Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 16 maart 2026, over wetsvoorstel novelle Wet versterking regie volkshuisvesting (TK 36881)
Brontekst
Versie baa5c9bfd2b8bc21 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 881Wijziging van het voorstel van wet tot wijzigingvan de Algemene wet bestuursrecht, deHuisvestingswet 2014, de Omgevingswet, deWet maatschappelijke ondersteuning 2015 en deWoningwet in verband met de versterking vande regie op de volkshuisvesting en met het oogop enkele andere met de volkshuisvestingsamenhangende maatregelen (Wet versterkingregie volkshuisvesting)Nr. 29 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEGVastgesteld 13 mei 2026 De vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening heeftop 16 maart 2026 overleg gevoerd met mevrouw Boekholt-O’Sullivan,Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, over:–de brief van de Minister van Volkshuisvesting en RuimtelijkeOrdening d.d. 19 december 2025 inzake voortgang wetsvoor-stel Versterking regie volkshuisvesting en lagere regelgeving(Kamerstuk 36 512, nr. 104);–het wetsvoorstel Wijziging van het voorstel van wet totwijziging van de Algemene wet bestuursrecht, de Huisves-tingswet 2014, de Omgevingswet, de Wet maatschappelijkeondersteuning 2015 en de Woningwet in verband met deversterking van de regie op de volkshuisvesting en met hetoog op enkele andere met de volkshuisvesting samenhan-gende maatregelen (Wet versterking regie volkshuisvesting)(Kamerstuk 36 881).Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijkverslag uit.De voorzitter van de commissie,BrometDe griffier van de commissie,De Vos kst-36881-29ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 291 Voorzitter: BeckermanGriffier: BeekmansAanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Beckerman, Clemminck,Flach, Grinwis, De Hoop, Van Leijen, Mooiman, Nobel en Steen,en mevrouw Boekholt-O’Sullivan, Minister van Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening.Aanvang 15.00 uur.De voorzitter:Goedemiddag. Welkom bij de vaste commissie voor Volkshuisvesting enRuimtelijke Ordening. Vandaag is aan de orde het wetsvoorstel novelleWet versterking regie volkshuisvesting. Ik heet de Minister van Volkshuis-vesting, alle Kamerleden en iedereen die dit debat meekijkt van hartewelkom. Voor de collega’s: we zijn met veel en het is een wet. Zoalseerder aan u is voorgesteld, stel ik voor om een spreektijd te hanteren vanzes minuten per fractie. Ik zou toch willen voorstellen om het zo te doen:in de eerste termijn drie interrupties op elkaar en dan vier op de Minister.Zo voorkomen we dat we net als vorige week erg uit de tijd lopen.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Voorzitter, ik begrijp de intentie om er niet te lang over te doen met elkaar,maar het gaat wel over een wetsvoorstel. Het is ook een wetsvoorstel dathier besproken wordt omdat er amendementen aangenomen zijn dieachteraf gezien niet aangenomen hadden moeten worden, denk ik. Ik denkdus dat het goed is om vrij te kunnen interrumperen waar dat nodig is endat iedereen zich daar bescheiden in opstelt. Daar zal ik mijn best voordoen. Ik denk dat ik de zes minuten voor mijn eigen inbreng niet eensnodig heb, dus ik hoop dat we dan aan het tijdvak kunnen voldoen.De heer Clemminck (JA21):Ik kan dit wel steunen. Ik zorg ook dat ik minder tijd nodig heb dan zesminuten.De heer Grinwis (ChristenUnie):Idem. Ik heb de zes minuten niet nodig, maar het is wat mij betreft weleen debat om te interrumperen. We zijn hier namelijk bijeen en dat hadniet per se gehoeven.De voorzitter:Dat is helder. Dan zal ik niet korten op de interrupties, maar ik ga wel opde tijd letten. Houdt u dus alstublieft de vragen en antwoorden kort. Danga ik gewoon het debat in de eerste termijn aanvangen. De eerste sprekervan de zijde van de Kamer is het lid Nobel van de VVD.De heer Nobel (VVD):Dank u wel, voorzitter. Laat ik de spanning er maar gelijk van afhalen: deVVD zal voor deze wet stemmen. Nederland moet namelijk sneller enmeer bouwen. De VVD is dan ook blij dat de Minister middels deze wetmeer regie krijgt, zodat betaalbaar wonen in zicht komt en daarmee desamenwerking tussen Rijk, provincie en gemeente wordt verbeterd. Voorde VVD staat één ding voorop: wij willen stenen stapelen en niet regels. Ikzal in mijn bijdrage ingaan op betaalbare koop, de voorrang bij socialehuurwoningen en de regie bij grootschalige woningbouwprojecten.Voor de VVD is het ...De voorzitter:Er is direct al een interruptie van het lid Grinwis van de ChristenUnie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 292 De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik zat goed te luisteren naar de blokjes van de heer Nobel. Ik denk dat ikals eerste punt een reflectie op het stemgedrag van de VVD bij deamendementen bij de Wet versterking regie volkshuisvesting eigenlijk welop zijn plaats had gevonden. Wil de heer Nobel dat toevoegen aan zijnrepertoire? Dat is namelijk de reden waarom we hier bijeen zijn: eennormaal gesproken verantwoordelijke partij als de VVD nam evenverantwoordelijkheidsvakantie en heeft die middag willens en wetensvoor een zeer discriminerend amendement gestemd waarvan aan devoorkant duidelijk was dat dat ernstige complicaties zou opleveren.De heer Nobel (VVD):Ik zal in die blokjes onder andere benoemen hoe de VVD tegen bepaaldeonderwerpen aankijkt. Ik denk dat het daarin aan bod komt. Als dat niet zois, dan zie ik de interruptie wel tegemoet.De voorzitter:Vervolgt u uw betoog.De heer Nobel (VVD):Voorzitter. Voor de VVD is het vergroten van het aanbod op de woning-markt de beste manier om woningen betaalbaar te houden, zeker voorkoopstarters. Vorig jaar juni is een motie van mijn collega Peter de Grootaangenomen waarmee verplicht wordt gesteld om bij nieuwbouwpro-jecten 25% betaalbare koop te realiseren. De VVD vraagt zich af hoe deMinister van plan is deze motie uit te voeren. Hoe gaat zij die 25%waarborgen? De Minister heeft aangegeven dat zij met provincies engemeenten in gesprek wil gaan, maar dat is echt te zacht voor de VVD.Zorgt de Minister ervoor dat die 25% daadwerkelijk wordt gerealiseerd?Natuurlijk zijn er ook gemeenten die al goede resultaten behalen. Dezegemeenten zou ik heel graag willen stimuleren en een impuls willengeven. Daarom overweeg ik een motie in te dienen waarin ik de Ministerverzoek om gemeenten waarin 25% betaalbare koop wordt gerealiseerd,te belonen.Voorzitter. Naast zorgen om het bouwen van huizen heeft de VVD ookernstige zorgen om de stijgende woonlasten voor onder anderen mensenmet een koopwoning. Die lasten zijn de afgelopen jaren namelijkgigantisch gestegen. Welke plannen heeft deze Minister om dewoonlasten te verlagen? Veel mensen hebben ooit een koophuis gekochten hebben de woningwaarde de afgelopen jaren gigantisch zien stijgen,maar omdat ze nog steeds in diezelfde woning wonen, hebben ze ook deozb enorm zien stijgen. Dat je woning ineens enorm veel waard wordt,betekent echter niet dat je heel veel meer geld in je portemonnee hebt. Aldie mensen hebben een gigantische belastingverhoging voor de kiezengekregen. In veel te veel gemeenten stijgt de ozb op dit moment veel tehard. De VVD ziet liever lage lasten en rust in de portemonnee.Dan sociale huurwoningen. Laat ik vooropstellen dat de VVD blij is metiedere woning die wordt gebouwd, dus ook met een sociale huurwoning.Alleen, op dit moment is vastgelegd dat twee derde van de woningen diegebouwd worden, betaalbaar moet zijn. We zien echter dat er door dezeen andere reguleringen uiteindelijk vaak niet gebouwd wordt. We zien datbouwontwikkelingen stilvallen en niet van de grond komen. Wat de VVDbetreft zijn we echt doorgeschoten in de regulering van de woningmarkt.Op dit moment moeten gemeenten in de regio 30% sociale huurwoningenbouwen. Helaas zijn er ook tal van voorbeelden van gemeenten die meerdan 30% sociale huur eisen. Gelukkig zien we dat ook wethouders daar totinkeer kunnen komen. Zelfs bij de Amsterdamse D66-lijsttrekker is op ditmoment het kwartje gevallen. Zij zei namelijk dat het niet haalbaar is ommeer dan 30% sociaal te bouwen. Kan de Minister aangeven hoe zijaankijkt tegen gemeenten die bovenwettelijke eisen stellen op het gebiedTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 293 van sociale huurwoningen? Gaat de Minister deze gemeenten aanpakken?Door deze extra eisen komen namelijk heel veel bouwontwikkelingen nietvan de grond.De voorzitter:Als u daar even wilt pauzeren, geef ik het woord aan lid De Hoop voor eeninterruptie.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Omdat de heer Nobel over de sociale huurwoningen begint en over zijnangst dat er mogelijk te veel sociaal geprogrammeerd wordt, was ik welnieuwsgierig of de heer Nobel weet hoeveel gemeenten er in Nederlandboven die 30% sociale huur zitten.De heer Nobel (VVD):Het gaat niet alleen om hoeveel gemeenten er boven die socialehuurgrens zitten, het gaat ook om welke gemeenten dat zijn. Degemeenten die dit doen, zijn namelijk ook gemeenten waar we met elkaarheel veel woningbouwaantallen verwachten. Als we bijvoorbeeld naar degemeente Amsterdam kijken, zien we dat de woningbouwaantallen diedaar gerealiseerd kunnen worden enorm hoog zijn, maar op dit momentgebeurt dat niet omdat zij bijvoorbeeld een eis van 40% sociale huurstellen. Ook andere gemeenten, zoals de gemeente Utrecht, stellen tochvaak de eis om meer sociale huurwoningen te bouwen. Daardoor wordenuiteindelijk te weinig woningen gerealiseerd. Het is niet zo dat eenwillekeurige gemeente in Friesland of Groningen uiteindelijk dezelfdewoningbouwopgave heeft als bijvoorbeeld een gemeente als Amsterdam,omdat dat nu eenmaal in de Randstad ligt en de verbindingen daar ookbeter zijn. Dat weet de heer De Hoop als woordvoerder verkeer en vervoerook. Het gaat dus niet om hoeveel gemeenten, het gaat om de woning-bouwaantallen die gerealiseerd moeten worden. Die blijven ver achter bijgemeenten die dit doen.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Omdat de heer Nobel zelf over aantallen begint: de gemeente Amsterdamis de gemeente die de meeste woningen bouwt in Nederland. Zij hebbende afgelopen jaren 22.000 woningen bijgebouwd; dat allereerst. Van allegemeenten die er zijn, heeft 85% tussen 2020 en 2024 minder dan 30%sociaal gebouwd. In al die gemeenten wordt er dus minder sociaalgebouwd dan wij met z’n allen zouden willen, en er zijn 23 gemeenten diehelemaal geen sociale huurwoning gebouwd hebben. Als de heer Nobeldeze cijfers hoort, moet hij het, zelfs als VVD’er, toch met GroenLinks-Partij van de Arbeid eens zijn dat die sociale opgave groot is en dat die30% niet voor niks in deze wet staat?De heer Nobel (VVD):Juist omdat in alle segmenten de vraag zo enorm groot is, ook wat betreftde sociale woningbouw als je het bekijkt per regio, zou je dus niet bovendie 30% moeten gaan zitten. Je ziet namelijk dat heel veel woningbouw-projecten dan uiteindelijk niet van de grond komen; dat is ook mijn zorg.Daarom heb ik aan de Minister gevraagd hoe zij daartegen aankijkt en ofzij bereid is om die gemeenten ook aan te pakken. Want ja, de gemeenteAmsterdam heeft in absolute aantallen wel de meeste woningengebouwd, maar de prognoses en ook de ambities die ze zelf hebbengesteld, halen ze bij lange na niet. Dat is gewoon ontzettend jammer.De voorzitter:Nog een interruptie van het lid Grinwis van de ChristenUnie.De heer Grinwis (ChristenUnie):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 294 Was het dan niet beter geweest om in de wet gewoon de eis van 30%sociale huur per gemeente vast te leggen? Dan had je ook niet dediscussie gehad dat de ene gemeente haar hobby ging uitoefenen met40% à 50% en de andere gemeente zich onder haar