Verslag van een schriftelijk overleg over de Beleidsreactie onderzoeksrapport Druk op de Keten (Kamerstuk 31839-1050)
Brontekst
Versie 80b7ff9a6724a25a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202531 839JeugdzorgNr. 1079 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 15 april 2025 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport over de brief van 16 december 2024over de Beleidsreactie onderzoeksrapport Druk op de Keten (Kamerstuk31 839, nr. 1050).De vragen en opmerkingen zijn op 7 februari 2025 aan de Staatssecretarisvan Volksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 15 april2025 zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisDe griffier van de commissie,Esmeijer kst-31839-1079ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2025Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10791 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie5Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie6Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie6II.Reactie van de Staatssecretaris7 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactieop het onderzoeksrapport Druk op de Keten en hebben hierover geenaanvullende vragen of opmerkingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de beleidsreactiegelezen. Zij vragen zich allereerst af waarom deze reactie zo laat naar deKamer is gestuurd? Het rapport «Druk op de Keten» is van 30 november2023, de beleidsreactie is op 16 december 2024 naar de Kamer gestuurd.Waarom heeft dit meer dan een jaar moeten duren? Wat zegt dit over deurgentie die er bij de regering leeft over dit onderwerp? De leden willenhierbij opmerken dat zij dit gebrek aan urgentie op dit onderwerp ookherkennen aangezien er nog steeds geen beleidsreactie is op de initia-tiefnota1 «Ons land is beperkt» die de leden twee jaar geleden hebbeningediend. Wanneer komt de regering met deze beleidsreactie?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het onderzoek laat ziendat de druk op de keten van kinderopvang, onderwijs en zorg voorkinderen met een extra ondersteuningsbehoefte is toegenomen in deperiode 2016–2019 en dat dit zich uit in onder meer hoge bezettings-graden en lange wachtlijsten. Deze conclusie verrast de leden niet, zijtrekken al jaren aan de bel over het gebrek aan goede, passende zorg enondersteuning voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte inzowel de kinderopvang, het onderwijs als de zorg. Dit gebrek aanondersteuning zorgt voor schrijnende situaties. Ouders die verdwalen ineen doolhof van verschillende instanties en regelwerk of ouders diemoeten stoppen met werk omdat een kind thuis komt te zitten. Kinderendie niet naar school kunnen en vereenzamen en bij wie de ontwikkelingstokt. Is de regering van mening dat zij zich nog houdt aan alle artikelenvan het kinderrechtenverdrag? Ook de conclusie uit het onderzoek dat «derek» uit de keten is, is niet nieuw. Kan de regering reflecteren op hetbeleid van de afgelopen jaren dat voor deze druk op de keten heeftgezorgd? Welke wet- en regelgeving (of juist niet genomen wet- enregelgeving) van de kabinetten van de afgelopen twintig jaar hebbenvolgens de regering geleid tot deze druk op de keten?De leden lezen in het onderzoeksrapport dat er een discrepantie is tussenwat professionals ervaren en wat er uit het onderzoek blijkt. Professionals1Kamerstuk 36 282, nr. 2Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10792 ervaren toegenomen druk niet zozeer vanwege de stijging van het aantalkinderen met een ondersteuningsbehoefte, maar vooral vanwege destijging in de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte (lees: de aardvan de klachten wordt erger). De onderzoekers kunnen geen bewijsvinden voor verzwaring van de ondersteuningsbehoefte van kinderen.Hoe kijkt de regering naar dit verschil tussen wat professionals ervaren enwat er uit het onderzoek komt? Waar denken zij dat dit vandaan komt? Deleden lezen dat in het onderzoek is gekeken naar kinderen van ouders meteen migratieachtergrond. Is er ook gekeken naar het opleidingsniveau vanouders en sociaaleconomische aspecten? Krijgen bijvoorbeeld kinderendie ouders hebben met een licht verstandelijke beperking (lvb) de juistehulp en ondersteuning?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat één van de verklarendefactoren die bijdraagt aan de druk op de keten ligt in de verkokering vanwet- en regelgeving die het moeilijk maakt om domein overstijgendsamen te werken en op casusniveau tot goede oplossingen te komen. Ditwordt al jaren geconstateerd, hoe kan het dat deze verkokering van wet-en regelgeving nog steeds niet is aangepast? Welke trajecten en maatre-gelen lopen er nu concreet om dit op te lossen? En terugkijkend, in dezebrief2 uit 2018 worden al diverse knelpunten en oplossingsrichtingengenoemd, op welke van deze punten gaat het nu beter?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering in dereactie «waar passend» de voorgestelde oplossings- en denkrichtingen uithet onderzoeksrapport meeneemt. Kan de regering op alle 12 aanbeve-lingen van het rapport apart reageren en uiteenzetten wat ze ermee gaandoen? Kan de regering uitgebreid ingaan op de aanbeveling om deregio-indelingen te uniformeren, met de focus op het aansluiten van dejeugdregio’s en samenwerkingsverbanden? Het wetvoorstel verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg dat binnenkort in de Kamer wordt besprokenwil 41 Jeugdregio’s oprichten, er zijn ook ruim 150 samenwerkingsver-banden, hoe gaan zij (beter) samenwerken? Waarom is er niet gekozenvoor een uniforme regio-indeling?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de reactie van deregering dat de regering onderzoek gaat laten doen en dat er eenkwartiermaker is ingesteld. De leden zijn vooral benieuwd welke concretemaatregelen de regering gaat nemen om de verbindingsroute tussenopvang, onderwijs en zorg bij het jonge kind echt van de grond te krijgen?Welk concreet doel heeft de regering zichzelf gesteld bij deze aanpak?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er verwezen wordtnaar de voortgangsrapportage over de Verbeteraanpak passend onderwijsen de stappen die worden gezet op de korte en lange termijn om dewachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs terug te dringen. Ook hierlezen de leden opnieuw verwijzingen naar onderzoek doen en kennis-deling. Wat de leden betreft is er meer nodig dan onderzoeken enkennisdeling. Kan de regering aangeven wat de genoemde kortetermijnoplossingen, de middellange termijnoplossingen en de langetermijnoplossingen tot nu concreet hebben opgebracht? Welke concretedoelen heeft de regering zichzelf per oplossingstermijn gesteld? Neemt dewachttijd voor het gespecialiseerd onderwijs inmiddels af? En hoe ziet deregering de verhouding tussen de beschreven ambities en mooiewoorden als er tegelijk door deze regering wordt bezuinigd op onderwijsen initiatieven om thuiszitten tegen te gaan? Is de regering het met deleden eens dat de randvoorwaarden (tijd, docenten, geld) in het onderwijs2Kamerstuk 31 497, nr. 282.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10793 op orde moeten zijn om echt stappen hierin te maken en dat dit dan ookinvesteringen vereist in plaats van bezuinigingen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het uitgangspunt vande regering is dat het onderwijs en de kinderopvang zo inclusief mogelijkzijn. De regering noemt hierbij de doelstellingen uit de Nationale Strategievoor de implementatie van het VN-verdrag Handicap en de doelstellingenvoor 2040 waarin «ieder kind welkom is op de kinderopvang en opschool». De leden onderschrijven deze doelen, maar zien tot nu toe teweinig actie van de regering om deze doelen daadwerkelijk te halen. Deregering heeft als doelstelling om tegen 2035 inclusief onderwijs tebereiken, maar de leden wachten nog steeds op de uitwerking van demotie Westerveld/De Hoop3 die in april 2023 is aangenomen, waaringevraagd wordt om bij de werkagenda inclusief onderwijs gedetailleerd tebeschrijven hoeveel elke actielijn en maatregel gaat kosten. Wanneerwordt deze motie eindelijk uitgevoerd? De leden zien ook dat dezeregering geen budget heeft gereserveerd om de doelstelling van inclusiefonderwijs te bereiken. Op welke manier denkt de regering de ambitie van2035 nog te halen?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich ook af waarommoties die juist oproepen tot meer inclusief onderwijs, zoals de aange-nomen motie Westerveld c.s.4 over het stimuleren van Samen naarSchool-klassen in het voortgezet onderwijs door knelpunten weg tenemen, amper worden opgevolgd? De motie vroeg in juni 2024 omconcrete stappen, de regering laat weten in 2025 de Kamer hierover teinformeren. Is de regering het met de leden eens dat hier weinig urgentieuitspreekt?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering zich ookgaat inzetten om de doorontwikkeling van inclusievere vormen vankinderopvang te stimuleren. Ook hier wordt ingezet op kennisdeling enonderzoek. De leden vragen zich af of dit voldoende is om de ambitie tebereiken dat in 2040 elk kind welkom is op kinderopvang? Eerder steldenzij al schriftelijke vragen5 om kinderen uit het speciaal onderwijs hetwettelijke recht op kinderopvang te geven. In de antwoorden op de vragenheeft de regering toegezegd om met de betrokken partijen in gesprek tegaan over de mogelijkheden voor deze wettelijke verankering en ingesprek te gaan over de mogelijkheden om kinderopvang voor kinderenin het speciaal onderwijs beter te faciliteren en stimuleren. Wanneer zullendeze gesprekken plaatsvinden en met wie gaat de regering hieroverspreken? Kan de regering toezeggen dat er een verslag van dezegesprekken naar de Kamer wordt gestuurd?De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen veel mooie woorden overhet ontschotten en aanpassen van wet- en regelgeving om inclusiefonderwijs te bevorderen, zoals bijvoorbeeld het Experiment Onderwijs-zorgarrangementen en de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Vaakworden dit soort experimentenechter opgezet vanuit tijdelijke middelen, zonder wettelijke verplichtingenen kaders. Wanneer gaat de regering echt werken maken van hetaanpassen van wet- en regelgeving zodat er duurzame oplossingenkomen om de schotten en financiering tussen onderwijs en zorg weg tehalen? In 2020 werd dit bijvoorbeeld al genoemd als één van de puntenvan de verbeteraanpak passend onderwijs, maar ondertussen lopenouders en kinderen nog steeds tegen dezelfde problemen aan. Wat gaatdeze regering concreet doen om deze ontschotting duurzaam mogelijk te3Kamerstuk 31 497, nr. 462.4Kamerstuk 31 497, nr. 487.5Aanhangsel Handelingen II, 2024/25, nr. 832.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10794 maken? Hoe staat het met de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd? Kande regering ook reageren op signalen dat bij sommige gemeenten eenleerplichtontheffing een voorwaarde is om een persoonsgebonden budget(pgb) aan te vragen. Mag dat? Is de regering het met de leden eens dat ditonwenselijk is?De leden merken op dat dit ook geldt voor de verschillen in regelgevingvan kinderopvang, onderwijs en zorg. De schotten tussen de regelgevingen de financieringsstromen maken het ingewikkeld om samenwerkingtussen de kinderopvang of het onderwijs met organisaties die jeugdhulpof zorg bieden duurzaam te organiseren. Wat gaat de regering concreethieraan doen? Kan de regering een tijdspad schetsen voor het wegnemenvan de tegenstrijdigheden in visie en eisen per sector, zodat kinderen inde toekomst niet meer te horen kunnen krijgen dat ze te complex zijn endaardoor niet naar school of de kinderopvang kunnen of geen jeugdhulpkrijgen?