Verslag van een schriftelijk overleg over voorhang ontwerpbesluit wijziging Scheepsafvalstoffenbesluit i.v.m. versnelling fase II verbod varend ontgassen (Kamerstuk 31409-437)
Brontekst
Versie fd85afda8d1115da · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202431 409Zee- en binnenvaartNr. 450 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 15 april 2024 De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft een aantalvragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Infrastructuur enWaterstaat over de brief van 1 maart 2024 over voorhang ontwerpbesluitwijziging Scheepsafvalstoffenbesluit i.v.m. versnelling fase II verbodvarend ontgassen (Kamerstuk 31 409, nr. 437).De vragen en opmerkingen zijn op 21 maart 2024 aan de Minister vanInfrastructuur en Waterstaat voorgelegd. Bij brief van 15 april 2024 zijn devragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,PostmaDe adjunct-griffier van de commissie,Meedendorp kst-31409-450ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4501 I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties InleidingDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de beleids-brieven en willen de Minister nog enkele vragen voorleggen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van destukken en hebben nog enkele vragen en opmerkingen bij het voornemen.De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan het ontwerpbesluit en hebben hierbij een aantal vragen en opmer-kingen.De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de Voorhangontwerpbesluit wijziging Scheepsafvalstoffenbesluit in verband metversnelling fase II verbod varend ontgassen (hierna: het WijzigingsbesluitSAB) en hebben nog enkele vragen.De leden van de SP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen vanhet Wijzigingsbesluit SAB. Deze leden zijn blij met het aanstaande(deel)verbod op varend ontgassen en steunen deze wijziging. Desondankshebben de leden nog de nodige vragen en zorgen over de uitvoering vanhet verbod.PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie constateren dat er op dit moment wordtgewerkt aan een dekkende infrastructuur van ontgassingsinstallaties.Tegelijkertijd wordt er door de Minister expliciet toegegeven niet tekunnen inschatten hoeveel schepen er door middel van de wijzigingverplicht worden om gebruik te maken van de ontgassingsinstallaties.Daarmee lijkt de Minister zichzelf expliciet tegen te spreken. Het is immersniet mogelijk te werken aan een dekkende infrastructuur, indien we nietkunnen vaststellen wat exact dekkend is. Deze leden vragen zich derhalveaf hoe die twee uitspraken zich tot elkaar verhouden en wat de Ministerals dekkend beschouwt.De leden van de PVV-fractie constateren dat de Minister het standpuntinneemt dat vanwege het langdurige uitstel van de wijziging, deze zouimmers al in 2019 van kracht zijn gegaan, er voldoende tijd is geweestvoor (lokale) overheden en het bedrijfsleven om zich voor te bereiden opde inwerkingtreding van de wijziging. Echter, de Minister redeneert in ditkader de verkeerde kant op. Juist de langdurige vertraging werpt bij zowelhet bedrijfsleven als de (lokale) overheden onzekerheid op en het is omdie reden begrijpelijk dat zij niet hebben kunnen investeren in de aanlegvan ontgassingsinstallaties. Deze leden vragen zich af of de overheid vanplan is een transitieperiode in te voeren, indien blijkt dat er niet voldoendegeïnvesteerd is in de aanleg van ontgassingsinstallaties. Die transitiepe-riode zou gebruikt moeten worden om het missende aantal ontgassingsin-stallaties versneld aan te leggen en om tot die tijd soepeler om te gaanmet de handhaving van het verbod.De leden van de PVV-fractie constateren dat de Minister geen volledigzicht heeft op het aantal benodigde ontgassingsinstallaties. Deze ledenvragen zich derhalve af wat de Minister van plan is te gaan doen, wanneerblijkt dat er daadwerkelijk een tekort aan ontgassingsinstallaties is.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4502 GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat met het besluit enhet versnellen van fase II eindelijk serieuze stappen worden gezet naareen echt verbod op varend ontgassen. Er is geen technische redenwaarom dit niet vele jaren eerder had kunnen worden besloten. Nudoorzetten en zo snel mogelijk tot een effectief einde komen aan hetongecontroleerd in de lucht lozen van kankerverwekkende stoffen, is vangroot maatschappelijk belang.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich vooral zorgen om demilieukwaliteit en volksgezondheid. Daarvoor is voor vooral van belangdat de emissies ook daadwerkelijk fors naar beneden gaan. Voldoendeontgassingsinstallaties en goede handhaving zijn dan belangrijk, even alshet vermijden van verdere vertraging in het verdere proces. Deze ledenhebben ook kennisgenomen van de voortgangsbrief van 18 maart(Kamerstuk 31 409, nr. 439) waarin verder wordt ingegaan op de uitrol vanontgassingsinstallaties. Kan de Minister ingaan op de vraag hoeveelinstallaties Nederland uiteindelijk nodig heeft, hoeveel we nu hebben, enof het lukt om tijdig voldoende installaties te hebben? Deze leden willenbenadrukken dat zij de Minister steunen in zijn stelling dat tijdsdruk nodigis om de uitrol op stoom te krijgen. Om die reden willen deze leden danook benadrukken dat verder uitstel of de een besluit niet te handhaven,juist de druk eraf haalt. Daarmee ontstaat gelijk een onbalans in de marktwaarbij voorlopers worden gestraft.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat stakeholdersbenadrukken dat bij de toepassing van het principe «de vervuiler betaalt»de rekening naar de ladingeigenaar zou moeten gaan. Deze leden steunenhet principe en de consequentie. Kan de Minister bevestigen dat de kostenniet zullen worden afgewenteld op de zwakste partij in de keten?