verplichtingen uitdraaide en met 10% à 20% doorging. Dan hadden zowel Amsterdam alsBloemendaal allemaal 30% sociale huur als woningbouwopgave gehad.De heer Nobel (VVD):Dat lijkt me heel onwenselijk, want dat zou nog meer reguleringbetekenen. Ik heb zojuist ook betoogd dat we niet méér moeten reguleren.Als je iedere gemeente gaat voorschrijven dat ze nog meer vast moetenleggen, komt dat de woningbouwproductie zeker niet ten goede. Dat lijktde VVD dus een heel slecht idee.De heer Grinwis (ChristenUnie):Nu trapt de heer Nobel toch op zijn eigen staart met zijn redenering. Hijwil dit niet en dat niet. Hij wil deze Wet versterking regie. Daarin is eenPoolse landdag georganiseerd. Er wordt gezegd: nationaal willen wij 30%sociaal bouwen en twee derde betaalbaar, en dat willen we regionaal ook,maar niet lokaal. Ze moeten onderling gaan zitten steggelen op eeneindeloze Poolse landdag tot ze eruit komen. Daar krijgen ze zes maandenvoor. Hoe het daarna gaat, weten we niet helemaal zeker, dus wat mijbetreft creëren we daar vandaag helderheid over. Die optelsom van helevage regels ...De voorzitter:Komt u tot uw vraag?De heer Grinwis (ChristenUnie):... is toch een nog veel groter probleem dan een heldere regel: 30%sociaal en twee derde betaalbaar per gemeente?De heer Nobel (VVD):De VVD ziet het liefst zo min mogelijk regulering. We leggen nu een aantaldingen vast. Wat de VVD betreft zouden we liever naar dingen streven.Gelukkig staat ook in de wet dat we streven naar twee derde betaalbaar.Het zijn andere partijen geweest die hebben ingebracht dat we 30% hardmoeten realiseren. Wat de VVD betreft hadden we minder gereguleerd,maar goed, dit is de wet zoals die nu voorligt. Er zitten ook veel positieveaspecten aan, maar wat ons betreft had er veel minder gereguleerdkunnen worden. U stelt voor om daar nog verder in te gaan en het pergemeente te reguleren. Daarvan zegt de VVD dat het een slecht idee is,want je ziet ook: hoe meer we met elkaar vastleggen, hoe minder er wordtgebouwd.De heer Grinwis (ChristenUnie):Maar waarom piept de VVD dan zo over gemeentes die meer doen? Dat isinherent aan de vrijheid die de VVD aan regio’s geeft. Dan krijg jeonderling gesteggel. De ene gemeente wil zoveel procent sociaal enzoveel betaalbaar bouwen en de andere gemeente ziet het anders. Als jeeen vage regelt stelt, van «je zoekt het maar uit in de regio», dan werk jetoch in de hand wat de heer Nobel hier bestrijdt?De heer Nobel (VVD):Ik heb zojuist ook al aangegeven: wat de VVD betreft hadden we die 30%niet vast hoeven leggen, maar nu we die toch vastleggen, werkt die weltwee kanten op. Dat betekent dat er regionaal minimaal 30% gebouwdmoet worden. Echter, over gemeenten die meer doen, waardoor veelwoningbouwprojecten uiteindelijk niet rondkomen, zegt de VVD: daarmoet de Minister ook ingrijpen. Ik noemde in mijn voorbeeld de gemeenteTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 295 Amsterdam. Zo zijn er nog meer gemeenten die deze of andere eisenopleggen waardoor woningbouwprojecten uiteindelijk niet van de grondkomen. Als we met elkaar willen dat er voldoende woningen wordengebouwd, waaronder sociale huurwoningen, moeten we ervoor zorgendat er niet meer eisen worden opgestapeld dan de eisen die we hier almet elkaar vastleggen.De voorzitter:Vervolgt u uw betoog.De heer Nobel (VVD):Een balans op de woningmarkt is er als iedereen een eerlijke toegangheeft tot die markt. De huidige voorrang voor statushouders enex-gedetineerden past daar wat de VVD betreft in ieder geval niet bij. Hetamendement van mijn collega Peter de Groot over het verbieden vanvoorrang voor ex-gedetineerden is helaas verworpen, maar voor de VVDvalt deze voorrang niet te rijmen met de schaarste in de sociale woning-voorraad. Jongeren die op een zolderkamer bij hun ouders wonen, krijgenimmers ook geen woning, terwijl ze hard werken en meedoen in desamenleving.In het coalitieakkoord zijn afspraken gemaakt, bijvoorbeeld over hetinstellen van een verbod op de voorrang voor statushouders. Dievoorrang wordt afgeschaft wanneer er in voldoende mate alternatievehuisvesting beschikbaar is. Wanneer kunnen wij het verbod verwachtenvan de Minister? Welke stappen zet de Minister, bijvoorbeeld voor hetmeireces, om uiteindelijk te komen tot voldoende doorstroom?De heer Mooiman (PVV):Ik heb een vraag aan de heer Nobel over de voorrang voor statushouders.Er ligt natuurlijk al een verbod, dat door het vorige kabinet, samen met deVVD, is ingebracht. Dat verbod is ingediend bij de Kamer en zouden we inprincipe zo met elkaar kunnen behandelen. Mocht dat verbod naar deKamer komen en tot een behandeling komen, gaat de VVD daar dan inmee? Ik ben namelijk een beetje aan het zoeken waarom de VVD eennieuw verbod verwacht van de Minister.De heer Nobel (VVD):Ik denk dat we het over hetzelfde verbod hebben. We hebben ook metelkaar afgesproken dat er eerst alternatieve huisvesting moet zijn omstatushouders te kunnen huisvesten. Daarom vraag ik aan de Ministerwanneer zij verwacht dat die alternatieve huisvesting er is. Ik ben dusbenieuwd – ik zal mijn bijdrage meteen maar een soort van vervolgen –wanneer er volgens de Minister voldoende alternatieve huisvesting is.De voorzitter:Er zijn nog een boel interrupties voor u. U bent populair. Clemminck eersten dan De Hoop.De heer Clemminck (JA21):Over die alternatieve huisvesting voor statushouders. In het wetsvoorstel,waar de VVD zelf aan heeft meegewerkt, zit een opschorting van één jaar.Na de inwerkingtreding van de wet hebben gemeenten dus nog een jaarde tijd om die transformatielocaties te organiseren. Is dat ene jaar dan nietvoldoende?De heer Nobel (VVD):Ik begrijp de vraag, maar ik vind dat die ook samenhangt met de vragendie ik zojuist al aan de Minister heb gesteld. Ik ben dus erg benieuwd naarhet antwoord dat de Minister hier zelf op gaat geven. Wanneer is dieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 296 alternatieve huisvesting volgens haar voldoende? Hoe snel denkt deMinister die te kunnen realiseren?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik heb toch een vraag aan de heer Nobel, aangezien die alternatievehuisvestingsmogelijkheden voor statushouders er nog niet zijn. Dat wistde VVD ook al bij de vorige behandeling van de wet. Toch besloot de VVDtoen voor het amendement van de heer Mooiman te stemmen. Ik wil eenreflectie van de heer Nobel op waarom zijn partij wel voor datamendement stemde, terwijl de VVD wist dat er geen alternatievehuisvesting was voor die groep statushouders.De heer Nobel (VVD):Voor de VVD is het doel altijd helder geweest, en dat is het overigens nogsteeds: wij willen dat die voorrang voor statushouders zo snel mogelijkverdwijnt. Daarom hebben we destijds ook voor het amendementgestemd. Tegelijkertijd zitten we nu in een nieuwe coalitie, waarmeenieuwe afspraken zijn gemaakt. Een van die afspraken is dat er voldoendealternatieve huisvesting moet zijn. Maar laat ik heel duidelijk zijn namensde VVD: die voorrang moet er gewoon zo snel mogelijk af. Daarom heb ikde Minister ook gevraagd wanneer zij denkt hier concrete stappen in tekunnen zetten.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Toch op dit punt. Ik had eigenlijk iets meer reflectie van de VVD verwacht,zeker omdat het advies van de Raad van State echt heel stevig was. Zijgaven aan dat er een instrument voor ongelijkheidscompensatie voor ééngroep wordt ingetrokken, terwijl die groep zich niet in een gelijke positiebevindt. Dat leidt tot ongelijke behandeling. Ook worden gemeenten ineen hele moeilijke positie gebracht en gaat het rechtstreeks tegen deGrondwet in. Ik ken de partij van de heer Nobel als een partij die deGrondwet en de Raad van State vrij serieus neemt. Als zij met zo’n advieskomen, twijfelt de heer Nobel dan niet toch een beetje aan het feit datmen toch voor een absoluut verbod heeft gestemd? Was dat achterafgezien toch niet zo verstandig? Daarmee overschrijd je toch de lijn vandiscriminatie, wat ik van de PVV wel gewend ben, maar niet van de VVD.Ik zou daar toch iets meer reflectie van de heer Nobel op willen horen.De heer Nobel (VVD):Nogmaals, voor ons blijft uiteindelijk het doel, namelijk die voorrangafschaffen, overeind. Over de weg ernaartoe hebben we nu met elkaarafgesproken dat we willen dat er eerst voldoende alternatieve huisvestingis. Wat mij betreft zit er in die zin geen licht tussen en blijft voor ons hetdoel altijd centraal staan. De manier waarop we daar komen, moetuiteindelijk wel netjes gebeuren. Daarom heb ik zojuist aan de Ministergevraagd hoe snel zij denkt die alternatieve huisvesting te kunnenrealiseren. Wanneer is de huisvesting voldoende? Dan kan die voorrangeraf.De voorzitter:Ik heb nu staan: De Hoop, dan Grinwis en dan Mooiman.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):De heer Nobel geeft nu geen antwoord op het fundamentele punt in mijninterruptie, namelijk dat het discriminerend is. Niet alleen ik vind dat,namens GroenLinks-Partij van de Arbeid, maar de Raad van State zegt ookheel nadrukkelijk dat er advies D werd gegeven. Dat is niet zomaar wat.Op dat punt gaat de heer Nobel niet in. Het punt is dat er sprake is vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 297 een ongelijke startpositie, waarbij je die mogelijkheid intrekt. Dat isdiscriminerend. Ik wil dáár een antwoord en een reflectie op van de heerNobel.De heer Nobel (VVD):Die ongelijke positie heb ik zojuist proberen te schetsen voor jongeren diebij hun ouders op een zolderkamer moeten blijven wonen tot halverwegede 20 en soms zelfs tot hun 30ste. Die ongelijke positie is er dus voor heelveel mensen in de samenleving die op zoek zijn naar een woning. Daaromwil de VVD af van de voorrang voor statushouders. De route daarnaartoeis dat er zo snel mogelijk alternatieve huisvesting moet zijn. Wat onsbetreft kan die voorrang dan zo snel mogelijk verdwijnen. Ik hoop dus ookdat de Minister heel concreet kan aangeven dat zij nog voor het meirecesmet stappen komt om dit te realiseren.De voorzitter:Het woord is aan de heer Grinwis van de ChristenUnie. Daarna Mooiman.De heer Grinwis (ChristenUnie):De heer Nobel geeft, ondanks het aandringen van mij en collega De Hoop,geen antwoord op de reflectievraag. De VVD heeft willens en wetens vooreen amendement gestemd waarmee niet alleen werd geregeld wat doorde vorige Minister van VRO, mevrouw Keijzer, in een separaatwetsvoorstel al werd voorbereid. Dat was dat gemeenten niet meermogen overgaan tot het verlenen van urgentie aan statushouders. In hetamendement-Mooiman werd het zo geregeld dat statushouders om welkereden dan ook – of je nou ziek was of onder een andere urgentiecategorieviel – coûte que coûte geen urgentie meer konden krijgen. Bij destemming was klip-en-klaar dat dat een discriminerend amendement was,omdat het rechtstreeks in strijd was met artikel 1 van de Grondwet. Datwisten we allemaal. Ik heb daar in mijn stemverklaring de vinger bijgelegd. Ondanks dat heeft de VVD heel gemakkelijk voor dat amendementgestemd, terwijl er separaat een wetsvoorstel in voorbereiding was doorde voorganger van deze Minister. Bovendien heeft de ingang van dezewet daardoor vertraging opgelopen. Reageer daar eens op! Want wat deVVD wil, is wel helder.De voorzitter:Uw vraag is helder.De heer Nobel (VVD):Ik heb nu volgens mij drie of vier keer aangegeven dat voor de VVD metname dat doel belangrijk is. Dit is overigens niet het enige amendement;er zijn ook nog een aantal andere amendementen ingediend. Daar zal ikstraks ook nog op komen. Deze wet werd dus op een aantal puntengeamendeerd, en dit was een van die punten. En het klopt dat devoorrang voor statushouders de VVD inderdaad heel zwaar op de maagligt, juist vanwege die jongeren die op dit moment nog