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactieop het onderzoeksrapport Druk op de keten. Zij hebben hierbij nog enkelevragen.De leden van de fractie van de VVD vragen zich allereerst af welkpercentage van de kinderen die naar het speciaal onderwijs zijn gegaan,volgens de normen van het passend onderwijs, in theorie ingeschrevenkonden staan binnen het reguliere onderwijs.Daarnaast lezen de leden dat de gemeenten bepalen welke kinderen inaanmerking komen voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE). De ledenvan de VVD-fractie weten uit de praktijk dat er veel verschillendeaanpakken zijn onder gemeentes binnen de VVE. De leden van deVVD-fractie vragen zich af of er voorbeelden zijn van gemeenten waar deaanpak zeer succesvol is en wat deze aanpak dan zo succesvol maakt.De leden van de VVD-fractie lezen ten slotte dat er voor kinderen die extraondersteuning nodig hebben in hun (taal)ontwikkeling voorschoolseeducatie beschikbaar is. Hoeveel procent van de kinderen binnen dekinderopvang maakt geregistreerd gebruik van ondersteuning vanaf 2019?Hoeveel procent van de kinderen met een indicatie voor voorschoolseeducatie maakt daar daadwerkelijk gebruik van? Hoeveel beschikbarekindplaatsen zijn er nu?Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract hebben de beleidsre-actie op het rapport «Druk op de keten» gelezen. Aan de hand van dezebeleidsreactie hebben deze leden nog een aantal vragen aan de Staatsse-cretaris.De leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract lezen terug dat deStaatssecretaris in de beleidsreactie opschrijft dat er aan de hand van hetrapport een aantal maatregelen genomen gaan worden. De beleidsreactienoemt een aantal maatregelen om de druk op de keten te verlichten, maardeze leden maken zich zorgen dat er niet voldoende wordt gekeken naarde dieperliggende oorzaken van de toenemende druk. Kan de Staatssecre-taris toelichten en nader uitleggen waarom de genoemde maatregelenniet te veel gericht zijn op symptoombestrijding in plaats van hetuitvoeren van fundamentele hervormingen in de keten? Het nemen vanmaatregelen om druk te verlichten zijn nodig en deze leden kunnen zichTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10795 vinden in een groot gedeelte van de genoemde maatregelen. Deze ledenwillen aan de Staatssecretaris vragen hoe de maatregelen gemonitordgaan worden op meetbare effecten? Heeft de Staatssecretaris eenconcreet tijdspad en toetsbare criteria opgesteld zodat de maatregelenbeoordeeld kunnen worden op het daadwerkelijk verlichten van de drukop de keten?De leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract lezen in de beleidsre-actie terug dat een flink aantal genoemde maatregelen de nadruk leggenop samenwerking. Deze leden prijzen de erkenning dat de huidige ketenflink gefragmenteerd is en de beleidsreactie heeft een aantal goedevoorstellen om samenwerking te verbeteren. Toch missen deze leden deexpliciete inzet op een integrale aanpak waarbij ouders, scholen,zorginstellingen en gemeenten op structurele basis gaan samenwerken.Kan de Staatssecretaris nader toelichten hoe de maatregelen hierinvoorzien of hoe dit alsnog vorm kan worden gegeven? Deze leden zoudenook graag zien dat er bijvoorbeeld één toegankelijk, laagdrempelig loketkomt voor ouders en kinderen met hulpvragen of -behoefte. Hoereflecteert de Staatssecretaris hierop?De leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract lezen concreet terugdat gemeenten, bestuurders, beleidsmakers en professionals eenbelangrijke rol kunnen spelen tijdens de eerste 1.000 dagen in deontwikkeling van een kind. Zo lezen deze leden dat gemeenten kunnenbepalen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatieen dat gemeenten de mogelijkheid hebben om de samenwerking tussenprofessionals en het informeel netwerk te versterken. Deze leden willengraag aan Staatssecretaris vragen hoe gemeenten dit concreet doen. Hoewordt een «Kansrijke Start aanpak» ingezet en hoe wordt de bekendheidvan deze aanpak gepromoot onder ouders? Kunnen ouders zichzelfmelden bij de gemeente, of is de gemeente de enige die actief handelt ophet in aanmerking laten komen van kinderen voor extra ondersteuning enhet versterken van het informele netwerk? Kan de Staatssecretarisuitleggen op basis van welke gegevens en data de gemeente kinderen inaanmerking laat komen voor de «Kansrijke Start aanpak»?De leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract lezen in de beleidsre-actie terug dat de jeugdgezondheidszorg (JGZ) een rol kan spelen in bredeteams van experts die door gemeenten worden ingesteld en kunneninschatten welke zorg voor het kind nodig is. Deze leden willen aan deStaatssecretaris vragen of deze teams al bestaan? Speelt de JGZ opsommige manieren al een dergelijke rol, of moet deze rol nog wordenvormgegeven? Kan de Staatssecretaris toelichten of er genoeg capaciteiten draagkracht is om deze teams in samenwerking met de JGZ in testellen mochten deze er nog niet zijn?Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactieop het onderzoeksrapport Druk op de Keten. De leden hebben geenvragen aan de Staatssecretaris.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de beleidsreactievan het kabinet op het onderzoeksrapport Druk op de Keten. Zij hebbenhierover nog enkele vragen en opmerkingen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10796 De leden van de SP-fractie merken op dat ouders van kinderen met eenbeperking nog regelmatig te maken krijgen met tegenstrijdige eisenvanuit de overheid, waarbij vanuit de ene instantie gestimuleerd wordtdat zij meer gaan werken en vanuit de andere instantie dat zij minder gaanwerken. Hoe kijkt het kabinet naar deze problematiek en welke oplos-singen kan het kabinet deze ouders bieden?II. Reactie van de Staatssecretaris GroenLinks-PvdADe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben de beleidsreactiegelezen. Zij vragen zich allereerst af waarom deze reactie zo laat naar deKamer is gestuurd? Het rapport «Druk op de Keten» is van 30 november2023, de beleidsreactie is op 16 december 2024 naar de Kamer gestuurd.Waarom heeft dit meer dan een jaar moeten duren? Wat zegt dit over deurgentie die er bij de regering leeft over dit onderwerp?Ik deel samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap en de Staatssecretaris Participatie en Integratie de urgentiedie blijkt uit het onderzoek. Er is echter geen eenduidige oplossing voorhet oplossen van de wachtlijsten en het verminderen van de druk in deketen van kinderopvang, gespecialiseerd onderwijs en zorg/jeugdhulpvoor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte. Het ontwikkelenvan passende maatregelen vraagt zorgvuldige afstemming met het velden tussen de departementen, waarvoor meer tijd nodig bleek.De leden willen hierbij opmerken dat zij dit gebrek aan urgentie op ditonderwerp ook herkennen aangezien er nog steeds geen beleidsreactie isop de initiatiefnota6 «Ons land is beperkt» die de leden twee jaar geledenhebben ingediend. Wanneer komt de regering met deze beleidsreactie?Op dit moment wordt met betrokken departementen, ervaringsdeskun-digen en hun vertegenwoordigende organisaties gewerkt aan detoegezegde werkagenda VN-verdrag Handicap. De initiatiefnotaWesterveld bevat naast overlap ook aanknopingspunten voor dewerkagenda. Daarom heeft de Staatssecretaris Langdurige en Maatschap-pelijke Zorg toegezegd dat de reactie op de initiatiefnota Westerveld voorde zomer, gelijktijdig met de werkagenda VN-verdrag Handicap, naar deKamer wordt verzonden.7De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het onderzoek laat ziendat de druk op de keten van kinderopvang, onderwijs en zorg voorkinderen met een extra ondersteuningsbehoefte is toegenomen in deperiode 2016–2019 en dat dit zich uit in onder meer hoge bezettings-graden en lange wachtlijsten. Deze conclusie verrast de leden niet, zijtrekken al jaren aan de bel over het gebrek aan goede, passende zorg enondersteuning voor kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte inzowel de kinderopvang, het onderwijs als de zorg. Dit gebrek aanondersteuning zorgt voor schrijnende situaties. Ouders die verdwalen ineen doolhof van verschillende instanties en regelwerk of ouders diemoeten stoppen met werk omdat een kind thuis komt te zitten. Kinderendie niet naar school kunnen en vereenzamen en bij wie de ontwikkelingstokt. Is de regering van mening dat zij zich nog houdt aan alle artikelenvan het kinderrechtenverdrag?Nederland heeft zich 30 jaar geleden verbonden aan het kinderrechten-verdrag en werkt sindsdien op verschillende terreinen aan het versterkenvan de naleving van kinderrechten. Het kabinet werkt aan verbeteringen inhet hele veld, zo zetten de betrokken departementen in op de volgende6Kamerstuk 36 282, nr. 27Kamerstuk 24 170, nr. 34, p. 44–45Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10797 acties: een sterke pedagogische basis rond het jonge kind (0–6 jaar),voldoende capaciteit in de keten, het verminderen van wachtlijsten en-tijden, het stimuleren van inclusievere vormen van onderwijs enkinderopvang, het toerusten en ondersteunen van professionals en hetvereenvoudigen van regelgeving. Door bovenstaande acties te implemen-teren zorgen we voor een veerkrachtiger en beter geïntegreerd systeemvoor kinderopvang, onderwijs en zorg en daarmee voor betere onder-steuning aan kinderen met een extra ondersteuningsbehoefte en hunouders.Ook de conclusie uit het onderzoek dat «de rek» uit de keten is, is nietnieuw. Kan de regering reflecteren op het beleid van de afgelopen jarendat voor deze druk op de keten heeft gezorgd? Welke wet- en regelgeving(of juist niet genomen wet- en regelgeving) van de kabinetten van deafgelopen twintig jaar hebben volgens de regering geleid tot deze druk opde keten?Belangrijke veranderingen in het onderwijs-zorg «veld» zijn de invoeringvan passend onderwijs in 2014 en de Jeugdwet in 2015. Daarmee isgewerkt aan de wensen tot verbetering van deze stelsels rond deontwikkeling van kinderen en jongeren. Momenteel zijn de doelen van deinvoering van passend onderwijs en de Jeugdwet nog niet vollediggerealiseerd. In de afgelopen jaren hebben OCW en VWS ook kunnenvaststellen dat de samenhang tussen deze stelsels en de uitvoering in deketen verbetering behoeft. Er zijn diverse factoren van invloed op de vraagnaar extra ondersteuning, denk bijvoorbeeld aan de covid-periode,maatschappelijke factoren en de druk in gezinnen door bijvoorbeeldvechtscheidingen en geldzorgen. Het heeft prioriteit om de uitvoering vanpassend onderwijs en de Jeugdwet te verbeteren. Daarom wordt door deStaatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gewerkt aan deverbeteraanpak Passend onderwijs en door mij aan de Hervormingsa-genda Jeugd.De leden lezen in het onderzoeksrapport dat er een discrepantie is tussenwat