Toegankelijkheid en doelmatigheid in het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang
Brontekst
Versie 6c48e0dcee471452 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 322KinderopvangNr. 569 BRIEF VAN DE STAATSSECRETARISSEN VAN SOCIALE ZAKEN ENWERKGELEGENHEID EN VAN FINANCIËN Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 15 september 2025Het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang heeft eenvoud en meerzekerheid voor ouders als doel. Ook verbeteren we de betaalbaarheid vande kinderopvang voor ouders. Het nieuwe stelsel kent ook risico’s, metname voor de toegankelijkheid en doelmatigheid. Uw Kamer is hierovereerder geïnformeerd met de hoofdlijnenbrief van 11 november 2024.1Deze brief gaat in op de risico’s en de maatregelen die genomen wordenom de toegankelijkheid en doelmatigheid ook in het nieuwe financierings-stelsel te borgen. Zodat kinderen een zo goed mogelijke start maken,werken voor ouders meer loont, publieke uitgaven goed worden besteeden kinderopvang toegankelijk blijft.1. Kiezen voor eenvoud, zekerheid en betaalbaarheid: voor- ennadelen Met het nieuwe financieringsstelsel kinderopvang maken we funda-mentele keuzes voor eenvoud, zekerheid en betaalbaarheid. Het nieuwestelsel heeft de volgende kenmerken:a.Een hoge inkomensonafhankelijke vergoeding kinderopvang voorwerkende ouders.b.De uitvoerder betaalt de vergoeding kinderopvang rechtstreeks aan dekinderopvangorganisatie.c.Zowel de initiële als de periodieke toets op de voorwaarden (waaron-der de arbeidseis) heeft alleen gevolgen naar de toekomst toe en leidtniet tot terugvorderingen bij de ouder(s).d.De verantwoordelijkheid voor het doorgeven van wijzigingen in hetaantal afgenomen opvanguren en het uurtarief ligt bij de kinderop-vangorganisatie.De inkomensonafhankelijke vergoeding is nodig om terugvorderingen tevoorkomen en het stelsel eenvoudig te maken. De overheid investeert fors1Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 547. kst-31322-569ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5691 in de kinderopvangsector. De structurele intensivering bedraagt circa3 miljard euro. Hierdoor is het mogelijk om voor alle werkende ouders96% van de kosten voor kinderopvang tot de maximum uurprijs tevergoeden. Kindervang wordt voor deze ouders bijna gratis. Dezeintensivering dient de doelen van kinderopvang: het stimuleren van dearbeidsparticipatie en de ontwikkeling van het kind.Het kabinet wil het ondernemerschap in de sector behouden en tegelij-kertijd borgen dat belastinggeld ten gunste komt van werkende ouders.Doordat de kinderopvang in het nieuwe stelsel voor de meeste oudersgoedkoper wordt, stijgt naar verwachting de vraag naar kinderopvang.Dat kan positief zijn voor de arbeidsparticipatie, hetgeen ten goede komtaan de financiële onafhankelijkheid van vrouwen, maar heeft ook risico’svoor de toegankelijkheid. De kinderopvangmarkt is nu al krap, vooral doorpersoneelstekorten. Belangrijk om te benoemen is dat er geen eenvoudigeoplossingen zijn. De risico’s voor toegankelijkheid en doelmatigheid zijnhet gevolg van de fundamentele keuze voor eenvoud, zekerheid enbetaalbaarheid. Deze keuze is gemaakt om de fundamentele problemen inde huidige kinderopvangtoeslag met complexiteit, onzekerheid enterugvorderingen op te lossen. Van die keuze profiteren alle partijen in hetstelsel: (werkende) ouders, kinderopvangorganisaties en de overheid. Denadelige gevolgen van die keuze zijn te beperken, maar niet geheel weg tenemen.Daarbij is het goed om te benadrukken dat het gaat om risico’s die zichkunnen voordoen, maar waarvan niet zeker is dat ze zich zullen voordoen.De kinderopvangmarkt heeft de afgelopen jaren laten zien veerkrachtig tezijn en in te kunnen spelen op de toenemende vraag. Bijlage 1 bevat eenaantal kengetallen over het (verwachte) gebruik van de kinderopvang ende relatie met het arbeidsaanbod.Uw Kamer ontvangt deze brief kort voor de verkiezingen op 29 oktober.Het voornemen tot het afschaffen van de kinderopvangtoeslag en de stapnaar directe financiering bestaat al lang. Beleid en uitvoering zijn verderdan ooit in de vormgeving van een eenvoudiger stelsel dat ouderszekerheid biedt. Het doel is om eind oktober het wetsvoorstel dat hetnieuwe financieringsstelsel regelt te publiceren voor internetconsultatie.Voor toekomstige politieke keuzes over de inrichting van het kinderop-vangstelsel is van belang dat het nieuwe stelsel geen eindstadium hoeft tezijn. Het nieuwe stelsel kan dienen als een platform om in de toekomstandere keuzes te maken. Op de korte en middellange termijn is hetverstandig om ouders en de sector duidelijkheid te bieden en de voorge-nomen stelselherziening zoals gepland door te zetten. Zo kunnen weouders zo snel mogelijk zekerheid en eenvoud bieden en weet de sectorwaar ze aan toe is.LeeswijzerDe maatregelen die het kabinet neemt om de risico’s voor de toeganke-lijkheid en doelmatigheid te minimaliseren staan in paragraaf 2. Paragraaf3 gaat specifiek in op de verkenning naar tariefregulering en het kostprijs-onderzoek. In paragraaf 4 vindt u een overzicht van de overwogenalternatieve maatregelen.2. Monitoring, maatregelen en belang van ondernemerschap Het kabinet heeft veel waardering voor het ondernemerschap en de inzetvan de hele kinderopvangsector. De kinderopvangsector heeft getoondgoed aan te sluiten bij de behoeften van ouders door een divers aanbod tebieden. De flexibiliteit en klantgerichtheid die de sector de afgelopen jarenTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5692 heeft laten zien (ook in bijvoorbeeld de coronatijd) is veel waard. Dit zijnsterke kanten van de sector die we ook in de nieuwe situatie willenbehouden.De verwachting is dat in het nieuwe stelsel de vraag naar kinderopvangsnel toeneemt. Om ervoor te zorgen dat er voldoende plekken zijn, is hetcruciaal dat het aantrekkelijk blijft voor kinderopvangorganisaties engastouders om in de kinderopvang te opereren. Ondernemerschap en eenbreed en divers aanbod zorgen ervoor dat zoveel mogelijk ouders eenpassende en betaalbare plek kunnen vinden voor hun kind.Het nieuwe financieringsstelsel geeft aanleiding tot monitoring van deeffecten ten behoeve van de doelmatigheid en toegankelijkheid. Ook heefthet lid Paulusma (D66) in het commissiedebat kinderopvang van 3 juli2025 (Kamerstuk 31 322, nr. 564) aandacht gevraagd voor monitoring,namelijk welke indicatoren worden