdstuk 6, is opgenomen, nog eens tegen het licht gehouden enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11216 onderzocht of er een middenweg mogelijk is tussen de eerder gedanevoorstellen van het openbaar ministerie en de opsporingsinstanties en dewijze waarop de regeling nu in dat hoofdstuk is vormgegeven. Deconclusie van die exercitie is dat een dergelijke middenweg mogelijk is. Inhet voorstel van de eerste aanvullingswet zijn daarom diverse aanpas-singen in verschillende onderzoeksbevoegdheden met betrekking tot hetlichaam aangebracht die beogen de wettelijke regeling van die bevoegd-heden in meer gevallen toepasbaar en daarmee nog meer toekomstbe-stendig te maken. De voorgestelde wijzigingen houden ten opzichte vande regeling zoals deze in het voorstel voor de eerste vaststellingswetstaat, veelal een verruiming in van de doelen waarmee die bevoegdhedenmogen worden uitgeoefend. Het voorstel voor de eerste vaststellingswetbevat een aantal bevoegdheden met betrekking tot het lichaam met eenvrij specifieke doelbinding. Zo mag het onderzoek aan de kleding alleenmaar ter inbeslagneming van voorwerpen of ter veiligstelling van sporenvan het strafbare feit worden verricht. Deze bevoegdheden mogen nietworden uitgeoefend met het oog op andere dan de in de wet genoemdedoeleinden. Die specifieke doelbinding wordt in het voorstel voor deeerste aanvullingswet in die en een aantal andere bepalingen geschrapt.Wel geldt steeds de algemene regel dat de uit te oefenen bevoegdheid inhet belang van het onderzoek is (artikel 2.1.2, tweede lid). Deze algemenedoelbinding geldt voor het gehele opsporingsonderzoek en is ook voor debevoegdheden met betrekking tot het lichaam in beginsel dragend entoereikend. Het resultaat van deze wijziging is dat de bevoegdheden weermeer in overeenstemming met het huidige wetboek zijn geformuleerd,waarin een specifieke doelbinding doorgaans evenmin voorkomt.Daarnaast is er in het voorstel voor de eerste aanvullingswet voorgekozen om artikel 2.6.14 meer open te formuleren. De bevoegdheid omvan de verdachte een of meer haren af te nemen voor vergelijkendhaaronderzoek of isotopenonderzoek en de bevoegdheid om van deverdachte lichaamsmateriaal af te nemen voor een toxicologisch ofmicrobiologisch onderzoek (artikel 2.6.14) is in het aangepasteartikel 2.6.14 omgezet naar een bevoegdheid op grond waarvan lichaams-materiaal voor ieder onderzoek kan worden afgenomen dat niet in deTitels 6.2 tot en met 6.5 is voorzien. Alleen de afname van het lichaams-materiaal wordt dus nog in het aangepaste 2.6.14 genormeerd en niet ookhet met dat lichaamsmateriaal te verrichten onderzoek, anders dan dat dit,zoals elke strafvorderlijke onderzoekshandeling, in het belang van hetonderzoek moet plaatsvinden en moet voldoen aan de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit. Onderzoek dat onder de reikwijdte vanhet aangepaste artikel 2.6.14 valt, kan een onderzoek zijn dat in de eerstevaststellingswet in artikel 2.6.14 een grondslag heeft gekregen, bijvoor-beeld een vergelijkend haaronderzoek of microbiologisch onderzoek,maar ook ieder ander onderzoek aan lichaamsmateriaal dat in de nabijeen verre toekomst mogelijk blijkt te zijn. Als in de toekomst nieuweonderzoeksmethoden worden ontwikkeld die een veel ingrijpenderinbreuk op grond- en mensenrechten van burgers tot gevolg hebben dande onderzoeken die op basis van de huidige onderzoekstechnieken opgrond van artikel 2.6.14 mogelijk zijn, zal voor die onderzoeken, naaranalogie van bijvoorbeeld de regeling van het DNA-onderzoek, in eenmeer precieze wettelijke regeling moeten worden voorzien.Met het voorgaande is in hooflijn aangeven welke aanpassingen in hetvoorstel van de eerste aanvullingswet zijn opgenomen om met betrekkingtot de bevoegdheden ten aanzien van het lichaam een nog beterevenwicht te vinden tussen rechtszekerheid en toekomstbestendigheid.Dit pakket aan aanpassingen kan in de wetgevingsprocedure metbetrekking tot het voorstel voor de eerste aanvullingswet op haar meritesworden beoordeeld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11217 (276) De leden van de CDA-fractie lezen dat de uit het huidige wetboekovergenomen bevoegdheden worden aangevuld en uitgebreid metbevoegdheden die betrekking hebben op onderzoeken die door opwetenschappelijke inzichten gebaseerde nieuwe technieken mogelijk zijngeworden. Deze leden zijn blij met deze toevoeging, omdat nieuwetechnieken van groot belang kunnen zijn in de opsporing. Laat devoorgestelde regeling het ook toe om op een snelle en efficiënte maniernieuwe technieken toe te kunnen voegen aan het Wetboek van Strafvor-dering, in het kader van de beweging naar voren, om zo snel aan tekunnen sluiten bij de veranderende realiteit en nieuwe technologischeontwikkelingen?276. Zie het antwoord op vraag 206.Te denken valt volgens de aan het woord zijnde leden aan mogelijktoekomstig onderzoek naar de specifieke toetsenbordaanslag van eenverdachte; de digitale variant van het handschriftvergelijkend onderzoek.De bewegingsruimte voor de praktijk lijkt echter wat betreft toekomstigemethoden juist te worden beperkt. De regering kiest er namelijk voor allenu bekende opsporingsmethoden letterlijk in het wetboek op te nemen.Elke nieuwe methode vereist dus een nieuwe letterlijke bevoegdheid inhet wetboek. De opsporingsdiensten (politie, Koninklijke Marechausse,OM) wijzen erop dat de voorgestelde regeling te gedetailleerd is en hetkunnen inzetten van opsporingsmethoden die in de (nabije) toekomstbeschikbaar zijn, belemmert. De regering neemt hun adviezen niet overmet een beroep op het legaliteitsbeginsel. De leden van de CDA-fractiedelen het belang van dit beginsel; een wet moet met voldoende precisieomschrijven wat de opsporing wel en niet kan doen.(277) Echter, legaliteit is niet hetzelfde als het letterlijk codificeren vanopsporingsmethoden. Voornoemde leden verzoeken de regering daaromandere keuzes te onderzoeken bij het vinden van een evenwicht tussenrechtszekerheid en toekomstbestendigheid, tussen de wijze waarop hetwetboek nu wordt vormgegeven (te specifiek) en de voorstellen van deopsporingsdiensten (te weinig specifiek).277. Het legaliteitsvereiste houdt inderdaad niet in dat opsporingsme-thoden «letterlijk» worden gecodificeerd, maar wel dat hieraan eentoereikende wettelijke basis wordt gegeven in een stelsel van wettelijkeopsporingsbevoegdheden waarbij de toepassingscriteria overeenkomenmet de ingrijpendheid van deze methoden. Daarom is algemeenuitgangspunt dat naarmate een bevoegdheid ingrijpender is, deze aanzwaardere wettelijke toepassingscriteria is gebonden.Dit vloeit ook voort uit de rechtspraak van het EHRM. Binnen deze grenzenis ernaar gestreefd de bevoegdheden met betrekking tot het lichaam inBoek 2, Hoofdstuk 6, zodanig te formuleren dat een evenwicht wordtgevonden tussen rechtszekerheid en toekomstbestendigheid. Deze vraagen de vragen 274 en 275 hebben aanleiding gegeven de regeling van debevoegdheden met betrekking tot het lichaam nog eens tegen het licht tehouden en te onderzoeken of er een middenweg mogelijk is tussen devoorstellen die het openbaar ministerie en de opsporingsinstanties in hetkader van de consultatieversie van dit wetsvoorstel hebben gedaan en dewijze waarop de regeling nu in dat hoofdstuk is vormgegeven. Deconclusie van die exercitie is dat een dergelijke middenweg mogelijk is.Die conclusie heeft erin geresulteerd dat in het voorstel van de eersteaanvullingswet diverse aanpassingen in verschillende onderzoeksbe-voegdheden met betrekking tot het lichaam zijn aangebracht die beogende wettelijke regeling van die bevoegdheden in meer gevallen toepasbaaren daarmee nog meer toekomstbestendig te maken, terwijl aan derechtszekerheid niets wordt afgedaan. Zie voor een beschrijving van dieaanpassingen het antwoord op vraag 275.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11218 6.4 Onderzoek in het lichaam (278) De leden van de D66-fractie constateren dat voor de bevoegdheidonderzoek in en aan het lichaam, onderzoek aan de kleding engedwongen afname van DNA-materiaal in het nieuwe wetboek slechtsnog een «verdenking» nodig is, terwijl dit onder de huidige wet «ernstigebezwaren» moeten zijn. Deze leden lezen ook dat de reden van deregering hiervoor is dat opsporingsbevoegdheden zijn bedoeld om eenverdenking tot klaarheid te brengen. Daarbij past volgens de regering nietdat sommige bevoegdheden pas mogen worden ingezet als dieverdenking stevig genoeg is. Kan de regering uitleggen waarom zij ditbelang zwaarwegender vindt dan het belang van betrokkenen om niet telichtzinnig aan dit onderzoek te worden onderworpen? Kan de regeringhierin ook meenemen dat de Afdeling adviseert deze keuze, in ieder gevalten aanzien van onderzoek aan en in het lichaam, te heroverwegen?278. In het nieuwe wetboek is ervoor gekozen dat voor het doen van eenkledingonderzoek, een onderzoek aan of in het lichaam en het klassiekDNA-onderzoek, voor zover die onderzoeken tegen de wil van deverdachte plaatsvinden, niet langer het bestaan van ernstige bezwarenwordt geëist. Als tegen de verdachte een redelijk vermoeden van schuldaan het strafbare feit bestaat dat op feiten of omstandigheden isgebaseerd, is dat voldoende.Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State om hetschrappen van het vereiste van ernstige bezwaren bij onderzoek aan en inhet lichaam te heroverwegen, is niet opgevolgd (Kamerstukken II 2022/23,36 327, nr. 4, p. 97). De belangrijkste reden voor het laten vervallen van ditvereiste is dat opsporingsbevoegdheden zijn bedoeld om een verdenkingtot klaarheid te brengen. Daarbij past niet dat sommige van dezeopsporingsbevoegdheden pas mogen worden ingezet als die verdenkingstevig genoeg is want die bevoegdheden zijn vaak juist nodig om eentegen de verdachte gerezen verdenking te kunnen verstevigen of teontkrachten. Voor een uitgebreide beschrijving van de argumenten diepleiten voor het laten vervallen van de eis van ernstige bezwaren voor hetdoen van een kledingonderzoek, een onderzoek aan of in het lichaam enhet klassiek DNA-onderzoek wordt verwezen naar de memorie vantoelichting (zie de inleidende toelichting op Boek 2 onder «actualiseringvan bevoegdheden» en de toelichting op de artikelen 2.6.6, 2.6.7. 2.6.8 en2.6.16). Een van die argumenten is dat de uitoefening van de bevoegdheidtot het uitvoeren van een onderzoek aan of in het lichaam, zoalsopgenomen in artikel 7, vijfde respectievelijk zesde lid, Politiewet 2012niet afhankelijk is van het bestaan van ernstige bezwaren, terwijl datonderzoek minstens zo ingrijpend kan zijn als een onderzoek aan of in hetlichaam dat in het kader van het opsporingsonderzoek plaatsvindt.Het laten vervallen van de eis van ernstige bezwaren betekent niet dat eenverdachte voortaan lichtzinnig tegen zijn wil aan een kledingonderzoek,een onderzoek aan of in het lichaam of een DNA-onderzoek kan wordenonderworpen. Zo mag – vanuit het uitgangspunt dat naarmate het eeningrijpender bevoegdheid betreft, een hogere autoriteit de toepassingdaarvan beveelt of de verdenking een zwaarder strafbaar feit moetbetreffen – onderzoek in het lichaam alleen plaatsvinden op bevel van deofficier van justitie en alleen in geval van verdenking van een misdrijfwaarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld vanvier jaar of meer. Daarin ligt een belangrijke rechtsbeschermendewaarborg besloten: voorkomen wordt dat al te snel tot de uitoefening vaningrijpende bevoegdheden wordt overgegaan. Naast de toepassingscri-teria die in de artikelen 2.6.6, 2.6.7. 2.6.8 en 2.6.16 aan de uitoefening vandeze onderzoeksbevoegdheden zijn gesteld, gelden immers ook dealgemene bepalingen van het opsporingsonderzoek uit Boek 2, Titel 1.2.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11219 Het betreft hier vooral de algemene bepaling over proportionaliteit ensubsidiariteit en de algemene bepaling over het onderzoeksbelang.(279) De leden van de CDA-fractie lezen dat gewijzigd is dat onderzoek inhet lichaam middels het nieuwe artikel 2.6.8 alleen kan worden bevolenwanneer de verdachte is aangehouden op verdenking van een misdrijfwaarop een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld, in plaats vanbij elke aangehouden verdachte. Wat is de reden dat de regering dezewijziging heeft doorgevoerd?279. De bevoegdheid tot het verrichten van een onderzoek in het lichaamkan op grond van artikel 2.6.2 in combinatie met artikel 2.6.8 alleen tenaanzien van een verdachte worden uitgeoefend als hij is opgehoudenvoor onderzoek of in verzekering of in voorlopige hechtenis is gesteld ener sprake is van een verdenking van een misdrijf waarop naar dewettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld ofeen van de lichtere misdrijven die in artikel 2.1.8 met een vierjaarsmisdrijfis gelijkgesteld. Het is dus niet zo dat onderzoek in het lichaam alleen bijvierjaarsmisdrijven mogelijk is. Dat was wel zo voorgesteld in deconsultatieversie van Boek 2 als onderdeel van een voorstel tot vereen-voudiging van de verdenkingscriteria. Van dat voorstel is op basis van deconsultatieadviezen echter afgezien. Ondanks dat onderzoek in hetlichaam behalve bij verdenking van vierjaarsmisdrijven ook mogelijk is bijverdenking van daarmee gelijkgestelde lichtere misdrijven, is hetverdenkingscriterium wel nog enigermate verzwaard ten opzichte van hethuidige wetboek. Op grond van het huidige wetboek kan onderzoek in hetlichaam ten aanzien van elke aangehouden verdachte worden bevolen.Met deze verzwaring van het toepasselijke verdenkingscriterium wordtuitdrukking gegeven aan het ook aan het nieuwe wetboek ten grondslagliggende uitgangspunt dat naarmate de uitoefening van een bevoegdheidingrijpender is, zwaardere wettelijke toepassingscriteria gelden. Deuitoefening van de bevoegdheid tot het verrichten van een onderzoek inhet lichaam kan ingrijpend zijn. De uitoefening daarvan zal immers leidentot een aantasting van in het in de artikelen 11 Grondwet en 8 EVRMbesloten beschermde recht op onaantastbaarheid van het lichaam.Praktisch gesproken behelst dit toepassingscriterium alleen een beperkingin geval van aanhouding bij ontdekking op heterdaad (die bij elk strafbaarfeit mogelijk is) en in geval van aanhouding buiten heterdaad van eenverdachte van wie geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland kanworden vastgesteld (wat mogelijk is indien de verdenking een misdrijfbetreft waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf isgesteld).Uit een door de Universiteit van Amsterdam uitgevoerd onderzoek (Abels,D., Benschop, A., Blom, T., Jonk, J. & Korf, O.J. (2016) VereenvoudigingVerdenkingscriteria. De gevolgen van de voorgenomen wijziging van deverdenkingscriteria voor de opsporingspraktijk. Amsterdam: RozenbergPublishers) blijkt dat hantering van het (in de consultatieversie van Boek 2nog voorgestelde) vierjaarscriterium voor de uitoefening van debevoegdheid tot het verrichten van onderzoek in het lichaam naarverwachting geen grote gevolgen zal hebben. Nu de bevoegdheid behalvebij vierjaarsmisdrijven ook kan worden uitgeoefend in geval van lichteremisdrijven die daarmee gelijk zijn gesteld, geldt deze verwachting in nogsterkere mate.(280) De leden van de CDA-fractie lezen dat onderzoek dat met detoepassing van de CT-scan op Schiphol wordt verricht om te achterhalenof zich in het lichaam van een verdachte bolletjes met drugs bevinden,een niet-invasief beeldvormend onderzoek is, maar alsnog alleen metvrijwillige medewerking van de verdachte kan plaatsvinden vanwege eenheel klein beetje verhoogde kans op kanker door de röntgenstraling.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11220 Verwacht de regering verwacht dat veel verdachten hieraan vrijwillig gaanmeewerken? Wat is de consequentie als een verdachte weigert mee tewerken? Heeft de regering ook kennis hoe andere landen deze afwegingmaken?280. Uit door het openbaar ministerie aangeleverde cijfers blijkt dat in2023 bij 363 aangehouden verdachten op vrijwillige basis de CT-scan istoegepast. De verdachte krijgt de mogelijkheid om met de CT-scan tebewijzen dat zich in zijn lichaam geen bolletjes met drugs bevinden. Alsde CT-scan een negatieve uitslag geeft, wordt de verdachte direct invrijheid gesteld. Wanneer de verdachte weigert om zich aan de CT-scan teonderwerpen, wordt de verdachte overgebracht naar de slikkerafdelingvan het Justitieel Complex Schiphol. Daar moet de verdachte drie keerschone ontlasting produceren om aan te tonen dat hij wel of geen drugsin zijn lichaam draagt. Na drie keer schone ontlasting wordt hij in vrijheidgesteld. Deze methode betekent voor de verdachte een langer oponthouddan de toepassing van een CT-scan want die duurt in totaal maar een paarminuten. Dat is mogelijk ook de reden dat in 2023 maar 41 aangehoudenverdachten de CT-scan hebben geweigerd. Overigens kunnen zwangerevrouwen niet kiezen voor de toepassing van de CT-scan. Als zij na hunaanhouding niet direct bekennen dat zich in hun lichaam bolletjes metdrugs bevinden, zullen zij altijd naar de slikkerafdeling worden overge-bracht. Het is niet bekend hoe andere landen tegen bolletjesslikkersoptreden en welke afwegingen zij in dat kader maken.6.5 Overige onderzoeken met betrekking tot het lichaam (281) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van overigeonderzoeken met betrekking tot het lichaam. In hoeverre noopt hetUnierecht – in het bijzonder artikel 10 Richtlijn 2016/80 en de jurispru-dentie hierover – tot aanpassing van de regels voor het afnemen vanDNA? Indien het Unierecht niet noopt tot aanpassing, hoe wordtvoorkomen dat de verwerking van DNA en DNA-profielen in strijd komtmet de verwerkingsbeginselen uit Richtlijn 2016/80?281. Bij de implementatie van Richtlijn 2016/680, ook wel aangeduid alsrichtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging, is hetuitgangspunt gehanteerd dat zoveel mogelijk moest worden voorkomendat de instanties binnen de strafrechtsketen zouden worden geconfron-teerd met verschillende verwerkingsregimes, met het oog op de uitvoer-baarheid van de regels voor de verwerking van persoonsgegevens doorde betreffende instanties (Kamerstukken II 2017/18, 34 889, nr. 3, p. 17).Daarom is met betrekking tot de verwerking van celmateriaal enDNA-profielen door het Nederlands Forensisch Instituut in deDNA-databank voor strafzaken aangenomen dat de Algemene veror-dening gegevensbescherming hierop van toepassing is en niet de richtlijn(Kamerstukken II 2017/18, 34 939, 3, p. 21–22).Artikel 9 van de Algemene verordening gegevensbescherming bevat eenbijzondere regeling voor de verwerking van genetische persoonsgegevensen andere gevoelige persoonsgegevens, zoals persoonsgegevens waaruitras of etnische afkomst blijkt en biometrische gegevens. Zowel celmate-riaal als een DNA-profiel is aan te merken als een genetisch persoonsge-geven in de zin van artikel 4, onder 13 van de Algemene verordeninggegevensbescherming. Een verwerking van een dergelijk persoonsge-geven is volgens artikel 9 verboden tenzij is voldaan aan een van devoorwaarden die in het tweede lid van dat artikel zijn opgesomd. Onderdie voorwaarden valt dat de verwerking noodzakelijk is om «redenen vanzwaarwegend algemeen belang, op grond van Unierecht of lidstatelijkrecht, waarbij de evenredigheid met het nagestreefde doel wordtgewaarborgd, de wezenlijke inhoud van het recht op bescherming vanpersoonsgegevens wordt geëerbiedigd en passende en specifiekeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11221 maatregelen worden getroffen ter bescherming van de grondrechten ende fundamentele belangen van de betrokkene» (zie onderdeel g).Redelijkerwijs mag worden aangenomen dat het eerder aangehaalde doelten behoeve waarvan het celmateriaal en de DNA-profielen wordenbewaard («het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechten vanstrafbare feiten en het vaststellen van de identiteit van een lijk») een redenvan zwaarwegend algemeen belang is. Verder geldt dat bij de introductievan DNA-onderzoek in het Wetboek van Strafvordering in het begin vande jaren negentig en ook later in het kader van de verruiming van demogelijkheden tot de inzet van dat instrument, hoewel de Algemeneverordening gegevensbescherming toen nog niet gold, al wel is stilge-staan bij de noodzaak en de proportionaliteit van dat instrument enmaatregelen zijn getroffen ter bescherming van de grondrechten en defundamentele belangen van de betrokkenen, mede in het licht van de toengeldende Wet bescherming persoonsgegevens en zijn voorganger de Wetpersoonsregistraties. Zo zijn de bewaartermijnen van het celmateriaal ende DNA-profielen van verdachten gedifferentieerd aan de hand van ondermeer de aard en ernst van het misdrijf in het kader waarvan die persoons-gegevens zijn afgenomen dan wel bepaald (ook het EHRM heeft in zijnjurisprudentie op het belang daarvan gewezen; zie EHRM 22 juni 2017,Aycaguer v. Frankrijk, rov. 43 en EHRM 13 februari 2020, Gaughran v.Verenigd Koninkrijk, rov. 87.) en mogen DNA-profielen van anderen danverdachten alleen in de DNA-databank voor strafzaken wordenopgeslagen als wordt vermoed dat zij slachtoffer zijn van een ernstigmisdrijf. Ook is in dat kader betrokken dat de afname van celmateriaal eenbeperking van het recht op onaantastbaarheid van het lichaam oplevert,zoals besloten ligt in artikel 8 EVRM. Daarnaast is stilgestaan bij het feitdat het bewaren van celmateriaal en de daaruit verkregen DNA-profielenen het onderling vergelijken van die profielen, ook met bijvoorbeeld deDNA-profielen van verdachten die andere EU-lidstaten hebbenopgeslagen, een beperking vormt van het in artikel 8 EVRM neergelegderecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Bij de totstand-koming van de (uitbreiding van de regeling) van het DNA-onderzoek istelkens gestreefd naar een zo beperkt mogelijke inbreuk op die grond-rechten.Op grond van het recht van de Europese Unie bestaat er kort samengevatgeen noodzaak om de regels die bij of krachtens het huidige Wetboek vanStrafvordering voor het afnemen van celmateriaal gelden, aan te passen.Wel zullen, zoals eerder is aangekondigd, de bewaartermijnen vancelmateriaal en DNA-profielen van minderjarige veroordeelden wordengehalveerd. Dat zal gebeuren in het kader van het voorstel van wethoudende wijziging van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden en hetWetboek van Strafvordering in verband met de introductie van conserva-toire afname van celmateriaal en enkele andere wijzigingen metbetrekking tot DNA-onderzoek, dat naar verwachting dit jaar bij de TweedeKamer zal worden ingediend (Kamerstukken II 2023/24, 31 415, nr. 29).Mede in het licht van het feit dat voor de inwerkingtreding van deAlgemene verordening gegevensbescherming op de verwerking vancelmateriaal en DNA-profielen het regime van de Wet beschermingpersoonsgegevens van toepassing was en de verwerkingsbeginselen diein die verordening zijn opgenomen, materieel overeenkomen met debeginselen uit die wet, kan worden geconcludeerd dat de verwerking vancelmateriaal en DNA-profielen voldoet aan de toepasselijke Europesenormen.(282) De rapporteurs vragen ook hoe wordt gewaarborgd dat deverwerking van gevoelige gegevens (vingerafdrukken, digitale met hetoog op gezichtsherkenning bewerkte afbeeldingen van gezichten, enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11222 lichaamsmateriaal) in overeenstemming is met de eisen van Richtlijn2016/80, nu dit onderwerp noch in de Wpg noch in het onderhavigewetsvoorstel of bijbehorende lagere regelgeving is geadresseerd?282. De verwerking van persoonsgegevens in het kader van de opsporingen vervolging van strafbare feiten wordt beheerst door de Wet politiege-gevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Deze wettengeven uitvoering aan Richtlijn 2016/680 en bevatten belangrijkewaarborgen over de verwerking van persoonsgegevens in het politie- enjustitiedomein. Met betrekking tot gevoelige gegevens, zoals genetischeen biometrische gegevens en gezondheidsgegevens, schrijven dezewetten voor dat de verwerking van dergelijke gegevens alleen kanplaatsvinden wanneer dit onvermijdelijk is voor het doel van deverwerking, in aanvulling op de verwerking van andere gegevens over dedesbetreffende persoon, én de gegevens afdoende zijn beveiligd (artikel 5van de Wet politiegegevens en 39c, derde lid, van de Wet justitiële enstrafvorderlijke gegevens). Voor deze beveiliging moet de verwerkingsver-antwoordelijke passende technische en organisatorische maatregelennemen om een beveiligingsniveau te waarborgen dat op de aard van dezegegevens is afgestemd, op een zodanige manier dat de gegevensbeschermd zijn tegen ongeoorloofde of onrechtmatige verwerking entegen opzettelijk verlies, vernietiging of beschadiging. Het Besluitpolitiegegevens geeft hieraan verdere uitwerking in artikel 6:1a. Voorzover het lichaamsmateriaal dat bij het Nederlands Forensisch Instituutwordt bewaard, en de daaruit verkregen informatie zoals DNA-profielenbetreft, is, zoals in antwoord op vraag 281 is toegelicht, de Algemeneverordening gegevensbescherming van toepassing. Die verordening heeftrechtstreekse werking en heeft waar nodig uitwerking gekregen in hetBesluit DNA-onderzoek in strafzaken.(283) De rapporteurs vragen de regering ook in hoeverre de bevoegdheidom vingerafdrukken af te nemen bij staande gehouden verdachtenproportioneel is en in overeenstemming met het Unierecht.283. Op grond van artikel 2.6.9, eerste lid, kan een opsporingsambtenaarvan de verdachte die is staande gehouden, een of meer vingerafdrukkennemen. Die bevoegdheid vormt een aanvulling op de bevoegdheid die deopsporingsambtenaar op grond van artikel 2.5.3, eerste lid, heeft. Datartikellid geeft hem de bevoegdheid om een verdachte staande te houdenmet het oog op de vaststelling van zijn identiteit. Dat doet hij door deverdachte overeenkomstig de huidige regeling naar zijn identificerendepersoonsgegevens te vragen en van hem te vorderen dat hij zijn identi-teitsbewijs ter inzage aanbiedt (zie artikel 2 van de Wet op de identificatie-plicht) en dat identiteitsbewijs vervolgens te controleren. Omwille van deproportionaliteit mag de opsporingsambtenaar de bevoegdheid uitartikel 2.6.9, eerste lid, niet standaard bij iedere verdachte of eenafgebakende groep van verdachten uitoefenen, maar alleen in het gevalwaarin ook na de controle van door de staande gehouden verdachteopgegeven identificerende persoonsgegevens en van zijn identiteitsbewijsover zijn identiteit twijfel blijft bestaan. Zijn vingerafdrukken wordenvervolgens online en real time, geheel automatisch vergeleken met de vande verdachte eventueel al in de zogeheten Voorziening voor Verificatie enIdentificatie verwerkte vingerafdrukken. Daardoor kan snel een objectieveuitslag over zijn identiteit worden gegeven.Pas als blijkt dat van de staande gehouden verdachte in een eerderstrafrechtelijk onderzoek geen vingerafdrukken zijn verwerkt, of deonderlinge vergelijking van de vingerafdrukken geen duidelijkheid heeftgegeven over de identiteit van de staande gehouden verdachte of indienhet om andere redenen van belang is dat direct tot zijn aanhouding wordtovergegaan, zal de verdachte worden aangehouden en aan een uitge-breider identiteitsonderzoek worden onderworpen. Als hij is aangehoudenwegens verdenking van een misdrijf waarop naar de wettelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11223 omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld (en ook alser sprake is van een verdachte die wegens verdenking van een dergelijkmisdrijf wordt verhoord zonder dat hij is aangehouden) of hij is aange-houden wegens een ander strafbaar feit en er twijfel over zijn identiteitbestaat, zal overeenkomstig het huidig artikel 55c, tweede en derde lid,ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit altijd een of meergezichtsopnamen en vingerafdrukken worden genomen.De hierboven geschetste trapsgewijze wijze van identiteitsvaststelling is,zoals artikel 8 EVRM verlangt, proportioneel ten opzichte van hetnagestreefde doel van het voorkomen, opsporen, vervolgen en berechtenvan strafbare feiten. Door de bevoegdheid tot het nemen van vingeraf-drukken in artikel 2.6.9, eerste lid, te beperken tot staande gehoudenverdachten over wier identiteit twijfel bestaat, wordt een zo beperktmogelijke inbreuk op het recht op onaantastbaarheid van het lichaam vandie verdachten gemaakt. Bovendien gaat het daarbij om een lichte inbreukop dat recht, omdat de verdachte enkel en alleen maar zijn vinger op eendaarvoor bestemd apparaat hoeft te leggen. Vanuit een oogpunt vansubsidiariteit is verder een voordeel dat verdachten daardoor niet onnodigvan hun vrijheid worden beroofd. Zonder die bevoegdheid zouden zijimmers bij twijfel over hun identiteit worden aangehouden en naar hetpolitiebureau worden overgebracht om daar hun identiteit te kunnenvaststellen. Vrijheidsberoving vormt een zwaardere beperking van degrond- en mensenrechten van de verdachte op dan het plaatsen van zijnvinger op een daarvoor bestemd apparaat en het vergelijken van zijnvingerafdrukken met de al van hem verwerkte vingerafdrukken. Andere,minder verstrekkende maatregelen kunnen niet of onvoldoende ervoorzorgen dat hun identiteit op een betrouwbare en zorgvuldige manier kanworden vastgesteld. Lang niet iedere verdachte heeft namelijk eenidentiteitsbewijs bij zich en identiteitsbewijzen worden regelmatigvervalst. De verdachte heeft er in beginsel namelijk geen belang bij ommee te werken aan de strafrechtelijke interventie. Die interventie keert zichimmers juist tegen hem. Bijgevolg heeft hij er in beginsel evenmin belangbij om aan een opsporingsambtenaar zijn juiste identificerende persoons-gegevens op te geven. Het feit dat in onze rechtscultuur van oudsher veleverdachten dat wel doen, doet hieraan niet af. Niet alleen daarom, maarook omdat de visuele vergelijking van de foto op een identiteitsbewijs methet gezicht van de staande gehouden verdachte, lang niet altijd voldoendeuitsluitsel antwoord geeft op de vraag of het getoonde identiteitsbewijsinderdaad hoort bij degene die er gebruik van maakt om zich te legiti-meren, is het van belang dat de door de verdachte opgegeven identiteitgedegen op haar juistheid kan worden getoetst. Vingerafdrukken kunnendan uitkomst bieden. Zij zijn immers uniek identificerend en onveran-derlijk en zijn daarom een trefzeker en betrouwbaar (aanvullend)instrument om iemands identiteit te controleren. Met vingerafdrukken kandaarnaast niet gemakkelijk worden gefraudeerd. Als daarmee wel isgefraudeerd, kan de opsporingsambtenaar aan de hand van de foto en depersonalia die op het scherm van het apparaat voor hem verschijnenindien de verdachte zijn vingers op de daarvoor bestemde apparatuurplaatst, verifiëren of die persoonsgegevens met hem overeenkomen.Een deugdelijke vaststelling van de identiteit van een verdachte mag nietafhankelijk zijn van de status van de verdachte, dat wil zeggen of hij isstaande gehouden of aangehouden. Onafhankelijk van iemands status ishet immers voor de effectiviteit en efficiency van de opsporing noodza-kelijk dat kan worden gecontroleerd of de staande gehouden verdachtedegene is die hij aangeeft te zijn en dat bij twijfel over zijn identiteit demogelijkheid bestaat om met behulp van zijn vingerafdrukken zijnidentiteit te verifiëren. De overheid dient zich ervoor in te spannen dat aanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11224 iedere strafrechtelijke interventie – zeker als zij de rechten of vrijheden vanburgers raakt – een deugdelijke identiteitsvaststelling voorafgaat.De bevoegdheid om van staande gehouden verdachten bij twijfel overhun identiteit een of meer vingerafdrukken te nemen is niet alleen inovereenstemming met artikel 8 EVRM, maar ook met de Richtlijn2016/680. Op grond van artikel 10 van die richtlijn geldt dat het verwerkenvan gevoelige gegevens, waaronder biometrische gegevens, zoalsvingerafdrukken, in de zin van artikel 3, onder 13 van de richtlijn, met hetoog op de unieke identificatie van een natuurlijke persoon, slechts istoegelaten wanneer de verwerking strikt noodzakelijk is, plaatsvindt metinachtneming van passende waarborgen voor de rechten en vrijheden vande betrokkene, en bij het Unierecht of het lidstatelijke recht is toegestaan(zie onderdeel a). Zoals hiervoor is toegelicht, is het met het oog op deeffectiviteit en efficiency van de opsporing zonder meer noodzakelijk datde identiteit van een staande gehouden verdachte deugdelijk wordtvastgesteld en dat met het oog daarop bij twijfel over zijn identiteit zijnvingerafdrukken worden genomen en vergeleken (dat zijn vormen vanverwerken in de zin van de richtlijn) om zijn identiteit wel te kunnenvaststellen. Controle van de door de verdachte opgegeven identificerendepersoonsgegevens en van zijn identiteitsbewijs biedt, zoals hiervoor istoegelicht, namelijk lang niet altijd uitkomst. Hoewel niet van iederestaande gehouden verdachte eerder in een strafzaak vingerafdrukkenzullen zijn genomen en in de in Voorziening voor Verificatie en Identificatiezullen zijn verwerkt en verificatie van de identiteit met behulp vanvingerafdrukken daarom niet in alle gevallen uitsluitsel zal geven over dejuistheid van een door de staande gehouden verdachte opgegevenidentiteit, zal controle door middel van vingerafdrukken in geval vantwijfel over de identiteit bij een verdachte van wie de vingerafdrukken welin die databank zijn verwerkt, snel een objectieve uitslag over zijnidentiteit geven.(284) De leden van de VVD-fractie vragen naar de laatste stand van zakenmet betrekking tot de pilot die het OM en het NFI hebben aangekondigdmet genealogische DNA-databanken. Op welke wijze wordt in het nieuweWetboek van Strafvordering rekening gehouden met de uitkomsten vandeze pilot? Kan de regering toezeggen dat bij een positieve uitkomst vande pilot een effectieve en toekomstbestendige regeling in het Wetboekvan Strafvordering wordt opgenomen als dat noodzakelijk is voor deuitvoeringspraktijk?284. De laatste stand van zaken met betrekking tot de pilot is toegelicht inde brief van 14 december 2023 aan de Tweede Kamer (Kamerstukken II2023/24, 31 415, nr. 29). De pilot heeft tot doel het DNA-profiel van eenongeïdentificeerde verdachte en een ongeïdentificeerd slachtoffer uit tweeernstige zaken waarin sprake is van een verdenking van moord ofdoodslag te vergelijken met DNA-profielen in twee genealogischedatabanken. Hiermee wordt getracht een doorbraak in die zaken teforceren. Over de uitkomsten van deze pilot zal de Tweede Kamer te zijnertijd worden geïnformeerd.De regeling van het DNA-onderzoek in het huidige en het nieuwe wetboekhouden geen rekening met het gebruik van commerciële genealogischedatabanken voor het verrichten van DNA-verwantschapsonderzoek tenbehoeve van de opsporing. Het openbaar ministerie is niettemin, zoalsook in de brief van 14 december 2023 tot uitdrukking is gebracht, vanoordeel dat het gebruik van genealogische databanken voor de opsporingmomenteel juridisch toelaatbaar is, en aangenomen mag worden dat derechter-commissaris dat standpunt steunt, gezien het feit dat de rechter-commissaris voor het gebruik daarvan een machtiging heeft verleend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11225 Afhankelijk van de uitkomsten van de pilot is het voornemen om adviesvan deskundigen, zoals deskundigen uit de rechtspraktijk maar ookdeskundigen op het terrein van ethiek en privacy, in te winnen over deproportionaliteit van de inzet van commerciële genealogische databankenvoor de opsporing. Voordat eventueel wordt besloten tot een wettelijkeregeling wordt eerst goed onderzocht wat de juridische, ethische enprivacyaspecten zijn van het gebruik van deze databanken. De mogelijk-heden van de databanken voor de opsporing lijken weliswaar veelbe-lovend te zijn, maar het is evenzeer van belang om aandacht te hebbenvoor de gevolgen hiervan voor en de rechtsbescherming van de burgersdie de DNA-profielen hebben geüpload voor het identificeren vanfamilieleden en/of het achterhalen van hun geografische herkomst.(285) De leden van de VVD-fractie vragen of artikel 2.6.23 nader kanworden toegelicht, nu dat artikel niet apart is opgenomen in de artikelsge-wijze toelichting. Wanneer wordt een slachtoffer gewezen op demogelijkheid die dit artikel biedt?285. Artikel 2.6.23 komt inhoudelijk overeen met artikel 151g, eerste entweede lid, van het huidige wetboek. Het eerste lid van artikel 2.6.23voorziet erin dat het slachtoffer van een misdrijf waarbij er aanwijzingenzijn dat op hem een aangewezen ernstige besmettelijke ziekte kan zijnovergedragen, de officier van justitie kan verzoeken een onderzoek naareen mogelijke besmetting met die ziekte te bevelen. Het gaat hier in deeerste plaats om een onderzoek als bedoeld in artikel 2.6.20, eerste lid, ofartikel 2.6.21, eerste lid, dat tot doel om vast te stellen of de verdachte ofderde drager is van een of meer van de aangewezen ernstige ziektes. Hettweede type onderzoek, dat wordt aangeduid als fylogenetisch onderzoeken in artikel 2.6.22 is neergelegd, heeft tot doel om met een zekere matevan waarschijnlijkheid vast te stellen of de verdachte of derde degene isdie de desbetreffende infectieziekte heeft overgedragen op het slachtoffervan het misdrijf.Op grond van artikel 1.5.3 rust op de officier van justitie de plicht om hetslachtoffer bij zijn eerste contact met een betrokken opsporingsambtenaarzonder onnodige vertraging informatie te verstrekken over zijn rechten.Daaronder kan ook zijn recht om een verzoek als bedoeld in artikel 2.6.23te doen, worden begrepen. Het is de bedoeling dat dit in de algemenemaatregel van bestuur op grond van het tweede lid van artikel 1.5.3 wordtgeregeld. Als het slachtoffer wordt bijgestaan (zie artikel 1.5.6), magworden aangenomen dat degene die hem bijstaat, hem zo spoedigmogelijk op dat recht wijst. Verder kan het slachtoffer over zijn rechtenadvies inwinnen bij een instelling voor slachtofferhulp waarnaar hetslachtoffer op grond van artikel 1.5.2 moet worden verwezen.Volgens het tweede lid van artikel 2.6.23 moet de officier van justitiebinnen twaalf uur na ontvangst van het verzoek van het slachtoffer eengemotiveerde beslissing nemen en het slachtoffer daarvan in kennisstellen. De belangrijkste reden voor deze korte termijn is het medischbelang van het slachtoffer. Het innemen van preventieve medicatie isslechts gedurende een korte tijd na de overdracht van de ernstigebesmettelijke ziekte effectief (Kamerstukken II 2007/08, 31 241, nr. 6, p. 12).In het geval dat de officier van justitie het verzoek van het slachtofferafwijst, kan het slachtoffer op grond van artikel 2.6.27, eerste lid, bij derechter-commissaris een bezwaarschrift indienen.(286) De aan het woord zijnde leden vragen voorts hoe vaak hetonderzoek in artikel 2.6.20 de afgelopen vijf jaren heeft plaatsgevonden enof dit artikel ook kan worden toegepast als er een vermoeden bestaat vanCOVID-19.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11226 286. Uit navraag blijkt dat bij het openbaar ministerie niet bekend is hoevaak het in artikel 2.6.20 bedoelde onderzoek de afgelopen vijf jaar heeftplaatsgevonden. Artikel 2.6.20 maakt het mogelijk om van een verdachteof derde celmateriaal (te weten slijmvlies of sputum) af te nemen voor deuitvoering van een onderzoek dat dient om vast te stellen of de verdachteof derde drager is van COVID-19. Dat onderzoek kan worden verricht ingeval van een misdrijf waarbij uit aanwijzingen blijkt dat de verdachte hetslachtoffer van dat misdrijf kan hebben besmet of dat de verdachte hetslachtoffer met behulp van het celmateriaal van een derde heeft besmetdoor dit celmateriaal door een misdrijf op het slachtoffer over te brengen.(287) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het eerste lid vanartikel 2.6.12 is opgenomen dat wanneer het gezicht van de betrokkeneniet duidelijk op de foto zichtbaar is, op bevel van de (hulp)officier vanjustitie foto’s van een aangehouden verdachte kunnen worden genomen,waaronder foto’s waarop zichtbaar is welke kleding de verdacht ten tijdevan het begaan van het geweldsmisdrijf droeg. Deze leden zien hierbijgrote meerwaarde in het gebruik van gezichtsherkenning bij voetbalwed-strijden, om voetbalvandalisme beter te kunnen bestrijden en bestraffen.Voornoemde leden vragen op welke manier volgens de regeringgezichtsherkenning kan bijdragen aan het kunnen verifiëren vanverdachten van voetbalvandalisme.287. Volgens artikel 2.6.2 kan de bevoegdheid van artikel 2.6.12 alleenworden uitgeoefend als de verdachte is opgehouden voor onderzoek of inverzekering of voorlopige hechtenis is gesteld. Het in een stadion makenvan beeldopnamen met het oog op bestrijding van voetbalvandalisme kandus niet op artikel 2.6.12 worden gebaseerd, maar kan wel op basis van dealgemene bevoegdheidsbepaling van artikel 2.1.9 plaatsvinden. Eenopsporingsambtenaar kan op grond van die bepaling van verdachtepersonen tijdens een grootschalig evenement als een voetbalwedstrijdbeeldopnamen maken indien dat voor de uitoefening van zijn taak nodigis.Op dit moment worden camerabeelden veelvuldig gebruikt bij hetverifiëren van verdachten van voetbalgeweld. Hiervoor wordt ook deTaskforce van de KNVB ingezet die de voetbalclubs, maar ook de politie enhet openbaar ministerie ondersteunt bij het uitlezen van de beelden en hetherleiden van gedragingen naar personen. Zo heeft de Taskforce geholpenmet het identificeren van verdachten bij de geweldplegingen rond dewedstrijden ADO Den Haag-Excelsior, AZ-West Ham, AZ-Legia Warschauen FC Twente-Hammarsby.(288) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het eerste lid onder c vanartikel 2.6.14 de nieuwe bevoegdheid is opgenomen om een toxicologischonderzoek te doen naar lichaamsmateriaal van de verdachte, zoalslichaamshaar, bloed of urine. Op deze manier kan bewijs opgeleverdworden dat de beweringen van de verdachte al dan niet ontkracht. Eenvoorbeeld dat hierbij wordt gegeven, is wanneer de verdachte beweertniet onder invloed te zijn geweest van bedwelmende middelen.De leden van de CDA-fractie lezen dat de mogelijkheden omDNA-materiaal te vergaren, worden uitgebreid. Dit zal ook resulteren ineen toename van DNA-profielen in de databank. Deze leden vragenhoeveel extra capaciteit nodig zal zijn om deze profielen te verwerken enanalyseren, en op welke manier de regering deze capaciteit uit gaatbreiden.288. De mogelijkheden om celmateriaal af te nemen voor de uitvoeringvan een strafvorderlijk DNA-onderzoek worden in het nieuwe wetboekslechts op één onderdeel uitgebreid. Voor het doen van DNA-onderzoektegen de wil van de verdachte is niet langer het bestaan van ernstigebezwaren vereist. De verwachting is dat die wijziging tot een zeer kleineTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11227 toename van DNA-profielen in de DNA-databank zal leiden en in elk gevalniet tot een dusdanige toename dat uitbreiding van capaciteit bijvoor-beeld bij het Nederlands Forensisch Instituut nodig is. Het voorgesteldetoxicologisch onderzoek levert geen DNA-profielen op en zal om die redendan ook geen toename van DNA-profielen in de DNA-databank veroor-zaken en evenmin extra capaciteit vergen.(289) De leden van de BBB-fractie hebben op het punt van hoofdstuk 6nog de algemene vraag waarom de (te) gedetailleerde omschrijving alleenin de memorie van toelichting staat. Als de regering daadwerkelijk wil datde betreffende bevoegdheden begrensd dienen te worden, waarom is ditdan niet in de wet zelf opgenomen? Dat gaat in de toekomst toch alleenmaar verwarring opleveren bij opsporingsambtenaren die niet dememorie van toelichting, maar alleen de wet raadplegen?289. Vermoedelijk is hier sprake van een misverstand. De omschrijvingvan de onderzoeksbevoegdheden met betrekking tot het lichaam is inBoek 2, Hoofdstuk 6, en dus in de wettelijke regeling zelf opgenomen endaar waar dat nodig werd geoordeeld, in de memorie van toelichtingtoegelicht. In dat verband is in de memorie van toelichting ook ingegaanop de mate waarin de wettelijke regeling van deze onderzoeksbevoegd-heden gedetailleerd dient te zijn of ruimte biedt voor algemenereomschrijvingen.(290) In dat licht vragen de leden van de BBB-fractie nog aandacht voorhet volgende. Een belangrijk doel van het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering is het verminderen van de administratieve lasten voor de politie enhet OM. Waarom zijn de in hoofdstuk 6 van Boek 2 vastgelegde bevoegd-heden zo gedetailleerd omschreven met als gevolg dat het niet alleenbeperkend is, maar vrijwel zeker ook niet tot vermindering van deadministratieve lasten zal leiden? Is de regering zich hiervan bewust? Zoja, kan de keuze hiervoor worden toegelicht?290. Mede naar aanleiding van deze vraag, maar ook naar aanleiding vanandere vragen in het verslag over Boek 2 over de noodzaak van eengedetailleerde regeling van de onderzoeksbevoegdheden met betrekkingtot het lichaam, zoals die nu in Boek 2, Hoofdstuk 6, is neergelegd, is dieregeling nog eens tegen het licht gehouden en is onderzocht of er eenmiddenweg mogelijk is tussen enerzijds volstaan met volledig openomschrijvingen of met categorieën van onderzoeken en anderzijds eengedetailleerde omschrijving van die onderzoeken. Die conclusie heeft eringeresulteerd dat in het voorstel van de eerste aanvullingswet diverseaanpassingen in verschillende onderzoeksbevoegdheden met betrekkingtot het lichaam zijn aangebracht die ervoor zorgen dat die bevoegdhedenminder gedetailleerd zijn vormgegeven. Zie voor meer informatie hetantwoord op vraag 275.(291) In het verlengde van bovenstaande algemene opmerkingen wijzende leden van de BBB-fractie op de verplichting die is opgenomen inartikel 2.6.12 lid 1 sub c: «In geval van verdenking van een misdrijf waaropnaar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar of meer isgesteld, kan de officier van justitie of de hulpofficier van justitie bevelendat de opsporingsambtenaar ten behoeve van een vergelijkend onderzoekvan de verdachte een of beide schoenen uitdoet en van de zool of zolendaarvan een of meer afdrukken verwerkt.» Is deze omschrijving niet veelte gedetailleerd en daarmee te beperkend/verplichtend voor de opspo-ringsambtenaren?291. Artikel 2.6.12, eerste lid, onderdeel c, is inhoudelijk gebaseerd op hetlaatste onderdeel van artikel 61a, eerste lid, onder b, van het huidigewetboek. Op basis van dat artikellid kan tegen de voor onderzoekopgehouden verdachte in het belang van het onderzoek worden bevolendat afdrukken van de zolen van zijn schoenen worden genomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11228 Bij de totstandkoming van Boek 2, Hoofdstuk 6, is overwogen om dieonderzoeksmaatregel geen plaats in dat hoofdstuk te geven omdat deschoenen van de verdachte tot de voorwerpen behoren die hij met zichvoert en die voorwerpen ten behoeve van het maken van schoenzoolaf-drukken op grond van Hoofdstuk 7 van Boek 2 in beslag kunnen wordengenomen. Voor zover de verdachte voor het nemen van de afdrukken vaneen of beide van zijn schoenen onder (lichamelijke) dwang zijn schoen(en)moet uitdoen als gevolg waarvan een beperkte inbreuk op zijn lichame-lijke integriteit wordt gemaakt, kan die dwang onderdeel zijn van deinbeslagnemingsbevoegdheid. Dat blijkt uit de uitspraak van de HogeRaad waarin de bevoegdheid tot inbeslagneming als wettelijke basis isbeschouwd om de verdachte onder dwang zijn duim op zijn smartphonete laten leggen met het oog op de ontgrendeling van die smartphone(ECLI:NL:HR:2021:202). Niettemin is destijds besloten om de onderzoeks-maatregel uit het laatste onderdeel van artikel 61a, eerste lid, onder b, vanhet huidige wetboek in Hoofdstuk 6 van Boek 2 een plaats te geven endaarmee de systematiek van het huidige wetboek te volgen. Als gevolgvan de onderhavige vraag en andere vragen die in het verslag metbetrekking tot Boek 2 over de gedetailleerdheid van die regeling zijngesteld, is die beslissing heroverwogen en is ervoor gekozen omonderdeel c in artikel 2.6.12 in de eerste aanvullingswet te laten vervallen,als onderdeel van een (in die eerste aanvullingswet opgenomen) brederpakket aan aanpassingen in verschillende onderzoeksbevoegdheden metbetrekking tot het lichaam, die ervoor zorgen dat die bevoegdhedenminder gedetailleerd worden vormgegeven. De reden voor deze herover-weging is dat zowel in het geval een verdachte voor het nemen vanschoenzoolafdrukken een of beide schoenen moet uitdoen als in het gevalwaarin hij zijn schoenen al had uitgedaan en er dus geen beperkte inbreukop zijn lichamelijke integriteit hoeft te worden gemaakt, een naderenormering achterwege kan blijven, en het nemen van schoenzoolaf-drukken en het toepassen van dwang bij het laten uitdoen van deschoenen op de algemene bevoegdheid tot inbeslagneming kunnenworden gebaseerd. Doordat deze heroverweging onderdeel uitmaakt vaneen breder pakket aan aanpassingen in het voorstel voor de eersteaanvullingswet kan deze heroverweging in de wetgevingsprocedure metbetrekking tot dat voorstel als onderdeel van dat pakket op haar meritesworden beoordeeld.6.7 Bevoegdheden van de rechter-commissaris (292) De leden van de CDA-fractie lezen dat in titel 6.7 de bevoegdhedenvan de rechter-commissaris zijn opgenomen. Wat is de reden dat dezebevoegdheden op de voorgestelde plek in het Wetboek van Strafvorderingeen plek hebben gekregen?292. In het huidige wetboek zijn, als gevolg van opeenvolgende wijzi-gingen in de bepalingen van het opsporingsonderzoek, dezelfde ofvergelijkbare bevoegdheden verschillende malen uitgeschreven afhan-kelijk van het toepasselijke verdenkingscriterium of van de autoriteit diede desbetreffende bevoegdheid uitoefent. Dit komt de overzichtelijkheidniet ten goede. Daarom is in het nieuwe wetboek tot uitgangspuntgenomen dat bevoegdheden in het opsporingsonderzoek in beginseleenmaal worden uitgeschreven en dat (waar dat aan de orde is) in eenschakelbepaling wordt vermeld dat deze ook bij een ander toepasselijkverdenkingscriterium dan wel ook door een andere autoriteit kunnenworden uitgeoefend. De keuze om de bevoegdheden met betrekking tothet lichaam die door de rechter-commissaris kunnen worden uitgeoefendin Titel 6.7 op te nemen, vloeit rechtstreeks uit dit uitgangspunt voort. InBoek 2, Hoofdstuk 6 (Bevoegdheden met betrekking tot het lichaam) enBoek 2, Hoofdstuk 7 (Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen engegevens) komen bevoegdheden voor die zowel door opsporingsambte-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11229 naren en de officier van justitie als door de rechter-commissaris kunnenworden uitgeoefend. In deze hoofdstukken is ervoor gekozen om dezebevoegdheden alleen voor opsporingsambtenaren en de officier vanjustitie volledig uit te schrijven. Vervolgens is aan het slot van dezehoofdstukken (voorafgaand aan een titel met rechtsmiddelen waarmeedeze hoofdstukken afsluiten) een titel opgenomen (het betreft de Titels 6.7en 7.7) met een schakelbepaling waarin voor de corresponderendebevoegdheden van de rechter-commissaris wordt verwezen naar devolledig uitgeschreven bevoegdheden in de eerdere titels van hetdesbetreffende hoofdstuk. Deze constructie sluit aan bij het gegeven datdit soort bevoegdheden in het leeuwendeel van de gevallen dooropsporingsambtenaren of de officier van justitie worden uitgeoefend, enalleen bij uitzondering door de rechter-commissaris.7. Bevoegdheden met betrekking tot voorwerpen en gegevens (293) De rapporteurs hebben een algemene vraag over hoofdstuk zeven.Kan de regering toelichten waarom in dit hoofdstuk niet meer aandacht isbesteed aan normen uit het gegevensbeschermingsrecht, in het bijzonderals het gaat om grote hoeveelheden gegevens waarin zich ook gegevensvan niet-verdachte burgers bevinden?293. De normering van de verwerking van persoonsgegevens in hetpolitie- en justitiedomein is primair geregeld in de Wet politiegegevens(Wpg) en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg). Het(nieuwe) Wetboek van Strafvordering normeert primair de bevoegdhedenom gegevens te vergaren ten behoeve van de opsporing van strafbarefeiten. Evenwel wordt onderkend dat het traditionele onderscheid tussende normering van gegevensvergaring en de normering van gegevensver-werking aan wijziging onderhevig is in het licht van de gevolgen voor deprivacy van de burger van het doen van onderzoek aan gegevens die inbulk zijn vergaard en geautomatiseerde gegevensanalyse. Bekeken wordtdaarom welke nadere normering van de gegevensverwerking geboden is.Waar nodig zal door middel van wetgeving dergelijke normering wordenvoorzien. Zie ook het antwoord op de vragen 208 en 210.(294) Kan de regering nader toelichten hoe de eisen van Richtlijn 2016/80worden gewaarborgd, mede gelet op het gegeven dat de Wpg voorlopigniet fundamenteel wijzigt?294. Richtlijn 2016/680 is geïmplementeerd in de Wet politiegegevens ende Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De gegevensbeschermingin deze wetten voldoet aan de eisen die in de richtlijn worden gesteld.Maar aangezien de interpretatie van die normen in de rechtspraak aanontwikkeling onderhevig is, blijft het zaak om die ontwikkelingen te volgenen te bekijken of zij gevolgen moeten hebben voor de wetgeving.7.1 Algemene bepalingen (295) De rapporteurs hebben een vraag met betrekking tot de algemenebepalingen. Kan de regering nader toelichten aan welke veiligheidsmaat-regelen wordt gedacht bij artikel 2.7.3 lid 1 sub d?295. In artikel 2.7.3 worden diverse bevelen en maatregelen genoemd diekunnen worden gegeven of genomen tijdens een schouw of doorzoeking.Het eerste lid, onderdeel d, bevat de mogelijkheid tot het (doen) nemenvan maatregelen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de veiligheid vande bij de uitvoering van de schouw of doorzoeking betrokken opsporings-ambtenaar of rechter-commissaris. Zo kan een beveiligingscamera terplaatse worden uitgeschakeld of kunnen de al opgenomen beeldenworden gewist, zodat wordt voorkomen dat deze worden verspreid via(onder meer) het internet. Een ander voorbeeld vormt het uit de buurt vande plaats van de schouw of de doorzoeking houden van nieuwsgierigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11230 omstanders. Het hoeft dan niet noodzakelijkerwijs te gaan om een beveldat iemand zich van de plaats van onderzoek verwijdert, maar veeleer omhet voorkomen dat mensen zich op die plaats zullen begeven. Verder kan– als een doorzoeking niet openlijk, maar heimelijk wordt verricht – debeveiliging van een pand tijdelijk worden uitgeschakeld. Opmerkingverdient ten slotte dat de andere maatregelen die in artikel 2.7.3, eerstelid, zijn opgenomen weliswaar niet primair tot doel hebben de veiligheidvan de betrokken opsporingsambtenaar of rechter-commissaris tewaarborgen, maar daaraan wel een bijdrage kunnen leveren. Dat geldtbijvoorbeeld voor het (doen) nemen van maatregelen tot bewaking ofafsluiting van de plaats (artikel 2.7.3, eerste lid, onderdeel e), maar ookvoor het bevelen dat degene tot wie het bevel is gericht zich van de plaatsvan onderzoek zal verwijderen (artikel 2.7.3, eerste lid, onderdeel c).(296) De leden van de VVD-fractie lezen dat er naar aanleiding van hetProkuratuur-arrest is gekozen voor een vangnetbepaling voor de gevallenwaarin dat niet (specifiek) is vereist, de officier van justitie wel ervoor kankiezen een bevel tot de uitoefening van een bevoegdheid pas te geven naeen machtiging van de rechter-commissaris. Voornoemde leden vragen ofde politie, het OM en het platform Bijzondere Opsporingsdiensten zichkunnen vinden in de voorgestelde vangnetbepaling. Hoe taxeert deregering het risico dat officieren «zekerheidshalve» deze vangnetbepalinginzetten, met extra werklast voor kabinetten van de rechter-commissaristot gevolg, en het risico dat de rechter later in het proces (n.a.v. eenverzoek van de verdediging) zal oordelen dat de vangnetbepaling hadmoeten worden gebruikt? Wat zijn de voor- en nadelen om de zorgen vande politie en het OM op dit punt tegemoet te komen en dus niet het risicote nemen dat het arrest een uitstralende werking heeft naar andereonderdelen?296. Zoals in het antwoord op vraag 224 is opgemerkt, strekt de algemenemachtigingsmogelijkheid van artikel 2.1.7 tot de codificatie van het inbestendige rechtspraak van de Hoge Raad aanvaarde uitgangspunt dat deofficier van justitie ook een machtiging van de rechter-commissaris kanvorderen tot het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid indien dewettelijke bepaling waarin die bevoegdheid is neergelegd, geen vooraf-gaande machtiging van de rechter-commissaris voorschrijft. Het gaat dusom codificatie van het geldende recht, en dus niet om iets nieuws. Dezerechtspraak van de Hoge Raad dateert van na de consultatiefase van hetwetsvoorstel en is in het wetsvoorstel opgenomen bij gelegenheid van hetnader rapport. De politie, het openbaar ministerie en het Platformbijzondere opsporingsdiensten hebben zich daardoor in hun consultatie-advies niet kunnen uitspreken over de codificatie van de algemenemachtigingsmogelijkheid. Wel is de codificatie in informele overleggenmet betrokkenen besproken.De codificatie van de algemene machtigingsmogelijkheid kan niet hetrechterlijk oordeel tot gevolg hebben dat de officier van justitie tenonrechte geen gebruik heeft gemaakt van deze vangnetbepaling. Indiende wet voor de uitoefening van een bepaalde bevoegdheid geenmachtiging van de rechter-commissaris vereist, is het de officier vanjustitie die beslist om in het concrete geval wel of geen machtiging tevorderen bij de rechter-commissaris alvorens hij een bevel geeft. Hetwoord «kan» in artikel 2.1.7, eerste lid, brengt tot uitdrukking dat hethierbij gaat om een mogelijkheid.De algemene machtigingsmogelijkheid geldt onverlet de werking vantoepasselijke verdragen en verbindende besluiten van volkenrechtelijkeorganisaties. Zo kunnen aanvullende rechterlijke waarborgen zijn vereistop grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie. Ook kan op grondvan een verdragsbepaling bij de uitoefening van een bevoegdheidrechterlijke tussenkomst zijn vereist. In dergelijke gevallen is de officierTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11231 van justitie op grond van het rechtstreeks werkende EU-recht respectie-velijk internationaal recht gehouden om gebruik te maken van dealgemene machtigingsmogelijkheid. Wanneer hij in die gevallen tenonrechte nalaat een machtiging te vorderen leidt dat uiteraard wel tot hetrechterlijk oordeel dat de officier van justitie op grond van Europees rechtvan de machtigingsmogelijkheid gebruik had moeten maken. Dit is onderhet geldende recht echter niet anders.Om deze redenen luidt de conclusie dat de codificatie van de algemenemachtigingsmogelijkheid geen invloed heeft op het aantal gevallenwaarin de officier van justitie gebruik zal maken van de algemenemachtigingsmogelijkheid. De codificatie bevordert slechts de toeganke-lijkheid en de kenbaarheid van het recht. Ook biedt de codificatie demogelijkheid te expliciteren dat de officier van justitie beroep kan instellentegen de afwijzing van een vordering om een machtiging te verlenen.(297) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het eerste lid vanartikel 2.7.3 maatregelen zijn opgenomen om ervoor te zorgen dat eendoorzoeking of schouw ongehinderd verloopt. Onder d wordt toegelichtdat maatregelen genomen kunnen worden om de veiligheid van de bij deuitvoering van de schouw of doorzoeking betrokken opsporings-ambtenaar of rechter-commissaris te waarborgen. Hieronder valt ook hetuitschakelen van camerabewaking of wissen van camerabeelden die zijngemaakt, ten behoeve van de veiligheid van de opsporingsambtenaren.Wat is de consequentie als deze bewakingscamera’s na een bevel tochniet worden uitgezet of de beelden verwijderd? Op welke manier kanbevolen worden dat de beelden, mochten die toch verspreid worden, zosnel mogelijk van het internet verdwijnen? Onder welke strafbaarstellingvalt deze situatie?297. Zoals in het antwoord op vraag 295 is aangegeven, worden inartikel 2.7.3 diverse bevelen en maatregelen genoemd die kunnen wordengegeven of genomen tijdens een schouw of doorzoeking. De bepalingbevat onder andere de mogelijkheid tot het (doen) nemen van maatre-gelen die redelijkerwijs noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de bij deuitvoering van de schouw of doorzoeking betrokken opsporings-ambtenaar of rechter-commissaris (artikel 2.7.3, eerste lid, aanhef enonderdeel d). Zo kan een beveiligingscamera ter plaatse worden uitge-schakeld of kunnen de al opgenomen beelden worden gewist, zodat wordtvoorkomen dat deze worden verspreid via (onder meer) het internet. Ditonderdeel is niet aldus geformuleerd dat de betrokken rechter-commissaris of opsporingsambtenaar een derde beveelt de beveiligings-camera’s uit te schakelen en de beelden te verwijderen. Zij zullen daartoezelf overgaan, of dit aan iemand vragen en, als die persoon weigert,alsnog zelf daartoe overgaan.Mochten er, ondanks de getroffen maatregelen of door het achterwegeblijven van maatregelen, toch beelden beschikbaar zijn die vervolgensworden verspreid, dan geldt het volgende. Het verspreiden van dergelijkecamerabeelden is vanaf 1 januari 2024 onder bepaalde omstandighedenstrafbaar als «doxing». Doxing is het verspreiden van persoonsgegevensvan een ander met het oogmerk om die ander vrees aan te jagen dan welaan te laten jagen, ernstige overlast aan te doen dan wel aan te laten doenof hem in de uitoefening van zijn ambt of beroep ernstig te hinderen danwel ernstig te laten hinderen (artikel 285d van het Wetboek van Straf-recht). Doxing is een misdrijf als bedoeld in het huidige artikel 67, eerstelid, en wordt via de eerste aanvullingswet ook aan het nieuwe artikel 2.1.8toegevoegd (zie meer algemeen het antwoord op vraag 228). Dat betekentdat de bevoegdheid van artikel 2.7.57 bij deze vormen van doxing kanworden uitgeoefend. Deze bepaling is de opvolger van het huidigeartikel 125p. Zij houdt in dat de officier van justitie, na een daartoeverleende machtiging van de rechter-commissaris, een aanbieder van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11232 communicatiedienst kan bevelen om direct alle maatregelen te nemen dieredelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd om bepaalde gegevensdie worden opgeslagen of doorgegeven, ontoegankelijk te maken en tehouden, voor zover dit noodzakelijk is ter beëindiging van een strafbaarfeit of ter voorkoming van nieuwe strafbare feiten.7.2 Inbeslagneming van voorwerpen (298) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van de inbeslag-neming van voorwerpen. Kan de regering toelichten in hoeverre deaanwezigheid van een officier van justitie bij het betreden en/ofdoorzoeken van plaatsen, niet zijnde woningen, als noodzakelijk wordtgezien?298. Voor het betreden van plaatsen met als doel om ter inbeslagnemingzoekend rond te kijken of, in afwachting van een doorzoeking, de situatiete bevriezen (artikel 2.7.10) geldt dat de opsporingsambtenaar daartoezelfstandig kan overgaan. Wel heeft hij, onder zowel het huidige als hetnieuwe recht, op grond van de Algemene wet op het binnentreden eenschriftelijke machtiging nodig. Aanwezigheid van de officier van justitie bijhet enkel betreden van woning is niet noodzakelijk.Het doorzoeken van een plaats gaat verder dan het enkele betredendaarvan. Daarom gelden voor een doorzoeking strengere regels, waarbijde gestrengheid ook afhankelijk is van de soort plaats die wordtdoorzocht. De officier van justitie kan bevelen dat een opsporings-ambtenaar een plaats, met uitzondering van een woning zondertoestemming van de bewoner en een kantoor van een functioneelverschoningsgerechtigde, ter inbeslagneming doorzoekt (artikel 2.7.12,eerste lid). De hulpofficier van justitie kan deze bevoegdheid uitoefenenbij dringende noodzaak en indien het optreden van de officier van justitieniet kan worden afgewacht. Hij heeft dan wel toestemming nodig van deofficier van justitie (artikel 2.7.12, tweede lid). De doorzoeking vindt plaatsonder leiding van de officier van justitie of – in het geval, bedoeld in hettweede lid – onder leiding van de hulpofficier van justitie (artikel 2.7.12,derde lid). Verder is bepaald dat als de officier van justitie niet aanwezig isbij de doorzoeking, de hulpofficier van justitie dat wel is (artikel 2.7.12,derde lid). Er is dus altijd een hulpofficier van justitie of een officier vanjustitie aanwezig bij de doorzoeking van een plaats.In de consultatieversie van Boek 2 was opgenomen dat de doorzoekingplaatsvindt in de aanwezigheid van de officier van justitie, «zolang hij datnoodzakelijk acht». In de toelichting was opgenomen dat de officier vanjustitie in ieder geval bij het openen van de doorzoeking aanwezig dient tezijn. Op dat voorstel is kritiek geuit, omdat het niet in overeenstemming ismet de feitelijke situatie, die is gebaseerd op het huidige wetboek. Het OMheeft in zijn consultatieadvies naar voren gebracht dat veel doorzoekingenplaatsvinden onder telefonische leiding van de officier van justitie. Datgebeurt zeker als in één gecoördineerde actie een groot aantal doorzoe-kingen tegelijkertijd plaatsvindt onder leiding van één officier van justitie.Op de desbetreffende plaatsen is dan een hulpofficier van justitieaanwezig. Om deze reden is uiteindelijk gekozen voor een formulering diebeter aansluit bij het huidige artikel 96c, dat evenmin voorschrijft dat deofficier van justitie aanwezig is bij de doorzoeking zolang hij dat noodza-kelijk acht.De voorgestelde regeling schrijft voor dat de doorzoeking plaatsvindtonder leiding van de officier van justitie (of, bij dringende noodzaak, dehulpofficier van justitie), maar bevat geen nadere regels over de gevallenwaarin dat leidinggeven actieve aanwezigheid op de plaats van dedoorzoeking dient te behelzen. In de toelichting is uiteengezet dat deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11233 officier van justitie in beginsel aanwezig dient te zijn bij de doorzoeking,met het oog op het houden van toezicht op de rechtmatige uitvoeringdaarvan en het beantwoorden van eventuele vragen van aanwezigepersonen die met de doorzoeking geconfronteerd worden. Het is echterniet noodzakelijk dat de officier van justitie ter plaatse permanentaanwezig is. De officier van justitie kan op afstand telefonisch leidinggeven aan de opsporingsambtenaren die de doorzoeking verrichten.De wettelijke regeling laat al met al de ruimte aan de officier van justitieom zelf om te bepalen wanneer hij het noodzakelijk vindt om bij dedoorzoeking aanwezig te zijn. Wel schrijft de wet voor dat de doorzoeking– behoudens de hiervoor genoemde uitzondering van artikel 2.7.12,tweede lid – plaatsvindt onder leiding van de officier van justitie. Modernecommunicatiemiddelen maken het mogelijk dat eenvoudig contact wordtgezocht met de officier van justitie om vragen voor te leggen, beslissingente vragen en nadere instructies te verkrijgen. De officier van justitie kandoor middel van een videoverbinding zelfs zicht krijgen op de feitelijkesituatie als dat nodig is om een bepaalde beslissing te kunnen nemen. Deverantwoordelijkheid van de officier van justitie voor de doorzoeking kanmet andere woorden voldoende worden gewaarborgd zonder diensfysieke aanwezigheid ter plaatse.(299) Kan de regering nader toelichten wat een adequate beschrijving vande inbeslaggenomen voorwerpen in de zin van artikel 2.7.5 lid 1 inhoudt?299. Uit de memorie van toelichting op artikel 2.7.5 blijkt dat het bewijsvan uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming een aanduidingbevat van de inbeslaggenomen voorwerpen. In het bewijs kan wordenvolstaan met een globale aanduiding van de inbeslaggenomenvoorwerpen. Doel is dat de beslagene direct beschikt over een bewijs vanuitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming opdat hij tegen deinbeslagneming in rechte kan opkomen. Het opstellen van een lijstwaarop elk inbeslaggenomen voorwerp uitgebreid wordt beschreven isdaarvoor niet nodig en gebeurt in de praktijk dikwijls pas in een wat laterstadium. Het opstellen van het bewijs van uitoefening van debevoegdheid tot inbeslagneming kan zo bezien worden beschouwd alseen verkorte verslaglegging die voorafgaat aan het opstellen van deinventarisatie van de inbeslaggenomen voorwerpen. De inhoud van hetbewijs van uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming isdaarmee ook minder gedetailleerd dan de inhoud van de kennisgevingvan inbeslagneming (artikel 2.7.17). De kennisgeving van inbeslagnemingis voor intern gebruik bij de opsporing en is specifieker dan het bewijs vanuitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming. Dit laat uiteraardonverlet dat het de opsporingsambtenaar vrij staat om direct eenvolledige lijst op te maken en deze af te geven aan de beslagene of achterte laten op de plaats van de betreding of doorzoeking.Uit het bewijs van uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagnemingmoet slechts blijken dat er voorwerpen zijn inbeslaggenomen, bijvoor-beeld door daarin op te nemen «de laptops en de Ipads uit de woonkameren de slaapkamers zijn inbeslaggenomen» of «de dozen die op zolderachter het schot stonden zijn inbeslaggenomen» of «de papierenbedrijfsadministratie uit de werkkamer is inbeslaggenomen». In iedergeval moet de aanduiding zodanig specifiek zijn dat de beslagene opgrond van dit bewijs tegen de inbeslagneming kan opkomen.(300) Hoe kan worden gewaarborgd dat het beslag in de praktijk op eenvoortvarende wijze wordt afgehandeld, zoals bedoeld in artikel 2.7.24?300. Met de bepaling van artikel 2.7.24, eerste lid, vindt codificatie plaatsvan de ontwikkelingen die eerder binnen het openbaar ministerie in gangzijn gezet. In 2020 is «de nieuwe werkwijze beslag» ingevoerd met als doelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11234 de afhandeling van beslag sneller, zorgvuldiger en meer uniform te latenverlopen. Met deze nieuwe werkwijze is beoogd de interne beslagpro-cessen binnen het openbaar ministerie te optimaliseren. De prioriteitenliggen bij de uniformering van de registratie en de administratieveprocessen, het helder beleggen van verantwoordelijkheden binnen hetbeslagproces en de sturing daarop, het verlagen van de voorraden bij debeslaghuizen en bij Domeinen Roerende Zaken, het tijdig en juistbeslissen over inbeslaggenomen voorwerpen, en het voorkomen vannieuwe voorraden door het verlagen van het percentage gedeponeerdegoederen. Het vorenstaande brengt mee dat door het openbaar ministeriebelangrijke stappen zijn gezet op beslaggebied waarbij steeds hetwaarborgen van de afhandeling van inbeslaggenomen goederen op eenvoortvarende wijze in ogenschouw wordt gehouden.Binnen het openbaar ministerie is beslag aangewezen als een van dekritische processen. Dit betekent dat beslag continu de aandacht heeft engemonitord wordt vanuit het College van procureurs-generaal. In deperiodieke gesprekken van het College met de parketten is beslag een vastonderdeel. Ten behoeve van een voortvarende afhandeling wordt detijdigheid van beslagbeslissingen gemonitord, waardoor sturing op deresultaten mogelijk is.(301) De leden van de D66-fractie merken op dat bij een doorzoeking deofficier van justitie niet noodzakelijkerwijs aanwezig hoeft te zijn. Deofficier van justitie kan ook op afstand, telefonisch, leidinggeven aan dedoorzoeking. Erkent de regering dat een doorzoeking, en de inbeslagnamevan goederen tijdens een doorzoeking, zeer ingrijpende gevolgen kanhebben voor de betrokkene(n)? Zou de regering het in dat licht wenselijkvinden als degene die de keuzes maakt op zijn minst ter plaatse aanwezigis?301. Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoordop vraag 298, waarbij is ingegaan op artikel 2.7.12 (doorzoeking van eenplaats, niet zijnde een woning die zonder toestemming van de rechtheb-bende wordt doorzocht of kantoor van een functioneel verschoningsge-rechtigde). Een doorzoeking van een dergelijke plaats en een eventueeldaaropvolgende inbeslagneming kan inderdaad ingrijpende gevolgenhebben voor de betrokkenen. Daarom is de bevoegdheid ook vormge-geven en genormeerd zoals besproken in antwoord 298, waarbij wordtaangesloten bij de huidige wettelijke regeling en de daarop gebaseerdepraktijk. In dat antwoord wordt ook ingegaan op de aanwezigheid van deofficier van justitie en de wijze waarop hij leiding geeft aan dedoorzoeking (o.a. door middel van videobellen, zodat hij – als hij dat nodigvindt – wel zicht kan hebben op de situatie waarover hij moet beslissen).Bij een doorzoeking van een dergelijke plaats is het, net zoals nugebruikelijk is, aan de officier van justitie zelf om te bepalen wanneer hijhet geboden acht om daadwerkelijk bij de doorzoeking aanwezig te zijn. Indit verband is van belang dat artikel 2.7.12 wel de aanwezigheid van inieder geval de hulpofficier van justitie voorschrijft (artikel 2.7.12, derde lid,eerste zin). Dat betekent dat altijd een ervaren opsporingsambtenaar bijde doorzoeking aanwezig is. Samen met het vereiste dat de doorzoekingonder leiding staat van de officier van justitie (of onder leiding van dehulpofficier van justitie wanneer het optreden van de officier van justitieniet kan worden afgewacht) en de te doorzoeken plaats niet een woningbetreft die zonder toestemming van de bewoner wordt doorzocht of eenkantoor van een functioneel verschoningsgerechtigde, is bij dezebevoegdheid in een evenwichtig stelsel van rechtswaarborgen voorzien.(302) De leden van de D66-fractie juichen toe dat in de nieuwe wet eenalgemene zorgplicht voor de officier van justitie is opgenomen voor eenvoortvarende afwikkeling van het beslag. Kan de regering aangeven ofonder deze zorgplicht ook valt dat inbeslaggenomen goederen nietTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11235 vroegtijdig en voorbarig worden vernietigd waardoor, bij een uiteindelijkeonherroepelijke vrijspraak in een later stadium, de goederen niet meeraan de betrokkene kunnen worden geretourneerd?302. Voortvarende afhandeling van het beslag betekent dat de officier vanjustitie tijdig moet beslissen over de inbeslaggenomen voorwerpen. Hijkan daarbij bevelen dat het inbeslaggenomen voorwerp niet (langer)wordt bewaard maar wordt vervreemd of vernietigd. De gronden waaropzo’n bevel kan worden gegeven zijn limitatief opgesomd in artikel 2.7.31,eerste lid. Dan gaat het om een voorwerp dat niet geschikt is voor opslag(denk aan producten met een korte vervaldatum) of waarvan de bewaar-kosten niet in een redelijke verhouding staan tot de waarde, dan wel omeen vervangbaar voorwerp waarvan de waarde op eenvoudige wijze is tebepalen.Dat de officier van justitie tijdig beslist over «het lot» van het inbeslagge-nomen voorwerp, neemt uiteraard niet weg dat er een zorgvuldigebeslissing moet worden genomen. Daarom juist is het van belang dat erstappen worden – en inmiddels ook zijn – gezet om te komen tot eenverbetering van de afhandeling van het beslag. In 2020 is «de nieuwewerkwijze beslag» ingevoerd met als doel de afhandeling van beslagsneller, zorgvuldiger en meer uniform te laten verlopen. Met deze nieuwewerkwijze is beoogd de interne beslagprocessen binnen het openbaarministerie te optimaliseren. Zoals in de memorie van toelichting isaangegeven, wordt niet uitgesloten dat als de genomen maatregelenonvoldoende effect sorteren, alsnog bij of krachtens algemene maatregelvan bestuur aanvullende regels worden gesteld over de afhandeling vanhet beslag. Artikel 2.7.34 biedt hiervoor een wettelijke grondslag.Opmerking verdient tot slot dat de vernietiging van een inbeslaggenomenvoorwerp op bevel van de officier van justitie niet betekent dat degeneaan wie een voorwerp na een onherroepelijke vrijspraak moet wordenteruggegeven, van een koude kermis thuiskomt. Diegene heeft dan rechtop uitkering van de prijs die het inbeslaggenomen voorwerp heeftopgebracht of bij verkoop zou hebben opgebracht (artikel 2.7.29, tweedelid).(303) De leden van de CDA-fractie lezen dat in lid 1 van artikel 2.7.5 isopgenomen dat in geval van inbeslagneming aan de beslagene eenbewijs van inbeslagneming wordt uitgereikt, tenzij dit feitelijk nietmogelijk is. Als de beslagene niet aanwezig is ten tijde van de inbeslag-neming, wordt het bewijs achtergelaten op de plaats van inbeslagneming,tenzij dit feitelijk niet mogelijk is. Op welke manier wordt de beslagene opde hoogte gesteld van de inbeslagname wanneer het feitelijk niet mogelijkblijkt te zijn om een bewijs achter te laten?303. Bij de beantwoording van deze vraag wordt vooropgesteld datartikel 2.7.5 een andere benadering kent dan zijn voorganger, artikel 94.Waar het huidige artikel 94, derde lid, voorschrijft dat de beslagene«zoveel mogelijk» op de hoogte wordt gesteld van het beslag, bepaaltartikel 2.7.5, eerste lid, dat aan de beslagene «direct» een bewijs vanuitoefening van de bevoegdheid wordt uitgereikt, of dat dit bewijs wordtachtergelaten op de plaats van inbeslagneming, tenzij dit feitelijk nietmogelijk is. Zo wordt bewerkstelligd dat – behalve in het uitzonderings-geval van het tweede lid waarin de bevoegdheid heimelijk wordtuitgeoefend – de beslagene zo snel mogelijk op de hoogte zal wordengesteld van het beslag. De rechtsbescherming van de beslagene wordthiermee ten opzichte van de huidige situatie (waarin de beslagene somszelf moest vragen om een bewijs van ontvangst) verbeterd.In zeer uitzonderlijke situaties zal het feitelijk niet mogelijk zijn om aan debeslagene een bewijs van uitoefening van de bevoegdheid uit te reiken ofdit achter te laten op de plaats van inbeslagneming. Dat zal het geval zijnals de beslagene niet aanwezig is ten tijde van de inbeslagneming en deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11236 plaats van inbeslagneming niet geschikt is om een bewijs achter te laten.Het kan dan alleen gaan om gevallen waarin op openbare plekken eenvoorwerp in beslag is genomen van een – op dat moment – niet-aanwezigpersoon. In de memorie van toelichting worden als voorbeelden gegevende situatie waarin een auto op de openbare weg wordt inbeslaggenomenen de rechthebbende van de auto niet aanwezig is en de situatie waarineen koffer wordt aangetroffen in een openbare ruimte en deze kofferwordt inbeslaggenomen. Als de beslagene bekend wordt, bijvoorbeeldomdat de kentekenhouder van de inbeslaggenomen auto wordt achter-haald, zal de politie hem uiteraard alsnog van het beslag op de hoogtestellen. De wijze waarop dat gebeurt is vormvrij. Naar verwachting zal dedesbetreffende persoon worden opgebeld of zal hem een brief of e-mailworden gestuurd. Blijft onbekend wie de beslagene is, dan is hetlogischerwijs ook niet mogelijk om hem van het beslag op de hoogte testellen. Als de persoon in de loop van het onderzoek wel bekend raakt, zalhij uiteraard alsnog van het beslag op de hoogte moeten worden gesteld.Benadrukt moet worden dat het hier om uitzonderingssituaties zal gaan.In verreweg de meeste gevallen zal een bewijs van uitoefening van debevoegdheid kunnen worden uitgereikt of achtergelaten op de plaats vaninbeslagneming.(304) Deze leden vragen ook aan welke vormeisen een beschrijving vanhet inbeslaggenomen moet voldoen en wanneer een beschrijvingvoldoende duidelijk wordt geacht.304. Artikel 2.7.5 schrijft voor dat in geval van inbeslagneming direct eenbewijs van uitoefening van deze bevoegdheid wordt uitgereikt aan debeslagene of wordt achtergelaten op de plaats van inbeslagneming, tenzijdit feitelijk niet mogelijk is. Het bewijs bevat een aanduiding van deinbeslaggenomen voorwerpen. Deze beschrijving is niet aan naderevoorschriften gebonden. Ook is niet voorgeschreven wie het bewijsachterlaat. Omdat dit achterlaten direct moet gebeuren, zal de autoriteitdie het voorwerp in beslag neemt – de opsporingsambtenaar, (hulp)of-ficier van justitie of rechter-commissaris – degene zijn die het bewijsachterlaat. De aanduiding van de inbeslaggenomen voorwerpen moetzodanig specifiek zijn dat de beslagene op grond van dit bewijs tegen deinbeslagneming kan opkomen. Verder ligt het in de rede dat het bewijsvan uitoefening van de bevoegdheid tot inbeslagneming een verwijzingbevat naar de mogelijkheid om beklag te doen over de inbeslagneming,zoals dat nu doorgaans ook gebeurt op het bewijs van ontvangst dat opgrond van het huidige artikel 94, derde lid, aan de beslagene wordtoverhandigd. Het doel van het achterlaten of uitreiken van een dergelijkbewijs is immers dat de beslagene op de hoogte raakt van het beslag,zodat hij daartegen kan opkomen en zijn rechten op het voorwerp totgelding kan brengen.(305) De leden van de CDA-fractie lezen dat het doel van de bepalinguitdrukkelijk niet is om de in de huidige praktijk verandering aan tebrengen. Deze leden vragen of met de nieuw voorstelde regeling dat danwel het geval is of zo wordt verwacht, en zo ja, op welke manier in depraktijk deze verandering vorm zou kunnen hebben.305. In het antwoord op vraag 303 is aangegeven in welk opzichtartikel 2.7.5 een verandering met zich brengt. Dit betreft de gevallenwaarin een bewijs van inbeslagneming moet worden uitgereikt ofachtergelaten. Waar de memorie van toelichting op artikel 2.7.5 stelt dathet niet de bedoeling is om verandering aan te brengen in de huidigepraktijk, gaat het niet om de gevallen waarin een bewijs van inbeslag-neming moet worden uitgereikt of achtergelaten maar om deomschrijving van voorwerpen op dat bewijs. Het is in de huidige praktijkal zo dat op het bewijs van ontvangst een algemeen omschreven overzichtwordt gegeven van de inbeslaggenomen voorwerpen. Dat verandert niet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11237 Ook op het bewijs van uitoefening van de bevoegdheid zal kunnenworden volstaan met een globale aanduiding van die voorwerpen. Inzoverre wordt er dus geen verandering beoogd van de bestaande praktijk.Ook verandert niet dat de beslagene uiteindelijk zal moeten beschikkenover een lijst waarop nauwkeurig staat vermeld welke voorwerpen bijhem zijn inbeslaggenomen. Als het opsporingsonderzoek uitmondt in eenstrafzaak, zal het procesdossier een soortgelijke lijst van inbeslaggenomenvoorwerpen bevatten, voor zover deze voorwerpen niet eerder zijnteruggegeven.(306) De leden van de CDA-fractie lezen in artikel 2.7.14 dat als debewoner de toestemming intrekt, de doorzoeking direct dient te wordengestaakt. Hoe wordt hiermee voorkomen dat, wanneer de politie iets ophet spoor is in de woning en de bewoner dit doorheeft, deze detoestemming intrekt om zo het bewijs niet in handen te laten komen vande opsporingsambtenaar? Wanneer de bewoner de toestemming intrekt,mag een opsporingsambtenaar dan de tot dan toe verkregen bewijzen welin beslag nemen?306. Als toestemming wordt gegeven voor de doorzoeking van eenwoning, hoeft niet te zijn voldaan aan de toepassingscriteria die geldenals een woning wordt doorzocht zonder toestemming van de bewoner. Alsde toestemming wordt ingetrokken, moet de onderzoekshandeling directworden gestaakt, tenzij deze kan worden voortgezet op een anderegrondslag dan de gegeven toestemming (artikel 2.1.16, tweede lid).Concreet betekent dit dat moet zijn voldaan aan de toepassingscriteriavoor een woningdoorzoeking.Voor het doorzoeken van een woning zonder toestemming van debewoner geldt steeds het vereiste dat sprake is van een ontdekking opheterdaad van een strafbaar feit of een verdenking van een misdrijfwaarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf is gesteld vanvier jaar of meer of van een lichter misdrijf dat in artikel 2.1.8 met zo’nmisdrijf is gelijkgesteld. Afhankelijk van de situatie gelden verderverschillende toepassingscriteria. In beginsel beveelt de rechter-commissaris de doorzoeking (en leidt hij de doorzoeking, artikel 2.7.69).Bij dringende noodzaak en als het optreden van de rechter-commissarisniet kan worden afgewacht, kan de officier van justitie, na een daartoeverleende machtiging van de rechter-commissaris, bevelen dat eenopsporingsambtenaar een woning ter inbeslagneming zondertoestemming van de bewoner doorzoekt (artikel 2.7.13, eerste lid). Als ookhet optreden van officier van justitie niet kan worden afgewacht, kan dehulpofficier het bevel tot de woningdoorzoeking geven, mits hij isvoorzien van een rechterlijke machtiging (artikel 2.7.13, tweede lid).Als opsporingsambtenaren tijdens de doorzoeking op basis vantoestemming iets op het spoor zijn, en de toestemming wordtingetrokken, bestaat voor hen de bevoegdheid om in afwachting van hetoptreden van degene die tot doorzoeking bevoegd is, bevelen enmaatregelen als bedoeld in artikel 2.7.3 te geven of te nemen(artikel 2.7.10). Daaronder vallen maatregelen die redelijkerwijs nodig zijnom het wegmaken, onbruikbaar maken, onklaar maken of beschadigenvan voor inbeslagneming vatbare voorwerpen of van sporen van hetstrafbare feit te voorkomen (artikel 2.7.3, eerste lid, aanhef en onderdeelc). Het gaat kort gezegd om maatregelen om de bestaande situatie te«bevriezen». Ook kan de opsporingsambtenaar bevelen dat niemand zichzonder zijn uitdrukkelijke toestemming van de plaats van het onderzoekzal verwijderen of van communicatievoorzieningen gebruik zal maken enkan hij bevelen dat degene tot wie het bevel is gericht zich van de plaatsvan het onderzoek zal verwijderen (artikel 2.7.3, eerste lid, aanhef enonderdelen a en b). Op die manier kan worden voorkomen dat debewoner bewijsmateriaal kan wegmaken, door zijn toestemming voor deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11238 doorzoeking in te trekken. Zodra voldaan is aan de toepasselijke criteria,kan de doorzoeking in de woning verder plaatsvinden en kunnenvoorwerpen in beslag worden genomen.Als de gegeven toestemming wordt ingetrokken, maakt dat het alverrichte onderzoek overigens niet met terugwerkende kracht onrecht-matig. Voor zover er, tot het moment van het intrekken van detoestemming, voorwerpen in beslag zijn genomen, is dat beslag dusrechtmatig geweest. Voor zover men nog voorwerpen in beslag wil gaannemen, geldt hetgeen hiervoor is uiteengezet.7.3 Onderzoek van gegevens (307) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van het onderzoekvan gegevens. Kan nader worden toegelicht waarom is afgezien van hetbieden van handvatten voor de wijze waarop onderzoek van gegevens alsbedoeld in 2.7.38 moet worden uitgevoerd?307. In artikel 2.7.38 wordt het (ingrijpend) stelselmatig onderzoek vangegevens in digitale-gegevensdragers en geautomatiseerde werken envan daaruit overgenomen gegevens genormeerd. Hoewel dergelijkonderzoek aan bijvoorbeeld computers en smartphones in de praktijk vaakwordt verricht, was het in het huidige wetboek niet genormeerd.Aansluiting werd gezocht bij de algemene bevoegdheid tot het in beslagnemen van voorwerpen en het verrichten van onderzoek daaraan. Datdeze vorm van onderzoek nu van een specifieke wettelijke basis wordtvoorzien, vormt vanuit de perspectieven van legaliteit en rechtsbe-scherming dus een belangrijke verbetering.Voor de invulling van deze bevoegdheid is aansluiting gezocht bij derechtspraak van de Hoge Raad over dit thema (ECLI:NL:HR:2017:584).Onderzoek van gegevens is in artikel 2.1.1 gedefinieerd als het geheel aanhandelingen dat moet worden verricht om gegevens over te nemen ofdaarvan kennis te nemen. Artikel 2.7.38 geeft vooral aan voor welkevormen van dergelijk onderzoek een hogere autoriteit moet wordeningeschakeld om toestemming te geven voor het verrichten daarvan. Bijstelselmatig onderzoek van gegevens moet de officier van justitie wordeningeschakeld; bij ingrijpende stelselmatigheid de rechter-commissaris. Alsgeen sprake is van (ingrijpend) stelselmatig onderzoek van gegevens,mag de opsporingsambtenaar zelfstandig onderzoek doen op basis van dealgemene bevoegdheidsbepaling (artikel 2.1.9).In de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.7.38 worden enkelehandvatten geboden voor de wijze waarop het onderzoek van gegevensplaatsvindt. Die handvatten betreffen vooral de vraag hoe de officier vanjustitie en de rechter-commissaris nadere invulling kunnen geven aan huntaak om gezag over dan wel toezicht uit te oefenen op de uitoefening vandeze bevoegdheid. Het bevel van de officier van justitie en de eventuelemachtiging van de rechter-commissaris kunnen zich uitstrekken tot hetongelimiteerd overnemen van gegevens en het vervolgens kennisnemendaarvan. Het is echter ook mogelijk dat de officier van justitie of derechter-commissaris nadere voorwaarden verbindt aan het bevel of demachtiging, bijvoorbeeld ten aanzien van de reikwijdte van hetovernemen of kennisnemen van gegevens. Zo kan de officier van justitiein het bevel opnemen dat in de overgenomen gegevens slechts opzoektermen «wapen», «kogels» en «munitie» mag worden gezocht. Mochtde behoefte bestaan om het onderzoek uit te breiden, dan zal men terugmoeten naar de officier van justitie en – in voorkomende gevallen – naarde rechter-commissaris voor een nieuw bevel en een nieuwe machtiging.Op die manier kan de officier van justitie of de rechter-commissaris, ingevallen waarin hij dat nodig acht, greep houden op het onderzoek vangegevens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11239 Nadere handvatten zijn om twee redenen niet te geven. Allereerst dientelk onderzoek van gegevens een ander doel. Net als bij andere bevoegd-heden – denk bijvoorbeeld aan stelselmatige observatie – geldt dat dewijze van uitoefening van de bevoegdheid aan de praktijk wordt overge-laten. De enige handvatten die kunnen worden gegeven, betreffen degevallen waarin een hogere autoriteit moet worden ingeschakeld en devoorwaarden die zij in een bevel of machtiging kunnen verbinden aan deuitvoering zoals in de vorige alinea van dit antwoord omschreven. In detweede plaats vormt het onderzoek van gegevens een voorbeeld van eenbevoegdheid waarin de techniek om het onderzoek te verrichten snelvoortschrijdt. Als nu in de parlementaire geschiedenis concreet zouworden omschreven – anders dan door te wijzen op de mogelijkheid omaan de uitvoering in een bevel of machtiging nadere voorwaarden testellen – op welke wijze het onderzoek van gegevens kan worden verricht,zou het risico bestaan dat die wijzen binnen korte tijd zijn achterhaald endat in de praktijk onduidelijkheden zullen bestaan over de vraag of nieuwetechnieken nu wel of niet mogen worden toegepast.(308) Hoe voorkomt de regering dat de regeling van mondelinge bevelenin artikel 2.7.38 en 2.7.40 ertoe leidt dat de politie meer administratievelasten krijgt, omdat zij verantwoordelijk wordt voor het verbaliseren vaneen mondeling gegeven bevel? Kan de regering toelichten in hoeverredeze verschuiving van verantwoordelijkheden past bij de rollen en takenvan de politie en het OM in de opsporing?308. Artikel 2.7.38, eerste lid, bevat de bevoegdheid tot stelselmatigonderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdrager of geautomati-seerd werk of ten aanzien van gegevens die daaruit zijn overgenomen. Inartikel 2.7.40, eerste lid, is de bevoegdheid tot het verrichten van eennetwerkzoeking neergelegd. Met betrekking tot (niet-ingrijpend) stelsel-matig onderzoek van gegevens en de (niet-ingrijpend stelselmatige)netwerkzoeking vloeit uit artikel 2.7.1 voort dat de officier van justitie hetbevel daartoe mondeling kan geven. De opsporingsambtenaar dieuitvoering geeft aan het bevel, zal dan bij het verbaliseren daarovermoeten vermelden of aan hem een bevel tot het uitoefenen van debevoegdheid is gegeven. Hij moet namelijk de feiten en omstandighedenin zijn proces-verbaal opnemen die voor de beoordeling van de rechtma-tigheid van de opsporing van belang zijn (artikel 2.1.10). Dat sluit aan bijde invulling die in de praktijk op dit moment al aan de verbaliseringsplichtwordt gegeven.De keuze om ten opzichte van het geldende recht bij meer opsporings-bevoegdheden te kunnen volstaan met een mondeling bevel, waaroverdoor de opsporingsambtenaar wordt geverbaliseerd in het proces-verbaal, vloeit voort uit een wens van het openbaar ministerie en deopsporingsinstanties. De intentie is dus geenszins dat zij leidt tot eenvergroting van administratieve lasten. Het gaat er puur om het proces tevereenvoudigen en ervoor te zorgen dat opsporingsinstanties en hetopenbaar ministerie een onnodige papierwinkel bespaard blijft. Daarbijverdient opmerking dat veel werk voor opsporingsambtenaren niet zozeerzit in het vermelden van het verkrijgen van het bevel in het proces-verbaalover de uitoefening van de bevoegdheid, maar in het aanvragen bij deofficier van justitie van het gewenste bevel. Dat gebeurt nu vaak schrif-telijk in zogenoemde «aanvraag-processen-verbaal», waarin deopsporingsambtenaar de officier van justitie verzoekt om te bevelen eenbepaalde bevoegdheid uit te oefenen. De opsporingsambtenaar zet daarinuiteen waarom naar zijn inzicht is voldaan aan de vereisten voor deuitoefening van de bevoegdheid en op welke manier hij de bevoegdheidconcreet zal uitoefenen. De inhoud van het daarop volgende schriftelijkebevel van de officier van justitie is in grote mate ontleend aan hetaanvraag-proces-verbaal. Wat nu verandert, is dat de officier van justitieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11240 niet meer schriftelijk een bevel zal hoeven te geven, maar dit mondelingkan doen, waarna hiervan in het proces-verbaal van de opsporings-ambtenaar waarin hij verslag doet van de uitoefening van debevoegdheid, melding wordt gemaakt. De verwachting is dat hierdoor dein de praktijk gevoelde noodzaak om bevelen schriftelijk (via eenaanvraag-proces-verbaal) aan te vragen, bij bevelen die voortaanmondeling kunnen worden gegeven, zal verminderen, hetgeen voor depolitie een werklastbesparing oplevert.Ook in de nieuwe regeling blijft de officier van justitie verantwoordelijkvoor de beoordeling of een bevel tot het uitoefenen van een bevoegdheidkan worden gegeven. Die verantwoordelijkheid heeft hij immers ongeachtof het bevel afzonderlijk moet worden vastgelegd. Dat in het nieuwewetboek bevelen in meer gevallen mondeling kunnen worden gegeven,maakt dit niet anders. Daarbij verdient opmerking dat de officier vanjustitie, indien hij dat wenselijk acht, ervoor kan kiezen een bevelwaarvoor geen wettelijke vastleggingsplicht bestaat, zelf op schrift testellen. Zie hierover nader het antwoord op vraag 244.(309) Bevelen inzake bevoegdheden zoals onderzoek van gegevens ennetwerkzoeking bevatten wellicht vaker een instructie over de toepassingvan de bevoegdheid dan het geval is bij andere van schriftelijke verslag-legging uitgezonderde bevoegdheden. Kan de regering nader toelichtenwaarom ervoor gekozen is dit type bevoegdheden van schriftelijkeverslaglegging uit te zonderen? Hoe ziet de regering deze uitzondering inhet licht van het belang van de controleerbaarheid van de rechtmatigheidvan de uitoefening van de opsporingsbevoegdheid?309. Voorop moet worden gesteld dat van de uitoefening van opsporings-bevoegdheden verslag moet worden gedaan in een proces-verbaal. In hetnieuwe wetboek wordt daarbij als uitgangspunt gehanteerd dat deopsporingsambtenaar die uitvoering geeft aan een bevel, daarvanmelding maakt in het proces-verbaal waarin hij verslag doet van deuitoefening van de bevoegdheid (artikel 2.1.10). In sommige gevallenwordt voorgeschreven dat het bevel afzonderlijk wordt vastgelegd doordegene die het bevel geeft, doorgaans de officier van justitie. Afzonder-lijke vastlegging van bevelen is in drie categorieën van bevoegdhedenvoorgeschreven. Allereerst is afzonderlijke vastlegging van het bevelvereist, als met de uitoefening van de bevoegdheid een grote inbreukwordt gemaakt op een grondrecht. Hieruit vloeit praktisch gesprokenvoort dat bevelen afzonderlijk moeten worden vastgelegd als voor hetgeven daarvan een voorafgaande machtiging van de rechter-commissarisis vereist. De tweede categorie bevoegdheden betreft die waarin het bevelniet aan opsporingsambtenaren, maar aan derden is gericht. Eenvoorbeeld vormen bevelen, gericht tot derden zoals een bank, tot hetverstrekken van gegevens. De laatste categorie vormen de bevoegdhedenwaarvoor geldt dat de uitoefening ervan grote risico’s meebrengen voorde integriteit of beheersbaarheid van de opsporing. Een voorbeeld is debevoegdheid tot infiltratie.De bevoegdheden tot het verrichten van onderzoek van gegevens en denetwerkzoeking (artikelen 2.7.38 en 2.7.40) vallen onder geen van dezecategorieën, behalve wanneer voor de uitoefening van deze bevoegd-heden een voorafgaande rechterlijke machtiging is vereist wegens eenverwachte ingrijpende inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Ook in degevallen waarin dat niet wettelijk verplicht is, heeft de officier van justitieechter de vrijheid om het bevel zelf afzonderlijk vast te leggen als hij datwenselijk of nodig acht. Het is voorstelbaar dat de officier van justitie vandie mogelijkheid gebruikmaakt als hij aan het bevel specifieke – beper-kende – instructies wil verbinden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11241 Dat een bevel als bedoeld in de artikelen 2.7.38 en 2.7.40 niet afzonderlijkhoeft te worden vastgelegd, heeft geen gevolgen voor de controleer-baarheid van de rechtmatigheid van de uitoefening van de opsporings-bevoegdheid. Allereerst kan de officier van justitie, zoals hierboven isopgemerkt, ervoor kiezen het bevel – met bijbehorende nadereinstructies – afzonderlijk vast te leggen. Als hij dat niet doet, maar dezenadere instructies mondeling geeft zal de opsporingsambtenaar dienadere instructies in het proces-verbaal moeten noemen. De opsporings-ambtenaar moet immers in zijn proces-verbaal de feiten en omstandig-heden vastleggen die van belang zijn voor de beoordeling van derechtmatigheid van de opsporing (artikel 2.1.10, tweede lid). Daarbij hoorteen weergave van de nadere voorwaarden die de officier van justitie aanhet (mondelinge) bevel heeft verbonden. De officier van justitie heeft hetbevel immers met inachtneming van die voorwaarden gegeven, zodat dieinformatie nodig is om te beoordelen of de bevoegdheid rechtmatig – inhet bijzonder: in lijn met de beginselen van proportionaliteit en subsidia-riteit – is uitgeoefend. Zie het antwoord op vraag 244.(310) Kan de regering toelichten hoe zij het risico ziet op oneigenlijkgebruik (ter omzeiling van de wettelijke vereisten) van artikel 2.7.54(verzoek vrijwillige verstrekking persoonsgegevens)? Hoe wordt dit risicoondervangen?310. Afdeling 7.3.3, waarvan artikel 2.7.54 deel uitmaakt, regelt deverstrekking van gegevens ten behoeve van het opsporingsonderzoek. Inartikel 2.7.54 is bepaald dat het is toegestaan om een derde – bijvoorbeeldeen burger, bedrijf of overheidsinstantie – te verzoeken vrijwilligpersoonsgegevens te verstrekken in de gevallen waarin een bevel kanworden gegeven tot het verstrekken van die gegevens. Deze bepalingexpliciteert dat wordt teruggekomen van de in het huidige wetboekgeldende regel dat een derde niet kan worden verzocht om op vrijwilligebasis gegevens te verstrekken. De bevoegdheden tot het vorderen (in hetnieuwe wetboek: bevelen) van de verstrekking van gegevens ten behoevevan de opsporing zijn in het huidige wetboek ingevoegd door de Wetbevoegdheden vorderen gegevens (Stb. 2005, 390). Er is toen voorgekozen om als regel te hanteren dat de opsporingsambtenaar die debeschikking wil krijgen over gegevens die bij derden beschikbaar zijn, dewettelijke vorderingsbevoegdheden dient aan te wenden. Het werd niettoegestaan dat de opsporingsambtenaar in de gevallen waarin devorderingsbevoegdheden zouden kunnen worden uitgeoefend, die derdezou verzoeken om de vrijwillige verstrekking van die gegevens. Daaraanlag ten grondslag dat (toen nog) de Wet bescherming persoonsgegevens(inmiddels de Algemene verordening gegevensbescherming) eenverantwoordelijkheid legt bij de verstrekker van de persoonsgegevens omdit conform het gegevensbeschermingsrecht te doen. Door te bepalen datgegevens alleen op vordering van de opsporing konden worden verstrekt,kwam de verantwoordelijkheid voor het vergaren van persoonsgegevensgeheel te liggen bij de met opsporing belaste instanties, waar deze bij eenvrijwillige verstrekking zou hebben gelegen bij de verwerkingsverantwoor-delijke: de derde. Het werd wel mogelijk geacht dat een derde op eigeninitiatief gegevens verstrekte aan de opsporingsautoriteiten; maar hijmocht daarom niet worden verzocht.Dit uitgangspunt wordt in het nieuwe wetboek als gezegd losgelaten (zievoor de redenen waarom het antwoord op vraag 311). In artikel 2.7.54 isbepaald dat het verzoek tot het verstrekken van persoonsgegevenszodanig moet zijn gemotiveerd, dat het de verwerkingsverantwoordelijkein staat stelt om te beoordelen of is voldaan aan de voorwaarden voorverstrekking van de gegevens op grond van de Algemene verordeninggegevensbescherming. Dat is belangrijk, omdat met het loslaten van hetuitgangspunt dat gegevens alleen op een bevel mogen worden verstrekt,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11242 er ook meer verantwoordelijkheid zal komen te liggen bij de derde diegegevens verstrekt en in dat kader de in de Algemene verordeninggegevensbescherming neergelegde regels moet naleven.In de memorie van toelichting is uiteengezet dat een verzoek tot vrijwilligeverstrekking van persoonsgegevens ook kan worden gedaan in gevallenwaarin geen bevel daartoe zou kunnen worden gegeven. Artikel 2.7.54 isdan niet van toepassing, maar de Algemene verordening gegevensbe-scherming is dat wel. Dat ook buiten de gevallen die zijn geregeld inartikel 2.7.54 mag worden verzocht om de vrijwillige verstrekking vanpersoonsgegevens is in het geldende recht ook het geval en ligt in derede, omdat het uitgangspunt geldt dat burgers vrijwillig mogenmeewerken aan de opsporing. Juist in de gevallen waarin er geenbevelsbevoegdheid bestaat, kan vrijwillige medewerking zijn dienstenbewijzen. Ook de burger aan wie om de verstrekking van gegevens wordtverzocht in gevallen buiten artikel 2.7.54, zal zich moeten houden aan dein de Algemene verordening gegevensbescherming neergelegde regels.Met het oog daarop is het ook in deze gevallen van belang dat het verzoektot verstrekking van gegevens zodanig is gemotiveerd, dat de burger kanbeoordelen of hij in lijn handelt met de verordening als hij de gegevensaan de opsporingsautoriteiten overhandigt. Daarin ligt tevens eenbelangrijke waarborg besloten tegen omzeiling van de wettelijke vereisenvoor het geven van een bevel: als niet goed kan worden uiteengezetwaarom verstrekking van de gegevens in lijn is met de verordening, zal deverwerkingsverantwoordelijke doorgaans minder snel geneigd zijn degegevens vrijwillig te verstrekken, omdat hij degene is die over derechtmatigheid van de verstrekking van gegevens verantwoording moetkunnen afleggen.Het zal overigens afhankelijk zijn van de omstandigheden van het gevalhoe vergaand die motivering moet zijn. In bepaalde gevallen zal evidentzijn dat de verstrekking van gegevens in lijn is met de Algemene veror-dening gegevensbescherming, bijvoorbeeld in de situatie waarin eenwinkeloverval heeft plaatsgevonden en opsporingsambtenaren op deplaats delict een getuige hebben aangetroffen die de overval heeftgefilmd. Een verdergaande onderbouwing dan «het beeldmateriaal dienthet belang van de opsporing van dit strafbare feit» zal dan niet nodig zijn.(311) Met dit artikel (2.7.54) wordt het uitgangspunt losgelaten dat hetopsporingsautoriteiten in beginsel niet vrij staat om derden te verzoekenvrijwillig gegevens te vertrekken. Kan de regering nader reflecteren op devoor- en nadelen van deze keuze?311. In het antwoord op vraag 310 is uiteengezet wat de achtergrond isvan de introductie van artikel 2.7.54. Deze bepaling expliciteert dat wordtteruggekomen van de in het huidige wetboek geldende regel datopsporingsambtenaren in de gevallen waarin de vorderingsbevoegd-heden kunnen worden uitgeoefend, niet mogen verzoeken om devrijwillige verstrekking van gegevens, maar daartoe in die gevallen eenbevel moeten geven.Deze regel is bij nader inzien echter niet goed verenigbaar met hetalgemene uitgangspunt van het Wetboek van Strafvordering dat hetburgers vrij staat om – ook als zij daartoe een verzoek krijgen – eenbijdrage te leveren aan de opsporing van strafbare feiten; eenuitgangspunt dat in het nieuwe wetboek expliciet in artikel 2.1.16 wordtverankerd. De regel leidt bovendien tot een wat gekunsteld onderscheidtussen de gevallen waarin de burger op verzoek gegevens aan deopsporingsautoriteiten zou verstrekken (niet toegestaan) en waarin hij datop eigen initiatief zou doen (wel toegestaan), terwijl in beide gevallen deaangezochte verantwoordelijk is voor het naleven van zijn verplichtingenals verwerkingsverantwoordelijke volgens de Algemene verordeninggegevensbescherming. Ten slotte maakt de bestaande regeling de praktijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11243 onnodig gecompliceerd. Zo is de vraag gerezen hoe moest wordenomgegaan met de situatie waarin de opsporingsautoriteiten slechts eenzogenoemde ja/nee-vraag wilden stellen (zoals de vraag aan eenautoverhuurbedrijf of de verdachte daar een auto had gehuurd). De vraagrees of in dergelijke gevallen ook een vordering moest worden gegeven,of dat voor het enkele beantwoorden van die ja/nee-vraag (in eersteinstantie) zou kunnen worden volstaan met een verzoek. Daarnaast is hetsoms mogelijk op basis van andere wet- of regelgeving dan het Wetboekvan Strafvordering wel een verzoek te doen tot het verstrekken vanbepaalde gegevens (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BX8079 enECLI:NL:HR:2019:856). Die verschillen verdwijnen met de nieuwe regeling,hetgeen het geheel aan wet- en regelgeving over het verstrekken vangegevens ten behoeve van de opsporing beter hanteerbaar maakt.Een mogelijk nadeel van de keuze om het vereiste dat altijd een bevelwordt gegeven tot het verstrekken van gegevens te laten vervallen, zoukunnen zijn dat in gevallen waarin de officier van justitie de bevoegdheidheeft om verstrekking van gegevens te bevelen, opsporingsambtenarende tussenkomst van de officier van justitie kunnen vermijden door om devrijwillige verstrekking van de gegevens te verzoeken. Een ander mogelijknadeel is dat de verantwoordelijkheid voor het in lijn met de Algemeneverordening gegevensbescherming handelen vaker komt te liggen bij deverwerkingsverantwoordelijke derde. In het antwoord op vraag 310 isuiteengezet dat dit risico wordt beperkt door de daar behandeldemotiveringsplicht.(312) De rapporteurs hebben ook enkele vragen ten aanzien van stelsel-matig onderzoek van gegevens. Kan de regering toelichten waarom de«bij twijfel, doen» benadering in de regeling van onderzoek van gegevenswordt uitgesloten, in de zin dat wanneer twijfel bestaat over de vraag ofstelselmatig onderzoek van gegevens ingrijpend stelselmatig kan worden,de machtiging van de rechter-commissaris wordt gevraagd?312. In artikel 2.7.38 wordt (ingrijpend) stelselmatig onderzoek vangegevens in digitale gegevensdragers en geautomatiseerde werken envan daaruit overgenomen gegevens genormeerd. Zoals blijkt uit hetantwoord op vraag 307 is voor de invulling van deze bevoegdheidaansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raad over dit thema(ECLI:NL:HR:2017:584). Daarin is een driedeling gemaakt in de bevoegdeautoriteit voor het verrichten van het onderzoek. Artikel 2.7.38 geeft aanvoor welke vormen van onderzoek van gegevens een hogere autoriteitmoet worden ingeschakeld om toestemming te geven voor het verrichtendaarvan. Bij stelselmatig onderzoek – een onderzoek waarbij op voorhandredelijkerwijs voorzienbaar is dat een min of meer volledig beeld vanbepaalde aspecten van iemands privéleven kan ontstaan – moet deofficier van justitie worden ingeschakeld; bij ingrijpende stelselmatigheid– op voorhand is redelijkerwijs voorzienbaar dat een ingrijpend beeld vaniemands privéleven kan ontstaan – moet de rechter-commissaris wordeningeschakeld. Als geen sprake is van (ingrijpend) stelselmatig onderzoek,mag de opsporingsambtenaar zelfstandig onderzoek doen op basis van dealgemene bevoegdheidsbepaling (artikel 2.1.9).In de opsporingspraktijk wordt al sinds het arrest van de Hoge Raad uit2017 naar tevredenheid gewerkt met deze driedeling. Met de diverseuitvoeringsorganisaties is op diverse momenten – zowel direct na hetarrest van de Hoge Raad als vijf jaar later, naar aanleiding van het adviesvan de Afdeling advisering van de Raad van State over dit wetsvoorstel –overleg gepleegd over de vraag in welke gevallen bij het onderzoek vangegevens een machtiging van de rechter-commissaris aan de orde is ofzou moeten zijn. Ook de Commissie-Koops (waarin alle ketenpartners ende advocatuur waren vertegenwoordigd) heeft zich die vraag gesteld.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11244 Steeds is hieruit naar voren gekomen dat er maar één «hard» (dat wilzeggen: in al die gevallen geldend) voorbeeld is te geven: het onderzoekwaarbij redelijkerwijs voorzienbaar gegevens worden onderzocht dieonder het functioneel verschoningsrecht vallen; dergelijk onderzoek is dusalleen mogelijk met machtiging van de rechter-commissaris. Andere«harde» voorbeelden van factoren die één-op-één samenhangen metingrijpende stelselmatigheid kunnen niet worden geformuleerd, omdathet steeds afhankelijk zal zijn van de omstandigheden van het geval ofredelijkerwijs voorzienbaar is dat een ingrijpende inbreuk op iemandspersoonlijke levenssfeer kan ontstaan.Als gevolg hiervan is in de toelichting uiteengezet dat op basis daarvanmag worden aangenomen dat er alleen in uitzonderingsgevallen sprakezal zijn van ingrijpende stelselmatigheid bij het onderzoek van gegevens.Er moet worden gekeken naar de informatie die al binnen een onderzoekbekend is en naar de verwachting dat, naar ervaringsregels, de voorzieneuitoefening van een bepaalde bevoegdheid een ingrijpende inbreuk opiemands persoonlijke levenssfeer zal opleveren. Betrokkenheid van derechter-commissaris zal alleen in bijzondere gevallen van onderzoek vangegevens zijn vereist. Het is niet de bedoeling dat uit voorzorg in veelgevallen een machtiging van de rechter-commissaris zal wordenaangevraagd. Die machtiging moet slechts worden aangevraagd alsvoorzienbaar is dat het een ingrijpend stelselmatig onderzoek betreft.Daarmee is niet gezegd dat bij twijfel geen rechterlijke machtiging zoumogen worden gevorderd. Integendeel: als in een concreet geval twijfelbestaat of redelijkerwijs voorzienbaar is dat een ingrijpend beeld wordtverkregen, kan een machtiging van de rechter-commissaris wordengevorderd. Een waarborg dat dit niet te vaak gebeurt, ligt in de omstan-digheid dat de officier van justitie beslist of die machtiging wordtgevorderd. Bovendien is de officier van justitie in gevallen waarin hetonderzoek gaandeweg een ingrijpend stelselmatig karakter dreigt tekrijgen, verplicht om zich alsnog tot de rechter-commissaris te wendenmet het oog op het verkrijgen van een machtiging om het onderzoek tecontinueren.(313) In hoeverre geeft het Unierecht aanleiding om de invulling van deverschillende gradaties van stelselmatigheid te herzien? In hoeverre geefthet Unierecht aanleiding om de rechter-commissaris ook bij smartphone-onderzoek in beginsel altijd te laten machtigen?313. Zoals in het antwoord op vraag 224 is opgemerkt heeft het Hof vanJustitie in zijn uitleg van het EU-handvest het vereiste van voorafgaandetoetsing ontwikkeld op basis waarvan een rechterlijke instantie ofonafhankelijke bestuurlijke autoriteit beslist over de toepassing van een(specifieke) opsporingsbevoegdheid. Naar de huidige stand van derechtspraak van het Hof van Justitie geldt dit vereiste niet voor hetonderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdrager of een geauto-matiseerd werk zoals een smartphone. Niet uitgesloten is dat het vereistevan voorafgaande toetsing naar aanleiding van toekomstige rechtspraakvan het Hof van Justitie wel het onderzoek aan digitale-gegevensdragersen geautomatiseerde werken zal beslaan. Indien de rechtspraak van hetHof van Justitie het vereiste van voorafgaande toetsing vervolgens inmeer gevallen voorschrijft dan geregeld in artikel 2.7.38, zal dat aanleidingzijn voor een bijstelling van die regeling. Zoals aangekondigd in dememorie van toelichting wordt verdere rechtspraak van het Hof vanJustitie afgewacht alvorens (zo nodig) een voorstel tot codificatie van dezerechtspraak wordt gedaan.(314) Hoe kan de proportionaliteit worden gewaarborgd van het generiekbevel als bedoeld in artikel 2.7.46 lid 6, waarmee in potentie grotehoeveelheden gegevens kunnen worden verkregen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11245 314. Artikel 2.7.46 bevat de bevoegdheid voor de officier van justitie – en,in bepaalde gevallen, de opsporingsambtenaar – om degene van wieredelijkerwijs kan worden vermoed dat hij toegang heeft tot bepaaldegegevens, te bevelen deze gegevens te verstrekken. Om gevoeligegegevens te verkrijgen, of gegevens die betrekking hebben op eenpersoon die aanspraak kan maken op bronbescherming als bedoeld inartikel 1.6.8, geldt dat een voorafgaande rechterlijke machtiging is vereist.Het zesde lid van deze bepaling is ten opzichte van het huidige rechtnieuw en geeft de officier van justitie en de opsporingsambtenaar demogelijkheid om een bevel als bedoeld in dit artikel gedurende eenperiode van twee weken opeenvolgend of gelijktijdig uit te voeren tenaanzien van een ieder van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dat hijtoegang heeft tot die gegevens. Met deze toevoeging wordt tegemoetge-komen aan een uitdrukkelijke wens van de opsporing om op deze wijze deadministratieve lasten te verminderen die gepaard gaan met de groteaantallen van gelijkluidende bevelen aan verschillende adressanten diejaarlijks worden gegeven. Op grond van het zesde lid kan één enkel bevelvan de officier van justitie of van de opsporingsambtenaar nadat het isgegeven gedurende een periode van twee weken aan meerdere personenworden gericht. De officier van justitie of de opsporingsambtenaar moetdit dan in het bevel bepalen. Dat betekent dat het bevel niet hoeft te zijnvoorzien van de naam of het bedrijf aan wie het bevel is gericht. In deartikelsgewijze toelichting op artikel 2.7.46 worden verschillendevoorbeelden van gevallen genoemd waarin een generiek bevel zijndiensten kan bewijzen. Dat is bijvoorbeeld het geval als de opsporing eensterk vermoeden heeft dat de verdachte een busje heeft gehuurd, maaronduidelijk is bij welk autoverhuurbedrijf dat is gebeurd. Er kan dan, opgrond van het zesde lid, één bevel worden opgesteld zonder dat daarineen naam behoeft te worden vermeld van een specifiek autoverhuurbe-drijf dat de verhuurgegevens van de verdachte moet verstrekken. Met ditbevel kan vervolgens langs elk verhuurbedrijf worden langsgegaanwaarvan redelijkerwijs wordt vermoed dat dit bedrijf toegang heeft tot dedesbetreffende gegevens. De mogelijkheid tot het geven van eenzogenoemd generiek bevel kan niet worden gebruikt als men gevoeligepersoonsgegevens verstrekt wil krijgen.Van belang is dat de mogelijkheid van het geven van een generiek bevelniets afdoet aan de vereisten die in het algemeen worden gesteld aan deinhoud van het (in het beschreven geval van benodigde autoverhuurge-gevens schriftelijk te geven) bevel (vgl. artikel 2.7.1). De gegevens waarhet om gaat zullen nauwkeurig moeten worden omschreven, en uiteen-gezet zal moeten worden waarom het in het belang van het onderzoek isom de bevoegdheid van artikel 2.7.46 uit te oefenen. Het doel van hetgenerieke bevel is ook niet om méér gegevens op te kunnen halen, of omde gezochte gegevens abstracter in een bevel te kunnen weergeven. Hetgenerieke bevel is geen blanco cheque voor het bevelen van deverstrekking van allerlei verschillende soorten gegevens bij verschillendepersonen of instanties. Het enige wat artikel 2.7.46, zesde lid, ten opzichtevan het huidige recht beoogt mogelijk te maken, is dat de naam van deontvanger van het bevel niet meer daarop hoeft te worden vermeld, zodateen administratieve lastenvermindering wordt bewerkstelligd. Daarbij isvan belang dat in het generieke bevel een begrensde kring van personenof instanties wordt aangeduid tot wie het bevel kan worden gericht. Ditvolgt uit de proportionaliteit die de bevoegde autoriteit in acht moetnemen bij het afgeven van een bevel als bedoeld in artikel 2.7.46.(315) Kan de regering nader toelichten waarom niet is gekozen om, in lijnmet de rechtspraak van het HvJEU, ook in de artikelen 2.7.47, 2.7.49 en2.7.50, voor zover betrekking hebbende op verkeers- en locatiegegevens,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11246 als eis op te nemen dat een machtiging van de rechter-commissaris isvereist?315. Zoals in het antwoord op vragen 224 en 313 is opgemerkt is derechtspraak van het Hof van Justitie op dit onderdeel nog onvoldoendeuitgekristalliseerd om deze (zo nodig) samenhangend in de wettelijkebepalingen van specifieke opsporingsbevoegdheden te codificeren. Naaraanleiding van het arrest Prokuratuur van het Hof van Justitie (HvJ2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152) heeft de Hoge Raad eenbesliskader gegeven op basis waarvan de officier van justitie eenmachtiging behoeft van de rechter-commissaris voor de vordering totverstrekking van verkeers- en locatiegegevens (ECLI:NL:HR:2022:475,rechtsoverwegingen 6.13.1–6.13.3). Het besliskader betreft geen definitiefoordeel van de Hoge Raad. Om een definitief oordeel te kunnen vellenheeft de Hoge Raad prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie(rechtsoverwegingen 8.1–8.5). Het besliskader heeft aldus een voorlopigkarakter en heeft als doel te voorkomen dat strafzaken waarin sprake iseen vordering tot verstrekking van verkeers- en locatiegegevens moetenworden aangehouden (rechtsoverwegingen). De definitieve uitleg van hetEU-handvest is voorbehouden aan het Hof van Justitie. Zoals in hetantwoord op vraag 224 is opgemerkt is het wenselijk dat de nationalewetgever het oordeel van het Hof van Justitie afwacht. In de tussentijdbiedt de algemene machtigingsmogelijkheid – die wordt gecodificeerd inartikel 2.1.7 – een oplossing. De algemene machtigingsmogelijkheid istoegelicht in de antwoorden op vragen 52 en 211.(316) Waarom heeft de regering er niet voor gekozen om in lijn met hetadvies van de Commissie Koops het stelselmatigheidscriterium ook vantoepassing te verklaren voor de normering van bevelen tot verstrekkingvan gegevens zoals neergelegd in artikel 2.7.46? Hoe zou de regeling eruitkunnen zien als daar wel voor wordt gekozen?316. Zoals beschreven in de antwoorden op de vragen 307 en 312 wordt inartikel 2.7.38 (ingrijpend) stelselmatig onderzoek van gegevens indigitale-gegevensdragers en geautomatiseerde werken en van daaruitovergenomen gegevens genormeerd. Voor de invulling van dezebevoegdheid is aansluiting gezocht bij de rechtspraak van de Hoge Raadover dit thema (ECLI:NL:HR:2017:584). Daarin is een driedeling gemaakt inde bevoegde autoriteit voor het verrichten van het onderzoek (opsporings-ambtenaar, officier van justitie en rechter-commissaris, zie daarover naderde antwoorden op de vragen 307 en 312). In de opsporingspraktijk wordtal sinds het arrest van de Hoge Raad uit 2017 naar tevredenheid gewerktmet deze driedeling bij het verrichten van onderzoek aan smartphones encomputers. Ook de Commissie-Koops heeft een dergelijke driedelingaanbevolen. In die zin is met artikel 2.7.38 ook opvolging gegeven aan hetrapport van die commissie.De Commissie-Koops heeft aanbevolen deze abstracte driedeling ook teintroduceren bij de normering van de bevelen tot verstrekking vangegevens. Dit zou volgens de commissie de onderlinge consistentie vande regeling van opsporingsbevoegdheden ten aanzien van digitalegegevens verhogen (rapport Commissie-Koops, p. 128). Er is voorgekozen deze aanbeveling niet op te volgen. Hierbij speelt een belangrijkerol dat de bevoegdheden tot het geven van een bevel tot verstrekking vangegevens, in tegenstelling tot de nieuwe bevoegdheid tot het verrichtenvan onderzoek van gegevens in digitale-gegevensdragers en geautomati-seerde werken, bestaande bevoegdheden zijn die al jarenlang goedfunctioneren in de opsporingspraktijk. De huidige bevoegdheden tot hetdoen verstrekken van gegevens zijn qua normering daarom grotendeelsongewijzigd overgenomen in het nieuwe wetboek. Er is geen reden omdie normering nu aan te passen. Daarbij is van belang dat uit de syste-matiek van Afdeling 7.3.3 al een meer concrete driedeling volgt. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11247 opsporingsambtenaar mag zelfstandig een bevel geven tot verstrekkingvan camerabeelden en identificerende gegevens (artikel 2.7.46, vierde lid).Het bevel moet door de officier van justitie worden gegeven bij gegevensdie niet zijn beperkt tot camerabeelden en identificerende gegevens(bijvoorbeeld transactiegegevens bij een bank). De verstrekking van ditsoort gegevens behelst een grotere inbreuk op de persoonlijke levens-sfeer (artikel 2.7.46, eerste lid). Ook de rechter-commissaris heeft een rolin deze afdeling. Vereist is dat hij een machtiging verleent als het bevel deverstrekking van gevoelige gegevens inhoudt (artikel 2.7.46, derde lid).Deze meer concrete driedeling is mogelijk, omdat het bij de bevoegdheidtot het verstrekken van gegevens op voorhand duidelijk zal zijn welk soortgegevens de opsporing verlangt. Er kan dus ook meer concreet in de wettot uitdrukking worden gebracht bij welke soort gegevens, welke autoriteitbevoegd is om te bevelen deze te verstrekken. Dat ligt anders bij debevoegdheid tot onderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdragerof een geautomatiseerd werk, omdat bij de uitoefening van dezebevoegdheid van tevoren veelal niet duidelijk zal zijn welke soortgegevens men zoal zal aantreffen. Daarom is de driedeling bij dezebevoegdheid aan een abstracter criterium verbonden, te weten of met hetonderzoek op voorhand redelijkerwijs voorzienbaar een min of meervolledig beeld van bepaalde aspecten van iemands privéleven of eeningrijpend beeld van iemands privéleven kan ontstaan.(317) Kan de regering nader toelichten waarom er in artikel 2.7.50 nietvoor is gekozen om in geval het voorzienbaar is dat het analysebevel eeningrijpend stelselmatig karakter heeft, een machtiging van de rechter-commissaris te verlangen?317. In Afdeling 7.3.3 (Verstrekking van gegevens ten behoeve van hetonderzoek) is in artikel 2.7.50 een nieuwe bevoegdheid opgenomen. Hetbetreft de bevoegdheid voor de officier van justitie om een bedrijfwaarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat het toegang heeft totbepaalde gegevens te bevelen dat het deze gegevens bewerkt en dedaardoor verkregen gegevens verstrekt (het bevel data-analyse door eenderde). De rechter-commissaris moet toestemming geven voor dit soortbevelen in de gevallen waarin het bevel betrekking heeft op een persoondie aanspraak kan maken op bronbescherming (journalisten en publi-cisten) of op communicatie die wordt beschermd door het telecommuni-catiegeheim (artikel 2.7.50, tweede lid). Een van de voordelen van dezebepaling is dat het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer– door een bewerking van gegevens door bedrijven die daartoe veel beterzijn toegerust dan de opsporing – beter kan worden gewaarborgd. Deopsporing krijgt hierdoor de beschikking over minder gegevens dan bijeen normaal bevel tot verstrekking. Er zal bij de opsporing dus ookbepaald niet snel een ingrijpend beeld van iemands privéleven kunnenontstaan.Artikel 2.7.50 maakt zoals gezegd deel uit van Afdeling 7.3.3. In hetantwoord op vraag 316 is uiteengezet dat de abstracte driedeling van(ingrijpend) stelselmatig alleen is doorgevoerd in Afdeling 7.3.2, en niet inAfdeling 7.3.3, waarin het bevel data-analyse door een derde isopgenomen. In Afdeling 7.3.3 wordt wel op een andere manier eenscheiding gemaakt tussen gevallen waarin een voorafgaande rechterlijkemachtiging wel, en gevallen waarin deze niet is vereist. In het antwoordop vraag 316 is dat toegelicht voor de bevelen tot het verstrekken vangegevens (artikel 2.7.46). Met betrekking tot artikel 2.7.50 geldt, zoalshiervoor al is uiteengezet, dat een voorafgaande rechterlijke machtiging isvereist indien het bevel betrekking heeft op een persoon die aanspraakkan maken op bronbescherming of op communicatie die wordtbeschermd door het telecommunicatiegeheim. Opmerking verdient tenslotte dat de opsporingsambtenaar niet zelfstandig kan besluiten tot hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11248 doen verrichten van een data-analyse. Er is altijd in ieder geval een bevelvan de officier van justitie vereist.(318) De leden van de D66-fractie lezen dat, als het gaat om digitalegegevensdragers en geautomatiseerde werken, de officier van justitie debepalende partij is en dat vaak geen bemoeienis van de rechter-commissaris vereist is. Vindt de regering het niet wenselijk als hier eenrechter-commissaris betrokken bij zou zijn, aangezien het onderzoekenvan deze gegevens een grote inbreuk is of kan zijn op de privacy van debetrokkene?318. Zoals aangegeven in de antwoorden op de vragen 307 en 312 wordtin artikel 2.7.38 (ingrijpend) stelselmatig onderzoek van gegevens indigitale-gegevensdragers en geautomatiseerde werken en van daaruitovergenomen gegevens nader genormeerd. Hoewel dergelijk onderzoekaan bijvoorbeeld computers en smartphones in de praktijk vaak wordtverricht, was het in het huidige wetboek niet genormeerd. Het is vanbelang dat het nieuwe wetboek een normering voor dit onderzoek bevat.Voor de invulling daarvan is aansluiting gezocht bij de rechtspraak van deHoge Raad over dit thema (ECLI:NL:HR:2017:584). Dat deze vorm vanonderzoek nu van een specifieke wettelijke basis wordt voorzien, vormtvanuit de perspectieven van legaliteit en rechtsbescherming dus eenbelangrijke verbetering.Bij stelselmatig onderzoek is de officier van justitie de bevoegde autoriteit;bij ingrijpend stelselmatig onderzoek behoeft de officier van justitievoorafgaand aan het geven van een bevel een machtiging van derechter-commissaris. Bij een ingrijpend stelselmatig onderzoek vangegevens wordt betrokkenheid van de rechter-commissaris van belanggeacht, omdat de opsporing met dergelijk onderzoek een brede kijk heeftin iemands privéleven, waarbij meerdere delen min of meer volledig naarvoren komen. Het gaat dan bijvoorbeeld om een volledig beeld vaniemands rollen in het sociale leven, zoals gezin, werk, sport, uitgaan envriendenkringen. Informatie uit verschillende contexten van iemandsleven wordt bij elkaar gelegd op een zodanige manier dat het beeld alsgeheel ingrijpend wordt. De inbreuk op de persoonlijke levenssfeer is indergelijke gevallen dan ook zeer groot. Is sprake van stelselmatigonderzoek dat niet ingrijpend is, dan volstaat een bevel van officier vanjustitie. De betrokkenheid van de officier van justitie vormt een adequatewaarborg dat niet te lichtvaardig wordt overgegaan tot de uitoefening vande bevoegdheid. Bovendien is de officier van justitie in gevallen waarinhet onderzoek gaandeweg een ingrijpend stelselmatig karakter dreigt tekrijgen, verplicht om zich alsnog tot de rechter-commissaris te wendenmet het oog op het verkrijgen van een machtiging om het onderzoek tecontinueren. Tevens ligt het in de rede dat een machtiging van derechter-commissaris wordt gevorderd als in een concreet geval twijfelbestaat of redelijkerwijs voorzienbaar is dat met het onderzoek eeningrijpend beeld van iemands privéleven wordt verkregen.(319) De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering of zij eenreflectie kan geven op de vraag in hoeverre de artikelen die verbandhouden met informatievergaring en -deling in overeenstemming zijn metde Wpg. Is de afstemming tussen het voorgestelde Wetboek vanStrafvordering en de Wpg volgens de regering voldoende?319. De normering van strafvorderlijke bevoegdheden is onderwerp vanhet Wetboek van Strafvordering. De Wet politiegegevens geeft algemeneregels over het verwerken van persoonsgegeven door de opsporing. Ineen aantal gevallen zijn in het Wetboek van Strafvordering bijzondereregels gesteld over de verwerking van gegevens die met opsporings-bevoegdheden zijn verkregen. Dergelijke bijzondere regels hebben danvoorrang op de algemene regels van de Wet politiegegevens.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11249 Wat betreft de vraag of de gegevensverwerking in het nieuwe wetboeknader moet worden genormeerd, wordt verwezen naar de op de vragen208 en 210 gegeven antwoorden.(320) De leden van de CDA-fractie lezen in artikel 2.7.38 dat stelselmatigonderzoek van gegevens in een digitale gegevensdrager of geautomati-seerd werk, door een opsporingsambtenaar op bevel van de officier vanjustitie kan worden verricht. De regering benoemt dat uit hetWODC-onderzoek over de praktijk van het vergaren van gegevens die zijnopgeslagen in inbeslaggenomen digitale gegevensdragers en geautomati-seerde werken ten behoeve van de opsporing en vervolging, blijkt dat inde praktijk behoefte bestaat aan meer duidelijkheid en eenheid tenaanzien van de voorschriften die gelden met betrekking van het vergarenvan opgeslagen gegevens. Op welke manier is de regering van meningdat aan deze wens tegemoet is gekomen in het wetsvoorstel?320. Het aangehaalde WODC-onderzoek over de praktijk van het vergarenvan gegevens die zijn opgeslagen in inbeslaggenomen digitale gegevens-drager en geautomatiseerde werken is gepubliceerd in 2016 (P. Mevis, J.Verbaan en B. Salverda, Onderzoek aan in beslag genomen elektronischegegevensdragers en geautomatiseerde werken ten behoeve vanopsporing en vervolging van strafbare feiten, Rotterdam 2016). Uit datrapport bleek inderdaad dat in de opsporingspraktijk behoefte bestondaan meer duidelijkheid en eenheid ten aanzien van de voorschriften diegelden voor het vergaren van opgeslagen gegevens. Het huidige wetboekbevat immers geen normering voor deze vormen van onderzoek; voordeze vormen van onderzoek wordt onder het huidige wetboek terugge-vallen op het algemene uitgangspunt in de rechtspraak over de algemenebepalingen over het beslag op voorwerpen, waaruit voortvloeit dat diebepalingen ertoe legitimeren dat in algemene zin aan die voorwerpen hetnodige onderzoek mocht worden verricht. Kort na het verschijnen van hetWODC-rapport, wees de Hoge Raad een belangrijk arrest over dit thema(ECLI:NL:HR:2017:584). In dit arrest introduceerde de Hoge Raad eendriedeling. Deze houdt kort gezegd in dat naarmate de inbreuk op depersoonlijke levenssfeer die met het onderzoek wordt gemaakt, groter is,de bevoegde autoriteit hoger wordt. De opsporingsambtenaar kan hetonderzoek verrichten indien de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer alsbeperkt kan worden beschouwd. Als het onderzoek een meer danbeperkte inbreuk maakt op de persoonlijke levenssfeer, dient hetonderzoek te worden bevolen door de officier van justitie. En als opvoorhand is te voorzien dat de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zeeringrijpend zal zijn, is betrokkenheid van de rechter-commissaris vereist.Deze driedeling in normering van het onderzoek aan computers ensmartphones geeft de opsporing de gewenste duidelijkheid en eenheid.Ook het nieuwe wetboek komt tegemoet aan die wens. In artikel 2.7.38wordt een normering voorgesteld die aansluit bij de jurisprudentie van deHoge Raad. De factoren die in de memorie van toelichting wordengenoemd om te bepalen of sprake is van stelselmatigheid of ingrijpendestelselmatigheid en de daarbij behorende voorbeelden zijn in samen-spraak met de opsporingspraktijk tot stand gekomen, onder meer in deCommissie-Koops, en geven ten behoeve van die praktijk nog een nadereduiding van deze begrippen.(321) De leden van de CDA-fractie vragen of uiteen gezet kan worden opwelke manier de voorgestelde bepalingen rondom de stelselmatigheidvan de bevoegdheden in overeenstemming is met het Unierecht.Daarnaast vragen deze leden of, mocht dit nodig zijn naar aanleiding vande antwoorden op de prejudiciële vragen aan het HvJEU, de bepalingenrondom de verkeers- en locatiegegevens snel kunnen worden aangepast.321. De begrippen «stelselmatig onderzoek van gegevens» en «ingrijpendstelselmatig onderzoek van gegevens» hebben een functie in het bepalenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11250 van de bevoegde autoriteit voor een onderzoek van gegevens. Bij eenstelselmatig onderzoek van gegevens is de officier van justitie debevoegde autoriteit. Voor een ingrijpend stelselmatig onderzoek vangegevens behoeft de officier van justitie een machtiging van de rechter-commissaris. Het EU-recht kent geen regeling of rechtspraak over ditspecifieke onderwerp. Hiermee zijn de bepalingen over het onderzoek vangegevens in lijn met het EU-recht. Niet uitgesloten is dat toekomstigerechtspraak van het Hof van Justitie over het vereiste van voorafgaandetoetsing wel betrekking zal hebben op het onderzoek van gegevens. Voorde mogelijke gevolgen daarvan wordt verwezen naar de antwoorden opvragen 224 en 313.Indien uit het antwoord van het Hof van Justitie op de prejudiciële vragenvan de Hoge Raad volgt dat het vereiste van voorafgaande toetsing ookbetrekking heeft op de vordering tot verstrekking van verkeers- enlocatiegegevens in de context van het Nederlandse strafprocesrecht zaleen voorstel tot codificatie worden gedaan. Ook voor een naderetoelichting op dit onderwerp wordt verwezen naar de antwoorden opvragen 224 en 313.(322) De leden van de CDA-fractie lezen dat in artikel 2.7.43 wordtopgenomen dat het mogelijk is om een generiek ontsleutelingsbevel tegeven om onderzoek mogelijk te maken in een inbeslaggenomen digitalegegevensdrager of geautomatiseerd werk. Op welke manier wordtingekaderd op welk soort gegevens deze bevoegdheid van toepassing kanzijn?322. Anders dan de vraagstellers veronderstellen, maakt artikel 2.7.43 hetniet mogelijk om een generiek ontsleutelingsbevel te geven. Ten aanzienvan elke digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk zal een apartontsleutelingsbevel moeten worden gegeven en zal moeten wordenvoldaan aan de toepassingsvoorwaarden die in artikel 2.7.43 zijnomschreven.Zoals uit het voorgaande blijkt, bevat artikel 2.7.43 alleen eenbevoegdheid om toegang te verkrijgen tot – op dat moment voor deopsporing nog onbereikbare, want versleutelde – gegevens. Artikel 2.7.43vormt daarmee in wezen een steunbevoegdheid voor het kunnenverrichten van de overige bevoegdheden uit Afdeling 7.3.2. Dat blijkt ookuit de laatste zin van het eerste lid van artikel 2.7.43: de uitoefening vandeze bevoegdheid moet noodzakelijk zijn voor de uitoefening van eenbevoegdheid als bedoeld in deze afdeling. Met het ontsleutelingsbevelkan de toegang worden verkregen tot elke soort gegevens, maar zodra detoegang tot de gewenste gegevens(drager) is verkregen, gelden voor hetvervolgonderzoek van die gegevens de overige bepalingen uitAfdeling 7.3.2. Als men de gegevensdrager zelf wil onderzoeken, geldtartikel 2.7.38; als men toekomstige gegevens wil onderzoeken, isartikel 2.7.39 van toepassing; en als men een netwerkzoeking wilverrichten vanuit een ontsleuteld geautomatiseerd werk, zullen devoorwaarden van artikel 2.7.40 moeten zijn vervuld.(323) De leden van de CDA-fractie lezen dat in lid 1 van artikel 2.7.45 isopgenomen dat een bevel tot bevriezen gegeven kan worden metbetrekking tot bepaalde opgeslagen gegevens die in het bijzonder vatbaarzijn voor verlies of wijziging. Wat moet worden verstaan onder gegevensdie vatbaar zijn voor verlies of wijziging en wat is de scheidslijn tussengegevens die dat niet zijn?323. Zoals blijkt uit de artikelsgewijze toelichting op artikel 2.7.45 is in dezebepaling het huidige artikel 126ni overgenomen. Het betreft debevoegdheid om degene van wie redelijkerwijs kan worden vermoed dathij toegang heeft tot bepaalde opgeslagen gegevens die in het bijzondervatbaar zijn voor verlies of wijziging, te bevelen deze gegevens voor eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11251 periode van maximaal drie maanden te bewaren en beschikbaar tehouden. Artikel 126ni is ingevoerd bij nota van wijziging behorende bij deWet computercriminaliteit II (Kamerstukken II 2004/05, 26 671, nr. 7). Debepaling geeft uitvoering aan artikel 16 van het Cybercrime-verdrag.Uit de toelichting bij artikel 126ni blijkt dat het bij gegevens die in hetbijzonder vatbaar zijn voor verlies of wijziging, gaat om zogeheten«vluchtige gegevens», waarbij het risico bestaat dat deze zonder eenvordering tot bewaring niet in dezelfde staat bewaard zouden blijven. Indie toelichting wordt benadrukt dat het niet gaat om een algemeneverplichting om heel in het algemeen gegevens voor een bepaalde termijnvast te leggen, maar om een plicht in een bepaald geval, indien dit nodigis in het belang van het onderzoek, gespecificeerde gegevens die zijnopgeslagen, te bewaren en beschikbaar te houden. Het voorbeeld datwordt genoemd is de situatie waarin bij een schietincident met slacht-offers veel mogelijke betrokkenen op de plaats van het incident aanwezigwaren en gegevens over deze betrokkenen wellicht beschikbaar zijnomdat zij in de buurt van het incident elektronische handelingen (bijvoor-beeld een pintransactie) hebben verricht of gebruik hebben gemaakt vanmobiele telecommunicatie. Denkbaar is dat de officier van justitie van debedrijven die beschikken over deze gegevens vordert gedurende een korteperiode deze gegevens beschikbaar te houden, in afwachting van de (metmeer waarborgen omklede) beslissing om al dan niet de gegevens zelf tevorderen. Toenmalig Minister van Justitie Donner heeft bij de parlemen-taire behandeling van het wetsvoorstel Computercriminaliteit II desge-vraagd benadrukt dat «vluchtig» betekent «snel verdwijnend». Een boekkan bijvoorbeeld worden weggegooid, maar is minder vluchtig dangegevens op een computer, aldus deze Minister (Handelingen II 2004/05,nr. 105, p. 6362).Verder volgt uit die toelichting dat het Cybercrime-verdrag bepaalt dat eenmaximumtermijn van drie maanden waarin de gegevens bewaard moetenblijven nodig is; dat heeft als reden dat rekening moet worden gehoudenmet de relatief lange periode die in een aantal landen gemoeid is met deuitvoering van een rechtshulpverzoek. Indien de vordering zou plaats-vinden in het kader van een Nederlands onderzoek zal doorgaans een veelkortere periode kunnen volstaan. Gelet op de noodzakelijke proportiona-liteit zal de periode dan zo kort mogelijk moeten worden vastgesteld. Vanbelang bij dit alles blijft te bedenken, dat de enkele vordering ombepaalde gegevens te «bevriezen» minder belastend is voor de privacyvan de personen op wie de gegevens betrekking hebben dan de vorderingom bepaalde gegevens (direct) te verstrekken.(324) De leden van de CDA-fractie lezen dat in het eerste lid vanartikel 2.7.50 wordt opgenomen dat de officier van justitie kan bevelen datdata-analyse wordt verricht door een derde. Deze leden vragen aan deregering waarom in de tekst van dit artikellid is gekozen voor de term«bewerken», nu dit ook andere associaties kan oproepen terwijl wordtbeoogd dat dit juist doelt op data-analyse en niet op het veranderen vangegevens.324. Zoals ook blijkt uit het antwoord op vraag 317 is in artikel 2.7.50 denieuwe bevoegdheid voor de officier van justitie neergelegd om bedrijvenof instellingen waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat zij toeganghebben tot bepaalde gegevens, te bevelen dat zij deze gegevensbewerken en het resultaat daarvan vervolgens verstrekken aan deopsporing. De huidige wetgeving ten aanzien van het bevel totverstrekken van gegevens geeft alleen de mogelijkheid om een derde tebevelen bepaalde gegevens te verstrekken. Er bestaat geen mogelijkheidom de vermoedelijke houder van gegevens te bevelen dat hij de gegevensanalyseert, vergelijkt of combineert om nieuwe gegevens te verkrijgen.Met de bevoegdheid tot het verrichten van een data-analyse wordt hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11252 mogelijk gemaakt dat bedrijven of instellingen de gevorderde gegevenszelf analyseren en alleen de gegevens die relevant zijn voor het onderzoekaan de opsporing verstrekken. Het voordeel hiervan is dat het recht opeerbiediging van de persoonlijke levenssfeer – door een bewerking vangegevens door grote bedrijven die daartoe veel beter zijn toegerust dande opsporing – beter kan worden gewaarborgd.Ten aanzien van het bewerken van gegevens als bedoeld in artikel 2.7.50,eerste lid, is in de memorie van toelichting uiteengezet dat het gaat ombewerkingen die verdergaan dan meervoudige zoekhandelingen,bijvoorbeeld het integraal met elkaar vergelijken van alle gegevens uit eendataset met alle gegevens uit een andere dataset, om zo gegevens teidentificeren die in beide sets voorkomen. Het belangrijkste kenmerk vandeze bevoegdheid, die zich onderscheidt van de normale verstrekking vangegevens, is dat de bewerking «nieuwe» gegevens oplevert, dievervolgens worden verstrekt. Bij een normale verstrekking gaat het omgegevens die al als zodanig ergens staan geregistreerd. Het gaat dusuitdrukkelijk niet om het (inhoudelijk) aanpassen van de gegevens. Datblijkt ook voldoende uit de tekst van artikel 2.7.50, eerste lid, waarinimmers wordt gesproken over een bevel om gegevens te bewerken «ende daardoor verkregen gegevens» te verstrekken.(325) De leden van de BBB-fractie lezen dat in artikel 2.7.39 is bepaald datna inbeslagname van een digitale gegevensdrager of een geautomati-seerd werk gedurende een periode van drie dagen na het tijdstip vaninbeslagneming onderzoek van gegevens is toegestaan ten aanzien vangegevens die ten tijde van de inbeslagneming nog niet waren opgeslagenop het apparaat dat wordt onderzocht. Voornoemde leden hebben tweevragen over de termijn van drie dagen. Is deze termijn niet veel te kortvoor het ontvangen van nieuwe gegevens, ofwel wordt door deze (te)korte termijn niet het risico gelopen dat cruciale gegevens gemistworden? Is de termijn niet in haar algemeenheid te kort om nieuwegegevens op een gegevensdrager of een geautomatiseerd werk te kunnenonderzoeken, zodat eigenlijk meteen (uit voorzorg) een bevel van deofficier van justitie wordt aangevraagd? Dat zou de administratievelastendruk weer verhogen, hetgeen haaks staat op één van de doelstel-lingen van het wetsvoorstel, te weten een reductie van de administratievelastendruk.325. Zie het antwoord op vraag 327.7.4 Ontoegankelijkmaking van gegevens (326) De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de uitkomsten van depilot (zoals thans geschiedt op basis van artikel 556 Sv dat in werking isgetreden met de Innovatiewet Strafvordering) beschikbaar zijn en of aliets inhoudelijks kan worden gezegd over de toepassing, opbrengsten enknelpunten van deze nieuwe bevoegdheid.326. Zie het antwoord op vraag 327.(327) Deze leden vragen voorts in hoeverre het artikel 2.7.39 afwijkt van deadviezen van de Commissie-Koops en waar de termijn van drie maandenin lid twee op is gebaseerd.327. De vragen 325, 326 en 327 hebben betrekking op het nieuweartikel 2.7.39 en op artikel 556 dat door inwerkingtreding van de Innova-tiewet Strafvordering aan het huidige Wetboek van Strafvordering istoegevoegd. Deze vragen worden hier samen beantwoord. In artikel 2.7.39is een nieuwe bevoegdheid neergelegd, die mogelijk maakt dat deopsporingsambtenaar op bevel van de officier van justitie onderzoek kanverrichten van gegevens (zoals sms- of whatsappberichten) die binnen-komen op een geautomatiseerd werk of digitale-gegevensdrager nadat ditapparaat is inbeslaggenomen. Op grond van artikel 2.7.39, eerste lid, isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11253 dat mogelijk voor de duur van drie dagen na het tijdstip van inbeslag-neming. Indien het belang van het onderzoek dit dringend vereist kan deofficier van justitie, na verkregen machtiging van de rechter-commissaris,de termijn van drie dagen verlengen tot een termijn van maximaal driemaanden (tweede lid).Deze nieuwe bevoegdheid is ook opgenomen in de InnovatiewetStrafvordering, die op 1 oktober 2022 in werking is getreden(Stb. 2022, 362). Met de Innovatiewet wordt vooruitgelopen op het nieuweWetboek van Strafvordering door vijf nieuwe onderwerpen alvast tebeproeven in de praktijk. De hiervoor genoemde bevoegdheid is één vandie onderwerpen (opgenomen in artikel 556 van het huidige wetboek).Het creëren van een bevoegdheid in het nieuwe wetboek voor dezeopsporingsmethode was een wens van de opsporing. Ook de Commissie-Koops heeft de aanbeveling gedaan om deze methode te voorzien vaneen grondslag in het nieuwe wetboek (rapport Commissie-Koops,p. 92–95). In lijn met die aanbeveling heeft deze nieuwe bevoegdheid eenplek gekregen in Boek 2, Hoofdstuk 7. Ook wat betreft de gekozentermijnen en bijbehorende bevoegde autoriteit is aangesloten bij wat deCommissie-Koops daarover heeft aanbevolen. De gegevens diegedurende enkele dagen na de inbeslagneming binnenkomen kunnenvolgens de Commissie-Koops worden gezien als bijvangst: alle gegevensop de digitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk maken deeluit van de te onderzoeken gegevens, inclusief de toevallig nieuwbinnengekomen berichten, zonder dat daar een extra bevoegdheid ofnormering voor nodig is (vgl. rapport Commissie-Koops, p. 93–94). Heteerste lid van artikel 2.7.39 sluit daarbij aan. Het wordt niet nodig geachtom het vereiste van een rechterlijke machtiging voor te schrijven voorgevallen waarin gegevens worden onderzocht die gedurende maximaaldrie dagen na inbeslagneming binnenkomen op de digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk. Zodra men echter nieuwegegevens wil onderzoeken die gedurende een langere tijd dan binnen driedagen na inbeslagneming zijn binnengekomen op de inbeslaggenomendigitale-gegevensdrager of het geautomatiseerde werk, geldt – eveneensconform de aanbevelingen van de Commissie-Koops – een vereiste vaneen rechterlijke machtiging. Het gaat hier om een ingrijpende maatregelomdat gedurende een betrekkelijk lange tijd aanvullende gegevens binnenhet bereik van de opsporing komen waarover ten tijde van de inbeslag-neming nog niet kon worden beschikt. Daarom komt het redelijk voor datde rechter-commissaris, die meer afstand heeft tot de zaak, de noodzaakvan de verlenging voor het concrete onderzoek toetst.Benadrukt moet worden dat het niet de bedoeling is dat dezebevoegdheid wordt uitgeoefend om communicatie die wordt gevoerd,vast te leggen. De opsporingsambtenaar kan met andere woorden geengebruik maken van zijn bevoegdheden tot inbeslagneming met als enkeldoel om nieuwe gegevens te kunnen onderzoeken. Daarvoor zijn deheimelijke bevoegdheden uit de artikelen 2.8.13, 2.8.15 en 2.8.16 bedoeld.De bevoegdheid tot het verrichten van onderzoek van nieuwe gegevensvloeit veeleer voort uit de bevoegdheid tot het verrichten van onderzoekvan gegevens als bedoeld in artikel 2.7.38 en beoogt mogelijk te makendat ook na de inbeslagneming (eventueel) binnengekomen gegevensmogen worden onderzocht. Het ligt dan ook niet in de lijn der verwachtingdat bij de uitoefening van deze bevoegdheid uit voorzorg een rechterlijkemachtiging wordt gevraagd.Er bestaan enkele verschillen tussen artikel 2.7.39 en het huidigeartikel 556 dat met de Innovatiewet Strafvordering in het huidige wetboekis opgenomen. Bij de parlementaire behandeling van de Innovatiewet zijnnamelijk enkele wijzigingen in artikel 556 doorgevoerd als gevolg vanverschillende door de Tweede Kamer aangenomen amendementen. In deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11254 memorie van antwoord bij de Innovatiewet zijn deze wijzigingen en deimplicaties daarvan beschreven (Kamerstukken I 2021/22, 35 869, C,p. 7–9). Uit deze beschrijving volgt dat enkele van de amendementenverduidelijkingen in de nieuwe bepaling hebben opgeleverd, die ondermeer zien op de gestelde termijnen. Zo is onder meer verhelderd dat hetbevel ook op een later moment dan binnen drie maanden na de inbeslag-neming kan worden gegeven. Op die manier kan de bevoegdheid ookworden uitgeoefend als de telefoon pas na (bijvoorbeeld) zes maandenwordt ontgrendeld. Wel mag het onderzoek zich alleen richten opgegevens die binnen drie maanden na inbeslagneming zijn binnenge-komen. Daarnaast is verduidelijkt dat een bevel als bedoeld in het tweedelid ook kan worden gegeven als de officier van justitie geen gebruik heeftgemaakt van zijn bevoegdheid op grond van het eerste lid. Ook hebben deamendementen geleid tot een andere normering, aangezien de rechter-commissaris vanaf het eerste moment moet worden betrokken bij deuitoefening van deze bevoegdheid, en niet zoals in artikel 2.7.39 pas nadrie dagen. In artikel 556 bestaat met andere woorden niet (langer) demogelijkheid voor de officier van justitie om zelfstandig de kennisnemingvan berichten die de eerste drie dagen na inbeslagneming zijn binnenge-komen, te bevelen en moet steeds een machtiging bij de rechter-commissaris worden aangevraagd. De wijzigingen die door middel vanamendering zijn doorgevoerd in de Innovatiewet, zijn vooralsnog nietdoorgevoerd in artikel 2.7.39. Binnen een pilot wordt op dit momentnamelijk bekeken hoe de nieuwe bevoegdheid zoals omschreven inartikel 556 in de praktijk functioneert. In dit verband wordt gemonitordvoor welke strafbare feiten deze bevoegdheid wordt aangevraagd,wanneer een aanvraag wordt gehonoreerd of geweigerd, in hoeverre degestelde termijnen en autoriteiten volstaan en wat de opbrengsten van deuitoefening van deze bevoegdheid zijn.Twee jaar na de inwerkingtreding van de Innovatiewet (1 oktober 2024) zaleen evaluatierapport verschijnen onder auspiciën van het WODC. Datevaluatierapport zal inzichten bevatten die in de pilots zijn opgedaan overde toepassing, opbrengsten en eventuele knelpunten van onder meerdeze nieuwe bevoegdheid. Dit rapport zal na verschijning zo snel mogelijkworden voorgelegd aan de Tweede Kamer. Mocht de evaluatie aanleidinggeven tot aanpassing van deze nieuwe bevoegdheid zoals deze isopgenomen in het nieuwe Wetboek van Strafvordering (artikel 2.7.39), dangebeurt dit via de tweede aanvullingswet. Op dit moment is voorzien datin ieder geval de beoogde verduidelijkingen als gevolg van de genoemdeamendementen zullen worden doorgevoerd in het nieuwe wetboek. Deopsporing kan de bevoegdheid dan ook op een later moment uitoefenen(bijvoorbeeld zes maanden na de inbeslagneming), maar het onderzoekmag zich alleen richten op de gegevens die de eerste drie maanden op hetapparaat zijn opgeslagen.Gezien het voorgaande kan dan ook pas na het verschijnen van hetevaluatierapport volledig antwoord worden gegeven op de vraag of de inartikel 2.7.39 gestelde termijnen toereikend zijn voor een effectieveuitoefening van de in dat artikel opgenomen bevoegdheid.