bij hun ouders opeen zolderkamer moeten wonen. Daarom zijn wij uiteindelijk ookmeegegaan met dat amendement. Nu hebben we met elkaar afgesprokendat we die alternatieve huisvesting op orde moeten hebben; vervolgenskan die voorrang er ook af. Ik zal deze Minister daarom in waarschijnlijkelk woondebat ook kritisch bevragen hoe ver ze daarmee is.De heer Grinwis (ChristenUnie):Het doel van de VVD is nu wel helder. De heer Nobel is heel wel in staatom dat goed voor het voetlicht te brengen, maar het gaat om dat anderepunt. Op die befaamde middag – of was het een avond? Ik weet het nietmeer – heeft de Kamer bij diverse wetten in meerderheid amendementenaangenomen, die de toets van de grondwettelijke kritiek niet kondenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 298 doorstaan. Het ene amendement heeft op dat moment al heel veel stofdoen opwaaien; dat was het bekende amendement op de migratiewettenover het kopje soep. Maar dít amendement is een beetje onder de radargebleven, maar was minstens zo problematisch. Een partij als de VVD,maar ook de collega van de SGP, die zich al warm kan draaien voor eeninterruptie hierover, heeft hier willens en wetens voorgestemd. Dit terwijlduidelijk was dat dit amendement grote repercussies heeft, niet stand-houdt voor een rechter en ook niet voor onze Grondwet. Laat ik het dan zozeggen: wat heeft de VVD daarvan geleerd voor een volgende keer?De voorzitter:De vraag is helder.De heer Nobel (VVD):Ik denk dat de les, niet alleen voor de VVD maar voor alle partijen hier, isdat de grenzen van migratie ver overschreden zijn en dat er de afgelopenjaren zo veel mensen naar Nederland gekomen zijn dat dit enorm drukt opallerlei zaken, ook op onze volkshuisvesting. Daardoor zal uiteindelijk ookeen partij als de VVD kijken naar voorstellen hierover op het gebied vanwoningbouw. Het is niet eerlijk dat een jongere ontzettend lang moetwachten en jarenlang bij zijn ouders moet blijven wonen, soms tothalverwege de 20 of 30. Dat we de voorrang voor statushouders willenafschaffen, dat de VVD daarvoor heeft gestemd, vind ik helemaal niet zogek.De voorzitter:De laatste.De heer Grinwis (ChristenUnie):Nu doet u het weer, zou ik bijna willen zeggen. De heer Nobel gaat nogeen keer over tot het uitleggen van het standpunt van de VVD, maar datwas hier niet het punt. Of je wel of niet aan gemeenten de vrijheid guntom wel of geen urgentie te geven aan statushouders, is op zich eenlegitiem standpunt. Dat kun je vinden. Het punt was dat het amendementniet alleen dat regelde, maar ook dat een gemeente coûte que coûte, wateen statushouder ook overkwam, geen voorrang meer kon verlenen, inwelke urgentiecategorie een statushouder ook viel. Dat was als zodanigdiscriminerend, dat was die middag helder. Nochtans heeft de VVDvoorgestemd. Uit niks uit de beantwoording van de heer Nobel blijkt dathet een stemfout was of een les: daarvan hebben we geleerd en devolgende keer zullen we onze Grondwet wat serieuzer nemen. Hij blijftbenadrukken hoe belangrijk het doel is. Het doel is legitiem. Het punt isdat bij de stemming al volkomen duidelijk was dat het middel geen standhoudt en discriminerend is.De voorzitter:Komt u tot een vraag?De heer Grinwis (ChristenUnie):Kan de heer Nobel daar alsjeblieft een keer wél op ingaan? Nog een keerhet riedeltje over wat de VVD ervan vindt: dat kennen we wel.De heer Nobel (VVD):Dan ben ik bang dat ik de heer Grinwis teleur moet stellen, want ik gawaarschijnlijk een verhaal afsteken dat behoorlijk langs dezelfde lijn zallopen. Ik gaf zojuist al aan dat wat ons betreft die voorrang er zo snelmogelijk van af moet.Voorzitter, tot slot.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 299 Nee, want nu ga ik naar een interruptie van de heer Mooiman, PVV.De heer Mooiman (PVV):Voorzitter, staat u mij een persoonlijk feit toe. Er werd net gezegd door eencollega dat er bij de PVV een lijn van discriminatie te herkennen zou zijn.Dat vind ik heel kwalijk en dat werp ik ook verre van mij. In hetamendement gaat het over een voorrangsregeling voor statushouders. Zijworden voorgetrokken ten opzichte van Nederlanders. Wij wilden dieongelijke behandeling corrigeren en daartoe hebben we dat amendementingediend. Waar sommige partijen zeggen dat zij de Nederlandersachterstellen, zeggen wij: dat gaan wij niet doen. Als er al iets discrimi-nerend zou zijn, dan zou het wel het feit zijn dat er hele groepen wordenvoorgetrokken ten opzichte van Nederlanders. Dat wil ik graag gezegdhebben, voorzitter.De voorzitter:Dat was een persoonlijk feit. Dan ga ik de heer Nobel ruimte geven omzijn betoog te vervolgen.De heer Nobel (VVD):Voorzitter. Ik wilde zeggen: tot slot. Destijds zijn er nog een aantal motiesingediend bij de wetsbehandeling. Een van de moties ging over hetpakken van de regie bij woningbouwprojecten die uiteindelijk vastlopenomdat de fatale termijn verstrijkt voor vergunningen die de gemeentenmoeten verlenen. Ik begrijp heel goed dat de Minister zegt dat ze nietiedere woning op haar bordje wil krijgen waarvoor de fatale termijn isverstreken, want dat is natuurlijk ondoenlijk. Ik vraag me wel af hoe deMinister aankijkt tegen dergelijke situaties met woningbouwprojecten van500 of meer woningen. Hoe zit het in dat geval met de beslissingsbe-voegdheid van de Minister? Kan de Minister daarop reflecteren?Dat was mijn bijdrage. Dank u wel.De voorzitter:Dank u wel, meneer Nobel. De heer Nobel sprak namens de VVD. Dan gaik naar de heer Flach, die namens de SGP spreekt.De heer Flach (SGP):Dank u wel, voorzitter. De richting die de Wet versterking regie volkshuis-vestiging opgaat, steunen wij in grote lijnen. De koerswijzigingen die devoorliggende novelle voorstelt, kunnen wij ook steunen. We zijn welbenieuwd naar de uiteindelijke vormgeving. Een deel moet namelijk nogworden uitgewerkt. Bovendien zag ik vorige week opnieuw het voorstellangskomen om niet meer op regionaal niveau maar in elke gemeente testuren op percentages, een voorstel dat de SGP absoluut niet kansteunen. Het is niet alleen funest voor de lokale autonomie, maar vooralfunest voor woningzoekenden. Het voorstel suggereert dat allegemeenten gelijk zijn, terwijl gemeenschappen in elke gemeenteverschillend zijn. Nog meer regels vanuit Den Haag gaat de woningbouwvooral vertragen, zorgt voor kleinere woningen of leidt ertoe dat projectenniet meer doorgaan.Voorzitter. Een van de voorstellen die met deze novelle ongedaan wordtgemaakt, gaat over vergunningen. Woningbouwprojecten lopen te vaakvertraging op door perikelen bij de vergunningverlening. Volgens de SGPmoet hier echt een verbeterslag in worden gemaakt, of het nu gaat om hetoverschrijden van termijnen of om ingewikkelde processen. Afgelopenweek vroeg ik de Minister daar ook naar. Zij gaf toen aan dat deproblemen wel meevielen bij gemeenten. Inderdaad, het probleem speeltveel breder: ook bij provincies stroopt het soms op. Het kan dan gaan omallerlei vergunningen. Zo gaat het niet alleen om de technische bouwacti-viteit zelf, maar bijvoorbeeld ook om natuurvergunningen die nodig zijnTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2910 om te starten met bouwen. Dit speelt niet alleen bij nieuwbouw, maar ookbijvoorbeeld bij het splitsen van woningen of bij andere manieren diebijdragen aan het oplossen van het woningtekort. Ik zou heel graag inkaart willen hebben waar de grootste obstakels zitten en vooral wat eraangedaan kan worden om de vergunningverlening in brede zin te versnellen.Hoe ziet de Minister dit? Wil zij opties in kaart brengen om dit probleemaan te pakken?Voorzitter. Tijdens de behandeling van de Wet regie is een amendementvan de BBB aangenomen waardoor gemeenten geen beroep meer kunneninstellen tegen besluiten van andere gemeenten. Dat is een enormeinbreuk op de rechten van gemeenten. Zeker bouwprojecten aan de randvan gemeenten kunnen forse invloed hebben op naburige gemeenten. Erkunnen zich dan terechte bezwaren voordoen. We spreken hier vaak overde grote waarde van gemeenten, de lokale autonomie en de ruimte voorgemeenten. Dit voorstel gaat daar lijnrecht tegenin. Hoe kan hetamendement zo beperkt mogelijk worden ingevoerd? Is er overleggeweest met bijvoorbeeld de VNG over de uitwerking van ditamendement? Zo nee, wil de Minister toezeggen dat dit alsnog gebeurt?Voorzitter. In het coalitieakkoord las ik interessante teksten die ook lijken teraken aan dit wetsvoorstel. Zo wordt er bij nieuwe woondeals gestreefdnaar 25% betaalbare koop. Zeker, dat is hard nodig. Hoe wordt datpercentage geborgd? Tegelijkertijd is betaalbaar op papier vaakonbetaalbaar in de praktijk. Vorige week bij het debat over volkshuis-vesting ben ik daar ook op ingegaan. Een bijkomend risico is dat erweliswaar betaalbare woningen worden gebouwd, maar dat de kwaliteitsterk vermindert. Kan de Minister hierop reflecteren? Is voor deze wens inhet coalitieakkoord ook niet een wijziging van de Wet regie nodig? Watbetekent de wens om ontwikkelaars vrij te laten bouwen naar behoefte,zoals ook in het coalitieakkoord is opgenomen, in de praktijk? Juist met deWet regie zijn ze toch aan allerlei voorschriften gebonden? Aan de enekant schrijven we ze dus allerlei regels voor, maar aan de andere kantkunnen ze bouwen naar behoefte. Ik moest even denken aan de reclamevan een bepaald automerk aan het begin van de vorige eeuw: je kunt ’min alle kleuren kopen, als het maar zwart is.Voorzitter. Als gevolg van een aangenomen amendement van de SGP enD66 moeten gemeenten ook voor starters specifiek woonbeleid opstellen.In het Besluit versterking regie volkshuisvesting is bepaald wat onderstarters wordt verstaan. Ik heb daar twee opmerkingen over. Ten eerstewordt in het besluit bepaald dat een starter een woningzoekende persoonis tussen de 18 en de 30 jaar. Volgens mij ligt de leeftijd in de gangbaredefinitie hoger, namelijk op 35 jaar. Ook voor bijvoorbeeld de startersvrij-stelling en de overdrachtsbelasting wordt een leeftijdsgrens van 35 jaargehanteerd. Waarom wordt hier een afwijkende definitie gehanteerd?Afgelopen vrijdag kwamen de antwoorden binnen op onze vragen overhet onderliggende besluit, waarin de Minister zegt de grens niet te willenverhogen. Waarom niet? Ik overweeg een motie op dit punt. Daarnaastkreeg ik het signaal dat starters die uitstromen uit een zogenaamdejongerenwoning in het huidige besluit niet onder de definitie zoudenvallen. Technisch gaat het dan om artikel 274c van boek 7 van het BW. Isde Minister bereid om ook deze groep toe te voegen?Voorzitter. Tot slot wil ik het hebben over het amendement over deurgentie voor dakloze gezinnen met kinderen. De SGP is voorstander vandeze toevoeging. Ik snap dat er wellicht enige inkadering nodig is. Ik maakme echter wel zorgen dat de drempels om als dakloos gezin met kinderenurgentie te krijgen te hoog worden. Dat kan nooit de bedoeling zijn. Ik zoudaarom nogmaals een beroep op de Minister willen doen om nog eensgoed te kijken naar de gevolgen van de inkadering. Het besluit isinmiddels in consultatie, dus we zullen er ongetwijfeld nog vaker overspreken.Dank u wel.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2911 De voorzitter:Dank u wel, meneer Flach. Er is een interruptie van het lid De Hoop,GroenLinks-PvdA.