gebruikt.Hiervoor is het allereerst van belang om duidelijk te maken wat ondertoegankelijkheid wordt verstaan. De meest recente periodieke evaluatiekinderopvangbeleid onderscheidt in totaal vijf vormen van toeganke-lijkheid: reëel, financieel, wettelijk, administratief en subjectief.2 Voor derisico’s van de stelselherziening kijken we naar reële en financiëletoegankelijkheid. Kort gezegd: is er plek, en is die plek ook betaalbaar voorouders? Dit zijn de vormen van toegankelijkheid die voor sommige oudersonder druk kunnen komen te staan bij de overgang naar het nieuwestelsel. De andere vormen van toegankelijkheid verbeteren naarverwachting voor alle werkende ouders met de stelselherziening. Hetrecht op vergoeding kent niet langer terugwerkende kracht voor ouders(wettelijk), er wordt minder van ouders gevraagd (administratief), en webieden meer zekerheid en eenvoud (subjectief).Om te beoordelen of en in welke mate de reële en financiële toeganke-lijkheid onder druk komt te staan kijken we naar het aanbod, het gebruiken de tarieven zoals opgenomen in de kwartaalrapportages kinderopvang.Daarnaast loopt er ook een wachttijdenmonitor. De volgende rapportagewordt in het najaar verwacht. Door integraal te kijken naar de ontwikke-lingen in de prijzen, het aanbod, het gebruik en de wachttijden, wordtjaarlijks bekeken hoe de toegankelijkheid ervoor staat.Hieronder vindt u een overzicht van de stappen die het kabinet nu al zet,gegeven het huidige inzicht in de verwachte gevolgen van de stelselher-ziening.Uitstel en geleidelijk ingroeipadBij de meest recente voorjaarsbesluitvorming heeft het kabinet beslotenom het nieuwe stelsel in te laten gaan per 1 januari 2029. Dit geeft demarkt twee jaar extra tijd om zich aan te passen aan het nieuwe stelsel ende bijbehorende intensivering. Bij dit besluit hoort een geleidelijkingroeipad naar de ingangsdatum. Zo kan de vraag naar kinderopvanggeleidelijk en gecontroleerd toenemen en is te zien wat het gevolg is voorprijzen en wachtlijsten.Indexeren maximum uurprijzenAfgelopen voorjaarsbesluitvorming heeft het kabinet tevens besloten omniet te bezuinigen op het huidige kinderopvangstelsel. Er is afgesprokende maximum uurprijzen (MUP) in 2026 wél te indexeren. Zo blijft de2Kamerstukken II 2023/24, 31 322, nr. 513.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5693 huidige kinderopvangtoeslag en de subsidie in het nieuwe financierings-stelsel beter in de pas lopen met de kosten die ouders maken.De voorgenomen bezuiniging zou met name gevolgen hebben voorouders met een laag inkomen, omdat voor hen het deel boven de MUPmeer effect heeft op hun besteedbaar inkomen en zij nu al het maximalevergoedingspercentage ontvangen.Gemeentelijk beleid, waaronder verruiming mogelijkheid vergoedenouderbijdrageHet kabinet wil dat gemeenten meer mogelijkheden krijgen om de eigenbijdrage van ouders te vergoeden. Dit doen we door de huidigedoelgroepen voor het vergoeden van de ouderbijdrage (artikel 1.13 van deWet kinderopvang) los te laten in het wetsvoorstel. Deze aanpassing geeftgemeenten meer ruimte om betaalbare kinderopvang voor meerkwetsbare groepen mogelijk te maken. Daarbij lost deze stap een huidigknelpunt bij gemeenten op. In samenhang met de andere gemeentelijkeregelingen die er rondom kinderopvang zijn, biedt dit mogelijkheden voorgemeenten om de toegankelijkheid van kinderopvang onder diversedoelgroepen te vergroten. Denk aan voorschoolse educatie voor kinderenmet risico op een achterstand, peuteraanbod voor peuters in hetalgemeen en de mogelijkheid kinderopvang (deels) te vergoeden voormensen voor wie daarom sociale of medische redenen noodzaak toe is(SMI).Het kabinet gaat met gemeenten in gesprek over deze uitbreiding, waarbijspecifiek aandacht wordt besteed aan het beperken van onwenselijkeverschillen tussen gemeenten. Ook zullen we in het gesprek verkennenhoe gemeenten beter in staat gesteld kunnen worden om plaatsen in tekopen. Voor deze verruiming van de mogelijkheid om de ouderbijdrage tevergoeden is extra budget gereserveerd.ArbeidsmarktbeleidDe aanpak van het tekort aan pedagogisch professionals is van grootbelang voor de toegankelijkheid van kinderopvang. Momenteel werken ercirca 130.000 medewerkers in de kinderopvang en komen er nog altijdmeer mensen bij dan er uitstromen.3 Ondanks deze groei is er sinds eenaantal jaren een tekort aan personeel. Voor het jaar 2025 is in de meestrecente arbeidsmarktprognose een tekort van 7.200 personen geraamd.4De tekorten lopen volgens de prognose flink op de komende jaren, ookzonder de effecten van een nieuw financieringsbeleid. Daarnaast loopt ereen wachttijdenmonitor die inzicht geeft in de ontwikkelingen vanwachttijden van ouders voor kinderopvang. In het najaar worden demeest recente cijfers verwacht.Vanwege de tekorten kijkt het kabinet samen met de sector doorlopendnaar nieuwe mogelijkheden tot acties en maatregelen. Momenteel lopener diverse acties om personeel aan te trekken, te behouden en meer urenwerken te bevorderen. Samen met Kinderopvangwerkt! zet het kabinet inop het Ontwikkelpad kinderopvang. Het doel hiervan is om inzicht tebieden in ontwikkelingsmogelijkheden in de kinderopvang, om zo nieuwemedewerkers aan te trekken en de ontwikkeling van huidige medewerkerste stimuleren. Het kabinet stimuleert het Ontwikkelpad met verschillendesubsidies. Allereerst loopt sinds vorig jaar de Subsidieregeling groeps-3Inclusief zelfstandigen is dat aantal ongeveer 141.000 personen. Bron: AZW Statline. In 2024 Q4lag de instroom op 19.270 personen en de uitstroom op 15.590. Dit is een positief saldo van3.680 personen. Bron: AZW Statline.4Prognosemodel Zorg & Welzijn, ABF Research.