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich meer zorgen over dehandhaving. Bij alle eerdere discussies over het stelsel van vergunning-verlening, toezicht en handhaving (VTH-stelsel) bleek dat we te makenhebben met een groot handhavingstekort. Te weinig geld, te weinigmensen, te weinig kennis en materieel. Het handhaven op het verbod totvarend ontgassen en de tussenstappen ernaartoe, maakt de taak van deInspectie Leefomgeving en Transport (ILT) groter. Met de start van fase Iper 1 juli van dit jaar, zal de ILT inmiddels moeten kunnen beschikken overalle nieuwe middelen en mensen. Graag ontvangen deze leden eenbevestiging hiervan, dan wel een overzicht van wat nog moet gebeurenen wie daarvoor verantwoordelijk is.Tenslotte willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken datzij hechten aan het verwerken van alle schadelijke gassen en dat eensnelle implementatie van fase III van groot belang is. Ook als anderelanden vertraging oplopen zou Nederland een volledig verbod moetenlaten gelden zodra dat technisch mogelijk is. Ook hier geldt weer dat eensnel uitrol van een netwerk van ontgassingsinstallaties van groot belangis. Wat deze leden betreft komt er een harde deadline voor fase III, diegeldt voor zowel het chemiecluster als de provincies, die de uitrol vanontgassingsinstallaties moeten faciliteren.NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie onderschrijven het belang van het versneldverbieden van varend ontgassen. Zij wijzen hierbij op de belasting dievarend ontgassen met zich meebrengt op het milieu, de gezondheid vanbemanning van schepen en de omgeving en omwonenden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4503 De leden van de NSC-fractie vinden het goed dat er in Nederland wordtgekozen om fase II versneld inwerking te laten treden en tekenen daarbijaan dat zij het belangrijk vinden dat de Minister zich in blijft zetten om deandere CDNI-verdragspartners (CDNI: Het Verdrag inzake de verzameling,afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart) te bewegen hierbijhet Nederlandse voorbeeld te volgen. Deze leden vragen zich wel afwanneer dit fase II verbod precies in zal gaan. In de stukken zien dezeleden dat «er is gekozen om het verbod op de stoffen die in fase II vallengelijktijdig met of in ieder geval zo snel mogelijk na fase I te laten gelden»(Kamerstuk 31 409, nr. 437, pagina 4). Zij vragen zich af waar de inwer-kingtredingsdatum van het fase II verbod van afhangt. Kan de Ministeraangeven om welke redenen het fase II verbod misschien later in werkingzal treden dan 1 juli (de beoogde inwerkingtredingsdatum van het fase Iverbod)? Speelt een eventueel tekort aan ontgassingsinstallaties daarineen rol?De leden van de NSC-fractie hebben in het commissiedebat Maritiem van8 februari jongstleden gevraagd naar zorgen over het tijdig vergunnenvan ontgassingsinstallaties. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat(IenW) heeft toen toegezegd na ruim een maand schriftelijk een stand vanzaken omtrent varend ontgassen te doen toekomen, inclusief een actueelbeeld ten aanzien van de locaties die nu in ontwikkeling zijn. En daarbijook de positie van de schipper te betrekken. Op 18 maart jl. heeft deKamer deze brief (Kamerstuk 31 409, nr. 439) ontvangen en deze ledendanken de Minister daarvoor. Deze leden lezen daarin dat de capaciteit omaan een installatie te kunnen ontgassen met name vanaf inwerkingtredingvan fase II nog beperkt zal zijn. Hoe beziet de Minister versnelde inwer-kingtreding van het fase II verbod in de context van een infrastructuur diedaar misschien niet op tijd klaar voor is?De leden van de NSC-fractie vinden het belangrijk dat het verbodgehandhaafd kan worden en het is voor hen dus ook een geruststellingdat de ILT aangeeft dat zij in staat zijn om te handhaven vanaf deinwerkingtreding en ook van plan zijn dat te doen.BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie lezen dat dit ontwerpbesluit het Scheepsaf-valstoffenbesluit (SAB) wijzigt om varend ontgassen van de stoffengenoemd in fase I van het CDNI-verdrag per 1 juli 2024 in Nederland teverbieden en ook zo snel mogelijk van kracht zijn voor de stoffengenoemd in fase II.De leden van de BBB-fractie vragen zich af of er rekening wordt gehoudenmet het faciliteren van voldoende installaties die deze schadelijke stoffenzal opnemen, als alternatief op het ontgassen in de buitenlucht. Dezeleden willen daarnaast graag weten in hoeverre deze installaties op eenslimme manier verdeeld zijn over scheepvaartroutes in ons land.De leden van de BBB-fractie zijn benieuwd of er zicht is op de aanvragenvan deze installaties, om zo de voortgang van de voorbereiding op hetverbod op ontgassen te meten. Het is daarnaast ook van belang om zichtte krijgen waar deze aanvragen gedaan zijn.SP-fractieDe leden van de SP-fractie pleiten al jaren voor het aan banden leggenvan varend ontgassen. Varend ontgassen zorgt voor onnodige uitstootvan zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en is schadelijk voor schippers,leefomgeving en milieu. Met het inrichten van de benodigde verwerkings-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4504 installaties zouden restladingen veilig afgevangen kunnen worden,waardoor varend ontgassen niet meer nodig is. Deze leden constaterendat er voor het verbod op varend ontgassen breed draagvlak bestaat inzowel de binnenvaartsector als de politiek. Het is spijtig dat het definitieveverbod ondanks deze brede steun zo lang op zich heeft laten wachten.Deze leden danken de Minister, de betrokken sectorpartijen en dedecentrale overheden voor hun voorbereidende werk aan de uitvoeringvan het verbod en roepen op om verder uitstel van nu af aan op geenenkele manier te tolereren en het verbod na inwerkingtreding tehandhaven. Deze leden zijn benieuwd of de Minister kan toezeggen datfase II van het verbod definitief kort na 1 juli 2024 kan ingaan, zoals metdit voorstel