professionals ervaren en wat er uit het onderzoek blijkt. Professionalservaren toegenomen druk niet zozeer vanwege de stijging van het aantalkinderen met een ondersteuningsbehoefte, maar vooral vanwege destijging in de complexiteit van de ondersteuningsbehoefte (lees: de aardvan de klachten wordt erger). De onderzoekers kunnen geen bewijsvinden voor verzwaring van de ondersteuningsbehoefte van kinderen.Hoe kijkt de regering naar dit verschil tussen wat professionals ervaren enwat er uit het onderzoek komt? Waar denken zij dat dit vandaan komt?De regering neemt de signalen van de professionals serieus. Maatschap-pelijke factoren, zoals de individualisering van de samenleving (waardoorgezinnen minder steun ervaren van hun sociale netwerk) en de druk ingezinnen, door bijvoorbeeld vechtscheidingen en geldzorgen, hebbeninvloed op de ontwikkeling van kinderen en de ondersteuning die zij nodighebben. Dergelijke factoren bepalen mede de complexiteit van deondersteuningsbehoefte. Om die reden is van belang om te benadrukkendat ik mij, samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap en de Staatssecretaris Participatie en Integratie, wil richtenop het voorkomen (en het verergeren) van problemen, waarbij nadruk-kelijk meer aandacht is voor de sociale context van een kind. Hetonderzoek laat namelijk zien dat niet alleen de druk op de keten toeneemt,maar ook de druk op gezinnen. Zowel de kern van het probleem, als debeste oplossingen, zitten vaak in het systeem om het kind heen en niet inoplossingen voor het individuele kind.De leden lezen dat in het onderzoek is gekeken naar kinderen van oudersmet een migratieachtergrond. Is er ook gekeken naar het opleidingsniveauvan ouders en sociaaleconomische aspecten? Krijgen bijvoorbeeldTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10798 kinderen die ouders hebben met een licht verstandelijke beperking (lvb)de juiste hulp en ondersteuning?In het kwalitatieve deel van het onderzoek is gekeken naar het opleidings-niveau van ouders en sociaaleconomische aspecten, in tegenstelling tothet kwantitatieve deel van het onderzoek. Voor «kinderen van ouders meteen verstandelijke beperking» gebruiken we de afkorting KOVB. Als eenkind opgroeit bij ouders met een (licht) verstandelijke beperking kan datgrote invloed hebben op de kindertijd en op het volwassen leven. De kansdat een kind hierdoor zelf problemen ontwikkelt, is groot. De afgelopenjaren heeft het Trimbos instituut, in opdracht van VWS, in samenwerkingmet de denktank KOVB en belangenvereniging SIEN een aantal instru-menten ontwikkeld zodat deze kinderen beter in beeld kunnen komen enzij ook beter ondersteund kunnen worden. Zo is een website8 ingerichtspeciaal voor kinderen van ouders met een (licht) verstandelijkebeperking. Hier vinden zij informatie over de problemen waar zij tegenaankunnen lopen en welke hulp er voor hen is. Voor gemeenten zijnhandvatten en aanbod9 voor beleid rondom kinderen van ouders met een(licht) verstandelijke beperking ontwikkeld en tools voor deskundigheids-bevordering van professionals. Daarbij is de inzet van informele steun aandeze gezinnen van groot belang, denk hierbij bijvoorbeeld aan eenschaduwgezin10.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat één van de verklarendefactoren die bijdraagt aan de druk op de keten ligt in de verkokering vanwet- en regelgeving die het moeilijk maakt om domein overstijgendsamen te werken en op casusniveau tot goede oplossingen te komen. Ditwordt al jaren geconstateerd, hoe kan het dat deze verkokering van wet-en regelgeving nog steeds niet is aangepast? Welke trajecten en maatre-gelen lopen er nu concreet om dit op te lossen?Waar mogelijk zet het Rijk in op het vereenvoudigen van wet- enregelgeving, wat ten goede komt aan de samenwerking tussen professi-onals. Bijvoorbeeld middels de Wet aanpak meervoudige problematieksociaal domein (WAMS)11, die beoogt knelpunten weg te nemen in relatietot gegevensuitwisseling en privacy in het sociaal domein bij de aanpakvan meervoudige problematiek. In meerdere doelstellingen van deverbeteraanpak passend onderwijs werkt OCW aan het verruimen van demogelijkheden voor maatwerk via een ontschotte aanpak, zoals via hetActieprogramma Digitale School, het Experiment Onderwijszorgarrange-menten en het bijbehorende wetstraject waarmee we structureel meerruimte gaan bieden. Daarnaast werken OCW en VWS aan de verbete-raanpak Zorg in Onderwijstijd12 waarmee de organisatie van zorg inonderwijstijd eenvoudiger moet worden om zo de administratieve lastente verminderen. Ook inclusief onderwijs om aanpassing van wet- enregelgeving. Met de beleidsregel Inclusieve leeromgeving kunnen scholenvoor regulier en speciaal onderwijs intensiever samenwerken en zo eenstart maken met inclusief onderwijs.En terugkijkend, in deze brief13 uit 2018 worden al diverse knelpunten enoplossingsrichtingen genoemd, op welke van deze punten gaat het nubeter?Er is de afgelopen jaren hard gewerkt aan het oplossen van de genoemdepunten. Op sommige gebieden is er vooruitgang geboekt, terwijl andere8https://oudervanmijnouders.nl/9https://www.trimbos.nl/kennis/kovb10https://hetschaduwgezin.nl/11Kamerstuk 36 295, nr. 212Kamerstuk 31 497, nr. 47513Kamerstuk 31 497, nr. 282Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 10799 nog steeds actueel zijn en verdere maatregelen vereisen. Hieronder gaanwe in op deze knelpunten:–Knelpunt 1 (complexiteit en onduidelijkheid omtrent (de financieringvan) zorg in onderwijstijd): OCW en VWS werken samen aan eenverbeterde aanpak voor zorg in onderwijstijd:Er zijn steeds meer positieve voorbeelden in het land van zorg inonderwijstijd die zo regelarm en collectief mogelijk zijn georganiseerd,binnen de bestaande stelsels. Ik verwacht u samen met mijn collegavan OCW in aanloop naar het debat passend onderwijs verder teinformeren over te zetten stappen.–Knelpunt 2 (onvoldoende preventie en jeugdhulp samen met school):OCW, SZW en VWS werken samen met het veld aan het versterken vande pedagogische basis, onder meer vanuit de Verbindingsrouteonderwijs, kinderopvang en zorg. Daarnaast zet ik mij, samen met deStaatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en deStaatssecretaris Participatie en Integratie, in om ervoor te zorgen datkinderen met extra ondersteuningsbehoeften in reguliere opvanggroe-pen of onderwijs passend worden ondersteund. Er zijn goedepraktijkvoorbeelden, welke worden gebundeld in een handreikingontwikkeld voor gemeenten, kinderopvangorganisaties en zorg- enonderwijspartijen.–Knelpunt 3 (onduidelijkheid over ruimte voor maatwerk):Al langer wordt door OCW geconstateerd dat het niet altijd duidelijk iswat kan en mag, op het gebied van het bieden van extra ondersteu-ning. Ook op het snijvlak van onderwijs en zorg. In 2017 is via debrochure Ruimte in Regels verduidelijkt wat kan en mag, binnen degeldende regels in het onderwijs. Ook op het gebied van het biedenvan extra ondersteuning. Eind 2023 is er in een brochure voor oudersen één voor scholen duidelijkheid geboden over wat er momenteel kanbij het bieden van digitaal afstandsonderwijs, als vorm van maatwerkvoor kinderen met een ondersteuningsbehoefte. Daarnaast wordt doorde Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap gewerktaan een wetsvoorstel voor het vergroten van de mogelijkheden voorhet bieden van maatwerk in het onderwijs.–Knelpunt 4 (doorontwikkeling doorzettingsmacht):Door OCW worden in het voorjaar van 2025 sessies georganiseerd metdiverse belanghebbenden en partijen, met als doel te bezien op welkemanier doorzettingsmacht het beste geregeld kan worden.–Knelpunt 5 (onvoldoende ontwikkelingsgericht aanbod voor kinderenmet complexe en intensieve zorgbehoefte):Sinds 2023 is door OCW het Experiment Onderwijs-zorgarrangementen gestart, waarmee maatwerk mogelijk wordt voorleerlingen met complexe ondersteuningsbehoeften. Dit experimentbiedt scholen en samenwerkingsverbanden meer ruimte om af tewijken van wet- en regelgeving over onderwijsbekostiging, onderwijs-tijd, onderwijsinhoud en onderwijslocatie. De bevindingen zullenworden meegenomen in een wetsvoorstel waaraan, door OCW,gewerkt wordt. Verder is met het veld een handreiking gemaakt voorSamen naar School-klassen in het primair onderwijs en wordeninitiatiefnemers daar ondersteund, en verkent OCW op dit moment demogelijkheden voor deze klassen in het voortgezet onderwijs samenmet het veld.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering in dereactie «waar passend» de voorgestelde oplossings- en denkrichtingen uithet onderzoeksrapport meeneemt. Kan de regering op alle 12 aanbeve-lingen van het rapport apart reageren en uiteenzetten wat ze ermee gaandoen?–Aanbeveling 1 (creëer meer aanbod van plekken in het speciaalonderwijs):Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107910 Op dit moment groeit het aantal leerlingen in het gespecialiseerdonderwijs landelijk, wat laat zien dat er regionaal nog meer plekkenworden gecreëerd. Tegelijkertijd zet dit ook druk op de betaalbaarheidvan het stelsel van passend onderwijs. De onderliggende knelpuntendie in het rapport worden benoemd worden hiermee niet opgelost.Daarom wil de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschapvoor de langere termijn inzetten op de beweging naar inclusiefonderwijs. Onderdeel daarvan is om gezamenlijk met het gespeciali-seerd onderwijs de expertise dat zij kunnen bieden naar de leerling ende reguliere school toe te brengen i.p.v. het aanbod in het gespeciali-seerd onderwijs te vergroten. Het gespecialiseerd onderwijs blijft welbeschikbaar voor die leerlingen die dat nodig hebben.–Aanbeveling 2 (zorg voor de benodigde verdieping van de resultatenten aanzien van KDC’s, aangezien hier een groep kinderen lijkt te zittendie eigenlijk ook op een andere plek terecht zouden moeten kunnenmaar daar – bijvoorbeeld vanwege wachtlijsten bij het speciaalonderwijs – vooralsnog niet terechtkunnen):VWS, OCW en SZW gaan in gesprek met de VGN over verdieping vande resultaten en de positionering van KDC’s in relatie tot onderwijs enkinderopvang. Eventuele vervolgstappen hieromtrent wordenbesproken met deelnemers van de onderwijs-kinderopvang- zorgta-fel14–Aanbeveling 3 (heroverweeg de strenge eisen voor VOG’s, waardoorhet makkelijker kan worden om professionals vanuit verschillendedisciplines in te zetten):In de Kamerbrief Stand van zaken rond de Verklaring Omtrent hetGedrag in het primair en voortgezet onderwijs is de Kamer geïnfor-meerd dat vanaf 1 juli 2024 een VOG-kinderopvang volstaat vooronderwijsprofessionals die in het primair onderwijs werken.15 Eenaparte VOG voor het primair onderwijs is niet meer nodig. De nieuwemaatregel bespaart scholen en werknemers tijd en geld en maakt hetgemakkelijker om in beide sectoren te werken. Daarnaast wordt doorOCW verkend of periodieke en continue screening (de standaard in dekinderopvang) ook voor het onderwijs kan gelden, waardoor hetuitwisselen van personeel nog eenvoudiger wordt. Het kabinet is ookeen verkenning gestart of dit een oplossing kan bieden om heteenvoudiger te maken dat jeugdzorgpersoneel kan worden ingezet inde kinderopvang.