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5694 hulpen. De subsidie stimuleert de inzet en scholing van de groepshulp viaeen tegemoetkoming in de loonkosten.De functie van groepshulp biedt als instapfunctie in het Ontwikkelpadkansen voor werkzoekenden zonder relevante opleiding en verlicht dewerkdruk van pedagogisch professionals. Om de subsidie aantrekkelijkerte maken, mogen kinderopvangorganisaties vanaf dit jaar voor tiengroepshulpen subsidie aanvragen in plaats van twee.5 Ook heeft hetkabinet ingezet op communicatie om het subsidieproces voor kinderop-vangorganisaties te verduidelijken. Daarnaast is er deSLIM-scholingssubsidie voor werkgevers en gastouderbureaus voorscholing binnen het Ontwikkelpad. Deze subsidie maakt investeringen inde ontwikkeling van medewerkers aantrekkelijker.Dit jaar is ook het Nationaal Groeifondsproject «Meer uren werkt!» vanstart gegaan. Hierin worden verschillende interventies die contractuit-breiding stimuleren, onderzocht door de Universiteit Utrecht. Dekinderopvangsector gaat aan de slag met de interventies «het goedegesprek», «herstructurering van taken» en «combinatiebanen» (insamenwerking met het basisonderwijs). Tevens is de alliantie FinancieelSterk door Werk, in opdracht van OCW, bezig met het verbeteren van definanciële onafhankelijkheid van vrouwen in de kinderopvang, zorg enschoonmaak. Deze alliantie ondersteunt werkgevers, brancheverenigingenen vrouwen bij het verbeteren van de werkomstandigheden en demogelijkheden om meer uren te werken. Tot slot zijn sectorpartijen bezigmet acties die het kabinet ondersteunt met subsidies. Kinderopvangwerkt! is vorig jaar gestart de nieuwe arbeidsmarktcampagne «Kleinestappen, grote dromen». Deze campagne richt zich op zij-instromers,gastouders, mannen en mbo-2 studenten. En beroepsvereniging PPINKheeft subsidie ontvangen om op gebied van professioneel zeggenschapeen webinar, bijeenkomsten en communicatie voor pedagogischprofessionals te organiseren. Hiermee wordt de motie van het lid Van denHil over vormgeving van professioneel zeggenschap in de kinderopvangafgedaan.6Dienst van algemeen economisch belangIn het nieuwe financieringsstelsel investeert de overheid jaarlijks circa8,6 miljard euro in de kinderopvang. Hiermee beoogt het kabinet eenstabiel gefinancierde kinderopvangsector te realiseren die continutoegankelijke kinderopvang van hoge kwaliteit levert. De financierings-wijze van kinderopvangorganisaties in het nieuwe financieringsstelselraakt de Europese regels voor staatssteun. SZW heeft over deze aspecteninformele gesprekken gevoerd met ambtenaren van de EuropeseCommissie. Hieruit is gebleken dat er in het nieuwe financieringsstelseleen risico is op ongeoorloofde staatssteun, doordat de overheid grotebedragen aan de kinderopvangorganisaties betaalt.Om ongeoorloofde staatssteun te voorkomen heeft het kabinet beslotenom in het nieuwe financieringsstelsel het bieden van de dienst kinder-opvang aan te merken als dienst van algemeen economisch belang(DAEB). Het vestigen van een DAEB waarborgt dat verleende staatssteunverenigbaar is met de Europese regels voor de interne markt. Wanneerachteraf wordt vastgesteld dat sprake is van ongeoorloofde staatssteunmoet door de overheid alle verleende steun teruggehaald worden bij dekinderopvangorganisaties. Dat zou grote gevolgen hebben voor de sectoren voor werkende ouders.5Wijziging subsidieregeling groepshulpen: https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-23581.pdf6Kamerstukken II 2023/24, 36 393, nr. 10.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5695 Het aanwijzen van formele kinderopvang als DAEB sluit aan bij hetDAEB-vrijstellingsbesluit7 waar kinderopvang expliciet als voorbeeldwordt genoemd. Op basis van bovenstaande achten we deze stap nunoodzakelijk bij deze invulling van het financieringsstelsel.Een DAEB is kortgezegd een economische dienst die ook een maatschap-pelijk belang dient. Er wordt gekozen voor een zo breed mogelijkedefinitie van de dienst kinderopvang waarbij recht wordt gedaan aan deverscheidenheid en het ondernemerschap in de sector. Een brede definitiewaarborgt dat er ruimt blijft voor allerlei verschillende type kinderopvang-organisaties. Samen leveren al deze organisaties een divers aanbod dataansluit bij de behoefte van ouders. Hierdoor behouden ondernemers inde kinderopvang de mogelijkheid zelf keuzes te maken in de vormgevingvan kwalitatief hoge kinderopvang en kan de variëteit binnen de kinder-opvang die kenmerkend is voor de kinderopvangsector behouden blijven.Het kabinet vindt het belangrijk dat er in de kinderopvang voldoenderuimte blijft om te innoveren en te ondernemen. Het hanteren van eenbrede definitie maakt het daarnaast minder vaak noodzakelijk eengescheiden boekhouding te voeren en beperkt administratieve lasten.Europese regels schrijven voor dat er bij een DAEB geen sprake mag zijnvan overcompensatie. Dat betekent dat de overheidscompensatie niethoger mag zijn dan de nettokosten voor het leveren van de dienstkinderopvang plus een redelijk rendement. De overheid zal toezichthouden op overcompensatie en een terugbetalings- en verrekeningsre-geling opstellen om eventuele overcompensatie terug te halen of teverrekenen met toekomstige vergoedingen indien achteraf blijkt dat eenmeer dan redelijk rendement is behaald. Op welke wijze dit wordtvormgegeven, zal de komende tijd nader uitgewerkt worden.Het is belangrijk dat publieke middelen voor kinderopvang bij werkendeouders terecht komen en niet wegvloeien als overwinsten of leiden totexcessieve tariefstijgingen. De DAEB beperkt winstmaximalisatie encreëert daarmee prikkels voor organisaties om tariefstijgingen te matigenof middelen te herinvesteren in kwaliteit en capaciteit in de sector. Hetvoorkomt dat belastinggeld in grote mate de sector verlaat. Met anderewoorden: overheidsmiddelen voor kinderopvang komen dan ookdaadwerkelijk ten goede aan de kinderopvang. Daarmee voldoet hetkabinet ook aan de motie Kathmann c.s. om maatregelen te treffen bijovergang naar een nieuw financieringsstelsel in de kinderopvang om tevoorkomen dat publiek geld wegvloeit.8Uitgangspunten voor uitwerking DAEB en impactanalyseHet wetsvoorstel voor het nieuwe financieringsstelsel bevat de hoofd-lijnen van de DAEB. De concrete uitwerking wordt voor een belangrijkdeel vastgelegd in lagere regelgeving. Hierbij zal de sector actiefbetrokken worden om ervoor te zorgen dat de DAEB zo goed mogelijk bijde sector aansluit. Het kabinet hanteert als uitgangspunt in de uitwerkingeen zo breed mogelijke definitie van de dienst kinderopvang. Dat betekentdat de verschillende vormen van kinderopvang die nu in Nederlandworden aangeboden (bedrijfsmatig of anders dan om niet), allemaalonder de DAEB worden geschaard. Welke vormen dat precies zijn zalnader worden uitgewerkt. Daarbij wil het kabinet dat er ruimte blijft voorprivate en publieke samenwerkingen gericht op het realiseren vanmaatschappelijke doelstellingen in de kinderopvang.7Besluit C(2011) 9380.8Kamerstukken II 2023/24, 31 322, nr. 504.