wordt beoogd. Kan de Minister dit garanderen?De leden van de SP-fractie lezen in het ontwerpbesluit voor wijziging vanhet SAB dat de Minister niet kiest voor gelijktijdige invoering van fase IIIvan het ontgassingsverbod, ondanks de wens die hiertoe bestaat bijprovincies en partijen uit de binnenvaart. De Minister wijst in hetwijzigingsbesluit op een gebrek aan steun bij andere CDNI-lidstaten ennoemt tevens het risico op «grotere en langere heterogeniteit in deregelgeving» (Kamerstuk 31 409, nr. 437, pagina 4). Deze leden zijn vanmening dat de Minister een grote kans laat schieten door fase III van hetverbod pas jaren later in te voeren en zij vragen hem om uitgebreider toete lichten welke technische belemmeringen hem dwingen om fase III uit testellen. Graag de reactie van de Minister hierop.De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister onder meer aanhaalt dateen versnelling van fase III onevenredige investeringen van het bedrijfs-leven vergt. Deze leden vragen de Minister wat hij in dat kader heeftgedaan om uitvoering te geven aan de aangenomen motie-Bouchallikht/Alkaya (Kamerstuk 31 409, nr. 344) die oproept om ondersteuning en(co)financiering te verlenen voor het inrichten van verwerkingsinstallaties.Kan de Minister dit toelichten? Ook herinneren deze leden de Minister aanzijn belofte om de financiële lasten van het verbod neer te leggen bijverladers en producenten van de ladingen, in plaats van bij de schippers(Aanhangsel Handelingen II, vergaderjaar 2023–2024, nr. 301). Waaromdan toch overgaan tot uitstel vanwege bedrijfseconomische redenen?Graag de reactie van de Minister hierop.De leden van de SP-fractie hebben meermaals hun zorgen uitgesprokenover het niet tijdig gereed zijn van voldoende ontgassingsinstallaties enbijbehorende steigercapaciteit waar schippers snel hun giftige restla-dingen op veilige wijze kunnen lozen. Deze zorgen zijn bij deze leden nietverdwenen en ook vanuit de binnenvaartsector worden hier nog steedsveel vragen over gesteld. De Minister heeft meermaals betoogd dat deaanleg van dampverwerkingsinstallaties geen taak is van de overheid,maar van het bedrijfsleven zelf, in de vorm van de eigenaren van descheepsladingen.De leden van de SP-fractie juichen het principe «de vervuiler betaalt» toezolang hiermee wordt bedoeld de verladers c.q. de eigenaren van descheepsladingen. Toch vragen zij zich af of de Minister wel voldoendemiddelen tot zijn beschikking heeft om deze doelstelling af te dwingen bijde marktpartijen. Over de tijdige inrichting van ontgassingscapaciteit is indiverse stuurgroepen veel en vaak gesproken tussen overheden ensectorpartijen, maar het aantal uiteindelijk vergunde installaties lijkt zeerbeperkt te worden. Had dit proces niet sneller en goedkoper kunnenverlopen indien de overheid zelf de installaties had ingericht en dezetegen betaling aan de verladers ter beschikking had gesteld?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4505 De leden van de SP-fractie lezen in de brief van de Minister van 18 maartjongstleden (Kamerstuk 31 409, nr. 439) dat er momenteel twee installatiesbeschikbaar zijn en dat er op meerdere locaties vergunningaanvragen ofproeven lopen, of dat de mogelijkheden hiervoor worden onderzocht. Hetis deze leden bekend dat er intensief is gezocht naar extra locaties waarverwerkingsinstallaties kunnen worden vergund en dat valt te prijzen,maar hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat deze inspanningen ookdaadwerkelijk leiden tot de beoogde ontgassingscapaciteit van vijf tot tieninstallaties op drie à vijf locaties die bij het opstellen van de RoadmapVarend ontgassen (Kamerstuk 31 409, nr. 430) nodig werd geacht voor1 juli 2024?De leden van de SP-fractie vrezen dat de latere invoering van fase III vanhet verbod iedere prikkel voor het bedrijfsleven heeft weggenomen omtijdig voor voldoende ontgassingscapaciteit te zorgen. Deelt de Ministerdeze vrees en is hij bereid om in internationaal verband blijvend te pleitenvoor versnelling van fase III van het ontgassingsverbod?De leden van de SP-fractie zijn tevreden over de belofte van de Ministerom overtredingen van het verbod te beboeten bij de opdracht gevendepartijen in plaats van bij de uitvoerende schippers. Deze leden vinden hetvan groot belang dat verladers op basis van hun economische machtspo-sitie de schippers niet kunnen dwingen om het verbod te omzeilen. Houdtde Minister rekening met dit risico en zo ja, zijn handhavende instantiesvoldoende toegerust om hier uitvoering aan te geven? Graag zouden dezeleden zien dat er periodieke rapportages met de Kamer worden gedeeldover de wijze waarop de handhaving verloopt en hoeveel controles hierbijworden uitgevoerd. Is de Minister hiertoe bereid?De leden van de SP-fractie vernemen van de Minister dat het benodigdenetwerk van e-noses dat kan controleren op schadelijke emissies nog inontwikkeling is. Kan de Minister aangeven wat de inspanningen om toteen dekkend netwerk van snuffelpalen te komen tot op heden hebbenopgeleverd? En kan hij tevens aangeven wat de juridische waarde is vande data die door de e-noses worden vergaard? Klopt het dat de snuffel-palen niet kunnen detecteren op meerdere stoffen en er daardoor eengroot aantal e-noses nodig is om hierop te kunnen handhaven?De leden van de SP-fractie hebben, evenals de Minister, waarschuwingenontvangen van belangenverenigingen uit de binnenvaart over desluiproutes die er zijn om stoffen «om te nummeren», zodat zij komen tevallen onder de later in te voeren fase III van het verbod. De Minister geeftaan hierover reeds in gesprek te zijn binnen het CDNI. Deze leden makenhieruit op dat voorlopig niet gehandhaafd kan worden op deze potentieleuitwijkmanoeuvre, klopt dat? Tot slot vragen deze leden aan de Ministerom te verduidelijken welke gevolgen het duiden van afvaldampen alsafval of product heeft voor de mogelijkheden om