–Aanbeveling 4 (breng in kaart hoe het gebruik van VE en VVE betergeregistreerd kan worden):Om gerichter te werken aan het verhogen van de deelname vanvoorschoolse educatie wil de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap vaststellen voor welke kinderen voorschoolse educatiein ieder geval is bedoeld.16 Voor het landelijk kader denkt de Staatsse-cretaris aan twee kenmerken: het opleidingsniveau van de ouders eneen andere thuistaal dan Nederlands. Gemeenten behouden de ruimteom de doelgroepdefinitie aan te vullen, omdat zij lokaal het beste zichthebben op welke kinderen baat hebben bij voorschoolse educatie. Hetopstellen van dit landelijk kader kan ook bijdragen aan een betereregistratie van het gebruik van voorschoolse educatie. Conform deregeling «Periodieke verstrekking systematische toezichtinformatie vveen lea» leveren gemeenten jaarlijks informatie aan de Inspectie van hetOnderwijs hoeveel doelgroeppeuters er worden bereikt. Omdat14OCW, VWS, SZW, VNG, PO-raad, VO-raad, MBO Raad, AVS, sectorraad GO, Netwerk LPO enSectorraad SWV VO, GGD GHOR Nederland, Jeugdzorg Nederland, de Nederlandse GGZ,VGN, VOBC, Sociaal Werk Nederland, Actiz, Branche Maatschappelijke Kinderopvang, BrancheKinderopvang, Ouders & Onderwijs, JongPIT, PerSaldo, Ieder(in), Met Andere Ogen en NJi.15Kamerstuk 27 923, nr. 49116Kamerstuk 31 293, nr. 765Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107911 gemeentes zelf hun doelgroep en meetmoment/-methode bepalen,kunnen cijfers per gemeente niet goed worden geaggregeerd naar eenlandelijk niveau. Het Ministerie van OCW gaat met de VNG en deInspectie van het Onderwijs in gesprek om te komen tot meereenduidige en beter vergelijkbare gegevens.–Aanbeveling 5 (breng in kaart in hoeverre wettelijke kaders en vastefinancieringsvormen voor plusopvang noodzakelijk zijn):VWS, OCW en SZW zien mooie voorbeelden waar extra ondersteu-ning, vaak plusopvang genoemd, wordt geboden. Er is bijvoorbeeldeen extra medewerker op de groep of ondersteuning vanuit eenzorgaanbieder. Kinderopvangorganisaties en gemeenten hebbenaangegeven dat het complex is om samenwerking te organiseren enfinanciering te organiseren voor deze plusopvang. Daarom wordt ersamen met hen een handreiking ontwikkeld met kennis over envoorbeelden van inclusieve vormen van kinderopvang. Deze handrei-king beschrijft ook de wettelijke kaders en financieringsmogelijkheden.Gemeenten zetten op dit moment met name jeugdwetmiddelen engoab-middelen in om dit te bekostigen. Daarnaast bekostigensommige kinderopvangorganisaties deze ook deels zelf. Dezehandreiking wordt voor de zomer opgeleverd.–Aanbeveling 6 (beschrijf welke mogelijkheden er zijn binnen bestaandewet- en regelgeving om de organisatie van ondersteuning over wettenen domeinen heen te organiseren (bijvoorbeeld ten aanzien vanBRIN-nummers) en stel deze informatie laagdrempelig beschikbaar):VWS, OCW en SZW stimuleren de doorontwikkeling van inclusievevormen van kinderopvang en onderwijs. Daarom zetten we in opkennisdeling en de ontwikkeling van een handreiking met goedepraktijkvoorbeelden van voor inclusievere vormen van kinderopvangen een leidraad voor schoolbesturen, samenwerkingsverbanden,gemeenten en zorgkantoren om hen te ondersteunen bij het realiserenvan een collectieve inzet van jeugdhulp en zorg op school. Naastkennisdeling onderzoeken we wat er verder nodig is om de samenwer-king tussen de sectoren te verbeteren en intensiveren.–Aanbeveling 7 (bouw aan een fundamenteel andere manier van kijkennaar de samenwerking tussen kinderopvang, onderwijs en jeugdzorgen kom los van het denken in ketens):De inzet op de pedagogische basis legt de nadruk op de verbindingtussen kinderopvang, jeugd(gezondheids-)zorg en onderwijs en vormteen aanvulling op waar momenteel aan wordt gewerkt in Nederland.Daarom hebben partijen17 op 18 juni 2024 afspraken gemaakt over deverbindingsroute opvang, onderwijs en zorg. Afgesproken is datpartijen zich niet meer richten op enkel de steun en zorg aan indivi-duele kinderen, maar zich juist gaan concentreren op het toerusten vanouders/verzorgers, professionals en de leefomgeving. Er is eenkwartiermaker aangesteld voor het vormgeven van een lerende aanpakvan de verbindingsroute opvang, onderwijs en zorg.–Aanbeveling 8 (geef prioriteit aan het beslechten van de discussiesover de reikwijdte van de jeugdhulp (ook onderdeel van de Hervor-mingsagenda Jeugd):In het kader van de Hervormingsagenda wordt het thema reikwijdtenader uitgewerkt. Onderdeel van het traject is een maatschappelijkedialoog. Als 1 op 7 jeugdigen een vorm van jeugdhulp ontvangt, dan iser iets aan de hand in onze samenleving. Dat kunnen en mogen weniet als een normaal gegeven beschouwen. Hoe voorkomen we datzo’n groot beroep wordt gedaan op jeugdhulp? In welke gevallen17OCW, VWS, SZW, VNG, PO-raad, VO-raad, MBO Raad, AVS, sectorraad GO, Netwerk LPO enSectorraad SWV VO, GGD GHOR Nederland, Jeugdzorg Nederland, de Nederlandse GGZ,VGN, VOBC, Sociaal Werk Nederland, Actiz, Branche Maatschappelijke Kinderopvang, BrancheKinderopvang, Ouders & Onderwijs, JongPIT, PerSaldo, Ieder(in), Met Andere Ogen en NJi.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107912 accepteren we dat bepaalde situaties en problemen bij het leven horenen wanneer niet? Daarover gaat de maatschappelijke dialoog die webreed willen voeren waarin wordt ingezet op brede bewustwording,agendering en prioritering, en een duidelijk handelingsperspectief vooralle relevante partijen in de leefwereld van jongeren. Dat betreft naasthenzelf ouders, hun netwerk, professionals, scholen, gemeenten,aanbieders en Rijk. Daarnaast is onderdeel van de uitwerking om deverantwoordelijkheid van gemeenten met betrekking tot het versterkenvan de sociale en pedagogische basis en de inzet op preventie tebenadrukken. Tevens worden de taken van stevige lokale teamsgeborgd, inclusief het domein overstijgend werken en wordt ergestuurd op passende inzet van specialistische zorg. Zodat hulpvragenduurzaam worden beantwoord en er alleen jeugdhulp wordt ingezetals dat effectief is. Deze beweging wordt gefaciliteerd in een wetsvoor-stel dat naar verwachting in de zomer van 2025 in consultatie gaat.Indiening bij de Tweede Kamer is voorzien begin 2026.–Aanbeveling 9 (breid de door ons uitgevoerde inventarisatie vankansrijke initiatieven uit en voer methodisch onderzoek uit naar deeffectiviteit van interventies, aangezien de effectiviteit van interventiesgericht op het verminderen van de druk op de keten nu onvoldoendeinzichtelijk is):Hier stappen in zetten is niet alleen een opgave voor de rijksoverheid.Gemeenten en andere partijen kunnen zelf onderzoek (laten) doen naarde effectiviteit van eigen initiatieven en interventies, denk bijvoorbeeldaan het realiseren van een «startklas». Daarnaast wordt in het landgewerkt aan het verkrijgen en delen van kennis. Zo heeft ZonMw eensubsidieoproep vanuit de consortia Jeugd uitgezet: «Impact doorsamen lerend doen wat werkt», dit levert een bijdrage aan dekennisontwikkeling en kennisbenutting van: het versterken van desociale en pedagogische basis; het vergroten van de collectieveverantwoordelijkheid voor het creëren van een veerkrachtige context;normaliseren en versterken van het gewone leven; vergroten vanweerbaarheid van jongeren; versterken van passende zorg enondersteuning en het versterken van lokale preventie en zorg.Daarnaast zijn er afspraken gemaakt in de Hervormingsagenda overhet verbeteren van kwaliteit met als doel het borgen van kwaliteit enblijvend leren in het jeugdstelsel. Ook bouwt bijvoorbeeld hetOndersteuningsteam Zorg voor Jeugd (OZJ) mee aan een lerendjeugdstelsel dat kinderen en jongeren in Nederland helpt gelukkig enveilig op te groeien. Zo ondersteunt OZJ initiatieven in het hele landdie bijdragen aan vernieuwing en verbetering van de jeugdhulp, enhelpen mee aan kennisuitwisseling, samenwerking en innovatie.–Aanbeveling 10 (uniformeer de regio-indelingen, waarbij de focusdient te liggen op het aansluiten van de jeugdregio’s en de samenwer-kingsverbanden):De kaders die met het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheidjeugdzorg en het bijbehorende ontwerpbesluit gesteld worden aanregionale samenwerking in het jeugddomein zijn mede ingegeven omde instabiliteit en versnippering bij de inkoop van specialistischejeugdhulp tegen te gaan. In dat kader zijn zoals afgesproken in deHervormingsagenda Jeugd de 42 bestaande jeugdregio’s getoetst omte bepalen of zij voldoende robuust zijn. Dat wil zeggen dat zij naarverwachting in staat zijn om een aanzienlijk deel van de specialistischejeugdzorg als regio zelf te organiseren.In het ontwerpbesluit behorend bij het wetsvoorstel Verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg is na een zorgvuldig proces uiteindelijk eenindeling in 41 regio’s opgenomen. Daarbij is rekening gehouden meteen aantal samenhangende criteria: de schaal van de regio, deaanwezigheid van een gedragen en concrete regiovisie, de matewaarin samenwerking in de regio is geformaliseerd, de mate waarinTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107913 sprake is van voldoende bestuurlijke slagvaardigheid en de kwaliteitvan het inkoopproces. De regio’s zijn getoetst aan deze samenhan-gende criteria met behulp van een zelfscan en daaropvolgendeverdiepende gesprekken. Naar aanleiding daarvan is geconstateerd datde 41 regio’s die nu opgenomen zijn in het ontwerpbesluit voldoenderobuust zijn. Hierbij is ook meegewogen dat juist voor regio’s die hetnu al «goed doen» een wijziging in de regio-indeling grote gevolgenheeft voor bestaande contractering en uitvoering. De buitengrenzenvan deze 41 jeugdregio’s vallen deels samen met de grenzen van de151 samenwerkingsverbanden passend onderwijs.Gelet op dit recent doorlopen zorgvuldige proces om te komen tot eenregio-indeling voor de jeugdzorg, ligt het niet in de rede dat in verbandmet genoemde aanbeveling om regio-indelingen te uniformeren, deindeling voor jeugdregio’s verder zal worden aangepast. Voor desamenwerkingsverbanden passend onderwijs geldt dat, conform demotie Soepboer18, door OCW wel opnieuw wordt gekeken naar deregio-indeling om zo te komen tot een minder gefragmenteerdespreiding. Uw Kamer wordt, vooruitlopend op het debat over passendonderwijs in mei, geïnformeerd over de uitwerking van deze motie.Uw Kamer is voor de zomer van 2024 door de voormalig Minister vanBZK geïnformeerd over de voortgang van de Actieagenda Sterkbestuur, waarbij ook aandacht is besteed aan het thema (verplichte)regionale samenwerking.19 In het kader van de Actieagenda SterkBestuur wordt onder andere gewerkt aan een afwegingskader voorregionale samenwerking, dat in de toekomst onder meer behulpzaamkan zijn bij het sturen op meer congruentie bij regiovorming.–Aanbeveling 11 (verken, samen met de wetenschap, of het mogelijk isom de verklaringen voor regionale verschillen (effect van de populatie,samenwerking en werkwijze, beschikbaar ondersteuningsaanbod,personeelstekorten en gemeentelijk beleid) nader te onderzoeken):Hierin stappen zetten is niet alleen een opgave voor de rijksoverheid.Er ligt een belangrijke opgave bij de gemeenten, de kinderopvang,onderwijs, jeugd(gezondheids-)zorg en professionals. We zien dat erop heel veel plekken in Nederland al wordt samengewerkt om op kortetermijn te werken aan verlichting van de druk in de keten. Ik stimuleer,samen met de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschapen de Staatssecretaris Participatie en Integratie, het uitwisselen vangoede (onderbouwde) voorbeelden uit diverse regio’s. Dit vindt ondermeer plaats binnen het inspiratienetwerk van de aanpak Met AndereOgen. Verdere oplossings- en denkrichtingen worden besproken metde deelnemers van de onderwijs-kinderopvang-zorgtafel20.