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5696 In de uitwerking stelt het kabinet als doel om de administratievelastendruk zo laag mogelijk te houden, vooral voor kleine ondernemers.Ook zij moeten in het nieuwe stelsel kunnen ondernemen en zo bijdragenaan een divers en toegankelijk kinderopvangaanbod.Het kabinet wil dat het mogelijk blijft om een redelijk rendement terealiseren. Een redelijk rendement hoort bij een gezonde bedrijfsvoeringen is nodig om investeringen in het aanbod te doen, zodat er voor zoveelmogelijk kinderen een plek op de opvang is. Op dit moment zien wij dat erin de sector geen sprake is van grote overwinsten en dat willen wij ook inde toekomst voorkomen. Voor het vaststellen van een redelijk rendementzal nader onderzoek worden uitgezet bij een onafhankelijk extern bureau.Voor kinderopvang is het belangrijk dat er een duidelijke investe-ringshorizon is zodat het mogelijk blijft om meerjarige investeringen tedoen, in bijvoorbeeld het aanbod en de kwaliteit. Europese regelgevingschrijft voor dat na een bepaalde periode opnieuw moet worden bezien ofde DAEB nog passend is. Het kabinet is voornemens de DAEB te vestigenvoor een periode van twaalf jaar. Het is belangrijk dat de voorwaardenvoor ondernemers vooraf duidelijk zijn. Na die tijd wordt geëvalueerd ofde DAEB en de invulling daarvan nog steeds passend is voor de sector.Het aanwijzen van de dienst kinderopvang als DAEB beschermt kinderop-vangorganisaties tegen risico’s op het gebied van staatssteun enoneerlijke concurrentie, zolang aan de voorwaarden van de DAEB wordtvoldaan. Dat past bij de ambitie van het kabinet om van de kinderopvang-sector in het nieuwe financieringsstelsel een stabiel gefinancierde sectorte maken.In de nadere uitwerking zal centraal staan dat er vrijheid moet zijn voorondernemers in de kinderopvang om te ondernemen en te investeren ininnovatie, kwaliteit en capaciteit. Er zal voor invoering van de DAEB eenimpactanalyse plaatsvinden waarbij ook de effecten op ondernemers enhet aanbod zullen worden onderzocht. Na invoering zal een evaluatieon-derzoek worden uitgevoerd om onder andere de ontwikkelingen op demarkt in beeld te brengen. Het kabinet zal al tijdens de internetconsultatiestarten met de concrete uitwerking, om de sector zo snel mogelijkduidelijkheid te kunnen bieden. Tegelijkertijd blijft het kabinet openstaanvoor argumenten en ideeën van de sector. Juist daar is de consultatiefasevoor bedoeld.Voorkomen excessieve beloningenKinderopvangorganisaties voeren een publieke taak uit, namelijkbijdragen aan de arbeidsparticipatie van ouders en de ontwikkeling vanjonge kinderen. Mede gezien de grote mate van publieke financiering,vindt de regering dat de bezoldiging en de uitkering wegens beëindigingvan het dienstverband van topfunctionarissen in de kinderopvangpassend moeten zijn bij het maatschappelijke karakter van de sector.In het nieuwe financieringsstelsel wordt een hoge inkomensonafhanke-lijke vergoeding ingevoerd en ontvangen aanbieders de vergoedingrechtstreeks van de overheid. Een gevolg hiervan is dat de kinderopvang-sector onder de Wet Normering Topinkomens (WNT) komt te vallen. DeWNT begrenst het inkomen van topfunctionarissen en verplicht organi-saties transparant te zijn over de beloningen van topfunctionarissen. Deregering zal de uitwerking van de WNT voor de kinderopvang dit najaarnader vormgeven.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5697 TransparantieHet bevorderen van transparantie binnen de kinderopvangsector draagtbij aan een doelmatige besteding van middelen door kenmerken vanorganisaties en hun diensten inzichtelijk te maken. OnderzoeksbureauDecisio stelde in het rapport Maatregelen Marktwerking Kinderopvang dattransparantiemaatregelen een goed startpunt zijn voor het verbeteren vande marktwerking.9 Een verbeterde marktwerking kan bijdragen aandoelmatigheid. Transparantie versterkt ook de informatiepositie vanouders. Het stelt ouders in staat aanbieders makkelijker te vergelijken ente kiezen voor een organisatie die goed aansluit bij hun voorkeuren.De sector kan zelf een rol pakken op transparantie door bijvoorbeeldvoortgang te boeken op de kwaliteitscode kinderopvang. Daarnaast zal hetkabinet in het nieuwe financieringsstelsel maatregelen voorstellen omtransparantie te vergroten.Administratieve lastenBij de uitwerking van de maatregelen hebben wij oog voor de optelsomvan administratieve lasten voor kinderopvangorganisaties en kiezen wijsteeds voor een uitwerking die past bij de diverse en ondernemendesector die de kinderopvang is. Daarom trekken wij graag nauw samen metde sectorpartijen op bij de verdere uitwerking van deze maatregelen.3. Verkenning tariefregulering Een potentiële maatregel die toegankelijkheid en doelmatigheid kanhelpen borgen is tariefregulering. Tariefregulering is een instrument datprijsstijgingen maximeert.De DAEB draagt bij aan doelmatigheid door een normrendement testellen en eventuele overcompensatie terug te halen, maar laat onder-nemers vrij om hun eigen tarieven vast te stellen. Tariefreguleringmaximeert tarieven direct en is daarmee gericht op de financiëletoegankelijkheid.Tariefregulering is echter een ingrijpende maatregel, waarbij de overheidook sterk intervenieert in de markt. Het kabinet gaat op basis van deinzichten uit de verkenning en het kostprijsonderzoek tariefreguleringverder uitwerken. Als een eerste stap gaat het kabinet in ieder gevaldeelname aan periodiek (steekproefsgewijs) kostprijsonderzoekverplichten via het wetsvoorstel NFKo. Het opnemen van de mogelijkheidtot tariefregulering in het wetsvoorstel NFKo is in elk geval op kortetermijn niet mogelijk vanwege de complexiteit van de maatregel. UwKamer heeft over tariefregulering recent een motie aangenomen van deleden Welzijn en Haage (Kamerstuk 31 322, nr. 568). Om kinderopvangtoegankelijk te houden, verzoekt deze motie de regering in het nieuwestelsel uit te gaan van een door ouders te betalen wettelijk maximaaluurtarief. Dit is echter een complexe en verstrekkende maatregel, zoalstoegelicht in hoofdstuk 3.3. Het kabinet acht het daarnaast gezien dedemissionaire status niet passend om een besluit te nemen over hetinvoeren van tariefregulering en laat dit aan een volgend kabinet.Hieronder worden de uitkomsten van een aantal onderzoeken beschrevendie het kabinet afgelopen jaar in dat kader heeft laten doen, waarondereen kostprijsonderzoek. Vervolgens gaat de brief in op de bevindingenvan de verkenning naar tariefregulering.9https://decisio.nl/wp-content/uploads/Rapport-Maatregelen-Kinderopvang.pdf.