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik vind het eerlijk gezegd toch wel verbijsterend dat de heer Flach metgeen woord heeft gerept over de voorrang van statushouders, zeker daarzijn fractie wel voor het amendement heeft gestemd. Ik had andersverwacht van een partij die in deze Kamer toch een beetje bekendstond enten dele nog bekendstaat als het staatsrechtelijk geweten van deze Kamer.Als de Raad van State zo’n hard oordeel heeft over een aangenomenamendement waar ook de SGP voorgestemd heeft, zou ik daar toch weliets van een reflectie van de heer Flach op verwachten.De heer Flach (SGP):Dit is wel een beetje een debat van grote woorden aan het worden. Deheer De Hoop is namelijk inmiddels «verbijsterd» over iets wat ik nietgezegd heb. Dat geeft goede hoop voor wat er nog meer gaat komen indit debat. Ik wil er best iets over zeggen. Ja, daar is een verhit debat overgeweest, alweer enige maanden geleden. De SGP heeft ingestemd methet amendement Mooiman, omdat wij het eens zijn met het doel om devoorrang voor statushouders zo snel als mogelijk te schrappen. Waarom?Omdat een toenemende groep mensen in de samenleving aan de kantkomt te staan. Dat is ook al genoemd door collega Nobel. Dat zijnjongeren die gewoon de markt niet meer op komen en jonge gezinnen dieniet meer aan bod komen voor een sociale huurwoning. Daarom willenwij zo snel mogelijk een verbod.Nu, met het advies van de Raad van State in de hand, is het makkelijkzeggen: dat is toch niet staatsrechtelijk en dat is discriminerend. Noem hetallemaal maar op. Ik moet zeggen dat ik het niet eens ben met diebeoordeling van de Raad van State, maar ik heb daarmee geen gelijkepositie, dus we moeten er wel iets mee. Dat is de reden dat ik zeg dat wedeze aanpassing van de novelle in grote lijnen steunen. Er wordt gezegddat het geen gelijke uitgangspositie is, maar ik stel daartegenover datjongeren die niet uit huis komen en inmiddels 30 jaar zijn ook geen gelijkeuitgangspositie hebben. Dat is de reden geweest dat wij destijds wel metdat amendement hebben ingestemd. Dat het nu gerepareerd wordt, is eengevolg van die Raad van State-uitspraak. Die volgen wij, maar dat wil nietzeggen dat ik terugkom op de eerdere stemkeuze die wij hebben gemaakt.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Prima. Ook het waardeoordeel van de heer Flach over mijn interruptie isprima, want ik heb dat waardeoordeel eerlijk gezegd ook over hetstemgedrag van de SGP gehad. Het is dus fair dat de heer Flach ditmarkeert als een stevige interruptie. Dat mag ook, maar ik proef in dewoorden van de heer Flach dat hij zelfs na het advies van de Raad vanState zegt dat de SGP nog steeds voor dat amendement zou hebbengestemd. Heb ik dat goed begrepen? Of zouden de heer Flach en deSGP-fractie, wetend wat de Raad van State daar nu over gezegd heeft,achteraf liever niet voor het amendement hebben gestemd?De heer Flach (SGP):Voor de SGP is de Raad van State een heel belangrijk adviesorgaan, wiensoordelen wij altijd serieus nemen. Dat is ook de reden waarom ik letterlijkheb gezegd dat wij de koerswijzigingen in de voorliggende novellekunnen steunen. De heer De Hoop wil nu eigenlijk met de kennis van nueen reflectie op mijn stemgedrag van toen. Dat is een heel rare figuur,waar ik ook niet in meega, want dat wordt heel gekunsteld; de heerGrinwis kan zich bijna niet inhouden, maar die mag straks. Wij zijn vanmening dat we in dit land te lang hebben gewacht met het schrappen vanTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2912 de voorrang voor statushouders. Dat heeft geleid tot een onevenrediggrote druk, met name in gemeentes waar gewoon weinig socialehuurwoningen zijn. Dat heeft geleid tot wachttijden van tien jaar. Als u hetdan hebt over een gelijke uitgangspositie, meneer De Hoop, zou ik daarook weleens een reflectie van uw kant op willen: hoe kunnen we dat dantoestaan en tegelijkertijd maar laten voortslepen dat we die voorrang instand laten? Ik vind dat onevenredig en onrechtvaardig. Daarom sta ik nogsteeds voor de keuze die wij destijds hebben gemaakt en heb ik gezegdwat ik zojuist heb gezegd.De voorzitter:De Hoop en dan Grinwis.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Een afrondende interruptie dan. Ik zal het woord «verbijsterend» niet meergebruiken, want dat werd volgens mij niet zo gewaardeerd, maar ik vindhet toch wel apart dat twee partijen die juist tegen voorstellen stemmenvoor meer sociale huurwoningen in die gemeenten, het argumentgebruiken dat er te weinig woningen zijn voor mensen die zulke woningenzoeken om die voorrang af te schaffen. We hebben in Nederland al 30 jaarlang ongeveer hetzelfde percentage woningen dat naar statushoudersgaat. Het enige wat er veranderd is, is dat er veel minder sociale huurwo-ningen zijn. Daardoor is dit probleem nu zo ontstaan en voelen we datmet elkaar meer bij sociale voorzieningen. Als u dit echt zo belangrijkvindt, zou ik zeggen: steun dan juist het voorstel van de heer Grinwis enmij, want dat waarborgt dat we in elke gemeente voldoende socialehuurwoningen krijgen. Dan zou ik het argument beter begrijpen dan in ditgeval.De heer Flach (SGP):Op het gevaar af dat dit meer een migratiedebat wordt dan een volkshuis-vestingsdebat: de heer De Hoop kiest voor de ene oplossing, namelijk erontzettend veel sociale huurwoningen bij bouwen, terwijl we de Ministervorige week nog hebben horen zeggen dat de helft van de woningen diewe moeten bouwen, nog bestemd is voor mensen die nu nog niet inNederland wonen. Wij gaan aan de andere kant zitten en wij zeggen datdie instroom heel erg sterk omlaag moet. Waarom? Onze samenlevingpiept en kraakt onder de impact daarvan. Daar moeten we nu eindelijkeens iets aan gaan doen. Dat is destijds gekoppeld aan de Spreidingswet,maar dat is niet gebeurd. Dat is gekoppeld aan de taakstelling voorgemeenten; dat is ook niet gebeurd. Die instroom gaat maar niet naarbeneden, anders dan door autonome factoren. Zolang we dat niet doen,kunnen we bij blijven bouwen wat we willen, maar is het dweilen met dekraan open. Wat mij betreft kiest GroenLinks-PvdA in dit geval dus voor deverkeerde knop om aan te draaien.De voorzitter:Grinwis, ChristenUnie. Ik vraag u om iets korter te zijn dan zojuist.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ja. Ik begrijp heel goed dat er een discussie wordt gevoerd over deurgentiebepaling voor statushouders. Een aantal jaren geleden is deverplichte urgentie eraf gehaald. Dat is nu een facultatieve urgentie, zodatgemeenten toch kunnen voldoen aan de wettelijke taakstelling omstatushouders te huisvesten als zij daar niet op een andere wijze dan viasociale huurwoningen aan kunnen voldoen. Zo is het nu geregeld. Dat deSGP daarvan af wil en dit de gemeenten wil verbieden, past volgens mijniet helemaal in de rest van het betoog van de heer Flach, maar soit. Watik nu opmerkelijk vind, is de redeneer- en handelwijze van de SGP. Hetging niet om de kennis van nu; het ging om de kennis van toen. Toen weTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2913 stemden, wisten we dat dit amendement urgentie voor statushouders nietsec in een specifiek geval onmogelijk maakte maar coûte que coûte. Datstaat heel duidelijk in het amendement. Ook als je in een andere urgentie-categorie zou vallen, zou er dus geen urgentie gegeven mogen worden.Dat is het discriminerende en het onjuiste van dit amendement. Daarhadden we de Raad van State niet eens voor nodig; dat konden we zelfzien bij de stemming. Ik heb daar in mijn stemverklaring ook duidelijkuiting aan gegeven. Ik heb daar zelfs nog over gesproken met de heerFlach, maar dat doet hier verder niet ter zake. Het punt is dat ik dáár eenreflectie op wil horen, en niet wil horen «we steunen het doel» en «met dekennis van nu».De voorzitter:Helder.De heer Grinwis (ChristenUnie):Wilt u daarop ingaan?De heer Flach (SGP):Ik ga in op de vragen zoals ik dat wil doen, op mijn manier. Ik snap dat datsoms niet tot tevredenheid is, maar daar moet de heer Grinwis het danook maar mee doen. Ik heb gezegd: met de kennis van nu. We haddentoen nog niet het advies van de Raad van State. Sterker nog, daar heeft deheer Grinwis toen zelf om verzocht. Dat heb ik toen inderdaad nietgesteund. Die kennis hadden we toen dus niet. Ja, we wisten inderdaaddat het een coûte-que-coûtemaatregel was, maar nogmaals, we gaan nuheel erg terug in de tijd. Het is ook duidelijk dat we uit bepaaldegemeenten al signalen kregen dat er met het wetsvoorstel, dat hier nogniet eens was behandeld, gezocht zou worden naar allerlei mazen in dewet om tóch voorrang te kunnen verlenen aan statushouders. Dat is eenelement dat destijds niet zo heel erg naar voren is gekomen in dediscussie. Economische binding en dat soort zaken zijn factoren waarvandoor een aantal gemeenten werd gezegd: die zullen we maximaaluitnutten om statushouders toch voorrang te kunnen bieden in onzegemeente. Om daaraan een stuk tegenwicht te geven, heeft de SGPgestemd voor het amendement van de heer Mooiman, omdat we vanmening zijn dat het nu echt een keer naar beneden moet. Dat de heerGrinwis dat namens de ChristenUnie niet wil, is bekend. Voor deChristenUnie staan de grenzen wellicht wijd open – dat mag; daarinverschillen we van mening – maar we moeten elkaar wel de ruimte gevenom daar verschillend over te denken.De voorzitter:Heren, interrupties en antwoorden graag iets korter.De heer Grinwis (ChristenUnie):Allereerst werp ik de laatste woorden van de heer Flach verre van mij. DeChristenUnie heeft destijds in de Eerste Kamer bijvoorbeeld voor demogelijkheid gestemd om de verplichte urgentie ervanaf te halen, zodatgemeenten ook recht konden doen aan de doelstelling om hun eigenjongeren te huisvesten, zodat die niet ellenlang hoefden te wachten. Maarmijn korte vraag in tweede instantie aan de heer Flach is de volgende.Heeft de SGP-fractie spijt van de stem van die middag voor hetamendement-Mooiman?De heer Flach (SGP):Dan krijgt de heer Grinwis ook een kort antwoord: nee. Wat de heerGrinwis verder zegt, voelt voor mij toch een beetje als koud en warmblazen tegelijk. De urgentie is hoog. In heel veel gemeenten gaat hetgewoon echt mis, met wachttijden tot tien jaar voor jongeren. Dat kunnenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2914 wij niet langer lijdelijk aanzien, dus wij zullen, net als de heer Nobel,blijven aandringen op het zo spoedig mogelijk afschaffen van dievoorrang voor statushouders.De voorzitter:Dank aan de heer Flach. Dan ga ik naar het lid Mooiman. Hij spreektnamens de PVV.De heer Mooiman (PVV):Dank u wel, voorzitter. Ik heb er al veel zin in. We hebben het vandaagnatuurlijk over de wijziging via een novelle van de door de Kameraangenomen Wet versterking regie volkshuisvesting. De Kamer heeft dewet reeds uitvoerig behandeld en zich tevens uitgespreken over demoties, en heeft de wet geamendeerd zoals zij dit wenselijk acht, onderandere met een amendement van mijzelf. Deze verschillende amende-menten, die de Minister nu uit de wet wil halen, zijn dus wel door eenKamermeerderheid aangenomen. Dat wil ik toch benadrukken. Wat mijnfractie betreft, had deze novelle dus ook niet gemaakt hoeven worden. Datis ook gelijk wat ik erover te zeggen heb ten aanzien van de amende-menten, maar voel je vrij om te interrumperen, zou ik bijna tegen de heerGrinwis willen zeggen, als hij tenminste aan het opletten is.Voorzitter. Ik vervolg mijn betoog. De behandeling van vandaag stelt onsnatuurlijk ook in staat om het besluit dat voortvloeit uit de wet tebehandelen en bij te sturen, bijvoorbeeld waar het gaat om de instand-houdingstermijnen die in het besluit zijn opgenomen voor nieuwebetaalbare koopwoningen met een in het omgevingsplan van degemeente bepaalde koopprijs tot de in de wet genoemde bovengrens.Waar die voor sociale huurwoningen en middenhuurwoningen gebaseerdzijn op het moment van ingebruikname, zijn die bij een betaalbarekoopwoning vastgelegd op het moment dat de koopovereenkomst wordtgesloten. Daar kan natuurlijk best veel tijd tussen zitten bij een nieuw tebouwen woning. We vragen de Minister dan ook waarom niet is aange-sloten bij de systematiek van de huurcategorieën, zodat woningen binnende gekozen tijdspanne zo lang mogelijk betaalbaar blijven.Dan de definitie van starters. Mijn collega de heer Flach had het daarzojuist ook al over. Er is opgenomen dat dat gaat om woningzoekendentussen de 18 en de 30 jaar die voor het eerst een zelfstandige woningzoeken of voor het eerst uitstromen uit een woning met een tijdelijkcontract. In die groep ontbreekt nog een groep, bijvoorbeeld jongeren metjongerencontracten, voor jongerenwoningen. Die vinden we daar niet interug. Wij vragen ons af waarom de Minister deze groep er niet in heeftmee genomen.Ook hebben we een vraag over de bruikbaarheid van gegevens voorgemeenten. In het besluit wordt uitgewerkt dat het Rijk verschillendegegevens verzamelt op landelijk, provinciaal en regionaal niveau, maarwat bedoelt de Minister hier exact met «de regio»? Moeten wij datopvatten als de woonregio? Kan de Minister waar mogelijk ook gegevensvastleggen op gemeentelijk niveau dan wel wijk- of buurtniveau? Mochtdat niet kunnen, dan lijkt het ons wel goed dat gemeenten in ieder gevalde ruimte houden om de eigen kennis en cijfers te blijven gebruiken voorhet volkshuisvestingsprogramma.Voorzitter. Dan nog het volgende. Het is een tijd geleden dat er eenartikel 2-onderzoek naar de gevolgen van de wet en de uitvoeringskostenis geweest. Ik geloof dat dat in 2023 voor het laatst gebeurde. Met nameprovincies maken zich hier toch zorgen over. We zouden de Ministerwillen vragen of zij het dus nodig acht om zo’n aanvullend artikel 2-onderzoek te laten doen naar de financiële gevolgen voor decentraleoverheden, of dat het volgens de Minister al voldoende in de wet zit.Tot zover, voorzitter.