–Aanbeveling 12 (overweeg een nieuwe analyse uit te voeren zodra dedatasets van na de coronaperiode beschikbaar zijn):VWS, OCW en SZW onderzoeken de mogelijkheden voor het uitvoerenvan een nieuwe analyse. Gesprekken met veldpartijen wijzen uit dat dedruk in de keten nog steeds hoog is. Daarom worden de beschrevenacties ingezet om de druk in de keten te verminderen, waarna denieuwe analyse kan plaatsvinden. Dit zal echter niet voor 2026 zijn.Kan de regering uitgebreid ingaan op de aanbeveling om de regio-indelingen te uniformeren, met de focus op het aansluiten van dejeugdregio’s en samenwerkingsverbanden?18Kamerstuk 31 497, nr. 48419Kamerstuk 33 047, nr. 2720PO-raad, VO-raad, MBO-raad, sectorraad GO, sectorraad SWV VO, VNG, GGD GHORNederland, de Nederlandse GGZ, Jeugdzorg NL, NJi, BMKO, ONS, VOBC, IGJ, NCJ, Ouders &Onderwijs, PerSaldo, Ieder(In), Gedragswerk, OZJ, GO, Met Andere Ogen, SWV PO, StichtingVoor werkende ouders, JongPIT, Sociaal Werk Nederland, ActiZ Jeugd.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107914 De kaders die met het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheidjeugdzorg en het bijbehorende ontwerpbesluit gesteld worden aanregionale samenwerking in het jeugddomein zijn mede ingegeven om deinstabiliteit en versnippering bij de inkoop van specialistische jeugdhulptegen te gaan. In dat kader zijn zoals afgesproken in de Hervormingsa-genda Jeugd de 42 bestaande jeugdregio’s getoetst om te bepalen of zijvoldoende robuust zijn. Dat wil zeggen dat zij naar verwachting in staatzijn om een aanzienlijk deel van de specialistische jeugdzorg als regio zelfte organiseren.In het ontwerpbesluit behorend bij het wetsvoorstel Verbetering beschik-baarheid jeugdzorg is na een zorgvuldig proces uiteindelijk een indeling in41 regio’s opgenomen. Daarbij is rekening gehouden met een aantalsamenhangende criteria: de schaal van de regio, de aanwezigheid van eengedragen en concrete regiovisie, de mate waarin samenwerking in deregio is geformaliseerd, de mate waarin sprake is van voldoendebestuurlijke slagvaardigheid en de kwaliteit van het inkoopproces. Deregio’s zijn getoetst aan deze samenhangende criteria met behulp van eenzelfscan en daaropvolgende verdiepende gesprekken. Naar aanleidingdaarvan is geconstateerd dat de 41 regio’s die nu opgenomen zijn in hetontwerpbesluit voldoende robuust zijn. Hierbij is ook meegewogen datjuist voor regio’s die het nu al «goed doen» een wijziging in de regio-indeling grote gevolgen heeft voor bestaande contractering en uitvoering.De buitengrenzen van deze 41 jeugdregio’s vallen deels samen met degrenzen van de 151 samenwerkingsverbanden passend onderwijs.Gelet op dit recent doorlopen zorgvuldige proces om te komen tot eenregio-indeling voor de jeugdzorg, ligt het niet in de rede dat in verbandmet genoemde aanbeveling om regio-indelingen te uniformeren, deindeling voor jeugdregio’s verder zal worden aangepast. Voor desamenwerkingsverbanden passend onderwijs geldt dat, conform de motieSoepboer21, door OCW wel opnieuw wordt gekeken naar de regio-indeling om zo te komen tot een minder gefragmenteerde spreiding. UwKamer wordt, vooruitlopend op het debat over passend onderwijs in mei,geïnformeerd over de uitwerking van deze motie. Uw Kamer is voor dezomer van 2024 door de voormalig Minister van BZK geïnformeerd overde voortgang van de Actieagenda Sterk bestuur, waarbij ook aandacht isbesteed aan het thema (verplichte) regionale samenwerking.22 In hetkader van de Actieagenda Sterk Bestuur wordt onder andere gewerkt aaneen afwegingskader voor regionale samenwerking, dat in de toekomstonder meer behulpzaam kan zijn bij het sturen op meer congruentie bijregiovorming.Het wetvoorstel verbetering beschikbaarheid jeugdzorg dat binnenkort inde Kamer wordt besproken wil 41 Jeugdregio’s oprichten, er zijn ook ruim150 samenwerkingsverbanden, hoe gaan zij (beter) samenwerken?Bij de gemeentelijke verantwoordelijkheid in het kader van de jeugdzorghoort ook dat voorzieningen uit aanpalende domeinen betrokken wordenals dat voor de jeugdige of het gezin noodzakelijk is. Daartoe is in deJeugdwet voorzien in overlegverplichtingen met onder meer hetonderwijs. In de onderwijswetgeving zijn vergelijkbare bepalingenopgenomen over de afstemming met door de gemeente gefinancierdehulp. In het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg enbijbehorende ontwerpbesluit wordt bovendien geregeld dat gemeentenverplicht zijn een regiovisie vast te stellen, waarin zij nadrukkelijkaandacht dienen te besteden aan de verbinding met onder meer hetonderwijs.21Kamerstuk 31 497, nr. 48422Kamerstuk 33 047, nr. 27Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107915 Regionale samenwerking voor de inkoop van specialistische jeugdzorg isniet nieuw. De 41 jeugdregio’s die nu worden aangewezen in het kadervan het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg komen voortuit de huidige, bottom-up ontstane, 42 jeugdregio’s. De verwachting is datde stabiele samenwerking in Jeugdregio’s, die beoogd wordt met hetwetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, ook ten goede zalkomen aan de samenwerking met regionale samenwerkingsverbanden opandere terreinen, zoals de samenwerkingsverbanden passend onderwijs.Waarom is er niet gekozen voor een uniforme regio-indeling?Voorafgaand aan het opstellen van de regio-indeling voor de verplichteregionale samenwerking op grond van het wetsvoorstel Verbeteringbeschikbaarheid jeugdzorg, is onderzocht of het mogelijk en wenselijk zouzijn om aan te sluiten bij een reeds bestaande regio-indeling (zoals de 25GGD- of Veiligheidsregio’s). In nauwe afstemming met alle betrokkenpartijen is hier evenwel niet voor gekozen, mede vanwege de ingrijpendegevolgen die een verregaande wijziging van de regio-indeling zou hebbenvoor bestaande contractering en uitvoering, juist voor regio’s die eigenlijkal succesvol conform de voorgestelde kaders werken.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen in de reactie van deregering dat de regering onderzoek gaat laten doen en dat er eenkwartiermaker is ingesteld. De leden zijn vooral benieuwd welke concretemaatregelen de regering gaat nemen om de verbindingsroute tussenopvang, onderwijs en zorg bij het jonge kind echt van de grond te krijgen?Welk concreet doel heeft de regering zichzelf gesteld bij deze aanpak?Er is eind 2024 een kwartiermaker aangesteld om een lerende aanpak inhet kader van de verbindingsroute in te richten. De kwartiermaker komteind maart met een voorstel hiervoor dat inzet op een intensievere engerichte domein overstijgende samenwerking (op lokaal en regionaalniveau) door belemmeringen weg te nemen en randvoorwaarden tebevorderen. Doel van de verbindingsroute is het versterken van depedagogische basis voor kinderen in de leeftijdsgroep 0–6 jaar, doorbetere samenwerking tussen opvang, onderwijs, zorg en ouders,gemeenten en het rijk te bevorderen (met impact op lokaal niveau).Daarbij is het uitgangspunt dat de samenwerking niet alleen is gericht opsteun en zorg voor individuele kinderen en jongeren maar is gericht ophet collectiever toerusten van ouders, verzorgers en professionals en deleefomgeving. Zodat zij samen die sterke pedagogische basis voor onzekinderen en jongeren kunnen zijn. Met een lerende aanpak willen we dezebeweging stimuleren en belemmeringen hiervoor wegnemen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat er verwezen wordtnaar de voortgangsrapportage over de Verbeteraanpak passend onderwijsen de stappen die worden gezet op de korte en lange termijn om dewachtlijsten in het gespecialiseerd onderwijs terug te dringen. Ook hierlezen de leden opnieuw verwijzingen naar onderzoek doen en kennis-deling. Wat de leden betreft is er meer nodig dan onderzoeken enkennisdeling. Kan de regering aangeven wat de genoemde kortetermijnoplossingen, de middellange termijnoplossingen en de langetermijnoplossingen tot nu concreet hebben opgebracht? Welke concretedoelen heeft de regering zichzelf per oplossingstermijn gesteld? Is deregering het met de leden eens dat de randvoorwaarden (tijd, docenten,geld) in het onderwijs op orde moeten zijn om echt stappen hierin temaken en dat dit dan ook investeringen vereist in plaats van bezuini-gingen? Neemt de wachttijd voor het gespecialiseerd onderwijs inmiddelsaf?Het kabinet werkt aan het vergroten van de maatwerkmogelijkheden voorleerlingen. Dit wordt onder andere gedaan via het bestaande experimentvoor onderwijszorgarrangementen, maar ook het vergroten van deTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107916 mogelijkheden voor digitaal afstandsonderwijs via de subsidieregelingdigitale school, waarmee initiatieven kunnen worden gestart die hetmogelijk maken om een deel van het onderwijs digitaal te volgen.Tegelijkertijd deelt de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur enWetenschap voorbeelden van wat wel al kan, zoals voorbeelden vaninclusief onderwijs, verspreid via het Steunpunt Passend Onderwijs, envormt dit een onderdeel van de aanpak van OCW.Eerder is ook gebleken dat de aanmeldprocedure soms leidt tot wacht-lijsten. Samen met het veld wordt op dit moment, door OCW, gekeken water nodig is om dit te versnellen, bijvoorbeeld door hier gezamenlijkeafspraken over vast te leggen. Uw Kamer ontvangt binnenkort eenbeleidsreactie vanuit OCW waarin wordt gereageerd op twee onderzoekeninzake de huidige tlv-systematiek in het gespecialiseerd onderwijs,waarop hierin ook wordt ingegaan. Verder is de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap op dit moment in gesprek met desectorraad Gespecialiseerd Onderwijs om te kijken wat er nodig is ombinnen de aanpak van het lerarentekort specifieke acties op te nemen voorhet gespecialiseerd onderwijs, mede in relatie tot de onderwijsregio’s, enwat er nodig is op het gebied van bevoegdheden.In de volgende voortgangsrapportage passend onderwijs die voorafgaandaan het commissiedebat passend onderwijs van eind mei naar uw Kamerwordt gestuurd, wordt gerapporteerd over de laatste stand van zaken vande wachtlijsten en of de wachttijd voor jongeren afneemt.En hoe ziet de regering de verhouding tussen de beschreven ambities enmooie woorden als er tegelijk door deze regering wordt bezuinigd oponderwijs en initiatieven om thuiszitten tegen te gaan?De regering vindt dat ieder kind naar school moet kunnen gaan. Om diereden wordt door OCW ingezet op de verbetering van passend onderwijsvia de uitvoering van de verbeteraanpak passend onderwijs. Om dat voorelkaar te krijgen, kiest de regering voor een doelmatige en duurzame inzetvan middelen waarmee scholen en samenwerkingsverbanden passendeondersteuning kunnen bieden op een manier die bij de leerling past.Daarop wordt onder andere ingezet door extra subsidie te geven voor deverbetering van digitaal afstandsonderwijs. Verder is door OCW recent deregeling Ondersteuning en Preventie Thuiszittende Jeugdigen opengesteld, die