vergunningen voorverwerkingsinstallaties te verstrekken.II Reactie van de bewindspersoon PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie constateren dat er op dit moment wordtgewerkt aan een dekkende infrastructuur van ontgassingsinstallaties.Tegelijkertijd wordt er door de Minister expliciet toegegeven niet tekunnen inschatten hoeveel schepen er door middel van de wijzigingverplicht worden om gebruik te maken van de ontgassingsinstallaties.Daarmee lijkt de Minister zichzelf expliciet tegen te spreken. Het is immersTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4506 niet mogelijk te werken aan een dekkende infrastructuur, indien we nietkunnen vaststellen wat exact dekkend is.1.Deze leden vragen zich derhalve af hoe die twee uitspraken zich tot elkaarverhouden en wat de Minister als dekkend beschouwt.Schippers- en verladersorganisaties hebben berekend dat het voor Fase I-en Fase II-stoffen gaat om ongeveer 3.300 ontgassingen op jaarbasis.Sommige data over soorten ontgassingen, lading etc. zijn echter (alleen)bekend bij schippers en de verladers die daartoe opdracht hebbengegeven. Het aantal is dus een indicatie. Een tweede aspect dat inwerkt ophet aantal ontgassingen is de mogelijkheid tot het varen van eenheids-transporten (dedicated varen) of verenigbaar transport (compatibel). Bijdedicated of compatibel varen hoeft er niet ontgast te worden, maar uitconcurrentieoverwegingen geven partijen weinig openheid over de matewaarin zij na 1 juli dedicated of compatibel gaan varen. Wat betreft debenodigde ontgas-infrastructuur wordt in de Roadmap uitgegaan van3 à 5 locaties met in totaal 5 à 10 installaties. Het uitgangspunt is dat ervanaf inwerkingtreding van fase II een basisinfrastructuur bestaat, dieverder opgeschaald kan worden naar gelang de vraag.De leden van de PVV-fractie constateren dat de Minister het standpuntinneemt dat vanwege het langdurige uitstel van de wijziging, deze zouimmers al in 2019 van kracht zijn gegaan, er voldoende tijd is geweestvoor (lokale) overheden en het bedrijfsleven om zich voor te bereiden opde inwerkingtreding van de wijziging. Echter, de Minister redeneert in ditkader de verkeerde kant op. Juist de langdurige vertraging werpt bij zowelhet bedrijfsleven als de (lokale) overheden onzekerheid op en het is omdie reden begrijpelijk dat zij niet hebben kunnen investeren in de aanlegvan ontgassingsinstallaties.2.Deze leden vragen zich af of de overheid van plan is een transitieperiodein te voeren, indien blijkt dat er niet voldoende geïnvesteerd is in deaanleg van ontgassingsinstallaties. Die transitieperiode zou gebruiktmoeten worden om het missende aantal ontgassingsinstallaties versneldaan te leggen en om tot die tijd soepeler om te gaan met de handhavingvan het verbod.Een transitieperiode is niet aan de orde. We hebben gezien dat tijdsdrukessentieel is om de vergunningverlening op gang te krijgen. Een(aankondiging van een) transitieperiode zal leiden tot uitstelgedrag bij detotstandkoming van een dekkende ontgas-infrastructuur. Daarvan zullenhoofdzakelijk schippers de dupe worden.De leden van de PVV-fractie constateren dat de Minister geen volledigzicht heeft op het aantal benodigde ontgassingsinstallaties.3.Deze leden vragen zich derhalve af wat de Minister van plan is te gaandoen, wanneer blijkt dat er daadwerkelijk een tekort aan ontgassingsin-stallaties is.Voor Fase I-stoffen is de verwachting bij zowel vervoerders als verladersdat er geen grote problemen zullen optreden. Door dedicated encompatibel varen zijn veel Fase I-ontgassingen te ondervangen. Voor degevallen waarin toch ontgast moet worden, bijvoorbeeld voorafgaand aaneen bezoek aan de scheepswerf voor een reparatie of scheepskeuring,zullen partijen goed moeten samenwerken en afspraken moeten makenTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4507 met de exploitanten van ontgassingsinstallaties. Wat betreft Fase II is deverwachting, gezien de voortgang in de vergunningaanvragen en deaanwezigheid van kansrijke locaties in meerdere regio’s, dat er bijinwerkingtreding van Fase II een toereikend basisnetwerk is. In deoverlegstructuur tussen betrokken partijen (Roadmap) worden signalenhierover uit de markt geregeld besproken.GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn blij dat met het besluit enhet versnellen van fase II eindelijk serieuze stappen worden gezet naareen echt verbod op varend ontgassen. Er is geen technische redenwaarom dit niet vele jaren eerder had kunnen worden besloten. Nudoorzetten en zo snel mogelijk tot een effectief einde komen aan hetongecontroleerd in de lucht lozen van kankerverwekkende stoffen, is vangroot maatschappelijk belang.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich vooral zorgen om demilieukwaliteit en volksgezondheid. Daarvoor is voor vooral van belangdat de emissies ook daadwerkelijk fors naar beneden gaan. Voldoendeontgassingsinstallaties en goede handhaving zijn dan belangrijk, even alshet vermijden van verdere vertraging in het verdere proces. Deze ledenhebben ook kennisgenomen van de voortgangsbrief van 18 maart(Kamerstuk 31 409, nr. 439) waarin verder wordt ingegaan op de uitrol vanontgassingsinstallaties.4.Kan de Minister ingaan op de vraag hoeveel installaties Nederlanduiteindelijk nodig heeft, hoeveel we nu hebben, en of het lukt om tijdigvoldoende installaties te hebben?Hoeveel installaties uiteindelijk, bij inwerkingtreding van Fase III in alleCDNI-lidstaten, nodig zijn in Nederland is moeilijk aan te geven. Dit isonder meer afhankelijk van de mate waarin op termijn dedicated encompatibel wordt gevaren en van het aanbod aan ontgassingsinstallaties(vlak) over de grens in Duitsland en België. In de met alle betrokkenpartijen vastgestelde Roadmap wordt uitgegaan van een netwerk van3 à 5 locaties met in totaal 5 à 10 installaties dat naar behoefte in de loopder tijd kan worden