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2915 De voorzitter:Dank u wel. Dat was de heer Mooiman. Hij sprak namens de PVV. Dan gaik naar de heer Clemminck. Hij spreekt namens JA21.De heer Clemminck (JA21):Voorzitter, dank u wel. We spreken opnieuw over de Wet versterking regievolkshuisvesting. Althans, voor een aantal van ons is het opnieuw. Voormij en enkele andere collega’s, inclusief de Minister volgens mij, is het deeerste keer. In alle eerlijkheid: ik heb bij de eerste behandeling enstemming in de Kamer, volgens mij in juni of juli 2025, van een afstandjemeegekeken. Er was een flinke lijst aan moties en amendementen en eengebrek aan tijd om alles zorgvuldig af te wegen. Volgens mij is dat dereden dat wij hier met een novelle zitten.Voorzitter. Ik zal dan maar meteen, wellicht in de richting van de heer DeHoop en de heer Grinwis, duidelijk maken dat wij destijds voor hetamendement-Mooiman hebben gestemd, omdat de voorrang voorstatushouders in onze optiek oneerlijk, onrechtvaardig en ronduitdiscriminerend is. Enige reflectie vanuit de linkerkant van de Kamer op hetin stand houden van een in mijn ogen discriminerende werking zou ookwel op zijn plaats zijn. Tegelijk moet ik in alle eerlijkheid zeggen: met hetadvies van de Raad van State en de analyse van de Minister kunnen weook alleen maar concluderen dat het amendement uiteindelijk deoneerlijkheid aan de ene kant heeft opgeheven, maar een oneerlijkheidaan de andere kant heeft gecreëerd. In die zin kunnen we dan ook goed dereparatie volgen die door de Minister wordt voorgesteld. Dat betekentinderdaad dat wij dan in een verder exact gelijke situatie anders haddengestemd. Dat zeg ik er maar meteen even bij.Voorzitter. Voor JA21 weegt het intrekken van de voorrang van status-houders heel zwaar. Er zijn Nederlanders die soms zes, zeven of acht jaarof langer staan ingeschreven voor een woning. Hun leven staat somsletterlijk stil. Ze kunnen het ouderlijk huis niet verlaten, gezinsvormingvindt later of helemaal niet plaats en als er dan een keer een woningvrijkomt, worden ze links ingehaald door een statushouder. Dit systeemmoet zo snel mogelijk stoppen. Er is nul draagvlak. Het is ronduitoneerlijk, onrechtvaardig en wat mij betreft echt discriminerend. Ik hebhierover een aantal vragen voor de Minister. Vindt de Minister dat dehuidige voorrang oneerlijk is ten opzichte van Nederlanders die jarenlangstaan ingeschreven voor een woning? Deelt zij deze visie? Hoe kijkt deMinister naar het beperkte draagvlak voor deze regeling? Er is ronduitgeen draagvlak. Wat gaat de Minister doen om dit wetsvoorstel zo snelmogelijk in te dienen, zodat wij een einde kunnen maken aan dezeoneerlijkheid richting Nederlanders die jarenlang ingeschreven staan vooreen sociale huurwoning?In het coalitieakkoord lezen we een aantal passages over de voorrangvoor statushouders. Kan de Minister toelichten wat er bedoeld wordt met«een bindend convenant met gemeenten over het snel ontwikkelen vanflexibele locaties voor tijdelijke woningen voor statushouders»? Watbetekent dit? Hoe, wat, wanneer? Is dit voor de Minister een voorwaardevoordat zij overgaat tot het intrekken van de voorrang voor status-houders? Kan de Minister toelichten wat er bedoeld wordt met «het involdoende mate aanwezig zijn van flexibele en tijdelijke woningen voorstatushouders»? De vraag werd ook al gesteld door collega Nobel. Is deMinister voornemens de Wet nieuwe regels inzake huisvesting vergun-ninghouders zo spoedig mogelijk door te zetten, te beginnen met deschriftelijke behandeling van volgende week? Volgens mij staat die nogsteeds bij ons in de agenda. Graag een reactie van de Minister.Voorzitter. JA21 ziet te veel regulering vanuit de overheid op de woning-markt. De gevolgen zijn torenhoge publieke kosten – belastinggeld isnodig om onrendabele toppen af te dekken – en investeerders die massaalwegtrekken en hun huurwoningen verkopen. Let wel, het zijn inves-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2916 teerders die woningen financieel mogelijk maken en risico’s durven tenemen. Vooral het middenhuursegment verdwijnt gewoon voor onzeogen. De betaalbaarheidseisen werken niet; ze remmen eerder dewoningbouw. Hoe denkt de Minister te gaan sturen op de ambitie uit hetcoalitieakkoord om bij nieuwe woondeals te streven naar twee derdebetaalbare woningen, waarvan 30% sociale huur en 25% betaalbare koop?Hoe zorgt de Minister ervoor dat de middenhuur en de betaalbare koopniet worden weggevaagd door deze betaalbaarheidseisen?De betaalbaarheidseisen mochten al per gemeente binnen een woonregioverschillen, maar de coalitie stelt dat het ook tussen regio’s magverschillen. Klopt het dat de Minister het goedvindt dat er in sommigeregio’s minder sociale huurwoningen worden gebouwd en in andere niet?Is dat de uitleg van het coalitieakkoord? Wat betekent deze nieuweinvulling voor deze wet, het onderliggende besluit en de onderliggendeinstructieregels?Voorzitter. Dan over dakloosheid en de urgentie voor gezinnen metkinderen. In het algemeen volgen we de inzet van deze Minister; ik ga ermaar even van uit dat het ook de inzet is van deze Minister en niet alleenvan haar ambtsvoorganger. De regeling ligt nu ter inzage. Wij zullen datnauwkeurig volgen. Dakloosheid is een hardnekkig probleem en eenverschrikkelijke situatie voor iedereen. Uit de ETHOS-telling blijkt dat bijnade helft van alle daklozen migranten, illegalen of ongedocumenteerden,zijn. We weten dat ruim 70% van de daklozen in de grote steden arbeids-migranten zijn. Dit zorgt voor veel overlast voor omwonenden, maar zekerook voor schrijnende situaties voor de betrokkenen zelf. Vaak speelt ookverslaving een rol. Ik heb de volgende vragen aan de Minister. Wat doetdit kabinet om dakloze migranten terug te sturen naar het land vanherkomst? Is de Minister bekend met de succesvolle aanpak inRotterdam? Is de Minister bereid deze aanpak landelijk uit te rollen en deKamer daarvoor in juni een plan van aanpak toe te sturen?Voorzitter. De laatste vragen gaan over de taskforce wonen. Wat is diteigenlijk voor een figuur? De Minister krijgt een brief van Rob, Dilan enBart met de groetjes en «aan de slag». Kan de Minister aangeven welkeonderdelen van deze taskforce inhoudelijk nieuw zijn ten opzichte vanbestaande plannen en beleid? Wat is nieuw ten opzichte van het coalitie-akkoord? Hoe wordt de Kamer bij deze taskforce betrokken?Voorzitter, tot zover.De voorzitter:Dank u wel. Dat was de heer Clemminck namens JA21. Dan ga ik naar DeHoop, GroenLinks-PvdA.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Laat ik eerst teruggaan naar wat ik denk dat het doel was vande wet die nu voorligt. Wij willen in Nederland heel graag meerbetaalbare huizen. Dan heb ik het over sociale huurwoningen, maar ookzeker over betaalbare koopwoningen en middenhuurwoningen. Daarbijligt er voor ons allemaal een opgave, ook zeker voor gemeenten. Het ideeachter de wet waar toenmalig Minister De Jonge in 2023 mee kwam, wasom te zorgen dat iedereen aan zijn plicht voldoet, ook aan zijn socialeplicht. Daarin werd ook de eis gesteld om per gemeente daadwerkelijk30% sociale huur te realiseren. Wij vonden dat initiële idee van De Jongegoed. Wij hadden ook graag gezien dat die plicht per gemeente in de wetwas gebleven. Daar is van afgestapt. Ik heb vandaag met de heer Grinwiswederom een amendement ingediend om te kijken of dat toch nietgemeentelijk vastgelegd kan worden, maar dat is ook het enige voorsteldat ik hier vandaag doe vanuit mijn fractie. Dat heeft de simpele reden datik heel graag wil dat deze wet wordt aangenomen, omdat ik echt denk dathet heel erg belangrijk is dat gemeenten snel aan de gang kunnen omdaadwerkelijk die betaalbare woningen te realiseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2917 Voorzitter. Laat ik duidelijk zeggen dat ik snap dat mensen ontzettend booszijn dat ze niet aan een betaalbare woning kunnen komen. Daar moetenwe een oplossing voor bieden. Ik hoop dat wij met elkaar met deze weteen stap kunnen zetten en dat de boosheid die er is, zo meteen nietgericht is op statushouders, maar op de politici en bestuurders diemisschien niet aan die sociale opgave voldoen. Ik hoop dat we daar welmet elkaar aan kunnen voldoen. Hopelijk kunnen we dan het sentimentdat in het debat is geslopen – dat vind ik verdrietig – kwijtraken met elkaar.Ik zou dat heel prettig vinden.De voorzitter:Er zijn verschillende interrupties voor u. Allereerst het lid Flach van deSGP en daarna Nobel van de VVD.De heer Flach (SGP):Mijn vraag gaat over het amendement dat de heer De Hoop heeftingediend met de heer Grinwis. Dat is niet voor niks bij de tweede notavan wijziging uit de oorspronkelijke wet gehaald. Wat is nou precies hetdoel hiervan? Is dat het afdwingen van solidariteit c.q. het opleggendaarvan of is het het creëren van meer sociale huurwoningen?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat het er initieel met een reden in stond, namelijk dat wij inNederland veel te weinig sociale huurwoningen bouwen en dat dieongelijk verdeeld zijn. Er zijn heel veel gemeenten die een heel groot deelvan de opgave op zich nemen en er zijn gemeenten die dat te weinigdoen. Ik vind het dus niet alleen belangrijk dat er meer sociale huurwo-ningen gebouwd worden, maar ook dat die evenredig verdeeld zijn overNederland. Ik zie dat er segregatie ontstaat. Ik zie dat bepaalde gemeentenhun opgaven niet op zich nemen. Ik vind dat iedereen er een verantwoor-delijkheid in heeft. Eigenlijk gaat het dus om beide punten die de heerFlach in zijn interruptie aangeeft.De heer Flach (SGP):Het zou toch voldoende ondervangen moeten zijn door het op dezemanier per regio vast te leggen. Kennelijk is dat niet voldoende. Er zit nogiets anders achter, namelijk dat ook in een regio gemeenten met elkaarkunnen vaststellen dat er wel verschil zit tussen een centrumstad en eenkleine plattelandsgemeente. Centrumsteden hebben vaak grotere socialehuurwijken, met vaak de bijbehorende sociale problematiek. Die krijgendaar ook centrumgemeentegelden voor in hun algemene uitkering. Metandere woorden, die zijn er qua voorzieningen en middelen helemaal opingericht, terwijl een klein dorp iets verderop een hele andere socialestructuur en andere voorzieningen heeft. Met elkaar kun je dan consta-teren: om de leefbaarheid in de hele regio te houden zoals die nu is,nemen wij er genoegen mee dat je naar twintig streeft. Ik noem maar wat.Via dit amendement maakt u het toch onmogelijk, zeg ik via de voorzitter,om dat soort onderscheid op regioschaal te bediscussiëren?