(328) De leden van de VVD-fractie vragen of het onder het nieuweartikel 2.7.40 mogelijk is voor de opsporing om zelfontwikkelde algoritmeste gebruiken om snel en efficiënt een grote hoeveelheid inbeslaggenomendata te onderzoeken op bepaalde steekwoorden. Klopt het dat dit artikeldaar de grondslag voor biedt, en zo nee, wat is dan de wettelijkegrondslag hiervoor?328. In artikel 2.7.40 is de bevoegdheid van de netwerkzoekingopgenomen; het onderzoek van gegevens in een digitale-gegevensdragerdie of een geautomatiseerd werk dat zich elders bevindt. Een concreetvoorbeeld vormen gegevens die zijn opgeslagen in een zogenoemdecloud en die via een internetverbinding eenvoudig te benaderen zijn. DenkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11255 aan gegevens die zijn opgeslagen in onder meer Dropbox, iCloud enGoogle Drive. De bepaling is de opvolger van het huidige artikel 125j.Deze bepaling maakt een netwerkzoeking alleen mogelijk op de plaats vande doorzoeking. Een belangrijke uitbreiding van de netwerkzoeking isdoor middel van de Innovatiewet Strafvordering al opgenomen in hethuidige Wetboek van Strafvordering: op grond van artikel 557 is eennetwerkzoeking ook mogelijk na inbeslagneming van een geautomati-seerd werk. Deze uitbreiding is ook opgenomen in artikel 2.7.40.De bevoegdheid van de netwerkzoeking vormt, zowel in het huidige(artikel 125j) als in het nieuwe wetboek (artikel 2.7.40), geen specifiekegrondslag voor een methode waarbij de opsporing zelfontwikkeldealgoritmes gebruikt om snel en efficiënt een grote hoeveelheid data teonderzoeken op bepaalde steekwoorden. Dat neemt echter niet weg datde opsporing deze methode wel kan toepassen bij het verrichten van(deze of andere vormen van) onderzoek van gegevens en dat dit ookgebeurt in de praktijk. De wet sluit deze vorm van onderzoek vangegevens immers niet uit, noch in het huidige wetboek, noch in deartikelen 2.7.38, 2.7.39, 2.7.40 en 2.7.41.In het rapport van de Radboud Universiteit over strafvorderlijke gegevens-verwerking is aandacht besteed aan deze vorm van onderzoek aan«bulkgegevens» (M.I. Fedorova, R.M. te Molder, M.J. Dubelaar, S.M.A.Lestrade, T.F. Walree, Strafvorderlijke gegevensverwerking, Nijmegen2022). De onderzoekers doen de aanbeveling om een specifiek normatiefkader te creëren voor het onderzoek aan door de uitoefening vanstrafvorderlijke bevoegdheden verkregen (bulk)gegevens, omdat naderenormering van deze vormen van onderzoek in zowel het huidige als hetnieuwe wetboek ontbreekt. Eventuele normering van het onderzoek aanbulkgegevens zal de komende jaren buiten het kader van het wetgevings-project nieuw Wetboek van Strafvordering plaatsvinden. Verwezen wordtnaar de antwoorden op de vragen 208 en 210.(329) Voornoemde leden lezen dat de bevoegdheid van artikel 2.7.40 geengrondslag biedt dat gegevens worden overgenomen die niet voor hetonderzoek van belang zijn. Wat gebeurt er feitelijk wanneer met gebruik-making van deze bevoegdheid of de bevoegdheid van artikel 2.7.39gegevens worden aangetroffen die weliswaar niet rechtstreeks voor hetbetreffende onderzoek van belang zijn, maar evident wel van belang zijnin andere lopende onderzoeken? Onder welke omstandigheden kan deopsporing toch gebruik maken van deze gegevens?329. Ook voor de uitoefening van een netwerkzoeking of de bevoegdheid,bedoeld in artikel 2.7.39, gelden de algemene bepalingen over deuitoefening van opsporingsbevoegdheden uit Boek 2, Titel 1.2, namelijkdat de bevoegdheid alleen mag worden uitgeoefend indien dat in hetbelang van het onderzoek is, en dat moet worden getoetst aan debeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit. Deze beginselen staaner in beginsel aan in de weg dat gegevens worden overgenomen die nietvoor het onderzoek van belang zijn.Op het moment dat een netwerkzoeking wordt verricht is logischerwijsnog niet van alle aangetroffen gegevens direct bekend of zij inderdaadvoor het onderzoek van belang zijn. Hier speelt de redelijke voorzien-baarheid een belangrijke rol. De bevoegde autoriteit zal moeten beoor-delen of redelijkerwijs voorzienbaar is dat de gegevens van belang zullenzijn voor het onderzoek en bepaalt op basis daarvan welke gegevensmogen worden overgenomen. Als na het overnemen van de gegevens enhet onderzoek van die gegevens alsnog blijkt dat bepaalde gegevens tochniet van belang zijn voor het desbetreffende onderzoek, is het overnemenvan deze gegevens niet met terugwerkende kracht onrechtmatig. Welschrijft het huidige wetboek in artikel 125n, eerste lid, voor dat vastge-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11256 legde gegevens die niet van betekenis zijn voor het onderzoek wordenvernietigd. Artikel 125n, derde lid, onderdeel a, geeft de officier vanjustitie echter de mogelijkheid om de gegevens te gebruiken voor eenander strafrechtelijk onderzoek dan het onderzoek waarin de bevoegdheidis uitgeoefend. De gegevens hoeven dan niet te worden vernietigd, totdatdat andere onderzoek is geëindigd (artikel 125n, vierde lid). Bepalingendie zien op verwerking van gegevens die zijn verkregen door uitoefeningvan bevoegdheden, zoals het huidige artikel 125n, worden door middelvan de eerste aanvullingswet alsnog opgenomen in het nieuwe wetboek(zie daarover ook het antwoord op vraag 208). Ook voor de gegevens diezijn verkregen door uitoefening van een netwerkzoeking bepaalt hetnieuwe wetboek op deze wijze wanneer deze gegevens moeten wordenvernietigd of wanneer zij mogen worden gebruikt voor een anderopsporingsonderzoek.(330) De leden van de CDA-fractie lezen dat artikel 2.7.57 de bevoegdheidbevat van de officier van justitie om een aanbieder van een communica-tiedienst te bevelen om direct alle maatregelen te nemen om bepaaldegegevens ontoegankelijk te maken en te houden. Wordt de aanbieder vancommunicatiedienst in dat geval ook duidelijk gemaakt binnen welketermijn de gegevens ontoegankelijk moeten worden gemaakt? Wat is deconsequentie als een aanbieder het bevel niet opvolgt, of verzaaktvoldoende maatregelen te nemen? Deze leden vragen ten slotte welkemaatregelen genomen kunnen worden zodat na de ontoegankelijkmakingvan de gegevens, niet op een andere communicatiedienst dezelfdestrafbare content wordt geplaatst door bijvoorbeeld anonieme accounts.330. Artikel 2.7.57 geeft de officier van justitie de bevoegdheid tot hetgeven van een bevel aan een aanbieder van een communicatiedienst tothet nemen van maatregelen om gegevens die bij hem zijn opgeslagen ofworden doorgegeven ontoegankelijk te maken. De bepaling komtnagenoeg volledig overeen met het huidige artikel 125p. Een bevel van deofficier van justitie op de voet van artikel 2.7.57 dient direct te wordenopgevolgd door de aanbieder van een communicatiedienst. De term«direct» betreft een redactionele wijziging ten opzichte van het huidigeartikel 125p dat schrijft over «terstond». Beide woorden hebben dezelfdebetekenis en houden in dat de aanbieder zo snel mogelijk alle maatre-gelen neemt die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd. Indiende aanbieder van een communicatiedienst niet voldoet aan het bevel vande officier van justitie geldt dat de vervolgingsuitsluitingsgrond vanartikel 54a van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is en deaanbieder onderwerp kan zijn van strafrechtelijke vervolging. Ten opzichtevan artikel 125p is geëxpliciteerd dat het bevel niet alleen betrekking heeftop het ontoegankelijk maken van gegevens maar ook op het ontoegan-kelijk houden daarvan. De aard van de ontoegankelijkmaking vereist datde ontoegankelijk gemaakt gegevens immers ook ontoegankelijk blijven.Indien de gegevens vervolgens via een andere aanbieder van eencommunicatiedienst worden opgeslagen of doorgegeven, is een nieuwbevel aan die aanbieder noodzakelijk.7.5 Uitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht (331) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van deuitoefening van bevoegdheden in het geval van verschoningsrecht. Is hetgelet op de stand van de techniek mogelijk om filtersoftware te ontwik-kelen die met voldoende precisie grote gegevensbestanden op verscho-ningsgerechtigde informatie kan filteren?331. Bij grote hoeveelheden (digitale) informatie die door de uitoefeningvan bevoegdheden ten aanzien van voorwerpen en gegevens wordtverkregen en waaronder zich vermoedelijk verschoningsgerechtigdeinformatie bevindt dient een schifting te worden gemaakt tussenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11257 informatie die wel en informatie die niet onder het functioneel verscho-ningsrecht valt. Op dit moment wordt, bij de huidige stand van detechniek, gewerkt aan de hand van een opgestelde lijst met zoektermen.Op de lijst staan bijvoorbeeld de namen en emailadressen van functioneelverschoningsgerechtigden. Deze lijst met zoektermen kan al dan niet inoverleg met de functioneel verschoningsgerechtigde worden opgesteld.Ook kan de rechter-commissaris beslissen om advies in te winnen bij eenvertegenwoordiger van de beroepsgroep.Om zoeken op termen mogelijk te maken, wordt overgenomen of op bevelverstrekte data vaak eerst ingelezen in forensische tools als Hansken ofFTK Lab. Deze tools verwerken de data en maken sporen (e-mails,chatberichten, documenten) inzichtelijk en doorzoekbaar. Afhankelijk vande hoeveelheid data duurt dit enkele uren tot soms zelfs enkele weken.Tijdens of na deze verwerking kunnen de sporen met verschoningsgerech-tigde informatie dan worden gefilterd. Het NFI heeft een informatiebladuitgebracht over hoe verschoningsgerechtigde informatie in de datageïdentificeerd wordt, wat technisch mogelijk maar ook onmogelijk is enhoe het vernietigen van data beperkingen legt op forensisch onderzoek encontraexpertise. Zie hiervoor: https://www.forensischinstituut.nl/publicaties/brochures/2023/04/21/informatieblad-vernietigen-van-digitale-sporen-met-verschoningsgerechtigde-informatie.Het is bij het opstellen van de lijst van belang dat de zoektermenvoldoende precies worden gekozen. Bij het filteren van grote hoeveel-heden gegevens – digitale sporen – wordt de verzameling sporen intweeën gesplitst, vergelijkbaar met een zeef: sporen die voldoen aan hetfilter blijven in de zeef achter, sporen die niet voldoen vallen erdoorheen.«False positives» (te veel informatie wordt aangemerkt als vermoedelijkverschoningsgerechtigd, waardoor die informatie verloren gaat voor deopsporing) en «false negatives» (verschoningsgerechtigde informatiewordt over het hoofd gezien, waardoor die toch raadpleegbaar blijft voorde opsporing) moeten daarbij worden voorkomen. Het is aan de rechter-commissaris – die verantwoordelijk is voor het stellen van devoorwaarden waaronder de doorzoeking plaatsvindt – om te bepalenwelke zoektermen worden gebruikt en of eventueel door de functioneelverschoningsgerechtigde aangeleverde zoektermen voldoende precieszijn om «false positives» en «false negatives» zoveel mogelijk tevoorkomen.(Toekomstige) technieken kunnen er mogelijk aan bijdragen dat(technische) oplossingen worden bedacht waarmee verschoningsgerech-tigde informatie (nog) beter en efficiënter kan worden uitgefilterd.(332) Kan de regering nader toelichten op welke wijze wordt gegaran-deerd dat de kabinetten van de rechter-commissaris de grote hoeveelheidextra taken die de nieuwe regeling inzake het verschoningsrecht in titel 7.5meebrengt op een verantwoorde wijze kunnen uitvoeren, gelet op deomstandigheid dat momenteel de capaciteit en expertise bij de kabinettenvan de rechter-commissaris onvoldoende is?332. In Boek 2, Titel 7.5, is de nieuwe regeling opgenomen met betrekkingtot voorwerpen en gegevens waarover het verschoningsrecht zichuitstrekt. Voorwerpen en gegevens waarover het verschoningsrecht zichuitstrekt mogen niet worden inbeslaggenomen en overgenomen, en vande onder het verschoningsrecht vallende informatie mag geen kennisworden genomen, behalve wanneer de rechter-commissaris in strenggenormeerde uitzonderingsgevallen anders beslist. Veel meer dan datvoorheen het geval was wordt de verantwoordelijkheid voor een juisteomgang met verschoningsgerechtigde informatie in de strafrechtspraktijkaan de rechter-commissaris toebedeeld. Deze grotere rol voor derechter-commissaris zal ook gepaard gaan met praktische veranderingenen uitdagingen op het gebied van capaciteit en nog te ontwikkelenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11258 techniek. Het is daarom van belang dat de uitvoeringsconsequenties voorde kabinetten van de rechter-commissaris goed in beeld worden gebracht.De centrale rol die de rechter-commissaris is gaan vervullen brengt eenaanzienlijke taakverzwaring en daarmee samenhangende inzet vanmenskracht met zich. Dit vergt dat aan de gerechten voldoende capaciteiten middelen ter beschikking worden gesteld om de kabinetten rechter-commissaris in staat te stellen de vereiste filtering te (doen) verrichten. Derechter-commissaris kan zich laten bijstaan door anderen bij de uitvoeringvan deze taak. Zie hiervoor nader in het antwoord op vraag 334. Mede alsgevolg van de recente jurisprudentie worden door de politie, debijzondere opsporingsdiensten, het openbaar ministerie, de rechtspraaken de NOvA momenteel gesprekken gevoerd met als doel het ontwikkelenvan praktische werkwijzen voor het verkrijgen, opslaan, filteren enuitgrijzen/vernietigen van verschoningsgerechtigd materiaal uit in beslaggenomen digitale gegevens. Daarbij zal een nieuw werkproces wordenontwikkeld dat ook onder het regiem van het nieuwe wetboek kan gelden.Het is momenteel dan ook de verwachting dat het nieuwe wetboek op ditonderdeel geen aanvullende uitvoeringsconsequenties heeft ten opzichtevan de effecten van deze jurisprudentie.(333) Verwacht de regering dat het uitgangspunt dat alleen de rechter-commissaris voor zover dat noodzakelijk is kennis kan nemen van deinhoud van de gegevens in de praktijk haalbaar is?333. De bepalingen in Boek 2, Titel 7.5, bevatten waarborgen opdat hetverschoningsrecht, ook bij de uitoefening van bevoegdheden ten aanzienvan voorwerpen en gegevens, gerespecteerd wordt. Uit gesprekken metde praktijk en de over de consultatieversie van Boek 2 uitgebrachteadviezen blijkt dat er overeenstemming bestaat over het uitgangspunt datde inhoudelijke beoordeling van vermoedelijk verschoningsgerechtigdeinformatie is voorbehouden aan de rechter-commissaris. Aan hetverschoningsrecht ligt het beginsel ten grondslag dat een ieder zichvrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het toevertrouwde ombijstand en advies tot de verschoningsgerechtigde moet kunnen wenden.Dit beginsel wordt in elk geval ondergraven als de met het opsporingson-derzoek belaste officier van justitie kennis kan nemen van de gegevens die(vermoedelijk) object zijn van het verschoningsrecht, of als die gegevensanderszins bekend worden binnen het opsporingsonderzoek. Daarom isbetrokkenheid van een andere autoriteit aangewezen bij de beoordeling ofsprake is van gegevens die object zijn van het verschoningsrecht. (Vgl.ECLI:NL:HR:2024:375, r.o. 6.5.4.) De rechter-commissaris heeft een centralerol bij de selectie van de geprivilegieerde gegevens. In artikel 2.7.66 isvastgelegd dat alleen de rechter-commissaris kan kennisnemen van deverschoningsgerechtigde informatie. De rol van de rechter-commissarishoudt daarbij in dat de kennisneming van de gegevens door of onderverantwoordelijkheid van de rechter-commissaris moet plaatsvinden,waarbij deze zich kan laten bijstaan door andere functionarissen.Opsporingsambtenaren (die niet zijn betrokken bij het betreffendeopsporingsonderzoek, zie nader het antwoord op vraag 334) mogenbijvoorbeeld de technische bijstand verlenen die nodig is om de rechter-commissaris in staat te stellen van de gegevens kennis te nemen. Eenvoorbeeld is een geval waarin de gegevens eerst ontsleuteld moetenworden voordat zij gelezen kunnen worden.Zie verder het antwoord hieronder op vraag 334.(334) Welke rol is weggelegd voor geheimhoudingsofficieren van justitieen geheimhouders opsporingsambtenaren?334. De rechter-commissaris is – bijvoorbeeld in verband met de aard ofde omvang van de gegevens – niet altijd in staat dat onderzoek (geheel)zelf te verrichten. Denk hierbij aan zogenaamde «bulkgegevens». Derechter-commissaris kan bij de filtering andere functionarissen, zoalsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11259 (opsporings)ambtenaren of een officier van justitie inschakelen, mitsgewaarborgd is dat de gegevens die object zijn van het verschonings-recht, niet op enigerlei wijze bekend (kunnen) worden aan degenen diemet het betreffende strafrechtelijk onderzoek en de strafrechtelijkevervolging zijn belast of daarbij anderszins zijn betrokken. Deze functiona-rissen voeren onder regie en verantwoordelijkheid van de rechter-commissaris het voor de filtering benodigde onderzoek uit, en dat striktegeheimhouding wordt betracht.Opsporingsambtenaren kunnen de rechter-commissaris technischebijstand verlenen bij het uitfilteren van de verschoningsgerechtigdeinformatie. Het is uitgesloten dat het opsporingsambtenaren betreft diebetrokken zijn bij het betreffende opsporingsonderzoek of die deeluitmaken van het betreffende opsporingsteam. De opsporingsambtenaarkan zoekslagen overeenkomstig de opdracht van de rechter-commissarisuitvoeren. De rechter-commissaris kan in het individuele geval beslissenover de voorwaarden, maar het is ook mogelijk dat vastgelegde werkaf-spraken worden gevolgd. Nadat de vermoedelijk verschoningsgerechtigdeinformatie is uitgefilterd, kan het opsporingsteam met de overige(geschoonde) gegevens aan de slag.Met het oog op de controle door de zittingsrechter is van belang dat demanier waarop het proces van filtering is georganiseerd, wordtvastgelegd in een door of namens de rechter-commissaris opgesteldproces-verbaal.(335) In hoeverre acht de regering het denkbaar dat in geval van hetverkrijgen van grote hoeveelheden gegevens waartussen zich mogelijkverschoningsgerechtigde informatie bevindt, de rechter-commissaris nietkrachtens artikel 2.7.65 ingeschakeld wordt?335. Artikel 2.7.65 heeft betrekking op de situatie waarin bij een ander daneen functioneel verschoningsgerechtigde, bijvoorbeeld een bedrijf,voorwerpen zijn inbeslaggenomen of onderzoek van gegevens wordtverricht of gegevens zijn overgenomen, en het redelijk vermoedenontstaat dat zich daaronder ook voorwerpen of gegevens bevindenwaarover het verschoningsrecht zich uitstrekt. Zodra dit redelijkvermoeden rijst, dient contact te worden opgenomen met de rechter-commissaris, zodat die de voorwaarden kan bepalen waaronder hetbeslag kan worden voortgezet onderscheidenlijk het onderzoek vangegevens kan plaatsvinden dan wel kan worden voortgezet. Het momentwaarop contact wordt opgenomen met de rechter-commissaris zalafhankelijk zijn van het moment waarop het redelijk vermoeden ontstaat.Indien sprake is van een grote hoeveelheid voorwerpen of gegevens kandit vermoeden later ontstaan dan bijvoorbeeld in het overzichtelijke gevalwaarin een archiefkast met drie ordners wordt aangetroffen. Er wordt opvertrouwd dat bij de doorzoeking ter inbeslagneming of een onderzoekvan gegevens de rechter-commissaris wordt benaderd zodra het redelijkvermoeden ontstaat dat zich daaronder ook verschoningsgerechtigdmateriaal bevindt. Bij eventuele niet-naleving kan dat een schending vanhet verschoningsrecht opleveren. Bij schendingen van het verschonings-recht die in lopende strafrechtelijke onderzoeken hebben plaatsgevondenis sprake van onrechtmatig handelen dat door de strafrechter van eenprocessuele sanctie kan worden voorzien.(336) Kan de regering het criterium van het «redelijke vermoeden» naderduiden?336. De belangen die met het verschoningsrecht zijn gemoeid, maken hetnoodzakelijk dat politie en justitie doen wat nodig is om inbreuken op hetverschoningsrecht zo veel mogelijk te voorkomen, zodra het redelijkvermoeden bestaat dat de gegevens waarover zij de beschikking krijgen(deels) geprivilegieerde gegevens betreffen. (Vgl. ECLI:NL:HR:2024:375,r.o. 6.5.1.) Bij inbeslagneming van voorwerpen of onderzoek vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11260 gegevens bij anderen dan een functioneel verschoningsgerechtigde, zoalsbijvoorbeeld een bedrijf, kan het redelijke vermoeden ontstaan dat zichdaartussen verschoningsgerechtigde informatie bevindt. Opsporingsamb-tenaren moeten zich van kennisneming onthouden vanaf het moment datdit redelijk vermoeden ontstaat. Bovendien dient vanaf dit momentcontact te worden opgenomen met de rechter-commissaris, zodat die devoorwaarden kan bepalen waaronder het beslag kan worden voortgezetonderscheidenlijk het onderzoek van gegevens kan plaatsvinden dan welkan worden voortgezet (filtering). Een redelijk vermoeden dat hetfunctioneel verschoningsrecht zich over bepaalde voorwerpen ofgegevens uitstrekt kan op verschillende manieren ontstaan. Allereerst kandat vermoeden ontstaan wanneer de functioneel verschoningsgerechtigdezich op het standpunt stelt dat de informatie onder het verschoningsrechtvalt. De functioneel verschoningsgerechtigde zal echter in veel gevallenniet bij de betreding of doorzoeking ter inbeslagneming of het onderzoekvan gegevens bij derden aanwezig zijn, waardoor zijn standpunt op datmoment nog niet bekend zal zijn. De beslagene of rechthebbende zal invoorkomende gevallen wel aanwezig zijn. Wanneer die persoon – onder-bouwd – aangeeft dat bepaalde informatie onder het functioneelverschoningsrecht valt, dan kan eveneens een redelijk vermoedenontstaan. Ook kan een dergelijk vermoeden ontstaan door kenmerken vanhet voorwerp of de gegevens zelf of de wijze waarop deze wordenbewaard (gearchiveerd). Uit het briefhoofd blijkt bijvoorbeeld dat hetdesbetreffende document betrekking heeft op correspondentie met eenarts of advocaat, of documenten zijn (digitaal) opgeslagen in een map metde naam van een notariskantoor. Er moet «redelijkerwijs» kunnen wordenvermoed dat het functioneel verschoningsrecht zich over de informatieuitstrekt. De enkele bewering (door iemand anders dan een functioneelverschoningsgerechtigde) dat bepaalde informatie onder het functioneelverschoningsrecht valt, zonder onderbouwing en terwijl daarvoor geenverdere aanwijzingen zijn, levert niet een dergelijk vermoeden op.Daarbij moet worden bedacht dat het in artikel 2.7.65 nog niet zozeer gaatom een redelijk vermoeden ten aanzien van specifieke voorwerpen ofgegevens (zoals in artikel 2.7.66), maar om een redelijk vermoeden datfunctioneel verschoningsgerechtigde informatie zich tussen de inbeslag-genomen voorwerpen en de te onderzoeken gegevens bevindt.Artikel 2.7.65 voorziet voor dat geval in een regeling die tot doel heeft datdeze voorwerpen en gegevens worden «uitgefilterd» en niet op debeoordeling van de aldus uitgefilterde informatie (zie daaroverartikel 2.7.66). Bovendien moet het reële risico bestaan dat die informatieonderdeel uit zal maken van het beslag of het onderzoek. Van eendergelijk risico is geen sprake als de beslagene of de rechthebbendefunctioneel verschoningsgerechtigde stukken kan aanwijzen en deze zobuiten het beslag of het onderzoek van gegevens kunnen worden gelaten.Hiervan is evenmin sprake als bijvoorbeeld op een smartphone niet de(werk)email van de betrokkene wordt bekeken ten aanzien waarvan hijaangeeft dat zich daartussen functioneel verschoningsgerechtigdegegevens bevinden, maar alleen wordt bekeken op welke locaties detelefoon is geweest.(337) De leden van de VVD-fractie vragen of de regering van mening is datde procedure met betrekking tot stukken die onder een verschoningsge-rechtigde vallen voldoende is geregeld.337. Het uitgangspunt van de huidige regeling is dat voorwerpen engegevens waarover het functioneel verschoningsrecht zich uitstrekt nietworden inbeslaggenomen of overgenomen, tenzij zich een aantaluitzonderingen voordoen. Om onduidelijkheden hierover in de praktijk tevoorkomen en om deze belangrijke norm te onderstrepen, is ervoorgekozen dit expliciet in de wet vast te leggen. Ook in de nieuwe regelingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11261 blijft dit uitgangspunt gelden. De wettelijke regeling sluit aan bij de zichverder ontwikkelde praktijk. Hierbij is aandacht voor de toetsingscriteriadie gelden voor de rechter-commissaris. De mogelijkheid van«doorbreking» van het verschoningsrecht, die is erkend in de jurispru-dentie van de Hoge Raad, wordt daarbij gecodificeerd. Deze rechtspraakziet op de zeer uitzonderlijke omstandigheden waar in een individueelgeval het belang van de waarheidsvinding prevaleert boven het belangdat met het verschoningsrecht wordt beschermd. Het is de rechter-commissaris die hierover oordeelt. In die gevallen kan informatiewaarover het verschoningsrecht zich uitstrekt worden gebruikt in de zaak.Verder wordt wettelijk geregeld dat voorwerpen en gegevens naar hetkabinet van de rechter-commissaris kunnen worden gebracht ten behoevevan de beoordeling of informatie onder het verschoningsrecht valt (de inde praktijk al bestaande «gesloten envelop procedure»). Daarnaast wordtde wijze waarop de beslissing van de rechter-commissaris (procedureel)tot stand komt van een uitgebreidere regeling voorzien. Daarbij wordt ookde rol van de vertegenwoordiger van de beroepsgroep in de procedurenader bepaald en wordt in de mogelijkheid voorzien om de raadkamer inte schakelen om de rechter-commissaris een termijn te stellen indien diein gebreke blijft te beslissen. Dit maakt dat de procedure met betrekkingtot stukken die bij functioneel verschoningsgerechtigde zijn aangetroffenin het nieuwe wetboek toereikend is geregeld.De nieuwe wettelijke regeling geldt overigens ook voor gevallen waaringrote hoeveelheden gegevens zijn gevorderd en verkregen van eenaanbieder van een communicatiedienst en het redelijke vermoedenontstaat dat tussen die gegevens verschoningsgerechtigd materiaal zit. Indit verband kan worden gewezen op de beantwoording door de HogeRaad van de prejudiciële vragen van het Gerechtshof Den Bosch(ECLI:NL:HR:2024:375). Deze vragen hadden betrekking op de omgangdoor het openbaar ministerie met grote hoeveelheden van een aanbiedervan een communicatiedienst (zoals een hostingbedrijf) gevorderdegegevens waarvan een deel vermoedelijk onder het verschoningsrechtvalt, en op de rol van de rechter-commissaris daarbij. De lacune in dehuidige wetgeving waarop de Hoge Raad wijst wordt wettelijk wegge-nomen door de regeling in de artikelen 2.7.65 en 2.7.66. Zie nader hetantwoord op vraag 343.(338) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de regelingover inbeslagname en verschoningsrecht. Deze leden wijzen erop datsoms zeer grote hoeveelheden gegevens in beslag worden genomen endat het mogelijk is dat hier verschoningsgerechtigde informatie tussen zit.Is de regering zich ervan bewust dat het in de praktijk niet altijd mogelijkis om deze informatie er automatisch uit te filteren? Vindt de regering hetwenselijk dat de rechter-commissaris, die de verschoningsgerechtigdegegevens moet filteren, hierbij wordt geholpen door bijvoorbeeld«geheimhoudingsofficieren» of «geheimhoudingsopsporingsambte-naren» die dan mogelijk ook de inhoud kunnen zien? Kan de regeringhierin meenemen dat het OM op 25 september 2023 ook zelf in eenpersbericht heeft aangegeven dat de procedures hieromtrent nietvoldeden en ook niet in alle gevallen goed zijn gevolgd?338. Voor het antwoord op de vraag of de regering het wenselijk vindt datde rechter-commissaris bij het filteren wordt geholpen door anderenwordt verwezen naar het antwoord op vraag 334.Het openbaar ministerie heeft op 25 september 2023 een persberichtuitgebracht naar aanleiding van recente, soms uiteenlopende, rechterlijkeuitspraken over de rol van de officier van justitie in procedures rondomhet verschoningsrecht. Gebleken is dat die procedures niet in alle gevallenvoldeden en niet steeds goed zijn gevolgd. Het openbaar ministerie isdaarom in gesprek gegaan met de advocatuur, rechtspraak en opsporings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11262 instanties over een werkwijze die niet alleen juridisch houdbaar, maar ookvoor de verschillende partijen praktisch en technisch uitvoerbaar is.(https://www.om.nl/actueel/nieuws/2023/09/25/om-in-gesprek-met-strafrechtketen-over-verschoningsrecht)In een kort geding, aangespannen door advocaten tegen de Staat, heefthet gerechtshof Den Bosch de Hoge Raad om verdere verduidelijking vanrollen en verantwoordelijkheden gevraagd middels prejudiciële vragen.Naar aanleiding van de beantwoording door de Hoge Raad van deprejudiciële vragen (ECLI:NL:HR:2024:375) heeft het openbaar ministeriein een nieuwsbericht van 12 maart 2024 gereageerd dat de antwoorden opde prejudiciële vragen belangrijk zijn om de volgende stappen te zettenwaarbij gestreefd wordt naar een eenduidige en technisch haalbarewerkwijze, die recht doet aan zowel de belangen van het verschonings-recht als het maatschappelijk belang van effectieve opsporing envervolging van strafbare feiten. De werkwijze zal worden beschreven ineen zogeheten aanwijzing, waardoor deze voor iedereen kenbaar is.»(https://www.om.nl/actueel/nieuws/2024/03/12/hoge-raad-geeft-duidelijkheid-over-werkwijze-verschoningsrecht)De prejudiciële vragen hadden betrekking op de omgang door hetopenbaar ministerie met grote hoeveelheden van een aanbieder van eencommunicatiedienst (zoals een hostingbedrijf) gevorderde gegevenswaarvan een deel vermoedelijk onder het verschoningsrecht valt, en opde rol van de rechter-commissaris daarbij. De Hoge Raad constateert dateen op deze situatie toegesneden wettelijke regeling ontbreekt enformuleert daarom in afwachting van nadere regelgeving enkelevuistregels. Deze houden kort samengevat in dat wanneer het redelijkvermoeden bestaat dat tussen de van de aanbieder gevorderde grotehoeveelheid gegevens verschoningsgerechtigd materiaal zit, de rechter-commissaris een centrale rol heeft voor wat betreft de kennisneming vande gegevens. Die wettelijke regeling is in dit wetsvoorstel voorzien.Mede als gevolg van de recente jurisprudentie worden door de politie, debijzondere opsporingsdiensten, het openbaar ministerie, de rechtspraaken de NOvA momenteel gesprekken gevoerd met als doel het ontwikkelenvan praktische werkwijzen voor het verkrijgen, opslaan, filteren enuitgrijzen/vernietigen van verschoningsgerechtigd materiaal uit in beslaggenomen digitale gegevens. Daarbij zal een nieuw werkproces wordenontwikkeld dat ook onder het regiem van het nieuwe wetboek kan gelden.Het is momenteel dan ook de verwachting dat het nieuwe wetboek op ditonderdeel geen aanvullende uitvoeringsconsequenties heeft ten opzichtevan de effecten van deze jurisprudentie.8. Heimelijke bevoegdheden 8.1 Algemene bepalingen (339) De rapporteurs hebben enkele vragen over de algemene bepalingen.Kan de regering nader toelichten in welk opzicht het schrappen van de eisdat bevelen van de officier van justitie ter uitoefening van heimelijkebevoegdheden afzonderlijk op schrift worden gesteld tot werklastvermin-dering leidt? Kan de voorgestelde regeling ertoe leiden dat de politie meeradministratieve lasten krijgt, omdat zij verantwoordelijk wordt voor hetverbaliseren van een mondeling gegeven bevel? Past deze verschuivingvan verantwoordelijkheid op het gebied van bevelen bij de rollen en takenvan de politie en het OM in de opsporing?339. Zie het antwoord op vraag 308. Hetzelfde antwoord geldt in decontext van heimelijke bevoegdheden waarbij het bevel tot het uitoefenendaarvan niet langer afzonderlijk hoeft te worden vastgelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11263 (340) Kan de regering toelichten welke rol is weggelegd voor de rechter-commissaris bij de toetsing van (digitale) heimelijke opsporingsbevoegd-heden? Hoe moet de rechter-commissaris invulling geven aan zijntoetsende rol?340. In de regeling van de heimelijke bevoegdheden is de officier vanjustitie, net zoals in het huidige wetboek, de centrale autoriteit. Elk beveltot uitoefening van een heimelijke bevoegdheid wordt door de officier vanjustitie gegeven. Voor een aantal ingrijpende bevoegdheden heeft deofficier van justitie, om dat bevel te kunnen geven, een voorafgaandemachtiging van de rechter-commissaris nodig. Dat geldt, evenals in hethuidige wetboek, voor de bevoegdheden tot het vastleggen van telecom-municatie (artikel 2.8.13), het vastleggen van vertrouwelijke communicatie(artikel 2.8.15) en het op afstand binnendringen van een digitale-gegevensdrager of geautomatiseerd werk (artikel 2.8.16). In het nieuwewetboek is een voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris ookvoorgeschreven bij de meer indringende vormen van stelselmatigeinwinning van informatie (artikel 2.8.11, tweede lid) en bij infiltratie(artikel 2.8.12). Voor elk van de voornoemde bevoegdheden waarvoor eenmachtiging van de rechter-commissaris is vereist, geldt dat het belang vanhet onderzoek de uitoefening daarvan dringend dient te vereisen. Met ditvereiste wordt tot uitdrukking gebracht dat er met de uitoefening van debevoegdheid een groot/gewichtig onderzoeksbelang moet zijn gemoeid.Dat betekent dat indringend moet worden getoetst aan de beginselen vanproportionaliteit en subsidiariteit. Die indringende toetsing zal ook doorde rechter-commissaris moeten worden uitgevoerd. Hij zal de beleids-matige keuze om de bevoegdheid in het individuele geval in te zetten voltoetsen.Met «beleidsmatige keuze» is in de memorie van toelichting beoogd totuitdrukking te brengen dat de rechter-commissaris niet kan volstaan methet oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot het standpuntheeft kunnen komen dat de dringende noodzaak tot inzet van debevoegdheid aanwezig is. De rechter-commissaris beoordeelt alleen deaan hem voorgelegde zaak, maar doet dat op een indringende wijze. Hijtreedt nadrukkelijk niet in overwegingen over geschiktheid en mogelijkedoeltreffendheid van de bevoegdheidsuitoefening. Evenmin treedt hij inoverwegingen met betrekking tot een evenwichtige benutting van debeschikbare capaciteit of in overwegingen van opsporingstechnische en-tactische aard. Er is met andere woorden geen sprake van dat derechter-commissaris het beleid van het openbaar ministerie metbetrekking tot de inzet van heimelijke bevoegdheden als zodanigbeoordeelt. Dergelijke aspecten zullen wel ter toetsing voorliggen aan hetCollege van procureurs-generaal, dat – daartoe geadviseerd door deCentrale Toetsingscommissie – voor de uitoefening van sommigeheimelijke bevoegdheden toestemming moet geven (artikel 2.1.6, ziehierover nader het antwoord op vraag 220).(341) In hoeverre geeft het Unierecht aanleiding om de positie van derechter-commissaris te verstevigen bij de inzet van heimelijke bevoegd-heden (stelselmatige locatiebepaling, stelselmatige observatie, stelsel-matig overnemen van gegevens uit publiek toegankelijke bronnen)?341. Zoals in het antwoord op vraag 224 is opgemerkt heeft het Hof vanJustitie in zijn uitleg van het EU-handvest het vereiste van voorafgaandetoetsing ontwikkeld op basis waarvan een rechterlijke instantie ofonafhankelijke bestuurlijke autoriteit beslist over de uitoefening van een(specifieke) opsporingsbevoegdheid. Naar de huidige stand van derechtspraak van het Hof van Justitie kan slechts met zekerheid wordengesteld dat dit vereiste geldt voor de toegang tot verkeers- en locatiege-gevens die krachtens een wettelijke bewaarplicht worden bewaard (HvJ2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur)) en de toegangTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11264 tot passagiersgegevens (HvJ 21 juni 2022, C-817/19, ECLI:EU:C:2022:491(Ligue des droits humains)). Over de reikwijdte van het vereiste vanvoorafgaande toetsing – met andere woorden: ten aanzien van welkeopsporingsbevoegdheden en in welke gevallen geldt het vereiste vanvoorafgaande toetsing – zijn naar aanleiding van prejudiciële vragen vanrechters uit verschillende lidstaten zaken aanhangig bij het Hof vanJustitie. Zo kwamen in de antwoorden op vragen 313 en 315 de prejudi-ciële vragen van de Hoge Raad aan de orde waarvan de uitkomst kan zijndat het vereiste van voorafgaande toetsing definitief ook geldt ten aanzienvan de toegang tot verkeers- en locatiegegevens in de context van hetNederlandse strafprocesrecht. Niet uitgesloten is dat het vereiste vanvoorafgaande toetsing naar aanleiding van toekomstige rechtspraak vanhet Hof van Justitie nog andere opsporingsbevoegdheden zal beslaan.Voor zover ten aanzien van de desbetreffende opsporingsbevoegdhedenop grond van dit wetboek nog geen machtigingsvereiste van de rechter-commissaris geldt, zal een voorstel tot codificatie van de rechtspraak vanhet Hof van Justitie worden gedaan. De huidige stand van de rechtspraakvan het Hof van Justitie dwingt op dit moment echter niet tot hetbetrekken van de rechter-commissaris bij de uitoefening van meeropsporingsbevoegdheden.(342) Hoe wordt in het wetsvoorstel de authenticiteit en de herkomst vangegevens die met technische hulpmiddelen zijn vergaard gewaarborgd,nu het voorgestelde middel van voorafgaande keuring van technischemiddelen niet of nauwelijks werkt?342. Bij de toepassing van heimelijke bevoegdheden wordt vaak gebruik-gemaakt van technische hulpmiddelen, zoals camera’s en microfoons. Hetis belangrijk om de authenticiteit en de herkomst van de gegevens diedaarmee worden verkregen te waarborgen. Met het oog daarop wordenop dit moment in het Besluit technische hulpmiddelen strafvorderingverschillende eisen aan technische hulpmiddelen gesteld. Dit besluit zal,net als andere besluiten die hun grondslag vinden in het Wetboek vanStrafvordering, worden vernieuwd in het kader van het nieuwe Wetboekvan Strafvordering. In artikel 2.8.4 (de opvolger van het huidigeartikel 126ee) is daartoe een delegatiebepaling opgenomen. Deze bepalingbiedt de grondslag om bij algemene maatregel van bestuur nadere regelste stellen over onder meer de opslag, verstrekking, plaatsing en verwij-dering van dit soort technische hulpmiddelen, maar ook over detechnische eisen waaraan die hulpmiddelen moeten voldoen.Eén van de eisen die op dit moment worden gesteld aan voor deopsporing te gebruiken technische hulpmiddelen is dat deze voorafgaandaan hun inzet (behoudens uitzonderingen) worden gekeurd. Deze keuringdient ertoe de authenticiteit en de herkomst van de vergaarde gegevens tewaarborgen. Uit WODC-onderzoek naar de zogenoemde hackbevoegdheidblijkt echter dat het in de context van die bevoegdheid in de praktijknauwelijks lukt om vooraf gekeurde technische hulpmiddelen in te zetten.Daaraan liggen verschillende (praktische) problemen ten grondslag(A. van Uden en C.A.J. van den Eeden, De hackbevoegdheid in de praktijk,WODC 2022, p. 176–177). Bij de vernieuwing van de bestaande besluiten– waarbij de organisaties van de strafrechtsketen waaronder de opsporingnauw betrokken zijn – bestaat aandacht voor deze problematiek. Bij detotstandkoming van de nieuwe besluiten zal worden bezien hoe deauthenticiteit en de herkomst van de gegevens kunnen worden gewaar-borgd, terwijl tegelijkertijd een oplossing wordt geboden voor depraktische problemen van de voorgeschreven keuring, en hoe een enander regeling kan vinden in de uitvoeringsregels. Ook in het kader van denieuwe algemene maatregel van bestuur over de geautomatiseerde wijzevan het overnemen van persoonsgegevens uit publiek toegankelijkebronnen (zie artikel 2.8.8; denk aan zogeheten webcrawlers) is dit eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11265 belangrijk thema, waarbij waardevolle inbreng wordt geleverd vanuit deopsporing.(343) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van deuitoefening van heimelijke bevoegdheden in het geval van verschonings-recht. Voor wat de bevoegdheden in hoofdstuk 8 betreft is enkel bepaalddat de verschoningsgerechtigde informatie moet worden vernietigd(artikel 2.8.3). Kan de regering overwegen om ook in hoofdstuk 8 eenregeling te treffen voor het waarborgen van het verschoningsrecht indienmet bevoegdheden uit hoofdstuk 8 grote hoeveelheden gegevens wordenverkregen waartussen zich mogelijk verschoningsgerechtigde informatiebevindt (vergelijkbaar met de regeling in artikel 2.7.65–2.7.66)? Hoe zoudeze regeling vorm kunnen krijgen? Indien de regering dit niet wenselijkacht, wordt met het handhaven van het geldende regime (artikel 126aaSv) een rol beoogd voor een geheimhoudingsofficier en/of geheimhou-dingsopsporingsambtenaren bij filtering van gegevens? Kan de regeringin dat geval nader toelichten hoe de filtering vorm zou moeten krijgen?Kan de regering nader toelichten waarom in artikel 2.8.3 wordt gesprokenvan «vernietigen», in plaats van of naast bijvoorbeeld «ontoegankelijkmaken»? Kan de regering nader toelichten hoe moet worden omgegaanmet het vereiste dat het standpunt van de verschoningsgerechtigde moetworden ingewonnen, als deze niet bekend is?343. Op 12 maart 2024 heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen van hetGerechtshof Den Bosch beantwoord (ECLI:NL:HR:2024:375). Deze vragenhadden betrekking op de omgang door het openbaar ministerie met grotehoeveelheden van een aanbieder van een communicatiedienst (zoals eenhostingbedrijf) gevorderde gegevens waarvan een deel vermoedelijkonder het verschoningsrecht valt, en op de rol van de rechter-commissarisdaarbij. De Hoge Raad constateert dat een op deze situatie toegesnedenwettelijke regeling ontbreekt en formuleert daarom in afwachting vannadere regelgeving enkele vuistregels. Deze houden kort samengevat indat wanneer het redelijk vermoeden bestaat dat tussen de van deaanbieder gevorderde grote hoeveelheid gegevens verschoningsge-rechtigd materiaal zit, de rechter-commissaris een centrale rol heeft voorwat betreft de kennisneming van de gegevens. De lacune in de huidigewetgeving waarop de Hoge Raad doelt, en die door zijn vuistregels voorde praktijk wordt opgevuld, wordt wettelijk weggenomen door de regelingin de artikelen 2.7.65 en 2.7.66 van het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering. Het vorderen van gegevens (in de terminologie van het nieuwewetboek: het bevel tot verstrekking van gegevens) valt in het nieuwewetboek namelijk onder Hoofdstuk 7 van Boek 2. Dit is anders in hethuidige wetboek. In het huidige wetboek vallen de bevoegdheden tot hetvorderen van gegevens samen met de heimelijke bevoegdheden onder deregeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden en – voor watbetreft de omgang met potentieel verschoningsgerechtigd materiaal –beide onder het huidige artikel 126aa. In het nieuwe wetboek vallen deheimelijke bevoegdheden onder Boek 2, Hoofdstuk 8, en daarmee onderde opvolger van artikel 126aa: artikel 2.8.3.Om kort te gaan: voor de omgang met grote hoeveelheden gegevenswaartussen vermoedelijk ook verschoningsgerechtigd materiaal zit is voorwat betreft op bevel verstrekte gegevens in het nieuwe wetboek in eenregeling met een centrale rol voor de rechter-commissaris voorzien; voorde omgang met deze gegevens voor zover zij zijn verkregen door deuitoefening van heimelijke bevoegdheden is volstaan met de regeling vanartikel 2.8.3, waarin de rechter-commissaris eveneens een rol speelt, maareen minder grote.De beslissing van de Hoge Raad is gericht op bevoegdheden tot hetvorderen van grote hoeveelheden gegevens bij een aanbieder van eencommunicatiedienst en niet op door de uitoefening van heimelijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11266 bevoegdheden (in de zin van Boek 2, Hoofdstuk 8, van het nieuwewetboek) verkregen grote hoeveelheden gegevens. Dit neemt niet weg datde uitgangspunten waarop de Hoge Raad zijn beslissing baseert ook eenrol zouden kunnen spelen bij omgang met grote hoeveelheden gegevensdie zijn verkregen door de uitoefening van heimelijke bevoegdheden. Insamenspraak met ketenpartners zal in de komende periode wordenbekeken of en in hoeverre aanleiding bestaat om ook bij het door de inzetvan heimelijke bevoegdheden verzamelen van bulkgegevens waartussenvermoedelijk ook verschoningsgerechtigd materiaal zit, een grotere rolaan de rechter-commissaris toe te delen dan nu in artikel 2.8.3 is voorzien.Bovenstaande vragen over de wijze van filteren, door wie het filteren magworden gedaan en het eventueel inwinnen van een standpunt van deverschoningsgerechtigde, worden daarbij voor wat betreft de context vande uitoefening van heimelijke bevoegdheden meegenomen. Mocht ditaanleiding geven tot wetswijziging, dan zal deze wetswijziging wordenmeegenomen in de tweede aanvullingswet bij het nieuwe Wetboek vanStrafvordering.(344) De leden van de CDA-fractie lezen in artikel 2.8.4 dat gewerkt wordtaan technische hulpmiddelen die het mogelijk maken om versleuteldecommunicatie die plaatsvindt met gebruikmaking van de diensten van eenaanbieder van een communicatiedienst te ontsleutelen en vast te leggen,en dat dit binnenkort beschikbaar zal zijn. Deze leden juichen ditonderzoek toe en vragen of de regering al meer kan zeggen over devoortgang van dit onderzoek naar geschikte technische hulpmiddelen.344. Gezien de vele verschillende verschijningsvormen van encryptie ende ontwikkelingen daarbinnen is geen sprake van één oplossing waarmeede opsporing encryptie in algemene zin zal kunnen doorbreken. Deopsporing is continu bezig om de ontwikkelingen op het gebied vanencryptie te volgen en ontwikkelt ook continu hulpmiddelen om, waarmogelijk, versleutelde communicatie inzichtelijk te maken. Dergelijkehulpmiddelen zijn soms zaakspecifiek, soms meer a-specifiek, maar altijdcontextafhankelijk.8.2 De bevoegdheden (345) De rapporteurs hebben enkele vragen ten aanzien van de bevoegd-heden. Kan de regering nader toelichten welke gevolgen het schrappenvan de huidige artikelen 126cc en 126dd uit het Wetboek van Strafvor-dering zal hebben, mede gelet op de omstandigheid dat voor dezebepalingen op korte termijn ook geen nadere regeling wordt getroffen inde Wpg?345. De huidige artikelen 126cc en 126dd zijn inderdaad nog niet overge-nomen in het nieuwe wetboek (zie daarover meer in de memorie vantoelichting, Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 71). Door middel vande eerste aanvullingswet zullen deze bepalingen echter alsnog in hetnieuwe wetboek worden overgenomen (zie daarover meer in hetantwoord op vraag 208). In dit voorstel is zoveel mogelijk gekozen vooreen technische omzetting, waarbij de inhoud van de bestaandebepalingen over gegevensverwerking één op één zijn overgenomen.(346) Is het gelet op Europeesrechtelijke normen, in het bijzonder Richtlijn2016/80 noodzakelijk om meer waarborgen te creëren voor het verderverwerken van gegevens die met heimelijke bevoegdheden zijnverkregen?346. In antwoord op de vragen 208 en 210 is aangegeven dat er aanleidingis om de normering van de verwerking van gegevens die door middel vanopsporingsbevoegdheden zijn verkregen, nader te bekijken. Richtlijn2016/680 laat op veel punten aan de nationale wetgever ruimte voor eennadere invulling van de normering van de gegevensverwerking. Dat is inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11267 belangrijke mate ook gebeurt in de Wet politiegegevens en de Wetjustitiële en strafvorderlijke gegevens. Maar de verdergaande digitali-sering en technologische ontwikkelingen, zoals die ook hun weerslaghebben in de rechtspraktijk, maken dat het vinden van het juisteevenwicht tussen de bescherming van de privacy van burgers en debelangen van de opsporing om (georganiseerde en ondermijnende)criminaliteit effectief te kunnen bestrijden, steeds aandacht behoeft, ookvan de wetgever. In dit licht wordt bekeken hoe in de wetgeving demogelijkheden om informatie gestuurd te werken kunnen wordenverbeterd, terwijl ook de privacy van de burger wordt beschermd. Een enander betekent dat wordt bekeken of het nieuwe wetboek en de Wetpolitiegegevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevensaanpassing behoeven en zo ja, welke. Zie ook het antwoord op de vragen208 en 210.(347). Kan de regering nader ingaan op de inzet van opsporingsbevoegd-heden ten behoeve van het opbouwen van een informatiepositie? Welkebevoegdheden mag de politie hiervoor wel of niet gebruiken? Als hetwenselijk is dat de politie bevoegdheden kan inzetten om een informatie-positie op te bouwen, hoe wordt dit onderwerp dan nader genormeerd?347. Het nieuwe wetboek voorziet niet in bevoegdheden die kunnenworden ingezet voor het enkele doel van het opbouwen van een informa-tiepositie. Wel kunnen uiteraard opsporingsbevoegdheden wordeningezet in het kader van een opsporingsonderzoek teneinde een informa-tiepositie op te bouwen ten aanzien van vermoedelijk gepleegde strafbarefeiten en vermoedelijke daders. Daarnaast geeft de regeling van hetverkennend onderzoek (artikel 2.9.1) de mogelijkheid om (verkennend)onderzoek te doen naar misdrijven binnen verzamelingen van personenindien uit feiten of omstandigheden aanwijzingen voortvloeien dat binnendie verzamelingen van personen misdrijven worden beraamd of gepleegdwaarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf van vier jaar ofmeer is gesteld en die gezien hun aard of de samenhang met anderemisdrijven die binnen die verzamelingen van personen worden beraamdof gepleegd een ernstige inbreuk op de rechtsorde opleveren. Er kunnenzich gevallen voordoen waarin een vorm van onderzoek noodzakelijk is,terwijl er nog geen zicht is op verdachten of strafbare feiten, maar alleenvan aanwijzingen daaromtrent. De bestaande regeling van het verkennendonderzoek biedt onvoldoende mogelijkheden om de beschikking tekunnen krijgen over gegevens die nodig zijn om in het kader van eenverkennend onderzoek tot een verdenking te kunnen komen. Om de feitenen aanwijzingen die ten grondslag liggen aan een verkennend onderzoekop waarde te kunnen schatten en te veredelen, zijn aanvullende gegevensonmisbaar. In het nieuwe wetboek wordt het daarom mogelijk gemaaktom in het kader van een verkennend onderzoek stelselmatig persoonsge-gevens uit publiek toegankelijke bronnen over te nemen.In normering van de gegevensverwerking ten behoeve van het opbouwenvan een informatiepositie is voorts voorzien in de Wet politiegegevens.Het gaat dan om de artikelen 10 en 11 van de Wet politiegegevens.Artikel 10 voorziet in de verwerking van politiegegevens met het oog ophet verkrijgen van inzicht in de betrokkenheid van personen bij (catego-rieën van) ernstige misdrijven. Artikel 11 voorziet in de mogelijkheid ompolitiegegevens geautomatiseerd te vergelijken met andere politiege-gevens en in combinatie te doorzoeken. Zowel in deze artikelen als in hetBesluit politiegegevens zijn deze verwerkingen nader genormeerd.Zoals in het antwoord op vraag 346 al is aangegeven, wordt bekeken hoein de wetgeving de mogelijkheden om informatie gestuurd te werkenkunnen worden verbeterd, terwijl ook de privacy van de burger wordtbeschermd. Een en ander betekent dat wordt bekeken of het nieuwewetboek en de Wet politiegegevens aanpassing behoeven en zo ja, welke.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11268 (348) Kan de regering toelichten hoe de beginselen van proportionaliteiten subsidiariteit worden gewaarborgd bij de inzet van de bevoegdheid totpseudokoop en -dienstverlening tegen niet-verdachte personen?348. De bevoegdheid tot pseudo-koop of -dienstverlening (artikel 2.8.10)zal in het nieuwe wetboek ook mogen worden uitgeoefend tegenniet-verdachte personen. In de memorie van toelichting is daaroveraangegeven dat het soms gewenst is de bevoegdheid tegen een anderdan de verdachte in te zetten. De toelichting noemt verschillendevoorbeelden, waaronder het geval waarin de verdachte nog onbekend ismaar de opsporing wel al een (onwetende) koerier van die verdachte ophet oog heeft met wie een deal kan worden gesloten. Er kan een tactischbelang bestaan bij het inzetten van de bevoegdheid tot pseudokoop tegen(vooralsnog) onverdachte personen: zolang deze personen niet weten datzij met opsporingsambtenaren te maken hebben, is de kans kleiner dat zij(onbewust) gewijzigd gedrag gaan vertonen richting hun (wel verdachte)bronnen. Die zouden daardoor immers argwaan kunnen krijgen en dehandel kunnen verleggen, als gevolg waarvan de opsporing achter het netzou vissen. Met het verruimen van de bevoegdheid tot pseudokoop, komtde rigiditeit van de bestaande regeling die in de praktijk als belemmerendwordt ervaren, te vervallen.In het algemeen geldt dat de uitoefening van bevoegdheden moetvoldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit (vgl.artikel 2.1.3). In het geval de bevoegdheid tot pseudokoop en-dienstverlening wordt uitgeoefend tegen niet-verdachte personen zullende beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit hogere eisen stellenaan de inzet van deze bevoegdheid en daarmee aan de motivering van hetbevel daartoe. De officier van justitie, die verantwoordelijk is voor hetgeven van het bevel, zal ervoor moeten zorgdragen dat het bevel (datafzonderlijk door hem wordt vastgelegd, vgl. artikel 2.8.1) aan dezevereisten voldoet. De officier van justitie moet dragend kunnen motiverenwaarom, gezien de specifieke feiten en omstandigheden, in het concretegeval de uitoefening van de bevoegdheid tegen een niet-verdachtepersoon noodzakelijk is, en dus niet kan worden volstaan met bevoegd-heidsuitoefening tegen de verdachte.(349) Kan de regering het onderscheid tussen de lichte en de zwarevariant van de bevoegdheid tot stelselmatige informatiewinning nadertoelichten?349. Artikel 2.8.11 bevat de bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen vaninformatie. Het eerste lid bevat de bestaande bevoegdheid zoals deze ookin het huidige wetboek is neergelegd in artikel 126j. Het gaat om het, opbevel van de officier van justitie, deelnemen door een informant (under-coveragent) aan de maatschappelijke verbanden waarin een persoonverkeert, door – onder andere – actief te interfereren in het leven van dedesbetreffende persoon en zo stelselmatig informatie over hem in tewinnen. Dat kan hij doen door rechtstreeks contact te zoeken met dezepersoon – bijvoorbeeld door hem op te zoeken in zijn stamkroeg of in desportschool – of door via derden aan informatie over deze persoon tekomen.Het tweede lid van artikel 2.8.11 is nieuw en vormt de grondslag voor eenmeer indringende vorm van stelselmatige inwinning van informatie. Bij deuitoefening van deze bevoegdheid kan de informant de verdachteactiviteiten laten verrichten, al dan niet in samenwerking met deinformant. De informant is de initiator van deze activiteiten, die kunnenplaatsvinden op maatschappelijk of zakelijk vlak, bijvoorbeeld door hetlaten verrichten van hand- en spandiensten ten behoeve van de fictieve(criminele) onderneming van een opsporingsambtenaar. Het zal bij dezemeer indringende vorm van de bevoegdheid van het tweede lidTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11269 doorgaans gaan om langdurige trajecten waarbij de opsporing in contactkomt en blijft met verdachten, waaronder trajecten die zijn geïnspireerdop de Canadese Mr. Big-methode. Bij deze methode wordt een vertrou-wensband met de verdachte opgebouwd en kan de verdachtedoorgroeien in een gefingeerd (criminele) organisatie. Dit alles met alsdoel dat de verdachte zijn geheimen zal prijsgeven, waaronder eerderdoor hem begane strafbare feiten. Voor het geven van een bevel tot dezemeer indringende vorm van stelselmatig inwinnen van informatie heeft deofficier van justitie een voorafgaande machtiging nodig van de rechter-commissaris.In de wettekst is neergelegd dat de meer indringende vorm van stelsel-matige inwinning van informatie het laten verrichten van activiteiten doorde verdachte, al dan niet in samenwerking met de opsporingsambtenaar,inhoudt. Dat is waarin de indringende variant zich onderscheidt van delichte variant. Als een traject is aangevangen op grond van het eerste lid,en de operatie zich zo ontwikkelt dat de opsporing een actievere, meeringrijpende rol wil gaan vervullen in het leven van de verdachte, doorhem bepaalde activiteiten te laten verrichten, gaan de toepassingscriteriavan het tweede lid gelden, waaronder het vereiste van een machtigingvan de rechter-commissaris.(350) Kunnen befriendingsoperaties, waarin de politie tracht hetvertrouwen te winnen van de persoon over wie informatie wordtingewonnen, op lid 1 van artikel 2.8.11 worden gebaseerd? Zo ja, dient indat geval ook een machtiging van de rechter-commissaris te wordenverkregen?350. Zoals volgt uit het antwoord op vraag 349, onderscheidt de meerindringende vorm van het stelselmatig inwinnen van informatie zoalsbedoeld in artikel 2.8.11, tweede lid, zich van die in het eerste lid, doordathet tweede lid het laten verrichten van activiteiten door de verdachte, aldan niet in samenwerking met de opsporingsambtenaar, inhoudt. Hettweede lid is bedoeld om onder meer Mr. Big-achtige trajecten van eennadere normering te voorzien. Zie daarover nader het antwoord op vraag349.Befriendingsoperaties die worden verricht om het vertrouwen van eenpersoon te winnen, kunnen op het eerste lid worden gebaseerd, zolanggeen sprake is van het laten verrichten van activiteiten door de persoonover wie informatie wordt ingewonnen. Het mag daarbij gaan omintensief contact. Zo kan de informant gedurende een langere periode eenvriendschap opbouwen met de betrokkene, waarbij hij op zo’n regel-matige wijze contact met hem heeft, dat hij veel verschillende inzichtenover het leven van de betrokkene kan verkrijgen. Het contact blijft indergelijke gevallen echter in die zin «passief», dat de betrokkene nietwordt bewogen om samen met de informant bepaalde activiteiten teverrichten, zoals het laten verrichten van hand- en spandiensten tenbehoeve van de fictieve (criminele) onderneming van een opsporings-ambtenaar. Als dat laatste wel gebeurt, geldt het tweede lid vanartikel 2.8.11 en is, een machtiging van de rechter-commissaris vereist.Intensieve befriendingsoperaties kunnen dus, net zoals nu het geval is,ook op het eerste lid van artikel 2.8.11 worden gebaseerd zondermachtiging van de rechter-commissaris.(351) Welke mogelijkheden heeft de rechter-commissaris om het verloopvan een dergelijke befriendingsoperatie goed te monitoren?351. Bij befriendingsoperaties die zijn gebaseerd op het eerste lid vanartikel 2.8.11 is de rechter-commissaris niet betrokken. Voor de uitoe-fening van deze bevoegdheid volstaat immers een bevel van de officiervan justitie. Daarbij is in artikel 2.8.11, derde lid, neergelegd dat dit bevelin eerste instantie wordt gegeven voor ten hoogste drie maanden en datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11270 het daarna elke drie maanden opnieuw kan worden verlengd. De officiervan justitie monitort dus tussentijds het verloop van de operatie.Befriendingsoperaties die (onder meer) het laten verrichten van activi-teiten door de verdachte inhouden, moeten worden gebaseerd opartikel 2.8.11, tweede lid. Voor de uitoefening van deze bevoegdheidbehoeft de officier van justitie voor het geven van zijn bevel eenmachtiging van de rechter-commissaris. In artikel 2.8.11, vierde lid, isneergelegd dat het bevel (en dus ook de rechterlijke machtiging diedaaraan voorafgaat) wordt gegeven voor een periode van ten hoogste zesmaanden. Na die periode kan het bevel worden verlengd, telkens voor eenperiode van ten hoogste drie maanden. Aan elke verlenging dient eenmachtiging van de rechter-commissaris vooraf te gaan (zie artikel 2.1.14,vierde lid). Op die manier kan de rechter-commissaris een op het tweedelid gebaseerde operatie tussentijds monitoren, waarbij de officier vanjustitie de rechter-commissaris desgevraagd van nadere inlichtingen kanvoorzien over het verloop en de voortgang van het onderzoek. Voor deaanvankelijke periode van zes maanden is gekozen omdat er vaak een watlangere aanloopperiode bestaat waarin de verdachte langzaam maar zekerwordt betrokken bij de plannen van de undercoveragenten. Als degeldigheidsduur van het bevel al na drie maanden moet worden verlengd– en er dus na drie maanden een nieuwe machtiging moet wordengevorderd – zullen de omstandigheden nog weinig zijn gewijzigd en zaleen nieuwe machtiging haar beoogde waarborgfunctie nauwelijksvervullen. Na die eerste zes maanden dient, indien noodzakelijk, degeldigheidsduur van het bevel en de machtiging elke drie maanden teworden verlengd.(352) Hoe worden befriendingsoperaties binnen het OM gemonitord? Aanwelke waarborgen moeten deze operaties voldoen?352. De huidige procedure voor de monitoring van befriendingsoperatiesvan het openbaar ministerie ziet er als volgt uit. De rechercheofficier vanjustitie dient vooraf toestemming te verlenen voor stelselmatigeinformatie-inwinning (hierna ook: SI). De hoofdofficier van justitie dient inbepaalde zwaardere of gevoelige trajecten ook toestemming te geven.Vervolgens is sprake van dagelijkse monitoring door de zaaksofficier vanjustitie onder wiens gezag het traject plaatsvindt. De zaaksofficierinformeert tevens de rechercheofficier van justitie (en eventueel dehoofdofficier van justitie) over het verloop van het trajectDaarnaast monitort de zogenaamde WOD-officier van justitie (WOD =werken onder dekmantel) het traject omdat deze het gezag heeft over hetteam WOD en vanuit die hoedanigheid dus zicht heeft op de lopendetrajecten. De Centrale Toetsingscommissie (CTC) toetst momenteelzwaardere SI-trajecten maar ook lichtere SI-trajecten waaraan gevoelig-heden en risico’s zitten. Dat betreft een collegiale toetsing. Tijdens dezetoets wordt door de CTC een moment aangegeven waarop de CTC hettraject opnieuw wil toetsen (vaak loopt dat parallel aan de termijn van hetafgegeven bevel). Het kan voorkomen dat er tussentijds, als gevolg vanhet verloop van het traject, voor de zaaksofficier van justitie of derechercheofficier van justitie aanleiding bestaat om de zaak opnieuw voorte leggen aan de CTC. Ook de WOD-officier van justitie kan hierin een rolvervullen.Wat betreft de waarborgen waaraan befriendingsoperaties moetenvoldoen geldt dat de wet criteria stelt voor het inwinnen van stelselmatigeinformatie door opsporingsambtenaren. Daarnaast gelden de eisen vanproportionaliteit en subsidiariteit. In het nieuwe wetboek worden dezealgemene beginselen gecodificeerd in de algemene bepalingen van hetopsporingsonderzoek. Daarnaast is het toetsingskader zoals gehanteerddoor de Hoge Raad van toepassing, bestaande uit eisen zoals zorgvul-digheid, beheersbaarheid, controleerbaarheid en transparantie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11271 Los van de juridische eisen die in de rechtspraak zijn ontwikkeld, zijn opgrond van de rapporten Brouwer en Sorgdrager nadere waarborgengeformuleerd voor de inzet van heimelijke opsporing. Zoals beschreven inde beleidsreacties op beide rapporten, zijn deze waarborgen reeds deelsgeïmplementeerd (zie de verzamelbrief politie en missie-kritischecommunicatie van 20 oktober 2023 (Kamerstukken II 2022/23, 29 628,nr. 1190) en het Eerste halfjaarbericht politie 2023 (Kamerstukken II2022/23, 29 628, nr. 1174)). Andere waarborgen zullen in de komende jarennadere invulling krijgen bij de opbouw van de nieuwe afdeling Heimelijkeopsporing. Op grond van artikel 2.8.11, vijfde lid, worden nadere regelsgesteld over de eisen van bekwaamheid waaraan de opsporings-ambtenaar moet voldoen en de wijze waarop de bevoegdheid totstelselmatige inwinning van informatie wordt uitgeoefend.(353) De leden van de D66-fractie constateren dat bij bevoegdheden alsstelselmatige locatiebepaling en stelselmatige observatie geenmachtiging van de rechter-commissaris vereist is. Deelt de regering demening dat ook deze bevoegdheden een grote inbreuk maken op iemandsprivacy en dat rechterlijke tussenkomst een extra waarborg vormt voorpersonen die aan deze bevoegdheden worden onderworpen? Zo ja,waarom kiest de regering dan toch voor het niet verplichten van eenmachtiging van de rechter-commissaris?353. In de artikelen 2.8.7 en 2.8.18 zijn de bevoegdheden tot stelselmatigeobservatie en stelselmatige locatiebepaling opgenomen. Artikel 2.8.7 is de(grotendeels ongewijzigde) opvolger van het huidige artikel 126g en debevoegdheid tot stelselmatige locatiebepaling is nieuw. Beide bevoegd-heden kunnen worden uitgeoefend op bevel van de officier van justitie.Een voorafgaande rechterlijke machtiging is niet vereist.De opsporingsmethodes observatie en locatiebepaling worden ookgeregeld uitgeoefend op grond van artikel 3 Politiewet 2012. Het gaat danom kortstondige observaties of locatiebepalingen, die (dus) geenstelselmatig karakter hebben. Gezien de beperkte mate van inbreuk op depersoonlijke levenssfeer die dan wordt gemaakt, mogen opsporingsamb-tenaren dergelijke observaties en locatiebepalingen zonder bevel van deofficier van justitie verrichten en is daarvoor geen specifieke wettelijkegrondslag vereist. Zo kan het versturen van negentig «stillesms-berichten» in een periode van vijf dagen ter locatiebepaling, wordengebaseerd op artikel 3 Politiewet 2012 (ECLI:NL:HR:2014:1563 enECLI:NL:HR:2014:1562). Onder het nieuwe wetboek kunnen deze opspo-ringshandelingen worden gebaseerd op de algemene bevoegdheidsbe-paling van artikel 2.1.9.De vormen van observatie en locatiebepaling die een meer dan geringeinbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkene maken zijngenormeerd in het hoofdstuk met heimelijke bevoegdheden; de stelsel-matige observatie en de stelselmatige locatiebepaling. Het gaat danbijvoorbeeld om observaties van een langere duur (zie ook het antwoordop vraag 217). Met deze vormen van observatie en locatiebepaling wordteen grotere inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer vanbetrokkene. Daarom zijn deze methodes voorzien van een specifiekegrondslag in het wetboek en moet een officier van justitie een bevel gevenom de bevoegdheid uit te oefenen.Het hoofdstuk van de heimelijke bevoegdheden is qua normering, net alsde bevoegdheden in Boek 2, Hoofdstuk 7, trapsgewijs opgebouwd. Dat wilzeggen: hoe groter de inbreuk op grond- en mensenrechten is die met deuitoefening van de bevoegdheid wordt gemaakt, hoe strenger detoepassingscriteria zijn. Deze opbouw in normering wat betreft deheimelijke bevoegdheden geldt ook nu al in het huidige wetboek en blijftbehouden in het nieuwe wetboek. Gezien het feit dat de uitoefening vande bevoegdheden tot stelselmatige observatie en stelselmatige locatiebe-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11272 paling met name informatie kan opleveren over de locatie(s) van eenpersoon, waarbij van belang is dat geen woning mag worden betreden bijde uitoefening van de observatie, volstaat het bevel van de officier vanjustitie. Dat ligt anders bij meer ingrijpende heimelijke bevoegdheden,zoals het vastleggen van telecommunicatie, het vastleggen van vertrou-welijke communicatie en het op afstand binnendringen van een geauto-matiseerd werk, die naar hun aard geen «lichte» variant kennen waarbijuitoefening van de bevoegdheid op grond van artikel 3 Politiewet 2012mogelijk is. Deze methodes maken per definitie een grote inbreuk op depersoonlijke levenssfeer. Er wordt immers niet alleen informatieverkregen over de locatie en bewegingen van de persoon, maar ook overde inhoud van zijn communicatie met anderen, hetgeen een veeldiepgaander beeld verschaft over iemands persoonlijk denken en doen.Daarom is voor de uitoefening van deze bevoegdheden altijd eenmachtiging van de rechter-commissaris vereist naast het bevel van deofficier van justitie.(354) De leden van de D66-fractie lezen dat onder andere de bevoegdheidstelselmatig inwinnen van informatie onder de nieuwe wet niet meeralleen zal kunnen worden ingezet tegen verdachten maar bij «personen».Er hoeft dus geen verdenking te bestaan. Kan de regering toelichtenwaarom deze verruiming nodig is en kan zij hier concrete voorbeelden bijgeven?354. De bevoegdheid tot het stelselmatig inwinnen van informatie alsbedoeld in artikel 2.8.11, eerste lid, kan worden uitgeoefend tegenpersonen. Voor de uitoefening van deze bevoegdheid is wel degelijkvereist dat er een verdenking van een misdrijf bestaat; die verdenkinghoeft alleen niet de persoon te betreffen die het object van het onderzoekvormt. De meer indringende vorm variant van stelselmatige inwinnen vaninformatie (artikel 2.8.11, tweede lid) kan alleen worden uitgeoefend tegende verdachte van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijvinggevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en dat gezien zijn aard ofde samenhang met andere in verband met die verdenking beganemisdrijven een ernstige inbreuk op de rechtsorde oplevert.Ten opzichte van de huidige regeling bevat het eerste lid van artikel 2.8.11een verruiming van de kring van personen ten aanzien van wie debevoegdheid van stelselmatige inwinning van informatie kan wordenuitgeoefend. Deze wijziging doet recht aan de praktijk, waarin het somsmoeilijk is een onderscheid te maken tussen het stelselmatig inwinnenvan informatie ten aanzien van een verdachte en ten aanzien van anderepersonen, in de regel nauwe contacten van de verdachte. Ook met dielaatste personen zal een informant in meer of mindere mate contactenmoeten onderhouden, omdat hij zich nu eenmaal actief begeeft in kringenrondom de verdachte. De nieuwe regeling maakt het bovendien mogelijkdat – in uitzonderlijke gevallen – primair stelselmatig informatie wordtingewonnen ten aanzien van een andere persoon dan de verdachte,bijvoorbeeld wanneer dit een veel minder ingrijpende en veiliger vormvan stelselmatig informatie inwinnen oplevert. Een voorbeeld vormt desituatie waarin het zeer moeilijk is om zonder argwaan te wekken deverdachte zelf te benaderen, bijvoorbeeld omdat hij een hoge rangbekleedt in een criminele organisatie. Als een (onverdacht) familielid vanhem wel kan worden benaderd en over hem of haar informatie kanworden ingewonnen die relevant kan zijn voor de opsporing van door deverdachte begane feiten, kan dat een reden zijn om de bevoegdheid tegendat familielid uit te oefenen. Door in dergelijke gevallen een familielid tebenaderen, kan ook de betrouwbaarheid van het gemaakte contactworden versterkt. Het zal zoals gezegd om uitzonderlijke situaties gaan. Debeginselen van proportionaliteit en subsidiariteit zullen immers hogereTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11273 eisen stellen aan de de inzet van deze bevoegdheid tegen een ander dande verdachte, en daarmee aan de vereiste motivering van het bevel.(355) De leden van de CDA-fractie lezen in artikel 2.8.7 dat het bevel vande officier van justitie in beginsel mondeling kan worden gegeven als hetgaat om heimelijke bevoegdheden, en een schriftelijk bevel de uitzon-dering is. In hoeverre leidt dit tot een vermindering van de werklast, nueen verbaliseringsplicht blijft gelden, ook voor mondelinge bevelen?355. Zie het antwoord op vraag 308. Hetzelfde antwoord geldt in decontext van heimelijke bevoegdheden waarbij het bevel tot het uitoefenendaarvan niet langer afzonderlijk hoeft te worden vastgelegd (zoalsstelselmatige observatie (artikel 2.8.7)).(356) De leden van de CDA-fractie lezen dat in artikel 2.8.12 de eisenrondom de inzet van infiltratie zijn opgenomen. Deze leden vragen opwelke manier er voldoende aandacht en zorg is voor het psychisch welzijnvan de opsporingsambtenaar die het bevel tot infiltreren uitvoert.356. De zorg voor het psychisch welzijn van opsporingsambtenaren dieheimelijk onderzoek verrichten (waaronder infiltratie en het stelselmatiginwinnen van informatie) heeft in de afgelopen jaren terecht meeraandacht gekregen binnen de politie en het openbaar ministerie. Naaraanleiding van een onderzoek naar de feiten en omstandigheden rond hetoverlijden van een politie-infiltrant is in februari 2022 de commissieWaarborgen Werken Onder Dekmantel geïnstalleerd (Kamerstukken II2021/22, 29 628, nr. 1050). De opdracht aan de commissie betrof onderandere «te onderzoeken op welke aspecten nadere versterking vanwaarborgen nodig is, met daarbij aanvullend aandacht voor desamenhang tussen organisatorische en ethische aspecten en het mentalewelzijn van medewerkers». De eindrapportage van de commissie is op21 oktober 2023 aan de Tweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II2023/24, 29 628, nr. 1190). In dit rapport is een scala aan waarborgenvoorgesteld voor het psychisch welzijn van opsporingsambtenaren in hetheimelijk domein.De commissie Waarborgen Werken Onder Dekmantel geeft aan dat goedeen voldoende aandacht voor zorg en welzijn, waarbij specifieke kennisbestaat van het heimelijk werk, een randvoorwaarde is voor hetuitoefenen van heimelijke bevoegdheden. Dit wordt volledig onder-schreven. De door de commissie voorgestelde waarborgen gelden voorhet gehele loopbaantraject van de opsporingsambtenaar en zijn nietbeperkt tot diens operationele inzet als informant of infiltrant. Dewaarborgen betreffen onder andere de opleiding van opsporingsambte-naren en begeleiders en het vaststellen van termijnen gedurende welkeeen opsporingsambtenaar actief mag zijn als informant of infiltrant. Ookmoet aandacht bestaan voor de ondersteuning van de opsporings-ambtenaar bij het vinden van nieuw werk binnen of buiten de politie,nadat hij is gestopt in het heimelijke domein. Ten slotte is een belangrijkewaarborg gelegen in «mental check-ups», ook na het uitstromen alsinformant of infiltrant naar een andere functie binnen de politie. Concreetbetekent dit onder andere het aantrekken van meer psychologen die nauwbetrokken zijn bij deze opsporingsambtenaren. Ook is er binnen de politieeen Regiepunt Heimelijke Operaties opgericht waar alle lopende operatiesbinnen het heimelijke domein worden getoetst. De commissie adviseertom personeelswelzijn nog explicieter naar voren te laten komen in deadviezen van dit regiepunt.In de reactie naar aanleiding van het eindrapport van de commissieWaarborgen Werken Onder Dekmantel is aangegeven dat de korpschef dein het rapport voorgestelde waarborgen op het gebied van personeels-welzijn verder uitwerkt. Ten behoeve hiervan is een kwartiermakeraangesteld. De kwartiermaker heeft als opdracht een nieuw stelselTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11274 heimelijk werken binnen de politie te ontwikkelen, waarbinnen devoorgestelde waarborgen op het gebied van personeelswelzijn vormkrijgen. Vanuit het openbaar ministerie wijst het College van procureurs-generaal een counterpart aan voor deze kwartiermaker ten behoeve vande nauwe verbinding tussen de politie en het openbaar ministerie in ditproces. Dit proces wordt op de voet gevolgd. De Tweede Kamer wordthierover op de hoogte gehouden door middel van rapportages in de«Halfjaarberichten politie».10. Onderzoek door de rechter-commissaris (357) In algemene zin stellen de leden van de VVD-fractie vast dat de«beweging naar voren» met zich meebrengt dat de kabinetten van derechter-commissaris goed moeten zijn toegerust om de wettelijke taken tekunnen uitvoeren. Nu het in de lijn der verwachting ligt dat er bij dezekabinetten een werklastverzwaring is te verwachten, vragen deze ledenwelke flankerende maatregelen worden getroffen om de winst van de«beweging naar voren» ook daadwerkelijk te maximaliseren. Wordt hieroverleg over gevoerd tussen de Rvdr en de Nederlandse Vereniging voorRechtspraak (NVvR)? Wat is de inzet van de regering bij dit onderwerp enbij deze gesprekken? Hoe wordt het personeel hierbij betrokken?357. De regering zet in op een zo efficiënt en effectief mogelijk strafproceswaarbij de rechtsbescherming van justitiabelen is gewaarborgd. Ziedaarover ook de antwoorden op de vragen 50 en 358. Het beleid van deregering bestaat er onder andere uit de Rechtspraak en andere organi-saties in de strafrechtketen in staat te stellen de capaciteit op orde tebrengen en maatregelen te kunnen treffen die de werkdruk vanmedewerkers beheersbaar maken en houden. Zo heeft de regering begin2022 besloten de justitiële keten financieel te versterken, onder meer metadequate en voorspelbare financiering in de strafrechtketen. In derijksbegroting zijn hiervoor middelen vrijgemaakt. Onder andere deRechtspraak zal deze extra financiële middelen aanwenden om dekomende jaren meer rechters in dienst te nemen en op te leiden (briefinzake hoofdlijnen beleid Ministerie van Justitie en Veiligheid d.d.9 februari 2022, Kamerstukken II 2021/22, 35 925 VI, nr. 132). Ook is innovember 2023 een wetsvoorstel tot wet verheven op basis waarvan hetmogelijk blijft om de capaciteit van de Rechtspraak op peil te houden doorrechters en raadsheren na het bereiken van de wettelijke ontslagleeftijdvan zeventig jaar nog enige tijd in te zetten als rechter- of raadsheer-plaatsvervanger (Stb. 2023, 410; Kamerstukken 36 358).Verder zullen de eventuele kosten en baten van veranderingen in dewerkbelasting die de Rechtspraak door het nieuwe wetboek zal onder-vinden worden meegenomen.Met de daartoe verstrekte financiële bijdragen treft de Rechtspraakmaatregelen in, samenspraak met het personeel, de medezeggenschap ende NVvR om de werkdruk binnen de Rechtspraak op aanvaardbaar peil tekrijgen en te houden, en de verschuiving in het werkaanbod als gevolgvan het nieuwe wetboek (en daarmee de «beweging naar voren») op tekunnen vangen.10.1 Algemene bepalingen (358) De leden van de D66-fractie constateren dat de rechter-commissarisonder het nieuwe Wetboek een grotere regierol zal krijgen. Kan deregering aangeven in hoeverre zij verwacht dat rechters-commissarissendeze rol in de praktijk daadwerkelijk gaan vervullen, mede gezien het feitdat de kabinetten van rechter-commissaris al overbelast zijn?358. De mogelijkheden voor de rechter-commissaris om meer regie tevoeren zijn van toepassing op de zaken waarmee hij bemoeienis heeft.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11275 Zijn betrokkenheid vangt aan door een vordering van de officier vanjustitie of een verzoek van de verdachte of, in bepaalde gevallen, eenambtshalve beslissing om in een lopend opsporingsonderzoek onderzoekte verrichten, zoals het verhoren van getuigen en het benoemen vandeskundigen. De rechter-commissaris kan en zal dus niet elke zaak naarzich toe trekken voor het doen van onderzoek.Wanneer de rechter-commissaris bevoegdheden uitoefent op grond vanBoek 2, Hoofdstuk 10, doet hij dit vooral met het oog op de volledigheid,de evenwichtigheid en de voortgang van het opsporingsonderzoek. Terbehartiging van die belangen kan hij ook regie voeren in de zaken die hijonder zich heeft. Zo kan de rechter-commissaris, om de voortgang van hetonder leiding van de officier van justitie gevoerde opsporingsonderzoek tebevorderen, termijnen stellen aan de officier van justitie, bijvoorbeeld ombepaalde procestukken aan te leveren, en aan de verdachte, bijvoorbeeldvoor het indienen van onderzoekswensen. Ook kan de rechter-commissaris in een regiebijeenkomst met de officier van justitie en deverdediging overleggen welk onderzoek nog nodig is om de zaak«zittingsrijp» te krijgen en hoe dit het beste gepland kan worden. Dit allesom te stimuleren dat wordt nagedacht over onderzoek dat moet wordenverricht en zodat dat onderzoek vervolgens spoedig kan worden verricht.Regievoering door de rechter-commissaris dient dus niet alleen devoortgang van het onderzoek in een bepaalde strafzaak, maar komt ook deplanning van zijn eigen werkzaamheden ten goede. Dit geldt temeer nu hijvolgens het nieuwe wetboek gedurende langere tijd, namelijk tot deaanvang van het onderzoek op de terechtzitting, onafgebroken benaderdkan worden voor het verrichten van onderzoek (zij het dat hij zijnonderzoek moet afstemmen met de zittingsrechter vanaf het moment datde officier van justitie de zaak aanbrengt door een procesinleiding in tedienen).Om deze bevoegdheidsuitoefening door de rechter-commissaris alsonderdeel van de «beweging naar voren» te laten slagen, zal een flinkeversterking van (de kabinetten van) de rechters-commissarissen nodigzijn. Dit geldt temeer nu al sprake is van een beperkte capaciteit en langewachttijden bij de kabinetten van de rechter-commissaris. Zoals aange-geven heeft de regering in 2022 (structureel) extra middelen beschikbaargesteld aan de politie, het openbaar ministerie en de Rechtspraak zodatdeze organisaties extra personeel kunnen aantrekken. De Rechtspraak kandeze middelen onder meer inzetten op het versterken van de kabinettenRC, zodat deze beter zijn voorbereid op de invoering van het nieuwewetboek. Op de werklastenverzwaring bij de kabinetten RC en devoorzieningen en extra middelen die daarvoor nodig zijn, is ingegaan inde antwoorden op de vragen 50 en 357.10.3 Het verhoor van de getuige (359) De leden van de VVD-fractie lezen dat de rechter-commissaris kanbeletten dat antwoorden op vragen over een bepaald gegeven niet terkennis komen van de verdachte of diens raadsman onder andere wanneerhet vermoeden bestaat dat een getuige «ernstige» overlast zal onder-vinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroep «ernstig» zal wordenbelemmerd. Kan de regering toelichten waarom hier de omvang van deernst een wettelijke factor moet blijven? Waarom is niet voldoende dateen vermoeden van de rechter-commissaris rust op een uit feiten ofomstandigheden voortvloeiend redelijk vermoeden?359. In het antwoord op onder meer vraag 248 is ingegaan op hetuitgangspunt van interne openbaarheid. Dit is een belangrijk aspect vanhet beginsel van «equality of arms» dat de gelijkwaardigheid van partijenbij de berechting betreft en uitvloeisel is van het recht op een eerlijkTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11276 proces (artikel 6 EVRM). Een eerlijk proces vergt dat de verdachte hetgeentegen hem naar voren is gebracht kan tegenspreken. Hieruit volgt dat deprocespartijen tijdens het onderzoek op de terechtzitting dienen te kunnenbeschikken over dezelfde processtukken en dezelfde informatie. Dat isbelangrijk omdat de volledige inhoud van de processtukken door deverdachte ter discussie moet kunnen worden gesteld. Van een getuigen-verklaring moet de betrouwbaarheid en het waarheidsgehalte kunnenworden getoetst, zeker als die verklaring belastende informatie bevat.Daarvoor is de kenbaarheid van de getuige van belang. Met maatregelendie een beperking opleveren van de interne openbaarheid dient – zoalsook in het antwoord op vraag 248 aan de orde kwam – dan ook terug-houdend te worden omgegaan.Op grond van artikel 2.10.32 kan de rechter-commissaris beletten dat dooreen ondervraagde getuige gegeven antwoorden betreffende een bepaaldgegeven ter kennis komen van de officier van justitie, de verdachte en zijnraadsman. De rechter-commissaris kan hiertoe slechts overgaan inbepaalde gevallen, waaronder het geval dat er een gegrond vermoedenbestaat dat door openbaarmaking van dat gegeven de getuige ernstigeoverlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn ambt of beroepernstig zal worden belemmerd. Voor voorbeelden van situaties die alsernstige overlast of ernstige hinder in de beroepsuitoefening wordenaangemerkt, wordt verwezen naar het antwoord op vraag 250. Devereisten van een «gegrond» vermoeden en «ernstige» overlast of«ernstige» hinder in de uitoefening van ambt of beroep voor de getuigemaken duidelijk dat het enkel vanwege zwaarwegende redenen gerecht-vaardigd is dat bepaalde gegevens in de door de getuige gegevenantwoorden aan de procespartijen kunnen worden onthouden.10.6 Voortgangsbewaking door de rechter-commissaris (360) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het feit datde rechter-commissaris onder het nieuwe Wetboek meer aan voortgangs-bewaking zal doen. Verwacht de regering dat strafzaken hierdoor vakerbinnen een redelijke termijn zijn afgedaan dan nu het geval is?360. De rechter-commissaris oefent de hem toegekende bevoegdheden uitmet het oog op, onder meer, de voortgang van het opsporingsonderzoek.Deze voortgangsbewaking richt zich niet op het opsporingsonderzoek inalgemene zin, maar op het onderzoek in die strafzaken waarmee hijbemoeienis heeft. Daarin kan hij regiemogelijkheden benutten om devoortgang van dat onderzoek te bevorderen. Zie nader het antwoord opvraag 358.Deze bevoegdheidsuitoefening door de rechter-commissaris en devoorstellen met het oog op de «beweging naar voren» zijn niet gericht opverkorting van het opsporingsonderzoek op zichzelf. Het benodigdeopsporingsonderzoek, dat omvangrijk kan zijn, moet goed gebeuren. Hetligt primair op de weg van de officier van justitie om te bewaken dat dit zospoedig mogelijk wordt afgerond. Regievoering door de rechter-commissaris in strafzaken waarmee hij bemoeienis heeft bevordert weldat zo snel mogelijk wordt onderkend welk nader onderzoek nodig is inhet belang van de volledigheid en evenwichtigheid van het opsporingson-derzoek en dat dit nader onderzoek, in het belang van de voortgang, zospoedig mogelijk plaatsvindt. Zo komen strafzaken beter voorbereid bij dezittingsrechter en draagt voortgangsbewaking door de rechter-commissaris eraan bij dat berechting binnen een redelijke termijn in diestrafzaken in de praktijk kan worden gerealiseerd. Of de redelijke termijnin een bepaald geval is overschreden, hangt van meer factoren af en zalnog steeds moeten worden beoordeeld aan de hand van de rechtspraakTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11277 van het EHRM, zoals deze nader door de Hoge Raad is ingevuld. Zie ookhet antwoord op de vragen 11, 17 en 66.10.8 Rechtsmiddelen De leden van de SP-fractie constateren dat ook dat de gefinancierderechtsbijstand een rol speelt bij Boek 2 van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering omdat rechtsbijstand nauw verbonden is met hetonderwerp opsporing. Van de verdediging in strafzaken wordt in hetnieuwe Wetboek meer verwacht. Zoals het feit dat de verdediginggetuigen nu reeds ondervraagt tijdens het opsporingsonderzoek bij derechter-commissaris in plaats van op de terechtzitting. Verdachten makenregelmatig gebruik van rechtsbijstand en daarom mogen ook sociaaladvocaten geen last krijgen in financiële zin van deze grotere verwach-tingen, vinden deze leden. Hierover zijn tijdsinschattingen en de daarbijbehorende berekeningen gemaakt voor de kosten met en zondervoorlopige hechtenis van 2,1 miljoen en 4,4 miljoen euro respectievelijk.Ook is het belangrijk om te weten hoe het nieuwe proces in zijn werk gaatom via de rechtsbijstand een raadsman toegevoegd te krijgen voor eenonderzoek bij de rechter-commissaris. Het is goed om te lezen dat hetrecht op gefinancierde rechtsbijstand ook wordt uitgebreid naarkwetsbare verdachten die niet zijn aangehouden en worden uitgenodigdvoor verhoor. Hierover is nog veel onduidelijk voor de aan het woordzijnde leden.Daarnaast zien de leden van de SP-fractie dat de sociaal advocatuurmomenteel behoorlijk onder druk staat. De vergoedingen voor sociaaladvocaten zijn veel te laag en de loonontwikkeling loopt behoorlijk achterbij die van andere juridische beroepsgroepen. Steeds meer sociaaladvocaten stoppen of overwegen te stoppen. Daarom is het essentieel omde druk op geen enkele manier te laten oplopen op de sociaal advocatuuren ook niet op basis van de vernieuwingen in dit Wetboek van Strafvor-dering. Sterker nog, voornoemde leden vinden dat alle zeilen moetenworden bijgezet deze druk te verlagen.(361) De leden van de SP-fractie vragen op welke manier deze bereke-ningen voor de nieuwe en meer intensieve werkwijze in het kader van derechtsbijstand tot stand zijn gekomen.361. In de antwoorden 93 en 205 is ingegaan op de uitbreidingen van hetrecht op gesubsidieerde rechtsbijstand die samenhangen met het nieuwewetboek en de berekening van de structurele kosten van die uitbrei-dingen.De signalen over de toegenomen druk op de sociale advocatuur zijnherkenbaar. Daarom zal zoals aangekondigd in de negende voortgangs-rapportage stelselvernieuwing rechtsbijstand (Kamerstukken II 2022/23,31 753, nr. 270) een onafhankelijke commissie een herijking van devergoedingen van rechtsbijstandverleners voorbereiden, met als doel deforfaitaire puntenvergoeding beter te laten aansluiten bij de daadwerke-lijke tijdsbesteding (zie Stcrt. 2024, 4375 en 4378). Daarnaast zullen deextra werkzaamheden die het nieuwe wetboek met zich brengt voor deadvocatuur, worden verdisconteerd in de vergoedingen voor raadsliedendie de verdachte op grond van een toevoeging of een aanwijzing bijstaan(zie ook antwoord 205). Dit staat los van eventuele toekomstige wijzi-gingen die uit het hiervoor genoemde onderzoek van de onafhankelijkecommissie zullen voortvloeien.(362) Met welk financieel scenario wordt rekening gehouden in dewetgeving en wat gebeurt er bij een financiële tegenvaller op dit vlak, alsde uitvoering toch duurder is dan geschat?362. In de antwoorden 93 en 205 is ingegaan op de uitbreidingen van hetrecht op gesubsidieerde rechtsbijstand die samenhangen met het nieuweTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11278 wetboek en de berekening van de structurele kosten van die uitbrei-dingen. In zijn algemeenheid geldt dat naar mate een strafzaak zwaarderis, bijvoorbeeld vanwege de ernst van de verdenking of de persoon vande verdachte (bij minderjarige en kwetsbare meerderjarigen), het belangvan toereikende mogelijkheden voor gesubsidieerde rechtsbijstandtoeneemt. Dit uitgangspunt ligt ten grondslag aan het bestaande(wettelijke) stelsel van gesubsidieerde rechtsbijstand in strafzaken en de inantwoord 93 genoemde uitbreidingen van het recht op gesubsidieerderechtsbijstand.Daarnaast wordt opgemerkt dat de budgettaire gevolgen van het nieuwewetboek zo goed mogelijk vooraf worden ingeschat. Mocht de uitvoeringduurder zijn dan vooraf ingeschat, dan leidt dit tot een tegenvaller op deJenV-begroting.(363) Zullen alle zaken vallen onder het aanvragen van rechtsbijstand vooreen toevoeging van een raadsman bij een onderzoek bij de rechter-commissaris? Zo nee, waarom niet?363. Zie de antwoorden op de vragen 93 en 205.(364) Zal ervoor worden gezorgd dat ook de sociaal advocatuur geenfinancieel nadeel zal ondervinden van deze veranderingen?364. Zie het antwoord op vraag 205.(365) Wat wordt bedoeld met de «budgettaire mogelijkheden» betreffendede selectie in welke zaken wel of niet in aanmerking zouden komen voorrechtsbijstand in het onderzoek bij de rechter-commissaris?365. Zie de antwoorden op de vragen 93 en 205.(366) Welk budget wordt vrijgemaakt voor de uitbreiding van rechtsbij-stand voor verdachten die niet zijn aangehouden en worden uitgenodigdvoor verhoor? Waar is deze berekening op gebaseerd en is deze ooktoereikend?366. Zoals toegelicht in de antwoorden 93 en 253, is het wetsvoorstelversterking rechtsbijstand in het strafproces in de periode maart-januari2024 in consultatie gegeven. Dat wetsvoorstel voorziet vooruitlopend ophet nieuwe wetboek in kosteloze rechtsbijstand voor kwetsbare meerder-jarige verdachten die zich in vrijheid bevinden en worden uitgenodigdvoor verhoor. Uit onderzoek van AnderssonElffersfElix (AEF) uit 2023 isgebleken dat de structurele kosten voor deze uitbreiding van kostelozerechtsbijstand tussen de € 341.000 en € 422.000 bedragen. Voor ditbedrag is al in dekking voorzien binnen het budget voor rechtsbijstand inde begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid.(367) Kan de regering ingaan op de gevolgen voor de werkdruk voor desociaal advocatuur, specifiek ook op de financiële gevolgen voor sociaaladvocaten? Op welke manier worden sociaal advocaten gecompenseerdvoor de extra werkzaamheden?367. Zie de antwoorden op de vragen 205 en 361.(368) Ook maken de leden van de SP-fractie nog gebruik van het stellenvan een aantal vragen zoals geformuleerd in de rapportage van deuniversiteiten. Graag zien zij een antwoord van de regering tegemoet opde volgende vragen uit de rapportage. Breder bestaat het beeld dat derechtspraak kampt met aanzienlijke achterstanden in de behandeling vanstrafzaken. Op welke wijze draagt de beweging naar voren bij aan hetterugdringen van die achterstanden? Wat is naast de beweging naar vorennodig om die achterstanden te verhelpen?368. Achterstanden in de behandeling van strafzaken worden veroorzaaktdoor meerdere factoren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11279 In het nieuwe wetboek worden verschillende aanpassingen voorgestelddie kunnen bijdragen aan verkorting van de doorlooptijden en daarmeeaan het inlopen of voorkomen van achterstanden. Ook worden aan derechter en aan de verdediging handvatten geboden om het onderzoek enhet verloop van de strafprocedure te bespoedigen. Deze voorstellen, diesamen als de «beweging naar voren» worden aangeduid, zijn gericht opde organisatie van de berechting, met name de aanloop naarmeervoudige kamerzittingen. Samen stimuleren deze aanpassingen,waarvan de belangrijkste is dat de pro-formazittingen worden afgeschaft,dat benodigd onderzoek zoveel mogelijk wordt gedaan voorafgaand aande inhoudelijke behandeling van de strafzaak, met als doel onnodigeaanhoudingen te voorkomen.De huidige wettelijke regel dat de fase van berechting moet beginnen namaximaal negentig dagen gevangenhouding van de verdachte, leidt totonnodig oponthoud bij de afronding van het vooronderzoek. Veelstrafzaken waarin de verdachte voorlopig is gehecht belanden namelijk albij de zittingsrechter terwijl het vooronderzoek nog niet is afgerond en dezaak dus niet klaar is voor een inhoudelijke behandeling. De zittings-rechter moet vanaf dat moment niet alleen in voorkomend geval beslissenover voortduring van de voorlopige hechtenis maar ook over onderzoeks-wensen die veelal moeten worden uitgevoerd door de rechter-commissaris. Die mag na het uitbrengen van de dagvaarding namelijk nietmeer zelfstandig beslissen over onderzoekswensen, maar moet wachtenop de opdrachten daartoe van de zittingsrechter. Dit oponthoud wordt inhet nieuwe wetboek voorkomen doordat de raadkamer periodiek beslistover de noodzaak tot voortduring van de voorlopige hechtenis, deprocesinleiding wordt ingediend wanneer het opsporingsonderzoekgereed is en de rechter-commissaris totdat de procesinleiding isingediend zelf kan beslissen over onderzoekswensen.De «beweging naar voren» omvat verder voorstellen die zijn gericht opeen betere voorbereiding van de zitting, waardoor onnodige aanhou-dingen – en dus verspilling van zittingscapaciteit – kunnen wordenvermeden. Om dat te bereiken krijgt de rechter-commissaris meermogelijkheden om in zaken waarmee hij bemoeienis heeft, regie te voeren(zie nader het antwoord op vraag 358) en krijgt de zittingsrechter nadat deprocesinleiding is ingediend de kans om de inhoudelijke behandeling vaneen strafzaak beter voor te bereiden. De voorzitter kan bijvoorbeeld voorde zitting een schriftelijke ronde inlassen, waarbij de officier van justitie ende verdachte op papier standpunten uitwisselen. Ook kan de voorzitterbeslissen op verzoeken om getuigen te verhoren op de terechtzitting ofvoorafgaand aan de terechtzitting door de rechter-commissaris.Met diverse voorschriften wordt verder gestimuleerd dat onderzoeks-wensen in een vroeg stadium door de verdediging worden ingediend. Zowijst de rechter-commissaris bij de voorgeleiding in het kader van debehandeling van een vordering inbewaringstelling op de mogelijkheidonderzoekswensen in te dienen en vraagt hij of zulke wensen er op datmoment al zijn. Ook is bepaald dat de verdachte in de procesinleiding, enin hoger beroep bij de kennisgeving van het ontvangst van de proces-stukken, wordt gewezen op zijn recht om tot de aanvang van hetonderzoek op de terechtzitting de rechter-commissaris (of, in hogerberoep, de raadsheer-commissaris) te verzoeken onderzoek te verrichten.Hierdoor wordt ook de niet voorlopig gehechte verdachte op dit rechtgeattendeerd. Daarnaast is in het nieuwe wetboek bepaald dat de officiervan justitie bij indiening van de procesinleiding actief (dus niet pas na eenverzoek daartoe) de processtukken ter beschikking stelt aan de verdachteof zijn raadsman. Dit voorschrift bevordert dat eventuele onderzoeks-wensen eerder worden ingediend. Het leidt ook tot reële verkorting van dedoorlooptijd, met name in zaken met een niet-gedetineerde verdachte. InTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11280 die zaken moet de verdachte bij ontvangst van de procesinleidingnamelijk veelal eerst rechtsbijstand zoeken. De raadsman moetvervolgens de processtukken opvragen en kan na ontvangst en bestu-dering van de processtukken eventuele onderzoekswensen indienen. Doorde processtukken bij indiening van de procesinleiding direct terbeschikking te stellen wordt één van die drie stappen weggenomen.Het nieuwe wetboek schept zo weliswaar kansen voor het realiseren vankortere doorlooptijden en het voorkomen van achterstanden, maar hetdaadwerkelijk bereiken daarvan is, zoals aangegeven, afhankelijk vanmeer factoren. Een daarvan is de wijze waarop in de praktijk invullingwordt gegeven aan de wettelijke kaders en bij de implementatie te makenkeuzes.Vanwege het belang om justitiabelen in het strafproces zo kort mogelijk inonzekerheid te houden, is het wegwerken van achterstanden en hetverbeteren van de doorlooptijden een prioriteit bij zowel de Rechtspraaken als de regering. In het strafrecht zijn ketenbrede normen voordoorlooptijden vastgesteld op zeven geprioriteerde zaakstromen:overtredingen, ondermijningszaken, jeugdzaken, ernstige zedenmis-drijven, ernstige verkeersmisdrijven, hoger beroep en tenuitvoerleggingvan straffen. De voortgang in het behalen van deze normen wordtdoorlopend gemonitord. De Rechtspraak werkt met een combinatie vanmaatregelen aan het verminderen van werkvoorraden en verbeteren vandoorlooptijden. Zo worden extra financiële middelen uit het regeerak-koord ingezet om capaciteit aan te vullen en de werkdruk terug te dringen.Met het programma Tijdige rechtspraak worden de doorlooptijden in derechtspraak breed en structureel aangepakt. Het programma loopt tot enmet 2025. Mede in het kader van dit programma zijn zogenoemdeinloopkamers ingesteld om extra strafzaken weg te kunnen werken. Dooronderlinge bijstand helpen gerechten en hoven elkaar om oude zaken afte handelen.Onverlet de ambitie en de maatregelen blijkt het structureel terugdringenvan doorlooptijden weerbarstig en een kwestie van de lange adem.Daarbij speelt een rol dat strafzaken complexer zijn geworden en dat er inmeer zaken benadeelde partijen een soms complexe schadevergoedings-vordering indienen, wat extra tijd vraagt. Bovendien is het lastig omgrotere strafzaken te plannen wegens de vele agenda’s die op elkaarafgestemd moeten worden. Desalniettemin geven de ketenorganisatiesmaximale sturing aan het proces als het gaat om het wegwerken van devoorraden en het terugdringen van de doorlooptijden en zetten daaronder andere ketencoördinatoren voor in. De aanpak hiervan is onderandere beschreven in de brief van 29 januari 2024, Kamerstukken II2023/24, 29 279, nr. 836).(369) Wat doet de regering om te voorkomen dat een praktijk ontstaatwaarin getuigen bij voorkeur enkel nog in het opsporingsonderzoekworden gehoord, hetgeen spanning oplevert met het beginsel vanopenbaarheid van berechting en met het onmiddellijkheidsbeginsel voorhet verzamelen van bewijs door de zittingsrechter?369. In Nederland is al sinds lange tijd – in wezen sinds het «De auditu-arrest» van de Hoge Raad in 1926 – sprake van de ontwikkeling naar eenprocescultuur waarin de nadruk ligt op het vooronderzoek en hetbewijsmateriaal op de terechtzitting weliswaar ter sprake moet wordengebracht, maar niet ter plekke hoeft te worden geproduceerd. Sindsdien ishet aantal getuigenverhoren op de terechtzitting sterk afgenomen. In demeeste strafzaken wordt gebruikt gemaakt van getuigenverklaringen zoalsdeze in het vooronderzoek (hetzij bij de politie, hetzij bij de rechter-commissaris) zijn afgelegd en in een ambtsedig proces-verbaal zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11281 vastgelegd, overigens zonder dat is afgedaan aan de mogelijkheid om eengetuige desgewenst op de terechtzitting te verhoren.In de loop der tijd zijn de argumenten om een getuige niet op deterechtzitting maar bij de rechter-commissaris te verhoren bovendiensterker geworden in verband met de notie – die ook terug te vinden is inde rechtspraak van het EHRM – dat getuigen bescherming behoeventegen de openbaarheid van de terechtzitting, bijvoorbeeld bij kwetsbareslachtoffers, of vanwege bedreiging of de bescherming van anderebelangen, zoals de opsporing of de staatsveiligheid (zie de wettelijkeregeling met betrekking tot bedreigde of afgeschermde getuigen).De Nederlandse procescultuur heeft voordelen en kan – in vergelijking totde ons omringende landen waarin een sterkere nadruk ligt op hetonderzoek op de terechtzitting en de onmiddellijkheid van het aldaargepresenteerde bewijsmateriaal – tamelijk efficiënt worden genoemd. Devoorstellen voor de «beweging naar voren» stimuleren dat het opspo-ringsonderzoek zoveel mogelijk is afgerond voorafgaand aan hetonderzoek op de terechtzitting, terwijl deze voorstellen er zeker niet aan inde weg staat dat (nader) onderzoek plaatsvindt tijdens het onderzoek opde terechtzitting.Een voorafgaand aan de zitting bij de voorzitter gedaan verzoek om eengetuige op de terechtzitting te verhoren, biedt de voorzitter demogelijkheid om, als hij het verzoek toewijst, het getuigenverhoor op dezitting in te (laten) plannen. Daarmee wordt voorkomen dat de zaak moetworden aangehouden om de getuige alsnog te kunnen verhoren op eennadere terechtzitting. Andere belangen kunnen bovendien maken dat dezittingsrechter oordeelt dat verhoor van de getuige op de terechtzittinggewenst of aangewezen is, bijvoorbeeld met het oog op de uitoefeningvan het in artikel 6 EVRM gewaarborgde ondervragingsrecht van deverdediging, de onmiddellijkheid of de openbaarheid, al dan niet incombinatie met andere factoren. Daarom is in het nieuwe wetboek hetnoodzaakcriterium geformuleerd als een toets aan «het belang van eenbehoorlijke behandeling van de zaak», en is in de wet tot uitdrukkinggebracht dat ook andere (processuele) belangen dan het belang van dewaarheidsvinding kunnen meewegen bij de beslissing of het noodzakelijkis om een getuige op te roepen voor de terechtzitting.De rechtspraak van het EHRM en de verwerking daarvan in het Neder-landse strafproces, bijvoorbeeld het arrest van het EHRM in de zaakKeskin tegen Nederland en de daaruit voortvloeiende rechtspraak van deHoge Raad, zullen ook in enige mate tot een meer onmiddellijke proces-voering kunnen leiden, in die zin dat de rechter vaker dan tot nu toeaanleiding of noodzaak ziet te beslissen dat de getuige op de terechtzittingwordt verhoord (vgl. M.J. Dubelaar en K.M. Pitcher, «Post-Keskin: enkelereflecties op de nieuwe lijn van de Hoge Raad inzake de uitoefening vanhet ondervragingsrecht», Strafblad 2021, nr. 4, p. 145). Er is echter geenreden om over te gaan naar een volledige of veel meer onmiddellijkeprocesvoering. Onmiddellijke bewijsvoering leidt niet per se tot «beter»bewijs (B.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: WoltersKluwer 2020, par. 14.3.2).Het belang van de openbaarheid wordt bij een getuigenverhoor op deterechtzitting weliswaar gediend doordat andere procesdeelnemers,waaronder het slachtoffer, en het publiek het verhoor van de getuigekunnen volgen, hetgeen in zaken die tot veel beroering in de samenlevinghebben geleid van extra gewicht kan zijn, maar de openbaarheid kan ookjuist een reden zijn om af te zien van het (opnieuw) op de terechtzittingverhoren van een getuige, in het bijzonder bij kwetsbare getuigen, zoalssommige minderjarigen. Daarbij komt dat al het bewijsmateriaal op deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11282 terechtzitting ter sprake moet worden gebracht en aldaar kan wordenbetwist.(370) Kan worden aangegeven in hoeverre in flankerend financieel beleid,in de zin van voldoende rechtsbijstand, wordt voorzien om ervoor tezorgen dat de verdediging in het voorbereidend onderzoek daadwerkelijktijd heeft om onderzoek wensen voor te bereiden en in te dienen?370. Zie de antwoorden op de vragen 93 en 205.(371) Hoe kan worden voorkomen dat de achterstanden waarmee derechtspraak kampt, voortkomend uit een capaciteitsgebrek, in de wegstaan aan de mogelijkheden om zaken op grond van de beweging naarvoren beter voor te bereiden?371. Zie het antwoord op vraag 368.(372) Welke investering is concreet nodig om de capaciteit van dekabinetten van de rechter-commissaris zodanig te versterken dat de takendie de rechter-commissaris in de voorgestelde regeling heeft, kunnenworden uitgeoefend?372. De kosten van de veranderingen in de werkbelasting die dekabinetten van de rechter-commissaris binnen de Rechtspraak door denieuwe regels voor strafvordering zullen ondervinden, worden gecompen-seerd. Omdat het hier gaat om een functie waarvoor rechterlijke ervaringnodig is, zal het benodigde aantal rechter-commissarissen voornamelijkkunnen worden bereikt door interne functieverschuivingen.Aandachtspunt hierbij is wel dat de opleidingscapaciteit van de Recht-spraak beperkt is en vervanging op de vrijkomende functies slechtsgeleidelijk zal kunnen plaatsvinden. Daarom wordt ook onderzocht inhoeverre de (juridische) ondersteuning binnen de kabinetten rechter-commissaris kan worden uitgebreid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11283 Verslag Boek 3 Het verslag bij Boek 3 (Kamerstukken II 2023/24, 36 327, nr. 7) is vastge-steld op 26 oktober 2023.I. ALGEMEEN BOEK 3 Beslissingen over vervolgingDe leden Ellian en Helder zijn door de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid benoemd tot rapporteurs op dit wetsvoorstel. Deze rapporteurshebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot de Vaststelling van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering (Sv), Boek 3 (Kamerstuk 36 327)(hierna: het wetsvoorstel) en hebben namens de commissie een aantalvragen. Zij baseren zich hierbij op een inhoudelijke rapportage die inopdracht van de Tweede Kamer is opgesteld door vier samenwerkendeuniversiteiten.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan Boek 3 van het nieuwe Wetboek van Strafvordering en stellen nogenkele verduidelijkende vragen over dit deel van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering.De leden van de D66-fractie onderschrijven de noodzaak van de moderni-seringsoperatie omtrent het Wetboek van Strafvordering. Zij hebben danook met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en debijbehorende stukken. Zij hebben over Boek 3 nog de onderstaandevragen.De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Deze leden maken graag van de gelegenheidgebruik om enkele vragen te stellen aan de regering over dit deel van hetwetsvoorstel.De leden van de SP-fractie zijn de rapporteurs en het projectteam vanonderzoekers van de universiteiten wederom erkentelijk voor derapportage die is gemaakt, ditmaal voor Boek 3 van het hernieuwdeWetboek van Strafvordering. Deze leden hebben kennisgenomen van devragen die zullen worden gesteld namens de hele commissie. Deze ledenhebben hier nog enkele aanvullende vragen op.De leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties hebben met belangstellingkennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden sluiten zich aan bij devragen zoals die in de rapportage van de universiteiten over Boek 3 vanhet wetsvoorstel zijn verwoord. Zij hebben daarnaast slechts aanvullendevragen.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van bovengenoemdwetsvoorstel. Deze leden hebben nog de volgende vragen over hetgedeelte dat Boek 3 betreft, deze luiden als volgt.1. Boek 3: «Beslissingen over vervolging»(373) De rapporteurs lezen dat het de ambitie van de regering is om eennieuw Wetboek van Strafvordering vast te stellen dat systematisch vanopzet is, het toepasselijke recht weerspiegelt, een logische indeling kenten inzichtelijk is voor de burger. Het huidige Wetboek van Strafvorderingbiedt een beperkte weergave van de praktijk rondom beslissingen oververvolging en in het bijzonder de buitengerechtelijke afdoening. Hetvoorgestelde nieuwe wetboek verandert dat niet. De rapporteurs vragenof het de inzichtelijkheid voor de burger ten goede zou kunnen komen alsde praktijk van de vervolgingsbeslissing uitvoeriger tot uitdrukking wordtgebracht in het nieuwe Wetboek van Strafvordering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11284 373. Een primair doel van dit wetgevingstraject is te voorzien in een nieuwwetboek dat systematisch van opzet is, het toepasselijke rechtweerspiegelt, een logische indeling kent en inzichtelijk is voor de burger.Tegelijk is het streven om het wetboek toekomstbestendig te doen zijn.Zoals in het antwoord op vraag 10 uitgebreider is aangegeven vloeit uithet strafvorderlijk legaliteitsbeginsel voort dat de rechten van burgers ende bevoegdheden van de overheid in een formele wet moet wordenneergelegd en dat alleen de uitwerking daarvan in lagere regelgeving, inhet bijzonder de algemene maatregel van bestuur, mogelijk is. Dat vloeitook voort uit de Aanwijzingen voor de regelgeving (aanwijzing 2.19): dereikwijdte en de voornaamste duurzame normen worden in de wetopgenomen, terwijl voorschriften van meer technische of administratieveaard of voorschriften die vaak wijziging behoeven, beter op lager niveaukunnen worden uitgewerkt. De Afdeling advisering van de Raad van Stateheeft deze uitgangspunten onderschreven. Tegen deze achtergrond is ookin Boek 3 gekozen voor de benadering om – net als in het huidigewetboek – de kern van de strafvorderlijke normering van de vervolgings-beslissing in de wet neer te leggen en uitwerking van die wettelijkenormering nader te regelen in lagere regelgeving, waaronder algemenemaatregelen van bestuur. Om het overzicht van en inzicht in het totaal vande strafvorderlijke normering te waarborgen, zal ernaar worden gestreefduitvoeringsregels op het niveau van de algemene maatregel van bestuurzoveel mogelijk geclusterd te regelen en het aantal algemene maatregelenvan bestuur per boek van het nieuwe wetboek te beperken. Naar hetoordeel van de regering is dit een evenwichtige benadering.In het kader van de genoemde doelstellingen zijn de regelingen diebetrekking hebben op de vervolgingsbeslissing, die nu nog verspreid inhet Wetboek van Strafvordering en het Wetboek van Strafrecht staan,bijeengebracht in het nieuwe wetboek. Het resultaat is dat het geheel vande verschillende modaliteiten van respectievelijk vervolging (procesin-leiding en strafbeschikking) en niet-vervolging (sepot en transactie) opoverzichtelijke wijze in Boek 3 is samengebracht. Een onderdeel van hetvoorstel voor de eerste aanvullingswet betreft de bredere verbetering vande wettelijke regeling van de buitengerechtelijke afdoening. Het betreftonder meer de introductie van een voorwaardelijke strafbeschikking, meteen omzettingsprocedure voor gevallen waarin strafbeschikkingen nietvolledig zijn tenuitvoergelegd of de voorwaarden niet zijn nageleefd. Ookwordt daarin voorgesteld – in het verlengde van het uitgangspunt dat hetuitvaardigen van een strafbeschikking prevaleert boven het doen van eentransactieaanbod – de mogelijkheid om strafzaken met een transactie af tedoen te beperken tot twee groepen nader in dat voorstel omschrevengevallen. Die aanvullingswet beoogt verder de regeling van het voorwaar-delijk sepot te wijzigen in lijn met het beleid van het openbaar ministerie.Daarbij wordt onder meer voorgesteld de algemene voorwaarde tecodificeren dat binnen een proeftijd van een jaar geen strafbare feitenworden begaan. Bijzondere voorwaarden kunnen in de beoogde regelingvan het voorwaardelijk sepot, niet meer worden gesteld (zie nader hetantwoord op vraag 414). Bij elkaar genomen draagt de beoogde wettelijkeregeling bij aan de toegankelijkheid van de kern van de regeling van devervolgingsbeslissing als geheel voor burgers en professionals, waarbij isgewaarborgd dat op het niveau van de wet voldoende sturing wordtgegeven aan de gevallen waarin en voorwaarden waaronder de verschil-lende vervolgingsmodaliteiten kunnen worden toegepast.In Boek 3 zijn enkele delegatiegrondslagen opgenomen op grond waarvanbij een beperkt aantal onderwerpen bij algemene maatregel van bestuuruitvoeringsregels kunnen worden gesteld, onder andere ten aanzien vanhet uitvaardigen van een zogenoemde politiestrafbeschikking(artikel 3.2.2) en bestuurlijke strafbeschikking (artikel 3.3.3) die nu naderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11285 regeling vinden in het Besluit OM-afdoening. De keuze om zaken die niettot de kern van de normering van de vervolgingsbeslissing behoren, maareen uitwerking daarvan vormen, in lagere regelgeving te regelen, maakthet mogelijk om indien nodig sneller in te spelen op veranderendeomstandigheden dan wanneer daarvoor de wet zou moeten wordenaangepast. Wat betreft de politiestrafbeschikking en bestuurlijke strafbe-schikking valt bijvoorbeeld te denken aan de situatie dat het nodig is extrafunctionarissen of lichamen aan te wijzen aan wie de bevoegdheid wordtverleend om zo’n strafbeschikking uit te vaardigen dan wel het aange-wezen is de categorie zaken waarin de strafbeschikkingsbevoegdheid kanworden uitgeoefend bij te stellen. Aldus past de regeling van de vervol-gingsbeslissing naar het oordeel van de regering bij de doelstellingen vanhet nieuwe wetboek.Binnen de kaders van de wettelijke regeling heeft het openbaar ministerieop grond van het opportuniteitsbeginsel ruimte om beleid te ontwikkelenten aanzien van wijze waarop – onder verantwoordelijkheid van deMinister van Justitie en Veiligheid – de discretionaire bevoegdheid ombeslissingen over vervolging te nemen, wordt uitgeoefend. De daarvoorgeldende afwegings- en procedurele kaders zijn in beleidsregelsopgenomen. Beleidsregels binden de leden van het openbaar ministeriebij het uitoefenen van strafvorderlijke bevoegdheden. Voor wat betreftbeleidsregels over de vervolgingsbeslissing valt te denken aan deAanwijzing kader voor strafvordering meerderjarigen (Stcrt. 2019, 14890),de Aanwijzing OM-strafbeschikking (Stcrt. 2022, 9133) en de Aanwijzingsepot en gebruik sepotgronden (Stcrt. 2022, 16129). Langs de weg vanbeleidsregels kan snel worden ingespeeld op veranderende omstandig-heden die vragen om bijstelling van de wijze waarop het openbaarministerie invulling geeft aan zijn discretionaire vervolgingsbevoegdheid.Nu tegelijkertijd de hoofdelementen van de regeling in de wet wordenopgenomen, ontstaat een evenwichtig stelsel dat zowel recht doet aan hetprimaat van de wet als aan de noodzaak van flexibiliteit.(374) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de huidigeopvattingen over de wijze waarop de rechter vervolgingsbeslissingen vanhet Openbaar Ministerie (OM) mag toetsen; slechts marginaal. De rechtermag dus slechts toetsen of het OM in redelijkheid tot een bepaaldebeslissing kon komen. Deze leden merken op dat de Afdeling adviseringvan de Raad van State (hierna: de Afdeling) zich afvraagt of de toetsingdoor de rechter niet minder marginaal zou moeten worden. Deze ledenconstateren dat de regering hier niet voor heeft gekozen. Kan de regeringaangeven waarom is gebleven bij een marginale toets door de rechter?Wat zijn de voor- en nadelen van een marginale en een meer indringendetoets?374. In haar advies stelt de Afdeling zich op het standpunt dat hetuitgangspunt zou moeten blijven dat de vervolgingsbeslissing, gelet ophet opportuniteitsbeginsel, alleen marginaal kan worden getoetst door derechter (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 4, p. 26). In haar advies werptde Afdeling de vraag op of er – met behoud van het door de Afdelingonderschreven uitgangspunt van marginale toetsing – reden is voorbijstelling van de hoge eisen die in dit verband in de rechtspraak wordengesteld aan de niet-ontvankelijkheidverklaring van de officier van justitiein de ingestelde vervolging.In de toelichting op Boek 3 is verduidelijkt dat en op welke wijze devervolgingsbeslissing van de officier van justitie door de zittingsrechter enin het kader van het bezwaarschrift tegen de procesinleiding marginaalwordt getoetst. De centrale vraag voor de rechter is of de officier vanjustitie in het gegeven geval – gelet op alle betrokken belangen – inredelijkheid heeft kunnen beslissen tot het indienen van een procesin-leiding. Het kernverschil met een volle toetsing is gelegen in de mate vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11286 indringendheid van de beoordeling. Bij een volle toetsing van de juistheidvan de vervolgingsbeslissing zou de zittingsrechter zonder enigeterughoudendheid zelfstandig beoordelen of in het gegeven geval eenprocesinleiding moet worden ingediend. De rechter zou dan als het wareplaatsnemen op de stoel van de officier van justitie. Dit staat opgespannen voet met de strafvorderlijke rolverdeling tussen de officier vanjustitie – aan wie de discretionaire bevoegdheid toekomt om vervolging inte stellen, als vertegenwoordiger van het openbaar ministerie dat onderverantwoordelijkheid van de Minister van Justitie en Veiligheid hetvervolgingsbeleid bepaalt – en de onafhankelijke rechter. In het geldenderecht krijgt de marginale toets door de zittingsrechter aldus gestalte datdie beoordeling alleen in uitzonderlijke gevallen ertoe kan leiden dat hetopenbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging, op de grond dathet instellen of voortzetten van die vervolging onverenigbaar is metbeginselen van een goede procesorde (o.a. ECLI:NL:HR:2016:742). Inreactie op de door de Afdeling opgeworpen vraag wordt opgemerkt dathet uitgangspunt dat het verstrekkende rechtsgevolg vanniet-ontvankelijkheidverklaring van de officier van justitie in de ingesteldevervolging moet worden beperkt tot uitzonderlijke gevallen, wordtonderschreven. De wettelijke regeling laat – binnen dat uitgangspunt –evenwel ruimte voor een eventuele bijstelling van de in de rechtspraakbepaalde voorwaarden waaronder die niet-ontvankelijkverklaring in beeldkomt. Zie daarover nader het antwoord op vraag 387.(375) De leden van de D66-fractie merken op dat het nemen van eenvervolgingsbeslissing soms kan worden gemandateerd aan parketmede-werkers. Dit mogen geen taakstraffen van meer dan 120 uur zijn, maarverder hebben deze medewerkers veel vrijheid. Deze leden begrijpen dezekeuze vanwege het grote aantal zaken en de overbelaste strafrechtketenmomenteel, maar vinden wel dat hier goed toezicht op wordt gehouden.Kan de regering aangeven hoe dit toezicht op papier is geregeld en hoedit in de praktijk gaat?375. In artikel 126, eerste lid, van de Wet op de rechterlijke organisatie isbepaald dat de uitoefening van de bevoegdheden van de officier vanjustitie kan worden opgedragen aan een andere bij het parket werkzameambtenaar. Daarvoor geldt de voorwaarde dat dit slechts mogelijk is mettoestemming van het hoofd van het parket. In de praktijk wordt gewerktmet mandaatbesluiten. In artikel 126, derde lid, van de Wet op derechterlijke organisatie worden beperkingen aangebracht in de bevoegd-heden die kunnen worden gemandateerd. Daarin wordt bepaald dat deuitoefening van een bevoegdheid niet aan een andere bij het parketwerkzame ambtenaar kan worden opgedragen indien de regeling waaropde bevoegdheid steunt of de aard van de bevoegdheid zich daartegenverzet. Daarvan is in elk geval sprake voor zover het gaat om het optredenter terechtzitting in strafzaken en de toepassing van de dwangmiddelen,bedoeld in Titel IV van het Eerste Boek van het huidige Wetboek vanStrafvordering. Dit wordt verder gespecificeerd in artikel 3 van het Besluitregels landelijk parket en functioneel parket, waarin onder meer wordtbepaald dat de officier van justitie de uitoefening van een bevoegdheidniet opdraagt aan een andere bij het parket werkzame ambtenaar indiende bevoegdheid betrekking heeft op het uitvaardigen van een strafbe-schikking waarin een taakstraf wordt opgelegd waarvan de duurhonderdtwintig uren overstijgt.De gemandateerde bevoegdheid wordt ingevolge artikel 126, tweede lid,van de Wet op de rechterlijke organisatie in naam en onder verantwoorde-lijkheid van de officier van justitie uitgeoefend. Dat betekent dat de officiervan justitie toezicht houdt op de uitvoering van de opgedragen werkzaam-heden. Dat is ook in lijn met de algemene regels van het bestuursrecht (zieKamerstukken II 1997/98, 25 392, nr. 7, p. 35).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11287 Op grond van artikel 122 van de Wet op de rechterlijke organisatie houdtde procureur-generaal bij de Hoge Raad toezicht op de wijze waarop hetopenbaar ministerie zijn wettelijke taken uitvoert. In voorkomendegevallen betreft dat toezicht ook de naleving van de mandaatregeling. Inhet meest recente toezichtrapport van de procureur-generaal over denaleving van de wet door het openbaar ministerie bij het uitvaardigen vanstrafbeschikkingen wordt geconcludeerd dat er op het punt van demandatering van de bevoegdheid OM-strafbeschikkingen uit te vaardigengeen sprake is van onregelmatigheden (zie het rapport Buiten de rechterom, Den Haag 2022, p. 45).(376) De leden van de CDA-fractie constateren dat het College vanprocureurs-generaal heeft aangegeven het aantal strafzaken dat via deZSM-procedure wordt afgedaan, te willen verhogen. Dit zou de doorloop-tijden van de strafzaken verbeteren. Deze leden vragen op welke manieronderhavig wetsvoorstel aan deze doelstelling kan bijdragen en wat daareventueel nog meer voor nodig is.376. De ZSM-werkwijze wordt door het openbaar ministerie ingezet instrafzaken waarin het gaat om veelvoorkomende criminaliteit en waarbijeen lik-op-stukreactie gewenst is. Die werkwijze houdt in dat het openbaarministerie, de politie, de drie reclasseringsorganisaties (3RO), Slachtof-ferhulp Nederland en de Raad voor de Kinderbescherming tegelijkertijdaanwezig zijn in een zogenaamd Selectie- en Coördinatiecentrum, waarbijzij alle noodzakelijke en relevante informatie direct inbrengen aan de«ZSM-tafel». De gezamenlijke inbreng van die informatie betreffende hetstrafbare feit, de verdachte en het slachtoffer stelt de officier van justitie instaat om te beoordelen wat er in de desbetreffende zaak (nog) moetgebeuren en op welke wijze de zaak verder moet worden behandeld ofafgedaan. Dat resulteert in een door de officier van justitie genomenafdoeningsbeslissing (waarbij een finale beslissing in de strafzaak wordtgenomen) of in een routeringsbeslissing (waarbij wordt besloten om eenzaak te verwijzen voor verdere beoordeling en uiteindelijke beslissing). Deeerstgenoemde beslissing kan bijvoorbeeld inhouden dat de verdachteeen strafbeschikking krijgt, de tweede dat de verdachte een oproepingkrijgt voor een terechtzitting. De ZSM-werkwijze maakt het dus mogelijkzaken die betrekking hebben op veelvoorkomende criminaliteit snel endoelmatig af te doen. In het nieuwe wetboek wordt de maatschappelijkeurgentie van een snelle en doelmatige afdoening – en daarmee samen-hangend het verbeteren van de doorlooptijden van strafzaken –onderkend. Het biedt een kader waarbinnen ook de ZSM-werkwijzeonverminderd kan worden voortgezet en verder worden ontwikkeld. In deeerste aanvullingswet wordt voorzien in een verbetering van de regelingvan buitengerechtelijke afdoening, die ook de ZSM-werkwijze kanondersteunen. In dat wetsvoorstel wordt aan de officier van justitie debevoegdheid gegeven om in een strafbeschikking een voorwaardelijkestraf op te leggen. Ook kan hij in de beoogde regeling in de strafbe-schikking zelfstandig een inbeslaggenomen voorwerp verbeurdverklaren.Door deze nieuwe mogelijkheden kan de verdeling van zaken overgerechtelijke en buitengerechtelijke afdoening worden geoptimaliseerd,hetgeen bijdraagt aan een door de ZSM-werkwijze ondersteunde, tijdigeafdoening van strafzaken.Het OM is de poortwachter van de rechter, want het OM bepaalt uitein-delijk welke zaken verder de strafrechtketen ingaan en aan de rechterworden voorgelegd. In 2015 is door de toenmalige Minister van Veiligheiden Justitie aangegeven dat deze poortwachtersfunctie «een wezenlijkonderdeel is van de positie van het OM.» Het belang van deze functie is delaatste jaren alleen maar groter geworden, omdat veel strafzakenbuitengerechtelijk worden afgedaan om meerdere redenen die de ledenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11288 van de BBB-fractie hier buiten beschouwing zullen laten en zonder daar indeze inbreng een mening over te ventileren.(377) De leden van de BBB-fractie vragen wel waarom in deze grotewetgevingsoperatie/moderniseringsoperatie van het Wetboek vanStrafvordering hier niet op wordt ingegaan en er ook niets voor isgeregeld in onderhavig deel, ofwel in het nieuwe Boek 3. Is dit eenonbewuste omissie en zo ja, wordt dit lopende dit wetgevingsproces (nog)hersteld? Dit is naar de mening van deze leden namelijk wel nodig, omdatnaar verwachting deze ontwikkeling van het buitengerechtelijk afdoen enmogelijk ook het seponeren van strafzaken alleen maar zal groeien en danmoet wel inzichtelijk zijn op basis waarvan dat gebeurt. Niet in de laatsteplaats, omdat in de meeste strafzaken vele uren door de politie zijnbesteed aan het opsporen van een verdachte en het aanleggen, bijhoudenen afronden van een strafdossier voordat het aan het OM wordtvoorgelegd.377. Net als het huidige brengt het nieuwe wetboek tot uitdrukking dat deofficier van justitie exclusief bevoegd is te beslissen of in het concretegeval vervolging zal worden ingesteld – en zo ja via welke vervolgingsmo-daliteit (door het uitvaardigen van een strafbeschikking of door hetaanbrengen ter berechting door indiening van een procesinleiding) – endat hij op grond van het opportuniteitsbeginsel niet verplicht is om tevervolgen in gevallen waarin hij een veroordeling haalbaar acht. Detoepassing hiervan vraagt om een belangenafweging. Zo kan hetseponeren op gronden aan het algemeen belang ontleend bijvoorbeeldvergen dat de beperkte opsporings- en vervolgingscapaciteit moetworden afgewogen tegen het algemeen belang dat de strafwet wordtgehandhaafd en dat slachtoffers genoegdoening wordt verschaft. Degevraagde belangenafweging – en de inhoudelijke en procedurele kaderswaarbinnen deze wordt gemaakt – vindt nader uitdrukking in hetopsporings- en vervolgingsbeleid dat voor een belangrijk deel isvastgelegd in algemene aanwijzingen die door het College vanprocureurs-generaal zijn vastgesteld en gepubliceerd. In de memorie vantoelichting gaat ook aandacht uit naar het opsporings- en vervolgings-beleid en de context waarbinnen dat tot uitvoering moet worden gebracht(zie bijvoorbeeld Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 808–809 en838–839). Beleidsregels binden de leden van het openbaar ministerie bijhet uitoefenen van strafvorderlijke bevoegdheden. De Aanwijzing voor deopsporing (Stcrt. 2013, 35757) – nader uitgewerkt in het Screenings- enselectiviteitskader misdrijven – vormt het kader voor de reactie van deopsporingsinstanties en het openbaar ministerie op gepleegde strafbarefeiten. Een belangrijke doelstelling van deze aanwijzing is om de inzet vande beperkte opsporingscapaciteit te optimaliseren, zodat de politie deopsporingscapaciteit kan richten op de zaken die het openbaar ministeriebelangrijk acht. Daartoe bevat die aanwijzing een inhoudelijk en proce-dureel kader voor de beoordeling of een zaak wordt opgepakt, en zo jamet welke prioriteit. Ook is bij elk van de onderscheiden zaakstromen (teweten: veel voorkomende criminaliteit, high impactcriminaliteit enondermijnende criminaliteit) vermeld op welke concrete wijze hetopenbaar ministerie is betrokken bij opsporingsbeslissingen die ondergezag van het openbaar ministerie worden genomen. Voor wat betreftbeleidsregels over de vervolgingsbeslissing zijn ook de Aanwijzing kadervoor strafvordering meerderjarigen (Stcrt. 2019, 14890), de AanwijzingOM-strafbeschikking (Stcrt. 2022, 9133) en de Aanwijzing sepot en gebruiksepotgronden (Stcrt. 2022, 16129) relevant. Aan deze beleidsregels is dusook de officier van justitie bij het nemen van de vervolgingsbeslissinggebonden. De officier van justitie is daarbij, zoals blijkt uit artikel 3.1.1,verder gebonden aan de beginselen van een goede procesorde,waaronder het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke enbillijke belangenafweging. In concrete gevallen kunnen slachtoffers enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11289 andere rechtstreeks belanghebbenden zich tegen onredelijk gebruik vanhet opportuniteitsbeginsel door het openbaar ministerie beklagen bij hetgerechtshof (Boek 3, Hoofdstuk 5). Daarmee is verzekerd dat rechtsbe-scherming kan worden geboden aan personen die rechtstreeks door hetachterwege blijven van opsporing of vervolging worden geraakt. Tegendeze achtergrond is de regering van oordeel dat het opportuniteitsbe-ginsel met toereikende waarborgen is omgeven, die een kenbare,zorgvuldige en afgewogen toepassing daarvan verzekeren.(378) En in dat licht nog het volgende. Een belangrijk doel van het nieuweWetboek van Strafvordering is het verminderen van de administratievelasten voor de politie en het OM. Daar hebben de leden van de BBB-fractiein de vorige schriftelijke inbrengen ook op gewezen. In dat kader is hetnog meer van belang dat inzichtelijk is op welke wijze het OM depoortwachtersfunctie invult en dat dit transparant is voor de betrokkenketenpartners.378. Zie het antwoord op vraag 377.II. ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 3 1. Algemeen (379) De leden van de VVD-fractie vinden het belangrijk dat bij allevervolgingsbeslissingen de belangen van verdachten, slachtoffers ennabestaanden en andere belanghebbenden zorgvuldig worden gewogen.Daarnaast is het voor het terugbrengen van de doorlooptijden in destrafrechtketen cruciaal dat vervolgingsbeslissingen tijdig wordengenomen en deugdelijk worden gemotiveerd. De mate waarin belangheb-benden oordelen dat zij gedurende het opsporingsonderzoek en bij devervolgingsbeslissing op een eerlijke en rechtvaardige wijze wordenbehandeld is een belangrijke factor voor het terugbrengen van het aantalbeklagzaken en het snel en efficiënt verloop van het verdere strafproces.Kan de regering aangeven welke stappen er met Boek 3 worden gezet omde procedurele rechtvaardigheid van belanghebbenden te vergroten?379. Ten opzichte van het huidige wetboek zijn wijzigingen doorgevoerdter verbetering van het huidige stelsel van waarborgen en correctieme-chanismen rondom de vervolgingsbeslissing, niet alleen ter beschermingvan de verdachte, maar ook van het slachtoffer en andere belangheb-benden. Die aanpassingen dragen bij aan de procedurele rechtvaar-digheid.Een belangrijke wijziging betreft de introductie van de algemene wettelijkeverplichting tot het meedelen van een beslissing tot niet-vervolging aande verdachte die is verhoord, onder vermelding op welke gronden vanvervolging wordt afgezien en welke rechtsgevolgen aan de kennisgevingzijn verbonden (artikel 3.4.2). Daarmee wordt een bestaande beleidsregelop dit punt gecodificeerd (vgl. de Aanwijzing sepot en gebruik sepot-gronden (Stcrt. 2022, 16129).Daarnaast is voor de vervolgingsbeslissing van belang dat het nieuwewetboek ook bepalingen bevat over de rechtspositie van het slachtofferdaarbij. Het slachtoffer dat daarom verzoekt ontvangt informatie over hetniet vervolgen van een strafbaar feit alsook informatie die hem in staatstelt te beslissen of hij zich over het achterwege blijven van vervolging bijhet gerechtshof zal beklagen (artikelen 1.5.3 en 1.5.4, eerste tot en metderde lid). Een heldere motivering en uitleg daarbij aan het slachtoffer kaneen bijdrage leveren aan begrip voor en acceptatie van de genomenbeslissing om een strafbaar feit niet te vervolgen (zie het antwoord opvraag 60).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11290 Een andere belangrijke verbetering betreft de wettelijke regeling van debeklagprocedure. Anders dan nu wordt uitdrukkelijk bepaald dat derechtstreeks belanghebbende – waaronder het slachtoffer – ook kanopkomen tegen het uitblijven van opsporing. Daarbij is voorzien in eenvoorprocedure, waarin de verantwoordelijkheid voor een eerste herover-weging ten aanzien van het uitblijven van (verder) opsporingsonderzoekhet dichtst ligt bij de instantie die de beslissing neemt, namelijk de officiervan justitie (vgl. artikel 3.5.2, tweede lid). Deze voorprocedure draagt eronder andere aan bij om in een vroeg stadium aan de rechtstreeksbelanghebbende betere uitleg te verschaffen over de beslissing totniet-opsporing en zo nodig adequaat te kunnen inspelen op bestaandeonvrede alsook te voorzien in een gemakkelijke en efficiënte informatie-verstrekking en vroegtijdige dossieropbouw. Dit zal naar verwachtingpositief bijdragen aan de legitimiteit van de opsporingsbeslissing envoorkomen dat het slachtoffer zich over die beslissing zal beklagen bij hetgerechtshof. Het moeten starten van een dergelijke procedure kan doorhet slachtoffer als een nieuwe teleurstelling worden ervaren. Een nieuwelement is verder dat de regeling is aangevuld met een aantal termijnen.Voor het naar aanleiding van het beklag uitbrengen van het verslag doorde advocaat-generaal wordt telkens een termijn van drie maandengehanteerd (artikel 3.5.4) en voor de beslissing van het gerechtshof op hetbeklag geldt in beginsel een termijn van zes weken. Die maatregelenzullen over de gehele linie van beklagzaken moeten bijdragen aan eenverkorting van de huidige doorlooptijden.(380) De leden van de D66-fractie zien dat het voorgestelde artikel 3.1.1bepaalt welke beginselen in ieder geval een rol spelen bij de vervolgings-beslissing en dat het vertrouwensbeginsel en het beginsel van eenredelijke en billijke belangenafweging expliciet worden genoemd. Kan deregering toelichten waarom zij voor deze specifieke beginselen heeftgekozen en waarom bijvoorbeeld niet het gelijkheidsbeginsel in dewettekst wordt genoemd? Op basis waarvan is deze keuze gemaakt?380. Het centraal stellen van de beginselen van een goede procesorde inartikel 3.1.1, eerste lid, onderstreept de fundamentele betekenis van diebeginselen voor de vervolgingsbeslissing. Dat is van belang omdat dekoppeling van vervolgingsmonopolie en opportuniteitsbeginselmeebrengt dat het openbaar ministerie bij de vervolgingsbeslissing veelbeleidsvrijheid toekomt. In aanvulling op het wettelijk en verdragsrech-telijk kader vormen de beginselen van een goede procesorde eenbelangrijke waarborg tegen willekeurig gebruik van die beleidsvrijheid.Op dit moment kan een viertal materiële beginselen van een goedeprocesorde worden onderscheiden: het gelijkheidsbeginsel, het beginselvan zuiverheid van oogmerk, het vertrouwensbeginsel en het beginsel vaneen redelijke en billijke belangenafweging. De keuze om alleen hetvertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijkebelangenafweging afzonderlijk in de genoemde wetsbepaling op tenemen, houdt ermee verband dat deze in vergelijking met beide anderemateriële beginselen in de praktijk een grotere rol spelen in het kader vande vervolgingsbeslissing (vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlands strafpro-cesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer: WoltersKluwer 2021, hoofdstuk III.3, p. 64–66).Toegespitst op de vervolgingsbeslissing houdt het vertrouwensbeginsel indat de officier van justitie gebonden is aan de beleidsregels van hetopenbaar ministerie en aan door het openbaar ministerie gedane of aanhet openbaar ministerie toe te rekenen uitlatingen – of daarmee gelijk testellen gedragingen – die bij de verdachte het gerechtvaardigdevertrouwen hebben gewekt dat hij niet (verder) zal worden vervolgd. Hetbeginsel van een redelijke en billijke belangenafweging vergt dat deconcrete vervolgingsbeslissing de uitkomst is van een behoorlijkeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11291 belangenafweging van de officier van justitie. Daarmee krijgen beidebeginselen in de context van de vervolgingsbeslissing een concreteuitwerking die houvast biedt aan de praktijk. Verder is bij de keuze omalleen die beginselen in Boek 3 te expliciteren van betekenis geweest datbeide andere beginselen al elders in de wet zijn of worden verankerd: hetgelijkheidsbeginsel en het verbod van discriminatie zijn reeds grondwet-telijk (artikel 1 van de Grondwet) en verdragsrechtelijk (o.a. artikel 20 en21 EU-handvest en artikel 14 EVRM) verankerd, terwijl het beginsel vanzuiverheid van oogmerk – inhoudende dat een bevoegdheid niet wordtuitgeoefend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven – afzon-derlijk wordt opgenomen in artikel 2.1.2, eerste lid, van het nieuwewetboek omdat dat laatste beginsel verhoudingsgewijs van grotebetekenis is voor de normering van de opsporingsbevoegdheden. Datneemt niet weg dat de twee genoemde beginselen soms ook relevantkunnen zijn voor de normering van de vervolgingsbeslissing. Dat is echteral voldoende verdisconteerd in de algemene bepaling dat de officier vanjustitie beginselen van een goede procesorde in acht neemt; het heeftgeen toegevoegde waarde om deze in die bepaling aanvullend teexpliciteren.De keuze voor een niet-limitatieve opsomming van beginselen van eengoede procesorde biedt ook ruimte voor erkenning van nieuwe begin-selen in de jurisprudentie als daarvoor aanleiding bestaat. Dat is vanbelang. Bedacht moet worden dat de toepasselijkheid van het beginselvan zuiverheid van oogmerk, het vertrouwensbeginsel en het beginsel vaneen redelijke en billijke belangenafweging in het strafrecht telkens in dejurisprudentie is erkend en afgebakend. Door de ruime formulering van debedoelde bepaling blijft deze toekomstbestendig en kan zij meebewegenmet eventuele rechtsontwikkeling in de rechtspraak.(381) De leden van de D66-fractie constateren dat de regering opverschillende punten in het wetsvoorstel rechtsbescherming/waarborgenvoor de verdachte koppelt aan het moment van het eerste verhoor. Dezeleden wijzen erop dat dit in veel gevallen ook het moment van het beginvan de «criminal charge» is zoals bedoeld in artikel 6 van het Europeesverdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), maar dat dit niet perdefinitie hetzelfde moment is. Hoe verhoudt deze keuze zich volgens deregering tot artikel 6 EVRM? Waarom vindt de regering het gerecht-vaardigd om op sommige punten onderscheid te maken tussen degehoorde verdachte en de niet-gehoorde verdachte?381. In het antwoord op vraag 54is uiteengezet dat en waarom in hetnieuwe wetboek de rechtsbescherming van de verdachte is gekoppeld aanhet eerste politieverhoor (zie ook de antwoorden op de vragen 62, 84, 162en 169). Daar is ook ingegaan op de verhouding tussen het nieuwevervolgingsbegrip en het begrip «criminal charge» in artikel 6 EVRM. In debedoelde antwoorden is toegelicht dat de nieuwe wettelijke systematiekbeter dan de huidige aansluit bij artikel 6 EVRM, nu het moment van heteerste verhoor van de verdachte in het overgrote deel van de gevallen ookhet beginpunt van de «criminal charge» vormt. Dat neemt niet weg datzich – inderdaad – situaties kunnen voordoen waarin de «criminal charge»al op een eerder moment begint. Het is immers denkbaar dat de verdachteal voordat hij wordt verhoord ervan op de hoogte is dat hij wordt verdachtvan een strafbaar feit. Daarmee is echter nog niet gezegd dat het in datprille stadium ook al zinvol en noodzakelijk is om (bepaalde) verdedigings-rechten te kunnen uitoefenen. Voor de strafvorderlijke autoriteiten – in hetbijzonder de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren – isbovendien van belang dat er in de praktijk een duidelijk aanwijsbaaraangrijppunt is voor de toekenning van verdedigingsrechten. Het begrip«criminal charge», zoals dat in de jurisprudentie van het EHRM isingevuld, is geen geschikt aanknopingspunt voor een wettelijke regeling.Dat begrip gaat immers uit van de subjectieve beleving van de verdachte,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11292 die uit handelingen van de overheid de conclusie heeft kunnen trekken dathij wordt beschuldigd. Tot slot moet worden benadrukt dat de inhoud vande nationale wettelijke regeling op geen enkele wijze afbreuk kan doenaan de rechten die een (al dan niet gehoorde) verdachte aan het EVRMkan ontlenen. Het autonome Straatsburgse vervolgingsbegrip blijftkortom onverminderd van belang voor het beantwoorden van de vraag ofde verdachte in een concreet geval – eventueel ook in de periodevoorafgaand aan het eerste politieverhoor – de rechtsbescherming heeftgenoten waar hij op grond van 6 EVRM aanspraak op kan maken.(382) De leden van de SP-fractie hebben in navolging van de zorgen vanFonds Slachtofferhulp de volgende vragen. Hoe kan de regering garan-deren dat slachtoffers rechten hebben tijdens de gehele rechtsgang, enniet alleen op zitting? En kan zij garanderen dat procesafspraken ofOM-afdoeningen niet zonder actieve betrokkenheid van het slachtoffer totstand komen?382. Zie de antwoorden op de vragen 14, 15 en 75.Artikel 3.1.1(383) De rapporteurs zien dat ervoor is gekozen om niet alle beginselenvan een goede procesorde in de wet op te nemen. Zij vragen waaromenkel het vertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijkebelangenafweging zijn gecodificeerd.383. Zie het antwoord op vraag 380.(384) De rapporteurs constateren verder dat de beginselen van een goedeprocesorde de beslissingen over vervolging normeren. Het voorgesteldeartikel 3.1.1 lid 1 noemt het vertrouwensbeginsel en het beginsel van eenredelijke en billijke belangenafweging. In de memorie van toelichting(MvT) wordt onderkend dat ook de andere beginselen van een goedeprocesorde normerend kunnen werken. De rapporteurs vragen of deregering de keuze kan toelichten om de twee genoemde beginselen wel inde wettekst op te nemen en andere, zoals het gelijkheidsbeginsel en hetdaarmee samenhangende discriminatieverbod, niet. Hoe ziet de regeringde normerende werking van beginselen van een goede procesorde als zijniet in de wettekst worden opgenomen?384. Zie het antwoord op vraag 380. In aanvulling daarop wordtopgemerkt dat de beginselen van een goede procesorde op grond van hetongeschreven recht de vervolgingsbeslissing nu al normeren, zoals ookblijkt uit bestendige jurisprudentie (o.a. ECLI:NL:HR:2016:742). Debeginselen van een goede procesorde worden in de wet verankerd.Daarmee is onderstreept dat de officier van justitie deze beginselen bij devervolgingsbeslissing in acht moet nemen. De codificatie van debeginselen van een goede procesorde als categorie met afzonderlijkereferte aan twee van die beginselen in Boek 3, geeft aan die beginselenevenwel geen andere inhoud of betekenis dan de inhoud en betekenis diezij volgens vaste jurisprudentie al hebben voor de vervolgingsbeslissing.In de memorie van toelichting is verduidelijkt op welke wijze de toetsingvan de vervolgingsbeslissing aan de hand van de beginselen van eengoede procesorde door de rechter – in de bezwaarschriftprocedure en, naaanvang van de berechting, door de zittingsrechter – in concrete gevallendient plaats te vinden. De centrale vraag voor de zittingsrechter is of deofficier van justitie in het gegeven geval – gelet op alle betrokkenbelangen – in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot het indienen van eenprocesinleiding.(385) De rapporteurs vragen of de regering heeft overwogen om Titel 3.2van Boek 1 («Vervolging») op te nemen in Boek 3 («Beslissingen oververvolging»). Daarmee zouden de beginselen van een goede procesordeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11293 die de toepassing van het opportuniteitsbeginsel nader normeren op eenmeer inzichtelijke manier samenhangen met dit beginsel.385. Titel 3.2 «Vervolging» is onderdeel van Boek 1, Hoofdstuk 3, in welkhoofdstuk kernbepalingen met betrekking tot de vervolging en opsporingvan strafbare feiten zijn opgenomen. Die bepalingen moeten wordenbegrepen in samenhang met die van de zogenaamde organiekewetgeving waarin de organisatie en de taken van het openbaar ministerieen van de verschillende opsporingsorganisaties zijn vastgelegd, zoals deWet op de rechterlijke organisatie. Het genoemde hoofdstuk vervult eenbrugfunctie tussen enerzijds die organieke wetgeving en anderzijds denadere regeling van de opsporing en de vervolging in de Boeken 2 en 3van het nieuwe wetboek.De vervolging van strafbare feiten behoort tot de kerntaak van hetopenbaar ministerie. Daarom is ervoor gekozen om in Boek 1,Hoofdstuk 3, enkele fundamentele, samenhangende strafvorderlijkeuitgangspunten voor de vervolging van strafbare feiten vast te leggen. Hetbetreft onder andere de toewijzing van de exclusieve vervolgingsbe-voegdheid aan de officier van justitie (het vervolgingsmonopolie), dewijze waarop de officier van justitie vervolging kan instellen (namelijkdoor het uitvaardigen van een strafbeschikking of door het aanbrengen terberechting door indiening van een procesinleiding) en het uitgangspuntdat de officier van justitie ook in gevallen waarin hij een veroordelinghaalbaar acht op opportuniteitsgronden van vervolging kan afzien (hetopportuniteitsbeginsel). De nadere uitwerking van deze uitgangspunten isneergelegd in de Boeken 3 en 4 van het nieuwe wetboek, waaronder debeslissing over vervolging door het uitvaardigen van een strafbeschikking(Boek 3, Hoofdstuk 3), de beslissing tot het achterwege laten vanvervolging (Boek 3, Hoofdstuk 4) en het aanbrengen van de zaak terberechting door indiening van een procesinleiding (Boek 4, Hoofdstuk 1).De keuze om de beginselen van een goede procesorde – die de toepassingvan het opportuniteitsbeginsel bij het nemen van de vervolgingsbe-slissing nader normeren – wettelijk te verankeren in Boek 3 moet wordenbegrepen in het licht van de hiervoor geschetste wetssystematiek.(386) De rapporteurs vragen ook waarom slachtofferbelangen in hetwetsvoorstel een expliciete normerende functie hebben op de vervol-gingsbeslissing, en andere belangen, zoals op grond van het interna-tionale recht gebaseerde positieve verplichtingen, niet.386. De beslissing van de officier van justitie om al dan niet te vervolgenin gevallen waarin hij een veroordeling haalbaar acht, vraagt eenbelangenafweging. In voorkomende gevallen moeten daarbij zowel debelangen van het slachtoffer als relevante internationale regelgeving endaarop gebaseerde jurisprudentie worden meegewogen. Ten aanzien vande belangen van het slachtoffer wordt dat bepaald in de wettelijkeregeling (artikel 1.1.4). De doorwerking van internationale regelgevingwordt niet bepaald door het Wetboek van Strafvordering, maar door deartikelen 93 en 94 van de Grondwet (en het EU-rechtelijke kader voorzover het de doorwerking van EU-recht betreft). Dit betekent dat langs dieweg bijvoorbeeld de rechtspraak van het EHRM over positieve verplich-tingen van de staat tot opsporing, vervolging en berechting van personenin het geval van bepaalde verdragsschendingen – die als regel ook debelangen van het slachtoffer dienen – rechtstreeks doorwerkt in deNederlandse rechtsorde en daarmee de toepassing van het opportuniteits-beginsel normeert. Wettelijke verankering van die verplichtingen isdaarvoor niet nodig. Ter verduidelijking van de verhouding tussenenerzijds verdragen en EU-regelgeving – waaronder de genoemdepositieve verdragsverplichtingen – en anderzijds het nationale wetboek,wordt in het kader van de eerste aanvullingswet voorgesteld omartikel 1.1.1 aan te vullen (zie nader het antwoord op vraag 11). DaarmeeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11294 wordt gemarkeerd dat die positieve verdragsverplichtingen ook een bronvan strafprocesrecht zijn.(387) De rapporteurs lezen dat in de MvT wordt aangegeven dat de nuwettelijk voorgestelde regeling «ruimte laat voor een eventuele bijstellingvan de voorwaarden waaronder niet-ontvankelijkverklaring in beeldkomt». De rapporteurs vragen of dit betekent dat de rechtspraak in ditverband meer ruimte krijgt om de redelijkheid van de vervolgingsbe-slissing te toetsen dan thans het geval is. Is het de intentie van deregering om door middel van deze bepaling een aanvullende vorm vantoezicht te creëren op het OM (en de organisaties die onder de verant-woordelijkheid van het OM bij de vervolging betrokken zijn)?387. De opmerking dat de voorgestelde wettelijke regeling ruimte laatvoor een eventuele bijstelling in de rechtspraak van de voorwaardenwaaronder die niet-ontvankelijkverklaring in beeld komt, beoogt uit tedrukken dat enerzijds wordt onderschreven dat het verstrekkenderechtsgevolg van niet-ontvankelijkverklaring moet worden beperkt totuitzonderlijke gevallen en anderzijds ruimte wordt gelaten voor rechter-lijke rechtsontwikkeling in het licht van gewijzigde omstandigheden. Eenaanvullende vorm van toezicht op het openbaar ministerie is hiermee nietbeoogd.Bij het nemen van de vervolgingsbeslissing is de officier van justitie naarhuidig recht ook al gebonden aan de beginselen van een goedeprocesorde, waaronder het beginsel van een redelijke en billijke belangen-afweging. Als de vervolgingsbeslissing niet met deze beginselen teverenigen is, levert dat volgens vaste jurisprudentie – in uitzonderlijkegevallen – een grond op om de officier van justitie niet-ontvankelijk teverklaren in de vervolging. Voor zover het gaat om het beginsel van eenredelijke en billijke belangenafweging geeft de huidige rechtspraak blijkvan terughoudendheid, in de zin dat alleen in (zeer) uitzonderlijke gevallenplaats is voor een niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerieop de grond dat de officier van justitie niet in redelijkheid tot het instellenof voorzetten van vervolging heeft kunnen komen.(388) De leden van de VVD-fractie vragen waarom in het eerste lid vanartikel 3.1.1 is opgenomen dat de officier van justitie de beginselen vaneen goede procesorde in acht neemt en dan twee beginselen (vertrou-wensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenaf-weging) expliciteert. In de toelichting schrijft de regering dat een viertalmateriële beginselen van een goede procesorde worden onderscheiden:het gelijkheidsbeginsel, het beginsel van zuiverheid van oogmerk, hetvertrouwensbeginsel en het beginsel van een redelijke en billijkebelangenafweging. Waarom is gekozen in de tekst van de wet het woord«waaronder» op te nemen? Waarom kan niet worden volstaan met eenlimitatieve opsomming?388. Zie het antwoord op vraag 380.