uitgebreid. Op dit moment kan in Nederland optwee locaties (met in totaal drie ontgas-aansluitingen) ontgast worden.Ook in Duisburg (Duitsland) kan al ontgast worden. Vergunningaanvragenzijn ingediend voor nog eens 2 locaties met in totaal minimaal 3 aanslui-tingen. Daarnaast zijn er diverse kansrijke locaties in onderzoek. Zoalsaangegeven is de verwachting van marktpartijen dat er bij de inwerking-treding van Fase I geen grote problemen optreden. Bij het moment vaninwerkingtreding van Fase II is het waarschijnlijk dat er een basisinfra-structuur bestaat, die vervolgens dus verder opgeschaald kan worden.Deze leden willen benadrukken dat zij de Minister steunen in zijn stellingdat tijdsdruk nodig is om de uitrol op stoom te krijgen. Om die redenwillen deze leden dan ook benadrukken dat verder uitstel of een besluitniet te handhaven, juist de druk eraf haalt. Daarmee ontstaat gelijk eenonbalans in de markt waarbij voorlopers worden gestraft.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat stakeholdersbenadrukken dat bij de toepassing van het principe «de vervuiler betaalt»de rekening naar de ladingeigenaar zou moeten gaan. Deze leden steunenhet principe en de consequentie.5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4508 Kan de Minister bevestigen dat de kosten niet zullen worden afgewenteldop de zwakste partij in de keten?In artikel 7.06 van de Uitvoeringsregeling bij het CDNI-verdrag is bepaalddat de verlader de kosten draagt voor het ontgassen, met inbegrip van deeventueel daardoor ontstane kosten voor wachttijden en omwegen.In het Wijzigingsbesluit SAB is met een nieuw vierde lid bij artikel 45aangesloten bij die verdeling van de kosten. Daarin is explicietopgenomen dat de verlader in brede zin de kosten draagt voor hetontgassen bij een installatie. Zoals ook benadrukt tijdens het Tweeminu-tendebat Maritiem op 26 maart jl. is het doel van het verbod juist omschippers en bemanningsleden te beschermen tegen de negatieveeffecten van varend ontgassen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich meer zorgen over dehandhaving. Bij alle eerdere discussies over het stelsel van vergunning-verlening, toezicht en handhaving (VTH-stelsel) bleek dat we te makenhebben met een groot handhavingstekort. Te weinig geld, te weinigmensen, te weinig kennis en materieel. Het handhaven op het verbod totvarend ontgassen en de tussenstappen ernaartoe, maakt de taak van deInspectie Leefomgeving en Transport (ILT) groter. Met de start van fase Iper 1 juli van dit jaar, zal de ILT inmiddels moeten kunnen beschikken overalle nieuwe middelen en mensen.6.Graag ontvangen deze leden een bevestiging hiervan, dan wel eenoverzicht van wat nog moet gebeuren en wie daarvoor verantwoordelijkis.Als op 1 juli 2024 Fase I van het verbod op varend ontgassen van kracht iszal de ILT hierop toezicht houden met de middelen die op dat momentbeschikbaar zijn. De ILT werkt momenteel aan capaciteitsuitbreiding voorde handhaving van het ontgasverbod. In de Handhaafbaarheids-Uitvoerbaarheids- en Fraudebestendigheidstoets heeft de ILT ook eenaantal andere voorwaarden gesteld die hiervoor gerealiseerd moetenworden. Met name op de realisatie van een landelijk dekkend e-nosenetwerk zijn nog stappen te nemen. Dit vergt o.a. afspraken tussen hetministerie, de ILT en de partij(en) die dit netwerk gaan realiseren, beherenen onderhouden. Op de voorwaarden die de ILT stelt wordt door allebetrokkenen hard gewerkt om die per 1 juli gerealiseerd te hebben.Tenslotte willen de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie benadrukken datzij hechten aan het verwerken van alle schadelijke gassen en dat eensnelle implementatie van fase III van groot belang is. Ook als anderelanden vertraging oplopen zou Nederland een volledig verbod moetenlaten gelden zodra dat technisch mogelijk is. Ook hier geldt weer dat eensnel uitrol van een netwerk van ontgassingsinstallaties van groot belangis. Wat deze leden betreft komt er een harde deadline voor fase III, diegeldt voor zowel het chemiecluster als de provincies, die de uitrol vanontgassingsinstallaties moeten faciliteren.NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie onderschrijven het belang van het versneldverbieden van varend ontgassen. Zij wijzen hierbij op de belasting dievarend ontgassen met zich meebrengt op het milieu, de gezondheid vanbemanning van schepen en de omgeving en omwonenden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 4509 De leden van de NSC-fractie vinden het goed dat er in Nederland wordtgekozen om fase II versneld inwerking te laten treden en tekenen daarbijaan dat zij het belangrijk vinden dat de Minister zich in blijft zetten om deandere CDNI-verdragspartners (CDNI: Het Verdrag inzake de verzameling,afgifte en inname van afval in de Rijn- en binnenvaart) te bewegen hierbijhet Nederlandse voorbeeld te volgen. Deze leden vragen zich wel afwanneer dit fase II verbod precies in zal gaan. In de stukken zien dezeleden dat «er is gekozen om het verbod op de stoffen die in fase II vallengelijktijdig met of in ieder geval zo snel mogelijk na fase I te laten gelden»(Kamerstuk 31 409, nr. 437, pagina 4). Zij vragen zich af waar de inwer-kingtredingsdatum van het fase II verbod van afhangt.7.Kan de Minister aangeven om welke redenen het fase II verbod misschienlater in werking zal treden dan 1 juli (de beoogde inwerkingtredingsdatumvan het fase I verbod)? Speelt een eventueel tekort aan ontgassingsinstal-laties daarin een rol?Een eventueel tekort aan ontgassingsinstallaties speelt geen rol watbetreft een eventuele latere inwerkingtreding van Fase II van het verbod.Het verdere verloop van de procedure tot en met de inwerkingtreding ishoofdzakelijk afhankelijk van drie stappen: deze voorhangprocedure, deadvisering door de Raad van State en de nahangprocedure. Bij elke stapkunnen technische, juridische of politieke