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5698 3.1. Kostprijsonderzoek Een effectief tariefplafond sluit aan bij de kostenstructuren in de sector.Een besluit over de wenselijkheid en haalbaarheid van tariefreguleringvereist daarom inzicht in de kosten in de sector. Daarom heeft het kabinetopdracht gegeven om onderzoek te doen naar de kostprijzen in dekinderopvang. SEO Economisch Onderzoek heeft dit onderzoek uitge-voerd, samen met BDO Accountants & Adviseurs en AYIT Consultancy. Desectorpartijen in de kinderopvang, die het onderzoek hebben onder-steund, zijn meermaals geconsulteerd door middel van een klankbord-groep. Het Waarborgfonds & Kenniscentrum Kinderopvang, de ACM ende NZa hebben een consulterende rol gehad gedurende het onderzoek.Het kostprijsonderzoek vindt u als bijlage bij deze brief.Het kostprijsonderzoek kinderopvang geeft een eerste beeld van wat opdit moment de kostenopbouw in de sector is, hoe groot de variatie is enwat deze verklaart. De data-uitvraag liep van november 2024 tot en metjanuari 2025, waarbij kostendata is uitgevraagd over het jaar 2023.Organisaties werd gevraagd te rapporteren over de kosten die zij maken.Deze aangeleverde gegevens zijn gevalideerd door de onderzoekers.Mede dankzij een oproep van brancheorganisaties, hebben 148 kinderop-vangorganisaties, drie administratiekantoren van gastouders en 142gastouders gegevens aangeleverd. Het kabinet is deze organisaties engastouders dankbaar dat zij gehoor hebben gegeven aan de oproep omdeel te nemen aan het kostprijsonderzoek. De deelname aan het kostprijs-onderzoek is hiermee voldoende, maar minder dan de 300 deelnemerswaar de onderzoekers vooraf op hadden ingezet. Hoewel zowel grote alskleine organisaties gegevens hebben aangeleverd, is de deelname onderkleine organisaties relatief lager.Op hoofdlijnen zijn uitkomsten representatief, maar verschillen tussensubgroepen zijn minder betrouwbaar in beeld te brengen. Eén van deadviezen van de onderzoekers in dan ook om in de toekomst verplichtedeelname aan dit soort onderzoeken mogelijk te maken. Dit advies neemthet kabinet over door deelname aan een periodiek, steekproefsgewijskostprijsonderzoek verplicht te stellen.Opbouw kostprijsUit het onderzoek blijkt dat het grootste deel van de kosten bestaat uitkosten voor pedagogisch personeel. Hieronder vallen alle salaris- enoverige personeelskosten van pedagogisch professionals die op de groepstaan. Na kosten voor pedagogisch personeel volgen de organisatie-kosten10 en huisvestingskosten11. Kosten voor activiteiten en verzorgingbedragen bij dagopvang, peuteropvang en buitenschoolse opvang slechts3 tot 5% van de totale kostprijs.Organisaties geven aan vooral invloed te kunnen uitoefenen opkostprijzen via de inzet op personeel. Bijvoorbeeld door wel of niet eenextra kracht in te zetten boven de vereiste inzet.10Organisatiekosten betreffen kosten die samenhangen met de organisatie en aansturing. SEOverstaat hieronder bijvoorbeeld (personeels)kosten voor management, administratie, ICT,investeringen in innovatie en kwaliteit en kosten van werkkapitaal.11Huisvestingkosten gaan bijvoorbeeld over huur of eigendom van het pand, schoonmaak,onderhoud, energie, afvalverwerking, etc.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 5699 Variatie in kostprijsDe kinderopvang heeft zich afgelopen decennia vraaggestuurdontwikkeld. Doordat kinderopvangorganisaties zich hebben ingespannenom voor iedere ouder passend aanbod te verzorgen, is er een grotediversiteit in het aanbod ontstaan. Een gevolg daarvan is dat er veelvariatie is in kostprijzen. De onderzoekers wijzen er dan ook meermaals opdat dé kostprijs in de kinderopvang niet bestaat.De grote variatie in kostprijzen is deels te verklaren aan de hand vanorganisatiekenmerken:•Lagere huisvestingskosten bij meer panden in eigendom en/of locatiesin scholen.•Lagere kostprijzen voor de kleinste organisaties.•Hogere kostprijzen bij een groter aandeel VE-aanbod.•Hogere kostprijzen bij een groter aandeel aanbod in (zeer) stedelijkegebieden.•Hogere kostprijzen bij stichtingen, VOF’s en eenmanszaken dan bijBV’s.Er is in de meeste gevallen geen relatie gevonden tussen de hoogte vande kostprijs en het bieden van aanvullende activiteiten, zoals buitenactivi-teiten en bijzonder spelmateriaal.Slechts een klein deel van de variatie kan met de beschikbare data wordenverklaard: 21% voor dagopvang; 13% voor bso en 9% voor peuteropvang.Waarschijnlijk zit de grootste variatie in personeelskosten. Factoren dievariatie in personeelskosten mogelijk beïnvloeden, maar waarvan geengoede data beschikbaar is, zijn de inzet van extra medewerkers, leeftijds-opbouw van het personeelsbestand en opleidingsniveau. De variatiebinnen de personeelskosten is niet goed in beeld te brengen, omdatTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 56910 kinderopvangorganisaties over het algemeen geen cijfers verzamelenover de achtergrond van hun personeelsbestand.Eén van de beleidsaanbevelingen van het kostprijsonderzoek is dat als erin de toekomst voor tariefregulering zou worden gekozen, er rekeningmoet worden gehouden met de grote variatie in kosten in de kinder-opvang, door het plafond te differentiëren. De onderzoekers waarschuwendat het onzeker is of dit in de praktijk uitvoerbaar is.Hoogte kostprijsSEO laat zien dat de mediane kostprijzen voor dagopvang, peuteropvangen buitenschoolse opvang in 2023 respectievelijk € 9,63, € 10,61 en € 7,65zijn. Als de kostprijzen zich precies zouden ontwikkelen als de indexatievan de MUP,12 dan zouden de kostprijzen voor dagopvang, peuteropvangen bso uitkomen op € 10,70, € 11,79 en € 8,50 in 2025.De maximum uurprijzen voor dagopvang en bso bedragen in 2025 € 10,71en € 9,52. De mediane kostprijs voor dagopvang lijkt dus in lijn met demaximum uurprijs. In de bso ligt de mediane kostprijs onder de maximumuurprijs, terwijl de mediane kostprijs in de peuteropvang juist hoger ligtdan de maximum uurprijs. Volgens SEO wordt de relatief hoge kostprijsvan peuteropvang met name gedreven door voorschoolse educatie,waarvoor aanvullende kwaliteitseisen gelden. Hier ontvangen gemeenten-middelen voor van het Rijk via het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap.De hoogte van de mediane kostprijs in de gastouderopvang was in 2023€ 8,41 tot € 10,85. Hierbij is