(389) De leden van de VVD-fractie vragen welke consequenties er wettelijkzijn verbonden aan het niet-naleven van de vereisten uit lid 4 en lid 5 vanartikel 3.1.1. Aan de hand waarvan wordt beoordeeld of een slachtoffer ofdiens wettelijk vertegenwoordiger «zo mogelijk» in de gelegenheid isgesteld om zijn of haar mening kenbaar te maken over de wenselijkheidvan vervolging?389. In artikel 3.1.1, vierde en vijfde lid, is een hoormogelijkheid geregeldwaarbij op de officier van justitie de verplichting rust een persoon in degelegenheid te stellen om zijn mening over de wenselijkheid vanvervolging kenbaar te maken. Deze artikelleden komen inhoudelijkovereen met de huidige artikelen 165a en 167a. In het vierde lid gaat hetom minderjarigen tegen wie de daar genoemde zedenmisdrijven wordengepleegd. Het vijfde lid – dat betrekking heeft op klachtdelicten – bepaaltTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11295 dat in zaken waarin door de wettelijke vertegenwoordiger namens eenminderjarige in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar een klacht isingediend, deze minderjarige in beginsel dient te worden opgeroepen omte worden gehoord over de wenselijkheid van het eventueel instellen vanvervolging, voordat de officier van justitie tot vervolging overgaat. In hetgeval de zaak door een procesinleiding ter berechting wordt aangebrachtbij de rechtbank, zal de rechter beoordelen of de officier van justitie zichvoldoende heeft ingespannen om de minderjarige in de gelegenheid testellen om van die hoormogelijkheid gebruik te maken. Indien blijkt datniet aan die inspanningsverplichting is voldaan, zal de rechter daaraangevolgen moeten verbinden die in het gegeven geval passend zijn (vgl.Kamerstukken II 2001/02, 27 745, nr. 6, p. 17 en 24). Dit kan betekenen datde officier van justitie in de gelegenheid wordt gesteld om de minder-jarige alsnog te horen. Uiteindelijk gaat het erom dat de officier vanjustitie bij het nemen van de vervolgingsbeslissing ook rekening houdtmet de zienswijze van het slachtoffer ten aanzien de (strafvorderlijke)consequenties die aan het feit moeten worden verbonden.De woorden «zo mogelijk» in artikel 3.1.1, vierde lid, drukken uit dat deofficier van justitie een inspanningsverplichting heeft om de minderjarigezijn mening over de wenselijkheid van het eventueel instellen vanvervolging kenbaar te laten maken. Voor de wijze waarop de officier vanjustitie invulling moet geven aan deze inspanningsverplichting kanworden aangesloten bij de tekst van en de toelichting op het vijfde lid. Omde hoormogelijkheid te verwezenlijken, wordt degene tegen wie hetstrafbare feit is gepleegd, opgeroepen. Geeft hij daaraan geen gehoor enis de oproeping op behoorlijke wijze gedaan, dan kan de officier vanjustitie tot vervolging overgaan. In die gevallen staat het ontbreken vanhet oordeel over de wenselijkheid van vervolging aan vervolging niet inde weg. Het is van groot belang dat het minderjarige slachtoffer op dezewijze in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze omtrent de wense-lijkheid van een strafvervolging naar voren te brengen. Een oproeping vande minderjarige zal daarom slechts in uitzonderlijke gevallen achterwegekunnen blijven, bijvoorbeeld wanneer geen actuele woon- of verblijfplaatsof andere contactgegevens van hem bekend zijn. Ook kan worden gedachtaan het geval waarin het horen van deze persoon niet mogelijk ofwenselijk is in verband met diens lichamelijke of geestelijke toestand.(390) De leden van de CDA-fractie lezen dat de regering ervoor heeftgekozen om een niet-limitatieve opsomming van beginselen van eengoede procesorde in art. 3.1.1 op te nemen, te weten het vertrouwensbe-ginsel en het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging.Deze leden vragen om de argumenten van de regering om over te gaantot een niet-limitatieve opsomming in plaats van een limitatieveopsomming van materiële beginselen. Deze leden vragen concreetwaarom het gelijkheidsbeginsel niet in dit artikel is opgenomen.390. Zie het antwoord op vraag 380.(391) De leden van de BBB-fractie lezen dat in lid 1 van artikel 3.1.1 wordtverwezen naar de beginselen van een goede procesorde. Eén van diebeginselen is het zogenoemde ne bis in idem beginsel, inhoudende datniemand tweemaal voor hetzelfde strafbare feit kan worden vervolgd,behoudens herziening. Het ne bis in idem beginsel is ook een beginselvan goede procesorde, dus is het niet de aangewezen weg in het kadervan duidelijkheid en eenvoud om dit (ook) op te nemen in artikel 3.1.1.van het nieuwe Wetboek van Strafvordering?391. Het ne bis in idem-beginsel vormt een fundamentele waarborg tegenmeervoudige vervolging en aansprakelijkstelling voor hetzelfde feit.Codificatie van dit beginsel in Boek 3 is niet nodig en draagt evenmin bijaan een vereenvoudiging van de wettelijke regeling, omdat metTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11296 betrekking tot uiteenlopende procedures verschillende varianten van datbeginsel al elders in de wet zijn geregeld. Deze bijzondere bepalingen– die zijn afgestemd op specifieke situaties – kunnen niet worden gemist.Ten aanzien van rechterlijke einduitspraken – dat wil zeggen: eeneindvonnis of eindarrest in de zin van artikel 1.1.9 van het nieuweWetboek van Strafvordering – is het ne bis in idem-beginsel verankerd inartikel 68 van het Wetboek van Strafrecht. Zo bepaalt het eerste lid van diebepaling dat – afgezien van de gevallen waarin rechterlijke uitsprakenvoor herziening vatbaar zijn – de verdachte na een onherroepelijkstrafrechtelijke veroordeling, vrijspraak of ontslag van alle rechtsver-volging door de rechter, wegens hetzelfde feit niet andermaal kan wordenvervolgd.Daarnaast bevat het nieuwe Wetboek van Strafvordering, in lijn met hethuidige wetboek, verschillende bepalingen die de verdachte in anderegevallen tegen vervolging voor hetzelfde feit beschermen. Zo komt inbeginsel een einde aan de zaak tegen de verdachte in het geval de rechteris gekomen tot een verklaring dat de zaak is geëindigd (artikel 3.1.4) of eenbuitenvervolgingsteling (artikel 3.2.4). Andere situaties waarin de zaak alsregel eindigt, zijn gevallen waarin tegen de verdachte een strafbeschikkingis uitgevaardigd die volledig is tenuitvoergelegd of die door de officiervan justitie wordt ingetrokken (artikel 3.3.7 in verbinding met artikel 3.5.1,eerste lid), de verdachte in kennis is gesteld van de beslissing totniet-vervolging (artikel 3.4.2 en 3.4.3, eerste lid) of voor het feit aan deverdachte een bestuurlijke boete is opgelegd (artikel 3.4.3, vijfde lid).Artikel 3.1.3(392) De rapporteurs constateren dat de regering in het wetsvoorstelconsequent beoogt het uitgangspunt vast te houden dat de rechtsbe-scherming van de verdachte begint op het moment van het eersteverhoor. De specifieke aard van de regeling met betrekking tot deverklaring dat de zaak is geëindigd verzet zich mogelijk tegen hetconsequent vasthouden aan dat uitgangspunt. De rapporteurs vragen ofhier een alternatieve formulering denkbaar kan zijn waarin niet-verhoordepersonen het verzoek kunnen doen wanneer jegens hen vanwege deNederlandse Staat een handeling is verricht waaraan zij in redelijkheid deverwachting kunnen ontlenen dat tegen hen ter zake van een bepaaldstrafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld.392. In het nieuwe wetboek is de rechtsbescherming van de verdachteinderdaad gekoppeld aan het eerste politieverhoor (zie ook deantwoorden op de vragen 62, 84, 162, 169 en 381). Op dat moment wordthem mededeling gedaan van zijn rechten en heeft hij bijvoorbeeld rechtop rechtsbijstand voorafgaand aan en tijdens het verhoor. Ook wordt deverdachte die is verhoord door de officier van justitie direct in kennisgesteld van de beslissing om niet te vervolgen. In lijn daarmee kan derechtbank volgens de voorgestelde regeling op verzoek van de verdachtedie is verhoord verklaren dat de zaak is geëindigd (artikel 3.1.3, eerste lid,onderdeel a). De verdachte die is verhoord heeft een gerechtvaardigdbelang om duidelijkheid te verkrijgen over de vraag of en zo ja, hoe, tegenhem vervolging zal worden ingesteld. Vanaf het moment waarop deverdachte voor het eerst is verhoord kan hij ook de rechter-commissarisverzoeken de voortgang van het opsporingsonderzoek te beoordelen(artikel 2.10.67). De rechter-commissaris kan de zaak vervolgens ook weervoorleggen aan de rechtbank opdat deze zal verklaren dat de zaak isgeëindigd (artikel 3.1.3, eerste lid, onderdeel b). De specifieke aard vandeze regeling verzet zich niet tegen het consequent vasthouden aan hetbedoelde uitgangspunt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11297 Opmerking verdient dat een enkele overschrijding van de redelijke termijnin de zin van artikel 6 EVRM op grond van de jurisprudentie van de HogeRaad niet ten grondslag kan liggen aan een beslissing dat de zaak isgeëindigd. Wanneer de zaak na een periode van stagnatie alsnog wordtvervolgd, is het aan de zittingsrechter om te beoordelen of sprake is vanoverschrijding van de redelijke termijn waaraan bij de berechting van dezaak gevolgen moeten worden verbonden. Artikel 6 EVRM dwingt tegendie achtergrond niet tot het openstellen van een mogelijkheid voor de nietverhoorde verdachte om de rechter te verzoeken de zaak te beëindigen. Inzoverre is er dan ook geen reden om in de specifieke context vanartikel 3.1.3 het uitgangspunt te verlaten dat een dergelijk verzoek alleenkan worden gedaan door een verdachte die is verhoord. Daar komt bij datde alternatieve formulering die door de rapporteurs wordt aangedragen,en die is ontleend aan het materiële vervolgingsbegrip zoals ontwikkeld inde jurisprudentie van het EHRM, in het verleden te vaag is gebleken om tefungeren als wettelijk startpunt voor de uitoefening van bevoegdheden(zie de memorie van toelichting bij artikel 2.10.2 en het antwoord op vraag54).Het voorgaande neemt uiteraard niet weg dat het ongewenst zou zijn alseen verdachte die nog niet is verhoord, maar die wel op de hoogte isgeraakt van het opsporingsonderzoek dat tegen hem loopt, lange tijd inonzekerheid verkeert over het vervolg van de zaak. De verdachte kan zichin die situatie zelf wenden tot de officier van justitie om te informerennaar de voortgang van het opsporingsonderzoek en – eventueel – met eenverzoek om te worden verhoord. Zodra het belang van het onderzoek hettoelaat wordt de verdachte van een misdrijf op zijn verzoek in degelegenheid gesteld om te worden verhoord (artikel 3.1.1, derde lid).Wanneer dat verhoor alsnog heeft plaatsgevonden kan de verdachtealsnog alle aan dat verhoor gekoppelde rechten uitoefenen, waaronderhet indienen van een verzoek als bedoeld in artikel 3.1.3.(393) De rapporteurs merken op dat op grond van de jurisprudentie vande Hoge Raad een enkele overschrijding van de redelijke termijn niet tengrondslag kan liggen aan een beslissing dat de zaak is geëindigd. Dewetsgeschiedenis van art. 29f Sv (en diens voorganger art. 36 Sv) leek datjuist wel mogelijk te maken. Zou de regering in dit verband een naderetoelichting kunnen geven op de grondslag voor de beoordeling van hetverzoek om een verklaring dat de zaak geëindigd is?393. Indien een tegen de verdachte lopende strafzaak is gestagneerd en deverdachte duidelijkheid wil verkrijgen over de afloop van die strafzaak, kanhij een verzoek doen tot het verkrijgen van een verklaring dat de strafzaakis geëindigd. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat overschrijding van deredelijke termijn – als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM – aanleidingkan geven tot strafvermindering maar niet leidt tot deniet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de strafver-volging, ook niet in uitzonderlijke gevallen (ECLI:NL:HR:2019:1472).Onderschreven wordt dat de enkele overschrijding van de redelijketermijn niet aan (verdere) vervolging in de weg hoeft te staan en daarmeeop zichzelf beschouwd geen doorslaggevende reden vormt voor hetgeven van de verklaring dat de zaak is geëindigd. Grond voor het gevenvan een verklaring dat de zaak is geëindigd kan de rechter onder meer welvinden in de omstandigheid dat niet of nauwelijks (meer) activiteitenworden verricht in het strafrechtelijk onderzoek tegen de verdachte en hetdaarnaast redelijkerwijs niet valt te verwachten dat de officier van justitietegen de verdachte vervolging zal instellen of voortzetten. Overigens kande raadkamer, indien de officier van justitie aannemelijk maakt datvervolging zal worden ingesteld of voortgezet, de beslissing over debeëindiging van de zaak telkens voor bepaalde tijd aanhouden(artikel 3.1.3, vierde lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11298 2. Bezwaarschrift tegen de procesinleiding (394) De rapporteurs constateren dat de Afdeling aandacht heeft gevraagdvoor de veranderde positie van het OM en de toegenomen complexiteitvan de vervolgingsbeslissing die vergen dat de vervolgingsbeslissing metvoldoende waarborgen is omkleed. De voorgestelde regeling omtrent hetbezwaarschrift tegen de procesinleiding betreft echter desalniettemin eenmarginale en geen volle toetsing van de juistheid van de vervolgingsbe-slissing. Hoe verhoudt zich volgens de regering deze terughoudendetoetsing tot de veranderde positie van het OM en de toegenomencomplexiteit van de vervolgingsbeslissing?394. Zie het antwoord op vraag 374.(395) De rapporteurs lezen dat de gekozen formulering van de inartikel 3.2.3. lid 2 aangeduide gevallen (onder andere door toevoeging vanhet begrip «klaarblijkelijk» in de onderdelen a en c) meer dan de tekst vanhet huidige art. 262 Sv duidelijk maakt dat sprake moet zijn van terughou-dendheid ten aanzien van het feitelijk oordeel over de zaak. De rappor-teurs vragen of met de voorgestelde formulering een meer terughou-dende toetsing beoogd wordt ten opzichte van de huidige bepaling. Zo ja,kan de regering deze keuze nader toelichten? Zo nee, waarom is gekozenvoor de nu voorgestelde formulering met het begrip «klaarblijkelijk»?395. In artikel 3.2.3, tweede lid, is geregeld in welke gevallen de rechtbankeen ingediend bezwaarschrift tegen de procesinleiding gegrond verklaart.In de onderdelen a (de officier van justitie is klaarblijkelijkniet-ontvankelijk) en c (het tenlastegelegde feit of de verdachte isklaarblijkelijk niet strafbaar) is de term «klaarblijkelijk» ingevoegd.Daarmee wordt beter dan in de tekst van het huidige artikel 262 totuitdrukking gebracht dat, zoals ook uit de rechtspraak van de Hoge Raadblijkt, de rechter in deze stand van het geding terughoudendheid moetbetrachten bij zijn oordeel over de zaak. De Hoge Raad heeft hetsummiere karakter van het oordeel van de raadkamer in de bezwaar-schriftprocedure benadrukt (ECLI:NL:HR:2019:89). Ook ten aanzien vanverweren met betrekking tot de ontvankelijkheid van de officier vanjustitie geldt dat in de bezwaarschriftprocedure terughoudendheid moetworden betracht bij het waarderen van de feiten. Als maatstaf moetworden aangelegd «of het hoogst waarschijnlijk is dat de zittingsrechterde aan het verweer mede ten grondslag gelegde feiten en omstandig-heden aannemelijk zal oordelen». Die maatstaf wordt in de voorgesteldewettekst tot uitdrukking gebracht met de term «klaarblijkelijk». Dieterughoudende toetsing geldt dus ook nu al; de redactionele aanpassingvan dit artikel beoogt geen verandering te brengen in die wijze vanrechterlijke toetsing maar is slechts bedoeld ter verduidelijking. De criteriavoor de beslissing over buitenvervolgingstelling zijn inhoudelijk gehand-haafd; het betreft een marginale en geen volle toetsing van de juistheidvan de vervolgingsbeslissing die moet voorkomen dat de verdachte opgrond van een lichtvaardige vervolging in het openbaar terecht moetstaan.(396) De rapporteurs constateren dat het vervallen van de mogelijkheiddat de rechter bepaalt dat ten aanzien van bepaalde tenlastegelegdebestanddelen niet mag worden vervolgd, onbedoeld nadelige conse-quenties lijkt te hebben voor bepaalde typen tenlasteleggingen (enkel-voudige tenlastelegging van gekwalificeerde delicten en implicieteprimair/subsidiair tenlasteleggingen). De rapporteurs vragen op welkewijze dat soort nadelige consequenties binnen de voorgestelde regelingkunnen worden ondervangen.396. Momenteel bestaat nog de mogelijkheid dat de rechtbank in debezwaarschriftprocedure bepaalt dat voor bepaalde bestanddelen van eenenkelvoudige tenlastelegging niet zou mogen worden vervolgd (huidigTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11299 artikel 262, vijfde lid). Dit past echter niet bij de aard van de marginaletoetsing die in de bezwaarschriftprocedure aan de orde is. Demogelijkheid om aan te duiden welke wijzigingen in de tenlasteleggingmoeten worden aangebracht, is terug te voeren op de bemoeienis die derechter vroeger had met het verlenen van rechtsingang. Deze rol vervultde rechter nu niet meer. De verdachte kan volgens het huidige recht zijnopvatting over de tenlastelegging aan de zittingsrechter voorleggen bij debehandeling van de strafzaak. De mogelijkheid van de rechtbank in debezwaarschriftprocedure om afzonderlijk te oordelen over onderdelen vande tenlastelegging die betrekking hebben op één feit is dan ook bewustgeschrapt, zodat het bereik van deze bepaling beter aansluit op de aardvan de toetsing in de bezwaarschriftprocedure. Van onbedoeld nadeligeconsequenties van de schrapping van de mogelijkheid om voor bepaaldetenlastegelegde bestanddelen niet te laten vervolgen, is dus geen sprake.Daarbij is nog van belang om op te merken dat het primaire belang van deverdachte bij de bezwaarschriftprocedure is dat hij kan voorkomen dat hijin het openbaar moet terechtstaan. Bij een buitenvervolgingstelling tenaanzien van onderdelen van de tenlastelegging die betrekking hebben opéén feit zou alleen de omvang van de tenlastelegging van dat feit wordengewijzigd en moet de verdachte nog steeds in het openbaar terechtstaan.Overigens blijft de schrapping van een geheel feit uit de cumulatievetenlastelegging niettemin mogelijk omdat de rechtbank dan vaststelt datde verdachte voor dat gehele feit buiten vervolging wordt gesteld; dat laatonverlet dat voor de resterende tenlastegelegde feiten wel naar deterechtzitting kan worden verwezen. In het tweede lid van artikel 3.2.3 isdan ook bepaald dat de verdachte buiten vervolging kan worden gesteldvoor een of meer feiten uit de tenlastelegging, indien deze op meerdere– verschillende – strafbare feiten betrekking heeft.(397) De leden van de D66-fractie constateren dat in het wetsvoorstel demogelijkheid voor de rechter om te oordelen over onderdelen van tenlaste gelegde feiten is geschrapt. Deze leden wijzen erop dat soms eenwoord of een aantal woorden binnen een ten laste gelegd feit het verschilmaakt tussen twee verschillende strafbare feiten en dat het daarom welwaardevol kan zijn als de rechter op gedetailleerd niveau kan oordelen. Ditis bijvoorbeeld het geval bij moord en doodslag. Kan de regeringtoelichten waarom zij deze mogelijkheid wil schrappen en kan zij hierin deredenering van deze leden meenemen?397. Zie het antwoord op vraag 396.(398) De leden van de CDA-fractie lezen dat de afgelopen jaren ongeveer230 keer per jaar een bezwaarschriftprocedure is ingesteld tegen devervolgingsbeslissing van het OM. Dit is relatief weinig, constateren dezeleden. Wat is volgens de regering de reden dat dit instrument relatiefweinig wordt ingezet?398. De concrete vervolgingsbeslissing is de uitkomst van een belangenaf-weging van de officier van justitie. Hij zal alleen tot het indienen van eenprocesinleiding besluiten als dit naar zijn oordeel – gelet op alle betrokkenbelangen – aangewezen is. In de bezwaarschriftprocedure toetst derechter of de officier van justitie in het gegeven geval in redelijkheid heeftkunnen beslissen tot het indienen van een procesinleiding. Daarmeebeoogt de bezwaarschriftprocedure een waarborg te bieden tegen eenlichtvaardige procesinleiding en daarmee tegen een nodeloze openbareterechtzitting voor de verdachte. Hoewel niet vaak van de proceduregebruik wordt gemaakt, is deze regeling in het nieuwe wetboek gehand-haafd zodat de verdachte altijd een beroep kan doen op de rechter om hetin het openbaar terechtstaan te voorkomen. De precieze reden waaromrelatief weinig gebruik wordt gemaakt van deze procedure is niet bekend.Een relevante factor zou kunnen zijn dat strafzaken die zich daarvoor lenenin toenemende mate op buitengerechtelijke wijze worden afgedaan,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11300 bijvoorbeeld door middel van een strafbeschikking (artikel 3.3.1). Bij eendergelijke afdoeningsmodaliteit is de bezwaarschriftprocedure niet aan deorde omdat daarbij van een openbare berechting juist geen sprake is.3. De strafbeschikking (399) De leden van de VVD-fractie zien dat er nog altijd spreekrecht-waardige strafbare feiten worden afgedaan zonder expliciete instemmingvan slachtoffers. Mede daarom vragen deze leden hoe bij de buitenge-rechtelijke afdoening van strafbare feiten de wettelijke rechten vanslachtoffers tijdens de gehele rechtsgang beter kunnen worden geëffec-tueerd. Zij sluiten zich aan bij de vragen uit de rapportage van desamenwerkende universiteiten op dit punt.399. In het antwoord op vraag 75 is uiteengezet dat de officier van justitiebij het uitvaardigen van een strafbeschikking zoveel mogelijk rekeninghoudt met de belangen van slachtoffers en is beschreven op welke wijzedat in de praktijk gebeurt. Als sprake is van een ernstig spreekrecht-waardig feit, waarbij het slachtoffer of een nabestaande te kennen heeftgegeven van het spreekrecht gebruik te willen maken, vormt dat op grondvan de Aanwijzing OM-strafbeschikking (Stcrt. 2022, 9133) een contra-indicatie voor afdoening met een strafbeschikking. Het gaat hier, andersdan de vraagstellers suggereren, niet om expliciete instemming vanslachtoffers. Wel zal het openbaar ministerie, om te bepalen of er sprake isvan genoemde contra-indicatie, bij het slachtoffer of de nabestaandenagaan of het gebruik wil maken van het spreekrecht. Als een ernstigspreekrechtwaardig feit desondanks met een strafbeschikking wordtafgedaan, kan het slachtoffer dat van het spreekrecht gebruik wil makenzich daarover als rechtstreeks belanghebbende bij het gerechtshofbeklagen (artikel 3.5.1). Verder worden slachtoffers conform de nieuweAanwijzing slachtoffers in het strafproces (Stcrt. 2024, 4318) voortaan inhet wensenformulier, dat het openbaar ministerie na ontvangst van hetproces-verbaal aan het slachtoffer zendt, expliciet gewezen op demogelijkheid tot het indienen van een schriftelijke slachtofferverklaring. Indie verklaring kunnen slachtoffers aangeven wat zij van belang vinden bijde beoordeling van de zaak. De officier van justitie wordt op die manier instaat gesteld de belangen van het slachtoffer adequaat mee te wegen bijde keuze voor een afdoening. Op deze wijze is voorzien in eenevenwichtige regeling die het slachtoffer in alle zaken de mogelijkheidbiedt om mondeling dan wel schriftelijk een verklaring af te leggen (zieook de antwoorden op de vragen 116 en 117).(400) Wat zijn de voor- en nadelen om de procedures rondom hetaankondigen en uitvaardigen van strafbeschikkingen niet langer in eenOM-aanwijzing op te nemen, maar op het niveau van de wet of bijvoor-beeld in een algemene maatregel van bestuur (AMvB)?400. Zoals nader toegelicht in het antwoord op vraag 373 is ervoorgekozen om – net als in het huidige wetboek – de kern van de strafvorder-lijke normering in het nieuwe wetboek neer te leggen en de uitwerkingvan die wettelijke normering nader te regelen in lagere regelgeving,waaronder algemene maatregelen van bestuur. Deze benadering geldtook voor de regeling van het uitvaardigen en aankondigen van strafbe-schikkingen. De wettelijke regeling bevat de kern van de normeringdaarvan. De wettelijke regeling voorziet vervolgens in een aantaldelegatiegrondslagen die onder meer betrekking hebben op dezogenoemde politiestrafbeschikking (artikel 3.3.2). Met betrekking tot depolitiestrafbeschikking zijn nadere regels opgenomen in het BesluitOM-afdoening. In de rapportage van de samenwerkende universiteitenmet betrekking tot Boek 3 (op p. 30) wordt specifiek ingegaan opbestaande zaakstromen bij het uitvaardigen en aankondigen vanstrafbeschikkingen ten aanzien van lichte strafbare feiten die geautomati-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11301 seerd, «feitgecodeerd», door het Centraal Justitieel Incassobureau wordenverwerkt. Het gaat bij deze feitgecodeerd en automatisch verwerktestrafbeschikkingen om het uitvaardigen van een politiestrafbeschikking en– op basis van een aankondiging – van een OM-strafbeschikking. De«feiten en tarieven» (geldboetes) voor deze afdoeningen zijn voornamelijkbepaald in OM-beleidsregels; voor wat betreft de politiestrafbeschikkingzijn de feiten evenwel in het Besluit OM-afdoening (een algemenemaatregel van bestuur) opgenomen. Dat de feiten en tarieven voorna-melijk in OM-beleidsregels zijn bepaald heeft als reden dat feitgecodeerden automatisch verwerkte feiten niet alleen in een politiestrafbeschikking(door een opsporingsambtenaar) maar ook in een OM-strafbeschikking(door het openbaar ministerie na een aankondiging door een opsporings-ambtenaar) kunnen worden afgedaan. De eenheid in het geheel van defeiten en tarieven wordt bewaakt door en deze worden periodiekbijgesteld op voorspraak van de commissie feiten en tarieven van hetopenbaar ministerie. Duidelijkheid voor de burger wordt geboden doorhet verstrekken van informatie en door het feit dat vervolgprocedures tenaanzien van de politiestrafbeschikking en de OM-strafbeschikking (verzetinstellen tegen de strafbeschikking en tenuitvoerlegging van de strafbe-schikking) dezelfde zijn en in de wet zijn vastgelegd. Er zijn geen signalenbekend dat de gevolgde procedure ten aanzien van het aankondigen enuitvaardigen van de hier bedoelde, feitgecodeerd verwerkte strafbeschik-kingen door burgers als onduidelijk wordt ervaren of anderszins in depraktijk niet goed zou werken. Voor de burger is vooral van belang dat alin de huidige uitvoeringspraktijk is gewaarborgd dat de burger bij hetaankondigen en uitvaardigen van de strafbeschikking informatie ontvangtover de geconstateerde gedraging, de te betalen geldboete, de termijnwaarbinnen de betaling moet plaatsvinden en het rechtsmiddel dat deburger ter beschikking staat. Het is noodzakelijk noch opportuun om dit inde praktijk goed werkende en voor de burger duidelijke systeem juridischeen andere inbedding te geven door praktische werkwijzen, of de feiten entarieven zelf, gecentreerd in de wet of in een algemene maatregel vanbestuur op te nemen.(401) De leden van de VVD-fractie vragen de regering om een naderetoelichting hoe de rapporten van de procureur-generaal over de praktijkvan de strafbeschikking hebben geleid tot aanpassingen van het voorge-stelde Boek 3 en welke aanbevelingen en suggesties uit deze rapporten(vooralsnog) niet zijn overgenomen.401. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft op grond van zijntoezichthoudende taak (artikel 122 van de Wet op de rechterlijke organi-satie) de afgelopen jaren een aantal rapporten gepubliceerd over de wijzewaarop het openbaar ministerie de wettelijke voorschriften naleeft bij hetuitvaardigen van strafbeschikkingen. In de vervolgrapportages van deprocureur-generaal wordt geconcludeerd dat het openbaar ministerie metvoortvarendheid en grote inzet verbeteringen in de praktijk van deOM-strafbeschikking heeft doorgevoerd (zie het rapport Wordt vervolgd:beschikt en gewogen, Den Haag 2017, p. 5). Uit het meest recente rapportblijkt dat het openbaar ministerie het wettelijk kader grotendeels naleeftbij het uitvaardigen van strafbeschikkingen. Op een aantal punten moethet openbaar ministerie verbeteringen doorvoeren. Dit betreft onder meerde omschrijving van het feit waar de strafbeschikking betrekking op heeften de kwalificatie van het bestrafte feit (zie het rapport Buiten de rechterOM, Den Haag 2022, p. 109–110). Het College van procureurs-generaalheeft opdracht gegeven zorgvuldig opvolging te geven aan de verbeter-punten die in het rapport worden aangereikt. In de beleidsreactie op ditrapport is onderstreept dat het openbaar ministerie bij het uitvaardigenvan strafbeschikkingen aan alle wettelijke voorschriften moet voldoen. Hetopenbaar ministerie geeft hoge prioriteit aan de opvolging van deaanbevelingen, heeft verbeteracties gestart en zal de voortgang daarvanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11302 monitoren. De periodieke rapportages daarover worden ook aan deTweede Kamer gezonden (Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 777).Het toezicht door de procureur-generaal richt zich zoals gezegd op denaleving van de wet door het openbaar ministerie en dus niet op de wijzewaarop de strafbeschikking in de wet is geregeld. De aanbevelingen in zijnrapporten zien dan ook vooral op maatregelen die het openbaar ministeriemoet nemen om de toepassing van de wettelijke regeling in de praktijk teverbeteren. Dat neemt niet weg dat een wetswijziging soms aan eenbeoogde verbetering zou kunnen bijdragen. In één van de rapporten vande procureur-generaal (Beproefd verzet, Den Haag 2017) is aan hetopenbaar ministerie de aanbeveling gedaan om zich bij het bepalen vande straf in een strafbeschikking meer te richten op het straftoemetings-beleid van de rechter. In de eerste aanvullingswet worden voorstellengedaan die kunnen bijdragen aan een betere aansluiting bij de rechterlijkestraftoemeting. De officier van justitie krijgt in de voorgestelde regelingvan de strafbeschikking namelijk de mogelijkheid om voorwaardelijkestraffen op te leggen. Op dit moment heeft alleen de rechter voorwaarde-lijke straffen in zijn sanctiepakket zitten.3.1 Inhoud van de strafbeschikking (402) De rapporteurs vragen of de regering een nadere toelichting kangeven op de vraag waarom er een verschil is in de identificatie van eenverdachte en een veroordeelde en wat de noodzaak van dit onderscheidis.402. Deze vraag is gesteld in het kader van de regeling van de strafbe-schikking en heeft dus betrekking op de wijze waarop de identificatie vande verdachte en de veroordeelde is geregeld bij de oplegging entenuitvoerlegging van een strafbeschikking. Bij het opleggen van eentaakstraf en het geven van een gedragsaanwijzing in een strafbeschikkinggeldt als voorwaarde dat de verdachte ten behoeve van het vaststellenvan zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meervingerafdrukken of een identiteitsbewijs aanbiedt. Dat volgt uit het nieuweartikel 3.3.1, vierde lid, dat ongewijzigd is overgenomen uit het huidigeartikel 257a, vierde lid. In het kader van het toezicht op de naleving van degedragsaanwijzingen en bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf wordtde identiteit van de verdachte vastgesteld op de wijze, bedoeld inartikel 1.4.8. Dat laatste is in het nieuwe wetboek niet in Boek 3 bepaaldmaar in Boek 7 over de tenuitvoerlegging zoals dat komt te luiden in hetvoorstel van de tweede vaststellingswet. Het betreft de artikelen 7.2.1,vijfde lid, en 7.6.2, die de opvolgers zijn van het huidige artikel 257a, vijfdelid. Het verschil in formulering tussen de bedoelde bepalingen laat zich alsvolgt verklaren.In artikel 1.4.8 is een algemene regeling opgenomen van de wijze waaropde identiteit van de verdachte wordt vastgesteld. Dit artikel richt zich totde verhorende ambtenaar. Volgens het eerste lid vraagt deze ambtenaarde verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit naar zijnpersoonlijke (NAW-)gegevens. Alleen indien over de identiteit van deverdachte twijfel bestaat én van de verdachte al vingerafdrukken zijngenomen en verwerkt, worden diens vingerafdrukken genomen en terverificatie vergeleken met de eerder – veelal op grond van artikel 2.6.9 –verwerkte vingerafdrukken. In andere gevallen vindt bij twijfel over deidentiteit verificatie plaats door een onderzoek van een identiteitsbewijsals bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht (artikel 1.4.8,tweede lid). Tot slot kan de verhorende ambtenaar ten behoeve van dezebevoegdheidsuitoefening de verdachte bevelen medewerking te verlenenaan het nemen van zijn vingerafdrukken en zijn identiteitsbewijs ter inzageaan te bieden (artikel 1.4.8, derde lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11303 Deze algemene regeling wordt op verschillende plaatsen in het wetboekvan overeenkomstige toepassing verklaard op situaties waarin geensprake is van een verhoor (zie de artikelen 1.11.9, 2.5.3, 2.5.8, 2.6.17, 3.3.1en 3.4.1). Ook in Boek 7 over de tenuitvoerlegging, zoals dat komt teluiden in het voorstel van de tweede vaststellingswet, wordt op diverseplaatsen verwezen naar de algemene bepaling over de identiteitsvast-stelling (zie de artikelen 7.1.16, 7.2.1, 7.4.4 en 7.6.2 van die tweedevaststellingswet).Artikel 3.3.1, vierde lid, houdt zoals gezegd in dat bij het opleggen van eentaakstraf en het geven van gedragsaanwijzingen in een strafbeschikkingvan rechtswege de voorwaarde geldt dat de verdachte medewerkingverleent aan het nemen van vingerafdrukken of een identiteitsbewijs terinzage aanbiedt. Deze bepaling bevat dus een verplichting voor deverdachte of veroordeelde. Eenzelfde formulering is te vinden in debepalingen over de voorwaardelijke veroordeling (artikel 14c van hetWetboek van Strafrecht), de schorsing van de voorlopige hechtenis(artikel 2.5.33), het voorwaardelijk sepot (artikel 3.4.1), de voorwaardelijkeinvrijheidsstelling (artikel 7.3.9) en de gedragsbeïnvloedende en vrijheids-beperkende maatregelen (artikel 7.6.14).Uit het bovenstaande blijkt dat het nieuwe wetboek op zichzelf geenverschil maakt tussen de identificatie van een verdachte enerzijds en dievan een veroordeelde anderzijds. In de regeling van de tenuitvoerleggingin Boek 7 wordt immers in verscheidene artikelen over de identificatie vande veroordeelde verwezen naar de algemene regeling van de vaststellingvan de identiteit van de verdachte door de verhorende ambtenaar inartikel 1.4.8. Wel worden in het wetboek de instructies en bevoegdhedenvan ambtenaren tot vaststelling van de identiteit onderscheiden van de inbepaalde gevallen van rechtswege geldende voorwaarde dat door deverdachte of veroordeelde medewerking moet worden verleend aan dieidentiteitsvaststelling. Dat komt tot uitdrukking in de formulering van debovengenoemde artikelen.(403) De rapporteurs hebben gezien dat de reclassering voorsteldeartikel 3.3.1 lid 3 sub e aan te vullen met een schakelbepaling naarartikel 14c Sr: «De officier van justitie kan aanwijzingen geven overeen-komstig artikel 14c lid 2 t/m 3 Wetboek van Strafrecht.» De rapporteursvragen of de regering haar visie op de voor- en nadelen van dit voorstelkan toelichten.403. Het is juist dat in de huidige wet en in artikel 3.3.1, eerste lid,onderdeel e, niet nader wordt gespecificeerd welke gedragsaanwijzingende strafbeschikking kan bevatten. Opgemerkt moet echter worden dat inde eerste aanvullingswet bij het nieuwe wetboek wordt voorgesteld omde mogelijkheid om in de strafbeschikking aanwijzingen op te nemen tevervangen door de mogelijkheid om bijzondere voorwaarden te verbindenaan een bij strafbeschikking op te leggen voorwaardelijke straf. In debeoogde regeling worden deze bijzondere voorwaarden, met het oog opde rechtszekerheid en de werkbaarheid in de praktijk, limitatief opgesomden nader omschreven. Bij de invulling van deze voorwaarden is aange-sloten bij de huidige regeling van de voorwaardelijke veroordeling doorde rechter in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. Op het punt vande eenheid van wetgeving wordt in zoverre hetzelfde effect bereikt als metde door de reclassering gesuggereerde schakelbepaling. Tegelijkertijdheeft de in de eerste aanvullingswet voorgestelde constructie de voorkeurboven een enkele verwijzing naar artikel 14c van het Wetboek vanStrafrecht, omdat het niet wenselijk is dat alle bijzondere voorwaarden diede rechter kan stellen ook door de officier van justitie kunnen wordengesteld. Sommige bijzondere voorwaarden zijn zo ingrijpend dat zij alleendoor de rechter kunnen worden gesteld, zoals de opneming van deveroordeelde in een zorginstelling. In de eerste aanvullingswet wordenoverigens ook voorstellen gedaan voor een herstructurering en unifor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11304 mering van de regeling van de (bijzondere) voorwaarden en het toezichtop de naleving daarvan. Daarbij worden ook de van rechtswege geldendevoorwaarden van artikel 14c, derde lid, van het Wetboek van Strafrechtbetrokken.(404) De rapporteurs lezen dat het wetsvoorstel in artikel 3.3.1 lid 3 alleenbij de onder e. genoemde aanwijzing («andere gedragsaanwijzingen») eentermijn stelt gedurende welke de verdachte aan de aanwijzing moetvoldoen. Bij de overige in lid 3 genoemde aanwijzingen is geen termijngesteld. Dit lijkt aan te sluiten op eerdere ontwikkelingen in de wetgeving.Is het inderdaad een bewuste keuze van de regering om hier geen naderetermijnen te stellen?404. In artikel 3.3.1, derde lid, is in lijn met de huidige wettelijke regelingalleen ten aanzien van de «andere aanwijzingen, het gedrag van deverdachte betreffend» (onderdeel e) bepaald dat de verdachte daaraangedurende een bij de strafbeschikking te bepalen proeftijd van een jaardient te voldoen. Voor de overige aanwijzingen in het derde lid geldt datgeen beperkingen zijn gesteld aan de duur van de termijn. Dit zal echterveranderen in de regeling die wordt voorgesteld in de eerste aanvul-lingswet bij het nieuwe wetboek (zie daarover ook het antwoord op vraag403). In het voorstel van de eerste aanvullingswet wordt de mogelijkheiddat de strafbeschikking aanwijzingen bevat vervangen door demogelijkheid om in een strafbeschikking bijzondere voorwaarden testellen. Daarbij zal voor alle bijzondere voorwaarden gelden dat deverdachte zich daar gedurende een proeftijd van maximaal een jaar aanmoet houden.(405) De rapporteurs vragen of de procedures rondom het aankondigenen uitvaardigen van de strafbeschikking nader kunnen worden onder-scheiden en beschreven ter bevordering van de inzichtelijkheid van deregeling, in de wet of in een AMvB.405. Zie het antwoord op vraag 400.(406) De rapporteurs constateren dat het wetsvoorstel geen bepalingbevat die de officier van justitie opdraagt om gemotiveerd te reageren opeen door de verdachte ingediend verzetschrift. Zeker als het verzetschriftzich keert tegen de wijze waarop het opportuniteitsbeginsel is toegepast,is het denkbaar dat dat de officier van justitie nadrukkelijk ingaat op devraag of in redelijkheid tot de afdoeningsbeslissing gekomen kon worden.Kan de regering reflecteren op de mogelijkheid om in de wet op te nemendat de officier van justitie opnieuw overweegt of de vervolging haalbaaren opportuun is en dat hij de verdachte daarover bericht?406. Uitgangspunt van de wettelijke regeling is dat aan de beslissing totvervolging door middel van een strafbeschikking een zorgvuldigebelangenafweging ten grondslag ligt en dat de strafbeschikking op eendeugdelijke schuldvaststelling berust. De wettelijke regeling maakt het nuen in de toekomst mogelijk dat de officier van justitie naar aanleiding vaneen tegen de strafbeschikking ingesteld verzet opnieuw een afwegingmaakt ten aanzien van de haalbaarheid en opportuniteit van devervolging. Dat kan er bijvoorbeeld toe leiden dat hij de strafbeschikkingintrekt of (in het voordeel van de veroordeelde) wijzigt. Er is geen redenom in gevallen waarin verzet is gedaan verplicht in de wet voor teschrijven dat de officier van justitie zijn afdoeningsbeslissing herover-weegt. Daarmee zou in feite een nieuwe «voorprocedure» of een «internappel» worden gecreëerd, met alle uitvoeringsconsequenties van dien,terwijl er in de meeste gevallen geen aanleiding zal zijn om van deoorspronkelijke strafbeschikking af te wijken. Dat is dan ook de redenwaarom het huidige en het nieuwe wetboek voorschrijven dat in geval datde verdachte verzet tegen de strafbeschikking instelt, de zaak in beginselaan de rechter moet worden voorgelegd. Ook het wettelijk voorschrijvenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11305 van een gemotiveerde reactie zal in de praktijk een substantiële inzet vantijd en capaciteit vergen. Dit terwijl een nadere motivering door de officiervan justitie waarschijnlijk in veel gevallen niet de reden om verzet te doenzal kunnen wegnemen. Bij gelegenheid kan de officier van justitie naaraanleiding van een ingesteld verzet uiteraard contact opnemen met deverdachte, indien hij het gewenst en nuttig acht om in dat concrete gevalop de bezwaren van de verdachte te reageren. Dat kan een praktischewerkwijze zijn in zaken waarin met een betere uitleg van de beslissing kanworden voorkomen dat de zaak alsnog aan de rechter moet wordenvoorgelegd.Opmerking verdient dat de verdachte bij de oplegging van zwaarderestrafbeschikkingen al is gehoord, waarbij hij is bijgestaan door eenraadsman of op de mogelijkheid van toevoeging van een raadsman isgewezen. In dat verband heeft hij zijn bezwaren al naar voren heeftkunnen brengen (artikel 3.3.4, eerste en tweede lid). Indien een dergelijkestrafbeschikking afwijkt van door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwdestandpunten, moeten de redenen daarvoor mondeling of in het verslagvan het horen worden opgegeven (artikel 3.3.4, derde lid). Verder geldtvoor alle strafbeschikkingen dat een aangehouden verdachte zichkosteloos door een raadsman kan laten bijstaan. Een verdachte op vrijevoeten tegen wie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd heeft recht opeen kosteloos informatief gesprek met een advocaat en kan zich op eigeninitiatief en kosten van afdoeningsbijstand voorzien. Verwacht magworden dat deze bijstand en informatie de verdachte in staat stellen ombezwaren tegen de haalbaarheid en opportuniteit van de vervolging al indit stadium aan te voeren. Vanzelfsprekend heeft en behoudt de verdachtedie het daarmee niet eens is de mogelijkheid om de zaak door hetinstellen van verzet, zonder nadere drempels of beperkingen, aan derechter voor te leggen.(407) De leden van de SP-fractie delen de zorgen van de onderzoekers vande universiteiten in de rapportage rondom de onduidelijkheid bij hetaankondigen en uitvaardigen van een strafbeschikking. Kan de regeringreflecteren op de suggestie om de procedure rond het aankondigen enuitvaardigen, van een strafbeschikking beter in de wet te omschrijven of ineen AMvB? Zou dit bijvoorbeeld mogelijk zijn om te verwerken in het doorde regering aangekondigde voorstel om in het aanvullende spoor deregeling van de OM-afdoening op enkele meer technische punten tewijzigen?407. Zie het antwoord op vraag 400.3.2 Waarborgen bij het uitvaardigen van strafbeschikkingen (408) De rapporteurs lezen dat in artikel 3.3.4 lid 1 de term «toevoegen vaneen raadsman» gebruikt wordt. Deze term kan tot verwarring leiden. Derapporteurs vragen of het geraden is deze term in deze context te blijvengebruiken. Zij vragen ook of het inderdaad de bedoeling is van deregering dat artikel 3.3.4 lid 1 niets afdoet aan de criteria op basis waarvanaan de verdachte een advocaat kan worden aangewezen.408. In artikel 3.3.4, eerste lid, is bewust gekozen om de term «toevoegen»van een raadsman te handhaven, omdat die term op twee belangrijkepunten verschilt van de term «aanwijzing» van een raadsman. In gevalvan aanwijzing van een raadsman is het de verantwoordelijkheid van deoverheid (specifiek: de raad voor rechtsbijstand) om de verdachte vanbijstand door een raadsman te voorzien. De bijstand door een aange-wezen raadsman is voor de verdachte kosteloos (artikel 43 van de Wet opde rechtsbijstand). In gevallen waarin voor de verdachte geen raadsmanwordt aangewezen, is het de verantwoordelijkheid van de verdachte omdesgewenst zelfstandig een raadsman te benaderen. Dit is bijvoorbeeldTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11306 het geval bij meerderjarige, niet-kwetsbare verdachten die zich in vrijheidbevinden. Voor verminderd draagkrachtige verdachten biedt de Wet op derechtsbijstand de mogelijkheid om een toevoeging van een raadsman aante vragen (ook wel bekend als een aanvraag gesubsidieerde rechtsbij-stand). Bij de beoordeling van de aanvraag voor een toevoeging voert deraad voor rechtsbijstand onder meer een draagkrachttoets uit. Indien detoevoeging wordt verstrekt, worden de kosten van rechtsbijstand door deoverheid gedragen. Wel is de verdachte in dat geval een eigen bijdrageverschuldigd.Het voorschrift om de verdachte uiterlijk bij aanvang van het hoorgesprekvoorafgaand aan de uitvaardiging van de strafbeschikking te wijzen op demogelijkheid om toevoeging van een raadsman te verzoeken, betreft in dekern een instructienorm die is gericht aan de persoon of autoriteit diebevoegd is de strafbeschikking uit te vaardigen. Hiermee is beoogd omverdachten die geen raadsman hebben erover te informeren dat zijdesgewenst een aanvraag voor gesubsidieerde rechtsbijstand kunnenindienen. Het voorschrift heeft geen invloed op de inhoudelijke beoor-deling van de aanvraag voor een toevoeging. Of een toevoeging wordtverleend, wordt beoordeeld op basis van de Wet op de rechtsbijstand ende daarop gebaseerde lagere regelgeving, alsook de werkinstructies vande raad voor rechtsbijstand.Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat indien een verdachte reedswordt bijgestaan door een aangewezen raadsman en het hoorgesprekplaatsvindt binnen de duur van die aanwijzing, de rechtsbijstand tijdenshet hoorgesprek valt onder die aanwijzing en dus voor de verdachtekosteloos is.(409) De rapporteurs merken op dat de verdachte na uitvaardiging van destrafbeschikking in de regel twee weken de tijd heeft om verzet in testellen, waarbij de inhoud van het verslag van de hoorzitting van belangzou kunnen zijn. De rapporteurs vragen of in artikel 3.3.4 lid 3 (dat uitstelvan de verslaglegging van de hoorzitting mogelijk maakt) in dit verbandeen meer op het specifieke karakter van de procedure rondom destrafbeschikking toegespitste regeling kan worden getroffen, bijvoorbeelddoor de verdachte de mogelijkheid te geven om te verzoeken om eenuitwerking van het verslag.409. Op grond van artikel 3.3.4, derde lid, wordt in beginsel een verslagopgemaakt van het horen van de verdachte voorafgaand aan de uitvaar-diging van een strafbeschikking. Het verslag houdt een korte weergave invan hetgeen feitelijk is gezegd. Het opmaken van het verslag kan wordenuitgesteld indien het horen van de verdachte op een geluidsopname ofgeluids- en beeldopname is vastgelegd. Dat wil zeggen dat het verslagdoor een opname kan worden vervangen, als die opname van verge-lijkbare kwaliteit is als de schriftelijke verslaglegging en als die opname ophetzelfde moment beschikbaar is. Deze vorm van verslaglegging vindtplaats onder verantwoordelijkheid van het openbaar ministerie. Datgebeurt alleen als aan de genoemde voorwaarden is voldaan. Onder deInnovatiewet Strafvordering (die op 1 oktober 2022 in werking is getreden)wordt door middel van pilotprojecten ervaring opgedaan met audiovi-suele registratie. De uitkomsten van de evaluatie van die wet en depilotprojecten zijn mede relevant voor andere bepalingen in het nieuwewetboek waarin de mogelijkheid van vervanging van schriftelijkeverslaglegging door een opname is opgenomen, waaronder – en dat isvoor de beantwoording van deze vraag van belang – opnamen alsvervanging van het verslag van het horen van de verdachte. De verdachtekan de officier van justitie verzoeken alsnog ook schriftelijk verslag vanhet horen op te maken en hij kan in de verzetsprocedure hetzelfde verzoekdoen aan de rechter (artikel 4.2.34 in verbinding met artikel 4.2.6). TegenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11307 deze achtergrond bestaat er geen reden om de mogelijkheid in te voerenvan het alsnog opmaken van een schriftelijk verslag al voordat deverzetstermijn is verstreken; de gedachte is juist dat de verdachte met deopname van het horen vergelijkbare mogelijkheden heeft als nu het gevalis met een schriftelijk verslag van dat horen.(410) De leden van de D66-fractie constateren dat in het voorgesteldeartikel 3.3.4 niet in zijn algemeenheid waarborgen aan de verdachteworden toegekend maar slechts in bepaalde gevallen. Deze leden wijzenerop dat iedere strafbeschikking, hoe laag de straf die erin wordt opgelegdook is, gevolgen kan hebben voor de betrokkene, bijvoorbeeld bij hetkrijgen van een verklaring omtrent het gedrag (vog). Vindt de regering hetin dit licht gerechtvaardigd om onderscheid te maken tussen verschillendestrafbeschikkingen op basis van de hoogte van de straf?410. Een algemeen uitgangspunt van het nieuwe wetboek is dat derechtswaarborgen binnen een specifieke procedure zijn toegesneden opde belangen die voor de verdachte op het spel staan (zie de memorie vantoelichting, Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 14–15, en M.S.Groenhuijsen & G. Knigge, Het onderzoek ter zitting. Eerste interim-rapport onderzoeksproject Strafvordering 2001, Groningen 1999,p. 27–28). Die gedachte van «rechtswaarborgen op maat» brengt mee datde procedure meer waarborgen moet bevatten naarmate er hogerestraffen (kunnen) worden opgelegd. Tegen deze achtergrond is hetgerechtvaardigd om wat de toepasselijke waarborgen betreft te differen-tiëren tussen strafbeschikkingen. Zo is een lage geldboete voor deverdachte immers ontegenzeggelijk minder ingrijpend dan een taakstrafvan honderdtachtig uur. Om deze reden geldt bij strafbeschikkingen dieeen taakstraf, rijontzegging of gedragsaanwijzing inhouden als belangrijkeextra rechtswaarborg dat deze alleen mogen worden uitgevaardigd nadatde verdachte door de officier van justitie is gehoord, waarbij hij omtoevoeging van een raadsman kan verzoeken (artikel 3.3.4, eerste lid). Eenstrafbeschikking houdende betalingsverplichtingen uit hoofde vangeldboete en schadevergoedingsmaatregel, die afzonderlijk ofgezamenlijk meer belopen dan € 2.000, wordt alleen uitgevaardigd indiende verdachte, bijgestaan door een raadsman, daaraan voorafgaand isgehoord door de officier van justitie (artikel 3.3.4, tweede lid). Van hethoren wordt een verslag opgemaakt, waarin een eventuele afwijking vaneen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdachte moet wordengemotiveerd wanneer deze niet al mondeling is gegeven (artikel 3.3.4,derde lid). Het zou in de praktijk niet uitvoerbaar zijn om de verdachte tehoren in alle gevallen waarin een strafbeschikking wordt uitgevaardigd,gelet op de capaciteitsinzet die daarmee gemoeid zou zijn. De wettelijkeregeling beperkt de hoorplicht daarom tot de gevallen waarin datvanwege de aard en ernst van de opgelegde sanctie nodig wordt geacht.Het voorgaande neemt niet weg dat ook lagere strafbeschikkingen metadequate waarborgen omkleed moeten zijn, mede in het licht van degevolgen die ook een dergelijke strafbeschikking kan hebben voor debetrokkene (bijvoorbeeld voor diens justitiële documentatie). De gevallenwaarin een strafbeschikking kan worden uitgevaardigd en de straffen enmaatregelen die daarin kunnen worden opgelegd zijn daarom in de wetlimitatief opgesomd. De bevoegdheid om strafbeschikkingen uit tevaardigen is op grond van artikel 3.3.1 in beginsel voorbehouden aan deofficier van justitie. Ook voor minder zware strafbeschikkingen geldt datde verdachte – kosteloos en zonder enige beperking – in verzet kan gaanals hij het niet met de strafbeschikking eens is. Toegang tot de rechter isdus bij alle strafbeschikkingen gegarandeerd. Verder geldt dat bij hetuitvaardigen van strafbeschikkingen aan verdachten wier vrijheid rechtensis ontnomen in de praktijk wordt voorzien in zogeheten afdoeningsbij-stand. Daarmee wordt erop gedoeld dat een aangehouden verdachte zichTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11308 in het kader van de afdoening met een strafbeschikking kosteloos dooreen raadsman kan laten bijstaan. Verdachten op vrije voeten tegen wieeen strafbeschikking wordt uitgevaardigd hebben in de praktijk recht opeen kosteloos informatief gesprek met een advocaat. Daarnaast kunnen zijzich op eigen initiatief en kosten van afdoeningsbijstand voorzien. In hetwetsvoorstel versterking rechtsbijstand in het strafproces, dat op23 januari 2024 in (internet)consultatie is gegeven, wordt deze in depraktijk al versterkte rechtsbijstand bij afdoening met een strafbeschikkingvan een wettelijke basis voorzien. Een andere waarborg is dat eengeldboete die in een strafbeschikking is opgelegd alleen direct kanworden betaald onder bijstand van een raadsman. Op deze wijze kan elkeverdachte door een raadsman worden ingelicht over het al dan nietinstellen van verzet tegen de strafbeschikking van de officier van justitie,en over de gevolgen die deze keuze voor hem heeft. De geschetstewaarborgen zijn passend gelet op de aard en ernst van de strafbare feitendie met een strafbeschikking worden afgedaan.(411) De leden van de D66-fractie merken op dat er in de literatuur veelkritiek is op de rechtsbescherming bij strafbeschikkingen omdat diegebrekkig zou zijn. Deze leden vragen hoe de regering hiernaar kijkt. Is zijhet ermee eens dat de rechtsbescherming bij strafbeschikkingenverbetering behoeft? Ziet zij geen noodzaak om de regeling aan te passenna alle kritiek?411. In het antwoord op vraag 410 is een overzicht gegeven van dewaarborgen die van toepassing zijn op het uitvaardigen van een strafbe-schikking. Uit dat overzicht blijkt dat de regeling voorziet in adequaterechtsbescherming, die in verhouding staat tot de aard en ernst van destrafbare feiten die met een strafbeschikking worden afgedaan en desancties die in dat verband kunnen worden opgelegd. In het wetsvoorstelversterking rechtsbijstand in het strafproces, dat op 23 januari 2024 in(internet)consultatie is gegeven, wordt de in de praktijk al versterkterechtsbijstand in verband met een strafbeschikking van een wettelijkebasis voorzien. Voor een verdere aanpassing van de regeling op het puntvan de rechtsbescherming wordt geen noodzaak gezien.In een deel van de recente literatuur over de strafbeschikkingsprocedureworden kritische opmerkingen gemaakt over de rechtsbescherming voorde verdachte binnen deze procedure (zie bijvoorbeeld M. Malsch, «Overde dubbeltjes in het recht», NJB 2023/326) of worden aanbevelingengedaan ter verbetering daarvan (zie bijvoorbeeld L.M. Schoutsen e.a., Destrafzaak achter de strafbeschikking, Den Haag: Boom juridisch 2022,p. 153 e.v.). Gelet op hetgeen hierboven (en in het antwoord op vraag 410)is opgemerkt over de toepasselijke rechtswaarborgen, worden die kritieken die aanbevelingen niet onderschreven. Voor zover de kanttekeningenbetrekking hebben op het ontbreken van rechterlijke betrokkenheid en eengebrek aan openbaarheid, kan hier nogmaals worden onderstreept dat deverdachte (kosteloos en zonder enige beperking) in verzet kan gaan als hijhet niet met de strafbeschikking eens is. Een laagdrempelige toegang toteen openbare behandeling door een onafhankelijke en onpartijdigerechter is daarmee gegarandeerd. De strafbeschikking vermeldt de wijzewaarop verzet kan worden ingesteld (artikel 3.3.1, zesde lid, onderdeel f).Dankzij de eerdergenoemde versterking van de rechtsbijstand bij deafdoening met een strafbeschikking kan elke verdachte door eenraadsman worden ingelicht over het al dan niet instellen van verzet tegende strafbeschikking van de officier van justitie, en over de gevolgen diedeze keuze voor hem heeft. Nu toegang tot de rechter op de beschrevenmanier via de verzetsprocedure is verzekerd, is de geboden rechtsbe-scherming ook in overeenstemming met het recht op een eerlijk proces(artikel 6 EVRM) en de daarop gebaseerde jurisprudentie. Tot slot kan hiernog worden gewezen op de evaluatie van de Wet OM-afdoening (D. AbelsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11309 e.a, Evaluatie Wet OM-Afdoening, Amsterdam: Rozenberg Publishers2018, p. 267). In het evaluatierapport wordt geconcludeerd dat door devereiste schuldvaststelling, de (in bepaalde gevallen bestaande)verplichting tot het horen van de verdachte en de mogelijkheid vanrechtsbijstand, in de strafbeschikkingsprocedure meer rechtsbeschermingwordt geboden dan voorheen bij de transactie het geval was.4. Het achterwege laten van vervolging 4.1 Het sepot (412) De rapporteurs vragen of de inzichtelijkheid van de voorgesteldewettelijke regeling inzake het sepot bevorderd zou kunnen worden doorde bevoegdheid van de officier van justitie tot een onvoorwaardelijk sepot(nu op basis van artikel 1.3.4 van Boek 1) tevens op te nemen in titel 4.1van Boek 3. Die titel bevat immers naast de wettelijke regeling van debevoegdheid van de officier van justitie tot een voorwaardelijk sepot, ookvoorschriften die gelden voor beide vormen van sepot.412. In het antwoord op vraag 385 is toegelicht dat Titel 3.2 van Boek 1enkele fundamentele, samenhangende strafvorderlijke uitgangspuntenbevat voor de vervolging van strafbare feiten, waaronder het vervolgings-monopolie en het opportuniteitsbeginsel. Deze kernbepalingen vervulleneen brugfunctie tussen de organieke wetgeving enerzijds en de nadereuitwerking van deze uitgangspunten in Boek 3 anderzijds. Tegen deachtergrond van deze wetssystematiek is ervoor gekozen om debevoegdheid om af te zien van het instellen van vervolging – vanwege defundamentele aard daarvan – vast te leggen in Boek 1 (artikel 1.3.4). Denadere uitwerking van dit uitgangspunt is te vinden in Titel 4.1 van Boek 3.Het betreft dan de mogelijkheid om aan het afzien van vervolgingbepaalde voorwaarden te stellen (artikel 3.4.1), de verplichting om deverhoorde verdachte direct in kennis te stellen van het afzien vanvervolging (artikel 3.4.2) en de rechtsgevolgen van die kennisgeving(artikelen 3.4.3 en 3.4.3). In samenhang bezien vormen deze bepalingenaldus een logisch en overzichtelijk geheel.(413) De rapporteurs constateren dat de voorgestelde wettelijke regelingvan het sepot een open karakter heeft en weinig normering geeft tenaanzien van wat wel en niet mogelijk is bij de beslissing van de officiervan justitie om van vervolging af te zien. Kan de regering ingaan op demogelijkheid om specifiekere voorschriften te stellen, zoals in welkegevallen en op welke momenten de officier van justitie de sepotbeslissingkan nemen? De rapporteurs vragen de regering ook in te gaan op demogelijkheid om de algemene voorwaarde te codificeren dat binnen deproeftijd van ten hoogste een jaar geen strafbare feiten worden begaan.413. In het antwoord op vraag 373 is toegelicht dat de kern van destrafvorderlijke normering in het nieuwe wetboek wordt neergelegd,terwijl overige relevante aspecten van die normering nader wordengeregeld in lagere regelgeving en beleidsregels van het openbaarministerie. De in dit antwoord beschreven uitgangspunten gelden ookvoor de regeling van de bevoegdheid van de officier van justitie om vanvervolging af te zien (de sepotbeslissing). Binnen de kaders van dewettelijke regeling heeft het openbaar ministerie op grond van hetopportuniteitsbeginsel ruimte om beleid te ontwikkelen ten aanzien vande gevallen waarin en de wijze waarop de bevoegdheid om te seponerenwordt uitgeoefend. Dat geldt bijvoorbeeld voor de verplichting om in dekennisgeving van niet-vervolging te vermelden op welke gronden vanvervolging is afgezien (artikel 3.4.2, tweede lid). Deze gronden zijnmomenteel vastgelegd in de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden(Stcrt. 2022, 16129), die regels geeft voor de wijze waarop sepotgrondengehanteerd en geregistreerd worden. De bijlage bij deze aanwijzing bevatTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11310 een opsomming van de sepotgronden, elk voorzien van een cijfercode eneen toelichting.Voor het overhevelen van (een deel van) deze voorschriften naar hetnieuwe wetboek wordt geen aanleiding gezien. Door deze voorschriftenop te nemen in beleidsregels van het openbaar ministerie kan snelworden ingespeeld op veranderende omstandigheden. Nu de hoofdele-menten van de regeling in het wetboek worden opgenomen, ontstaat eenevenwichtig stelsel dat zowel recht doet aan het primaat van de wet alsaan de noodzaak van flexibiliteit.In de eerste aanvullingswet wordt voorgesteld de regeling van hetvoorwaardelijk sepot te wijzigen in lijn met het beleid van het openbaarministerie. Daarbij wordt onder meer voorgesteld de algemenevoorwaarde te codificeren dat binnen een proeftijd van een jaar geenstrafbare feiten worden begaan. Bijzondere voorwaarden kunnen in debeoogde regeling van het voorwaardelijk sepot, niet meer wordengesteld. Zie nader het antwoord op vraag 414.(414) De rapporteurs lezen dat artikel 3.4.1 ervan uit gaat dat alleen tweealgemene voorwaarden aan het voorwaardelijk sepot worden verbonden.Er lijkt echter ruimte te bestaan om bijzondere voorwaarden te stellen. Derapporteurs vragen wanneer bijzondere voorwaarden zijn toegestaan enaan welke soort bijzondere voorwaarden dan moet worden gedacht. Derapporteurs vragen ook wat in dit verband de verhouding is tot de wel inde wet geregelde bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijkeveroordeling van artikel 14c lid 2 Sr alsmede de door de wet bepaaldeaanwijzingen die een strafbeschikking kan bevatten (artikel 3.3.1 lid 3).414. De officier van justitie kan afzien van vervolging onder het stellen van«bepaalde voorwaarden», aldus artikel 3.4.1, eerste lid. In de tekst van hetartikel wordt niet gespecificeerd welke specifieke voorwaarden kunnenworden gesteld, afgezien van de van rechtswege geldende voorwaardedat de verdachte medewerking verleent aan het nemen van vingeraf-drukken of een identiteitsbewijs ter inzage aanbiedt (artikel 3.4.1, tweedelid). Wel wordt in de memorie van toelichting gewezen op hetuitgangspunt in de beleidsregels van het openbaar ministerie dat bij eenvoorwaardelijk sepot slechts de algemene voorwaarde wordt gesteld datde verdachte geen strafbare feiten begaat binnen een proeftijd van tenhoogste een jaar. Bijzondere voorwaarden worden in beginsel niet meergesteld, aldus de Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden(Stcrt. 2022, 16129). Voor het buitengerechtelijk stellen van bijzonderevoorwaarden dient volgens deze aanwijzing in de eerste plaats destrafbeschikking te worden benut. Hoewel de tekst van het nu voorge-stelde artikel 3.4.1 dus ruimte laat voor het stellen van bijzonderevoorwaarden, wordt van die ruimte in de praktijk in beginsel geen gebruikgemaakt.In de eerste aanvullingswet wordt voorgesteld de regeling van hetvoorwaardelijk sepot te wijzigen in lijn met het hierboven bedoelde beleidvan het openbaar ministerie. Daarbij wordt onder meer voorgesteld dealgemene voorwaarde te codificeren dat binnen een proeftijd van een jaargeen strafbare feiten worden begaan. Bijzondere voorwaarden kunnen inde beoogde regeling niet meer worden gesteld. Tegelijkertijd wordt indeze aanvullingswet voorgesteld om de mogelijkheid om bij strafbe-schikking aanwijzingen te geven (artikel 3.3.1, derde lid) te vervangendoor de mogelijkheid om bij strafbeschikking bijzondere voorwaarden teverbinden aan een voorwaardelijke straf. Deze bijzondere voorwaardenzullen limitatief worden opgesomd en nader worden omschreven in dewet, waarbij aansluiting zal worden gezocht bij de bijzonderevoorwaarden die kunnen worden gesteld door de rechter bij eenvoorwaardelijke veroordeling (artikel 14c, tweede lid, van het Wetboek vanStrafrecht). Het stellen van de meest ingrijpende voorwaarden blijftTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11311 daarbij echter voorbehouden aan de rechter. Aldus zal worden voorzien ineen adequate mogelijkheid om buitengerechtelijk voorwaarden te stellenaan het gedrag van de verdachte, die bovendien aanzienlijk duidelijker isgenormeerd en scherper is afgebakend dan de huidige regeling van hetvoorwaardelijk sepot.(415) De rapporteurs constateren dat de wettelijke regeling van het sepotin titel 4.1 en de daarin geboden rechtsbescherming aan verdachtenalleen van toepassing is op de verdachte die is verhoord. Verdachten dieniet zijn verhoord, maar wel weten dat zij verdachte zijn, verkerenderhalve in een nadeliger positie. De rapporteurs vragen waarom de intitel 4.1 geboden rechtsbescherming niet tevens wordt geboden aan dezecategorie van verdachten.415. Zie over het (eerste) politieverhoor als aanknopingspunt voor derechtsbescherming van de verdachte in algemene zin ook de antwoordenop de vragen 54, 62, 84, 381 en 382. Hetgeen daar is opgemerkt over deoverwegingen die ten grondslag liggen aan de keuze voor dit aankno-pingspunt, geldt ook voor de regeling van het sepot. Op grond vanartikel 3.4.2, eerste lid, stelt de officier van justitie die afziet van vervolgingde verdachte «die is verhoord» direct van die beslissing in kennis. Doordie kennisgeving, die volgens het tweede lid gemotiveerd moet worden,eindigt de zaak. De verdachte kan dan niet meer worden vervolgd voorhetzelfde feit, behalve in de gevallen die zijn genoemd in artikel 3.4.3,eerste lid. Deze vorm van rechtsbescherming geldt niet voor de verdachtedie niet is verhoord. Niet alle verdachten die op enig moment in eenopsporingsonderzoek als zodanig zijn aangemerkt, of die van eenbevoegde autoriteit een bericht hebben ontvangen waaruit dat blijkt,hebben dus recht op een afloopbericht. Problematisch is dat niet.Verdachten behoeven niet in alle gevallen weet te hebben van eenopsporingsonderzoek waarin bevoegdheden zijn toegepast waarvan geenof pas in een later stadium mededeling behoeft te worden gedaan. Indientegen een verdachte opsporingsbevoegdheden zijn uitgeoefend, dient hijdaarvan in bepaalde gevallen in kennis te worden gesteld, zodra hetbelang van het onderzoek dat toelaat (zie bijvoorbeeld artikel 2.7.51). Inandere gevallen is de toepassing van een bevoegdheid voor de verdachtedirect kenbaar, bijvoorbeeld in het geval van een onderzoek aan dekleding.Uiteraard zou het vanuit een oogpunt van rechtszekerheid onwenselijk zijnals de verdachte die ervan op de hoogte raakt dat tegen hem eenopsporingsonderzoek is ingesteld, lange tijd in het ongewisse zouverkeren over de voortgang en afloop daarvan. Als een persoon vermoedtdat hij als verdachte is aangemerkt, staat het hem vrij bij het ontbrekenvan verdere informatie daarover navraag te doen bij de politie of hetopenbaar ministerie. Voorstelbaar is dat vanwege het belang van hetonderzoek daarover niet meteen mededeling kan worden gedaan. Zodrahet belang van het onderzoek dit toelaat, en in elk geval wanneer deofficier van justitie inmiddels al heeft besloten dat geen vervolging zalworden ingesteld, kan aan een verzoek om informatie hierover wordenvoldaan. Indien deze informatie inhoudt dat het onderzoek wordtvoortgezet, kan de verdachte alsnog de officier van justitie verzoeken omte worden verhoord (zie artikel 3.1.1, derde lid, en het antwoord op vraag392). Indien de officier van justitie de niet-verhoorde verdachte op diensverzoek ervan op de hoogte stelt dat hij niet zal worden vervolgd, issprake van een kennisgeving van niet-vervolging en zijn de waarborgenvan de artikelen 3.4.2 en 3.4.3 ook op deze verdachte van toepassing.(416) De rapporteurs lezen in de MvT dat in het kader van het vaststellenof sprake is van nieuwe bezwaren die heropening van het opsporingson-derzoek mogelijk maken, de officier van justitie bevoegd is om zonderTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11312 machtiging van de rechter-commissaris «enig onderzoek» te verrichten.De rapporteurs vragen of hiervoor een wettelijke basis nodig is. Zij vragenook hoe dit onderzoek zich verhoudt tot het opsporingsonderzoek zoalsgeregeld in Boek 2 en welke bevoegdheden de officier van justitie in hetkader van dit onderzoek kan aanwenden. De rapporteurs vragen tenslottewelk rechtsgevolg moet worden verbonden aan het aanwenden vanopsporingsbevoegdheden tegen een gewezen verdachte in het kader vandit «enig onderzoek», nu dat niet is toegestaan zonder machtiging door derechter-commissaris.416. Uit artikel 3.4.3 volgt dat de officier van justitie het opsporingson-derzoek dat met een sepotbeslissing is geëindigd, kan heropenen enopnieuw een vervolgingsbeslissing kan nemen. Die mogelijkheid bestaatwanneer nieuwe bezwaren tegen de gewezen verdachte bekend zijngeworden (eerste lid, onderdeel a). Bij het bekend worden van gegevensdie als een nieuw bezwaar zouden kunnen gelden, mag de politie «enigonderzoek» doen naar de validiteit van die gegevens. Dat onderzoek isbeperkt tot het verkrijgen van een grondslag voor een vordering totheropening van het opsporingsonderzoek (als bedoeld in Boek 2) inverband met nieuwe bezwaren tegen de gewezen verdachte, waarvoor opvordering van de officier van justitie een machtiging moet wordenverleend door de rechter-commissaris (derde lid). Pas nadat de rechter-commissaris heeft ingestemd met de hervatting van het opsporingson-derzoek kan de officier van justitie onbeperkt opsporingsonderzoek doenverrichten ter zake van de nieuwe bezwaren tegen de gewezen verdachte.Er kunnen zich aldus twee situaties van onderzoek voordoen: (1) hetverrichten van enig onderzoek, in opdracht van de officier van justitie,waarbij het gaat om het valideren van gegevens die als een nieuwbezwaar tegen de gewezen verdachte zouden kunnen gelden en(2) specifiek opsporingsonderzoek ter zake van nieuwe bezwaren tegen degewezen verdachte, waarvoor een machtiging van de rechter-commissarisis vereist.De geschetste regeling moet zo worden begrepen dat in artikel 3.4.3,derde lid, een beperkte uitzondering besloten ligt op het verbod omzonder machtiging van de rechter-commissaris op te sporen. Dieuitzondering vloeit namelijk uit de aard van de zaak voort. Enig onderzoekis immers nodig om de rechter-commissaris in staat te stellen om eenverantwoorde beslissing op de gevraagde machtiging te geven. Daarinligt tegelijk de begrenzing besloten; er mag niet meer onderzoek wordengedaan dan nodig is om de rechter-commissaris tot die beslissing in staatte stellen.Indien sprake is van de situatie waarin specifiek opsporingsonderzoekplaatsvindt gericht tegen de gewezen verdachte en de officier van justitiedaarvoor niet de vereiste machtiging aan de rechter-commissaris heeftverkregen, bestaat – indien vervolgens tegen die verdachte vervolgingwordt ingesteld – de mogelijkheid om met een processuele sanctie tereageren op deze onrechtmatigheid (zie Boek 4, Titel 3.3). Daarnaast regeltBoek 6, Hoofdstuk 6, de mogelijkheid van toekenning van een schadever-goeding na onrechtmatig strafvorderlijk overheidsoptreden. Deverhouding tussen de processuele sancties en de schadevergoedingwordt uiteengezet in de memorie van toelichting op Boek 6, Hoofdstuk 6.(417) De rapporteurs vragen of voor de verdachte binnen het Wetboek vanStrafvordering een rechtsmiddel beschikbaar dient te worden gesteldtegen de beslissing van de officier van justitie om voorwaardelijk af te zienvan vervolging. Er zijn immers signalen dat de mogelijkheid om een klachtin te dienen bij het OM op grond van hoofdstuk 9 Algemene wet bestuurs-recht om verschillende redenen niet toereikend is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11313 417. Vooralsnog bestaan geen voornemens om een nieuw rechtsmiddel ofeen nieuwe wettelijke klachtprocedure te introduceren tegen de beslissingvan de officier van justitie om (al dan niet voorwaardelijk) af te zien vanvervolging en de daarbij gehanteerde sepotgrond. De procureur-generaalbij de Hoge Raad verricht op dit moment onderzoek naar de vraag of hetopenbaar ministerie bij het seponeren van strafzaken de toepasselijkewettelijke voorschriften naar behoren naleeft. Tegelijkertijd onderzoekt hetopenbaar ministerie zelf ook of in de praktijk verbeteringen kunnenworden doorgevoerd bij het seponeren van strafzaken. Na afronding vanvoornoemde onderzoeken zal worden bezien of en, zo ja, welke maatre-gelen noodzakelijk zijn om de behandeling van klachten over een(voorwaardelijk) sepot te verbeteren.(418) De leden van de VVD-fractie merken op dat slachtoffers op grondvan artikel 1.5.4 recht hebben op een motivering of een samenvatting vande motivering van een sepotbeslissing. Kan de regering nader toelichtenhierbij waarom is gekozen het wettelijk toe te staan dat bij zware encomplexe zaken slachtoffers enkel recht hebben op een samenvatting vande motivering? Waarom is niet geregeld dat de gehele motivering wordtgedeeld met slachtoffers die hierom verzoeken na een sepotbeslissing?Kan de regering voorts toelichten wat de voor- en nadelen zouden zijn vanhet opnemen van een vereiste dat de motivering van de sepotbeslissingdeugdelijk moet zijn, analoog aan artikel 3:46 Algemene wet bestuursrecht(Awb)?418. Zie de antwoorden op de vragen 60 en 130. In aanvulling daaropwordt voor wat betreft een vereiste dat de motivering van de sepotbe-slissing deugdelijk moet zijn, het volgende opgemerkt. In het geval vaneen beslissing om een strafbaar feit niet te vervolgen, wordt het slacht-offer dat daarom verzoekt in kennis gesteld van de informatie die hem instaat stelt te beslissen of hij zich over het achterwege blijven vanvervolging bij het gerechtshof zal beklagen. Die kennisgeving bevat naastde beslissing ten minste de gehele motivering of een samenvatting van demotivering van de betrokken beslissing (artikel 1.5.4, derde lid). Die laatsteformulering is ontleend aan Richtlijn 2012/29/EU van het EuropeesParlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimum-normen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming vanslachtoffers van strafbare feiten (artikel 6, derde lid) en is ongewijzigdovergenomen uit het huidige artikel 51ac, derde lid. De toelichting moetzodanig zijn dat het slachtoffer de beslissing kan begrijpen en kanbeoordelen of hij beklag zal doen bij het gerechtshof. Dit impliceert dat demotivering de sepotbeslissing moet kunnen dragen. In zoverre heeft dezebepaling dezelfde strekking als artikel 3:46 van de Algemene wetbestuursrecht. Daaraan doet niet af dat in artikel 1.5.4, derde lid – in lijnmet andere bepalingen in het nieuwe wetboek waarin een motiveringsbe-ginsel is neergelegd – niet letterlijk is vastgelegd dat de motivering«deugdelijk» moet zijn. Gezien de tekst van die bepaling, waarin deinhoud en strekking van de informatie expliciet is gemaakt, zou het woord«deugdelijk» geen toegevoegde waarde hebben. In overleg met hetopenbaar ministerie zal wel worden onderzocht of het bezwaarlijk zou zijnhet voorschrift aan te passen zodat aan het slachtoffer de gehelemotviering van de sepotbeslissing wordt verstrekt.(419) De leden van de D66-fractie constateren dat de regeling omtrentvoorwaardelijke sepots en de regeling omtrent onvoorwaardelijke sepotsniet bij elkaar staan. De bevoegdheid tot onvoorwaardelijk seponerenstaat in Boek 1, de bevoegdheid tot voorwaardelijk seponeren in Boek 3.Waarom heeft de regering hiervoor gekozen? Is de regering het met dezeleden eens dat het overzichtelijker zou zijn als deze bevoegdheden in éénartikel of op zijn minst na elkaar in de wet zouden staan?419. Zie het antwoord op vraag 412.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11314 (420) De leden van de D66-fractie lezen dat het voorgestelde artikel 3.4.2bepaalt dat alleen de verdachte die is verhoord direct in kennis moetworden gesteld van het afzien van vervolging. Een niet gehoordeverdachte die anderszins op de hoogte is van een tegen hem bestaandeverdenking hoeft deze kennisgeving dus niet te krijgen. Is de regering hetmet deze leden eens dat dit slecht is voor de rechtszekerheid van de nietgehoorde verdachte? Zou het geven van een dergelijke kennisgeving nietbreder moeten worden gedaan, bijvoorbeeld tegen iedere verdachtetegen wie opsporingsbevoegdheden zijn ingezet?420. Zie de antwoorden op vragen 392 en 415.(421) De leden van de D66-fractie merken op dat de Afdeling aandachtheeft gevraagd voor de motivering van afdoeningsbeslissingen,waaronder van sepotbeslissingen. Deze leden wijzen erop dat in depraktijk soms alleen de sepotcode wordt genoemd waarvoor de officiervan justitie heeft gekozen. Vindt de regering het noemen van desepotcode voldoende? Zo nee, wat gaat zij eraan doen om ervoor tezorgen dat het OM in de praktijk een uitgebreidere motivering geeft bij hetseponeren van een zaak?421. De OM-Aanwijzing sepot en gebruik sepotgronden(Stcrt. 2022, 16129) schrijft voor dat de officier van justitie in voorkomendegevallen de verdachte en belanghebbende(n) in kennis stelt van het sepoten daarbij de sepotgrond(en) met een motivering vermeldt. Het enkelnoemen van een sepotcode is dus onvoldoende. Hierbij wordt aange-tekend dat het openbaar ministerie er als organisatie niet aan ontkomt omte werken met standaardbrieven. Er wordt gewerkt aan verdere verbete-ringen van de brieven die het openbaar ministerie verzendt bij eensepotbeslissing. Het onderwerp heeft ook de komende jaren de aandachtvan het openbaar ministerie. Opmerking verdient dat in de zaken waarbijeen slachtoffercoördinator optreedt – zoals bij ernstige gewelds- enzedenzaken – er persoonlijk contact is met de slachtoffers, waarondernabestaanden. De brieven die slachtoffercoördinatoren aan slachtoffersschrijven worden toegesneden op hun individuele situatie (zie deantwoorden op de vragen 60 en 130).(422) De leden van de D66-fractie wijzen erop dat de Nationaleombudsman heeft geconcludeerd dat de huidige route om te klagen overeen sepotcode die door het OM is gekozen niet toereikend is vanwege dehouding van het OM hierin. Ziet de regering hier aanleiding in om deklachtprocedure tegen een sepotcode wettelijk vast te leggen? Zo nee, hoegaat de regering ervoor zorgen dat de gang van zaken hieromtrentverbetert?422. Zie het antwoord op vraag 417. In aanvulling daarop kan wordenopgemerkt dat dit onderwerp de aandacht heeft en onderwerp is vanoverleg met het College van procureurs-generaal en de Nationaleombudsman (zie Kamerstukken II 2023/24, 36 325, nr. 4, bijlage).(423) De leden van de CDA-fractie lezen dat een goede uitleg van debeslissing tot niet-vervolging kan voorkomen dat een dergelijke procedurewordt gestart die voor de klager als een nieuwe teleurstelling wordtervaren. Daarom is het OM een landelijk verbeterprogramma gestart datheeft geleid tot een betere motivering van sepotbeslissingen. Deze ledenvragen tot welke resultaten dit verbeterprogramma concreet heeft geleiden op welke manier de motivering van de sepotbeslissingen is verbeterd.423. Mede naar aanleiding van het landelijk verbeterprogramma van hetopenbaar ministerie werken zowel politie als openbaar ministerie veelminder dan in het verleden met uitsluitend standaardteksten in brievenrichting aangevers, slachtoffers en verdachten, en wordt zoveel mogelijkmaatwerk betracht bij de uitleg waarom een zaak niet wordt opgepakt. HetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11315 onderwerp heeft ook de komende jaren de aandacht van de politie en hetopenbaar ministerie. Zie verder de antwoorden op de vragen 60 en 130.(424) De leden van de SP-fractie hebben in navolging van de zorgen vanFonds Slachtofferhulp de volgende vragen over de motivering of eensamenvatting van de motivering in sepot zaken. Kan de regeringgaranderen dat in ieder geval bij ernstige gewelds- en zedenmisdrijven(EGZ)-zaken en high impact-zaken geen samenvatting wordt gegeven? Of,beter nog, is het niet wenselijk dat in de wet wordt opgenomen dat opverzoek van het slachtoffer de gehele motivering wordt gegeven?424. Zie de antwoorden op de vragen 60 en 130.5. Beklag over het niet opsporen of niet vervolgen van strafbare feiten (425) De rapporteurs constateren dat er in de wet nu termijnen gesteld zijnmet betrekking tot het behandelen van het beklag. Voor het succesvolhanteren van die termijnen zijn afspraken tussen de betrokken organi-saties van groot belang. De rapporteurs vragen welke maatregelenvolgens de regering nog denkbaar zijn om de werkzaamheden rondom debeklagprocedure de gehoopte prioriteit te geven.425. Een van de voorgestelde wijzigingen ten opzichte van de huidigeartikel 12-procedure is de wettelijke regeling van termijnen voor debehandeling van het beklag. In het huidige wetboek is daarin weliswaarniet voorzien, maar ook nu zijn al termijnen van toepassing die onderdeeluitmaken van het Landelijk Strafprocesreglement (het procesreglementdat voorschriften bevat voor een uniforme behandeling van strafzakendoor de gerechten en het openbaar ministerie (Stcrt. 2018, 64607, p. 21)).Daarin is vastgelegd dat een klacht op grond van het huidige artikel 12binnen zes maanden na ontvangst van de klacht wordt afgedaan, tenzijdat door gemotiveerde omstandigheden niet mogelijk is.Over het belang van een tijdige informatievoorziening bestaat bredeovereenstemming. In het in de inleiding op Boek 3, Hoofdstuk 5 van detoelichting genoemde onderzoek van de Universiteit Utrecht komtuitvoerig aan de orde dat klagers de lengte van de beklagprocedure alszeer bezwaarlijk ervaren (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 140e.v.). Het is van belang dat tussen de bij de beklagprocedure betrokkenpartijen goede afspraken bestaan over de termijn waarbinnen debenodigde informatie moet worden verschaft. Volgens artikel 3.5.1,tweede lid, dient de officier van justitie een beslissing te nemen binnenzes weken nadat een belanghebbende klacht gedaan heeft over hetuitblijven van opsporing. De benodigde informatie-uitwisseling tussenpolitie en openbaar ministerie zal binnen deze periode moeten plaats-vinden. In het belang van het bevorderen van verkorting van de doorloop-tijden is verder nieuw aan de beklagregeling dat het uitbrengen van hetverslag door de advocaat-generaal aan een termijn wordt gebonden,namelijk van drie maanden (artikel 3.5.4, vijfde lid). Van het stellen vandeze termijnen zal naar verwachting de werking uitgaan dat dezewerkzaamheden de prioriteit krijgen die ze nodig hebben. Met het oog opde inventarisatie van de werklasteffecten van deze nieuwe wettelijkeregeling hebben in 2023 diverse expertbijeenkomsten plaatsgevondenmet vertegenwoordigers van de rechtspraak, het openbaar ministerie, depolitie en Slachtofferhulp Nederland. Geïnventariseerd is wat er nodig isom de termijn die is gesteld op het uitbrengen van het verslag door deadvocaat-generaal te halen. Volgens de politie lijkt een deel van hetverbeterpotentieel te zitten in de volledigheid van verslaglegging door depolitie waar de officier van justitie zijn beslissing op baseert. Als kanworden voorkomen dat de advocaat-generaal zich vanwege onduidelijk-heden met (vervolg)vragen tot de politie moet richten, ligt daar mogelijktijdswinst. Bij het uitwerken van het nieuwe werkproces wordt daarrekening mee gehouden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11316 (426) De rapporteurs merken op dat de MvT geen rechtstreeks antwoordgeeft op de vraag van de Afdeling met betrekking tot de omvang van detoetsing die gerechtshoven in de beklagprocedure hebben. Toch lijkt in deMvT zichtbaar dat een marginale toets het uitgangspunt is, maar dat volletoetsing blijft bestaan om de in de beklagprocedure op het spel staandeindividuele en algemene belangen ten volle recht te kunnen doen. Kan deregering bevestigen dat hiermee duidelijk wordt gemaakt dat de indrin-gendheid van de toets in belangrijke mate aan de gerechtshoven blijft?426. In het algemeen geldt dat ook in de beklagprocedure voor een grootdeel van de zaken (burenruzies, vechtscheidingen, mishandeling over enweer, oplichting van goedgelovigen) marginale toetsing volstaat. Die wijzevan toetsing staat voorop. In de beklagprocedure moet het voor hetgerechtshof evenwel mogelijk blijven om in bijzondere gevallen dehaalbaarheid en opportuniteit van vervolging vol te toetsen, zodat isverzekerd dat in alle gevallen effectief toepassing kan worden gegevenaan de controlefunctie van de beklagregeling. In concrete gevallen is dieafweging aan het gerechtshof. Dat volle toetsing mogelijk moet blijvenlaat onverlet dat het uit oogpunt van rechtsgelijkheid en rechtszekerheidwenselijk is dat de gerechtshoven ernaar streven de wijze van toetsingmeer op elkaar af te stemmen en – indien nodig – aan te passen.(427) De rapporteurs constateren dat het wetsvoorstel voorziet in demogelijkheid dat wordt afgezien van verdere opsporing (artikel 1.3.15) enin de mogelijkheid het opmaken van processen-verbaal achterwege telaten of uit te stellen (artikel 2.1.10 lid 4). In de MvT wordt in het kader vande beklagprocedure aangegeven dat «de opsporingsdiensten zorg dragenvoor een goede verslaglegging van de genomen beslissing totniet-opsporing alsmede van de overwegingen die tot die beslissinghebben geleid». De rapporteurs vragen hoe deze opmerking zich verhoudttot de genoemde regelingen en hoe kan worden voorkomen dat in gevalvan niet-verdere opsporing in het geheel geen verslaglegging plaatsvindt.427. Op grond van artikel 2.1.10, vierde lid, kan het opmaken van eenproces-verbaal van een ingesteld onderzoek worden uitgesteld ofachterwege worden gelaten. Dit vindt onder verantwoordelijkheid van deofficier van justitie en met inachtneming van door het College vanprocureurs-generaal gegeven algemene aanwijzingen plaats. Het vijfde lidschrijft voor dat in dat geval dat het opmaken van een proces-verbaalwordt achterwege gelaten «in enige andere vorm van verslaglegging»wordt voorzien. Het is dus niet zo dat er in het geheel geen verslagleggingplaatsvindt. Die wijze van verslaglegging is vormvrij. De verslagleggingzal in alle gevallen echter zodanig moeten plaatsvinden dat naderhanddoeltreffend kan worden gereageerd op een verzoek tot het afleggen vanverantwoording over dat deel van het opsporingsonderzoek dat niet ineen proces-verbaal was neergeslagen.Beklag over het achterwege blijven van opsporing van een strafbaar feit(bijvoorbeeld nadat daarvan met toepassing van artikel 1.3.15 is afgezien)kan alleen plaatsvinden tegen een beslissing van de officier van justitie opeen klacht van de rechtstreeks belanghebbende over niet-opsporing. Opgrond van artikel 1.5.4, derde lid, moet het slachtoffer informatieontvangen die hem staat stelt te beslissen of hij beklag indient. Dezeklacht wordt ingediend bij de officier van justitie onder wiens gezag hetopsporingsonderzoek had moeten plaatsvinden of heeft plaatsgevonden.De betrokken opsporingsinstantie draagt er zorg voor dat de officier vanjustitie tijdig alle stukken en inlichtingen ontvangt die voor de beoordelingvan de klacht van belang zijn (artikel 3.5.1, eerste lid). Bij die stukken valtte denken aan mutatierapporten, opgemaakte processen-verbaal enandere vormen van verslaglegging. De officier van justitie kan in ditstadium alsnog proces-verbaal laten opmaken van de beslissing totniet-opsporing en de overwegingen die daartoe hebben geleid, voor zoverTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11317 dat voor de behandeling van de klacht noodzakelijk is. Over een beslissingvan de officier van justitie tot niet-opsporing kan de rechtstreeks belang-hebbende zich vervolgens bij het gerechtshof beklagen. In het kader vandie beklagprocedure moet het gerechtshof beschikken over toereikendeinformatie over de door de officier van justitie genomen beslissingvoordat het gerechtshof een deugdelijke beslissing over de gegrondheidvan het beklag kan nemen. Het openbaar ministerie zal de voor diebeoordeling relevante stukken aan het gerechtshof moeten overdragen.Het gerechtshof kan het openbaar ministerie bevelen aanvullende stukkenover te dragen (artikel 1.2.15, eerste lid) en aan de rechter-commissaris ofaan de raadsheer-commissaris opdracht geven om nader onderzoek teverrichten of te doen verrichten (artikel 3.5.9, vierde lid). Daaronder valtook de mogelijkheid dat het gerechtshof beveelt dat nog niet (voldoende)uitgewerkte stukken (verder) moeten worden uitgewerkt. Al met alwaarborgt de geschetste regeling dat ook in gevallen waarin de recht-streeks belanghebbende opkomt tegen het achterwege blijven vanopsporing is voorzien in adequate verslaglegging.(428) De rapporteurs merken op dat in de praktijk het onderscheid tussenniet-opsporen en niet-vervolgen niet altijd scherp is. Een beklag tegen eenzogenaamd verkapt beleidssepot (beslissing om niet op te sporen diewordt gepresenteerd als beleidssepot) is eigenlijk gericht tegen debeslissing om niet op te sporen. De rapporteurs vragen of in een dergelijkgeval een klacht of verzoek om heroverweging over niet-opsporen bij deofficier van justitie kan worden neergelegd. Zij vragen ook of hetgerechtshof in een dergelijk geval een bevel tot opsporing kan geven. Derapporteurs vragen ook hoe kan worden voorkomen dat de voordelen vande voorprocedure verloren gaan in geval van een dergelijk verkaptbeleidssepot.428. Met de term «verkapt beleidssepot» wordt veelal gedoeld op het inde literatuur onderscheiden gevalstype dat een sepotbeslissing van deofficier van justitie feitelijk is gegrond op «onvoldoende bewijs» in desituatie dat geen opsporingshandelingen zijn verricht of deze uit capaci-teitsoverwegingen in een vroeg stadium zijn gestaakt (vgl. L. Ansems e.a.,«Wijzigingen van de artikel 12-procedure in Modernisering Strafvor-dering», NJB 2018/1509). In tegenstelling tot de huidige beklagprocedureis in de nieuwe beklagprocedure uitdrukkelijk bepaald dat de rechtstreeksbelanghebbende niet alleen kan opkomen tegen het achterwege blijvenvan vervolging, maar ook tegen het uitblijven of niet voortzetten vanopsporing. In die laatste gevallen is de voorprocedure van toepassing:beklag over het achterwege blijven van opsporing van een strafbaar feitkan alleen plaatsvinden tegen een beslissing van de officier van justitie opeen klacht van de rechtstreeks belanghebbende over niet-opsporing(artikel 3.5.1, tweede lid).In het geschetste gevalstype van het «verkapte beleidssepot» heeft deofficier van justitie formeel beslist dat vervolging achterwege moetblijven. De voorprocedure is in dat geval niet van toepassing. Tegen diebeslissing kan de rechtstreeks belanghebbende zich bij het gerechtshofbeklagen (artikel 3.5.1, eerste lid). Het gerechtshof beoordeelt of hetopenbaar ministerie geen onredelijk gebruik heeft gemaakt van hetvervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbeginsel. De omstandigheiddat de voorprocedure bij de beslissing tot niet-vervolging niet vantoepassing is laat onverlet dat de beklagregeling ook dan haar tweeledigefunctie – te weten van correctiemechanisme ter voorkoming vanonredelijk gebruik van het vervolgingsmonopolie en het opportuniteitsbe-ginsel door het openbaar ministerie alsook de bescherming van indivi-duele belangen van rechtstreeks belanghebbenden – ten volle kanvervullen. Wanneer het gerechtshof gebreken in het opsporingsonderzoekconstateert waarvan het voor het nemen van een goede beslissing op hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11318 beklag wezenlijk is dat deze worden weggenomen, dan kan hetgerechtshof – al dan niet op verzoek van de klager – gelasten dat naderonderzoek wordt verricht (artikel 3.5.9, vierde lid). Na sluiting van hetonderzoek op de zitting zal het gerechtshof over het beklag beslissen. Indat kader kan het gerechtshof, indien hij het beklag gegrond acht, deopsporing bevelen van het feit waarop het beklag betrekking heeft of devervolging bevelen van dat feit (artikel 3.5.10, vierde lid). De wettelijkeregeling laat aan het gerechtshof ruimte om in het kader van beklag overhet achterwege blijven van vervolging, de opsporing te bevelen van hetfeit waarop het beklag betrekking heeft.(429) De rapporteurs constateren dat een gebrekkige motivering eenbelangrijk probleem is in de beklagprocedure. Het slachtoffer heeft opgrond van artikel 1.5.4 recht op gemotiveerde beslissingen en voldoendeinformatie. De opmerking uit de beslisnota dat er op dit punt geenaanvullende maatregelen nodig zijn omdat met een landelijk programmaal verbetering van de motivering is bewerkstelligd, is niet in de MvTopgenomen. Kan de regering toelichten in hoeverre er aanvullendemaatregelen nodig zijn?429. Zie het antwoord op vraag 421.(430) De leden van de VVD-fractie vragen hoe rechtstreeks belangheb-benden (ofwel slachtoffers) kennis kunnen nemen van processtukken dierelevant zijn voor de beslissing die zij kunnen nemen om beklag in tedienen over het niet opsporen of niet vervolgen.430. Het slachtoffer heeft het recht om op zijn verzoek informatie teontvangen over het afzien van een opsporingsonderzoek of het beëin-digen daarvan (artikel 1.5.4, eerste lid, onderdeel a) en over het nietvervolgen van een strafbaar feit (artikel 1.5.4, eerste lid, onderdeel c).Bovendien wordt het slachtoffer dat daarom verzoekt in kennis gesteldvan informatie die hem in staat stelt te beslissen of hij beklag zal doen bijhet gerechtshof als bedoeld in artikel 3.5.1. De kennisgeving van deinformatie over het niet-opsporen of niet-vervolgen omvat naast diebeslissing ten minste de motivering of een samenvatting van demotivering van de betrokken beslissing (artikel 1.5.4, derde lid). Na hetindienen van beklag kan de klager (de rechtstreeks belanghebbende)kennisnemen van de stukken die op de zaak betrekking hebben, op dedoor de voorzitter van het gerechtshof te bepalen wijze. De voorzitter kanbepaalde stukken van kennisneming uitzonderen in het belang van depersoonlijke levenssfeer of van de opsporing en vervolging van strafbarefeiten dan wel op zwaarwichtige gronden aan het algemeen belangontleend (artikel 3.5.8, tweede lid). Op dezelfde gronden kan de voorzitterbepalen dat van bepaalde stukken of gedeelten daarvan geen kopie wordtverstrekt (artikel 3.5.8, derde lid). Indien het beklag betrekking heeft op hetachterwege blijven van opsporing, hoeft van processtukken in de zin vande wet nog geen sprake te zijn. Dat neemt niet weg dat de regeling van dekennisneming van stukken in het kader van de beklagprocedure inhou-delijk min of meer dezelfde is als de algemene regeling voor de kennis-neming van de processtukken door het slachtoffer en het verstrekken vaneen kopie daarvan (artikel 1.5.5, derde lid, in verbinding met artikel 1.8.8,eerste tot en met derde lid), met dien verstande dat in de beklagprocedurede voorzitter de wijze van kennisneming bepaalt. Op grond van dezeregeling kan de voorzitter bijvoorbeeld bepalen dat volstaan kan wordenmet het verlenen van inzage in een kopie waarin bepaalde passages vanhet origineel onleesbaar zijn gemaakt (zie J. Mens & P.C. Kortenhorst,Handboek Strafzaken, hoofdstuk 73.5.5.4). Aldus is voorzien in eenevenwichtige regeling, die enerzijds de rechtstreeks belanghebbende eenadequate mogelijkheid biedt tot kennisneming van de stukken, terwijlanderzijds (bijvoorbeeld) de persoonlijke levenssfeer van degene op wiehet beklag betrekking heeft waar nodig kan worden beschermd. DatTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11319 laatste is des te meer van belang, nu deze persoon niet als verdachtehoeft te zijn aangemerkt.(431) Hoe staat de regering tegenover het sterker codificeren van eenrecht op kennisnemen van processtukken? Wat zijn de voor- en nadelenhiervan?431. In het antwoord op vraag 430 is beschreven op welke wijze derechtstreeks belanghebbende (de klager) kennis kan nemen van destukken. Daarbij is opgemerkt dat de voorgestelde wettelijke regelingadequaat en evenwichtig is. Voor een ruimere wettelijke regeling op ditpunt wordt dan ook geen aanleiding gezien. Vanuit het perspectief van derechtstreeks belanghebbende kan een verbreding van het recht opkennisneming van de stukken wellicht voordelig lijken, maar voor depositie van degene op wie het beklag betrekking heeft kan zo’n verruimingjuist nadelige consequenties hebben. Bedacht moet worden dat dezepersoon geen verdachte (meer) is in de zin van artikel 1.4.1. Voorkomenmoet worden dat de beklagprocedure wordt gebruikt om bijvoorbeeldprivacygevoelige gegevens te verkrijgen over de persoon wiensvervolging wordt verlangd (vgl. G.J.M. Corstens, Het Nederlandsstrafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers en T. Kooijmans, Deventer:Wolters Kluwer 2021, par. XIII.7). In dit verband kan nog wordenopgemerkt dat in de eerste aanvullingswet wordt voorgesteld om in deregeling van de kennisneming van stukken in de beklagprocedure eenextra uitzonderingsgrond te introduceren die strekt tot bescherming vangevoelige bedrijfsinformatie. Dit voorstel houdt in dat de voorzitterbepaalde stukken van kennisneming kan uitzonderen, of kan bepalen datdaarvan geen kopie wordt verstrekt, wegens zwaarwegende economischeof financiële belangen van de persoon wiens vervolging wordt verlangd.In de praktijk vormt de mogelijkheid om van de stukken kennis te nemensoms het voornaamste doel van het beklag (vgl. L. van Lent, M. Boone enK. van den Bos, Klachten tegen niet-vervolging (artikel 12 Sv–procedure).Doorlooptijden, instroom, verwachtingen van klagers en het belang vanprocedurele rechtvaardigheid, WODC, 2016, p. 100–102).(432) De leden van de VVD-fractie merken op dat er momenteel eengebrek is aan uniformering van de afdoeningswijze van beklagzaken. Zokan het voorkomen dat het ene gerechtshof slachtoffers standaarduitnodigt wanneer zij ontvankelijk zijn in hun verzoek, terwijl slachtoffersbij een ander gerechtshof daartoe niet in de gelegenheid worden gesteld.Wat vindt de regering van deze rechtsongelijkheid die is ontstaan wegensgebrek aan regels over de afdoeningswijze van beklagzaken en specifiekde bejegening van en communicatie met slachtoffers?432. Volgens de Raad voor de rechtspraak hanteren de gerechtshovenhetzelfde beleid ten aanzien van het horen van klagers die ontvankelijk zijnin hun verzoek. Voor zover in de praktijk desondanks van verschillentussen de gerechtshoven mocht blijken op het vlak van de omgang met enbejegening van slachtoffers die bij het gerechtshof beklag doen over hetniet-opsporen of niet-vervolgen van strafbare feiten, dan zal aan derechtspraak worden gevraagd ten aanzien van deze punten landelijkwerkprocessen in te richten.(433) De leden van de VVD-fractie vragen naar een nadere explicitering ofrechtstreeks belanghebbenden ontvankelijk zijn in hun beklag over allebesluiten van de opsporing die duiden op het achterwege blijven vanopsporingsactiviteiten. Geldt dat dus ook voor alle vormen van afdoe-ningswijzen van de politie? En kan de regering ook bevestigen datrechtstreeks belanghebbenden ontvankelijk zijn in hun beklag als een zaakbuitengerechtelijk wordt afgedaan door Bureau Halt?433. Beklag kan worden ingesteld tegen het achterwege blijven vanopsporing (dat ook het stagneren van het opsporingsonderzoek omvat),Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11320 het achterwege blijven van vervolging of het niet voortzetten van devervolging alsmede tegen vervolging door een strafbeschikking(artikel 3.5.1, eerste lid). Indien een rechtstreeks belanghebbende wilopkomen tegen het achterwege blijven van opsporing van een strafbaarfeit, dient hij eerst een klacht in bij de officier van justitie. Indien de officiervan justitie na heroverweging (opnieuw) beslist tot niet-opsporen, staattegen die beslissing beklag bij het gerechtshof open. Het gerechtshofoordeelt vervolgens of de klager ontvankelijk is.Artikel 6.1.15 bevat de regeling van deelname aan een pedagogischprogramma, waarmee de huidige HALT-afdoening wordt bedoeld(artikel 77e van het Wetboek van Strafrecht). Wanneer een jeugdigeverdachte dat programma succesvol afrondt, zal de jeugdige niet wordenvervolgd. Bevestigd kan worden dat tegen deze beslissing totniet-vervolging op grond van artikel 3.5.1 beklag openstaat bij hetgerechtshof. Indien het gerechtshof een beklag gegrond verklaart en devervolging van de jeugdige verdachte beveelt, zal de rechter bij de daaropvolgende berechting rekening moeten houden met het feit dat de jeugdigeverdachte al aan dat pedagogisch project heeft deelgenomen (zieartikel 77e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht).(434) De leden van de VVD-fractie vragen hoe vaak het per jaar voor komtdat een beklag van een rechtstreeks belanghebbende tegen een beslissingvan een officier van justitie over het achterwege blijven van opsporingdoor een gerechtshof gegrond wordt verklaard.434. Volgens de bewoordingen van het huidige artikel 12 kan wordengeklaagd over de niet-vervolging van een strafbaar feit. Volgens geldendrecht valt onder niet-vervolging ook het niet aanvangen van de opsporingof het stagneren van het opsporingsonderzoek. Ook daarover kan derechtstreeks belanghebbende nu al klagen bij het gerechtshof. In hetnieuwe wetboek is er daarom voor gekozen uitdrukkelijk in de wettekst opte nemen dat de rechtstreeks belanghebbende zich ook kan beklagen bijhet gerechtshof over het achterwege blijven van opsporing van eenstrafbaar feit. Voorwaarde voor het kunnen instellen van dit beklag isevenwel dat de officier van justitie naar aanleiding van een bij hemingediende klacht over het achterwege blijven van (verdere) opsporingeen formele beslissing tot niet-opsporing heeft genomen. Met dezevoorprocedure is voor wat betreft niet-opsporing voorzien in een getrapteregeling. Die regeling sluit aan bij de huidige praktijk die is neergelegd inde Aanwijzing voor de opsporing van het College van procureurs-generaal(Stcrt. 2013, 35757).Blijkens het laatste jaarverslag van het openbaar ministerie (OM Jaarbe-richt 2023, 13 mei 2024) is in dat jaar 2.700 keer geklaagd bij hetgerechtshof over een beslissing van een officier van justitie over debeslissing om niet (verder) te vervolgen. In 12% van die gevallen was deklacht volgens het gerechtshof gegrond en moest het openbaar ministeriealsnog tot vervolging overgaan. Het wordt niet geregistreerd in hoeveelgevallen dit een beklag betrof wegens het achterwege blijven vanopsporing onderscheidenlijk vervolging. Dat zal mede zijn verklaringvinden in het feit dat beklag tegen niet-opsporing in het huidige artikel 12niet met zoveel woorden wordt onderscheiden en bovendien niet isonderworpen aan een wettelijke voorprocedure. De Raad voor derechtspraak heeft in zijn consultatieadvies uit 2018 aandacht gevraagdvoor de mogelijke kwantitatieve gevolgen van de nieuwe explicietewettelijke grondslag voor het beklag over niet-opsporen (Raad voor derechtspraak, Advies over de Boeken 3, 4, 5 en 6, 12 juli 2018). In 2022 en2023 is in ketenverband getracht om meer onderbouwde inschattingen teformuleren ten aanzien van de eventuele werklasteffecten van de nieuweregeling. Daarbij werd geconcludeerd dat het niet mogelijk is om eeneventuele toename te kwantificeren, mede gezien het feit dat een klachtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11321 over het uitblijven van de opsporing volgens geldend recht al mogelijk is.Dat bemoeilijkt de inschatting van de gevolgen van de expliciete wettelijkeregeling daarvan. De rechtspraak en het openbaar ministerie verwachtenevenwel een aanzuigende werking. De onderhavige beklagregeling zaldaarom worden betrokken bij de invoeringstoets die is aangekondigd inde memorie van toelichting (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 86).Uit die toets zal blijken of er daadwerkelijk een volumeverschil doorinvoering van het nieuwe wetboek is ontstaan ten opzichte van de praktijkonder het huidige wetboek.(435) Is de regering het eens met de voornoemde leden dat bij eengegrondverklaring slachtoffers vaak in een lange periode van onzekerheidhebben verkeerd en hoe denkt de regering over het verstrekken van eentegemoetkoming aan deze groep?435. Het is voorstelbaar dat de doorlooptijd van de beklagprocedure leidttot een periode van onzekerheid voor de klager. De rechtbanken engerechtshoven hebben een eigen klachtenregeling. Op basis van dieregelingen kan degene die vindt dat een gerecht hem of haar niet correctheeft behandeld, een klacht indienen, bijvoorbeeld over de tijdsduur vanprocedures. In 2022 zijn in totaal 2.743 klachten ingediend, waarvan324 klachten over de tijdsduur van procedures gingen (Jaarverslag van deRechtspraak 2022, p. 71). Het beklag over niet-vervolgen of niet-opsporenvalt niet onder de reikwijdte van artikel 6 EVRM, waardoor er in dezeprocedure voor een schadevergoeding als processuele sanctie naoverschrijding van de redelijke termijn – anders dan bij de berechting (zieartikel 4.3.12) – thans geen grondslag kan worden gevonden. Tegen dezeachtergrond is er geen aanleiding om het openstellen van diemogelijkheid in die procedure te bezien. In het wetsvoorstel zijn binnen debeklagprocedure wel aanpassingen aangebracht die tijdswinst kunnenopleveren. Zo wordt ter versnelling van de beklagprocedure tegen hetuitblijven van vervolging of opsporing de regeling aangevuld mettermijnen voor de indiening en afdoening van het beklag. Dit gebeurt metinbegrip van voorschriften die ertoe strekken dat die termijnen daadwer-kelijk worden gehaald. Zo is bijvoorbeeld voorgeschreven dat de officiervan justitie binnen zes weken een beslissing over de klacht neemt.(436) De leden van de D66-fractie merken op dat wordt voorgesteld omwettelijk vast te leggen dat ook kan worden geklaagd tegenniet-opsporing. Hoewel dit in de praktijk soms al werd toegelaten,constateren deze leden wel dat de wettelijke grondslag hiervoor nieuw is.Deze leden vinden dit op zich goed, maar vrezen dat dit gevolgen gaathebben voor de overbelasting van gerechtshoven omdat er relatief vaakniet wordt opgespoord, onder andere door druk op de strafrechtketen enprioritering. Verwacht de regering dat het aantal klachten tegenniet-opsporing sterk gaat toenemen vanwege het feit dat er een wettelijkemogelijkheid voor wordt gecreëerd? Zo ja, kunnen de gerechtshoven dezetoename van het aantal klachtzaken aan? Zo nee, wat gaat de regeringhieraan doen?436. Zie het antwoord op vraag 434.(437) De leden van de D66-fractie merken op dat bij de termijn waarbinneneen klacht moet worden ingediend een hardheidsclausule is opgenomen:bij de ontvankelijkheid van de klacht kan rekening worden gehouden metomstandigheden die hebben geleid tot overschrijding van de termijn.Deze leden merken op dat deze clausule niet gunstig is voor de rechtsze-kerheid van degene over wie de klacht gaat. Kan de regering toelichten ofdeze clausule nodig is gebleken en zo ja, waarom?437. Het Wetboek van Strafvordering bevat ook een hardheidsclausule bijhet instellen van een gewoon rechtsmiddel (artikel 5.1.3, tweede lid). Eengewoon rechtsmiddel is op basis van die bepaling, hoewel het niet tijdigTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11322 (of niet op de bij de wet voorziene wijze) is ingesteld of ingediend,niettemin ontvankelijk indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeelddat de desbetreffende procespartij in verzuim is geweest. Nu eenhardheidsclausule in nijpende gevallen uitkomst kan bieden en de rechterrekening kan (en niet: moet) houden met aangevoerde omstandighedendie hebben geleid tot overschrijding van de termijn voor het indienen vanhet beklag, is deze clausule ook in de beklagregeling opgenomen. In deregeling van het huidige artikel 12 is slechts in bepaalde situaties eentermijn voor het indienen van beklag opgenomen, namelijk indien eenstrafbeschikking is uitgevaardigd en indien het beklag een strafbaar feitbetreft waarvoor aan de verdachte een kennisgeving van niet verderevervolging is betekend. In het belang van het bevorderen van verkortingvan de doorlooptijden, is in de nieuwe regeling een termijn voor allebeklagzaken opgenomen. Artikel 3.5.4 bepaalt dat een rechtstreeksbelanghebbende drie maanden de tijd heeft om beklag in te dienen. Dehardheidsclausule (die is neergelegd in artikel 3.5.10, tweede lid) maakthet mogelijk rekening te houden met omstandigheden die totoverschrijding van die beklagtermijn hebben geleid. Deze hardheids-clausule wordt nodig geacht en kan bijvoorbeeld van belang zijn indienslachtoffers of nabestaanden van een zeer ernstig misdrijf zich pas latervan de implicaties van het achterwege blijven van vervolging bewust zijngeworden dan wel te laat van de vervolgingsbeslissing op de hoogte zijngekomen. Een belanghebbende die aannemelijk kan maken dat determijnoverschrijding hem niet kan worden aangerekend, verdient niet teworden geconfronteerd met de enkele vaststelling van termijnover-schrijding en niet-ontvankelijkheid van zijn beklag. Het gaat om uitzonder-lijke gevallen waarin het gerechtshof de klager alsnog in zijn klacht kanontvangen.(438) De leden van de D66-fractie lezen dat de behandeling van een klachtover niet-opsporing of niet-vervolging net als in de huidige situatie nietopenbaar zal zijn. Deze leden begrijpen deze keuze en zijn van oordeel dathet belang van de beklaagde in dit stadium voldoende moet wordenbeschermd. Wel zijn deze leden van oordeel dat er ook voordelen zoudenzitten aan meer transparantie over deze klachtprocedures. Welkemogelijkheden ziet de regering om transparantie te bevorderen zonderafbreuk te doen aan de belangen en positie van de beklaagde?438. Het openbaar ministerie publiceert jaarlijks het aantal beklagproce-dures en het aantal zaken waarin het gerechtshof beveelt dat de officiervan justitie alsnog tot vervolging moet overgaan. Deze vorm vanverantwoording afleggen zal ook onder het nieuwe wetboek wordenvoortgezet. Met het programma «Meer en verantwoord publiceren», dateind 2021 van start is gegaan, geeft de rechtspraak vorm aan de ambitieom meer gerechtelijke uitspraken te publiceren. Door bewustwording enprocesoptimalisatie zal het aantal gepubliceerde uitspraken de komendejaren steeds verder stijgen. Ook deze ontwikkeling bevordert de transpa-rantie van beklagprocedures, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan debelangen van degene op wie het beklag betrekking heeft.(439) De leden van de CDA-fractie lezen dat uit onderzoekt blijkt dat watbetreft de sepotmededeling, het voor slachtoffers veelal schort aan tijdigeinformatie-uitwisseling tussen de politie en het OM. Deze leden vragen opwelke manier de regering dit gaat verbeteren en welke hulpmiddelenhiervoor nodig zijn.439. Zie het antwoord op vraag 425.Beklag over niet-opsporen (p. 837 e.v.)(440) De leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties lezen dat, hoewel hetbestaande artikel 12 Sv dat niet met zoveel woorden uitdrukt, op basis vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11323 het huidig recht onder niet-vervolging ook het niet aanvangen van deopsporing of het stagneren van het opsporingsonderzoek kan vallen. Datbrengt met zich mee dat er op basis van dat artikel nu al de mogelijkheidbestaat tot het indienen van een klacht in het geval er niet wordtopgespoord. De aan het woord zijnde leden vragen hoe vaak er jaarlijksgebruik wordt gemaakt van een dergelijke klachtmogelijkheid.440. Zie het antwoord op vraag 434.(441) De leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties begrijpen dat in hetnieuwe wetboek ervoor gekozen is om uitdrukkelijk te bepalen dat derechtstreeks belanghebbende zich ook kan beklagen bij het gerechtshofover het achterwege blijven van opsporing van een strafbaar feit. Daarbijbegrijpen zij dat daarvoor als voorwaarde wordt gesteld dat er pas beklagbij het gerechtshof kan worden ingesteld indien de belanghebbende eerstbij de officier van justitie geklaagd heeft over het achterwege blijven van(verdere) opsporing. Daarmee is sprake van wat genoemd wordt eengetrapte regeling. In hoeverre verhoudt deze eerste trap, zich tot debestaande klachtmogelijkheid op grond van artikel 12 Sv? Waarom is ereen eerste trap nodig? Wordt hiermee het inbouwen van een drempelvoor het indienen van een klacht beoogd? Zo ja, waarom? Zo nee,waarom niet? En begrijpen deze leden het goed dat, ook nog voordat ereen klacht bij de officier van justitie kan worden ingediend, de aangeverdie slachtoffer is van het strafbare feit eerst bij de opsporingsdienst ominformatie moet vragen over het afzien van een opsporingsonderzoek ofhet beëindigen daarvan?441. De getrapte regeling die in het wetsvoorstel is voorzien sluit aan bijde huidige praktijk, die is neergelegd in de Aanwijzing voor de opsporing(Stcrt. 2013, 35757). Deze aanwijzing regelt dat de aangever (belangheb-bende) over de beslissing tot niet (verder) opsporen – bij welke beslissingde officier van justitie niet altijd rechtstreeks betrokken is geweest – wordtgeïnformeerd. Door middel van een afdoeningsbericht wordt dezebeslissing toegelicht. Daarin wordt de aangever ook gewezen op demogelijkheid om – eventueel nadat eerst op informele wijze nadere uitlegover de beslissing tot niet-opsporing is gevraagd bij een medewerker vande opsporingsinstantie – deze voor heroverweging aan de officier vanjustitie voor te leggen. De bestaande mogelijkheid voor de rechtstreeksbelanghebbende om zich vóór het indienen van een klacht overniet-opsporing bij de officier van justitie met een verzoek om nadere uitlegtot de opsporingsinstantie te wenden, heeft dus een facultatief karakter.Dat facultatieve karakter blijft in de wettelijke regeling van de beklagpro-cedure behouden. Het is dus niet vereist dat de rechtstreeks belangheb-bende zich eerst bij de betrokken opsporingsinstantie over het achterwegeblijven van (verdere) opsporing heeft beklaagd. Dat blijft echter welmogelijk. Met het oog op het verschaffen van nadere uitleg kan deopsporingsinstantie de rechtstreeks belanghebbende bijvoorbeelduitnodigen voor een gesprek. Hiermee blijft de mogelijkheid van eenlaagdrempelige en informele terugkoppeling vanuit de opsporingsin-stantie ten volle behouden; voor burgers worden geen extra drempelsopgeworpen om in contact te kunnen treden met de betrokken opspo-ringsinstantie, terwijl die instantie geen aanvullende administratievelasten hoeft te dragen.In dit getrapte stelsel ligt de verantwoordelijkheid voor een eersteheroverweging ten aanzien van het (verdere) opsporingsonderzoek– evenals bij de beslissing tot vervolging – het dichtst bij de instantie diede beslissing neemt, namelijk de officier van justitie. Dit maakt deinformatieverstrekking makkelijker en efficiënter dan wanneer zondervoortraject een klacht over niet-opsporing aanhangig zou wordengemaakt bij het gerechtshof. Bijkomend voordeel is dat aan de recht-streeks belanghebbende een betere uitleg kan worden verschaft en datTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11324 – naar verwachting – daardoor minder zaken waar vrijwel zeker geenbevel tot opsporing zal worden gegeven (direct) bij het gerechtshofterechtkomen. Dit kan naar verwachting positief bijdragen aan delegitimiteit van de opsporingsbeslissing en de verkorting van dedoorlooptijden van beklagzaken. De voorprocedure brengt mee dat derechtstreeks belanghebbende in geval van niet-opsporing geen recht-streekse toegang heeft tot het gerechtshof. Hiermee is echter niet beoogdom de toegang tot de beklagprocedure voor de rechtstreeks belangheb-bende te bemoeilijken. Integendeel, ook vanuit het perspectief van derechtstreeks belanghebbende kan het voordelig zijn dat een gang naar hetgerechtshof haar wordt bespaard. Na afwijzing van een klacht door deofficier van justitie staat onverkort beklag open bij het gerechtshof. Bij deevaluatie van het nieuwe wetboek zal specifiek aandacht uitgaan naar dewijze waarop de voorprocedure bij beklag in de praktijk uitwerkt.(442) Naar deze leden begrijpen moet «een heldere motivering en uitleg»(pagina 839, MvT) eraan bijdragen dat de aangever begrip voor enacceptatie van de genomen beslissing tot niet opsporen krijgt. Daarmeewordt «voorkomen dat de belanghebbende een klacht over het afzien ofbeëindigen van opsporing indient bij de officier van justitie». Ook dezeleden hebben begrip voor het feit dat er, gezien de beperkte capaciteit bijde spelers binnen de strafrechtketen, keuzes ten aanzien van het al danniet opsporen en vervolgen moeten worden gemaakt. Evenwel achten zijhet onaanvaardbaar dat er vanwege het gebrek aan die capaciteit ernstigemisdrijven, waaronder zedenmisdrijven met een grote impact opslachtoffers, niet opgespoord kunnen worden. Zij zijn daarom van meningdat de mogelijkheid tot het indienen van een klacht tot niet-opsporing deaangever niet kan alleen kan helpen om begrip te krijgen voor een besluittot niet-opsporing, maar vooral moet dienen om ervoor te zorgen daternstige misdrijven wel opgespoord gaan worden. Deelt de regering dezemening? Zo ja, waarom? Zo nee, waarom niet?442. In de Aanwijzing voor de opsporing (Stcrt. 2013, 35757) is eenbeleidskader gegeven voor het stellen van prioriteiten in de opsporing.Ten aanzien van zogenoemde high impactcriminaliteit, zoals zedenmis-drijven met een grote impact op slachtoffers, houdt dat beleidskaderonder andere in dat in dergelijke gevallen als regel een opsporingson-derzoek wordt ingesteld, dat het openbaar ministerie beslist over de wijzevan de opsporing en het al of niet beëindigen van die opsporing – insamenspraak met de politie – en dat hierbij steeds acht wordt geslagen opde zwaarte van de zaak, waaronder de impact van het feit waarvanaangifte is gedaan op het slachtoffer, en andere belangen van hetslachtoffer. Dat neemt niet weg dat zich ook bij ernstige misdrijven desituatie kan voordoen dat er onvoldoende aanknopingspunten zijn voorverdere opsporing, waardoor moet worden besloten verdere opsporings-handelingen achterwege te laten.De voorgestelde regeling biedt een wettelijk kader waarbinnen degeschetste praktijk kan worden voortgezet. In die gevallen waarin hetslachtoffer bij de officier van justitie onder wiens gezag het opsporingson-derzoek heeft plaatsgevonden een klacht indient over de beslissing tot hetniet verder opsporen van een ernstig misdrijf, wordt de officier van justitiegevraagd de beslissing tot niet verdere opsporing te heroverwegen. Eenduidelijk gemotiveerde heroverweging – die ook als uitkomst kan hebbendat alsnog tot verdere opsporing wordt besloten – kan bijdragen aanzowel de kwaliteit en legitimiteit van de opsporingsbeslissing als begripvoor en acceptatie van die beslissing.(443) Begrijpen de leden van de PvdA- en GroenLinks-fracties het goeddat, ook al besluit het gerechtshof «tot het geven van een bevel totopsporing, indien duidelijk is dat in de zaak waarover de belanghebbendeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11325 klaagt geen of ontoereikende pogingen tot opsporing hebben plaatsge-vonden, terwijl de mogelijkheid van een kansrijke vervolging niet opvoorhand behoeft te worden uitgesloten» (pagina 843/844, MvT) dat nogniet betekent dat er per se tot opsporing zal moeten worden overgegaan?Zo ja, waarom is dat het geval? En zo ja, wat is dan het nut van eendergelijk bevel als dat na een volle toetsing tot stand is gekomen? Zo nee,wat begrijpen deze leden dan niet?443. Op voorwaarde dat de officier van justitie eerst formeel heeft beslistop een klacht van de rechtstreeks belanghebbende over het achterwegeblijven van (verdere) opsporing, kan die belanghebbende zich daarover bijhet gerechtshof beklagen (artikel 3.5.1, eerste en tweede lid). Dieprocedure kan ertoe leiden dat het gerechtshof de opsporing van het feitwaarop het beklag betrekking heeft beveelt (artikel 3.5.10, vierde lid),wanneer naar het oordeel van het gerechtshof in de desbetreffende zaakgeen of ontoereikende pogingen tot opsporing hebben plaatsgevonden,terwijl de mogelijkheid van een kansrijke vervolging niet op voorhandbehoeft te worden uitgesloten. In de memorie van toelichting is beoogdtot uitdrukking te brengen dat zo’n bevel tot opsporing niet voor de handligt wanneer in de beklagprocedure blijkt dat enig aanknopingspunt voor(verder) opsporingsonderzoek ontbreekt. In gevallen waarin hetgerechtshof wel een bevel tot opsporing geeft, zal de officier van justitiedaaraan uitvoering moeten geven.6. Rechtsmiddelen (444) De leden van de VVD-fractie vragen of bij het uitbrengen van de notanaar aanleiding van het verslag al een stand van zaken kan wordengegeven van de uitkomsten van de Pilot eindezaaksverklaring.(445) Ook vragen zij een inschatting van de regering of naar aanleidingvan deze pilot het artikel 3.6.1 of andere artikelen die zien op de einde-zaaksverklaring nog zullen worden gewijzigd.444 en 445. Tot en met maart 2024 is in het kader van de pilot mediationelf keer gebruik gemaakt van de nieuwe mogelijkheid van een eindezaaks-verklaring. Deze pilot vindt plaats in het kader van de InnovatiewetStrafvordering. Twee jaar na de inwerkingtreding van de Innovatiewet(1 oktober 2024) zal een evaluatierapport verschijnen onder auspiciën vanhet WODC. Dat evaluatierapport zal inzichten die zijn opgedaan in deverschillende pilots bevatten over de toepassing, opbrengsten eneventuele knelpunten van de nieuwe mogelijkheden. Dit rapport zal naverschijning zo snel mogelijk worden voorgelegd aan de Tweede Kamer.De pilot mediation heeft al een aantal waardevolle inzichten opgeleverd,zoals dat de mogelijkheid ontbreekt voor het hof om in hoger beroep eeneindezaaksverklaring uit te spreken. Verder ontbreekt volgens betrokkeneneen regeling voor het toezicht op het naleven van eventuele voorwaardendie worden opgenomen in een eindezaaksverklaring. Verder is nog niethelder wat de gevolgen van een eindezaaksverklaring zijn voor dejustitiële documentatie van de verdachte en het verkrijgen van een VOG.Deze punten worden bekeken in samenhang met het genoemde evaluatie-rapport en zullen zo nodig worden opgenomen in de definitieve regelingten aanzien van mediation in het nieuwe Wetboek van Strafvordering,door middel van de tweede aanvullingswet. De vraag welke wetgevingbenodigd is, kan pas worden beantwoord als de evaluatie van de pilotmediation is afgerond.(446) Tevens vragen deze leden wie het toezicht gaat houden op hetnaleven van de voorwaarden die worden opgenomen in een eindezaaks-verklaring en hoe dat in de praktijk er straks uit komt te zien.446. De nieuwe regeling ten aanzien van mediation na aanvang van hetonderzoek op de terechtzitting is nog niet opgenomen in dit wetsvoorstel,maar is onderdeel van de Innovatiewet Strafvordering. Deze regelingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11326 wordt momenteel beproefd in pilotprojecten. In de brief aan de TweedeKamer van 11 januari 2024 (Kamerstukken II 2023/24, 29 279, nr. 832) overdit onderwerp is aangegeven dat een van de voorlopige inzichten uit depilot is dat het toezicht op de naleving van de voorwaarden die kunnenworden opgenomen in een eindezaakverklaring ontbreekt. Dit punt wordtmeegenomen in de evaluatie. Naar aanleiding van de uitkomsten van deevaluatie van de pilot zal worden bezien of en op welke wijze het toezichtop het naleven van de voorwaarden die worden opgenomen in eeneindezaakverklaring nader regeling behoeft en hoe dit er in de praktijk hetbeste uit kan komen te zien. Zoals blijkt uit de memorie van toelichting bijde eerste vaststellingswet kan dit onderwerp, als dit gewenst en haalbaaris, worden meegenomen in een aanvullingswet (Kamerstukken II 2022/23,36 327, nr. 3, p. 211 e.v.; zie verder de brief van de Minister voor Rechtsbe-scherming over dit onderwerp, Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 741).Dit wordt in dat geval de tweede aanvullingswet.(447) Ook vragen zij of een rechtstreeks belanghebbende alsnog ontvan-kelijk kan zijn in zijn beklag wanneer de voorwaarden in de eindezaaksver-klaring niet worden nageleefd en zo nee, waarom niet? Hoe is derechtsbescherming voor slachtoffers hierbij gewaarborgd?447. De eindezaakverklaring vanwege mediation is in het huidige wetboekopgenomen als gevolg van het nader gewijzigd amendement van het lidVan Nispen c.s. (Kamerstukken II 2021/22, 35 869, nr. 17) bij de Innova-tiewet Strafvordering.In het huidige artikel 573, vierde lid, – in het huidige wetboek ingevoegddoor de Innovatiewet Strafvordering – is vastgelegd dat na een eindezaak-verklaring vanwege mediation, de verdachte ter zake van hetzelfde feitniet opnieuw in rechte kan worden betrokken, behoudens in het geval vanniet-naleving van de aan deze verklaring verbonden voorwaarden binnende daarin bepaalde termijn. Dit betekent dat de officier van justitieopnieuw kan vervolgen als de betrokkene de voorwaarden die zijnopgenomen in de eindezaakverklaring niet naleeft. Als de officier vanjustitie desondanks ervan zou afzien betrokkene opnieuw te vervolgen,dan kan de rechtstreeks belanghebbende daarover beklag doen bij hetgerechtshof. Dit geldt eveneens voor slachtoffers die rechtstreeksbelanghebbenden zijn. Ook in het nieuwe wetboek heeft de rechtstreeksbelanghebbende in de genoemde situatie de mogelijkheid om beklag tedoen bij het gerechtshof. Zowel in de huidige regeling als in het nieuwewetboek geldt voor het slachtoffer daarbij de rechtsbescherming dieverbonden is aan de klachtprocedure. In het nieuwe wetboek is derechtsbescherming (voor een slachtoffer dat zich als rechtstreeksbelanghebbende beklaagt bij het gerechtshof) onderdeel van de procedu-revoorschriften van de artikelen 3.5.1 tot en met 3.5.12. Dit betekentbijvoorbeeld dat het gerechtshof het slachtoffer hoort, althans hemdaartoe behoorlijk oproept (artikel 3.5.6, eerste lid). Verder wordt hetslachtoffer in de oproeping (door het gerechtshof) gewezen op het rechtop bijstand van een advocaat en op de mogelijkheid om toevoeging vaneen advocaat te verzoeken (artikel 3.5.8, eerste lid). Na de evaluatie van deInnovatiewet Strafvordering wordt besloten of de eindezaakverklaringwegens mediation in het nieuwe wetboek wordt opgenomen.(448) Tot slot vragen deze leden wat de gevolgen zijn van een eindezaaks-verklaring voor het strafblad van de verdachte en of er is nagedacht overde gevolgen voor het verkrijgen van een vog.448. De regels voor de justitiële documentatie zijn te vinden in de Wetjustitiële en strafvorderlijke gegevens en het daarop gebaseerde Besluitjustitiële en strafvorderlijke gegevens. De systematiek is als volgt. Deverdachte van een misdrijf krijgt een aantekening op zijn justitiëledocumentatie vanaf het moment dat hij wordt verdacht van een misdrijfen de zaak in behandeling is genomen door het openbaar ministerie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11327 Wanneer de zaak vervolgens is afgedaan, wordt de wijze van afdoening ofde uitspraak vermeld op de justitiële documentatie. Dit betekent dat ookeen vrijspraak of een sepot wordt vermeld in de justitiële documentatie.Als hoofdregel geldt dat het schriftelijk wordt vastgelegd dat iemand ooitverdachte is geweest van een bepaald misdrijf: ook als de verdachteuiteindelijk niet is vervolgd of is vrijgesproken. Op deze regel bestaat eenbeperkt aantal uitzonderingen. Voor overtredingen geldt als hoofdregeldat er slechts een aantekening in iemands justitiële documentatie komtvanaf het moment dat de officier van justitie een beslissing heeftgenomen over de afdoening van de zaak. Ook deze regel kent een aantaluitzonderingen.De regelgeving ten aanzien van de VOG is neergelegd in de artikelen 28tot en met 39 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. Debeoordeling van een VOG-aanvraag is maatwerk. Het feit dat er eenaantekening staat in de justitiële documentatie van een persoon betekentniet dat hij geen VOG kan krijgen. De dienst die de VOG-aanvraagbeoordeelt (Justis) kijkt eerst of er binnen de zogenaamde terugkijktermijnsprake is van een relevant strafbaar feit, met dien verstande dat eenonherroepelijke vrijspraak, niet-ontvankelijkheid van het openbaarministerie en technische sepots niet kunnen worden betrokken bij deVOG-beoordeling. Hoelang de terugkijktermijn is, hangt onder andere afvan het doel waarvoor de VOG is aangevraagd en de leeftijd van deaanvrager. Vervolgens kijkt Justis of de strafbare feiten van belang zijnvoor de functie of het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Sommigestrafbare feiten vormen een bezwaar voor de ene baan of stage, maarvoor de andere niet. Justis maakt tot slot een belangenafweging. Watweegt zwaarder: het belang van de aanvrager bij het krijgen van de VOGof het risico voor de samenleving als de VOG wordt afgegeven? Justiskijkt hierbij onder andere naar informatie over de volgende punten: hoevaak de aanvrager vanwege relevante strafbare feiten met justitie inaanraking is gekomen; hoe ernstig de feiten zijn; hoe lang geleden defeiten zijn gepleegd en de leeftijd van de aanvrager. Ook de omstandig-heden waaronder het strafbare feit is gepleegd kunnen meetellen. Justiskan de genoemde beoordeling ook uitvoeren als in de justitiële documen-tatie is aangetekend dat de rechtbank heeft verklaard dat de zaak isgeëindigd.Zoals in het antwoord op vraag 445 is opgenomen is er nog onduide-lijkheid over de gevolgen van een eindezaaksverklaring voor de justitiëledocumentatie van de verdachte en het verkrijgen van een VOG. Dezepunten worden bekeken wanneer het WODC-evaluatierapport van depilots beschikbaar is. Daarbij zal worden nagegaan of de bestaandesystematiek voor de justitiële documentatie en de VOG goed toepasbaaris.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11328 Verslag Boek 4 Het verslag bij Boek 4 (Kamerstukken II 2023/24, 36 327, nr. 8) is vastge-steld op 4 december 2023.I. ALGEMEEN BOEK 4 BerechtingDe leden Ellian en Helder zijn door de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid benoemd tot rapporteurs op dit wetsvoorstel. Deze rapporteurshebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot de Vaststelling van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering, Boek 4 (36 327) (hierna: hetwetsvoorstel) en hebben namens de commissie een aantal vragen. Zijbaseren zich hierbij op een inhoudelijke rapportage die in opdracht van deTweede Kamer is opgesteld door vier samenwerkende universiteiten.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel, evenals de rapportage die door de vier samenwer-kende universiteiten is opgesteld. Zij sluiten zich aan bij de vragen die derapporteurs op basis van de rapportage namens de commissie hebbengesteld over Boek 4. Voornoemde leden stellen daarnaast nog een aantalaanvullende vragen.De leden van de D66-fractie onderschrijven de noodzaak van de moderni-seringsoperatie omtrent het Wetboek van Strafvordering. Zij hebben danook met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en debijbehorende stukken. Deze leden hebben over Boek 4 nog een aantalvragen.(449) De leden van de D66-fractie vragen, met betrekking tot de doorloop-tijden in strafrechtelijke procedures, of de voorgestelde regelingen weldaadwerkelijk tot verbetering gaan leiden. Deze leden constateren datzowel het Openbaar Ministerie (OM) als de Nederlandse Orde vanAdvocaten (NOvA) hier hun zorgen over hebben geuit. Kan de regeringhierop reflecteren?449. Op de zorg of de in dit wetsvoorstel voorgestelde regelingendaadwerkelijk tot verkorting van de doorlooptijden in strafproceduresgaan leiden, is ingegaan in het antwoord op vraag 368. Daarin is ookaangeduid dat de «beweging naar voren» vorm krijgt door opheffing vande pro formazittingen, door het voorstel dat de rechter-commissaris totaan de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting bevoegd is doorhem al aangevangen onderzoek voort te zetten en door het faseren vanhet aanbrengen van de zaak op de terechtzitting waardoor de voorzitter degelegenheid krijgt regie te voeren met het oog op een goede en vlotteinhoudelijke behandeling van de strafzaak. Deze voorstellen zullen naarverwachting leiden tot een betere voorbereiding en een vlotteredoorstroom van meervoudige kamerzaken die naar huidig recht tot proformazittingen leiden en waarin dus sprake is van een voorlopig gehechteverdachte. De beste stimulans voor een vlotte afdoening van de strafzaakbij een niet-gedetineerde verdachte is het zo spoedig mogelijk nemen vande vervolgingsbeslissing door het openbaar ministerie.De «beweging naar voren» beoogt te bevorderen dat zo snel mogelijkwordt onderkend welk nader onderzoek nodig is in het belang van devolledigheid en evenwichtigheid van het opsporingsonderzoek en dat ditnader onderzoek, in het belang van de voortgang, zo spoedig mogelijkplaatsvindt. In het advies van de NOvA bij de consultatieversie van Boek 4werden bij deze ambitie kanttekeningen geplaatst. Naar aanleiding vandat advies, mede in het licht van het in opdracht van het WODC verrichteTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11329 onderzoek naar de consequenties van het nieuwe wetboek voor deverdediging (P.T.C. van Kampen e.a., Mind the gap, ModerniseringWetboek van Strafvordering: consequenties voor de verdediging, WODC2018, p. 198–199), en naar aanleiding van het advies van de Afdelingadvisering van de Raad van State is het wetsvoorstel op diverse puntenaangepast. Zo is de voorgestelde – en door de NOvA als te kort beoor-deelde – termijn waarbinnen door de verdediging onderzoekswensenkunnen worden opgegeven aan de voorzitter van de rechtbank nadat deprocesinleiding is betekend, aangepast van twee weken naar een maand,met de mogelijkheid voor de voorzitter om deze termijn te verlengen meteen door hem te bepalen termijn. Hiermee wordt voorkomen dat deterechtzitting alsnog moet worden aangehouden voor nader onderzoekomdat de tijd voor het zoeken van rechtsbijstand, het beoordelen van hetprocesdossier en het formuleren van onderzoekswensen voorafgaand aande terechtzitting te kort is gebleken.De regeling van mededeling van rechten aan de verdachte is aangevuld,opdat de verdachte in een vroeg stadium uitdrukkelijk op de hoogte is vanzijn recht op het indienen van onderzoekswensen bij de rechter-commissaris en zijn recht op toegang tot de processtukken. Daarnaast zijnin de regeling met betrekking tot de kennisneming van procestukkenenkele wijzigingen gebracht om te bevorderen dat de verdachte ookdaadwerkelijk eerder kan beschikken over processtukken; zie daarover hetantwoord op vraag 158.Een belangrijke door het OM geuite zorg bij de consultatieversie vanBoek 4 was dat voorgestelde regeling te weinig bijdraagt aan hetverkorten van doorlooptijden en dat met name de regeling van deprocessuele sancties juist voor vertraging zal gaan zorgen. Mede naaraanleiding van deze kritiek is de wettelijke regeling van de processuelesancties in Boek 4 in één titel geconcentreerd en enigszins vereenvoudigd.De reikwijdte van de regeling is scherper afgebakend en nauwer aange-sloten bij de rechtspraak van de Hoge Raad over het toepassingsbereikvan processuele sancties. Hiermee is tegemoet gekomen aan het adviesvan zowel het OM als de Rvdr en de NVvR om te streven naar continuïteitten opzichte van het huidige recht. De toelichting is aangevuld om enkelemisverstanden weg te nemen. Zo is onder meer verduidelijkt datuitgangspunt blijft dat aan vormverzuimen slechts een sanctie wordtverbonden als de verdachte in het belang is getroffen dat door hetgeschonden voorschrift wordt beschermd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van Boek 4 van het wetsvoorstel. Zij kunnen zich vindenin de vragen die in de inhoudelijke rapportage over Boek 4 door de viersamenwerkende universiteiten zijn geformuleerd en die in dit verslag doorde rapporteurs worden gesteld. De aan het woord zijnde leden zouden hetop prijs stellen als de regering deze vragen zou beantwoorden. Daarnaasthebben de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie nog aanvullende vragen.De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Deze leden danken de regering voor het ontwerp van ditwetsvoorstel en benadrukken het belang van een overzichtelijk engemoderniseerd Wetboek van Strafvordering. Deze leden hebben nogenkele vragen aan de regering over dit wetsvoorstel en sluiten zich verderaan bij de vragen die zijn gesteld door de rapporteurs.De leden van de SP-fractie willen wederom de rapporteurs en het teamaan onderzoekers gelieerd aan verschillende Nederlandse universiteitenhartelijk bedanken voor hun harde werk en terechte vragen. Deze ledenhebben ter aanvulling op deze vragen slechts enkele aanvullende vragen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11330 (450) De leden van de SP-fractie zien dat inmiddels een concept isgepubliceerd van de EU-slachtofferrichtlijn. Deze leden vinden hetverstandig dat zaken die hier in staan ook worden meegenomen in dezewetgeving waar nu aan gewerkt wordt. Daarover hebben zij de volgendespecifiekere vraag. Wordt de vordering van de benadeelde partij binnenhet strafprocesrecht behandeld, ook als dat een onevenredige belastingoplevert voor de behandeling van de zaak en op dit moment de vorderingdan (voor dat deel) niet-ontvankelijk wordt verklaard? Is, met anderewoorden, de afzonderlijke behandeling in dat geval niet hoe dan ooknodig? Kan artikel 1.5.11 lid 2 dan niet vervallen?450. Op 12 juli 2023 heeft de Europese Commissie een voorstel gepubli-ceerd voor de herziening van Richtlijn 2012/29/EU tot vaststelling vanminimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de beschermingvan slachtoffers van strafbare feiten. Het voorstel tot herziening beoogt derechten van het slachtoffer uit de richtlijn op een aantal onderdelen teverstevigen. Verwacht wordt dat de onderhandelingen over dit voorstelbinnen de Europese Raad medio 2024 zullen worden afgerond. Daarnazullen hierover onderhandelingen met het Europees Parlement wordengevoerd. Dat betekent dat de uiteindelijke inhoud van de toekomstigerichtlijn momenteel nog geenszins vaststaat. Dat geldt ook voor de in hetrichtlijnvoorstel voorgestelde wijziging van het artikel over de beoordelingvan een verzoek tot schadevergoeding van het slachtoffer binnen hetstrafproces (artikel 16 uit het richtlijnvoorstel). Om die reden is het nietmogelijk om daar nu al op vooruit te lopen in het kader van het onder-havige wetsvoorstel. Wanneer de onderhandelingen zijn afgerond en deinhoud van de herziene richtlijn is vastgesteld, zal een begin wordengemaakt met de implementatie van de daaruit voortvloeiende verplich-tingen. Mede afhankelijk van de voortgang van de onderhandelingen zalte zijner tijd worden bezien of de implementatie zal plaatsvinden in devorm van een aanvullingswet bij het nieuwe wetboek of door middel vaneen afzonderlijk wetgevingstraject gericht op wijziging van het (huidigeen/of nieuwe) wetboek.Er wordt naar gestreefd dat zo veel mogelijk vorderingen van debenadeelde partij worden behandeld binnen het strafproces, vanwege devoordelen hiervan voor het slachtoffer, zoals inning van de schadever-goeding door de Staat en de toepasselijkheid van de voorschotregeling.Een aanzienlijk deel van de vorderingen van de benadeelde partij wordtop dit moment niet (volledig) inhoudelijk beoordeeld in het strafproces,omdat dit een onevenredige belasting oplevert voor de behandeling vande zaak (zie in het nieuwe wetboek artikel 1.5.11, tweede lid). Als devordering niet-ontvankelijk wordt verklaard moet het slachtoffer zelf zijnvordering tot schadevergoeding aanbrengen bij de civiele rechter waar degenoemde voordelen uit het strafproces niet gelden. De komende periodewordt daarom gewerkt aan verbetering van deze situatie door hetuitvoeren van een onderzoek naar een systeem voor normering vanschadebedragen. Door normering en standaardisering kunnen naarverwachting meer schadevorderingen inhoudelijk worden beoordeeld inhet strafproces. De Raad voor de rechtspraak heeft laten weten dat deintroductie van genormeerde schadevergoedingsbedragen naarverwachting een positief effect heeft op de rechtseenheid en de rechtsze-kerheid voor zowel slachtoffers als verdachten. Daarnaast wordt demogelijkheid verkend van een afzonderlijke procedure voor een aparteschadevergoedingskamer. Vorderingen van benadeelde partijen die(gedeeltelijk) te complex blijken voor behandeling in het strafproces,zouden dan in een afgesplitste procedure alsnog inhoudelijk wordenbehandeld zonder dat daarbij het strafproces onevenredig wordt belast. InBoek 4 van het nieuwe wetboek is alvast een afdeling gereserveerd waarinop een later moment een dergelijke procedure kan worden opgenomen.Artikel 1.5.11, tweede lid, zou op dat moment kunnen vervallen. EenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11331 voorstel tot inrichting van een afzonderlijke procedure bij een schadever-goedingskamer vergt nog nadere verkenning en uitwerking. Er moet eenaantal keuzes worden gemaakt, bijvoorbeeld welke strafrechtelijke ofcivielrechtelijke kenmerken – of een combinatie van beide – de procedurebij deze kamer zou moeten hebben. Tevens zal moeten worden bezienwelke effecten het normeren en standaardiseren, wat een belangrijkeeerste stap is, heeft op het aantal complexe schades die niet ontvankelijkworden verklaard. Uit een eerste globale raming – ondersteund doorWODC-onderzoek – blijkt bovendien dat de toepassing van de voorschot-regeling bij een schadevergoedingskamer substantiële structurele kostenmet zich meebrengt. Hiervoor is vooralsnog geen financiële dekkingbeschikbaar (Kamerstukken II 2022/23, 33 552, nr. 111).Gelet op het voorgaande wordt het niet wenselijk geacht om op debedoelde verkenning en uitwerking van een afzonderlijke procedurevooruit te lopen door de mogelijkheid van een civiele procedure nu al uitte sluiten, zoals de Europese Commissie heeft voorgesteld in hethierboven genoemde richtlijnvoorstel. Zoals blijkt uit het BNC-fiche bij datrichtlijnvoorstel (Kamerstukken II 2023/24, 22 112, nr. 3799) is dit ook deinzet van Nederland bij de onderhandelingen over dit onderdeel van devoorgestelde herziening van de richtlijn.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel. Zij hebben nog enkele vragen over het gedeelte dat Boek 4betreft.(451) De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat het spreekrecht dattoekomt aan personen, genoemd in artikel 1.5.8. en waarvan degenengebruik kunnen maken tijdens het onderzoek ter terechtzitting, een grootgoed is. Maar deze leden willen er wel op wijzen dat het spreekrecht, datzeer uitgebreid is, wordt uitgeoefend jegens de verdachte, ofwel degenedie voor onschuldig wordt gehouden totdat de rechter daarover heeftgeoordeeld aan het einde van het betreffende strafproces. Heeft deregering hierover nagedacht en zo ja, waarom is daar niets van terug tevinden in de wettelijke regeling, dan wel de memorie van toelichting? Inde memorie van toelichting wordt namelijk wel opgemerkt dat hetstrafproces van puur inquisitoir naar inquisitoir met een contradictoirkarakter gaat.451. Er is nagedacht over de verhouding tussen het spreekrecht en deonschuldpresumptie. In de memorie van toelichting is hierop nietingegaan, omdat het wetsvoorstel op dit punt geen wijziging behelst tenopzichte van het geldende recht.Het spreekrecht voor slachtoffers is destijds ingevoerd op initiatief van detoenmalige Tweede Kamerleden Dittrich en Schonewille. Bij de parlemen-taire behandeling van dit voorstel is in 2002 de vraag aan de ordegekomen hoe het uitoefenen van het spreekrecht zich verhoudt tot het inartikel 6, tweede lid, EVRM verankerde beginsel dat een verdachte vooronschuldig moet worden gehouden, totdat het tegendeel is bewezen. Bijhet antwoord op die vraag is geconcludeerd dat het spreekrecht van hetslachtoffer op dit beginsel geen inbreuk maakt (Kamerstukken II 2001/02,27 632, nr. 8).In 2022 kwam de toenmalige Minister voor Rechtsbescherming – bijgelegenheid van de behandeling van de Wet uitbreiding slachtoffer-rechten – tot dezelfde conclusie (Kamerstukken I 2022/23, 35 349, H). Hijstelde vast dat het principe van het vermoeden van onschuld inhoudt datverdachten voor onschuldig worden gehouden totdat hun schuld in rechteis komen vast te staan. Dit beginsel heeft onder meer als consequentie datde rechter moet laten blijken dat hij de verdachte niet als een reedsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11332 veroordeelde beschouwt. Als het slachtoffer het spreekrecht uitoefent opeen moment dat de schuld van de verdachte niet vaststaat, leidt dit niettot inbreuk op het vermoeden van onschuld. Van de rechter mag wordenverwacht dat hij zich in zijn overtuiging niet eenzijdig laat beïnvloedendoor hetgeen het slachtoffer naar voren heeft gebracht. De rechter zal deinbreng van de verdediging en van de officier van justitie meewegen inzijn oordeel. Ook in de rechtspraktijk blijken het vermoeden van onschuldten aanzien van de verdachte en het spreekrecht van het slachtoffer goedsamen te kunnen gaan. De verschuiving van een puur inquisitoir naar eenmeer contradictoir strafproces brengt daar geen verandering in.II. ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 4 1. Het aanbrengen van de zaak ter berechting (452) De rapporteurs constateren dat de stijl van procederen in hetWetboek van Strafvordering een rechter veronderstelt die op zoek gaatnaar de materiële waarheid en daarin een eigen verantwoordelijkheidheeft. Deze leden vragen of de regering met de karakterisering van«contradictoir proces op inquisitoire leest geschoeid» en de beoogdebeweging naar voren, iets wil veranderen aan de lijdelijkheid dan wel deactiviteit van de rechter.452. Met de aanduiding in de memorie van toelichting van het heden-daagse strafproces als een «contradictoir proces op inquisitoire leestgeschoeid» wordt geen wijziging gebracht in de actieve rol van de rechteren zijn verantwoordelijkheid voor de volledigheid van het onderzoek opde terechtzitting en de juistheid van de genomen beslissingen. Ook debeoogde «beweging naar voren», die strekt tot een betere voorbereidingvan het onderzoek op de zitting, het voorkomen van onnodige aanhou-dingen en het faciliteren dat aanvullend onderzoek zoveel mogelijkvroegtijdig wordt gedaan, doet hieraan niet af. De in dat kader voorge-stelde maatregelen zijn er juist op gericht de rechter te ondersteunen bijde vervulling van een actieve rol.De van oorsprong sterk inquisitoire Nederlandse stijl van procesvoeringheeft zich in de loop van de tijd, mede vanwege de verbreding van dedoelstellingen van het strafprocesrecht, ontwikkeld tot een contradictoirproces met inquisitoire trekken: het strafproces wordt op tegenspraakgevoerd, waarbij de rechter bewaakt dat verdedigingsrechten kunnenworden uitgeoefend en dat sprake is van een eerlijk proces. Het openbaarministerie treedt niet alleen op als tegenpartij van de verdachte, maarvervult een magistratelijke rol en is ook verantwoordelijk voor eenintegere rechtshandhaving. Zie voor een overzicht van deze ontwikkelingB.F. Keulen en G. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer2020, par. 2.3 en 2.4.Een contradictoire procesvoering is niet gelijk te stellen met wat wel een(gematigd) accusatoire (of adversaire) procedure wordt genoemd enwaarmee wordt gedoeld op een partijenproces waarin partijen mettegengestelde belangen actief procederen voor een lijdelijke rechter. Ineen dergelijk model staat niet de materiële waarheid, maar de vaststellingvan feiten op basis van te betwisten standpunten centraal. In Nederland isdaarvan nooit sprake geweest. De officier van justitie en de verdachtehebben geen volledig gelijke procespositie. Wel is, mede onder invloedvan (de jurisprudentie over) artikel 6 EVRM, het tegensprekelijke karaktervan het strafproces vergroot. In de loop van de tijd zijn de standpunten diede verdachte en het openbaar ministerie innemen van groter belanggeworden voor de wijze waarop het strafproces wordt gevoerd. Zo wordtvan de verdediging verlangd dat tijdig en onderbouwd verzoeken wordengedaan en verweren worden gevoerd en is in het huidige artikel 359 deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11333 responsieplicht bij uitdrukkelijk onderbouwde standpunten opgenomen(Stb. 2004, 580). Bij de invoering van het voortbouwend appel kregen doorde procespartijen ingediende grieven een richtinggevende rol voor debehandeling van de strafzaak in hoger beroep (Stb. 2006, 470). Bij deze enandere aanpassingen van de wettelijke regeling is steeds benadrukt dat derechter een actieve rol heeft en verantwoordelijk is voor de zorgvuldigheiden volledigheid van het onderzoek op de terechtzitting (zie bijvoorbeeldKamerstukken II 1995/96, 24 692, nr. 3, p. 2; Kamerstukken II 2005/06,30 320, nr. 3, p. 8; Kamerstukken II 2006/07, 31 116, nr. 3, p. 3).In het nieuwe wetboek blijft dit uitgangspunt centraal staan. De beoor-deling van de strafzaak vergt van de rechter dat hij zelfstandig, op degrondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoekop de terechtzitting, de vragen van het rechterlijke beslismodel,neergelegd in de artikelen 4.3.1 en 4.3.3, beantwoordt. Ook bewaakt hij denaleving van strafvorderlijke voorschriften en ziet hij toe op een eerlijkproces, met name dat de uit het recht op een eerlijk proces voortvloeiendeverdedigingsrechten kunnen worden uitgeoefend. Een zelfstandigebeantwoording van de relevante vragen van het rechterlijke beslismodelhoudt in dat de rechter niet is gebonden aan de door de procespartijeningenomen standpunten. Ook als ter zake geen verweer wordt gevoerd,zal hij moeten vrijspreken als hij door de inhoud van het bewijsmateriaalen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van oordeel isdat niet buiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het feit heeft begaan(zie ook ECLI:NL:PHR:2022:566, onder 6.11 e.v.).Een actieve rechter vormt een belangrijke waarborg voor een correctevaststelling van de feiten (de waarheidsvinding). Maar ook die onderdelenvan de wettelijke regeling die uitdrukking geven aan een contradictoireprocesvoering dragen daaraan bij. Het element van tegenspraak en deconfrontatie van standpunten als gevolg daarvan leidt tot een zorgvul-digere afweging en deugdelijkere rechterlijke beslissing (G.J.M. Corstens,Het Nederlandse strafprocesrecht, bewerkt door M.J. Borgers enT. Kooijmans, Deventer: Wolters Kluwer 2021, par. I.3).Een actieve rol betekent ook dat de rechter nader onderzoek gelast indiendat noodzakelijk is voor een volledig onderzoek en een zorgvuldigebeslissing. Ook op dit punt brengt het nieuwe wetboek geen verandering.Naarmate de procespartijen actiever optreden, om nader onderzoekvragen, eigen standpunten onderbouwen en andermans standpuntgemotiveerd betwisten, is er minder aanleiding voor de rechter omambtshalve door te vragen of nader onderzoek te gelasten, en andersom.Bij een verdachte die niet van rechtsbijstand is voorzien past, ook als datzijn eigen keuze is, extra voorzichtigheid en oplettendheid, omdat ermeerekening moet worden gehouden dat hij de implicaties van zijnproceshouding wellicht niet overziet. In zo’n geval is alertheid van derechter om het eerlijk proces te bewaken, des te meer aangewezen. Eenvoorbeeld betreft de toepassing van het nieuwe beslismodel voor deberechting in hoger beroep, waarbij het gerechtshof zich bij de beoor-deling kan beperken tot de bezwaren die tegen het vonnis wordeningebracht. Van het gerechtshof kan worden gevergd dat het zich extra zalinspannen om het recht op een eerlijk proces te garanderen indien deverdachte niet over rechtsbijstand beschikt. Dat kan bijvoorbeeldbetekenen dat het gerechtshof op de terechtzitting doorvraagt als deverdachte geen bezwaren opgeeft of deze niet duidelijk toelicht en deverdachte informatie verstrekt die deze voor zijn verdediging nodig heeft(zie de toelichting bij Boek 5, Afdeling 4.1.5).Met de voorschriften die beogen te bevorderen dat strafzaken betervoorbereid bij de zittingsrechter komen en die samen worden aangeduidals de «beweging naar voren», wordt geen afbreuk gedaan aan deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11334 eindverantwoordelijkheid van de zittingsrechter. De rechter wordthierdoor in zijn actieve rol ondersteund, doordat hij meer mogelijkhedenkrijgt om de berechting zowel inhoudelijk als procedureel goed voor tebereiden. Gestimuleerd wordt dat verzoeken tot het doen van (nader)onderzoek – waaronder het verhoren van getuigen – zoveel mogelijkworden gedaan voorafgaand aan de terechtzitting en dat het opsporings-onderzoek zoveel mogelijk is afgerond voorafgaand aan het onderzoek opde terechtzitting, zodat onnodige aanhouding van de behandeling van destrafzaak wordt voorkomen. Maar de rechter blijft bewaken dat al hetonderzoek dat nodig is voor het nemen van een zorgvuldige inhoudelijkebeslissing, wordt gedaan. De «beweging naar voren» staat er dus niet aanin de weg dat (nader) onderzoek plaatsvindt naar aanleiding van of tijdenshet onderzoek op de terechtzitting en vergt evenmin van de zittingsrechterdat hij het bevelen van nader onderzoek dat hij in het belang van eenbehoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht, achterwege laat.