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Dat deel ik niet. Ook zeker in eerste instantie gaf deze wet de opdracht aangemeenten die heel veel sociale huur hebben om bij nieuwbouw meer inde middenhuur te bouwen en meer ruimte voor betaalbare koop teorganiseren. De differentiatie zat dus ook al in de eerste wet. Mijn zorg isdat de grote steden die meestal meer sociale huur programmeren, nu zede opdracht hebben gekregen om meer te programmeren voormiddenhuur en betaalbare koop, nog zo weinig sociale huur program-meren dat de kleinere gemeenten niet snel aan de opgave voldoen. Als zedat al doen, ben ik bang dat het zo veel minder is qua aantallen dan ingrote gemeenten dat je netto echt minder sociale huurwoningen krijgt. WeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2918 zien al een daling. Als die zich nog verder voortzet, worden de wachtrijennog langer. Ik zou dat heel erg onwenselijk vinden. Ik vind ook dat wesegregatie moeten tegengaan. Dat kan beter met deze wet.De heer Flach (SGP):Misschien is het juist wel andersom. Ik heb zelf ook aan de regionale tafelsgezeten. Het werkt enorm verlammend als je naar elkaar gaat zitten kijkenen vooral de ander verantwoordelijk houdt voor wat die nog niet doet. Ikdenk dat juist het gesprek op regionale schaal er nog voor zorgde dat erook in steden werd gebouwd. Ik denk dat wij dit gewoon niet delen. Ik doenog één poging om te begrijpen waarom er met dit amendement wordtgeprobeerd om van heel Nederland eigenlijk één uniform woongebied temaken. Ik hoor vaak de kreet: we bouwen geen woningen, maar gemeen-schappen. Die gemeenschappen zijn zo ontzettend verschillend dat je zo’nklassieke uitsmeeroperatie als wordt beoogd in dit amendement, eigenlijkniet serieus kunt nemen.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik deel dat op beide punten eigenlijk niet. Een van de kritiekpunten vanAedes en de VNG op deze wet is dat er nu Poolse landdagen ontstaanwaarin keihard onderhandeld moet worden tussen regio’s, terwijl jeanders veel meer duidelijkheid hebt. Ik proef zelfs in de gesprekken die ikheb met NEPROM, de marktpartijen, dat die nu ook aangeven: doe hettoch maar per gemeente, want dan weten we waar we aan toe zijn met denieuwbouw. Met de planning voor woningen is het ook prettig om dieduidelijkheid te hebben. Dat wij een verschil van inzicht hebben over ditamendement, werd bij de eerdere behandeling al duidelijk. Toen hebbenwe dit interruptiedebat namelijk ook al met elkaar gehad. Ik ben niet vaninzicht veranderd over dit amendement. Ik sta er dus nog steeds achter.De heer Nobel (VVD):Ik begrijp gewoon niet zo goed waarom GroenLinks-PvdA samen met deChristenUnie een amendement wil indienen dat er gewoon aantoonbaarvoor gaat zorgen dat met name in kleine gemeenten waar geen hele grotewoningbouwprojecten van de grond kunnen komen, vaak ook doorruimtegebrek of anderszins ... Juist de verplichting maakt dat bijvoorbeeldvijf middenhuurwoningen er niet kunnen komen en dat «een straatje erbijbouwen», wat we allemaal ook heel belangrijk vinden, niet gaat gebeuren.Ik vraag me dus gewoon af waarom dit amendement wordt ingediend. Weweten dat er uiteindelijk meer dan voldoende sociale huurwoningengebouwd worden als we ons regionaal houden aan de 30%.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Nou, dat is maar de vraag, want de afgelopen jaren is het aantal socialehuurwoningen in Nederland van 30% naar ongeveer 25% gedaald. Er isdus een sterke afname van het aantal sociale huurwoningen. En als jedaar meer van wil hebben – mijn partij wil dat; dat is geen geheim voor deheer Nobel – dan zul je daarin toch echt van elke gemeente iets extra’smoeten vragen, is mijn beeld. De gemeenten die al meer sociaal program-meren, worden juist met deze wet gedwongen om meer aan middenhuuren betaalbare koop te doen. Dat is iets wat de VVD altijd wil; dat brengt deheer Nobel altijd naar voren. Deze wet biedt juist de mogelijkheid omdaarin te differentiëren. Dan vragen we meer van de gemeenten die teweinig doen. En gemeenten die in het beeld van de Minister te veel doen,dwing je dan meer in de middenhuur te doen. Ik denk dus dat dit metbetrekking tot de grote steden juist bevredigend zou moeten zijn voor deheer Nobel, die hier altijd zo’n groot punt van maakt.De heer Nobel (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2919 Het lijkt wel alsof GroenLinks-PvdA sociale huurwoningen verzamelt zoalssommige mensen KLM-huisjes verzamelen. Maar ik vraag me gewoonoprecht af: wat denkt GroenLinks-PvdA samen met de ChristenUnie metdit amendement te bereiken? Er is een reden waarom de VVD maar blijftdrukken op het realiseren van betaalbare koopwoningen en woningen inhet middenhuursegment. Dat segment is namelijk enorm klein. Kijk naarhet middensegment in Nederland en vergelijk dat met andere Europeselanden. Dat steekt heel schril bij elkaar af.Wat daaraan zo schrijnend is, is dat mensen die uiteindelijk gewoon hunopleiding hebben afgerond, gaan werken en een baan hebben, te veelverdienen voor die sociale huurwoningen, maar uiteindelijk ook niet instaat zijn om een koopwoning te realiseren. Dat is waarom ik me namensde VVD zo hard maak voor die betaalbare koopwoningen en voor hetmiddenhuursegment. Dus nogmaals, ik begrijp die obsessie met alleendie sociale huurwoningen niet. Het zou namelijk juist goed zijn als datmiddensegment wordt verbreed ...De voorzitter:En uw vraag?De heer Nobel (VVD):... zodat uiteindelijk die doorstroming kan plaatsvinden. Is de heer DeHoop het met mij eens dat Nederland, zeker in vergelijking met andereEuropese landen, procentueel gezien maar ook in absolute aantallen juistheel veel sociale huurwoningen heeft? Dus het maar blijven verzamelenvan meer sociale huurwoningen, ook procentueel gezien, gaat ditprobleem niet oplossen. Er moet juist gebouwd worden in hetmiddensegment.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Het is wel een kunst om zo veel frames op iemand te plakken in ééninterruptie, dus sowieso complimenten daarvoor, zeg ik tegen de heerNobel. Het gaat onze partij niet om het verzamelen van sociale huurwo-ningen; het gaat erom dat er heel veel mensen in de wachtrij staan vooreen betaalbare sociale huurwoning. Ik ben het met de heer Nobel eens dathet mensen niet zo heel veel uitmaakt wat voor woning ze krijgen; zewillen gewoon een betaalbare woning. Maar als ik dan bij de heer Nobelen zijn partij begin over een planbatenheffing, dan schieten ze bijnaachterover van de angst als dat ook gaat om ingrijpen op grond. En als ikbegin over het aanpakken van leegstand, dan grijpt dat volgens hem weerin op het eigendom. Dus juist als je betaalbare woningen belangrijk vindt,moet je af en toe ook op dat eigendomsrecht ingrijpen of braakliggendegrond belasten. En daarin geeft de VVD nooit mee of toe. Ik hoop dus datals de heer Nobel dit meent, we de komende periode als we dit soortvoorstellen indienen ook op steun van de VVD kunnen rekenen.De heer Nobel (VVD):Dat verwacht ik niet, maar dat verwachtte de heer De Hoop vanGroenLinks-PvdA ook niet, want ik heb in mijn bijdragen tot nu toe telkensaangegeven dat juist die verdere regulering ervoor zorgt dat de markt opslot komt te zitten en dat we met elkaar papieren aan het stapelen zijn engeen stenen. De VVD wil juist dat we meer woningen gaan bouwen. Al diemaatregelen die u zojuist opnoemde, klinken allemaal als «meer regels»,terwijl de VVD juist wil dat er meer betaalbare woningen wordengebouwd. Ik hoop dus echt dat GroenLinks-PvdA naar de toekomst toemeer gaat doen dan alleen sociale huurwoningen verzamelen. Ik hoop datze ook echt naar het middensegment willen kijken, samen met de VVD.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2920 Nou, als we in Nederland net zo veel sociale huurwoningen gaan bouwenals de hoeveelheid frames die de heer Nobel in een debat naar vorenbrengt, dan komt het wel goed. Maar wij willen heel graag dat er meerbetaalbare woningen komen, niet alleen sociale huur, maar zeker ookmiddenhuur en betaalbare koop.Ik wil nog een laatste punt richting de VVD maken. Als je die middenhuurzo belangrijk vindt, is het heel gek dat je met die «twee derde betaalbaar»uit het regeerakkoord juist de ruimte kleiner maakt door zo dwingend overbetaalbare koop te zijn. Als de heer Nobel het dus belangrijk vindt dat ervoldoende ruimte is, dan moet dat daar ook voor gelden. Ik hoop dus dater dan ook nog even goed naar het regeerakkoord gekeken wordt, ookachteraf met de Minister: hoe zorgen we dat die middenhuur geborgdwordt? Corporaties kunnen bijvoorbeeld de komende periode ook een rolkrijgen in het bouwen in de middenhuur.De heer Nobel (VVD):Ik zal ook met een motie komen in de tweede termijn die juist gaat overdie betaalbare koop. Die zal ik in ieder geval samen met mevrouw Steenvan het CDA indienen. Ik hoop dus dat u daar dan samen naar wil kijken,want ik ben het wel met u eens dat dat consequent zou zijn: als de VVDzegt dat we niet veel willen reguleren, dan moeten we dat ook niet bij diebetaalbare koop doen. Daarom zal ik namens de VVD, samen metmevrouw Steen, een motie indienen om te kijken hoe we betaalbare koopwel kunnen stimuleren, maar niet helemaal dichtregelen. Daar hebben weuiteindelijk namelijk niets aan. Tegelijkertijd hoop ik wel dat ik nog eenantwoord krijg op de vraag hoe Nederland het ten opzichte van andereEuropese landen doet wat betreft het aantal sociale huurwoningen. Het isnamelijk geen frame; we hebben gewoon by far de meeste socialehuurwoningen.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):In Europa hebben we heel verschillend woonbeleid. De Scandinavischelanden doen het totaal anders dan hoe wij het doen. Wenen doet het ooktotaal anders dan hoe wij het doen. Wat hebben ze daar een prachtigesociale voorraad, zou ik willen zeggen. In Frankrijk zijn ze nu ook bezigmet heel interessant woonbeleid, waarbij vervoer gekoppeld wordt aanwonen om juist in de banlieues – hoe heten die wijken ook alweer? – eengoede aanpak te hebben om segregatie tegen te gaan. Het woonbeleid inEuropa is totaal niet met elkaar te vergelijken. Wat ik wél kan vergelijken,is het aantal sociale huurwoningen dat we tien, twintig jaar geleden inNederland hadden en het aantal dat we nu hebben. Dat is veel en veelminder dan de heer Nobel doet voorkomen. Het is veel minder dan heteerst was, en dat leidt tot ontwrichtende situaties. Mijn fractie vindt datwe dat tegen moeten gaan.De voorzitter:Korte slotvraag van de heer Nobel.De heer Nobel (VVD):Eén constatering: Wenen is geen land. Het tweede punt is dat u feitelijkgeen antwoord op de vraag geeft, dus ik doe het zelf maar. Nederlandheeft, niet alleen in absolute aantallen, maar ook procentueel gezien,ontzettend veel sociale huurwoningen in vergelijking met de rest vanEuropa. Natuurlijk zijn er verschillen, maar het is niet de oplossing omalleen maar in dat segment bij te bouwen.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Volgens mij draaien we rondjes. We hebben beiden ons punt gemaakt.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2921 Dan kunt u uw betoog vervolgen. Of was u al aan het einde?