samenwerkingsverbanden de mogelijkheid geeft om hetondersteuningsaanbod voor leerlingen uit te breiden. Dit is een tijdelijkeimpuls. Samenwerkingsverbanden kunnen daarna het nieuwe ondersteu-ningsaanbod voortzetten uit reguliere middelen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het uitgangspunt vande regering is dat het onderwijs en de kinderopvang zo inclusief mogelijkzijn. De regering noemt hierbij de doelstellingen uit de Nationale Strategievoor de implementatie van het VN-verdrag Handicap en de doelstellingenvoor 2040 waarin «ieder kind welkom is op de kinderopvang en opschool». De leden onderschrijven deze doelen, maar zien tot nu toe teweinig actie van de regering om deze doelen daadwerkelijk te halen. Deregering heeft als doelstelling om tegen 2035 inclusief onderwijs tebereiken, maar de leden wachten nog steeds op de uitwerking van demotie Westerveld/De Hoop23 die in april 2023 is aangenomen, waaringevraagd wordt om bij de werkagenda inclusief onderwijs gedetailleerd tebeschrijven hoeveel elke actielijn en maatregel gaat kosten. Wanneerwordt deze motie eindelijk uitgevoerd?De Tweede Kamer wordt in de loop van dit jaar verder over deze motiegeïnformeerd.23Kamerstuk 31 497, nr. 462Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107917 De leden zien ook dat deze regering geen budget heeft gereserveerd omde doelstelling van inclusief onderwijs te bereiken. Op welke manier denktde regering de ambitie van 2035 nog te halen?Met de uitvoering van verschillende maatregelen uit de verbeteraanpakpassend onderwijs zet ik, samen met de Staatssecretaris van Onderwijs,Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris Participatie en Integratie,ook nu al belangrijke stappen in de richting van inclusief onderwijs.Bijvoorbeeld met de wetsvoorstellen voor het terugdringen van verzuimen het vergroten van de maatwerkmogelijkheden voor leerlingen, maarook met de introductie van het hoorrecht voor leerlingen en de inrichtingvan de digitale school. Niet voor alle belangrijke ontwikkelingen is extrabudget nodig. Het bieden van ruimte, via de beleidsregeling inclusieveleeromgeving, maakt andere inzet van het beschikbare budget mogelijk.We informeren uw Kamer later dit jaar over de nadere uitwerking van detransitie naar inclusief onderwijs.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vragen zich ook af waarommoties die juist oproepen tot meer inclusief onderwijs, zoals de aange-nomen motie Westerveld c.s.24 over het stimuleren van Samen naarSchool-klassen in het voortgezet onderwijs door knelpunten weg tenemen, amper worden opgevolgd? De motie vroeg in juni 2024 omconcrete stappen, de regering laat weten in 2025 de Kamer hierover teinformeren. Is de regering het met de leden eens dat hier weinig urgentieuitspreekt?Nee, het kabinet werkt op dit moment intensief met partijen uit het veldsamen om volgende stappen te zetten in de beweging naar inclusiefonderwijs, bijvoorbeeld via het verspreiden van goede voorbeelden. Ookwordt gewerkt aan de uitvoering van de motie Westerveld c.s. waarnaarwordt gevraagd. In 2024 is door OCW gewerkt aan het in kaart brengenvan de knelpunten die er zijn voor het opstarten van de Samen naarSchool-klassen in het voortgezet onderwijs. Dit is gedaan met mensen vanhet veld, waardoor dit ook langer de tijd nodig heeft gehad. Het kabinetheeft u in december 2024 per brief geïnformeerd over de geconstateerdeknelpunten.25 De komende periode wordt samen met het veld gekekenwat er nodig is om deze knelpunten weg te nemen. Daarover wordt u in2025 nader geïnformeerd.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de regering zich ookgaat inzetten om de doorontwikkeling van inclusievere vormen vankinderopvang te stimuleren. Ook hier wordt ingezet op kennisdeling enonderzoek. De leden vragen zich af of dit voldoende is om de ambitie tebereiken dat in 2040 elk kind welkom is op kinderopvang?Naast het delen van kennis en goede voorbeelden van inclusieverevormen van kinderopvang, zet ik, samen met de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap en de Staatssecretaris Participatie enIntegratie, de komende jaren ook in op het vereenvoudigen van regel-geving, zodat samenwerking tussen kinderopvang en zorg makkelijkerwordt. Een voorbeeld is het meer op een lijn krijgen van de verschillendeVOG’s kinderopvang, onderwijs en zorg, zodat het uitwisselen vanprofessionals eenvoudiger wordt. Ook is toegezegd26 dat OCW en SZW ingesprek gaan met partijen uit het veld over welke opties kansrijk zijn,waaronder een wettelijke verankering, om meer buitenschoolse opvangvoor deze kinderen en hun ouders te realiseren.De ambitie is om te zorgen dat in 2040 elk kind welkom is op de kinder-opvang. Daarom worden op dit moment samen met ervaringsdeskun-digen, ouderbelangenpartijen, gemeenten en het werkveld nog meer24Kamerstuk 31 497, nr. 48725Kamerstuk 31 297, nr. 77726Aanhangsel Handelingen II, 2024/25, nr. 832Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107918 maatregelen ontwikkeld als onderdeel van de Werkagenda voor deimplementatie van het VN Verdrag Handicap. Deze agenda wordt voor dezomer naar de Kamer verzonden.Eerder stelden zij al schriftelijke vragen27 om kinderen uit het speciaalonderwijs het wettelijke recht op kinderopvang te geven. In deantwoorden op de vragen heeft de regering toegezegd om met debetrokken partijen in gesprek te gaan over de mogelijkheden voor dezewettelijke verankering en in gesprek te gaan over de mogelijkheden omkinderopvang voor kinderen in het speciaal onderwijs beter te faciliterenen stimuleren. Wanneer zullen deze gesprekken plaatsvinden en met wiegaat de regering hierover spreken? Kan de regering toezeggen dat er eenverslag van deze gesprekken naar de Kamer wordt gestuurd?Het voornemen van de betrokken ministeries is om in gesprek te gaan metin ieder geval een vertegenwoordiging van het gespecialiseerd onderwijs,samenwerkingsverbanden, de vertegenwoordiging van de kinderopvang-en zorgorganisaties, de VNG en ouderbelangenpartijen. Ook zullenpartijen uit het veld worden gesproken die lokaal al ervaring hebbenopgedaan met dit vraagstuk. Deze gesprekken zullen in 2025 plaatsvinden.De Staatssecretaris Participatie en Integratie en de Staatssecretaris vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap zullen de belangrijkste onderdelen uitdit verslag met uw Kamer delen, met daarbij de weging van het kabinetover de nodige vervolgacties.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen veel mooie woorden overhet ontschotten en aanpassen van wet- en regelgeving om inclusiefonderwijs te bevorderen, zoals bijvoorbeeld het Experiment Onderwijs-zorgarrangementen en de verbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd. Vaakworden dit soort experimenten echter opgezet vanuit tijdelijke middelen,zonder wettelijke verplichtingen en kaders. Wanneer gaat de regering echtwerken maken van het aanpassen van wet- en regelgeving zodat erduurzame oplossingen komen om de schotten en financiering tussenonderwijs en zorg weg te halen? In 2020 werd dit bijvoorbeeld algenoemd als één van de punten van de verbeteraanpak passendonderwijs, maar ondertussen lopen ouders en kinderen nog steeds tegendezelfde problemen aan. Wat gaat deze regering concreet doen om dezeontschotting duurzaam mogelijk te maken? Hoe staat het met deverbeteraanpak Zorg in Onderwijstijd?In de verbeteraanpak passend onderwijs zijn door OCW maatregelenopgenomen die nog altijd van toepassing zijn, zoals de verbeteraanpakzorg in onderwijstijd en het experiment Onderwijszorgarrangementen. Deafgelopen periode is in afstemming met het veld gekeken naar maatre-gelen om de financiering van zorg in onderwijstijd te vereenvoudigen. Ditbetreft een complex vraagstuk, waarbij het van belang is dat ditzorgvuldig en in afstemming met het veld gebeurt, zodat een wijzigingaansluit bij wat er nodig is om de problemen aan te pakken. Deafstemming met het veld en de voorbereidingen voor het aanpassen vaneventuele wet- en regelgeving vinden momenteel plaats. Naarverwachting zal het kabinet u in de Kamerbrief, voorafgaand aan hetdebat passend onderwijs eind mei verder informeren.Kan de regering ook reageren op signalen dat bij sommige gemeenteneen leerplichtontheffing een voorwaarde is om een persoonsgebondenbudget (pgb) aan te vragen. Mag dat? Is de regering het met de ledeneens dat dit onwenselijk is?Om in aanmerking te komen voor zorg, is een leerplichtontheffing nietnodig. Het is mogelijk dat de gemeente dergelijke voorwaarden in deeigen verordening en/of in beleidsregels heeft beschreven. Kinderen27Aanhangsel Handelingen II, 2024/25, nr. 832Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107919 behoren altijd de mogelijkheid te krijgen (terug) deel te nemen aan hetonderwijs als zij hiertoe in staat zijn.De leden merken op dat dit ook geldt voor de verschillen in regelgevingvan kinderopvang, onderwijs en zorg. De schotten tussen de regelgevingen de financieringsstromen maken het ingewikkeld om samenwerkingtussen de kinderopvang of het onderwijs met organisaties die jeugdhulpof zorg bieden duurzaam te organiseren. Wat gaat de regering concreethieraan doen?Er wordt gewerkt aan aanpassingen in wet -en regelgeving om desamenwerking verder te versterken. Ook worden door het kabinetsubsidies verstrekt waarmee praktische ondersteuning aan het veld wordtgeboden. Denk hierbij onder andere aan Nederlands Jeugd Instituut,Steunpunt Passend Onderwijs, Met Andere Ogen, Onderwijsconsulentenen Regionale Expertise Centra. Omdat al veel mogelijk is binnenbestaande wet- en regelgeving, wordt ook ingezet op kennisdeling om desamenwerking tussen gemeenten, zorgaanbieders, zorgkantoren, scholenen kinderopvang te stimuleren. Dit doen VWS, OCW en SZW bijvoorbeelddoor een handreiking op te stellen waarmee kinderopvangorganisaties engemeenten op weg worden geholpen om inclusievere vormen vankinderopvang te realiseren. Ook in de verbeteraanpak Zorg in Onder-wijstijd is aandacht voor dit thema.Kan de regering een tijdspad schetsen voor het wegnemen van detegenstrijdigheden in visie en eisen per sector, zodat kinderen in detoekomst niet meer te horen kunnen krijgen dat ze te complex zijn endaardoor niet naar school of de kinderopvang kunnen of geen jeugdhulpkrijgen?De ambities zijn helder verwoord in de Nationale strategie VN-verdragHandicap: «In 2040, is ieder kind welkom op de kinderopvang en opschool. Kinderen en jongeren, met hun ouders, hebben vrijheid om tekiezen voor de school die het beste past en dichtbij is.» «Passende zorg enondersteuning is beschikbaar, dit vormt geen belemmering om te kunnenleren en ontwikkelen.» Om daar te komen worden er momenteel samenmet ervaringsdeskundigen, ouderbelangenpartijen, gemeenten en hetwerkveld gewerkt aan concrete maatregelen. De eerste Werkagenda(2025–2030) wordt voor de zomer naar de kamer verzonden.