punten opkomen die nopen totaanpassing van het ontwerpbesluit. In dat geval is het onvermijdelijk datde inwerkingtredingsdatum opschuift.De leden van de NSC-fractie hebben in het commissiedebat Maritiem van8 februari jongstleden gevraagd naar zorgen over het tijdig vergunnenvan ontgassingsinstallaties. De Minister van Infrastructuur en Waterstaat(IenW) heeft toen toegezegd na ruim een maand schriftelijk een stand vanzaken omtrent varend ontgassen te doen toekomen, inclusief een actueelbeeld ten aanzien van de locaties die nu in ontwikkeling zijn. En daarbijook de positie van de schipper te betrekken. Op 18 maart jl. heeft deKamer deze brief (Kamerstuk 31 409, nr. 439) ontvangen en deze ledendanken de Minister daarvoor. Deze leden lezen daarin dat de capaciteit omaan een installatie te kunnen ontgassen met name vanaf inwerkingtredingvan fase II nog beperkt zal zijn.8.Hoe beziet de Minister versnelde inwerkingtreding van het fase II verbodin de context van een infrastructuur die daar misschien niet op tijd klaarvoor is?Hoofdreden voor het versneld invoeren van Fase II in Nederland is demilieu- en gezondheidswinst die dat oplevert. Bijkomend voordeel is dateen verbod op Fase II de businesscase voor ontgassingsinstallatiesverstevigt. Hoe groter de groep stoffen die niet meer ontgast mogenworden naar de atmosfeer, hoe meer schepen ontgast moeten worden(voor die gevallen waarin niet compatibel of dedicated wordt gevaren).Meer ontgassingen betekent een stevigere businesscase voor ontgas-singsinstallaties, waardoor het aanbod daarvan groeit. Met het oog op detijdige totstandkoming van ontgassingsinstallaties is daarom ook al op17 mei 2023 aangekondigd dat Fase II versneld zou worden (Kamerstuk31 409, nr. 402). Een uitstel van de inwerkingtreding van Fase II zal de drukop de markt om tijdig voldoende installaties te realiseren, verminderen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 45010 De leden van de NSC-fractie vinden het belangrijk dat het verbodgehandhaafd kan worden en het is voor hen dus ook een geruststellingdat de ILT aangeeft dat zij in staat zijn om te handhaven vanaf deinwerkingtreding en ook van plan zijn dat te doen.BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie lezen dat dit ontwerpbesluit het Scheepsaf-valstoffenbesluit (SAB) wijzigt om varend ontgassen van de stoffengenoemd in fase I van het CDNI-verdrag per 1 juli 2024 in Nederland teverbieden en ook zo snel mogelijk van kracht zijn voor de stoffengenoemd in fase II.9.De leden van de BBB-fractie vragen zich af of er rekening wordt gehoudenmet het faciliteren van voldoende installaties die deze schadelijke stoffenzal opnemen, als alternatief op het ontgassen in de buitenlucht.Sinds de aankondiging van een nationaal verbod in het voorjaar van 2023is het bestaande overleg tussen het ministerie en verschillende organi-saties (van schippers, markt, verladers, havens, op- en overslagbedrijven,overheden en handhavers) geïntensiveerd en gestructureerd. Hetministerie heeft in samenspraak met deze stakeholders een breedgedragen roadmap vastgesteld om naar een verbod toe te werken. Eenbelangrijk onderdeel hiervan is het realiseren van een dekkende ontgasin-frastructuur.10.Deze leden willen daarnaast graag weten in hoeverre deze installaties opeen slimme manier verdeeld zijn over scheepvaartroutes in ons land.Bij de zoektocht naar geschikte locaties voor ontgassingsinstallaties ligt defocus op plekken langs die vaarwegen en laad- en losgebieden, waarbinnenvaarttankschepen veelvuldig gebruik van maken. Daar is de vraagnaar ontgassingsinstallaties het grootst en dus is het logisch dat daar hetaanbod komt.11.De leden van de BBB-fractie zijn benieuwd of er zicht is op de aanvragenvan deze installaties, om zo de voortgang van de voorbereiding op hetverbod op ontgassen te meten. Het is daarnaast ook van belang om zichtte krijgen waar deze aanvragen gedaan zijn.In de Kamerbrief (Kamerstuk 31 409, nr. 439) die op 18 maart jl. naar deKamer is verstuurd is een weergave gegeven van de huidige stand vanzaken van (het vergunningstraject voor) locaties voor ontgassingsinstal-laties. Volledigheidshalve wordt naar die Kamerbrief verwezen voor zichtop de aanvragen van installaties.SP-fractieDe leden van de SP-fractie pleiten al jaren voor het aan banden leggenvan varend ontgassen. Varend ontgassen zorgt voor onnodige uitstootvan zeer zorgwekkende stoffen (ZZS) en is schadelijk voor schippers,leefomgeving en milieu. Met het inrichten van de benodigde verwerkings-installaties zouden restladingen veilig afgevangen kunnen worden,waardoor varend ontgassen niet meer nodig is. Deze leden constaterendat er voor het verbod op varend ontgassen breed draagvlak bestaat inzowel de binnenvaartsector als de politiek. Het is spijtig dat het definitieveverbod ondanks deze brede steun zo lang op zich heeft laten wachten.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 45011 Deze leden danken de Minister, de betrokken sectorpartijen en dedecentrale overheden voor hun voorbereidende werk aan de uitvoeringvan het verbod en roepen op om verder uitstel van nu af aan op geenenkele manier te tolereren en het verbod na inwerkingtreding tehandhaven.12.Deze leden zijn benieuwd of de Minister kan toezeggen dat fase II van hetverbod definitief kort na 1 juli 2024 kan ingaan, zoals met dit voorstelwordt beoogd. Kan de Minister dit garanderen?Zie ook het antwoord op vraag 7. Het is de bedoeling om het verbod opFase II zo snel mogelijk na 1 juli in werking te laten treden. Omdat erechter nog cruciale stappen in de procedure dienen te worden doorlopenkunnen er geen garanties worden gegeven.De leden van de SP-fractie lezen in het ontwerpbesluit voor wijziging vanhet SAB dat de Minister niet kiest voor gelijktijdige invoering van fase IIIvan het ontgassingsverbod, ondanks de wens die hiertoe bestaat bijprovincies en partijen uit