gekeken naar verschillende manieren waaropje de tijdsinzet van gastouders zou kunnen waarderen.13 Geïndexeerdnaar 2025 komen de kostprijzen uit op € 9,56 tot € 12,27. Dat is fors hogerdan de maximum uurprijs voor gastouderopvang, die in 2025 € 8,10bedraagt. De geobserveerde kostprijzen liggen ook hoger dan degemiddelde tarieven die gastouders in het eerste kwartaal van 2025vragen (ca. € 8,23).14 Deze bevindingen sluiten aan bij recent onderzoekdat laat zien dat gastouders moeite hebben om een passend uurtarief inrekening te brengen.15In de Kamerbrief van april heeft het kabinet gastouders opgeroepen ombij hun tariefstelling en het maken van contractafspraken rekening tehouden met de werkzaamheden die zij verrichten. SEO doet daarnaast eenaanbeveling om bij het vaststellen van de maximum uurprijzen voorgastouderopvang rekening te houden met de kostprijzen van gastouder-opvang. Eerder ontving SZW al signalen vanuit de sector dat dekostprijzen in de gastouderopvang (fors) hoger zouden liggen dan demaximum uurprijs. Het kostprijsonderzoek geeft hier een cijfermatigeonderbouwing bij, waarbij duidelijk wordt dat de uiteindelijke hoogte vande kostprijs afhankelijk is van de gekozen waardering voor de tijdsinzetvan gastouders. Dit geeft aanleiding om in de toekomst opnieuw naardeze waarderingen te kijken. Het kabinet heeft op dit moment geen12De kostprijzen zijn geïndexeerd volgens de reguliere indexatiepercentages van de maximumuurprijzen (6,01% in 2024 en 4,83% in 2025). Voor de gastouderopvang is daarnaast rekeninggehouden met de extra ophoging van netto € 0,21 in 2025 in verband met aangepastekwaliteitseisen.13Er is geen consensus over het arbeidsinkomen dat gastouders per uur zouden moetenverdienen. Als de tijdsinzet van gastouders gewaardeerd zou worden volgens een in 2019voorgesteld minimumtarief voor zzp’ers, is de mediane kostprijs € 8,41. Als daarentegen naarde zzp-tarieven van thuiskappers wordt gekeken, is de kostprijs van gastouders per uur€ 10,85, in prijspeil 2023.14Eerste kwartaalrapportage kinderopvang 2025, vindbaar via https://www.rijksoverheid.nl/documenten/publicaties/2023/10/25/kwartaalrapportages-kinderopvang-vanaf-2020.15Kamerstukken II 2024/25, 31 322, nr. 554.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 56911 budgettaire ruimte om de maximum uurprijs voor gastouderopvang extrate verhogen.Dit rapport geeft een eerste beeld van hoe de gerapporteerde kosten in desector nu zijn, niet wat de tarieven in de sector zouden moeten zijn. Opbasis van dit onderzoek is het daarom bijvoorbeeld niet mogelijk om eenconclusie te trekken over hoe hoog een eventueel tariefplafond zoumoeten zijn. Daarvoor zou vervolgonderzoek naar economische kosten enredelijke rendementen nodig zijn. Economische kosten zijn de kosten ineen situatie dat de dienst zo doelmatig mogelijk wordt aangeboden,zonder verspilling of impliciete kosten die door anderen wordengedragen. De economische kosten in de kinderopvang kunnen hoger oflager zijn dan de geobserveerde kosten. De geobserveerde kosten zijnbijvoorbeeld hoger dan de economische kosten als kinderopvangorgani-saties inefficiënt roosteren of onnodig dure huisvesting aanhouden. Degeobserveerde kosten zijn lager dan de economische kosten alsgastouders zichzelf een onrealistisch lage beloning uitkeren of alskinderopvangorganisaties te weinig reserves aanhouden.Of als organisaties een lager niveau van kwaliteit of diversiteit van aanbodaanbieden dan we als maatschappij wenselijk achten. Er is vervolgon-derzoek nodig om de economische kosten vast te kunnen stellen c.q. dezekosten te normeren.Samenhang kostprijzen en kwaliteitHet onderzoek laat zien dat de kostprijzen grotendeels worden bepaalddoor het pedagogisch proces. Daarnaast zit ook de grootste variatie inpedagogische personeelskosten, wat maakt dat het sturen op personeleinzet een belangrijke sturingsvariabele is. Tegelijkertijd is personeelsinzeteen belangrijke component in de kwaliteit van de kinderopvang.16, 17 Hetonderzoek kan de variëteit in huisvestingskosten en organisatiekostendeels verklaren, maar voor het pedagogisch proces in mindere mate. Omeen goede afweging te kunnen maken van de effecten op kwaliteit enfinanciële toegankelijkheid, is vervolgonderzoek nodig naar verklaringenachter de variatie in kosten voor pedagogisch personeel.3.2. Vignettenstudie en aanbodrapport In 2024 legde I&O Research ouders verschillende scenario’s voor metwijzigingen in de kosten en financiering van kinderopvang.18 Hetonderzoek bevroeg ouders over hoe zij in elk scenario hun gebruik vankinderopvang en hun werkuren zouden veranderen. De uitkomsten latenzien dat de meeste ouders van plan zijn om meer kinderopvang af tenemen als kinderopvang bijna gratis wordt en als terugvorderingenverdwijnen. Dat onderstreept dat het nieuwe financieringsstelsel tot een(sterke) toename van de vraag naar kinderopvang zal leiden.Om de toegenomen vraag te kunnen accommoderen, is het belangrijk omzicht te hebben op de ontwikkelingen in het aanbod. Daarom onderzochthet CBS op verzoek van SZW het aanbod van kinderopvang tussen 2017en 2023.19 De belangrijkste bevindingen:16Slot, P. L. (2018). Structural characteristics and process quality in early childhood educationand care: A literature review (OECD Education Working Papers No. 176). OECD Publishing.17Het meten van kwaliteit in de kinderopvang. Nadere verkenning van kwaliteitsinstrumenten opbasis van de gecombineerde gegevens metingen 2017-2019.18https://www.kennisplatformwerkeninkomen.nl/documenten/2024/05/27/ervaringen-met-kinderopvang---december-2023-meting-3.19Aanbod kinderopvang in Nederland 2017–2023 (CBS): Aanbod kinderopvang in Nederland,2017-2023 | CBS.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 56912 •Er zijn 50.000 kindplaatsen bijgekomen, tot een totaal van ca. 750.000in 2023. Sinds 2022 is de groei zwakker.•Meer organisaties hebben een for-profit rechtsvorm. Namelijk 81,5% in2023, ten opzichte van 73,9% in 2017.•Meer locaties zitten in scholen; 24,2% in 2023. Dat was in 2017 nog15,1%.