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de fractie van de VVD vragen zich allereerst af welkpercentage van de kinderen die naar het speciaal onderwijs zijn gegaan,volgens de normen van het passend onderwijs, in theorie ingeschrevenkonden staan binnen het reguliere onderwijs.Hier is geen specifiek antwoord op te geven door OCW. De Staatssecre-taris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft namelijk geen landelijkgeldende normen waarop gebaseerd kan worden of een leerling naarregulier onderwijs had kunnen gaan. De gedachte van passend onderwijsis dat elke leerling een plek krijgt die past bij diens kwaliteiten enmogelijkheden, dat de leerling daar het beste uit zichzelf kan halen endaarbij de benodigde ondersteuning ontvangt. Hoe dit wordt ingericht kanverschillen per samenwerkingsverband.Daarnaast lezen de leden dat de gemeenten bepalen welke kinderen inaanmerking komen voor voor- en vroegschoolse educatie (VVE). De ledenvan de VVD-fractie weten uit de praktijk dat er veel verschillendeaanpakken zijn onder gemeentes binnen de VVE. De leden van deVVD-fractie vragen zich af of er voorbeelden zijn van gemeenten waar deaanpak zeer succesvol is en wat deze aanpak dan zo succesvol maakt.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107920 De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft recentonderzoek uit laten zetten naar maatregelen die de ontwikkelingskansenvoor kinderen op het moment dat ze starten in het basisonderwijsvergroten. Hierbij is ook gekeken naar verschillen tussen gemeenten alshet gaat om hun aanpak voor voorschoolse educatie. Het type maatre-gelen dat vaak wordt ingezet voor het realiseren van een hoog doelgroep-bereik zijn financiële prikkels (bijv. volledige vergoeding voor ouders);organisatiemaatregelen (bijv. voorschoolse educatie onderdeel maken vande 11-urige dagopvang, bevorderen dat voorschoolse educatie op korteafstand beschikbaar is); informatie en communicatie (bijv. felicitatiedienstbij 2 jaar, inzet van ambassadeurs uit eigen culturele of etnische groep,materiaal in meerdere talen aanbieden via consultatiebureau); ensamenwerking en afstemming met relevante partijen en (zorg)professi-onals.De leden van de VVD-fractie lezen ten slotte dat er voor kinderen die extraondersteuning nodig hebben in hun (taal)ontwikkeling voorschoolseeducatie beschikbaar is. Hoeveel procent van de kinderen binnen dekinderopvang maakt geregistreerd gebruik van ondersteuning vanaf 2019?Het onderzoek Druk op de Keten toont voor de jaren 2016 tot en met 2020bij hoeveel van de kinderen in de kinderopvang en het onderwijs er sprakeis van geregistreerd gebruik van kinderopvang. In 2019 maakten 98.330kinderen in de kinderopvang geregistreerd gebruik van ondersteuning(8,9%). In 2020 bedroeg dit 93.990 kinderen (8,5%). Er is voor de periodena 2020 geen data beschikbaar van het percentage geregistreerd gebruikbinnen de kinderopvang.Hoeveel procent van de kinderen met een indicatie voor voorschoolseeducatie maakt daar daadwerkelijk gebruik van? Hoeveel beschikbarekindplaatsen zijn er nu?Het is voor OCW niet mogelijk precies te noemen hoeveel kinderen meteen indicatie voor voorschoolse educatie hier daadwerkelijk gebruik vanmaakt. Uit de meest recente vragenlijst van de Inspectie van hetOnderwijs die gemeenten bevraagt over 2023 wordt geschat dat ongeveer75% van de doelgroeppeuters is bereikt.28Er is bij OCW geen data beschikbaar over het aantal beschikbarekindplaatsen voor voorschoolse educatie. Uit het Landelijk RapportLEA/vve 2023–2024 blijkt dat van de 342 gemeentes die zijn bevraagd, 227gemeenten (66%) voldoende kindplaatsen had. 63 gemeenten (18%)hadden onvoldoende kindplaatsen. Bij een deel van deze gemeenten lijkter een werkelijk tekort aan kindplaatsen te zijn: de vraag naar veoverschrijdt het aanbod. Bij een deel van de gemeenten lijkt het aantalbeschikbare kindplaatsen te laag, maar is het ve aanbod toch voldoende.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract lezen terug dat deStaatssecretaris in de beleidsreactie opschrijft dat er aan de hand van hetrapport een aantal maatregelen genomen gaan worden. De beleidsreactienoemt een aantal maatregelen om de druk op de keten te verlichten, maardeze leden maken zich zorgen dat er niet voldoende wordt gekeken naarde dieperliggende oorzaken van de toenemende druk. Kan de Staatssecre-taris toelichten en nader uitleggen waarom de genoemde maatregelenniet te veel gericht zijn op symptoombestrijding in plaats van hetuitvoeren van fundamentele hervormingen in de keten?Het onderzoek laat zien dat niet alleen de druk op de keten toeneemt,maar ook de druk op gezinnen. Zowel de kern van het probleem als de28Kamerstuk 31 293, nr. 777Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107921 beste oplossingen zitten vaak in het systeem om het kind heen en niet inoplossingen voor het individuele kind. Het kabinet zet daarom in op hetversterken van de pedagogische basis en is ervoor gekozen om daarbij tefocussen op het jonge kind (0–6), omdat juist voor deze groep een sterkepedagogische basis van groot belang is om gezond op te groeien. In deverbindingsroute onderwijs, opvang en zorg werken we aan meerintegraal en inclusief beleid en samenwerking in de uitvoering. Daarnaastis het kabinet voornemens om de verantwoordelijkheid van gemeentenmet betrekking tot het versterken van de sociale en pedagogische basis inde jeugdwet aan te scherpen. Dit is een van de onderdelen van hetwetsvoorstel reikwijdte in het kader van de hervormingsagenda jeugd.Het nemen van maatregelen om druk te verlichten zijn nodig en dezeleden kunnen zich vinden in een groot gedeelte van de genoemdemaatregelen. Deze leden willen aan de Staatssecretaris vragen hoe demaatregelen gemonitord gaan worden op meetbare effecten? Heeft deStaatssecretaris een concreet tijdspad en toetsbare criteria opgesteldzodat de maatregelen beoordeeld kunnen worden op het daadwerkelijkverlichten van de druk op de keten?Het kabinet zet, zoals reeds naar uw Kamer gecommuniceerd in opdiverse acties, waaronder: Kansrijke Start; Programma OntwikkelingJonge Kind; Voor- en vroegschoolse Educatie; de HervormingsagendaJeugd29; Herstelplan kwaliteit funderend onderwijs30; de verbeteraanpakpassend onderwijs en de beweging naar inclusief onderwijs31. Elke actiekent een eigen tijdspad en toetsbare criteria om de effecten te meten,waarover uw Kamer via bestaande voortgangsrapportages over devoortgang wordt geïnformeerd. Om de totale effecten in de keten goed temonitoren, verkennen wij de mogelijkheden om de data-analyse van hetonderzoeksrapport Druk op de Keten te herhalen.De leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract lezen in de beleidsre-actie terug dat een flink aantal genoemde maatregelen de nadruk leggenop samenwerking. Deze leden prijzen de erkenning dat de huidige ketenflink gefragmenteerd is en de beleidsreactie heeft een aantal goedevoorstellen om samenwerking te verbeteren. Toch missen deze leden deexpliciete inzet op een integrale aanpak waarbij ouders, scholen,zorginstellingen en gemeenten op structurele basis gaan samenwerken.Kan de Staatssecretaris nader toelichten hoe de maatregelen hierinvoorzien of hoe dit alsnog vorm kan worden gegeven? Deze leden zoudenook graag zien dat er bijvoorbeeld één toegankelijk, laagdrempelig loketkomt voor ouders en kinderen met hulpvragen of -behoefte. Hoereflecteert de Staatssecretaris hierop?In het land gebeuren al mooie dingen in de samenwerking tussen ouders,scholen, zorginstellingen en gemeenten die op structurele basis samenwerken. Een goed voorbeeld hiervan is de inzet van brugfunctionarissenop school, waar het kabinet structureel in investeert. Een brugfunctionarisversterkt de band tussen ouder, kind en school en waar nodig metprofessionals, instanties en partners in de wijk. Ook bij de beweging naarinclusief onderwijs is deze integrale aanpak een centraal element.Bijvoorbeeld via de inzet op multidisciplinaire teams in school, waarbijalle expertise dichtbij het kind georganiseerd wordt, met als doel dat dezehet onderwijs goed kan volgen. Dit vraagt ook samenwerking met partijenin de wijk rondom de school.29Zie de agenda Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028 (2023)30Kamerstuk 31 293, nr. 76231Kamerstuk 31 497, nr. 475Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107922 Er worden daarnaast ook al veel andere maatregelen genomen, die ervoormoeten zorgen dat ouders en kinderen met hulpvragen snel op de juisteplek terecht komen. Zo wordt, samen met de VNG en gemeenten, gewerktaan stevige lokale teams die inwoners ondersteuning en hulp te bieden,zodat voor jeugdigen met (hulp)vragen laagdrempelige hulp beschikbaaris. Deze stevige lokale teams kunnen breed verbinden naar de socialebasis, schuldhulpverlening, onderwijs en andere domeinen. Daarnaast ishet sinds 1 januari 2025 verplicht dat alle samenwerkingsverbandenpassend onderwijs een ouder- en jeugdsteunpunt hebben. Dit steunpuntinformeert ouders en leerlingen over en ondersteunt bij het zorgen voorpassend onderwijs.Het voorstel om te komen tot één toegankelijk, laagdrempelig loket voorouders en kinderen met hulpvragen of -behoefte vind ik een sympathiekidee. Ik vind het heel onwenselijk dat ouders en kinderen met hulpvragenof -behoeften steeds weer opnieuw hun verhaal moeten doen ofvastlopen. Een doel van het kabinet is dat alle mensen met zorgvragenaan overheidsorganisaties niet meer van het kastje naar de muur gestuurdworden, maar dat mensen, waar ze ook aankloppen, goede hulp krijgen.Om dit te realiseren sluit de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappe-lijke Zorg aan op het programma «Inrichten overheidsbrede loketten»,waar professionals van verschillende organisaties met elkaar samen-werken om hulpvragen van mensen te beantwoorden. Dit betekent datalle betrokken partijen elkaar beter weten te vinden en dat zij de verant-woordelijkheid nemen om samen integraal naar iemands hulpvraag tekijken, ongeacht de achtergrond of complexiteit van die vraag of vragen.Daarna wordt ook samen gekeken hoe, over alle loketten heen er eenoplossing kan komen voor de vraag. Er wordt daarbij bewust gezocht naarde meest laagdrempelige vorm van dit loket. Nog dit jaar gaat deStaatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg deze manier vanwerken beproeven in de eerste gemeenten en werkt hierbij samen met deVNG, zodat de geleerde lessen snel bij andere gemeenten of regio’skunnen worden toegepast. Deze maatregel werkt de StaatssecretarisLangdurige en Maatschappelijke Zorg verder uit in de Werkagenda vanhet VN-verdrag handicap.De leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract lezen concreet terugdat gemeenten, bestuurders, beleidsmakers en professionals eenbelangrijke rol kunnen spelen tijdens de eerste 1.000 dagen in deontwikkeling van een kind. Zo lezen deze leden dat gemeenten kunnenbepalen welke kinderen in aanmerking komen voor voorschoolse educatieen dat gemeenten de mogelijkheid hebben om de samenwerking tussenprofessionals en het informeel netwerk te versterken. Deze leden willengraag aan Staatssecretaris vragen hoe gemeenten dit concreet doen.Gemeenten hebben vanuit de Brede specifieke uitkering (SPUK) Gezonden Actief Leven Akkoord (GALA) middelen ontvangen om een lokalecoalitie in te richten en via de lokale coalitie een ketenaanpak KanrijkeStart vorm te geven. De ketenaanpak Kansrijke Start bestaat uit goedesamenwerkingsafspraken tussen het medische, sociale en informeledomein om te komen tot een doorlopende lijn van ondersteuning voor(aankomende) gezinnen in een kwetsbare situatie gedurende de eerste1.000 dagen van kinderen (van -10 maanden