(453) De rapporteurs vragen of van de voorzitter van de rechtbank wordtverwacht dat hij de beweging naar voren faciliteert door zoveel mogelijkte verwijzen naar de Rechter-Commissaris (RC) indien aanvullendonderzoek in zijn optiek nog noodzakelijk is, of de beweging naar vorenvooral iets is dat door de officier van justitie en de RC moet wordenwaargemaakt.453. Voor een geslaagde «beweging naar voren» is het zaak dat allebetrokken functionarissen gericht zijn op het belang van een vlotte enzorgvuldige afronding van de strafzaak. Het gaat om een samenstel vanvoorstellen die in elkaar grijpen en die gezamenlijk beogen te bevorderendat strafzaken beter voorbereid bij de zittingsrechter komen. Zoals ookdoor de Commissie implementatie nieuw Wetboek van Strafvordering(Commissie-Letschert) is geadviseerd, zullen de positieve effecten van devoorgestelde regeling vooral kunnen worden bereikt als de organisaties inde keten de mogelijkheden die het nieuwe wetboek biedt benutten omsamen te komen tot goed gecoördineerde werkprocessen.De verantwoordelijkheid om de zaak met een (zoveel mogelijk) afgerondonderzoek op de terechtzitting te krijgen, ligt in eerste instantie bij deofficier van justitie, die de regie en leiding over het opsporingsonderzoekheeft. In het strafdossier moet alle relevante informatie – zowel belastendals ontlastend – worden opgenomen. Hij moet daarbij ook rekeninghouden met het ondervragingsrecht van de verdachte. Daartoe kan hijbijvoorbeeld, zeker in zaken waarin getuigenverklaringen doorgaans een(zeer) belangrijke rol spelen – denk aan zedenzaken, oplichtingszaken ofmensenhandel – gebruikmaken van zijn bevoegdheid om bij de rechter-commissaris te vorderen dat bepaalde belastende getuigen in het bijzijnvan de verdediging worden gehoord (artikel 2.10.1 in combinatie metBoek 2, Titel 10.3) of in de procesinleiding aangeven welke getuigen hijvoor de terechtzitting zal oproepen (artikel 4.1.1, derde lid, onderdeel c).Het nieuwe wetboek stimuleert met verschillende voorschriften dat deverdachte zich vroegtijdig bewust is van zijn verdedigingsrechten endaarvan gebruik kan maken (zie hierover ook het antwoord op vraag 368).Vanaf het eerste verhoor kan de verdediging zich tot de rechter-commissaris wenden voor aanvullend of tegenonderzoek. Hij wordtvoorafgaand aan zijn eerste verhoor geïnformeerd over een aantalrechten, waaronder het recht op rechtsbijstand, het recht op kennis-neming van de processtukken en het recht om de rechter-commissaris teverzoeken onderzoek te doen. De rechter-commissaris kan bijdragen aande volledigheid en evenwichtigheid van het opsporingsonderzoek doordesgevraagd of, in voorkomend geval, ambtshalve de bevoegdheden uitte oefenen die de wet hem toekent.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11335 De officier van justitie neemt op basis van de resultaten van het opspo-ringsonderzoek zo spoedig mogelijk de vervolgingsbeslissing. Bij eenbeslissing de zaak ter berechting aan te brengen dient hij een procesin-leiding in en stelt hij de verdachte op dat moment de processtukken terbeschikking (zie daarover ook het antwoord op vraag 158). Daarmee is destrafzaak in de optiek van de officier van justitie dus gereed om door derechter te worden beoordeeld. Vanaf dat moment gaat de verantwoorde-lijkheid voor de voorbereiding van de berechting over op de zittings-rechter.Voor een goed voorbereide behandeling van de strafzaak die is gericht opde inhoudelijke discussie over de door de rechter te nemen beslissingen,zonder dat die behandeling nog behoeft te worden gericht op mogelijknog bestaande lacunes in de beschikbare informatie, is van belang datook het door de verdediging gewenste (nader) onderzoek tijdig wordtverricht. Om dat te bevorderen, vooral in zaken waarin geen rechter-commissaris betrokken is (geweest) – en dat is vooral vaak het geval inzaken waarin geen sprake is van voorlopige hechtenis – is verder voorzienin fasering van het aanbrengen van de zaak ter berechting.Door de betekening van de procesinleiding aan de verdachte zal deze ergewoonlijk van op de hoogte komen dat de zaak aan de rechter terbeoordeling is voorgelegd, dat er dus een terechtzitting zal plaatsvindenen dat hij met het oog daarop bepaalde rechten kan uitoefenen enverzoeken kan doen. Voor de verdachte die (nog) geen raadsman heeft,vormt de aan hem betekende procesinleiding waarin wordt aangekondigddat de zaak aan de rechter is voorgelegd een aansporing zich desgewenstvan rechtsbijstand te voorzien.De voorzitter wordt in staat gesteld af te wegen welke zaken geregeld enbeslist moeten worden om de terechtzitting goed te laten verlopen en omonnodige (voorzienbare) aanhoudingen zo veel mogelijk te voorkomen.Hij heeft bevoegdheden met het oog op die terechtzitting, zoals demogelijkheid te beslissen op getuigenverzoeken en te beslissen over hetinlassen van een schriftelijke ronde of een regiezitting. De voorzitter kanzelfstandig de officier van justitie bevelen om getuigen voor de terecht-zitting op te roepen (artikel 4.1.8) en kan verhoren van getuigen waar deverdediging om heeft verzocht, laten inplannen bij de rechter-commissaris(artikel 4.1.4, zesde lid) of op de inhoudelijke zitting (artikel 4.1.4, eerstelid). Ook met de laatstgenoemde mogelijkheid wordt bijgedragen aan de«beweging naar voren». De voorzitter krijgt dan immers de mogelijkheidom, als hij het verzoek toewijst, het getuigenverhoor op de terechtzittingin te (laten) plannen. Daarmee wordt voorkomen dat de zaak moet wordenaangehouden om de getuige alsnog te kunnen verhoren op een nadereterechtzitting. Het is dus niet zo dat de voorzitter zoveel mogelijk moetterugwijzen naar de rechter-commissaris. Hij kan met instemming van deverdachte en de officier van justitie hiertoe beslissen als de verdedigingverzoekt om verhoor bij de rechter-commissaris, als het welzijn van degetuige daartoe aanleiding geeft of als een verhoor bij de rechter-commissaris voorafgaand aan de terechtzitting om andere redenen teverkiezen is. Hij kan met de officier van justitie en de verdachte in overlegtreden over zaken die betrekking hebben op de planning en het verloopvan de terechtzitting zelf.De rechter-commissaris kan ook na het indienen van de procesinleidingworden benaderd voor het verhoren van getuigen of ander onderzoek,totdat het onderzoek op de terechtzitting aanvangt. Wel zal de rechter-commissaris, nadat de officier van justitie de procesinleiding heeftingediend, voor de uitoefening van zijn bevoegdheid tot het verhoren vangetuigen instemming moeten hebben van de voorzitter (artikel 2.10.69,tweede lid).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11336 Indien voldoende is geïnventariseerd wat er nog moet gebeuren met hetoog op de inhoudelijke behandeling van de strafzaak en welke wensen erbij de procespartijen leven met betrekking tot de gang van zaken tijdensde terechtzitting, bepaalt de voorzitter in overleg met het openbaarministerie en zo mogelijk in overleg met de verdediging de dag van deterechtzitting op een volgens hem geëigend moment. Daarna roept deofficier van justitie de verdachte op voor de terechtzitting. Indien derechter-commissaris nog onderzoek verricht in de desbetreffende zaak kande voorzitter daarmee bij de dagbepaling rekening houden. Dit impliceertdat tussen zittingsvoorzitter en rechter-commissaris hierover goedecommunicatie moet plaatsvinden. Daarbij kunnen de verkeerstorensdesgewenst ook een ondersteunende rol vervullen.Samengevat is de voorzitter verantwoordelijk voor de planning envoorbereiding van de berechting, maar kan elke actor vanuit zijn eigen rolbijdragen aan het «zittingsklaar» maken van de strafzaak als geheel. De«beweging naar voren» vergt dus een goede samenwerking tussen alleactoren.(454) De rapporteurs lezen dat het niet de bedoeling is dat de voorzitter dezaak «open» terugwijst naar de RC omdat dit een duidelijke bevoegd-heidsverdeling tussen de RC en de zittingsrechter zou doorkruisen.Tegelijkertijd is in art. 4.2.51 lid 2 wel de mogelijkheid opengelaten voorde rechtbank om de zaak (half) open te verwijzen naar de RC. De rappor-teurs vragen hoe dit zich tot elkaar verhoudt, nu de voorzitter ookonderdeel is van die rechtbank.454. Het nieuwe wetboek gaat uit van een duidelijke rolverdeling tussende officier van justitie, de rechter-commissaris en de zittingsrechter. Ophet moment dat de officier van justitie besluit de zaak ter berechting aande rechter voor te leggen door het indienen van een procesinleiding, isnaar zijn oordeel het opsporingsonderzoek afgerond en heeft hij eenprocesdossier samengesteld waarin zich naar zijn oordeel voldoendewettig en overtuigend bewijsmateriaal bevindt. De vraag of het opspo-ringsonderzoek als voltooid kan worden beschouwd hangt mede af van devraag of, en zo ja hoeveel onderzoek gewenst is van de kant van deverdediging. De verdediging kan vanaf het eerste verhoor van deverdachte tot aan de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting derechter-commissaris benaderen met verzoeken tot nader onderzoek omhet door de officier van justitie verzamelde bewijsmateriaal te ontkrachtenof andere, ontlastende informatie boven tafel te krijgen. Vanaf hetmoment dat de procesinleiding is ingediend, is de zaak «onder de rechter»en is de zittingsvoorzitter bevoegd beslissingen te nemen over destrafzaak; vanaf dat moment moet de rechter-commissaris daarom met dezittingsvoorzitter afstemmen indien hem wordt verzocht onderzoek teverrichten. De voorzitter is belast met de voorbereiding van de terecht-zitting en beoordeelt wat er nog nodig is voor een kwalitatief goedeinhoudelijke behandeling. Daarmee wordt voorkomen dat die behandelingmoet worden aangehouden voor nader onderzoek waarvan nut ennoodzaak voorafgaand aan de terechtzitting al kan worden onderkend. Devoorzitter beschikt daartoe over zogenoemde regiebevoegdheden en kanbesluiten tot een schriftelijke ronde of een regiezitting. Daarnaast wordtde voorzitter het «loket» voor verzoeken van de verdediging diebetrekking hebben op de terechtzitting, bijvoorbeeld verzoeken om daargetuigen of deskundigen te verhoren.In deze rolverdeling past niet goed dat de voorzitter na ontvangst van deprocesinleiding de zaak in zijn geheel weer terug zou wijzen naar derechter-commissaris om «al hetgeen hij nodig acht» te doen. De voorzitterzou de zaak in dat geval in wezen terugsturen naar de opsporingsfase, ende rechter-commissaris zou in feite worden ingeschakeld voor hetdoorhakken van knopen die de zittingsrechter moet doorhakken, bijvoor-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11337 beeld over de vraag welke getuigen nog moeten worden verhoord en opwelke wijze. De beoordeling of de zaak voldoende is voorbereid voorinhoudelijke behandeling berust bij de voorzitter als voorportaal van demeervoudige zittingscombinatie. De voorzitter moet bijvoorbeeld devrijheid hebben, indien in dat late stadium aan de rechter-commissaris isverzocht een bepaalde getuige of deskundige te verhoren, deze voor deterechtzitting te doen oproepen. Aan de heldere rolverdeling doet niet afdat de voorzitter, indien hij meent dat het verhoor van de getuige vanbelang is voor de behandeling van de strafzaak, met instemming van deverdachte en de officier van justitie de rechter-commissaris kan verzoekendat verhoor af te nemen. Deze eis van instemming is van belang indienhet gaat om een verzoek van de verdachte om een getuige of deskundigeop de terechtzitting te verhoren. Een verwijzing naar de rechter-commissaris tegen de wens van de verdediging zal ertoe kunnen leidendat een nadien op de terechtzitting geuit verzoek om de getuige ook daarte verhoren wordt afgewezen, omdat de getuige dan immers al isverhoord bij de rechter-commissaris. Daartoe moet de voorzitter zonderinstemming van de verdediging niet zelfstandig kunnen beslissen.De formulering van de voorzittersbeslissingen is in het algemeen zodanigvormgegeven dat de voorzitter niet een (definitief) afwijzende ofomstreden beslissing behoeft te nemen als «voorschot» op een dergelijkebeslissing door de zittingscombinatie. Is sprake van een verschil vanmening, bijvoorbeeld omdat de voorzitter meent dat de getuige ondankshet verzoek van de verdediging daartoe niet, dan wel niet op de terecht-zitting, moet worden verhoord, dan ligt het in de rede dat de zittingscom-binatie na een openbaar debat op de terechtzitting over dat verzoek beslist(waarbij wordt getoetst aan het verdedigingsbelang) en de zaak eventueelkan terugwijzen naar de rechter-commissaris.De zittingsrechter, bij een meervoudige kamer dus een combinatiebestaande uit drie rechters, is verantwoordelijk voor de volledigheid vanhet onderzoek op de terechtzitting en de juistheid van de genomenbeslissingen. Zie daarover nader het antwoord op vraag 452. Bij dieeindverantwoordelijkheid past de ambtshalve bevoegdheid van dezittingscombinatie om onderzoek aan de rechter-commissaris op tedragen. Tegen een zogenaamde (half) open verwijzing van de strafzaaknaar de rechter-commissaris bestaat in dit geval geen bezwaar, omdatsprake is van een beslissing van de rechtbank (de voltallige zittingscombi-natie). Met een (half)open verwijzing kan bovendien worden voorkomendat een nadere terechtzitting moet worden gehouden terwijl dat nietnodig is. Indien bijvoorbeeld bij het aan de rechter-commissaris verzochteverhoor van een getuige blijkt dat de verlangde informatie alleen van eenandere getuige kan worden verkregen, kan bij een (half)open verwijzingook die getuige door de rechter-commissaris worden verhoord, zonder dateerst een nieuwe terechtzitting nodig is waar de rechtbank aldus beslist.Hetzelfde geldt voor het benoemen of verhoren van een anderedeskundige, als mocht blijken dat het onderzoek door de eerderbenoemde deskundige geen volledig beeld geeft, bijvoorbeeld omdat eendeel van de gestelde vragen niet binnen diens expertise valt.(455) De rapporteurs lezen dat de verdediging tot aan de start van hetonderzoek ter terechtzitting nog wel verzoeken aan de RC kan richten, zieart. 2.10.69 jo art. art. 2.10.2. De mogelijkheid van de verdediging en hetOM om verzoeken bij de RC neer te leggen, na het uitgaan van deproces-inleiding, maar vóór het onderzoek ter terechtzitting, lijkt enigszinstegenstrijdig met de wens van de regering de regietaken tussen devoorzitter en de RC beter te scheiden. Is er aanleiding om de bevoegd-heidsverdeling tussen de RC en de voorzitter nog duidelijker te markerendoor verzoeken van de verdediging tot aan het uitgaan van de procesin-leiding bij de RC te laten indienen, en verzoeken van de verdediging enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11338 het OM vanaf het uitgaan van de procesinleiding enkel en exclusief bij devoorzitter van de rechtbank te laten indienen?455. De verdediging kan vanaf het eerste verhoor van de verdachte tot aande aanvang van het onderzoek op de terechtzitting onafgebrokenverzoeken tot nader onderzoek indienen bij de rechter-commissaris. Vanafhet moment dat de procesinleiding is ingediend en de behandeling van dezaak de verantwoordelijkheid is van de zittingsrechter, moet de rechter-commissaris met de zittingsvoorzitter afstemmen indien hem wordtverzocht bepaald onderzoek te verrichten (artikel 2.10.69, tweede lid). Ziedaarover nader het antwoord op vraag 454.Vanaf de indiening van de procesinleiding kan de verdachte ook devoorzitter van de rechtbank verzoeken getuigen voor de terechtzitting tedoen oproepen (artikel 4.1.4, eerste lid). Ook kan de voorzitter zelfstandigde officier van justitie bevelen om getuigen voor de terechtzitting op teroepen (artikel 4.1.8). Er kunnen echter goede redenen zijn om het verhoorvan een getuige, ook waar de verdediging om heeft verzocht, niet op deopenbare terechtzitting, maar door de rechter-commissaris te latenafnemen. De voorzitter kan met instemming van de verdachte en deofficier van justitie ook hiertoe besluiten (artikel 4.1.4, zesde lid). Indien deverdediging na ontvangst van de procesinleiding een getuige wil doenverhoren en daarbij de voorkeur geeft aan een verhoor van de getuige bijde rechter-commissaris, kan dit door de verdediging worden aangegevenin een verzoek om getuigenverhoor aan de voorzitter, die vervolgensindien de verdachte en de officier van justitie daarmee instemmen, derechter-commissaris kan opdragen de getuige of deskundige te verhoren(artikel 4.1.4, zesde lid). Het verzoek tot het verhoren van de getuige kandoor de verdediging dus evengoed direct bij de rechter-commissariswordt ingediend. Deze zal immers het verhoor moeten inplannen enafnemen. Dit kan wellicht zorgen voor een vlottere beslissing enuitvoering van het verhoor door de rechter-commissaris. In beide gevallenis afstemming tussen de rechter-commissaris en de voorzitter aange-wezen.Als de wens bestaat een getuige door de rechter-commissaris te latenverhoren zijn er na indiening van de procesinleiding tot aan het onderzoekop de terechtzitting dus twee mogelijkheden om dat te bewerkstelligen:via een verzoek aan de voorzitter of via een rechtstreeks verzoek aan derechter-commissaris. Er is geen aanleiding een van deze wegen af tesluiten. Het kan voor de verdachte praktisch zijn een verzoek tot getuigen-verhoor door de rechter-commissaris te richten aan de voorzitter als hijmeerdere verzoeken met betrekking tot de behandeling van zijn strafzaakheeft. Hij wordt op de mogelijkheid verzoeken te richten aan de voorzitterimmers gewezen in de procesinleiding. Het kan ook zo zijn dat deverdediging eraan hecht dat de getuige wordt verhoord, zonder eenspecifieke voorkeur waar dit plaatsvindt. Indien verzoeken na indieningvan de procesinleiding enkel bij de voorzitter kunnen worden ingediend,zou dit een onnodige starheid en taakverzwaring van de voorzitter kunnenopleveren, terwijl dit vanwege de benodigde instemming van devoorzitter met het verhoor door de rechter-commissaris niet tot eenhelderdere bevoegdheidsverdeling tussen beiden leidt.(456) De rapporteurs vragen of voldoende wordt genormeerd dat derechter «al het onderzoek dat nodig is voor het nemen van een inhoude-lijke beslissing», dient te (laten) verrichten? Hoe wordt gewaarborgd dat alhet noodzakelijk onderzoek daadwerkelijk wordt gedaan?456. Zie het antwoord op vraag 452.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11339 (457) Wordt voor de functie van voorzitter tijd vrijgemaakt dan wel is ercapaciteit binnen de Rechtspraak om regie voorafgaand aan hetonderzoek ter terechtzitting door de voorzitter te bewerkstelligen?457. De versterking van de regierol van de voorzitter maakt onderdeel uitvan de voorstellen die zijn gericht op een betere voorbereiding van devervolgingsbeslissing en – indien de zaak ter berechting wordt aange-bracht – de terechtzitting (samen ook wel aangeduid als de «bewegingnaar voren»).De versterking van de regierol van de voorzitter ter voorbereiding van deterechtzitting vormt een werklastverzwaring (zie daarover het antwoordop vraag 453). Door de Rechtspraak zal in samenspraak met de andereorganisaties in de strafrechtketen waar nodig worden voorzien in nieuwewerkprocessen. Daarin kunnen de verkeerstorens desgewenst ook eenondersteunende rol vervullen. Zie verder het antwoord op vraag 50,waarin wordt ingegaan op de verwachte gevolgen van het nieuwewetboek voor de werklast en de organisatie van de rechtspraak. Hetgeenin dat antwoord is vermeld met betrekking tot de benodigde versterkingvan (de kabinetten van) de rechters-commissarissen, geldt ook voor deorganisatie van de zittingsvoorbereiding.(458) De rapporteurs hebben enkele vragen over de rol en de positie vande verdediging. Ontstaan er voor de verdachte niet te gemakkelijk te veelhindernissen om vroegtijdig verzoeken tot getuigenverhoren in te dienen?Is voldoende gegarandeerd dat hij tijdig en voldoende volledige toegangheeft tot de processtukken? In hoeverre kan van de verdachte, in hetbijzonder de verdachte zonder raadsman, worden gevergd dat hij tijdig envoldoende initiatief neemt om onderzoek te laten verrichten en daartoeverzoeken in te dienen?458. Met het wetsvoorstel wordt beoogd om de verdachte te stimulerenen in staat te stellen om tijdig onderzoekswensen in te dienen. Alvoorafgaand aan het eerste verhoor wordt de verdachte hierover voor heteerst geïnformeerd en het wetsvoorstel bevat aanvullende voorschriftenom het vroegtijdig indienen van onderzoekswensen te bevorderen. Zo isde rechter-commissaris, als gevolg van het doorbreken van de negentig-dagenregel, gedurende een langere periode en ononderbroken bevoegdonderzoek te doen. Zie ook het antwoord op vraag 84 en vraag 368. Op devoorschriften die waarborgen dat de verdediging tijdig en volledigetoegang krijgt tot de processtukken – wat zal bijdragen aan het (tijdig)formuleren van adequate onderzoekswensen – wordt ingegaan in hetantwoord op vraag 158. Deskundige rechtsbijstand draagt bij aan en isdoorgaans nodig voor het tijdig indienen van (voldoende onderbouwde)onderzoekswensen door de verdachte. Voor verdachten tegen wie eenbevel tot voorlopige hechtenis is afgegeven wordt door de raad voorrechtsbijstand een raadsman aangewezen die voor de verdachte kosteloosis. In geval van verdachten op vrije voeten is het uitgangspunt is dat dekosten voor rechtsbijstand in beginsel voor eigen rekening komen.Verdachten die verminderd draagkrachtig zijn hebben de mogelijkheid ombij de raad voor rechtsbijstand een aanvraag voor gesubsidieerderechtsbijstand (een toevoeging) in te dienen. Als deze wordt toegekend,worden de kosten voor rechtsbijstand gedragen door de overheid en is deverdachte alleen een eigen bijdrage verschuldigd. Op dit moment is dehoofdregel van het beleid van de raad voor rechtsbijstand dat eentoevoeging aan een verdachte op vrije voeten pas wordt afgegeven vanafhet moment dat de verdachte de dagvaarding heeft ontvangen. Om bij tedragen aan de met dit wetboek beoogde «beweging naar voren», endaarmee aan het tijdig indienen van eventuele onderzoekswensen bij derechter-commissaris, wordt voor verdachten die zich in vrijheid bevindenonderzocht of het moment waarop zij een aanvraag voor gesubsidieerderechtsbijstand kunnen indienen, kan worden vervroegd. Om bij te dragenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11340 aan de met dit wetboek beoogde «beweging naar voren», is bijvoorbeelddenkbaar dat het beleid van de raad voor rechtsbijstand op dit punt zalworden aangepast, zodat een toevoeging al na het eerste verhoor van deverdachte kan worden verstrekt. Zie nader het antwoord op de vragen 93en 205. Daarbij kan worden aangetekend dat elke verdachte voorafgaandaan het eerste verhoor wordt geattendeerd op het recht op rechtsbijstanden op het recht op onderzoekswensen bij de rechter-commissaris in tedienen. Voor de verdachte die tijdens het vooronderzoek desondanks(nog) geen raadsman heeft, vormt de aan hem betekende procesinleidingwaarin wordt aangekondigd dat de zaak aan de rechter is voorgelegd eenaansporing zich desgewenst van (gesubsidieerde) rechtsbijstand tevoorzien. Zoals gezegd beogen alle voorgestelde maatregelen testimuleren dat de verdediging wensen tot nader onderzoek tijdig kenbaarmaakt. Bij een verdachte die niet van rechtsbijstand is voorzien moetermee rekening worden gehouden dat hij de mogelijkheden en te makenafwegingen wellicht niet overziet. In zo’n geval zal de rechter er alert opzijn dat de verdedigingsrechten kunnen worden uitgeoefend en dat eeneerlijk proces gewaarborgd blijft. De rechter heeft een actieve rol en zalnader onderzoek gelasten indien dat noodzakelijk is voor een volledigonderzoek en een zorgvuldige beslissing. Zie daarover het antwoord opvraag 452.(459) De rapporteurs hebben enkele vragen over de beoogde bewegingnaar voren. Heeft de regering met de beoogde beweging naar voren enhet «trechtermodel» bij getuigenverhoren willen inzetten op een sterkereverantwoordelijkheid voor de verdachte om zelf (tijdig) voor tegenspraakin de strafprocedure te zorgen dan nu het geval is?459. Zie het antwoord op vraag 92 en vraag 452.(460) Hoe verhoudt de beweging naar voren zich tot de eindverantwoor-delijkheid van de zittingsrechters voor de inhoudelijke juistheid vanbeslissingen? Zijn de afwegingsmogelijkheden en criteria voor de rechterin dit kader voldoende duidelijk en legitiem en zijn ze te controleren?460. De voorstellen die als de «beweging naar voren» worden aangeduid,bevorderen dat het onderzoek op de terechtzitting zo goed mogelijk wordtvoorbereid. Gestimuleerd wordt dat zo snel mogelijk wordt onderkendwelk (nader) onderzoek nodig is in het belang van de volledigheid enevenwichtigheid van het opsporingsonderzoek en dat dit onderzoek zospoedig mogelijk plaatsvindt. Dit gebeurt zowel door de ruimeremogelijkheden tot onderzoek door de rechter-commissaris tijdens hetopsporingsonderzoek als door de geboden mogelijkheden van dezittingsrechter en de verdediging om de zitting adequaat voor te bereidenin de aanloop naar de inhoudelijke behandeling van de zaak.Aan een goede voorbereiding van de inhoudelijke behandeling draagt ookde regeling voor de beoordeling van getuigenverzoeken bij, die uitgaatvan twee criteria in een zogenoemd trechtermodel, waarbij verzoeken omeen getuige te horen aanvankelijk ruimhartig worden beoordeeld,namelijk bij indiening na ontvangst van de procesinleiding binnen dedaarvoor in de wet bepaalde (en eventueel door de voorzitter verlengde)termijn, en strenger worden getoetst bij indiening na het verstrijken vandie termijn, wanneer wordt overgegaan tot het inplannen van deinhoudelijke behandeling. In de nieuwe regeling is het toepassingsbereikvan beide criteria verduidelijkt. Dit bevordert dat getuigenverzoeken zospoedig mogelijk en binnen de in de wet opgenomen termijn wordeningediend.De voorzitter kan voorafgaand aan de terechtzitting verzoeken van deverdachte inwilligen om getuigen op te roepen voor de terechtzitting of tedoen verhoren door de rechter-commissaris. Ook kan de voorzitterTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11341 overleg voeren met de officier van justitie en de verdachte, en eenschriftelijke ronde of een regiezitting inlassen ter voorbereiding van deinhoudelijke behandeling. De strafzaak kan zo beter voorbereid wordeningepland voor inhoudelijke behandeling en de kwaliteit daarvan wordtdaarmee verbeterd. Tegelijkertijd blijft de zittingsrechter ook in het nieuwewetboek eindverantwoordelijk voor de volledigheid van het onderzoek ende juistheid van de genomen beslissingen. Hij kan nader onderzoekbevelen indien hij dat in het belang van een behoorlijke behandeling vande zaak noodzakelijk acht. Zie daarover het antwoord op vraag 452.Aan die eindverantwoordelijkheid van de zittingsrechter (ook als het gaatom een meervoudige kamer) wordt met deze voorzittersbeslissingen geenafbreuk gedaan omdat de regeling zodanig is vormgegeven dat geenonomkeerbare afwijzende of sterk omstreden beslissingen wordengenomen. De voorzitter kan verzoeken inwilligen, maar hij neemt geen(definitieve) afwijzende beslissingen. Betreft het bijvoorbeeld een verzoektot het oproepen van een getuige of deskundige voor de terechtzitting datbinnen de daarvoor gestelde termijn is gedaan, dan wordt een verzoek datdoor de voorzitter niet is ingewilligd bij herhaling op de terechtzittingbeoordeeld aan de hand van het verdedigingsbelang (artikel 4.2.19) envolgt een beslissing van de zittingscombinatie. Ook is voorzien in eenvereiste van instemming van partijen indien de voorzitter besluit eengetuige van wie oproeping voor de terechtzitting is verzocht, voor verhoornaar de rechter-commissaris te verwijzen.Wanneer de rechtbank na afloop van de inhoudelijke behandeling naberaadslaging vonnis wijst, waarborgen de bewijs- en motiveringsvoor-schriften dat de beslissing steekhoudend, inzichtelijk en dus contro-leerbaar is. Deze is in de meeste gevallen vatbaar voor hoger beroep encassatie. In de schriftuur en eventuele aanvullende schriftuur kunnen allerelevante beslissingen en motiveringen aan de kaak worden gesteld. Ookkan bij gelegenheid van hoger beroep opnieuw nader onderzoek wordengedaan.Al met al voorziet het nieuwe wetboek in duidelijke en controleerbareafwegingsmogelijkheden en criteria voor de rechter.(461) In hoeverre is de verwachting dat de beoogde beweging naar vorende doorlooptijden ook daadwerkelijk zal bekorten?461. Zie het antwoord op vraag 368.(462) De leden van de VVD-fractie stellen dat in maart 2023 de structureleuitvoeringsconsequenties van het nieuwe Wetboek van Strafvordering inkaart zijn gebracht, voor zover dat op dat moment mogelijk was. Is deregering bereid een nieuwe versie van deze bijlage naar de Kamer testuren bij de nota naar aanleiding van het verslag, waarin de recenteinzichten over de uitvoeringsconsequenties nader worden toegelicht?462. Sinds de indiening van het onderhavige wetsvoorstel is in keten-verband verder gewerkt aan het in kaart brengen van de structureleuitvoeringsconsequenties. Momenteel worden de effecten onderzocht vanonderwerpen uit het voorstel voor de eerste aanvullingswet. Het op ditmoment toezenden van het overzicht waarin de resultaten van onderzoekzijn vastgelegd, zou een nog onvolledig beeld van de uitvoeringsconse-quenties geven. Daarom wordt, zoals aangekondigd in de memorie vantoelichting (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 81), de voorkeurgegeven aan het sturen van een nieuw overzicht als bijlage bij dememorie van toelichting voor de invoeringswet. Dit overzicht zal eentotaalbeeld geven van de uitvoeringsconsequenties van alle wetsvoor-stellen die tezamen het nieuwe wetboek zullen vormen.(463) Valt in dat kader ook al iets te zeggen over de eerste uitkomsten vande pilots die zijn gestart met de Innovatiewet Strafvordering?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11342 463. In het voorgaande is in een aantal antwoorden de InnovatiewetStrafvordering aan de orde gekomen (zie onder meer de antwoorden opde vragen 27, 63, 81, 183, 185, 206, 215 en 327). De Innovatiewet Strafvor-dering is op 1 oktober 2022 in werking getreden (Stb. 2022, 362). Met deInnovatiewet wordt vooruitgelopen op het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering door vijf nieuwe onderwerpen alvast te beproeven in de praktijk.Twee jaar na de inwerkingtreding van de Innovatiewet (1 oktober 2024) zaleen evaluatierapport verschijnen onder auspiciën van het WODC. Datevaluatierapport zal inzichten die zijn opgedaan in de pilots bevatten overde toepassing, opbrengsten en eventuele knelpunten van de nieuwemogelijkheden. De uitkomsten van deze evaluatie worden aan de TweedeKamer toegezonden en zullen indien deze uitkomsten daartoe aanleidinggeven via de tweede aanvullingswet in het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering worden verwerkt.De pilots lopen tot 1 oktober 2024. Op basis van de uitkomsten van deevaluatie kan worden besloten een of meerdere pilots te verlengen. DeInnovatiewet Strafvordering geldt immers tot 1 oktober 2025. Het WODCheeft voor de evaluatie van de pilots mediation en prejudiciële vragen eenteam van de Universiteit Utrecht in samenwerking met de RadboudUniversiteit gecontracteerd. De andere drie pilots (gegevens na inbeslag-neming, audiovisuele registratie en hulpofficier van justitie) wordengeëvalueerd door een onderzoeksbureau Dialogic in samenwerking metonderzoeker mr. dr. B. de Wilde. De onderzoekers zijn in het najaar van2023 gestart met de evaluatieonderzoeken. Op de resultaten van deevaluatie kan niet worden vooruitgelopen. Wel kan in algemene zinworden opgemerkt dat de voortgang binnen het evaluatietraject naarwens verloopt en dat mede door de relatief korte onderzoeksperiode vantwee jaar de evaluatie naar verwachting een meer kwalitatieve focus zalgaan hebben.(464) De leden van de GroenLinks-PvdA fractie geven aan dat door dewens om in het strafproces «de beweging naar voren» te maken dit ookgevolgen kan hebben voor de verdachte. Zeker als die zich niet laatbijstaan door een raadsman en zich onvoldoende bewust is van het feitdat als het onderzoek ter terechtzitting is begonnen dat dan aanvullendeeisen ten aanzien van getuigenverhoren moeilijker te vervullen zullen zijn.In hoeverre is het voorziene trechtermodel waarin de beoordeling vanverzoeken tot oproeping van getuigen en deskundigen steeds strengerwordt in het nadeel van de verdachte? Kan de regering hier op ingaan?Hoe wordt gegarandeerd dat de verdachte tijdig en voldoende volledigetoegang tot de processtukken krijgt?464. Zie over de «beweging naar voren», het trechtermodel en de positievan de verdachte, ook indien deze niet is voorzien van rechtsbijstand, hetantwoord op de vragen 92 en 452. Zie over de tijdige en volledige toegangtot de processtukken het antwoord op vraag 158.1.1 Procesinleiding en voorbereiding van de terechtzitting (465) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van deintroductie van de «procesinleiding» in het wetboek. De officier vanjustitie brengt deze uit aan de voorzitter van de strafkamer die zo in degelegenheid wordt gesteld om de behandeling van de zaak voor tebereiden en te bekijken wat nog moet gebeuren om de zaak gereed temaken voor de behandeling ter terechtzitting. Deze leden vragen of ditbetekent dat voortaan alleen de voorzitter bepaalt of een zaak «zittings-klaar» is. Heeft de officier van justitie hier geen rol meer in?465. Zie het antwoord op vraag 453.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11343 (466) De leden van de D66-fractie lezen dat, met het indienen van deprocesinleiding, de officier van justitie ook alle processtukken terbeschikking stelt aan de verdachte. Deze leden vragen of dit er, naarverwachting, in de praktijk voor zal zorgen dat de verdachte het volledigedossier eerder of later tot zijn beschikking heeft dan nu het geval is.Voornoemde leden verwijzen op dit punt ook naar de opmerking van deNOvA, die stelt dat van de nieuwe regeling geen prikkel uitgaat tot hetvroegtijdig verstrekken van de processtukken aan de verdachte. Het zouvolgens deze leden onwenselijk zijn als de (informatie)positie van deverdediging er door de nieuwe regeling op achteruit gaat. Kan de regeringhier op reageren?466. Om te bevorderen dat ter voorbereiding van de verdediging op deterechtzitting vlot kan worden kennisgenomen van de processtukken isbepaald dat de officier van justitie op het moment dat hij de procesin-leiding indient en aan de verdachte doet betekenen, tevens actief (dus nietpas na een verzoek daartoe) de processtukken ter beschikking stelt aan deverdachte en/of zijn raadsman. Om de beschikking te krijgen over devolledige processtukken moet vooral een niet-gedetineerde verdachte inde huidige situatie na ontvangst van een dagvaarding drie stappen zetten,namelijk (veelal) eerst rechtsbijstand zoeken, vervolgens het opvragen vanprocesstukken door de raadsman en na ontvangst en bestudering van deprocesstukken het indienen van onderzoekswensen door de raadsman.Met dit voorstel tot actieve verstrekking van de processtukken komt detweede stap, het opvragen van processtukken, te vervallen (artikel 4.1.1,vijfde lid). Voor gedetineerde verdachten geldt dat zij doorgaans eerder debeschikking krijgen over (aanvullende delen van) het procesdossier tervoorbereiding op de zitting ter periodieke toetsing van de voorlopigehechtenis. Ook voor deze categorie verdachten geldt dat voor zover er nogprocesstukken zijn die hem niet in het kader van de periodieke toetsingvan de voorlopige hechtenis waren verstrekt, hem deze bij gelegenheidvan de procesinleiding ter beschikking moeten worden gesteld.Met het wetsvoorstel wordt voor wat betreft het recht op kennisnemingvan processtukken voortgebouwd op de doelstelling van de Wetherziening regels betreffende de processtukken in strafzaken(Stb. 2011, 601), die inhoudt dat de verdachte zo vroeg mogelijk in staatmoet worden gesteld zijn recht op kennisneming te kunnen effectuerenzodat hij wordt geïnformeerd over het verloop en de resultaten van hetopsporingsonderzoek. Om dit te bewerkstelligen en mede om tegemoet tekomen aan de door de NOvA geuite zorgen en naar aanleiding van hetadvies van de Afdeling advisering van de Raad van State op dit punt,voorziet het wetsvoorstel ten opzichte van de huidige regeling, naast hethiervoor genoemde ter beschikking stellen van de processtukken tegelijkmet indiening van de procesinleiding, in aanvullende voorschriften. Ziehierover het antwoord op vraag 158.(467) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de regelingomtrent het doen van getuigenverzoeken door de verdachte en dehoofdregel dat deze verzoeken moeten worden gemotiveerd. Deze ledenconstateren dat de zogenoemde Keskin-uitzondering niet in de wettelijkeregeling wordt gecodificeerd, omdat dit de wettelijke regeling complexerzou maken. Voornoemde leden vragen of het niet juist is aangewezen omdeze, ten behoeve van het overzicht en inzichtelijkheid, wel te codificeren,ook omdat een van de doelen van de modernisering het codificeren vanrechtspraak is. Is de regering bereid op dit punt een heroverweging temaken? Zo nee, waarom niet?467. Het nieuwe wetboek heeft als ambitie om een adequate weergave tevormen van het geldende strafprocesrecht. Om die reden is inderdaadoverwogen om – in lijn met de Keskin-rechtspraak van het EHRM – in dewet tot uitdrukking te brengen dat een verzoek tot het horen van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11344 belastende getuige ten aanzien van wie de verdediging nog geen eerderegelegenheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, nietkan worden afgewezen op de enkele grond dat het verzoek onvoldoendeis onderbouwd. Daarvan is echter om twee met elkaar samenhangenderedenen afgezien. De eerste is dat in het Nederlandse wettelijke stelselgeen onderscheid wordt gemaakt tussen belastende en ontlastendegetuigen. Zoals is beschreven in de memorie van toelichting (Kamer-stukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 912 e.v.) zou codificatie van deKeskin-regel daarom minder goed in dat wettelijke stelsel passen. Detweede reden is dat de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad overde reikwijdte van de «Keskin-regel» nog niet is uitgekristalliseerd. Deogenschijnlijk heldere regel geldt in een aantal gevallen niet of nietonverkort en in een aantal gevallen is nog niet duidelijk of deze in diegevallen (onverkort) geldt. Denk aan zogenaamde rechtmatigheidsge-tuigen, getuigen die belastend hebben verklaard over de afwezigheid vaneen strafuitsluitingsgrond, belastende getuigen in een ontnemingszaak enbelastende verklaringen van een deskundige. Bij een keuze voor codifi-catie zouden dus uitzonderingen moeten worden toegelaten waardoor deregeling als geheel complex zou worden en het risico zou lopen – tegende achtergrond van de zich ontwikkelende rechtspraak – verhoudings-gewijs snel achterhaald te raken. De keuze om de «Keskin-regel» niet tecodificeren sluit aan bij het algemene streven naar een wettelijke regelingdie de verhouding tot het EVRM optimaliseert (zie hierover paragraaf 5 inhet algemeen deel van de memorie van toelichting, Kamerstukken II2022/23, 36 327, nr. 3, p. 38 e.v.). Daaruit vloeit voort dat wordt afgezienvan nadere wettelijke normering waar deze naast de verdragsrechtelijkeminder wenselijk voorkomt. Om deze redenen ziet de regering geenaanleiding tot heroverweging van de gemaakte keuze.(468) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat artikel 4.1.5 deschriftelijke ronde regelt die mede aan de verbetering van de kwaliteit vande inhoudelijke behandeling kan bijdragen. Als al voorafgaand aan hetonderzoek ter terechtzitting duidelijk wordt wat de punten zijn die terterechtzitting aandacht behoeven kan dat de terechtzitting verbeteren ende voortgang daarvan wellicht bevorderen. Echter, zo menen de aan hetwoord zijnde leden, mag het perspectief van het slachtoffer in het verbandvan een eventuele schriftelijke ronde niet uit het oog verloren worden. Zoachten deze leden het niet wenselijk dat in een schriftelijke ronde eenvordering van de benadeelde partij aan de orde komt terwijl diebenadeelde of diens vertegenwoordiger daarbij niet betrokken was.Daarmee komt het recht op hoor en wederhoor in het geding en kan hetgebeuren dat de benadeelde pas ter zitting komt te weten wat eerder overde vordering in de schriftelijke ronde al is gewisseld. Deze hebbenhierover de volgende vragen. Zo willen zij graag weten of en zo ja, opwelke manier en op welk moment het slachtoffer c.q. de benadeeldegeïnformeerd wordt over de beslissing van de voorzitter over het al danniet inlassen van een schriftelijke ronde. Hoe kan het slachtoffer vantevoren kenbaar maken dat diegene meent dat er contra-indicaties zijnvoor het houden van een schriftelijke ronde? Hoe wordt het slachtofferbetrokken bij een dergelijke schriftelijke ronde, aangezien naar de meningvan de aan het woord zijnde leden de betrokkenheid van het slachtoffer bijeen vordering van de benadeelde partij of als er andere slachtofferrechtenin het geding zijn gewenst is.468. De voorzitter krijgt in artikel 4.1.5 de bevoegdheid om de officier vanjustitie en de verdachte voorafgaand aan het onderzoek op de terecht-zitting in de gelegenheid te stellen tot een schriftelijke uitwisseling vanstandpunten. De inhoudelijke behandeling op de terechtzitting kan dooreen voorafgaande schriftelijke ronde worden bekort en worden toege-spitst op hetgeen de procespartijen verdeeld houdt. Dit bevordert dekwaliteit van de inhoudelijke discussie. Deze stukkenuitwisseling kan erTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11345 bijvoorbeeld aan bijdragen dat duidelijk wordt wat de (geschil)punten zijndie tijdens het onderzoek op de terechtzitting (extra) aandacht behoeven.Het kan bij een schriftelijke wisseling van standpunten om heel diverseonderwerpen gaan. Het kan bijvoorbeeld gaan om rechtsvragen waarovereen mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting veel tijd vergt en totdiscussie kan leiden, zoals vragen over rechtsmacht, de toepasselijkheidof uitleg van (complexe) regelgeving of vragen over rechtshulp ofinternationaal recht. De uitwisseling van standpunten kan ook nuttig zijnin het geval van door (een groot aantal) benadeelde partijen ingediendevorderingen tot schadevergoeding. Mogelijk kan door deze werkwijzeworden voorkomen dat vorderingen van benadeelde partijen in bepaaldegevallen een onevenredige belasting opleveren voor de behandeling vande zaak, zodat zij niet-ontvankelijk moeten worden verklaard(artikel 1.5.11, tweede lid). De voorgestelde tekst van artikel 4.1.5 voorzietechter niet in de mogelijkheid voor de voorzitter om de benadeelde partijin de gelegenheid te stellen om schriftelijke standpunten over haarvordering tot schadevergoeding uit te wisselen met de andere procespar-tijen. Hetzelfde geldt voor dezelfde bevoegdheid van de rechtbank inartikel 4.2.29 (voor de fase na aanvang van het onderzoek op de terecht-zitting). Weliswaar wordt onder de «procespartijen» op grond vanartikel 4.4.3 ook de benadeelde partij die zich heeft gevoegd begrepen,maar die term wordt in de artikelen 4.1.5 en 4.2.29 niet gehanteerd. Dezeartikelen vermelden alleen de officier van justitie en de verdachte. Dezeleemte wordt bij gelegenheid van de eerste aanvullingswet opgevuld dooraanvulling van de schakelbepaling in Boek 4, Titel 4.1, betreffende devordering van de benadeelde partij (artikel 4.4.3), zodat ook debenadeelde partij door de voorzitter of de rechtbank in de gelegenheidkan worden gesteld tot deelname aan een schriftelijke ronde voor zoverdeze haar vordering tot schadevergoeding betreft.Tijdens het onderzoek op de terechtzitting moeten de uitgewisseldestukken en de daarin ingenomen standpunten ter sprake worden gebracht(artikel 4.2.31, vijfde lid). Dit is van groot belang in verband met hetbeginsel van (externe) openbaarheid van het strafproces. Ook zullen deschriftelijke standpunten bij de processtukken worden gevoegd. Langsdeze wegen wordt ook het slachtoffer dat als toehoorder of spreekgerech-tigde bij de terechtzitting aanwezig is, of dat kennisneemt van deprocesstukken, geïnformeerd over hetgeen gewisseld is in de schriftelijkeronde. Een eerdere of nadere betrokkenheid van het slachtoffer wordt nietaangewezen geacht, aangezien het slachtoffer als zodanig immers geenprocespartij is. Een schriftelijke ronde doet bovendien geen afbreuk aande rechten van het slachtoffer, zoals het spreekrecht en het recht opkennisneming van de processtukken. Overigens vormt de door slacht-offers geuite wens om bij de terechtzitting aanwezig te zijn een contra-indicatie waarop de voorzitter acht moet slaan bij zijn afweging of hij eenschriftelijke ronde zal inlassen. Deze wens is immers een indicatie dat debehandeling van alle facetten van de strafzaak op een openbare terecht-zitting in het desbetreffende geval de voorkeur verdient. Bij de bedoeldeafweging kan de rechtbank rekening houden met de aard en inhoud vande punten die onderwerp zijn van de schriftelijke ronde, bijvoorbeeld alshet technische materie betreft die de positie van het slachtoffer niet raakt.(469) In dit verband zouden de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie ookwillen wijzen op hetgeen het Fonds Slachtofferhulp aan heeft gedragen,namelijk dat het enkel vastleggen van slachtofferrechten in lagere wet- ofregelgeving zoals het Landelijk Aanhoudingenprotocol voor de Recht-spraak of aanwijzingen van het OM in de praktijk niet afdoende blijkt tezijn om te waarborgen dat slachtoffers gebruik kunnen maken van hunspreekrecht of een vordering benadeelde partij kunnen toelichten.Geopperd wordt dat met het invoeren van een zelfstandig aanwezigheids-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11346 recht in het Wetboek van Strafrecht dit voorkomen zou kunnen worden.Kan de regering hierop ingaan?469. Vooropgesteld moet worden dat het wetboek wel degelijk voorziet inadequate waarborgen en oproepingsvereisten die het slachtoffer dataanwezig wenst te zijn bij de terechtzitting daartoe zoveel mogelijk in degelegenheid stellen. Om te beginnen is vastgelegd dat het slachtoffer opde hoogte wordt gesteld van de plaats, de datum en het tijdstip van deterechtzitting (artikel 1.5.4, eerste lid, onderdeel f). De officier van justitieroept het slachtoffer dat daarom heeft verzocht vervolgens voor deterechtzitting op (artikel 4.1.11, derde lid). Datzelfde geldt voor despreekgerechtigde en – op grond van artikel 4.4.3 – voor de benadeeldepartij die daarom heeft verzocht. Als de voorzitter beslist dat de behan-deling van de zaak wordt uitgesteld, beveelt hij de oproeping van hetslachtoffer, de spreekgerechtigde en de benadeelde partij (artikel 4.1.14,tweede lid). Indien het onderzoek voor onbepaalde tijd wordt geschorst ofindien het onderzoek wordt heropend, worden deze procesdeelnemersook weer voor de nadere terechtzitting opgeroepen; bij een schorsingvoor bepaalde tijd worden de datum en het tijdstip van hervatting van hetonderzoek aan hen medegedeeld (de artikelen 4.2.57, 4.2.58 en 4.2.67).Ook als de rechtbank de uitspraak vervroegt of uitstelt, worden hetslachtoffer, de spreekgerechtigde en de benadeelde partij daarvan inkennis gesteld (artikel 4.2.66, tweede en derde lid). Voor alle oproepingengeldt dat zij worden betekend, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 1.9.5,eerste lid).Indien het slachtoffer, de spreekgerechtigde of de benadeelde partij nietop de terechtzitting is verschenen, kan de rechtbank bevelen dat hij of zijzal worden opgeroepen om op een nader te bepalen tijdstip op deterechtzitting te verschijnen (artikel 4.2.18, eerste lid). Indien dezepersonen na deze oproeping nogmaals niet verschijnen, kan de rechtbankvan hernieuwde oproeping afzien (artikel 4.2.18, tweede lid).Op deze wijze is voorzien in een evenwichtige wettelijke regeling, dieenerzijds zoveel mogelijk waarborgt dat het slachtoffer op de terecht-zitting aanwezig kan zijn, en waarin anderzijds het belang van eenvoortvarende strafvordering in acht wordt genomen. Uit het landelijkaanhoudingenprotocol van de Rechtspraak blijkt dat de aanwezigheid vanhet slachtoffer (dat daaraan behoefte heeft) uitgangspunt is en dat derechter alleen onder bepaalde omstandigheden zal besluiten dat hijvoldoende is voorgelicht en dus de zaak niet aanhoudt. De rechter neemthet belang van het slachtoffer mee in deze afweging. Er is dan ook geenaanleiding om een zelfstandig aanwezigheidsrecht voor het slachtoffer inde wet op te nemen. Een dergelijk recht zou de positie van het slachtofferdoen verschuiven naar die van procespartij (hetgeen onwenselijk wordtgeacht, zie het antwoord op vraag 114) en zou de beoordelingsruimte vande rechter inperken. De rechter heeft ruimte nodig om af te wegen of dezitting kan worden voortgezet of niet. De rechter weegt in deze beoor-deling alle relevante aspecten mee, waaronder het belang van hetslachtoffer, het belang van de verdachte en het belang van het onderzoek.Indien het onderzoek in alle gevallen waarin het slachtoffer niet verschijntverplicht zou moeten worden geschorst, ook als geen sprake is van een(tijdig en gemotiveerd) bericht van afwezigheid, zou dat ten koste gaanvan een voortvarende procesgang en van een optimale benutting van dezittingscapaciteit. Zie verder de antwoorden op de vragen 123, 125 en 131.(470) De leden van de CDA-fractie begrijpen dat de voorgesteldeconstructie van een schriftelijke ronde in art. 4.1.5 en 4.2.29 kan bijdragenaan de voortvarendheid van het onderzoek ter terechtzitting en daarmeeook tot kortere doorlooptijden. Wel hebben zij vragen over hoe hetperspectief van slachtoffers wordt meegewogen hierin. Deze leden vragenof de regering kan ingaan op de vraag op welke wijze het slachtoffer/deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11347 benadeelde partij wordt geïnformeerd over de schriftelijke ronde, of overde inhoud daarvan in het concrete geval. Kunnen eventuele contra-indicaties worden gecommuniceerd met de voorzitter? Op welke manierwordt het beginsel van hoor en wederhoor meegenomen? Indien deinhoud van de schriftelijke ronde de vordering van de benadeelde partij,dan wel andere slachtofferrechten raakt, hoe wordt die betrokkenheid vanbenadeelden bewerkstelligd?470. Zie de antwoorden op de vragen 468 en 537.1.2 Oproeping voor de terechtzitting en intrekking van de procesinleiding (471) De leden van de VVD-fractie merken op dat in verreweg de meestegevallen slachtoffers voldoende mogelijkheden worden geboden om hunrechten uit te oefenen. Toch vinden er ook zaken plaats waarbij dit niet hetgeval is. Aangezien de wettelijke oproepingsvereisten alleen gelden voorverdachten en niet voor slachtoffers, is het niet mogelijk voor sommigeslachtoffers om hun rechten te effectueren. Kan de regering nader ingaanop de voor- en nadelen van de invoering van een zelfstandig aanwezig-heidsrecht in titel 1.2 voor slachtoffers die zich hebben gesteld?Voornoemde leden vragen of de regering de mening deelt dat introductievan een aanwezigheidsrecht voor slachtoffers ertoe zal leiden dat debestaande regels en afspraken die zijn vervat in het aanhoudingenpro-tocol voor de Rechtspraak en de OM-aanwijzing slachtofferrechten beterzullen worden nageleefd.471. Zie het antwoord op vraag 469. Daar is benadrukt dat wel degelijk isvoorzien in adequate wettelijke oproepingsvereisten, die het slachtofferdat aanwezig wenst te zijn bij de terechtzitting daartoe zoveel mogelijk inde gelegenheid stellen. De betreffende oproepingsvereisten zijn in datantwoord uiteengezet. Ook is daar toegelicht waarom de introductie vaneen zelfstandig aanwezigheidsrecht niet wenselijk wordt geacht.(472) De leden van de CDA-fractie lezen dat naast het toevoegen van eennieuw artikel in Boek 1, een andere mogelijke stok achter de deur is om intitel 4.1 van Boek 4 een artikel toe te voegen dat regelt dat de oproepings-vereisten die gelden voor verdachten zoals vermeld in titel 1.2, eveneensvan toepassing zijn op slachtoffers die zich gesteld hebben. Kan deregering reflecteren op de oproepingsvereisten die in dat geval geldenvoor het slachtoffer?472. Zie de antwoorden op de vragen 469 en 471.2. Het onderzoek op de terechtzitting 2.1 Algemene bepalingen (473) De rapporteurs stellen enkele vragen over het spreekrecht van hetslachtoffer. Hoe dient de voorzitter van de rechtbank om te gaan mettegenstellingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting als gevolg van deuitoefening van het spreekrecht? Wat heeft, in het verlengde hiervan,voorrang: de belangen gemoeid met de uitoefening van de rechten van deverdachte of de belangen gemoeid met de uitoefening van het spreek-recht van het slachtoffer? Zou het wetsvoorstel niet een indicatie moetenbevatten voor de omgang met conflicterende belangen van de verdachteen het spreekgerechtigde slachtoffer?473. Zowel de rechten van de verdachte als de rechten van het slachtoffertijdens het onderzoek op de terechtzitting zijn in het huidige en het nieuweWetboek van Strafvordering vastgelegd. De rechter ziet erop toe dat deverdachte en het slachtoffer hun wettelijk vastgelegde rechten kunnenuitoefenen. Zowel de belangen van de verdachte als die van het slacht-offer, die verbonden zijn aan de uitoefening van hun rechten, moetentijdens het onderzoek op de terechtzitting aan de orde komen. Er kan geenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11348 sprake zijn van het verlenen van voorrang in die zin dat de ene proces-deelnemer zijn rechten wel volledig zou kunnen uitoefenen en de andereniet.Tegenstellingen kunnen bijvoorbeeld ontstaan als het slachtoffer bij zijninbreng opmerkingen maakt die belastend zijn voor de verdachte en zichdaarbij beroept op feiten of omstandigheden die volgens het slachtoffertot bewijs dienen. De verdachte kan de voorzitter van de rechtbank danverzoeken het slachtoffer als getuige te beëdigen en te verhoren. Hetslachtoffer dient met die mogelijkheid rekening te houden als hij hetspreekrecht uitoefent.De wet structureert het onderzoek op de terechtzitting en voorziet erin datde belangen van de verschillende procesdeelnemers naar voren kunnenworden gebracht. De volgorde waarin de procesdeelnemers aan hetwoord komen tijdens het onderzoek op de terechtzitting is vastgelegd inartikel 4.2.62. Nadat de verdachte en de aanwezige getuigen en deskun-digen zijn verhoord en het spreekrecht is uitgeoefend, houdt de officiervan justitie zijn requisitoir met zijn vordering ten aanzien van de door derechter te nemen beslissingen. De officier van justitie legt zijn vorderingna voorlezing aan de rechtbank over. De verdachte krijgt na het requisitoirvan de officier van justitie gelegenheid voor pleidooi. Hij kan daarbijaanvoeren wat hij voor zijn verdediging van belang vindt. De officier vanjustitie kan in zijn requisitoir ingaan op hetgeen het slachtoffer naar vorenheeft gebracht en ook de verdachte kan hierop in zijn pleidooi reageren.De voorzitter van de rechtbank heeft de leiding over het onderzoek op deterechtzitting en bewaakt de orde. Hij geeft daartoe de nodige bevelen(artikel 4.2.5, eerste lid). Verder kan de rechter vragen stellen over deverklaring die de spreekgerechtigde heeft afgelegd waarna nadere vragenvan de officier van justitie of de verdachte door zijn tussenkomst moetenworden gesteld. De geschetste wettelijke bepalingen stellen de rechter instaat om erop toe te zien dat met tegenstellingen tussen verdachte enslachtoffer en met conflicterende belangen zorgvuldig en evenwichtigwordt omgegaan. De aanpak die hij volgt zal afhangen van de omstandig-heden die zich in een concreet onderzoek op de terechtzitting voordoen.Een wettelijke indicatie voor de omgang met conflicterende belangen isdaarvoor niet nodig en zou een ongewenste inkadering van de rechterlijkevrijheid kunnen vormen.In 2022 is de uitwerking van (niet-wettelijke) kaders voor de rechter bijuitoefening van het spreekrecht aan de orde gesteld. Slachtoffers mogenzich sinds de inwerkingtreding op 1 juli 2016 van de Wet uitbreidingspreekrecht slachtoffers en nabestaanden in het strafproces onbelemmerduitlaten over de onderwerpen waarover zij graag willen spreken. In 2022 iseen onderzoeksrapport gepubliceerd ten aanzien van deze uitbreiding vanhet spreekrecht («Evaluatie wet uitbreiding spreekrecht slachtoffers ennabestaanden in het strafproces»; https://repository.wodc.nl/handle/20.500.12832/3243). Hieruit blijkt dat slachtoffers zich als gevolg van hetonbelemmerde spreekrecht meer erkend en serieus genomen voelen inhet strafproces. Rechters vinden het soms wel lastig om de balans tebewaren tussen het slachtoffer de ruimte geven om zijn verhaal te doenen het slachtoffer indien nodig te begrenzen. De belangrijkste aanbevelinguit dit rapport is het toevoegen van kaders aan het onbelemmerdespreekrecht, bijvoorbeeld over het wel of niet tonen van foto’s en filmpjesdoor de spreekgerechtigden, en over de vraag of en wanneer de rechter inkan grijpen. Hierin zou ook aandacht besteed kunnen worden aan hoegereageerd wordt op het spreekrecht. Aanbevolen werd om dit soortkaders op beleidsniveau te introduceren en om genoeg ruimte te latenvoor de rechter om in te spelen op individuele zaakkenmerken. In dereactie op het evaluatierapport aan de Tweede Kamer is aangegeven dathet goed is te investeren in uniformering, waar die nog mogelijk is. GezienTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11349 de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht is deze aanbeveling onderde aandacht gebracht van de Raad voor de rechtspraak (Kamerstukken II2022/23, 33 552, nr. 106). De Rvdr heeft de aanbeveling opgevolgd enaangegeven dat het, conform de aanbeveling uit het WODC onderzoeknaar het onbelemmerd spreekrecht, een beleidskader zal ontwikkelen omde uniformiteit bij het spreekrecht te bevorderen. Dit beleidskader zal naarverwachting eind 2024 gereed zijn.(474) Is de veronderstelling juist dat de verdachte het recht heeft op(volledige) tegenspraak als het slachtoffer gebruik maakt van zijnspreekrecht?474. Ja. De verdachte kan reageren op hetgeen het slachtoffer naar vorenheeft gebracht. Zie het antwoord op vraag 473.(475) Moet de belemmeringsbevoegdheid die de voorzitter indirect heeftvanwege zijn verplichte tussenkomst ten aanzien van vragen van deverdachte en de officier van justitie aan het slachtoffer nader inhoudelijkworden beperkt?475. Nee, daarvoor is geen aanleiding. Het is aan de rechter, die de leidingheeft over het onderzoek op de terechtzitting, om de zorgvuldigheid enevenwichtigheid te bewaken. Artikel 4.2.47, dat ongewijzigd is overge-nomen uit het huidige wetboek, biedt daartoe de ruimte. Zie verder hetantwoord op vraag 473.(476) Kan de voorzitter van de rechtbank het spreekrecht onder omstan-digheden inperken ten behoeve van de beschikbare zittingscapaciteit?476. De voorzitter van de rechtbank kan het spreekrecht alleen inperkenvoor zover de wet dat toestaat. Artikel 4.2.46 betreft de uitoefening vanhet spreekrecht tijdens het onderzoek op de terechtzitting. Degene die opgrond van artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen, krijgt degelegenheid om een verklaring af te leggen. Indien meer dan drieindirecte slachtoffers hebben meegedeeld dat zij van hun spreekrechtgebruik willen maken, en zij het onderling niet eens kunnen worden overwie van hen het woord zal voeren, beslist de voorzitter welke driepersonen van het spreekrecht gebruik kunnen maken. Deze bevoegdheidbiedt de voorzitter de mogelijkheid om rekening te houden met debeschikbare zittingscapaciteit. De beslissing van de voorzitter laat onverletdat de echtgenoot, geregistreerde partner of een andere levensgezel hetwoord kan voeren ter uitoefening van het spreekrecht.(477) Hoe verhoudt de verruiming van het spreekrecht en de uitbreidingvan de kring van spreekgerechtigden zich tot de maximering van hetaantal indirecte slachtoffers dat daadwerkelijk op zitting het woord magvoeren tot drie personen?477. De maximering van het aantal indirecte slachtoffers is vastgelegd inartikel 4.2.46. Dit artikel betreft ieder die als indirect slachtoffer op grondvan artikel 1.5.8 het spreekrecht kan uitoefenen en dus ook de personenaan wie spreekrecht is toegekend bij de Wet uitbreiding slachtofferrechten(Stb. 2021, 220). Dit betreft een – met de Wet uitbreiding slachtoffer-rechten al in het huidige wetboek doorgevoerde – uitbreiding metstieffamilieleden en andere personen die deel hebben uitgemaakt van hetgezin waartoe het overleden slachtoffer behoorde en in een nauwepersoonlijke betrekking tot het slachtoffer hebben gestaan, zoals ledenvan het pleeggezin waarvan het slachtoffer deel heeft uitgemaakt of ledenvan een gezin met een voogd. De maximering van het aantal indirecteslachtoffers dat van het spreekrecht gebruik kan maken stelt de voorzitterin staat om de benodigde zittingscapaciteit ook bij een verruimde kringvan spreekgerechtigden beheersbaar te houden. Het spreekrecht en dekring van spreekgerechtigden worden in dit wetsvoorstel overigens nietverruimd. Wel wordt overwogen om in de eerste aanvullingswet (naTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11350 consultatie) een hardheidsclausule op te nemen. Dit zou een grondslagbieden aan de rechter om in bijzondere en schrijnende situaties (ook)spreekrecht toe te kennen aan andere personen dan degenen die in eenfamilie- of gezinsrelatie tot het overleden slachtoffer stonden.(478) Wat is de impact van het verruimde spreekrecht en de uitgebreidekring van spreekgerechtigden op de (planning van) zittingscapaciteit?478. Zoals gezegd, worden het spreekrecht en de kring van spreekgerech-tigden in dit wetsvoorstel niet verruimd. De gevolgen voor de zittingsca-paciteit van de in het antwoord op vraag 477 bedoelde verruiming in 2021zullen naar verwachting gering zijn. In veel zaken zal er geen sprake zijnvan stieffamilieleden of andere personen die deel hebben uitgemaakt vanhet gezin waartoe het overleden slachtoffer behoorde en die in een nauwepersoonlijke betrekking tot het slachtoffer hebben gestaan. Als in eenconcreet geval een groot aantal indirecte slachtoffers het spreekrecht wiluitoefenen dan kan de voorzitter op grond van artikel 4.2.46 beslissenwelke drie personen van het spreekrecht gebruik kunnen maken. Hierdoorkan het aantal sprekers worden beperkt en het beslag op de zittingscapa-citeit worden begrensd.(479) In hoeverre is de voorgestelde regeling geschikt als het gaat omgrote aantallen slachtoffers die zich in een strafzaak als benadeelde partijwensen te voegen?479. De benadeelde partij kan zich met haar vordering tot schadever-goeding voegen in het strafproces. Indien en voor zover die vordering eenonevenredige belasting oplevert voor de behandeling van de zaak, is debenadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering (artikel 1.5.11,tweede lid). Of in een concreet geval sprake zal zijn van een onevenredigebelasting staat ter beoordeling van de rechter. De rechter is dus nietverplicht om de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partijen uit tespreken. Binnen de kaders van de (huidige en toekomstige) wettelijkeregeling heeft de rechter ruimte om een afweging te maken, waarbij hijalle omstandigheden van het geval kan betrekken. De veelheid vanvorderingen kan daarbij een factor van betekenis zijn, maar daarnaastkunnen tal van andere factoren een rol spelen, zoals de inhoud van devordering en de aard van de schade. In een strafzaak uit 2019 besliste hetGerechtshof Amsterdam bijvoorbeeld inhoudelijk over 107 schadevergoe-dingsvorderingen (ECLI:NL:GHAMS:2019:1181). Anderzijds is ookrechtspraak bekend waarin het grote aantal vorderingen van slachtoffers– in het betreffende geval 302 vorderingen – zonder meer als eenbelemmering voor behandeling in de strafprocedure werd aangemerkt(ECLI:NL:HR:2006:AU8117). In de literatuur is verdedigd dat het denkbaaris dat een stichting of vereniging namens alle benadeelden van eenverdachte een collectieve schadevergoedingsvordering bij de strafrechterinstelt. Door een gebundelde behandeling van de vorderingen zou hetstrafproces dan niet worden overschaduwd (T.M.C. Arons, «Collectieveactie voor benadeelde partijen in het strafproces?», Tijdschrift voorBijzonder Strafrecht & Handhaving 2023, p. 273 e.v.). Deze mogelijkheidkan in de rechtspraktijk worden beproefd.Als een groot aantal slachtoffers zich als benadeelde partij wenst tevoegen in een strafzaak, zou dat in bepaalde gevallen niettemin kunnenleiden tot een onevenredige belasting en daarmee totniet-ontvankelijkheid. Voor het slachtoffer heeft behandeling van devordering binnen het strafproces belangrijke voordelen, zoals inning vande schadevergoeding door de staat en de toepasselijkheid van devoorschotregeling. Als de vordering niet-ontvankelijk wordt verklaard kanhet slachtoffer met zijn vordering (alleen) nog bij de civiele rechter terecht,waar de genoemde voordelen uit het strafproces niet gelden. De komendeperiode wordt daarom gewerkt aan verbetering van de positie van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11351 slachtoffer door het uitvoeren van een onderzoek naar een systeem voornormering van schadebedragen en door het verkennen van demogelijkheid van een afzonderlijke procedure voor een aparte schadever-goedingskamer. Vorderingen van benadeelde partijen die (gedeeltelijk) tecomplex blijken voor behandeling in het strafproces, zouden dan in eenafgesplitste procedure alsnog inhoudelijk worden behandeld. Zie verderhet antwoord op vraag 450. De genoemde maatregelen kunnen eraanbijdragen dat ook grotere aantallen vorderingen van benadeelde partijenkunnen worden behandeld zonder dat daardoor de strafzaak onevenredigwordt belast.Indien door een groot aantal benadeelde partijen vorderingen zijningediend, kan het verder nuttig zijn dat de voorzitter van de rechtbankvoorafgaand aan de terechtzitting de procespartijen in de gelegenheidstelt tot een schriftelijke uitwisseling van standpunten (artikel 4.1.5). Ookdoor deze vorm van regievoering kan mogelijk worden voorkomen datvorderingen van benadeelde partijen in bepaalde gevallen een oneven-redige belasting opleveren voor de behandeling van de zaak, zodat zijniet-ontvankelijk moeten worden verklaard. De behandeling van dezevorderingen op de terechtzitting kan door een voorafgaande schriftelijkeronde immers worden bekort en worden toegespitst op hetgeen deprocespartijen verdeeld houdt. De voorgestelde tekst van artikel 4.1.5voorziet echter nog niet in de mogelijkheid voor de voorzitter om debenadeelde partij in de gelegenheid te stellen om schriftelijke stand-punten over haar vordering tot schadevergoeding uit te wisselen met deandere procespartijen. Deze leemte zal bij gelegenheid van de eersteaanvullingswet worden opgevuld (zie verder het antwoord op vraag 468).(480) De rapporteurs stellen enkele vragen over het oproepen vangetuigen en deskundigen. Kan de regering de inhoud verduidelijken vanhet in art. 2.10.5 neergelegde relevantiecriterium (voor beoordelingverzoeken door de RC), het criterium van het verdedigingsbelang (art.4.2.19 lid 2 onder c) en het noodzaakcriterium (art. 4.2.49 lid 1) en naderetoelichtingen verschaffen over hun onderlinge verhouding?480. Alle drie de artikelen zien op de beoordeling van de vraag of naderonderzoek gewenst of geboden is, zij het op verschillende momenten inhet strafproces, waardoor de afweging (en het toepasselijke criterium)verschilt. Artikel 2.10.5 gaat over de beoordeling van vorderingen enverzoeken tot het verrichten van onderzoek door de rechter-commissarisgedurende het vooronderzoek. De rechter-commissaris wijst deze toeindien het onderzoek waarom wordt verzocht «redelijkerwijs van belangkan zijn voor de in het kader van de berechting door de rechter te nemenbeslissingen». Dit relevantiecriterium is positief geformuleerd, waarmeewordt beoogd dat de rechter-commissaris, als het ware kijkend door debril van de latere zittingsrechter, «in beginsel welwillend» op dergelijkeverzoeken reageert (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 749).Daarmee wordt bevorderd dat onderzoek dat van belang is voor deinhoudelijke behandeling van en uiteindelijk de beslissingen in de zaak ineen vroeg stadium kan worden verricht. De genoemde artikelen uit Boek 4betreffen de beoordeling van de vraag of getuigen (opnieuw) moetenworden opgeroepen om te worden verhoord nadat de berechting isaangevangen. De beoordeling van een verzoek daartoe is dan afhankelijkvan de fase waarin dat verzoek wordt gedaan. Dit is ook wel aangeduidmet het «trechtermodel»: aanvankelijk worden ruime mogelijkhedengeboden om getuigenverzoeken te doen en worden deze ruimhartigbeoordeeld, en wanneer deze mogelijkheden onbenut worden gelaten,komt er meer ruimte om de verzoeken af te wijzen (Kamerstukken II2022/23, 36 327, nr. 3, p. 908). Artikel 4.2.19 gaat over getuigen ten aanzienvan wie de verdediging tijdig (dat wil zeggen: binnen de in de wetaangeduide en eventueel door de voorzitter verlengde termijn inTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11352 artikel 4.1.4, derde lid) heeft verzocht om oproeping, maar die niet zijnverschenen op de terechtzitting, omdat de getuige aan een oproepinggeen gehoor heeft gegeven, omdat de officier van justitie de oproepingheeft verzuimd, of omdat het verzoek door de voorzitter voorafgaand aande terechtzitting niet is ingewilligd en de verdachte het verzoek herhaalt.De rechtbank kan onder meer afzien van de oproeping of hernieuwdeoproeping van getuigen op de grond dat «redelijkerwijs valt aan te nemendat daardoor het openbaar ministerie niet in zijn vervolging of deverdachte niet in zijn verdediging wordt geschaad» (artikel 4.2.19, tweedelid, onder c). Indien de verdediging tijdig een getuigenverzoek doet, leidtdit verdedigingsbelangcriterium tot een ruimhartige beoordeling.Daarnaast kan de rechtbank op ieder moment tijdens het onderzoek op deterechtzitting getuigen oproepen indien zij dit «in het belang van eenbehoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht» (aangeduid als hetnoodzaakcriterium). Dit is een ambtshalve bevoegdheid van de rechtbankdie verband houdt met verantwoordelijkheid van de zittingsrechter voorde volledigheid van het onderzoek op de terechtzitting en de juistheid vande genomen beslissingen, en de behandeling van de zaak overeenkomstigde eisen van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). Tot gebruikmaking vandie ambtshalve bevoegdheid kan evenwel ook een vordering of eenverzoek worden gedaan (artikel 4.2.6). De beoordeling of een verzoek opbasis van dit criterium moet leiden tot de inzet van deze bevoegdheid, isin beginsel strenger dan de beoordeling aan de hand van hetverdedigings- of vervolgingsbelang, maar biedt ruimte om rekening tehouden met eventuele omstandigheden die maken dat het niet aan deverdediging te wijten is dat het verzoek in een zo laat stadium wordtgedaan. In dat laatste geval zal ook de beoordeling aan het noodzaakcri-terium ertoe moeten leiden dat het verzoek wordt ingewilligd.Tezamen en in onderlinge samenhang bevorderen deze bepalingen de«beweging naar voren», waarbij het onderzoek zoveel mogelijk plaats-vindt voorafgaand aan de terechtzitting, althans dat verzoeken tot hetdoen van (nader) onderzoek zoveel mogelijk voorafgaand aan deterechtzitting worden gedaan (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3,p. 914 e.v.). De verantwoordelijkheid daarvoor ligt in de eerste plaats bijde officier van justitie, die mogelijkheden heeft om onderzoek te doen ofvorderingen daartoe in te dienen, waarbij getuigen in het vooronderzoekal in het bijzijn van de verdediging kunnen worden verhoord met als doelom het ondervragingsrecht effectief te kunnen uitoefenen. De rechter-commissaris kan met een ruimhartige beoordeling van verzoeken envorderingen (als bedoeld in artikel 2.10.5) of ambtshalve (artikel 2.10.3)getuigen verhoren in het bijzijn van de verdediging. Daarmee wordtvoorkomen dat getuigen alsnog of nogmaals moeten worden verhoord,wat bij aanhouding ook kan leiden tot vertraging. Het trechtermodel voorde fase van de berechting beoogt eenzelfde effect te sorteren: door testimuleren dat verzoeken en vorderingen tijdig voor de terechtzittingworden gedaan, kunnen aanhoudingen van het onderzoek op deterechtzitting worden voorkomen.(481) Kan worden toegelicht in welke gevallen de verdediging (of het OM)heeft voldaan aan de verplichting tot motivering van het verzoek totoproeping van een getuige of deskundige? Zijn er gevallen denkbaarwaarbij een verzoek tot oproeping van een getuige of deskundige door derechter wordt afgewezen op de enkele grond dat dit verzoek onvoldoendeis onderbouwd? Zo ja, zijn die gevallen eerder aan de orde wanneer hetnoodzaakcriterium geldt dan wanneer het criterium van het verdedigings-belang of het criterium van relevantie geldt?481. De verplichting om verzoeken en vorderingen te onderbouwen isvoor uiteenlopende fases van het onderzoek neergelegd in artikel 2.10.11,eerste lid, artikel 4.2.6, derde lid, en artikel 4.1.9. Zie nader het antwoordTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11353 op vraag 480. Het doel van deze verplichtingen tot het onderbouwen vanhet verzoek of de vordering is de rechter in staat te stellen om het verzoekof de vordering goed te beoordelen aan de hand van het toepasselijkewettelijke beoordelingscriterium. In algemene zin kan daaraan deverwachting worden verbonden dat in het verzoek of de vordering wordtaangegeven waarom het onderzoek van belang kan zijn voor de in hetkader van de berechting door de rechter te nemen beslissingen(artikel 2.10.5), waarom dit in het belang van de verdediging respectie-velijk de vervolging is (artikel 4.2.19, tweede lid, onderdeel c), of waaromdit noodzakelijk is met het oog op een behoorlijke behandeling van dezaak (artikel 4.2.49, eerste lid). Of de onderbouwing in een concreet gevalafdoende is, staat ter beoordeling aan de rechter. In algemene zin geldthet noodzaakcriterium als strenger dan het criterium van het verdedi-gingsbelang. Om die reden zal het bij toepassing van het noodzaakcri-terium in beginsel sneller voorkomen dat een verzoek of vordering totoproeping van een getuige wordt afgewezen op de grond dat hetonvoldoende is onderbouwd.Het EHRM heeft geoordeeld dat een verzoek tot het verhoren van een nieteerder door de verdediging ondervraagde belastende getuige niet magworden afgewezen op de enkele grond dat het verzoek onvoldoende isonderbouwd. Een verzoek tot het oproepen van een belastende getuigeten aanzien van wie de verdediging haar ondervragingsrecht nog nietheeft kunnen uitoefenen, vergt daarom geen nadere onderbouwing: tenaanzien daarvan behelzen de betreffende bepalingen feitelijk niet meerdan «dat de verdediging de wens tot het verhoren van een dergelijkegetuige kenbaar moet maken door een stellig en duidelijk verzoek te doentot het oproepen en verhoren van een concreet aangeduide getuige»(Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 762, 897 en p. 923).Tegen deze achtergrond is de verplichting voor de verdediging omverzoeken te onderbouwen vooral relevant wanneer door de verdedigingwordt verzocht om het oproepen van een ontlastende getuige.(482) Neemt de voorgestelde regeling de door de Raad van State (RvS)gesignaleerde onduidelijkheid omtrent de beoordeling van getuigenver-zoeken weg en vormen de twee verschillende wettelijke beoordelingscri-teria daadwerkelijk een stimulans om getuigenverzoeken tijdig in tedienen?482. Het voorgestelde systeem, waarin twee criteria voor de beoordelingvan getuigenverzoeken worden behouden, is ingewikkeld. Dit is door deAfdeling advisering van de Raad van State aangekaart en in het naderrapport onderkend (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 4, p. 169). Dewettelijke regeling is echter niet conform het advies van de Afdelingheroverwogen omdat het werken met één criterium voor de beoordelingvan getuigenverzoeken – dat zou dan het alternatief zijn – niet leidt tot eensysteem dat minder complex en casuïstisch is in de toepassing. Ook biedthet systeem met twee criteria meer houvast aan de procesdeelnemers engaat daarvan een concreter signaal uit om getuigenverzoeken zo vroegmogelijk te doen. De regeling dwingt het vroeg doen van een getuigen-verzoek, zeker waar het gaat om het verzoek een belastende getuige teverhoren, niet af. Dat is ook niet wenselijk, mede gezien de mogelijkheiddie de verdachte moet hebben om het ondervragingsrecht effectief tekunnen uitoefenen. Het biedt niettemin, zoals in de vraag terecht wordtuitgedrukt, een positieve stimulans om dat wel te doen omdat een verzoekin een vroeg stadium in beginsel ruimhartiger wordt toegewezen.Toetsing aan het strengere noodzaakcriterium kan leiden tot het oordeeldat een verzoek om een getuige te verhoren moet worden afgewezenomdat het verzoek redelijkerwijs eerder had kunnen – en moeten –worden gedaan. De twee criteria voor de beoordeling van getuigenver-zoeken maken deel uit van een breder pakket van maatregelen, die samenworden aangeduid als de «beweging naar voren», en waarmee wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11354 bevorderd dat het onderzoek zoveel mogelijk plaatsvindt voorafgaand aande zitting en aanhoudingen van het onderzoek op de terechtzitting wordenvoorkomen (zie ook het antwoord op vraag 480). Die maatregelen zijn nietalleen gericht op de verdediging, maar ook op de officier van justitie en derechter-commissaris.(483) De rapporteurs lezen in de memorie van toelichting gevallen waarin,ondanks de formele toepasselijkheid van een wettelijk beoordelingscri-terium, de gevolgen die doorgaans aan dat criterium worden verbondentoch niet daaruit kunnen volgen. Een voorbeeld is het geval waarin art. 6Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) noopt tot eenruime toewijzing van ook een niet (goed) onderbouwd verzoek tot hethoren van een belastende getuige ten aanzien van wie het ondervragings-recht nog niet is uitgeoefend. Kan de regering nader op een dergelijkesituatie reflecteren?483. De zittingsrechter kan op ieder moment tijdens het onderzoek op deterechtzitting getuigen oproepen indien hij dit «in het belang van eenbehoorlijke behandeling van de zaak noodzakelijk acht» (aangeduid als hetnoodzaakcriterium). Tot gebruikmaking van die ambtshalve bevoegdheidkan ook een vordering of een verzoek worden gedaan (artikel 4.2.6). Hetnoodzaakcriterium krijgt in het nieuwe wetboek een andere omschrijvingdan in het huidige recht. In het huidige recht ligt op grond van dejurisprudentie over artikel 315 de nadruk op de vraag in hoeverre derechter zich door het verhandelde op de terechtzitting voldoende ingelichtacht. In het nieuwe wetboek wordt het noodzaakcriterium naast met hetbelang van waarheidsvinding ingevuld met andere belangen: in de eersteplaats het ondervragingsrecht, maar bijvoorbeeld ook de onmiddellijkheiden de openbaarheid kunnen nopen tot het oproepen van een getuige voorde terechtzitting. Deze verschillende belangen kunnen worden geschaardonder «het belang van een behoorlijke behandeling van de zaak»(artikel 4.2.49, eerste lid). Daarmee wordt in de wet tot uitdrukkinggebracht dat de toepassing van bevoegdheden ook noodzakelijk kan zijnmet het oog op andere belangen dan waarheidsvinding. Tot een wezenlijkandere toepassing van het criterium zal dit naar verwachting niet leiden:ook nu is de rechter immers al gehouden een getuige op te roepen indiendit noodzakelijk is om het ondervragingsrecht te kunnen effectueren. Inbeginsel leidt toepassing van het noodzaakcriterium tot een strengerebeoordeling dan het criterium van het verdedigingsbelang. Uit derechtspraak van het EHRM volgt echter dat het met het oog op hetuitoefenen van het ondervragingsrecht noodzakelijk kan zijn om eenbelastende getuige op te roepen indien de verdediging daarom verzoekt,ongeacht of het verzoek nader is onderbouwd. Een dergelijk verzoek zaldaarom worden toegewezen op grond van het noodzaakcriterium, terwijleen verzoek tot het oproepen van een ontlastende getuige op grond vanhetzelfde criterium strenger zal worden beoordeeld. Doordat in hetnoodzaakcriterium verschillende belangen tot uitdrukking komen, kunnenaan toepassing van datzelfde wettelijke criterium inderdaad uiteenlopendegevolgen worden verbonden, en is de toetsing op grond van datcriterium, afhankelijk van de omstandigheden van het geval, niet altijdeven streng.(484) De rapporteurs constateren dat in de memorie van toelichting niet isingegaan het door de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak (NVvR)aangedragen redelijkheidscriterium. Is de regering van mening dat debeoordeling van getuigenverzoeken op basis van dit criteriumovereenkomt met de beoordeling op basis van (één van) de voorgesteldewettelijke beoordelingscriteria? Zo nee, wat is het verschil? Kan deregering toelichten waarom het door de NVvR voorgestelde redelijkheids-criterium een minder wenselijk criterium is dan de door de regeringvoorgestelde criteria?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11355 484. De NVvR steunt het trechtermodel als zodanig, maar is kritisch op deinvulling van de daarbij gehanteerde criteria. Het na aanvang van debehandeling op de terechtzitting geldende noodzaakcriterium moetvolgens de NVvR streng worden ingevuld. Tot aan die behandeling moetvolgens de NVvR gedurende het gehele strafproces één overkoepelendnieuw «redelijkheidscriterium» worden gehanteerd, dat kan wordentoegepast vanaf verzoeken en vorderingen gericht aan de rechter-commissaris tot aan de inhoudelijke behandeling van de zaak op deterechtzitting.In ieder geval is duidelijk dat ook de NVvR door hantering van eerst eenredelijkheidscriterium en daarna het noodzaakcriterium een trechtermodelvoorstaat, waarbij getuigenverzoeken in de voorfase ruimhartig wordeningewilligd op basis van het redelijkheidscriterium, maar na aanvang vande inhoudelijke behandeling aan een strenger noodzaakcriterium wordengetoetst. De toelichting van de NVvR op het voorstel voor het redelijk-heidscriterium is beknopt. Daardoor blijkt uit het advies niet exact of en inwelk opzicht met dit criterium een andere weging wordt beoogd dan methet in het wetsvoorstel voorgestelde criterium van het verdedigings-belang en zo ja, of deze weging soepeler dan wel strenger zou zijn danmet het in het nieuwe wetboek voorgestelde criterium. Volgens de NVvRpast het redelijkheidscriterium binnen de Nederlandse en Europeserechtspraak en kunnen in dit criterium «nagenoeg alle onderdelen uit dememorie van toelichting worden ingepast». Daaruit lijkt te kunnen wordenafgeleid dat de verschillen met het wetsvoorstel niet zozeer in de inhoudvan dit criterium moeten worden gezocht, als wel in de formulering ervan,zij het dat de NVvR suggereert dat er ook onderdelen uit de memorie vantoelichting niet goed aansluiten bij het voorstel voor het redelijkheidscri-terium, zonder evenwel toe te lichten om welke onderdelen het daarbijgaat. De vraag is daarnaast of het door de NVvR voorgestelde redelijk-heidscriterium, dat geldt voor de beoordeling door de rechter-commissaris van vorderingen en verzoeken tijdens het vooronderzoek endoor de voorzitter bij de beoordeling van verzoeken ter voorbereiding vande terechtzitting, ook geldt voor de rechtbank bij beantwoording van devraag of getuigen ten aanzien van wie tijdig een getuigenverzoek isingediend maar die niet op de terechtzitting zijn verschenen alsnog ofopnieuw dienen te worden opgeroepen. In het wetsvoorstel wordt in diegevallen in lijn met het geldende recht het soepeler criterium van hetverdedigingsbelang gehanteerd, hetgeen ook gerechtvaardigd is. In hetvoorstel van de NVvR is dit niet duidelijk.Alles bij elkaar kan worden geconcludeerd dat wat de NVvR met het doorhaar voorgestelde redelijkheidscriterium wil bereiken – een overzichtelijkeregeling met een trechtermodel op basis waarvan verzoeken gedaan naaanvang van de terechtzitting strenger kunnen worden beoordeeld – almet de in het wetsvoorstel neergelegde criteria is verzekerd.Ten overvloede kan worden opgemerkt dat de NVvR met haar voorsteldus niet aankoerst op introductie van één overkoepelend criterium voorde gehele strafprocedure, met inbegrip van verzoeken die na aanvang vande terechtzitting zijn gedaan. In dit verband is relevant dat bij de voorbe-reiding van het nieuwe wetboek is getracht om te komen tot één (gradueeltoegepast) relevantiecriterium dat op de gehele procedure inclusief hetgehele onderzoek op de terechtzitting van toepassing zou zijn, maar isuiteindelijk besloten om in de wet te verhelderen wanneer welk criteriumvan toepassing is, terwijl nader is toegelicht waarom en op welke manierde criteria van elkaar kunnen worden onderscheiden. De gedifferentieerdebenadering van het wetsvoorstel lijkt weliswaar complex, maar maaktgoed duidelijk welke beoordeling op welk moment in het proces aan deorde is. Al met al verdient de voorgestelde regeling de voorkeur bovenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11356 één overkoepelend criterium voor de gehele strafprocedure, omdat deze,in de woorden van de Rvdr, «recht doet aan de complexiteit van ditonderwerp en aan de behoefte om maatwerk te kunnen leveren»(consultatieadvies Rvdr, p. 2 van 126).(485) De rapporteurs stellen enkele vragen over het gebruik van geluids-of beeldopnamen tijdens het onderzoek ter terechtzitting. Hoe verhoudthet uitgangspunt van openbaarheid en het onmiddellijkheidsbeginsel zichtot het verkort voorhouden van geluids- of beeldopnamen?485. Geluids- of beeldopnamen worden beschouwd als processtukken(vgl. artikel 1.8.1). Tijdens het onderzoek op de terechtzitting kunnenprocesstukken op verschillende manieren ter sprake worden gebracht. Opgrond van de nieuwe regeling kan dit bestaan uit het kort aanduiden, hetsamenvatten, het voorlezen van de inhoud of – in geval van opnamen –het vertonen of het ten gehore brengen van de inhoud (artikel 4.2.31,derde lid). Ten aanzien van de openbaarheid van zittingen en hetonmiddellijkheidsbeginsel wordt opgemerkt dat in de strafrechtspraktijk ingeen enkele strafzaak alle processtukken volledig worden besproken. Inverreweg de meeste gevallen beperkt deze bespreking zich tot het kortaanduiden of samenvatten van de processtukken. Dat is ten aanzien vanschriftelijke processtukken het geval en dat is bij geluids- of beeldop-namen niet anders. Tegen deze achtergrond kan ook ten aanzien vangeluids- of beeldopnamen niet worden verwacht dat deze integraal op dezitting worden beluisterd of bekeken. Het kan aan de rechter wordenovergelaten op welke wijze hij bij aanwezigheid van publiek de proces-stukken ter sprake brengt, ook als de verdachte, de officier van justitie enhet op de terechtzitting aanwezige slachtoffer met het achterwege blijvenvan bespreking instemmen (artikel 4.2.31, vierde lid).(486) Wat is de invloed van het gebruik van audio ter terechtzitting in depraktijk? Zorgt dit gebruik voor een toename aan verzoeken van proces-partijen om de opname terug te luisteren en vervolgens een toename vanhet aantal verzoeken om een aanvullend proces-verbaal van de zitting opte maken? Leiden audio-opnamen tot de beoogde werklastbesparing?Vergt het achterwege laten van schriftelijke verslaglegging van eenverhoor of van het onderzoek ter terechtzitting uiteindelijk meer of mindervoorbereidingstijd bij rechters in eerste aanleg respectievelijk in appel?486. Er dient onderscheid te worden gemaakt tussen het gebruik vanaudiovisuele registratie in het algemeen (los van of in aanvulling op deverslaglegging in een proces-verbaal) en het gebruik van audiovisueleregistratie als gedeeltelijke vervanging van het proces-verbaal.Momenteel is al sprake van een toename van audiovisuele registratie, dielos staat van de inhoudelijke wijzigingen die het nieuwe Wetboek vanStrafvordering brengt. Op grond van de Innovatiewet Strafvorderingwordt het gebruik van audiovisuele registratie als gedeeltelijke vervangingvan het proces-verbaal uitgeprobeerd in een pilotproject. De pilotpro-jecten worden door het WODC geëvalueerd. De resultaten van deevaluatie komen uiterlijk binnen twee jaar na de start van de eerste pilot(oktober 2022) beschikbaar. De uitkomsten daarvan worden afgewachtvoordat uitspraken kunnen worden gedaan over onder meer het aantalverzoeken, de werklasteffecten en voorbereidingstijd.(487) Wordt desgewenst alsnog een schriftelijk verslag gemaakt? Wie zieterop toe dat die verslaglegging strookt met wat er op de opnames tezien/horen is en hoe wordt dat toezicht vormgegeven? Wie bepaalt wat inde verkorte weergave van het proces-verbaal van het onderzoek terterechtzitting wordt opgenomen?487. Deze vraag ziet op verslaglegging van de terechtzitting. Doorinwerkingtreding van de Innovatiewet Strafvordering zijn – daarbijvooruitlopend op de corresponderende regeling in het nieuwe wetboek –Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11357 aan het huidige wetboek bepalingen toegevoegd (artikelen 560 en verder)die het mogelijk maken om te experimenteren met vervanging van eenvolledig proces-verbaal van de terechtzitting door de combinatie van eenopname en een verkort proces-verbaal. Het doel is om te komen tot eenzodanig verkort proces-verbaal dat de daarin opgenomen informatie naastde beeld- of geluidsopname een adequate verslaglegging van deterechtzitting vormt. In hoger beroep kan de voorzitter van hetgerechtshof ter voorbereiding van het onderzoek op de terechtzitting inhoger beroep aan de voorzitter van de rechtbank schriftelijk kennisgevendat alsnog een volledig proces-verbaal van het onderzoek op de terecht-zitting in eerste aanleg moet worden opgemaakt (op grond van hethuidige artikel 568).De rechter en de griffier zijn verantwoordelijk voor de vaststelling van hetproces-verbaal van de terechtzitting, en zien erop toe dat die verslag-legging strookt met wat er op een eventuele opname van de terechtzittingte zien en te horen is. Dit is zowel het geval wanneer een opname alleendient als hulpmiddel bij het opstellen van een volledig proces-verbaal vande terechtzitting als wanneer naast een opname wordt volstaan met eenverkort proces-verbaal (waarbij dus de opname dient als gedeeltelijkevervanging van een volledig proces-verbaal).Ten aanzien van het verkorte proces-verbaal bij een opname van hetonderzoek op de terechtzitting geldt dat het huidige artikel 566, tweede lid,een opsomming bevat van de informatie die in ieder geval daarin moetzijn opgenomen (onder meer de tussenuitspraken die de rechter lopendehet onderzoek op de terechtzitting heeft gedaan en een summiereweergave van hetgeen op de terechtzitting is voorgevallen).(488) In hoeverre is het gebruik van (steeds geavanceerder wordende)technieken zoals spraakherkenning toegestaan om (alsnog) een proces-verbaal op te maken van het onderzoek ter terechtzitting?488. Het gebruik van technieken zoals spraakherkenning is toegestaan.Niets staat eraan in de weg om, als onderdeel van de pilotprojecten in hetkader van de Innovatiewet Strafvordering of daarbuiten, bij de verslag-legging daarvan gebruik te maken. De pilotprojecten zijn bedoeld om teonderzoeken op welke wijze met behulp van technologie gemakkelijkerkan worden gekomen tot een verslaglegging die een goede procesvoeringin strafzaken dient. Overigens wordt hierbij opgemerkt dat techniekenzoals spraakherkenning niet bedoeld zijn als volledige vervanging van hetproces-verbaal, maar dat deze handig kunnen zijn als hulpmiddel bij hetopstellen van het proces-verbaal, dat in de strafrechtspraktijk nietwoordelijk pleegt te worden uitgewerkt maar een zakelijke weergavebevat.(489) De rapporteurs constateren dat de rechter bij wie de verklaring terterechtzitting is afgelegd, het laatste woord heeft over de weergave vande verklaring in het proces-verbaal. Kan dit uitgangspunt verhinderen datde verdediging voor de hogere rechter opnieuw een beroep doet op deopname, bijvoorbeeld in het kader van een verweer over de betrouw-baarheid van een op de eerdere terechtzitting afgelegde getuigenver-klaring?489. De rechter en de griffier zijn verantwoordelijk voor een correctproces-verbaal van de terechtzitting, ook als dat met behulp van eenopname van de terechtzitting is vastgesteld. Er mag van wordenuitgegaan dat, fouten daargelaten, het proces-verbaal in lijn is met deopname. Wanneer echter een discrepantie zou bestaan tussen hetproces-verbaal en een bij de processtukken gevoegde opname, bijvoor-beeld voor wat betreft de weergave van een verklaring die op deterechtzitting is afgelegd, dan kan het uitgangspunt dat alleen hetproces-verbaal van de terechtzitting bepalend is voor de weergave vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11358 wat op de terechtzitting is voorgevallen inderdaad niet verhinderen dat inhoger beroep de verdediging een beroep doet op de opname. Dat zalkunnen gebeuren in het geval er wezenlijke verschillen zouden bestaantussen proces-verbaal en opname, die een bepalende rol hebben gespeeldbij de door de rechter genomen beslissingen en die ook voor de door hetgerechtshof te nemen beslissingen van belang zijn.(490) Is audioverslaglegging in alle strafprocedures wenselijk of is eenbeperking tot bepaalde gevallen aangewezen? Wanneer uit de pilot blijktdat audioverslaglegging niet wenselijk is in bepaalde strafprocedures,wordt de wettelijke regeling dan aangepast aan de hand van deuitkomsten van dit experiment?490. Op grond van de Innovatiewet Strafvordering kan audioverslag-legging op twee momenten worden ingezet: (1) door opsporingsambte-naren die op een opname vastleggen wat door hen ter opsporing isverricht of bevonden (zoals bedoeld in het huidige artikel 560, eerste lid)en (2) in de berechtingsfase door verslaglegging van het onderzoek op deterechtzitting (zoals bedoeld in het huidige artikel 566). Er is in dewettelijke regeling verder geen beperking aangebracht tot bepaaldegevallen waarin audiovisuele registratie kan worden ingezet. Indien uit deevaluatie van de pilot audiovisuele registratie zou blijken dat het inbepaalde gevallen niet wenselijk is om audiovisuele registratie in tezetten, en een keuze op dit punt evenmin aan de strafrechtspraktijk zoukunnen worden overgelaten, dan zou de wettelijke regeling daaropkunnen worden aangepast via de tweede aanvullingswet.(491) Wie is verantwoordelijk voor welke digitale voorziening en wiedraagt de eindverantwoordelijkheid voor de onderlinge samenwerking ophet gebied van gebruik van audio ter zitting?491. De partners in de strafrechtketen geven in de gezamenlijke opgavenprioriteit aan ketensamenwerking op het gebied van uitwisseling vanmultimedia. De digitalisering vindt plaats zowel binnen de eigen organi-saties als tussen de organisaties in de strafrechtketen. Het einddoel is datmultimedia volledig digitaal door de strafrechtketen kan stromen. Datbetekent dat er in beginsel geen bestanden met beeld- en/of audiomate-riaal meer per mail, DVD, CD, USB-stick of andere gegevensdragersworden verzonden naar of uitgewisseld met ketenpartners of anderebelanghebbenden, maar via een daarvoor aangewezen elektronische weg,en dat beeld- en/of audiomateriaal in elke fase van het strafproces kanworden ingezet, ook op de terechtzitting. Het tot stand brengen van dezevoorzieningen voor uitwisseling is een gemeenschappelijke verantwoor-delijkheid. Zodra beeld- en/of audiomateriaal bij een organisatieontvangen wordt, is die organisatie verantwoordelijk voor het verderegebruik van het materiaal.Een voorbeeld waarin deze (deel)verantwoordelijkheid voor de onderlingesamenwerking op het gebied van gebruik van audio ter zitting zichtbaarwordt, is de pilot Audiovisuele registratie op grondslag van de Innova-tiewet Strafvordering. Bij die pilot zijn zowel de politie, het openbaarministerie als de rechtspraak betrokken en wordt er gewerkt met eennieuwe regeling die bepaalt dat een audio(visuele) opname in combinatiemet een verkort proces-verbaal kan gelden als alternatief voor eenvolledig uitgeschreven proces-verbaal. Het kan hierbij gaan om eenopname van een verhoor van een verdachte, camerabeelden van eenstrafbaar feit of een opname van een terechtzitting. De pilot wordtgeëvalueerd door het WODC. De uitkomsten van de evaluatie van (ondermeer) deze pilot wordt in het najaar van 2024 aan de Tweede Kamertoegezonden en zullen indien deze uitkomsten daartoe aanleiding gevenvia de tweede aanvullingswet in het nieuwe Wetboek van Strafvorderingworden verwerkt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11359 (492) De rapporteurs signaleren dat de Raad van State zorgen heeft geuitover de uitvoerbaarheid van de digitaliseringsslag, de privacy eninformatiebeveiliging. Kan de regering uitvoeriger ingaan op deze zorgendan in de memorie van toelichting is gedaan?492. Zie antwoord op vraag 35.(493) De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader toe te lichtenhoe de twee wettelijke beoordelingscriteria daadwerkelijk stimuleren omgetuigenverzoeken zo vroeg mogelijk in te dienen en of er in dit kader nogaanvullende wettelijke maatregelen nodig zijn om dit te bevorderen, en zoja, welke.493. Zie het antwoord op vraag 482.(494) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in artikel 4.2.4 dat derechtbank kan bepalen dat er een geluids- en beeldopname wordtgemaakt van het onderzoek ter terechtzitting. Deze opname wordt bij deprocesstukken gevoegd. Deze leden vragen welke gevolgen dit voor deprivacy van slachtoffers en nabestaanden kan hebben. In hoeverre kan deaanwezigheid van een camera voor een slachtoffer belemmerend werkenin het uitoefenen van het spreekrecht? De aan het woord zijnde ledenkunnen zich voorstellen dat het opnemen van de zitting voor slachtofferseen reden kan zijn om hun spreekrecht dan maar niet uit te oefenen. Kande regering hier nader op in gaan? Hoe denkt de regering erover omdesgewenst slachtoffers in de opnames van de terechtzitting onher-kenbaar te maken door hun gezicht of stem op de opname onherkenbaarte vervormen? Voornoemde leden zouden in dit verband ook willenverwijzen naar het verzoek van Slachtofferhulp Nederland om slachtoffersvoorafgaand aan de terechtzitting te informeren over de aanwezigheidvan camera’s en over hun privacy gerelateerde rechten. Tevens zoudenslachtoffers de mogelijkheid moeten hebben om bezwaar te maken tegende opname. Kan de regering ook hier nader op in gaan? Tenslotte vragende aan het woord zijnde leden in dit verband in welke mate en op welkewijze slachtoffers na afloop van de terechtzitting recht hebben op inzageof een afschrift van de opname.494. De rechtbank kan (op basis van artikel 4.2.4) bepalen dat van hetonderzoek op de terechtzitting een opname wordt gemaakt. Dit ismomenteel ook al mogelijk, op grond van het huidige artikel 562 (dat op1 oktober 2022 met de Innovatiewet Strafvordering in werking is getreden,zie Stb. 2022, 362). Die opname kan naast een geluids- en beeldopnameook alleen een geluidsopname zijn, wat minder belastend is vooraanwezigen op de zitting omdat zij in het geheel niet in beeld komen. Ingeval een opname wordt gemaakt, kan worden volstaan met een verkortproces-verbaal van het onderzoek op de terechtzitting (zie het huidigeartikel 566 en artikel 4.2.70). Indien de rechtbank bepaalt dat een opnamevan de zitting wordt gemaakt, doet de voorzitter daarvan, zoals isvoorgeschreven in artikel 4.2.4, mededeling tijdens de zitting. Het zal nietaltijd voorafgaand aan de zitting al duidelijk zijn dat de rechtbank van planis een opname van de zitting te maken. Het betreft een bevoegdheid, dusde rechtbank kan na het afwegen van alle betrokken belangen (waaronderde privacy van slachtoffers, benadeelde partijen en nabestaanden)besluiten om daar geen gebruik van maken of alleen gebruik te makenvan een audio-opname zodat bijvoorbeeld slachtoffers die hun spreek-recht willen uitoefenen niet in beeld komen. In het kader van de privacyvan procesdeelnemers is het overigens van belang om op te merken datde behandeling van strafzaken in beginsel openbaar is en te allen tijdepubliek aanwezig kan zijn tijdens de zitting. Indien een spreekgerechtigdslachtoffer niet fysiek tijdens de zitting aanwezig wenst te zijn, bestaat demogelijkheid om een schriftelijke verklaring aan de rechtbank teoverleggen. Er is geen formele bezwaarmogelijkheid voor slachtoffers alszij bezwaar hebben tegen een opname van de zitting; deze mogelijkheidTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11360 hebben de procespartijen (officier van justitie en verdachte) evenmin, enbovendien staat het (ook) slachtoffers vrij de rechtbank te vragen debevoegdheid uit artikel 4.2.4 niet – althans niet in de vorm van eenbeeldopname waarbij zij in beeld komen – toe te passen. Omdat deopname een processtuk is, waarvoor de reguliere processtukkenregelinggeldt, kan het slachtoffer op basis van artikel 1.5.5, derde lid, verzoekenom kennisneming daarvan. Ten aanzien van de verdachte geldt, net als bijandere processtukken, dat het belang van de bescherming van depersoonlijke levenssfeer van bijvoorbeeld het slachtoffer in de weg kanstaan aan het verstrekken van een kopie aan de verdachte (artikel 1.8.8,tweede lid). De pilot in het kader van de Innovatiewet Strafvorderingwaarin deze mogelijkheid wordt toegepast, wordt door het WODCgeëvalueerd. Voor 1 oktober 2024 verschijnt het evaluatierapport van hetWODC. Mochten de uitkomsten van de evaluatie van de InnovatiewetStrafvordering aanleiding geven om de bepalingen over audiovisueleregistratie in het nieuwe wetboek te wijzigen, bijvoorbeeld met het oog opde privacy van het slachtoffer, dan gebeurt dat via de tweede aanvul-lingswet.(495) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden er ook op willenwijzen dat niet iedereen ervan overtuigd is dat door het gebruikmaken vanopnames het strafproces efficiënter wordt. Waarom worden de effectenvan het gebruik van opnames niet eerst in de praktijk op kleinere schaalgetoetst alvorens het eventueel breder ingezet wordt? Dit geldt te meerdaar het maken van een digitaliseringslag binnen de rechterlijke macht totnu toe niet altijd even voortvarend is verlopen.495. Ervan uitgaande dat in de vraagstelling vooral wordt gedoeld opopnamen van de terechtzitting kan voorop worden gesteld dat het makenvan zulke opnamen een van de mogelijkheden is die door inwerking-treding van de Innovatiewet Strafvordering in het huidige wetboek isopgenomen (artikel 562). De Innovatiewet maakt het daardoor mogelijkom, vooruitlopend op het nieuwe Wetboek van Strafvordering, opnamenvan de terechtzitting alvast te beproeven in de praktijk. Dit gebeurt inpilots. Het maken van opnames van het onderzoek op de terechtzittingvindt plaats in de pilot audiovisuele registratie. In artikel 1 van het Besluitinnovatie strafvordering is bepaald dat toepassing van de bepalingen overaudiovisuele registratie, waaronder artikel 562 van het huidige wetboek,slechts plaatsvindt in een drietal arrondissementen, te weten Limburg,Noord-Holland en Overijssel. Binnen deze pilot worden de effecten vanhet gebruik van opnames dus eerst, zoals ook in de vraagstelling voorwenselijk wordt gehouden, op kleine schaal getoetst. De pilot wordtgeëvalueerd door het WODC. Zie hierover nader het antwoord op vraag463. De uitkomsten van deze evaluatie worden aan de Tweede Kamertoegezonden en zullen indien deze uitkomsten daartoe aanleiding gevenvia de tweede aanvullingswet in het nieuwe Wetboek van Strafvorderingworden verwerkt.(496) De leden van de CDA-fractie vragen op welke manier demogelijkheid van opname van de terechtzitting met waarborgen isomkleed voor slachtoffers. Bijvoorbeeld waarborging van hun privacy,mede omdat de opname bij de processtukken wordt gevoegd. Kan er nogbezwaar tegen worden gemaakt of kan er een uitzondering wordengemaakt als het slachtoffer gebruik wil maken van het spreekrecht?496. Zie het antwoord op vraag 494.2.3 De omvang van het onderzoek (497) De leden van de D66-fractie merken op dat de «schriftelijke ronde»een wettelijke basis krijgt in het wetsvoorstel, op basis waarvan partijenschriftelijk standpunten kunnen uitwisselen. Deze leden vinden dit eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11361 goed idee als dit voor meer efficiëntie zou zorgen. Kan de regeringaangeven hoe deze mogelijkheid in ontnemingszaken, waarin deschriftelijke ronde al mogelijk is en plaatsvindt, wordt ervaren? Leidt dezeronde tot meer efficiëntie binnen ontnemingsprocedures en zo ja, hoe uitdat zich? Vindt in strafzaken, niet zijnde ontnemingsprocedures, in depraktijk nu ook soms al een schriftelijke ronde plaats? Zo ja, kan deregering de ervaringen hierin ook meenemen in het antwoord?497. Op grond van het huidige artikel 511d, eerste lid, tweede zin, kan debehandeling van de ontnemingsvordering op de terechtzitting wordenvoorafgegaan door een schriftelijke voorbereiding op de wijze als door derechtbank te bepalen. In het landelijk strafprocesreglement worden nadereregels gesteld voor deze schriftelijke ronde. Zo worden in het procesre-glement termijnen (van enkele weken) gesteld voor het nemen vanconclusies. Ook wordt bepaald dat overschrijding van deze termijnenertoe kan leiden dat de zittingskamer geen kennisneemt van de te laatingediende stukken.De huidige mogelijkheid om bij een ontnemingsvordering een schriftelijkeronde te bepalen wordt als praktisch ervaren, ook omdat de berekeningvan het mogelijke wederrechtelijk verkregen voordeel, kosten en anderedaarvoor relevante gegevens veel tijd van de procespartijen vergt.Wanneer deze berekeningen voorafgaand aan de terechtzitting plaats-vinden en de procespartijen daar over en weer schriftelijk op kunnenreageren is de voorbereiding van de zitting (bij een heldere conclusiewis-seling) gerichter en daarmee de zitting kort(er). Of een schriftelijke rondeook daadwerkelijk tot meer efficiëntie leidt, hangt af van de medewerkingvan de verdediging en het openbaar ministerie en van de regievoeringdoor de rechter. Alleen als binnen de gestelde termijnen wordt geconclu-deerd (onvoorziene omstandigheden daargelaten) en de schriftelijkevoorbereiding wordt gevolgd door een inhoudelijke behandeling waarindaadwerkelijk wordt voortgebouwd op de schriftelijke voorbereiding doordie behandeling toe te spitsen op de geschilpunten en waarin deschriftelijke ronde niet nog eens in zijn geheel mondeling wordtovergedaan, is er sprake van meer efficiëntie. Dat uit zich volgens hetopenbaar ministerie in een kortere behandeling op de terechtzitting endaarmee in het beschikbaar komen van meer zittingscapaciteit. Hetopenbaar ministerie beschikt overigens niet over cijfers op dit punt.In een evaluatierapport over grote ontnemingszaken uit 2004 werdgeconstateerd dat aan de verdediging gestelde termijnen in de praktijkniet adequaat werden bewaakt. Daarom bepleitten de onderzoekers deinvoering van een wettelijke sanctie op termijnoverschrijding. Eenwettelijke voorziening op dit punt werd in de beleidsreactie op hetonderzoek echter niet nodig geacht, omdat de rechtbank voldoendemiddelen heeft om de ontnemingszaak in goede banen te leiden (Kamer-stukken II 2003/04, 26 268, nr. 6, p. 8).In de praktijk vinden ook nu al in grotere strafzaken schriftelijke rondesplaats, ook buiten de ontnemingsprocedures. Die hebben vooralbetrekking op de uitwisseling van standpunten over onderzoekswensen inde regiefase, waarbij de officier van justitie schriftelijk reageert op deonderzoekswensen van de verdediging, eventueel gevolgd door nadereschriftelijke standpuntbepalingen. Ook wordt in de huidige praktijk eenschriftelijke standpuntenuitwisseling wel benut voor bijvoorbeeld debehandeling van de vordering van de benadeelde partij. In grote ofcomplexe zaken komt het daarnaast soms voor dat een schriftelijke rondewordt gebruikt voor een standpuntenuitwisseling over de uitleg van hettoepasselijke recht. Denkbaar is ook dat een schriftelijke ronde wordtgebruikt bij preliminaire verweren, al komt dat in de huidige praktijk nogniet of nauwelijks voor. Een schriftelijke ronde kan op deze manier nietalleen de efficiëntie maar ook de zorgvuldigheid van de behandeling vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11362 grotere of complexe zaken ten goede komen. Voorwaarde is wel dat strakde hand wordt gehouden aan de gestelde termijnen en dat wordtvoorkomen dat op de terechtzitting een herhaling van zetten plaatsvindt(zie ook hierboven).In het consultatieadvies van de Rvdr is overigens benadrukt dat eenschriftelijke ronde niet per definitie leidt tot een werklastbesparing voor deRechtspraak. De toegevoegde waarde zal vooral liggen in de verbeterdekwaliteit van het proces en de (extra) verdieping in de zaak. In schriftelijkestukken wordt vaak uitgebreider ingegaan op de materie dan wanneertijdens de terechtzitting een en ander mondeling aan de orde wordtgesteld. Die schriftelijke stukken moeten vervolgens voorafgaand aan dezitting worden beoordeeld, tijdens de zitting worden besproken en na dezitting worden meegenomen in het vonnis. De Rvdr schat in dat de tijd diedit kost naar verwachting iets hoger zal liggen dan de tijd die wordtbespaard.2.4 Het onderzoek van de zaak zelf (498) De leden van de VVD-fractie lezen dat artikel 4.2.45 de rechter demogelijkheid geeft om aan de deskundige voorafgaand aan zijn verhooropdracht te geven om kennis te nemen van het verslag van een anderedeskundige, of diens verhoor bij te wonen en hem daarover vervolgensvragen te stellen. Dit leidt tot een werklastverzwaring bij het NederlandsInstituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie (NIFP) en hetNederlands Forensisch Instituut (NFI). Kan nader in kaart worden gebrachtwat de uitvoeringsconsequenties zijn van dit artikel? Kan de regering in ditkader in overleg met de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) een inschattinggeven van de gevolgen van deze bepaling op het procesverloop, dedoorlooptijden en de werklast bij het NIFP en het NFI?498. Artikel 4.2.45 geeft de rechtbank de mogelijkheid om aan dedeskundige voorafgaand aan zijn verhoor opdracht te geven om kennis tenemen van het verslag van een andere deskundige, of diens verhoor bij tewonen (eerste lid) en hem daarover vervolgens vragen te stellen (tweedelid). Bovendien kan aan de deskundige worden gevraagd om naaraanleiding van het verslag of de verklaring van een andere deskundigeopmerkingen te maken (derde lid). Dit nieuwe samenstel van bepalingenbiedt de rechter expliciet de mogelijkheid om de – niet zelden verschil-lende – bevindingen en conclusies van deskundigenverslagen onderwerpvan het debat op de terechtzitting te maken, met als doel deze beter metelkaar te kunnen vergelijken en te beoordelen.In 2022 en 2023 is in ketenverband getracht om meer onderbouwdeinschattingen te formuleren ten aanzien van de eventuele werklasteffectenvan de nieuwe regeling. Daarbij werd geconcludeerd dat deze regelingmogelijkerwijs zal leiden tot een incidentele en/of structurele zeerbeperkte werklastverzwaring bij het Nederlands Instituut voor ForensischePsychiatrie en Psychologie (NIFP) en het Nederlands Forensisch Instituut(NFI). De omvang hiervan kan echter niet worden gemeten omdatonvoldoende kan worden voorzien of en hoe vaak dit voorkomt en daarbijwelke stukken er in die gevallen worden voorgelegd. Daar komt bij dat hetNFI slechts voor een beperkt aantal onderzoeksgebieden een registratiebijhoudt. De rechtspraak heeft aangegeven dat er momenteel wordtgewerkt aan een herijking van de inschatting van de gevolgen. Omdatdeze herijking nog niet is afgerond kan hierover op dit moment nog nietsworden gezegd.Omdat de omvang van de te verwachte werklasten alleen kan wordeningeschat en niet kan worden gemeten, zal de onderhavige regelingworden betrokken bij de invoeringstoets die is aangekondigd in deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11363 memorie van toelichting (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 86). Uitdie toets zal mogelijk blijken of er daadwerkelijk een werklastverzwaringdoor invoering van het nieuwe wetboek is ontstaan ten opzichte van depraktijk onder het huidige wetboek.(499) De leden van de D66-fractie constateren dat de regering niet meerheeft gekozen voor de mogelijkheid tot een zogenoemde «openverwijzing» naar de RC door de voorzitter, waarbij de voorzitter hetonderzoek kan terugleggen bij de RC met de opdracht alle benodigdeonderzoeken te doen «naar eigen goeddunken». Deze leden lezen ook dathet op grond van artikel 4.2.51 wel mogelijk is voor de rechtbank om deRC de opdracht te geven om «naast de hem opgedragen werkzaamhedenander onderzoek te verrichten» dat de RC «in het belang van eenbehoorlijke behandeling» nodig acht. Dit wordt in de memorie vantoelichting «de zogenaamde (half) open verwijzing» genoemd. Kan deregering toelichten waarom de voorzitter de zaak niet open mag terugver-wijzen naar de RC, maar de zittingscombinatie als geheel wel?499. Zie het antwoord op vraag 454.(500) De leden van de D66-fractie constateren dat de nieuwe regeling hetmakkelijker maakt voor de zittingsrechter om getuigen en deskundigen terterechtzitting op te roepen en tijdens het onderzoek ter terechtzitting tehoren. Als zittingsrechters daar daadwerkelijk vaker gebruik van gaanmaken, zou het onderzoek ter terechtzitting in gewicht toenemen en zalmeer recht worden gedaan aan het onmiddellijkheidsbeginsel. Het valtdeze leden echter op dat in de memorie van toelichting wordt aangegevendat een verschuiving daar naartoe niet per se noodzakelijk en wenselijkwordt geacht. Kan de regering hierop reflecteren? Is zij zich ervan bewustdat bepaalde regelingen effecten kunnen hebben die zij zelf kennelijk nietwenselijk acht?500. In het nieuwe wetboek heeft de zittingsrechter ruime mogelijkhedenom getuigen en deskundigen voor de terechtzitting op te roepen en tehoren tijdens het onderzoek op de terechtzitting, waar een vordering ofverzoek daartoe is ingediend of waar deze dat zelf noodzakelijk acht,bijvoorbeeld met het oog op de waarheidsvinding of het realiseren vanhet recht op een eerlijk proces. Hoewel de zittingsrechter deze mogelijk-heden tot zijn beschikking heeft, worden in de Nederlandse strafrechts-pleging getuigen in de regel al in het vooronderzoek verhoord en kent hetnieuwe wetboek, overigens evenals het huidige, niet als vertrekpunt datgetuigen vooral op het onderzoek op de terechtzitting worden gehoord.Het nieuwe wetboek biedt ook ruime mogelijkheden om niet alleenvoorafgaand aan de terechtzitting, maar ook in de fase van het onderzoekop de terechtzitting het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris telaten plaatsvinden. Een doelstelling van het nieuwe wetboek is bovendienom te stimuleren dat het onderzoek, waaronder getuigenverhoren, zoveelmogelijk voorafgaand aan de terechtzitting plaatsvindt. Om deze reden isde verwachting niet dat van het samenstel van bepalingen over getuigen-verhoren in het nieuwe wetboek een stimulans uitgaat om getuigen veelvaker op de terechtzitting te verhoren dan nu in de strafrechtspraktijk hetgeval is. Een en ander is in overeenstemming met de rechtspraak van hetEHRM. In de rechtspraak van het EHRM is onmiddellijke bewijsvoering bijde berechting weliswaar het uitgangspunt, maar het EHRM laat ruimtevoor rechtsstelsels waarin daarop niet het accent ligt. Daarbij wordtaangetekend dat het in de Keskin-jurisprudentie van het EHRM vooraldraait om het bieden van een behoorlijke en adequate mogelijkheid voorde verdediging om het ondervragingsrecht uit te oefenen, eenmogelijkheid die in beginsel ook in het vooronderzoek kan wordengeboden. Deze rechtspraak en de verwerking daarvan in het Nederlandsestrafproces zullen ertoe kunnen leiden dat de rechter wat vaker dan tot nutoe aanleiding of noodzaak ziet te beslissen dat de getuige op deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11364 terechtzitting wordt verhoord. Maar de verwachting is niet dat door devoorgestelde wettelijke regeling een ontwikkeling naar een volledige ofveel meer onmiddellijke procesvoering bij de berechting zal plaatsvinden.Een dergelijke ontwikkeling wordt ook niet wenselijk geacht, omdatdaarmee de voordelen van de huidige wijze van procesvoering tenietzouden worden gedaan (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 914e.v.). Daarbij kan worden aangetekend dat het vroeg in de procedureafnemen van een getuigenverklaring bevorderlijk kan zijn voor dewaarheidsvinding, en een verhoor bij de rechter-commissaris een vooralle partijen bevredigend(er) alternatief kan zijn voor een verhoor op eenopenbare terechtzitting.(501) De leden van de D66-fractie lezen dat het noodzaakcriterium, in hetkader van het al dan niet toewijzen van een getuigenverzoek, ruimerwordt. Het gaat niet meer alleen om noodzakelijkheid voor de inhoud,maar ook voor het uitoefenen van verdedigingsrechten. Verwacht deregering dat dit ook in de praktijk een grote verandering tot gevolg zalhebben? Is de verwachting dat vaker een laat gedaan verzoek wordttoegewezen dan nu het geval is?501. Zie het antwoord op vraag 483.3. De beraadslaging, de uitspraak en het eindvonnis 3.2 Bewijs (502) De rapporteurs stellen enkele vragen met betrekking tot hetonderwerp bewijs. Hoe moeten de beperkte wijzigingen in de bewijsre-geling worden gezien tegen de achtergrond van het streven naarwaarheidsvinding, het voorkomen van rechterlijke dwalingen, en de kritiekdie bijvoorbeeld vanuit de rechtspsychologie wordt geuit op dewaardering van het bewijs door de strafrechter? Zorgt de voorgestelderegeling ervoor dat aan het belang van waarheidsvinding voldoende rechtwordt gedaan en dat rechtelijke dwalingen (zoveel mogelijk) wordenvoorkomen?502. In de memorie van toelichting is als centrale doelstelling vanstrafprocesrecht weergegeven «te bevorderen dat de strafwet wordttoegepast op de werkelijk schuldige, en te voorkomen dat de onschuldigeveroordeeld of zelfs vervolgd wordt.» Het bevorderen van een juistebewijsbeslissing is cruciaal om de centrale doelstelling van het strafpro-cesrecht te kunnen verwezenlijken. De aanpassingen die zijn gedaan in hetbewijsrecht, met als belangrijkste onderdeel de keuze voor een nieuwbewijscriterium, staan dan ook ten dienste van het streven naar een juistebewijsbeslissing en zijn mede ingegeven door inzichten uit rechtspsycho-logisch en rechtswetenschappelijk onderzoek (zie de toelichting opartikel 4.3.7). Tegelijkertijd laten deze inzichten zich slechts gedeeltelijkvertalen in het bewijsrecht. Voor de juistheid van de bewijsbeslissing iscruciaal dat rechters, maar ook andere functionarissen die betrokken zijnbij de bewijsbeslissing, zich niet alleen gebonden achten aan hetbewijsrecht, maar ook aan algemeen geldende methodologische principesen de logica (M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs (diss. Leiden),Deventer: Kluwer 2014, p. 28–29). Het aanpassen van het bewijsrecht isslechts een van de middelen waarmee gerechtelijke dwalingen zoveel alsmogelijk moeten worden voorkomen.(503) De rapporteurs vragen hoe het criterium van «buiten redelijketwijfel» zich verhoudt tot het criterium van de «overtuiging». Welke vanbeide criteria moet worden gezien als de bewijsstandaard? Wat betekenthet tweeledige criterium voor de motivering van de bewijsbeslissing? Hoedient de rechter dit bij een beslissing tot vrijspraak tot uitdrukking tebrengen? Is het niet duidelijker om één criterium te hanteren in plaats vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11365 twee, nu het één beslissing betreft die naar twee kanten kan uitvallen(bewezenverklaring, niet bewezenverklaring en dus vrijspraak)? Indien hetwenselijk wordt geacht om toch twee criteria te hanteren, zou het dan nietduidelijker zijn om artikel 3.4.7 lid 2 aldus te herschrijven (en daarbij lid 3te laten vervallen): «het bewijs kan slechts worden aangenomen als opgrond van wettige bewijsmiddelen die terechtzitting zijn besproken, naarde overtuiging van de rechter, buiten redelijke twijfel vaststaat dat deverdachte het feit heeft begaan»?503. Strafrechtelijk bewijzen is wel aangeduid als «beslissen inonzekerheid» (M.J. Dubelaar, Betrouwbaar getuigenbewijs (diss. Leiden),Deventer: Kluwer 2014, p. 29–31). Volledige zekerheid over de juistheidvan de beslissing kan niet worden verkregen. De bewijsstandaard legtvast wanneer een rechter tot een bewezenverklaring mag overgaan. In hetnieuwe wetboek is de bewijsstandaard dat «buiten redelijke twijfel» moetvaststaan dat de verdachte het feit heeft begaan (artikel 4.3.7, tweede lid).Voor dit criterium is gekozen om het objectieve karakter van de bewijs-standaard beter tot uitdrukking te brengen: het gaat er uitsluitend om ofde bewijsmiddelen de bewezenverklaring kunnen dragen met de vereistemate van waarschijnlijkheid. De motivering van de bewezenverklaring zalzich dan ook enkel hoeven te richten op de vraag of het bewezenver-klaarde buiten redelijke twijfel vaststaat. Daarmee sluit de bewijsstan-daard beter aan bij de rechtspraak van de Hoge Raad en de aangepastevoorschriften inzake de bewijsmotivering, bij een nadere inkadering vande selectie en waardering van bewijsmateriaal door de rechter, alsmedebij inzichten uit de rechtspsychologie en rechtswetenschappen (Kamer-stukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 992–995). De praktische implicaties vandeze wijziging zijn naar verwachting gering, nu ook onder het huidigerecht de opvatting dat een bewezenverklaring slechts is toegestaan alsbuiten redelijke twijfel staat dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeftbegaan, al breed heeft postgevat.De rechter is echter niet verplicht om tot een bewezenverklaring te komen,ook niet wanneer naar zijn oordeel daarvoor – naar de maat van debewijsstandaard – voldoende wettig bewijs aanwezig is. Het «buitenredelijke twijfel»-criterium benadrukt het objectieve karakter van debewezenverklaring, de «rechterlijke overtuiging» laat – alleen in het kadervan de vrijspraak – enige ruimte voor het meewegen van de meersubjectieve intuïtie van de rechter. Hoewel ook een vrijspraak in diegevallen in toenemende mate om een motivering vraagt, zijn de eisendaaraan minder zwaar dan aan de motivering van een bewezenverklaring.Op die manier creëert het handhaven van de rechterlijke overtuiging tenaanzien van de vrijspraak een zekere asymmetrie in het voordeel van devrijspraak. Het integreren van de rechterlijke overtuiging in de bewijsstan-daard zou die asymmetrie opheffen en opnieuw een subjectief elementintroduceren voor de bewezenverklaring. Met het handhaven van derechterlijke overtuiging ten aanzien van de vrijspraak is echter niet beoogdeen extra criterium te introduceren voor de bewezenverklaring.(504) De rapporteurs constateren dat voor het gebruik van audio- enbeeldmateriaal als zelfstandig bewijsmiddel als randvoorwaarde geldt datde procespartijen en de rechter toegang moeten hebben tot die opnamen,en dat de opnamen bovendien van voldoende kwaliteit zijn. Daarvoor iseen volwassen digitalisering van de strafrechtketen nodig. Is op basis vande lopende pilots reeds zicht op die randvoorwaarde en de kwaliteit vande digitalisering? Zo ja, wat betekent dit voor gebruik van geluid- ofbeeldopnamen als wettig bewijsmiddel en voor de beoogde efficiën-tieslag? Zo nee, moeten deze resultaten worden afgewacht voordat denieuwe regeling wordt ingevoerd?504. Op grond van de Innovatiewet Strafvordering wordt het gebruik vanaudiovisuele registratie als gedeeltelijke vervanging van het proces-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11366 verbaal en als zelfstandig bewijsmiddel uitgeprobeerd in de pilotaudiovisuele registratie. Toegang tot en kwaliteit van opnamen is medeafhankelijk van de aanwezigheid van en soorten middelen. Dit verschiltper pilotlocatie en per betrokken organisatie. De pilots worden door hetWODC geëvalueerd. De resultaten van de evaluatie komen uiterlijk binnentwee jaar na de start van de eerste pilot (oktober 2022) beschikbaar. Deuitkomsten daarvan worden afgewacht voordat uitspraken kunnenworden gedaan over onder meer de toegang tot en de kwaliteit vanopnamen. De uitkomsten van deze evaluatie worden aan de TweedeKamer toegezonden en zullen indien deze uitkomsten daartoe aanleidinggeven via de tweede aanvullingswet in het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering worden verwerkt.(505) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de nieuweregeling omtrent het bewijs. Deze leden constateren dat het criterium vande overtuiging is vervangen door het criterium van «buiten redelijketwijfel». Naast dit criterium staat in het nieuwe wetboek wel nog steeds deovertuiging genoemd, maar dan alleen expliciet gerelateerd aan devrijspraak en in negatieve zin («indien de rechtbank er niet van overtuigdis dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, spreekt zij hemdaarvan vrij»). Betekent dit dat er, ten opzichte van de huidige regeling,een extra criterium bij komt om tot een bewezenverklaring te komen? Isde bedoeling van de regering om de lat voor bewezenverklaringen hogerte leggen?505. Zie het antwoord op vraag 503.3.3 Processuele sancties (506) De rapporteurs vragen waarom de regering ervoor heeft gekozenvooral de bestaande jurisprudentie van de Hoge Raad over art. 359a Sv tecodificeren, terwijl de cassatierechter in het arrest van 1 december 2020heeft benadrukt zich, vanwege de voorliggende voorstellen voor demodernisering van het Wetboek van Strafvordering, terughoudend op testellen bij een bredere heroverweging van de regeling van processuelesancties.506. De regeling van de processuele sancties in de artikelen 4.3.12 tot enmet 4.3.16 verschilt op diverse punten van het huidige artikel 359a. Devormgeving is anders, de reikwijdte van de regeling is verruimd, er is eennormatief richtsnoer geïntroduceerd en de voorwaarden die aan detoepassing van de diverse sancties zijn verbonden zijn op onderdelenbijgesteld. Het is juist dat veel van die wijzigingen in lijn zijn met derechtspraak van de Hoge Raad over het huidige artikel 359a, niet alleenmet het arrest van 1 december 2020 waarop in de vraagstelling wordtgewezen, maar ook met eerdere arresten. Bij de keuze om op onderdelenaan te sluiten bij de geldende rechtspraak heeft ook het advies van hetOM, de politie, de Rvdr en de NVvR om te streven naar rust en continuïteitten opzichte van het huidige recht een rol gespeeld. Niettemin vinden nietalle onderdelen van de regeling hun aanleiding direct in de rechtspraakvan de Hoge Raad: het openstellen van de mogelijkheid om het verliesvan het vervolgingsrecht uit te spreken indien onrechtmatig handelen bijhet opsporingsonderzoek of de vervolging niet te verenigen is met debasisvoorwaarden voor een behoorlijke berechting berust bijvoorbeeldprimair op de grond om in de wettelijke formulering een duidelijkonderscheid aan te brengen met het geval waarin het verval van hetvervolgingsrecht berust op de grond dat door onrechtmatig handelengeen eerlijk proces meer mogelijk is. Of en wanneer is aangesloten bij derechtspraak van de Hoge Raad, berust met andere woorden op bewustekeuzes. Daar komt bij dat de regeling op diverse onderdelen zo isgeformuleerd dat zij kan worden toegepast in lijn met de huidigerechtspraak van de Hoge Raad, maar dat zij ook ruimte laat voor rechter-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11367 lijke rechtsontwikkeling. De regeling beoogt een adequate wettelijke basiste vormen voor het rechterlijk toezicht, maar aan de verdere ontwikkelingdaarvan niet in de weg te staan.(507) Kan worden verduidelijkt waarom uitdrukkelijk ervoor is gekozen omde regeling van processuele sancties van toepassing te verklaren oponrechtmatigheden die zijn begaan bij de berechting en waarom isafgeweken van het uitgangspunt van art. 359a Sv waarin voor herstel vandergelijke onrechtmatigheden de inzet van rechtsmiddelen is aange-wezen?507. De beperking van het huidige artikel 359a inhoudende dat het gaatom verzuim van vormen begaan «bij het voorbereidend onderzoek» is nietbehouden. Daarmee is alsnog gevolg gegeven aan het advies van deCommissie-Moons dat voorafging aan de introductie van artikel 359a (deCommissie herijking Wetboek van Strafvordering in het rapport «Recht invorm»). De reden voor het schrappen van deze beperking is dat proces-suele sancties ook nu al worden toegepast op onrechtmatigheden begaanin de fase van berechting, bijvoorbeeld wanneer onrechtmatig handelendoor opsporingsambtenaren of het openbaar ministerie (mede) plaats-vindt tijdens het onderzoek op de terechtzitting (zie ECLI:NL:HR:2016:9,NJ 2016/153 m.nt. Vellinga-Schootstra). In de toelichting zijn verdergenoemd als voorbeelden het niet aankondigen van een ontnemingspro-cedure door het openbaar ministerie (en die daarna toch instellen) of hetgeval waarin de rechter de verdachte vergeet mee te delen dat hij niet totantwoorden verplicht is (cautie). Ook in die gevallen wordt het wenselijkgeacht dat de rechter met processuele sancties kan reageren op deonrechtmatigheid. Met de uitbreiding van het toepassingsbereik van deregeling worden deze gevallen nu ook wettelijk genormeerd. Dat geldt ookvoor schadevergoeding en strafvermindering als processuele sancties dieaan het overschrijden van de redelijke termijn worden verbonden;overschrijding van de redelijke termijn vindt in veel gevallen na aanvangvan de berechting plaats. Ook voor wat betreft redelijke-termijnoverschrijdingen is het dus passend om de processuele sanctieswaarmee daarop kan worden gereageerd in één regeling samen te nemendie van toepassing is op de gehele opsporings- en vervolgingsfase.(508) De rapporteurs constateren dat de mogelijkheid om het bij de enkeleconstatering van de onrechtmatigheid te laten, beperkt geregeld blijft. Eris afgezien van het voorzien in een uitdrukkelijke wettelijke grondslagdaarvoor, want dat zou werkbelasting genereren, aangezien de verdachtedan om die constatering zou kunnen vragen. Doordat het volgens detoelichting mogelijk blijft om met de constatering te volstaan, isbovendien de vraag of de rechter in sommige gevallen ook van dezemogelijkheid gebruik moet maken in het licht van het uitgangspunt vansubsidiariteit. Is de enkele constatering van de onrechtmatigheid ook alsprocessuele «sanctie» aan te merken? Zo ja, geldt daarvoor dan ook datde rechter daarmee op grond van het uitgangspunt van subsidiariteitmoet volstaan als dat een voldoende zware reactie is op de vastgesteldeonrechtmatigheid?508. De constatering van een onrechtmatigheid is een voorwaarde voorde toepassing van een processuele sanctie. De rechter kan niettemin, ingevallen waarin hij een onrechtmatigheid constateert waarop niet met eenvan de in de Titel 3.3 neergelegde processuele sancties behoeft te wordengereageerd, die onrechtmatigheid alsnog tot uitdrukking brengen in hetvonnis. Deze constatering is strikt genomen geen processuele sanctie, indie zin dat deze niet doorwerkt in de beslissingen die de rechter neemt inde zaak. Een algemene verplichting voor de strafrechter om iederemogelijke onrechtmatigheid te onderzoeken en te constateren in hetvonnis, ook waar deze geen invloed kan hebben op de door de rechter tenemen beslissingen, zou een groot beslag leggen op de tijd en aandachtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11368 van de rechter en is daarom niet wenselijk. De enkele constatering van deonrechtmatigheid kan echter in concrete gevallen wel wenselijk zijn. Inbepaalde gevallen, bijvoorbeeld bij een beperkte termijnoverschrijding, ofbij oplegging van een sanctie die zich naar haar aard niet leent voorstrafvermindering, kan volgens de Hoge Raad worden volstaan met deconstatering dat een inbreuk is gemaakt op het recht van de verdachte opberechting binnen een redelijke termijn (ECLI:NL:HR:2024:492). Er is dansprake van een subsidiariteitsverhouding in die zin dat de enkeleconstatering moet worden gezien als een lichtere reactie op een onrecht-matigheid dan strafvermindering. Het is echter niet zo dat de rechter deonrechtmatigheid in alle gevallen moet constateren indien strafvermin-dering niet in het belang is van een goede rechtsbedeling vanwege debeperkte ernst van de onrechtmatigheid. Van de constatering van deonrechtmatigheid kan daarnaast een belangrijke normerende werkinguitgaan. De rechter kan deze gebruiken om een uitgeoefende opsporings-bevoegdheid van nadere normering te voorzien. In die functie onttrekt deconstatering zich aan het uitgangspunt van subsidiariteit dat geldt voor deprocessuele sancties: een zekere ernst van de onrechtmatigheid is voor deenkele constatering geen voorwaarde en hoeft ook geen rol te spelen bijde keuze om al dan niet tot constatering over te gaan. Al met al betekentdit dat de rechter, in gevallen waarin hij toepassing van een processuelesanctie niet geboden acht, een grote vrijheid heeft om de onrechtma-tigheid al dan niet te constateren in het vonnis.(509) De rapporteurs vragen of het verlenen van een algemene aanspraakop het enkele oordeel van de rechter over eventuele onrechtmatigheden,ook als dat niet tot een sanctie hoeft te leiden, niet (beter) past in de eisenaan de relatie tussen burger en overheid in «de democratische rechts-staat», zoals sinds kort verwoord in de Algemene bepaling van deGrondwet?509. De algemene bepaling van de Grondwet expliciteert de kernbegin-selen democratie, rechtsstaat en grondrechten, alsmede de waarborg-functie van de Grondwet ten aanzien van die beginselen (Kamerstukken II2015/16, 34 516, nr. 3, p. 9). Vooropgesteld kan worden dat deze bepalingzich primair richt tot de (Grond-)wetgever en dat deze geen veranderingbrengt in de verhouding tussen wetgever en rechter (Kamerstukken II2015/16, 34 516, nr. 3, p. 9).Dat Nederland een democratische rechtsstaat is, betekent onder meer datmachtsuitoefening door de overheid dient te berusten op en wordtbegrensd door de wet, een beginsel dat voor strafvorderlijk overheids-optreden nog eens uitdrukkelijk wordt gestipuleerd in artikel 1.1.1 (hetstrafvorderlijk legaliteitsbeginsel). In de toelichting op de algemenebepaling is voorts benadrukt dat de democratie, de rechtsstaat en denaleving van grondrechten in concrete situaties gewaarborgd dienen teworden om daadwerkelijk gestalte te krijgen (Kamerstukken II 2015/16,34 516, nr. 3, p. 3). Daaraan kan voor het strafrecht de gedachte wordenverbonden dat toezicht moet worden gehouden op de wijze waaropstrafvorderlijke actoren hun bevoegdheden uitoefenen en dat vooreventueel onrechtmatig overheidshandelen, zeker waar dat een inbreukmaakt op grondrechten, correctiemechanismen aanwezig moeten zijn.Toezicht door de strafrechter door middel van processuele sancties is éénvan die correctiemechanismen. Indien onrechtmatig is gehandeld in deopsporing of vervolging in een zaak die uiteindelijk voor de rechter komt,kan de rechter gevolgen verbinden aan die onrechtmatigheid bij debeslissingen die hij neemt in de zaak, indien dat in het belang is van eengoede rechtsbedeling. Daarnaast kan de rechter een onrechtmatigheidconstateren in zijn uitspraak zonder daaraan gevolgen te verbinden voorde beslissingen in de zaak. Een algemene strafvorderlijke verplichtingTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11369 voor de strafrechter om iedere mogelijke onrechtmatigheid te onder-zoeken en in het vonnis te constateren, ook waar deze geen invloed hoeftte hebben op de door de rechter te nemen beslissingen, zou echter eengroot beslag leggen op de tijd en aandacht van de rechter en wordtdaarom niet wenselijk geacht.(510) De rapporteurs vragen of het criterium van het belang van eengoede rechtsbedeling voldoende houvast biedt aan de overheid (politie,justitie, rechtspraak) en de burger bij de belangafweging die plaatsvindt inhet kader van de vraag of een sanctie aan een onrechtmatigheid dient teworden verbonden.510. Het richtsnoer van het belang van een goede rechtsbedeling speelteen rol bij de afweging of al dan niet met een processuele sanctie moetworden gereageerd op een geconstateerde onrechtmatigheid. Dieafweging is voorbehouden aan de strafrechter. Voor opsporingsambte-naren en andere bij de opsporing en vervolging betrokken functionarissenspeelt deze afweging geen rol: zij moeten zich immers aan de wet houden,ongeacht de vraag of overtreding daarvan zou leiden tot toepassing vaneen processuele sanctie. Voor politie, justitie en burgers is daarom vooralvan belang dat de strafvorderlijke normen voldoende rechtszekerheidbieden, en eenieder in staat stellen om de rechtmatigheid van strafvor-derlijk overheidsoptreden te beoordelen. Voor de rechter, die wel deafweging moet maken of en zo ja welke processuele sanctie zal wordentoegepast in reactie op een geconstateerde onrechtmatigheid in eenstrafzaak, is de goede rechtsbedeling het kader. Dat kader moet de rechtervoldoende houvast bieden, maar tegelijkertijd ook ruimte laten voorrechtsvinding en rechtsontwikkeling, zo is ook benadrukt in de memorievan toelichting (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1022). Bovendienmoet het ook mogelijk zijn om maatwerk te bieden. Met de toelichting datde afweging in het kader van de goede rechtsbedeling plaatsvindt in hetlicht van de doelstellingen van het strafprocesrecht, en de aanduiding inartikel 4.3.12, tweede lid, van enkele factoren met behulp waarvan hetgewicht van de betrokken belangen in concrete gevallen kan wordenvastgesteld, krijgt de goede rechtsbedeling nadere invulling. Het opnemenvan die factoren was ook geadviseerd door de Afdeling advisering van deRaad van State voor het geval dat zou worden vastgehouden aan degoede rechtsbedeling als richtsnoer, omdat die factoren volgens deAfdeling meer houvast bieden dan het richtsnoer op zichzelf. De goederechtsbedeling blijft echter naar haar aard een richtsnoer, dat de uiteinde-lijke afweging in handen legt van de strafrechter.(511) Kan de regering toelichten hoe de wettelijke regeling van proces-suele sancties zich verhoudt tot de Algemene bepaling van de Grondweten bieden rechtsstatelijke waarborgen aanleiding om in de wet zelf naderte normeren wanneer onrechtmatigheden bij de opsporing en vervolgingtot een (bepaalde) sanctie aanleiding geven?511. Zoals in de toelichting op deze bepaling is aangegeven, brengt dealgemene bepaling van de Grondwet geen verandering in de verhoudingtussen wetgever en rechter (Kamerstukken II 2015/16, 34 516, nr. 3, p. 9).De bepaling richt zich primair tot de grondwetgever en de wetgever, dieervoor dienen te zorgen dat de waarborgfunctie van de algemenebepaling en de Grondwet in het algemeen wordt gerespecteerd. Vanuithet oogpunt van rechtsstatelijkheid kan in algemene zin worden gestelddat de wettelijke normering van strafvorderlijke bevoegdheden, binnen degrenzen die de Grondwet (en Europese en internationale verdragen)daaraan stelt, van groot belang is. Alle bij de strafrechtspleging betrokkenfunctionarissen zullen voorts in hun taakuitoefening de wet moeteneerbiedigen. Het is echter vanuit het oogpunt van rechtsstatelijkheid nietnodig om de rechter precies voor te schrijven bij welke onrechtmatigheideen bepaalde sanctie aangewezen is. Sterker: dat zou ook niet goedTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11370 mogelijk zijn omdat de beoordeling van het onrechtmatig handelen en denoodzaak daaraan een bepaalde sanctie te verbinden sterk afhankelijk zijnvan de omstandigheden van het individuele geval en daarom vaak eenmaatwerkbeslissing vergen. De normering van processuele sanctiesbeoogt met het belang van de goede rechtsbedeling een richtsnoer tegeven, maar wil de rechter ook ruimte laten om maatwerk te bieden enruimte laten voor rechtsvinding en rechtsontwikkeling.(512) Waarom is schadevergoeding als processuele sanctie slechts vooréén type onrechtmatigheid mogelijk? Is bredere toepasselijkheid denkbaaren, zo nee, kan de regering toelichten waarom niet?512. De mogelijkheid tot toepassing van de schadevergoeding alsprocessuele sanctie bij schending van het vereiste van berechting binneneen redelijke termijn is nieuw. De aanleiding tot de introductie van dezemogelijkheid is een arrest van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2018:558),waarin de Hoge Raad de suggestie doet aan de wetgever om de sanctievan schadevergoeding bij schending van het vereiste van berechtingbinnen een redelijke termijn te regelen. In de wettelijke regeling is ervoorgekozen om schadevergoeding wegens schending van de redelijketermijn als processuele sanctie vorm te geven, naast de mogelijkheid vanstrafvermindering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan een behoeftein de praktijk. Het wordt niet nodig en ook niet opportuun geacht deschadevergoeding als processuele sanctie ook voor andere typenonrechtmatigheden mogelijk te maken. Het is niet nodig omdat Boek 6,Hoofdstuk 6, een brede, algemene schadevergoedingsregeling bevat diekan worden toegepast bij (zowel rechtmatig als) onrechtmatig strafvor-derlijk optreden, waarbij die schadevergoeding in eerste instantie bij deschadeveroorzakende instantie kan worden verzocht, en waarbij hetschadeverzoek bovendien door ieder die door het strafvorderlijkoverheidsoptreden schade heeft geleden, kan worden ingediend, en dusniet alleen door de verdachte, maar bijvoorbeeld ook door een derde dieschade heeft geleden. Het is niet opportuun omdat een uitbreiding vanmogelijkheden om schadevergoeding voor andere typen onrechtmatig-heden als processuele sanctie in de strafzaak op te leggen niet zou sporenmet de doelstelling om strafzaken voortvarend te behandelen en dedoorlooptijden terug te dringen. De uitzondering voor overschrijdingenvan de redelijke termijn, waarop in de nieuwe wettelijke regeling wel metde processuele sanctie van schadevergoeding in een strafzaak kan wordengereageerd, wordt gerechtvaardigd door het feit dat zo’n overschrijdingzich in de strafzaak zelf eenvoudig laat vaststellen langs lijnen van sindsjaar en dag uitgekristalliseerde jurisprudentie en door het feit dat het rechtop berechting binnen een redelijke termijn primair een recht van deverdachte is.(513) De rapporteurs vragen of aanpassing van art. 4.3.15 lid 3 mogelijk isin die zin dat daarin uitdrukkelijk wordt opgenomen dat ook het geheelontbreken van verslaglegging tot sanctionering aanleiding kan geven.Verdient het overweging om aan art. 4.3.15 lid 3 toe te voegen dat ookambtenaren van het OM het daar omschreven verslagleggingsverzuimkunnen begaan? Kunnen richtlijnen worden verschaft over wat als «tijdig»herstel in de zin van art. 4.3.15 lid 3 kan worden beschouwd?513. Artikel 4.3.15, derde lid, geeft aan dat de vervolging van de verdachteniet te verenigen is met de basisvoorwaarden voor een behoorlijkeberechting bij «onjuist of onvolledig» verslag leggen van – kort gezegd –ernstig onrechtmatig handelen. Deze bepaling kan bezwaarlijk andersworden gelezen dan dat onder onvolledige verslaglegging ook het geheelontbreken van verslaglegging valt. Explicitering daarvan is dus niet nodig.Datzelfde geldt voor een eventuele toevoeging dat de bepaling ook vantoepassing is op een ambtenaar van het openbaar ministerie. Inartikel 1.3.10 wordt beschreven wie als opsporingsambtenaar belast zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11371 met de opsporing van strafbare feiten, en in onderdeel a worden deofficieren van justitie genoemd. De gevraagde toevoeging is daarom nietnodig. Wanneer onjuiste of onvolledige verslaglegging al dan niet tijdig isrechtgezet, is aan de rechter om te bepalen, zo is ook expliciet toegelichtbij artikel 4.3.15, tweede lid. Nadere richtlijnen voor de toepassing vandeze bepaling zullen in de praktijk moeten worden ontwikkeld.(514) De rapporteurs vragen of kan worden verduidelijkt wat in de praktijkhet verschil is tussen de niet-ontvankelijkverklaring van het OM vanwegehet verlies van het vervolgingsrecht op basis van art. 4.3.15 lid 1–3 tenopzichte van de niet-ontvankelijkverklaring van het OM op basis van art.4.3.15 lid 4 die niet resulteert in het verlies van het vervolgingsrecht.514. De bepalingen in Titel 3.3 zijn zo geformuleerd dat zij, waar relevant,ook het openbaar ministerie en opsporingsambtenaren aangaan bij hetuitvaardigen van strafbeschikkingen. De onrechtmatigheden die in deeerste drie leden van artikel 4.3.15 centraal staan, kunnen zich geheel ofgedeeltelijk voordoen tijdens de opsporing, waarna vervolging nog opverschillende manieren plaats kan vinden. Om die reden is de sanctie opeventuele onrechtmatigheden in die bepalingen algemeen geformuleerdals verlies van het vervolgingsrecht, waarmee tot uitdrukking komt dat ditmede de vervolging middels een strafbeschikking omvat. Artikel 4.3.15,vierde lid, betreft een geval dat zich tijdens het onderzoek op de terecht-zitting voordoet (de officier van justitie weigert een op de terechtzittingdoor de rechter gegeven bevel uit te voeren), en daarmee dus alleenwanneer vervolging plaatsvindt door middel van berechting. Wordt aandat onrechtmatig handelen op de terechtzitting een rechtsgevolgverbonden, dan is dat altijd de niet-ontvankelijkverklaring van de officiervan justitie in de ingestelde vervolging.(515) Kan, op basis van de algemene stelplicht van art. 4.3.22 lid 3, van deverdachte worden verwacht dat hij een verweer inzake processuelesancties onderbouwt aan de hand van specifieke onderdelen uit art. 4.3.12lid 2 (het belang van de goede rechtsbedeling, het belang van hetgeschonden voorschrift, de ernst van het onrechtmatig handelen en hetveroorzaakte nadeel)? Zo ja, moet hij daarbij dan ook ingaan op hetcentrale beslissingscriterium «in het belang van een goede rechtsbe-deling»?515. De Hoge Raad stelt gedetailleerde eisen aan de onderbouwing vaneen verweer dat strekt tot toepassing van het huidige artikel 359a. Voorhet nieuwe wetboek geldt als algemene eis dat een uitdrukkelijk voorge-dragen standpunt met betrekking tot de vragen van de artikelen 4.3.1 en4.3.3 vragen om een gemotiveerde reactie indien het standpunt«deugdelijk is onderbouwd». Het is aan de Hoge Raad om nader tebepalen welke eisen worden gesteld aan de onderbouwing van verwerenbetreffende de toepassing van processuele sancties.(516) De leden van de VVD-fractie lezen dat de Afdeling advisering van deRaad van State (de Afdeling) heeft geadviseerd te verduidelijken datslechts evidente en ernstige schendingen van rechten van de verdedigingin het buitenland kunnen leiden tot toepassing van processuele sancties ineen Nederlandse strafzaak. Waarom is gekozen dit advies van de Afdelingniet volledig op te volgen en vast te houden dat dit handelen alleen toteen processuele sanctie in een Nederlandse strafzaak kan leiden als ditvan «bepalende» invloed is geweest op het opsporingsonderzoek of devervolging?516. De Afdeling advisering van de Raad van State heeft erop gewezen dathet verruimen van de reikwijdte van de regeling van de processuelesancties tot gevolg kan hebben dat de rechtmatigheid van opsporingson-derzoek verricht in het buitenland ter discussie kan komen te staan in hetNederlandse strafproces. De Afdeling acht het onwenselijk dat hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11372 strafproces wordt belast met onderzoek naar mogelijke onrechtmatig-heden bij de bewijsvergaring in het buitenland. Zij adviseert om in dememorie van toelichting aan te geven dat enkel «evidente en ernstigeschendingen van verdedigingsrechten» in het buitenland kunnen leidentot de toepassing van een processuele sanctie in Nederland. Aan deopmerking van de Afdeling is beoogd recht te doen door – eveneens inlijn met het advies van de Afdeling – de reikwijdte van de regeling teexpliciteren. Door het invoegen van artikel 4.3.16, op grond waarvanonrechtmatig handelen buiten het opsporingsonderzoek of de vervolgingalleen kan leiden tot toepassing van een processuele sanctie «indien dathandelen van bepalende invloed is geweest op het opsporingsonderzoeknaar of de vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegdefeit» wordt voorkomen dat de Nederlandse strafrechter zich moet buigenover alle mogelijke onrechtmatigheden begaan in het buitenland. Met hetcriterium van de «bepalende invloed» wordt aangesloten bij de recht-spraak van de Hoge Raad over hoe en wanneer onderzoekshandelingenverricht door buitenlandse autoriteiten moeten worden getoetst, zonderdaarvoor in de wettelijke regeling zelf in een afwijkende normering tevoorzien.(517) De leden van de D66-fractie merken op dat het toepassingsbereikvan de regeling omtrent processuele sancties is verruimd ten opzichte vande oude regeling omtrent vormverzuimen (artikel 359a). Zo vallen onderde nieuwe regeling ook onrechtmatigheden tijdens de vervolgingsfase,waarbij het (ook) gaat om onrechtmatigheden door een rechter. Ditbetekent wel dat onrechtmatigheden door een rechter gesanctioneerdmoeten worden door dezelfde rechter als die de «fout» heeft gemaakt.Verwacht de regering niet dat dit in de praktijk nooit zal gebeuren en datdeze uitbreiding een dode letter zal worden? Zo nee, waarom verwacht deregering dat rechters daadwerkelijk zullen overgaan tot sanctionering vaneigen fouten?517. De situatie dat een rechter zal moeten reageren met een processuelesanctie op een door hemzelf begane onrechtmatigheid zal zich naarverwachting slechts uiterst zelden voordoen. In de memorie vantoelichting is het voorbeeld genoemd van een rechter die vergeet deverdachte voorafgaand aan het verhoor op de terechtzitting mee te delendat hij niet tot antwoorden verplicht is. In een dergelijk uitzonderlijk gevalzal de rechter die deze fout bij de beraadslaging ontdekt zelf op dezeonrechtmatigheid reageren met toepassing van een processuele sanctie.En in geval deze fout door de rechter niet is onderkend kan zij na hetinstellen van hoger beroep door het gerechtshof worden rechtgezet. Dedoor de verdachte afgelegde verklaring waarbij hem niet tevoren ismeegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht, zal op grond vanartikel 4.3.14 immers in de regel moeten worden uitgesloten van hetbewijs, niet alleen door een hogere rechter maar ook al in de uitspraakvan de rechter in eerste aanleg die rechtstreeks volgt op de berechtingwaarbij de rechter was vergeten de cautie te geven. Het is van belang tebenadrukken dat de toepassing van een van de sancties van Titel 3.3verschillende doelen kan dienen (zie hierover bijvoorbeeld de conclusievan AG Bleichrodt bij ECLI:NL:HR:2020:1889, NJ 2021/169, punt 49–63). Detoepassing van een processuele sanctie in het hier gegeven voorbeeldheeft primair tot doel het wegnemen van het nadeel dat de verdachtemogelijk heeft ondervonden van de onrechtmatigheid. Het behoort tot derechterlijke professionaliteit dat de rechter rekening houdt met dat nadeel.Voor gevallen waarin de onrechtmatigheid hem is ontgaan, staanrechtsmiddelen open.