•De marktconcentratie neemt toe, al stagneert deze toename vanaf2022.De meeste cijfers uit het aanbodrapport zijn terug te vinden op hetdashboard Kinderopvang.20 Dit dashboard biedt ook inzicht in anderekenmerken van de kinderopvangmarkt, zoals gemiddelde tarieven en hetgebruik van kinderopvang.3.3. Bevindingen verkenning tariefregulering Zoals aangekondigd in de Hoofdlijnenbrief van 202321, heeft het Ministerievan SZW samen met de Ministeries van Financiën, Onderwijs, Cultuur enWetenschap en Economische Zaken tariefregulering ambtelijk verkend.Hierbij is in kaart gebracht wat de overwegingen zijn en wat er nodig zouzijn om tariefregulering in te voeren.OverwegingenTariefregulering heeft twee tegengestelde effecten op toegankelijkheid. Erwordt daarbij een onderscheid gemaakt tussen financiële toegankelijkheid(de betaalbaarheid voor ouders) en reële toegankelijkheid (de mate waariner voldoende plekken zijn). Bij een te laag maximumtarief kan tariefregu-lering de reële toegankelijkheid negatief beïnvloeden, omdat het (degroei) van het aanbod beperkt. Daarbij is er een risico dat de diversiteitvan het aanbod afneemt. Dit kan het dan voor ouders moeilijker makenom een plek te vinden die aansluit bij hun behoeftes.Ook volgt uit de verkenning dat tariefregulering in potentie bijdraagt aaneen doelmatige besteding van overheidsmiddelen aan kinderopvang.Door prijsstijgingen te remmen, kan worden voorkomen dat belastinggelduit de sector vloeit. Daarbij is het van belang om de hoogte van hettariefplafond te relateren aan een duidelijke norm voor kwaliteit, omkwaliteitsvermindering te voorkomen.Tariefregulering zou er namelijk toe kunnen leiden dat kinderopvangorga-nisaties gaan sturen op de kosten van personeelsinzet, wat ten koste zoukunnen gaan van de kwaliteit van de kinderopvang. Het is belangrijk omhier in de vormgeving van een eventueel prijsplafond rekening mee tehouden. Tot slot zijn er voor tariefregulering nog geen budgettairemiddelen. Er zijn in ieder geval uitvoeringskosten.Tariefregulering vergt nog een goede uitwerking. Ten eerste vraagttariefregulering om een duidelijke afbakening van de dienst kinderopvang.Ten tweede is voor de uitvoering van tariefregulering een zo uniformmogelijk tariefplafond wenselijk. Zoals uit het kostprijsonderzoek blijkt isde variatie in kosten groot. Dit betekent dat als een uniform tariefplafondwordt gesteld dat relatief laag ligt, een deel van de kinderopvangorgani-saties verlies zal maken en niet levensvatbaar zijn. Dat zou gevolgenhebben voor het aantal plekken en daarmee de reële toegankelijkheid.Door het beperken van prijsstijgingen kan tariefregulering bijdragen aanhet waarborgen van de betaalbaarheid van kinderopvang, ook voorouders met een laag inkomen. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor tariefstij-20Dashboard Kinderopvang in Nederland (CBS): Kinderopvang in Nederland.21Kamerstukken II 2023/24, 31 322, nr. 512.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 56913 gingen als het plafond relatief hoog wordt gesteld om het aanbod teborgen. Daardoor draagt een hoog tariefplafond beperkt bij aan hetborgen van toegankelijkheid voor lage inkomens. Om die toegankelijkheidte borgen is het nodig dat zoveel mogelijk wordt aangesloten bij debestaande kostenstructuren. Daarvoor zou gedifferentieerd moetenworden. Hoe sterker het tariefplafond gedifferentieerd is, hoe complexerde uitvoering wordt.Reactie motie Van Vroonhoven c.s.De verkenning geeft zicht op de stappen die nodig zijn om tariefreguleringop een zorgvuldige manier in te voeren. Daarmee voldoet het kabinet ookaan de motie Van Vroonhoven (NSC) c.s.22, die het kabinet verzoekt om inkaart te brengen of en hoe tariefregulering in de kinderopvang ingevoerdkan worden.•Tariefregulering dient wettelijk te worden geregeld. Tariefreguleringmoet daarbij worden genotificeerd bij de Europese Commissie, geziende ingreep in de marktwerking.•Uitvoering en handhaving van het tariefplafond dient te wordenvormgegeven. Dit vraagt ook om een uitvoerder die dit kan gaanoppakken.•Wettelijke regeling verplichte deelname kostprijsonderzoeken.•Er dient onderzoek te worden gedaan naar de economische kostprij-zen.23•Prestaties moeten worden gedefinieerd en gereguleerd. Zonderprestatieregulering zullen aanbieders naar manieren zoeken om hettariefplafond te omzeilen.24 Hierbij is het leggen van een link met degewenste kwaliteit van belang.•De sector moet in staat zijn om periodiek kostendata te delen, en deuitvoerder moet in staat zijn deze te verwerken.4. Overwogen alternatieve maatregelen Naast de maatregelen die het kabinet neemt is er breder gekeken naarmanieren om de toegankelijkheid te borgen. Het kabinet kiest ervoor omdeze maatregelen niet te nemen. In deze paragraaf vindt u een overzichtvan deze mogelijke alternatieve maatregelen en de relevante overwe-gingen daarbij.(Tijdelijk) maximeren aantal dagenEen overwogen maatregel om de vraag te beperken is om het aantaldagen waarover vergoeding kinderopvang kan worden ontvangen(tijdelijk) te beperken tot bijvoorbeeld drie dagen. Voor de overige dagenzou geen vergoeding gelden. Zo kan de vraag worden beperkt zonder datdit ten koste gaat van de hoge inkomensonafhankelijke vergoeding. Demaatregel zou met name negatieve gevolgen hebben voor eenouderge-zinnen, omdat zij relatief meer gebruikmaken van kinderopvang. Dit raaktvooral vrouwen. Met name deze ouders worden hierdoor beperkt in hetaantal dagen dat zij effectief kunnen werken. Uitzonderingen maken deuitvoering complex, bijvoorbeeld omdat wisselingen in het huishoudendan leiden tot veranderingen in het recht. Dit gaat ten koste van deeenvoud, zekerheid en uitvoerbaarheid. Het kabinet kiest er daarom nietvoor deze maatregel in te zetten.22Kamerstukken II, 2024/25, 36 600 XV, nr. 99.23Economische kosten: kosten wanneer een dienst of goed op efficiënte wijze wordt aange-boden of geproduceerd.24Prestatieregulering verwijst in deze context naar het vastleggen welke prestaties tot de dienstkinderopvang behoren en dus onder het tariefplafond vallen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 56914 (Deels) beperken babyopvang en uitbreiden verlofstelselEén van de overwogen maatregelen is het (deels) afschaffen vanvergoeding voor babyopvang en het uitbreiden van betaald verlof voorouders. Opvang van baby’s vergt een relatief hoge personeelsinzet.Medewerkers in de babyopvang kunnen, als dit wordt afgeschaft, elders inde kinderopvang worden ingezet. De toegankelijkheid van kinderopvangwordt hiermee ingeperkt voor baby’s, met als doel de toegankelijkheidvoor andere kinderen te vergroten.Zonder babyopvang zouden ouders langer en volledig betaald verlofnodig hebben om de zorg voor hun kind te kunnen opvangen.25 Hetaanvullend geboorteverlof