de binnenvaart. De Minister wijst in hetwijzigingsbesluit op een gebrek aan steun bij andere CDNI-lidstaten ennoemt tevens het risico op «grotere en langere heterogeniteit in deregelgeving» (Kamerstuk 31 409, nr. 437, pagina 4).13.Deze leden zijn van mening dat de Minister een grote kans laat schietendoor fase III van het verbod pas jaren later in te voeren en zij vragen hemom uitgebreider toe te lichten welke technische belemmeringen hemdwingen om fase III uit te stellen. Graag de reactie van de Minister hierop.Er is geen sprake van uitstel van Fase III. Fases I en II treden in Nederlandeerder in werking. Fase III zal inwerkingtreden conform de afsprakenbinnen het CDNI. Daarvan afwijken zal zorgen voor disproportionele enverstrekkende gevolgen voor het functioneren van de markt. Dezegevolgen zijn veel groter dan bij het nationaal invoeren van Fase II. Datkomt mede doordat meerdere stoffen die in Fase II van het verbod vallen,al in (delen van) Duitsland en België zijn verboden.Hier komt bij dat het invoeren van Fase III een nog verdere opschaling vanontgassingsinstallaties nodig maakt die niet haalbaar is op de kortetermijn.Wel blijft het wenselijk om in het hele CDNI-gebied waar mogelijk teversnellen. Om deze redenen wordt er internationaal gewerkt aan deharmonisatie en versnelling van alle fasen van het verbod, waaronder dusook fase III. De posities van de verschillende CDNI-lidstaten hieroverliggen echter nog uiteen.De leden van de SP-fractie lezen dat de Minister onder meer aanhaalt dateen versnelling van fase III onevenredige investeringen van het bedrijfs-leven vergt.14.Deze leden vragen de Minister wat hij in dat kader heeft gedaan omuitvoering te geven aan de aangenomen motie-Bouchallikht/Alkaya(Kamerstuk 31 409, nr. 344) die oproept om ondersteuning en (co)finan-ciering te verlenen voor het inrichten van verwerkingsinstallaties. Kan deMinister dit toelichten?De ingang om mogelijk subsidie te verkrijgen voor ontgassingsinstallatiesis de Europese CEF-T faciliteit. IenW heeft de voorbereidingskosten vaneen CEF-T subsidieaanvraag door de EVRA (European Vapour RecoveryTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 45012 Association) in 2023 op zich genomen, via een eenmalige subsidiebij-drage. Ook heeft het Ministerie van IenW een letter of support onder-tekend. Helaas is deze aanvraag niet gehonoreerd. Daarop heeft de EVRAeind januari 2024 een nieuwe, aangepaste CEF-T aanvraag ingediend. Ookhiervoor heeft IenW een letter of support opgesteld. De beoordeling vandeze aanvraag wordt verwacht in juni.Ook herinneren deze leden de Minister aan zijn belofte om de financiëlelasten van het verbod neer te leggen bij verladers en producenten van deladingen, in plaats van bij de schippers (Aanhangsel Handelingen II,vergaderjaar 2023–2024, nr. 301).15.Waarom dan toch overgaan tot uitstel vanwege bedrijfseconomischeredenen? Graag de reactie van de Minister hierop.Zoals aangegeven in het antwoord op vraag 13 is er geen sprake vanuitstel. Ook Fase III versneld invoeren in Nederland zou betekenen datNederland jarenlang uit de pas loopt met de overige CDNI-landen. Geziende aard van de stoffen in juist Fase III zou dit verstrekkende gevolgenhebben voor het functioneren van de markt. Dat is bij Fase I en II niet zo.De leden van de SP-fractie hebben meermaals hun zorgen uitgesprokenover het niet tijdig gereed zijn van voldoende ontgassingsinstallaties enbijbehorende steigercapaciteit waar schippers snel hun giftige restla-dingen op veilige wijze kunnen lozen. Deze zorgen zijn bij deze leden nietverdwenen en ook vanuit de binnenvaartsector worden hier nog steedsveel vragen over gesteld. De Minister heeft meermaals betoogd dat deaanleg van dampverwerkingsinstallaties geen taak is van de overheid,maar van het bedrijfsleven zelf, in de vorm van de eigenaren van descheepsladingen.De leden van de SP-fractie juichen het principe «de vervuiler betaalt» toezolang hiermee wordt bedoeld de verladers c.q. de eigenaren van descheepsladingen. Toch vragen zij zich af of de Minister wel voldoendemiddelen tot zijn beschikking heeft om deze doelstelling af te dwingen bijde marktpartijen. Over de tijdige inrichting van ontgassingscapaciteit is indiverse stuurgroepen veel en vaak gesproken tussen overheden ensectorpartijen, maar het aantal uiteindelijk vergunde installaties lijkt zeerbeperkt te worden.16.Had dit proces niet sneller en goedkoper kunnen verlopen indien deoverheid zelf de installaties had ingericht en deze tegen betaling aan deverladers ter beschikking had gesteld?Met het inwerkingtreden van het verbod staat de sector conform hetverdrag zelf aan de lat voor de verantwoordelijke verwerking vanrestdampen en dus ook voor het realiseren van ontgassingsinstallaties opdaarvoor geschikte locaties. Dit is in lijn met het principe «de vervuilerbetaalt». Het realiseren van installaties is geen taak van de Rijksoverheid.De leden van de SP-fractie lezen in de brief van de Minister van 18 maartjongstleden (Kamerstuk 31 409, nr. 439) dat er momenteel twee installatiesbeschikbaar zijn en dat er op meerdere locaties vergunningaanvragen ofproeven lopen, of dat de mogelijkheden hiervoor worden onderzocht.17.Het is deze leden bekend dat er intensief is gezocht naar extra locatieswaar verwerkingsinstallaties kunnen worden vergund en dat valt teTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 45013 prijzen, maar hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat deze inspanningenook daadwerkelijk leiden tot de beoogde ontgassingscapaciteit van vijf tottien installaties op drie à vijf locaties die bij het opstellen van de RoadmapVarend ontgassen (Kamerstuk 31 409, nr. 430) nodig werd geacht voor1 juli 2024?Het Ministerie van IenW faciliteert het proces om tijdig te komen totvoldoende installaties. Hiervoor is een overlegstructuur in het levengeroepen, waarin partijen gezamenlijk