(518) De leden van de D66-fractie constateren dat het sanctioneren vanonrechtmatigheden in de nieuwe wettelijke bewoordingen mindervrijblijvend is dan in het huidige artikel 359a Sv. Is dit een bewuste keuzeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11373 van de regering, omdat de regering van oordeel is dat momenteel te vaakslechts wordt gekozen voor het «constateren van een gebrek» zonderverdere sanctie? Is het volgens de regering wenselijk dat dat vaakgebeurt? Is de verwachting dat onder de nieuwe regeling vaker eendaadwerkelijke sanctie volgt?518. Het huidige artikel 359a bepaalt dat wanneer aan alle voorwaardendaarvoor is voldaan, de rechter een sanctie kan toepassen. Deze formu-lering van die bepaling is niet in overeenstemming met het geldenderecht zoals daarvan wordt blijk gegeven in de rechtspraak van de HogeRaad, omdat in bepaalde gevallen de rechter op grond van dat geldenderecht een processuele sanctie moet toepassen. De minder vrijblijvendeformulering van de nieuwe regeling is bewust gekozen omdat dediscretionaire ruimte die de rechter toekomt bij de toepassing vanprocessuele sancties niet is gelegen in de vraag of hij, wanneer hijoordeelt dat toepassing van een sanctie in het belang is van een goederechtsbedeling, tot daadwerkelijke toepassing van een sanctie zalovergaan. Als de rechter tot het oordeel komt dat toepassing van eensanctie in het belang is van een goede rechtsbedeling, dan moet hij dezesanctie uiteraard ook toepassen. Dat wil niet zeggen dat bij iedereconstatering van een onrechtmatigheid ook een processuele sanctie moetworden toegepast, aangezien dat niet altijd in het belang van een goederechtsbedeling zal zijn. Daarin ligt dus de discretionaire ruimte van derechter. Door de wijziging komt dat in de wettelijke regeling beter uit deverf. De verwachting is niet dat deze wijziging ertoe zal leiden dat derechter vaker een sanctie zal toepassen, omdat de wijziging aansluit bij derechtspraak van de Hoge Raad, die op dit punt – anders dan de huidigewettelijke formulering van artikel 359a suggereert – evenmin vrijblijvendkan worden genoemd.(519) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat voorgesteldwordt om de rechtbank de bevoegdheid te geven om schadevergoedingtoe te kennen indien de redelijke termijn voor berechting is overschredenen schadevergoeding in het belang is van een goede rechtsbedeling.Daarbij geldt als uitgangspunt een schadevergoeding van 500 euro voorieder half jaar dat de redelijke termijn wordt overschreden. Ook wordtingegaan op de wijze waarop strafvermindering kan plaatsvinden tengevolge van het overschrijden van de redelijke termijn.(520) Hoe worden benadeelden geïnformeerd over de mogelijkheid omschadevergoeding te vorderen in geval van een schending van deredelijke termijn? In navolging van een vraag van Slachtofferhulp, kanvoor de invulling van het schadebedrag uitgegaan worden van eencombinatie van een vast bedrag en een procentueel te berekenen bedrag,zodat enerzijds een deugdelijke vergoeding wordt toegekend ongeacht dehoogte van de schadevergoeding en anderzijds rekening wordt gehoudenmet de hoogte van de schadevergoeding in het concrete geval?519. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteldover de wijze waarop de schadevergoeding wordt berekend die kanworden toegekend indien de zaak niet binnen een redelijke termijn isberecht en wanneer toepassing van een processuele sanctie naar hetoordeel van de rechtbank in het belang is van een goede rechtsbedeling(artikel 4.3.12, derde lid). De concrete invulling van deze regeling (diefacultatief is) volgt op een later moment, bij het tot stand brengen van dealgemene maatregelen van bestuur onder het nieuwe wetboek. Degegeven suggestie zal daarbij worden betrokken.520. Artikel 4.3.12 maakt de toekenning van een schadevergoedingmogelijk als een verdachte door overschrijding van de redelijke termijn isgetroffen en indien dit volgens de rechtbank in het belang is van eengoede rechtsbedeling. De rechtbank krijgt de bevoegdheid om in gevalvan overschrijding van de redelijke termijn ook een schadevergoeding toeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11374 te kennen aan de benadeelde partij (vgl. artikel 4.4.7, derde lid). Daarvooris niet vereist dat de benadeelde partij een vordering indient. Derechtbank kent een schadevergoeding ambtshalve toe. Het wordt daaromniet nodig geacht om in de wet op te nemen dat benadeelde partijenworden gewezen op het bestaan van deze schadevergoeding, omdat debenadeelde partij daar zelf geen actie op hoeft te ondernemen en derechter de schadevergoeding ambtshalve toekent. Het staat debenadeelde partij of haar advocaat overigens uiteraard vrij om tijdens deterechtzitting de rechtbank te wijzen op de mogelijkheid van hettoekennen van schadevergoeding aan de benadeelde partij als deredelijke termijn is overschreden.3.5 Inhoud van het eindvonnis (521) De rapporteurs vragen wat de rechtvaardiging vormt voor deverzwaring van de stelplicht van de verdachte bij verweren inzake devoorvragen. Klopt het dat de stelplicht ook wordt verzwaard bij Meer enVaart-verweren en, zo ja, wat is daarvoor de reden?521. Het nieuwe wetboek kent als algemeen uitgangspunt dat debeslissingen op alle formele en materiële vragen in het vonnis staan, endat deze beslissingen worden gemotiveerd voor zover dat voor debegrijpelijkheid van die beslissingen nodig is (de artikelen 4.3.21, eerstelid, en 4.3.22, eerste lid). Daarnaast zijn de bestaande verplichtingen om tereageren op verweren en uitdrukkelijk onderbouwde standpuntenopnieuw en in samenhang geformuleerd, waardoor een eenvoudigereregeling onstaat (artikel 4.3.22, tweede en derde lid).De rechter is volgens het nieuwe wetboek dus verplicht ook de beslis-singen op formele vragen die niet hebben geleid tot de nietigheid van detenlastelegging, de onbevoegdheid van de rechter of deniet-ontvankelijkheid van de officier van justitie, in het vonnis tevermelden, en is tot uitleg van deze beslissingen op de formele vragenpas verplicht als de beslissing zonder die uitleg niet begrijpelijk is. Of eenbeslissing nadere motivering behoeft wordt sterk bepaald door deomstandigheden van het geval, waaronder de omstandigheid dat verweeris gevoerd. De beslissingen dat de tenlastelegging geldig is, de rechtbankbevoegd en de officier van justitie ontvankelijk, zal de rechter als deverdachte ter zake geen verweer voert zelden behoeven te motiveren.Daarnaast behoeft niet elk door de officier van justitie of de verdachteingenomen standpunt dat gepasseerd wordt een antwoord, en waar opeen standpunt wel een reactie dient te volgen, behoeft die reactie nietaltijd even uitgebreid te zijn. Maar als een betoog twijfel oproept aan dejuistheid van de genomen beslissing, en dus vraagtekens zet bij debeslissing, is voor de begrijpelijkheid van die beslissing een antwoordnodig dat die twijfel wegneemt.Indien door of namens de verdachte bijvoorbeeld wordt bepleit dat deofficier van justitie niet-ontvankelijk is, kan dat pleidooi meebrengen datde daarmee strijdige beslissing zonder nadere motivering niet zondermeer begrijpelijk zou zijn. De rechter is dan op basis van het algemenemotiveringsvoorschrift van artikel 4.3.22, eerste lid, gehouden diebeslissing toe te lichten. Die motivering hoeft, als hetniet-ontvankelijkheidsstandpunt niet deugdelijk onderbouwd is, nietuitgebreid te zijn. De rechter kan met weinig nadere uitleg volstaan. In ditopzicht is geen sprake van een zwaardere stelplicht voor een preliminairverweer dan onder het huidige recht, waarin een preliminair verweer inbeginsel geldt als een uitdrukkelijk voorgedragen verweer als bedoeld inartikel 358, derde lid, waarvoor de zogenoemde «lichte stelplicht» geldt.De mate waarin de rechter is gehouden tot nadere en uitgebreideremotivering van zijn beslissing hangt dus af van hetgeen de verdachte naarvoren brengt. Op grond van artikel 4.3.22, derde lid, is de rechter verplichtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11375 tot een uitgebreidere motivering als een standpunt met betrekking tot éénvan de formele vragen deugdelijk onderbouwd ten overstaan van derechter naar voren is gebracht. Wijkt de beslissing van de rechtbank opdie formele vraag van een uitdrukkelijk voorgedragen en deugdelijkonderbouwd standpunt af, dan geeft het eindvonnis de redenen op diedaaraan ten grondslag liggen.Ook voor de zogenoemde Meer en Vaartverweren geldt op grond vanartikel 4.3.22, derde lid, een plicht de beslissing van de rechtbank nader temotiveren indien deze afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijkvoorgedragen standpunt dat deugdelijk is onderbouwd. Ten opzichte vanhet huidige recht lijkt weliswaar sprake van een verzwaring van destelplicht, maar feitelijk is dat niet het geval. De Hoge Raad heeft nainvoering van de responsieplicht bij uitdrukkelijk onderbouwde stand-punten (het huidige artikel 359, tweede lid, tweede zin; Stb. 2004, 580) albepaald dat invoering daarvan geen verandering heeft aangebracht in deverplichting om op een Meer en Vaartverweer te reageren en evenmin inde – lichtere – stelplicht daarvoor. Aan de mate van onderbouwing doorde verdediging worden dus geen andere – en dus geen zwaardere – eisengesteld dan vóór de invoering van de bedoelde responsieplicht. Datbetekent dat met betrekking tot dergelijke verweren betrekkelijk snelvoldaan kan zijn aan de eis dat het desbetreffende standpunt uitdrukkelijkmoet zijn onderbouwd (ECLI:NL:HR:2008:BC5969, NJ 2008/231).Artikel 4.3.22, derde lid, brengt hierin geen wijziging.Dit hangt samen met het type verweer waarom het gaat. Een Meer enVaartverweer is een bewijsverweer waarin een beroep wordt gedaan opeen mogelijkheid die onverenigbaar is met een bewezenverklaring maardie wordt opengelaten door de voor die bewezenverklaring gebruiktebewijsmiddelen. Ook uit de eis dat het eindvonnis de uit wettige bewijs-middelen blijkende redengevende feiten en omstandigheden bevat waarde beslissing dat het tenlastegelegde feit door de verdachte is begaan opsteunt (artikel 4.3.23, eerste lid; het huidige artikel 359, derde lid), volgt aldat de rechter dit type verweer voldoende moeten weerleggen, wil debewezenverklaring ook in het licht van hetgeen is aangevoerd toereikendzijn gemotiveerd. Die eigen verantwoordelijkheid van de rechter voor eendeugdelijke vaststelling van schuld brengt mee dat aan de stelplicht voorde verdachte bij een Meer en Vaartverweer niet al te hoge eisen wordengesteld.(522) De rapporteurs vragen of het vrij vraag geformuleerde criterium vanbegrijpelijkheid van de beslissing in art. 4.3.22 lid 1 nader kan wordeningevuld? Zo ja, bepaalt de vraag of twijfel is, of moet zijn, gerezen overde juistheid van de door de rechter genomen beslissing inhoudelijk(mede) of een beslissing nadere motivering behoeft? Als dat het geval is,zou het begrijpelijkheidscriterium dan moeten worden vervangen door dit(of een ander) criterium dat meer inhoudelijke houvast geeft bij hetbepalen of een beslissing motivering behoeft?522. Voor de beslissingen vermeld in artikel 4.3.21 vormt het uitgangspuntvan de wettelijke regeling dat zij gemotiveerd zijn voor zover dat voor debegrijpelijkheid van de beslissing nodig is. Daarvoor hoeft geen sprake tezijn van feitelijk (daadwerkelijk) gerezen of geuite twijfel over debeslissing; het gaat om een criterium voor de rechter bij de ambtshalvebeantwoording van de vraag of en in hoeverre zijn beslissing motiveringbehoeft. Het antwoord op de vraag of een beslissing zonder naderemotivering begrijpelijk is, is afhankelijk van het type beslissing en van defeiten en omstandigheden in het concrete geval. Wel spelen de stand-punten die tijdens het onderzoek op de terechtzitting zijn ingenomendaarbij een belangrijke rol. Als een betoog van een procespartij twijfeloproept over de juistheid van de genomen beslissing, is een antwoordnodig dat die twijfel wegneemt. In zoverre bepaalt de vraag of twijfel is, ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11376 moet zijn, gerezen over de juistheid van de door de rechter genomenbeslissing wel mede of een beslissing nadere motivering behoeft, maarniet uitsluitend. De notie van «begrijpelijkheid» moet immers niet alleen inrelatie tot de procespartijen worden begrepen, maar ook in relatie tot deoverige procesdeelnemers (waaronder het slachtoffer), derden en eenhogere rechter. Soms zal een beslissing waarover de procespartijen geenstandpunt hebben ingenomen of waarover zij het eens zijn, voor debuitenwereld een nadere motivering behoeven. Denk aan de opleggingvan een lagere straf of een andere strafmodaliteit dan in vergelijkbarestrafzaken gebruikelijk is. Zie ook het antwoord op vraag 524.Het criterium van «begrijpelijkheid» sluit aan bij de praktijk die op basisvan de huidige wet en de rechtspraak van de Hoge Raad tot stand isgekomen. Het past bij een modern strafproces dat de rechter beslissingentoelicht als deze zonder die toelichting niet begrijpelijk zijn en dat hijinzicht verschaft in de redenen die hem tot deze beslissing hebbengebracht. Een ander criterium zou hierbij niet meer inhoudelijke houvastbieden. Het stellen van het vereiste dat een beslissing pas motiveringbehoeft als twijfel is gerezen (of geuit) over de juistheid ervan, zou de lathoger leggen dan de eis dat gemotiveerd wordt als dit noodzakelijk isvoor de begrijpelijkheid van de beslissing.(523) De rapporteurs vragen of het stelsel van beslissen en motiveren aande hand van verschillende stel- en responsieplichten – in combinatie metde open norm van de «begrijpelijkheid» – voldoet aan de eisen die medeop basis van de Grondwet mogen worden gesteld aan de communicatievan beslissingen van de strafrechter aan de verdachte en de samenleving.523. Artikel 121 van de Grondwet bepaalt dat met uitzondering van degevallen bij de wet bepaald, vonnissen de gronden inhouden waarop zijrusten. Het wettelijk stelsel van beslissings- en motiveringsvoorschriftenvormt de invulling van deze verplichting. De eisen die aan de motiveringvan rechterlijke beslissingen worden gesteld, zijn veranderd in de loop dertijd en soms aangescherpt, soms versoepeld (zie daarover B.F. Keulen enG. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 16.1.1).De regeling die het wetboek in 1926 kende heeft diverse wijzigingenondergaan. Een belangrijke wijziging betrof de aanpassing van demotiveringsvoorschriften in het huidige artikel 359 in 2005(Stb. 2004, 580). Kenmerk van deze wijzigingen is dat de responsieplichtvan de rechter meer is ingericht op een wisselwerking tussen de proces-partijen en de rechter. Ten opzichte van de regeling die in het wetboek van1926 was opgenomen wordt van de rechter meer een motivering van zijnbeslissingen in reactie op door de procespartijen naar voren gebrachtestandpunten verlangd. Deze wijziging past in de ontwikkeling naar eencontradictoir proces. Zie daarover bijvoorbeeld J.W. Fokkens, «Dewijziging van art. 359 lid 2 Sv: een stap op weg naar een contradictoirstrafproces», in: Systeem in ontwikkeling (Knigge-bundel) 2005; zie ookhet antwoord op vraag 452. Ten opzichte van het huidige recht biedt hetnieuwe wetboek een vereenvoudigde, meer systematische en daardooroverzichtelijkere regeling inzake beslissingen en motiveringen.(524) De rapporteurs vragen vanuit welk perspectief de begrijpelijkheidvan een beslissing moet worden beoordeeld: het perspectief van deprocesdeelnemers, de samenleving, de hogere rechter, een combinatiedaarvan of nog een ander perspectief. Is dit perspectief bij elke beslissinggelijk of verschilt dit per beslissing? Hoe verhoudt het begrijpelijkheidscri-terium van art. 4.3.22 lid 1 zich tot de toetsing door de Hoge Raad van debegrijpelijkheid van een rechterlijke beslissing van de feitenrechter medein het licht van al dan niet als deugdelijk onderbouwd aangemerkteuitdrukkelijk voorgedragen standpunten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11377 524. De notie van «begrijpelijkheid» heeft niet alleen betrekking op deprocespartijen, maar ook op de overige procesdeelnemers, derden en eeneventuele hogere rechter. Het voorschrift dient onder meer de explicatie-functie: een vonnis moet begrepen kunnen worden door procespartijen enpubliek.Tegen de achtergrond van een ontwikkeling naar een meer contradictoireprocesvoering wordt ervan uitgegaan dat de rechter uitlegt waarom hij toteen beslissing is gekomen indien die beslissing werd betwist door ofonderwerp was van verschil van mening tussen de procespartijen, en welop een wijze die recht doet aan de gevoerde discussie. Beslissingenmoeten evenwel niet slechts worden gemotiveerd als procespartijendaarover van mening verschillen. De rechter zal zich ook moeten afvragenof de beslissing voor de overige procesdeelnemers, derden en een hogererechter begrijpelijk zal zijn als deze niet van een nadere motivering wordtvoorzien. Al deze perspectieven zijn van belang. De mate waarin debegrijpelijkheid van de beslissing een motivering vereist voor deprocespartijen dan wel voor anderen zal in veel gevallen overeenkomen,maar waar dat verschilt, is de rechter dus nog steeds gehouden om zijnbeslissingen toe te lichten voor zover dat voor de begrijpelijkheid van diebeslissingen nodig is.Met betrekking tot de vraag hoe het algemene motiveringsvoorschrift vanartikel 4.3.22, eerste lid, zich verhoudt tot de toetsing door de Hoge Raadwordt het volgende opgemerkt. Dat de motiveringsvoorschriften enigszinszijn aangepast in het nieuwe wetboek, brengt niet mee dat de aard enomvang van de cassatietoets verandert. De toets die de Hoge Raad alscassatierechter verricht wordt omlijnd door artikel 79 van de Wet op derechterlijke organisatie. Daaruit volgt dat een controle van rechterlijkeuitspraken door de Hoge Raad zich beperkt tot de vraag of de beslissingendie de feitenrechter heeft genomen blijk geven van schending van hetrecht, dan wel of daarbij vormen zijn verzuimd. Tot de laatste categoriebehoort het niet of niet op juiste wijze in acht nemen van de motiverings-voorschriften die in de wet zijn bepaald. Nog steeds zal de Hoge Raad dusnagaan of de feitenrechter zijn beslissing in overeenstemming met de wetvan een motivering heeft voorzien en of de gegeven motiveringtoereikend en begrijpelijk is. Concreet betekent dit dat wanneer in cassatieeen beroep wordt gedaan op verzuim van vormen omdat artikel 4.3.22,eerste lid, niet of niet op juiste wijze is nageleefd, de Hoge Raad in deeerste plaats zal nagaan of sprake is van een beslissing die onder hetbereik van die bepaling valt en zo ja, of de beslissing – anders dan defeitenrechter klaarblijkelijk heeft gemeend – zonder een motivering nietbegrijpelijk is. Heeft de feitenrechter zijn beslissing wel van eenmotivering voorzien, dan zal de Hoge Raad net als nu nagaan of degegeven motivering, mede gelet de feitelijke vaststellingen waarop dezeberust en of op hetgeen op de terechtzitting is aangevoerd, toereikend enniet onbegrijpelijk is.(525) De rapporteurs vragen of de regering kan toelichten waarom deverplichte directe uitwerking van de bewijsconstructie met het oog op deinscherpingsfunctie niet in alle strafzaken verplicht is. Ligt het vasthoudenaan het uitgangspunt dat de selectie en waardering van bewijs door defeitenrechter in de regel vrij is en nauwelijks motivering behoeft met hetoog op de functies van motivering nog wel voor de hand? Weegt het teverwachten positieve effect dat van de verplichte directe uitwerking vande bewijsconstructie in zware strafzaken uitgaat (het faciliteren vanzelfcontrole en de inscherping van de beslissing) op tegen de nadelen diedaarvan worden verwacht (met name toename van de werkbelasting voorde rechtspraak)? Kan met cijfers of andere inzichten worden onderbouwdwaarom de te verwachten positieve effecten vermoedelijk zullen opwegentegen de te verwachten negatieve effecten?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11378 525. Het Nederlandse bewijsstelsel neemt net als de meeste anderebewijsstelsels de vrije selectie en waardering van het bewijs door derechter tot uitgangspunt. De rechter is niet verplicht bepaalde bewijsmid-delen te gebruiken of daaraan bepaalde bewijskracht toe te kennen. Ditbetekent echter niet dat die selectie en waardering ongenormeerd is.Zowel door wettelijke bewijsvoorschriften als de jurisprudentie van deHoge Raad en het EHRM wordt deze vrijheid wel degelijk, en ook intoenemende mate, begrensd (zie ook de memorie van toelichting,Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 993). De rechter is verder doormotiveringsvoorschriften gehouden verantwoording af te leggen over debewijsconstructie en de gebruikte bewijsmiddelen. De rechter kangehouden zijn het gebruik van een bewijsmiddel nader toe te lichten inreactie op een gevoerd verweer (artikel 4.3.22) of omdat het gebruik vaneen in de wet genoemd bewijsmiddel is betwist (artikel 4.3.24). En een rolin dit verband speelt ook de motivering van de bewezenverklaring in hetalgemeen en de uitwerking van de bewijsconstructie in het bijzonder, diein het nieuwe wetboek vaker dan nu het geval is verplicht wordt gestelden waarop hierna uitgebreider zal worden ingegaan (de artikelen 4.3.21 en4.3.23). Deze motiveringsvoorschriften spelen ook bij de oordeelsvormingeen rol, omdat de rechter weet dat hij zijn beslissing zal moeten verant-woorden. De motivering van rechterlijke beslissingen heeft behalve eenexplicatiefunctie (zie ook het antwoord op vraag 524) ook de functie vanzelfcontrole («inscherping») en faciliteert het uitoefenen van controle dooreen hogere rechter. De wet voorziet met deze bepalingen en gelet op dezefuncties in een toereikend stelsel van motiveringsplichten met betrekkingtot de bewijsvraag.De rechter legt verantwoording af van de positieve bewijsbeslissingdoordat hij de bewezenverklaring in het vonnis moet opnemen en de uitwettige bewijsmiddelen blijkende redengevende feiten en omstandig-heden waarop die bewezenverklaring steunt (de bewijsconstructie) moetuitwerken (de artikelen 4.3.21 en 4.3.23). Bij een bekennende verdachtekan worden volstaan met de opgave van de bewijsmiddelen waar deredengevende feiten en omstandigheden uit blijken (artikel 4.3.23, tweedelid). Deze mogelijkheid is ingevoerd in 2001 (Stb. 2004, 580). Voor delichtere zaken wordt vastgehouden aan de in 1996 (Stb. 1996, 487)ingevoerde mogelijkheid voor de rechter om eerst een verkort vonnis opte maken (waarin de bewezenverklaring moet staan) en de bewijscon-structie of – bij een bekentenis – de opgave van bewijsmiddelen op eenlater moment in een aanvullend vonnis op te nemen. Die aanvulling hoeftpas te worden opgemaakt als een rechtsmiddel wordt ingesteld(artikel 4.3.23, derde lid). Daarmee is de belasting die de verplichtingen totambtshalve motiveren van de bewijsbeslissing meebrengen, terugge-bracht. Er is geen reden om van deze weloverwogen en nog steeds breedgedragen mogelijkheid af te zien. Wel is er reden om – ondanks hetkritisch geluid in het consultatieadvies van de Rvdr dat dit zou leiden tot«schrijven voor het archief» – vast te houden aan het nieuwe voorschriftdat de bewijsconstructie bij een ontkennende verdachte in zwarestrafzaken (dat wil zeggen bij oplegging van een onvoorwaardelijkevrijheidsstraf of tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van meerdan een jaar) altijd direct wordt uitgewerkt in het vonnis. In de uitwerkingvan de bewijsconstructie wordt een extra waarborg gezien in verband metde juistheid van de bewijsbeslissing die juist in zware strafzaken passendis. Of dit te verwachten positieve effect van de verplichte directeuitwerking van de bewijsconstructie in zware strafzaken opweegt tegen denadelen die daarvan worden verwacht, te weten een toename van dewerkbelasting voor de rechtspraak, zal de praktijk nog moeten uitwijzen.De kwalitatieve winst van een direct uitgewerkte bewijsconstructie in hetvonnis tegenover de extra werklast als gevolg van uitgewerkte bewijscon-structies in zaken waarin geen hoger beroep wordt ingesteld, laat zichTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11379 moeilijk in cijfers uitdrukken. Het aantal strafzaken waarin hoger beroepwordt ingesteld ligt al enkele jaren op 34% (Jaarverslag 2022 Rechtspraak,p. 69). Maar de ervaring leert dat in zware strafzaken relatief vaak hogerberoep wordt ingesteld. Het instellen van hoger beroep verplicht derechter, ook onder het huidige recht, om de bewijsconstructie alsnog uit tewerken. Er lijkt, gezien deze huidige praktijk in zware strafzaken dus vooralsprake te zijn van «uitstel» van het moment van uitwerking van debewijsconstructie (pas bij het instellen van hoger beroep in eenaanvullend vonnis in plaats van direct in het eindvonnis) en niet van«afstel» daarvan. Directe uitwerking verdient, in het licht van de functiesdie de motivering van rechterlijke beslissingen heeft, de voorkeur.(526) De rapporteurs vragen hoe de afschaffing van het in de huidige wetopgenomen motiveringsvereiste voor de oplegging van een vrijheidsbe-nemende sanctie (art. 359 lid 6 Sv) zich verhoudt tot het kennelijk door deregering gehanteerde uitgangspunt dat over beslissing tot strafopleggingruime uitleg moet worden verschaft? Waarom ziet de regering devaststelling dat het nu in art. 359 lid 6 Sv neergelegde motiveringsvereistein de praktijk vaak met nietszeggende frases wordt ingevuld als doorslag-gevend argument voor de schrapping van dit voorschrift? Wordt hetbegrijpelijkheidscriterium van art. 4.3.22 lid 1 ten aanzien van debeslissing tot strafoplegging enkel ingevuld met het verbazingscriterium?Met andere woorden, is enkel sprake van een niet begrijpelijke motiveringbij de strafoplegging, als die strafoplegging verbazing wekt? Of is hetmogelijk dat die beslissing op basis van het begrijpelijkheidscriterium ooknadere motivering behoeft in het geval de strafoplegging (nog) geenverbazing wekt?526. Bij de herschikking van de motiveringsverplichtingen met betrekkingtot de beslissing tot het opleggen van straffen en maatregelen die over dehuidige artikelen 358 en 359 zijn verdeeld, is het uitgangspunt dat over diebeslissing ruime uitleg moet worden verschaft, behouden gebleven. Aandit uitgangspunt wordt invulling gegeven door het algemene voorschriftdat de straf of maatregel die de rechter oplegt op grond van artikel 4.3.25,tweede lid, moet worden gemotiveerd. In het eindvonnis zal de rechteraltijd in het bijzonder de redenen moeten opgeven die de opgelegde strafhebben bepaald of tot de opgelegde maatregel hebben geleid. Gedachtkan daarbij worden aan omstandigheden die verband houden met deernst van het feit of met de persoon van de verdachte en overwegingendie tot de keuze voor een bepaalde modaliteit van de straf of maatregelhebben geleid.De verplichting tot uitleg van de beslissing voor zover dat noodzakelijk isvoor de begrijpelijkheid van die beslissing (artikel 4.3.22, eerste lid), vormtals algemeen uitgangspunt een aanvullende leidraad. Dan gaat het vooralom de vraag of de feiten en omstandigheden die de feitenrechter in zijnstrafmotivering in ogenschouw neemt volstaan om de opgelegde straf enof maatregel te kunnen begrijpen.Het verbazingscriterium is nauw verbonden met de toetsing in cassatiedoor de Hoge Raad. Aangezien de waardering van de factoren die voor destrafoplegging van belang zijn is voorbehouden aan de feitenrechter,betracht de Hoge Raad als cassatierechter terughoudendheid en beperktzijn toets zich tot de vraag of de door de rechter opgelegde straf ofmaatregel verbazing wekt in het licht van wat is vastgesteld, uit destukken blijkt en op de terechtzitting is aangevoerd. De hierbovenbeschreven motiveringsverplichtingen ten aanzien van de straftoeme-tingsbeslissing zijn voor de feitenrechter bepaald niet beperkt tot gevallenwaarin die beslissing daarzonder verbazing zou wekken. De grote vrijheiddie de feitenrechter bij de straftoemeting heeft, brengt ook de verantwoor-delijkheid van de feitenrechter mee om – met het oog op de begrijpe-lijkheid en de aanvaardbaarheid van de strafoplegging en mede in reactieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11380 op wat op de terechtzitting naar voren is gebracht over de strafop-legging – inzicht te bieden in de beweegredenen die in het concrete gevalhebben geleid tot de opgelegde straf (ECLI:NL:HR:2022:975). Van defeitenrechter mag dan ook worden verwacht dat hij bij de strafmotiveringoverweegt welke feiten en omstandigheden hij in de strafmotivering moetopnemen, zodat de straf of maatregel die hij oplegt verklaarbaar is voorde procespartijen, de overige procesdeelnemers en derden. Een beknoptestandaardmotivering waarin de rechter verwijst naar de ernst van het feiten de persoon van de verdachte, terwijl een straf is opgelegd de veelhoger of lager is dan in vergelijkbare zaken, is zonder een naderemotivering niet te begrijpen. Verwacht mag worden dat de rechter in zo’ngeval op zijn minst aandacht besteedt aan de feiten en omstandighedendie tot die hogere of lagere straf hebben geleid. Een ander voorbeeldbetreft het geval waarin een zeer hoge geldboete is opgelegd aan deverdachte die op de terechtzitting heeft aangevoerd volledig arbeidsonge-schikt te zijn en van een uitkering te leven. Een motivering waarin derechter enkel ingaat op de ernst van het feit, het ingetreden gevolg en hetstrafrechtelijk verleden van de verdachte, volstaat dan niet om dieopgelegde straf begrijpelijk te doen zijn.Naast het algemene motiveringsvoorschrift met betrekking tot hetopleggen van straffen en maatregelen van artikel 4.3.25, tweede lid, en hetalgemene uitgangspunt van begrijpelijkheid van artikel 4.3.22, eerste lid,geldt dat de rechter moet reageren op een uitdrukkelijk onderbouwdstandpunt dat over de op te leggen straf of maatregel is ingenomen,indien van dit standpunt wordt afgeweken (artikel 4.3.22, derde lid). Tegendie achtergrond heeft het behoud van de regel die de rechter ertoeverplicht om ambtshalve, zonder dat daaromtrent verweer is gevoerd, deredenen op te geven die hebben geleid tot de keuze voor een vrijheidsbe-nemende straf of maatregel (de eerste zin van het huidige artikel 359,zesde lid), weinig meerwaarde. Dit voorschrift vormt slechts een specifi-catie van hetgeen reeds in artikel 4.3.25, tweede lid, is bepaald ten aanzienvan een opgelegde vrijheidsbenemende sanctie. Ook feitelijk leidt ditvoorschrift, zoals in de memorie van toelichting is opgemerkt, niet tot eenspecifiekere motivering van vrijheidsbenemende sancties. De motive-ringsvoorschriften opgenomen in de artikelen 4.3.25, tweede lid, en 4.3.22,eerste en derde lid, waarborgen voldoende dat de rechter in heteindvonnis voldoende rekenschap geeft van de straf of maatregel die hijheeft opgelegd, ook wanneer die straf of maatregel een vrijheidsbene-mende sanctie betreft.(527) De rapporteurs vragen of specifieke motiveringsverplichtingen metbetrekking tot de straftoemeting kunnen bijdragen aan de communicatietussen rechter, slachtoffer/nabestaande, verdachte en samenleving. Zo ja,verdient wettelijke vastlegging daarvan dan in ruimere mate overwegingom tegenwicht te bieden aan de vrijheid die de strafrechter toekomt bij debeslissing tot strafoplegging?527. Uiteraard draagt een degelijk gemotiveerde beslissing omtrent de opte leggen straf en of maatregel bij aan de begrijpelijkheid en de aanvaard-baarheid van die beslissing voor de procespartijen, overige procesdeel-nemers en derden. Daarom bevat artikel 4.3.25 enkele specifieke strafmo-tiveringsvoorschriften. Deze voorschriften gelden naast het algemenebegrijpelijkheidscriterium opgenomen in artikel 4.3.22, eerste lid, en hetvoorschrift opgenomen in artikel 4.3.22, derde lid, dat de rechter verplichtte reageren op een ingenomen uitdrukkelijk onderbouwd standpunt overde op te leggen straf of maatregel indien van dit standpunt wordtafgeweken. Samen waarborgen deze bepalingen dat de rechter in heteindvonnis voldoende rekenschap geeft van de straf of maatregel die hijheeft opgelegd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11381 (528) De leden van de D66-fractie juichen toe dat begrijpelijkheid van derechterlijke beslissing centraal komt te staan. Volgens deze leden hangt ditniet alleen samen met voldoende motivering, maar ook met het taalge-bruik. Is dit ook een aspect dat de regering van belang acht als het gaatom begrijpelijkheid van vonnissen? Is de regering bereid daar iets over opte nemen in de wetsgeschiedenis?528. Het is voor de toegankelijkheid van de rechtspraak van belang datiedereen begrijpt waar een rechtszaak en een uitspraak over gaan. Klaretaal helpt daarbij. Dit is taal die voor (bijna) iedereen te begrijpen moetzijn. De Rechtspraak besteedt al jaren aandacht aan begrijpelijke taal in deuitspraak en in de rechtszaal en heeft meerdere initiatieven in gang gezetom uitspraken begrijpelijker en de rechtspraak toegankelijker te maken. Zois er een «Professionele standaard schrijven» ontwikkeld die rechtersmoet ondersteunen bij het begrijpelijk schrijven en is in de «Professionelestandaarden strafrecht» verankerd dat de strafrechter een gemotiveerde,begrijpelijke uitspraak doet die past bij de zaak, hetgeen bijvoorbeeldbetekent dat bij omvangrijke uitspraken naast het schriftelijke uitspraakook een voorleesuitspraak voorhanden is met een duidelijke samenvattingten behoeve van de samenleving. De Rechtspraak zal met het oog opgrotere toegankelijkheid van de rechtspraak de komende jaren verder ookinzetten op het digitaal, telefonisch en aan de balie bieden van begrijpe-lijke, proactieve en consistente informatie vanuit het perspectief vanrechtzoekenden (Jaarplan Rechtspraak 2023, p.19). Deze initiatievenkunnen alleen maar worden toegejuicht. Het laat zien dat recht spreken inbegrijpelijke taal de norm is voor rechters en dat hierop actief wordtingezet.(529) De leden van de D66-fractie lezen dat de voorgestelde regeling destelplicht van de verdachte met betrekking tot een aantal soortenverweren verzwaart. Dat is bijvoorbeeld het geval bij verweren over deformele vragen (geldigheid dagvaarding, bevoegdheid rechter, ontvanke-lijkheid officier van justitie, schorsing vervolging). Kan de regeringtoelichten waarom een verzwaring nodig werd geacht?529. Zie het antwoord op vraag 521.(530) De leden van de BBB-fractie vragen waarom deze titel niet eenartikel bevat (bijvoorbeeld na artikel 4.3.24) waarin wordt bepaald dat,wanneer een of meerdere spreekgerechtigden gebruik hebben gemaaktvan het aan hen toekomende spreekrecht op het onderzoek ter terecht-zitting, de rechter in het eindvonnis een passage wijdt aan het oordeelover het standpunt van de rechter ten aanzien van hetgeen de spreekge-rechtigde(n) heeft geuit, met uitzondering van het gedeelte waarin despreekgerechtigde(n) ingaat op wat het strafbare feit met hem/haar/henheeft gedaan. Dat is namelijk een gevoelskwestie die buiten het oordeelvan de rechter dient te blijven. De andere opmerkingen van de spreekge-rechtigden verdienen naar het oordeel van de aan het woord zijnde ledenwel een vermelding in het eindvonnis, niet in de laatste plaats omsecundaire victimisatie te voorkomen.530. Het slachtoffer heeft sinds 1 juli 2016 een onbeperkt spreekrecht. Hijkan zich onder meer uitspreken over de emotionele en feitelijke gevolgenvan het strafbare feit en over het bewijs en de schuld van de verdachte.Ook kan hij wensen naar voren brengen ten aanzien van de op te leggenstraf of maatregelen. Het spreekrecht heeft verscheidene doelen. Hetbeoogt een bijdrage te leveren aan het herstel van emotionele schade enerkenning van het slachtoffer. Hiernaast dient het spreekrecht totinformatieverschaffing aan de rechter, tot speciale en tot generalepreventie.De in de vraag doorklinkende wens dat de rechter in zijn vonnis ingaat ophetgeen de spreekgerechtigde naar voren heeft gebracht is begrijpelijk,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11382 maar er ook moet rekening worden gehouden met andere factoren dievan belang zijn. In de praktijk gaat de officier van justitie in zijn requisitoirin op de gevolgen die het tenlastegelegde feit heeft gehad voor hetslachtoffer. Daarbij wordt duidelijk hoe de officier van justitie dezegevolgen beoordeelt. Het kan daarbij bijvoorbeeld gaan om letsel dat deverdachte aan het slachtoffer heeft toegebracht, de medische behandelingvan het slachtoffer en de tijdelijke of blijvende gevolgen van het letsel.Voor de rechter geldt het volgende. In de huidige praktijk besteedt derechter al veel aandacht aan de motivering van vonnissen, mede gelet ophet belang daarvan voor het slachtoffer. In de artikelen 4.3.20 tot en met4.3.25 wordt de inhoud van het eindvonnis genormeerd. Het eindvonnisbevat de beslissing van de rechtbank op de vragen die in de artikelen 4.3.1en 4.3.3 zijn vermeld (artikel 4.3.21, eerste lid). De beslissingen die inartikel 4.3.21 zijn vermeld, zijn gemotiveerd voor zover dat voor debegrijpelijkheid van die beslissingen noodzakelijk is (artikel 4.3.22, eerstelid). Dit betekent onder meer dat de rechter, wanneer procespartijen vaninzicht verschillen over een bepaalde beslissing, deze moet motiveren opeen wijze die de beslissing begrijpelijk maakt in het licht van wat henverdeeld houdt. Deze benadering past bij het geldende stelsel waarin deofficier van justitie en de verdachte procespartijen zijn en het slachtofferprocesdeelnemer is. Dat wil echter niet zeggen dat de rechter zichuitsluitend richt op de belangen van de procespartijen. Het vereiste vanbegrijpelijkheid van beslissingen, en in het bijzonder het vonnis, draagt bijaan de explicatiefunctie die niet alleen is gericht op de procespartijen,maar ook op de overige procesdeelnemers, zoals het slachtoffer, en hetpubliek.Het slachtoffer is als gezegd procesdeelnemer maar geen procespartij. Datbetekent dat hij niet bevoegd is om een formeel verzoek tot de rechter terichten, bijvoorbeeld een verzoek om een bepaalde maatregel aan deverdachte op te leggen. In die opzet past geen verplichting voor de rechterom een gemotiveerde beslissing te nemen over hetgeen het slachtoffer bijgelegenheid van de uitoefening van het spreekrecht naar voren heeftgebracht. De positie van het slachtoffer als procesdeelnemer werdtoegelicht in het antwoord op vraag 19.4. De behandeling van met de berechting verbonden vorderingen 4.1 De vordering van de benadeelde partij (531) De rapporteurs vragen of ten aanzien van de behandeling van devordering van de benadeelde partij te overwegen valt expliciete regie-voering en een schriftelijke ronde mogelijk te maken, zoals dat voor dezaak zelf ook al het geval is gelet op art. 4.1.3 en 4.1.5.531. Zie het antwoord op vraag 468 voor wat betreft de betrokkenheid vande benadeelde partij bij een schriftelijke ronde (artikelen 4.1.5 en 4.2.29).Artikel 4.1.3 biedt de voorzitter de mogelijkheid om voorafgaand aan deterechtzitting te overleggen met de officier van justitie en de verdachteover de voorbereiding van en de gang van zaken op de terechtzitting. Ditoverleg kan bijvoorbeeld de planning of het verloop van de zittings-dag(en) betreffen, maar ook de vraag of het wenselijk is een schriftelijkeronde of een regiezitting te houden. Het is inderdaad wenselijk dat in datoverleg ook de benadeelde partij kan worden betrokken waar het gaat omde behandeling van haar vordering tot schadevergoeding. De voorge-stelde regeling voorziet daarin evenwel niet. Artikel 4.1.3 valt namelijk nietonder het bereik van de schakelbepaling in Boek 4, Hoofdstuk 4, Titel 4.1,betreffende de vordering van de benadeelde partij (artikel 4.4.3). Daarin isbepaald dat indien de benadeelde partij zich in het strafproces heeftgevoegd, de bepalingen uit de eerste drie hoofdstukken van Boek 4 diebetrekking hebben op het slachtoffer of een procespartij ook op debenadeelde partij van toepassing zijn. Aangezien in artikel 4.1.3 deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11383 begrippen slachtoffer of procespartij niet voorkomen, valt deze bepalingnu niet onder de genoemde schakelbepaling. Deze leemte wordt bijgelegenheid van de eerste aanvullingswet opgevuld, zodat de voorzitterook met de benadeelde partij kan overleggen ter voorbereiding op deterechtzitting. Daarbij moet voor ogen worden gehouden dat dezemogelijkheid betrekkelijk is, nu de benadeelde partij haar vordering totschadevergoeding ook na aanvang van het onderzoek op de terechtzittingnog kan indienen.(532) De benadeelde partij kan in een laat stadium haar vordering nogindienen (tot het requisitoir van de officier van justitie). Zou de proceseco-nomie er bij gebaat kunnen zijn als de benadeelde partij zich eerder moetvoegen, bijvoorbeeld uiterlijk op het moment dat de officier van justitieaan het begin van het onderzoek op de terechtzitting de zaak heeftgedragen op de voet van art. 4.2.25 lid 1?532. Volgens artikel 4.4.1, tweede lid, vindt de voeging door debenadeelde partij op de terechtzitting uiterlijk plaats voordat de officiervan justitie zijn requisitoir houdt. Deze bepaling sluit aan bij het geldendrecht. Het stellen van de eis dat de benadeelde partij zich op een eerdermoment moet voegen, bijvoorbeeld uiterlijk wanneer de officier vanjustitie de zaak voordraagt, zou op zichzelf inderdaad de proceseconomiekunnen bevorderen. Voeging op dat moment geeft de voorzitter van derechtbank bijvoorbeeld de mogelijkheid om (ook) met de benadeeldepartij te overleggen ter voorbereiding op de terechtzitting (zie artikel 4.1.3en het antwoord op vraag 531). Daar staat tegenover dat een dergelijke eisde benadeelde partij ten opzichte van het huidige recht zou beperken in demogelijkheden om zich met haar vordering in het strafproces te voegen.Een zodanige beperking wordt op dit moment niet opportuun geacht, nude belangen van de benadeelde partij in dit verband zwaarder moetenwegen dan proceseconomische overwegingen.(533) De rapporteurs constateren dat een nieuwe, verdergaandeEU-richtlijn op het gebied van slachtofferrechten te verwachten valt opeen termijn die heel goed zou kunnen samenvallen met de afronding ofinvoering van het huidige wetsvoorstel. In hoeverre wordt hiermeerekening gehouden ten aanzien van de (afzonderlijke) behandeling van devordering van de benadeelde partij? Wordt de vordering van debenadeelde partij binnen het strafprocesrecht behandeld, ook als dat eenonevenredige belasting oplevert voor de behandeling van de zaak en opdit moment de vordering dan (voor dat deel) niet-ontvankelijk wordtverklaard? Is, met andere woorden, de afzonderlijke behandeling in datgeval niet hoe dan ook nodig? En kan art. 1.5.11 lid 2 dan niet vervallen?533. Zie het antwoord op vraag 450.(534) De rapporteurs vragen of het verbod om getuigen en deskundigenaan te brengen over de vordering van de benadeelde partij te handhavenin het licht valt van de eisen van (de civiele tak van) art. 6 lid 1 EVRM? Ofwordt dat in ieder geval bij een afzonderlijke behandeling wel mogelijk,zoals in de consultatieversie van de Innovatiewet was geregeld(conceptart. 566 lid 1)?534. De benadeelde partij kan geen getuigen of deskundigen latenoproepen (artikel 4.4.5, tweede lid). Wel kan de benadeelde partij vragenstellen aan de getuigen en deskundigen die wel zijn opgeroepen, maaralleen over haar vordering tot schadevergoeding (artikel 4.4.5, derde lid).Deze bepalingen brengen mee dat in gevallen waarin slechts na naderverhoor van niet opgeroepen getuigen of deskundigen verantwoord op devordering beslist kan worden, het niet-ontvankelijk verklaren van debenadeelde partij in haar vordering in de rede ligt. In die gevallen zou devordering immers een onevenredige belasting voor de behandeling vande zaak opleveren (artikel 1.5.11, tweede lid). De benadeelde partij kanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11384 (het restant van) haar vordering dan bij de civiele rechter aanbrengen. Inde civiele procedure kan zij vervolgens verzoeken om een getuigen-verhoor of om een verhoor van deskundigen. Van strijdigheid met artikel 6EVRM, dat ook aan de partijen in een civiele zaak het recht op een eerlijkproces toekent, is daarmee geen sprake.Overwogen wordt om in het nieuwe wetboek op termijn de behandelingvan de vordering tot schadevergoeding door een schadevergoedings-kamer in een afzonderlijke procedure mogelijk te maken. Boek 4,Afdeling 4.1.2 is hiervoor gereserveerd. Zie het antwoord op vraag 450voor de redenen om deze in de consultatieversie van de InnovatiewetStrafvordering voorziene mogelijkheid vooralsnog niet op te nemen in hetnieuwe wetboek. De mogelijkheid van een afzonderlijke procedure vooreen aparte schadevergoedingskamer wordt de komende periode verderverkend en uitgewerkt (zie Kamerstukken II, 2022/23, 33 552, nr. 111). Inhet licht van de met deze procedure beoogde verbetering van de positievan de benadeelde partij ligt het voor de hand dat deze daarbinnen– overeenkomstig de consultatieversie van de Innovatiewet Strafvor-dering – adequate mogelijkheden krijgt tot bewijslevering, zoals het voorde zitting laten oproepen van getuigen of deskundigen.(535) Verdient het voorkeur de voorschotregeling aan te passen ofanderszins voor rechtstreekse vergoeding aan de benadeelde partij tezorgen?535. Slachtoffers kunnen zich als benadeelde partij voegen in hetstrafproces en een vordering tot schadevergoeding indienen. Als destrafrechter de schadevordering toewijst en daarbij de schadevergoe-dingsmaatregel oplegt, int de staat het geld bij de dader en hoeft hetslachtoffer dit niet zelf te doen (artikel 36f van het Wetboek van Straf-recht). Als de veroordeelde het volledige bedrag van de schadevergoe-dingsmaatregel niet heeft betaald binnen acht maanden nadat het vonnisof arrest onherroepelijk is geworden, keert de overheid het resterendebedrag uit aan het slachtoffer (zie het huidige artikel 6:4:2, zevende lid, enartikel 7.5.3 van de tweede vaststellingswet). Bij deze voorschotregelinggeldt een bovengrens van € 5.000, behalve wanneer het gaat omslachtoffers van een bij algemene maatregel van bestuur aangewezengewelds- of zedenmisdrijf (zie artikel 4:14 Besluit tenuitvoerleggingstrafrechtelijke beslissingen).In 2021 heeft de Commissie onderzoek stelsel schadevergoeding voorslachtoffers van strafbare feiten haar advies uitgebracht, getiteld «Opverhaal komen» (Kamerstukken II 2020/21, 33 552, nr. 83). Deze commissie(de «Commissie Donner») heeft geadviseerd om binnen het strafprocesgeen onderscheid meer te maken tussen verschillende soorten delicten,zodat de voorschotregeling voor alle slachtoffers gelijk zou wordengetrokken. Het voorschot zou dan gebaseerd moeten worden op hetbedrag dat het CJIB gemiddeld bij de dader incasseert. In de uitwerkinghiervan met de betrokken ketenorganisaties is echter gebleken dat dit eenaanzienlijke verslechtering zou betekenen voor slachtoffers van gewelds-en zedendelicten. Zij ontvangen nu een ongemaximeerd voorschot, terwijldat in de voorgestelde situatie maximaal € 15.000,- zou zijn. Daarom is inde beleidsreactie op het advies van de Commissie Donner aangegevendat de huidige voorschotregeling niet conform het advies wordtaangepast (Kamerstukken II 2022/23, 33 552, nr. 111). Wel wordt ingezet opuitbreiding van het aantal gewelds- en zedendelicten waarvoor deongemaximeerde voorschotregeling geldt. Eerder zijn signalen ontvangendat een aantal ingrijpende delicten nu niet onder de ongemaximeerdevoorschotregeling valt. Dat kan leiden tot schrijnende situaties. Daarbijkan worden gedacht aan brandstichting met ernstig lichamelijk letsel of dedood tot gevolg. De komende periode worden de details van de beoogdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11385 uitbreiding uitgewerkt. De Tweede Kamer wordt hiervan op de hoogtegehouden via de voortgangsbrieven Slachtofferbeleid.(536) De leden van de SP-fractie constateren dat het Fonds Slachtofferhulpaangeeft nog vaak meldingen te krijgen van slachtoffers wiens zaak wordtbehandeld zonder dat het gewenste spreekrecht is uitgeoefend. Hieruitblijkt dat dit nog niet goed loopt. Deze leden vinden het essentieel dat alshet slachtoffer dit wil, dit ten alle tijden goed moet worden gecontroleerden die mogelijkheid dan ook moet worden geboden. Voornoemde ledenvragen de regering wat zij vindt van de suggestie van het Fonds Slachtof-ferhulp om een artikel toe te voegen dat regelt dat de oproepingsvereistendie gelden voor verdachten zoals vermeld in titel 1.2, eveneens vantoepassing zijn op slachtoffers die zich gesteld hebben.536. Zie de antwoorden op de vragen 469 en 471.(537) De leden van de SP-fractie lezen dat Slachtofferhulp Nederland heeftaangegeven de nodige zorgen te hebben over de manier waaropartikel 4.1.5. en artikel 4.2.29 kunnen worden uitgevoerd. Allereerst omdatniet wordt aangegeven op welke manier het slachtoffer wordt ingelichtover de schriftelijke ronde. Ten tweede omdat niet duidelijk wordt hoecontra-indicaties worden gecommuniceerd met het slachtoffer en tenslotte omdat de vordering van een benadeelde partij inhoudelijk wel kanworden meegenomen in de schriftelijke ronde terwijl er ook situatiesbestaan waarbij de benadeelde partij niet verder wordt betrokken in deronde. Slachtofferhulp noemt dit laatste punt onaanvaardbaar. Kan deregering hierop reflecteren en aangeven of zij het eens is met Slachtof-ferhulp Nederland op dit punt? Kan de regering ook reflecteren op deandere zorgpunten?537. Zie het antwoord op vraag 468, waarin is aangegeven dat met eenwijziging in de eerste aanvullingswet tegemoet wordt gekomen aan dezorg van Slachtofferhulp Nederland voor wat betreft de betrokkenheid vande benadeelde partij bij een schriftelijke ronde voor zover die betrekkingheeft op de ingediende vordering. In reactie op de zorgen van Slachtof-ferhulp Nederland wordt verder opgemerkt dat de door slachtoffers geuitewens om bij de terechtzitting aanwezig te zijn op zichzelf een contra-indicatie vormt waarop de voorzitter acht moet slaan bij zijn afweging ofhij voorafgaand aan de terechtzitting een schriftelijke ronde zal inlassen.Zoals in het antwoord op vraag 468 is aangeduid, kan een schriftelijkeronde betrekking hebben op technisch-juridische vraagstukken waarovereen mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting veel tijd vergt. Op deterechtzitting wordt het slachtoffer dat als toehoorder of spreekgerech-tigde bij de terechtzitting aanwezig is geïnformeerd over de schriftelijkgewisselde standpunten doordat daar de uitgewisselde stukken en dedaarin ingenomen standpunten ter sprake worden gebracht (artikel 4.2.31,vijfde lid).4.2 De vordering tot tenuitvoerlegging (538) De rapporteurs constateren dat wanneer de verdachte onderreclasseringstoezicht is gesteld, het wetsvoorstel dwingend voorstelt datde desbetreffende medewerker wordt opgeroepen voor het onderzoek opde terechtzitting. Is dat altijd nodig, in het bijzonder als de vordering tottenuitvoerlegging niets te maken heeft met de schending van eenbijzondere voorwaarde? Zou met een nadere schriftelijke rapportage inbepaalde gevallen kunnen worden volstaan?538. Het oproepen van degene die met het reclasseringstoezicht is belastis het uitgangspunt, maar zal inderdaad niet altijd noodzakelijk zijn.Oproeping van de reclasseringsmedewerker kan bijvoorbeeld achterwegeblijven indien de betreffende zaak geen betrekking heeft op het reclasse-ringstoezicht en indien niet verwacht wordt dat de reclasseringsamb-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11386 tenaar een inhoudelijke bijdrage kan leveren op de terechtzitting. Daaromis, naar aanleiding van de door de rapporteurs gestelde vraag, in de eersteaanvullingswet voorzien in een aanvulling van artikel 4.4.10, datbetrekking heeft op een vordering tot tenuitvoerlegging die gelijk met deberechting wordt ingediend en behandeld. In lijn met artikel 7.1.22 (huidigartikel 6:6:3, tweede lid), dat betrekking heeft op de procedure vóór deraadkamer van de rechtbank in de fase van de tenuitvoerlegging, istoegevoegd dat enkel indien daartoe aanleiding is de reclasseringsmede-werker wordt opgeroepen. Deze toevoeging maakt dat de officier vanjustitie, ook in geval van een vordering tot tenuitvoerlegging die gelijk metde berechting wordt ingediend en behandeld, per zaak kan afwegen ofaanwezigheid van de reclassering gewenst is. Tot het maken van dezeafweging wordt de officier van justitie in staat gesteld doordat hij opgrond van artikel 7.2.1, zesde lid, wordt geïnformeerd in geval van nietnaleving van bijzondere voorwaarden, bij het niet meewerken aan hettoezicht, of als de veiligheid dat anderszins vereist.(539) De leden van de SP-fractie lezen in artikel 4.2.4 dat de rechtbank demogelijkheid krijgt een geluids- of beeldopname te maken waarbij alleenhoeft te worden aangegeven dat dit gebeurt. Deze leden kunnen zichvoorstellen dat in het kader van bijvoorbeeld de privacy of spanning, dezeopnames een negatieve impact kunnen hebben. Voornoemde leden ziendat ook Slachtofferhulp Nederland deze zorgen heeft. Kan de regeringantwoord geven op de volgende vragen? Hoe wordt verzekerd datslachtoffers de eventuele opname kunnen meewegen in hun overwegingover het al dan niet aanwezig zijn ter terechtzitting, terwijl zij daar niet opvoorhand over worden geïnformeerd? Hoe wordt verzekerd dat slacht-offers door de opname niet onnodig worden beperkt in de uitoefening vanhun rechten, doordat de opname voor meer spanning zorgt of vragendoet rijzen met betrekking tot hun privacy? In welke mate en op welkewijze kan het slachtoffer bezwaar maken tegen de opname?539. Zie het antwoord op vraag 494.4.3 De vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel (540) De rapporteurs constateren dat voor de officier van justitie de wetgeen maatstaf geeft om te beoordelen of de vordering tot ontneming vanhet wederrechtelijk verkregen voordeel gevoegd of afzonderlijk behandeldzou moeten worden. Voor de rechtbank is dat voor de beslissing totafsplitsing met een onevenredige belasting van de strafzaak wel het geval.Verdient het overweging ook de officier van justitie die maatstaf wettelijkvoor te schrijven?540. De voorgestelde regeling maakt zowel een met de berechtinggevoegde behandeling als een afzonderlijke behandeling van de ontne-mingsvordering mogelijk. Het is aan de officier van justitie om tebeslissen of de vordering separaat bij de rechtbank wordt ingediend danwel bij de berechting van het desbetreffende feit wordt gevoegd(artikel 4.4.12, eerste lid). De rechtbank kan bevelen dat de gevoegdevordering alsnog wordt afgesplitst van de berechting, indien de behan-deling van de vordering een onevenredige belasting voor de behandelingvan de zaak oplevert (artikel 4.4.22). Dat kan onder meer het geval zijn bijeen heel ingewikkelde ontnemingsvordering of als om een andere redenoponthoud van de berechting valt te verwachten. Met een afzonderlijkebehandeling kan dan worden voorkomen dat de voortgang van hetonderzoek naar de strafbare feiten te lijden heeft onder het onderzoeknaar het wederrechtelijk verkregen voordeel.De keuze van de officier van justitie voor een gevoegde of een afzonder-lijke behandeling is niet nader wettelijk genormeerd. Dat was anders in deconsultatieversie van Boek 4, waarin gezamenlijke behandeling met dehoofdzaak nog was voorgeschreven, tenzij de ingewikkeldheid van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11387 zaak aanleiding gaf tot een afzonderlijke behandeling van de ontnemings-vordering. In de consultatieadviezen werd kritiek geuit op de keuze voorhet uitgangspunt van gelijktijdige behandeling en het criterium van deingewikkeldheid van de zaak. Naar aanleiding daarvan is dat uitgangspuntverlaten en is de keuze voor voeging of afzonderlijke behandeling (ineerste instantie) aan de officier van justitie gelaten, die daarbij niet aaneen wettelijk criterium gebonden is. Wel ligt het in de rede dat decomplexiteit van de ontnemingsvordering bij die keuze een belangrijke rolspeelt, en dat bij die keuze wordt betrokken dat een gevoegde behan-deling bijdraagt aan een voortvarende strafvordering in ontnemingszaken.Het nieuwe wetboek geeft voor de beslissing tot afsplitsing door derechtbank dus wel een maatstaf, maar niet voor de beslissing van deofficier van justitie om de vordering (niet) gevoegd te behandelen. Het ligtniet voor de hand om de officier van justitie in dit verband alsnog aan eenwettelijk criterium te binden. Daarmee zouden ook de eerder aangehaaldeconsultatieadviezen worden miskend, waarin juist naar voren werdgebracht dat behalve de ingewikkeldheid van de zaak ook andere factoren(zoals de proceshouding van de verdachte) relevant zijn voor de keuzevoor een al dan niet gevoegde behandeling. De officier van justitie moetvoldoende armslag hebben om dit van geval tot geval te beoordelen. Ookin de literatuur is betoogd dat het openbaar ministerie per zaak moetkunnen beslissen of gezamenlijke dan wel gescheiden behandeling hetmeest recht doet aan alle in het geding zijnde belangen (zie W.S. deZanger, «Gemoderniseerde voordeelsontneming», Tijdschrift voorBijzonder Strafrecht & Handhaving 2018, p. 229 e.v.).(541) De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling gelezen datde rechter in artikel 4.3.12 de mogelijkheid krijgt om schadevergoedingtoe te kennen, niet alleen aan verdachten maar ook aan benadeeldepartijen, wanneer de redelijke termijn is overschreden. Kan de conceptalgemene maatregel van bestuur waarin regels worden gesteld over deberekening van de schadevergoeding en de maximale hoogte gelijktijdigmet de nota naar aanleiding van het verslag naar de Kamer wordengestuurd? Zo nee, waarom niet?541. Artikel 4.3.12, derde lid, bevat een facultatieve grondslag op basiswaarvan bij algemene maatregel van bestuur regels kunnen wordengesteld over de wijze waarop de schadevergoeding wordt berekend enover de maximale hoogte van de schadevergoeding in het geval derechtbank heeft vastgesteld dat de redelijke termijn is overschreden. Dezeconceptregeling is, evenals de andere uitvoeringsregelingen onder hetnieuwe wetboek, nog in voorbereiding. Aangezien de Tweede Kamer zoalsblijkt uit de vraagstelling, belang stelt in kennisneming van deze nadereregels zullen deze, wanneer zij in formele consultatie zijn gegeven, ookaan de Tweede Kamer worden toegezonden.(542) Voornoemde leden lezen ook dat in oktober 2022 nog geenfinanciële dekking bestond voor deze regeling. Is er inmiddels weldekking, en zo ja, waar gaat dat ten koste van?542. Zoals aangegeven in de memorie van toelichting (Kamerstukken II2022/23, 36 327, nr. 3, p. 81) zal de uiteindelijke inschatting van deuitvoeringsconsequenties van het gehele nieuwe wetboek (als gevolg vanmeerdere wetsvoorstellen) worden beschreven in de memorie vantoelichting bij de invoeringswet. Voor zover deze budgettaire gevolgenzich voordoen worden deze – in geval van een kleine kostenpost –ingepast op de begroting van het Ministerie van Justitie en Veiligheid(conform de regels van de budgetdiscipline) vóór aanbieding van dieinvoeringswet aan de Tweede Kamer. Dit geldt ook voor de hier aan deorde zijnde regeling voor schadevergoeding wanneer de redelijke termijnis overschreden. Ten koste van welke budgetten de mogelijkerwijsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11388 benodigde dekking voor het nieuwe wetboek zal gaan, is op dit momentnog niet te zeggen. Een toelichting daarop zal te zijner tijd wordenopgenomen in de Rijksbegroting.(543) De leden van de VVD-fractie vragen of er nadere regels wordengesteld om willekeur te voorkomen bij de toekenning van processuelesancties. De ene rechter zal kiezen voor strafvermindering, de andere vooreen schadevergoeding en de derde voor een combinatie van beide. Hoewordt geborgd dat geen al te grote verschillen zullen ontstaan?543. Of in een concreet geval bij een overschrijding van de redelijketermijn zal worden gekozen voor schadevergoeding of strafvermindering,is afhankelijk van de vraag welke van deze twee opties naar het oordeelvan de rechter het belang van een goede rechtsbedeling het beste dient.De rechter heeft daarbij beoordelingsvrijheid die hem de mogelijkheidgeeft om maatwerk te bieden. Dat neemt niet weg dat ook rechtsgelijkheidwordt nagestreefd, in die zin dat de keuze in vergelijkbare gevallen in deregel ook hetzelfde uitvalt. Ten eerste kan worden opgemerkt dat er sprakeis van een subsidiariteitsverhouding, waarbij de keuze voor een schade-vergoeding als eerste in aanmerking komt. De verwachting is dat in demeeste gevallen een schadevergoeding zal volstaan als reactie. Strafver-mindering komt in aanmerking wanneer een schadevergoeding onvol-doende recht zou doen aan de door de overschrijding van de redelijketermijn veroorzaakte schade. Als tweede voorbeeld van gevallen waarinstrafvermindering in het belang van een goede rechtsbedeling moetworden geacht, noemt de memorie van toelichting de situatie waarin destraf bestaat uit een geldboete. De toe te kennen schadevergoeding kandan in mindering worden gebracht op de geldboete in de vorm vanstrafvermindering. De rechter moet de keuze tussen schadevergoeding ofstrafvermindering toereikend motiveren (artikel 4.3.21 in verbinding metartikel 4.3.22). Gezien de subsidiariteitsverhouding tussen de sancties, dein de memorie van toelichting gegeven voorbeelden en de wettelijkemotiveringsplicht, zijn nadere regels om de gewenste rechtsgelijkheid tebereiken niet nodig, en ook niet wenselijk gezien de wens om ookmaatwerk mogelijk te maken.(544) De leden van de VVD-fractie vragen hoe benadeelden straks wordengeïnformeerd over de mogelijkheid om schadevergoeding te vorderen ingeval van een schending van de redelijke termijn en of het, met het oogop het effectueren van deze mogelijkheid, dienstbaar zou zijn om in dewet op te nemen dat benadeelden worden gewezen op deze mogelijkheid.544. Zie het antwoord op vraag 520.(545) Verder vragen deze leden in navolging van SlachtofferhulpNederland of voor het antwoord op de vraag of de redelijke termijn isgeschonden voor de benadeelde partij dezelfde normen zullen wordengehanteerd als de normen die in de huidige praktijk gelden voor deverdachte, of dat daar andere normen voor zullen gelden.545. Bevestigd kan worden dat het uitgangspunt bij de beoordeling van devraag of de redelijke termijn is overschreden, en daarmee het recht op eenberechting binnen een redelijke termijn is geschonden, dezelfde termijnengelden voor de benadeelde partij als voor de verdachte.(546) Daarnaast vragen de aan het woord zijnde leden hoe artikel 4.3.12zich verhoudt tot de adviezen van de commissie-Donner en het opvolgendaarvan, over een rechtvaardiger stelsel voor compensatie van slacht-offers, ook omdat een groot aantal vorderingen niet-ontvankelijk wordtverklaard omdat behandeling «een te grote belasting» zou zijn voor hetstrafgeding.546. In het voorjaar van 2021 heeft de Commissie onderzoek stelselschadevergoeding voor slachtoffers van strafbare feiten haar adviesTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11389 uitgebracht, getiteld «Op verhaal komen» (Kamerstukken II 2020/21,33 552, nr. 83). Deze commissie (de «Commissie Donner») heeft aanbeve-lingen gedaan over onder meer de behandeling van de vordering van debenadeelde partij binnen het strafproces. De procedure voor de behan-deling van die vordering is in het nieuwe wetboek geregeld in Boek 4,Titel 4.1. De benadeelde partij is niet-ontvankelijk in haar vordering indienen voor zover die vordering een onevenredige belasting oplevert voor debehandeling van de zaak (artikel 1.5.11, tweede lid). De Commissie Donnerdoet een aantal aanbevelingen, waaronder het standaardiseren ennormeren van schadebedragen en het doorverwijzen van complexevorderingen naar een aparte schadevergoedingskamer.De in het advies centraal gestelde vordering van de benadeelde partij totschadevergoeding staat geheel los van de mogelijkheid voor de rechterom als processuele sanctie een schadevergoeding toe te kennen aan debenadeelde partij, indien de zaak niet binnen een redelijke termijn isberecht (artikel 4.3.12, in verbinding met artikel 4.4.7, derde lid). Hetbetreft in dat laatste geval immers geen schade die de benadeelde partijheeft geleden als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit en die natoewijzing van de vordering door de verdachte moet worden vergoed. Bijhet toekennen van schadevergoeding als processuele sanctie vanwegehet overschrijden van de redelijke termijn, kan geen sprake zijn eenonevenredige belasting van het strafproces wegens complexiteit. In datverband is relevant dat bij algemene maatregel van bestuur regels kunnenworden gesteld over de wijze waarop de schadevergoeding wordtberekend en de maximale hoogte van de schadevergoeding (artikel 4.3.12,derde lid).(547) De leden van de VVD-fractie vragen voorts naar een stand van zakenmet betrekking tot de onderhandelingen over het voorstel van deEuropese Commissie tot wijziging van de richtlijn minimumnormenslachtoffers. Het voorstel zorgt voor een betere balans tussen de rechtenvan verdachten en de rechten van slachtoffers en zal hoe dan ook impacthebben op het nieuwe Wetboek van Strafvordering. Wanneer wordt eenconcept gemeenschappelijk standpunt in de Raad verwacht?547. Zie het antwoord op vraag 450. Daar is opgemerkt dat de onderhan-delingen over de herziening van de betreffende richtlijn in de Raad naarverwachting medio 2024 kunnen worden afgerond. Daarna zal wordenonderhandeld met het Europees Parlement.(548) Mocht het voorstel van de Europese Commissie niet fundamenteelveranderen, kan de regering dan nader reflecteren op de wenselijkheidom het slachtoffer niet als procespartij op te nemen in het nieuweWetboek? Voornoemde leden verwijzen hierbij naar het BNC-fiche dat deregering reeds heeft gestuurd (Kamerstuk 22 112, nr. 3799).548. In het Nederlandse stelsel is het slachtoffer procesdeelnemer en geenprocespartij. Kenmerkend voor een procespartij is over het algemeen datdeze het recht of de bevoegdheid heeft om zich tot de rechter te wendenom een beslissing van die rechter te krijgen. Verder gaat het om personenop wie de verlangde (eind)beslissing van de rechter betrekking heeft endie daarom het recht of de bevoegdheid hebben zich daartegen teverweren of te verzetten. Procespartijen bij de berechting zijn de officiervan justitie, de verdachte en (indien deze zich heeft gevoegd) debenadeelde partij. Voor procesdeelnemers geldt dat zij in die enkelehoedanigheid niet de bedoelde rechten en bevoegdheden hebben. Debelangrijkste procesdeelnemers zijn het slachtoffer, de getuige, de tolk ende deskundige.Als gevolg van de voorstellen tot herziening van de slachtofferrichtlijn diedoor de Europese Commissie zijn gedaan zou het slachtoffer steeds meerkenmerken krijgen van een procespartij. In het voorstel krijgt hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11390 slachtoffer bijvoorbeeld de mogelijkheid om een aantal beslissingentijdens de gerechtelijke procedure die het slachtoffer rechtstreeks raken,voor te leggen voor een herziening («review»). Verder stelt de EuropeseCommissie voor om voorzieningen in rechte («effective remedies») toe tevoegen voor slachtoffers, in geval van schending van hun rechten uithoofde van deze richtlijn. Deze voorstellen hebben voor een deel forseconsequenties voor de inrichting van het Nederlandse strafproces. Devoorgestelde wijzigingen raken op onderdelen de positie van hetopenbaar ministerie, de verdachte en de raadsman en de rol van derechter. De balans in het Nederlandse strafproces – als het gaat om depositie van de verschillende procesdeelnemers – komt hierdoor onderdruk te staan. Het slachtoffer en de verdachte zouden als partijentegenover elkaar komen te staan, waar het betreft voorzieningen in rechtewaar het slachtoffer een beroep op kan doen en die de positie van deverdachte raken. Daardoor zou een driepartijenstelsel ontstaan en dat isonwenselijk en zou bovendien tot secundaire victimisatie van hetslachtoffer kunnen leiden. Zie hierover nader de antwoorden op vragen114 en 124. Als de positie van één van de procesdeelnemers ingrijpendverandert, dan heeft dat bovendien zijn weerslag op de positie van deandere procesdeelnemers. De keuzes die hierbij moeten worden gemaakt,kunnen het beste op nationaal niveau worden afgewogen, omdat rekeningdient te worden gehouden met de systematiek van en de verhoudingen inhet strafprocesrecht in Nederland en in de strafrechtelijke tradities van deandere lidstaten. Om deze redenen wordt – ook in de onderhandelingenover de herziening van de richtlijn – vastgehouden aan het uitgangspuntdat het slachtoffer als zodanig niet als een procespartij heeft te gelden.Het voorgaande doet overigens geenszins af aan het grote belang datwordt gehecht aan de positie van het slachtoffer in het strafproces. Opeen aantal punten worden de rechten van slachtoffers in het nieuwewetboek dan ook verruimd en wordt hun positie verbeterd. Zie hieroverhet antwoord op vraag 27.(549) Klopt het dat afzonderlijke behandeling van vorderingen vanbenadeelde partijen, bijvoorbeeld in een schadevergoedingskamer, strakswordt verplicht onder de nieuwe richtlijn? Wanneer wordt verwacht dat deherziene richtlijn in werking kan treden?549. Zie het antwoord op vraag 450. Het moment van inwerkingtredingvan de herziene richtlijn is afhankelijk van de voortgang van de onderhan-delingen binnen de Raad en nadien met het Europees Parlement. Naarverwachting zal de richtlijn niet voor 2025 in werking treden.(550) De leden van de D66-fractie merken op dat het nieuwe wetboek hetmogelijk zal maken om de vordering tot ontneming van wederrechtelijkverkregen voordeel gevoegd te behandelen met de inhoudelijke strafzaaken dat de officier van justitie hierover beslist. Deze leden geven aan datmomenteel ook al vaak de ontnemingsvordering tijdens dezelfde zittingwordt behandeld als de strafzaak. In welke zin zal de praktijk veranderenmet deze nieuwe regeling omtrent het mogelijk maken van voeging?Voornoemde leden vragen ook of de verdediging mogelijkheden krijgt omverzoeken over voeging of juist afsplitsing te doen. Zo nee, waarom niet?550. Bij de ontnemingsvordering is nieuw dat het mogelijk wordt in hetkader van de berechting op deze vordering te beslissen (zie ook hetantwoord op vraag 540). Dat ligt voor de hand in situaties waarin dezevordering eenvoudig kan worden meegenomen. De additionele belastingdie aan een separate behandeling verbonden is, kan in dat geval wordenbespaard. Bij een gevoegde behandeling geldt – anders dan bij eengelijktijdige behandeling van de strafzaak en de ontnemingsvordering inde huidige praktijk – niet het vereiste van een afzonderlijke rechterlijkebeslissing. Voeging van de vordering betekent namelijk dat in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11391 eindvonnis eveneens een beslissing wordt genomen over de ontnemings-vordering (artikel 4.4.21). Doordat de officier van justitie van de voegingopgave doet in de procesinleiding (artikel 4.4.20) kunnen de kosten vaneen afzonderlijke betekening worden uitgespaard. Nu evenmin eenafzonderlijk proces-verbaal van de behandeling van de vordering op deterechtzitting hoeft te worden opgemaakt, kan de mogelijkheid vanvoeging al met leiden tot het achterwege blijven van nodeloospapierwerk.Het wetboek voorziet niet expliciet in een formele mogelijkheid voor deverdediging om, al voordat een beslissing over de voeging is genomen,daaromtrent een verzoek te doen bij de officier van justitie. Wel kan derechtbank vervolgens op grond van artikel 4.4.22, eerste lid, (onder meer)op verzoek van de verdachte bevelen dat de vordering wordt afgesplitstvan de berechting. Op die wijze kan alsnog rekening worden gehoudenmet de wensen van de verdediging op dit punt. Overigens staat het deverdediging uiteraard vrij om zich met wensen ten aanzien van debehandeling van de vordering tot de officier van justitie te wenden.6. Herstelbeslissingen (551) De leden van de VVD-fractie vragen of de benadeelde partijen c.q.slachtoffers ook kunnen verzoeken om verbetering van kennelijke foutendie zijn gemaakt in de beslissing omtrent de schadevergoedingsmaat-regel. Zo nee, op welke andere wijze wordt gewaarborgd dat het herstelvan kennelijke fouten in de beslissing omtrent de vordering benadeeldepartij niet leidt tot een inhoudelijke discrepantie tussen het toegewezenbedrag aan schadevergoeding en de schadevergoedingsmaatregel.551. De benadeelde partij kan de rechter verzoeken om herstel van eenkennelijke fout in de beslissing op de vordering van de benadeelde partij(artikel 4.6.1, tweede lid). De benadeelde partij kan niet verzoeken omverbetering van andere fouten in het vonnis, ook niet als deze deschadevergoedingsmaatregel betreffen. Die beslissingen gaan hetrechtsgeding tussen de verdachte en de benadeelde partij te buiten. Welkan de rechter die naar aanleiding van een verzoek van de benadeeldepartij een fout in de beslissing op diens vordering verbetert, ambtshalvewijziging brengen in de opgelegde schadevergoedingsmaatregel indiendaarbij dezelfde fout is gemaakt (artikel 4.6.1, eerste lid). En ingeval derechter vergeten is om te beslissen op de vordering van de benadeeldepartij, en deze alsnog toewijst, kan hij ambtshalve beslissen ook deschadevergoedingsmaatregel op te leggen (artikel 4.6.2, eerste lid). Alduskan worden voorkomen dat een inhoudelijke discrepantie ontstaat tussenhet aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan schadevergoedingenerzijds en het bedrag van de schadevergoedingsmaatregel anderzijds.III OVERIG BOEK 4 (552) De rapporteurs zijn zich ervan bewust dat de regering heeftaangekondigd om voor het onderwerp «procesafspraken» een aanvul-lingswet in te dienen. Omdat de ontwikkeling van procesafspraken eendermate grote weerslag heeft op zowel de vervolgingsfase als deberechtingsfase, stellen de rapporteurs in dat kader toch een aantalvragen. Op welke manier is de regering voornemens het instrument nadergaan normeren en welke implicaties heeft dat voor de thema’s die zijnneergelegd in dit vierde boek? Welke rol ziet de regering onder de nieuweregeling weggelegd voor procesafspraken? Betreft het instrument voorhet leveren van maatwerk dat in beginsel alleen wordt ingezet indien despecifieke zaak daartoe aanleiding geeft of kan het zich ook ontwikkelentot een meer generieke afdoeningsmodaliteit die standaard kan wordeningezet zolang partijen er maar in slagen om tot overeenstemming tekomen? De wijze waarop de wettelijke regeling wordt ingericht en deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11392 procedurele waarborgen die in het leven moeten worden geroepen, ismede van die vraag afhankelijk. Hoe kan worden gewaarborgd dat hetonderzoek ter terechtzitting en de rol van de rechter niet worden uitgeholddoor het maken van procesafspraken? Is de regering voornemens om delijn van de Hoge Raad waarin de eindverantwoordelijkheid voor deeindbeslissing bij de zittingsrechter ligt, te volgen?552. De eerste aanvullingswet bevat een regeling van procesafspraken.Deze regeling sluit aan bij het arrest van de Hoge Raad over procesaf-spraken (ECLI:NL:HR:2022:1252) en past bij de in het nieuwe Wetboek vanStrafvordering beoogde «beweging naar voren»: met een samenstel vanmaatregelen wordt bevorderd dat strafzaken beter voorbereid bij dezittingsrechter terechtkomen. Als de officier van justitie en de verdedigingde mogelijkheid hebben om – met inachtneming van bepaalde randvoor-waarden – een gezamenlijk afdoeningsvoorstel te doen aan de rechter(bijvoorbeeld ten aanzien van de uit te spreken bewezenverklaring of deop te leggen straf), wordt immers bevorderd dat voorafgaand aan hetonderzoek op de terechtzitting meer duidelijkheid bestaat over aspectenvan de strafzaak waarover de procespartijen hetzelfde standpunt innemen.Daardoor kan de zaak op een eerder moment inhoudelijk wordenbehandeld op de zitting en kan het onderzoek op de terechtzitting vlotverlopen. In de regeling zoals opgenomen in de eerste aanvullingswetwordt het ook in het nieuwe wetboek centraal staande uitgangspuntgehandhaafd dat de rechter verantwoordelijk is voor het behandelen enbeoordelen van de strafzaak overeenkomstig de daarvoor geldendewettelijke regeling – in het bijzonder de artikelen 4.3.1 en 4.3.3, waarin deformele en materiële vragen van het rechterlijke beslismodel zijnopgenomen – en de eisen van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM), en datde rechter daarbij beslissingen kan nemen die afwijken van gemaakteprocesafspraken. Dit betekent ook dat het aan de rechter blijft om tebeslissen of hij in het concrete geval rekening houdt met gemaakteprocesafspraken en dat de bepalingen die zien op het onderzoek op deterechtzitting (Boek 4, Hoofdstuk 2) onverkort van toepassing blijven.Daarmee doet de voorgestelde regeling geen afbreuk aan de wezenlijkewaarborgen waarmee de berechting is omgeven.Verder geldt dat in deze regeling als voorwaarde voor het toelaten vanprocesafspraken is opgenomen dat «de afspraken een wezenlijke bijdragekunnen leveren aan een doeltreffende en spoedige berechting van dezaak, gelet op de aard of omvang daarvan». Ook de officier van justitie isbij het maken van procesafspraken aan deze voorwaarde gebonden. Dat,in het geval de rechter procesafspraken heeft toegelaten die eengezamenlijk voorstel inhouden voor de sanctieoplegging, de verdachte toteen derde strafvermindering kan krijgen, is alleen gerechtvaardigd alsdaartegenover een substantieel maatschappelijk voordeel staat. De redenom tot procesafspraken over te gaan moet dus zijn gelegen in de aard ofomvang van de zaak zelf. Dit betekent dat geen sprake is van een«generieke afdoeningsmodaliteit die standaard kan worden ingezet»,maar dat de mogelijkheid om procesafspraken te maken wordt beperkt totzaken waarin met het maken van procesafspraken een wezenlijk proces-economisch voordeel kan worden behaald.Enkele andere belangrijke onderdelen van de voorgestelde normering zijndat het maken van procesafspraken wordt uitgesloten ten aanzien vanmisdrijven waarop naar de wettelijke omschrijving gevangenisstraf vantwaalf jaar of meer is gesteld en die gericht zijn tegen of gevaar veroor-zaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meerpersonen. Daarnaast is in de wet neergelegd dat het gezamenlijk voorstelgeen afspraken kan inhouden over de oplegging van de maatregel vanterbeschikkingstelling, het afgeven van een zorgmachtiging, deonttrekking aan het verkeer van voorwerpen of de vernietiging vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11393 ontoegankelijk gemaakte gegevens. Afspraken over de vordering van debenadeelde partij kunnen alleen worden gemaakt indien de benadeeldepartij hiermee instemt. Met deze en overige voorwaarden wordt voor alleprocesdeelnemers verduidelijkt in welke zaken procesafspraken kunnenworden gemaakt en welke grenzen zijn gesteld aan de inhoud van deprocesafspraken.(553) De leden van de VVD-fractie constateren dat de Hoge Raad naindiening van het wetsvoorstel een aantal voorwaarden heeft geformu-leerd waaraan procesafspraken moeten voldoen (HR 27 september 2022,ECLI:NL:HR:2022:1252). Kan de regering de wettelijke grondslag vanprocesafspraken nader verduidelijken en normeren, zodat verdachten enslachtoffers meer rechtszekerheid hebben over de toepassing vanprocesafspraken en voorwaarden? Deelt de regering de opvatting datslachtoffers een zwaarwegende stem horen te krijgen bij de totstand-koming van procesafspraken?553. Zie de antwoorden op de vragen 552 en 555.(554) De leden van de D66-fractie vragen, omtrent het verstrekken van devolledige processtukken aan de verdediging, of de regering voornemensen/of bereid is om maatregelen te treffen ten behoeve van de privacy enveiligheid van andere betrokkenen, zoals slachtoffers, benadeeldepartijen, getuigen en deskundigen. Wordt bijvoorbeeld rekeninggehouden met situaties waarin het niet veilig is om hun adresgegevens inhet dossier op te nemen?554. De kennisneming van de processtukken wordt de verdachte op zijnverzoek in elk geval vanaf het eerste verhoor toegestaan (artikel 1.8.6). Dekennisneming van alle processtukken mag de verdachte niet wordenonthouden zodra de procesinleiding is ingediend dan wel een strafbe-schikking is uitgevaardigd (artikel 1.8.9). Volgens het derde lid vanartikel 1.8.11 blijven bepaalde gegevens in het belang van de beschermingvan de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer onvermeld in deprocesstukken, tenzij deze gegevens voor door de rechter te nemenbeslissingen redelijkerwijs van belang kunnen zijn. Op deze wijze wordt deprivacy van het slachtoffer dus beschermd. Bij algemene maatregel vanbestuur zal vervolgens worden bepaald in welke gevallen vermelding vande daarin aan te wijzen gegevens precies achterwege moet blijven. Dit zalin elk geval ook de vermelding van adresgegevens van het slachtoffer inprocessen-verbaal betreffen, tenzij deze in een concreet geval strafvor-derlijk relevant zijn. De betreffende algemene maatregel van bestuur is infebruari 2024 in (internet)consultatie gegeven. Deze algemene maatregelvan bestuur strekt ertoe te voorkomen dat gegevens van slachtofferszonder noodzaak ter kennis komen van de verdachte en anderen.Uitgangspunt is dat hierin genoemde slachtoffergegevens bij de bronworden weggelaten, dus door degene die het processtuk opstelt. Hetvierde lid van het huidige artikel 149a (waarvan artikel 1.8.11, vierde lid,de opvolger is) bepaalt dat de bedoelde algemene maatregel van bestuurmiddels een voorhangprocedure wordt voorgelegd aan de Staten-Generaal. Zie in dit verband ook de antwoorden op de vragen 167 en 168.Met het oog op het uitgangspunt van interne openbaarheid en demogelijkheden die de verdachte moet hebben om de betrouwbaarheidvan belastende informatie te beoordelen en deze desgewenst teweerspreken, dienen gegevens over de identiteit van getuigen te wordenvermeld in het dossier. Alleen in uitzonderlijke gevallen biedt het wetboekdaarom ruimte voor het geheel of gedeeltelijk afschermen van deidentiteit van de getuige en/of het slachtoffer. Hierbij kan worden gedachtaan de bedreigde getuige, de beperkt anonieme getuige en de aangifteonder nummer. De rechter-commissaris kan in zeer uitzonderlijkegevallen, indien de getuige zich met het oog op de door hem af te leggenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11394 verklaring zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moetworden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid danwel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaaleconomischbestaan van die getuige of die andere persoon moet worden gevreesd, endeze getuige wegens deze bedreiging te kennen heeft gegeven geenverklaring te willen afleggen bevelen dat de identiteit van de getuige bijhet verhoor verborgen wordt gehouden (artikel 2.10.39).De rechter-commissaris of de rechtbank kan verder beletten dat naaridentificerende gegevens wordt gevraagd, indien er een gegrondvermoeden bestaat dat de getuige in verband met het afleggen van zijnverklaring overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijn beroep zalworden belemmerd. In dat geval worden de maatregelen genomen dienodig zijn om de onthulling van die gegevens te voorkomen(artikelen 2.10.31, tweede lid, en 4.2.37, tweede lid). Dit brengt mee dat deidentiteitsgegevens ook niet worden geverbaliseerd (artikel 2.10.31, derdelid). Daarnaast kan de rechter-commissaris bij het verhoren van eengetuige voorkomen dat gegevens, waaronder persoonsgegevens, bekendworden bij de officier van justitie, de verdachte en zijn raadsman als ereen gegrond vermoeden bestaat dat de getuige in verband met hetafleggen van zijn verklaring ernstige overlast zal ondervinden of in deuitoefening van zijn beroep ernstig zal worden belemmerd(artikel 2.10.32).De mogelijkheid van het doen van aangifte onder nummer krijgt in hetnieuwe wetboek een wettelijke basis. Als aangifte onder nummer wordtgedaan wordt de identiteit van de getuige niet vermeld in het proces-verbaal (artikel 2.2.7, tweede lid, in samenhang met de artikelen 2.3.3,derde lid, en 2.3.4). Daarvoor geldt eveneens de voorwaarde van eengegrond vermoeden dat de getuige in verband met het afleggen van zijnverklaring ernstige overlast zal ondervinden of in de uitoefening van zijnberoep ernstig zal worden belemmerd. Tot slot kan het slachtoffer bijaangifte of verhoor een ander adres opgeven dan zijn woonadres, zoalshet adres van een slachtofferhulporganisatie, raadsman of werkgever.Door deze domiciliekeuze wordt voorkomen dat de verdachte of diensraadsman bekend wordt met het adres van het slachtoffer (zie deAanwijzing slachtoffers in het strafproces, Stcrt. 2024, 4318). Ook langsdeze wegen kunnen de privacy en de veiligheid van de aangever (hetslachtoffer) en de getuige worden beschermd.In het antwoord op vraag 155 is ingegaan op de mogelijkheden die inuitzonderlijke gevallen kunnen worden getroffen om deskundigen tebeschermen.(555) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben vragen over hetmaken van procesafspraken. Deze leden vragen waarom het fenomeenniet nu al in het voorliggende wetsvoorstel wordt opgenomen in plaatsvan later in een aanvullende wet. Deze leden zijn van mening dat zakenzoals het maken van afspraken over de tenlastelegging of bijvoorbeeld hethoren van getuigen/deskundigen de gang van zaken ter terechtzittingdirect raken. Het maken van procesafspraken brengt het risico met zichmee dat het onderzoek ter terechtzitting niet meer volledig kan plaats-vinden omdat het OM en de verdediging al eerder afspraken hebbengemaakt die de rechter dan alleen nog maar hoeft te bekrachtigen.Daarmee dreigen het belang van waarheidsvinding en de belangen vanhet slachtoffer in het geding te komen. Gezien de samenhang met ditwetsvoorstel zou het naar de mening van voornoemde leden wenselijkzijn om de procesafspraken in het nu voorliggende wetsvoorstel op tenemen. Kan de regering hier bij nota van wijziging alsnog zorg voordragen? Zo nee, waarom niet?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11395 555. Op 26 oktober 2022 is aan de Tweede Kamer het voornemen kenbaargemaakt om in het nieuwe Wetboek van Strafvordering een wettelijkeregeling te treffen voor het maken van procesafspraken in strafzaken(Kamerstukken II 2022/23, 29 279, nr. 742). Dit was kort nadat de HogeRaad uitspraak had gedaan over de vraag onder welke voorwaarden hetmaken van procesafspraken kan worden toegelaten(ECLI:NL:HR:2022:1252). Op het moment dat het voorliggendewetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwe Wetboek van Strafvorderingin april 2021 ter advisering aan Afdeling advisering van de Raad van Statewerd voorgelegd, was er nog niet toe besloten om in het nieuwe wetboekeen regeling van procesafspraken door te voeren. Daarom is ervoorgekozen een regeling van procesafspraken in nauwe samenwerking metde betrokken ketenorganisaties voor te bereiden en op te nemen in deeerste aanvullingswet.Aanvullingswetten worden afzonderlijk in procedure gebracht en dienenertoe benodigde wijzigingen of aanvullingen in het nieuwe wetboek in eenlatere fase van het wetgevingsproces aan te brengen. Het voornemen isom de aanvullingswetten tegelijkertijd met de vaststellingswetten van hetnieuwe wetboek in werking te laten treden. Het voordeel van dezewerkwijze is dat de parlementaire behandeling van de vaststellingswettengeen onnodige vertraging oploopt als gevolg van tussentijdse wijzi-gingen.Het is verantwoord om een regeling van procesafspraken op te nemen inde eerste aanvullingswet. Daarmee wordt de regeling van procesaf-spraken ingepast in het systeem van het nieuwe wetboek en respecteertzij de uitgangspunten en doelstellingen van het nieuwe wetboek zoals dieaan het voorliggende wetsvoorstel tot vaststelling van het nieuwewetboek ten grondslag liggen. In het bijzonder past de regeling bij dedoelstelling van de «beweging naar voren», die inhoudt dat met eensamenstel van maatregelen wordt bevorderd dat strafzaken betervoorbereid bij de zittingsrechter terechtkomen. Als de officier van justitieen de verdediging de mogelijkheid hebben om – met inachtneming vanbepaalde randvoorwaarden – een gezamenlijk afdoeningsvoorstel te doenaan de rechter (bijvoorbeeld ten aanzien van de uit te spreken bewezen-verklaring of de op te leggen straf), wordt immers bevorderd datvoorafgaand aan het onderzoek op de terechtzitting meer duidelijkheidbestaat over aspecten van de strafzaak waarover de procespartijenhetzelfde standpunt innemen. Van het afdoeningsvoorstel kan ook deeluitmaken dat geen verzoeken om nader onderzoek, zoals het verhoren vangetuigen, worden gedaan. Daardoor kan de zaak op een eerder momentinhoudelijk worden behandeld op de zitting en kan het onderzoek op deterechtzitting vlot verlopen. De regeling respecteert ook deeindverantwoordelijkheid van de rechter voor het behandelen en hetbeoordelen van de strafzaak overeenkomstig de daarvoor geldendewettelijke regeling – in het bijzonder de artikelen 4.3.1 en 4.3.3, waarin deformele en materiële vragen van het rechterlijke beslismodel zijnopgenomen – en de eisen van een eerlijk proces (artikel 6 EVRM). Hetstaat de rechter met andere woorden vrij om beslissingen te nemen dieafwijken van gemaakte procesafspraken. Daarnaast wordt opgemerkt dathet maken van procesafspraken binnen door de Hoge Raad geformu-leerde randvoorwaarden nu al mogelijk is. De beoogde wettelijke regelingsluit bij die randvoorwaarden aan. Deze regeling strekt dus niet totinvoering van een geheel nieuwe modaliteit voor het afdoen vanstrafzaken.De eerste aanvullingswet is op 8 mei 2024 in formele consultatie gegeven.De regeling van procesafspraken zal – als onderdeel van die aanvul-lingswet – na verwerking van de consultatieadviezen voor advies aan deAfdeling advisering van de Raad van State worden gezonden. Een enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11396 ander draagt bij aan een zorgvuldig totstandkomingsproces en aan dekwaliteit en de uitvoerbaarheid van de wettelijke regeling van ditbelangrijke onderwerp. Dat is te meer van belang aangezien de regelingvan procesafspraken raakt aan verschillende onderdelen van het nieuweWetboek van Strafvordering en samenhangt met principiële vragen,waaronder die naar de rol van het slachtoffer bij de totstandkoming vanprocesafspraken. Opmerking verdient dat één van die randvoorwaardenvoor het maken van procesafspraken naar geldend recht is dat bij hetmaken en beoordelen van procesafspraken ook de belangen van hetslachtoffer worden betrokken. In de OM-Aanwijzing procesafspraken instrafzaken (Stcrt. 2023, 22351) is nader uitgewerkt op welke wijze debelangen van het slachtoffer onder de huidige wettelijke regeling wordenbetrokken bij de afweging om procesafspraken te maken. In de voorge-stelde regeling van procesafspraken zijn verschillende aanvullendevoorschriften opgenomen die ertoe strekken de positie van slachtoffers bijde totstandkoming van procesafspraken te versterken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11397 Verslag Boek 5 Het verslag bij Boek 5 (Kamerstukken II 2023/24, 36 327, nr. 9) is vastge-steld op 26 januari 2024.I. ALGEMEEN BOEK 5 RechtsmiddelenDe leden Ellian en Helder zijn door de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid benoemd tot rapporteurs op dit wetsvoorstel. Deze rapporteurshebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot de Vaststelling van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering, Boek 5 (36 327) (hierna: hetwetsvoorstel) en hebben namens de commissie een aantal vragen. Zijbaseren zich hierbij op een inhoudelijke rapportage die in opdracht van deTweede Kamer is opgesteld door vier samenwerkende universiteiten.De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelen hebben geen verdere vragen.(556) De leden van de VVD-fractie merken op dat één van de vernieu-wingen van Boek 5 met zich meebrengt dat het Openbaar Ministerie (OM)niet langer het recht heeft om hoger beroep in te stellen tegen allebeschikkingen van de rechtbank of de rechter-commissaris, maar dat inBoek 2 waar het rechtsmiddelen rond de toepassing van bevoegdheden inde opsporing betreft, aan het eind van elk hoofdstuk duidelijk wordtgemaakt of een rechtsmiddel door het OM kan worden aangewend. Kande regering een overzicht geven van de beslissingen waartegen het OMthans nog wel (hoger) beroep in kan stellen en in het nieuwe Wetboek nietmeer?556. Het huidige wetboek voorziet in een op het oog algemene regelingvoor het instellen van rechtsmiddelen tegen beschikkingen. Deze regelingkent echter meerdere bezwaren. Zo leidt de regeling tot ongelijkheidtussen het openbaar ministerie en de verdachte. Het huidige artikel 446kent aan het openbaar ministerie een vrij algemene bevoegdheid toe omop te komen tegen beschikkingen van de rechtbank of de rechter-commissaris waarbij een vordering niet is toegewezen, terwijl deverdachte soms wel en soms niet een rechtsmiddel kan instellen (HR 8 juli1994, NJ 1995/30 en HR 30 januari 1996, NJ 1996/288). Een ander bezwaaris dat op de hoofdregel inmiddels diverse uitzonderingen zijn gemaakt.Wanneer bijvoorbeeld in de hoofdzaak geen hoger beroep mogelijk is (inzogenoemde «bagatelzaken» zoals aangeduid in het huidige artikel 404,tweede lid), kan het openbaar ministerie slechts beroep in cassatieinstellen (het huidige artikel 446, eerste lid). Beroep in cassatie staatechter niet open tegen een beschikking van de rechtbank, gegeven in eenhoger beroep tegen een beschikking van de rechter-commissaris waarbijeen vordering tot onderzoek door de rechter-commissaris is afgewezen(het huidige artikel 241c). Ook overigens zijn op de hoofdregel uitzonde-ringen gemaakt, bijvoorbeeld door aan het openbaar ministerie het rechtvan hoger beroep toe te kennen tegen beslissingen die niet een (gedeelte-lijke) afwijzing van een vordering inhouden (de huidige artikelen 71, 87 en262a) of door het recht van hoger beroep, ondanks een afgewezenvordering, juist aan het openbaar ministerie te ontzeggen (het huidigeartikel 549). In de fase van de tenuitvoerlegging geldt zelfs een eigenhoofdregel, namelijk dat een rechterlijke beslissing slechts aan eniggewoon rechtsmiddel is onderworpen voor zover dat uitdrukkelijk isbepaald (het huidige artikel 6:6:7). Al deze uitzonderingen maken deregeling van de rechtsmiddelen niet bepaald overzichtelijk.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11398 In het nieuwe wetboek is daarom gekozen voor een eenduidige en meertoegankelijke wijze van regeling. In Boek 5 is de algemene regelopgenomen dat rechtsmiddelen alleen open staan in de gevallen bij dewet bepaald (artikel 5.1.1). De toedeling van rechtsmiddelen tegenbeslissingen van de raadkamer en de rechter-commissaris vindt voor alleprocespartijen plaats per beslissing (of per categorie beslissingen) in hethoofdstuk of de titel waarin ook de betreffende beslissing (of categoriebeslissingen) is geregeld. Een belangrijk voordeel van deze keuze is datper (type) beslissing makkelijker en nauwkeuriger kan worden vastgesteldwie welk rechtsmiddel heeft. Ook kunnen rechtsmiddelen gelijker wordentoebedeeld aan de procespartijen. Bovendien geldt zo in het hele wetboekéén helder uitgangspunt waarop geen uitzonderingen meer nodig zijn.Gelet op de veelheid en diversiteit van beslissingen en procedures is hetniet mogelijk een vergelijkend overzicht te bieden van alle rechtsmiddelenin de oude en de nieuwe situatie. Bij het toekennen van rechtsmiddelen isuiteraard wel zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaandesituatie. Daarbij is steeds de vraag gesteld in hoeverre een rechtsmiddeldaadwerkelijk toegevoegde waarde heeft. Dit heeft ertoe geleid dat detussentijdse beroepsmogelijkheden voor zowel het openbaar ministerieals de verdachte met betrekking tot beslissingen over de voorlopigehechtenis zijn verruimd. Er wordt voorzien in het recht van hoger beroepvoor de officier van justitie tegen een aantal beslissingen van de rechterwaarbij vorderingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis zijnafgewezen, ongeacht of deze in een tussenvonnis of in een andererechterlijke beslissing zijn opgenomen (artikel 2.5.60). Bij enkele meerprocesmatige beslissingen is een rechtsmiddel achterwege gelaten. Alsvoorbeelden kunnen worden genoemd de beslissing op een vordering tothet sluiten van de deuren in de raadkamer (artikel 1.2.16) en beslissingenvan de rechter-commissaris die de orde van bijvoorbeeld een verhoorbetreffen en waarbij de mogelijkheid van beroep zou leiden tot eenonwenselijk oponthoud van de onderzoekshandeling (Boek 2,Hoofdstuk 10). Ook is, net als in het huidige recht, geen cassatie toege-laten tegen de beslissing van de raadkamer op een beroep tegen eenbeslissing door de rechter-commissaris of de raadkamer in het vooron-derzoek. Het rechtsmiddel beroep volstaat in dit geval.Wanneer het openbaar ministerie geen cassatie kan instellen maar eenoordeel van de Hoge Raad over een rechtspunt wel gewenst is, biedt denieuwe regeling van prejudiciële vragen de rechter onder bepaaldevoorwaarden de mogelijkheid om de Hoge Raad een rechtsvraag testellen. Langs deze weg kan een rechtsvraag sneller door de Hoge Raadworden beantwoord dan wanneer daartoe eerst beroep in cassatie moetworden ingesteld. Daarnaast kan cassatie in het belang van de wetuitkomst bieden. Dit buitengewone rechtsmiddel kan, bijvoorbeeld in hetbelang van de rechtseenheid, worden ingesteld door de procureur-generaal bij de Hoge Raad tegen rechterlijke beslissingen waartegen geengewoon rechtsmiddel meer openstaat.(557) Hoe zijn de belangen van slachtoffers en nabestaanden gewaar-borgd bij de beslissingen waartegen het OM nu nog wel, maar straks geen(hoger) beroep meer tegen kan aantekenen?557. Alvorens deze vraag te beantwoorden kan in algemene zin wordenopgemerkt dat bij de beslissing om al dan niet een rechtsmiddel in testellen, het openbaar ministerie waar relevant ook de belangen vanslachtoffers en nabestaanden zal meewegen. Dit past bij het uitgangspuntdat strafvordering plaatsvindt op een wijze die recht doet aan de belangenvan het slachtoffer, opgenomen in artikel 1.1.4. Dit uitgangspunt is op tevatten als een uitdrukkelijke opdracht om bij het maken van afwegingenen het nemen van beslissingen, zoals de beslissing om al dan niet eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11399 rechtsmiddel in te stellen, rekening te houden met de belangen vanslachtoffers en nabestaanden (zie het antwoord op vraag 14).Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 556, is bij het toekennen vanrechtsmiddelen zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de bestaandesituatie. Daarbij is steeds de vraag gesteld in hoeverre een rechtsmiddeldaadwerkelijk toegevoegde waarde heeft. Bij die afweging zijn ook debelangen van slachtoffers en nabestaanden meegewogen. Benadrukt zijdat veel beslissingen van de rechter-commissaris of de raadkamer nietraken aan de belangen van slachtoffers en nabestaanden. Denk bijvoor-beeld aan de beslissing van de rechter-commissaris op een vordering totmachtiging voor de uitoefening van een opsporingsbevoegdheid.Sommige beslissingen raken wél aan de belangen van slachtoffers ennabestaanden, zoals de beslissing van de raadkamer tot schorsing van devoorlopige hechtenis. Bij dergelijke beslissingen worden de belangen vande slachtoffers en nabestaanden meegewogen door de rechter-commissaris of de raadkamer en voorziet het nieuwe wetboek involdoende rechtsmiddelen voor het openbaar ministerie. De tussentijdseberoepsmogelijkheden met betrekking tot beslissingen over de voorlopigehechtenis zijn zelfs verruimd. Er wordt voorzien in het recht van hogerberoep voor de officier van justitie tegen een aantal beslissingen waarbijvorderingen met betrekking tot de voorlopige hechtenis zijn afgewezen,ongeacht of deze in een tussenvonnis of in een andere rechterlijkebeslissing zijn opgenomen (artikel 2.5.60). Tegen deze achtergrond is ergeen aanleiding te veronderstellen dat de herinrichting van de rechtsmid-delen gevolgen zou hebben voor de mogelijkheden van het openbaarministerie om rekening te houden met de belangen van slachtoffers ennabestaanden.(558) De leden van de VVD-fractie begrijpen dat in een eerdere consulta-tieversie van Boek 5 een regeling voor zelfstandig strafrechtelijk hogerberoep en beroep in cassatie was opgenomen voor benadeelde partijenen de ouders of voogd van een «veertienminner». Deze leden vragenwaarom is gekozen deze regeling niet op te nemen in het nieuweWetboek.558. In het nieuwe wetboek staat voor de benadeelde partij zelfstandighoger beroep open bij de strafrechter tegen een afwijzing van haarvordering, indien deze vordering meer dan € 1.750 bedraagt. De regelinghoudt een verruiming in, omdat het hoger beroep voortaan open staat losvan de vraag of ook de verdachte en het openbaar ministerie hogerberoep instellen. Ook is sprake van een verandering ten opzichte van dehuidige situatie, waarin de behandeling van de vordering plaatsvindtovereenkomstig de bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechts-vordering (huidige artikel 421, vierde lid). In de nieuwe regeling wordt hethoger beroep behandeld door de strafkamer van het gerechtshof; hethoger beroep wordt dus overgeheveld van de civielrechtelijke naar destrafrechtelijke kolom. Dit betekent onder meer dat de benadeelde partijniet meer verplicht is zich te laten bijstaan door een advocaat. Verder isook de beslissing van de rechtbank inzake de schadevergoedingsmaat-regel aan het oordeel van het gerechtshof onderworpen (artikel 5.4.35).Hoewel de benadeelde partij geen hoger beroep kan instellen tegen hetniet opleggen van de schadevergoedingsmaatregel als zodanig, heeft hethoger beroep tegen de afwijzing van haar vordering tot gevolg dat hetgerechtshof alsnog ook de schadevergoedingsmaatregel kan opleggen.Daarnaast is in Boek 4 een afdeling gereserveerd waarin de verbeteringvan de positie van de benadeelde partij nog verder gestalte kan krijgen ingevallen waarin zij naar huidig recht niet-ontvankelijk zou wordenverklaard in haar vordering. In deze afdeling kan op een later moment eenregeling worden opgenomen waarin een procedure wordt geïntroduceerdvoor de afzonderlijke behandeling van de vordering tot schadevergoedingvan de benadeelde partij. Zie daarover nader het antwoord op vraag 450.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11400 In de consultatieversie van Boek 5 werd aan de benadeelde partij ook hetrecht toegekend zelfstandig hoger beroep in te stellen tegen deniet-ontvankelijkverklaring van de ingediende vordering en tegen debeslissing over de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel of hetachterwege blijven daarvan, (ook) in gevallen waarin het openbaarministerie en de verdachte geen hoger beroep instellen. Op dit voorstel isin de consultatieadviezen veel kritiek gekomen. Bij de schadevergoedings-maatregel waren de bezwaren van juridische aard. De benadeelde partijdient een vordering tot schadevergoeding in; de schadevergoedingsmaat-regel staat daar juridisch los van. Daarbij past niet dat de benadeeldepartij tegen het (niet) opleggen van de schadevergoedingsmaatregelhoger beroep kan instellen. Bij het hoger beroep tegen deniet-ontvankelijkverklaring hingen de bezwaren samen met het criteriumdat daar in veel gevallen aan ten grondslag ligt, te weten het criterium datbehandeling van de vordering van de benadeelde partij een onevenredigebelasting van het strafgeding zou meebrengen. Gesignaleerd werd dat dekans groot is dat de rechter een in eerste aanleg niet-ontvankelijkverklaarde vordering ook in hoger beroep te complex zal vinden, zodatdeze opnieuw niet-ontvankelijk zal worden verklaard vanwege deonevenredige belasting voor de behandeling van de zaak. Tegen dieachtergrond staat niet vast dat de voordelen van het toekennen van eenrechtsmiddel tegen niet-ontvankelijkverklaring groter zijn dan de nadelenin de vorm van teleurstellingen en de secundaire victimisatie die daarvanhet gevolg kunnen zijn, waarbij overigens kan worden aangetekend dat ingeval van een niet-ontvankelijkverklaring door de strafrechter voor debenadeelde partij nog de optie openstaat om een vordering in te stellenbij de civiele rechter. Daarnaast werd onder meer gewezen op de extrawerklast die dit voorstel zou opleveren voor de strafrechtelijke instanties.Mede naar aanleiding van deze kritiek is afgezien van het voornemen omeen zelfstandig hoger beroep mogelijk te maken tegen deniet-ontvankelijkverklaring van de vordering van de benadeelde partij.De consultatieversie van Boek 5 kende aan de benadeelde partij verder hetrecht toe beroep in cassatie in te stellen, voor zover haar vordering wasafgewezen of niet-ontvankelijk verklaard of de beslissing over deoplegging van de schadevergoedingsmaatregel dan wel het achterwegeblijven daarvan werd bestreden. Tegen de achtergrond van de hierbovenweergegeven discussie over het hoger beroep van de benadeelde partij isook het beroep in cassatie van de benadeelde partij wat anders ingerichtdan aanvankelijk het voornemen was, waarbij beroep in cassatie – in lijnmet de keuze met betrekking tot het hoger beroep – alleen mogelijk isgemaakt tegen een afwijzing van de vordering, en niet tegen deniet-ontvankelijkverklaring daarvan. Daarbij is de rechtspositie van debenadeelde partij verbeterd ten opzichte van het geldende recht. Voor debenadeelde partij wordt beroep in cassatie opengesteld tegen een geheleof gedeeltelijke afwijzing van haar vordering in het eindarrest, een arrestdat is uitgesproken op het zelfstandig hoger beroep van de benadeeldepartij tegen de afwijzing van haar vordering of een herstelarrest. Ook indeze gevallen geldt de drempel van € 1.750 voor de benadeelde partij(artikel 5.5.17).Daarnaast vragen deze leden naar een zelfstandig hoger beroep en beroepin cassatie voor de ouders of voogd van de minderjarige verdachte die deleeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikt. Het gaat hierbij om desituatie dat de vordering van de benadeelde partij moet worden geacht tezijn gericht tegen de ouder. Hiervan is sprake indien een vordering van debenadeelde betrekking heeft op een «als doen te beschouwen gedragingvan een verdachte die de leeftijd van veertien jaar nog niet heeft bereikten aan wie de gedraging zou kunnen worden toegerekend als onrecht-matige daad, zo zijn leeftijd daaraan niet in de weg zou staan»Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11401 (artikel 1.5.10, vierde lid). Hiervoor is de ouder aansprakelijk te stellen. Depositie van deze ouder is in het nieuwe wetboek gelijkgesteld aan depositie van de verdachte zelf, voor zover het de behandeling van devordering van de benadeelde partij betreft (artikel 6.1.45). Deze regeling,die nog steeds een zelfstandig recht op hoger beroep en cassatie voor deouder inhoudt, is na de consultatie ondergebracht in Boek 6 en maakt zoniet langer deel uit van Boek 5 (zie de artikelen 6.1.48 en 6.1.49).(559) De leden van de VVD-fractie vragen de regering nader te motiverenhoe de doelen van de Wet stroomlijnen hoger beroep (Kamerstuk 30 320)met het nieuwe Wetboek worden bereikt en of enkele doelen juist nietworden ondermijnd door enkele keuzes die zijn gemaakt in het voorlig-gende wetsvoorstel.559. De Wet stroomlijnen hoger beroep (Stb. 2006, 470) komt voort uit dewens de middelen voor de strafrechtspleging doelmatig in te zetten endubbeling van werkzaamheden zoveel mogelijk te voorkomen. Het doelwas door een meer geconcentreerde behandeling in appel de mogelijk-heden die het hoger beroep biedt om de zaak ten tweede male te bezienmeer tot hun recht te laten komen en aldus zowel de doelmatigheid als dekwaliteit van de appelbehandeling te vergroten (Kamerstukken II 2005/06,30 320, nr. 3 en Kamerstukken I 2005/06, 30 320, C). Dit streven heeft ertoegeleid dat de appelprocedure zich meer is gaan concentreren op devoorliggende geschilpunten en dus op de bezwaren die door de officiervan justitie of de verdachte naar voren zijn gebracht (huidig artikel 415,tweede lid). Het zogenoemde voortbouwend appel houdt in dat bij debehandeling van het hoger beroep in beginsel kan worden uitgegaan vanhet voorafgaande onderzoek in de eerste aanleg. Niet alles behoeftopnieuw te worden gedaan. De rechter kan zich meer richten op deingebrachte bezwaren, maar houdt ambtshalve de mogelijkheidonbestreden onderdelen van het vonnis aan de orde te stellen en tetoetsen (Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 7–8). In deze, meerdoelmatige wijze van procesvoering heeft de appelrechter ook debevoegdheid gekregen om het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijkte verklaren indien geen bezwaren tegen het eindvonnis zijn opgegeven ofgehandhaafd (huidig artikel 416). Verder is het stelsel van rechtsmiddelenin lichte strafzaken aangescherpt door de appelgrens inzake overtredingente verhogen en een verlofstelsel in te voeren voor zaken betreffendeovertredingen en misdrijven van beperkte omvang en relatief geringbelang. In de laatstgenoemde categorie van zaken kan de voorzitter vanhet gerechtshof het ingestelde hoger beroep toelaten indien een goederechtsbedeling dit vereist (huidig artikel 410a). Aan de doelmatige inzetvan rechtsmiddelen en het voorkomen van dubbel werk droeg ook bij, datde mogelijkheid van het gedeeltelijk bevestigen van het vonnis in de wetis verduidelijkt. Zodoende werd niet langer de noodzaak gevoeld hetvonnis te vernietigen zelfs indien de beslissing vervolgens vrijwelgelijkluidend was aan het oorspronkelijk vonnis (het huidige artikel 423,eerste lid). De gedachte was dat de rechter in hoger beroep, door hetvonnis te bevestigen in zoverre hij daarmee instemt, duidelijk zou kunnenmaken wat hem wel en wat hem niet bevalt aan het bestreden vonnis,waarmee de rechtsontwikkeling en rechtseenheid worden bevorderd(Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 30).Het voortbouwend appel wordt gehandhaafd in het nieuwe wetboek.Artikel 5.4.19, waarin het voorschrift van het huidige artikel 415, tweedelid, is overgenomen, bepaalt dat het gerechtshof het onderzoek op deterechtzitting richt op de opgegeven bezwaren tegen het eindvonnis (entussenvonnissen) alsmede op hetgeen het verder nodig oordeelt. Heefthet openbaar ministerie geen schriftuur met bezwaren ingediend of deopgegeven bezwaren op de terechtzitting niet gehandhaafd, dan kan hetgerechtshof het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaren in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11402 hoger beroep als het zelf ook geen noodzaak ziet voor een inhoudelijkebehandeling. Hetzelfde geldt ten aanzien van de verdachte als deze geenbezwaren heeft opgegeven bij schriftuur of mondeling op de terechtzitting(artikel 5.4.27, tweede en derde lid). Ook dit voorschrift sluit dus aan bijhet huidige recht. Bij de voorbereiding van het nieuwe wetboek isonderzocht of een verdergaand grievenstelsel wenselijk zou zijn. Van ditvoornemen is afgezien, mede in verband met het (gewijzigde) standpuntvan de gerechtshoven, die een aanpassing van het bestaande stelsel opdit punt bij nader inzien onnodig en onwenselijk achtten. Zie daarovernader het antwoord op vraag 604.Wel is – voortbouwend op de huidige regeling – een nieuw beslismodelvoor het gerechtshof geïntroduceerd, waarmee beter tot uiting komt dathet gerechtshof zich in het bijzonder richt op de vraag of de bezwarentegen het vonnis hout snijden en op de vraag of er ambtshalve gebrekenzijn die meebrengen dat (al dan niet gedeeltelijke) vernietiging aange-wezen is (zie ook het antwoord op vraag 607). Het verlofstelsel wordtafgeschaft. Aan deze keuze liggen naast juridische, ook praktischeoverwegingen ten grondslag. Zo is het tijdbesparende effect van deprocedure gering gebleken. Deze aanpassing zal naar verwachting geringeinvloed hebben op de belasting van de rechtspraak (zie het antwoord opvraag 620).Aan de doelstellingen van de Wet stroomlijnen hoger beroep (hetdoelmatiger inzetten van middelen en dubbeling van werkzaamhedenzoveel mogelijk voorkomen) dragen in het nieuwe wetboek nog enkelevoorstellen bij. De verdachte die hoger beroep heeft ingesteld tegen heteindvonnis kan dit rechtsmiddel tot een week na het moment waarop dekennisgeving van de ontvangst van de processtukken aan hem isbetekend, intrekken (artikel 5.4.5). Dit is eerder dan volgens het huidigerecht, waarin een ingesteld hoger beroep nog vlak voor de terechtzitting(uiterlijk totdat de rechter de zaak tegen de verdachte heeft doenuitroepen) kan worden ingetrokken (zie het antwoord op de vragen 602 en603). Daarnaast wordt de mogelijkheid van afdoening van het hogerberoep door een enkelvoudige kamer verruimd (artikel 5.4.44, tweede lid;zie daarover nader het antwoord op vraag 635).(560) De leden van de VVD-fractie hebben recentelijk kennisgenomen vande antwoorden op de feitelijke vragen over de begroting van Justitie enVeiligheid 2024. Hierin is opgenomen in reactie op de aangenomen motieEllian (Kamerstuk 33 552, nr. 97) dat feitelijk geen uitvoering wordtgegeven aan de wens van de Kamer om slachtoffers automatisch ofambtshalve een afschrift van het vonnis te verstrekken, omdat de regeringhet verdedigbaar vindt dat de (privacy)belangen van de verdachte ofveroordeelde best mogen prevaleren boven het recht van slachtoffers omkennis te nemen van de uitspraak waarin zij zelf slachtoffer zijn. Dezeleden hebben met veel zorgen kennisgenomen van dit antwoord, waarinook staat dat hierover nog met het OM, de rechtspraak en SlachtofferhulpNederland gesprekken worden gevoerd en dat de Kamer hierover in heteerste kwartaal van 2024 zal worden geïnformeerd. Ondanks de lopendegesprekken, hechten de voornoemde leden eraan dat er in het nieuweWetboek een toekomstbestendige voorziening wordt getroffen omuitvoering te geven aan de gerechtvaardigde wens van slachtoffers omeen afschrift te ontvangen van het vonnis waarin zij zelf slachtoffer zijn.Kan de regering zich daarvoor inspannen en ook in de nota naaraanleiding van het verslag de laatste stand van zaken geven?560. De regeling in het nieuwe wetboek bepaalt dat de rechter heteindvonnis desgevraagd verstrekt aan ieder ander dan de verdachte enzijn raadsman, tenzij dit naar zijn oordeel ter bescherming van debelangen van degene ten aanzien van wie het eindvonnis is gewezen ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11403 van derden dient te worden geweigerd. In het laatste geval kan eengeanonimiseerd eindvonnis, een deel van het eindvonnis of een uittrekseldaarvan worden verstrekt (artikel 4.3.32). Voor de benadeelde partij geldtdat de officier van justitie haar het eindvonnis na de ondertekening ervanter kennis brengt (artikel 4.4.7, vijfde lid). Anders dan onder het huidigerecht (artikel 365, derde lid) hoeft de benadeelde partij dus niet meer omeen afschrift van het vonnis te vragen. De benadeelde partij, is proces-partij en heeft een vordering ingediend; daarbij past dat zij op deze wijzewordt geïnformeerd over de uitkomst van het strafproces. Daar komt bijdat zij op basis van het eindvonnis, voor zover de vordering daarin istoegewezen, tot tenuitvoerlegging kan overgaan. Die laatste overwe-gingen gelden niet voor het slachtoffer, dat als zodanig geen procespartijis. Dat neemt uiteraard niet weg dat ook het slachtoffer desgevraagdadequaat behoort te worden geïnformeerd over de uitkomst van destrafzaak. Daarom heeft het slachtoffer het recht om informatie teontvangen over het eindvonnis in de zaak tegen de verdachte(artikel 1.5.4, eerste lid, onderdeel g). Deze informatie wordt het slacht-offer op zijn verzoek verstrekt (artikel 1.5.4, tweede lid).Uit het bovenstaande volgt dat er ook volgens het nieuwe wetboek geenverplichting bestaat om automatisch of ambtshalve een afschrift van hetvonnis aan het slachtoffer te verstrekken. Dit houdt verband met deomstandigheid dat het automatisch of ambtshalve verstrekken van hetvonnis op het bezwaar zou stuiten dat niet ieder slachtoffer dat wenst ofdaarmee wil worden geconfronteerd. Hiermee blijft het aan de rechter omop verzoek van het slachtoffer en met medeweging van de belangen en deprivacy van de verdachte, een beslissing te nemen of het vonnis wordtverstrekt. Op dit moment wordt verkend wat er voor nodig is om ervoor tezorgen dat alle slachtoffers die dit wensen in de praktijk op een gemakke-lijke manier over een afschrift van het vonnis kunnen beschikken. Om nietalleen tot een efficiënte en uitvoerbare praktijk te komen, maar ook tot eenzorgvuldige afweging die tegemoet komt aan de verschillende wensenvan slachtoffers, worden op dit moment gesprekken gevoerd met onderandere het openbaar ministerie, de Rechtspraak en SlachtofferhulpNederland. De behoeften van slachtoffers staan steeds centraal (Kamer-stukken II 2023/24, 36 410 VI, nr. 27, p. 42–43; Kamerstukken II 2023/24,33 552, nr. 116). Bij het bovenstaande wordt ook betrokken dat deRechtspraak werkt aan het publiceren van meer vonnissen op recht-spraak.nl.(561) De leden van de GL-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van Boek 5 van het wetsvoorstel. Zij kunnen zich vindenin de vragen die in de inhoudelijke rapportage over Boek 5 in het kadervan het Project bijstand Tweede Kamer modernisering Wetboek vanStrafvordering door het projectteam zijn geformuleerd. De aan het woordzijnde leden zouden het op prijs stellen als de regering deze vragen zoubeantwoorden. Daarnaast hebben zij nog een aantal aanvullende vragen.561. De vragen uit het rapport over Boek 5 van het Project bijstandTweede Kamer modernisering Wetboek van Strafvordering worden indeze nota naar aanleiding van de verslagen beantwoord.(562) De leden van de NSC-fractie constateren dat in dit boek onder meerde indiening en behandeling van het verzetschrift tegen een door het OMgegeven strafbeschikking geregeld is. Door het instellen van verzet maaktde verdachte kenbaar dat hij een oordeel van de rechter wil. Van deverdachte wordt aldus een actieve handeling verwacht om een strafop-legging buiten de rechter om, te voorkomen. Deze leden vinden dat dezepraktijk met een kritische blik dient te worden bezien, zeker als het gaatom de eisen die hierbij aan de verdachte worden gesteld en zijn rechtendie in het geding zijn. Toegang tot het recht en de rechter is een crucialevoorwaarde voor de rechtsstaat en daarbij is een belangrijk onderdeel vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11404 vertrouwen in de rechtsstaat, dat de burger zijn recht kan halen. Daarnaastvinden deze leden het van groot belang dat de wet en de praktijkvoldoende waarborgen bieden in het geval dat de verdachte afstandwenst te doen van zijn grondwettelijk recht op toegang tot de onafhanke-lijke rechter. Daarom is bij het doen van afstand van verzet van grootbelang dat dit vrijwillig gebeurt en dat goede voorlichting voorafgaandbeschikbaar is evenals de mogelijkheid tot bijstand van een advocaat.562. Toegang tot de onafhankelijke en onpartijdige rechter is inderdaadeen cruciale voorwaarde voor een eerlijk proces en voor het vertrouwen inde rechtsstaat. Dat de wet en de praktijk voldoende waarborgen moetenbieden bij het doen van afstand van dit grondwettelijke recht wordt danook volledig onderschreven. Tegen deze achtergrond handhaaft hetnieuwe wetboek de bestaande waarborgen rondom het doen van afstandvan de bevoegdheid om verzet in te stellen tegen een strafbeschikking envoegt het daar nog twee waarborgen aan toe. Deze extra waarborgenhebben betrekking op de situatie waarin de verdachte tegenover eenopsporingsambtenaar afstand wil doen van het recht om verzet in testellen. Net als nu is voor het rechtsgeldig doen van afstand van dit rechtvereist dat de verdachte wordt bijgestaan door een raadsman. Aanvullendwordt vereist dat de opsporingsambtenaar de verdachte erop wijst dateen gedane afstand niet kan worden herroepen. Verder moet de afstand indeze situatie worden vastgelegd en door de verdachte worden onder-tekend (artikel 5.3.2, tweede lid). De genoemde voorwaarden drageneraan bij dat afstand van het recht om verzet in te stellen vrijwillig enondubbelzinnig gebeurt, waarbij de verdachte adequaat is voorgelichtover de gevolgen daarvan. Zie over het doen van afstand door middel vanvrijwillige voldoening aan de strafbeschikking (artikel 5.3.2, eerste lid) hetantwoord op vraag 589.De leden van de D66-fractie onderschrijven de noodzaak van de moderni-seringsoperatie omtrent het Wetboek van Strafvordering. Zij hebben danook met veel belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel en debijbehorende stukken. Zij hebben over Boek 5 nog een aantal vragen.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van bovengenoemdwetsvoorstel. Zij hebben over Boek 5 nog een aantal vragen.De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Deze leden danken de regering voor hun inzet in ditmoderniseringsproces en waarderen de inspanningen die worden verrichtom dit proces in goede banen te leiden. Deze leden zien namelijk het grotebelang dat het Wetboek van Strafvordering wordt gemoderniseerd enoverzichtelijk wordt gemaakt, wat ten goede zal komen aan de rechtsbe-scherming en het verloop van het strafproces. Zij maken graag van degelegenheid gebruik om enkele vragen te stellen aan de regering over ditwetsvoorstel.(563) De leden van de CDA-fractie lezen dat er een nauw verband is tussenBoek 2 en Boek 5 van het Wetboek van Strafvordering waar het derechtsmiddelen rond de toepassing van bevoegdheden in de opsporingbetreft. Deze leden vragen aan de regering hoe wordt voorkomen dat meteen (kleine) wijziging door bijvoorbeeld technische ontwikkelingen inBoek 2 het stelsel in Boek 5 niet achterblijft en hoe de overzichtelijkheidvan beide boeken kan worden behouden.563. In Boek 2 wordt steeds aan het eind van een hoofdstuk duidelijkgemaakt of een rechtsmiddel kan worden aangewend tegen beslissingenover de uitoefening van opsporingsbevoegdheden (Hoofdstukken 5 tot enmet 9) of tegen een beslissing over onderzoek door de rechter-commissaris (Hoofdstuk 10). Het verband met Boek 5 is hierin gelegen datde eerste twee hoofdstukken van Boek 5 algemene bepalingen bevattenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11405 inzake rechtsmiddelen, waaronder de bepaling dat rechtsmiddelen alleenopenstaan in gevallen bij de wet bepaald (artikel 5.1.1) en bepalingen overhet instellen, intrekken of afstand doen van een rechtsmiddel. Als inBoek 2 een rechtsmiddel is opgenomen, zijn de algemene bepalingen vanBoek 5 daarop dus automatisch van toepassing. Wijzigingen in Boek 2zullen niet snel iets toe- of afdoen aan de algemene bepalingen vanBoek 5 of aan de relatie tussen beide boeken. Indien voorschriften overeen opsporingsbevoegdheid in Boek 2 wijzigen of een nieuwe opsporings-bevoegdheid wordt toegevoegd, zal ook worden bezien of en, zo ja, aanwie welk rechtsmiddel tegen een beslissing dienaangaande moet wordentoebedeeld. Dit krijgt zijn neerslag aan het slot van het desbetreffendehoofdstuk van Boek 2. Ook op dat nieuwe of gewijzigde rechtsmiddel zijnde algemene bepalingen van Boek 5 van toepassing. Met deze opzet is deinzichtelijkheid van de regeling van rechtsmiddelen binnen het opspo-ringsonderzoek verbeterd.De leden van de SP-fractie hebben het wetsvoorstel gelezen. Zij hebbenook de rapportage gelezen van het projectteam van de universiteiten overBoek 5 van het Wetboek van Strafvordering. Deze leden willen wederomhet projectteam en de rapporteurs hartelijk bedanken voor het werk dathierin is gestopt en de vragen die zij hebben opgesteld richting deregering. Zij hebben hier ditmaal geen aanvullende vragen bij.De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van hetwetsvoorstel en hebben hier nog enkele vragen over.II. ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 5 1. Algemene bepalingen (564) De leden van de VVD-fractie vragen aandacht voor de brief vanFonds Slachtofferhulp van 8 januari 2024, waarin zij een aantal voorstellendoen om rechtsmiddelen te introduceren zodat slachtofferrechten ookdaadwerkelijk in de praktijk beter worden gewaarborgd. Kan de regeringingaan op deze voorstellen en daarbij specifiek ingaan op de mogelijkeuitvoeringsconsequenties van bijvoorbeeld het introduceren van eenverplichting om een uitspraak uit te stellen of de zaak «open te breken» bijafwezigheid -zonder tegenbericht- van het slachtoffer tijdens zitting?Graag ontvangen de voornoemde leden een reactie van de regeringhierop.564. Zie het antwoord op de vragen 124 en 125.(565) De leden van de BBB-fractie constateren dat op pagina 11 van dememorie van toelichting is vermeld dat de mogelijkheid van herziening in2012 is verruimd. Op pagina 1250 van de memorie van toelichting isvermeld dat uit een evaluatieonderzoek over de doeltreffendheid van deverruiming en de gevolgen in de praktijk geen aanpassingen zijnvoortgevloeid die strekken tot aanpassing van de wetgeving. Diversedeskundigen hebben deze leden er echter op gewezen dat de verruimingvan de mogelijkheid van herziening ten voordele van de verdachte in depraktijk nauwelijks te merken is (geweest). Er wordt gepleit voor hetinstellen van een onafhankelijke cassatieraad, waarin ook externedeskundigen (diverse vakgebieden) kunnen deelnemen. Heeft de regeringhierover nagedacht?565. De Wet hervorming herziening ten voordele is in 2018 geëvalueerddoor onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam, in opdrachtvan het WODC (J.S. Nan e.a., Victa vincit veritas? Evaluatie Wethervorming herziening ten voordele, bijlage bij Kamerstukken II 2018/19,29 279, nr. 495). Als onderdeel van de evaluatie hebben de onderzoekerseen groot aantal deskundigen uit zowel de rechtspraktijk als de weten-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11406 schap geïnterviewd. Het evaluatierapport concludeert dat de herzienings-regeling per saldo ruimer is geworden en dat met de huidige regeling eengoede balans bestaat tussen aan de ene kant rechtsbescherming voordegene die meent ten onrechte te zijn veroordeeld, en aan de andere kantde rechtszekerheid die erbij gebaat is dat er op een gegeven moment eeneinde komt aan een strafzaak. Voor een substantiële wijziging van deherzieningsprocedure ten voordele, bijvoorbeeld door – zo wordt desuggestie in de vraagstelling dezerzijds begrepen – de instelling van eenonafhankelijke revisieraad, is dan ook geen aanleiding, omdat debestaande herzieningsregeling ruime, in de evaluatie als toereikendbevonden, mogelijkheden biedt voor het verrichten van extern deskundi-genonderzoek (zie ook Kamerstukken II 2019/20, 29 279, nr. 582).2. Het instellen en indienen, intrekken en afstand doen van gewonerechtsmiddelen 2.1 Instellen en indienen (566) De rapporteurs vragen of de regering nader kan toelichten hoe dealgemene maatregel van bestuur (AMvB) die de wijze van aanbrengenvan rechtsmiddelen gaat uitwerken de samenhang, stelselmatigheid,overzichtelijkheid en toegankelijkheid van het Wetboek van Strafvorderingzal waarborgen.566. Bij de ontwikkeling van het nieuwe wetboek is veel aandacht besteedaan de vraag welke regels op het niveau van de formele wet behoren teworden vastgesteld en welke regels kunnen worden opgenomen in eenalgemene maatregel van bestuur. Een optimale balans in de verdelingtussen de wettelijke regeling en daaronder hangende lagere regelgevingdraagt bij aan de inzichtelijkheid van de regels als geheel. Bij lezing van dewet krijgt men inzicht in de voornaamste duurzame normen, zonder dathet zicht daarop wordt verminderd door gedetailleerde uitwerkingen in dewet zelf. Zie hierover nader het antwoord op vraag 10.Het instellen van rechtsmiddelen is overzichtelijk in het nieuwe wetboek(Boek 5, Titel 2.1) geregeld, waarbij de wijze van elektronische indieningvan rechtsmiddelen bij algemene maatregel van bestuur kan wordenuitgewerkt. Dit is in lijn met de keuze in Boek 1, Hoofdstuk 9, waarin deoverdracht van berichten en stukken langs elektronische weg overzich-telijk zijn geregeld, met een mogelijkheid om bij algemene maatregel vanbestuur regels te stellen over onder meer de wijze van elektronischeoverdracht van berichten en stukken. Op deze manier zijn de stelselma-tigheid, de overzichtelijkheid en toegankelijkheid van het nieuwe wetboekop het punt van elektronische overdracht en het elektronisch instellen vanrechtsmiddelen gewaarborgd.(567) De rapporteurs vragen waarom de regering ervoor heeft gekozenom een regeling die verplicht tot gebruikmaking van een elektronischevoorziening voor de indiening van een rechtsmiddel via de elektronischeweg niet in het Wetboek zelf neer te leggen.567. In het nieuwe wetboek is voor de overdracht van berichten en hetindienen van stukken langs elektronische weg een belangrijke plaatsingeruimd. De uitgangspunten daarvoor zijn neergelegd in Boek 1,Hoofdstuk 9. Het instellen van rechtsmiddelen is geregeld in artikel 5.2.2.Een rechtsmiddel kan worden ingesteld langs elektronische weg, via depost of door mededeling. Burgers hebben dus verschillende mogelijk-heden om een rechtsmiddel in te stellen. Voor officieren van justitie,advocaten-generaal en advocaten geldt evenwel dat zij een rechtsmiddelalleen kunnen instellen langs elektronische weg om te verduidelijken datdeze professionele procesdeelnemers dus geen gebruik kunnen makenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11407 van hierboven genoemde overige mogelijkheden om een rechtsmiddel inte stellen.Het nieuwe wetboek schrijft niet voor op welke wijze het instellen ofindienen van een rechtsmiddel langs elektronische weg kan plaatsvinden.Artikel 5.2.2 bepaalt in dit verband dat het instellen of indienen van eenrechtsmiddel langs elektronische weg plaatsvindt op bij algemenemaatregel van bestuur bepaalde wijze. Het is de bedoeling dat hetgebruikmaken van een daartoe aangewezen elektronische voorziening(zoals gedefinieerd in artikel 1.1.11) hierbij een belangrijke rol zal spelen,maar het nieuwe wetboek laat andere mogelijkheden open om langselektronische weg een rechtsmiddel in te stellen of in te dienen. In dehuidige praktijk is het instellen van gewone rechtsmiddelen door middelvan een (bijzondere volmacht in een bijlage bij een) e-mail mogelijk, zo isin de rechtspraak aanvaard (o.a. ECLI:NL:HR:2022:909). Het is in ditstadium nog onvoldoende duidelijk of aan deze wijze van het langselektronische weg instellen van rechtsmiddelen bij het in werking tredenvan het wetboek nog behoefte bestaat. Desgewenst kunnen de bijalgemene maatregel van bestuur te stellen nadere regels daarin voorzien.De hier gemaakte keuze is in lijn met de uitgangspunten voor elektro-nische overdracht van berichten en stukken in Boek 1, Hoofdstuk 9. Inartikel 1.9.9 is daarover bepaald dat bij algemene maatregel van bestuurhierover regels moeten worden gesteld en dat deze regels kunneninhouden dat bij een verplichting tot elektronische overdracht van deelektronische voorziening gebruik moet worden gemaakt.(568) De rapporteurs vragen of een termijnoverschrijding verontschul-digbaar zou moeten zijn, als de indiener van een rechtsmiddel aanne-melijk maakt dat een storing in de elektronische voorziening hem heeftbelet om via elektronische weg tijdig een rechtsmiddel in te dienen. Indiende regering vindt dat een dergelijke termijnoverschrijding voor rekeningvan de indiener komt, vragen de rapporteurs om dit nader toe te lichten.568. De tijdige binnenkomst van een langs elektronische weg ingesteldrechtsmiddel is in beginsel de verantwoordelijkheid van de persoon diehet rechtsmiddel instelt. Het is dus verstandig om niet met het instellenvan het rechtsmiddel te wachten totdat de termijn bijna is verstreken. Aandegene die het rechtsmiddel langs elektronische weg instelt of indientwordt een bevestiging verzonden (artikel 5.2.4, vierde lid). Bij gebruik-making van een elektronische voorziening zal ook in zo’n bevestiging zijnvoorzien. Mocht evenwel sprake zijn van een storing in de elektronischevoorziening waardoor het instellen van het rechtsmiddel niet mogelijk isof te laat gebeurt, dan kan overschrijding van de termijn verontschul-digbaar zijn. Een rechtsmiddel dat niet tijdig is ingesteld is ontvankelijk,indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de desbetreffendeprocespartij in verzuim is geweest (artikel 5.1.3, tweede lid). In dit verbandkan worden gemeld dat het huidige Besluit digitale stukken Strafvorderingaan de elektronische voorziening de eis stelt dat is na te gaan op welktijdstip het rechtsmiddel in de elektronische voorziening is ingesteld endat is na te gaan op welk moment zich in de voorziening een storingvoordoet of heeft voorgedaan. Het besluit kent verder een bepaling inzakede situatie van het niet functioneren van de voorziening. Deze bepalinghoudt in dat een termijnoverschrijding verontschuldigbaar is indien op delaatste dag van een voor de indiener geldende termijn een niet aan deindiener toerekenbare verstoring plaatsvindt van de toegang tot of dewerking van de elektronische voorziening. De indiener moet dan wel hetrechtsmiddel (opnieuw) instellen op de eerstvolgende dag na de dagwaarop de indiener ermee bekend had kunnen zijn dat de verstoring isverholpen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11408 Een dergelijke bepaling zal ook in een nieuwe algemene maatregel vanbestuur onder het nieuwe wetboek worden opgenomen.(569) De leden van de GL-PvdA-fractie lezen dat in het nieuwe Wetboek inhet verband van de voorgenomen verdere digitalisering van het straf-proces het indienen en instellen van rechtsmiddelen via de elektronischeweg mogelijk wordt. Begrijpen deze leden het goed dat degene die eendergelijk rechtsmiddel wil inroepen zelf verantwoordelijk wordt gehoudenvoor de tijdigheid van het indienen? En dat mogelijk storingen in dedigitale voorziening waarvan gebruik wordt gemaakt voor rekening vandie appellant komen? Kan bijvoorbeeld een storing in een e-mailsysteemdie buiten de verantwoordelijkheid van de indiener ligt of zelfs aan dezijde van het OM zelf ligt, ertoe leiden dat dat ten koste van de indienergaat, namelijk in de zin dat dat rechtsmiddel dan niet meer aangewendzou kunnen worden?569. Zie het antwoord op vraag 568 waar het gaat om de verantwoorde-lijkheid van het tijdig indienen van een rechtsmiddel en eventueleverstoringen in de elektronische voorziening.In het geval dat een rechtsmiddel wordt ingesteld of ingediend doormiddel van e-mail, zoals in het antwoord op vraag 567 beschreven, wordthiervan een ontvangstbevestiging verzonden (artikel 5.2.4, vierde lid).Indien een dergelijke ontvangstbevestiging niet wordt ontvangen, is ervoor degene die het rechtsmiddel instelt aanleiding om na te gaan of dee-mail wel is verzonden en ontvangen en zo nodig contact op te nemenmet de beoogde ontvanger. Indien sprake is van een niet aan de indienertoerekenbare verstoring kan een termijnoverschrijding verontschuldigbaarzijn. Zoals blijkt uit de jurisprudentie doen zich ook in de huidige rechts-praktijk gevallen voor waarin moet worden getoetst of het te laat instellenvan een rechtsmiddel verontschuldigbaar was (ECLI:NL:HR:2014:231).(570) Wat wordt verstaan onder een «tijdige binnenkomst van het berichtdat het in beginsel de verantwoordelijkheid is van de persoon die hetrechtsmiddel instelt of indient»?570. Zie de antwoorden op de vragen 568 en 569.(571) Wat als die persoon wel ruim op tijd een bericht verstuurt, maar datdat buiten de bij hem gelegen schuld toch te laat aankomt? Deelt deregering de mening dat het in dergelijke gevallen onredelijk zou zijnindien als gevolg daarvan een rechtsmiddel niet meer ingeroepen zoukunnen worden? Zo ja, waarom en hoe gaat de regering er alsnog voorzorgen dat deze verantwoordelijkheid niet geheel bij de persoon die hetrechtsmiddel wil gebruiken wordt neergelegd?571. Indien sprake is van een niet aan de indiener toerekenbare verstoringkan een termijnoverschrijding verontschuldigbaar (en het rechtsmiddeldus ontvankelijk) zijn. Aan degene die het rechtsmiddel langs elektro-nische weg instelt of indient wordt een bevestiging verzonden(artikel 5.2.4, vierde lid). Bij gebruikmaking van een elektronischevoorziening zal ook in zo’n bevestiging zijn voorzien. Als ruim op tijd eenrechtsmiddel wordt ingesteld, vormt het uitblijven van een bevestigingeen signaal dat er iets niet goed is gegaan en kan navraag worden gedaanof kan nogmaals tot instellen worden overgegaan. Zie ook het antwoordop vraag 568.(572) De leden van de GL-PvdA-fractie lezen dat bij AMvB nader uitge-werkt gaat worden welke elektronische wegen er opengesteld gaanworden. Zij begrijpen de wens van de regering om een dergelijke bepalingin de wet zoveel als mogelijk techniek-onafhankelijk te formuleren, maartoch zouden zij nu alvast inzicht willen krijgen in welke wegen de regeringbij de huidige stand van de techniek denkt. Dit achten deze leden metname van belang aangezien ook burgers, die zelf een rechtsmiddel willenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11409 inroepen dat via een elektronische weg mogen blijven doen. Hoelaagdrempelig wordt die weg?572. Voor het instellen of indienen van een rechtsmiddel langs elektro-nische weg wordt verwezen naar het antwoord op vraag 567. Voor watbetreft de elektronische overdracht van berichten en stukken door deburger aan de strafrechtelijke instanties en omgekeerd kan daaraan hetvolgende worden toegevoegd. In de huidige praktijk is de voor elektro-nische overdracht gebruikte elektronische voorziening een webportaal dateen betrokkene op beveiligde wijze en na identificatie toegang geeft totwebsites, webapplicaties en andere webvoorzieningen waarmee deze eenbericht of aangifte via het internet ter kennis kan brengen van debevoegde instantie dan wel waarmee hij in staat wordt gesteld berichtente ontvangen of kennis te nemen van stukken. De elektronischevoorziening faciliteert daarmee dus de elektronische overdracht vanberichten of stukken door de betrokkene aan de bevoegde instanties enook de overdracht van berichten of stukken door de bevoegde instantiesaan de betrokkene. Het webportaal wordt ingericht op basis van eengemeenschappelijk portaalbeleid van de bevoegde instanties met het oogop het gebruikersgemak van de betrokkenen.Als elektronische voorzieningen voor de strafrechtspraktijk zijn op grondvan het Besluit digitale stukken Strafvordering op dit moment aange-wezen: mijn overheid, het webportaal van de Hoge Raad der Nederlanden,het advocatenportaal / mijn strafdossier van de Raad voor de rechtspraaken het digitale aangiftesysteem van de politie. Digitaal procederen incassatiezaken (inclusief prejudiciële vragen) is sinds 1 januari 2023verplicht in alle strafzaken. Uitwisseling van processtukken vindt danplaats via het webportaal van de Hoge Raad.De huidige elektronische voorzieningen voor verdachten, advocaten enslachtoffers (zie terzake ook het antwoord op de vragen 107 en 130) zullenblijven bestaan. De komende jaren wordt bezien op welke wijze demogelijkheden die deze bieden kunnen worden uitgebreid en hetgebruiksgemak kan worden verbeterd. Zoals in het antwoord op vraag 130is aangegeven kunnen bijvoorbeeld op middellange termijn – ook vóórinwerkingtreding van het nieuwe wetboek – documenten via het slachtof-ferportaal worden geraadpleegd en worden de mogelijkheden voorinteractietussen slachtoffers en deelnemende ketenorganisaties uitge-breid. Ook wordt gewerkt aan een informatieportaal voor gedetineerden.Het belang van goed werkende informatievoorziening aan deelnemersaan het strafproces is onderdeel van de Meerjarenvisie digitalisering vande strafrechtketen. De ontwikkeling van die informatievoorziening is deelsnog onderwerp van architectuurontwikkeling. Bij het opstellen van dealgemene maatregel van bestuur die de wijze van instellen van eenrechtsmiddel langs elektronische weg regelt, zal ook aandacht wordenbesteed aan de gebruiksvriendelijkheid en laagdrempeligheid.Digitale inclusie is het uitgangspunt bij de digitalisering van de overheid.De overheid wil dat iedereen ook digitaal mee kan blijven doen in onzesamenleving. De digitale diensten van de overheid worden daarom zoingericht dat deze voor iedereen toegankelijk en begrijpelijk zijn.Bovendien wordt gewerkt aan het vergroten van de digitale vaardighedenvan mensen. Voor mensen die ondanks beschikbare ondersteuning niet instaat zijn gebruik te maken van digitale voorzieningen van de overheid, ishet belangrijk dat daarvoor alternatieven openstaan, zoals demogelijkheid om een rechtsmiddel bijvoorbeeld via de post in te stellen(zie het antwoord op vraag 567).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11410 (573) Kan de regering verder inzicht bieden in de overblijvende mogelijk-heden voor burgers om ook via een niet-elektronische weg een rechts-middel te kunnen inroepen?573. Een rechtsmiddel kan behalve langs elektronische weg ook wordeningesteld door overdracht van een ondertekend bericht via de post of doormededeling dan wel, in geval van een bezwaarschrift, door afgifte bij degriffie. Zie verder het antwoord op vraag 567.(574) De leden van de GL-PvdA-fractie vragen hoe procespartijengeïnformeerd worden in het geval een andere procespartij een rechts-middel indient, instelt, intrekt of er afstand van doet. Deze leden kunnenzich voorstellen dat het bijvoorbeeld voor een slachtoffer of benadeeldepartij van belang is om te weten wat een andere procespartij in deze doet.574. Voor het instellen en indienen van rechtsmiddelen komt in hetnieuwe wetboek een centrale plaats toe aan het register waarin hetingestelde rechtsmiddel direct wordt vastgelegd. Ieder parket en elkegriffie moet een register bijhouden, waarin elk aangewend rechtsmiddeldirect wordt aangetekend, dus ongeacht de wijze waarop het rechtsmiddelis ingesteld (dat wil zeggen: ongeacht of het rechtsmiddel langs elektro-nische weg of bijvoorbeeld via de post is ingesteld, zie nader hetantwoord op vraag 573). Een dergelijk register bestaat ook nu al bij elkegriffie, maar in de huidige praktijk wordt eerst nog een akte van hetinstellen opgemaakt door de griffier, voordat het instellen van eenrechtsmiddel wordt vastgelegd in het register (het huidige artikel 451,vijfde lid). Nieuw ten opzichte van het huidige recht is dat de wetvoorschrijft welke gegevens in het register moeten worden vastgelegd(artikel 5.2.4, derde lid). Ook het intrekken of afstand doen van eenrechtsmiddel worden in het register vastgelegd (de artikelen 5.2.6, tweedelid, en 5.2.7, eerste lid).Aan het register voor rechtsmiddelen is een regeling inzake informatiever-schaffing gekoppeld (artikel 5.2.8). De griffie zorgt ervoor dat het openbaarministerie, procespartijen en slachtoffers langs elektronische weg kenniskunnen nemen van rechtsmiddelen die volgens het register zijn ingesteldof ingediend in hun zaak. Indien voor het instellen, intrekken of afstanddoen wordt gebruikmaakt van een daartoe aangewezen elektronischevoorziening (zie het antwoord op vraag 567), ligt het in de rede dat ook viade elektronische voorziening (zoals een webportaal, zie het antwoord opvraag 572) kan worden kennisgenomen van rechtsmiddelen die volgenshet register door andere procespartijen zijn ingesteld, ingediend ofingetrokken of waarvan afstand is gedaan. Als die mogelijkheid (nog) nietbestaat, stelt de griffie van het betreffende gerecht het openbaarministerie evenals procespartijen en slachtoffers die een elektronischadres hebben opgegeven dan wel door een raadsman of advocaat wordenbijgestaan, in kennis van het instellen, indienen, intrekken en afstand doenvan rechtsmiddelen voor zover dat in het register is vastgelegd. De wetbepaalt dat als een procespartij of het slachtoffer wordt bijgestaan dooreen raadsman of advocaat, een kennisgeving aan de raadsman ofadvocaat volstaat. Deze actieve informatieverplichting – die geldt zo langhet nog niet mogelijk is om langs elektronische weg kennis te nemen vande rechtsmiddelen in het register – is dus beperkt tot elektronischeberichtgeving. Dit bespaart niet alleen veel werk maar stimuleert ook hetdigitaal procederen, waartoe voor het openbaar ministerie en advocatenin algemene zin een verplichting geldt op basis van Boek 1, Hoofdstuk 9).Voor professionele procesdeelnemers geldt ook dat zij een rechtsmiddelalleen kunnen instellen langs elektronische weg (artikel 5.2.2, vijfde lid).Elke belanghebbende kan kennisnemen van wat bij het parket of de griffiein het register is vastgelegd over het instellen, indienen, intrekken enafstand doen van rechtsmiddelen. Daarmee is ook het huidige voorschriftTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11411 dat van ieder verzet tegen een strafbeschikking dadelijk aantekeningwordt gedaan in een daartoe bestemd register dat door belanghebbendenkan worden ingezien, in deze regeling opgenomen (huidige artikel 257e,zevende lid).Nadere regels over deze informatieverplichting worden gesteld bijalgemene maatregel van bestuur. Die regels kunnen beperkingeninhouden van de verplichting tot het in kennis stellen of deze verplichtingin plaats van bij het gerecht bij het openbaar ministerie neerleggen.Uit deze regeling spreekt de ambitie om te komen tot een hedendaagsedigitale procesvoering met adequate informatievoorziening langselektronische weg. Er wordt naar gestreefd een en ander voor deinwerkingtreding van het nieuwe wetboek te realiseren. In de memorievan toelichting bij Boek 1, Hoofdstuk 9, over de overdracht van berichtenen het indienen van stukken, is toegelicht dat bij de kennisgeving vanberichten aan burgers de overdracht langs elektronische weg vooropwordt gesteld. Procesdeelnemers kunnen een elektronisch adres opgevenvoor de overdracht van berichten in verband met een zaak. Als gebruikwordt gemaakt van een elektronische voorziening zal een notificatie aanhet elektronisch adres van de burger worden gezonden dat het bericht inde elektronische voorziening beschikbaar is (zie de toelichting bijartikel 1.1.11 en het antwoord op vraag 572). Ook kan gebruik wordengemaakt van een notificatiebericht van een door de betrokkene op demobiele telefoon geïnstalleerde applicatie zoals de berichtenbox-app (zienader de toelichting op artikel 1.9.5).Voor de verdachte en voor het slachtoffer gelden – los van het langselektronische weg kennis kunnen nemen van de rechtsmiddelen in hetregister en de informatieplicht die geldt zolang nog niet langs die weg vande rechtsmiddelen in dat register kan worden kennisgenomen – ookspecifiekere verplichtingen tot het actief informeren over rechtsmiddelen.Het openbaar ministerie moet de verdachte direct – door betekening –ervan kennisgeven indien de officier van justitie hoger beroep tegen heteindvonnis of de advocaat-generaal beroep in cassatie tegen heteindarrest instelt dan wel intrekt (artikel 5.2.9).Ook voor het slachtoffer geldt een actieve informatieverplichting. Tot derechten die het slachtoffer zijn toegekend in Boek 1, Hoofdstuk 5, behoorthet recht op zaaksgebonden informatie indien het slachtoffer te kennenheeft gegeven daarop prijs te stellen. In dat geval wordt hij door deofficier van justitie in kennis gesteld van het instellen van verzet, hogerberoep en beroep in cassatie in de zaak tegen de verdachte en van hetonherroepelijk worden van het eindvonnis of het eindarrest (artikel 1.5.4,eerste lid, onderdeel h, en tweede lid).(575) Deelt de regering de mening dat als een procespartij via deelektronische weg te kennen te geeft een rechtsmiddel te willen hanterenof daar juist van af te zien, er dan niet vanuit mag worden gegaan dat eenandere procespartij daar automatisch kennis van neemt? Zo ja, hoe wordteen dergelijke procespartij op de hoogte gesteld? Zo nee, waarom niet?575. Van het instellen, intrekken of afstand doen van een rechtsmiddeldoor de ene procespartij kan de andere procespartij kennisnemen via deelektronische voorziening indien voor het instellen, intrekken of afstanddoen van een dergelijke voorziening (zoals een webportaal) wordtgebruikgemaakt (zie het antwoord op de vragen 567 en 572). Als (nog) nietgebruik wordt gemaakt van een aangewezen elektronische voorziening,stelt de griffie van het betreffende gerecht het openbaar ministerieevenals procespartijen en slachtoffers die een elektronisch adres hebbenopgegeven dan wel door een raadsman of advocaat worden bijgestaan, inkennis van het instellen, indienen, intrekken en afstand doen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11412 rechtsmiddelen voor zover dat in het register is vastgelegd (zie ook hetantwoord op vraag 574).(576) Deelt de regering de mening dat niet-professionele procespartijenbehalve via de elektronische weg ook via een niet-elektronische weg zoalseen brief op de hoogte moeten worden gesteld? Zo ja, hoe gaat deregering hier gevolg aan geven? Zo nee, waarom niet?576. Zie het antwoord op vraag 574 hoe niet-professionele procesdeel-nemers – de verdachte en het slachtoffer – actief (moeten) wordengeïnformeerd over het instellen en intrekken van rechtsmiddelen, en doorwie.Bij de kennisgeving van berichten aan burgers wordt de overdracht langselektronische weg voorop gesteld. De ambitie is om toe te werken naardigitale procesvoering, waarbij burgers een elektronisch adres opgevenvoor de overdracht van berichten in verband met een zaak. In hetantwoord op vraag 574 is aangegeven dat de informatieverplichting overhet indienen, intrekken en afstand doen van rechtsmiddelen op grond vanartikel 5.2.8, eerste lid, beperkt is tot het verschaffen van informatie in eenregister waarvan langs elektronische weg kennis kan worden genomen.Indien nog niet langs die weg van de informatie in het register kanworden kennisgenomen vindt actieve kennisgeving door de griffie plaatshetzij aan de raadsman of advocaat van de verdachte, de benadeeldepartij of het slachtoffer, hetzij – in geval zij niet worden bijgestaan dooreen raadsman of advocaat – op hun elektronische adres. Er is in datlaatste geval dus niet voorzien in een terugvaloptie van informatievoor-ziening per post. Benadrukt moet worden dat deze regeling onverlet laatdat specifiekere verplichtingen gelden voor het actief informeren van deverdachte en het slachtoffer over het instellen van rechtsmiddelen.Kortheidshalve wordt verwezen naar (de laatste alinea van) het antwoordop vraag 574. Verdachten en slachtoffers die in plaats van een elektro-nisch adres een postadres hebben opgegeven (zie artikel 1.9.6, tweede envierde lid) worden in geval van toepasselijkheid van die specifiekereinformatieverplichtingen via dat adres over het instellen van rechtsmid-delen in kennis gesteld.Opgemerkt wordt ten slotte nog dat het, mocht dit in de vraagstelling zijnbedoeld, niet in de rede ligt erin te voorzien dat de burger steeds zowellangs elektronische weg als langs niet-elektronische weg wordt geïnfor-meerd.