tot en met 2 jaar). Daarovermaken de partijen binnen een lokale coalitie afspraken. Dit vraagt omsamenwerking tussen de verschillende professionals in het medischdomein en het sociaal domein en de samenwerking met het informeelnetwerk. De handreiking ketenaanpak Kansrijke Start geeft gemeenten enzorgverzekeraars een overzicht van bestaande informatie en tools om tekomen tot een goede ketenaanpak Kansrijke Start. Naast het vroegtijdigsignaleren van gezinnen in een kwetsbare situatie door de geboortezorgof de GGZ-zorg (verzekeraars) en het sociaal domein (gemeenten), kanTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107923 indien nodig een prenataal huisbezoek door de jeugdgezondheidszorg(gemeenten) worden ingezet en kan zo nodig de juiste hulp en onder-steuning (interventies) vanuit de jeugdgezondheidszorg en het sociaaldomein (gemeenten) worden aangeboden. Ouders kunnen ondersteundworden in hun ouderschap door interventies als Stevig Ouderschap enVoorzorg. Het jonge kind kan bijvoorbeeld ondersteund worden metprogramma’s voor taalstimulering (Taalschatten).Een belangrijk onderdeel van de Kansrijke Start aanpak is om samen tewerken met de mensen om wie het gaat. Zonder die samenwerking is dekans groot dat interventies de plank misslaan of niet aansluiten bij debehoeften. In meerdere coalities wordt daarom samengewerkt met(aanstaande) ouders en mensen met ervaringskennis en/of ervaringsdes-kundigheid. Pharos heeft leertrajecten georganiseerd voor lokale coalitieshoe de samenwerking met (aanstaande) ouders, mensen met ervarings-kennis en/of ervaringsdeskundigheid en de inzet van het informelenetwerk verder versterkt kan worden. Het bevorderen van informele steunis ook een belangrijk onderdeel van de leertrajecten van Pharos, alsbelangrijke beschermende factor bij thema’s als Opvoeden & Ouderschap,Armoede & Bestaanszekerheid en Gezond Zwanger worden. De inputtijdens deze leertrajecten is opgenomen in infosheets voor alle lokalecoalities.Goede voorbeelden van een lokale coalities waar samenwerking metinformele kant goed vorm krijgt zijn Heerlen (met de Ooienvaarmoeders)en Zeist (waar informele organisaties onderdeel uitmaken van de lokalecoalitie).Voorschoolse educatie valt na de eerste duizend dagen van een kind endaarmee buiten de scope van Kansrijke Start.Hoe wordt een «Kansrijke Start aanpak» ingezet en hoe wordt debekendheid van deze aanpak gepromoot onder ouders?Centraal in de aanpak van Kansrijke Start staat de hulpbehoefte vanouders. (Aanstaande) ouders in een kwetsbare situatie moeten optimaalondersteund worden tijdens de eerste 1.000 dagen. Hiervoor is het vanbelang dat tijdig de juiste zorg, ondersteuning en interventies wordenaangeboden, die aansluiten bij de hulpbehoefte van deze ouders. Op diemanier worden zij versterkt in hun ouderschap en kunnen zij hun kind eenKansrijke Start bieden. Iedere gemeente wordt daarom gestimuleerd omeen lokale coalitie Kansrijke Start en een Ketenaanpak Kansrijke Start in terichten. In de lokale coalities worden afspraken gemaakt tussen professi-onals uit het medische en sociale domein, inclusief de Jeugdgezond-heidzorg, over de wijze waarop lokaal samengewerkt wordt om(aanstaande) ouders in een kwetsbare situatie te bereiken.(Aanstaande) ouders worden bereikt doordat er in veel lokale coalitieswordt samengewerkt met (aanstaande) ouders, mensen met ervarings-kennis en/of ervaringsdeskundigheid en het informele netwerk. Daarnaastworden (aanstaande) ouders door professionals in de geboortezorg, in dejeugdgezondheidszorg en het sociaal domein geïnformeerd overmogelijke behulpzame interventies, zoals het prenataal huisbezoek,Voorzorg en Stevig Ouderschap. Vanuit een samenwerking met deSamenwerkende Gezondheidsfondsen (SGF) en Van Leer Foundationworden ouders ook direct geïnformeerd over het belang van de 1e 1.000dagen en het vragen en ontvangen van informele steun, met alsvoorbeelden de campagnes «Trots op alle ouders» en «Bijspringers».Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107924 Kunnen ouders zichzelf melden bij de gemeente, of is de gemeente deenige die actief handelt op het in aanmerking laten komen van kinderenvoor extra ondersteuning en het versterken van het informele netwerk?Ouders kunnen zichzelf altijd melden bij de gemeente, bijvoorbeeld bijeen lokaal wijkteam, indien zij behoefte hebben aan extra ondersteuningof voor het versterken van hun informele netwerk. In de lokale coalitiesKansrijke Start worden afspraken gemaakt over het bieden van onder-steuning. Bij het bieden van die ondersteuning of het inzetten vanbepaalde interventies kunnen verschillende partijen een rol spelen, denkaan de Jeugdgezondheidszorg, de huisarts of de kinderarts. Maar ookvanuit de kinderopvang en de school kunnen ouders geïnformeerdworden over de mogelijkheden voor ondersteuning in hun gemeente.Kan de Staatssecretaris uitleggen op basis van welke gegevens en data degemeente kinderen in aanmerking laat komen voor de «Kansrijke Startaanpak»?De ambitie van het vervolgprogramma Kansrijke Start is dat in elkegemeente structureel een lokale Kansrijke Start-aanpak komt (inclusief deinzet van interventies), zodat (aanstaande) ouders in een kwetsbaresituatie tijdig de juiste zorg en ondersteuning ontvangen, aansluitend ophun hulpbehoefte.Het begrip «kwetsbaar» of de daaraan gerelateerde terminologie«zwangere vrouwen en/of gezinnen in een kwetsbare situatie» is relatief.Het kan vanuit verschillende beelden en perspectieven ingevuld worden.Om een beeld te krijgen of er sprake is van een kwetsbare situatie is hetvan belang te kijken naar de context (gezinssamenstelling), de omgevingen het aanwezig zijn van risico- en beschermingsfactoren. Belangrijk is debalans tussen deze twee factoren. Hoewel «kwetsbaar» op verschillendemanieren kan worden bezien, wordt vanuit het programma Kansrijke Startverwezen naar de gemeenschappelijke definitie van de gemeenteRotterdam en de afdeling Verloskunde & Gynaecologie van het ErasmusMC. Dit om gemeenten en hun uitvoerende partijen handvatten te biedenom zwangere vrouwen en/of gezinnen in een kwetsbare situatie te kunnenondersteunen. Daarnaast hanteren professionals bepaalde instrumentenvoor vroegsignalering, zoals de GIZ-methodiek.Met behulp van tools (denk aan de perinatale atlas, regiobeeld, waar staatje gemeente en de kwetsbaarheidsatlas) kunnen gemeenten zien waar enin welke wijken gezinnen wonen waarvan de kinderen een verhoogd risicohebben op een minder goede start. Deze tools vormen nuttige instru-menten voor gemeenten om zowel besluiten te nemen over de gewenstelokale aanpak rondom de eerste 1.000 dagen, als om de voortgang vanhun aanpak te monitoren. Hoe een gemeente dit inricht valt evenwelonder de gemeentelijke beleidsvrijheid.De leden van de fractie van Nieuw Sociaal Contract lezen in de beleidsre-actie terug dat de jeugdgezondheidszorg (JGZ) een rol kan spelen in bredeteams van experts die door gemeenten worden ingesteld en kunneninschatten welke zorg voor het kind nodig is. Deze leden willen aan deStaatssecretaris vragen of deze teams al bestaan? Speelt de JGZ opsommige manieren al een dergelijke rol, of moet deze rol nog wordenvormgegeven?De JGZ ziet vrijwel alle kinderen tot 18 jaar en is een belangrijke schakel inde samenwerking tussen het medische en sociale domein.JGZ-professionals kijken met een brede blik, ook naar achterliggendefactoren van gezondheidsproblemen, zoals armoede en psychischeproblemen van ouders. Juist ook omdat zij opgeleid zijn om te signalerenwat er speelt, door te verwijzen naar beschikbare hulp in het socialedomein, door te verwijzen naar zorg als er sprake is van medischeTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107925 problematiek of door te verwijzen naar jeugdhulp maar ook om te kunnennormaliseren als dit kan en kinderen en gezinnen in hun eigen kracht tezetten. Juist omdat zij een goed beeld hebben van de levensloop van huncliënten en de populatie, kunnen ze vroegtijdig problemen in de ontwik-keling of gezondheid van kinderen en het gezin signaleren en inschattenof en wat voor ondersteuning en hulp nodig is. Dit hoeft niet altijd eenzorgtraject te zijn.Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de inzet van de JGZ bij hetuitvoeren van het basispakket JGZ uit de Wet publieke gezondheid en bijpreventie in het kader van de Jeugdwet. In sommige gemeenten speelt deJGZ al een rol in brede lokale teams, bv op school. Dit is op dit momentverschillend geregeld per gemeente. In het kader van de Hervormingsa-genda Jeugd werkt de VNG aan een convenant over de stevige lokaleteams. Daarin zal ook aandacht zijn voor de samenwerking met deJeugdgezondheidszorg.Kan de Staatssecretaris toelichten of er genoeg capaciteit en draagkrachtis om deze teams in samenwerking met de JGZ in te stellen mochten dezeer nog niet zijn?De lokale teams zijn op veel plaatsen nog in ontwikkeling en ook desamenwerking met de JGZ moet op veel plekken nog vorm krijgen. Of ergenoeg capaciteit en draagkracht is hangt op dit moment af van de lokaleinrichtingskeuzes. De gemeente dient hiervoor immers ruimte te biedenaan JGZ-organisaties om personeel in te zetten in deze lokale teams infinanciële en personele zin. Ook door in de afspraken ruimte te biedenvoor goede arbeidsvoorwaarden en een aantrekkelijk werkpakket en doorin deze afspraken met hun JGZ-uitvoerder opleidingsbudget te verdiscon-teren voor het opleiden van extra JGZ HBO+ verpleegkundigen die ingezetkunnen worden in een breed lokaal team. Daarnaast is er al jaren eentekort aan JGZ-artsen. Mede door investeringen van VWS in het vergrotenvan het animo voor het vak en een intensivering van de opleidingsplekkenzie ik dit jaar een stijging van de instroom in de opleiding tot JGZ-arts.Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractieDe leden van de SP-fractie merken op dat ouders van kinderen met eenbeperking nog regelmatig te maken krijgen met tegenstrijdige eisenvanuit de overheid, waarbij vanuit de ene instantie gestimuleerd wordtdat zij meer gaan werken en vanuit de andere instantie dat zij minder gaanwerken. Hoe kijkt het kabinet naar deze problematiek en welke oplos-singen kan het kabinet deze ouders bieden?De zorg voor een kind met een beperking legt een flinke druk op ouders. Ikben mij ervan bewust dat ouders van kinderen met een beperkinghierdoor moeite hebben om de zorgtaken te combineren met hun werk.Momenteel wordt gekeken of maatregelen kunnen worden genomen omhet combineren van werk en mantelzorg te vereenvoudigen. Gesprekkenhierover worden gevoerd in het kader van de ontwikkeling van dewerkagenda die voortkomt uit de Nationale Strategie VN-verdragHandicap. De werkagenda wordt voor de zomer naar de Kamer gestuurd.Ook is door het vorige kabinet een adviesvraag bij de SER ingediend overde combinatie werk en mantelzorg. De SER is gevraagd naar toekomstsce-nario’s en domeinoverstijgende oplossingsrichtingen of ingrepen in hetstelsel die nodig zijn voor een betere balans tussen arbeid, mantelzorg enandere informele activiteiten. Het SER-advies wordt in het eerste kwartaalvan 2026 verwacht. Hierna zal het kabinet zich over het advies beraden.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 31 839, nr. 107926
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.