de Roadmap hebben vastgestelden afstemming plaatsvindt op bestuurlijk niveau, stuurgroepniveau en inwerkgroepen. Maar minstens zo belangrijk is het druk houden op hetproces, door geen misverstand te laten bestaan over het van krachtworden en handhaven van het verbod (1 juli aanstaande voor Fase I, zospoedig mogelijk daarna voor Fase II).De leden van de SP-fractie vrezen dat de latere invoering van fase III vanhet verbod iedere prikkel voor het bedrijfsleven heeft weggenomen omtijdig voor voldoende ontgassingscapaciteit te zorgen.18.Deelt de Minister deze vrees en is hij bereid om in internationaal verbandblijvend te pleiten voor versnelling van fase III van het ontgassings-verbod?De achterliggende gedachte dat Fase III-stoffen zo spoedig mogelijkverboden moeten worden wordt gedeeld, maar dan wel in afstemmingmet de andere CDNI-lidstaten. Internationaal wordt het gesprek gevoerdover harmonisatie en versnelling van alle fases in het CDNI. Als enige landeerder Fase III verbieden is gezien de termijnen in het CDNI-verdragonwenselijk en zou verstrekkende gevolgen hebben voor het functionerenvan de markt.De leden van de SP-fractie zijn tevreden over de belofte van de Ministerom overtredingen van het verbod te beboeten bij de opdracht gevendepartijen in plaats van bij de uitvoerende schippers. Deze leden vinden hetvan groot belang dat verladers op basis van hun economische machtspo-sitie de schippers niet kunnen dwingen om het verbod te omzeilen.19.Houdt de Minister rekening met dit risico en zo ja, zijn handhavendeinstanties voldoende toegerust om hier uitvoering aan te geven?Door de ILT zal, in samenwerking met partners, vanaf het moment datFase I van het CDNI in werking treedt, toezicht worden gehouden op ditverbod. De ILT kan zowel optreden tegen de schipper als de voor hettankschip verantwoordelijke vervoerende onderneming (de exploitant vanhet tankschip) en de verlader (afzender van de vervoerde partij). De ILT zaldaarbij een handhavingsstrategie inzetten, bestaande uit verschillendetoepasbare interventies; hierbij rekening houdend met de specifieke feitenen omstandigheden.Graag zouden deze leden zien dat er periodieke rapportages met deKamer worden gedeeld over de wijze waarop de handhaving verloopt enhoeveel controles hierbij worden uitgevoerd.20.Is de Minister hiertoe bereid?Aan de ILT is gevraagd om jaarlijks een rapportage op te stellen die inzichtgeeft in de handhaving van het verbod op varend ontgassen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 45014 De leden van de SP-fractie vernemen van de Minister dat het benodigdenetwerk van e-noses dat kan controleren op schadelijke emissies nog inontwikkeling is.21.Kan de Minister aangeven wat de inspanningen om tot een dekkendnetwerk van snuffelpalen te komen tot op heden hebben opgeleverd?In de HUF toets heeft de ILT, om doeltreffend te handhaven, een aantalvoorwaarden gesteld die gerealiseerd moeten worden. Met name op derealisatie van een landelijk dekkend e-nose netwerk zijn nog de nodigestappen te nemen. Momenteel wordt gewerkt aan afspraken tussen hetministerie, de ILT en de partij(en) die dit netwerk gaan realiseren, beherenen onderhouden.22.En kan hij tevens aangeven wat de juridische waarde is van de data diedoor de e-noses worden vergaard?Gebleken is dat e-nose-detecties, die gekoppeld zijn aan binnenvaarttank-schepen, zeer bruikbaar zijn vanuit toezicht. Ze hebben een juridischewaarde. Dat is ook onderschreven in de zaken die de meervoudigeeconomische kamer in Amsterdam heeft behandeld.1 Tegelijk geeft derechtbank aan dat er daarbij nog aanvullend bewijs moet zijn. Het OM ismede hierop in het hoger beroep gegaan, o.a. vanwege het belangrijke enprincipiële karakter van de bewijswaarde van de detecties door e-noses.23.Klopt het dat de snuffelpalen niet kunnen detecteren op meerdere stoffenen er daardoor een groot aantal e-noses nodig is om hierop te kunnenhandhaven?Een e-nose meet een verandering van luchtsamenstelling. Gelet op hetrepeterend detecteren door verschillende e-noses wijst dit nadrukkelijk op«het vrijkomen van gassen/dampen» vanaf het gekoppelde tankschip. Eene-nose «zegt» niet om welke stoffen het gaat.De leden van de SP-fractie hebben, evenals de Minister, waarschuwingenontvangen van belangenverenigingen uit de binnenvaart over desluiproutes die er zijn om stoffen «om te nummeren», zodat zij komen tevallen onder de later in te voeren fase III van het verbod.24.De Minister geeft aan hierover reeds in gesprek te zijn binnen het CDNI.Deze leden maken hieruit op dat voorlopig niet gehandhaafd kan wordenop deze potentiële uitwijkmanoeuvre, klopt dat?Het verbod zal vanzelfsprekend nageleefd moeten worden. Helaas zullener altijd partijen zijn die de grenzen van de wet opzoeken. Wanneer eenpartij moedwillig onjuiste informatie verschaft om de wet te omzeilenbijvoorbeeld over de stof die wordt vervoerd of ontgast is er sprake vaneen economisch delict. Om de wetgeving te verduidelijken en dit soortpotentieel ontwijkgedrag te ontmoedigen heeft Nederland inCDNI-verband een voorstel ingebracht om stofgroepen expliciet en alleenop UN-nummering te benoemen.25.1ECLI:NL:RBAMS:2024:230 en ECLI:NL:RBAMS:2024:231.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 45015 Tot slot vragen deze leden aan de Minister om te verduidelijken welkegevolgen het duiden van afvaldampen als afval of product heeft voor demogelijkheden om vergunningen voor verwerkingsinstallaties teverstrekken.Er kan niet op voorhand generiek worden bepaald of restlading-dampen de afvalstatus hebben, of niet. Dat moet per concreetgeval worden beoordeeld, en die beoordeling ligt bij de houdervan de dampen en bij het lokaal bevoegd gezag om te toetsen aande inhoud van de Kaderrichtlijn Afvalstoffen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 31 409, nr. 45016
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.