(577) De leden van de CDA-fractie lezen dat het de verwachting is dat insteeds meer gevallen gebruik zal worden gemaakt van het indienen vanrechtsmiddelen langs de elektronische weg, maar dat voor burgers dezeweg niet is voorgeschreven. Kan de regering dieper ingaan op demotivatie hiervan?577. Burgers kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om eenrechtsmiddel langs elektronische weg in te stellen, maar verplicht daartoezijn zij niet. Voor burgers staat ook de mogelijkheid van het instellen vaneen rechtsmiddel via de post of via een mededeling dan wel, in geval vaneen bezwaarschrift, door afgifte aan de griffie open. Voor burgers die omuiteenlopende redenen niet langs elektronische weg een rechtsmiddelkunnen of willen instellen is er dus geen verplichting om gebruik te makenvan de elektronische weg.Een verplichting tot digitaal procederen voor burgers is achterwegegebleven vanuit aandacht voor het doenvermogen van burgers in hetstrafproces. De regels voor de overdracht van berichten door de burger inhet nieuwe wetboek komen erop neer dat de burger met openbaarministerie en rechter kan communiceren op digitale en niet-digitale wijze.Indien de burger rechtsbijstand geniet, geldt een verplichting om via deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11413 elektronische weg te communiceren (artikel 1.9.4). Hiermee is eenevenwicht bereikt tussen enerzijds de wenselijkheid van digitale proces-voering en anderzijds een realiteit waarin niet elke burger die met hetstrafrecht te maken krijgt, verdachte of slachtoffer, even goed in staat istot elektronisch communiceren en procederen. Daarbij kunnen op devoorgestelde regeling bij algemene maatregel van bestuur nog uitzonde-ringen of aanpassingen worden gemaakt, ook op verplichtingen tot hetoverdragen van berichten en het indienen van stukken langs elektronischeweg (artikel 1.9.9). Die uitzonderingen kunnen ook specifieke categorieënburgers betreffen die rechtsbijstand genieten. Door deze mogelijkheid vanhet stellen van nadere regels is het mogelijk flexibel in te spelen opmaatschappelijke en digitale ontwikkelingen op dit punt.(578) De leden van de CDA-fractie vragen aan de regering op welkemanier geborgd is dat met nieuwe technologische ontwikkelingen deregeling rondom het elektronisch instellen, indienen en intrekken vanrechtsmiddelen op een snelle en effectieve manier gewijzigd kan worden,mocht dit aan de orde zijn.578. De mogelijkheden om in te spelen op nieuwe technologischeontwikkelingen zijn gewaarborgd doordat in het nieuwe wetboek eentechniekonafhankelijk formulering is gebruikt en doordat in artikel 5.2.2erin is voorzien dat het instellen van rechtsmiddelen langs elektronischeweg op bij algemene maatregel van bestuur bepaalde wijze gebeurt.Indien technologische ontwikkelingen daar aanleiding toe geven, kan dezealgemene maatregel van bestuur worden gewijzigd. Zie ook het antwoordop vraag 577.2.2 Intrekken en afstand doen (579) De rapporteurs vragen of de regering kan reflecteren op demogelijkheid om aan artikel 5.2.7 lid 2 toe te voegen dat de betrokkenrechter de verdachte erop wijst dat een gedane afstand niet kan wordenherroepen.579. Bij behandeling van de zaak door de enkelvoudige kamer wordt de(op de terechtzitting aanwezige) verdachte door de rechter erop gewezendat hij op de terechtzitting afstand kan doen van de bevoegdheid om eenrechtsmiddel in te stellen (artikel 5.2.7; huidige artikelen 381 en 397a). Deafstand van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen of in tedienen kan, zoals is bepaald in artikel 5.2.7, vierde lid, niet wordenherroepen. Daarom is van belang dat de verklaring van de verdachteweloverwogen is, dat wil zeggen: afgelegd op basis van voldoende enduidelijke informatie waar het om gaat. De suggestie om voor te schrijvendat de rechter de verdachte erop wijst dat een gedane afstand niet meerkan worden herroepen wordt overgenomen. Bij gelegenheid van de eersteaanvullingswet zal artikel 5.2.7, tweede lid, worden aangevuld met hetvoorschrift dat aan de verdachte, alvorens hij afstand doet, wordtmeegedeeld dat een gedane afstand niet kan worden herroepen.Dit voorschrift impliceert dat de politierechter, vooral wanneer deverdachte niet wordt bijgestaan door een raadsman, niet alleen aangeeftdat de afstand niet meer kan worden herroepen, maar ook aangeeft watde gevolgen zijn van het afstand doen van het rechtsmiddel, namelijk dathet vonnis onherroepelijk wordt en wat dat betekent. Hierbij zou tervoorkoming van misverstanden door de rechter kunnen worden uitgelegddat het voor de verdachte ook nog mogelijk is na de terechtzitting afstandte doen, zodat de verdachte niet het idee kan krijgen dat hij ofwel op deterechtzitting afstand moet doen ofwel de beroepstermijn moet afwachtenalvorens het vonnis onherroepelijk wordt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11414 Gaat de verdachte ondanks een afstandsverklaring toch in hoger beroep,dan zal hij daarin doorgaans niet-ontvankelijk worden verklaard. Dat ligtanders als er sprake is van bijzondere omstandigheden die de rechteraanleiding geven om te oordelen dat de afstand van het recht om in hogerberoep te gaan niet rechtsgeldig is gedaan (ECLI:NL:HR:1982:AC7716, NJ1983/220; ECLI:NL:HR:1998:ZD1045, NJ 1998/663;ECLI:NL:HR:2001:AB2060, NJ 2001/695; ECLI:NL:HR:2006:AU6775). Heeftde verdachte niet begrepen waar het om ging dan kan niet gezegd wordendat zijn verklaring betreffende de afstand in overeenstemming was metzijn wil en kan die verklaring niet worden aangemerkt als rechtsgeldig.Om dit te kunnen beoordelen is onder meer van belang dat uit hetproces-verbaal van de terechtzitting blijkt welke informatie de politie-rechter de verdachte heeft gegeven.(580) De leden van de VVD-fractie vragen naar een nadere motiveringvoor de keuze van de regering om het anoniem aanwenden van rechts-middelen onder zekere voorwaarden nog steeds mogelijk te maken. Kande regering nader inzichtelijk maken waarom wettelijk niet zou moetenworden voorgeschreven dat de identiteit van de verdachte altijd bekendzou moeten zijn? Het College van procureurs-generaal (hierna: hetCollege) kwam ook tot de conclusie dat enkel genoegen te nemen met eenzekere identificeerbaarheid onvoldoende onderbouwd is. Kan de regeringhierop reflecteren?580. Het eerste lid van artikel 5.2.4 bepaalt dat bij het instellen of indienenvan een rechtsmiddel onder meer dient te worden vermeld de naam vandegene die het rechtsmiddel aanwendt, dan wel andere gegevenswaarmee diens identiteit eenvoudig kan worden vastgesteld. Bij hetopgeven van de naam is het opgeven van de eerste letters van devoornamen met de achternaam voldoende. In het geval dat geen naamwordt opgegeven, kunnen andere gegevens worden vermeld waarmee deidentiteit van de verdachte eenvoudig kan worden vastgesteld.De ratio achter het openstellen van rechtsmiddelen is het bevorderen vanjuiste en aanvaardbare rechterlijke beslissingen na een herbeoordeling enhet bevorderen van rechtseenheid. (B.F. Keulen en G. Knigge, Strafproces-recht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 17.3.2). Dit geldt ook als hetzaken betreft waarin de verdachte zijn naam weigert te geven of waarinhet vaststellen van zijn naam niet (goed) mogelijk is, zoals soms het gevalis bij al dan niet illegaal hier verblijvende vreemdelingen. Het in eersteaanleg gewezen vonnis zal dan al een anonieme verdachte betreffen, datwil zeggen een verdachte waarvan de naam niet is vastgesteld.Het vaststellen van de identiteit is nodig bij het instellen van de vervolgingin eerste aanleg en vindt mede plaats met het oog op het kunnentenuitvoerleggen van straffen en maatregelen en om persoonsverwis-seling en identiteitsfraude te voorkomen (Kamerstukken II 2007/08, 31 436,nr. 3, p. 1). In de strafvorderlijke praktijk wordt daartoe tegenwoordiggebruik gemaakt van het strafrechtketennummer. Dit betreft een unieknummer dat wordt gekoppeld aan een identiteit. Het is een set vangegevens met, in het ideale geval, zowel administratieve als biometrischegegevens (foto- en vingerafdrukken). De administratieve gegevensworden aangevuld met gegevens over hoe de identificatie heeft plaatsge-vonden, zoals documentgegevens. Verder zijn foto’s en aliassen teraadplegen en worden in de loop van de tijd meerdere frontale foto’sopgeslagen van de justitiabele (als een persoon vaker met justitie inaanraking komt). De databank waarin alle strafrechtketennummers en dehierbij behorende gegevens worden opgeslagen, heet de strafrechtketen-databank (SKDB). De identiteit van een aangehouden verdachte, bijvoor-beeld een vreemdeling of een demonstrant die weigert zijn personalia tegeven, kan dan worden vastgesteld aan de hand van aan het strafrechtke-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11415 tennummer gekoppelde foto’s en vingerafdrukken. Door middel van hetstrafrechtketennummer kan ook in het geval dat de verdachte geen of eenonjuiste naam opgeeft, een veroordeling tot stand komen die aan dezeverdachte wordt gekoppeld.Een andere in de praktijk gebruikte methode om de identiteit van eenverdachte vast te stellen betreft het gebruik van een codenummer dooreen opsporingsambtenaar die verdachte is. Ook hier is geen sprake vaneen volledig anonieme verdachte, maar van een verdachte die voor politieen justitie voldoende identificeerbaar is. Onder die voorwaarde is hetonder een codenummer aanwenden van een rechtsmiddel aanvaardbaar(ECLI:NL:HR:2019:660, r.o. 2.3; vgl. ECLI:NL:HR:2021:211 waarin eveneenseen rechtsmiddel door een verdachte die opsporingsambtenaar was,onder codenummer werd ingediend).De voorgestelde regeling in artikel 5.2.4 is hiermee toekomstbestendig. Bijhet aanwenden van een rechtsmiddel is het toereikend als anderegegevens dan de naam worden vermeld waarmee iemands identiteiteenvoudig kan worden vastgesteld, bijvoorbeeld vermelding van hetstrafrechtketennummer. Daarmee is de identiteit van de verdachtebekend, ook als de (exacte) naam onbekend blijft. Er is in dit opzicht geensprake van het (geheel) anoniem aanwenden van een rechtsmiddel.Hiermee wordt frauduleus handelen, zoals het opgeven van een valsenaam, waarvoor het OM in zijn consultatieadvies bij Boek 5 (p. 4) heeftaangegeven te vrezen, juist voorkomen. In het geval geen naam wordtopgegeven, moeten andere gegevens worden vermeld waarmee deidentiteit van de verdachte eenvoudig kan worden vastgesteld en kanworden vastgesteld dat het om dezelfde persoon gaat als degene ten lastevan wie de rechterlijke beslissing is gewezen waartegen het rechtsmiddelwordt ingesteld.(581) De leden van de VVD-fractie vragen hoe en op welk moment nainwerkingtreding van het nieuwe Wetboek een verdachte moet vernemendat het OM hoger beroep of cassatie instelt. Is daar nog steeds een vastmoment voor? Deze vragen of de regering het wenselijk acht dat binnenenkele dagen na de beslissing om in hoger beroep te gaan vanuit de zijdevan het OM een bericht naar de verdachte uitgaat. Zo ja, hoe is dat in hetvoorliggende wetsvoorstel verankerd? Ook vragen zij wie hiervoor binnenhet OM verantwoordelijk is; het Landelijk Parket of de lokale parketten?581. Het openbaar ministerie stelt de verdachte direct ervan in kennisindien de officier van justitie hoger beroep tegen het eindvonnis of deadvocaat-generaal beroep in cassatie tegen het eindarrest instelt dan welintrekt; deze kennisgeving moet aan de verdachte worden betekend(artikel 5.2.9). Het parket waarbij de officier van justitie is aangesteldrespectievelijk het ressortsparket, draagt zorg voor de kennisgeving.(582) In aanvulling op de opmerkingen van de rapporteurs zouden deleden van de GL-PvdA-fractie willen wijzen op het belang dat eenverdachte niet al te gemakkelijk afstand doet van het recht om eenrechtsmiddel in te stellen. Zeker in het geval er geen advocaat bij de zaakbij een enkelvoudige kamer aanwezig is, bestaat het risico dat eenverdachte al te lichtzinnig afstand zou kunnen doen van het recht ophoger beroep. Deelt de regering deze vrees? Zo ja, hoe gaat de regeringzorgen dat een dergelijke verdachte doordrongen raakt van wat degevolgen kunnen zijn van het afstand doen van het recht op hogerberoep? Zo nee, waarom niet?582. Zie het antwoord op vraag 579.(583) Acht de regering het wenselijk dat het nog op de zitting in eersteaanleg afstand doen op het recht op hoger beroep of een ander rechts-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11416 middel alleen mogelijk zou moeten zijn indien de verdachte bijgestaanwordt door een advocaat?583. De mogelijkheid om op de terechtzitting van de enkelvoudige kamerafstand te doen van de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen(artikel 5.2.7; de huidige artikelen 381 en 397a) bestaat sinds de invoeringvan het huidige wetboek en is destijds opgenomen om de rechtsplegingte vereenvoudigen en te bespoedigen. De voor de aanwending van hetrechtsmiddel in acht te nemen termijn wordt uitgespaard en het vonniswordt dadelijk onherroepelijk en voor tenuitvoerlegging vatbaar. Dit kanvoordelen hebben voor de verdachte bij een voor hem gunstige uitspraak,zeker als ook de officier van justitie gebruik maakt van de mogelijkheidafstand te doen van het instellen van een rechtsmiddel, of bij een voorhem ongunstige uitspraak waarbij hij zich niettemin wenst neer te leggen(A.J. Blok en L. Ch. Besier, Het Nederlandsche strafproces, Haarlem:H.D. Tjeenk Willink & Zoon 1925, deel II, p. 260). Deze praktijk functioneertsinds jaar en dag en er zijn geen signalen dat verdachten die niet vanrechtsbijstand zijn voorzien, waarvan dikwijls sprake is bij behandelingvan de zaak door de politierechter of de kantonrechter, hiervan hinder ofnadeel ondervinden.Zoals blijkt uit de jurisprudentie zal de rechter, indien de verdachte hogerberoep heeft ingesteld in weerwil van een afgelegde verklaring op deterechtzitting dat hij afstand doet van de bevoegdheid om een rechts-middel in te stellen, de verdachte niettemin ontvankelijk verklaren in hethoger beroep indien hij tot het oordeel komt dat sprake is van bijzondereomstandigheden, waaruit moet worden afgeleid dat de afstandsverklaringniet rechtsgeldig is gedaan, omdat de verdachte niet heeft begrepen watzijn afstandsverklaring inhield of zo’n verklaring niet heeft willen doen(ECLI:NL:HR:1982:AC7716, NJ 1983/220; ECLI:NL:HR:1998:ZD1045, NJ1998/663; ECLI:NL:HR:2001:AB2060, NJ 2001/695).In de eerste aanvullingswet is, naar aanleiding van een door de rappor-teurs in vraag 579 gedane suggestie, voorzien in aanvulling vanartikel 5.2.7, tweede lid, met het voorschrift dat aan de verdachte alvorenshij afstand doet wordt meegedeeld dat een gedane afstand niet kanworden herroepen (zie daarover het antwoord op vraag 579). Met dezeaanvulling is de mogelijkheid om bij enkelvoudige terechtzittingen afstandte doen van een rechtsmiddel voorzien van voldoende waarborgen. Ditvoorschrift impliceert dat de politierechter alert is indien de verdachte nietwordt bijgestaan door een raadsman en tekst en uitleg geeft over deimplicaties van de afstandsverklaring. In het licht van het gegeven dat bijbehandeling van de zaak door de politierechter of de kantonrechterverdachten dikwijls verschijnen zonder rechtsbijstand, voert het te ver omde nuttige mogelijkheid op de terechtzitting afstand te doen van hetinstellen van een rechtsmiddel voor te behouden aan verdachten die opdie terechtzitting van rechtsbijstand zijn voorzien.(584) De leden van de D66-fractie constateren dat in het voorgesteldeartikel 5.2.7 lid 4 de rechtspraak van de Hoge Raad is gecodificeerd, dieinhoudt dat het doen van afstand van de bevoegdheid om een rechts-middel in te stellen niet kan worden herroepen. Deze leden wijzen eropdat het doen van afstand van deze bevoegdheid grote gevolgen kanhebben. Moet volgens de regering van de rechter worden verwacht dataan de verdachte goed wordt uitgelegd wat het doen van afstand inhoudten dat dit niet kan worden herroepen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, ligt hetvolgens de regering in de rede om dit in de wettekst op te nemen?584. Zie het antwoord op vraag 579.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11417 2.3 Informatieverschaffing over ingestelde en ingediende gewonerechtsmiddelen (585) De leden van de NSC-fractie zijn van mening dat de regelinggrotendeels goed aansluit bij de oude regeling en deze bij de tijd brengt,onder andere door het aan te laten sluiten bij de digitale mogelijkheden.Deze leden vinden het goed dat professionele procesdeelnemers verplichtworden om digitaal proceshandelingen te verrichten in het kader vanBoek 5, waardoor de omslachtige huidige constructie waarbij aan eenmedewerker van de griffie een bijzondere volmacht wordt verleend voorhet indienen van een rechtsmiddel, verdwijnt. Belangrijk is ook dat dezeverplichting niet geldt voor burgers. Deze leden vragen wel waarom deregering ervoor kiest om de verplichting tot gebruikmaking van eenelektronische voorziening voor de indiening van een rechtsmiddel via deelektronische weg niet in het Wetboek zelf te regelen en vragen daar eentoelichting op.585. Regeling bij algemene maatregel van bestuur van de wijze waaroplangs elektronische weg een rechtsmiddel kan of moet worden ingesteld,biedt de mogelijkheid om de regeling te laten aansluiten bij de stand vande techniek en bij de wenselijkheid om op een voorgeschreven wijze vanindienen, eventueel voor bepaalde procesdeelnemers of processituaties,nog uitzonderingen of aanpassingen te maken, indien daartoe aanleidingbestaat. Ook biedt dit de mogelijkheid om in de regeling ook nadienflexibel aan nieuwe ontwikkelingen in de techniek aan te passen, indiendaartoe aanleiding bestaat. Zie verder het antwoord op vraag 567.(586) Met betrekking tot de tijdigheid van de indiening sluiten de ledenvan de NSC-fractie aan bij de in het rapport verwoorde vraag door deuniversiteiten of de termijnoverschrijding niet steeds verontschuldigbaarzou moeten zijn wanneer de indiener van een rechtsmiddel aannemelijkmaakt dat een storing in de elektronische voorziening hem heeft belet omvia de elektronische weg tijdig een rechtsmiddel in te dienen. Deelt deregering deze opvatting en zo niet, kan de regering dan toelichten waaromde termijnoverschrijding in dat geval toch voor rekening van de indienerkomt?586. Zie het antwoord op vraag 568.(587) De leden van de NSC-fractie vragen of de regering bereid zijn omaan artikel 5.2.7 lid 2 toe te voegen dat de rechter de verdachte erop wijstdat een gedane afstand niet meer kan worden herroepen?587. Zie het antwoord op vraag 579.3. Verzet tegen strafbeschikkingen 3.2 De behandeling van verzet (588) De rapporteurs hebben in het verslag over Boek 3 aan de ordegesteld dat in de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de nuwettelijk voorgestelde regeling «ruimte laat voor een eventuele bijstellingvan de voorwaarden waaronder niet-ontvankelijkverklaring in beeldkomt». De rapporteurs hebben in dat verslag gevraagd of dit betekent datde rechtspraak meer ruimte krijgt om de redelijkheid van de vervolgings-beslissing te toetsen dan thans het geval is. In dat verband vragen derapporteurs de regering nu hoe zij denkt over de mogelijkheid dat derechter ook in de verzetprocedure de ruimte heeft om de opportuniteit vande vervolgingsbeslissing van de officier van justitie (OvJ) te toetsen.588. In het antwoord op vraag 374 is uiteengezet dat en op welke wijze devervolgingsbeslissing van de officier van justitie – ook na invoering vanhet nieuwe wetboek – marginaal wordt getoetst door de zittingsrechter. Decentrale vraag voor de rechter is of de officier van justitie in het gegevenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11418 geval, gelet op alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnenbeslissen tot het instellen van vervolging. Na verzet tegen een strafbe-schikking brengt de officier van justitie de zaak door indiening van eenprocesinleiding ter berechting aan, tenzij hij de strafbeschikking naaraanleiding van het verzet intrekt. De zaak wordt daarna behandeld op dewijze die is geregeld in Boek 4 (artikel 5.3.5, derde lid). Er volgt dus eengewone berechting. Dat wil zeggen dat hetgeen in het antwoord op vraag374 is opgemerkt over de toetsing van de opportuniteit van de vervol-gingsbeslissing door de rechter eveneens geldt voor de berechting naverzet tegen een strafbeschikking. De wettelijke regeling laat dus ook in ditverband – met behoud van het uitgangspunt van marginale toetsing –ruimte voor een eventuele bijstelling van de in de rechtspraak bepaaldevoorwaarden waaronder de niet-ontvankelijkverklaring van de officier vanjustitie in de ingestelde vervolging in beeld komt, zij het dat het verstrek-kende rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid nog steeds tot uitzonderlijkegevallen beperkt moet blijven. Die toetsing krijgt wel een iets andereinkleuring doordat de vervolging in deze gevallen in eerste instantie isingesteld door het uitvaardigen van een strafbeschikking en pas na verzetdoor de verdachte daartegen door indiening van een procesinleiding terberechting is aangebracht. In dit verband zal de rechter dus beoordelen ofde officier van justitie in redelijkheid heeft kunnen beslissen tot hetinstellen van vervolging door het uitvaardigen van een strafbeschikking.(589) De rapporteurs vragen of het wenselijk is om ten aanzien vanartikel 5.3.2 lid 1 ook te bepalen dat de verdachte zich moet laten bijstaandoor een raadsman en dat hem moet worden medegedeeld dat hijonherroepelijk afstand doet van het recht om in verzet te gaan wanneer hijdirect beslist de strafbeschikking te voldoen. Dit zou aansluiten bij deeisen die in artikel 5.3.2 lid 2 worden gesteld. Ook zou het aansluiten bijhet staande beleid uit de Aanwijzing OM-afdoening van het College.589. Verzet tegen een strafbeschikking kan niet worden gedaan indien deverdachte afstand heeft gedaan van de bevoegdheid daartoe. Er kan opverschillende manieren afstand worden gedaan. Om te beginnen bevathet nieuwe wetboek een algemene regeling over het doen van afstandvan de bevoegdheid om een rechtsmiddel in te stellen (artikel 5.2.7). Dieregeling brengt voor wat betreft de bevoegdheid om verzet tegen eenstrafbeschikking aan te wenden, met zich dat van die bevoegdheid afstandkan worden gedaan op de wijze voorzien in de artikelen 5.2.1 tot en met5.2.4. Een daartoe specifiek gemachtigde advocaat kan bijvoorbeeld langselektronische weg afstand doen bij het parket dat in de strafbeschikkingwordt vermeld. In aanvulling op deze algemene regeling formuleertartikel 5.3.2 specifieke regels voor het afstand doen van de bevoegdheidom verzet tegen een strafbeschikking in te stellen. Het tweede lid vanartikel 5.3.2 schrijft voor dat deze afstand tegenover een opsporings-ambtenaar kan worden gedaan, indien de verdachte daarbij wordtbijgestaan door een raadsman en hem door die opsporingsambtenaarwordt medegedeeld dat een gedane afstand niet kan worden herroepen.De vraag ziet op het eerste lid van artikel 5.3.2, dat bepaalt dat deverdachte ook afstand kan doen van de bedoelde bevoegdheid doorvrijwillig aan de strafbeschikking te voldoen. In het huidige wetboek isdeze mogelijkheid al neergelegd in artikel 257e. Uit de omstandigheid dataan de strafbeschikking is voldaan, mag volgens de wetsgeschiedenis vanWet OM-afdoening over het algemeen worden afgeleid dat de verdachtezich daarbij neerlegt (Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 43). Detekst van de wet eist daarbij uitdrukkelijk dat de voldoening «vrijwillig»plaatsvindt. De aard van de taakstraf en de rijontzegging brengen mee dathet doen van afstand door middel van vrijwillige voldoening binnen deverzetstermijn niet goed voorstelbaar is. Waar dat wel mogelijk is,bijvoorbeeld bij geldboetes, dient de strafbeschikking duidelijk teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11419 vermelden dat het voldoen aan de strafbeschikking mede als rechtsgevolgheeft dat afstand wordt gedaan van het recht om verzet in te stellen. In detoelichting bij de strafbeschikking wordt in de praktijk daarom explicietvermeld dat een verdachte die verzet wil instellen, niet aan de strafbe-schikking moet voldoen. Daarbij komt dat de verdachte van een misdrijfdie zich in vrijheid bevindt en tegen wie een strafbeschikking wordtuitgevaardigd in de praktijk recht heeft op een kosteloos informatiefgesprek met een advocaat. Ook op dat recht wordt hij gewezen in destrafbeschikking of in een begeleidende brief daarbij. In het wetsvoorstelversterking rechtsbijstand in het strafproces, dat in januari 2024 in(internet)consultatie is gegeven, wordt deze praktijk van een wettelijkebasis voorzien. In gevallen waarin geen sprake is van directe voldoening,bijvoorbeeld wanneer de verdachte de strafbeschikking per post krijgttoegestuurd en vervolgens besluit deze te betalen, is de vrijwilligheid vande afstand op deze wijze voldoende gewaarborgd.Daarnaast bepaalt de Aanwijzing OM-strafbeschikking (Stcrt. 2022, 9133)dat het «direct» voldoen van de bij een strafbeschikking opgelegde sanctiealleen mogelijk is na adequate rechtsbijstand. Deze aanwijzing formuleertvoor dergelijke gevallen dus een aanvullende waarborg die in de praktijkdaadwerkelijk moet worden nageleefd. Als gevolg daarvan wordt deverdachte in situaties waarin hij in de gelegenheid wordt gesteld om degeldboete direct te betalen ook door zijn raadsman voorgelicht over derechtsgevolgen daarvan voor het doen van verzet.In samenhang bezien voorzien wet en beleid er kortom in dat deverdachte in alle gevallen op de hoogte wordt gesteld van de conse-quenties die zijn verbonden aan het vrijwillig voldoen aan de strafbe-schikking. In het belang van de rechtszekerheid en in lijn met de door derapporteurs gestelde vraag zullen de in de praktijk al geldendewaarborgen ten aanzien van rechtsbijstand en voorlichting bij vrijwilligevoldoening in de – in consultatie gegeven – eerste aanvullingswet alsnogexpliciet worden vastgelegd in artikel 5.3.2, eerste lid. In het voorstel voorde eerste aanvullingswet wordt voorgesteld de regeling van de buitenge-rechtelijke afdoening te verbeteren; expliciete vastlegging van debedoelde waarborgen sluit daarbij aan.(590) De rapporteurs vragen of het op basis van art. 5.3.2 voldoendeduidelijk is dat het doen van afstand van het recht om verzet in te stellenvrijwillig en ondubbelzinnig moet geschieden?590. Het afstand doen van fundamentele rechten is alleen mogelijk alsdaarbij sprake is van een vrijwillig genomen besluit dat ondubbelzinnigkenbaar wordt gemaakt. Door afstand te doen van de bevoegdheid omverzet in te stellen, doet de verdachte feitelijk afstand van zijn funda-mentele recht op berechting door de rechter (artikel 6 EVRM; artikel 17Grondwet). Uit Europese en Nederlandse jurisprudentie vloeit voort datook deze afstand vrijwillig en ondubbelzinnig moet worden gedaan. Datdeze eisen in artikel 5.3.2, eerste en tweede lid, niet met zoveel woordenzijn vermeld kan daaraan niet afdoen. De voorwaarden die in wet enbeleid aan het doen van afstand van verzet tegen de strafbeschikking zijnverbonden, zoals het informeren van de verdachte over de consequentiesdaarvan en – in bepaalde gevallen – de bijstand door een raadsman, zijnerop gericht dat die vrijwilligheid en ondubbelzinnigheid in de praktijk ookdaadwerkelijk zijn gewaarborgd. Deze voorwaarden en waarborgen zijnbeschreven in het antwoord op vraag 589.(591) De rapporteurs vragen of de regering heeft overwogen om inartikel 5.3.2 lid 2 op te nemen dat het afstand doen van het recht opinstellen van verzet ook kan worden gedaan ten overstaan van de OvJ (enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11420 dientengevolge ook ten overstaan van gemandateerde parketsecreta-rissen)? Wat zijn van deze mogelijkheid de voor- en nadelen?591. De verdachte kan tegenover een opsporingsambtenaar afstand doenvan de bevoegdheid om verzet in te stellen (artikel 5.3.2, tweede lid). Deofficier van justitie is een opsporingsambtenaar (artikel 1.3.10, onderdeela). In de praktijk worden het uitvaardigen van de strafbeschikking en hetdaaraan voorafgaand horen van de verdachte vaak gemandateerd aan eenparketsecretaris. Uit dit samenstel van bepalingen volgt dat ook afstandkan worden gedaan van het recht op het instellen van verzet ten overstaanvan de officier van justitie of een parketsecretaris. Dat ligt ook in de rede,nu dit de functionarissen zijn die de strafbeschikking uitvaardigen en deverdachte voorafgaand daaraan horen. Juist in de gevallen waarin deverdachte moet worden gehoord, en op grond van artikel 3.3.4 al voorzienis (of kan zijn) van rechtsbijstand, kan deze wijze van afstand doen vanbetekenis zijn. De waarborgen waarin artikel 5.3.2, tweede lid, voorzietdienen in deze situatie uiteraard onverkort van toepassing te zijn. In de– in consultatie gegeven – eerste aanvullingswet zal alsnog in de tekst vanartikel 5.3.2, tweede lid, worden verduidelijkt dat dit artikellid mede ziet opgevallen waarin tegenover de officier van justitie (dan wel een gemanda-teerde parketsecretaris) afstand wordt gedaan van de bevoegdheid omverzet in te stellen. In samenhang bezien met de in het antwoord op vraag589 bedoelde vastlegging van waarborgen rondom vrijwillige voldoeningaan de strafbeschikking verschaft de wet dan een completer en daarmeehelderder beeld van de specifieke eisen die gelden voor de verschillendemanieren waarop van de bevoegdheid tot het doen van verzet afstand kanworden gedaan.(592) In het verleden hebben de leden van de GL-PvdA-fractie zich alzorgen gemaakt over het feit dat als verdachten meteen een strafbe-schikking betaalden, zoals bij de zogenaamde «wasstraten» waarbijfestivalbezoekers met een paar xtc-pillen werden betrapt, zij daarmeeautomatisch hun recht op verzet verloren en daarmee bijvoorbeeld ookonbewust het risico namen dat zij daarna mogelijk geen VerklaringOmtrent Gedrag (VOG) meer zouden krijgen. Zoals bekend is deze praktijkinmiddels niet meer aan de orde. Dit is geregeld in een OM-aanwijzing.Waarom wordt niet in de wet vastgelegd dat alleen in het geval eenverdachte rechtsbijstand heeft, hij afstand van het recht op verzet kandoen? Of dat het betalen van een strafbeschikking niet meteen betekentdat daarmee afstand van het recht op verzet wordt gedaan? In dit verbandzouden de aan het woord zijnde leden willen wijzen op hetgeen degenoemde rapporteurs daarover opmerken, namelijk dat «Europese enNederlandse jurisprudentie bepaalt dat het afstand doen van funda-mentele rechten mogelijk is, maar dat daarbij sprake moet zijn van eenvrijwillig genomen besluit dat ondubbelzinnig kenbaar wordt gemaakt».592. Zie de antwoorden op de vragen 589 en 590. Daar is uiteengezet datde voorgestelde wettelijke regeling, in samenhang bezien met deAanwijzing OM-strafbeschikking (Stcrt. 2022, 9133), voorziet in adequatewaarborgen om ervoor te zorgen dat afstand van de bevoegdheid omverzet in te stellen tegen de strafbeschikking – in overeenstemming metEuropese en Nederlandse jurisprudentie – alleen vrijwillig en ondubbel-zinnig kan worden gedaan. In aanvulling daarop kan nog wordenopgemerkt dat het zonder rechtsbijstand doen van afstand door vrijwilligaan de strafbeschikking te voldoen (artikel 5.3.2, eerste lid) in de praktijkmet name aan de orde zal zijn als het gaat om geldboetes van ten hoogste€ 2.000. Als het gaat om zwaardere strafbeschikkingen wordt deverdachte voorafgaand aan het uitvaardigen van de strafbeschikkingimmers gehoord door de officier van justitie, waarbij de verdachte omtoevoeging van een raadsman kan verzoeken (artikel 3.3.4, eerste lid)respectievelijk door een raadsman wordt bijgestaan (artikel 3.3.4, tweedelid). In deze gevallen kan de raadsman de verdachte voorlichten over deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11421 consequenties die zijn verbonden aan de voldoening aan de strafbe-schikking. Dat de aanvullende waarborg van bijstand door een raadsmanalleen geldt in situaties waarin de verdachte tegenover een opsporings-ambtenaar afstand doet van zijn bevoegdheid om verzet in te stellen(artikel 5.3.2, tweede lid), of waarin sprake is van directe voldoening aande strafbeschikking (Aanwijzing OM-strafbeschikking), is bovendien ookom de volgende reden gerechtvaardigd. In deze situaties heeft deverdachte rechtstreeks contact met de opsporingsambtenaar en moet hijbinnen korte tijd beslissen over het (direct betalen en daarmee) doen vanafstand, zodat zich het risico kan voordoen dat aan die afstand geenweloverwogen beslissing ten grondslag ligt. Dat risico is niet aan de ordeals de strafbeschikking per post is toegezonden en de verdachte (inbeginsel twee weken) tijd en gelegenheid heeft om zorgvuldig af te wegenof en wanneer hij tot voldoening overgaat. Daarbij is van belang dat destrafbeschikking expliciet vermeldt dat een verdachte die verzet wilinstellen, niet aan de strafbeschikking moet voldoen. Ook heeft deverdachte van een misdrijf die zich in vrijheid bevindt en tegen wie eenstrafbeschikking wordt uitgevaardigd in de praktijk recht op een kosteloosinformatief gesprek met een advocaat (zie het antwoord op vraag 589).(593) De leden van de NSC-fractie vinden dat de gestaag uitdijendepraktijk waarbij door het OM strafzaken worden afgedaan met eenstrafbeschikking met een kritische blik dient te worden bezien. Zoals in deinleiding reeds opgemerkt, klemt dit zeker waar het gaat om de eisen diehierbij aan de verdachte worden gesteld en zijn rechten die in het gedingzijn. Toegang tot het recht en de rechter is een cruciale voorwaarde voorde rechtsstaat en daarbij is een belangrijk onderdeel van vertrouwen in derechtsstaat, dat de burger zijn recht kan halen. Deze leden vinden hetdaarom onaanvaardbaar dat burgers die een strafbeschikking afwijzendoor verzet in te stellen, dat binnen een korte termijn van 14 dagen dienente doen en vervolgens vaak veel te lang moeten wachten op een behan-deling van de zaak bij de rechtbank. Deze leden stellen daarom voor om inhet nieuwe Wetboek het thans voorgestelde onderscheid tussen zakenmet een verzettermijn van twee weken (artikel 5.3.1 lid 1) en zaken meteen verzettermijn van zes weken (artikel 5.3.1 lid 2) te laten vervallen ende termijn voor het indienen van een verzetschrift in alle gevallen tebepalen op zes weken.593. Toegang tot de onafhankelijke en onpartijdige rechter is inderdaadeen cruciale voorwaarde voor een eerlijk proces en voor het vertrouwen inde rechtsstaat (zie ook het antwoord op vraag 562). De verdachte heeftdaarom de mogelijkheid om verzet in te stellen tegen de strafbeschikkingen op die wijze de zaak alsnog aan de rechter voor te leggen. In hethuidige en in het nieuwe wetboek is de hoofdregel dat de verdachte ditverzet kan instellen binnen twee weken nadat een kopie van de strafbe-schikking in persoon aan hem is uitgereikt, dan wel zich een andereomstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de strafbe-schikking hem bekend is (artikel 5.3.1, eerste lid). Bij wijze van uitzon-dering geldt een termijn van zes weken na toezending als het gaat om eenstrafbeschikking waarin een geldboete van niet meer dan € 340 isopgelegd, wegens een overtreding die ten hoogste vier maanden voortoezending is gepleegd (artikel 5.3.1, tweede lid). Deze langere termijn zietalleen op gevallen waarin de strafbeschikking is toegezonden aan deverdachte, maar niet kan worden vastgesteld dat deze hem ook bereiktheeft. In dat laatste geval worden deze strafbeschikkingen dus na zesweken onherroepelijk. Dit rechtvaardigt dat in deze specifieke categoriegevallen – waarin het gaat om overtredingen en lage geldboetes, en omtoezending in plaats van uitreiking – een langere verzetstermijn vantoepassing is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11422 Bij de rechtsmiddelen hoger beroep en cassatie is de termijn waarbinnendeze moeten worden ingesteld eveneens op twee weken gesteld (deartikelen 5.4.2 en 5.5.4). Bij deze bestaande systematiek is ten aanzien vande strafbeschikking zoveel mogelijk aansluiting gezocht. Daarbij verdientopmerking dat een langere verzetstermijn niet per definitie gunstiger isvoor de verdachte, als de aanvang van die termijn niet afhankelijk is vande bekendheid met de strafbeschikking, zoals in artikel 5.3.1, tweede lid.Pas vanaf het moment dat de verdachte bekend is met de strafbe-schikking, is hij immers daadwerkelijk in de gelegenheid om zich teberaden of hij van de mogelijkheid van verzet gebruik wenst te maken. Erzijn geen signalen bekend dat de verzetstermijn, die zoals gezegdongewijzigd is overgenomen uit het huidige wetboek, in de praktijk totproblemen leidt. Uit de evaluatie van de Wet OM-afdoening is geblekendat de verzetstermijnen in de praktijk niet strikt worden gehandhaafd.Daarnaast is het dikwijls moeilijk om het moment vast te stellen waaropde verdachte bekend werd met de strafbeschikking (D. Abels, A.Benschop, T. Blom, J. Coster van Voorhout, D.J. Korf, N. Liebregts & K.Vriend, Evaluatie Wet OM-Afdoening, Amsterdam: Rozenberg Publishers2018, p. 234 en p. 251). Verzet dat niet tijdig is ingesteld is bovendien tochontvankelijk, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat deverdachte in verzuim is geweest (artikel 5.1.3, tweede lid). Al met al wordtgeen aanleiding gezien om de verzetstermijn in alle gevallen te bepalenop zes weken na toezending.(594) De leden van de NSC-fractie vinden het verder van wezenlijk belangdat een verzetschrift tegen een strafbeschikking zo snel mogelijk door derechter wordt behandeld. Het is een vooruitgang dat de Wet in artikel 5.3.5lid 1 voortaan bepaalt dat de OvJ de zaak zo spoedig mogelijk aanbrengtter berechting. Opmerkelijk is wel dat de memorie van toelichting geennadere toelichting geeft op deze toevoeging. De praktijk laat zien dat juistdeze zaken vaak erg lange doorlooptijden hebben. Dat vooruitzicht op eenlang tijdsverloop zal zeker ook effect hebben op de beslissing om al danniet af te zien van de gang naar de rechter. Kan de regering aangeven watde afgelopen vijf jaren de gemiddelde doorlooptijd was van verzetschrift-zaken tussen het moment van uitvaardigen van de strafbeschikking en hetmoment van behandeling ter zitting?594. Bij misdrijven bedraagt de gemiddelde doorlooptijd tussen deregistratie van het verzetschrift en de beslissing van de officier van justitieom de zaak voor de rechter te brengen 98 dagen. Na de oproeping voorde terechtzitting duurt het gemiddeld 57 dagen voordat de zaak daadwer-kelijk ter berechting op de terechtzitting kan worden behandeld.(595) Deelt de regering de zorgen van deze leden hieromtrent? Is deregering het met hen eens dat het vooruitzicht van langdurig moetenwachten op behandeling van de zaak bij de rechter, een reden kan zijn dieverdachte ervan kan weerhouden om verzet in te stellen? Zo nee waaromniet? Zo ja, hoe verhoudt zich dat met het vereiste van vrijwilligheid alsessentiële voorwaarde voor het doen van afstand?595. Vooropgesteld moet worden dat het ongewenst is als de verdachtena het instellen van verzet langdurig moeten wachten op de behandelingvan het verzet door de rechter. Het is niet ondenkbaar dat een verwachtelangdurige doorlooptijd in specifieke gevallen een rol kan spelen bij deafweging van de verdachte die het betreft om wel of geen verzet in testellen tegen een strafbeschikking, of dat verzet in te trekken. Dat wil nietzeggen dat in zo’n geval de keuzevrijheid van de verdachte daardoorzodanig wordt beperkt dat niet meer zou kunnen worden gesproken vanhet vrijwillig afzien van het instellen van verzet. Lange wachttijden doenmet andere woorden op zichzelf geen afbreuk aan de inderdaad essentiëlevoorwaarde van vrijwilligheid van het doen van afstand. Dat neemtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11423 uiteraard niet weg dat onverminderd wordt ingezet op het terugdringenvan doorlooptijden (zie verder het antwoord op vraag 596).(596) De leden van de NSC-fractie vinden het van belang om hetwetsvoorstel op dit punt verder aan te scherpen. De bepaling «zo spoedigmogelijk» geeft minder duidelijkheid en biedt daardoor minder zekerheiddan deze leden in het licht van hetgeen hiervoor is opgemerkt nodigachten. Zij stellen daarom voor om in artikel 5.3.5 lid 1 te bepalen datbinnen een termijn van drie maanden de zaak op zitting dient te wordenaangebracht. Graag vernemen de zij de visie van de regering hierop.596. De officier van justitie brengt de zaak zo spoedig mogelijk terberechting aan door het verzet in te dienen bij de rechtbank (artikel 5.3.5,eerste lid). De formulering van deze bepaling sluit aan bij de algemeneregel dat de officier van justitie die van oordeel is dat vervolging moetworden ingesteld, daartoe zo spoedig mogelijk overgaat (artikel 3.1.1,tweede lid). Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 595 wordenlange doorlooptijden – ook na het instellen van verzet – onwenselijkgeacht. Deze doorlooptijden worden echter in belangrijke mate veroor-zaakt door factoren die losstaan van de inhoud van de wettelijke regeling,zoals met name het gebrek aan beschikbare capaciteit. Het enkele stellenvan een wettelijke termijn zou dan ook niet leiden tot kortere wachttijden,zolang de onderliggende oorzaken blijven bestaan. Wettelijke termijnenkunnen bovendien verwachtingen wekken die in de praktijk mogelijk nietkunnen worden waargemaakt en daarmee aan eventuele frustratie overde lange doorlooptijd bij de procespartijen bijdragen.Daar zou het ongewenste neveneffect bij kunnen komen dat een strevenom de aanbrengtermijn voor de berechting te halen in zaken waarin eenstrafbeschikking is uitgevaardigd waartegen verzet is gedaan, bijparketten en rechtbanken met tekort aan capaciteit tot een noodzaak zouleiden om het ter berechting aanbrengen van zaken waarin geenstrafbeschikking is voorafgegaan, en waarvoor niet een aanbrengtermijnvan de berechting geldt, vooral in politierechterzaken betreffendeveelvoorkomende criminaliteit, minder prioriteit te geven.Om de genoemde redenen wordt het niet wenselijk geacht om inartikel 5.3.5, eerste lid, te bepalen dat de zaak binnen drie maanden bij derechter moet worden aangebracht. Indien de doorlooptijd in een concreetgeval dermate lang is dat de zaak niet binnen een redelijke termijn isberecht, kan de rechtbank een schadevergoeding toekennen(artikel 4.3.12).Om de doorlooptijden daadwerkelijk terug te dringen wordt onverminderdingezet op maatregelen om de capaciteitsproblematiek te verminderen. Inde afgelopen periode zijn extra financiële middelen vrijgemaakt voor hetversterken van de gehele justitiële keten, waarmee extra personeel kanworden aangetrokken en opgeleid. Dit zal naar verwachting bijdragen aanhet wegwerken van achterstanden (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 4,p. 14).(597) Met betrekking tot het afstand doen van het recht om verzet in testellen, vinden de leden van de NSC-fractie het positief dat in artikel 5.3.2lid 2 extra waarborgen worden toegevoegd in de gevallen waarin deverdachte, bijgestaan door een raadsman, schriftelijk afstand kan doen.Deze houden in dat de afstand van het recht om verzet in te stellen moetworden gedaan tegenover een opsporingsambtenaar, die de verdachte erbovendien op moet wijzen dat hij een gedane afstand niet kan herroepen.De verdachte die echter vrijwillig aan de strafbeschikking voldoet(bijvoorbeeld door deze te betalen) heeft die waarborgen niet aangeziendeze wijze van afstand doen vormvrij is. Kan de regering inzichtelijkmaken waarom bij het vrijwillig voldoen aan de strafbeschikking niet, enbij het schriftelijk afstand doen van het recht op toegang tot de rechter,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11424 wel waarborgen zijn opgenomen? Kan de regering in haar toelichtinghierop tevens betrekken dat in Europese en in Nederlandse jurisprudentieis bepaald dat bij het afstand doen van fundamentele rechten vereist isdat het gaat om een geheel vrijwillig genomen besluit dat bovendienondubbelzinnig kenbaar wordt gemaakt en waarbij de mate vanvoorlichting die aan de verdachte moet worden gegeven, ruimer moet zijnnaarmate de consequenties ingrijpender zijn?597. Zie de antwoorden op de vragen 589, 590 en 592. In aanvullingdaarop wordt opgemerkt dat de mogelijkheid om afstand te doen van debevoegdheid om verzet in te stellen door vrijwillig aan de strafbeschikkingte voldoen verenigbaar wordt geacht met de eisen die in Europese enNederlandse jurisprudentie worden gesteld. De eis van vrijwilligheid isexpliciet opgenomen in artikel 5.3.2, eerste lid. Dat de mate vanvoorlichting die aan de verdachte moet worden gegeven ruimer moet zijnnaarmate de consequenties ingrijpender zijn, biedt ruimte om dewaarborgen af te stemmen op de aard en hoogte van de in de strafbe-schikking opgelegde sanctie. Dat komt ook tot uitdrukking in de additi-onele waarborgen die de wet bevat als het gaat om zwaardere strafbe-schikkingen, waarbij de verdachte immers het recht heeft om gehoord teworden en daarbij te worden bijgestaan door een raadsman (zieartikel 3.3.4). In die gevallen kan ten overstaan van de officier van justitieafstand worden gedaan van de bevoegdheid om verzet in te stellen,waarbij alle waarborgen van artikel 5.3.2, tweede lid, van toepassing zijn.Het doen van afstand door vrijwillige voldoening is vooral aan de orde ingevallen waarin een strafbeschikking aan de verdachte wordt toege-zonden waarin een geldboete wordt opgelegd die niet meer beloopt dan€ 2.000. Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 592 zal de strafbe-schikking in deze gevallen expliciet moeten vermelden dat een verdachtedie verzet wil instellen, niet aan de strafbeschikking moet voldoen. Ookheeft de verdachte van een misdrijf in deze gevallen recht op eeninformatief gesprek met een advocaat (zie het antwoord op vraag 589). Indeze specifieke categorie gevallen, waarin de verdachte niet binnen kortetijd hoeft te beslissen over het doen van afstand, is daarmee voldoendegewaarborgd dat de verdachte adequaat wordt voorgelicht.(598) De leden van de NSC-fractie constateren dat met betrekking tot hetintrekken van een ingesteld verzet artikel 5.3.2 lid 3 bepaalt dat eengedaan verzet tot een week na betekening van de procesinleiding kanworden ingetrokken. Daarmee wordt het moment vervroegd ten opzichtevan de huidige regeling dat verzet uiterlijk tot de aanvang van hetonderzoek ter zitting kan worden ingetrokken. De gedachte daarbij zou zijndat hierdoor wordt tegengegaan dat, terwijl alle betrokkenen de zaakhebben voorbereid, de verdachte te elfder ure het verzet nog intrekt. Dezeleden zouden graag een toelichting op dit bedrijfsmatige argumentvernemen. Hoe verhoudt zich deze relatief korte termijn van een week totde praktijk van alledag en de belangen van de verdachte?598. Dat verzet kan worden ingetrokken tot een week nadat de procesin-leiding aan de verdachte is betekend (artikel 5.3.2, derde lid), sluit aan bijhet moment waarop het hoger beroep nog door de verdachte en hetopenbaar ministerie kan worden ingetrokken op grond van artikel 5.4.5(zie het antwoord op vraag 602). Ook voor verzet geldt als uitgangspuntdat dit rechtsmiddel weloverwogen wordt aangewend door de verdachte.Bovendien zal tussen het instellen van het verzet en de betekening van deprocesinleiding veelal enige tijd verlopen (zie ook de antwoorden op devragen 595 en 596). Gedurende die periode kan de verdachte zich alberaden over de vraag of hij het verzet wil doorzetten en kan hij debijstand van een raadsman inroepen. Daarop zal hij ook kunnen wordengeattendeerd in het kosteloze informatieve gesprek met een advocaat,waarop verdachten van een misdrijf die zich in vrijheid bevinden en tegenwie een strafbeschikking wordt uitgevaardigd in de praktijk recht hebbenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11425 (zie het antwoord op vraag 589). Het moment waarop het verzet kanworden ingetrokken ligt net na het begin van de berechting. Dit is in lijnmet de gedachte achter de algemene regeling voor het intrekken vangewone rechtsmiddelen, namelijk dat een rechtsmiddel kan wordeningetrokken totdat de behandeling van het rechtsmiddel aanvangt, tenzijde wet anders bepaalt (artikel 5.2.6). Door betekening van de procesin-leiding vangt de berechting aan (artikel 4.1.1). De zaak is dan onder derechter. Het is alleszins redelijk dat de verdachte dan nog een week degelegenheid heeft voor heroverweging. Indien de verdachte het verzetvervolgens intrekt, gebeurt dit ook op een zodanig tijdstip, dat op dedesbetreffende zitting nog een andere zaak voor behandeling kan wordeningepland.Aldus is voorzien in een regeling waarin een redelijk evenwicht isgevonden tussen enerzijds de belangen van de verdachte en anderzijdshet belang om verspilling van schaarse zittingscapaciteit te voorkomen.Over de bestaande regeling van intrekking van rechtsmiddelen in brederezin bestaat in de rechtspraktijk veel onvrede. De late intrekking van eenrechtsmiddel heeft in de praktijk tot gevolg dat zaken door de rechter endoor andere procesdeelnemers voor niets worden voorbereid en datkostbare zittingsruimte verloren gaat (zie het antwoord op vraag 602).Daarbij verdient nog opmerking dat bij een te late intrekking van hetverzet niet altijd een diepgravende inhoudelijke behandeling hoeft plaatste vinden. In deze situatie is immers goed denkbaar dat de verdachte geenbezwaren tegen de strafbeschikking opgeeft (artikel 5.3.3) en verstek laatgaan bij het onderzoek op de terechtzitting. De behandeling van de zaakkan in dat geval vlot worden afgerond.(599) Verdachten die verzet instellen hebben geregeld (nog) geenadvocaat geraadpleegd. Het is in het belang van de verdachte om, nadathij een procesinleiding heeft ontvangen en hij weet dat de zaak voor derechter zal komen, hij voldoende gelegenheid heeft om hierop tereageren. Een week is dan wel erg kort; de verdachte kan op vakantie zijnof heeft bijstand van een advocaat of anderen nodig waardoor hij nietbinnen een week adequaat kan handelen. Wordt, indien nadien bijverdachte de behoefte ontstaat om alsnog de strafbeschikking teaccepteren en de weg naar de rechter te voorkomen, deze persoonlijkeafweging ondergeschikt gemaakt aan de bedrijfsmatige belangen? Dezeleden verwachten bovendien dat het effect daarvan zou kunnen zijn dattegen de wil van de verdachte toch voortgezette behandeling door derechter leidt tot verstekzittingen (waar de verdachte niet verschijnt). Deeltde regering deze zorgen en zo nee, kan de regering toelichten waaromniet?599. Zie het antwoord op vraag 598. In aanvulling daarop wordtopgemerkt dat de overwegingen die ten grondslag liggen aan de nieuweregeling van de intrekking van verzet meer dan alleen «bedrijfsmatigebelangen» omvatten. Het tegengaan van verspilling van capaciteit enzittingsruimte raakt niet alleen aan het maatschappelijke belang van eeneffectieve inzet van beschikbare capaciteit en middelen maar ook aan degerechtvaardigde belangen van andere verdachten en slachtoffers, diedoor die verspilling langer op de behandeling van hun zaken moetenwachten. Daarbij kan ook het fundamentele recht op een berechtingbinnen een redelijke termijn in beeld komen. Tegen deze achtergrond is bijde inrichting van de wettelijke regeling gezocht naar een balans tussen debedoelde belangen enerzijds en het belang van een verdachte om in eenlaat stadium alsnog van een gang naar de rechter af te zien anderzijds.(600) De leden van de NSC-fractie vragen of de regering kan aangeven inwelke mate de rechter ook in de verzetprocedure de ruimte moetenhebben om de opportuniteit van de vervolgingsbeslissing van de OvJ tetoetsen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11426 600. Zie het antwoord op vraag 588.(601) De leden van de CDA-fractie lezen dat wordt voorgesteld om hetverzet tegen een strafbeschikking als een gewoon rechtsmiddel te regelen,maar nog niet inhoudelijk aan te passen. Hiermee wordt gewacht tot eenaanvullingswet die een afzonderlijk wetgevingstraject doorloopt. Wat is dereden dat hiermee wordt gewacht en dat verzet tegen een rechtsmiddelniet inhoudelijk wordt aangepast middels onderhavige wet? Kan deregering aangeven welke inhoudelijke aanpassingen worden beoogd in deaanvullingswet?601. Zie over de redenen om de regeling van de strafbeschikking nog nietin het onderhavige wetsvoorstel, maar in de eerste aanvullingswetinhoudelijk te wijzigen het antwoord op vraag 5. De regeling van hetverzet tegen strafbeschikkingen wordt in het voorstel voor de eersteaanvullingswet op enkele punten gewijzigd. Dit betreft de uitsluiting vandit rechtsmiddel als het gaat om de wijziging van een onherroepelijkestrafbeschikking (nieuw derde lid van artikel 5.3.4). Voor gevallen waarinde strafbeschikking in het nadeel van de veroordeelde wordt gewijzigdvoorziet de eerste aanvullingswet in een nieuw rechtsmiddel, waarbij deaan de strafbeschikking ten grondslag liggende schuldvaststelling nietmeer door de rechter wordt getoetst (nieuw artikel 7.2.10 zoalsopgenomen in de eerste aanvullingswet). Dit kan volgens de in de eersteaanvullingswet geïntroduceerde omzettingsprocedure alleen aan de ordezijn na een onvolledige tenuitvoerlegging van de strafbeschikking dan welhet overtreden van een in de strafbeschikking gestelde voorwaarde. Ingevallen waarin de onherroepelijke strafbeschikking in het voordeel vande veroordeelde wordt gewijzigd, zal in de voorgestelde regeling geenrechtsmiddel meer openstaan. In die gevallen heeft de verdachte geenbelang bij het instellen daarvan. Ook zal, naar aanleiding van enkele in hetverslag over Boek 5 gestelde vragen (589 en 591), na de consultatie van deeerste aanvullingswet in de daarin opgenomen regeling van de buitenge-rechtelijke afdoening een tweetal wijzigingen worden doorgevoerd: de inde praktijk al geldende waarborgen ten aanzien van rechtsbijstand envoorlichting bij vrijwillige voldoening aan de strafbeschikking – welkevrijwillige voldoening tot gevolg heeft dat geen verzet tegen de strafbe-schikking meer kan worden ingesteld – zullen expliciet worden vastgelegd(589) en verduidelijkt zal worden dat de regeling over het doen vanafstand van verzet ook geldt voor gevallen waarin afstand tegenover deofficier van justitie of een gemandateerde parketsecretaris wordt gedaan(591).4. Hoger beroep tegen vonnissen 4.1 Hoger beroep tegen eindvonnissen en tussenvonnissen (602) De rapporteurs vragen of een periode van een week om teoverdenken of een ingesteld hoger beroep moet worden ingetrokken langgenoeg is. De rapporteurs vragen of dit in het bijzonder te kort zou kunnenzijn als de verdachte nog van raadsman wisselt na de eerste aanleg of alshet vonnis nog is aangevuld met de bewijsmiddelen.602. Uitgangspunt is dat een rechtsmiddel weloverwogen wordtaangewend door de verdachte (of het openbaar ministerie). De verdachtedie hoger beroep heeft ingesteld tegen het eindvonnis kan dit rechts-middel tot een week na het moment waarop de kennisgeving van deoverdracht van de processtukken aan het gerechtshof aan hem isbetekend, intrekken (artikel 5.4.5). Hij heeft dus tot dan de tijd om zijnbeslissing te overdenken. Met de betekening van de kennisgeving van deontvangst van de processtukken aan de verdachte vangt de behandelingvan de zaak in hoger beroep aan (artikel 5.4.10, eerste lid). Dit kan, als eenverkort vonnis is gewezen dat moet worden aangevuld, geruime tijd laterTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11427 zijn dan het moment waarop het hoger beroep wordt ingesteld. Eeneventuele nieuwe raadsman is dus in de gelegenheid het procesdossieren vonnis te bestuderen, al is dat natuurlijk ook afhankelijk van hetmoment waarop de verdachte na afloop van de eerste aanleg vanraadsman is gewisseld. Nadat de kennisgeving van de overdracht van deprocesstukken aan het gerechtshof aan hem is betekend heeft deverdachte een week de tijd om in overleg met zijn nieuwe raadsman tebezien of er aanleiding is het hoger beroep in te trekken. Een eerderingediende schriftuur kan worden aangevuld binnen twee weken na dekennisgeving van de ontvangst van de processtukken.Bij de totstandkoming van het wetsvoorstel is overwogen of het mogelijkmoet worden gemaakt dat het hoger beroep op een later moment dan eenweek na de in artikel 5.4.5 bedoelde kennisgeving wordt ingetrokken. Overde bestaande regeling die het mogelijk maakt een ingesteld hoger beroeptot vlak voor de behandeling op de terechtzitting in te trekken, bestaat inde rechtspraktijk veel onvrede. Zowel door de Rvdr als het OM is in deadvisering over de consultatieversie van Boek 5 aangedrongen op hetstellen van een termijn waarbinnen het hoger beroep nog kan wordeningetrokken (consultatieadvies OM Boek 5, p. 15 en consultatieadvies RvdrBoek 5, p. 49). Volgens de huidige regeling kan degene die het rechts-middel van het hoger beroep heeft ingesteld dit rechtsmiddel uiterlijktotdat de rechter de zaak tegen de verdachte heeft doen uitroepen,intrekken (het huidige artikel 453 in verbinding met het huidigeartikel 270). In de praktijk heeft dit tot gevolg dat het geregeld voorkomtdat het hoger beroep pas in een laat stadium wordt ingetrokken, soms opde zittingsdag zelf. Zaken worden dan door de rechters en het openbaarministerie en door overige procesdeelnemers voor niets voorbereid. Het isniet vaak mogelijk om, nadat de intrekking bekend wordt, nog eenvervangende zaak op zitting te plaatsen, waardoor kostbare zittingsruimteverloren gaat. Dit is een verspilling is van tijd, capaciteit en energie. Dezepraktijk kan ook voor slachtoffers leiden tot de vervelende situatie dat hetslachtoffer zich heeft voorbereid op de uitoefening van het spreekrecht,maar pas vlak voordat de terechtzitting begint te horen krijgt dat het hogerberoep is ingetrokken. In de jaren 2017 tot en met 2019 werd in 41% vande strafzaken die door een meervoudige kamer van een rechtbank warenbehandeld hoger beroep ingesteld, waarvan 21% weer is ingetrokken. Vande strafzaken behandeld door een enkelvoudige kamer van de rechtbankwaarin hoger beroep werd ingesteld (14%) werd het hoger beroep in 15%van de zaken ingetrokken (Rechtspraak kengetallen 2019, p. 50 en 51).Dat het ingestelde hoger beroep niet tijdig is ingetrokken betekentoverigens niet dat de zaak ook inhoudelijk zal worden behandeld door hetgerechtshof. De raadsman van de verdachte kan ervoor kiezen geenschriftuur in te dienen en ook op de terechtzitting geen bezwaren tegenhet vonnis op te geven of, indien eerder wel een schriftuur was ingediend,aangeven de in de schriftuur omschreven bezwaren in te trekken. Als hetopenbaar ministerie verder geen bezwaren heeft en het gerechtshof zelfgeen aanleiding ziet om de zaak alsnog inhoudelijk te behandelen, kan hethoger beroep in beginsel eenvoudig niet-ontvankelijk worden verklaard.(603) De rapporteurs vragen wat de consequentie is als een hoger beroeptoch later wordt ingetrokken dan een week na de in artikel 5.4.5 bedoeldekennisgeving. Moet daar dan aan voorbij worden gegaan, zodat de zaaktoch op een terechtzitting aan de orde moet komen en op bepaaldepunten ambtshalve moet worden gecontroleerd door het Hof? Derapporteurs vragen hoe de regering dit ziet in relatie tot de werklast.603. Wordt het ingestelde hoger beroep niet of niet tijdig ingetrokken, danvindt een behandeling op de terechtzitting plaats. Dit hoeft geen diepgra-vende inhoudelijke behandeling te zijn. Als de raadsman van de verdachteTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11428 en/of het openbaar ministerie geen schriftuur hebben ingediend ofaangeven de in de schriftuur omschreven bezwaren in te trekken en hetgerechtshof zelf ook geen aanleiding ziet voor een inhoudelijke behan-deling, kan het gerechtshof het ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijkverklaren.De verwachting is dat het nieuwe stelsel, waarin het niet meer mogelijk isom een ingesteld hoger beroep tot vlak voor de behandeling op deterechtzitting in te trekken, juist ertoe leidt dat capaciteit en werklastworden bespaard (zie het antwoord op vraag 602). De beslissing om eeningesteld hoger beroep in te trekken wordt in ieder geval in een deel vande gevallen immers eerder dan onder het huidige recht genomen. In gevalhet ingestelde hoger beroep toch na het verstrijken van de daarvoor in dewet gestelde termijn wordt ingetrokken, dan wordt in ieder geval voor, ofbij aanvang van de terechtzitting duidelijk dat de bezwaren tegen hetvonnis zijn ingetrokken, zodat de behandeling van het hoger beroep vlotkan worden afgerond.(604) De voorgestelde regeling van een niet strikt grievenstelsel hinktenigszins op twee gedachten. Dat leidt tot de volgende vragen van derapporteurs. Enerzijds geldt het volgende. De verdachte is niet verplichtom een appelschriftuur in te dienen en mag op de terechtzitting pas metbezwaren tegen het vonnis komen. Verwacht de regering dat eenefficiënte voorbereiding dan nog mogelijk is? Hoe ziet de regering demogelijkheid om de verdachte op een eerder moment grieven te latenformuleren? Zou de verdachte in dat geval dan alle grieven uitputtendmoeten indienen, tenzij dat redelijkerwijs niet van hem kon wordenverwacht?604. De voorgestelde regeling met betrekking tot het indienen van grievenbouwt voort op het bij de Wet stroomlijnen hoger beroep ingevoerdemodel van het voortbouwend appel (Stb. 2006, 470). Grieven spelendaarbij een belangrijke, maar geen doorslaggevende rol in de reikwijdtevan de beoordeling van de strafzaak in hoger beroep. Dat de aandacht bijde appelbehandeling vooral uitgaat naar de bezwaren die de verdachte enhet openbaar ministerie tegen het eindvonnis hebben ingebracht, pastook bij een meer contradictoire wijze van procesvoering.Bij de voorbereiding van het nieuwe wetboek is in samenspraak met deorganisaties in de strafrechtspleging onderzocht of een ten opzichte vanhet huidige recht verdergaand grievenstelsel wenselijk zou zijn. In decontourennota van 2015 werd voor het nieuwe wetboek een verdereuitbouw aangekondigd van het stelsel van het voortbouwend appel. Hetvoornemen was om een strikter grievenstelsel te introduceren, waarin ookde verdachte zou worden verplicht al enkele weken vóór de (inhoudelijke)terechtzitting één of meer bezwaren in te dienen. In de consultatieversievan Boek 5 werd van dit voornemen afgezien, mede in verband met het(gewijzigde) standpunt van de gerechtshoven, die een aanpassing van hetbestaande stelsel op dit punt bij nader inzien onnodig en onwenselijkachtten. Bij de keuze om van een aanscherping van het grievenstelsel af tezien heeft een rol gespeeld dat niet elke verdachte in hoger beroep vanrechtsbijstand is voorzien. Wel is vastgehouden aan het voorstel voor eennieuw beslismodel in hoger beroep, waarin de appelrechter een beslissingvan de eerste rechter waartegen geen bezwaren zijn ingediend, inbeginsel niet hoeft over te doen.Er is dus niet gekozen voor een grievenstelsel waarin de verdachte opstraffe van niet-ontvankelijkheid een schriftuur moet indienen. Van deofficier van justitie die in hoger beroep gaat wordt wel verwacht dat hijzijn bezwaren tijdig kenbaar maakt, door binnen twee weken na hetinstellen van hoger beroep een schriftuur in te dienen waarin dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11429 bezwaren zijn verwoord. De verdachte is niet verplicht een schriftuur metbezwaren in te dienen, hij mag dit wel doen. In de schriftuur mag deverdachte ook verzoeken tot het doen van nader onderzoek kenbaarmaken. Als sprake is van een verkort vonnis dat na het instellen van hethoger beroep is aangevuld, kan de verdachte die een schriftuur heeftingediend binnen twee weken na de kennisgeving van ontvangst van deprocesstukken een aanvullende schriftuur indienen. Deze mogelijkheidstelt de verdachte in staat om op voorhand ook zijn bewaren tegen debewijsconstructie van de rechtbank aan de orde te stellen. Een schriftuurwaarin de klachten tegen het eindvonnis en eventuele onderzoekswensenzijn verwoord, stelt de voorzitter van het gerechtshof in staat om in eenvroeg stadium van het proces een inschatting te maken van de aard enomvang van «het geschil» in hoger beroep en de voorbereiding van debehandeling daarop toe te spitsen. De winst van deze benadering isvooral gelegen in het vermijden van onnodig werk. Dit voordeel, dat pastin de gedachte van een voortbouwend appel, neemt niet weg dat er oogmoet zijn voor de positie van de verdachte, wat er voor hem op het spelstaat en het belang dat hij heeft bij de mogelijkheid van een tweedefeitelijke behandeling van zijn strafzaak, ook als hij niet wordt bijgestaandoor een raadsman. Het merendeel van de verdachten wordt in hogerberoep overigens wel bijgestaan door een raadsman en de verwachting isdaarom ook dat in veel gevallen een appelschriftuur namens de verdachtewordt ingediend.In de schriftuur en aanvullende schriftuur kan dus op alle relevantebeslissingen en motiveringen van de rechtbank worden gereageerd. Maareen schriftuur is niet uitputtend. De verdachte die hoger beroep heeftingesteld, kan ook mondeling op de terechtzitting bezwaren opgeven(artikel 5.4.27, derde lid) en de advocaat-generaal en de verdachte krijgenop de terechtzitting de gelegenheid de bij schriftuur opgegeven bezwarentegen het eindvonnis toe te lichten of aan te vullen.Het is dus niet zo dat de vooraf schriftelijk ingediende grieven vervolgenseen volledig bindend karakter hebben. Een strikt grievenstelsel waarbij deappelrechter zich alleen over ingediende bezwaren moet buigen is nietwenselijk. De behandeling in hoger beroep is immers nog steeds eentweede feitelijke behandeling van de zaak. Het karakter van het debat opde terechtzitting in hoger beroep moet daarom niet zo gesloten zijn dat erhelemaal geen ruimte is voor de ontwikkeling van nieuwe gezichtspunten.Ook na indiening van grieven kan de verdachte of de advocaat-generaalreden hebben bij nader inzien andere zaken aan de orde te stellen dan inde (aanvullende) schriftuur is vermeld. Daarnaast speelt dat in de praktijkde onvrede van de verdachte over het eindvonnis in eerste aanleg nogaleens gepaard gaat met de keuze voor een andere raadsman. Eenverplichtend en bindend grievenstelsel kan tot gevolg hebben dat het tochde raadsman in eerste aanleg of de verdachte zelf zal zijn die de grieventegen het eindvonnis moet formuleren, en geen ruimte meer bestaat voorinbreng van de nieuwe raadsman van de verdachte. Tegelijkertijd is het zodat als de verdachte geen schriftuur met bezwaren heeft ingediend enevenmin op de terechtzitting bezwaren tegen het vonnis opgeeft, of de bijschriftuur opgegeven bezwaren op de terechtzitting niet handhaaft, hetgerechtshof de verdachte niet-ontvankelijk kan verklaren in zijn hogerberoep (artikel 5.4.27, derde lid). Dat past bij de gedachte van eenvoortbouwend appel.(605) Een verzoek om nader onderzoek wordt in de regel welwillendbeoordeeld in hoger beroep, ook als om dat onderzoek eerder had kunnenworden verzocht door de verdachte. Past bij een correctief appel niet datonderzoekshandelingen waarom redelijkerwijs in eerste aanleg hadTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11430 kunnen worden verzocht, aan de hand van een strenger criterium wordenbeoordeeld?605. Bij de gedachtegang van het voortbouwend appel past dat deverdachte wordt gestimuleerd om tijdig aan te geven welk naderonderzoek hij met het oog op de behandeling van de zaak in hoger beroepverricht wil zien. Daarmee wordt bevorderd dat onderzoek dat van belangis voor de inhoudelijke behandeling van het hoger beroep in een vroegstadium kan worden verricht. De contouren van een strafzaak wordensoms pas scherper afgetekend na behandeling van de strafzaak in eersteaanleg, wanneer de zaak zodanig is «gerijpt» dat de bewijsvragenduidelijker liggen en bekend is welke bewijsconstructie de rechter ineerste aanleg heeft gehanteerd. De wettelijke regeling moet bovendienniet zo zijn vormgegeven dat procespartijen koste wat het kost al in eersteaanleg alle denkbare verzoeken moeten doen, op straffe van het verspelenvan hun rechten op dit punt in hoger beroep. Dit zou bovendien tot eenverdere toename van de belasting van de eerste aanleg kunnen leiden.Daarom voorziet de wettelijke regeling voor het hoger beroep, evenalsvoor de eerste aanleg, in een «trechtermodel» voor de beoordeling vanverzoeken om nader onderzoek, waarbij tijdig gedane verzoekenruimhartig worden beoordeeld, en wanneer deze mogelijkheden onbenutworden gelaten, er meer ruimte komt om de verzoeken af te wijzen.De verdachte kan in de eerste plaats onderzoekswensen kenbaar makenbij het indienen van een schriftuur met bezwaren tegen het vonnis binnentwee weken na het instellen van hoger beroep. Na de betekening van dekennisgeving van de ontvangst van de processtukken, die een verge-lijkbare functie vervult als de procesinleiding bij de berechting in eersteaanleg, kunnen onderzoekswensen worden opgegeven bij de voorzitter,die op overeenkomstige wijze als de voorzitter in eerste aanleg tervoorbereiding van de terechtzitting verzoeken kan inwilligen en overandere voorzittersbevoegdheden beschikt (de artikelen 5.4.11 tot en met5.4.13). De termijn voor het indienen van verzoeken bij de voorzitter iskorter dan in eerste aanleg, namelijk twee weken (in plaats van eenmaand) met een mogelijkheid tot verlenging, omdat in hoger beroep weleen andere situatie bestaat dan bij de berechting in eerste aanleg. Deverdachte en zijn raadsman hebben zich na het eindvonnis, voorafgaandaan de kennisgeving van de ontvangst van de processtukken, al kunnenberaden op aanvullende onderzoekswensen en de geschilpunten in hogerberoep zijn al meer uitgekristalliseerd. Wel wordt zo de mogelijkheidverschaft van nader onderzoek, waarmee de verdediging kan reageren opde door de rechter in het veroordelend vonnis gebruikte bewijscon-structie, terwijl tegelijkertijd de ruimte tussen de instelling van het appelen de behandeling in hoger beroep zo goed mogelijk wordt benut.De beoordeling van deze tijdig ingediende onderzoekswensen gebeurtaan de hand van het verdedigingsbelang. Als tijdens het onderzoek op deterechtzitting blijkt dat getuigen ten aanzien van wie de verdediging weltijdig de oproeping heeft verzocht (dat wil zeggen binnen de in de wetaangeduide en eventueel door de voorzitter verlengde termijn inartikel 5.4.11, derde lid), niet zijn verschenen op de terechtzitting, omdatde getuige aan een oproeping geen gehoor heeft gegeven, omdat deadvocaat-generaal de oproeping heeft verzuimd, of omdat het verzoekdoor de voorzitter voorafgaand aan de terechtzitting niet is ingewilligd ende verdachte het verzoek herhaalt, kan het gerechtshof onder meer afzienvan de oproeping of hernieuwde oproeping van getuigen als redelij-kerwijs valt aan te nemen dat daardoor de verdachte niet in zijn verde-diging wordt geschaad. Deze grond is gelijk aan die welke in eerste aanleggeldt (artikel 5.4.20, tweede lid, in verbinding met artikel 4.2.19, tweedelid, onderdeel c).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11431 Buiten de hiervoor aangegeven gevallen vindt de beoordeling vanverzoeken door het gerechtshof plaats aan de hand van het noodzaakcri-terium: het verzoek kan worden geweigerd indien het gerechtshof deoproeping niet noodzakelijk acht in het belang van een behoorlijkebehandeling van de zaak. Ten opzichte van de berechting in eerste aanlegkan deze strengere toets wel in meer gevallen worden aangelegd,namelijk niet alleen als het verzoek te laat is gedaan (dat wil zeggen nietbinnen de in de wet voorziene termijn), maar ook als het verzoek eengetuige of deskundige betreft die op de terechtzitting in eerste aanleg danwel door de rechter- of raadsheer-commissaris is verhoord (artikel 5.4.20,derde lid). De toepasselijkheid van een strenger criterium in deze situatiessluit aan bij het huidige artikel 418, tweede lid, en is in overeenstemmingmet de gedachte achter het voortbouwend appel.(606) Anderzijds is van belang dat de voorgestelde regeling veel vraagtvan de verdachte zonder rechtsbijstand. Hoe ziet de regering demogelijkheid dat de verdachte in hoger beroep steeds van rechtsbijstandis voorzien?606. Ervan uitgaande dat in de vraag wordt gedoeld op de mogelijkheidom rechtsbijstand voor een verdachte in hoger beroep verplicht te stellenkan het volgende worden vooropgesteld over het wettelijke kader voorrechtsbijstand in strafzaken in het algemeen en in hoger beroep.De verdachte heeft het recht om zich door een (gekozen of aangewezen)raadsman te laten bijstaan (artikel 1.4.5). De verdachte is niet verplichtzich door een raadsman te laten bijstaan. Hij kan dus afstand doen van hetrecht op rechtsbijstand, tenzij de wet anders bepaalt (artikel 1.4.6). De wetbepaalt voor twee categorieën verdachten dat zij geen afstand van hetrecht op rechtsbijstand kunnen doen: minderjarige verdachten in degevallen waarin voor hen op grond van de wet een raadsman wordtaangewezen en kwetsbare verdachten die vallen onder de regeling vanBoek 6, Titel 1.2 en die daarom een raadsman aangewezen krijgen(artikelen 6.1.5 en 6.1.52). Omdat het in beide gevallen gaat om eenaangewezen raadsman is de rechtsbijstand voor de verdachte kosteloos.De achtergrond van deze bepalingen over verdachten die geen afstandvan rechtsbijstand kunnen doen, is dat de beoordeling van de wense-lijkheid van rechtsbijstand niet aan deze verdachten wordt overgelaten.Daarnaast geldt dat voor verdachten in een aantal gevallen op grond vande wet een raadsman wordt aangewezen, die voor hem (dus) kosteloos is.Het in dit verband belangrijkste voorbeeld vormen gevallen waarin tegende verdachte een bevel tot voorlopige hechtenis in de zaak is afgegeven.In dat geval wordt ook voor de behandeling van de zaak in hoger beroepeen raadsman aangewezen, óók in de gevallen waarin de verdachte zichinmiddels niet meer in voorlopige hechtenis bevindt (artikel 1.4.13).Verdachten tegen wie geen bevel tot voorlopige hechtenis is afgegevenkunnen, ook voor het hoger beroep, een aanvraag gesubsidieerderechtsbijstand doen waarvoor een inkomensgrens en een eigen bijdragegeldt. Ten slotte kan de rechter na aanvang van de berechting, ook naaanvang van de berechting in hoger beroep, voor de verdachte eenraadsman aanwijzen in gevallen waarin de verdachte zonder raadsmanverschijnt en de rechter van oordeel is dat de verdachte in het belang vanzijn verdediging rechtsbijstand moet worden verleend (artikel 1.4.14,tweede lid).Met deze bepalingen voorziet het nieuwe wetboek in een adequaat stelselvan waarborgen om ervoor te zorgen dat verdachten, ook in hogerberoep, in de meeste gevallen zoveel mogelijk van rechtsbijstand kunnenzijn voorzien. Er zijn vooral twee gevallen waarin zaken van een verdachtezonder rechtsbijstand worden behandeld. Ten eerste het geval waarin eenverdachte die afstand mag doen, geen rechtsbijstand wenst, ook niet vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11432 een voor hem kosteloos aangewezen raadsman, omdat hij zijn verde-diging zelf wil voeren of (dat komt ook voor) geen verdediging wil voeren.Ten tweede het geval waarin een verdachte is aangewezen op gesubsidi-eerde rechtsbijstand maar de eigen bijdrage niet kan betalen of boven deinkomensgrens valt en de kosten van rechtsbijstand niet kan of wildragen.Wanneer een verdachte ervoor kiest om afstand te doen van zijn recht oprechtsbijstand, dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuzeaan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan. In hogerberoep zal het gerechtshof zich ervan moeten vergewissen dat de afstandvan rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan.Indien het gerechtshof oordeelt dat daarvan sprake is en de keuze van deverdachte respecteert, zal het tijdens de behandeling van de zaakbijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte.Dat geldt vooral het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijnverdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen.In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk moeten voorzien(ECLI:NL:HR:2009:BI2315 en ECLI:NL:HR:2017:3197). Dat kan bijvoorbeeldbetekenen dat het gerechtshof op de terechtzitting doorvraagt als deverdachte geen bezwaren opgeeft of deze niet duidelijk toelicht en deverdachte informatie verstrekt die deze voor zijn verdediging nodig heeft.Met de bedoelde bepalingen om ervoor te zorgen dat verdachten, ook inhoger beroep, in de meeste gevallen zoveel mogelijk van rechtsbijstandkunnen zijn voorzien en met de aanvullende rechtsbescherming door derechter voor wat betreft de verdediging van de verdachte zonderraadsman, is in een evenwichtig en toereikend stelsel van rechtswaar-borgen voorzien. Voor het doorvoeren van verplichte rechtsbijstand inhoger beroep bestaat tegen deze achtergrond geen aanleiding. Verplichterechtsbijstand in hoger beroep zou tot gevolg hebben dat standaard, vooralle verdachten, in aanwijzing van een raadsman zou moeten wordenvoorzien en daarmee in gesubsidieerde rechtsbijstand die voor deverdachte kosteloos zou zijn. Dat is immers in de hierboven beschrevenbepalingen volgens welke bepaalde jeugdige en kwetsbare verdachtengeen afstand van het recht op rechtsbijstand mogen doen, de keerzijdevan invoering van verplichte rechtsbijstand. Dit zou uiteraard vergaandefinanciële gevolgen hebben. En indien ervoor zou worden gekozen om bijinvoering van verplichte rechtsbijstand in hoger beroep geen bijzonderevoorziening te treffen voor de subsidiëring van de rechtsbijstand, dan zoudat betekenen dat voor verdachten die de eigen bijdrage niet kunnenbetalen of boven de inkomensgrens vallen maar de rechtsbijstand nietkunnen of willen dragen – een grotere drempel zou worden opgeworpenvoor het instellen van hoger beroep, en daarmee dus voor de effectueringvan het recht op behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties.(607) De rapporteurs vragen ook of de verantwoordelijkheid van hetgerechtshof, zoals uitgedrukt in artikel 5.4.29, voldoende duidelijk is. Hoeis verzekerd dat die verantwoordelijkheid door verschillende rechters invergelijkbare zaken op vergelijkbare wijze wordt uitgeoefend? Zal dieverantwoordelijkheid voldoende kunnen worden verwezenlijkt, medegelet op de druk op de zittingscapaciteit?607. Een hoger beroep procedure waarbij de rechter zich zowel tijdens hetonderzoek op de terechtzitting als bij de beslissingen die hij na afloop vandat onderzoek neemt vooral richt op de bezwaren tegen het eindvonnis, isniet nieuw. Het wetsvoorstel bouwt voort op het bestaande voortbouwendappel waarmee de gerechtshoven al ervaring hebben (zie ook hetantwoord op de vragen 559 en 604). Bij deze benadering past eenbeslismodel waarin de rechter het hoger beroep verwerpt voor zover hijde bezwaren tegen het vonnis ongegrond acht en ambtshalve geenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11433 gebreken ziet die tot vernietiging van het vonnis moeten leiden, dan welhet vonnis vernietigt voor zover de opgegeven bezwaren of zijn ambts-halve oordeel daartoe aanleiding geven (artikel 5.4.29). Het onderscheidtussen het verwerpen van het hoger beroep en het vernietigen van hetvonnis is nieuw en komt in de plaats van het bevestigen van het vonnis enhet vernietigen van het vonnis. De mogelijkheid van verwerping van hethoger beroep brengt beter tot uiting dat het gerechtshof de beslissingenin het vonnis niet integraal voor zijn rekening neemt (hetgeen het wel doetbij een bevestiging van het vonnis), maar zich in het bijzonder richt op devraag of de bezwaren tegen het vonnis hout snijden en op de vraag of erambtshalve gebreken zijn die meebrengen dat (al dan niet gedeeltelijke)vernietiging aangewezen is. Een voordeel van het nieuwe beslismodel isdat de rechter geen tijd hoeft te steken in het overdoen van beslissingenwaar het openbaar ministerie en de verdachte geen bezwaar tegenhebben.Tegelijkertijd maakt het nieuwe beslismodel voldoende duidelijk dat deappelrechter ook ambtshalve moet nagaan of er gronden zijn om hetvonnis geheel of gedeeltelijk te vernietigen. Het geeft de appelrechter weleen zekere vrijheid bij het bepalen van de mate waarin hij de juistheid vanniet bestreden beslissingen controleert. Als de verdachte bijvoorbeeldgeen bezwaar heeft tegen de bewezenverklaring van het tenlastegelegdefeit maar wel tegen de straf die de rechtbank op grond van die bewezen-verklaring heeft opgelegd, kan het gerechtshof het hoger beroep voorzover gericht tegen de bewezenverklaring verwerpen voor zover het nietambtshalve tot het oordeel komt dat vernietiging van die beslissingaangewezen is en zich concentreren op de bezwaren tegen de straf.Daarbij is een ondergrens aangelegd. In bepaalde gevallen is vernietigingvan een beslissing aangewezen, ook als de juistheid daarvan niet isbestreden in hoger beroep. Het betreft in de eerste plaats het geval waaringeen recht tot strafvordering bestaat (bijvoorbeeld omdat het feit isverjaard of het een feit betreft waarvoor aan Nederland geen rechtsmachttoekomt), terwijl de beslissing op het bestaan van dat recht gebaseerd is.Het gaat in de tweede plaats om het geval dat het bewezenverklaarde nietonder een wettelijke strafbepaling valt (en dus geen strafbaar feitoplevert) en in de derde plaats om het geval dat de oplegging van eenstraf of maatregel niet op de wet berust (artikel 5.4.29, vierde lid). Een metdeze gevallen strijdige beslissing raakt een veroordeling en daaropgebaseerde strafoplegging in de kern. De appelrechter is verplicht opeigen initiatief na te gaan of een van deze gevallen zich voordoet. Deappelrechter wordt verder geenszins ervan weerhouden om anderebeslissingen in het vonnis die naar zijn oordeel minder juist of mindergelukkig zijn op eigen initiatief te vernietigen en daar een eigen beslissingvoor in de plaats te stellen. Het is onverminderd gewenst dat de appel-rechter overal waar deze een wezenlijk gebrek in het eindvonnis consta-teert, tot verbetering overgaat.Het nieuwe beslismodel geeft naar verwachting voldoende houvast aande gerechtshoven om vergelijkbare strafzaken op vergelijkbare wijze tebeoordelen. De Rvdr heeft in zijn consultatieadvies instemmend gerea-geerd op de voorstellen met betrekking tot het door de rechter toe tepassen beslismodel in hoger beroep. Het ligt voor de hand dat tervoorbereiding op het werken met het nieuwe wetboek door de recht-spraak hieraan aandacht wordt besteed in de opleidingen van raadsherenen griffiers.Nu het nieuwe beslismodel op zichzelf geen wijziging brengt in de manierwaarop rechters een ingesteld hoger beroep zullen behandelen, maaralleen een andere formulering van het eindoordeel vergt, is er geenaanleiding te veronderstellen dat het nieuwe beslismodel gevolgen heeftvoor de zittingscapaciteit.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11434 (608) De rapporteurs hebben ook vragen over de ambtshalve verantwoor-delijkheid van het Hof. Krijgt deze een andere invulling als de verdachteniet van rechtsbijstand is voorzien? Zo ja, in hoeverre? Geldt dat ook ingeval de verdachte naar het oordeel van het Hof van kwalitatief te slechtebijstand is voorzien waardoor aan de rechten en belangen van deverdachte te zeer afbreuk wordt gedaan?608. Wanneer de verdachte in hoger beroep niet van rechtsbijstand isvoorzien, is het vooral van belang dat het gerechtshof erop toeziet datdaardoor niet wordt tekortgedaan aan de uitoefening van verdedigings-rechten en het recht op een eerlijk proces. Het gerechtshof zal tijdens debehandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan depositie van de verdachte, bijvoorbeeld door het verstrekken van infor-matie. Zie hierover ook het antwoord op vraag 606. Dat de verdachte geenof kwalitatief onvoldoende rechtsbijstand geniet, of in eerste aanleggenoot, brengt niet per definitie mee dat de rechter het vonnis indrin-gender moet controleren. Van het gerechtshof wordt al verwacht dat het– ongeacht de omstandigheid dat de verdachte wel of niet van rechtsbij-stand is voorzien – op eigen initiatief nagaat of er sprake is van omstan-digheden die tot terugwijzing naar de rechtbank moeten leiden of vanfundamentele gebreken in het vonnis die tot (gedeeltelijke) vernietiging enverbetering ervan moeten leiden (artikelen 5.4.28 en 5.4.29, vierde lid).Hoewel de nieuwe regeling mogelijk maakt dat het gerechtshof zichvooral richt op de tegen het vonnis ingebrachte bezwaren, wordt er geenbegrenzing aangebracht in de omvang van het hoger beroep. Het staat hetgerechtshof vrij om zich te buigen over alles wat in het vonnis staatvermeld. Mede in het licht van het verloop van het onderzoek op deterechtzitting kan het gerechtshof ook tot het oordeel komen dat naderonderzoek in het belang van een behoorlijke behandeling van de zaaknoodzakelijk is (artikel 5.4.23 in verbinding met artikel 4.2.51). Daarbij kande omstandigheid dat de verdachte niet van (goede) rechtsbijstand isvoorzien een rol spelen. Zie ook het antwoord op vraag 607.(609) De rapporteurs hebben ook een vraag ten aanzien van hetwaarborgen van de onpartijdigheid van de voorzitter. De beoogdevoorzitter is niet altijd bekend tijdens de regiefase en zo kan het gebeurendat de voorzitter in de regiefase beslissingen neemt. Dit kan er mogelijktoe leiden dat een rechter als bevooroordeeld wordt gezien. De rappor-teurs vragen in dit verband hoe de regering de mogelijkheid ziet om altijdeen poortraadsheer in te zetten, die geen deel uitmaakt van de combinatiedie inhoudelijk over de zaak beslist.609. Waar in het nieuwe wetboek wordt aangeduid dat de voorzitter vanhet gerechtshof bevoegdheden kan uitoefenen ter voorbereiding van deterechtzitting, betreft dit in beginsel de zittingsrechter die de zaakinhoudelijk behandelt. Als sprake is van een meervoudige kamer is dus devoorzitter van die strafkamer in beginsel verantwoordelijk voor dedagbepaling en voor het nemen van zogenoemde «voorzittersbeslis-singen». Dit uitgangspunt, dat ook blijkt uit de Professionele standaardenstrafrecht van de Rechtspraak, kan echter lang niet in alle gevallenonverkort worden volgehouden. Tijdens de regiefase na het instellen vanhoger beroep is inderdaad de beoogde voorzitter vaak nog niet bekend. Inde praktijk wordt de zittingsvoorbereiding in hoger beroep vaak verzorgddoor een «poortraadsheer», die met het oog op de dagbepaling strafdos-siers beoordeelt om te bezien of deze klaar zijn voor inhoudelijkebehandeling en of alle verwachte processtukken beschikbaar zijn en diebeslissingen neemt over (onder meer) het verhoren van getuigen. Dezepraktijk werkt naar tevredenheid. Er is echter geen aanleiding voor teschrijven dat de voorbereiding van de terechtzitting in hoger beroep altijddoor een poortraadsheer – die dus niet zelf deelneemt in de zittingscombi-natie – moet plaatsvinden. Het nieuwe wetboek beoogt de Rechtspraak deruimte te laten om binnen de grenzen van de wettelijke regeling deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11435 voorbereiding van het onderzoek op de terechtzitting nader vorm te gevenen aan te passen aan zich wijzigende werkprocessen. Er zijn zakendenkbaar waarin het van aanvang af wenselijk is de voorbereiding inhanden te leggen van een daartoe ook vroegtijdig aan te wijzen voorzittervan de zittingscombinatie. Ook wordt door een voorzittersbeslissing geenafbreuk gedaan aan de eindverantwoordelijkheid van de zittingsrechtervoor de volledigheid van het onderzoek op de terechtzitting en dejuistheid van de genomen beslissingen. De regeling betreffende voorzit-tersbeslissingen is zodanig vormgegeven dat hiermee geenonomkeerbare, afwijzende of sterk omstreden beslissingen wordengenomen. Zie het antwoord op vraag 454. De voorzitter kan verzoekeninwilligen, maar hij neemt geen (definitieve) afwijzende beslissingen.Indien een niet-ingewilligd verzoek om een getuige te verhoren op deterechtzitting wordt herhaald, wordt dit beoordeeld aan de hand van hetverdedigingsbelang (artikel 5.4.20, tweede lid, in verbinding metartikel 4.2.19) en volgt een beslissing van de zittingscombinatie. Met dezevormgeving van dergelijke voorzittersbeslissingen wordt voorkomen datde voorzitter vanwege een voorzittersbeslissing als bevooroordeeld wordtgezien. De Hoge Raad heeft in dat verband overwogen dat het nemen vanzogenoemde voorzittersbeslissingen door de voorzitter van hetgerechtshof, waartoe de huidige wet al de bevoegdheid geeft (het huidigeartikel 412, eerste lid, in verbinding met het huidige artikel 258, tweede lid)niet meebrengt dat vanwege het nadien deelnemen van die raadsheer aanhet onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, de behandeling vande zaak daardoor niet heeft plaatsgevonden door een onpartijdigerechterlijke instantie (ECLI:NL:HR:2018:21; NJ 2019/427).(610) De rapporteurs hebben enkele vragen over de motiveringsplicht. Debeslissingen van het Hof moeten gemotiveerd worden voor zover dat voorde begrijpelijkheid van die beslissing noodzakelijk is. Is de inhoud van demotiveringsplicht volgens de regering voldoende duidelijk omschreven?Heeft de onderhavige motiveringsplicht dezelfde of een andere inhouddan die voor de rechter in eerste aanleg? Het is daarbij – ten opzichte vande bepaling in eerste aanleg – van belang dat de Hoge Raad in cassatie demotivering van beslissingen van het Hof terughoudend, want slechts opbegrijpelijkheid, kan en zal toetsen. Het Hof kan de motivering van eenbeslissing van de rechtbank vol toetsen.610. Het eindarrest dat door het gerechtshof wordt gewezen moet debeslissingen bevatten die uit het beslismodel in hoger beroep voort-vloeien. Het gaat dan om de beslissing dat het gerechtshof al dan nietbevoegd is om kennis te nemen van het hoger beroep, de beslissing datdegene die het hoger beroep heeft ingesteld daarin al dan nietniet-ontvankelijk is (artikel 5.4.27), de beslissing om de zaak al dan nietterug te wijzen naar de rechtbank (artikel 5.4.28), de beslissing tot het(geheel of gedeeltelijk) verwerpen van het hoger beroep dan wel het(geheel of gedeeltelijk) vernietigen van het vonnis en de beslissingen die,in geval van gehele of gedeeltelijke vernietiging van het vonnis, uit hetopnieuw recht doen voortvloeien (de artikelen 5.4.29 en 5.4.30). Ook moethet eindarrest de bepaling van de straf bevatten (artikel 5.4.32, eerste lid).Al deze beslissingen moeten door het gerechtshof worden gemotiveerd,voor zover dit voor de begrijpelijkheid van de beslissing noodzakelijk is(artikel 5.4.32, tweede lid). Dit motiveringsvoorschrift heeft inhoudelijkgeen andere betekenis dan het begrijpelijkheidscriterium voor de eersteaanleg dat is opgenomen in artikel 4.3.22, eerste lid. Ook in hoger beroepgaat het om een criterium voor de rechter bij de ambtshalve beant-woording van de vraag of en in welke mate zijn beslissing motiveringbehoeft. De vraag of een beslissing zonder nadere motivering begrijpelijkis, is afhankelijk van het type beslissing en van de feiten en omstandig-heden in het concrete geval. De standpunten die tijdens het onderzoek opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11436 de terechtzitting zijn ingenomen spelen daarbij een belangrijke rol (zie ookhet antwoord op vraag 522).Zo zal de beslissing dat het gerechtshof bevoegd is of dat degene die hethoger beroep heeft ingesteld daarin ontvankelijk is, in veel gevallen geenop de concrete omstandigheden van de zaak toegesneden motiveringbehoeven als de advocaat-generaal of de verdachte daarover niets heeftaangevoerd. Als het hoger beroep wordt verworpen en het vonnis ineerste aanleg dus in stand blijft, kan het gerechtshof de gronden voor eendaarin opgenomen beslissing aanvullen of verbeteren (artikel 5.4.32,derde lid). Komt het gerechtshof tot een gehele of gedeeltelijke vernie-tiging van het eindvonnis, dan is voor de begrijpelijkheid van diebeslissing vooral van belang dat duidelijk wordt aangegeven welkebeslissing van de rechtbank niet juist is en waarom. Dit zal meestalvoldoende blijken uit de beslissing die het gerechtshof in de plaats van devernietigde beslissing stelt en de motivering daarvan. Bij (gedeeltelijke)vernietiging van het vonnis dient het eindarrest, net als het vonnis ineerste aanleg, de beslissingen op de formele en materiële vragen van hetrechterlijk beslismodel te bevatten en moeten deze worden gemotiveerdvoor zover dat voor de begrijpelijkheid van die beslissingen nodig is; dedesbetreffende bepalingen uit Boek 4 zijn op het eindarrest van overeen-komstige toepassing (artikel 5.4.32, vierde lid). De motiveringsplicht voorde beslissingen van het gerechtshof is dus duidelijk en komt overeen metdie van de rechter in eerste aanleg.Is het gerechtshof van oordeel dat het hoger beroep moet wordenverworpen, dan zullen de op de terechtzitting aangevoerde argumentenmede bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of die beslissing nadertoegelicht dient te worden. Bij een enkele ontkenning van het tenlastege-legde bijvoorbeeld, zal ook zonder nadere motivering duidelijk zijn dat hetgerechtshof die ontkenning niet gelooft in het licht van het bewijs dat derechtbank aan de bewezenverklaring ten grondslag heeft gelegd. Dit kananders liggen als de verdachte beargumenteerd heeft uiteengezet waaromde beslissing van de rechtbank niet klopt. Dan is het voor de begrijpe-lijkheid van de verwerping van het hoger beroep wel noodzakelijk dat hetgerechtshof op het aangevoerde ingaat. Gewezen wordt in dit verbandook op het derde lid van artikel 5.4.32, welk voorschrift meebrengt dat hetgerechtshof bij de verwerping van het hoger beroep gehouden kan zijn– bijvoorbeeld omdat in hoger beroep een uitdrukkelijk voorgedragenstandpunt is ingenomen dat in strijd is met een beslissing van derechtbank – de gronden waarop de door de rechtbank genomen beslissingrust zo aan te vullen of te verbeteren dat die beslissing voldoet aan demotiveringseisen van de artikelen 4.3.22 tot en met 4.3.25.Evenals voor de rechter in eerste aanleg geldt voor het gerechtshof, datde notie van «begrijpelijkheid» niet alleen betrekking heeft op deprocespartijen, maar ook op de overige procesdeelnemers, derden en eeneventuele hogere rechter, in dit geval de Hoge Raad. De Hoge Raadcontroleert of de beslissingen die de feitenrechter heeft genomen geenblijk geven van schending van het recht, dan wel of bij het nemen van diebeslissingen geen vormen zijn verzuimd. Tot de laatste categorie– verzuim van vormen – behoort het niet of niet op juiste wijze in achtnemen van de motiveringsvoorschriften die in de wet zijn gesteld. Wordttegen een eindarrest cassatieberoep ingesteld, dan zal de Hoge Raad,wanneer wordt gesteld dat het gerechtshof het motiveringsvoorschrift vanartikel 5.4.32, tweede lid, niet of niet op juiste wijze heeft nageleefd,nagaan of het gerechtshof zijn beslissing in overeenstemming met de wetvan een motivering heeft voorzien en of de gegeven motiveringtoereikend en begrijpelijk is. Concreet betekent dit dat de Hoge Raad in deeerste plaats zal nagaan of sprake is van een beslissing die onder hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11437 bereik van die bepaling valt en zo ja, of de beslissing – anders dan hetgerechtshof klaarblijkelijk heeft gemeend – zonder motivering nietbegrijpelijk is. Heeft het gerechtshof zijn beslissing wel van eenmotivering voorzien, dan zal de Hoge Raad net als nu nagaan of degegeven motivering, mede gelet de feitelijke vaststellingen waarop dezeberust en op hetgeen op de terechtzitting is aangevoerd, toereikend enniet onbegrijpelijk is.(611) De rapporteurs hebben een vraag over de relatie tussen artikel 2.5.31en artikel 5.4.3 lid 2. Eerstgenoemde bepaling gebiedt de rechter om waarmogelijk de voorlopige hechtenis te schorsen. Laatstgenoemde bepalingverruimt de mogelijkheid voor het OM en de verdediging om direct hogerberoep in te stellen tegen tussenvonnissen met betrekking tot voorlopigehechtenis, waardoor nu tegen een tussenvonnis over het schorsen van devoorlopige hechtenis direct hoger beroep kan worden ingesteld. Derapporteurs vragen of de regering kan toelichten hoe zij de relatie tussendeze artikelen ziet.611. De rechter krijgt in artikel 2.5.31 de wettelijke opdracht om in allegevallen waarin hij de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, nate gaan of schorsing van de voorlopige hechtenis, al dan niet ondervoorwaarden, onmiddellijk of na een bepaald tijdsverloop mogelijk is.Hiermee wordt de inzet van alternatieven voor vrijheidsbenemingbevorderd. De mogelijkheid voor de verdachte en het openbaar ministereom beroep in te stellen tegen beslissingen van de rechter-commissaris ende raadkamer met betrekking tot de voorlopige hechtenis is geregeld inBoek 2 (de artikelen 2.5.60 tot en met 2.5.64).Beslissingen over (schorsing van) de voorlopige hechtenis kunnenevenwel ook, ambtshalve of op vordering van het openbaar ministerie ofop verzoek van de verdachte, tijdens het onderzoek op de terechtzittingworden genomen (de artikelen 1.2.4 en 4.2.6). De appelmogelijkheid voorde verdachte en het openbaar ministerie tegen die beslissingen isopgenomen in Boek 5 bij de algemene bepalingen inzake rechtsmiddelentegen vonnissen, omdat het in dat geval gaat om hoger beroep tegen eentussenvonnis, dat wil zeggen een vonnis dat na de aanvang van hetonderzoek op de zitting en voorafgaand aan het eindvonnis wordengewezen (artikel 1.1.9). Op grond van artikel 5.4.3, tweede lid, – met welkartikel tegemoet wordt gekomen aan een door het OM in zijn advies bij deconsultatieversie van Boek 5 geuite wens – kan zowel de verdachte als hetopenbaar ministerie direct hoger beroep instellen tegen bij tussenvonnisgegeven beslissingen over de voorlopige hechtenis, waaronder beslis-singen die verband houden met schorsing van de voorlopige hechtenis.Dit betekent dat zowel tegen de beslissing om de voorlopige hechteniswel als tegen de beslissing om deze niet te schorsen, beroep kan wordeningesteld. De mogelijkheid direct hoger beroep in te stellen tegen zo’ntussenvonnis betreft een uitzondering op de hoofdregel dat hoger beroeptegen een tussenvonnis alleen gelijktijdig met dat tegen het eindvonnis istoegelaten (artikel 5.4.3, eerste lid). Het gaat hier namelijk om eenbeslissing die direct ten uitvoer wordt gelegd, waardoor het van belang isdat hiertegen direct in beroep kan worden gegaan. Daar komt bij dat heteen beslissing betreft met mogelijk grote gevolgen, zowel bezien vanuitde verdachte als bezien vanuit het openbaar ministerie, dat daarbij ookrekening heeft te houden met de belangen van slachtoffers ennabestaanden (zie ook het antwoord op vraag 557). Dit rechtvaardigt dathiertegen (direct) hoger beroep kan worden ingesteld. Het is uiteindelijkde rechter (in hoger beroep) die beslist of het al dan niet schorsen van devoorlopige hechtenis gerechtvaardigd is.(612) De rapporteurs hebben een vraag over het voorgestelde recht vande benadeelde partij om een zelfstandig hoger beroep bij de strafrechterin te kunnen stellen tegen de afwijzing van haar vordering. Er bestaat veelTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11438 weerstand tegen dit voorstel. De samenwerkende universiteiten zijn inhun rapportage aan de Tweede Kamer kritisch. Het OM (consultatieadvies,p. 6 en verder) vindt dat het zelfstandige appel van de benadeelde partijervoor zorgt dat het slachtoffer een te grote rol in het strafproces krijgt. DeRaad voor de rechtspraak (Rvdr) ontraadt de regeling (consultatieadvies,p. 56 en verder). Ook de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA) ziet eenzelfstandig recht op hoger beroep voor de benadeelde partij niet zitten(consultatieadvies, p. 32 en verder). Kan de regering op deze weerstandreflecteren? Vindt de regering in algemene zin dat het past binnen onsstrafproces dat het slachtoffer als benadeelde partij een zelfstandig rechtop hoger beroep krijgt ten aanzien van diens vordering?612. Voor zover het de behandeling van haar vordering tot schadever-goeding betreft is de benadeelde partij – anders dan het slachtoffer alszodanig (zie het antwoord op vraag 114) – een procespartij binnen hetstrafproces. Daarbij past dat zij zelfstandig een rechtsmiddel kan instellentegen de afwijzing van haar vordering in het eindvonnis, indien devordering meer dan € 1.750 bedraagt. De mogelijkheid voor debenadeelde partij om hoger beroep in te stellen tegen een gehele ofgedeeltelijke afwijzing van haar vordering in het eindvonnis, is daarom inhet nieuwe wetboek niet langer beperkt tot gevallen waarin de verdachteen de officier van justitie geen hoger beroep hebben ingesteld tegen heteindvonnis. Voor de benadeelde partij heeft dit belangrijke voordelen tenopzichte van de geldende regeling, waarin de benadeelde partij alleen ingevallen waarin de verdachte en de officier van justitie geen hoger beroephebben ingesteld tegen het vonnis, zelfstandig tegen de afwijzing vanhaar vordering in hoger beroep kan komen, maar dan bij de civiele rechter(huidige artikel 421, vierde lid). De overgang naar de strafrechtelijke kolombetekent onder meer dat de benadeelde partij niet meer verplicht is zich telaten bijstaan door een advocaat. Verder is ook de beslissing van derechtbank inzake de schadevergoedingsmaatregel voortaan aan hetoordeel van het gerechtshof onderworpen (artikel 5.4.35). De weerstanddie in verschillende consultatieadviezen tot uitdrukking komt heeft inbelangrijke mate – zij het niet uitsluitend – te maken met de aanvankelijkook voorgestelde mogelijkheid om hoger beroep in te stellen tegen deniet-ontvankelijkheid van de vordering (zie het antwoord op vraag 558). Inreactie op deze kritiek is uiteindelijk van de introductie van die laatstemogelijkheid afgezien. Zie in verband met de zorgen die in de consultatie-adviezen zijn geuit over de toename van de werklast het antwoord opvraag 634.(613) De leden van de VVD-fractie lezen in het advies van het OM van24 juli 2018 over de consultatieversie van Boek 5 dat het OM op een aantalonderdelen fundamentele kritiek heeft geuit. Deze leden zullen in hethiernavolgende enkele punten uitlichten, maar willen daaraan vooraf-gaand vragen welke adviezen van het OM ten aanzien van Boek 5 niet inde vaststellingswet zijn gevolgd en op welke onderdelen de adviezen opeen later moment bij de aanvullingswet alsnog kunnen en zullen wordengevolgd. De kritiek is dermate fundamenteel dat het advies wordtafgesloten met de opmerking dat versterking van het voortbouwend appelen de uitbreiding van het grievenstelsel onmisbare stappen zijn en dat devrijblijvendheid die de rechtspraktijk nu al parten speelt, met hetwetsvoorstel niet wordt aangepakt maar juist wordt vergroot door detoevoeging van een aantal vertragende factoren. De voornoemde ledenvragen naar een toelichting van de regering hierop.613. Een belangrijke door het OM geuite zorg bij de consultatieversie vanBoek 5 was dat de voorgestelde regeling te weinig bijdraagt aan hetverkorten van doorlooptijden van de procedure in hoger beroep. Metname de vrijblijvendheid van bepaalde proceshandelingen en hetontbreken van termijnen waarbinnen die verricht moeten worden,ondervond kritiek. In de consultatieversie van Boek 5 waren de indieningTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11439 van de appelschriftuur en de kennisgeving van de ontvangst van deprocesstukken niet aan een termijn gebonden. De verplichting om deverdachte op de hoogte stellen van het door het openbaar ministerieingestelde hoger beroep was vervallen; de verdachte zou via debetekening van de schriftuur hiervan op de hoogte worden gesteld, terwijldeze schriftuur niet meer op een vast moment moest worden betekend.Ook bevatte het wetsvoorstel geen aanscherping van de termijn voor hetintrekken van een rechtsmiddel. Het OM was verder van oordeel dat hetindienen van een schriftuur binnen een standaardtermijn voor deverdachte verplicht moet zijn en uitte zijn misnoegen dat van een striktergrievenstelsel is afgezien (consultatieadvies OM Boek 5, p. 14 tot en met18).De bij Boek 5 uitgebrachte adviezen zijn zorgvuldig bekeken en hebbengeleid tot wijziging van de regeling van het hoger beroep op diversepunten. Ook het advies van het OM heeft tot aanpassingen ten opzichtevan de consultatieversie geleid. Diverse proceshandelingen zijn aan eentermijn gebonden. Bepaald is dat een schriftuur met bezwaren binnentwee weken na het instellen van hoger beroep moet worden ingedienddoor het openbaar ministerie en kan worden ingediend door de verdachte(artikel 5.4.7). Verder bepaalt artikel 5.2.9 dat de officier van justitie diehoger beroep heeft ingesteld tegen een eindvonnis, de verdachte daarvandirect in kennis stelt. De voorzitter van het gerechtshof geeft zo spoedigmogelijk na de ontvangst van de processtukken daarvan kennis aan deverdachte en de advocaat-generaal (artikel 5.4.10). Deze kennisgevingwordt aan de verdachte betekend. Het indienen van een schriftuur en dekennisgeving van de ontvangst van de processtukken aan de verdachte(waarmee de berechting aanvangt) zijn dus niet meer gekoppeld aanelkaar en voor beide gelden er termijnen. Daarnaast is de termijn voor hetintrekken van het hoger beroep aangescherpt, door in artikel 5.4.5 tebepalen dat het ingestelde hoger beroep tot een week nadat de kennis-geving van de ontvangst van de processtukken aan de verdachte isbetekend kan worden ingetrokken. Intrekken vlak voor aanvang van deterechtzitting is dus niet meer mogelijk. Zie hierover ook de antwoordenop de vragen 602 en 603.De mogelijkheid van een verdergaand grievenstelsel is onderzocht, maarhiervan is uiteindelijk afgezien. Er is dus niet gekozen voor een grieven-stelsel waarin de verdachte op straffe van niet-ontvankelijkheid eenschriftuur moet indienen. De verdachte die hoger beroep heeft ingesteld,kan ook mondeling op de terechtzitting bezwaren opgeven (artikel 5.4.27,derde lid). Als de verdachte evenwel geen schriftuur met bezwaren heeftingediend en evenmin op de terechtzitting bezwaren tegen het vonnisheeft opgegeven, of als de verdachte de bij schriftuur opgegevenbezwaren op de terechtzitting niet handhaaft, kan het gerechtshof deverdachte niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep (artikel 5.4.27,derde lid). Zie hierover nader het antwoord op vraag 604.Bij de afweging of tegemoet kan worden gekomen aan kritiek op deregeling moet een balans worden gevonden tussen een vlotte enwerkbare procedure die zo efficiënt mogelijk is ingericht enerzijds en eenmet voldoende rechtswaarborgen omklede en aan de zorgvuldigheid vanbeslissingen bijdragende procedure anderzijds. Dit brengt mee dat de enekeer verdergaande keuzes kunnen worden gemaakt dan de andere keer. Indat laatste geval kunnen wel accenten worden verlegd opdat onnodigevrijblijvendheid wordt weggenomen en vertraging zoveel mogelijk wordtvoorkomen. Hiervan is sprake in de voorgestelde regeling voor het hogerberoep.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11440 (614) De leden van de VVD-fractie lezen bijvoorbeeld dat het OM specifiekheeft verzocht om het toevoegen van een rechtsmiddel tegen debeslissingen van de zittingsrechter over de voorlopige hechtenis, andersdan op vordering van de OvJ. Het gaat volgens het College dan bijvoor-beeld om een beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis, terwijlhet OM zich heeft verzet (en blijft verzetten) tegen de schorsing, omdat hetvluchtgevaar onvoldoende kan worden beperkt met bijzonderevoorwaarden. Deze mogelijkheid wordt in de praktijk door het OM gemist.Kan de regering aangeven hoe dit probleem in het nieuwe Wetboek wordtopgelost?614. In artikel 5.4.3, tweede lid, is geregeld dat de verdachte en hetopenbaar ministerie direct hoger beroep kunnen instellen tegen bijtussenvonnis gegeven beslissingen over de voorlopige hechtenis.Hiermee wordt voldaan aan de door het OM geuite wens in zijn advies bijde consultatieversie van Boek 5.(615) De leden van de VVD-fractie merken op dat in bovengenoemd advieshet College beschrijft dat op een aantal momenten is nagelaten om hetvrijblijvende karakter van de behandeling in hoger beroep in te perken. Devrijblijvendheid van hoger beroep doet volgens het College afbreuk aande doelmatigheid van het strafprocesrecht. Zo wordt de voorzitter die eenkennisgeving laat uitgaan zodra de processtukken zijn ontvangen, nietgebonden aan een termijn. Kan de regering op deze kritiek reageren?615. In de consultatieversie van Boek 5 was bepaald dat de voorzitter vanhet gerechtshof, nadat de griffiemedewerker van de rechtbank de stukkenvan het geding ter beschikking heeft gesteld, daarvan kennisgeeft aan deverdachte en de officier van justitie. Die kennisgeving was niet aan eentermijn gebonden. Mede in het licht van de adviezen is dit voorschriftaangepast en bepaalt het nieuwe wetboek dat de voorzitter van hetgerechtshof zo spoedig mogelijk na de ontvangst van de processtukkendaarvan kennisgeeft aan de verdachte en de advocaat-generaal(artikel 5.4.10). Deze kennisgeving wordt aan de verdachte betekend endoor de betekening vangt de berechting aan. De term «zo spoedigmogelijk» brengt tot uitdrukking dat voortvarend handelen van devoorzitter wordt verwacht ten aanzien van de kennisgeving van deontvangst van de processtukken aan de verdachte en de advocaat-generaal. Deze kennisgeving is niet meer gekoppeld aan de betekeningvan de schriftuur van het openbaar ministerie aan de verdachte, zoals inde consultatieversie het geval was.Zie voor de andere kritische opmerkingen die het OM heeft gemaakt overde vrijblijvendheid van het hoger beroep zoals voorgesteld in deconsultatieversie van Boek 5 en de opvolging die aan die opmerkingen isgegeven, het antwoord op vraag 613.(616) Kan de regering in het verlengde hiervan ook aangeven waarom hetindienen van een schriftuur voor de verdachte facultatief blijft (zoals onderandere is vermeld in artikelen 5.4.3 en 5.4.7) en waarom is afgezien vanhet strikter grievenstelsel zoals dat werd voorgesteld in de contou-rennota? Deze leden merken op dat de memorie van toelichting weliswaarzeer kort hierop in gaat, maar achten het van belang dat inzichtelijkerwordt gemaakt hoe het belang van verkorting van de doorlooptijden indeze beslissing is meegewogen. Zij merken op dat het voor de verdachtedie hoger beroep aantekent, niet te veel is gevraagd om, zoals in degevallen waarin de OvJ in appel gaat, een schriftuur met bezwaren in tedienen, waarbij uiteraard rekening moet worden gehouden metverdachten die geen gebruik maken van hun recht op rechtsbijstand.616. Zie het antwoord op de vragen 604 en 613.(617) De leden van de VVD-fractie lezen in artikel 5.4.10 dat de berechtingin hoger beroep aanvangt door kennisgeving van ontvangst van deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11441 processtukken die de advocaat-generaal aan de verdachte betekent. Nadatde voorzitter van het gerechtshof heeft geïnventariseerd of de zaakvoldoende is voorbereid om op de terechtzitting te worden behandeld,gaat hij over tot dagbepaling (artikel 5.4.12). Daarna volgt een (door deadvocaat-generaal te betekenen) oproeping voor de terechtzitting(artikel 5.4.15). Deze leden merken op dat deze bepalingen volgens deregering zullen leiden tot een grote werklastverzwaring voor het OM. Deomvang hiervan kan echter volgens de bijlage over de structureleuitvoeringsconsequenties van het nieuwe Wetboek niet worden gekwanti-ficeerd. Kan de regering hier nader op in gaan?617. Bij de totstandkoming van het nieuwe wetboek is doorlopend ooggeweest voor de uitvoeringsconsequenties daarvan. In de loop van 2023is het onderzoek naar de uitvoeringsconsequenties in ketenverbandvoortgezet en is het bestaande beeld verder geconcretiseerd. Deinschatting van de artikelen 5.4.10 en volgende is door het OM in dieperiode aldus bijgesteld dat er geen werklasteffecten meer wordenverwacht door deze regeling.(618) Waarom leiden deze bepalingen tot verzwaring van de werklast bijhet OM en waarom kan deze werklastverzwaring niet nader in kaartworden gebracht en worden gekwantificeerd?618. Zie het antwoord op vraag 617.(619) Kan de regering naast deze werklastverzwaring ook de werklastver-lichtingen nader in kaart brengen die worden verwacht bij het OM en derechtspraak als gevolg van de invoering van Boek 5?619. Tijdens de totstandkoming van het nieuwe wetboek is er doorlopendoog geweest voor de uitvoeringsconsequenties daarvan, zowel voorverlichtingen als verzwaringen. Daarbij is ook gekeken naar de werklast-verlichtingen als gevolg van de invoering van Boek 5. Uit de opgedaneinzichten kan worden opgemaakt dat nauwelijks werklastverlichtingenworden verwacht bij het openbaar ministerie als gevolg van de invoeringvan Boek 5. Voor de rechtspraak wordt vooralsnog wel een werklastver-lichting verwacht in relatie tot artikel 5.4.44. Momenteel vindt er bij derechtspraak een herijking plaats van de uitvoeringsconsequenties, ook tenaanzien van Boek 5. Gelet op het feit dat deze herijking nog niet isafgerond, zijn hierover nog geen definitieve conclusies te trekken tenaanzien van de concrete uitvoeringsconsequenties. Zoals aangegeven inde memorie van toelichting wordt een integraal inzicht gegeven in dememorie van toelichting bij de invoeringswet.(620) De leden van de GL-PvdA-fractie lezen dat het verlofstelsel vanartikel 410a Wetboek van Strafvordering (Sv) komt te vervallen. Daarmeekomt de mogelijkheid te vervallen dat de rechter in kleine zaken kanbesluiten dat het hoger beroep buiten behandeling wordt gelaten. Hoewelde aan het woord zijnde leden begrijpen dat ook in zogenaamde kleinezaken, zeker als die voor verdachte een grote impact hebben, toch hogerberoep mogelijk moet zijn vragen zij wat het vervallen van het verlof-stelsel kan betekenen voor de belasting van de rechtspraak. Kan deregering hier nader op in gaan?620. Door de Rdvr is in zijn advies over de consultatieversie van Boek 5opgemerkt dat het afschaffen van het verlofstelsel tot zowel verminderingals vermeerdering van de werklast voor de rechtspraak leidt. Door deafschaffing zal de bewijsconstructie in alle vonnissen waartegen hogerberoep is ingesteld uitgewerkt moeten worden. Dit is een werklastver-meerdering omdat vonnissen die onder het verlofstelsel vallen op ditmoment bij het instellen van appel niet uitgewerkt worden. Het gaat omongeveer 1.600 relatief lichte strafzaken per jaar die onder het verlofstelselvallen. Aan de andere kant betekent de afschaffing ook dat hetgerechtshof niet langer moet beoordelen of verlof moet worden verleend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11442 Dat is een werklastvermindering in die zaken waarin het verlof wel zouworden verleend, want als geen beoordeling meer nodig is kan directworden overgegaan tot een inhoudelijke behandeling. Dat betekent dusook een kortere behandeltijd van de zaak. Volgens de Rvdr zou dit laatstevoor twee derde deel van de verlofzaken, dus ruim 1000 zaken gelden.Voor het resterende een derde deel heeft het achterwege laten van eenverlofbeoordeling een verschuiving van zaken tot gevolg van (minder)raadkamerzaken waarin wordt opgekomen tegen een negatieve verlofbe-slissing naar (meer) reguliere strafzaken. Deze zaken zullen wel veelalenkelvoudig worden behandeld, omdat zij in de regel minder complexzullen zijn (consultatieadvies Rvdr Boek 5, p. 87).Ook deze door de Rvdr voorziene werklastgevolgen zijn meegewogen inde keuze om het verlofstelsel niet te doen terugkeren in het nieuwewetboek. Aan die keuze liggen immers niet alleen juridische overwe-gingen ten grondslag, waarop in de memorie van toelichting nader wordtingegaan, maar ook praktische.Een van deze praktische overwegingen is dat het tijdbesparende effectvan het verlofstelsel gering is gebleken. De rechter die over het verlofmoet oordelen zal eerst het dossier moet bestuderen om te kunnenbeoordelen of verlof moet worden verleend, omdat het belang van eengoede rechtsbedeling behandeling van de zaak vereist. Komt hij tot debeslissing dat verlof wordt verleend, dan wordt de zaak alsnog inhoudelijkbehandeld. In deze zaken (en dat is zoals gezegd twee derde deel van deverlofzaken) betekent het achterwege laten van een verlofbeoordeling,zoals de Rvdr opmerkt, een werklastvermindering en kortere behandeltijdvan die zaken. Maar ook als geen verlof wordt verleend – en dit betreftzoals gezegd het resterende een derde deel van de verlofzaken –, maaktdie beslissing geen significant verschil voor de werklast van de recht-spraak. In de eerste plaats omdat de beslissing tot het niet verlenen vanverlof wel van een motivering moet worden voorzien die – als het eropaankomt – een toets door het EHRM en het VN-Mensenrechtencomité kandoorstaan, nu de beslissing om geen verlof te verlenen door dezeinstanties enkele malen in strijd is geoordeeld met artikel 6 EVRMonderscheidenlijk artikel 14 IVBPR. Daarnaast gaat het bij verlofzaken,zoals ook de Rvdr in zijn advies opmerkt, vooral om eenvoudige zaken diezich goed lenen voor behandeling door een enkelvoudige kamer. Er ismeestal niet veel zittingstijd nodig en de rechter kan volstaan met eenmondelinge uitspraak. Een «gewone» appelbehandeling op de terecht-zitting kost dus niet veel tijd, waardoor de tijdwinst die het niet verlenenvan verlof in deze zaken oplevert gering is. Daar komt nog bij dat hetaantal zaken dat onder het verlofstelsel valt de laatste jaren afneemt. Dezeafname hangt samen met de omstandigheid dat sinds de invoering van deWet OM-afdoening meer strafzaken buitengerechtelijk worden afgedaan.Tegen deze achtergrond is de verwachting gerechtvaardigd dat hetafschaffen van het verlofstelsel per saldo geringe invloed zal hebben opde belasting van de rechtspraak.(621) De leden van de GL-PvdA-fractie hebben ook vragen bij de voorge-stelde verruiming van de mogelijkheid om direct hoger beroep in tekunnen stellen tegen beslissingen over voorlopige hechtenis. Naar dezeleden begrijpen is deze verruiming vooral ingegeven door de wens vanhet OM om te kunnen voorkomen dat in hun ogen ongewenste vrijla-tingen van verdachten gebeuren. De aan het woord zijnde leden vragende regering welke gevolgen voor de praktijk van de voorlopige hechtenisdaarmee worden verwacht. Komen of blijven er naar verwachtinghierdoor meer dan nu het geval is verdachten in voorlopige hechtenis?Acht de regering dat een gewenst gevolg van deze wetswijziging?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11443 621. Om het gebruik van alternatieven voor vrijheidsbeneming testimuleren krijgt de krijgt de rechter de wettelijke opdracht om in allegevallen waarin hij de voorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, nate gaan of schorsing van de voorlopige hechtenis, al dan niet ondervoorwaarden, onmiddellijk of na een bepaald tijdsverloop mogelijk is(artikel 2.5.31). Met dit voorstel is een kwalitatief hoogwaardige afwegingvan (en motivering door) de officier van justitie en de rechter beoogd,waarbij in elke strafzaak de mogelijkheid van alternatieven voorvoorlopige hechtenis wordt onderzocht.De mogelijkheid om direct hoger beroep in te stellen tegen bij tussen-vonnis gegeven beslissingen over de voorlopige hechtenis komt toe aanzowel de verdachte als het openbaar ministerie. Dit is gerechtvaardigd nuhet gaat om een beslissing met mogelijk grote gevolgen, zowel bezienvanuit de verdachte als bezien vanuit het openbaar ministerie, dat daarbijook rekening heeft te houden met de belangen van slachtoffers ennabestaanden (zie ook het antwoord op vraag 557). Het is de rechter dieuiteindelijk oordeelt over de voorlopige hechtenis. Om deze redenenbestaat geenszins de verwachting dat tegen meer verdachten voorlopigehechtenis zal worden bevolen of dat zij langer in voorlopige hechteniszullen blijven.(622) De aan het woord zijnde leden zouden erop willen wijzen dat deNederlandse praktijk van voorlopige hechtenis toch al onderwerp vankritiek is, bijvoorbeeld als het gaat om het aantal in voorlopige hechtenisverblijvende gedetineerden of de wijze waarop rechterlijke beslissingenover voorlopige hechtenis worden gemotiveerd. Bovendien menen de aanhet woord zijnde leden dat voordat er tot relatief zware vrijheidsbene-mende maatregelen wordt overgegaan er eerst gekeken zou moetenworden naar alternatieven zoals een elektronische enkelband. Kan deregering hier in het kader van de voorgenomen verruiming van het hogerberoep nader op in gaan?622. Het klopt dat er kritiek bestaat op de veelvuldige toepassing van devoorlopige hechtenis in Nederland. Deze kritiek richt zich vooral op detoepassing van de wettelijke regeling van de voorlopige hechtenis in depraktijk. Die regeling op zichzelf bezien is in de wet met wezenlijkewaarborgen omgeven. Wel wordt naar aanleiding van de kritiek voorge-steld om het toepassen van alternatieven voor voorlopige hechtenis zowelin de wet als in het beleid een betere inbedding te geven. De rechter krijgtde wettelijke opdracht om in alle gevallen waarin hij de voorlopigehechtenis van de verdachte beveelt, na te gaan of schorsing van devoorlopige hechtenis, al dan niet onder voorwaarden, onmiddellijk of naeen bepaald tijdsverloop mogelijk is (artikel 2.5.31). Hiermee wordt deinzet van alternatieven voor vrijheidsbeneming bevorderd. Ten aanzienvan jeugdige verdachten was dit al geregeld (het huidige artikel 493). Inhet kader van die schorsing kan toepassing worden gegeven aanalternatieven voor vrijheidsbeneming. Die alternatieven, in de vorm vanaan de schorsing te verbinden voorwaarden, worden in de wet verankerd(artikel 2.5.33). Aan die voorwaarden kan tevens elektronisch toezichtworden verbonden.(623) De leden van de GL-PvdA-fractie lezen dat voorgesteld wordt dat inhet geval van beroep de regel wordt dat het onderzoek van het Hof zichmet name gaat richten op de bezwaren die tegen het eerdere vonnis zijngemaakt. Daarmee hoeft dus niet de hele eerdere strafzaak onderwerp vanhet beroep te worden, maar gaat het beroep meer op een grievenstelsellijken. Dat brengt met zich mee dat van de verdediging wordt verwachtdat die de desbetreffende bezwaren tegen het vonnis formuleert om in hetberoep aan de orde te kunnen stellen. Dit vergt, zo menen de aan hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11444 woord zijnde leden, een meer actieve rol van de verdediging dan tot nutoe nu toe het geval is en vergt meer kennis bij de verdediging.623. Een hoger beroep procedure waarbij het gerechtshof zijn onderzoekvooral richt op de bezwaren tegen het eindvonnis is, gezien het feit dat hethuidige wetboek al een voortbouwend appel kent, niet nieuw (zie hieroverhet antwoord op vraag 604). Van de verdediging wordt met het oog op debehandeling in hoger beroep zoals vormgegeven in het nieuwe wetboekniet meer gevergd dan onder het huidige wetboek, omdat, zoals in hetantwoord op vraag 604 is opgemerkt, bewust niet is gekozen voor eengrievenstelsel waarin de verdachte op straffe van niet-ontvankelijkheideen schriftuur moet indienen. De verdachte of zijn raadsman mag eenschriftuur met bezwaren indienen, maar deze schriftuur is niet uitputtendomdat het mogelijk blijft om op de terechtzitting andere bezwaren op tegeven, de al opgegeven bezwaren nader toe te lichten, of voor het eerstbezwaren kenbaar te maken.(624) Deze leden achten dit met name kwetsbaar in het geval de verdachtezich niet door een advocaat laat bijstaan. Die verdachte is dan mogelijkniet goed in staat om de bezwaren tegen het vonnis goed te verwoorden.Weliswaar moet het Hof als de verdachte geen bezwaren heeft opgegevendaarover doorvragen en kan het Hof ook buiten de bezwaren ombeslissen. Toch vragen de aan het woord zijnde leden of dit wel genoeg isom de verdachte een evenwichtige partij tegenover het OM te laten zijn.Daarmee komt naar de mening van deze leden de positie van deverdachte in het hoger beroep in het geding. Zij zijn daarom van meningdat een verdachte in hoger beroep verplicht zou moeten wordenbijgestaan door een advocaat. Kan de regering nader op deze overwe-gingen in gaan?624. Van de verdachte zonder raadsman wordt geen juridisch (onder-bouwd) betoog verwacht. Veel verdachten zijn in staat om zonder bijstandvan een raadsman, in eigen woorden aan te geven waarom zij hogerberoep hebben aangetekend. Voldoende is dat de verdachte voor of bijaanvang van het onderzoek op de terechtzitting kenbaar maakt waaromhij niet eens is met de beslissingen die de rechtbank in zijn zaak heeftgenomen, zodat het gerechtshof weet welke punten in ieder geval terdiscussie staan en onderwerp van bespreking tijdens het onderzoek op deterechtzitting moeten zijn.Zie over het verplicht stellen van rechtsbijstand in hoger beroep hetantwoord op vraag 606.De leden van de NSC-fractie achten het positief dat het verlofstelsel wordtafgeschaft. Ook het verstrekken van de regie aan de voorzitter (van hetHof) over de voorbereiding van de terechtzitting vinden deze leden eenpositieve ontwikkeling. Onder regie van de voorzitter kan overleg wordengevoerd met de advocaat-generaal en de verdachte, kunnen schriftelijkstandpunten worden uitgewisseld, kan een regiezitting worden bepaald,nader onderzoek worden bevolen en/of getuigen of deskundigen op deterechtzitting worden opgeroepen.De leden van de NSC-fractie nemen met belangstelling kennis van dewijziging naar een systeem waarbij het Hof in beginsel (alleen) eenbeslissing neemt op de ingebrachte bezwaren tegen het vonnis endaardoor overgaat op een correctief appel met een grievenstelsel. Dezeleden onderstrepen het belang dat dit grievenstelsel niet strikt is, maar hetHof in staat stelt om altijd buiten de bezwaren om ambtshalve eenbeslissing te vernietigen als het daarvoor een reden ziet.(625) De leden van de D66-fractie lezen dat het in het voorstel mogelijkwordt voor verdachten om tegen een vrijspraak in hoger beroep te gaan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11445 Ook constateren zij bijvoorbeeld dat het verlofstelsel van het huidigeartikel 410a Sv vervalt. Deze leden merken op dat dit positieve voorstellenzijn voor de positie van de verdachte. Wel vragen zij of de regeringverwacht dat hierdoor veel extra hoger beroepen moeten wordenbehandeld ten opzichte van de huidige situatie. Kan de regering hieropreflecteren en aangeven of zij verwacht dat dit invloed zal hebben op dedoorlooptijden bij gerechtshoven?625. Zie voor het antwoord op de vraag of het afschaffen van hetverlofstelsel naar verwachting ertoe zal leiden dat veel extra hogerberoepen moeten worden behandeld ten opzichte van de huidige situatiehet antwoord op vraag 620.Over de in het nieuwe wetboek opengestelde mogelijkheid voorverdachten om hoger beroep in te stellen tegen een vrijspraak, wordt hetvolgende opgemerkt. De verdachte zal er zelden belang bij hebben omhoger beroep in te stellen tegen een vrijspraak, maar zal in voorkomendgeval baat kunnen hebben bij dit rechtsmiddel, bijvoorbeeld omdat derechtbank heeft vastgesteld dat wel een strafbaar feit is begaan en deonttrekking aan het verkeer van inbeslaggenomen voorwerpen heeftbevolen of omdat de vrijspraak het gevolg is van de uitsluiting vanonrechtmatig verkregen bewijsmateriaal, terwijl de verdachte meent datniet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie moest volgen.Hierbij gaat het om vrij uitzonderlijke gevallen, zodat de verwachtinggerechtvaardigd is dat het instellen van hoger beroep door de verdachtetegen een vrijspraak uitzonderlijk zal zijn en dat het aantal hoger beroependat als gevolg hiervan moet worden behandeld daarom zeer beperkt.(626) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de nieuweinsteek van het appel, zoals omschreven in het voorgestelde artikel 5.4.29.Deze leden begrijpen uit de memorie van toelichting dat het gerechtshofin beginsel op basis van de bezwaren tegen beslissingen van de rechtbankbeoordeelt of het vonnis moet worden vernietigd. Echter, het gerechtshofkan ook ambtshalve tot het oordeel komen dat vernietiging van eenbeslissing aangewezen is. Deze leden lezen in de memorie van toelichtingdat het gerechtshof een zekere mate van vrijheid heeft bij het bepalen vande mate waarin niet bestreden beslissingen worden gecontroleerd. Is hetde bedoeling van de regering er met deze bepaling voor te zorgen dat dehoger beroepsrechter een minder actieve opstelling aanneemt en degrieven bepalend laat zijn? Zo ja, wat betekent dit volgens de regeringvoor verdachten die zonder advocaat procederen en zelfstandig dezegrieven moeten formuleren? Moeten hoger beroepsrechters er volgens deregering rekening mee houden of een verdachte zich bij het formulerenvan de grieven heeft laten bijstaan of niet?626. Zie voor een antwoord op deze vragen de antwoorden op de vragen607 en 608.(627) De leden van de ChristenUnie-fractie hechten aan een gedegenrechtsbescherming van de verdachte. Zij zien dat zowel de AfdelingAdvisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) als de NOvAzorgen hebben over de positie van de verdachte indien deze geenraadsman heeft. Zij herkennen hierbij wat de Afdeling zegt: de vraag isniet alleen of de verdachte voldoende rechten heeft, maar ook of hij instaat is deze daadwerkelijk uit te oefenen. De beweging om meermogelijkheden, maar daarmee ook verantwoordelijkheden neer te leggenbij de verdachte in het hoger beroep heeft hiermee een kwetsbaarheid inzich. Hoe weegt de regering de zorg van de Afdeling ten aanzien vanverdachten met een verminderd doenvermogen wanneer deze geenraadsman hebben – hetgeen ook invloed heeft op de waarheidsvinding?Deze leden zijn zoekende of bij een hoger beroep bijstand van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11446 raadsman niet verplicht zou moeten zijn. Zij vragen de regering op eenreflectie op dit punt.627. De inkleding van het hoger beroep als een voortbouwend appel, datgeen doublure is van de berechting in eerste aanleg maar wordt ingerichtin lijn met de beslispunten die in appel voorliggen, past in het heden-daagse «contradictoir» strafproces. Daarmee wordt geen wijziginggebracht in de actieve rol van de rechter en zijn verantwoordelijkheid voorde volledigheid van het onderzoek op de terechtzitting en de juistheid vande genomen beslissingen (zie daarover het antwoord op vraag 452). Vande verdediging wordt met het oog op de behandeling in hoger beroepzoals vormgegeven in het nieuwe wetboek niet meer gevergd dan onderde huidige wet (zie het antwoord op de vragen 604 en 623). Bij de rechteren niet de verdachte ligt de verantwoordelijkheid om erop toe te zien datde verdachte een eerlijk proces krijgt en dat hij zijn verdedigingsrechten(zoals het recht om processtukken in te zien) kan uitoefenen, ook als dieverdachte geen rechtsbijstand geniet.Tijdens de behandeling van de zaak in hoger beroep zal het gerechtshofbijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachteindien deze niet van rechtsbijstand is voorzien, bijvoorbeeld door heminformatie te verstrekken die voor zijn verdediging van belang is of goeddoor te vragen welke bezwaren bij de verdachte leven tegen heteindvonnis in eerste aanleg. Voor het doorvoeren van verplichte rechtsbij-stand in hoger beroep bestaat geen aanleiding en daartegen bestaan ookbezwaren. Zie het antwoord op vraag 606. Dit neemt niet weg dat het«doenvermogen» van burgers ontoereikend kan zijn om (zonder rechtsbij-stand) zelfstandig te participeren in het strafproces. Dit kan, waar het gaatom een verdachte, in de weg staan aan het voeren van een adequateverdediging en daarmee ook een eerlijk proces. Daarom is voor enkelespecifieke categorieën verdachten bepaald dat geen afstand van het rechtop rechtsbijstand kan worden gedaan en geldt daarnaast dat voorverdachten in een aantal gevallen op grond van de wet een raadsmanwordt aangewezen. Zie ook daarover het antwoord op vraag 606. Het is deverantwoordelijkheid van de overheid om de toegang tot de rechter tewaarborgen en het uitoefenen van verdedigingsrechten te faciliteren. Ditvergt enerzijds een heldere wettelijke regeling van rechten en anderzijdsondersteuning bij het effectueren van die rechten in de praktijk.(628) De leden van de ChristenUnie-fractie vragen daarnaast hoe het staatmet het onderzoek naar het verruimen van de mogelijkheid tot rechtsbij-stand voor verdachten bij het indienen van verzoeken bij de rechter-commissaris. Voorts vragen genoemde leden of inmiddels in debenodigde budgettaire mogelijkheden is voorzien in het borgen van hetrecht op gefinancierde rechtsbijstand in verband met het politieverhoorvan de niet-aangehouden kwetsbare verdachte.628. Zie de antwoorden op de vragen 93, 253 en 366.4.2 Hoger beroep in het geval van verbonden vorderingen (629) De leden van de VVD-fractie vragen waar de 1.750 euro inartikel 5.4.35 op is gebaseerd.629. Op grond van het huidige artikel 421, vierde lid, kan de benadeeldepartij tegen het deel van het vonnis waarbij haar vordering is afgewezenin hoger beroep komen, indien geen hoger beroep is ingesteld door deverdachte of de officier van justitie. In dat geval wordt de vorderingbehandeld alsof ze ook in eerste aanleg door de civiele rechter wasbeoordeeld. De bepalingen van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvor-dering inzake het rechtsgeding in hoger beroep zijn dan van overeenkom-stige toepassing. Die bepalingen brengen mee dat geen hoger beroepopen staat als de vordering niet meer dan € 1.750 bedraagt (zie artikel 332Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11447 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In de nieuwe regelingwordt het hoger beroep behandeld door de strafkamer van hetgerechtshof; de bestaande appelgrens van € 1.750 blijft daarbij evenwelgehandhaafd. In het belang van de rechtseenheid en de rechtsgelijkheidligt het in de rede om hier aan te sluiten bij de drempel die in het civielerecht wordt gehanteerd.(630) Ook vragen zij nader toe te lichten waarom is afgezien van demogelijkheid van hoger beroep voor de benadeelde partij in eerste aanlegwanneer de vordering niet-ontvankelijk is verklaard. Dit was wel voorzienin de consultatieversie van Boek 5.630. Zie de antwoorden op de vragen 558 en 612.(631) Waarom bestaan er straks twee aparte rechtsgangen in hogerberoep voor de afwikkeling van vorderingen van benadeelde partijen? Isdat niet eenvoudiger op te lossen?631. Net als in eerste aanleg wordt ook in hoger beroep onderscheidgemaakt tussen vorderingen waarop na voeging in het strafprocesinhoudelijk kan worden beslist (door deze toe- of af te wijzen) envorderingen die niet-ontvankelijk worden verklaard, omdat deze eenonevenredige belasting opleveren voor de behandeling van de zaak(artikel 1.5.11, tweede lid). De laatste categorie vorderingen kanvervolgens bij de burgerlijke rechter worden aangebracht. Tegen dezeachtergrond ligt het in de rede dat de benadeelde partij bij de strafrechterhoger beroep kan instellen tegen de afwijzing van haar vordering, omdatdeze vordering dan inhoudelijk is beoordeeld door de stafrechter enblijkbaar niet te complex is om binnen het strafproces te behandelen. Debehandeling van complexe vorderingen blijft vooralsnog voorbehoudenaan de burgerlijke rechter. De voorgestelde regeling is in zoverre nietminder eenvoudig dan die in het huidige wetboek. Zie ook het antwoordop vraag 450 en vraag 632 over het eventueel opnemen van eenafgesplitste procedure voor complexe vorderingen van benadeeldepartijen.(632) Deze leden vragen de regering bij de beantwoording van dezevragen ook nader in te gaan op hoe de adviezen van de CommissieDonner worden verwerkt in Boek 5.632. In 2021 heeft de Commissie onderzoek stelsel schadevergoeding voorslachtoffers van strafbare feiten (de «Commissie Donner») haar adviesuitgebracht, getiteld «Op verhaal komen» (Kamerstukken II 2020/21,33 552, nr. 83). De beleidsreactie op het advies is op 2 juni 2023 aan deTweede Kamer aangeboden (Kamerstukken II 2022/23, 33 552/29 279,nr. 111). De commissie doet een aantal aanbevelingen over de behan-deling van de vordering van de benadeelde partij binnen het strafproces.Dit betreft onder meer de introductie van de mogelijkheid van afsplitsingvan complexe vorderingen van benadeelde partijen en behandelingdaarvan door een aparte schadevergoedingskamer. Op de adviezen vande Commissie Donner is ook ingegaan in de antwoorden op de vragen 27,535 en 546. In het antwoord op vraag 450 is toegelicht dat en waarom inhet kader van dit wetsvoorstel vooralsnog is afgezien van het opnemenvan een afgesplitste procedure voor complexe vorderingen vanbenadeelde partijen. In Boek 4 is nu een afdeling gereserveerd waarin opeen later moment alsnog een regeling kan worden opgenomen voor deafzonderlijke behandeling van een complexe vordering tot schadever-goeding van de benadeelde partij, die naar huidig recht niet-ontvankelijkzou worden verklaard. Op dat moment kan in Boek 5 aan de benadeeldepartij ook het recht worden toegekend om hoger beroep in te stellen tegende afwijzing van haar vordering door de schadevergoedingskamer in hetkader van de afgesplitste procedure.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11448 De consultatieversie van Boek 5 kende aan de benadeelde partij nietalleen het recht toe zelfstandig hoger beroep in te stellen tegen deafwijzing van haar vordering, maar ook tegen deniet-ontvankelijkverklaring van de ingediende vordering. Naar aanleidingvan de kritiek die op dit voornemen werd geuit, is daarvan uiteindelijkafgezien (zie het antwoord op vraag 558).(633) De leden van de VVD-fractie vragen naar een nadere motivering vande keuze de enkelvoudige kamer niet wettelijk bevoegd te verklaren tothet opleggen van een gevangenisstraf van meer dan een jaar. Deze ledenstellen dat hierdoor weliswaar wordt aangesloten bij de enkelvoudigekamer in eerste aanleg, maar zien hier een gemiste kans voor hetverkorten van de doorlooptijden in hoger beroep. De behandeling inhoger beroep van een strafzaak waar een rechtbank bijvoorbeeld tweejaar gevangenisstraf heeft opgelegd, heeft ook een ander karakter dan debehandeling van dezelfde zaak in eerste aanleg. Het dossier is in hogerberoep al compleet en de relevante feiten en omstandigheden zijn al ineerste aanleg dan al aan de orde geweest en de zaak is behandeld doordrie rechters. Gelet op de hoge doorlooptijden in hoger beroep achtendeze leden het van belang dat de regering deze keuze heroverweegt enbijvoorbeeld de enkelvoudige kamer in hoger beroep bevoegd maakt tothet opleggen van een gevangenisstraf van drie of vijf jaar. Kan deregering hierop reageren?633. In de gestelde vraag wordt terecht aandacht gevraagd voor hetbenutten van mogelijkheden om de doorlooptijden in hoger beroep tebekorten. Daartoe zijn in de regeling van de bevoegdheid van deenkelvoudige kamer in hoger beroep enkele wijzigingen aangebracht diemeebrengen dat meer zaken in hoger beroep enkelvoudig zullen kunnenworden berecht.In het nieuwe wetboek blijft het opleggen van een gevangenisstraf vanmeer dan een jaar in eerste aanleg (net als in het huidige recht) voorbe-houden aan een meervoudige kamer (artikel 4.5.2). Ook de raadkamer dieoordeelt over een vordering strekkende tot vrijheidsbeneming van meerdan een jaar, is meervoudig samengesteld (artikel 1.2.13, eerste lid,onderdeel c). Dit is te beschouwen als een belangrijke waarborg bij deoplegging of de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbeneming van zo’nlange duur.In lijn hiermee is nu ook voor de enkelvoudige kamer in hoger beroepbepaald dat zij niet bevoegd is tot het opleggen van een gevangenisstrafvan meer dan een jaar, de maatregel van terbeschikkingstelling of demaatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders(artikel 5.4.43). Het ligt namelijk niet in de rede de enkelvoudige kamer inhoger beroep een ruimere bevoegdheid tot strafoplegging toe te kennendan de politierechter in eerste aanleg. De behandeling in hoger beroepheeft weliswaar een voortbouwend karakter, waarbij de rechter inbeginsel kan uitgaan van het onderzoek in eerste aanleg en zich kanrichten op de bezwaren tegen het vonnis die naar voren zijn gebracht doorde officier van justitie en/of de verdachte (zie het antwoord op vraag 559),maar de belangen die op het spel staan zijn even zo groot, en het betreftde laatste beoordeling in feitelijke instantie. De bevoegdheid van deenkelvoudige kamer heeft enerzijds betrekking op de strafeis en strafmaat,en anderzijds op de eenvoud van de zaak ten aanzien van de bewijs- en destraftoemetingsvragen. In zaken waarin een rechtbank een hogeregevangenisstraf heeft opgelegd dan een jaar, gaat het naar verwachtingeerder en vaker om een ingewikkeldere zaak en zullen de tegen het vonnisingebrachte bezwaren eerder en vaker kunnen zien op meer ingewikkeldeaspecten. Onderscheidende criteria aan de hand waarvan kan wordenbepaald of een zaak ingewikkeld is, zijn moeilijk te geven. Dit kan gelegenzijn in een samenstel van factoren, zoals een ontkennende verdachte,tegenstrijdige getuigenverklaringen, gebruik van meer specifiekeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11449 opsporingsbevoegdheden of psychiatrische of psychologischerapportage. Dergelijke factoren spelen, al dan niet in combinatie, vakereen rol in zwaardere strafzaken.Hoe meer er voor de verdachte op het spel staat, bijvoorbeeld doordateen hoge straf of een vrijheidsbenemende maatregel zoals terbeschikking-stelling kan worden geëist en opgelegd, hoe grondiger de behandelingvan de strafzaak moet plaatsvinden; een relatief korte behandeling dooreen enkelvoudige kamer is dan niet gepast. Voor de politierechter is naeen uitvoerig parlementair debat, mede aan de hand van ter zake verrichtonderzoek, voorzien in de bevoegdheid tot het opleggen van eengevangenisstraf van niet meer dan een jaar (Stb. 2002, 355). Er zijn geendragende argumenten om voor de behandeling van de enkelvoudigekamer in hoger beroep van dit uitgangspunt af te wijken. Daarom is desanctiebevoegdheid van de politierechter en de enkelvoudige kamer inhoger beroep gelijkgetrokken. Daarmee wordt tot uitdrukking gebracht datenkelvoudige behandeling van zaken in eerste aanleg en in hoger beroepin beginsel mogelijk is voor vergelijkbare zaken wat betreft strafmaat eneenvoud, waarbij verwijzing naar de meervoudige kamer overigens altijdmogelijk blijft (zie het antwoord op vraag 635).Daarnaast is bepaald dat een zaak in hoger beroep kan worden behandelddoor de enkelvoudige kamer indien zij van eenvoudige aard is, in hetbijzonder ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, en dezaak in eerste aanleg is behandeld door een enkelvoudige kamer(artikel 5.4.43). Indien de zaak in eerste aanleg door een enkelvoudigekamer is behandeld en deze aan de verdachte een straf of maatregel heeftopgelegd, wordt de verdachte dus in beginsel opgeroepen voor eenenkelvoudige kamer van het gerechtshof (artikel 5.4.44). Daarbij vervalt debeperking dat sprake moet zijn van een opgelegde gevangenisstraf vanniet meer dan zes maanden. Door deze laatstgenoemde twee wijzigingenzullen (veel) meer zaken in hoger beroep enkelvoudig kunnen wordenbehandeld dan in de huidige praktijk, wordt rechterlijke capaciteitvrijgespeeld en kunnen ook de doorlooptijden worden verkort (zie hetantwoord op vraag 635).(634) De leden van de GL-PvdA-fractie lezen dat de benadeelde partij demogelijkheid gaat krijgen om zelfstandig hoger beroep in te stellen als devordering meer dan 1.750 euro bedraagt. Uit veel van de reacties op hetconceptwetsvoorstel blijkt dat het niet voor iedereen vanzelfsprekend isdat deze mogelijkheid wordt toegevoegd. Kan de regering nader op diereacties ingaan en daarbij tevens aangeven wat de gevolgen voor hetaantal beroeps- en cassatiezaken zullen zijn?634. Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat een benadeelde partijzelfstandig hoger beroep en cassatieberoep instelt en dus niet meerafhankelijk is van het instellen van hoger beroep of cassatieberoep doorde verdachte of het openbaar ministerie. Zie over de reacties op dezevoorgestelde mogelijkheid en de wijze waarop daarmee in de voorge-stelde regeling rekening is gehouden de antwoorden op de vragen 558 en612. Een inschatting van het aantal zaken waarin gebruik wordt gemaaktvan een rechtsmiddel dat er nu nog niet is, kan alleen plaatsvinden opbasis van veronderstellingen. Momenteel wordt ingeschat dat het gaat omcirca 150 extra beroepen. Het daadwerkelijke aantal zal uiteraard sterkafhangen van het aantal (in beroep) toegewezen vorderingen. Om eengoed beeld te krijgen van de ontwikkeling van de beroepsmogelijkhedenin de praktijk wordt deze bepaling betrokken bij de invoeringstoets.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11450 4.3 De enkelvoudige kamer (635) De rapporteurs hebben een vraag over de enkelvoudige kamer inhoger beroep. Het voorgestelde artikel 5.4.44 bepaalt dat alle zaken die ineerste aanleg enkelvoudig zijn behandeld (en beslist) en waarbij een strafof maatregel is opgelegd, steeds bij de enkelvoudige kamer wordenaangebracht. De rapporteurs vragen of de regering dit nader kantoelichten. De enkelvoudige kamer kan immers in hoger beroep overzaken beslissen waarin tot aan een jaar gevangenisstraf in eerste aanleg isopgelegd. De enkelvoudige kamer kan ook zelf tot een jaar gevangenis-straf opleggen.635. Uitgangspunt in het huidige wetboek is dat de behandeling van eenstrafzaak in hoger beroep plaatsvindt door de meervoudige kamer.Behandeling door de enkelvoudige kamer is naar huidig recht mogelijk alsaan meerdere voorwaarden is voldaan. In de eerste plaats moet de zaaknaar het aanvankelijk oordeel van het openbaar Ministerie vaneenvoudige aard zijn (zoals ook voor het aanbrengen van de zaak in eersteaanleg geldt; het huidige artikel 368). De zaak moet op het punt vanbewijs, de toepassing van de wet of gevoerde verweren geen lastigerechtsvragen oproepen. In de tweede plaats moet het gaan om een zaakdie ook in eerste aanleg is behandeld door een enkelvoudige kamer,waarbij de verdachte is veroordeeld tot een straf of maatregel en waarbijniet een gevangenisstraf van meer dan zes maanden is opgelegd. Als dezaak in hoger beroep is voorgelegd aan de enkelvoudige kamer en deze isvan oordeel dat de zaak niet geschikt is voor enkelvoudige behandeling(omdat niet aan bovengenoemde voorwaarden is voldaan of anderszins),verwijst zij de zaak naar de meervoudige kamer (huidig artikel 411).Anders dan de politierechter in eerste aanleg, die bevoegd is eengevangenisstraf op te leggen van maximaal een jaar (huidig artikel 369), isin het huidige recht de sanctiebevoegdheid van de enkelvoudige kamer inhoger beroep niet begrensd.In het nieuwe wetboek is als uitgangspunt in de wet neergelegd dat eenzaak die in eerste aanleg enkelvoudig is afgedaan, in hoger beroepeveneens enkelvoudig wordt afgedaan. Een zaak kan worden behandelddoor de enkelvoudige kamer indien zij van eenvoudige aard is, in hetbijzonder ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet, en dezaak in eerste aanleg is behandeld door een enkelvoudige kamer. Hetvereiste dat geen sprake mag zijn van een opgelegde gevangenisstraf vanmeer dan zes maanden, komt te vervallen. Tegelijkertijd wordt voorzien ineen begrenzing van de sanctiebevoegdheid van de enkelvoudige kamer inhoger beroep. Evenals de politierechter in eerste aanleg is zij niet bevoegdtot het opleggen van een gevangenisstraf van meer dan een jaar, tot hetopleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling of de maatregelvan plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (deartikelen 4.5.2 en 5.4.43). Zie ook het antwoord op vraag 633.Indien de zaak in eerste aanleg door een enkelvoudige kamer is behandelden deze aan de verdachte een straf of maatregel heeft opgelegd, wordt deverdachte dus in beginsel opgeroepen voor een enkelvoudige kamer vanhet gerechtshof. Deze kan de zaak, indien deze naar haar oordeel door eenmeervoudige kamer dient te worden behandeld, daarheen verwijzen(artikel 1.2.6, eerste lid). Ook voorafgaand aan het onderzoek op deterechtzitting kan de raadsheer die zitting heeft in de enkelvoudige kamerde zaak al naar de meervoudige kamer verwijzen als hij van oordeel is datde zaak niet van eenvoudige aard is of het belang ervan zich tegenbehandeling door een enkelvoudige kamer verzet (artikel 5.4.44).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11451 Deze regeling vormt een vereenvoudiging en uniformering van decompetentieregels en gaat uit van een beoordeling van de strafzaak metwaarborgen op maat. Met het gekozen uitgangspunt in de wettelijkeregeling en de gelijke competentie van de enkelvoudige kamer in eersteaanleg en in hoger beroep wordt voorzien enerzijds in een zorgvuldige enmet meer waarborgen omklede meervoudige berechting indien er meervoor de verdachte op het spel staat, bijvoorbeeld doordat een hogere strafkan worden geëist en opgelegd, en anderzijds in een relatief kortebehandeling door een enkelvoudige kamer bij betrekkelijk eenvoudigestrafzaken, voor zover die zich daarvoor lenen.In eerste aanleg wordt op dit moment van alle ter berechting aange-brachte strafzaken 17% afgedaan door de meervoudige kamer(Jaarverslag Rechtspraak 2022, p. 68). Het percentage strafzaken waarinhoger beroep wordt ingesteld ligt al een aantal jaar op 34% (p. 69). Inhoger beroep worden daarentegen vrijwel alle strafzaken door demeervoudige kamer behandeld. Van alle strafzaken werd bij de gerechts-hoven in de jaren 2016–2019 ruim 90% door de meervoudige kamerafgedaan (Kengetallen gerechten 2019 p. 38) en in de jaren daarna ruim80% (Jaarverslag Rechtspraak 2022, p. 67–68). De Rechtspraak acht ditaangewezen vanuit het uitgangspunt dat meervoudige behandeling in hetalgemeen de (juridische) kwaliteit van een uitspraak bevordert, maar geeftook aan dat zaken die voor een meervoudige afhandeling in aanmerkingkomen, complexe zaken betreffen, zaken over principiële rechtsvragen ofzaken die grote maatschappelijke onrust meebrengen. Met het vervallenvan de wettelijke beperking dat voor enkelvoudige behandeling in hogerberoep sprake moet zijn van een in eerste aanleg opgelegde gevangenis-straf van niet meer dan zes maanden, zullen (veel) meer zaken in hogerberoep enkelvoudig kunnen worden behandeld.Het is niet zo dat het in hoger beroep in politierechterzaken altijd ombewijstechnisch of juridisch meer ingewikkelde zaken gaat die eenmeervoudige behandeling rechtvaardigen. Ook valt niet goed in te zienwaarom zo’n groot deel van de strafzaken dat in eerste aanleg wordttoevertrouwd aan de alleensprekende rechter die tot een jaar gevangenis-straf kan opleggen, in hoger beroep altijd meervoudig moet wordenbehandeld. Als de suggestie hierachter zou zijn dat de (juridische)kwaliteit van de uitspraken in eerste aanleg in politierechterzaken tewensen overlaat, ligt bijstelling van die praktijk of van de competentie-grens van de politierechter in eerste aanleg eerder voor de hand. Ook isde vraag of het herstel van eventueel gemaakte fouten in eerste aanlegslechts na herbeoordeling door een meervoudige kamer in appel kanplaatsvinden.Met de voorgestelde regeling wordt beoogd de bestaande praktijk op ditpunt bij te sturen en een duidelijke prikkel te geven om zaken die zichdaarvoor lenen enkelvoudig te behandelen. Van deze keuze wordt eenflinke capaciteitsbesparing verwacht die ruimte biedt voor het verkortenvan doorlooptijden of het wegwerken van voorraden. Daarbij blijft het aande rechter om te beoordelen of de zaak zich leent voor enkelvoudigeberechting, nu tevens is voorzien in de mogelijkheid tot verwijzing naar demeervoudige kamer, desgewenst al voordat het onderzoek op deterechtzitting aanvangt. De omkering van het uitgangspunt is in dit lichtgerechtvaardigd.