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Nog niet helemaal.Voorzitter. Wij vinden het heel belangrijk dat deze wet snel aangenomenwordt, zodat we aan de gang kunnen met het realiseren van meerbetaalbare woningen. Ik zou toch ook nog één klemmend beroep willendoen op de Minister. Dat betreft de wet van mevrouw Keijzer over hetintrekken van de voorrang voor statushouders. Ik moet ook eerlijk zeggendat ik toch wel schrik van de inbreng van woordvoerders voor mij, ookvan partijen waarvan ik dat eerder niet had verwacht. In de discussie overvolkshuisvesting zit toch echt een sentiment dat het de schuld is van eenstatushouder dat iemand anders niet aan een woning kan komen. Ik vinddat fundamenteel verkeerd. Ik vind dat we heel veel moeten bouwen omte zorgen voor voldoende woningen, maar ik vind dat we ook van ditsentiment af moeten. Dat werkt het beste als de Minister deze wet intrekt,ook gezien het advies van de Raad van State. Ik hoop ook dat de Ministeren de Kamer er met elkaar in slagen om dit probleem op te lossen, zodatwe van dit sentiment af zijn. Het is namelijk niet de schuld van status-houders dat mensen niet aan een woning kunnen komen; de schuld ligtbij het feit dat we veel te weinig bouwen. Om meer te bouwen en om dezedoelen ook te behalen, wil ik nog één oproep aan de Minister doen: schafde vpb voor corporaties volledig af. De Minister gaf in het debat over destaat van de volkshuisvesting zelf aan dat we 124.000 extra betaalbarewoningen zouden kunnen bouwen als we dat doen. Ik hoop dat we daarde komende periode stappen in kunnen zetten.Dank.De voorzitter:Er is een hele reeks interrupties voor u: eerst Mooiman, dan Nobel en danFlach. Ik zou de mensen die al geweest zijn, willen vragen om het nukorter te doen. Ik zie nog veel meer namen, maar eerst Mooiman, PVV.De heer Mooiman (PVV):Ik wil graag reageren op het laatste stukje van het betoog van de heer DeHoop. Hij wil, net als de PVV, dat er voldoende woningen voor mensenbeschikbaar zijn. Op dat vlak vinden we elkaar. Er spelen natuurlijk eenhele hoop factoren in het woningtekort. Maar de heer De Hoop kan tochook niet ontkennen ... Ik hoorde hem in zijn bijdrage zeggen dat, geloof ik,30 jaar lang hetzelfde percentage naar statushouders is gegaan, maar datis natuurlijk aantoonbaar niet waar. De heer De Hoop kan de ogen tochniet sluiten voor de grote druk die statushouders leggen op dewoonvoorraad? Ik zeg niet dat dat het enige is, maar daar kan de heer DeHoop toch de ogen niet voor sluiten?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Voor zover ik weet – anders kan de Minister daar verheldering over gevenin haar termijn – gaat al ongeveer drie decennia lang 5% tot 10% van desociale huurwoningen in Nederland naar statushouders. Dat is eigenlijkeen constant percentage van onze sociale voorraad. Het enige verschil isdat de sociale voorraad behoorlijk wat kleiner is geworden de afgelopenperiode. Als er dan ook nog migratiestromen zijn, is het niet gek dat datmeer drukt op de sociale voorzieningen. Dat geldt voor alle socialevoorzieningen die we hebben in Nederland. Maar komt dat dan door diestatushouders, of betekent dat dat wij in Nederland te weinig investeren insociale voorzieningen? Mijn beeld is dat het vooral komt omdat we teweinig investeren in de sociale voorzieningen in Nederland. We kunnenheel veel meer bouwen. We kunnen heel veel meer sociale huurwoningenbouwen. Dan kun je én de statushouder huisvesten, én degene die al inNederland geboren is. Ik ben ervan overtuigd dat dat nog steeds kan.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2922 De heer Mooiman (PVV):De heer De Hoop geeft in zijn antwoord van zojuist zelf al aan dat de drukop de sociale voorzieningen in het land wel degelijk is toegenomen. Ikbestrijd dat het percentage hetzelfde zou zijn gebleven. Dat frame wil iktoch zeker even ontkrachten. In de memorie van toelichting bij het verbodop de statushouders staat dat het uiteindelijk niet om 6% of 7% gaat, maardat je moet kijken naar de instroom in de sociale huurwoningen. Dan gaathet dus om mensen die geen woning achterlaten, maar wel een woningnodig hebben. Dat zijn starters en dat zijn statushouders. Dan kom je toteen veel hoger percentage, namelijk 32%. De eerste vraag is dus of deheer De Hoop daarmee bekend is. Ten tweede: het kan toch ook niet zozijn dat er helemaal niets aan gedaan wordt en dat we het niet mogenbenoemen? De heer De Hoop ziet toch ook in dat dit thema gewoonontzettend speelt?De voorzitter:De vraag is helder.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik vind die vergelijking niet logisch. Er zijn namelijk heel veel woningzoe-kenden in Nederland die niet als eerste woning een sociale huurwoningkrijgen. Dit is ook appels met peren vergelijken. Van de ouderenwoningengaan er heel weinig naar statushouders, omdat de meeste statushouderseen lagere leeftijd hebben. Je kan zelf kijken welke vergelijking je trekt. Ikkijk naar de hele voorraad. Dat allereerst over de cijfers. Met het risico datwe op deze manier een migratiedebat voeren: mijn partij omarmt ook deconclusies van de staatscommissie demografie en volgens mijn partijmoeten we binnen al die migratiestromen kijken wat je minder kunt doen,wat je minder nodig hebt. Tegelijkertijd is het zo dat iemand die gevluchtis in Nederland niet pats-boem een woning krijgt. Die zit vaak lang in eenazc en vaak, in de helft van de gevallen, is dat meer dan een jaar. Vaak zitdie niet op één plek, maar wordt die door het hele land gesleept, vaak metjonge kinderen. Laten we er in godsnaam voor zorgen dat als mensen hierdaadwerkelijk in Nederland een plek krijgen, ze welkom zijn en dat ze eenfijne woning kunnen krijgen. Dat geldt voor iedereen. Laat ik dit zeggen:een statushouder is ook een starter in Nederland. Ik heb dus toch welbezwaren tegen dat sentiment.De voorzitter:Ik heb nu dus nog de volgende lijst van interrupties: de heer Mooiman, deheer Nobel, de heer Flach, de heer Van Leijen en de heer Clemminck. Ikvraag dus echt om de vragen kort te houden. De antwoorden mogen ookkorter.De heer Mooiman (PVV):Ik ga toch nog een keer proberen om wat common ground te vinden.Waarom zou een statushouder per definitie in een sociale huurwoningmoeten komen? Ik begrijp dat niet, zeker niet als de heer De Hoop ervoorpleit om wel mensen van allerlei oorsprong, whatever, binnen te laten,soms met een legitieme reden en soms met een wat minder legitiemereden. Dan vraag ik mij toch af waarom dat toch altijd in een socialehuurwoning zou moeten en of dat niet veel soberder zou kunnen. Wat onsbetreft hoeft het niet, maar toch.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):«Het zou veel soberder kunnen.» Ik weet niet wat de heer Mooiman zichdaarbij voorstelt, maar als er andere woonvormen komen die voldoen aaneen fatsoenlijke huisvesting voor mensen, zodat ze er ook daadwerkelijkkunnen aarden, moet je daar natuurlijk naar kunnen kijken. De realiteit isalleen dat dit debat al heel lang gevoerd wordt, dat het ons met elkaar nietTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2923 lukt om die huisvesting goed te organiseren en dat mensen zo vaak eenplek krijgen in een sociale huurwoning. Als dat op de een of anderemanier niet meer nodig zou kunnen zijn, dan ben ik erg nieuwsgierig naardie manier, maar het is de politiek nog niet gelukt. Dat maakt dat we nogaltijd de taak hebben om ook statushouders te huisvesten. Dat kunnenmensen en partijen niet leuk vinden, maar het is nou eenmaal onze plicht:op het moment dat iemand hier een status krijgt, heeft die ook recht opeen woning. Zo werkt het gewoon in Nederland. Dat kun je niet leukvinden, maar het is gewoon wat het is.De voorzitter:Ik ga naar de heer Nobel, VVD. Een korte vraag, alstublieft.De heer Nobel (VVD):Eerst maar even een constatering, voorzitter. Ik constateer datGroenLinks-PvdA opnieuw met een gigantische boog om de olifant in dekamer, migratie, heen loopt. Dat is natuurlijk het echte probleem.Maar dan de vraag. U gaf zojuist, meneer De Hoop, aan dat u kijkt naar degehele woningvoorraad. Maar dat is toch niet eerlijk? Een starter heefthelemaal niets aan die gehele woningvoorraad, want die kijkt naar diesociale huurwoning die vrijkomt. En dan ligt het percentage, zoals de heerMooiman ook al aangaf, inderdaad vele malen hoger. Hoe kijkt u daar dannaar, sec voor een starter, een starter die aanspraak wil maken op eensociale huurwoning?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Dan kunnen we een feitelijke constatering met elkaar doen: ja, daar ligthet hoger. Maar dat is ook volstrekt logisch, omdat een statushouderinstroomt. Die heeft alleen recht op die sociale huurwoning. Dat is logisch,maar ik snap niet zo goed waar de heer Nobel naar op zoek is. Dit isgewoon een feitelijke constatering, want de situatie is wat ie is. Als je diedruk af wil doen nemen, moet je vooral meer sociale huurwoningenbouwen. Maar als één partij de afgelopen jaren echt bezig is geweest omhet aantal sociale huurwoningen in Nederland te verminderen in plaatsvan te vergroten, is het de partij van de heer Nobel.De heer Nobel (VVD):Ik vroeg het, omdat het misleidend is om een ander percentage tenoemen. De heer De Hoop weet namelijk ook dat voor een starter hetaantal sociale huurwoningen dat vrijkomt, vele malen hoger ligt. Als ukijkt naar het aantal woningen dat naar statushouders gaat en naar deeerste woning die vrijkomt, ook voor een starter, dan ligt dat percentagevele malen hoger. U kiest ervoor om een percentage van 5% tot 10% tenoemen, terwijl het percentage 25% tot in sommige gemeenten wel 30%kan zijn. Dat betekent dus dat een starter een op de drie woningen aan zijnneus voorbij ziet gaan, omdat die woning naar een statushouder gaat.Daarmee is niet gezegd dat het probleem alleen door statushouders komt.Dat is helemaal niet zo, want er moet inderdaad gewoon veel meergebouwd worden. Maar voor die starter is het probleem wel aanzienlijkgroter en u kiest ervoor om dat probleem kleiner te maken.De voorzitter:Nu uw vraag, alstublieft.De heer Nobel (VVD):Waarom doet u dat?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik kies er niet voor om het probleem kleiner te maken. Ik geef gewoon aandat de cijfers zijn zoals ze zijn. Ja, voor starters zijn die aantallen netTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2924 anders, maar dat ... Hoe zeg je dat? Dat ontslaat ons niet van de plicht omzowel een statushouder te huisvesten als ieder ander die in Nederland eenwoning zoekt. Als we dat met elkaar willen doen, laten we dan alsjeblieftmeer betaalbare woningen bouwen. Nou, dat is het doel van deze wet. Wijgaan daar graag verantwoordelijk mee om en wij hadden daar ook veelsneller mee aan de slag kunnen gaan als de VVD niet zo onverantwoor-delijk om was gegaan met de stemmingen in de afgelopen periode. Wasde VVD meer verantwoordelijk geweest, dan waren we nu al aan de slaggegaan met meer betaalbare woningen.De heer Flach (SGP):Ik vond het laatste deel van de bijdrage van de heer De Hoop niet fraai. Hijdegradeert een serieuze bijdrage van collega’s tot sentiment. Daarmeedoe je geen recht aan de serieuze zorgen van honderdduizendenNederlanders die daarin verwoord worden. Je doet daaraan ook geenrecht door er vervolgens het frame aan te plakken dat de schuld aan destatushouders wordt gegeven. Dat is niet aan de orde. We zitten hier nietin een rechtszaal waar over schuld wordt gesproken. We zitten in eenpolitieke arena waar we analyses met elkaar moeten kunnen delen. Alsiets het gevolg is van de hoge druk door statushouders, geef je status-houders nergens de schuld van. Misschien zou ik hun geval wel hetzelfdedoen, maar je moet dat wel als een onderdeel van het probleem analy-tisch kunnen benoemen. Als je dat wegmanoeuvreert door het«sentiment» te noemen, sluit je daarmee je ogen voor de werkelijkheid.Mijn stille hoop is ook mijn vraag: heeft de heer De Hoop het wellichtanders bedoeld?