en betaald ouderschapsverlof moeten volledigworden vergoed (100% in plaats van 70% dagloon). Dit maakt opnamevan verlof voor iedereen financieel mogelijk, ook voor mensen met lagereinkomens. Met hoeveel weken de verlofduur moet worden verlengd hangtaf van vanaf welke leeftijd kinderopvang voor de vergoeding inaanmerking komt.Er is nog geen volledig beeld van de kosten en baten van een dergelijkegrote maatregel, waaronder de mogelijke effecten op arbeidsmarktpartici-patie op korte en lange termijn, gelijke kansen op de arbeidsmarkt, deverdeling van zorgtaken tussen partners, de positie van alleenstaandeouders en de ontwikkeling van het kind. Wel heeft deze maatregel naarverwachting zeer grote financiële consequenties. Er zal onderzoek wordenuitgezet om de kosten en baten nader in beeld te brengen. Besluitvormingis aan een volgend kabinet.Voorwaarden buitenschoolse opvangDe groei in de vraag naar kinderopvang vindt de laatste jaren vooralplaats in de buitenschoolse opvang. Een manier om de vraag te beperkenzou kunnen zijn om de maximum uurprijs voor buitenschoolse opvanglager vast te stellen, of om de uren waarover recht bestaat op buiten-schoolse opvang te beperken. Hoewel deze maatregelen kunnen helpenom de vraag te beperken staat daar tegenover dat de toegankelijkheidwordt beperkt. De invulling door een lagere vergoeding voor buiten-schoolse opvang zorgt er ook voor dat deze opvangsoort niet langer bijnagratis is, in tegenstelling tot wat met de stelselherziening is beoogd. Omdie redenen kiest het kabinet er niet voor om de voorwaarden voorbuitenschoolse opvang minder aantrekkelijk te maken.Kwaliteit en veiligheidKwaliteit en veiligheid is van belang voor de ontwikkeling van kinderen enhet vertrouwen van ouders in de kinderopvang. Een maatregel die hetkabinet daarom niet wil inzetten maar die wel is verkend, is het aanpassenvan de kwaliteitseisen in de kinderopvang. Er zijn twee mogelijkeaanpassingen verkend die mogelijk zouden kunnen bijdragen aan hetverminderen van het personeelstekort. Ten eerste het (voor bepaaldeleeftijden) versoepelen van de beroepskracht-kindratio, waardoor eenpedagogisch professional meer kinderen zou mogen opvangen. Tentweede om lager geschoolde medewerkers in te mogen zetten (bijvoor-beeld een groepshulp, opgeleid op mbo-niveau 2) in de plaats van eenpedagogisch professional (mbo-niveau 3 of 4). Om de wenselijkheid vanbeide opties te wegen zijn de te verwachten gevolgen daarvan in kaartgebracht voor de kwaliteit, veiligheid en werkdruk. Die weging is25Op dit moment hebben moeders na de komst van hun kind recht op ten minste 19 wekenbetaald verlof (waarvan een deel bevallingsverlof en een deel betaald ouderschapsverlof).Partners en adoptie- en pleegouders hebben recht op 15 weken betaald verlof.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 56915 gebaseerd op wetenschappelijk onderzoek en gesprekken met mensen uitde kinderopvangpraktijk (zoals pedagogisch professionals en locatiema-nagers), toezichthouders, brancheorganisaties, ouders en weten-schappers. De uitkomst van de verkenning is dat beide opties ertoe leidendat de kwaliteit in de kinderopvang zou dalen. Ook zou het risico oponveiligere situaties en incidenten in de kinderopvang toenemen. Tot slotverwachten pedagogisch professionals en de meeste andere gespreks-partners dat de onderzochte aanpassingen zouden leiden tot een hogerewerkdruk en minder werkplezier voor de pedagogisch professionals. Ditdoet afbreuk aan de aantrekkelijkheid van het vak en leidt mogelijk totmeer uitstroom en minder instroom van pedagogisch professionals. Dezeoptie kan daarmee juist een averechts effect hebben op het personeels-tekort. Deze gevolgen vindt het kabinet onwenselijk en wegen zwaarderdan de mogelijke voordelen. Om deze reden kiest het kabinet ervoor omde onderzochte aanpassingen in de kwaliteitseisen niet door te voeren.Zoals reeds aangekondigd zet het kabinet wel in op het verminderen vande regeldruk in de kinderopvang.26 Naar verwachting wordt uw Kamerhier tegen het einde van het jaar verder over geïnformeerd.5. Tot slot Met het nieuwe financieringsstelsel kiezen we voor zekerheid en eenvoud.We maken een einde aan de fundamentele onzekerheid van de kinderop-vangtoeslag. Zo zetten we voor het eerst een fundamentele stap in dehervorming van het toeslagenstelsel. Eind oktober hopen wij hetwetsvoorstel te publiceren voor internetconsulatie. Naast de belangrijkevoordelen brengt de herziening ook risico’s voor de toegankelijkheid en dedoelmatigheid met zich mee. Om de risico’s te beperken worden nu almaatregelen genomen en worden andere maatregelen uitgewerkt ofverder onderzocht. Daarbij heeft het kabinet oog voor de risico’s enworden de effecten op de doelmatigheid en/of toegankelijkheidgemonitord.Er wordt steeds gezocht naar een invulling van de verschillende maatre-gelen die passen bij het ondernemende karakter van de sector en deadministratieve lasten zoveel mogelijk beperken. Alles afwegend ligt ereen evenwichtig pakket om het nieuwe stelsel in 2029 in te voeren.De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,J.N.J. NobelDe Staatssecretaris van Financiën,S.T.P.H. Palmen26Kamerstukken II, 2024/25, 31 322, nrs. 554 en 559Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 322, nr. 56916
Gerelateerde bronnen
- De staatssecretaris stuurt in september 2025 een brief waar in wordt gegaan op tariefregulering en de uitkomsten van de onderzoeken hiernaar, en neemt hierin me
De staatssecretaris stuurt in september 2025 een brief waar in wordt gegaan op tariefregulering en de uitkomsten van de onderzoeken hiernaar, en neemt hierin mee hoe dit zich verhoudt tot het nieuwe stelsel.
- De staatssecretaris komt na de zomer terug op de vraag van het lid Paulusma over indicatoren voor toegankelijkheid van Kinderopvang.
De staatssecretaris komt na de zomer terug op de vraag van het lid Paulusma over indicatoren voor toegankelijkheid van Kinderopvang.
- De staatssecretaris gaat in de brief na de zomer over de uitkomst van gesprekken met de Europese Commissie over staatssteun in op de vraag van het lid Welzijn d
De staatssecretaris gaat in de brief na de zomer over de uitkomst van gesprekken met de Europese Commissie over staatssteun in op de vraag van het lid Welzijn dat de wijziging niet ten nadele mag komen van lagere inkomensgroepen.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.