(636) Een alternatief zou kunnen zijn dat zaken waarin in eerste aanleg eengevangenisstraf van meer dan zes maanden is opgelegd of in hogerberoep wordt opgelegd, in hoger beroep worden berecht door eenmeervoudige kamer van drie rechters. Kan de regering hierop reflecteren?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11452 636. De regeling zoals voorgesteld in het nieuwe wetboek, die in hetantwoord op vraag 635 is uiteengezet, brengt het uitgangspunt totuitdrukking dat een zaak die in eerste aanleg enkelvoudig is afgedaan, inhoger beroep in beginsel eveneens enkelvoudig wordt afgedaan. Daarbijis de beperking dat voor enkelvoudige behandeling in hoger beroepsprake moet zijn van een in eerste aanleg opgelegde gevangenisstraf vanniet meer dan zes maanden komen te vervallen en is tegelijkertijd desanctiebevoegdheid van de enkelvoudige kamer in hoger beroepgelijkgesteld aan de competentie van de politierechter in eerste aanleg.Het beoogde doel van die regeling om, meer dan in de huidige praktijkgebeurt, zaken die zich daarvoor lenen ook in hoger beroep enkelvoudigte behandelen, wordt niet bereikt indien de ruimte voor enkelvoudigebeoordeling in hoger beroep beperkt blijft tot zaken waarin de politie-rechter in eerste aanleg een gevangenisstraf heeft opgelegd van niet meerdan zes maanden. Bij een dergelijke beperking kunnen op voorhand veelminder zaken in hoger beroep bij de enkelvoudige kamer wordenaangebracht dan met de voorgestelde regeling wordt beoogd.(637) De leden van de GL-PvdA-fractie vragen waarom enkelvoudigezaken standaard ook in hoger beroep door enkelvoudige kamers zullenworden afgedaan. Met name omdat het beroep gebruikt kan worden voorbewijstechnische of juridisch meer ingewikkelde zaken, ligt het gebruikvan een meervoudige kamer mogelijk toch meer voor de hand dan waarde regering nu vanuit gaat? Zo ja, waarom en welke gevolgen verbindt deregering daaraan? Zo nee, waarom niet?637. Een zaak kan worden berecht door de politierechter indien de zaaknaar het aanvankelijke oordeel van de officier van justitie van eenvoudigeaard is, in het bijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassingvan de wet, terwijl de te vorderen gevangenisstraf niet meer dan een jaarbedraagt (artikel 4.5.2). Dit wijzigt niet ten opzichte van het huidige recht(huidig artikel 368). Gelet hierop ligt het niet voor de hand aan te nemendat het hoger beroep in politierechterzaken in veel gevallen bewijstech-nisch of juridisch ingewikkeldere zaken betreft die een meervoudigebehandeling rechtvaardigen. Bovendien kan een zaak die volgens dewettelijke regeling bij de enkelvoudige kamer wordt aangebracht, alsnogworden verwezen naar de meervoudige kamer (artikel 1.2.6). Dit kandesgewenst ook voorafgaand aan de terechtzitting al worden beslist doorde raadsheer die zitting heeft in de enkelvoudige kamer als naar zijnoordeel de zaak niet van eenvoudige aard is of het belang ervan zichtegen behandeling door een enkelvoudige kamer verzet (artikel 5.4.44,tweede lid). Bij deze flexibele mogelijkheid tot verwijzen is omkering vande hoofdregel, zoals uiteengezet in het antwoord op vraag 635, gerecht-vaardigd.Met de voorgestelde regeling wordt beoogd een duidelijke prikkel tegeven om zaken die zich daarvoor lenen enkelvoudig te behandelen. Enom dus de bestaande praktijk op dit punt bij te sturen.(638) Hoewel zowel de Rvdr als het OM het uitgangspunt van enkel-voudige afdoening in hoger beroep wel steunen, vragen zij toch om deoptie van een meervoudige afdoening ter verruimen voor het geval datnodig is. Kan de regering hier nader op ingaan?638. Het oordeel of een meervoudige afdoening nodig is, blijft aan derechter. Als naar zijn oordeel de zaak niet van eenvoudige aard is of hetbelang ervan zich tegen behandeling door een enkelvoudige kamer verzet,kan hij de zaak alsnog verwijzen naar de meervoudige kamer (deartikelen 1.2.6 en 5.4.44, tweede lid).(639) Waarom wordt bijvoorbeeld verwijzing naar een meervoudige kamerpas mogelijk als dat na aanhouding van een zaak op een enkelvoudigezitting alsnog nodig blijkt te zijn? Hoe denkt de regering erover om dat alTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11453 op een eerder moment mogelijk te maken, dus zonder dat eerst de zaakenkelvoudig op zitting is gebracht en daarmee onnodig tijd- en zittingsca-paciteit wordt gebruikt?639. Een zaak die volgens de wettelijke regeling bij de enkelvoudige kamerwordt aangebracht kan ook voorafgaand aan de terechtzitting al door deraadsheer die zitting heeft in de enkelvoudige kamer worden verwezennaar de meervoudige kamer als naar zijn oordeel de zaak niet vaneenvoudige aard is of het belang ervan zich tegen behandeling door eenenkelvoudige kamer verzet (artikel 5.4.44, tweede lid).(640) De leden van de NSC-fractie constateren dat het nieuwe Wetboekvoor slachtoffers de mogelijkheid geeft om de schadevordering die ineerste aanleg (deels) is afgewezen en meer dan 1.750 euro bedraagt,zelfstandig hoger beroep in te stellen. Kan de regering toelichten waaromer voor de in eerste aanleg afgewezen vordering een andere rechtsgangwordt gegeven dan voor de vorderingen die in eerste aanlegniet-ontvankelijk zijn verklaard?640. Zie de antwoorden op de vragen 558 en 631.(641) De leden van de NSC-fractie constateren dat door de universiteitenin de inhoudelijke rapportage met betrekking tot de motiveringsplicht vanhet Hof is gevraagd of de regering in de wet en/of de toelichting daaropmeer richting kan geven. Heeft die motiveringsplicht dezelfde of eenandere inhoud dan die voor de rechter in eerste aanleg? Is daarbij – tenopzichte van de bepaling in eerste aanleg – van belang dat de Hoge Raadin cassatie de motivering van beslissingen van het Hof terughoudend,want slechts op begrijpelijkheid, kan en zal toetsen? Het Hof kan demotivering van een beslissing van de rechtbank vol toetsen.641. Zie het antwoord op vraag 610.(642) De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de keuze voor eenmeervoudige berechting in hoger beroep niet in meer gevallen gemaaktzou moeten worden dan in het voorliggend voorstel gebeurt. Zou dit nietook kunnen bijdragen aan de legitimiteit van het arrest? Voornoemdeleden staan niet afwijzend tegenover suggesties om meervoudigeberechting te hanteren bij zaken waar in eerste aanleg een gevangenis-straf van meer dan zes maanden is opgelegd of dit in hoger beroep hetgeval is. Zij vragen of de keuze van de regering een praktische of eenprincipiële is geweest om hier vooralsnog niet toe over te gaan.642. Zie het antwoord op vraag 635.5. Beroep in cassatie tegen arresten 5.1 Beroep in cassatie tegen eindarresten en tussenarresten (643) De rapporteurs hebben een vraag over het uitgangspunt in dememorie van toelichting dat het, meer dan onder het huidige recht hetgeval is, aan de afzonderlijke procespartijen is om zelfstandig te beoor-delen of het instellen van cassatieberoep wenselijk is. Gegeven deintroductie van de mogelijkheid van beroep in cassatie voor debenadeelde partij, zou het passend kunnen zijn om in elk geval voor deverdachte in die situatie een incidenteel cassatieberoep mogelijk temaken. De afwegingen van de verdachte om aanvankelijk van cassatie-beroep af te zien, kunnen immers zijn gelegen in het belang dat aan destrafzaak een einde komt. Die afweging kan, door het ingestelde cassatie-beroep van de benadeelde partij, anders worden. De verdachte kan in diesituatie alsnog een rechtens relevant belang krijgen bij het kunneninstellen van beroep in cassatie. De rapporteurs vragen de regering hoe zijdeze mogelijkheid ziet.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11454 643. De huidige wet kent nog de mogelijkheid van het incidenteelcassatieberoep. Die regeling houdt in dat indien alleen het openbaarministerie beroep in cassatie heeft ingesteld, de verdachte binnen tweeweken nadat dit beroep hem bekend is geworden het recht heeft omalsnog cassatieberoep in te stellen (het huidige artikel 433). Dezemogelijkheid is in het nieuwe wetboek niet behouden, omdat er hoogstzelden gebruik van wordt gemaakt. Verder zou de introductie van demogelijkheid dat de benadeelde partij beroep in cassatie instelt, bijbehoud van de regeling de vraag kunnen oproepen of ook een incidenteelcassatieberoep voor de benadeelde partij zou moeten worden ingevoerd.Dat zou de regeling sterk compliceren, terwijl het praktisch belang van eendergelijke uitbreiding even twijfelachtig zou zijn als dat van de bestaanderegeling. Gekozen is voor het uitgangspunt dat het aan de verdachte en debenadeelde partij is om zelfstandig af te wegen of zij cassatieberoepwillen instellen. Daarbij zijn wel de mogelijkheden verruimd om het doorde andere procespartij of het openbaar ministerie ingestelde cassatie-beroep tegen te spreken.Hierbij is nog van belang dat het door de benadeelde partij ingesteldecassatieberoep uitsluitend betrekking heeft op de beslissing over haarvordering (artikel 5.5.17). Voor het overige komt aan de strafzaak weldegelijk een einde. Het cassatieberoep van de benadeelde partij kan in diezin niet rechtvaardigen dat de verdachte alsnog klachten moet kunnenaanvoeren tegen andere beslissingen van het gerechtshof in heteindarrest. Wat betreft de beslissing over de vordering van de benadeeldepartij heeft de verdachte aanvankelijk kennelijk de zelfstandige afweginggemaakt om daartegen geen cassatieberoep in te stellen. Bovendien kande raadsman van de verdachte de door de benadeelde partij ingediendemiddelen van cassatie schriftelijk en, indien een daartoe strekkend verzoekis ingewilligd, mondeling tegenspreken (artikel 5.5.10, eerste lid). Ook kande raadsman reageren op de conclusie van de procureur-generaal(artikel 5.5.10, vierde lid). Daarmee is gewaarborgd dat de verdachte, ooknu hij niet meer de mogelijkheid heeft van een incidenteel cassatieberoep,in staat is om zijn standpunten naar voren te brengen in gevallen waarinde benadeelde partij cassatieberoep heeft ingesteld.(644) De rapporteurs hebben ook een vraag ten aanzien van het schrappenvan de cassatiemogelijkheid van het bestaande artikel 404 lid 4 Sv. Deregering stelt voor deze bepaling om praktische redenen te schrappen.Deze cassatiemogelijkheid is vanwege het principiële karakter in hetrecente verleden tot twee keer toe door de Tweede Kamer gehandhaafd.Kan de regering nader toelichten waarom de introductie van demogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen voldoende rechtvaar-diging vormt voor het laten vervallen van deze cassatiemogelijkheid?644. Volgens het huidige recht staat geen beroep in cassatie open als geenhoger beroep tegen het vonnis kan worden ingesteld (het huidigeartikel 404, tweede lid). Daarop bestaat één uitzondering, namelijk datniettemin beroep in cassatie openstaat indien het een verordening van deprovincie, de gemeente (APV) of van een waterschap betreft, of indien hetom een verordening van een met toepassing van de Wet gemeenschappe-lijke regelingen ingesteld openbaar lichaam gaat (huidig artikel 404, vierdelid). De afschaffing van deze uitzondering is bij amendement tot twee keertoe ongedaan gemaakt, omdat vanuit de Tweede Kamer de wens bestonden de noodzaak werd gevoeld dat de Hoge Raad in alle gevallen controlekan blijven uitoefenen op lagere regelgeving. Dit vanuit de gedachte datzich juist in dit soort lichte zaken betreffende lagere regelgeving belang-wekkende rechtsvragen kunnen voordoen, in het bijzonder over deverenigbaarheid van die regelgeving met grond- en mensenrechten.(Kamerstukken II 2005/06, 30 320, nr. 3, p. 48).Het vierde lid van het huidige artikel 404 is in artikel 5.4.1 niet overge-nomen op advies van de Hoge Raad en wel om de volgende redenen. TenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11455 eerste is de bijzondere regeling van dit artikellid nooit toegepast. Tentweede strookt de mogelijkheid om vonnissen aan de Hoge Raad voor teleggen niet met de regeling van rechtsmiddelen.De gewenste controle door de Hoge Raad blijft bestaan, maar krijgt nu opeen andere wijze vorm.Het nieuwe wetboek is gestoeld op de gedachte dat aan de berechting incassatie een voortbouwend appel voorafgaat dat is toegespitst op degeschilpunten die na eerste aanleg nog bestaan. Als de mogelijkheid zoublijven bestaan tegen eindvonnissen beroep in cassatie in te stellen, danzou dat de wettelijke regeling van het cassatieberoep zeer ingewikkeldmaken. Dit maakt dat schrapping van het artikellid de inzichtelijkheid vanhet stelsel van rechtsmiddelen ten goede komt. Bovendien kunnenrechtsvragen die bij de berechting van dergelijke bagatelzaken kunnenopkomen via een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad wordenvoorgelegd (vgl. Boek 6, Titel 2.3). Het gaat om rechtsvragen die zichvoordoen in een concrete zaak die bij een rechtbank of gerechtshof inbehandeling is. De rechtsvraag moet een zeker zaaksoverstijgend belanghebben, waardoor de beantwoording behulpzaam is of kan zijn voorsoortgelijke strafzaken (Kamerstukken II 36 327, nr. 3, p. 1347; Kamer-stukken II 2020/21, 35 869, nr. 3). Mocht zich dus toch in een zaakbetreffende een overtreding van een lagere verordening een principiëlerechtsvraag voordoen, dan bestaat de mogelijkheid om deze voor teleggen aan de Hoge Raad. Het stellen van prejudiciële vragen aan deHoge Raad biedt daarmee een goed alternatief om de juistheid van lagereregelgeving te kunnen blijven toetsen.Dat argument speelt overigens ook bij de schrapping van het huidigeartikel 427, derde lid, dat ziet op eindarresten die een overtredingbetreffen van een verordening van een provincie, een gemeente, eenwaterschap of een met toepassing van de Wet gemeenschappelijkeregelingen ingesteld openbaar lichaam. Tegen die eindarresten kan naarhuidig recht beroep in cassatie worden ingesteld, ook als met toepassingvan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht geen straf of maatregel isopgelegd, dan wel alleen één of meer geldboetes tot een maximum van€ 250. Deze regeling van het huidige artikel 427, derde lid, wordtafgeschaft. Ook daarbij wordt van belang geacht dat als zich principiëlerechtsvragen voordoen met het oog waarop deze uitzondering gecreëerdis, een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad kan worden gesteld.Daarnaast kan cassatie in het belang van de wet uitkomst bieden. Ditbuitengewone rechtsmiddel kan, bijvoorbeeld in het belang van derechtseenheid, worden ingesteld door de procureur-generaal bij de HogeRaad tegen rechterlijke beslissingen waartegen geen gewoon rechts-middel meer openstaat.(645) De rapporteurs hebben een vraag over de voorgestelde mogelijkheidtot facultatief concluderen aan de hand van het richtsnoer van het«wezenlijk faciliteren van de besluitvorming van de Hoge Raad». Kan deregering toelichten in hoeverre hierdoor een spanning ontstaat met debehoefte aan uitleg van de procespartijen in cassatie? De regering spreektin de memorie van toelichting de verwachting uit dat de huidige wissel-werking in de cassatieprocedure tussen conclusie en arrest niet zalveranderen. De rapporteurs vragen de regering om in haar antwoord demogelijkheid mee te nemen dat deze wisselwerking wel verandert.645. Het richtsnoer van het «wezenlijk faciliteren van de besluitvormingvan de Hoge Raad» moet zo worden begrepen dat in zaken die uit eenoogpunt van rechtseenheid, rechtsontwikkeling en rechtsbeschermingaandacht verdienen een conclusie wordt genomen waarin de procureur-generaal juridisch advies geeft aan de Hoge Raad. Door de mogelijkheidom facultatief te concluderen is er meer tijd beschikbaar voor onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11456 en reflectie in zaken die ingewikkeld zijn, of die voor veel mensen oforganisaties grote consequenties kunnen hebben. Daarnaast bestaat demogelijkheid dat het parket bij de Hoge Raad periodiek aandacht besteedtaan een bepaald thema en concludeert in alle zaken waarin het gekozenthema een rol speelt. Hierbij kan een stand van zaken op deze terreinennog eens duidelijk worden weergegeven en waar nodig kan het parketvoorstellen doen om de jurisprudentielijnen bij te stellen of te verduide-lijken in overzichtsarresten. Op deze wijze worden de gedachtevorming ende besluitvorming van de Hoge Raad door het parket gefaciliteerd.Op basis van het huidige cassatieprocesrecht wordt al niet meer in allezaken een conclusie genomen. Dit is het geval bij de toepassing vanartikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie. Deze bepaling geeftde Hoge Raad de bevoegdheid om – gehoord de procureur-generaal – eeningesteld beroep in cassatie niet-ontvankelijk te verklaren wanneer deaangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen,omdat de partij die het cassatieberoep instelt klaarblijkelijk onvoldoendebelang heeft bij het cassatieberoep of omdat de klachten klaarblijkelijk niettot cassatie kunnen leiden. Deze regeling laat toe dat het parket bij deHoge Raad afziet van het nemen van een conclusie (ECLI:NL:HR:2015:96).Het betreft een door artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatiegeïntroduceerde «selectie aan de poort» (ECLI:NL:HR:2016:1005). Door dein het nieuwe wetboek opgenomen mogelijkheid van facultatief conclu-deren kan ook in andere zaken worden afgezien van het nemen van eenconclusie (artikel 5.5.10). Gedacht kan worden aan zaken waarin geencassatiemiddelen zijn ingediend (de zogenoemde «peken»). Het heeft naarhuidig recht iets curieus dat in strafzaken waarin geen middelen zijningediend een conclusie wordt genomen, terwijl die conclusie achterwegekan blijven in strafzaken waarin artikel 80a van de Wet op de rechterlijkeorganisatie wordt toegepast. Ook lenen straks zaken waarin deverwachting bestaat dat de middelen met toepassing van artikel 81 van deWet op de rechterlijke organisatie zullen worden verworpen, zich voor hetafzien van een conclusie. Artikel 81, eerste lid, van de Wet op de rechter-lijke organisatie betreft de situatie waarin de Hoge Raad in een arrestoordeelt dat een aangevoerde klacht niet tot cassatie kan leiden en nietnoopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechts-eenheid of de rechtsontwikkeling. In die zaken wordt nu nog standaarddoor de procureur-generaal bij de Hoge Raad een conclusie genomen.Dit betekent ook dat aan de hand van de ingediende cassatieschriftuur zalworden beslist of de klachten wel of geen behandeling in cassatierechtvaardigen. Dat impliceert dat op basis van de schriftuur moet kunnenworden beoordeeld of het gaat om een zaak die ertoe doet. Het is vanbelang dat in de schriftuur wordt uitgelegd wat het belang is bij hetingestelde cassatieberoep en dus ook wat het belang is bij vernietigingvan de bestreden uitspraak en een nieuwe behandeling van de zaak. Bijhet opstellen van een cassatieschriftuur is deskundige juridische bijstandvan groot belang. Niet voor niets is na het instellen van het cassatie-beroep procesvertegenwoordiging verplicht in alle strafrechtelijkecassatieprocedures. Sinds 1 oktober 2000 is het indienen van eencassatieschriftuur door een advocaat een vereiste voor ontvankelijkheidvan het cassatieberoep (Wet van 28 oktober 1999, Stb. 467).De aangevoerde cassatiemiddelen worden beoordeeld in het licht van derechtsvormende taak van de Hoge Raad. Door de wetgever is daaraan ookruimte gegeven door in artikel 81 van de Wet op de rechterlijke organi-satie het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling alscriterium te noemen voor het doen van een verkorte uitspraak, waarbij hetcassatieberoep zonder nadere motivering wordt verworpen. In dehiervoor aangeduide zaken voegt een conclusie van de procureur-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11457 generaal weinig toe en wordt veel werk bespaard door af te zien van hetnemen van een conclusie. Aan de explicatiefunctie van de rechterlijkebeslissing wordt in die gevallen niet afgedaan. Het gaat daarbij immerszoals blijkt uit de tekst van de wet om cassatieberoepen die «klaarblij-kelijk» kansloos zijn (artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie)dan wel om cassatieberoepen die niet tot cassatie kunnen leiden entevens niet nopen tot de beantwoording van rechtsvragen in het belangvan de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling (artikel 81 Wet op derechterlijke organisatie). Wanneer in die gevallen na inhoudelijkebeoordeling wordt besloten tot verkorte afdoening, zou het geven vanuitleg waarom verkort is afgedaan, het voordeel van verkort afdoen weertenietdoen.In toenemende mate verloopt uitleg over de juiste toepassing van hetrecht niet via de individuele zaak, maar wordt door middel van het wijzenvan overzichtsarresten en het thematisch concluderen door het parketuitleg verschaft aan de gehele rechtspraktijk. De afdoening van zaken viaartikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft binnen debeschikbare capaciteit van de strafkamer van de Hoge Raad ruimtegecreëerd om in overzichtsarresten algemene regels te geven die in derechtspraktijk leven of om sturing te geven aan de uitleg en de toepassingvan bepaalde leerstukken. Waar de Hoge Raad dat voorheen op eenzaaksgebonden wijze moest doen, arrest voor arrest, kan de Hoge Raadnu betrekkelijk snel een overzicht geven in een overzichtsarrest. Datbevordert de rechtseenheid.Overigens is het nu al staande praktijk dat in zaken waarin door het parketgeen conclusie is geschreven en voor een afdoening op grond vanartikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie is gekozen, en waarinde Hoge Raad er niettemin prijs op stelt dat een conclusie wordtgeschreven, aan het parket wordt verzocht alsnog te concluderen (F.G.H.Kristen e.a., «Evaluatie van artikel 80a Wet op de rechtelijke organisatie,een empirisch-juridisch onderzoek naar de toepassing van artikel 80a WetRO door de Hoge Raad in de sectoren civiel recht, belastingrecht enstrafrecht in de periode 2012–2019», Universiteit Utrecht, MontaigneCentrum voor Rechtsstaat en Rechtspleging 2021, p. 162–164). Dit zal ookhet geval zijn als het parket op grond van artikel 5.5.10 ervoor heeftgekozen af te zien van het nemen van een conclusie en de Hoge Raad eenconclusie wel aangewezen vindt. In die zin zal de bedoelde wisselwerkingtussen parket en de Hoge Raad niet veranderen.(646) De rapporteurs vragen of de regering nadere toelichting kanverschaffen op de inhoud van, en verhouding tussen, de in art. 5.5.12 lid 2opgenomen criteria «aard van het vormverzuim» en «aard van deaangevoerde klachten». Kan de regering ook verduidelijken hoe dezecriteria zich verhouden tot de in art 5.5.12 lid 2 onder a-g genoemdevormverzuimen?646. In artikel 5.5.12 is bepaald wanneer cassatie wegens verzuim vanvormen in strafzaken aangewezen is. De vormgeving van deze bepalingsluit beter aan bij de bestaande jurisprudentie dan het huidige artikel 431.De tekst van dat laatstgenoemde artikel suggereert dat verzuim vanvormen «op straffe van nietigheid voorgeschreven» altijd grond geeft totvernietiging. De jurisprudentie heeft zich evenwel al lange tijd zoontwikkeld dat lang niet in alle gevallen waarin een vorm is verzuimdwaarop de straf van nietigheid is gesteld, ook wordt gecasseerd. Bijschending van het voorschrift dat het vonnis een beslissing bevat op eenuitdrukkelijk voorgedragen verweer over de kwalificatie van het strafbarefeit of over de aanwezigheid van een strafuitsluitingsgrond (het huidigeartikel 358, derde lid), blijft cassatie achterwege als de Hoge Raad alsnogkan uitleggen waarom het gevoerde verweer niet opgaat (NJ 1974/518). InTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11458 1996 was al in een groot aantal strafvorderlijke bepalingen de zinsnede«op straffe van nietigheid» geschrapt. De huidige wet bevat nog enkelevoorschriften die «op straffe van nietigheid» zijn gesteld (bijvoorbeeld hethuidige artikel 358, vijfde lid). Ook zijn er vormverzuimen die niet metnietigheid zijn bedreigd maar wel een substantiële nietigheid opleveren.In het nieuwe wetboek is de keuze gemaakt om ervan af te zien schendingvan voorschriften die betrekking hebben op het onderzoek op deterechtzitting of het eindvonnis in Boek 4 met nietigheid te bedreigen enom tegelijkertijd in de cassatieregeling in Boek 5 te verduidelijken welkerechtsgevolgen eventueel dienen te worden verbonden aan het nietnaleven van voorschriften. Daartoe duidt artikel 5.5.12 in het eerste lid aandat het arrest waartegen cassatie is ingesteld kan worden vernietigdwegens een verzuim van vormen zowel wanneer dat verzuim heeftplaatsgehad in het arrest zelf als wanneer het heeft plaatsgehad tijdens deberechting. In het tweede lid is bepaald dat de Hoge Raad het arrestvernietigt indien de aard van de niet in acht genomen vorm en de aardvan de aangevoerde klachten dat rechtvaardigen.In artikel 5.5.12, tweede lid, is geen sprake van twee afzonderlijke criteria.Beide aspecten staan juist met elkaar in onderling verband. Het gaat omde belangen die in het geding zijn. Bij het eerste aspect, de «aard» van deniet in acht genomen vorm, gaat het vooral om de vraag naar het belangdat door het geschonden voorschrift wordt gediend. Het moet gaan omeen zo wezenlijk voorschrift dat schending ervan cassatie rechtvaardigt (inde terminologie van het huidige wetboek: een formele of substantiëlenietigheid oplevert). Indien daarvan sprake is, betekent dit nog niet datcassatie aangewezen is. De vervolgvraag is namelijk of er in dit gevalreden is voor relativering van de nietigheid die de schending van eenwezenlijk voorschrift in beginsel met zich moet brengen. Daarop ziet hettweede aspect, de aard van de aangevoerde klacht. Het gaat daarbijeveneens om het belang dat door het geschonden voorschrift wordtgediend, maar dan niet in abstracto, maar in concreto. Ondanks het feitdat een wezenlijk voorschrift niet is nageleefd, kan het zo zijn dat er in hetconcrete geval onvoldoende belang bestaat bij vernietiging op die grond.Het tweede element, de aard van de aangevoerde klacht, fungeert daarbijals het ware als een contra-indicatie en vormt een grond om niet tecasseren in gevallen waarin het gewicht van het geschonden voorschriftdaarvoor op zich reden geeft. De Hoge Raad vernietigt dus het arrestindien de aard van de niet in acht genomen vorm en de aard van deaangevoerde klachten in onderling verband beschouwd dat rechtvaar-digen. Deze te maken afweging komt overeen met het huidige recht.Het tweede lid somt in de onderdelen a tot en met g op in welke gevallenvernietiging gerechtvaardigd is. De onderdelen a tot en met g bevattendus voorschriften die door de wet in elk geval als «wezenlijk» wordenaangemerkt. De woorden «in ieder geval» geven aan dat sprake is van eenenuntiatieve opsomming, dat wil zeggen dat andere gevallen niet zijnuitgesloten. De opgesomde vormverzuimen zijn gebaseerd op jurispru-dentie van de Hoge Raad.De in het geding zijnde belangen bij de onderdelen a, b, c, e en g makendat er in ieder geval grond is voor cassatie. Deze onderdelen zijn nietgerelativeerd. Hierbij dient te worden opgemerkt dat het sub g genoemdevormverzuim weliswaar is geformuleerd met een tenzij-clausule, maar dieclausule heeft betrekking op hetgeen in feitelijke aanleg is voorgevallen.Als verdachte en advocaat-generaal hebben ingestemd met de voort-zetting van de behandeling, is van een vormverzuim geen sprake. Hetonder sub g genoemde vormverzuim kan dus niet worden aangemerkt alsverzuim dat kan worden gerelativeerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11459 Bij de onderdelen a, b, c, e en g dienen de relevante belangen die door hetgeschonden voorschrift worden gediend niet verengd te worden tot debelangen van de procespartij die in cassatie is gegaan. Zo is deopenbaarheid van een zitting een algemeen belang; zelfs als in decassatieschriftuur namens de verdachte wordt aangevoerd dat er geenbezwaren waren tegen de beslotenheid van een zitting, is er grond voorcassatie. In dat opzicht is met betrekking tot deze onderdelen de formu-lering dat het gaat om «de aard van de aangevoerde klachten» bij naderinzien minder gelukkig en geeft dit aanleiding tot aanpassing van hetartikel, zoals hierna wordt aangegeven. Ook gaat het niet zozeer om «deaard van de aangevoerde klacht», maar om de vraag of er in concretovoldoende belang is om wegens het vormverzuim te casseren.Bij de onderdelen d en f is wel sprake van relativering; cassatie kanachterwege blijven indien de belangen van de partij die gronden tegen deweigering of het verzuim aanvoert daardoor niet zijn geschaad. Er bestaatbij deze onderdelen geen plicht om te casseren; zij laten de Hoge Raad devrijheid om af te zien van cassatie. Overigens laat deze bepaling ambts-halve cassatie door de Hoge Raad op grond van artikel 5.5.13 onverlet.Uit de gestelde vraag is duidelijk geworden dat de formulering vanartikel 5.5.12 – zoals ook uit de rapportage van de universiteiten naarvoren komt – vraagtekens oproept en gemakkelijk tot onjuiste lezing kanleiden. De bedoeling van het artikel komt niet goed uit de verf. Dit geeftaanleiding tot herformulering van genoemd artikel – waarmee dus geeninhoudelijke wijziging van het voorschrift wordt beoogd – die zal wordenopgenomen in de eerste aanvullingswet na afloop van de formeleconsultatie.(647) Aanvullend vragen de rapporteurs hoe de regering de mogelijkheidziet om – in plaats van de opsomming van bepaalde vormverzuimen inart. 5.5.12 lid 2 onder a-g – meer algemeen aan te duiden dat vormver-zuimen die betrekking hebben op essentiële aspecten van het recht van deverdachte op een eerlijk proces en op essentiële eisen van behoorlijkerechtspraak in ieder geval aanleiding geven voor vernietiging.647. Bij de redactie van artikel 5.5.12 is bewust gekozen voor hetopsommen van een aantal vormverzuimen bij de schending waarvancassatie gerechtvaardigd is, juist om duidelijkheid te verschaffen tenopzichte van het huidige artikel 431. De tekst van het huidige artikel 431wekt de indruk dat verzuim van vormen op straffe van nietigheidvoorgeschreven altijd grond geeft tot vernietiging. Dit is niet het geval.Bovendien is door de invoering van artikel 80a van de Wet op derechterlijke organisatie het belang van het huidige artikel 431 verkleind. Bijverzuim van enkele vormen waar de wet de straf van nietigheid op stelt, ishet cassatieberoep niet-ontvankelijk als gevolg van artikel 80a van de Wetop de rechterlijke organisatie, omdat de klager «»klaarblijkelijk onvol-doende belang» heeft bij het cassatieberoep, of omdat de klacht «klaarblij-kelijk niet tot cassatie kan leiden». Anderzijds kent het strafprocesrechtallerlei (ongeschreven) rechtsregels waarvan het huidige wetboek denaleving niet op straffe van nietigheid voorschrijft, maar waarvanschending wel tot cassatie kan leiden. Gesproken wordt wel van substan-tiële (in tegenstelling tot formele) nietigheden. Substantiële nietighedenkunnen ook tot cassatie leiden (vergelijk artikel 79, eerste lid, onderdeel a,van de Wet op de rechterlijke organisatie). Het huidige wetboek zegt nietsover deze categorie van nietigheden. Omwille van helderheid zijn inartikel 5.5.12 zowel de huidige formele nietigheden als (enkele) substan-tiële nietigheden opgenomen. Een algemene aanduiding in de wet, zoalsin de vraagstelling gesuggereerd, dat vormverzuimen die betrekkinghebben op essentiële aspecten van het recht van de verdachte op eeneerlijk proces en op essentiële eisen van behoorlijke rechtspraak in iederTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11460 geval aanleiding geven voor vernietiging, zou niet bijdragen aan deinzichtelijkheid van de reikwijdte van dat voorschrift.(648) De rapporteurs vragen waarom de wettelijke mogelijkheden voor deHoge Raad om een zaak na vernietiging zelf af te doen, terug te wijzen ofte verwijzen onverkort, en zonder nadere toelichting, zijn overgenomen uithet geldende recht? Verdient de manier waarop de Hoge Raad met dezebevoegdheid is omgegaan nadere beschouwing en beoordeling in hetwetgevingsproces voor het nieuwe Wetboek.648. Vernietiging van een arrest van een gerechtshof door de Hoge Raadvindt plaats indien een cassatiemiddel terecht is voorgesteld of de HogeRaad ambtshalve tot cassatie overgaat (artikel 5.5.13, eerste lid: «hetzij opde aangevoerde, hetzij op andere gronden».) De vernietiging wordt indienmogelijk beperkt tot de onderdelen van de bestreden uitspraak die doorhet geconstateerde gebrek worden geraakt. Het is ook mogelijk dat alleende uitspraak over een bijkomende beslissing, bijvoorbeeld de vorderingbenadeelde partij, wordt vernietigd. Artikel 5.5.13, tweede lid, bepaalt datde Hoge Raad bij vernietiging de keuze heeft een zaak (i) zelf af te doen,(ii) terug te wijzen naar de rechter die het heeft gewezen of (iii) teverwijzen naar een ander gerechtshof. De Hoge Raad heeft ook demogelijkheid de zaak deels zelf af te doen en voor het overige de zaak teverwijzen of terug te wijzen. Dit is conform het huidig recht.De keuze voor een bepaalde wijze van afdoening is niet geheel vrij. DeHoge Raad kan de zaak zelf afdoen (ofwel «rechtdoen ten principale»),zolang geen nieuw onderzoek naar de feiten noodzakelijk is. Hierin ligt eenbelangrijke beperking voor de Hoge Raad om de zaak zelf af te doen.Gevallen waarin de Hoge Raad de zaak zelf afdoet, zijn bijvoorbeeld zakenwaarin sprake is van (kennelijke) vergissingen van de feitenrechter dieverbeterd kunnen worden of vergissingen die zo evident zijn dat zij doorde Hoge Raad zonder nadeel voor de verdachte verbeterd kunnen wordengelezen. De Hoge Raad kan de zaak om doelmatigheidsredenen zelfafdoen; bijvoorbeeld door het alsnog in het openbaar uitspreken van hetvonnis of arrest van de vorige rechter.De Hoge Raad kan een zaak terugwijzen of verwijzen, als deze zich nietleent voor een zelfstandige afdoening door de Hoge Raad. De Hoge Raadbepaalt dat bij terugwijzing of verwijzing de zaak opnieuw wordt berechten wordt afgedaan. Dat laatste betekent dat de rechter na terugwijzing ofverwijzing de zaak, met inachtneming van de uitspraak van de Hoge Raad,opnieuw dan wel verder berecht en afdoet. De wetgever heeft aan deHoge Raad bewust de vrijheid gelaten om te beslissen of een zaak wordtteruggewezen naar hetzelfde gerechtshof of dat de zaak wordt verwezennaar een ander gerechtshof (Stb. 1998, 591). De keuze tussen verwijzing ofterugwijzing na vernietiging hing aanvankelijk af van het antwoord op devraag of wordt vernietigd wegens een vormverzuim dan wel wegensschending van het recht. Dit werd als knellend ervaren, terwijl eendergelijk onderscheid ook niet altijd valt te maken. Er bestond behoefteaan een grotere vrijheid voor de cassatierechter om naar gelang de redenvan de (partiële) vernietiging of de aard van de zaak te verwijzen dan welterug te wijzen (Kamerstukken II 1996/97, 25 240, nr. 3, p. 11).Het uitgangspunt is dat de zaak wordt teruggewezen. Vanuit procesecono-mische redenen kan het de voorkeur genieten dat hetzelfde gerechtshofde zaak opnieuw behandelt met inachtneming van het arrest van de HogeRaad, omdat de redenen waarom is vernietigd lang niet altijd van dienaard zijn dat een ander gerechtshof de zaak opnieuw zou moetenbehandelen. Ook uit een oogpunt van rechtsbedeling kan het gewenst zijnom de zaak terug te wijzen naar hetzelfde gerecht, bijvoorbeeld omdatdaar het dossier van de medeverdachten ligt (Kamerstukken II 1985/86,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11461 19 488, nr. 3, p. 11–12; Kamerstukken II 1996/97, 25 240, nr. 3, p. 12). Alseen zaak wordt teruggewezen naar hetzelfde gerechtshof, dan betekentdat overigens niet automatisch dat dezelfde rechters de zaak opnieuw ofverder behandelen. Het gaat hier om de instantie.Soms is verwijzing aangewezen gelet op de aard van de zaak. Te denkenvalt aan een geruchtmakende strafzaak waarin bij verwijzing naar eenaangrenzend gerechtshof de zaak nog eens onbevangen door een andergerecht wordt beoordeeld. Het gerechtshof Den Haag krijgt meestal dezaken van het gerechtshof Amsterdam en omgekeerd; het gerechtshofArnhem-Leeuwarden ontvangt de zaken van het gerechtshof’s-Hertogenbosch, terwijl het gerechtshof ’s-Hertogenbosch de zaken vanhet gerechtshof Arnhem-Leeuwarden behandelt. Maar het gaat hier nietom onveranderlijke regels waarvan nooit wordt afgeweken (A.J.A. vanDorst en M.J. Borgers, Handboek Strafzaken 2022, par. 45.4.6.5.4.1.In zaken afkomstig uit de overzeese gebieden van het Koninkrijk derNederlanden kan, na vernietiging, alleen worden terugwezen en wel naarhet Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maartenen van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, dat dan zo veel mogelijk issamengesteld uit rechters die nog niet over de zaak hebben geoordeeld(artikel 14, eerste en derde lid, Rijkswet cassatierechtspraak).De wijze waarop de Hoge Raad invulling geeft aan zijn discretionairebevoegdheid hoe om te gaan met een zaak na vernietiging heeft geenaanleiding gegeven om de hiervoor genoemde uitgangspunten te verlatenen in de wettelijke regeling inhoudelijke wijzigingen aan te brengen. Dewettelijke regeling functioneert naar tevredenheid.(649) De rapporteurs vragen of de regering kan toelichten hoe zij aankijkttegen de manier waarop de Hoge Raad invulling geeft aan zijnbevoegdheid over te gaan tot ambtshalve cassatie. Is de over hetalgemeen als terughoudend te kwalificeren omgang met ambtshalvecassatie ook gepast op basis van het voorgestelde art. 5.5.13 lid 1 Sv.649. Volgens de tekst van artikel 5.5.13, eerste lid, vernietigt de Hoge Raadhet arrest «geheel of gedeeltelijk, hetzij op de aangevoerde, hetzij opandere gronden.» Behalve op de in cassatiemiddelen aangevoerdegronden kan dus worden vernietigd op andere gronden. Deze laatstezinsnede biedt de basis voor ambtshalve cassatie. Ambtshalve cassatie iseen bevoegdheid van de Hoge Raad en vormt niet een verplichting. DeHoge Raad maakt van die bevoegdheid een terughoudend gebruik. Indienhet openbaar ministerie beroep in cassatie heeft in gesteld maakt de HogeRaad vrijwel nooit gebruik van deze mogelijkheid, zeker niet als dat tennadele van de verdachte zou zijn. Maar sinds de verdachte de verplichtingheeft gekregen tot het, door middel van een raadsman, indienen van eenschriftuur (Stb. 1999, 467) is de Hoge Raad ook bij een cassatieberoep vande verdachte terughoudend met ambtshalve cassatie (B.F. Keulen enG. Knigge, Strafprocesrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2020, par. 17.5.5).Zo overwoog de Hoge Raad in ECLI:NL:HR:2023:921: «Bij een beperktecapaciteit om cassatieberoepen te behandelen en gelet op de noodzaakom strafzaken binnen een aanvaardbare termijn af te doen, ligt hetimmers in de rede de behandeling in cassatie te concentreren op deingediende klachten. Daarbij speelt een rol dat, omdat cassatieklachtenmoeten worden ingediend door een raadsman of door het openbaarministerie, de Hoge Raad er in beginsel van moet kunnen uitgaan datmisslagen in de bestreden uitspraak of fouten in de aan die uitspraakvoorafgegane procedure zijn opgemerkt, terwijl het achterwege blijvenvan een daarop toegespitste klacht kan berusten op een weloverwogenkeuze.» De terughoudendheid bij het ambtshalve vernietigen is dus eengevolg van het standpunt dat de Hoge Raad ervan moet kunnen uitgaandat het achterwege blijven van een klacht een gewogen beslissing is vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11462 het openbaar ministerie of een raadsman. Dit is een begrijpelijkuitgangspunt, ook in het licht van het nieuwe wetboek.De Hoge Raad maakt vooral gebruik van de mogelijkheid tot ambtshalvecassatie als zich na het indienen van de cassatieschriftuur relevante feitenhebben voorgedaan, bijvoorbeeld als de verdachte is overleden(ECLI:NL:HR:2019:1083) of bij overschrijding van de redelijke termijnwaarbinnen het arrest moet zijn gewezen nadat beroep in cassatie isingesteld (ECLI:NL:HR:2015:894). Aanleiding tot ambtshalve cassatie is erook als bij verandering van wetgeving een nieuwe rechtsregel onmid-dellijk moet worden toegepast omdat deze gunstiger is voor de verdachte(artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht; ECLI:NL:HR:2020:914). Tenslotte wordt opgemerkt dat in de praktijk een welwillende, en als het moeteen heel ruime, lezing van de cassatiemiddelen aan de Hoge Raad demogelijkheid biedt om in te grijpen, ook als daarover in de cassatie-schriftuur niet is geklaagd, als de wet met voeten is getreden, werkelijkonrecht is geschied of anderszins in de laatste feitelijke instantie ietsfundamenteel fout is gegaan. (A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers,Handboek Strafzaken 2022, par. 45.4.6.4.1,; ECLI:NL:HR:2019:1100)De huidige wijze waarop de Hoge Raad invulling geeft aan zijn discretio-naire bevoegdheid heeft geen aanleiding gegeven om dit nader tenormeren.(650) De rapporteurs vragen of het wetsvoorstel naar het oordeel van deregering voldoende richting geeft betreffende de motivering van arrestenvan de Hoge Raad, met name in gevallen van rechtsvormende beslis-singen over essentiële onderdelen van het strafprocesrecht, de reikwijdtevan strafbepalingen, en materieel strafrechtelijke aansprakelijkheid.650. De afgelopen jaren is de Hoge Raad rechtsontwikkeling en rechts-eenheid in steeds sterkere mate als zijn primaire taken gaan zien. Dat ismede een gevolg van de invoering van de Wet versterking cassatierecht-spraak in 2012. Doel van die wet is om de Hoge Raad beter in staat testellen zich te concentreren op deze kerntaken. Ook ontwikkelingen als deinvoering van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie, demogelijkheid om ook in strafzaken prejudiciële vragen aan de Hoge Raadte stellen en de mogelijkheid tot facultatief concluderen door het parketzijn ingezet zodat de Hoge Raad zich kan concentreren op zaken die ertoedoen en zodoende meer toekomt aan zijn rechtsvormende taak. Zie ookhet antwoord op vraag 645. Net als het huidige wetboek stelt het nieuwewetboek niet zozeer eisen aan de motivering van arresten in cassatie,maar biedt het mogelijkheden en ruimte voor de Hoge Raad om rechtsvor-mende en richtinggevende arresten te kunnen wijzen.Door het wijzen van overzichtsarresten kan de Hoge Raad de stand van derechtspraak rond een bepaald onderwerp weergeven: een arrest waarinuit eerdere rechtspraak voortvloeiende algemene aandachtspunten tenaanzien van belangrijke juridische onderwerpen overzichtelijk wordenweergegeven en soms ook verder worden uitgewerkt. Dit gebeurt dooreen aan de bespreking van de cassatiemiddelen voorafgaandebeschouwing. Daarmee kan de Hoge Raad overwegingen aan derechtspraktijk meegeven die de voorliggende zaak overstijgen. Met ditsoort arresten geeft de Hoge Raad in het belang van rechtsvorming enrechtseenheid richting aan de juridische praktijk. Voorbeelden op hetterrein van het strafprocesrecht zijn ECLI:NL:HR:2020:1889 (vormver-zuimen) en ECLI:NL:HR:2022:1252 (procesafspraken).(651) De rapporteurs vragen de regering om in relatie tot het cassatie-beroep te verduidelijken waarom het wenselijk is dat de benadeelde partijeen zelfstandig recht op cassatieberoep in de strafzaak toekomt. Wordt deinvloed van de benadeelde partij op het verloop van de strafprocedure alsTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11463 geheel beschouwd niet in potentie onevenredig groot? Gaat de uitge-breide cassatiemogelijkheid ten koste van (de capaciteit voor) de anderetaken van de Hoge Raad, in het bijzonder die inzake de rechtsvorming enrechtsontwikkeling?651. Het slachtoffer dat zich met een vordering tot schadevergoeding alsbenadeelde partij in het strafproces heeft gevoegd, krijgt in het nieuwewetboek een zelfstandige mogelijkheid tot het instellen van cassatie. Dezemogelijkheid is beperkt tot gevallen waarin de vordering van debenadeelde partij is afgewezen en deze vordering meer dan € 1.750bedraagt (artikel 5.5.17). Deze vernieuwing ligt in het verlengde van heteveneens geïntroduceerde zelfstandig hoger beroep van de benadeeldepartij tegen de afwijzing van haar vordering (zie de antwoorden op devragen 558 en 612). Net als ten aanzien van dat zelfstandig hoger beroepgeldt hier dat het openstellen van dit rechtsmiddel – binnen de genoemdebeperkingen – passend is gelet op de positie van de benadeelde partij alsprocespartij binnen het strafproces, voor zover het de behandeling vanhaar vordering tot schadevergoeding betreft. (Vgl. artikel 4.4.3, op grondwaarvan onder de «procespartijen» ook de benadeelde partij die zich heeftgevoegd wordt begrepen.) Van een in potentie onevenredig grote invloedvan de benadeelde partij op het verloop van de strafprocedure is dan ookgeen sprake. Voor de benadeelde partij levert de nieuwe regeling eenbelangrijke verbetering op van haar rechtspositie. Zij krijgt in cassatie ookde gelegenheid om, als een daartoe strekkend verzoek wordt ingewilligd,de door haar voorgestelde middelen van cassatie toe te lichten dan welmiddelen van cassatie die haar vordering betreffen tegen te spreken(artikel 5.5.18, vierde lid). Naar huidig recht kan de benadeelde partijalleen middelen over een rechtspunt dat haar vordering betreft indienenals door de verdachte dan wel de advocaat-generaal beroep in cassatie isingesteld (het huidige artikel 437, derde lid). En indien dat cassatieberoepniet-ontvankelijk wordt verklaard, komen de middelen van de benadeeldepartij niet aan de orde. In de nieuwe regeling is de uitkomst van hetcassatieberoep van de benadeelde partij niet meer afhankelijk van devraag of door anderen beroep in cassatie is ingesteld en hoe kansrijk datberoep is. Dit maakt een zelfstandig cassatieberoep voor de benadeeldepartij wenselijk.De zelfstandige mogelijkheid van de benadeelde partij om (hoger beroepen) cassatieberoep in te stellen, zal eraan bijdragen dat de Hoge Raad zijntaken op het gebied van rechtseenheid, rechtsvorming en rechtsbe-scherming kan uitoefenen ten aanzien van (rechts)vragen die zichspecifiek voordoen in relatie tot vorderingen van benadeelde partijen. Vanbelang daarbij is dat in toenemende mate in strafzaken zich kwesties vancivielrechtelijke aard voordoen, die in mindere mate de civiele rechter – enook de civiele kamer van de Hoge Raad – bereiken, onder meer op hetterrein van immateriële schadevergoeding. De rechtspraak van destrafkamer van de Hoge Raad, die uit het oogpunt van de wettelijke taakvan de Hoge Raad op het gebied van de rechtseenheid mede inafstemming met de civiele kamer van de Hoge Raad tot stand komt,draagt daarmee bij aan rechtsvorming en rechtsontwikkeling op onder-werpen die niet alleen van belang zijn bij de beoordeling van vorderingenvan benadeelde partijen, maar ook bij de toepassing van het aansprake-lijkheidsrecht in het algemeen.Het voorzien in een zelfstandige mogelijkheid van de benadeelde partijom (hoger beroep en) cassatieberoep in te stellen, zal waarschijnlijk leidentot een (verdere) intensivering van de werkzaamheden van de Hoge Raadop dit terrein. Bij de huidige stand van zaken wordt niet verwacht dat ditzal leiden tot een zodanige werklastverzwaring dat de rechtsvorming ende rechtsontwikkeling op andere terreinen van het strafrecht onder drukkomt te staan. Bovendien bevat de regeling een drempel voor vorde-ringen onder 1.750 euro. Tot slot is van belang dat het beroep in cassatieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11464 voor de benadeelde partij alleen openstaat indien haar vordering isafgewezen en niet indien zij in haar vordering niet-ontvankelijk isverklaard.(652) De rapporteurs vragen hoe de regering de doorwerking ziet van hetaangepaste beslismodel in hoger beroep en de nagestreefde bewegingnaar voren op het beroep in cassatie. Is met het nieuwe beslismodel inhoger beroep een ontlasting van de Hoge Raad beoogd in die zin dat erals gevolg daarvan minder (kansrijke) cassatieberoepen zullen wordeningesteld? Als daadwerkelijk minder (kansrijke) cassatieberoepen zullenworden ingesteld als gevolg van het nieuwe beslismodel in hoger beroep,hoe waardeert de regering die potentiële ontwikkeling dan?652. Het nieuwe beslismodel in hoger beroep is niet voorgesteld om deHoge Raad te ontlasten.Dit beslismodel brengt mee dat de rechter geen tijd hoeft te besteden aanhet overdoen van beslissingen waar zowel het openbaar ministerie als deverdachte geen bezwaar tegen hebben. Bij de behandeling in appel richthet gerechtshof zich op de bezwaren tegen het vonnis en op wat hetoverigens noodzakelijk acht. Het voorstel draagt ook bij aan een beterepositionering van de appelrechtspraak tussen enerzijds de berechting ineerste aanleg, waar de rechter de formele en materiële vragen van hetrechterlijk beslismodel heeft te beantwoorden en alle bijkomende vragendie bij het onderzoek spelen, en anderzijds de cassatierechtspraak die zichsteeds sterker richt op de beoordeling van de middelen die er uit oogpuntvan rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming toe doen.Het in 2007 ingevoerde voortbouwend appel strekt er in de kern toe datdoor een toespitsing op de verschillen van mening na de behandeling ineerste aanleg uiteindelijk een kwalitatief beter resultaat wordt verkregen(zie het antwoord op vraag 559). Het oordeel na een behandeling intweede aanleg heeft in beginsel een sterkere basis doordat na debehandeling in eerste aanleg de naar voren gebrachte bezwaren tegen hetvonnis grondig worden onderzocht. Het nieuwe beslismodel in hogerberoep past bij een dergelijke behandeling van de zaak en zal leiden tothet efficiënter wijzen van arrest door het gerechtshof. Het beslismodel isin lijn met het bestaande voortbouwend appel.Dit beslismodel heeft mogelijk effect op de later ingestelde cassatiemid-delen. De verdachte wordt al in appel verzocht goed na te denken welkebezwaren hij heeft tegen het vonnis van de rechtbank in eerste aanleg. Opdeze bezwaren richt het gerechtshof zich primair. Cassatieberoep staatalleen open tegen eindarresten, en als het gerechtshof het beroep heeftverworpen, kan niet meer worden geklaagd over iets waarover in hogerberoep niet is geklaagd, en waar het gerechtshof zich ook ambtshalve nietheeft uitgesproken.Deze werkwijze vergt wel van het gerechtshof dat het tegen de achter-grond van het recht op een eerlijk proces tijdens de behandeling van dezaak bijzondere aandacht zal moeten schenken aan de positie van deverdachte indien deze niet is voorzien van rechtsbijstand. Of het beslis-model er ook toe leidt dat minder (kansrijke) cassatieberoepen wordeningesteld is moeilijk te zeggen.De «beweging naar voren» staat los van het voorgaande. Die bewegingmoet worden gezien als een samenstel van maatregelen waarmee wordtbevorderd dat strafzaken beter voorbereid bij de zittingsrechter in eersteen tweede aanleg komen. Wel is de verwachting dat dit een positief effectop de doorlooptijden in eerste aanleg, hoger beroep en cassatie zalhebben.(653) De rapporteurs vragen of de regering heeft overwogen om tevoorzien in een gespecialiseerde cassatiebalie. Wat ziet de regering alsvoor en nadelen van deze mogelijkheid?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11465 653. Het onderzoeksrapport «Evaluatie van artikel 80a Wet op derechtelijke organisatie, een empirisch-juridisch onderzoek naar detoepassing van artikel 80a Wet RO door de Hoge Raad in de sectoren civielrecht, belastingrecht en strafrecht in de periode 2012–2019» (Kamer-stukken II 2021/22, 29 279, nr. 703) bevat naast bevindingen en conclusiesten aanzien van de toepassing van artikel 80a van de Wet op de rechter-lijke organisatie ook de aanbeveling om de mogelijkheid van eengespecialiseerde cassatiebalie strafrecht te onderzoeken (zie p. 222 vanhet rapport).Het strafrecht kent verplichte procesvertegenwoordiging in cassatie.Momenteel kan elke advocaat een cassatieschriftuur indienen bij destrafkamer van de Hoge Raad. Na een eventuele invoering van eencassatiebalie strafrecht is dat voorbehouden aan advocaten die daarvoorbijvoorbeeld een extra opleiding moeten volgen, daarvoor een examenmoeten afleggen en voldoende cassatiezaken per jaar moeten behan-delen.De onderzoekers noemen als voordeel van een gespecialiseerde cassatie-balie de kwaliteit van de cassatieschriftuur. Anderzijds zou een cassatie-balie mogelijk (financiële) barrières opwerpen om toegang tot decassatierechter te krijgen. Ook zouden er aarzelingen bestaan over depraktische haalbaarheid van een strafrechtelijke cassatiebalie. Vanwege dete maken afweging tussen deze mogelijke voor- en nadelen is in debeleidsreactie op bovengenoemd rapport aangegeven dat demogelijkheid van een gespecialiseerde cassatiebalie strafrecht eenonderwerp van gesprek is met de Hoge Raad en de Nederlandse Orde vanAdvocaten (Kamerstukken I 2022/23, 32 576, H, p. 4 en 7). Een eventueleregeling hiervan zou zijn beslag krijgen in een verordening (vergelijk:Verordening vakbekwaamheidseisen civiele cassatieadvocatuur en deWijzigingsverordening civiele cassatie 2019) en valt buiten het bestek vande totstandkoming van het nieuwe wetboek.(654) De leden van de GL-PvdA-fractie lezen dat de mogelijkheid om eencassatieberoep in te stellen tegen vonnissen over delicten die opgenomenzijn in lokale verordeningen wordt geschrapt. Nu zouden deze leden eropwillen wijzen dat er regelmatig discussie ontstaat of en in hoeverreverordeningen van gemeenten of provincies grondrechten beperken.Daarbij denken deze leden bijvoorbeeld aan de discussie over een digitaalgebiedsverbod, lokale verboden tegen straatintimidatie of welke grenzener aan het demonstratierecht mogen worden gesteld. Waarom wordt dezemogelijkheid, anders dan dat daar tot nu toe nauwelijks gebruik van wordtgemaakt, geschrapt? En wat komt ervoor in de plaats? Kan het instrumenttoch van belang blijken te zijn als de constitutionele toetsing op een latermoment mogelijk wordt?654. Zie het antwoord op vraag 644. In aanvulling daarop kan overtoetsing aan de Grondwet het volgende worden opgemerkt. Het toetsings-verbod van artikel 120 Grondwet heeft betrekking op wetten in formelezin. De rechter mag lagere regelgeving (dat wil zeggen wetten in materiëlezin die geen wet zijn in formele zin, zoals gemeentelijke verordeningen)toetsen op eventuele strijd met hogere (geschreven en ongeschreven)rechtsregels, waaronder de Grondwet. De toetsing van dergelijkeregelingen en voorschriften komt geregeld voor (Kamerstukken II 2021/22,35 925 VII, nr. 169, p. 7). Zo zijn de verbodsbepaling in de Haarlemse APVop het op straat dragen van kleding met het logo van een verbodenmotorclub (ECLI:NL:HR:2021:1946) en de bepaling uit de Rotterdamse APVdie een «sisverbod» bevatte in strijd geacht met artikel 7 Grondwet(ECLI:NL:GHDHA:2019:3293). De eventuele invoering van constitutioneletoetsing van wetten in formele zin zal hieraan niets veranderen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11466 (655) De leden van de GL-PvdA-fractie lezen dat de benadeelde partij eenzelfstandig recht op cassatie krijgt. Dat wil zeggen dat deze benadeeldeniet meer afhankelijk is van de vraag of de verdachte of het OM cassatieheeft ingesteld. Wat betreft de aan het woord zijnde leden is het goed datde rechten van slachtoffers in deze worden versterkt. In hoeverre kan deEU-richtlijn tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten vanslachtoffers in de toekomst nog tot aanpassing van de Nederlandse wet-of regelgeving ten aanzien van de rechten van slachtoffers gaan leiden,onder andere als het gaat om het zelfstandig kunnen instellen van beroepof cassatie?655. Zie over de mogelijke gevolgen van de voorgestelde herziening vanRichtlijn 2012/29/EU tot vaststelling van minimumnormen voor derechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers vanstrafbare feiten voor de Nederlandse wet- en regelgeving ten aanzien vanslachtoffers de antwoorden op de vragen 450 en 548. Daarbij is vanbelang dat de onderhandelingen hierover op dit moment nog gaande zijnen dat de inhoud van de herziene richtlijn dus nog geenszins definitiefvaststaat. Het richtlijnvoorstel bevat geen specifieke regels over hetzelfstandig kunnen instellen van hoger beroep of cassatie door debenadeelde partij of het slachtoffer.8. Herziening van arresten en vonnissen 8.1 Herziening ten voordele van de gewezen verdachte (656) De rapporteurs hebben een vraag over herziening in het voordeelvan de gewezen verdachte. In zowel de rechtspraktijk als in de literatuur isde vraag opgeworpen of een uitspraak van het Hof van Justitie van deEuropese Unie (HvJ EU) een grond voor herziening ten voordele kanopleveren. Is het wenselijk, gelet op het belang van het waarborgen vanfundamentele rechten zoals neergelegd in het Handvest, de beginselenvan Unietrouw en loyale samenwerking en de ratio van de prejudiciëleprocedure, onder omstandigheden herziening ten voordele mogelijk temaken op basis van een uitspraak van het HvJ EU?656. Een uitgangspunt van de herzieningsprocedure ten voordele is dat de– naderhand gebleken – onjuiste toepassing van het recht of eennaderhand gewijzigde rechtsopvatting geen grond tot herzieningopleveren. Dit uitgangspunt is gebaseerd op het beginsel «lites finirioportet», dat inhoudt dat aan de rechtsstrijd op een afzienbare termijn eeneinde moet komen en dat als de rechter een onherroepelijke uitspraakheeft gedaan, die in beginsel niet meer opnieuw ter discussie kan wordengesteld (Kamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 28). Het in algemene zinmogelijk maken van herziening ten voordele op grond van een uitspraakvan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) staat opgespannen voet met dit uitgangspunt.Bij de behandeling van de Verzamelwet Justitie en Veiligheid 2022 is doorde leden Van Nispen en Sneller een amendement ingediend waarmee eenuitspraak van het HvJ EU in zeer specifieke situaties als herzieningsgrondkan worden aangemerkt (Kamerstukken II 2021/22, 36 003, nr. 12). Hetamendement had betrekking op uitzonderlijke gevallen waarin eenonherroepelijke veroordeling is gebaseerd op overtreding van eenNederlandse wettelijke bepaling die uitvoering geeft aan Europees recht(zoals een bestanddeel uit een delictsomschrijving die in het Nederlandserecht is opgenomen ter implementatie van een Europese richtlijn), waarbijuit een latere uitspraak van het HvJ EU blijkt dat de toepassing van diewetsbepaling in strijd is met de uitleg die het HvJ EU aan het desbetref-fende Europese recht geeft en die moet worden geacht vanaf de inwer-kingtreding van die richtlijn de juiste te zijn geweest (ook wel aangeduidals de ex tunc-werking van uitspraken van het HvJ EU). In een uitgebreideTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11467 schriftelijke appreciatie is op dit amendement gereageerd (Kamer-stukken II 2021/22, 36 003, nr. 13). Daarin is aangegeven dat in zeerzeldzame situaties zoals hiervoor genoemd een rechtvaardiging kanworden gevonden om toegang tot de herzieningsprocedure mogelijk temaken, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan het fundamenteleuitgangspunt dat onjuiste toepassing van het recht of een naderhandgewijzigde rechtsopvatting geen grond tot herziening opleveren.Bij het overwegen van een dergelijke nieuwe herzieningsgrond dient ookstil te worden gestaan bij de uitvoeringsconsequenties. In dit verband isvan belang dat De Hoge Raad in zijn advies bij het eerdergenoemdeamendement van de leden Van Nispen en Sneller de verwachting heeftuitgesproken dat in een potentieel zeer groot aantal zaken een beroep opeen dergelijke nieuwe herzieningsgrond zal worden gedaan (bijlage bijKamerstukken II 2021/22, 36 003, nr. 12). In het advies van de Hoge Raadklinkt ook door dat de werklastgevolgen van de nieuwe herzieningsgrondniet beperkt zullen blijven tot de rechtstreeks bij de herzieningsprocedurebetrokken organisaties. De verwachting is dat bij de behandeling vanstrafzaken in eerste aanleg door rechtbanken en in hoger beroep doorgerechtshoven veel vaker dan voorheen een beroep op Europees recht enverzoeken tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ EU zullenworden gedaan, met mogelijk langere doorlooptijden van strafzaken totgevolg.De vraag of introductie van een nieuwe herzieningsgrond in verband metuitspraken van het HvJ EU wenselijk is, vergt gelet op het voorgaandenadere doordenking. Daarom wordt in de vraag van de rapporteurs en devergelijkbare vraag van de GL-PvdA-fractie over dit onderwerp aanleidinggezien nader te verkennen of het wenselijk is uitspraken van het HvJ EU inde hiervoor genoemde, specifieke gevallen als nieuwe herzieningsgrondaan te merken en, indien die vraag bevestigend wordt beantwoord, tebezien hoe die herzieningsgrond in het nieuwe wetboek zodanig kanworden vormgegeven dat onevenredige uitvoeringsconsequenties voorde strafrechtelijke ketenpartners en langere doorlooptijden in strafzakenworden voorkomen. Vanwege de hoge juridische complexiteit van hetonderwerp en de mogelijk omvangrijke uitvoeringsconsequenties van eendergelijke wijziging, is het belangrijk de relevante strafrechtelijkeketenpartners bij deze verkenning te betrekken. Mocht een voorstel totintroductie van een herzieningsgrond in verband met uitspraken van hetHvJ EU inderdaad wenselijk worden geacht, is daarnaast van belang datook de Afdeling advisering van de Raad van State in de gelegenheidwordt gesteld advies uit te brengen over dit voorstel. Gelet op hetvoorgaande zal de voorgenomen, hiervoor omschreven verkenning naarde mogelijkheid van een nieuwe herzieningsgrond in verband metuitspraken van het HvJ EU ter hand worden genomen. Het ligt echter nietin de lijn der verwachting dat die verkenning nog lopende de parlemen-taire behandeling van het wetsvoorstel kan zijn afgerond.(657) De rapporteurs vragen of mag worden verlangd dat het slachtofferzelf informeert bij het OM naar de beslissing van de Hoge Raad op deherzieningsaanvraag en naar het eindarrest in de herzieningszaak. Ofkunnen in artikel 5.8.25 lid 2 de woorden «op zijn verzoek» wordengeschrapt zodat het OM het slachtoffer ambtshalve en tijdig in kennisstelt? De rapporteurs vragen in dit verband ook of in artikel 5.8.25 lid 2 kanworden bepaald dat het slachtoffer in kennis wordt gesteld van debeslissing van de procureur-generaal op het verzoek tot nader onderzoek,vanwege de betekenis van deze beslissing voor het al dan niet succesvolzijn van de herzieningsaanvraag.657. Op het moment dat een herzieningsaanvraag of een verzoek tot eennader onderzoek is ingediend, neemt het openbaar ministerie contact opTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11468 met het slachtoffer (of de nabestaanden) met de vraag of het slachtofferop de hoogte wenst te worden gehouden van de voortgang van deherzieningsprocedure (artikel 5.8.25, eerste lid). Het slachtoffer hoeft dusniet uit eigen beweging contact op te nemen met het openbaar ministerie.Als het slachtoffer te kennen geeft op de hoogte gehouden te willenworden, zal het openbaar ministerie het slachtoffer in ieder geval inkennis stellen van de beslissing van de Hoge Raad op de herzieningsaan-vraag en van het eindarrest in de herzieningszaak tegen de verdachte(artikel 5.8.25, tweede lid). De woorden «in ieder geval» laten ruimte omhet slachtoffer desgewenst ook van andere ontwikkelingen in de herzie-ningsprocedure in kennis te stellen, zoals de beslissing van de procureur-generaal bij de Hoge Raad op een verzoek tot nader onderzoek. Hetvoorgaande sluit aan bij het algemene uitgangspunt in het nieuwewetboek dat aan het slachtoffer op diens verzoek concrete informatie overde aanvang en de voortgang van de zaak wordt verstrekt die betrekkingheeft op het tegen hem begane strafbare feit (artikel 1.5.4, eerste entweede lid).Het is echter ook voorstelbaar dat het slachtoffer aangeeft juist geenbehoefte te hebben aan informatie over het verloop van de herzienings-procedure, bijvoorbeeld omdat het slachtoffer niet wil worden geconfron-teerd met (traumatische) gebeurtenissen uit het verleden. Bij de totstand-koming van de huidige herzieningsregeling is er daarom bewust voorgekozen dat het openbaar ministerie het slachtoffer niet automatisch inkennis stelt van de voortgang van de procedure, maar eerst in contacttreedt met het slachtoffer over diens specifieke informatiebehoefte.Daarmee wordt voorkomen dat slachtoffers tegen hun wil wordengeconfronteerd met informatie waar zij geen prijs op stellen (zie ookKamerstukken II 2008/09, 32 045, nr. 3, p. 42–43). Deze argumenten zijnook nu nog van toepassing, daarom is ervoor gekozen om de bestaandewettelijke regeling op dit punt (het huidige artikel 481) inhoudelijkongewijzigd over te nemen in het nieuwe wetboek. Binnen het traject vande taakoverdracht informeren en raadplegen slachtoffers in de tenuitvoer-legging, wordt overigens verkend of en wanneer het informeren van hetslachtoffer in het kader van de herzieningsprocedure van het openbaarministerie kan worden overgedragen aan de Minister voor Rechtsbe-scherming en namens hem het CJIB.(658) De leden van de VVD-fractie vragen in navolging van de inbreng vande universiteiten en het Fonds Slachtofferhulp of het tweede lid vanartikel 5.8.25, dat ziet op de beslissing van de Hoge Raad op de herzie-ningsaanvraag kan worden gewijzigd, in die zin, dat dit automatisch doorhet OM aan het slachtoffer wordt verstrekt, in plaats van op diens verzoek,zodat het OM ambtshalve en tijdig het slachtoffer hiervan in kennis stelt.Kan de regering in overleg met het OM treden over de uitvoeringsconse-quenties hiervan?658. In antwoord 657 is toegelicht waarom het onwenselijk wordt geachtdat het openbaar ministerie het slachtoffer automatisch informatieverstrekt over de voortgang van de herzieningsprocedure. Overleg methet openbaar ministerie over de uitvoeringsconsequenties van eenwijziging op dit punt is daarom niet aan de orde.(659) De leden van de VVD-fractie lezen dat tot nu toe slechts één keer eenherzieningsaanvraag is ingediend strekkend tot herziening ten nadele vaneen gewezen verdachte. Wat is de regering voornemens te doen om deregeling effectiever en hanteerbaarder te maken voor de uitvoering, zodatvaker succesvol een herzieningsaanvraag kan worden ingediend?659. De mogelijkheid van herziening ten nadele betreft een buitengewoonrechtsmiddel dat slechts in uitzonderlijke gevallen voor toepassing inaanmerking komt. Het gaat immers om een procedure waarmee eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11469 onherroepelijke vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging in hetnadeel van de verdachte kan worden herzien. De regeling kan daarmeeworden beschouwd als een noodventiel binnen het Nederlandsestrafrechtelijk bestel. De herzieningsprocedure heeft naar zijn aard alsbuitengewoon rechtsmiddel een uitzonderlijk karakter. In een brief over ditonderwerp aan de Eerste Kamer van oktober 2023 is aangegeven dat hetopenbaar ministerie in een aantal afgesloten zaken onderzoek doet naarde mogelijke instelling van een vordering tot herziening ten nadele(Kamerstukken I 2023/24, 32 044, H). Dit betreft complexe en langlopendeonderzoekstrajecten, waarbij het openbaar ministerie met grote zorgvul-digheid beziet of de desbetreffende zaken voldoen aan de wettelijkecriteria voor herziening ten nadele en de uitleg die de Hoge Raad in zijnarrest van 8 november 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2520) aan het novumcri-terium heeft gegeven. Gelet op het voorgaande is er geen aanleiding deherzieningsregeling ten nadele bij gelegenheid van het nieuwe wetboekinhoudelijk te wijzigen.(660) Deze leden vragen of bijvoorbeeld ontsleutelde berichten uitPGP-telefoons kunnen worden gebruikt om een dergelijk herzieningsaan-vraag ten nadele van een gewezen verdachte in te dienen? Welkeomstandigheden spelen hierbij een rol?660. Het is niet mogelijk een algemene uitspraak te doen over de vraag ofspecifieke ontsleutelde berichten van PGP-telefoons in specifiekeafgesloten strafzaken al dan niet een grond voor herziening ten nadelekunnen opleveren. Dit oordeel is in de herzieningsprocedure ten nadeleaan de Hoge Raad. Wel kan over PGP-berichten in het kader van deherzieningsprocedure ten nadele in algemene zin het volgende wordenopgemerkt.In de herzieningsprocedure ten nadele kunnen onder meer «verklaringen,stukken of processen-verbaal, houdende een geloofwaardige bekentenisvan de gewezen verdachte of van een persoon die wegens hetzelfde feit isvrijgesproken of ontslagen van alle rechtsvervolging» als een novumworden aangemerkt (artikel 5.8.27, derde lid, aanhef en onder a). Zondereen uitspraak te willen doen over individuele zaken, is het in algemene zinniet uitgesloten dat (in een proces-verbaal neergelegde) ontsleuteldeberichten uit PGP-telefoons kunnen worden aangemerkt als een geloof-waardige bekentenis (zie ook hierna) en daarmee grond vormen voorherziening ten nadele. Benadrukt wordt dat op grond van de aangehaaldewettekst sprake moet zijn van een geloofwaardige bekentenis. De enkeleomstandigheid dat een gewezen verdachte zich in een PGP-bericht zouuitlaten over diens betrokkenheid bij een strafbaar feit waarvan hij isvrijgesproken, leidt dus niet automatisch tot de conclusie dat sprake is vaneen novum dat grond vormt voor herziening ten nadele. Het is aan deHoge Raad om in individuele zaken te beoordelen of dergelijke berichtenals een geloofwaardige bekentenis kunnen worden aangemerkt.Daarnaast wordt opgemerkt dat bij de totstandkoming van de Wetherziening ten nadele er bewust voor is gekozen dat een geloofwaardigebekentenis van de gewezen verdachte of medeverdachte niet (uitsluitend)kan stoelen op een getuigenverklaring (zie voor een nadere toelichting opdie keuze Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 12–13). PGP-berichtenwaarin iemand zich uitlaat over de betrokkenheid van derden bij strafbarefeiten, kunnen daarom geen novum opleveren.Daarnaast is het denkbaar dat ontsleutelde PGP-berichten kunnenbijdragen aan de vaststelling dat sprake is van een van de falsa(artikel 5.8.27, eerste lid, aanhef en onder b tot en met d, en tweede lid).Voor een ontvankelijke herzieningsaanvraag ten nadele op basis van eenfalsum dient buiten redelijke twijfel te staan dat een van de falsa zichvoordoet (Kamerstukken II 2008/09, 32 044, nr. 3, p. 30–31). Daarvoor is tenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11470 minste vereist dat aan de wettelijke bewijsminima is voldaan. Hieruit volgtdat een enkel PGP-bericht op zichzelf onvoldoende is voor een gegrondeherzieningsaanvraag op basis van een falsum, maar dat een dergelijkbericht mogelijkerwijs wel aan de vaststelling van een falsum kanbijdragen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan berichten dieerop wijzen dat een getuige in de strafzaak waarop de herzieningsaan-vraag betrekking heeft zich schuldig heeft gemaakt aan meineed(artikel 5.8.27, eerste lid, onderdeel c).(661) De leden van de GL-PvdA-fractie zijn van mening dat demogelijkheid tot herziening van een vonnis ten voordele van de verdachtein Nederland beperkt is. Zij zouden in dit verband willen wijzen op heteerder verworpen amendement Van Nispen-Sneller (Kamerstuk 36 003,nr. 12), waarin gevraagd werd om het mogelijk te maken dat herzieningten voordele ook moeten kunnen plaatsvinden in het geval dat eenuitspraak van het HvJ-EU een wezenlijk ander licht op een Nederlandseafgesloten strafzaken werpt. De aan het woord zijnde leden kennen ook debrief waarin de Minister voor Rechtsbescherming dit amendementontraadde (Kamerstuk 36 003, nr. 13). Daarin liet de Minister weten datonder andere vanwege het feit dat toen nog «de juridische als deuitvoeringstechnische consequenties van het amendement» niet afdoendein kaart waren gebracht, hij het amendement moest ontraden. Kan deregering die consequenties alsnog in kaart brengen? Ook in het kader vanhet Project bijstand Tweede Kamer modernisering Wetboek van Strafvor-dering is gevraagd of een uitspraak van het HvJ-EU een grond voorherziening ten voordele zou moeten opleveren. Kan de regering hiernader op in gaan?661. Zie het antwoord op vraag 656.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11471 Verslag Boek 6 Het verslag bij Boek 6 (Kamerstukken II 2023/24, 36 327, nr. 10) isvastgesteld op 9 februari 2024.I. ALGEMEEN BOEK 6 Bijzondere regelingenDe leden Ellian en Helder zijn door de vaste commissie voor Justitie enVeiligheid benoemd tot rapporteurs op dit wetsvoorstel. Deze rapporteurshebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot de Vaststelling van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering, Boek 6 (36 327) (hierna: hetwetsvoorstel) en hebben namens de commissie een aantal vragen. Zijbaseren zich hierbij op een inhoudelijke rapportage die in opdracht van deTweede Kamer is opgesteld door vier samenwerkende universiteiten.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstellingkennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij kunnen zich vinden in de vragendie in de inhoudelijke rapportage over Boek 6 in het kader van het Projectbijstand Tweede Kamer modernisering Wetboek van Strafvordering doorhet projectteam zijn geformuleerd. Deze leden zouden het op prijs stellenals de regering deze vragen zou beantwoorden. Daarnaast hebben zij nogeen aantal aanvullende vragen.De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van Boek 6 van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering. De eerste titel van Boek 6 gaat overjeugdigen en jongvolwassen. Jeugdigen en jongvolwassen die met hetstrafrecht in aanraking komen verdienen een bijzondere behandeling.Hierbij passen dan ook bijzondere wetsartikelen. Deze leden hebbenenkele vragen en opmerkingen over in het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering opgenomen wetsartikelen die zien op deze groep verdachten. Ookhebben deze leden vragen en opmerkingen over wetsartikelen waarvan deregering heeft besloten deze niet in het nieuwe Wetboek op te nemen.De leden van de NSC-fractie constateren dat naast de vragen en opmer-kingen over de titel over jeugdigen en jongvolwassen Boek 6 van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering ook aanleiding geeft tot enkelevragen en opmerkingen over het stellen van prejudiciële vragen aan deHoge Raad en over de nieuwe strafvorderlijke regeling inzake schadever-goeding. Over beide regelingen hebben deze leden enkele vragen enopmerkingen ter verduidelijking van de door de regering gemaakte keuzesen afwegingen.De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Zij stellen nog enkele vragen over Boek 6.De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstelen hebben nog enkele vragen.De leden van de CDA-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het wetsvoorstel. Deze leden danken de regering voor hun inzet in ditmoderniseringsproces en waarderen de inspanningen die worden verrichtom dit proces in goede banen te leiden. Deze leden zien namelijk het grotebelang dat het Wetboek van Strafvordering wordt gemoderniseerd enoverzichtelijk wordt gemaakt, wat ten goede zal komen aan de rechtsbe-scherming en het strafproces. Zij maken van de gelegenheid gebruik omenkele vragen te stellen aan de regering over dit wetsvoorstel. Daarnaastsluiten deze leden zich aan bij de vragen die worden gesteld door deonderzoekers van de universiteiten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11472 De leden van de SP-fractie hebben het wetsvoorstel gelezen. Deze ledenhebben ook de inhoudelijke rapportage over Boek 6 in het kader van hetProject bijstand Tweede Kamer modernisering Wetboek van Strafvor-dering gelezen. Zij zijn de rapporteurs en het projectteam wederomdankbaar voor de uitgebreide rapportage en de vragen die hieruit aan deregering worden gesteld. Voornoemde leden hebben nog een aantalaanvullende vragen.II. ARTIKELSGEWIJS DEEL BOEK 6 1. Voorzieningen vanwege de persoon van de verdachte 1.1 Jeugdigen en jongvolwassenen (662) De rapporteurs constateren dat een jeugdige jonger dan 12 jaar(«12-minner») ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat hijeen strafbaar feit heeft begaan in de voorgestelde regeling uitdrukkelijkeen verdachte wordt genoemd. Betekent dit dat 12-minners aanspraakmaken op de algemene rechten van verdachten als neergelegd in Boek 1?Zo ja, wat zijn daarvan de implicaties voor de praktijk?662. Het is juist dat ook een jeugdige jonger dan twaalf jaar ten aanzienvan wie uit feiten of omstandigheden een redelijk vermoeden van schuldaan een strafbaar feit voortvloeit, als verdachte moet worden aangemerkt.Dit betekent dat ook bij deze «twaalf-minners» betekenis toekomt aan dealgemene bepalingen in Boek 1, Titel 4.1, over de verdachte. Doordat debijzondere voorschriften van Boek 6, Afdeling 1.1.1 (de artikelen 6.1.1 toten met 6.1.3) met voorrang voor twaalf-minners gelden, zijn de praktischeimplicaties hiervan echter beperkt, en bovendien beperkt tot het opspo-ringsonderzoek. In lijn met de bestaande regeling kan tegen de verdachtedie de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt namelijk geenvervolging worden ingesteld (artikel 6.1.2). Daarnaast bevat artikel 6.1.3een uitputtende opsomming van het beperkte aantal bevoegdheden die inhet opsporingsonderzoek tegen deze verdachten kunnen worden ingezet,met aanvullende waarborgen die daarbij in acht moeten wordengenomen. Dit komt in hoofdlijnen overeen met de bestaande regeling. Depositie van deze verdachte wordt in het nieuwe wetboek wel versterktdoordat is voorzien in de verplichte aanwijzing van een raadsman. Vanpraktisch belang is verder dat ook de bepalingen over het recht om doorde ouder of een persoon naar keuze te worden vergezeld, ten aanzien vanverdachte twaalf-minners van toepassing zijn verklaard (artikel 6.1.3,derde lid).(663) Vallen 12-minners die als verdachte worden aangemerkt onder dereikwijdte van EU Richtlijn 2016/800? Zo ja, voldoet de voorgestelderegeling voor 12-minners aan deze Richtlijn?663. Ook verdachten die de leeftijd van twaalf jaar nog niet hebben bereikt(«twaalf-minners»), vallen onder de reikwijdte van richtlijn nr. 2016/800/EUvan het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende deprocedurele waarborgen voor kinderen die verdachte of beklaagde zijn ineen strafprocedure (PbEU L132) (hierna ook: de richtlijn of richtlijn2016/800/EU). Deze richtlijn bevat minimumvoorschriften met betrekkingtot bepaalde rechten van kinderen die verdachte of beklaagde in eenstrafprocedure zijn (artikel 1, aanhef en onderdeel a van de richtlijn). Naaraanleiding van deze vraag van de rapporteurs, zullen twee rechten uit derichtlijn worden toegevoegd aan de voorgestelde regeling voor twaalf-minners. Dit zal gebeuren in de eerste aanvullingswet na de formeleconsultatie van dat voorstel (aanvulling artikel 6.1.3, derde lid). Het betreftten eerste het medisch onderzoek dat de (hulp)officier van justitieambtshalve of op verzoek van de verdachte kan laten uitvoeren om vast testellen of de verdachte in staat is een verhoor te ondergaan of te wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11473 onderworpen aan een onderzoekshandeling. Ten tweede wordt het rechtop een individuele beoordeling (artikel 7 van de richtlijn, artikel 6.1.29) ookvan toepassing op deze twaalf-minners. De reden dat in eerste instantiehet medisch onderzoek en een individuele beoordeling niet warenopgenomen in de regeling was de inschatting dat aan die voorschriftenniet betekenisvol uitvoering kan worden gegeven door de korte duur vande vrijheidsbeneming. Omdat gevallen denkbaar zijn dat het wel binnenzes uur kan en de rechten van twaalf-minners hiermee kunnen zijngediend, zal – zoals hierboven vermeld – via aanvullingswetgeving hierintoch worden voorzien. Hierna wordt toegelicht hoe de regeling in hetnieuwe wetboek hiermee volledig voldoet aan de richtlijn.Tegen de verdachte die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt,kan geen vervolging worden ingesteld (zie ook het antwoord op vraag662). Dit beperkt de feitelijke betekenis van de richtlijn voor twaalf-minners omdat een deel van deze richtlijn eerst van betekenis is bij devervolging en berechting. Daartegenover staat dat in gevallen waarinsprake is van vrijheidsbeneming de richtlijn zonder meer van toepassingmoet worden geacht (artikel 2, zesde lid, richtlijn). Ook bij twaalf-minnerskan van vrijheidsbeneming sprake zijn. De (hulp-)officier van justitie kanimmers bevelen dat deze verdachte wordt opgehouden voor onderzoek,voor een periode van ten hoogste zes uur (artikel 6.1.3, eerste lid,onderdeel c). In lijn met de richtlijn is daarom ook bij twaalf-minners in deaanwijzing van een raadsman voorzien (artikel 6.1.3, derde lid, insamenhang met artikel 6.1.5, eerste en tweede lid). Daarnaast geldt voorde twaalf-minner de regeling inzake het vergezelrecht door een ouder ofpersoon naar keuze (artikel 6.1.33) en wordt de twaalf-minner geïnfor-meerd over zijn rechten (artikel 6.1.3, derde lid, en artikel 4 richtlijn). Ookde tot zes uur beperkte maximumduur van het ophouden voor onderzoek,is terug te voeren op het voorschrift uit de richtlijn dat de vrijheidsbe-neming van kinderen tijdens elke fase van de procedure zo kort duurt alspassend is (artikel 10, eerste lid, richtlijn). Niet rechtstreeks op de richtlijnis terug te voeren het voorschrift dat in geval van deze vrijheidsbenemingde raad voor de kinderbescherming wordt geïnformeerd (artikel 6.1.3,tweede lid), maar ook dit dient ter ondersteuning van de rechten van dezekinderen.De vraagstelling geeft aanleiding om op deze plaats te verhelderen datook enkele bepalingen uit de richtlijn niet in de regeling voor twaalf-minners zijn overgenomen. Dit betreft ten eerste de richtlijnbepalingenmet rechten die uitsluitend bij vervolging en berechting een betekenis-volle rol zouden kunnen spelen. Nu tegen verdachten onder de twaalf jaargeen vervolging kan worden ingesteld, zijn deze bepalingen niet relevant.Daarnaast is het recht op audiovisuele opnames van verhoren (artikel 9richtlijn) niet van toepassing. Van toepasselijkheid daarvan is afgezienomdat de richtlijn deze vorm van registratie voorschrijft «indien dit inverhouding staat tot de omstandigheden van de zaak». Hierbij komteveneens betekenis toe aan de aanwezigheid van een raadsman. Omdat,zoals hiervoor aangegeven voor de twaalf-minners is voorzien in deaanwijzing van een raadsman, kan van het treffen van een voorzieningvoor audiovisuele registratie voor twaalf-minners worden afgezien.Hieraan zou kunnen worden tegengeworpen dat ook bij minderjarigeverdachten van twaalf jaar of ouder zowel een recht op bijstand van eenraadsman (artikel 6.1.5) als een recht op audiovisuele registratie(artikel 6.1.6) bestaat. Voor deze laatste categorie van verdachten geldtevenwel dat zij, anders dan de twaalf-minners, wel kunnen wordenvervolgd.(664) De rapporteurs constateren dat sinds 7 april 2022 een tijdelijkebeleidsvoorziening geldt waardoor ook niet-aangehouden jeugdigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11474 verdachten recht hebben op kosteloze rechtsbijstand voorafgaand aan, entijdens het politieverhoor, hetgeen is gebaseerd op de EU Richtlijn2016/800. Krijgt dit recht een wettelijke basis in het nieuwe Wetboek?664. Ja, zie de antwoorden op de vragen 85 en 93.(665) De rapporteurs vragen of de regeling van het ophouden voorverhoor en de inverzekeringstelling van jeugdige verdachten voldoendetegemoetkomt aan de EU Richtlijn 2016/800 en andere internationale enEuropese kinder- en mensenrechtenstandaarden. Valt te overwegen omhet uitgangspunt dat het ophouden voor verhoor en de inverzekering-stelling van jeugdige verdachten een uiterste maatregel moet zijn (hetultimum remedium-beginsel) expliciet op te nemen in artikel 6.1.10? Valtte overwegen om, met inachtneming van de relevante strafvorderlijkebelangen, jeugd-specifieke termijnen in te voeren voor het ophouden voorverhoor en de inverzekeringstelling van jeugdige verdachten, die korterzijn dan de termijnen die gelden in het commune strafrecht?665. Het antwoord op de vraag of de regeling van het ophouden vooronderzoek voldoende tegemoet komt aan richtlijn 2016/800/EU en anderestandaarden, luidt bevestigend. Om het ultimum remedium-beginsel totuitdrukking te brengen hoeft – in aanvulling op de hieronder nadertoegelichte nieuwe regeling – het opnemen van jeugd-specifieke, korteretermijnen niet te worden overwogen om uitvoering te geven aan de inartikel 10 van de richtlijn opgenomen bijzondere bepalingen over devrijheidsbeneming.In de eerste uren na de aanhouding, in de fase van het ophouden vooronderzoek (negen uur of zes uur behoudens verlenging), en – in geval vanverdenking wegens een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis istoegelaten – de fase van de inverzekeringstelling (maximaal drie dagenbehoudens verlenging met drie dagen), staat het belang van hetonderzoek centraal. De fase van het ophouden voor onderzoek en deinverzekeringstelling staat volledig in het teken van de handelingen die inhet belang van het onderzoek nodig zijn waaronder het vaststellen van deidentiteit van verdachte, het verhoor van de verdachte, waar aangewezende voorgeleiding van de verdachte aan de (hulp-)officier van justitiebinnen de daarvoor geldende korte termijn met het oog op beoordeling ofinverzekeringstelling nodig is en – ten slotte, wanneer de inverzekering-stelling wordt bevolen – waar aangewezen de voorbereiding van devoorgeleiding van de verdachte aan de rechter-commissaris. Eenalgemene verkorting van de termijnen van het ophouden voor onderzoeken de inverzekeringstelling om de reden dat de verdachte minderjarig is,zou het opsporingsonderzoek (ernstig) kunnen bemoeilijken zonder dat derichtlijn tot een dergelijke verkorting noodzaakt. Een voorschrift inhou-dende dat de vrijheidsbeneming in de fase van het ophouden vooronderzoek en de inverzekeringstelling kortdurend moet zijn, zou naarverwachting in geringe mate bijdragen aan het voorkomen of vermin-deren van de kortdurende vrijheidsbeneming die in deze fase mogelijk is.In het bijzonder bij jeugdige verdachten worden inspanningen verricht omeen beeld te krijgen van de verdachte en diens leefomstandigheden. Zokunnen ouders worden ingelicht over de vrijheidsbeneming en kan ookeen beeld worden verkregen van de mogelijkheden om in plaats van destrikte vrijheidsbeneming, de jeugdige bijvoorbeeld thuis te latenverblijven. Daartoe houdt artikel 6.1.10 – in aanvulling op de regeling voorvolwassenen – voor de fase van het ophouden voor onderzoek en voor defase van de inverzekeringstelling in dat daarvoor elke geschikte plaats kanworden aangewezen, waaronder dus thuis. Ook tegen de achtergrond vandeze mogelijkheden is een algemene verkorting van termijnen nietoverwogen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11475 Voor de fase van de voorlopige hechtenis komt het ultimum-remedium-beginsel al op verschillende manieren tot uitdrukking. De eerste is dat opgrond van het algemene voorschrift van artikel 2.5.31 bij het bevelen vanvoorlopige hechtenis onmiddellijk moet worden nagegaan of het bevelkan worden geschorst. Dit voorschrift geldt ook in de strafvordering tegenjeugdige verdachten. Verder komt het beginsel specifiek voor jeugdigeverdachten tot uitdrukking in artikel 6.1.13 waar is bepaald dat voorlopigehechtenis voor een «zo kort mogelijke passende duur» wordt bevolen.Deze formulering komt overeen met de formulering van artikel 10 van derichtlijn en geeft de rechter de opdracht het juiste evenwicht te vindentussen de relevante strafvorderlijke belangen die ook in de vraagstellingwordt benoemd en het uitgangspunt dat de vrijheidsbeneming zo kortmogelijk moet zijn. Verder is bij jeugdige verdachten ook de duur van eenbevel tot gevangenneming en een bevel tot gevangenhouding beperkt invergelijking met de regeling voor volwassen verdachten. Behoudens eenuitzondering voor de situatie waarin het opleggen van een maatregel totplaatsing in een inrichting voor jeugdigen wordt nagestreefd, is deze duurgesteld op ten hoogste één maand (6.1.13, tweede lid).(666) De rapporteurs vragen of het kinder- en mensenrechtelijkevoorschrift dat bij jeugdige verdachten extra terughoudend moet wordenomgegaan met de toepassing van voorlopige hechtenis (lees: enkel als«uiterste maatregel») voldoende tot uitdrukking komt in de voorgestelderegeling, nu de plicht voor de rechter om de mogelijkheden voorschorsing van voorlopige hechtenis te onderzoeken (het huidige art. 493lid 1 Sv) in de nieuwe regeling niet langer specifiek geldt voor jeugdigen,maar ook voor volwassenen.666. Het is inderdaad zo dat in het nieuwe wetboek zowel voor jeugdigeals voor volwassen verdachten het uitgangspunt is verwoord datvrijheidsbeneming slechts als uiterste maatregel heeft te gelden.Artikel 2.5.31 schrijft in dit verband voor dat de rechter die de voorlopigehechtenis beveelt, nagaat of de tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzijonmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst.Dat het jeugd-specifieke karakter is komen te ontvallen aan de opdrachtom terughoudend met vrijheidsbeneming om te gaan, geeft geenaanleiding vervolgens aanvullende begunstigende voorzieningen voorjeugdige verdachten te treffen. Specifiek voor jeugdige verdachten houdtartikel 6.1.13, eerste lid, verder in dat voorlopige hechtenis voor «een zokort mogelijke passende duur» wordt bevolen. Dit is een ten opzichte vande regeling voor volwassen verdachten aanvullend voorschrift waarineveneens tot uitdrukking komt dat terughoudendheid moet wordenbetracht in de vrijheidsbeneming van jeugdige verdachten. Ook artikel 10,eerste lid, van de richtlijn 2016/800/EU bevat een nagenoeg gelijkluidendvoorschrift waaraan met artikel 6.1.13 uitvoering is gegeven (zie ook hetantwoord op vraag 665).(667) Valt te overwegen om het uitgangspunt dat voorlopige hechtenisvan jeugdige verdachten een uiterste maatregel moet zijn (het ultimumremedium-beginsel) expliciet op te nemen in artikel 6.1.13 lid 1?667. Zoals ook in het antwoord op vraag 666 naar voren is gebracht, geldthet uitgangspunt dat voorlopige hechtenis voor jeugdige verdachten eenuiterste maatregel moet zijn reeds op grond van de algemene regelingvan artikel 2.5.31. Dit artikel schrijft voor dat de rechter die de voorlopigehechtenis beveelt, nagaat of de tenuitvoerlegging van dit bevel, hetzijonmiddellijk, hetzij na een bepaald tijdsverloop, kan worden geschorst. Ditvoorschrift, dat de belichaming vormt van het ultimum remedium-beginsel, geldt onverkort voor jeugdige verdachten omdat hierop in deregeling voor jeugdige verdachten geen uitzondering is geformuleerd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11476 (668) De rapporteurs vragen of in de voorgestelde regeling de proportio-naliteit van ingrijpende bijzondere voorwaarden die kunnen wordenverbonden aan de schorsing van de voorlopige hechtenis van jeugdigeverdachten voldoende gewaarborgd wordt, nu de regeling geen begren-zingen van de duur van schorsingsvoorwaarden bevat. Dit gelet op hetthans geldende artikel 2:6 lid 3 Besluit tenuitvoerlegging strafrechtelijkebeslissingen, dat dergelijke begrenzingen in duur wel stelt.668. Dat de rechter de werking van de bijzondere voorwaarden kanbeperken tot een bij de beslissing tot schorsing van het bevel totvoorlopige hechtenis te bepalen tijdsduur, is abusievelijk niet overge-nomen uit artikel 2:6, derde lid, van het Besluit tenuitvoerleggingstrafrechtelijke beslissingen. In de eerste aanvullingswet wordt dezeomissie hersteld. Aan artikel 6.1.14 wordt een nieuw vierde lid toege-voegd waarin is vastgelegd dat enkele ingrijpende bijzonderevoorwaarden ten hoogste zes maanden kunnen duren. Dit is conformhuidig artikel 2:6, derde lid, van het Besluit tenuitvoerlegging strafrechte-lijke beslissingen. Overigens geldt uiteraard altijd dat de rechter in eenconcreet geval toetst of de aan de schorsing te verbinden bijzonderevoorwaarden voldoen aan de eisen van noodzakelijkheid, proportionaliteiten subsidiariteit.(669) De rapporteurs lezen dat voorgestelde regeling (art. 6.1.17 lid 2) desanctiemogelijkheden van de alleenzittende kinderrechter verruimt c.q.verzwaart, waarmee het mogelijk wordt om langdurige vrijheidsstraffenop te leggen mits het onvoorwaardelijke deel daarvan de duur van zesmaanden niet te boven gaat. Wat is het precieze doel van de voorgesteldeverruiming?669. In de huidige regeling is de behandeling van de zaak voorbehoudenaan een meervoudige kamer, indien naar het aanvankelijk oordeel van deofficier van justitie in de zaak de maatregel van plaatsing in een inrichtingvoor jeugdigen dan wel een zwaardere hoofdstraf dan een vrijheidsstrafvan zes maanden dient te worden opgelegd (artikel 495, tweede lid,onderdeel a). Het onderliggende uitgangspunt is dat een alleen zittendekinderrechter niet tot langdurige vrijheidsbeneming zou moeten beslissen.Dit uitgangspunt blijft in het nieuwe wetboek gehandhaafd. Aan eenalleen zittende rechter wordt ook elders in het nieuwe wetboek eenbeperkte ruimte gegeven om straffen en maatregelen op te leggen (vgl.Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1217) (zie het antwoord op vraag633). Voor de politierechter wordt dit tot uitdrukking gebracht inartikel 4.5.2, tweede lid. Daarin wordt de bevoegdheid van de politie-rechter beperkt tot het opleggen van gevangenisstraffen van een jaar. Inartikel 6.1.17, tweede lid, wordt ook de mogelijkheid van langdurigebestraffing door de alleen zittende kinderrechter uitgesloten.De vraagstelling geeft aanleiding op te merken dat in artikel 4.5.2 geenonderscheid wordt gemaakt tussen een onvoorwaardelijk en voorwaar-delijk strafdeel. Ook in het huidige artikel 495, tweede lid, onderdeel a, iseen dergelijk onderscheid niet gemaakt. Artikel 6.1.17, tweede lid, wijkthiervan af en maakt dit onderscheid wel. Een beoogd gevolg hiervan isdat de alleen zittende kinderrechter wel een jeugddetentie of gevangenis-straf van langere duur dan zes maanden kan opleggen, maar alleen indienhet onvoorwaardelijk deel daarvan niet langer is dan zes maanden en hetoverige deel voorwaardelijk wordt opgelegd. Dit biedt ruimte ombijzondere voorwaarden gericht op gedragsbeïnvloeding van de sanctieonderdeel uit te laten maken, terwijl het uitgangspunt van de bestaandewettelijke beperking van de mogelijkheid voor de alleen zittende rechterom langdurige vrijheidsbeneming op te leggen, wordt geëerbiedigd. Inhet nieuwe voorschrift kan dus vooral een verruiming van het hande-lingsperspectief van de kinderrechter worden gelezen. De regeling biedtruimte om ten behoeve van een goede naleving van opgelegdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11477 voorwaarden een groter voorwaardelijk strafdeel op te leggen zonder datdit afbreuk doet aan de hiervoor genoemde beperking.Met het voorstel is niet beoogd een werkelijke verschuiving van zaken vande meervoudige kamer naar de alleen zittende kinderrechter te bewerk-stelligen. Van belang hierbij is dat naast het criterium over de op te leggenstraf ook nog een criterium geldt waarin wordt verwezen naar deingewikkeldheid van de zaak. Artikel 6.1.17, eerste lid, houdt in dat de zaakslechts kan worden berecht door de kinderrechter «indien de zaak naar hetoordeel van de officier van justitie van eenvoudige aard is, in hetbijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet».Dit criterium, dat ook voorkomt in artikel 4.5.2, bouwt voort op hetgeldende recht en heeft als doel het behandelen en beslissen vancomplexere zaken voor te behouden aan de meervoudige kamer.De vragen over de verruiming in artikel 6.1.17, die ook zijn gesteld onderde nummers 670, 671, 692, 694, 695, 704, 716 en 719, hebben aanleidinggegeven in artikel 6.1.17, eerste en tweede lid, aanvullend tot uitdrukkingte laten komen dat ook de duur van het voorwaardelijk strafdeel beperktdient te blijven. In de eerste aanvullingswet zal, na de formele consultatievan dat voorstel, in artikel 6.1.17 worden opgenomen dat de alleenzittende kinderrechter bevoegd is een straf op te leggen met eenmaximale duur van een jaar, terwijl het onvoorwaardelijk deel van diestraf beperkt is tot zes maanden. Op deze wijze wordt duidelijker in de wetvastgelegd dat voor wat betreft de alleen zittende kinderrechter sprake isvan een beperking ten opzichte van zaken die de politierechter kanbehandelen, welke beperking door de aard van het jeugdstrafprocesrechtwordt gerechtvaardigd, terwijl tegelijk de hierboven aangehaaldebeleidsdoelstelling om het handelingsperspectief van de alleen zittendekinderrechter te vergroten, behouden blijft.(670) Waarop is gebaseerd dat kinderrechters behoefte hebben aan dezeverruiming?670. De verruiming van het handelingsperspectief van de alleen zittendekinderrechter is niet ingegeven door een expliciete door kinderrechtersgeuite wens. Wel heeft de Rvdr in zijn consultatieadvies in overweginggegeven duidelijk aan te geven welke maximale (voorwaardelijke)jeugddetentie kan worden opgelegd door de enkelvoudig zittendekinderrechter. Hieraan wordt, zoals ook in het antwoord op vraag 669 totuitdrukking is gebracht, in de eerste aanvullingswet verder gevolggegeven met een aanvulling in artikel 6.1.17. Hierin zal wordenopgenomen dat dat de kinderrechter bevoegd is een straf op te leggenmet een maximale duur van een jaar, waarbij de mogelijkheid om eenonvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen is beperkt tot zes maanden.Afhankelijk van de duur van het onvoorwaardelijk op te leggen deel, kanzo het voorwaardelijk deel maximaal een jaar duren.(671) Wordt met dit voorstel voldoende gewicht gegeven aan het belangvan een behandeling door een meervoudige kamer bij het opleggen vaningrijpende straffen in het jeugdstrafrecht?671. Zoals ook in het antwoord op vraag 669 is aangegeven is eenwerkelijke verschuiving van zaken van de meervoudige kamer naar dealleen zittende kinderrechter niet beoogd. De verruiming van hethandelingsperspectief van de alleen zittende kinderrechter is een gevolgvan de wens om – met eerbiediging van het uitgangspunt dat de alleenzittende rechter is beperkt in de mogelijkheden tot het opleggen vanlangdurige vrijheidsbenemende sancties – wat meer ruimte te bieden aande mogelijkheden om bijzondere voorwaarden te stellen bij een voorwaar-delijk strafdeel. Een resterend voorwaardelijk strafdeel moet daarbij welvan een voldoende lange duur zijn om de naleving van de voorwaarden teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11478 bevorderen. Op grond van de voorgestelde regeling kan het onvoorwaar-delijk deel van een opgelegde vrijheidsstraf ten hoogste zes maandenbedragen. In de vraag is aanleiding gevonden om in artikel 6.1.17 totuitdrukking te brengen dat de alleen zittende kinderrechter evenmin eenstraf hoger dan een jaar kan opleggen. Zie nader het antwoord op vraag669.(672) De rapporteurs vragen of de officier van justitie de bevoegdheid zoumoeten krijgen om ten aanzien van jongvolwassen verdachten strafvor-derlijke bepalingen uit de jeugdtitel van toepassing te verklaren diebetrekking hebben op het politieverhoor, het ophouden voor verhoor ende inverzekeringstelling. Dit gelet op de soortgelijke bevoegdheid van derechter met betrekking tot de voorlopige hechtenis en de zitting; art. 6.1.26lid 1 en art. 6.1.28 lid 1 en 2.672. De aard van de maatregelen die kunnen worden genomen, maar ookde vroege fase waarin nog slechts een beperkt beeld van de verdachtebestaat, hebben aanleiding gegeven geen bijzondere voorschriften voorhet ophouden voor onderzoek en de inverzekeringstelling, waaraan in devraagstelling wordt gerefereerd, in het leven te roepen voor de officiervan justitie. Bedacht moet worden dat de beslissing tot het ophoudenvoor onderzoek en de inverzekeringstelling in de tijd voorafgaan aan devoorlopige hechtenis en berechting, met rechterlijke betrokkenheid. Eerstdan zal zich in de regel een beeld hebben afgetekend van de persoon-lijkheid van de verdachte en de omstandigheden waaronder het feit isbegaan. Deze factoren spelen een rol bij de vraag of toepassing moetworden gegeven aan de bijzondere maatregelen die de artikelen 6.1.26 en6.1.28 benoemen. Het gaat dan in het bijzonder om de betrokkenheid vaneen kinderrechter in de fase van de voorlopige hechtenis (artikel 6.1.11),het in kennis stellen van rechten (artikel 6.1.12), de voorschriften over eenzo kort mogelijke passende duur van de voorlopige hechtenis van deverdachte (artikel 6.1.13) en de toepasselijkheid van enkele bijzonderevoorwaarden, zoals de betrokkenheid van de jeugdreclassering en de raadvoor de kinderbescherming (artikel 6.1.14). Soortgelijke maatregelenkunnen op grond van de artikelen 6.1.27 en 6.1.28 door de rechter wordengenomen. Deze beslissing kan in de fase van de berechting naastambtshalve, ook op verzoek van de verdachte en op de vordering van deofficier van justitie worden genomen.(673) Indien de officier van justitie voornemens is om ten aanzien van eenjongvolwassen verdachte toepassing van het adolescentenstrafrecht tegaan vorderen, als bedoeld in artikel 6.1.26 lid 2, geldt dan alsuitgangspunt dat de voorlopige hechtenis in beginsel in een justitiëlejeugdinrichting ten uitvoer wordt gelegd? Zo ja, zou dit uitgangspuntexplicieter in die wetsbepaling of in de memorie van toelichting kunnenen moeten worden opgenomen? Zo nee, wat rechtvaardigt dat in hetkader van de voorlopige hechtenis een ander uitgangspunt zou geldendan op grond van de Wet Adolescentenstrafrecht geldt voor de sanctio-nering van jongvolwassenen, namelijk dat de tenuitvoerlegging inbeginsel het toegepaste (sanctie)stelsel – jeugdstrafrecht of volwassen-strafrecht – volgt?673. Het is juist dat in de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelenhet uitgangspunt geldt dat het toegepaste sanctiestelsel wordt gevolgd.Indien aan een jongvolwassene met toepassing van artikel 77c Wetboekvan Strafrecht een straf of maatregel uit het jeugdstrafrecht wordtopgelegd en daarbij sprake is van vrijheidsbeneming, dan leidt dit tot detenuitvoerlegging in een justitiële jeugdinrichting. Dit is reeds bepaald inartikel 8, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen enbehoeft om deze reden geen expliciete regeling in het Wetboek vanStrafvordering.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11479 Omdat de Minister voor Rechtsbescherming met de tenuitvoerlegging vanstraffen en maatregelen en daarmee met de plaatsing van gedetineerdenis belast, wordt in de nieuwe regeling in artikel 6.1.26, tweede lid, bepaalddat de officier van justitie kan verzoeken dat de voorlopige hechtenis ineen justitiële jeugdinrichting wordt tenuitvoergelegd. Deze explicieteverankering in artikel 6.1.26 is nieuw. Met deze bepaling in het nieuwewetboek is aansluiting gezocht bij het uitgangspunt dat in de vraagstellingwordt benoemd, terwijl tegelijk wordt onderkend dat het hier omvoorlopige vrijheidsbeneming gaat en dat uiteindelijk eerst in destraftoemetingsbeslissing door de rechter wordt bepaald of aan artikel 77cWetboek van Strafrecht toepassing zal worden gegeven.(674) De rapporteurs vragen wat de verhouding is tussen de bevoegd-heden en verantwoordelijkheden van de rechter (lees: rechter-commissaris of raadkamer) en die van de officier van justitie en deMinister met betrekking tot het bepalen van de plaats van de tenuitvoer-legging van de voorlopige hechtenis van jongvolwassen verdachten tenaanzien van wie mogelijk het adolescentenstrafrecht ex artikel 77c Sr zalworden toegepast. Deze vraag geldt specifiek voor de situatie waarin derechter-commissaris of raadkamer op grond van art. 6.1.26 lid 1 jo. 6.1.13lid 7 in het bevel tot voorlopige hechtenis van een jongvolwassenverdachte de justitiële jeugdinrichting vermeldt als geschikte plek voor hetondergaan daarvan (waarmee de rechter invulling geeft aan zijn wettelijkeplicht om rekening te houden met de persoon van de verdachte; gelet opart. 6.1.3 lid 1 jo. lid 7) en de officier van justitie en/of de Minister hier nietin mee wenst te gaan (gelet op art. 6.1.26 lid 2).674. In aanvulling op het antwoord op de verwante vraag 673 kan hetvolgende worden opgemerkt. Het wettelijk uitgangspunt is dat de Ministervoor Rechtsbescherming met de tenuitvoerlegging en plaatsing is belast(het huidige artikel 6:1:1; artikel 12 Beginselenwet justitiële jeugdinrich-tingen en artikel 15 van de Penitentiaire beginselenwet). De rechter kan invoorkomende gevallen adviseren over de wijze van tenuitvoerlegging,waaronder de plaats van de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbene-mende sanctie. In een dergelijk geval wordt dit advies door de officier vanjustitie aan de Minister ter kennis gebracht (het huidige artikel 6:1:1, derdelid) en in beginsel opgevolgd. Het nieuwe wetboek brengt in dezesystematiek en verdeling van verantwoordelijkheden tussen de Ministeren de leden van de rechterlijke macht, geen verandering. De officier vanjustitie kan op grond van artikel 6.1.26, tweede lid, ook verzoeken dat eenjongvolwassene in een justitiële jeugdinrichting zal worden geplaatst.Deze expliciete verankering in artikel 6.1.26 is nieuw.Van belang in dit verband is dat op grond van de penitentiaire beginselen-wetten door de gedetineerde, waaronder ook de voorlopige gehechteverdachte is te verstaan, over een plaatsingsbeslissing kan wordengeklaagd (artikel 18 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen enartikel 17 van de Penitentiaire beginselenwet). Ook staat tegen deplaatsingsbeslissing beroep open bij de Raad voor Strafrechtstoepassingen Jeugdbescherming (de RSJ) (artikel 77 van de Beginselenwet justitiëlejeugdinrichtingen en artikel 72 van de Penitentiaire beginselenwet). Eengrond voor een klacht kan zijn dat met het advies van de rechter over detenuitvoerlegging geen rekening is gehouden. Als gevolg hiervan kandoor de Minister slechts gemotiveerd van een rechterlijk advies wordenafgeweken. Voor een situatie als in de vraagstelling beschreven, hoeft danook niet te worden gevreesd.(675) De rapporteurs vragen wat de verhouding is tussen de Reclasseringen de Raad voor de Kinderbescherming (RvdK) in de advisering over detoepassing van het adolescentenstrafrecht ten aanzien van jongvolwassenverdachten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11480 675. De verhouding is dat zowel een reclasseringsinstelling als de raadvoor de kinderbescherming (hierna ook: de raad) over de verdachte dieten tijde van het begaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaarmaar nog niet die van drieëntwintig jaar heeft bereikt, advies kanuitbrengen.In de huidige situatie heeft de raad voor de kinderbescherming uitsluitendeen rol ten aanzien van jeugdige verdachten (minderjarigen). De raad kanin het nieuwe wetboek ook onderzoek doen naar de persoonlijkheid en delevensomstandigheden van jongvolwassen verdachten (artikel 6.1.29,tweede lid). Deze basis voor betrokkenheid van de raad bij jongvolwassenverdachten, kan dienstbaar zijn aan de overwegingen van de officier vanjustitie en de rechter om een afdoening via het jeugdstrafrecht tebevorderen of daartoe te beslissen. Naast deze basis voor betrokkenheidbij de advisering over de jongvolwassen verdachte, voorziet het nieuwewetboek in een basis voor de verstrekking van gegevens van dezejongvolwassen verdachten, indien de reclasseringsinstelling die op deverdachte betrokken is, daarom verzoekt (6.1.29, derde lid). Dit zijnhistorische gegevens, waarvan de betreffende reclasseringsinstelling zichkan bedienen ten behoeve van de advisering over de jongvolwassenverdachte.Op grond van artikel 1.11.9 kunnen de officier van justitie en de rechter,zoveel mogelijk door tussenkomst van de officier van justitie, aan eenreclasseringsinstelling opdracht verlenen tot het opmaken van eenreclasseringsadvies. De artikelen 6.1.29 en 6.1.30 voegen hieraan toe datde officier van justitie ook advies kan vragen van de raad voor dekinderbescherming. Het initiatief hiertoe komt van de officier van justitie(artikel 6.1.30). De vergrote mate van flexibiliteit die het nieuwe wetboekten aanzien van jongvolwassen verdachten biedt, houdt in dat de officiervan justitie, die zich beraadt op de mogelijkheden te vorderen dat aan dejongvolwassene een straf of maatregel uit het jeugdstrafrecht zal wordenopgelegd (artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht) ook advies kanvragen aan de raad. Dit advies komt naast of in plaats van een advies vaneen reclasseringsinstelling voor volwassenen. In de eerste aanvullingswetzal na de formele consultatie van dat voorstel ook de mogelijkheid voor derechter om advies te vragen aan de raad voor de kinderbescherming vaneen expliciete verankering worden voorzien (toevoeging van een vierdelid aan artikel 6.1.30). Overigens schrijft de wet geen vaste taakverdelingvoor tussen de raad voor de kinderbescherming en de reclasseringsin-stelling. Wanneer de officier van justitie of de rechter een rol voor de raadvoor de kinderbescherming ziet weggelegd, kan de raad voor de kinderbe-scherming door de officier van justitie of de rechter worden betrokken.(676) Wie bepaalt of de RvdK onderzoek gaat doen, inlichtingen verschaften/of adviseert in strafzaken van jongvolwassen verdachten?676. Het initiatief hiertoe ligt bij de officier van justitie (zie deartikelen 1.11.9 en 6.1.30), maar ook zal worden voorzien in eenbevoegdheid voor de rechter om een dergelijk advies te vragen. Zie naderhet antwoord op vraag 675.(677) Kan de RvdK dit uit eigen beweging doen, op verzoek van de officiervan justitie of rechter of ligt de regie bij de reclassering? Wordt met devoorgestelde regeling de jeugdexpertise in de advisering over detoepassing van het adolescentenstrafrecht voldoende geborgd?677. Zoals uit de antwoorden op vragen 675 en 676 spreekt, ligt hetinitiatief voor betrokkenheid van de raad bij de advisering over jongvol-wassen verdachten bij de officier van justitie. Ook de rechter zal om eenadvies van de raad moeten kunnen vragen indien hij dat in de fase van deberechting wenselijk acht. De wettelijke mogelijkheid de raad te betrekkenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11481 bij de advisering over de persoonlijkheid en leefomstandigheden vanjongvolwassenen, draagt verder bij aan de borging van jeugdexpertise inde advisering over de toepassing van het adolescentenstrafrechtwaarnaar in de vraagstelling wordt geïnformeerd. Het huidige wetboekvoorziet in die mogelijkheid daartoe onvoldoende omdat de raad daarinuitsluitend is betrokken bij minderjarige verdachten.(678) De rapporteurs vragen wat de verhouding is tussen de ouder en de«persoon naar keuze» als de rechter op grond van het voorgesteldeartikel 6.1.31 (tweede zin) de bepalingen over de persoon naar keuze vantoepassing verklaart op jeugdige verdachten die inmiddels meerderjarigzijn of op jongvolwassen verdachten, nu de bepalingen over de persoonnaar keuze besloten liggen in de voorschriften die gaan over de ouder (ziebijvoorbeeld het voorgestelde artikel 6.1.43 lid 2).678. Zie de antwoorden op de vragen 672, 705 en 721. Daarin ligt beslotendat onder «ouder» alleen kan worden verstaan de ouder of voogd van eenminderjarig kind die over dat kind het gezag uitoefent (artikel 1.1.10,tweede lid). Onderkend wordt dat ook de inmiddels meerderjariggeworden verdachte of de jongvolwassen verdachte zou kunnenprofiteren van de ondersteuning van een persoon naar keuze. Deze rol kanworden vervuld door de feitelijke opvoeder van de verdachte diebijvoorbeeld nog thuis woont. Dit kan, naar normaal spraakgebruik, danook de ouder zijn die vanwege de meerderjarigheid van de verdachte hetgezag niet meer heeft maar die wel nog een ondersteunende en opvoe-dende rol heeft in het leven van verdachte.(679) De rapporteurs vragen of de officier van justitie de bevoegdheid zoumoeten krijgen om, met betrekking tot het politieverhoor en de OpenbaarMinisterie (OM)-hoorzitting, bepalingen betreffende de persoon naarkeuze van toepassing te verklaren op jeugdige verdachten die inmiddelsmeerderjarig zijn of op jongvolwassen verdachten. Dit gelet op desoortgelijke bevoegdheid van de rechter in de fase van de voorlopigehechtenis en bij de berechting (art. 6.1.31).679. Zie het antwoord op vraag 672.(680) De rapporteurs vragen of te (her)overwegen om valt, zoals eerdervoorgesteld in de consultatieadviezen van de Raad voor Strafrechtstoe-passing en Jeugdbescherming (RSJ) en de Vereniging van NederlandseJeugdrecht Advocaten (VNJA), de jeugd-specifieke deskundigheid vanprofessionals die beslissingen nemen, handelingen verrichten of bijstandverlenen ten aanzien van jeugdige verdachten in het jeugdstrafprocesexpliciet in het nieuwe Wetboek van Strafvordering te verankeren,indachtig de verplichtingen die voortvloeien uit EU Richtlijn 2016/800.680. Bij de implementatie van richtlijn EU/2016/800 is aandacht besteedaan de wijze waarop aan uitgangspunten uit de richtlijn die niet doormiddel van wetgeving in formele zin zijn geïmplementeerd, desondanks inde Nederlandse rechtspraktijk zijn verankerd (Kamerstukken II 2018/19,35 116, nr. 3, p. 5 en 6). Aanleiding daarvoor is artikel 20 van de richtlijn,waarin is voorgeschreven dat de lidstaten «passende maatregelennemen» en «ervoor zorgen» dat – kort gezegd – professionals die bijjeugdige verdachten zijn betrokken, ook over jeugd-specifieke kennisbeschikken. Dit stelt dus eisen aan opleiding en de kwalificaties vanmedewerkers in diverse beroepsgroepen. Bij de implementatie van derichtlijn zijn de voorschriften uit artikel 20 aangemerkt als voorschriftendie zich niet (zonder meer) lenen voor implementatie door middel vanformele wetgeving. De voorschriften zien vooral op de wijze waaropprofessionaliteit, bij een diversiteit aan beroepsgroepen, kan wordengeorganiseerd. Daarbij moet op grond van de richtlijn worden gedachtaan medewerkers binnen de politie, personeel van de justitiële jeugdin-richtingen, officieren van justitie, rechters en advocaten. Bedacht moetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11482 verder worden dat deze voorschriften niet in het bijzonder een strafvor-derlijk karakter hebben zodat de noodzaak in het nieuwe wetboek eenvoorziening hiervoor op te nemen ontbreekt.(681) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomenvan de bepalingen ten aanzien van verdachten die ten tijde van hetbegaan van een strafbaar feit jonger dan 12 jaar zijn. Hoeveel van dezeverdachten zijn er jaarlijks? Tegen deze groep verdachten kan vanwegehun jonge leeftijd geen strafrechtelijke vervolging worden ingesteld.Waarom is er sprake van juist die leeftijdsgrens? Waarom is er geengebruik gemaakt van deze gelegenheid tot herziening van het Wetboekvan Strafvordering door, in navolging van de adviezen van de RSJ en hetKinderrechtencomité van de Verenigde Naties, de genoemde leeftijds-grens te verhogen naar 14 jaar?681. Er zijn in de jaren 2019 tot en met 2023 jaarlijks respectievelijk 43, 37,32, 35 en 28 aanhoudingen verricht van minderjarige verdachten jongerdan twaalf jaar. Zie in dit verband ook het antwoord op vraag 697.De in het huidige artikel 486 opgenomen leeftijdsgrens van twaalf jaar isingegeven door de gedachte dat bij twaalf-minners van toerekeningsvat-baarheid niet of nauwelijks sprake kan zijn.Een verhoging van de leeftijd waarop minderjarige verdachten kunnenworden vervolgd, is bij de totstandkoming van het nieuwe wetboek nietoverwogen. Zoals eveneens uit het antwoord op vraag 697 blijkt, komteen aanzienlijk aantal minderjarige verdachten in de leeftijd van twaalf endertien jaar met het strafrecht in aanraking. Het gaat in de jaren 2019 toten met 2023 om respectievelijk 1359, 1034, 1106, 1226 en 1097 aanhou-dingen. In telkens ongeveer een vijfde deel van deze zaken volgde ookinverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Dit levert een indicatie opvan de relatieve ernst van de strafbare feiten waarvoor een verdenkingbestond. Een verhoging van de leeftijd voor de vervolgbaarheid vanminderjarige verdachten ligt om die reden niet voor de hand. Verder kanworden opgemerkt dat ook richtlijn 2016/800/EU, die strekt tot bevor-dering van de rechten van het kind en die rekening houdt met derichtsnoeren van de Raad van Europa voor kindvriendelijke justitie(overweging 7 in de preambule bij richtlijn 2016/800/EU), de lidstatenruimte biedt deze ondergrens zelf vast te stellen.(682) De aan het woord zijnde leden zijn het eens met de regering dathoewel 12-minners niet kunnen worden vervolgd, het ophouden vooronderzoek, de inbeslagneming van voorwerpen op deze verdachten weldegelijk een impact kunnen hebben. Deze leden achten het net zoals deregering van belang dat deze verdachten zich door een advocaat kunnenlaten bijstaan. Waarom is dit geen verplichting? Hoe en door wie kanworden bepaald of een advocaat nodig is? Waarom wordt er nietvastgelegd dat net zoals bij de jeugdige verdachte van 12–18 jaar geenafstand kan worden gedaan van rechtsbijstand?682. De positie van verdachten jonger dan twaalf jaar wordt in het nieuwewetboek versterkt doordat is voorzien in de ambtshalve aanwijzing vaneen raadsman. Dit volgt uit artikel 6.1.3, derde lid, waarin artikel 6.1.5,eerste en tweede lid, van overeenkomstige toepassing zijn verklaard. Alsgevolg hiervan wordt voor aangehouden twaalf-minners door de raadvoor rechtsbijstand ambtshalve voorzien in rechtsbijstand. Net als andereminderjarige verdachten kunnen twaalf-minners van deze bijstand geenafstand doen.Daarnaast zal door middel van het wetsvoorstel versterking rechtsbijstandin het strafproces worden voorzien in een uitbreiding van het recht opgesubsidieerde rechtsbijstand voor minderjarige verdachten (waarondertwaalf-minners) die zich in vrijheid bevinden en door de politie wordenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11483 uitgenodigd worden verhoor. Het wetsvoorstel versterking rechtsbijstandin het strafproces is op 22 januari 2024 in formele consultatie gegeven. Deconsultatie liep eind maart 2024 af. De inhoud van dit wetsvoorstel isnader toegelicht in het antwoord op vraag 85.(683) En in hoeverre verschilt een verdachte 12-minner in dezen tenopzichte van een verdachte die door een beperking of een ziekte onvol-doende in staat is om aan het proces tegen hen deel te nemen? Zoals deaan het woord zijnde leden begrijpen geldt voor die laatste groep dat deverdachte geen afstand kan doen van het recht op rechtsbijstand. Waaromkrijgt een niet aangehouden verdachte jeugdige verdachte niet het rechtop kosteloze rechtsbijstand bij politieverhoor, zo vragen deze leden.683. Ook de twaalf-minner heeft in het nieuwe wetboek recht op gesubsi-dieerde rechtsbijstand (artikel 6.1.3). In lijn met de regeling voor rechtsbij-stand aan andere minderjarige verdachten, bestaat geen mogelijkheid omvan dit recht afstand te doen zodat de bijstand door een raadsman isverzekerd. Dit is nader toegelicht in het antwoord op vraag 682.(684) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat een12-minner de keuzemogelijkheid krijgt om wanneer hij wordt opgehoudenvoor onderzoek zich te laten vergezellen van een ouder of een persoonnaar keuze bij een eventueel verhoor. De aan het woord zijnde ledenzouden willen voorkomen dat een zo jonge verdachte zonder onder-steuning van een ouder of een persoon naar keuze verhoord zou gaanworden. Hoe kan worden gegarandeerd dat dit niet het geval zal zijn? Kande verplichte aanwezigheid van een ouder of een persoon naar keuzeworden afgedwongen? Of een professional die beroepshalve metkinderen omgaat (jeugdzorg, jeugdbescherming)? Is daarvoor eenwettelijke verankering nodig?684. Het is juist dat ook twaalf-minners het recht hebben te wordenvergezeld door een ouder of door een persoon naar keuze (artikel 6.1.3,derde lid, in verbinding met artikel 6.1.7, eerste lid, onderdeel c). Dit rechtvan de verdachte om op deze wijze te worden bijgestaan, is te herleidentot artikel 15, vierde lid, van richtlijn 2016/800/EU en is ook in het huidigewetboek verankerd (artikel 488ab). Voor het nieuwe wetboek geldt dat ditrecht óók betrekking heeft op twaalf-minners (op grond van deartikelen 6.1.31 en 6.1.33). Ook hier kan zo, in plaats van de ouder, eenpersoon naar keuze optreden.Bij de implementatie van richtlijn 2016/800/EU is opgemerkt dat op grondvan de richtlijn ruimte bestaat voor de autoriteiten (hier: de officier vanjustitie) om te beoordelen of het in het belang van de verdachte is teworden vergezeld door de ouder of een andere persoon en of deaanwezigheid van die persoon «de strafprocedure niet in gevaar brengt».In navolging van de regeling die is vervat in het huidige artikel 488ab,heeft dit laatste criterium ook in het nieuwe wetboek vertaling gevondenin een verwijzing naar «het belang van het onderzoek» in artikel 6.1.33.Wanneer dit belang zich tegen de aanwezigheid van de ouders of eenpersoon naar keuze verzet, behoeft aan hen geen toegang te wordenverleend. Of sprake is van een dergelijke situatie of van een situatiewaarin de aanwezigheid van de ouder niet in het belang is van deverdachte, zal in eerste instantie worden beoordeeld door de verhorendeambtenaar (Kamerstukken II 2018/19, 35 116, nr. 3, p. 38). De omstan-digheid dat deze slechts met instemming van de officier van justitietoegang aan de ouder of een persoon naar keuze kan ontzeggen, zal eraanbijdragen dat de in de vraagstelling benoemde, inderdaad onwenselijkesituatie waarin van bijstand aan de minderjarige verdachte door eenouder of persoon naar keuze geen sprake is, zich niet zal voordoen.Daarop geldt als gezegd alleen een uitzondering in gevallen waarin metinstemming van de officier van justitie de aanwezigheid van de ouder ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11484 een persoon naar keuze in het belang van het onderzoek of het belang vande verdachte wordt geweigerd. Verder zal ook de verplichte bijstand dooreen raadsman die in het nieuwe wetboek voor twaalf-minners wordtgeïntroduceerd, aan de naleving van het recht van de verdachte om dooreen ouder of persoon naar keuze te worden vergezeld, kunnen bijdragen.(685) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering hetuitgangspunt huldigt dat voorlopige hechtenis zo kort mogelijk moet zijnen dat daarbij rekening dient te worden gehouden met onder andere deleeftijd van de verdachte. Wat de aan het woord zijnde leden betreft isvoorlopige hechtenis bij minderjarigen alleen aan de orde als anderemogelijkheden niet aan de orde zijn. Zolang alternatieven voor voorlopigehechtenis aanwezig zijn en voorlopige hechtenis niet nodig of het meestproportionele middel is, zou voorlopige hechtenis niet aan de ordemoeten komen. Waarom is niet uitdrukkelijk in de wetstekst zelfopgenomen dat het benemen van de vrijheid van minderjarigen in devoorfase van het strafproces slechts als uiterste maatregel en voor dekortst mogelijke duur mag worden toegepast?685. Voor het antwoord op deze vraag wordt verwezen naar het antwoordop de vergelijkbare vragen 665, 666 en 667.(686) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat ook in hetnu voorliggende wetsvoorstel geen onderscheid wordt gemaakt tussenjeugdige en volwassen verdachten wat betreft de termijnen voor hetophouden voor verhoor (max. 18 uur) en de inverzekeringstelling (max.3 dagen, eenmaal met 3 dagen te verlengen). Dat betekent dat ookjeugdige verdachten 6 dagen en 18 uur in een politiecel vastgehoudenkunnen worden. Dat achten de aan het woord zijnde leden onwenselijkomdat met die termijnen onvoldoende rekening wordt gehouden met deleeftijd van de verdachte. Bovendien zijn die termijnen veel langer dan dedoor het Kinderrechtencomité van de Verenigde Naties aanbevolentermijn van 24 uur. Waarom worden nu geen kortere termijnen voorge-steld?686. In aanvulling op het antwoord op vraag 665, over hetzelfdevraagstuk, wordt opgemerkt dat bij het opstellen van de regeling isonderkend dat in Aanbeveling 90 van «General comment nr. 24 (2019)over de rechten van het kind in het kinderrechtsstelsel» wordt uitgegaanvan een termijn van vierentwintig uur voor «een beoordeling door eenbevoegde autoriteit van de rechtmatigheid van de vrijheidsberoving».Hieraan wordt voldaan. Bedacht moet worden dat de beslissing tot hetophouden voor onderzoek is belegd bij een officier van justitie of eenhulpofficier van justitie (artikel 2.5.9). Op grond van artikel 2.5.9 is determijn voor het ophouden voor onderzoek gesteld op maximaal achttienuur. Ook de beslissing tot de inverzekeringstelling houdt een beoordelingvan de rechtmatigheid van de vrijheidsbeneming in. Hierbij wordt deverdachte met bijstand van een raadsman gehoord (artikel 2.5.13). Alsbevoegde autoriteit is ook hiervoor de officier van justitie of de hulpof-ficier van justitie aangewezen. De beoordeling vindt zo binnen deaanbevolen termijn van vierentwintig uur plaats.(687) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regeringschrijft dat in de praktijk voorlopige hechtenis van jeugdige verdachten«zoveel als mogelijk plaatsvindt in afzonderlijke jeugdinrichtingen waarbijhet verblijf dienstbaar wordt gemaakt aan de opvoeding van de verdachteen de verdachte wordt bejegend op een manier die bij zijn leeftijd enontwikkeling past». Hoe verhoudt zich dat tot het feit dat ook minderjarigeverdachten in de fase van inverzekeringstelling toch in politiecellenworden opgesloten?687. De tenuitvoerlegging van voorlopige hechtenis van jeugdigeverdachten heeft in beginsel inderdaad plaats in de daarvoor bestemdeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11485 justitiële jeugdinrichtingen (zie artikel 8, eerste lid, onderdeel a, van deBeginselenwet justitiële jeugdinrichtingen). De justitiële jeugdinrichtingenhebben de wettelijke taak de tenuitvoerlegging aan te wenden voor deopvoeding van de jeugdige en om de tenuitvoerlegging zoveel mogelijkdienstbaar te maken aan de voorbereiding op de terugkeer in demaatschappij (artikel 2, tweede lid, van de Beginselenwet justitiëlejeugdinrichtingen). Deze opdracht geldt ook voor voorlopig gehechteverdachten. Dat van een tenuitvoerlegging in de justitiële jeugdinrichting«zoveel mogelijk sprake» is, is terug te voeren op de omstandigheid datde voorlopige hechtenis bij gebrek aan capaciteit in de inrichtingen ookkortdurend in een politiecel zou kunnen worden tenuitvoergelegd. Ditvraagt een afzonderlijke beslissing van de Minister voor Rechtsbe-scherming. Het nieuwe wetboek brengt voor deze op grond van artikel 15van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen bestaande noodvoor-ziening, geen wijzigingen met zich.Het is verder juist dat vrijheidsbeneming voorafgaand aan de fase van devoorlopige hechtenis in beginsel plaatsvindt in politiecellen. Opgemerktkan echter worden dat al in de fase voor het ophouden voor onderzoek«elke geschikte plaats» kan worden aangewezen (artikel 6.1.10). Deze aanhet huidige artikel 489 ontleende voorziening geldt op grond van hethuidige artikel 493, derde lid, ook in de fase van de inverzekeringstellingen de voorlopige hechtenis en is in het nieuwe wetboek neergelegd inartikel 6.1.13, zevende lid. Bij elke geschikte plaats kan worden gedachtaan thuis, bij familie of juist in een zorginstelling wanneer dit aansluit bijde persoonlijkheid van de verdachte en bij een bestaande zorgbehoefte.Met deze voorzieningen wordt beoogd het verblijf in een politiecel zoveelmogelijk terug te dringen. Het uitgangspunt is en blijft daarmee dat eenminderjarige verdachte alleen in een politiecel verblijft als dit niet anderskan en dan voor een zo kort mogelijke duur, met extra aandacht voor hetvoorkomen van overnachting in een politiecel (zie Kamerstukken II2021/22, 36 003, nr. 3, p. 40).(688) Waarom wordt niet wettelijk verankerd dat minderjarigen alleenmaar in specifiek voor jeugdigen geschikte locaties mogen wordenopgesloten en dat, indien dat niet mogelijk is, er alternatieve geschikteplaatsen (thuis of in een zorginstelling) al dan niet in combinatie metelektronisch toezicht wordt voorgeschreven?688. Zie het antwoord op vraag 687. In aanvulling hierop wordt opgemerktdat het naast de mogelijkheden een bevel tot vrijheidsbeneming op eenandere plaats ten uitvoer te leggen en naast de voorziening voornachtdetentie (artikel 6.1.13, achtste lid) ook de mogelijkheid bestaat omde voorlopige hechtenis te schorsen en daaraan de bijzonderevoorwaarde van elektronisch toezicht te verbinden (artikel 2.5.33, derdelid). In deze mogelijkheden brengt het nieuwe wetboek geen wijzigingenaan.(689) Waarom is het niet het wettelijk uitgangspunt dat de jeugdigeoverdag niet vast zit zodat hij of zij naar school of werk kan en datnachtdetentie de norm wordt tenzij dat niet anders kan?689. «Nachtdetentie, tenzij» is niet het wettelijk uitgangspunt omdat in hetjeugdstrafrecht vrijheidsbeneming een uiterste maatregel is, die derechter met terughoudendheid toepast. Indien de rechter redenen ziet omtoch voorlopige hechtenis tegen een jeugdige verdachte te bevelen– waarmee wordt afgeweken van het uitgangspunt «schorsen, tenzij» – zaldeze verdachte doorgaans een hoger beveiligingsniveau nodig hebbendan nachtdetentie biedt. Nachtdetentie is dus niet voor iedere jeugdigeverdachte passend.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11486 (690) Deelt de regering de mening dat Kleinschalige VoorzieningenJustitiële Jeugd (KVJJ) daartoe bij uitstek geschikt zouden kunnen zijn?690. In het huidige wetboek is nachtdetentie een modaliteit van detenuitvoerlegging van de voorlopige hechtenis (het huidige artikel 493,derde lid). Nachtdetentie in deze huidige vorm kan worden uitgevoerd inalle Justitiële Jeugdinrichtingen (JJI’s) en Kleinschalige VoorzieningenJustitiële Jeugd (KVJJ). Een KVJJ is niet de meest logische plek omnachtdetentie uit te voeren. De mogelijkheid om overdag naar buiten tegaan voor dagbesteding is immers inherent aan het verblijf in een KVJJ,ongeacht de titel (reguliere preventieve hechtenis tegenover preventievehechtenis met nachtdetentie). De titel nachtdetentie vormt in die zin voorplaatsing in een KVJJ geen meerwaarde.(691) Deelt de regering de mening dat de capaciteit van deze voorzie-ningen zou moeten worden uitgebreid, zowel om te kunnen voorzien in devoorlopige hechtenis en de eventueel latere vrijheidsstraf?691. Deze mening wordt dezerzijds niet gedeeld. De capaciteit van deKleinschalige Voorzieningen Justitiële Jeugd moet in verhouding staan totde omvang van de doelgroep die voor deze modaliteit geschikt is. Er is opdit moment sprake van overcapaciteit, waardoor capaciteitsuitbreidingniet aan de orde is (zie ook Kamerstukken II 2022/23, 28 741, nr. 921;Kamerstukken II 2023/24, 28 741, nr. 115). In februari 2024 was degemiddelde bezetting van alle Kleinschalige Voorzieningen JustitiëleJeugd 42,1 procent. In maart 2024 was dat 51,6 procent.(692) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen of de voorzienebepaling regelt dat de kinderrechter een jeugddetentie of gevangenisstrafvan langere duur dan 6 maanden kan opleggen indien hij bepaalt dat eendeel daarvan voorwaardelijk is?692. Dit is juist. Zie voor een nadere toelichting het antwoord op devragen 669 tot en met 671.(693) Geldt ook voor een gevangenisstraf die een minderjarige in hetkader van het volwassenstrafrecht kan worden opgelegd een maximumvan 2 jaar waarvan tenminste 18 maanden voorwaardelijk?693. In de vraagstelling wordt verwezen naar de situatie waarintoepassing wordt gegeven aan artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht.Hierbij gaat het om de oplegging, door de alleen zittende kinderrechter ofdoor de meervoudige kamer waarin een kinderrechter zitting heeft(artikel 6.1.18), van een straf of maatregel uit het sanctiepalet voorvolwassenen aan een veroordeelde die bij het begaan van het strafbarefeit de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, maar nog niet die vanachttien. De ernst van het feit, de persoonlijkheid van de verdachte of deomstandigheden waaronder het feit is begaan, kunnen hiertoe aanleidinggeven. In dit geval gelden ook de strafmaxima voor volwassenen, zij hetdat de toepassing van levenslange gevangenisstraf wettelijk is uitgesloten(artikel 77b, tweede lid, Wetboek van Strafrecht). De specifieke jeugdbepa-lingen zijn in deze gevallen niet van toepassing zodat van een beperkingvan de duur van een eventueel op te leggen gevangenisstraf tot twee jaar(vergelijk artikel 77i van het Wetboek van Strafrecht) geen sprake is.(694) Waarom is ervoor gekozen om de kinderrechter meer bevoegdhedentot het opleggen van langere detentie te geven?694. Zie het antwoord op de vragen 669 tot en met 671.(695) Waarom is hiervoor geen meervoudige kamer meer nodig?695. In aanvulling op het antwoord op de vragen 669 tot en met 671 wordthier opgemerkt dat – aangezien de verruiming vooral ertoe strekt tenbehoeve van een goede naleving van opgelegde voorwaarden, een grotervoorwaardelijk strafdeel op te leggen, zonder dat dit ten koste behoeft teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11487 gaan van het onvoorwaardelijk strafdeel – de beslissing over de straftoe-meting de zaak niet ingewikkelder behoeft te maken. De berechtingbehoeft ook daarom niet te worden voorbehouden aan de meervoudigekamer.(696) Waarom kan in het volwassenstrafrecht een alleen zittendepolitierechter maximaal straffen van een jaar opleggen terwijl in hetjeugdstrafrecht de kinderrechter maximaal 2 jaar zou moeten kunnenopleggen?696. De alleen zittende kinderrechter is uitsluitend bevoegd een dergelijkestraf op te leggen indien het onvoorwaardelijk deel de duur van zesmaanden niet overstijgt (artikel 6.1.17, eerste lid). In het voorbeeld uit devraagstelling zou het dus gaan om de oplegging van een jeugddetentie ofgevangenisstraf voor de duur van vierentwintig maanden, waarvanachttien maanden voorwaardelijk. Opgemerkt wordt dat dit een uitzonder-lijke combinatie van een voorwaardelijk en onvoorwaardelijk deel van destraf zou opleveren. Deze combinatie is echter wel mogelijk aangezien deartikelen 14a en 77i van het Wetboek van Strafrecht beperkt of geenvoorschriften bevatten over de hoogte van het voorwaardelijk strafdeel.Zoals in het antwoord op de vragen 669 tot en met 671 tot uitdrukkingkomt, is het doel van de verruiming van de bevoegdheid van de kinder-rechter – kort gezegd – dat deze een voorwaardelijk strafdeel kanopleggen met een duur die de jeugdige voldoende aanleiding geeft zichaan opgelegde voorwaarden te houden. Niet is beoogd de duur van hetvoorwaardelijk strafdeel die van onvoorwaardelijk strafdeel te latenevenaren of zelfs overstijgen. Zoals in het antwoord op vraag 669 totuitdrukking is gebracht, geven de vragen over bevoegdheid van dekinderrechter aanleiding om via aanvullingswetgeving in de regeling op tenemen wat de maximale duur van het voorwaardelijk deel kan zijn. Hetmaximum wordt gesteld op een jaar, terwijl het onvoorwaardelijk deel datdoor de kinderrechter kan worden opgelegd, wordt gesteld op tenhoogste zes maanden.(697) De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel minderjarigen in deafgelopen 5 jaren zijn opgehouden voor verhoor, hoeveel minderjarigenvervolgens in verzekering zijn gesteld en bij hoeveel minderjarigen daarnavoorlopige hechtenis is toegepast. Deze leden vragen bij de beant-woording van deze vraag of de regering dit voor zover mogelijk uit kansplitsen naar 12-minners, jongeren tussen de 12 en 14 jaar en minderja-rigen in de leeftijd 14 tot 18 jaar.697. De eerste twee onderstaande tabellen geven voor de afgelopen vijfjaar de aantallen minderjarige verdachten weer die in dat jaar zijnaangehouden en de aantallen minderjarige verdachten die in dat jaar inverzekering zijn gesteld. Deze cijfers zijn verkregen uit het incidentregistra-tiesysteem (Basisvoorziening Handhaving) van de politie.De derde tabel geeft de cijfers van het openbaar ministerie met betrekkingtot de instroom van zaken waarin voorlopige hechtenis is toegepast opminderjarige verdachten, uitgesplitst naar leeftijdscategorie. Deze tabelbevat geen gegevens over twaalf-minners omdat deze verdachten nietkunnen worden vervolgd.Aangehouden minderjarige verdachtenAanhoudingenJaarLeeftijdscategorie201920202021202220230 t/m 11 jaar433732352812 t/m 13 jaar1.3591.0341.1061.2261.09714 t/m 17 jaar15.55913.04411.76712.42811.739Totaal16.96114.11512.90513.68912.864 Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11488 In verzekering gestelde minderjarige verdachtenInverzekeringstellingenJaarLeeftijdscategorie t.t.v. IVS201920202021202220230 t/m 11 jaar2412 t/m 13 jaar36327832731227214 t/m 17 jaar4.6394.1393.6713.7103.387Totaal5.0044.4213.9984.0223.659 De leden van de NSC-fractie hebben enkele vragen en opmerkingen overde in afdeling 1.1, titel 1 opgenomen wetsartikelen. Ook hebben dezeleden vragen en opmerkingen over enkele door de regering gemaaktekeuzes met betrekking tot deze afdeling.(698) De leden van de NSC-fractie merken op dat een jeugdige van jongerdan 12 jaar ten aanzien van wie een redelijk vermoeden bestaat dat hij eenstrafbaar feit heeft begaan, uitdrukkelijk een verdachte wordt genoemd.Deze leden vragen de regering of dit betekent dat de jeugdige verdachtevan jonger dan 12 jaar aanspraak maakt op de algemene rechten vanverdachten zoals neergelegd in Boek 1 en of deze onder de reikwijdte vanEU-Richtlijn 2016/800 vallen.698. Zie het antwoord op de vragen 662 en 663.(699) De leden van de NSC-fractie constateren dat sinds 7 april 2022 eentijdelijke beleidsvoorziening geldt die voorschrijft dat ookniet-aangehouden jeugdige verdachten recht hebben op kostelozerechtsbijstand voorafgaand aan, en tijdens het politieverhoor. Dezebeleidsvoorziening vindt steun in de rechtspraak en ook de VNJA roept inhaar advies op tot het opheffen van het onderscheid tussen de aange-houden jeugdige verdachte en de niet-aangehouden jeugdige verdachteals het gaat om recht op kosteloze verhoorbijstand door een advocaat. Ditrecht is (nog) niet opgenomen in het Wetboek van Strafvordering. Dezeleden vragen de regering waarom het tot stand brengen van het nieuweWetboek niet is gebruikt om dit recht in de wet op te nemen.699. Zie het antwoord op de vragen 85 en 93.(700) De regering heeft aangekondigd voornemens te zijn om het recht opgefinancierde rechtsbijstand in verband met het politieverhoor van deniet-aangehouden kwetsbare verdachte, mits er voldoende budgettairemogelijkheden zijn, op te nemen in een afzonderlijk wetsvoorstel totwijziging van het huidige Wetboek van Strafvordering, dat in voorbe-reiding is. Deze leden vragen de regering of deze voorgenomenaanpassing van de wet ook voor jeugdige verdachten zal gaan gelden.700. Zie het antwoord op de vragen 85 en 93. Het daar genoemdewetsvoorstel voorziet in een wettelijk recht op kosteloze rechtsbijstandvoorafgaand aan (consultatiebijstand) en tijdens het eerste politieverhoor(verhoorbijstand) voor zowel minderjarige als kwetsbare meerderjarigeverdachten die zich in vrijheid bevinden en worden uitgenodigd voorverhoor.(701) De Raad voor de rechtspraak (Rvdr) heeft in zijn advies in het kadervan de modernisering van het Wetboek van Strafvordering aangegevenom in overweging te nemen om een systeem in te voeren waarbij voorTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11489 alle jongvolwassenen tot 23 jaar (ten tijde van het delict) als uitgangspunthet jeugdstrafrecht geldt, met uitzondering van een groep op wie, gelet opde ernst van het delict en de persoon van de verdachte, het volwassenen-strafrecht zou moeten worden toegepast. Ook de RSJ heeft opgeroepenom ten aanzien van jongvolwassen verdachten het wettelijkeuitgangspunt te wijzigen van «volwassenstrafrecht, tenzij» naar «jeugd-strafrecht, tenzij». Deze leden vragen de regering in een uitgebreidetoelichting in te gaan op de keuze om vast te houden aan het huidigesysteem en aan te geven waarom de door de beide raden voorgesteldewijzigingen niet zijn doorgevoerd.701. Vooropgesteld wordt dat een algemene verruiming van het toepas-singsbereik van het jeugdstrafrecht in het kader van de totstandkomingvan het nieuwe Wetboek van Strafvordering niet is overwogen. Dedoelstelling van het adolescentenstrafrecht is te komen tot een daderge-richte sanctionering die, naast met de ernst van het feit, nadrukkelijkrekening houdt met de persoonlijkheid van de dader en de ontwikke-lingsfase waarin deze zich bevindt. Daarvoor bestaat ook zonder omkeringvan het uitgangspunt waarnaar in de vraagstelling wordt verwezen, alleruimte. Bij de totstandkoming van het adolescentenstrafrecht is uiteen-gezet dat het adolescentenstrafrecht niet ertoe strekt de toepassing vanhet jeugdstrafrecht op de gehele groep van zestien tot drieëntwintig-jarigen tot uitgangspunt te verheffen. Veeleer is beoogd tot een brederetoepassing te komen van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht in depraktijk. Ook zo wordt de meer individuele benadering die het jeugdstraf-recht eigen is, breder toepasselijk. Bij de totstandkoming van hetadolescentenstrafrecht is verder overwogen dat hierin ook een grensbesloten ligt. De individuele benadering kan niet worden gerealiseerdvoor het geheel van de grotere groep jongvolwassenen (Kamerstukken I2013/14, 33 498, C, p. 2). Ook de meer recente evaluatie van het adolescen-tenstrafrecht door het WODC heeft niet geleid tot een heroverweging opdit punt. Gesprekken met organisaties uit de strafrechtsketen naaraanleiding van de evaluatie leveren het beeld op dat de potentie van hetadolescentenstrafrecht in de praktijk nog onvoldoende wordt benutwaardoor het voorbarig is conclusies te trekken over of het huidigeuitgangspunt voldoende ruimte biedt voor het beoogde maatwerk.Daarom ligt de focus van de aanpak eerst op optimalisering van deuitvoeringspraktijk binnen het bestaande kader (Kamerstukken 2021/22,28 741, nr. 84, p. 4). Het nieuwe wetboek sluit aan bij de bestaanderegeling van het adolescentenstrafrecht en voegt daaraan toe dat aan dejongvolwassen verdachte door de officier van justitie en de rechter(zittingsrechter, rechter-commissaris en raadkamer) ook procedurelerechten kunnen worden toegekend die passen bij zijn ontwikkeling.(702) Voor het ophouden voor verhoor en de inverzekeringstelling vanjeugdige verdachten gelden geen specifieke termijnen. De leden van deNSC-fractie vragen de regering of het wenselijk is om ten aanzien vanjeugdige verdachten kortere termijnen dan de termijnen die gelden in hetcommune strafrecht te laten gelden. Gelet op het feit dat vrijheidsbe-neming van jeugdigen in de voorfase van het strafproces slechts alsuiterste maatregel en voor de kortst mogelijke (passende) duur magworden toegepast, vinden deze leden het voorstel van de VNJA om deduur van het ophouden van verhoor van een jeugdige verdachte tebegrenzen tot maximaal 6 uur in plaats van 9 uur interessant. Deze ledenvragen de regering of onderzoek is gedaan naar het voor jeugdigenhanteren van kortere termijnen in de voorfase van het strafproces.702. Op de keuze voor de termijnen die voor minderjarigen ouder dantwaalf jaar niet afwijken van die voor volwassenen, is ingegaan in hetantwoord op vraag 665. In aanvulling op dat antwoord kan wordenvermeld dat geen nader onderzoek is gedaan naar het voor jeugdigeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11490 verdachten hanteren van kortere termijnen voor het ophouden vooronderzoek en de inverzekeringstelling.(703) De leden van de NSC-fractie constateren dat in het huidigeartikel 493 lid 1 Wetboek van Strafvordering staat dat als de rechter devoorlopige hechtenis van de verdachte beveelt, hij nagaat of de tenuit-voerlegging van dit bevel, hetzij onmiddellijk, hetzij na een bepaaldtijdsverloop, kan worden geschorst. Ten aanzien van jeugdigen geldt naarhuidig recht dus een plicht voor de rechter om de mogelijkheden voorschorsing van de voorlopige hechtenis te onderzoeken. In het nieuweWetboek van Strafvordering wordt deze plicht niet opgenomen. Dezeleden vragen de regering waarom deze keuze is gemaakt, aangezien bijjeugdige verdachten extra terughoudend moet worden omgegaan met detoepassing van voorlopige hechtenis vanwege het uitgangspunt dat diteen uiterste maatregel is.703. Het uitgangspunt waarop in de vraagstelling wordt verwezen ligt inhet nieuwe wetboek besloten in artikel 2.5.31. De plicht voor de rechterom mogelijkheden voor schorsing van de voorlopige hechtenis teonderzoeken geldt hiermee voor zowel volwassen als jeugdigeverdachten. Voor een uitgebreidere toelichting wordt verwezen naar hetantwoord op vraag 666.(704) De leden van de NSC-fractie constateren dat het nieuweartikel 6.1.17 lid 2 Wetboek van Strafvordering de sanctiemogelijkhedenvan de alleenzittende kinderrechter verruimt (verzwaart). Het wordt voorde kinderrechter mogelijk om langdurige vrijheidsstraffen op te leggenmits het onvoorwaardelijke deel daarvan de duur van 6 maanden niet teboven gaat. Deze leden vragen de regering wat het doel is van dezeverruiming. Hebben kinderrechters behoefte aan deze verruiming?Waaruit blijkt dat? En wordt met dit voorstel voldoende gewicht gegevenaan het belang van een behandeling door een meervoudige kamer indienlangdurige vrijheidsstraffen worden opgelegd?704. Zie het antwoord op de vragen 669 tot en met 671 en 692, 694 en 695.(705) De leden van de VVD-fractie merken op dat in Boek 6 geen definitievan ouder is opgenomen, alleen in Boek 1. Klopt het dat alle bepalingen inBoek 6 zich enkel richten tot de ouders en voogden die het gezag over deminderjarigen uitoefenen?705. Onder ouder wordt in het nieuwe wetboek verstaan de ouder ofvoogd die het gezag over de minderjarige uitoefent (artikel 1.1.10, tweedelid). Het klopt dat in Boek 6 geen definitie van ouder is opgenomen zodatde bepalingen in Boek 6 die spreken over een ouder zich enkel richten totde ouder of voogd die het gezag over de minderjarigen uitoefent.(706) Volgens de memorie van toelichting is in de nieuwe regeling sprakevan een verschijningsplicht voor de ouder ter zitting indien de rechter deverschijning noodzakelijk en zinvol acht. Waarom is dat ter beoordelingaan de individuele rechter overgelaten? Deze leden menen dat hierdoorhet risico op rechtsongelijkheid groot is. De ene rechter zal in meergevallen een ouder ter zitting roepen dan de andere rechter. Waarom isniet gekozen voor een algemene verschijningsplicht bij zowel allemisdrijven als alle overtredingen, met een aantal meer specifiekeuitzonderingen voor specifieke situaties waarin dat volgens de regeringniet noodzakelijk is?706. Voor de regeling van de aanwezigheid van de ouder op de terecht-zitting is in het nieuwe wetboek nadrukkelijker aansluiting gezocht bij devormgeving van richtlijn 2016/800/EU. Hierin wordt niet uitgegaan van eenverschijningsplicht voor de ouder, maar van een recht van de minder-jarige verdachte om door een ouder te worden bijgestaan of te wordenvergezeld. In alle gevallen waarin de jeugdige verdachte het recht heeftTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11491 door de ouder te worden vergezeld, neemt het nieuwe wetboek dit rechtals uitgangspunt en worden uitzonderingen geformuleerd voor degevallen waarin de aanwezigheid van de ouder in strijd is met het belangvan de verdachte of wanneer de behandeling van de zaak zich tegenaanwezigheid van de ouder verzet. In geval van die uitzonderingen en inde situatie waarin na redelijke inspanning blijkt dat de ouder niet kanworden bereikt of onbekend is, verleent de rechter toegang aan eenpersoon naar keuze (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 1308). Hetaan de genoemde richtlijn ontleende toetsingskader (op genomen inartikel 15, eerste en tweede lid, van de richtlijn) is in de wettelijke regelinguitgewerkt.De oproeping en verschijning van de ouder op de terechtzitting is hetwettelijk uitgangspunt. De ouder wordt ook opgeroepen in persoon op deterechtzitting te verschijnen (artikel 6.1.41, eerste lid) en erop gewezen datbij niet verschijnen de medebrenging kan worden bevolen. Indien derechter de verschijning van de ouder alsnog wenselijk acht kan hij debehandeling van de zaak aanhouden en de medebrenging van de ouderbevelen (artikel 6.1.42). Vanuit de wens meer ruimte te bieden aan derechter om bij niet-verschijnen van de ouder onnodige aanhouding envertraging van de strafzaak te voorkomen, is de verplichting totaanhouding voor de rechter zoals opgenomen in het huidige artikel 496a,niet overgenomen. De uitwerking van beide genoemde uitgangspunten,namelijk dat de minderjarige verdachte het recht heeft om door een ouderte worden bijgestaan of te worden vergezeld en dat de ouder terverschijning op de terechtzitting wordt opgeroepen, biedt voldoendewaarborg voor zoveel mogelijk betrokkenheid van de ouder bij deberechting van de minderjarige verdachte. Er is geen aanleiding te vrezenvoor rechtsongelijkheid, aangezien de rechter bij het niet verschijnen vande ouder doorgaans aan de hand van concrete informatie over deachtergrond en leefomstandigheden van de minderjarige verdachte eengefundeerde en op de zaak toegesneden beslissing neemt over denoodzaak het onderzoek op de terechtzitting te schorsen en, in hetverlengde daarvan, eventueel te bevelen dat de ouder op de nadereterechtzitting zal verschijnen. Zie daarover nader het antwoord op vraag707.Het recht van de minderjarige verdachte op aanwezigheid van de ouderbij de afdoening van overtredingen door de kantonrechter is minderstellig geformuleerd. De kantonrechter is tot oproeping van de ouder nietverplicht (artikel 6.1.41, eerste lid, tweede zin). Richtlijn 2016/800/EU laatdeze ruimte ook aan de lidstaten en ook de huidige regeling kent geenalgemene verschijningsplicht voor de ouder bij een verdenking vanovertredingen.Een algemene verschijningsplicht bij overtredingen met wettelijkbeschreven uitzonderingen zou te verstrekkend zijn, ook in de uitvoerings-consequenties. Hierbij zou ook de lastig te beantwoorden vraag aan deorde komen bij welke overtredingen van de oproeping van de ouder zoumoeten worden afgezien en bij welke overtredingen die oproeping welzinvol is. Het is daarom bij de berechting van overtredingen aan dekantonrechter gelaten hierover een beslissing te nemen.(707) Deze leden lezen dat wanneer een opgeroepen ouder niet op deterechtzitting verschijnt, de rechter de zitting kan aanhouden en demedebrenging van de ouder kan bevelen (art. 6.1.42 lid 1 en 2). Gelet opdeze kan-bepaling, kan de rechter in voorkomend geval ook besluitengeen medebrenging van de ouder te bevelen. Waarom is niet gekozen omte vermelden dat in dat geval een rechter zou moeten motiveren waaromhij geen medebrenging van de ouder beveelt?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11492 707. Indien de ouder niet verschijnt, kan de rechter inderdaad ookbeslissen om het onderzoek op de terechtzitting niet te schorsen en vaneen hernieuwde oproeping van de ouder, al dan niet vergezeld door eenbevel tot medebrenging, af te zien. De rechter zal daarbij alle voor dedaarover te nemen beslissing relevante factoren in de afwegingbetrekken, waaronder ook de rechten en belangen van de verdachte envan het op de terechtzitting aanwezige slachtoffer en de belangen die zijngemoeid met een voortvarende behandeling van strafzaken. Daarbij volgtuit artikel 6.1.42, eerste lid, dat de rechter in geval van een mogelijkeschorsing van het onderzoek op de terechtzitting daarover eerst deverdachte, de officier van justitie en het aanwezige slachtoffer moethoren. Indien de rechter besluit van schorsing van het onderzoek op deterechtzitting en van hernieuwde oproeping van de ouder af te zien, zal hijzijn beslissing op de terechtzitting uitspreken en die tegenover deverdachte, de officier van justitie en het aanwezige slachtoffer van eentoelichting voorzien. Deze beslissing wordt in het proces-verbaal van deterechtzitting aangetekend. Voor beslissingen die de rechter gedurendehet onderzoek op de terechtzitting neemt, waaronder de beslissing omvan schorsing van het onderzoek op de terechtzitting en van hernieuwdeoproeping van personen af te zien, is noch in het huidige wetboek noch inhet nieuwe wetboek voorzien in een algemene wettelijke motiverings-plicht. Een wettelijke verplichting voor de rechter om zo’n beslissing ingeval van niet verschijnen van een opgeroepen ouder te motiveren, wordttegen deze achtergrond onnodig en onevenwichtig geacht.Bij de vaststelling dat een ouder, hoewel opgeroepen, op de terechtzittingniet is verschenen, komt het er op aan dat door de rechter onderzoekwordt gedaan naar de redenen daarvan. De redenen hiervoor kunnenverschillen en mogelijk heeft een ouder ook een bericht van verhinderingaan de rechtbank doen toekomen. In de praktijk beschikt de rechter bijgelegenheid van het onderzoek op de terechtzitting al over een rapportvan de raad voor de kinderbescherming over de leefomstandigheden vande minderjarige verdachte. Hierin wordt in de praktijk ook vrijwel altijdingegaan op de rol die een ouder in het leven van de verdachte speelt enop de vraag of de ouder voornemens is de terechtzitting bij te wonen. Denieuwe regeling brengt hierin geen wijziging. Mede aan de hand van dezeinformatie kan de rechter bij het niet verschijnen van de ouder eengefundeerde beslissing nemen over de noodzaak het onderzoek op deterechtzitting te schorsen en, in het verlengde daarvan, eventueel tebevelen dat de ouder op de nadere terechtzitting zal verschijnen. Voorzover in de vraagstelling ook wordt gedoeld op het geval waarin derechter in verband met het niet-verschijnen van de ouder wel hetonderzoek op de terechtzitting schorst, maar bij de hernieuwde oproepingvan de ouder niet tevens diens medebrenging beveelt, kan erop wordengewezen dat deze combinatie van beslissingen niet voor de hand ligt ingeval er behoefte bestaat de ouder op een nadere terechtzitting tebevragen en er gelijktijdig aanwijzingen zijn dat de ouder niet vrijwillig zalverschijnen. Een algemene wettelijke motiveringsverplichting bij het nietverlenen van een bevel medebrenging zou aan de beoogde aanwezigheidvan de ouder (daarom) naar verwachting niet wezenlijk bijdragen. Tenslotte wordt nog gewezen op het algemene voorschrift dat de rechterwanneer hij het onderzoek op de terechtzitting schorst de redenendaarvan in het proces-verbaal van de terechtzitting worden vastgelegd(artikel 4.2.55, derde lid). Dit voorschrift geldt uiteraard ook in geval vanberechting van een jeugdige verdachte.(708) In algemene zin vragen de leden van de VVD-fractie hoe in Boek 6van het nieuwe Wetboek is geborgd dat er meer ouderbetrokkenheid isvoorafgaand, tijdens en na het onderzoek ter terechtzitting van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11493 minderjarige. Deelt de regering dat het wenselijk is ouders zo vroegmogelijk te betrekken?708. De wens om de ouder vroegtijdig en intensief te betrekken wordtgedeeld. Dit is tot uitdrukking gebracht door de positie van ouder van eenafzonderlijke regeling te voorzien. In Afdeling 1.1.5 zijn voorschriften overde betrokkenheid van de ouder of een persoon naar keuze geclusterdondergebracht. Daarin wordt de rol van de ouder of de persoon naarkeuze in de afzonderlijke fasen van de strafvordering overzichtelijkweergegeven. Daarbij wordt onderscheiden naar het opsporingson-derzoek, de fase van de voorlopige hechtenis en het onderzoek op deterechtzitting. Ook zijn voorschriften gegeven over de afdoening doormiddel van een strafbeschikking. Voor wat betreft de fase na deberechting – de fase van de tenuitvoerlegging – is in Boek 7 (alsopgenomen in de tweede vaststellingswet) voorzien in een afzonderlijkhoofdstuk (7) voor jeugdige en jongvolwassen veroordeelden. In dathoofdstuk is erin voorzien dat de ouder wordt gehoord of behoorlijkopgeroepen voor raadkamerzittingen in de fase van de tenuitvoerlegging.Het kan dan bijvoorbeeld gaan om de beslissing om een voorwaardelijkestraf alsnog ten uitvoer te leggen omdat de veroordeelde zich niet aanbijzondere voorwaarden heeft gehouden. Ook bij dit soort zittingen wordtde ouder opgeroepen om in persoon op de zitting te verschijnen. Daartoeis in Boek 7, Hoofdstuk 7, een aantal bepalingen uit Boek 6, Afdeling 1.1.5,van overeenkomstige toepassing verklaard.(709) Zo ja, in welk opzicht is in de gewenste «beweging naar voren» diehet Wetboek van Strafvordering beoogt aan te brengen een verbeteringvoor de positie van ouders van minderjarigen die worden verdacht vanovertredingen en misdrijven?709. De «beweging naar voren» verwijst naar een samenstel vanmaatregelen waarmee wordt bevorderd dat het onderzoek op deterechtzitting beter wordt voorbereid. Er wordt voorzien in een betereaansluiting tussen het opsporingsonderzoek en het onderzoek op deterechtzitting en in een duidelijke rolverdeling tussen officier van justitie,rechter-commissaris, raadkamer en zittingsrechter. De beweging naarvoren brengt als zodanig geen verandering in de positie van ouders vanverdachte minderjarigen. De positie van ouders is in ander opzicht welverbeterd, zoals blijkt uit het antwoord op vraag 708.(710) Is de regering bereid op enig moment tijdens de verdere voorbe-reiding van het Wetboek in gesprek te gaan met de Stichting Steun- enAdviespunt voor naasten van gedetineerden (SANG) om te bezien hoe hetnieuwe Wetboek kan bijdragen aan het vergroten van de betrokkenheidvan ouders?710. Er heeft reeds ambtelijk overleg plaatsgevonden met Stichting Steun-en Adviespunt voor naasten van gedetineerden (SANG). Het Ministerievan JenV zal dit desgewenst blijven doen. Daarbij past terughoudendheidmet het wekken van verwachtingen in relatie tot het nieuwe Wetboek vanStrafvordering aangezien deze groep niet onder de reikwijdte van destrafvorderlijke definitie van «slachtoffer» valt. Zij hebben daarmee– indien de veroordeelde meerderjarig is – geen recht op informatie overde tenuitvoerlegging van de straf. Als het gaat om meerderjarigeveroordeelden dan zal eventuele informatie daarom via de veroordeeldezelf of diens raadsman moeten worden verkregen – indien de veroor-deelde daar toestemming voor geeft.(711) De leden van de VVD-fractie lezen dat in artikel 6.1.17 is verwoorddat de zaak bij de meervoudige kamer wordt aangebracht indien naar hetaanvankelijke oordeel van de officier van justitie onder andere wegens deingewikkeldheid van de zaak behandeling door de meervoudige kamer devoorkeur verdient. Deze leden vragen naar een nadere duiding van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11494 begrip «ingewikkeldheid van de zaak» in dit artikel. Welke omstandig-heden moet een officier van justitie hierbij betrekken?711. Het criterium in artikel 6.1.17 dat de zaak naar het aanvankelijkoordeel van de officier van justitie «van eenvoudige aard» is, in hetbijzonder ook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet,sluit aan bij artikel 4.5.2, eerste lid, over de competentie van de politie-rechter. Het komt overeen met het criterium in het huidige artikel 495,tweede lid, onder b, dat naar het aanvankelijk oordeel van de officier vanjustitie behandeling door de meervoudige kamer wegens de «ingewik-keldheid van de zaak» niet de voorkeur verdient. Zowel dit artikel alsartikel 6.1.17 verwijzen naar het aanvankelijk oordeel van de officier vanjustitie inhoudende dat een zaak van «eenvoudige aard is, in het bijzonderook ten aanzien van het bewijs en de toepassing van de wet». Eenvoorbeeld van eenvoudiger zaken ten aanzien van het bewijs zijn zakenwaarin de verdachte een bekennende verklaring aflegt of waarin aancamerabeelden en beschikbare getuigenverklaringen een eenduidig beeldover het tenlastegelegde kan worden ontleend. Waar het gaat omeenvoud in de zin van de toepassing van de wet, kan worden gedacht aanzaken waarin geen ingewikkelde vragen spelen over uitleg en toepassingvan een delictsomschrijving. Verder kan in dit verband worden verwezennaar het antwoord op vraag 40 waarin is ingegaan op redenen om eenzaak te verwijzen naar een meervoudige kamer. Zoals blijkt uit datantwoord kan een beslissing van de enkelvoudige kamer om de zaak teverwijzen naar de meervoudige kamer ook aan de orde zijn wanneer hetbelang van de zaak daartoe aanleiding geeft. Als voorbeeld daarvan wordtonder meer verwezen naar de situatie waarin de beoordeling door drierechters wenselijk voorkomt vanwege maatschappelijke ophef ofdiscussie over een kwestie. De officier van justitie kan daarop anticiperendoor in geval van een maatschappelijk omstreden kwestie de zaak bij demeervoudige kamer aan te brengen.(712) De leden van de VVD-fractie lezen dat de bepalingen betreffende debehandeling van vorderingen van een benadeelde partij gericht tot deouders is ondergebracht in een afzonderlijke afdeling (1.1.6). Dezeafdeling is van toepassing indien de ouder aansprakelijk is voor de schadedie de minderjarige verdachte door het begaan van het strafbaar feit heefttoegebracht en degene die deze schade heeft geleden zich als benadeeldepartij met zijn vordering heeft gevoegd in het strafproces (gelet op hethuidige artikel 51g lid 4 Sv). De ouder treedt in dergelijke gevallen op alswederpartij van de benadeelde partij bij de behandeling van de vorderingvan de benadeelde partij (gelet op art. 1.5.10 lid 4). Welke inhoudelijkeverbeteringen zijn overwogen om de positie van slachtoffers te versterkenten opzichte van de ouders die aansprakelijk zijn voor de schade die eenminderjarige heeft toegebracht door het strafbare feit?712. De aparte voorzieningen die zijn getroffen voor de ouderlijkeaansprakelijkheid voor schade toegebracht door een minderjarige geldenvoor de ouders van een verdachte die de leeftijd van veertien jaar nog nietheeft bereikt. Naar burgerlijk recht zijn ouders namelijk aansprakelijk voorschade die door kinderen jonger dan veertien is toegebracht. Minderja-rigen van veertien jaar of ouder zijn zelfstandig aansprakelijk indienslachtoffers als gevolg van een strafbaar feit schade hebben geleden. Demogelijkheid van toewijzing van de vordering tegen de ouder of voogdwegens een strafbaar feit begaan door een verdachte die de leeftijd vanveertien jaar nog niet heeft bereikt, werd geïntroduceerd met de Wet van17 december 2009 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, hetWetboek van Strafrecht en de Wet schadefonds geweldsmisdrijven terversterking van de positie van het slachtoffer in het strafproces(Stb. 2010, 1). Er is geen aanleiding gezien om een verdere versterkingvan de positie van het slachtoffer, specifiek ten aanzien van de ouders vanverdachten in deze leeftijd, te overwegen. De regeling in het nieuweTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11495 wetboek beoogt vooral de procespositie van de ouders van dezeminderjarigen te verduidelijken. Op grond van artikel 6.1.45 wordt depositie van deze ouder voor zover het de behandeling van de vorderingvan de benadeelde partij op grond van de Boeken 4 en 5 betreft, gelijkge-steld met die van de verdachte.(713) De leden van de VVD-fractie merken op dat uit onderzoek van hetWetenschappelijk Onderzoek- en Datacentrum (WODC) uit 2022 bleek dat55% van de respondenten van het OM de behoefte heeft dat de wetgeverde maximale straffen in het adolescentenstrafrecht verhoogt voor degehele leeftijdscategorie van 16- tot 23-jarigen die worden veroordeeldvoor een ernstig gewelds- of zedenmisdrijf. Mede op basis van ditgegeven en de ontwikkeling van de straftoemeting in het volwassenen-strafrecht, vragen deze leden aan de regering om strenger op te tredentegen ernstige misdrijven, ook wanneer deze worden gepleegd doorminderjarigen.713. Een verhoging van de in het kader van het adolescentenstrafrechtgehanteerde strafmaxima is in het kader van de totstandkoming van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering niet aan de orde geweest. Wel kanworden gewezen op de reactie die door de Minister voor Rechtsbe-scherming is geformuleerd op het door deze leden aangehaaldeWODC-onderzoek uit 2022. In de brief van de Minister voor Rechtsbe-scherming aan de Tweede Kamer van 27 maart 2023 (Kamerstukken II2022/23, 28 741, nr. 94) is aangegeven dat vooralsnog geen voornemenbestaat om de maximale straffen in het kader van het adolescentenstraf-recht te verhogen. Daaraan ligt mede ten grondslag dat de behoefte aanverhoging van de maximale jeugddetentieduur beduidend minder werdgevoeld door participerende magistraten van de rechtspraak dan van hetopenbaar ministerie. Ook is gewezen op de uitvoeringsconsequenties vaneen eventuele verhoging van de maximumduur van jeugddetentie, zoalsde mogelijke gevolgen voor de capaciteit in de justitiële jeugdinrichtingen,die al onder druk staat. Bij deze keuze de strafmaat niet te verhogen zijndaarnaast verdere WODC-onderzoeken aangekondigd over de toepassingvan het adolescentenstrafrecht. Hierover is de Tweede Kamer voor hetlaatst geïnformeerd in de verzamelbrief justitiële jeugd van 22 april 2024(Kamerstukken II 2023/24, 28 741, nr. 115). Daarin is aangekondigd datmede op basis van de uitkomsten van die onderzoeken wordt bezienwelke vervolgstappen nodig zijn voor het bieden van een passende reactieop (zeer ernstig) delictgedrag van jongvolwassenen, waarbij ook destrafmaat uitdrukkelijk wordt meewogen.(714) Is de regering bereid nogmaals te wegen of de maximale straffen inhet adolescentenstrafrecht nog aansluiten bij de aard en ernst van demisdrijven die worden gepleegd door 16- en 17-jarigen?714. Zie het antwoord op vraag 713.(715) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de regelingover jeugdigen. Deze leden lezen dat enkele termijnen van voorlopigehechtenis van jeugdige verdachten worden verkort en dat hiermee wordtbeoogd meer recht te doen aan het uitgangspunt de voorlopige hechtenisvan jeugdige verdachten zo kort mogelijk te laten duren. Deze leden zijnhier positief over, mede onder verwijzing naar het Internationaal Verdraginzake de Rechten van het Kind (IVRK), waaruit volgt dat vrijheidsbe-neming van jeugdigen een uiterste maatregel is die alleen voor de kortstmogelijke duur mag worden toegepast. Is de regering bereid te (her)over-wegen om dit uitgangspunt expliciet in de wet op te nemen?715. Zie het antwoord op de vragen 665 tot en met 667.(716) De leden van de D66-fractie lezen dat in de voorgestelde regeling dealleenzittende kinderrechter bevoegd wordt tot het opleggen van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11496 vrijheidsstraf voor zover de duur van het onvoorwaardelijke deel daarvanniet langer is dan 6 maanden. Deze leden constateren dat dit eenverzwaring is ten opzichte van de huidige mogelijkheden van de alleenzit-tende kinderrechter, namelijk dat geen langere vrijheidsstraf dan6 maanden mag worden opgelegd ongeacht of deze straf (deels)voorwaardelijk wordt opgelegd. Kan de regering onderbouwen waaromzij deze verzwaring noodzakelijk acht en kan zij het ultimum remedium-uitgangspunt uit het IVRK bij haar antwoord betrekken?716. Zie het antwoord op de vragen 669, 670, 671, 692, 694, 695 en 704. Inaanvulling daarop wordt opgemerkt dat het ultimum remedium-beginseluit het IVRK niet tot een andere weging leidt over de verruiming van demogelijkheden van de kinderrechter die met artikel 6.1.17 is voorzien. Deverruiming strekt er vooral toe ten behoeve van een goede naleving vanopgelegde voorwaarden, een groter voorwaardelijk strafdeel op te kunnenleggen, zonder dat dit ten koste behoeft te gaan van het onvoorwaardelijkstrafdeel. De regeling is niet erop gericht dat er een langduriger onvoor-waardelijk strafdeel wordt opgelegd.(717) De leden van de SP-fractie constateren dat Boek 6 ingaat op debijzondere regelingen. Deze leden constateren dat voor zaken met een12-min-verdachte de rol voor de RvdK wordt vergroot in het proceswaaronder ook met een adviesrol. Op welke manier zorgt de regeringervoor dat de RvdK ook voldoende wordt geëquipeerd voor deze grotereverantwoordelijkheid?717. In het nieuwe wetboek is opgenomen dat de raad voor de kinderbe-scherming op de hoogte wordt gesteld als een twaalf-minner wordtopgehouden voor verhoor (artikel 6.1.3). In de huidige situatie gaat diemelding uit naar een gecertificeerde instelling (de jeugdreclassering; hethuidige artikel 487, tweede lid). De raad voor de kinderbescherming krijgtechter geen adviesrol voor deze doelgroep zodat van een taakuitbreidinghier geen sprake is. Wel is voorzien in de mogelijkheid van adviseringdoor de raad voor de kinderbescherming bij jongvolwassen verdachten(artikel 6.1.29, tweede lid). Zie hierover het antwoord op vraag 675.Daarmee zal in de bekostiging van de raad voor de kinderbeschermingrekening worden gehouden.(718) Deze leden constateren ook dat de sanctiemogelijkheden van dealleenzittende kinderrechter zijn toegenomen. Hoe vaak werd demaximaal mogelijke sanctie opgelegd de afgelopen jaren?718. Op dit moment vindt er een omvangrijke aanpassing van destraf-registratiesystemen plaats. Daardoor zijn de gevraagde gegevenstijdelijk niet beschikbaar. Naar verwachting kan in de tweede helft van2024 weer recente informatie worden verstrekt over opgelegde straffen.(719) Wat is de principiële basis voor het besluit om deze verruiming vanmogelijkheden toe te voegen?719. Zie het antwoord op de vragen 669 tot en met 671, 692, 694, 695, 704en 716.(720) De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennisge-nomen van het voorstel dat de betrokkenheid van de ouder in een aparteafdeling is ondergebracht in het wetsvoorstel, omdat de ouder eenuitermate belangrijke rol heeft in onder andere de situatie waarin eenminderjarige verdachte een strafproces moet doorlopen. Deze leden lezendat in plaats van de ouder een persoon naar keuze kan optreden, wanneerbijvoorbeeld de ouder zijn rol niet kan vervullen. Hoe wordt die persoonnaar keuze bepaald? Wat zijn de gevolgen van de situatie waarin eenpersoon naar keuze optreedt, terwijl de ouder hier bezwaar tegen heeft?720. De persoon naar keuze wordt bepaald door de verdachte. De keuze iswel onderworpen aan de goedkeuring van de verhorende ambtenaar dieTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11497 toegang verleent of weigert (zie de artikelen 6.1.33 en 6.1.43). Verduidelijktwordt dat deze regeling, die strekt tot uitvoering van artikel 15 van richtlijn2016/800/EU, de betrokkenheid van de ouder vooropstelt. Bij eenweigering de ouder toe te laten of in de situatie waarin de ouder naredelijke inspanning niet kan worden bereikt, is eerst de aanwijzing vaneen persoon naar keuze aan de orde. Indien de verdachte geen persoonnaar keuze heeft aangewezen of de rechter de aangewezen persoonongeschikt acht, wordt de verdachte bijgestaan door een vertegenwoor-diger van de raad voor de kinderbescherming.Er is niet voorzien in een regeling voor de situatie waarin een ouder zijnrol niet vervult, maar toch bezwaar heeft tegen de door de minderjarigeverdachte gekozen persoon. Ook artikel 15 van richtlijn 2016/800/EUvoorziet niet in die situatie.(721) De leden van de CDA-fractie lezen dat verschillende artikelen zien opde toepassing van het adolescentenstrafrecht, en dat de inschatting dateen jongvolwassene kwetsbaar is en bijzondere bescherming behoeft eenmomentopname is. De regeling wil daarmee passende maatregelenbewerkstelligen. Deze leden vragen wat precies de criteria zijn van hettoepassen van het adolescentenstrafrecht, en op welke manier de ouderhier een plek in heeft.721. De criteria waarop in de vraagstelling wordt gewezen zijn neergelegdin artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht dat de mogelijkheid biedt omaan jongvolwassenen een straf of maatregel uit het jeugdstrafrecht op teleggen. Er wordt in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht verwezennaar «de persoonlijkheid van de verdachte» of «de omstandighedenwaaronder het feit is begaan». Deze criteria keren dan ook terug in debepalingen van Afdeling 1.1.3 over verdachten die ten tijde van hetbegaan van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar maar nog nietdie van drieëntwintig jaar hebben bereikt (de artikelen 6.1.26 en 6.1.28).Nadere wettelijke criteria zijn hiervoor niet geformuleerd. Wel kan deeventuele toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht aande orde komen bij de gedragsdeskundige advisering over de verdachte. Ineen rol voor de ouder van de jongvolwassen verdachte, is hierbij nietvoorzien. Reden hiervoor is dat in lijn met de huidige regeling ook in hetnieuwe Wetboek van Strafvordering de bepalingen over de ouder zich inalle gevallen richten tot de ouder of voogd die het gezag over deminderjarige uitoefent (artikel 1.1.10). Wel kan de rechter toepassinggeven aan de bepalingen over een persoon naar keuze (artikel 6.1.31)vanwege het inzicht dat ook de jongvolwassen verdachte van eendergelijke ondersteuning zou kunnen profiteren (Kamerstukken II 2022/23,36 327, nr. 3, p. 1309). Denkbaar is dat deze rol dan wordt vervuld door defeitelijke opvoeder van de verdachte die bijvoorbeeld nog thuis woont. Ditkan, naar normaal spraakgebruik, ook een ouder zijn die vanwege demeerderjarigheid van de verdachte het gezag niet meer heeft maar diewel nog een ondersteunende en opvoedende rol heeft in het leven vanverdachte.(722) De leden van de CDA-fractie lezen dat iemand jonger dan 18 jaar, enook jonger dan 12 jaar, wordt aangeduid als «verdachte». Deze ledenvragen of minderjarige verdachten dan ook beschikken over alle rechtendie toekomen aan een meerderjarige verdachte zoals bepaald in hetWetboek van Strafvordering. Zo nee, voor welke rechten geldt dit niet?722. Zie het antwoord op vraag 662. In aanvulling daarop kan eropworden gewezen dat personen jonger dan achttien jaar al in het huidigewetboek als verdachte worden aangeduid en als zodanig alle rechten vanverdachten toekomen, vermeerderd met enkele specifieke rechten voorjeugdige verdachten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11498 1.2 Verdachten die door een beperking of een ziekte onvoldoende in staatzijn aan het proces tegen hen deel te nemen (723) De rapporteurs vragen hoe de voorgestelde regeling zich verhoudttot de mogelijkheid van een zorgmachtiging onder de Wet verplichtegeestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de opnamemachtiging onder deWet zorg en dwang (Wzd), die de strafrechter op grond van de Wetforensische zorg kan verlenen. Zijn er ook andere reële zorgalternatievenvoorhanden voor deze groep kwetsbare verdachten, ingeval op grond vanartikel 6.1.52 wordt overgegaan tot een sepot of eenniet-ontvankelijkverklaring?723. Er zijn verschillende mogelijkheden om te verzekeren dat aan eenverdachte de juiste zorg wordt verleend vanaf het moment dat destrafzaak door toepassing van artikel 6.1.52 wordt beëindigd.Indien de officier van justitie met toepassing van dit artikelniet-ontvankelijk wordt verklaard, kan de strafrechter gelijktijdig op grondvan artikel 2.3 van de Wet forensische zorg een zorgmachtiging (op grondvan Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz)) of een opname-machtiging (op grond van de Wet zorg en dwang psychogeriatrische enverstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd)) afgeven, mits is voldaan aande relevante criteria in respectievelijk de Wvggz en de Wzd. Hierdoor kande betreffende zorg direct na beëindiging van de strafzaak aan deverdachte worden verleend. De mogelijkheid om de zorg- of opname-machtiging gelijktijdig met niet-ontvankelijkverklaring op grond vanartikel 6.1.52 te verlenen zal bij gelegenheid van de invoeringswet bij hetnieuwe wetboek uitdrukkelijk in artikel 2.3 van de Wet forensische zorgworden opgenomen. Daarbij wordt opgemerkt dat deze machtiging eenafzonderlijke beslissing betreft die geen onderdeel uitmaakt van hetvonnis in de strafzaak. Hiermee wordt benadrukt dat de machtiging geenstrafvorderlijk doel dient, maar wordt afgegeven met het oog op hetverlenen van zorg aan de verdachte.In de situatie dat de officier van justitie overeenkomstig artikel 6.1.52 afzietvan vervolging, kan de officier van justitie verzoeken dat de zorgmach-tiging door middel van een afzonderlijke beslissing van de civiele rechterwordt afgegeven (eveneens op voorwaarde dat aan de relevante criteria inde Wvggz is voldaan). Datzelfde geldt voor de opnamemachtiging opgrond van de Wzd, met dien verstande dat het verzoek kan wordengedaan door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ). Mede gelet op dezemogelijkheden ligt het niet in de rede dat aan de beslissing om af te zienvan vervolging bijzondere voorwaarden worden verbonden.(724) De rapporteurs constateren dat in de huidige regeling op grond vanartikel 509d Wetboek van Strafvordering geldt dat een aantal bepalingendie betrekking hebben op de berechting van jeugdige verdachten, vanovereenkomstige toepassing zijn ingeval van «kwetsbare verdachten». Diesystematiek is in de nieuwe regeling – met uitzondering van het aanwijzenvan een raadsman – niet gehandhaafd. Leidt dat, zoals in de memorie vantoelichting wordt gesteld, tot de mogelijkheid van meer maatwerk, zoalsaangewezen is door de diverse samenstelling van de groep verdachtendie door de nieuwe regeling wordt bestreken en de verschillendebehoeften die personen uit deze groep ten gevolge daarvan zullenhebben? Of leidt het tot een verschraling van de rechtspositie, als gevolgvan versplintering of onduidelijkheden ter zake?724. Met de nieuwe regeling is inderdaad beoogd meer maatwerkmogelijk te maken. De groep verdachten die door een ziekte of beperkingde eigen belangen in het strafproces niet behoorlijk kan behartigen, is zeerdivers. Dit maakt dat de compenserende of beschermende maatregelendie een adequate compensatie voor de ene verdachte vormen, niet altijdtegemoetkomen aan de behoeften van een andere verdachte. DeTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11499 bestaande regeling in artikel 509d, waarin verschillende bepalingen uit hetjeugdstrafrecht standaard van overeenkomstige toepassing zijn verklaard,laat dan ook onvoldoende ruimte tot maatwerk. Het nieuwe artikel 6.1.50biedt meer flexibiliteit, door de rechter en de officier van justitie op tedragen die maatregelen te nemen die nodig zijn voor de specifiekebehoefte van de verdachte om het strafproces te begrijpen en daaraandeel te nemen. Dit kunnen maatregelen uit het jeugdstrafrecht zijn (in lijnmet het huidige artikel 509d), maar er kunnen ook andere maatregelenworden toegepast. Er is geen aanleiding te verwachten dat dit in depraktijk zal leiden tot versplintering of onduidelijkheden, waardoor derechtspositie van de verdachte zou verslechteren. Integendeel: in denieuwe regeling staat de feitelijke behoefte van de individuele verdachtecentraal. De nieuwe mogelijkheden voor maatwerk leiden naarverwachting tot een versterking van de rechtspositie van die verdachte.(725) De rapporteurs lezen dat artikel 6.1.52 het sluitstuk bevat van deregeling in de daarin voorziene beslissingen tot sepot of tot hetniet-ontvankelijk verklaren van de officier van justitie. In de memorie vantoelichting wordt gesteld dat dergelijke situaties zoals bedoeld inartikel 6.1.52 zich in de praktijk niet vaak zullen voordoen. Het zou danvooral gaan om de groep verdachten die nu al onder de reikwijdte van hethuidige artikel 16 valt. De nieuwe regeling beoogt deze groep nietsignificant te vergroten. Kan de regering dit nader toelichten, aangezienhet nieuwe criterium «onvoldoende in staat zijn om het proces tegen hemte begrijpen en hieraan deel te nemen», bepaald ruimer is dan hetcriterium op grond van het huidige artikel 509a Sv?725. Boek 6, Titel 1.2, van het nieuwe wetboek heeft betrekking opverdachten die een beperking of een ziekte hebben waardoor dezeonvoldoende in staat zijn het strafproces te begrijpen en daaraan deel tenemen. De nieuwe regeling heeft daarmee betrekking op een ruimeredoelgroep dan artikel 509a van het huidige wetboek, dat van toepassing isop verdachten bij wie een psychische stoornis, psychogeriatrischeaandoening of verstandelijke handicap wordt vermoed ten gevolgewaarvan deze verdachten niet in staat zijn hun belangen behoorlijk tebehartigen. De nieuwe regeling gaat uit van een glijdende schaal.Naarmate de capaciteiten van de verdachte om aan het strafproces deel tenemen beperkter zijn, zullen meer en verdergaande maatregelen moetenworden genomen om het recht van de verdachte op een eerlijk proces tekunnen waarborgen. Het sluitstuk hiervan is dat een strafprocedure geendoorgang vindt wanneer het nemen van maatregelen niet kan zorgen vooreen voldoende begripsniveau bij de verdachte en hij hiervoor niet kanworden gecompenseerd. Het is de verwachting dat ten aanzien van deverdachten die in vergelijking met het huidige wetboek aan het bereik vande regeling in het nieuwe wetboek zijn toegevoegd, in de meeste gevallenafdoende verhelpende of compenserende maatregelen kunnen wordengenomen. In dat geval kan het strafproces doorgang vinden en wordtartikel 6.1.52 niet toegepast. Bij deze groep verdachten zal het naarverwachting slechts in uitzonderlijke gevallen voorkomen dat geen uitzichtop verbetering bestaat en dat de verdachte door het nemen van maatre-gelen niet voldoende kan worden gecompenseerd. Hierbij kan bijvoor-beeld worden gedacht aan verdachten die zowel doof als blind zijn.Slechts in die gevallen is toepassing van artikel 6.1.52 aan de orde. Decategorie verdachten die hiervoor onder het nieuwe wetboek inaanmerking komt, is naar verwachting echter niet significant groter dande doelgroep die door het huidige artikel 16 wordt bestreken.(726) De rapporteurs vragen of de functie van artikel 6.1.51 voldoendehelder geduid is in de memorie van toelichting, gelet op de overwegingendat het aanwijzen van een raadsman als zodanig ook een (mogelijkdoorslaggevende) verhelpende of compenserende maatregel kan zijn.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11500 726. De ambtshalve aanwijzing van een raadsman voor deze categorieverdachten, alsook het voorschrift dat door deze verdachten geen afstandvan het recht op rechtsbijstand kan worden gedaan, kunnen zonder meerworden beschouwd als belangrijke compenserende maatregelen. Dit isonderkend in de algemene toelichting op Boek 6, Titel 1.2, van dememorie van toelichting, waar wordt gesteld dat de (ambtshalve)aanwijzing van een raadsman kan worden beschouwd als de belangrijkstecompenserende maatregel binnen de artikelen 509a tot en met 509d vanhet huidige wetboek. Uit de toelichting op de artikelen 6.1.50 en 6.1.52,tweede lid, volgt dat de aanwijzing van een raadsman ook onder hetnieuwe wetboek als een belangrijke compenserende maatregel dient teworden beschouwd. De bijstand door een raadsman kan er immers insommige gevallen voor zorgen, bijvoorbeeld door het geven van extrauitleg aan de verdachte over het strafproces, door het adviseren van deverdachte over het bepalen van zijn procespositie of door hem gedurendede gehele procedure te ondersteunen, dat de verdachte daadwerkelijkvoldoende in staat is om het proces te begrijpen en hieraan deel tenemen.(727) De rapporteurs vragen of de subsidiariteitsafweging, om te kiezenvoor ofwel de minst ingrijpende verhelpende of compenserendemaatregelen op grond van artikel 6.1.50, ofwel de minst verstrekkendebeslissing op grond van 6.1.52, afdoende geborgd is in de regeling.727. Op grond van artikel 6.1.50, eerste lid, dienen die verhelpende ofcompenserende maatregelen te worden genomen die de officier vanjustitie of de rechter noodzakelijk acht om de verdachte voldoende in staatte stellen om het strafproces te begrijpen en daaraan deel te nemen. Uitdit noodzakelijkheidscriterium kan worden afgeleid dat voor de minstingrijpende maatregelen dient te worden gekozen. Indien immers eenminder ingrijpende maatregel geschikt is bevonden, kan een relatiefingrijpendere maatregel niet langer als «noodzakelijk» wordenbeschouwd. De subsidiariteitsafweging komt daarnaast tot uitdrukking ineen aantal nadere voorschriften uit artikel 6.1.50. Zo is erin voorzien datde verdachte wordt gehoord voordat de verhelpende of compenserendemaatregelen worden genomen (derde lid) en dat een nader onderzoek kanworden ingesteld voordat wordt besloten om maatregelen te nemen(vierde lid). In de wettekst is voorts expliciet tot uitdrukking gebracht datwanneer een genomen maatregel op enig moment niet langer noodza-kelijk blijkt, deze kan worden beëindigd (vijfde lid).Ook de toepassing van artikel 6.1.52 vergt een subsidiariteitsafweging. Ditkomt tot uitdrukking in het criterium «indien (...) aannemelijk is dat hetnemen van maatregelen niet binnen een afzienbare termijn ertoe zalleiden dat de verdachte voldoende in staat is het proces tegen hem tebegrijpen en hieraan deel te nemen en het nemen van maatregelen hemhiervoor onvoldoende kan compenseren» uit het eerste lid van dat artikel.Dit criterium is in vergelijkbare bewoordingen ook opgenomen in hettweede en derde lid van artikel 6.1.52. Hiermee wordt tot uitdrukkinggebracht dat toepassing van artikel 6.1.52 pas aan de orde is wanneer hetniet mogelijk is om de verdachte voldoende te compenseren.(728) De rapporteurs vragen of de in artikel 6.1.52 opgenomen maatstafdat het «aannemelijk» moet zijn dat het nemen van maatregelen nietbinnen een afzienbare termijn ertoe zal leiden dat de verdachte voldoendein staat is het proces tegen hem te begrijpen en hieraan deel te nemen enhet nemen van maatregelen hem hiervoor onvoldoende kan compen-seren, voldoende bepaald en stevig genoeg is om de verstrekkendebeslissingen zoals genoemd in dit artikel te kunnen dragen.728. Bij de beoordeling of het «aannemelijk» is dat het nemen vanmaatregelen er niet toe leidt dat de verdachte voldoende in staat is hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11501 proces tegen hem te begrijpen en hieraan deel te nemen, ligt het voor dehand dat de officier en justitie (artikel 6.1.52, eerste lid) en de rechter(artikel 6.1.52, tweede en derde lid) het oordeel over de toestand van deverdachte waar aangewezen baseren op informatie van deskundigen.Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan medische verklaringen ofhet verslag van het nader onderzoek dat is ingesteld op grond vanartikel 6.1.50, vierde lid. Het aannemelijkheidscriterium betekent dusbepaald niet dat lichtvaardig tot toepassing van artikel 6.1.52 dient teworden overgegaan. Indien de rechter besluit totniet-ontvankelijkverklaring, dient die beslissing bovendien in heteindvonnis te worden gemotiveerd (artikel 4.3.22 in verbinding metartikel 4.3.21). In dit verband kan erop worden gewezen dat de beslissingvan de rechter om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren inde ingestelde vervolging een formele beslissing is die, zoals ook in dememorie van toelichting is aangegeven, aan de voortzetting van devervolging niet in de weg staat wanneer – anders dan ten tijde van deniet-ontvankelijkverklaring voorzien – toch verbetering optreedt in detoestand van de verdachte (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p.1328).(729) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat als deverdachte vanwege een psychische stoornis of verstandelijke beperkingniet in staat is de strekking van de tegen hem ingestelde vervolging tebegrijpen, dat dan vervolging (tijdelijk) achterwege blijft. In het uiterstegeval kan die stoornis ertoe leiden dat de zaak wordt geseponeerd of deofficier van justitie in de vervolging niet-ontvankelijk wordt verklaard. Deaan het woord zijnde leden lezen ook dat het feit dat bij een verdachte tentijde van het begaan van het strafbaar feit een dergelijke stoornis bestond,niet betekent dat die verdachte niet in staat zou zijn de procedure tebegrijpen. Deze leden vragen hoe een ontoerekeningsvatbaarheid tijdenshet begaan van het strafbaar feit ten gevolge van een permanentaanwezige stoornis zich verhoudt tot het al dan niet in staat zijn van hetvolgen van een strafproces door de verdachte. Kan de regering uitleggenwaarom iemand met een permanente psychische stoornis die deverdachte ontoerekeningsvatbaar maakt ondanks die stoornis wel in staatzou kunnen zijn om aan een strafproces deel te nemen?729. Op grond van artikel 39 van het Wetboek van Strafrecht is eenverdachte niet strafbaar indien hem het strafbare feit wegens eenpsychische stoornis, psychogeriatrische aandoening of verstandelijkehandicap niet kan worden toegerekend. Deze strafuitsluitingsgrond wordtook wel aangeduid als de ontoerekeningsvatbaarverklaring van deverdachte. Uit de psychische toestand van de verdachte die daarvoor deaanleiding vormt, kan in de meest ernstige gevallen eveneens volgen datdie verdachte niet in staat is om het strafproces tegen hem te begrijpen endaaraan deel te nemen. In dat geval is naast artikel 39 van het Wetboekvan Strafrecht ook Boek 6, Titel 1.2, van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering van toepassing. Van een dergelijke samenloop hoeft echterniet automatisch sprake te zijn. Zo kan het voorkomen dat een verdachteaan wie het strafbaar feit wegens een stoornis, aandoening of handicapniet kunnen worden toegerekend, weldegelijk in staat is om het straf-proces te begrijpen en daaraan deel te nemen. In dat geval is toepassingvan artikel 6.1.52 niet aan de orde.Opmerking verdient nog dat wanneer een verdachte ontoerekenings-vatbaar wordt verklaard, dit eveneens niet automatisch betekent dat geenenkel strafbaar feit aan die verdachte kan worden toegerekend. Het isimmers mogelijk dat de ontoerekeningsvatbaarheid van de verdachteslechts betrekking heeft op een bepaald strafbaar feit, maar dat anderestrafbare feiten wel aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Ditwordt in het strafrecht ook wel aangeduid als «partiële toerekening» (zieJ. de Hullu, Materieel strafrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2021, V.5.3).Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11502 Ook hieruit volgt dat de ontoerekenbaarheid ten aanzien van een bepaaldstrafbaar feit niet automatisch betekent dat die verdachte niet in staat isom zijn eigen belangen in de strafzaak behoorlijk te behartigen.(730) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat alleen inuitzonderlijke gevallen waarin een verdachte in het geheel niet in staatblijkt te zijn een proces te volgen er binnen een «afzienbare termijn»afgezien kan worden van vervolging. Onder «afzienbare termijn» wordt indit verband een periode begrepen «die vooraf is in te schatten of is tevoorzien». Kan dat ook betekenen dat al aan het begin van het strafproceskan blijken dat vervolging niet mogelijk is, bijvoorbeeld als uit onderzoeknaar de verdachte in het kader van het vaststellen van de toerekeningsvat-baarheid voor tbs blijkt dat de geestelijke vermogens van de verdachtehem nooit in staat zullen stellen het proces te kunnen begrijpen? Kan eenonderzoek naar de toerekeningsvatbaarheid van een verdachte ookgebruikt worden om vast te stellen of een verdachte in staat kan zijn hetproces te begrijpen?730. Wanneer op enig moment in het strafproces blijkt dat de verdachtewegens een ziekte of beperking niet in staat is het strafproces te begrijpenen daaraan deel te nemen, alsook dat er geen afdoende verhelpende ofcompenserende maatregelen mogelijk zijn, dient de officier van justitie afte zien van vervolging (artikel 6.1.52, eerste lid). Deze beslissing kan invoorkomende gevallen ook al in een vroege fase van het opsporingson-derzoek worden genomen. De rechterlijke beslissing totniet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie (artikel 6.1.53, derdelid) kan op elk moment tijdens de berechting worden genomen indienaannemelijk is dat de verdachte door het treffen van maatregelen nietbinnen afzienbare termijn afdoende kan worden gecompenseerd.Wanneer door gedragsdeskundigen advies wordt uitgebracht over degeestelijke gesteldheid van de verdachte in verband met de mogelijkeoplegging van een tbs-maatregel (artikel 37a, derde lid, van het Wetboekvan Strafrecht) is het in theorie mogelijk dat uit dat advies (ook)conclusies kunnen worden getrokken over de mate waarin de verdachte instaat is het strafproces te begrijpen en daaraan deel te nemen. Dit adviesis echter primair gericht op de vraag in hoeverre de verdachte tijdens hetbegaan van het strafbare feit leed aan gebrekkige ontwikkeling ofziekelijke stoornis van de geestvermogens. In veel gevallen zal het adviesdaarmee geen definitief uitsluitsel bieden over de vraag in hoeverre deverdachte in staat is zijn belangen tijdens de berechting behoorlijk tebehartigen. Daarbij wordt opgemerkt dat in artikel 6.1.50, vierde lid, isvoorzien in een aparte grondslag voor het verrichten van onderzoek naarnoodzakelijke compenserende of verhelpende maatregelen.2. Procesincidenten 2.1 Wraking en verschoning van rechters (731) De leden van de VVD-fractie vragen of er in het kader van het nieuweWetboek is nagedacht over het mogelijk maken van het strafbaar stellenvan het (herhaaldelijk) indienen van oneigenlijke (evidentniet-ontvankelijke) wrakingsverzoeken, waardoor een rechter bijvoorbeeldeen boete kan opleggen. Welke maatregelen kunnen voorts wordengetroffen om de werklast van de rechtspraak te verlichten en op eenadequate manier het aantal kennelijk niet-ontvankelijk verklaardewrakingsverzoeken terug te dringen?731. Het nieuwe wetboek maakt een vereenvoudigde en versneldebehandeling door de wrakingskamer mogelijk van ingediende wrakings-verzoeken die kennelijk niet-ontvankelijk zijn. Meer maatregelen om hetaantal oneigenlijke wrakingverzoeken terug te dringen lijken niet nodig tezijn gelet op het totaalaantal verzoeken. In 2022 werden bijna 180.000Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11503 strafzaken behandeld door rechtbanken en gerechtshoven, waarin intotaal 170 wrakingsverzoeken werden gedaan. Daarvan werden 13verzoeken niet-ontvankelijk verklaard (zie het jaarverslag van de Raadvoor de rechtspraak 2022, p. 70). In 2023 was het aantal niet-ontvankelijkverklaarde verzoeken een stuk hoger. In de bijna 188.000 behandeldestrafzaken werden in totaal 188 wrakingsverzoeken ingediend. Daarvanwerden 34 verzoeken niet-ontvankelijk verklaard (zie het jaarverslag vande Raad voor de rechtspraak 2023, p. 66–67). Hoeveel van die wrakings-verzoeken als «oneigenlijk» kunnen worden bestempeld is niet duidelijk,maar het gaat naar schatting maximaal om enkele tientallen zaken.Het wordt onwenselijk geacht om het (herhaaldelijk) indienen vanoneigenlijke wrakingsverzoeken zelfstandig strafbaar te stellen. Het rechtop een onpartijdige rechter vormt een van de kernwaarden van onsrechtsstelsel. Het belang dat wordt gehecht aan de onpartijdigheid van derechter wordt onderstreept door de vastlegging van dit recht in deartikelen 6 EVRM, 47 EU-handvest en 14 IVBPR. Een verdachte moet altijdde mogelijkheid hebben om te verzoeken een rechter te vervangen indienhij meent dat die betreffende rechter vooringenomen is, zonder belemme-ringen op te werpen bij het doen van een dergelijk verzoek. In geval vanmisbruik van de wrakingsregeling kan de rechter nu al bepalen dat eenvolgend wrakingsverzoek helemaal niet zal worden behandeld, tenzijnieuwe feiten of omstandigheden worden aangedragen. Op die manierworden oneigenlijke wrakingsverzoeken ook beteugeld.In het wetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnendecriminaliteit II (Kamerstukken II 2023/24, 36 463, nr. 2) wordt bovendienvoorgesteld de mogelijkheid op te nemen van een vereenvoudigde enversnelde behandeling van wrakingsverzoeken die kennelijk ongegrondzijn. De mogelijkheid van behandeling zonder zitting bij kennelijkeongegrondheid kan tijdwinst opleveren en organisatorische problemenvoorkomen in die gevallen waarin het evident is dat het wrakingsverzoekniet zal worden gehonoreerd, omdat op voorhand duidelijk is dat het doorde verzoeker aangevoerde niet de conclusie kan dragen dat sprake is vaneen wettelijke grond voor wraking. In de praktijk bestaat geen behoefteaan verdere uitbreiding van het wettelijk instrumentarium om het aantal(oneigenlijke) wrakingsverzoeken tegen te gaan. Overigens zullen dewijzigingen in de wrakingsregeling die zijn voorgesteld in hetwetsvoorstel versterking strafrechtelijke aanpak ondermijnende crimina-liteit II nadat dat wetsvoorstel tot wet is verheven, via een aanvullingswetin het nieuwe wetboek worden verwerkt.2.2 Prejudiciële vragen aan de Hoge Raad (732) De rapporteurs vragen welke overwegingen ten grondslag liggenaan de keuze om het nemen van een prejudiciële beslissing door destrafkamer niet aan een in het Wetboek voorziene termijn te verbinden.Zulks wellicht naar het voorbeeld van de termijnstelling voor de beslissingvan de Hoge Raad in art. 552d lid 3 Sv (90 dagen).732. Met de introductie van de mogelijkheid om prejudiciële vragen testellen aan de Hoge Raad is beoogd dat de feitenrechter binnen kortetermijn het antwoord krijgt dat nodig is om in de bij hem voorliggendezaak de (juiste) beslissing te nemen. Deze doelstelling kan alleen wordenbehaald indien de prejudiciële vraag voortvarend wordt beantwoord. Omdie reden bevat de regeling een aantal elementen die beogen devoortgang van de procedure te bevorderen. Zo zal de rechter dievoornemens is een vraag te stellen bij zijn afweging eventuele nadelendaarvan moeten betrekken, die met name liggen in de verlenging van deprocedure. Daarbij speelt het belang om de strafzaak binnen redelijketermijn voortvarend te behandelen een belangrijke rol. Dit zal met nameTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11504 een zorgvuldige afweging vergen wanneer de verdachte zich invoorlopige hechtenis bevindt op het moment van het stellen van de vraag.De verdachte die voorafgaand aan het stellen van de vraag in degelegenheid wordt gesteld om daarover een standpunt in te nemen(artikel 6.2.10, tweede lid), kan naar voren brengen dat hij het stellen vaneen vraag niet wenselijk acht omdat dit tot onevenredige vertraging in hetstrafproces leidt terwijl hij zich in voorlopige hechtenis bevindt. Het is ineerste instantie aan de rechter die voornemens is een vraag te stellen omdeze afweging te maken. Uiteindelijk is het evenwel aan de Hoge Raad omte beslissen of inderdaad sprake is van een rechtsvraag die beantwoordmoet worden. De regeling laat de nodige ruimte aan de Hoge Raad omzelf te beoordelen of en in hoeverre beantwoording van een vraag in eengegeven situatie wenselijk is, mede gelet op de beperkte capaciteit envooral indien een aanzienlijk aantal vragen zou worden gesteld.De beslissing van de rechter waarbij de prejudiciële vraag wordt gesteldwordt door de griffier «zo spoedig mogelijk» ter kennis van de Hoge Raadgebracht (artikel 6.2.10, vierde lid). De Hoge Raad bepaalt vervolgensbinnen welke termijn de procespartijen en eventueel derden opmerkingenkunnen maken en de stukken aan de Hoge Raad moeten worden verstrekt(artikel 6.2.11, tweede en vijfde lid). Dit geeft vrij ruime mogelijkheden aande Hoge Raad om het proces in te richten op snelle beantwoording van deprejudiciële vraag. De Hoge Raad kan waar nodig korte termijnenhanteren, bijvoorbeeld in gevallen waarin het nodig is om de prejudiciëlevraag met spoed te beantwoorden. Dit laatste is voorstelbaar wanneer deverdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, het strafproces al geruimetijd loopt en de grenzen van berechting binnen een redelijke termijn inzicht komen. Op grond van het procesreglement van de Hoge Raad ziet deHoge Raad erop toe dat de procedure met voortvarendheid wordtgevoerd. In dat procesreglement is de termijn voor het indienen vanschriftelijke opmerkingen door de procespartijen gesteld op 30 dagen ende termijn om schriftelijke opmerkingen te maken bij de conclusie van deprocureur-generaal op 14 dagen. De griffier van de Hoge Raad stelt derechter die de vraag heeft gesteld en de procespartijen zo spoedigmogelijk in kennis van de beslissing van de Hoge Raad en van deconclusie van de procureur-generaal (zie de memorie van toelichting bijartikel 6.2.12, vierde lid).De hierboven aangeduide elementen van de wettelijke regeling en van hetprocesreglement van de Hoge Raad dragen bij aan het beperken vanvertraging van de strafzaak in gevallen waarin een prejudiciële vraagwordt gesteld of overwogen. Voor het – daarnaast – vastleggen van eenwettelijke termijn waarbinnen de prejudiciële vraag door de Hoge Raadmoet zijn beantwoord is niet gekozen. Deze keuze berust op de volgendeoverwegingen. Dat een snelle procedure gewenst is, gelet op de aard vanhet strafproces en het belang van berechting binnen een redelijke termijn,wordt zonder meer onderschreven. Als uitgangspunt kan gelden datbinnen een termijn van zes maanden – en waar mogelijk korter – eenantwoord van de Hoge Raad op de prejudiciële vraag wordt verkregen.Gelet op de positieve ervaringen met de prejudiciële procedure in hetciviele recht is de verwachting dat een dergelijke doorlooptijd ook instrafzaken haalbaar zal zijn. De genoemde termijn is ingegeven door detijd die nodig is voor de verschillende stappen binnen de prejudiciëleprocedure (het verstrekken van de vraag aan de Hoge Raad, demogelijkheid voor de procespartijen en eventueel derden om opmer-kingen te maken, het nemen van conclusie door de procureur-generaal, demogelijkheid voor de procespartijen om te reageren op de opmerkingenvan de andere procespartij en derden en op de conclusie, de beslissingvan de Hoge Raad). Een kortere termijn dan zes maanden zou dan ook niethaalbaar zijn volgens de meeste experts en professionals die werdengeraadpleegd in het kader van het onderzoek dat in opdracht van hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11505 WODC werd verricht met het oog op een mogelijke invoering van eenprejudiciële procedure in het strafrecht. Een zorgvuldige procedure kostnu eenmaal tijd en zou volgens de respondenten niet aan een vastewettelijke termijn moeten worden gebonden (I. Giesen e.a., De Wetprejudiciële vragen aan de Hoge Raad, Den Haag: Boom juridisch 2016,p. 288, p. 302 en p. 352). De termijn waarbinnen prejudiciële vragen in eenconcrete zaak beantwoord kunnen en moeten worden zal in belangrijkemate afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden van het geval.Daarbij kan worden gedacht aan de omvang en complexiteit van debetreffende strafzaak en van de gestelde vragen, de omstandigheid dat deverdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt en de mogelijkheid datderden in de gelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken.Overigens hoeft het stellen van een prejudiciële vraag niet in alle gevallentot (extra) vertraging te leiden, bijvoorbeeld in grote zaken waarin toch aleen regiezitting en een verwijzing naar de rechter-commissaris plaats-vinden en waarin sprake is van veel onderzoekswensen. De prejudiciëleprocedure kan dan parallel lopen aan het nader onderzoek dat nog in dezaak moet worden verricht.Tot slot kan worden opgemerkt dat binnen het landelijke pilotprojectinzake de prejudiciële procedure op basis van de Innovatiewet Strafvor-dering (zie het antwoord op vraag 740) onder meer de snelheid van debeantwoording van de gestelde rechtsvragen wordt onderzocht. Op basisvan de evaluatie van dit pilotproject kan worden bepaald of de wettelijkeregeling op dit punt eventueel bijstelling of aanvulling behoeft. Het wordtniet aangewezen geacht om op dit moment al vooruit te lopen op deuitkomsten van de bedoelde evaluatie. Deze uitkomsten zullen indien zijdaartoe aanleiding geven via de tweede aanvullingswet in het nieuweWetboek van Strafvordering worden verwerkt.(733) Valt in het bijzonder het te overwegen om het nemen van eenprejudiciële beslissing in elk geval aan een termijn te verbinden, in degevallen waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt?733. In het antwoord op vraag 732 is aangegeven dat de omstandigheiddat de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt in een concreetgeval voor de feitenrechter een reden kan zijn om af te zien van het stellenvan een prejudiciële vraag. In aanvulling daarop wordt opgemerkt dat hetstellen van een prejudiciële vraag als zodanig vanzelfsprekend geen grondvoor voortzetting van de voorlopige hechtenis oplevert. Dat betekent datde verdachte de mogelijkheid heeft en behoudt om te verzoeken omschorsing van de voorlopige hechtenis, indien het stellen van eenprejudiciële vraag tot substantiële vertraging in de strafzaak leidt. Ook kanom opheffing van de voorlopige hechtenis worden verzocht, wanneer alsgevolg van het stellen van de prejudiciële vraag het anticipatiegebod vanartikel 2.5.30 in beeld zou komen. De wettelijke regeling bevat kortomadequate voorzieningen om te voorkomen dat (de tenuitvoerlegging van)de voorlopige hechtenis van de verdachte als gevolg van het stellen vaneen prejudiciële vraag langer voortduurt dan noodzakelijk en gerecht-vaardigd is. In het antwoord op vraag 732 is uiteengezet dat en waaromhet op dit moment niet aangewezen wordt geacht om (daarnaast) tevoorzien in het vastleggen van een wettelijke termijn.(734) De rapporteurs vragen of de mogelijkheid tot het maken vanopmerkingen van derden aan nadere eisen dient te worden gebonden,zoals de eis dat de derden indirect belang bij de beantwoording van deprejudiciële vragen moet hebben.734. De Hoge Raad kan bepalen dat – naast het openbaar ministerie en deraadsman of advocaat van de betrokken procespartij – ook derden in degelegenheid worden gesteld om opmerkingen te maken. Derden kunnenin dat geval alleen opmerkingen maken door tussenkomst van eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11506 advocaat en binnen een daartoe te bepalen termijn. De aankondiginghiervan vindt plaats op een door de Hoge Raad te bepalen wijze(artikel 6.2.11, tweede lid). In het procesreglement van de Hoge Raad isbepaald dat uitnodiging geschiedt door de griffier bij gewone brief, metafschrift aan de procespartijen. Indien de Hoge Raad een openbare oproeptot het maken van schriftelijke opmerkingen nodig oordeelt, beveelt hij depublicatie op de website van de Hoge Raad van de prejudiciële vraag envan de termijn waarbinnen opmerkingen door tussenkomst van eenadvocaat kunnen worden ingediend. Ook kunnen derden, eveneens doortussenkomst van een advocaat, de Hoge Raad verzoeken om in degelegenheid te worden gesteld schriftelijke opmerkingen te maken. Ditverzoek moet worden gemotiveerd en moet worden gedaan binnen vierweken na de mededeling op de website van de ontvangst van deprejudiciële vraag. De bedoelde brief van de griffier en de openbareoproep vermelden op welke wijze en binnen welke termijn de schriftelijkeopmerkingen kunnen worden ingediend. Schriftelijke opmerkingen dieniet binnen de gestelde termijn of door een advocaat zijn ingediendworden terzijde gelegd.Uit het voorgaande blijkt dat de mogelijkheid tot het maken van schrifte-lijke opmerkingen door derden in de wettelijke regeling en in hetprocesreglement van de Hoge Raad aan strikte eisen is gebonden. Tot dieeisen behoort niet dat de derde een direct of indirect belang moet hebbenbij de beantwoording van de prejudiciële vraag. Een dergelijkevoorwaarde wordt niet noodzakelijk geacht in het licht van de bestaandebeperkingen. Zo’n eis komt bovendien niet passend voor met het oog opde functie die de inbreng van derden kan vervullen binnen de prejudiciëleprocedure, namelijk het beter informeren van de Hoge Raad over dejuridische en maatschappelijke context waarbinnen de rechtsvraag speelt.Die functie staat los van het belang dat deze derden hebben bij beant-woording van de prejudiciële vraag. Wel ligt enige mate van betrok-kenheid bij of deskundigheid ten aanzien van het onderwerp in de rede.Zo is het denkbaar dat de KNMG als derde wordt toegelaten bij debeoordeling van de reikwijdte van het medisch beroepsgeheim en onderwelke omstandigheden dit doorbroken wordt. De beoordeling of hetwenselijk is ook bepaalde derden in de gelegenheid te stellen opmer-kingen in te dienen, kan aan de Hoge Raad worden gelaten. De formu-lering van artikel 6.2.11, tweede lid, geeft de Hoge Raad de nodige ruimteom een afweging te maken onder welke omstandigheden dit passend is.Tot slot is nog van belang dat de Hoge Raad in zijn beslissing niet expliciethoeft te responderen op de ingekomen opmerkingen. Ook hoeven deprocespartijen geen gelegenheid te krijgen om op de opmerkingen vanderden te reageren (vgl. ook I. Giesen e.a., De Wet prejudiciële vragen aande Hoge Raad, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 349–351). Al met albevat de wettelijke regeling adequate voorzieningen om te voorkomen dat(extra) vertraging in de prejudiciële procedure ontstaat als gevolg van demogelijkheid om bepaalde derden gelegenheid te geven om inbreng televeren.(735) De rapporteurs vragen of de mogelijkheid voor de Hoge Raad om devraag te herformuleren geen uitdrukkelijke wettelijke regeling behoeft,zoals de wetgever voor de regeling in het Wetboek van BurgerlijkeRechtsvordering (BRv) en de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR)wel meende. Is een wettelijke voorziening nodig om de Hoge Raad debevoegdheid te geven aan de vragenstellende rechter nadere informatieof inlichtingen te vragen?735. De Hoge Raad heeft de mogelijkheid om desgewenst de door defeitenrechter gestelde prejudiciële vraag te herformuleren. Dat kanbijvoorbeeld aan de orde zijn als de procespartijen opmerkingen hebbengemaakt over de formulering van de gestelde vragen. Het is niet nodig ditTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11507 in de wet te expliciteren. De prejudiciële vraag blijft de grondslag voor dedoor de Hoge Raad te nemen beslissing, zij het dat de Hoge Raad nietstrikt gebonden is aan de bewoordingen van de voorgelegde vraag (vgl.ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 3.5). Daarbij is van belang dat de herformuleringniet tot een wijziging van meer dan ondergeschikte betekenis mag leiden,aangezien de procespartijen anders de gelegenheid zou wordenontnomen om een standpunt in te nemen over de inhoud van de vraag(vgl. artikel 6.2.10, tweede lid). Binnen deze beperkingen behoeft demogelijkheid van herformulering geen uitdrukkelijke wettelijke grondslag.De strafrechtelijke prejudiciële procedure verschilt in dit opzicht van die inhet civiele recht, waar is bepaald dat de partijen in de gelegenheid moetenworden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken over de herformu-lering, tenzij deze van ondergeschikte betekenis is (artikel 393, zevende lid,van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 3.3.14.1 vanhet procesreglement van de Hoge Raad). Bij die ruimere bevoegdheid totherformulering is een expliciete wettelijke regeling – inclusief eenmogelijkheid voor de procespartijen om op die herformulering tereageren – wel passend. Indien uit de evaluatie van de prejudiciëleprocedure in de Innovatiewet Strafvordering (zie het antwoord op vraag740) zou blijken dat er behoefte bestaat aan een ruimere bevoegdheid totherformulering van de gestelde vraag, kan daar via de tweede aanvul-lingswet alsnog in worden voorzien.De procureur-generaal en de Hoge Raad kunnen het gerecht dat eenprejudiciële vraag heeft gesteld in elke stand van het geding verzoekenom onverwijlde toezending van afschriften van aanvullende stukken of omnadere inlichtingen (artikel 4.4.4.1 van het procesreglement van de HogeRaad). Zo kan de rechter bijvoorbeeld worden gevraagd nadere informatienaar voren te brengen over het zaaksoverstijgende belang van de gesteldevraag. In algemene zin bepaalt artikel 83 van Wet op de rechterlijkeorganisatie dat de rechtbanken en de gerechtshoven inlichtingen gevenwanneer die door de Hoge Raad voor de behandeling van een zaaknoodzakelijk worden geacht. Het is niet nodig om deze mogelijkheiddaarnaast ook specifiek voor de prejudiciële procedure expliciet in hetWetboek van Strafvordering op te nemen. In de civielrechtelijke prejudi-ciële procedure is dit evenmin uitdrukkelijk geregeld, terwijl diemogelijkheid volgens het procesreglement ook in dat verband wel degelijkbestaat (zie artikel 3.3.5.1). Van deze bevoegdheid wordt in de praktijkoverigens zelden gebruik gemaakt (I. Giesen e.a., De Wet prejudiciëlevragen aan de Hoge Raad, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 117–119 enp. 349).(736) De rapporteurs vragen waarom in het strafprocesrecht de beslissingvan de rechter «zo spoedig mogelijk» (art. 6.2.10) ter kennis van de HogeRaad wordt gebracht, terwijl zulks op grond van art. 27ga lid 4 AWR resp.art. 392 lid 4 BRv «onverwijld» gebeurt. Welke van beide varianten issneller?736. De beslissing van de rechter waarbij de prejudiciële vraag wordtgesteld wordt door de griffier «zo spoedig mogelijk» ter kennis van deHoge Raad gebracht (artikel 6.2.10, vierde lid). Deze eis beoogt eenvoortvarende procedure te bevorderen en onnodige vertraging tevoorkomen (zie ook het antwoord op vraag 732). De term «onverwijld»wordt in het nieuwe wetboek niet meer gehanteerd. In plaats daarvanwordt het begrip «direct» gebruikt om aan te geven dat onmiddellijk enzonder onnodig uitstel moet worden gehandeld. Daarnaast wordt in hetnieuwe wetboek ook de term «zo spoedig mogelijk» gebruikt. «Direct» issneller dan «zo spoedig mogelijk»; die laatste term laat iets meer ruimtevoor enig uitstel. Artikel 6.2.10, vierde lid, stelt in die zin dus een ietsminder hoge eis dan de tegenhangers van die bepaling in de civielrechte-lijke en de fiscaalrechtelijke procedure, die spreken over het «onverwijld»Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11508 zenden van een afschrift van de beslissing aan de Hoge Raad (artikel 392,vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, enartikel 27ga, vierde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Deformulering van het artikellid zal daarom worden gewijzigd, waarbij determ «zo spoedig mogelijk» zal worden vervangen door «direct».Vanwege de samenhang met eventuele andere aanpassingen van deprejudiciële procedure naar aanleiding van de evaluatie van de Innova-tiewet Strafvordering, zal deze wijziging worden opgenomen in de tweedeaanvullingswet (zie ook het antwoord op vraag 740).(737) De rapporteurs vragen of de algemene opmerkingen van de HogeRaad in zijn beslissing van 13 juni 2023 nog aanleiding geven tot naderebijstelling van de voorgestelde regeling. Kan in het bijzonder naderworden aangegeven waar de grens ligt tussen zuivere rechtsvragen engemengde rechtsvragen welke zich veel minder lenen voor een prejudi-ciële beslissing (arrest onder 3.3.2 en CAG onder 3.3.2–3.3.9)?737. In zijn beslissing van 13 juni 2023 – de eerste prejudiciële beslissingvan de strafkamer van de Hoge Raad na de inwerkingtreding van deInnovatiewet Strafvordering – maakt de Hoge Raad een aantal inleidendeopmerkingen over de nieuwe prejudiciële procedure(ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 3.2–3.7). Deze opmerkingen zien onder meer opde eisen die moeten worden gesteld aan een prejudiciële vraag, de wijzewaarop de relevante feitelijke en juridische context moet wordenomschreven in de beslissing waarbij de vraag wordt gesteld, de gevallenwaarin de Hoge Raad kan afzien van de beantwoording van de gesteldevraag en de consequenties die het stellen van de prejudiciële vraag heeftvoor de voortgang van de betreffende procedure. Met deze opmerkingenverduidelijkt de Hoge Raad op welke wijze binnen de kaders van de recenttot stand gekomen wettelijke regeling invulling moet worden gegeven aande prejudiciële procedure. Tot een bijstelling van de geldende en devoorgestelde wettelijke regeling geven deze opmerkingen geenaanleiding.Over het onderscheid tussen zuivere rechtsvragen en gemengderechtsvragen merkt de Hoge Raad het volgende op (zie r.o. 3.3.2). Eenprejudiciële vraag is in beginsel een «zuivere rechtsvraag». Mede gelet ophet doel van de prejudiciële procedure in strafzaken – het gaat om hetverkrijgen van duidelijkheid over zaaksoverstijgende kwesties – kandaarbij worden gedacht aan een vraag die van algemene strekking is en(dus) kan worden geabstraheerd van de omstandigheden van het geval.Het kan bijvoorbeeld gaan om een oordeel over de afbakening van een ineen delictsomschrijving voorkomend bestanddeel. In de wetsgeschiedenisvan de Innovatiewet Strafvordering is benadrukt dat de rechter terug-houdend moet zijn met het stellen van «gemengde vragen» (waarbij ookfeitelijke elementen een rol spelen). Terughoudendheid is vooral gebodenbij vragen waaraan een (voorlopige) vaststelling van de feiten tengrondslag ligt die verband houden met het daderschap van de verdachte.Dat neemt volgens de Hoge Raad niet weg dat onder een rechtsvraag ookis te verstaan een vraag over een rechtskwestie die van belang is voor hetdoor de rechter te verrichten onderzoek naar de feiten. Ook advocaat-generaal Paridaens gaat in haar conclusies voor de hierboven besprokenprejudiciële beslissing uitgebreid in op de vraag in hoeverre gemengdevragen voor beantwoording in een prejudiciële procedure in strafzaken inaanmerking komen (ECLI:NL:PHR:2023:477 en ECLI:NL:PHR:2023:478, punt3.3).De door de Hoge Raad aangehaalde passage uit de wetsgeschiedenis vande Innovatiewet Strafvordering keert ook terug in de memorie vantoelichting bij het nieuwe wetboek. Hierin is aangegeven dat gelet op deaard van het strafproces en de onschuldpresumptie in het bijzonderterughoudendheid zal moeten worden betracht met het stellen vangemengde rechtsvragen, waarbij ook feitelijke elementen een rol spelen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11509 Met name indien bij de berechting van een verdachte bepaalde feiten alsvaststaand worden aangenomen, kan dit spanning oproepen met hetrecht van de verdachte op een eerlijk proces, omdat de indruk zou kunnenworden gewekt dat de rechter al van bepaalde feiten uitgaat en niet langeronbevooroordeeld is.Tot slot is het onderscheid tussen zuivere en gemengde rechtsvragen ookaan de orde geweest in het kader van het onderzoek dat in opdracht vanhet WODC werd verricht met het oog op een mogelijke invoering van eenprejudiciële procedure in het strafrecht (I. Giesen e.a., De Wet prejudiciëlevragen aan de Hoge Raad, Den Haag: Boom juridisch 2016, p. 300–301 enp. 332–336). In het onderzoeksrapport wordt uiteengezet dat een zuivererechtsvraag een vraag is die alleen van juridische aard is en niet isverweven met de feiten. Het gaat dan om rechtsvragen die kunnenworden beantwoord zonder kennis van de feiten van de onderliggendestrafzaak. Wel moet de Hoge Raad voor de beantwoording van eendergelijke vraag kennis kunnen nemen van de feitelijke context. Eengemengde rechtsvraag bevat naast een zuivere rechtsvraag ook feitelijkeelementen. Dergelijke feitelijke elementen zijn bijvoorbeeld omstandig-heden die de feitenrechter in zijn oordeel zou moeten betrekken bijtoepassing van een rechtsregel die de Hoge Raad als antwoord op derechtsvraag heeft geformuleerd en welke omstandigheden de Hoge Raaddan in zijn antwoord heeft aangeduid.De wetsgeschiedenis, de jurisprudentie en de literatuur geven aldus denodige houvast bij het bepalen van de grens tussen zuivere en gemengderechtsvragen. Voor het overige zal het antwoord op de vraag in hoeverregemengde vragen zich lenen voor beantwoording door de Hoge Raad zichin toekomstige prejudiciële beslissingen verder moet uitkristalliseren.Deze vraag kan niet bij voorbaat en in algemene zin van een sluitendantwoord worden voorzien.(738) De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen het nut van hetkunnen stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad. Het stellenvan zo’n vraag kan echter wel betekenen dat het strafproces in afwachtingvan het antwoord vertraging oploopt. Dat zou dus bijvoorbeeld kunnenbetekenen dat een verdachte langer in voorlopige hechtenis moet blijven.Deelt u de mening dat wanneer een verdachte in voorlopige hechtenis zit,er in ieder geval een wettelijke termijn aan het nemen van een prejudiciëlevraag moet worden gesteld? Zo ja, waar denkt de regering aan? Zo nee,waarom niet?738. Zie de antwoorden op de vragen 732 en 733.(739) De leden van de NSC-fractie constateren dat het nemen van eenprejudiciële beslissing door de strafkamer niet aan een in het Wetboek vanStrafvordering voorziene termijn is verbonden. Zowel de NOvA als deRvdr adviseren om de duur van de prejudiciële procedure nader tebepalen, om te voorkomen dat de redelijke termijn van artikel 6 EuropeesVerdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) wordt overschreden. DeNOvA stelt voor dat binnen 6 maanden en – waar mogelijk – korter eenantwoord van de Hoge Raad wordt verkregen. In gevallen waarin deverdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, stellen zij voor om alstermijn binnen 60 dagen na indiening van de vraag te hanteren. Dezeleden vragen de regering waarom in het nieuwe Wetboek van Strafvor-dering het nemen van een prejudiciële beslissing niet aan een termijn isverbonden. De universiteiten stellen voor om aansluiting te zoeken bij determijnstelling voor de beslissing van de Hoge Raad, te weten 90 dagen.Kan de regering hierop reageren?739. Zie de antwoorden op de vragen 732 en 733.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11510 (740) Deze leden vragen de regering welke invloed de InnovatiewetStrafvordering, die op 1 oktober 2022 in werking is getreden en eind 2024door het WODC zal worden geëvalueerd, hierop heeft.740. De regeling van de mogelijkheid om prejudiciële vragen te stellenaan de Hoge Raad is ook opgenomen in de Innovatiewet Strafvordering,om daarmee vooruitlopend op het nieuwe wetboek ervaring op te doenen op basis van de praktijkervaringen te bezien of de regeling aanpassingbehoeft. Indien die praktijkervaringen daartoe aanleiding geven, kanalsnog worden overwogen om het nemen van een prejudiciële beslissingdoor de Hoge Raad aan een wettelijke termijn te binden. De uitkomstenvan de evaluatie van de Innovatiewet Strafvordering worden eind 2024verwacht. Deze uitkomsten worden aan de Tweede Kamer toegezonden enzullen indien zij daartoe aanleiding geven via de tweede aanvullingswet inhet nieuwe Wetboek van Strafvordering worden verwerkt.(741) De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de regelingomtrent het stellen van prejudiciële vragen aan de Hoge Raad. Deze ledenonderschrijven deze procedure, maar vragen wel aandacht voor hetbewaken van de redelijke termijn in strafprocedures. De Rvdr en NOvAhebben in dit kader geadviseerd om de duur van de prejudiciëleprocedure nader te bepalen. Is de regering het met deze leden en de Rvdren de NOvA eens dat het, om de redelijke termijn te bewaken, belangrijkis om een termijn in de wet op te nemen? Zo nee, hoe kan volgens deregering dan worden bewaakt dat een prejudiciële procedure de redelijketermijn niet in het geding brengt?741. Zie de antwoorden op de vragen 732 en 733.(742) De leden van de SP-fractie constateren dat de mogelijkheid voorprejudiciële vragen in het strafrechtproces die wordt toegevoegd op veelsteun kan rekenen uit het werkveld. Ook deze leden zijn hier erg positiefover gestemd. Zij hebben hiertoe met de motie-Dijkhoff/van Nispen, die isaangenomen in 2014, al eerder een oproep toe gedaan (Kamerstuk34 000 VI, nr. 29). Deze leden zijn daarom verheugd over het feit dat dezemotie nu zal worden uitgevoerd. Wel merken zij op dat de NOvA aanloopttegen de termijn omdat hier nu geen duur voor wordt vastgesteld. Zijdoen de suggestie voor maximaal 6 maanden voordat een reactie van deHoge Raad mag worden verwacht. Kan de regering dit voorstel onder-schrijven? Zo nee, waarom is er niet gekozen voor een vaste termijn vandeze reactie? Is er door het niet vastleggen van een termijn ook niet eenkans op onnodige vertragingen?742. Zie de antwoorden op de vragen 732 en 733.3. Bijzondere procedures 3.1 Beklag met betrekking tot voorwerpen en gegevens (743) De rapporteurs vragen of te overwegen valt de toetsingsmaatstavenper beklagmodaliteit in de wet op te nemen.743. De toetsingsmaatstaven die bij de beoordeling van een klaagschriftmoeten worden toegepast, zijn nauw verbonden met de materiëlevoorwaarden die gelden voor het uitoefenen van de bevoegdheidwaartegen het klaagschrift zich richt, en hangen dus grotendeels daarvanaf. Om de juiste toetsingsmaatstaven te kunnen toepassen zal de rechterdus eerst moeten vaststellen welke bepalingen ten grondslag liggen aande bevoegdheidsuitoefening waarover wordt geklaagd. In de praktijk komthet met enige regelmaat voor dat rechters de maatstaven toepassen diebij een andere bevoegdheid horen. Naar aanleiding van deze proble-matiek is erover nagedacht of een nader uitgeschreven wettelijke regelingwaarin de formele en materiële vragen voor de beoordeling van eenklaagschrift in afzonderlijke artikelen (of artikelleden) worden vastgesteld,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11511 wenselijk is. Gezien de grote hoeveelheid beklagmodaliteiten zou datechter een omvangrijke regeling tot gevolg hebben. Om die reden iservoor gekozen de uit de bevoegdheden volgende toetsingsmaatstavenniet per beklagmodaliteit uit te schrijven. In plaats daarvan zal– aansluitend bij een aanbeveling van de hoogleraar Mevis die inverschillende publicaties terecht heeft gewezen op de noodzaak om destrafrechtspraktijk op het punt van het beklag tegen beslag te verbeteren(DD 2023/59) – bij de implementatie van het nieuwe wetboek wordenbevorderd dat voor de strafrechtspraktijk samenhangend handleidingen,instructies en geautomatiseerde ondersteuningssystemen wordenontwikkeld om de praktische uitvoering van de procedure van het beklagtegen beslag te verbeteren en onder het nieuwe wetboek te verduidelijkenwelke maatstaven de beklagrechter in welke gevallen moet hanteren.Zodoende kan meer dan nu ten aanzien van het huidige wetboek het gevalis inzichtelijk worden gemaakt welke wettelijke bepalingen uit het nieuwewetboek aan de beslissing ten grondslag liggen en wat dus de bijbeho-rende toetsingsmaatstaven zijn. Dit moet de kans op een verkeerdebeoordeling in raadkamer verkleinen. Daarop vooruitlopend zou in destrafrechtspraktijk de op het onderwerp van beklag tegen beslagbetrekking hebbende handreiking van het Landelijk Bureau Vakinhoudrechtspraak beter kunnen worden benut.(744) Valt te overwegen deze maatstaven minder terughoudend te latenzijn dan die uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgen?744. De Hoge Raad heeft met betrekking tot de aard van de raadkamerpro-cedure naar aanleiding van een klaagschrift tegen de inbeslagneming vanvoorwerpen of een bevoegdheidsuitoefening om gegevens verstrekt tekrijgen, ontoegankelijk te maken, enzovoorts bepaald dat deze procedureeen summier karakter draagt. Dit summiere karakter wordt verklaard doorde omstandigheid dat de beslissing die in deze nevenprocedure wordtgenomen een voorlopige beslissing is in afwachting van het nog te gevenoordeel in de strafzaak of ontnemingszaak. Het dossier dat de beklag-rechter tot zijn beschikking heeft om een klaagschrift te beoordelen zalvaak ook niet zo volledig zijn zoals het dossier dat uiteindelijk aan dezittingsrechter in de strafzaak of ontnemingszaak zal worden voorgelegd.Van de beklagrechter kan bij deze omstandigheden niet worden verlangddat hij ten gronde treedt in de mogelijke uitkomst van een (nog te voeren)strafzaak of ontnemingszaak.Het summiere karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking inenkele van de maatstaven die de beklagrechter toepast bij de beoordelingvan een klaagschrift. Daarbij gaat het met name om de toetsingsmaat-staven verbonden met de materiële voorwaarden die gelden voor hetuitoefenen van de bevoegdheid waartegen het klaagschrift is gericht. Zozal de beklagrechter, als bijvoorbeeld beslag is gelegd op een voorwerpmet het oog op de verbeurdverklaring ervan, alleen kunnen toetsen of hetniet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, deverbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen. Anderzijds geldt ook datwanneer de officier van justitie van oordeel is dat geen strafvorderlijkbelang meer wordt gediend bij de voortzetting van het beslag, debeklagrechter hiervan moet uitgaan en bij de beoordeling van hetklaagschrift niet mag treden in de vraag of dat belang aan de teruggave inde weg staat.Het nieuwe wetboek zal geen verandering erin (kunnen) brengen dat debeklagprocedure een voorlopige, nevenprocedure betreft en dat detoetsingsmaatstaven die bij de beoordeling van het klaagschrift wordentoegepast de beperkte aard van deze procedure weerspiegelen. Dit neemtniet weg dat de beklagrechter, naast de beoordeling van het klaagschriftlangs de aan te leggen toetsingsmaatstaven, zal moeten onderzoeken ofTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11512 de voortzetting van het beslag in overeenstemming is met de eisen vanproportionaliteit en subsidiariteit, wanneer door of namens de klager isaangevoerd dat zijn persoonlijke belangen bij bijvoorbeeld de opheffingvan het beslag op een voorwerp zwaarder moeten wegen dan hetstrafvorderlijk belang dat met het voortduren van het beslag wordtnagestreefd.(745) Valt te overwegen dat een beslissing van de raadkamer uitgebreidergemotiveerd moet worden als een klager een goed onderbouwdstandpunt inneemt?745. De beklagprocedure is een raadkamerprocedure en daarvoor geldt deregeling in de artikelen 1.2.12 tot en met 1.2.24. Uit artikel 1.2.23, tweedelid, volgt dat de beslissing die de beklagrechter neemt ten aanzien van eeningediend klaagschrift schriftelijk wordt vastgelegd en moet wordengemotiveerd. Dit motiveringsvereiste is niet in specifieke voorschriftenuitgewerkt, maar ook in dit verband kan het voorschrift dat de rechter totmotivering verplicht is voor zover dat voor de begrijpelijkheid van debeslissing noodzakelijk is, een richtsnoer zijn(Kamerstukken II 2022/23,36 327, nr. 3, p. 125). Bij de beantwoording van de vraag of een beslissingzonder nadere motivering begrijpelijk is, spelen de standpunten dietijdens het onderzoek in raadkamer zijn ingenomen een belangrijke rol. Zozal de beklagrechter, wanneer bijvoorbeeld beklag wordt gedaan tegeneen bevel tot het verstrekken van camerabeelden, op de grond dat deklager niet verplicht is te voldoen aan dat bevel omdat hij zichzelfdaardoor zou blootstellen aan het gevaar van een strafrechtelijkevervolging, in de motivering van zijn beslissing ervan blijk moeten gevente hebben onderzocht of, mede in het licht van wat de klager heeftaangevoerd, al dan niet aannemelijk is dat hij zichzelf blootstelt aan datgevaar door aan het bevel te voldoen (vgl. ECLI:NL:HR:2024:286). Ook hetoordeel van de beklagrechter dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat delater oordelende strafrechter de verbeurdverklaring zal bevelen van deaan de klager toebehorende sieraden die in het kader van een verdenkingvan witwassen tegen de klager onder hem zijn inbeslaggenomen, zalnadere toelichting behoeven indien door of namens de klager in hetklaagschrift of in raadkamer naar voren is gebracht dat deze sieradenerfstukken betreffen (vgl. ECLI:NL:HR:2012:BU2053). De rechter zal in demotivering van die beslissing op zijn minst moeten aangegeven waarom,gezien de materiële voorwaarden die voor het opleggen van de verbeurd-verklaring gelden, het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter inde strafzaak een verbeurdverklaring van die sieraden zal bevelen. Ook bijhet onderzoek naar de vraag of de voortzetting van de bevoegdheidsuitoe-fening, bijvoorbeeld de inbeslagneming van een voorwerp, (nog steeds)in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidia-riteit, zijn de standpunten die door de klager en de officier van justitiedaarover zijn ingenomen van groot belang. Als de klager onderbouwdaanvoert dat zijn persoonlijke belangen bij de opheffing van het beslagzwaarder moeten wegen dan het nagestreefde strafvorderlijk belang bijhet voortduren daarvan, zal de beklagrechter op de beslissing dat hetbeslag moet worden voorgezet een begrijpelijke uitleg moeten geven (vgl.ECLI:NL:HR:2023:128).(746) Valt te overwegen in de wet op te nemen dat een klaagschriftniet-ontvankelijk is als het beslag al is geëindigd of als in de hoofdzaak derechter een last tot teruggave heeft gegeven (ook als deze beslissing nogniet onherroepelijk is)?746. Zoals in het antwoord op vraag 743 is aangegeven, is er bij devormgeving van de beklagregeling in het nieuwe wetboek over nagedachtof een nader uitgeschreven wettelijke regeling waarin de formele enmateriële vragen voor de beoordeling van een klaagschrift in afzonderlijkeartikelen (of artikelleden) worden vastgesteld, wenselijk is. Daaronder valtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11513 de ontvankelijkheidsvraag en daarmee dus ook de vele gronden waaropeen klaagschrift niet-ontvankelijk kan worden verklaard, bijvoorbeeldomdat al een last tot teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aande klager of aan een ander is gegeven, omdat het klaagschrift een verzoektot teruggave van het voorwerp aan iemand anders dan de klager inhoudt(de wet voorziet immers niet in die mogelijkheid) of omdat sprake is vaneen hernieuwd beklag waarin uitsluitend een beroep wordt gedaan opfeiten of omstandigheden waarop de klager in het eerdere klaagschrift ofbij gelegenheid van de behandeling daarvan een beroep heeft gedaan.Er is niet gekozen voor een nader uitgeschreven wettelijke beklagregeling(zie het antwoord op vraag 743). De in de vraagstelling in overweginggegeven mogelijkheid komt erop neer dat de formele en materiële vragenen de daaraan verbonden gronden en maatstaven die van belang zijn voorde beoordeling van een klaagschrift deels in de wet zullen wordenverankerd en deels niet. Dat zou leiden tot een onvolledige wettelijkeregeling die vanuit het oogpunt van consistentie en overzichtelijkheid nietde voorkeur verdient. Het is wenselijker dat in plaats daarvan bij deimplementatie van het nieuwe wetboek wordt bevorderd dat voor derechtspraktijk handleidingen, instructies en geautomatiseerde ondersteu-ningssystemen worden ontwikkeld die de beklagrechter moeten helpen bijde beoordeling van een ingediend klaagschrift.(747) Valt te overwegen in de wet op te nemen dat als het belang vanstrafvordering zich niet meer tegen de gevraagde teruggave verzet, derechter, zonder zelf in een beoordeling van dit laatste punt te treden, ophet klaagschrift dient te beslissen?747. De vraag of het belang van strafvordering zich tegen teruggave vanhet inbeslaggenomen voorwerp verzet, is een van de materiële vragen diede rechter bij de beoordeling van een klaagschrift zal moeten beant-woorden. Daarbij geldt als uitgangspunt dat wanneer de officier vanjustitie van oordeel is dat geen strafvorderlijk belang meer wordt gediendbij de voortzetting van het beslag, de beklagrechter hiervan moet uitgaanen niet mag treden in de beoordeling van de vraag of zijns inziens zodanigbelang wel aan de teruggave in de weg staat. Zoals in het antwoord opvraag 743 is aangegeven, is niet gekozen voor een nader uitgeschrevenwettelijke regeling waarin de formele en materiële vragen voor debeoordeling van een klaagschrift in afzonderlijke artikelen (of artikelleden)worden vastgesteld. Verder is in het antwoord op vraag 746 toegelicht datgedeeltelijke codificatie van de formele en materiële vragen voor debeoordeling van een klaagschrift niet de voorkeur heeft. Het is wenselijkerdat in plaats daarvan bij de implementatie van het nieuwe wetboek wordtbevorderd dat voor de rechtspraktijk handleidingen, instructies engeautomatiseerde ondersteuningssystemen worden ontwikkeld die debeklagrechter moeten helpen bij de beoordeling van een ingediendklaagschrift.(748) Valt te overwegen de termijnen die gesteld worden aan de officiervan justitie en de raadkamer om op een klaagschrift te reageren c.q. opzitting te behandelen, iets te verruimen?748. De termijnen gesteld voor een reactie van de officier van justitie opeen ingediend klaagschrift (twee weken) en voor de aanvang van hetonderzoek op de zitting naar aanleiding van dit klaagschrift (tweemaanden), strekken ertoe een voortvarende beslissing over de noodzaakvan het voortduren van het beslag of het onderzoek van gegevens tebevorderen. De gestelde termijnen en de reden hiervoor worden door deRvdr onderschreven (consultatieadvies Rvdr Boek 6, p. 71). Het OM heeftin zijn advies over de consultatieversie van Boek 6 aangegeven dat eentermijn van twee weken in sommige gevallen te kort kan zijn voor eenreactie, bijvoorbeeld in omvangrijke zaken of in zaken waarin een tot danTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11514 onbekende derde aanspraak maakt op een inbeslaggenomen voorwerp.Dan is nader onderzoek nodig voordat er een adequate reactie kanworden gegeven op het klaagschrift (consultatieadvies OM Boek 6, p. 29).Aan de reactietermijn van twee weken is vastgehouden omdat eenspoedige inhoudelijke beoordeling van het klaagschrift door de officiervan justitie in vooral de doorsnee, relatief eenvoudige beklagzakenwenselijk is. Het gaat erom dat de officier van justitie in die reactieaangeeft wat zijn standpunt is met betrekking tot de voortduring van hetbeslag, de stand van zaken met betrekking tot het onderzoek vangegevens, de ontoegankelijkmaking van gegevens of het bevel tot hetbewaren en beschikbaar houden van gegevens. Daaraan hoeft geengrondige onderbouwing ten grondslag te liggen. In die gevallen is – zekerals de officier van justitie het klaagschrift gegrond acht – een snelleafhandeling van de beklagzaak aangewezen. Dit neemt niet weg dat inmeer omvangrijke of complexe beklagzaken ruimte moet zijn voor eeneventueel verzoek tot uitstel.(749) De leden van de VVD-fractie vragen hoe vaak in de afgelopen10 jaren een beklag over gegevensdragers en de daarop opgeslagengegevens aan een raadkamer is voorgelegd. Daarnaast vragen zij of eeninschatting kan worden gemaakt of dit aantal in de toekomst zaltoenemen, omdat er ook meer digitale-gegevensdragers in beslag wordengenomen.749. De vraag hoe vaak in de afgelopen tien jaar een beklag overgegevensdragers en de daarop opgeslagen gegevens aan een raadkameris voorgelegd, kan niet worden beantwoord, omdat deze informatie nietwordt geregistreerd. Wel is bekend hoeveel klaagschriften aan deraadkamer zijn voorgelegd met betrekking tot strafrechtelijk beslag (alsbedoeld in het huidige artikel 552a), maar daarbij is niet te achterhalenhoe vaak het gaat om beklag over «gegevensdragers en de daaropopgeslagen gegevens».De betrokken organisatie sluiten een toename van het volume aanklaagschriften niet uit, vanwege de verder toenemende digitalisering.(750) De leden van de VVD-fractie vragen of het nog steeds wenselijk kanworden geacht dat een beklagprocedure mogelijk is, wanneer een digitalegegevensdrager in beslag is genomen waarvan in het algemeen wordtaangenomen dat die met het doel is aangeschaft om te communicerenmet criminele doeleinden, zoals PGP-telefoons. Waarom zou de Staat hetmogelijk maken dat een veroordeelde een speciale verzoekprocedure kaninstellen om bepaalde informatie van een inbeslaggenomen PGP-telefoonterug te vorderen? Kan hier niet hetzelfde regime voor worden toegepastals voor illegale voorwerpen, zoals F4-vuurwerk, illegale wapens enharddrugs?750. De inbeslagneming van voorwerpen, waaronder gegevensdragers engeautomatiseerde werken waarop zich mogelijk gegevens bevinden, istoegestaan zolang daarmee een strafvorderlijk belang wordt gediend. Ditbelang kan bijvoorbeeld zijn het aan licht brengen van de waarheidomtrent het strafbaar feit dat is begaan, een latere verbeurdverklaring vanhet voorwerp of een latere onttrekking aan het verkeer van het voorwerp.Voorwerpen zoals illegale vuurwerk, wapens of harddrugs waarvan hetbezit wettelijk verboden is, zijn reeds daarom vatbaar voor onttrekking aanhet verkeer. Het met het oog daarop in beslag nemen en houden van dezevoorwerpen ligt voor de hand. Dat PGP-telefoons veelal worden gebruiktvoor het communiceren met criminele doeleinden, maakt dit voorwerp opzichzelf niet verboden. Het in beslag nemen en houden van zo’n voorwerpzal daarom verband moeten houden met een concrete verdenking van eenstrafbaar feit en een strafvorderlijk belang als hierboven genoemd moetendienen. Indien geen belang van strafvordering meer wordt gediend zalTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11515 teruggave van dit voorwerp moeten volgen, het liefst uit eigen bewegingvan het openbaar ministerie, zo niet naar aanleiding van de uitkomst vaneen beklagprocedure over een daartoe strekkend klaagschrift. Het voert tever dat het openbaar ministerie inbreuk maakt op het eigendomsrecht vanburgers, zonder dat daarmee een strafvorderlijk doel wordt gediend.Is er een strafvorderlijk belang bij het in beslag nemen en houden van eengegevensdrager of geautomatiseerd werk, bijvoorbeeld het belang vanwaarheidsvinding omdat nog onderzoek moet worden gedaan aan datvoorwerp, dan voorziet het nieuwe wetboek in de mogelijkheid om bijklaagschrift een verzoek te doen tot de verstrekking van niet-strafbaregegevens die opgeslagen of aanwezig zijn op die gegevensdrager of datgeautomatiseerd werk. Uit de consultatieadviezen bij Boek 6 blijkt dat hetontbreken van die mogelijkheid als een lacune in de wet wordt ervaren(consultatieadvies OM Boek 6, p. 29–31, consultatieadvies Rvdr Boek 6,p. 71–74 en consultatieadvies NOvA Boek 6, p. 45–54). De mogelijkheidom bij klaagschrift een verzoek te doen tot het verstrekken vanniet-strafbare gegevens wordt nader vormgegeven in de eerste aanvul-lingswet. Er is geen reden waarom hier onderscheid moet wordengemaakt tussen gegevens die zich in een PGP-telefoon of een laptop metversleutelde harde schijf bevinden en gegevens opgeslagen in eensmartphone of op een usb-stick die niet tot matig is beveiligd. Wel is hetzo dat – zoals in de memorie van toelichting op de consultatieversie vande eerste aanvullingswet is uiteengezet – de rechter, wanneer een verzoekwordt gedaan tot de verstrekking van gegevens die opgeslagen ofaanwezig zijn op een inbeslaggenomen gegevensdrager of geautomati-seerd werk, bij de beoordeling van dat verzoek ook rekening dient tehouden met proportionaliteits- en subsidiariteitsaspecten, zoals de(geschatte) technische en personele uitvoerbaarheid voor de betrokkenopsporingsdienst en het daarmee gemoeide tijdbeslag. Ook moet, in diegevallen waarin sprake is van aanwezige strafbare gegevens, wordenmeegewogen of de belanghebbende door zijn wijze van handelen of wijzevan opslag moet worden geacht zelf het risico te hebben aanvaard vanvermenging van strafbare en niet-strafbare gegevens als gevolg waarvande verzochte gegevens niet dan wel slechts op onevenredig arbeidsinten-sieve wijze weer van de strafbare gegevens kunnen worden gescheiden.(751) De leden van de VVD-fractie lezen dat er aanvankelijk in eenconsultatieversie werd gekozen om af te zien van de mogelijkheid vanspecifiek beklag met betrekking tot gegevens te behouden in het nieuweWetboek, maar dat hier na kritiek van de Rvdr en de NOvA toch vanaf isafgezien. Kan de regering een inschatting maken van de gevolgen voor dewerklast voor de politie, het OM en de Rechtspraak? Welke werkdrukver-lichtingen waren mogelijk geweest als de regering het voorstel zoals datwerd voorgesteld in de consultatieversie was gehandhaafd?751. In de consultatieversie van Boek 6 was voorgesteld de beklagmoge-lijkheden met betrekking tot gegevens niet te doen terugkeren in hetnieuwe wetboek. In de memorie van toelichting bij deze consultatieversieis aangegeven dat de uitvoeringsconsequenties die het voorstel voor hetopenbaar ministerie en de rechtspraak heeft, niet in kwantitatieve zinkunnen worden omschreven. Dit komt door het ontbreken van demogelijkheid om in de cijfers van het openbaar ministerie en de recht-spraak een opsplitsing te maken naar het type beslissing waartegen onderhet huidige recht beklag wordt gedaan. Ondanks het ontbreken van demogelijkheid een opsplitsing te maken kan op basis van de ervaringen inde praktijk worden aangenomen dat het grootste deel van de klaag-schriften is ingesteld naar aanleiding van de inbeslagneming vanvoorwerpen. Het vervallen van de beklagmogelijkheden met betrekkingtot gegevens in de consultatie had naar verwachting een beperkte afnamevan de werklast voor het openbaar ministerie en de rechtspraak opkunnen leveren door een vermindering van het aantal klaagschriften. NaTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11516 en op basis van de consultatie is de keuze gemaakt om de mogelijkhedenvan beklag met betrekking tot gegevens toch te behouden. Omgekeerd zalook dit geen significante invloed hebben op de werklast van het openbaarministerie en de rechtspraak.(752) Deze leden lezen dat het voornaamste argument van een aantalgeconsulteerde partijen was dat de Wet politiegegevens onvoldoende eenalternatief biedt. Deze leden merken op dat dit wellicht kan wordenmeegenomen in een traject om de Wet politiegegevens hoe dan ook forsaan te passen. Is de regering bereid te onderzoeken of het meer voordelenbiedt de regeling in de Wet politiegegevens te actualiseren en daarnaalsnog af te zien van een specifieke regeling in afdeling 4.1.2 van Boek 6?752. In de consultatieversie van Boek 6 was voorgesteld de beklagmoge-lijkheden met betrekking tot gegevens niet te doen terugkeren in hetnieuwe wetboek. Het betrof zowel de mogelijkheid van beklag tegen deinbeslagneming, de kennisneming en het gebruik van gegevens, als demogelijkheid van beklag tegen een door de officier van justitie gegevenontsleutelingsbevel, de maatregelen tot ontoegankelijkmaking vangegevens aangetroffen in een geautomatiseerd werk, de opheffing van dedesbetreffende maatregelen of het uitblijven van een last tot zodanigeopheffing. In de consultatieadviezen is op meerdere punten kritiek geuitop dit voorstel, met name in de adviezen van de Rvdr en de NOvA. Diekritiek bestond mede daaruit dat de Wet politiegegevens niet eenafdoende alternatief biedt voor de beklagmogelijkheden met betrekkingtot gegevens, omdat die wet slechts betrekking heeft op gegevensbetreffende natuurlijke personen en niet op gegevens van rechtspersonen,die wet geen mogelijkheid biedt om (bepaalde) gegevens terug te gevenen alleen de persoon op wie de gegevens betrekking hebben een verzoekkan doen tot verbetering of verwijdering van gegevens en niet altijd eenbeslagene, bijv. het administratiekantoor waar de gegevens zijn aange-troffen. De adviezen hebben ertoe geleid dat van het voorstel is afgezien.Het verdient, gezien de aard van de bovengenoemde bevoegdheden metbetrekking tot gegevens, de voorkeur om zowel de uitoefening van diebevoegdheden als de rechtsmiddelen die daartegen kunnen wordenaangewend samenhangend en op elkaar afgestemd in het Wetboek vanStrafvordering te (blijven) normen. In artikel 6.4.5 is daarom demogelijkheid van beklag met betrekking tot gegevens gehandhaafd. Gelethierop is een regeling in de Wet politiegegevens niet aan de orde. Hierkomt bij, zoals in de memorie van toelichting is vermeld, dat van eennieuwe gegevensverwerkingswet, ter vervanging van de Wet politiege-gevens en de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens, geen sprakemeer is omdat voor de realisatie en implementatie daarvan geenfinanciële middelen beschikbaar zijn.3.2 Afzonderlijke rechterlijke beslissing met betrekking tot voorwerpen engegevens (753) De rapporteurs vragen of de regering bereid is te kijken naar hetvoorstel van Mevis om voor gevaarlijke voorwerpen en gegevens eeneenvoudige (bestuursrechtelijke) procedure in het leven te roepen.753. De hoogleraar Mevis, die in verschillende publicaties aandacht heeftgevraagd voor de problemen in de strafrechtspraktijk op het vlak van hetbeklag tegen beslag (zie ook het antwoord op vraag 743), heeft ondermeer ook de mogelijkheid geopperd om de regeling van onttrekking aanhet verkeer van voorwerpen anders op te zetten. Volgens Mevis is eenregeling denkbaar waarbij het openbaar ministerie een (bestuurlijke)beslissing neemt over de vernietiging van evident gevaarlijkevoorwerpen, die daarna in een eenvoudige procedure kan wordenvoorgelegd aan een rechter, misschien wel de bestuursrechter(DD 2023/59, p. 35–36). De voorwaarden voor het onttrekken aan hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11517 verkeer van voorwerpen en de wijze waarop deze maatregel kan wordenopgelegd (namelijk bij rechterlijke uitspraak, bij afzonderlijke rechterlijkebeslissing of bij strafbeschikking) zijn in het Wetboek van Strafrechtgeregeld (zie de artikelen 36b, 36c en 36d). De door Mevis geopperdemogelijkheid van een eenvoudige (bestuursrechtelijke) procedure zouzoals de auteur overigens ook onderkent, een grondige doordenking vande huidige regeling in het Wetboek van Strafrecht vergen en van deverhouding tot de in het Wetboek van Strafvordering te handhavenbeklagregeling met betrekking tot de inbeslagneming van voorwerpenvoor andere doelen dan (evidente gevallen van) onttrekking aan hetverkeer. Een dergelijke doordenking zou het bestek van het project nieuwWetboek van Strafvordering te buiten gaan. Daar komt bij dat niet directduidelijk is dat een dergelijke eenvoudige (bestuursrechtelijke) proceduredaadwerkelijk meerwaarde zou hebben naast de bestaande mogelijk-heden van onttrekking aan het verkeer van voorwerpen bij strafbe-schikking of een afzonderlijke rechterlijke beslissing op vordering van deofficier van justitie, of de mogelijkheid voor de officier van justitie tehandelen met een voorwerp als ware het onttrokken aan het verkeerwanneer van dit voorwerp afstand is gedaan (hetgeen bij inbeslagge-nomen gevaarlijke voorwerpen naar aangenomen mag worden nietzelden gebeurt). Ten slotte is van belang dat noemenswaardige(incidentele en structurele) uitvoeringsconsequenties en kosten kunnenworden verwacht bij de inrichting van een nieuwe bestuursrechtelijkeprocedure, waarvoor dekking zou moeten worden gevonden.3.3 Rechtsmiddelen (754) De rapporteurs vragen of in kan worden gegaan op het voorstel vande Hoge Raad om in geval van beklag, hoger beroep mogelijk te maken inplaats van cassatie, met prejudiciële vragen als achtervang.754. De Hoge Raad heeft in ECLI:NL:HR:2023:128 de vraag opgeworpen ofeen andere inrichting van het huidige stelsel van rechtsmiddelen rond debeklagprocedure niet verkieslijk zou zijn. Hierbij nam de Hoge Raad inaanmerking dat in cassatie geen rekening kan worden gehouden metnieuwe ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan na de behandelingvan het klaagschrift door de feitenrechter, terwijl doorgaans geruime tijdzal zijn gemoeid met de beslissing van de Hoge Raad in de beklagzaak. Tedenken valt volgens de Hoge Raad aan een stelsel waarin de Hoge Raadalleen prejudiciële vragen van de feitenrechter beantwoordt en cassatie-beroepen in het belang van de wet beoordeelt, en waarbij een – al danniet beperkte – mogelijkheid bestaat om hoger beroep in te stellen tegeneen beslissing op beklag met betrekking tot voorwerpen of gegevens. Derechter in hoger beroep zal dan moeten toetsen of de (voorzetting van de)bevoegdheidsuitoefening waarover wordt geklaagd aan de eisen voldoet,rekening houdend met de omstandigheden ten tijde van die toetsing.Er zijn meerdere redenen waarom het openstellen van hoger beroep inplaats van cassatie tegen een beslissing op beklag met betrekking totvoorwerpen of gegevens niet wenselijk is. In de eerste plaats is de rol enhet gezag van de Hoge Raad tot nu toe onmisbaar gebleken voor derechtseenheid en rechtsontwikkeling in beklagzaken. Gewezen wordtbijvoorbeeld op de jurisprudentiële ontwikkelingen in beklagzaken waarinhet verschoningsrecht aan de orde is, met betrekking tot de mogelijkheidvan hernieuwd beklag, de proportionaliteit- en subsidiariteitstoets ofontvankelijkheidskwesties die verband houden met de begrippen «eindezaak», «vervolgde zaak» of «belanghebbende». Het buitengewonerechtsmiddel van cassatie in het belang van de wet en de mogelijkheidvan het stellen van prejudiciële vragen door de feitenrechter zullen nietvolstaan voor het waarborgen van rechtseenheid en de rechtsontwik-keling in beklagzaken. Dit komt door de wijze waarop deze rechtsmiddelenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11518 zijn ingericht. Cassatie in het belang van de wet kan alleen door deprocureur-generaal bij de Hoge Raad worden geïnitieerd als dit naar zijnoordeel nodig is. Bij de prejudiciële procedure is het de feitenrechter diebeslist of en zo ja welke vragen aan de Hoge Raad worden voorgelegd.Bovendien moet er sprake zijn van een rechtsvraag waarop het antwoordnodig is om te beslissen en moet aan het antwoord op de rechtsvraagbijzonder gewicht kunnen worden toegekend, gelet op het met de vraaggemoeide zaaksoverstijgend belang.Ook het rechtsbeschermingsperspectief geeft geen aanleiding om hogerberoep in plaats van cassatie open te stellen. De Hoge Raad heeft in zijnjurisprudentie bepaald dat zolang de bevoegdheidsuitoefening (zoals deinbeslagneming, de ontoegankelijkmaking van gegevens, enzovoort)voortduurt, de mogelijkheid bestaat om daarover opnieuw een klaag-schrift in te dienen. Deze mogelijkheid van hernieuwd beklag biedt klagersvoldoende gelegenheid om naar de recente stand van zaken beoordeeldte krijgen of de geuite klachten over de voortzetting van de bevoegdheids-uitoefening al dan niet gegrond zijn. Hernieuwd beklag is weliswaar nietmogelijk als cassatie is ingesteld tegen een eerder ingediend klaagschriften daarop nog niet onherroepelijk is beslist, maar de klager kan in datgeval verkiezen het cassatieberoep in te trekken als hem er meer aangelegen is dat de feitenrechter, rekening houdend met nieuwe omstandig-heden, het klaagschrift beoordeelt. Deze processuele beperking doet zichmet name voor in die gevallen waarin de klager beroep in cassatie instelttegen een voor hem negatieve beslissing op een eerder ingediendklaagschrift. Bij een cassatieberoep ingesteld door het openbaar minis-terie zal doorgaans sprake zijn een beslissing op het klaagschrift in hetvoordeel van de klager, zodat er voor hem geen aanleiding is om incassatie te gaan of hernieuwd beklag te doen.Tot slot blijft in het nieuwe wetboek gelden dat het gerecht dat de zaakberecht, zal berechten of het laatst heeft berecht, bevoegd is om kennis tenemen van een ingediend klaagschrift. Het gerechtshof zal in eenminderheid van de gevallen dus tevens de eerst bevoegde rechter zijn.Vanuit de Raad voor de rechtspraak en het openbaar ministerie isaangegeven dat veel belang wordt gehecht aan de samenhang tussen debehandeling van het klaagschrift en de berechting van de strafzaak (ofontnemingszaak). Vanuit die gedachte is in het nieuwe wetboek de«concentratie» van de hoofd- en nevenprocedure behouden. De gewenstesamenhang van de beklagprocedure met de strafzaak bemoeilijkt hetopenstellen van hoger beroep tegen een beslissing op beklag metbetrekking tot voorwerpen of gegevens voor strafzaken waarin hogerberoep aanhangig is, omdat bij die keuze de bevoegdheid tot kennis-neming in eerste instantie van klaagschriften door gerechtshoven in hethuidige artikel 552a zou moeten komen te vervallen.4. Bevoegdheden van bijzondere aard 4.1 Gedragsaanwijzing ter beëindiging van ernstige overlast (755) De leden van de VVD-fractie merken op dat (zeer ernstige)woonoverlast in omvang de afgelopen jaren is toegenomen. In dat lichtzijn er weliswaar de nodige initiatieven ondernomen (bijvoorbeeld met deinwerkingtreding van de Wet aanpakken woonoverlast), maar deze ledenvernemen graag waarom in het kader van het nieuwe Wetboek vanStrafvordering het voorgestelde artikel 6.5.1 inhoudelijk gelijk is geblevenmet het huidige artikel 509hh Sv.755. Het klopt dat artikel 6.5.1 inhoudelijk gelijk is aan het huidigeartikel 509hh. De evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbal-vandalisme en ernstige overlast heeft geen aanleiding gegeven tot eenwijziging van dit artikel (vgl. Kamerstukken II 2020/21, 25 232, nr. 68, p. 2,Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11519 H. Winter e.a., Eindrapport evaluatie Wet maatregelen bestrijdingvoetbalvandalisme en ernstige overlast, Rijksuniversiteit Groningen: ProFacto 2021 en de daarop gegeven beleidsreactie in Kamerstukken II2020/21, 25 232, nr. 69, p. 4–5). Wel zal in de eerste aanvullingswet erinworden voorzien dat een recente, hieronder in het antwoord nog tebespreken, inhoudelijke wijziging van het huidige artikel 509hh wordtverwerkt in het nieuwe wetboek. Deze wijziging volgt uit de Wet aanpakdierenmishandeling en dierverwaarlozing (Stb. 2023, 242).Op grond van het huidige kader kan al strafrechtelijk worden gehandhaafdbij overlastfeiten die strafbaar zijn gesteld in het Wetboek van Strafrechtof in bijzondere wetten. Bijvoorbeeld rumoer of burengerucht waardoorde nachtrust kan worden verstoord (artikel 431 van het Wetboek vanStrafrecht). Als de gedragingen die woonoverlast veroorzaken tevensstrafbaar zijn, is het aan het openbaar ministerie om te beslissen of hetovergaat tot vervolging. In afwachting van een rechterlijke beslissing kande officier van justitie aan de verdachte een gedragsaanwijzing op grondvan artikel 6.5.1 ter beëindiging van ernstige overlast geven. Dit kaninhouden een gebiedsverbod, een contactverbod, een meldplicht, eenbegeleidingsverplichting of (sinds 1 januari 2024, zie Stb. 2023, 242) eenverbod om dieren te houden. Deze gedragsaanwijzing kan wordengegeven ten aanzien van een verdachte tegen wie ernstige bezwarenbestaan in geval van verdenking van een strafbaar feit waardoor deopenbare orde ernstig is verstoord, dat ernstig belastend is voorpersonen, dan wel dat herhaald gevaar voor goederen of de gezondheidof het welzijn van dieren oplevert. Het kan gaan om strafbare feiten diedoor hun aard reeds een ernstige verstoring van de openbare ordeinhouden, maar ook om strafbare feiten die op zichzelf niet een dusdanigeverstoring inhouden, maar door hun samenhang met andere strafbarefeiten of de wijze waarop ze zijn gepleegd, wel een ernstige verstoringinhouden. Het kan bijvoorbeeld gaan om overtreding van de Algemeneplaatselijke verordening ter zake van overlast gevend gedrag insamenhang met vernieling, bedreiging of (dreigende) escalatie in de vormvan geweld tegen personen of goederen (Kamerstukken II 2007/08, 31 467,nr. 3, p. 22). In het kader van woonoverlast kan worden gedacht aan eenuit de hand gelopen burenruzie. Indien aan de toepassingsvereisten wordtvoldaan, kan dus ook bij de aanpak van (zeer ernstige) woonoverlast degedragsaanwijzing op grond van artikel 6.5.1 al worden benut.Niet alle gedragingen die woonoverlast veroorzaken, zijn strafbare feitenwaarvoor een gedragsaanwijzing op grond van artikel 6.5.1 zou kunnenworden gegeven. Woonoverlast bestaat vaak ook uit relatief kleinevergrijpen. In die gevallen biedt het bestuursrecht diverse mogelijkhedenom op te treden tegen woonoverlast (bijvoorbeeld inderdaad zoals in devraagstelling aangegeven op basis van de Wet aanpak woonoverlast(artikel 151d van de Gemeentewet)). Daarnaast heeft de burgemeestersluitingsbevoegdheden bij drugshandel (artikel 13b van de Opiumwet) enbij ernstige verstoring van de openbare orde (artikel 174a van deGemeentewet). Ook tegen die achtergrond is niet gebleken van eennoodzaak artikel 6.5.1 anders vorm te geven dan het huidige artikel 509hh.Daarbij moet ook worden aangetekend dat het huisrecht grondwettelijkeen mensenrechtelijke bescherming geniet en dat een verdergaandewettelijke beperking daarvan dan thans het geval is, uitdrukkelijk zoumoeten kunnen worden gemotiveerd en altijd proportioneel moet zijn.(756) Is er nagedacht over verbeteringen van de uitoefening van dezebevoegdheid door de officier van justitie? Is daar met de politie en het OMcontact over geweest? Zo nee, is de regering bereid om hierover contactop te nemen?756. Zie antwoord op vraag 757.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11520 (757) Deze leden vragen ook hoe vaak de bevoegdheid van de officier vanjustitie in het huidige artikel 509hh de afgelopen 5 jaren is ingezet en watals de belangrijkste knelpunten in de praktijk worden gezien bij detoepassing van deze bevoegdheid.757. De vraag hoe vaak de bevoegdheid van de officier van justitie in hethuidige artikel 509hh de afgelopen vijf jaar is ingezet, kan het openbaarministerie niet beantwoorden wegens het ontbreken van management-informatie hierover.In 2021 is de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstigeoverlast (Wet MBVEO) geëvalueerd, in opdracht van het WODC. In dezeevaluatie geven de officieren van justitie over de bevoegdheid tot hetopleggen van gedragsaanwijzingen (het huidige artikel 509hh) in hetkader van voetbalvandalisme aan deze bevoegdheid te ervaren als eenwaardevolle aanvulling op de rest van het strafrechtelijke repertoire. Zijervaren geen knelpunten in de toepassing van dit instrumentarium.Ook in het kader van de afstemming met de politie en het openbaarministerie over het nieuwe Boek 6 zijn geen signalen naar voren gekomenwaaruit bleek dat artikel 6.5.1 anders moet worden vormgegeven. Beideorganisaties maken deel uit van een werkgroep die alle voorstellen metbetrekking tot het nieuwe wetboek beoordeelt op de (wetssystematische)inhoud en de uitvoeringsconsequenties. Bij die gelegenheid makeneventuele verbeteringen vanzelfsprekend telkens onderdeel uit van hetgesprek. Bij die afstemming is evenmin gebleken van een noodzaak omartikel 6.5.1 anders vorm te geven dan het huidige artikel 509hh.(758) Vindt er ook afstemming plaats in lokale driehoeken om bijvoor-beeld samenloop tussen de gedragsaanwijzing en de bevoegdheid zoalsgeïntroduceerd met de Wet aanpak woonoverlast zoals die geldt per 1 juli2017 en laatstelijk in 2021 is gewijzigd?758. In de lokale driehoeken vindt inderdaad afstemming plaats overonder meer ernstige lokale problematiek rondom openbare orde,veiligheid en criminaliteit. In de lokale driehoeken vindt ook afstemmingplaats over door het lokaal bestuur, de politie en het openbaar ministeriete nemen maatregelen.4.2 Bevoegdheden bij het ontruimen van een gekraakt pand (759) De leden van de VVD-fractie vragen naar een nadere bevestiging vanhet volgende. Klopt het dat geen enkele inhoudelijke wijziging is beoogdin titel 5.2 van Boek 6 ten opzichte van de Wet handhaving kraakverbod?Deze leden wijzen erop dat deze wet ten tijde van de indiening van hetnieuwe Wetboek van Strafvordering nog niet eens één jaar in werkingwas. Kan nader worden toegelicht of desondanks toch al inhoudelijkewijzigingen van deze titel worden voorgesteld, en zo ja, waarom?759. Het klopt dat de inhoud van het huidige artikel 551a inhoudelijkongewijzigd is overgenomen in de artikelen 6.5.2, 6.5.3 en 6.5.4 (Boek 6,Titel 5.2).Artikel 6.5.2 bevat de bevoegdheid van de officier van justitie om aanopsporingsambtenaren te bevelen krakers te verwijderen uit een pand. Deofficier van justitie heeft daartoe een machtiging van de rechter-commissaris nodig. De artikelen 6.5.3 en 6.5.4 (het zesde lid van hethuidige artikel 551a) zijn opgenomen in de afdeling met rechtsmiddelenen bevatten voorschriften over het beroep dat de officier kan instellentegen de afwijzing van zijn vordering door de rechter-commissaris en overde dadelijke uitvoerbaarheid van zijn bevel, bedoeld in artikel 6.5.2. Inartikel 6.5.2, tweede lid, is artikel 2.1.14 van overeenkomstige toepassingverklaard op de machtiging van de rechter-commissaris. Hiermee wordtTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11521 duidelijkheid verschaft over de mogelijkheid van een mondelingemachtiging van de rechter-commissaris bij dringende noodzaak. Dieduidelijkheid ontbreekt in het huidige artikel 551a en is wel gewenst. Tenaanzien van het bevel van de officier van justitie geldt artikel 2.1.13 endaaruit volgt de mogelijkheid van een mondeling bevel van de officier vanjustitie. In artikel 6.5.2, derde lid, is overeenkomstig de terminologie vanhet nieuwe wetboek voorgeschreven dat de rechter-commissaris binnendrie dagen beslist in plaats van binnen drie maal 24 uur.4.3 Bevoegdheden in geval van aanwijzingen van een terroristischmisdrijf (760) De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan verduide-lijken waarom er nog steeds de wens bestaat een aparte titel in Boek 6 opte nemen voor de toepassing van bevoegdheden in geval van aanwij-zingen van een terroristisch misdrijf. Zouden de bevoegdheden in dezetitel bijvoorbeeld ook kunnen worden ondergebracht in Boek 2?760. Boek 6, Titel 5.4, bevat een drietal bijzondere bevoegdheden diekunnen worden uitgeoefend in geval van aanwijzingen van een terroris-tisch misdrijf. Het gaat om het onderzoek aan voorwerpen (artikel 6.5.6),het onderzoeken van vervoermiddelen (artikel 6.5.7) en het onderzoek aande kleding (artikel 6.5.8). In het huidige wetboek zijn deze bevoegdhedenals bijzondere opsporingsbevoegdheden opgenomen in deartikelen 126zq, 126zr en 126zs van de Vierde Afdeling van Titel VB van hetEerste Boek. In deze titel is de regeling van de bijzondere opsporings-bevoegdheden (hierna ook: BOB) in geval van aanwijzingen van eenterroristisch misdrijf opgenomen.Deze drie bevoegdheden vormen een vreemde eend in de bijt in dehuidige regeling van de bijzondere opsporingsbevoegdheden. Allereerstomdat deze bevoegdheden, anders dan de bijzondere opsporings-bevoegdheden zoals stelselmatige observatie, infiltratie en de telefoontap,een openlijk karakter hebben. Dat wil zeggen; de betrokkene weet dat debevoegdheden als onderzoeken aan voorwerpen en kleding tegen hemworden uitgeoefend. Dat is niet het geval bij de overige bijzondereopsporingsbevoegdheden.Daarnaast zijn deze drie bevoegdheden niet als bijzondere opsporings-bevoegdheid opgenomen in de andere twee titels van de huidigeBOB-regeling. De titels IVA (bijzondere opsporingsbevoegdheden in gevalvan een verdenking van een misdrijf) en V (bijzondere opsporings-bevoegdheden in geval van een vermoeden dat in een georganiseerdverband ernstige misdrijven worden beraamd of gepleegd) bevatten dezedrie bevoegdheden niet. Deze drie bijzondere opsporingsbevoegdhedenkunnen in de huidige BOB-regeling dus alleen in geval van aanwijzingenvan een terroristisch misdrijf worden uitgeoefend.Mede naar aanleiding van bovenstaande is er voor gekozen om deze driebevoegdheden niet op te nemen in Boek 2 maar in Boek 6, Hoofdstuk 5(Bijzondere regelingen, bevoegdheden van bijzondere aard).De overige bijzondere opsporingsbevoegdheden uit het huidige wetboekzijn overgenomen in het hoofdstuk met heimelijke bevoegdheden (Boek 2,Hoofdstuk 8). Zoals gezegd, zijn de drie genoemde bevoegdheden geenbevoegdheden die heimelijk worden uitgeoefend. Het zijn juist bevoegd-heden die in beginsel «openlijk» worden uitgeoefend. Opname in Boek 2,Hoofdstuk 8, ligt daarom niet voor de hand. Daarnaast kan de toepassingvan de drie genoemde bevoegdheden in de praktijk leiden tot vraag-stukken van openbare orde. Anders dan bij de heimelijke bevoegdhedenkunnen daarom over de uitoefening van deze bevoegdheden afsprakenworden gemaakt met het openbaar bestuur (denk aan het aanwijzen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11522 een veiligheidsrisico-gebied). Dit bijzondere aspect legitimeert opnamevan deze bevoegdheden in het boek met bijzondere regelingen.Tot slot is in Boek 2, Hoofdstuk 8, gekozen voor een nieuwe opzet van dehuidige BOB-regeling. De regeling is overzichtelijker en toegankelijkergemaakt. De heimelijke bevoegdheden worden slechts eenmaal uitge-schreven en zijn door de schakelbepaling van artikel 2.8.22 ook vantoepassing in geval van aanwijzingen van een terroristisch misdrijf en ingeval van een vermoeden dat in een georganiseerd verband ernstigemisdrijven worden beraamd of gepleegd. In de huidige BOB-regeling zijnde verschillende bijzondere opsporingsbevoegdheden drie keer uitge-schreven. Daardoor is het wetstechnisch mogelijk dat Titel VB (debijzondere opsporingsbevoegdheden in geval van aanwijzingen van eenterroristisch misdrijf) de drie genoemde bevoegdheden wel bevat en TitelsIVA en Titel V niet. In het nieuwe wetboek, waarin het uitgangspunt wordtgehanteerd dat een bevoegdheid slechts een keer wordt uitgeschreven, isdat in Boek 2, Hoofdstuk 8, niet langer mogelijk.(761) Deze leden menen dat toepassing van de genoemde bevoegdhedenin concrete gevallen ook wenselijk kan zijn in geval van aanwijzingen vanzeer ernstige misdrijven, zoals het leiding geven of deelnemen aan eencriminele organisatie, het opdracht geven tot liquidaties, et cetera. Watzouden de voor- en nadelen zijn van bijvoorbeeld de bevoegdheden uittitel 5.4 van toepassing te verklaren bij een vermoeden van een misdrijfwaar een gevangenisstraf van bijvoorbeeld 12 jaren of meer op is gesteld?761. In geval van een vermoeden van een misdrijf waarop naar dewettelijke omschrijving gevangenisstraf van bijvoorbeeld twaalf jaar ofmeer is gesteld, zijn de reguliere bevoegdheden tot het onderzoeken vanvoorwerpen, de inbeslagneming van voorwerpen, het onderzoeken vaneen vervoermiddel en het onderzoek aan kleding mogelijk op grond vande artikelen 2.6.7, 2.7.8 en 2.7.11. Er is dan ook geen aanleiding om desoortgelijke bijzondere bevoegdheden uit Boek 6, Titel 5.4, van toepassingte verklaren bij een dergelijk vermoeden van een misdrijf. Het bijzondereaan deze bevoegdheden in Boek 6 is dat zij óók kunnen worden uitge-oefend bij aanwijzingen van een terroristisch misdrijf (zie daarvoor hetantwoord op vraag 760).4.4 Bevoegdheden in verband met de ontneming van het wederrechtelijkverkregen voordeel (762) De leden van de VVD-fractie lezen dat deze titel de huidige regelingvan het strafrechtelijk financieel onderzoek (hierna: sfo) vervangt. Is er bijalle betrokken partijen in de strafrechtketen overeenstemming bereikt omde bestaande regeling niet in het nieuwe Wetboek over te nemen?762. De bevoegdheden die tijdens een opsporingsonderzoek kunnenworden uitgeoefend zijn in de loop der jaren zodanig uitgebreid dat aaneen afzonderlijk wettelijk onderzoekskader, specifiek voor het bepalen vanhet wederrechtelijk verkregen voordeel, geen wezenlijke behoefte meerbestaat. Met de afschaffing van de regeling voor het strafrechtelijkfinancieel onderzoek (sfo) is bovendien de ten onrechte bestaande indrukweggenomen dat ten behoeve van het onderzoek naar wederrechtelijkverkregen voordeel alleen de in dat onderzoekskader genoemde bevoegd-heden zouden kunnen worden uitgeoefend.De Rvdr heeft in het consultatieadvies aangegeven zich te kunnen vindenin de afschaffing van het sfo (uiteraard onder handhaving van debenodigde opsporingsbevoegdheden). Enkele partijen in de strafrecht-keten, te weten het openbaar ministerie, de politie en het Platformbijzondere opsporingsdiensten, hebben er echter op gewezen dat dit voorenkele bevoegdheden zou betekenen dat de criteria daarvan strengerTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11523 worden. Naar aanleiding van deze inbreng is aanvullend een regelingingevoegd in Boek 6, specifiek voor het onderzoek ter bepaling vanwederrechtelijk verkregen voordeel. Dit betreft het bevel tot het doen vanopgave van bescheiden of gegevens om inzicht te verkrijgen in devermogenspositie van degene tegen wie het onderzoek is gericht, hetconservatoir beslag op voorwerpen voor een op te leggen ontnemings-maatregel en de doorzoeking van plaatsen. Met de criteria voor de inzetvan deze bevoegdheden is nauw aangesloten op de huidige regeling vanhet sfo, in de huidige artikelen 126a tot en met 126d.Nu de toekomstige situatie een verruiming vormt ten opzichte van debestaande situatie, en gevolg is gegeven aan de opmerkingen die inconsultatie zijn gemaakt over de omzetting van het sfo in het nieuwewetboek, is de verwachting dat de partijen hiermee kunnen instemmen.(763) Zijn er bij de totstandkoming van het nieuwe Wetboek wensen geuitdoor de opsporing dat, gelet op alle nieuwe digitale ontwikkelingenrondom bijvoorbeeld cryptovaluta, specifieke nieuwe bevoegdhedennodig zijn om het wederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen?763. Bij de totstandkoming van het nieuwe wetboek zijn geen wensengeuit met betrekking tot specifieke nieuwe bevoegdheden om hetwederrechtelijk verkregen voordeel te bepalen. Zoals in het antwoord opvraag 762 is aangegeven, is in consultatie wel gesignaleerd dat metafschaffen van het strafrechtelijk financieel onderzoek een stap terug zoukunnen worden gezet ten opzichte van de bestaande wettelijke criteriavoor de inzet van enkele bevoegdheden voor het onderzoek ter bepalingvan wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit heeft geleid tot aanpassingvan de nieuwe regeling. Daarnaast is door het openbaar ministerie en depolitie gewezen op de noodzaak van een toekomstbestendig en flexibeljuridisch kader voor opsporing in een digitale omgeving in het algemeenen de bestrijding van cybercriminaliteit in het bijzonder. Dit vormdeaanleiding om over te gaan tot het instellen van de eerder al genoemdeCommissie-Koops, die onder meer tot taak kreeg te adviseren over dewettelijke regeling van het opsporingsonderzoek, zoals neergelegd in deconsultatieversie van Boek 2.(764) De leden van de VVD-fractie lezen dat de bevoegdheden vanartikel 6.5.9 alleen van toepassing zijn in geval van verdenking van eenmisdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan wordenopgelegd en waarvoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belangkan zijn verkregen. Zijn dit cumulatieve vereisten?764. Ja. Dit zijn inderdaad cumulatieve vereisten.(765) Deze leden merken op dat ook bij misdrijven waarvoor slechts eengeldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd, het wenselijkkan zijn de bevoegdheden van artikel 6.5.9. toe te passen. Hoe kijken deregering, de politie en het OM hiernaar?765. De bevoegdheid van artikel 6.5.9 heeft betrekking op het doen vanopgave van stukken of van gegevens, of van vermogensbestanddelen, ominzicht te verkrijgen in de vermogenspositie van degene tegen wie hetonderzoek is gericht. Hiervoor is vereist de verdenking van een misdrijfwaarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd enwaardoor op geld waardeerbaar voordeel van enig belang kan zijnverkregen.In de adviezen over de consultatieversie van Boek 6 is door de politie enhet openbaar ministerie met betrekking tot deze bevoegdheid nietingegaan op de mogelijkheid tot verruiming met misdrijven waarvoor eengeldboete van de vierde categorie kan worden opgelegd. Wel heeft depolitie geadviseerd om het conservatoir beslag niet langer te beperken totTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11524 feiten waarop een geldboete van de vijfde categorie is gesteld. Daarbij isverwezen naar de noodzaak van slagvaardig optreden bij milieudelicten ofstrafbare feiten uit de Opiumwet. Het openbaar ministerie heeft, bij briefvan 23 maart 2018 aan de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid,geadviseerd de bevoegdheid tot het leggen van conservatoir beslag nietlanger te beperken tot feiten waarop een geldboete van de vijfde categorieis gesteld. Daarbij is eveneens verwezen naar milieufeiten en gedragingenrond softdrugs.De bevoegdheden van artikel 6.5.9 zijn overgenomen uit het huidigeartikel 126 en verder. De wetgever achtte het destijds van belang datslechts die delicten, die gelet op hun aard en de feiten en omstandighedenwaarop in het concrete geval de verdenking berust het vermoedenrechtvaardigen dat daarmee door de verdachte op geld waardeerbaarvoordeel van enig belang kan zijn verkregen, aanleiding vormen voor deinstelling van het bijzondere onderzoek (Kamerstukken II 1989/90, 21 504,nr. 3, p. 31). In het nieuwe wetboek wordt het uitgangspunt gehanteerddat voor de uitoefening van bevoegdheden zwaardere toepassingscriteriagelden naarmate de inbreuk op het recht op eerbiediging van depersoonlijke levenssfeer ingrijpender is en dienen de deze toepassingscri-teria te voldoen aan beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, dieimmers niet alleen voor de rechtstoepasser gelden maar ook voor deabstracte afweging door de wetgever welke voorwaarden in de wetmoeten worden verbonden aan de uitoefening van bevoegdheden. Vanuitdit gezichtspunt is de beperking tot de misdrijven waarvoor een geldboetevan de vijfde categorie kan worden opgelegd en waarmee op geldwaardeerbaar voordeel van enig belang kan zijn verkregen alleszins terechtvaardigen. Dit betekent overigens niet dat de geldboete die op dezemisdrijven is gesteld, geen aanpassing kan behoeven. Juist vanwege deontwikkelingen in de georganiseerde, ondermijnende criminaliteit, kan ditnoodzakelijk zijn bij delicten waarmee aanzienlijke winsten kunnenworden behaald. In het wetsvoorstel tot versterking van de strafrechtelijkeaanpak van ondermijnende criminaliteit II (Kamerstukken II 2023/24,36 463, nr. 2) is dan ook het voorstel opgenomen tot verhoging van deboetecategorie tot de vijfde categorie voor enkele misdrijven, waaronderhet strafbaar handelen met softdrugs (Artikel III, onderdeel A). Daarmeekunnen de bevoegdheden van Boek 6 voor het onderzoek ter bepaling vanwederrechtelijk verkregen voordeel worden toegepast, inclusief die vanvoormeld artikel 6.5.9.5. Schadevergoeding en kosten 5.1 Schadevergoeding (766) De rapporteurs vragen of een nadere toelichting zou kunnen wordengegeven op de onderlinge verhoudingen tussen de verschillende reactiesop onrechtmatig strafvorderlijk overheidsoptreden. Op welke wijze draagtdeze regeling in relatie tot andere regelingen bij aan de totstandkomingvan een coherent systeem inzake remediëring van onrechtmatig strafvor-derlijk overheidsoptreden?(767) De rapporteurs vragen of nader in kan worden gegaan op debeoogde wisselwerking tussen de procedurele sanctionering en deschadevergoedingsregeling. Welke doelen worden met beide regelingennagestreefd en wanneer overlappen zij daarin? Onder welke omstandig-heden en in welke gevallen zijn onrechtmatigheden voldoende gecompen-seerd door procedurele sanctionering en lenen zij zich dus niet meer voorschadevergoeding?766 en 767. Gelet op de rapportage van de universiteiten over Boek 6 (p.54–55) hebben deze vragen betrekking op de verhouding tussen schade-vergoeding na strafvorderlijk overheidsoptreden (buiten de strafzaak) enTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11525 processuele sanctionering van onrechtmatig strafvorderlijk handelen(binnen de strafzaak). Bij zowel de schadevergoedingsregeling als bij deregeling van processuele sanctionering van onrechtmatig handelen(neergelegd in de artikelen 4.3.12 tot en met 4.3.15) wordt de rechtma-tigheid van strafvorderlijk overheidsoptreden beoordeeld. De schadever-goeding na strafvorderlijk overheidsoptreden (geregeld in Boek 6,Titel 6.1) strekt tot vergoeding van de schade na inbreuk op het recht vande betrokkene en is de centrale vorm van genoegdoening bij schade die isveroorzaakt door strafvorderlijk overheidsoptreden. Bij de schadevergoe-dingsregeling gaat het om het compenseren van geleden nadeel. Eenverzoek tot schadevergoeding kan worden ingediend door eenieder dieschade heeft geleden door strafvorderlijk overheidsoptreden, waarbij hetom zowel rechtmatig als onrechtmatig strafvorderlijk optreden kan gaan.Dat kan dus ook een derde zijn op wie de regeling van de processuelesancties in de strafzaak – afgezien van schadevergoeding aan debenadeelde partij wegens overschrijding van de redelijke termijn –vanzelfsprekend niet van toepassing kan zijn. Met de introductie van eeneenvormige en laagdrempelige procedure voor de beoordeling vanverzoeken tot schadevergoeding na onrechtmatig of rechtmatig strafvor-derlijk overheidsoptreden, is beoogd een coherent systeem in het leven teroepen voor de beoordeling van verzoeken die samenhangen metstrafvorderlijk overheidsoptreden.Bij de toepassing van processuele sancties (geregeld in Boek 4, Titel 3.3)gaat het om rechtsgevolgen die in het strafproces zelf aan onrechtmatighandelen worden verbonden. De integriteit van het strafproces staatdaarbij centraal. De regeling van de processuele sancties heeft alsuitgangspunt alleen betrekking op onrechtmatig handelen jegens deverdachte. De mogelijkheid om in de strafzaak schadevergoeding toe tekennen als processuele sanctie bij schending van het vereiste vanberechting binnen een redelijke termijn is nieuw (artikel 4.3.12). Destrafrechter krijgt hiermee de bevoegdheid om in geval van onredelijkevertraging een schadevergoeding toe te kennen zowel aan de verdachteals aan de benadeelde partij. Daarmee is de bepaling een aanvulling op dein Boek 6 voorziene procedure voor schadevergoeding na strafvorderlijkoptreden, die voor de hier bedoelde schade in beginsel ook kan wordengevolgd. Strafvermindering als processuele sanctie kan alleen wordentoegepast indien het door het onrechtmatig handelen veroorzaakte nadeellangs deze weg kan worden gecompenseerd en strafvermindering in hetbelang is van een goede rechtsbedeling (artikel 4.3.13).Wanneer de rechter ten aanzien van strafvorderlijk optreden in destrafzaak een processuele sanctie heeft opgelegd, kan toekenning van eenschadevergoeding op grond van Boek 6 leiden tot ongewenste dubbelecompensatie. Bij de beoordeling van het verzoek om schadevergoedingna strafvorderlijk optreden dient rekening te worden gehouden met derechterlijke uitspraak waarin de toepassing van een processuele sanctiewordt gemotiveerd. Op deze manier wordt dubbele compensatievoorkomen. Van dubbele compensatie zal doorgaans geen sprake zijn nade toepassing van bewijsuitsluiting (artikel 4.3.14) ofniet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie (artikel 4.3.15). Dezeprocessuele sancties zijn immers niet gericht op compensatie van nadeel.(768) De rapporteurs vragen of het wenselijk is dat er sprake is vanconvergentie tussen de civielrechtelijke procedure en strafvorderlijkeprocedure. Zo ja, op welke wijze kan hieraan worden bijgedragen?768. Het optreden in de praktijk van convergentie tussen de strafvorder-lijke schadevergoedingsprocedure en de civielrechtelijke procedure wordtwenselijk geacht gelet op het oogpunt van uniformiteit en rechtsze-kerheid. Op verschillende punten in de schadevergoedingsregeling in hetTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11526 nieuwe wetboek is aangesloten bij het civiele recht. Zo vormt Titel 3 vanBoek 6 van het Burgerlijk Wetboek het uitgangspunt bij de vraag of sprakeis van onrechtmatig optreden. In die titel zijn de maatstaf, de voorwaardenen de omvang van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daadgeregeld. Ook de vraag welke schade als gevolg van onrechtmatighandelen voor vergoeding in aanmerking komt, wordt bepaald langs delijnen van het burgerlijk recht (zie de artikelen 95, 96 en 106 van Boek 6van het Burgerlijk Wetboek). Ten aanzien van onrechtmatig strafvorderlijkoptreden is aangesloten bij de verjaringsregels van Titel 11 van Boek 3van het Burgerlijk Wetboek, die ook nu al gelden voor verzoeken omschadevergoeding uit onrechtmatig handelen. Tot slot wordt opgemerktdat ook de mogelijkheid tot het stellen van prejudiciële vragen door derechter aan de Hoge Raad aan convergentie kan bijdragen.(769) Op welke wijze wordt beoogd de benodigde civielrechtelijkeexpertise te borgen bij de beoordeling van verzoeken om schadever-goeding onder de nieuwe regeling, mede gelet op de beoogde conver-gentie tussen het strafrechtelijke en het civielrechtelijke beoordelings-kader?769. In de nieuwe schadevergoedingsregeling is voor schadeverzoekengekozen voor een grensbedrag van € 25.000. Vorderingen tot dat bedragzijn doorgaans eenvoudig van aard en lenen zich daardoor goed voorafdoening binnen een laagdrempelige raadkamerprocedure binnen hetstrafrecht. In het uitzonderingsgeval waarin bij verzoeken onder de€ 25.000 ingewikkelde (juridische) kwesties aan de orde zijn, zou dit in depraktijk door de rechtspraak kunnen worden ondervangen door in deraadkamer ook rechters met een civielrechtelijke achtergrond te latenplaatsnemen.(770) De rapporteurs constateren dat de strafvorderlijke regeling inzakeschadevergoeding een drempel kent en enkel van toepassing is opverzoeken tot 25.000 euro. Zou nader kunnen worden toegelicht hoe dieafbakening in de praktijk precies vorm moet krijgen? Meer in het bijzondervragen de rapporteurs of vorderingen boven de 25.000 euro tot eenbedrag van 25.000 euro kunnen worden aangebracht bij de strafrechter envoor het overige bij de civiele rechter (conform Afdeling Bestuursrecht-spraak van de Raad van State 2 augustus 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2081,rechtsoverweging 9.12–9.13) en hoe dienen in een dergelijke situatie deverschillende beoordelingskaders van strafrechter en civiele rechter zichtot elkaar te verhouden?770. Op grond van de nieuwe regeling kan schadevergoeding wordentoegekend indien de gevraagde vergoeding ten hoogste € 25.000bedraagt of, bij hogere bedragen, indien het verzoek uitsluitend strekt totvergoeding van schade vanwege een onterecht voorarrest dan wel eenonterecht ondergane straf of vrijheidsbenemende maatregel. Is hetverzochte bedrag hoger dan € 25.000, dan zal de verzoeker zich tot deciviele rechter moeten wenden, waarbij op die vorderingen het BurgerlijkWetboek van toepassing is. In lijn met de genoemde uitspraak van deAfdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State is het mogelijk dat bijhogere schadeverzoeken dan € 25.000 een schadeverzoek tot € 25.000wordt ingediend bij en behandeld door de strafrechter en voor hetmeerdere de civiele rechter wordt aangezocht. Artikel 6.6.1 voorziet al indeze mogelijkheid doordat het drempelbedrag de gevraagde vergoedingbetreft. De beoordelingskaders van de strafrechter en civiele rechter zullenin de praktijk niet veel uiteenlopen, zoals ook de ervaring leert bij debeoordeling van de vordering van de benadeelde partij in het strafproces.(771) De rapporteurs constateren dat de rechtbank onder de regeling enkelverplicht is om de schadeveroorzakende instantie te horen (artikel 6.6.8);de schadelijdende partij wordt dus door de rechter niet gehoord. WaaromTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11527 is ervoor gekozen geen hoorplicht ten aanzien van de schadelijdendepartij op te nemen?771. De procedure voor behandeling van een verzoek tot schadever-goeding bij de rechtbank is een raadkamerprocedure. Dat betekent dat dealgemene raadkamerregels van toepassing zijn. Op basis van diealgemene regels (meer specifiek artikel 1.2.18, tweede lid) wordt eenbetrokken procespartij gehoord, althans hiertoe opgeroepen. In het gevalvan een verzoek om schadevergoeding is de schadelijdende partij aan temerken als betrokken procespartij en wordt ook deze dus gehoord door deraadkamer. De bepaling in artikel 6.6.8 volgens welke de schadeveroorza-kende partij wordt gehoord, althans daartoe opgeroepen, is een specifiekop de schadevergoedingsprocedure toegesneden aanvulling op dealgemene raadkamerregels.(772) De rapporteurs constateren dat door verschillende stakeholders isaangegeven dat het moeilijk is de daadwerkelijke gevolgen van dezeregeling in te kunnen schatten. Onder meer omdat onduidelijk is of eenlaagdrempelige procedure aanzuigende werking zou kunnen hebben enomdat onbekend is hoe een mogelijke regeling met vaste vergoeding eruitzou kunnen zien. In de memorie van toelichting ontbreekt nog een(cijfermatige) raming van de mogelijke gevolgen voor de werk- enschadevergoedingslast. Zou een nadere toelichting kunnen wordengegeven op de mogelijke gevolgen van de werk- en schadevergoe-dingslast? Zou daarbij tevens een indicatie kunnen worden gegeven vande hoogte van vaste vergoedingen die zouden kunnen worden gehan-teerd?772. Vaste vergoedingen (in artikel 6.6.10 forfaitaire bedragen genoemd)dragen bij aan rechtszekerheid en uniformiteit. Een verzoeker kan zien opwelk bedrag hij in beginsel kan rekenen als hij aan de geldendevoorwaarden voldoet. Daarnaast kunnen forfaitaire bedragen bijdragenaan de eenvoud en snelheid van de procedure, zowel voor de rechtzoe-kende, de schadeveroorzakende instantie als de rechterlijke macht. Dezebedragen vormen een belangrijk sturingsinstrument om de gevolgen voorde praktijk – die op dit moment niet concreet kunnen worden ingeschatmaar die gemonitord en geëvalueerd zullen worden – in de hand tehouden.De forfaitaire bedragen zijn een uitgangspunt, in bijzondere omstandig-heden kan daarvan (gemotiveerd) worden afgeweken. Het ligt in de redeom aan te sluiten bij de forfaitaire bedragen die nu al in de praktijkworden gehanteerd, maar het gesprek over de exacte hoogte van de vastevergoedingen wordt nog gevoerd met de betrokken organisaties. Deuitkomsten daarvan worden als basis gebruikt voor bij de totstandkomingvan een algemene maatregel van bestuur onder deze regeling.(773) De leden van de NSC-fractie constateren dat de strafvorderlijkeregeling inzake schadevergoeding voor rechtmatig en onrechtmatigstrafvorderlijk optreden alleen van toepassing is op verzoeken tot25.000 euro. Als het verzoek meer dan 25.000 euro bedraagt, is de civielerechter bevoegd. Binnen het bestuursrecht heeft de Afdeling Bestuurs-rechtspraak van de Raad van State bepaald dat vorderingen boven de25.000 euro tot een bedrag van 25.000 euro kunnen worden aangebrachtbij de bestuursrechter en voor het overige bij de civiele rechter (dit staatook wel bekend als de knipuitspraak, op grond waarvan vorderingenkunnen worden opgeknipt, zie ECLI:NL:RVS:2017:2081). Deze leden vragende regering of dit onder het nieuwe Wetboek van Strafvordering ookmogelijk is. In het verlengde hiervan vragen deze leden hoe in dezesituatie de beoordelingskaders van de strafrechter en de civiele rechterzich tot elkaar verhouden en hoe ervoor gaat worden gezorgd dat dezekaders niet te ver uiteenlopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11528 773. Zie het antwoord op vraag 770.(774) De leden van de NSC-fractie constateren dat artikel 6.6.8 Wetboekvan Strafvordering (nieuw) bepaalt dat de rechtbank alleen verplicht is omde schadeveroorzakende instantie te horen. Deze leden vragen deregering waarom er niet voor is gekozen om ook de schadelijdende partijverplicht te horen.774. Zie het antwoord op vraag 771.(775) De leden van de NSC-fractie lezen dat uit het rapport van deuniversiteiten blijkt dat verschillende stakeholders hebben aangegevendat het moeilijk is de daadwerkelijke gevolgen van deze nieuwe strafvor-derlijke regeling inzake schadevergoeding in te kunnen schatten.Onduidelijk is of deze laagdrempelige schadevergoedingsprocedure eenaanzuigende werking zal hebben. Ook is onbekend hoe een eventueleregeling met vaste vergoeding eruit zou kunnen zien. In de memorie vantoelichting ontbreekt een (cijfermatige) raming van de mogelijke gevolgenvoor de werk- en schadevergoedingslast. Deze leden vragen de regeringom nader toe te lichten wat de mogelijke gevolgen van deze schadever-goedingsprocedure zijn op de werk- en schadevergoedingslast. Ookvragen deze leden de regering hierbij een indicatie te geven van dehoogte van vaste vergoedingen die eventueel kunnen worden gehanteerd.775. Zie het antwoord op vraag 772.(776) De leden van de NSC-fractie constateren dat artikel 6.6.10 Wetboekvan Strafvordering (nieuw) voorziet in een grondslag om bepaalde kostenof heffingen in rekening te brengen voor het behandelen van eenschadeverzoek (c.q. griffierechten) ten einde daarmee (een deel van) dekosten te ondervangen en zo nodig een drempel op te werpen voor het alte gemakkelijk indienen van een verzoek. Deze leden vragen de regering tereageren op de constatering dat hiermee een andere keuze is gemaaktdan ten aanzien van vorderingen van de benadeelde partij waarvoor eendergelijk regime niet wordt ingevoerd.776. De benadeelde partij (die als rechtstreeks gevolg van een strafbaarfeit vermogensschade heeft geleden of, voor zover de wet op vergoedinghiervan recht geeft, ander nadeel heeft ondervonden) kan zich op grondvan artikel 1.5.10, eerste lid, met haar vordering tot schadevergoedingvoegen in het strafproces. Tussen deze vordering van de benadeelde partij(binnen de strafzaak) en de schadevergoedingsregeling uit Boek 6 (buitende strafzaak) bestaat een aantal belangrijke verschillen. Ten eerste gaathet bij de vordering van de benadeelde partij om rechtstreeks door eenconcreet strafbaar feit van de verdachte veroorzaakte schade. Bij deschadevergoedingsregeling van Boek 6 gaat het niet om door deverdachte veroorzaakte schade, maar om schadeveroorzakend overheids-optreden. Ten tweede ziet de vordering van de benadeelde partij op eenonrechtmatige daad in de vorm van een strafbaar feit, terwijl de schade-vergoedingsregeling op zowel rechtmatig als onrechtmatig overheids-optreden ziet.In artikel 6.6.10, tweede lid, is een facultatieve grondslag opgenomen ombepaalde kosten of heffingen in rekening te brengen voor de behandelingvan een schadeverzoek dat ziet op strafvorderlijk overheidsoptreden. Bijde vordering benadeelde partij bestaat zo’n grondslag niet. De hiervoorgenoemde verschillen rechtvaardigen dat in de schadevergoedingsre-geling wel is voorzien in de mogelijkheid om bij of krachtens algemenemaatregel van bestuur regels te kunnen stellen over kosten of heffingen,en bij de vordering van de benadeelde partij niet. Het wordt nietopportuun geacht om kosten of heffingen in rekening te brengen aan hetslachtoffer dat zich als benadeelde partij met haar vordering tot schade-vergoeding in het strafproces wil voegen. De mogelijkheid om eenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11529 dergelijke drempel op te werpen past niet in het streven om de rechtspo-sitie van het slachtoffer in het nieuwe wetboek te verbeteren (zie hetantwoord op vraag 27).(777) Mocht de regering van mening zijn dat griffierechten noodzakelijkzijn voor het behapbaar houden van de werklast en schadevergoe-dingslast, dan vragen deze leden of er geen onderscheid moet wordengemaakt tussen schadevergoedingsverzoeken naar aanleiding vanonrechtmatig overheidsoptreden, waarbij schade voortvloeit uit eenonrechtmatige overheidsdaad, en rechtmatig overheidsoptreden, waarbijde verdachte of derde onredelijk zwaar worden geraakt. Is de drempelvoor de eerste categorie niet onredelijk belastend?777. De nieuwe regeling bevat een facultatieve grondslag om kosten ofheffingen in rekening te brengen voor de behandeling van een verzoekom schadevergoeding dat ziet op strafvorderlijk optreden (artikel 6.6.10,tweede lid). Mocht blijken van een in de praktijk bestaande noodzaak ofbehoefte om een regeling voor kosten of heffingen op te stellen, dan ligthet niet in de rede om een onderscheid te maken tussen de twee soortenschadevergoedingsverzoeken. Het is namelijk niet altijd op voorhandduidelijk of het verzoek betrekking heeft op rechtmatig of onrechtmatigoverheidsoptreden. Bovendien dient een verzoeker in civiele zaken altijdgriffierechten te betalen, ongeacht of dit verzoek al dan niet betrekkingheeft op onevenredige schade, waarbij de hoogte van deze griffierechtenvarieert naar gelang de hoogte van die vordering.(778) De leden van de VVD-fractie vragen of een overzicht kan wordengegeven van de bedragen die sinds 2015 zijn uitgegeven aan de huidigeschadevergoedingsregeling na rechtmatig strafvorderlijk optreden,alsmede de bedragen die sinds dat jaar zijn uitgekeerd na onrechtmatigstrafvorderlijk overheidsoptreden. Ook vragen deze leden in hoeverre devoorgestelde geüniformeerde schadevergoedingsregeling zal leiden totmeeruitgaven in de komende jaren.778. Door de betrokken organisaties worden bedragen die als schadever-goeding worden uitgekeerd geregistreerd onder een algemene kosten-soort. In de registratie zitten meer typen schadevergoedingen danschadevergoedingen en nadeelcompensaties die worden uitgekeerd naaraanleiding van strafvorderlijk optreden (bijvoorbeeld ook vergoedingen inverband met schade die is ontstaan bij de andere taken dan strafrechte-lijke handhaving). In verband hiermee kan de gevraagde informatie nietworden herleid.De introductie van een geüniformeerde schadevergoedingsregeling heeftonder andere tot doel de huidige versnippering in de regelgeving tegen tegaan. Daarbij wordt, in plaats van de huidige civielrechtelijke weg,voorzien in een aanvulling van de mogelijkheden om in een strafrechte-lijke procedure schadevergoeding te claimen met betrekking tot hetonrechtmatig overheidsoptreden tot een drempelbedrag van € 25.000, of,bij hogere bedragen, indien het verzoek uitsluitend strekt tot vergoedingvan schade vanwege een onterecht voorarrest dan wel een onterechtondergane straf of vrijheidsbenemende maatregel. Of deze nieuweregeling zal leiden tot meeruitgaven in de komende jaren is medeafhankelijk van eventuele nadere regeling bij algemene maatregel vanbestuur van een maximale schadevergoeding en forfaitaire bedragen. Inde memorie van toelichting bij het wetsvoorstel voor de invoeringswet zalmede aan de hand van deze nadere regeling een inschatting van deomvang van eventuele meerkosten worden gegeven.(779) De leden van de VVD-fractie menen dat een algemene regeling inhet begin tot extra procedures zal leiden, omdat niet op voorhandduidelijk is hoe de algemene regeling dient te worden gebruikt in deTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11530 rechtspraktijk. De versnippering van de schadevergoedingsregelingenvoor gewezen verdachten is al minder erg, nu met de Wet herzieningtenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen deze regelingen al bijelkaar zijn opgenomen. Kan de regering schetsen hoeveel civieleprocedures met de algemene regeling op termijn zullen wordenvoorkomen?779. Op termijn worden alle civielrechtelijke procedures voorkomenwaarin het gaat om alle vormen van onrechtmatig overheidsoptreden (tothet drempelbedrag van € 25.000) – die komen immers onder de nieuweschadevergoedingsregeling van Boek 6 te vallen – en gaat het daarnaastom alle vormen van rechtmatig overheidsoptreden (tot het drempel-bedrag) waarop de regeling in het huidige wetboek – die zich nog beperkttot bepaalde gevallen – nu geen betrekking heeft.(780) Hoe oordeelt de regering over het risico dat de nieuwe regeling– zeker in het begin – zal uitnodigen tot extra procederen boven de prikkeleen minnelijke schikking te treffen?780. De nieuwe regeling is zodanig vormgegeven dat eerst een verzoekwordt ingediend bij de schadeveroorzakende instantie (op grond vanartikel 6.6.7, eerste lid) en de verzoeker zich pas bij (gedeeltelijke)afwijzing van dat verzoek (of het verstrijken van de beslistermijn) eenverzoek tot schadevergoeding kan indienen bij de rechtbank (op grondvan artikel 6.6.8, eerste lid). Door het verzoek eerst door de schadeveroor-zakende instantie te laten beoordelen, worden onnodige procedures bij derechter voorkomen. Deze werkwijze sluit ook aan bij de huidige situatiewaarbij de schadeveroorzakende instanties zonder wettelijke voorzieningworden aangezocht door rechtzoekenden. Daarom wordt niet verwachtdat het genoemde risico zich in de praktijk voordoet.(781) Deze leden zijn op basis van de memorie van toelichting vooralsnogniet overtuigd dat de nieuwe algemene regeling daadwerkelijk in depraktijk tot minder ingewikkelde procedures zal leiden. Hoe kijkt deregering hiernaar?781. Met de nieuwe regeling wordt een eenvormige en laagdrempeligeprocedure geïntroduceerd voor de beoordeling van verzoeken totschadevergoeding na zowel rechtmatig als onrechtmatig strafvorderlijkoverheidsoptreden. Daartoe zijn de huidige voorzieningen inzake devergoeding van strafvorderlijke schade geüniformeerd. Hiermee komt eeneinde aan de huidige versnippering van voorzieningen en deels buiten-wettelijke (coulance)praktijk en is het voor verzoekers overzichtelijkergeworden. Dankzij de nieuwe regeling is er geen verscheidenheid aanvoorzieningen meer, die de huidige praktijk juist gefragmenteerd eningewikkeld maakt. De nieuwe regeling beoogt een einde te maken aandie situatie en verwacht wordt dat dit tot overzichtelijkere procedures leidtvoor zowel de verzoekers van schadevergoedingen, als voor schadever-oorzakende instanties.5.2 Kosten (782) De rapporteurs lezen dat artikel 6.6.10 in het tweede lid in eengrondslag voorziet om bepaalde kosten of heffingen in rekening tebrengen voor het behandelen van een schadeverzoek (c.q. griffierechten)ten einde daarmee (een deel van) de kosten te ondervangen en zo nodigeen drempel op te werpen voor het al te gemakkelijk indienen van eenverzoek. Zou nader kunnen worden toegelicht waarom daarmee eenandere keuze is gemaakt dan ten aanzien van vorderingen benadeeldepartij (waarvoor een dergelijk regime niet wordt ingevoerd)?782. Zie het antwoord op vraag 776.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11531 (783) Indien griffierechten noodzakelijk blijken voor het behapbaar houdenvan de werklast en schadevergoedingslast, dient in dat geval eenonderscheid te worden gemaakt tussen schadevergoedingsverzoekennaar aanleiding van onrechtmatig overheidsoptreden, waarbij de schadevoortvloeit uit een onrechtmatige overheidsdaad, en rechtmatigoverheidsoptreden, waarbij de verdachte of derde onredelijk zwaarworden geraakt? Zou voor de eerste categorie een dergelijke drempel nietonredelijk belastend zijn?783. Zie het antwoord op vraag 777.De Minister voor Rechtsbescherming,F.M. WeerwindDe Minister van Justitie en Veiligheid,D. Yesilgöz-ZegeriusTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 327, nr. 11532

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · f43b032031742561

14 okt 2026 · 34728d5d6520ad2b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.