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik bedoel te zeggen dat ik vind dat dit een sentiment is dat decennialangeigenlijk maar vanuit één partij in de Kamer het debat in is geworpen. Enhet wordt nu bij steeds meer partijen de gewoonte om die taal over tenemen. Dat vind ik zorgelijk. Ik vind het ook zorgelijk dat de coalitie met dePVV twee jaar lang het land lam heeft gelegd, omdat bewindspersonen invak K uitspraken deden die ongehoord zijn. Die bewindslieden zeiden datde «minder, minder»-uitspraak van de heer Wilders gerechtvaardigd zouzijn. Dat soort dingen, bedoel ik. Dat is allemaal gewoon geworden in hetNederlandse parlement en dat probeerde ik te benoemen. Ik vind hetjammer dat dat een gewoonte is geworden en ik vind dus ook dat wijallemaal de verantwoordelijkheid hebben om de woningnood op telossen. Daarbij moeten we kijken naar de grootste oorzaken en ik denkniet dat migratie de grootste oorzaak is. Het heeft druk op onze socialevoorzieningen gelegd, maar het belangrijkste is dan om die voorzieningente versterken. En dat is het punt dat ik heb proberen te maken.De heer Flach (SGP):Dat maakt mijn waardering voor de bijdrage van de heer De Hoop, zekervoor het laatste deel daarvan, alleen nog maar minder groot. Hiermeemaakt hij het volgens mij namelijk alleen nog maar erger. Juist door hetdecennialang sluiten van de ogen voor de analyse van het probleem, watnu gewoon weer gebeurt, zeg je tegen mensen die tien jaar op eenhuurwoning zitten te wachten: «U bekijkt het maar. Wij krijgen deinstroom niet naar beneden en dat willen we eigenlijk ook helemaal niet.We gaan vrolijk heel veel sociale huurwoningen doorbouwen, maar datdoen we voor tientallen procenten voor statushouders.» Daar heeft deheer Nobel namelijk gelijk in. Tegen de starters zegt u: u staat op dewachtlijst en u heeft een gelijke startpositie, maar u mag tien jaarwachten. Ik vroeg me af of dat de bedoeling is van de heer De Hoop, wantdat doet hij hier eigenlijk mee.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2925 Er zit veel herhaling in de vragen, dus ik laat het aan het lid De Hoop of hijnog opnieuw wil reageren.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Het enige wat ik gedaan heb, is percentages noemen die het CBS ook metde Kamer heeft gedeeld. Dat is het enige wat ik gedaan heb. Daarnaastvind ik dat in de bijdrage van de heer Flach de oorzaak te veel bij migratiewordt gelegd, terwijl ik denk dat de grootste oorzaak is dat we te weinigsociale huurwoningen gebouwd hebben. Daarover gaan we vandaag nietdichterbij elkaar komen. Dat is jammer. Af en toe komen we wel dichterbijelkaar, maar op dit punt niet. Ik zie ook dat het debat zich vandaagverscherpt heeft. Dat kan. Ik vind dat er bij de afgelopen behandeling vande wet onverantwoordelijk is gestemd, wat ertoe heeft geleid dat de wetnog niet is ingevoerd. Ik vind dat heel frustrerend, omdat ik echt denk datwe woningzoekenden met deze wet kunnen helpen. Het stemgedrag vanverschillende partijen heeft ertoe geleid dat de wet nog niet ingevoerd is;dat heb ik ook de heer Flach met reden verweten. Ik vind dat heel ergjammer, omdat die wet juist zo nodig is om te zorgen voor meerbetaalbare woningen.De voorzitter:Meneer Flach, de laatste.De heer Flach (SGP):Ja, tot slot, voorzitter. Migratie ís ook een belangrijke aanjager van hettekort op de woningmarkt. Dat wordt ook door de achtereenvolgendeMinisters zelf erkend. Daar moeten we gewoon geen verstoppertje voorspelen. Dat is één. Het tweede, waarmee ik wil afsluiten: het is nietonschuldig om zomaar een statistiek in de strijd te gooien die het volstrektontdaan van alle context laat lijken alsof er helemaal geen probleem is.Als je een percentage noemt, noem dan het goede en het relevantepercentage, namelijk: tientallen procenten van de vrijgekomen woningenin veel gemeenten gaan naar statushouders. Dat is dus niet maar 2% of3%, want dat is het van de totale woningvoorraad. Dat heb ik beluisterd.Anders heeft u nu alsnog de gelegenheid ... Het mag ook 5% zijn. Het gaatom tientallen procenten. Hanteer de goede statistieken, zou ik de heer DeHoop willen meegeven.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):«Tientallen procenten» klinkt alsof het 70% of 80% zou zijn, maar dat wilde heer Flach volgens mij ook niet zeggen. Laten we allemaal duidelijk zijnin wat we bedoelen. De heer Flach heeft het over starterswoningen. Dangaat het volgens mij op sommige plekken om 25%, op sommige plekkenom 30% en op sommige plekken overigens ook om veel minder. In mijneigen gemeente is het veel, veel, veel minder. Daar kun je best moeilijkexpliciet over zijn. Over de hele woningvoorraad kun je dat juist wel zijn.Je moet volgens mij precies zijn in wat je noemt, juist met de scherpte dieje daarin kiest. De heer Flach heeft het over tientallen procenten. Dan vindik het ook niet correct dat hij mij dat verwijt maakt. Voor de rest hebbenwe dit interruptiedebat uitvoerig met elkaar gevoerd, denk ik.De voorzitter:Dat neemt niet weg dat Van Leijen, Clemminck en Mooiman zich noggemeld hebben. Korte vragen en korte antwoorden, alstublieft.De heer Van Leijen (D66):Het wordt een beetje een scherp debat, maar ik heb ook een vraag voor deheer De Hoop. Ik begin met iets waarover we het met elkaar eens zijn.Volgens mij zijn we het er in deze commissie allemaal met elkaar overeens dat we enorm moeten doorpakken met de woningbouw. Volgens mijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2926 vinden de partij van de heer De Hoop en mijn partij elkaar daar landelijkheel erg goed in. Regionaal gezien maak ik me soms wel een klein beetjezorgen. Ik zie dat er in Rotterdam tegengestemd wordt bij een nieuw-bouwproject van 30.000 woningen. In Amsterdam zie ik dat een deal voor35.000 woningen stukloopt. Ik ben misschien nog wel het meestgeschrokken van het voorbeeld in Utrecht. Daar werd op een gegevenmoment gekozen voor een park met wat koopwoningen, terwijl ereigenlijk ook heel veel betaalbare huurwoningen hadden kunnen zijn.De voorzitter:Wat is uw vraag?De heer Van Leijen (D66):Kunnen we elkaar ook vinden om daar lokaal het gesprek over aan tegaan, ook met uw eigen partij?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik snap dit niet zo goed, want wij zitten zowel in Utrecht als in Amsterdammet elkaar in een coalitie. Ik laat het graag aan onze fantastischewethouders om daaruit te komen met elkaar. De heer Van Leijen noemtook Rotterdam. Dat vind ik nou eens een voorbeeld. Daar zit D66 in eencollege met Leefbaar, waardoor leegstand niet aangepakt wordt en 17.000panden leegstaan. Ik denk dat het heel goed zou zijn als D66 in devolgende coalitie in Rotterdam linksom gaat in plaats van rechtsom. Dankunnen we die belangrijke doelen die wij met elkaar hebben, daadwer-kelijk voor elkaar krijgen. Ik kijk dus uit naar woensdag, zeg ik maar. Hetwordt een beetje een gemeentedebat zo.De voorzitter:Dit wordt zendtijd voor politieke partijen.De heer Van Leijen (D66):Nog eentje en dan hou ik ermee op. We zitten in Utrecht inderdaad metelkaar in een coalitie, maar er was onenigheid in die coalitie. D66 was erverbaasd over dat daar gekozen werd voor een bouwproject waarin eenpark voorrang kreeg waar vijf dure koopwoningen bij kwamen. Dat werdnota bene betaald met geld dat voor volkshuisvesting bedoeld was. Daarhadden gewoon heel veel betaalbare huurwoningen kunnen staan. Vaakkunnen we elkaar daarin vinden. Het gaat erom ervoor te zorgen dat datde volgende keer beter gaat.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Volgens mij kunnen ze dit debat uitstekend in de gemeenteraad vanUtrecht voeren. Maar om het dan over landelijk beleid te hebbenwaarover D66 en GroenLinks-Partij van de Arbeid het met elkaar eens zijn,maar waarop ik nu toch te weinig zie: de hypotheekrenteaftrek. Ik hoordeeen partij tijdens de verkiezingen zeggen dat we daar zo snel mogelijkvanaf moesten. Dat was volgens mij de partij van de heer Van Leijen. Erwerd toch meebewogen met de VVD. Dat zie ik op nog meer punten metbetrekking tot volkshuisvesting. Als de heer Van Leijen zo graag met mijnpartij samenwerkt, dan zou ik dat graag ook hier meer doen. De vorigekeer heeft de partij van de heer Van Leijen voor het amendement-DeHoop/Grinwis gestemd, dus ik ga ervan uit dat de heer Van Leijen datvandaag en de volgende weken weer zal doen. Daar kijk ik dus naar uit.De voorzitter:Wie weet. Ik ga eerst naar een interruptie van de heer Clemminck vanJA21.De heer Clemminck (JA21):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2927 Ik heb morgen een debat in Utrecht als lijstduwer, maar volgens mij zijnwe al een beetje begonnen. Ik heb goed meegeschreven, dus dat helpt inieder geval bij de voorbereidingen.Voorzitter. Ik wil toch even reageren op de heer De Hoop over migratie. Erwaren netto 100.000 migranten in 2023 en netto meer dan 100.000migranten in 2024. Meer dan 50% van de nieuw te bouwen woningen indit land is nodig om die massamigratie op te vangen. Meer dan 45% vande daklozen bestaat uit migranten of andere ongedocumenteerden uit hetbuitenland. In de grote steden gaat dat naar 70%. We moeten het dus echtover migratie hebben.Als het gaat over de voorrang voor statushouders, valt het me toch op dathet eigenlijk ontzettend hypocriet is dat de heer De Hoop een enormemond vol heeft van wat hij de rechterkant verwijt – discriminerend,oneerlijk, onrechtvaardig – terwijl het huidige systeem in essentieonrechtvaardig en eigenlijk discriminerend is. Je zult maar tien jaar langop een wachtlijst staan. Dan kom je eindelijk aan de beurt voor eenwoning in je dorp, en dan komt er een migrant die zegt: en nu mag ik. Ikheb geen enkele reflectie van de heer De Hoop gehoord over de discrimi-natie die nu plaatsvindt door het vasthouden aan de voorrang voorstatushouders. Ik zou hem toch willen vragen om eens een keer in despiegel te kijken en een reflectie te geven op de onrechtvaardigheid die hijnu altijd in stand wil houden.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Een woord dat ik problematisch vind, is «massamigratie». Daarmeewakker je ook echt een problematisch sentiment aan, vind ik.Voorzitter. Dat gezegd hebbende: niet alleen ik vind dit, maar bijvoorbeeldook de Raad van State zegt dat een statushouder een ongelijke positieheeft in Nederland. Die mensen zitten in een azc, die kunnen niet ergensnaartoe. Als die mensen daadwerkelijk een status krijgen in Nederland,moeten ze ook een woning kunnen krijgen. Daarom hebben statushoudersvoorrang voor een woning. Dat is gewoon wat het is: het feit dat er eenachterstandspositie is voor een statushouder ten opzichte van iemand dieal in Nederland woont. Daarom krijgen mensen voorrang.Dan het punt over migratie. Er wordt gedaan alsof mijn partij niks metmigratie zou willen. Wij hebben de cijfers van de staatscommissiedemografie juist ook omarmd; die staan ook in ons verkiezingspro-gramma. Dat is iets wat ons hier allemaal verenigt. Ik snap de poging omelke keer dit verwijt te maken, maar het zit natuurlijk gewoon anders. Wijhebben dat ook heel duidelijk in ons verkiezingsprogramma staan, vooralle vormen, ook voor asielmigratie. Ik wil dat nog wel vijf keer herhalen,maar volgens mij is dat overduidelijk.De heer Clemminck (JA21):Mijn conclusie is dan dat de heer De Hoop het rechtsgevoel heeft van eenwetenschapper ergens in een bibliotheek, maar geen enkel gevoel heeftvoor het rechtsgevoel dat mensen in dit land hebben. Dat is dan maar deconclusie.De voorzitter:Meneer De Hoop, wilt u daar nog op reageren?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Dat is een conclusie die ik niet deel.De heer Mooiman (PVV):Kort hoor, voorzitter, tot slot op dit onderwerp. Dit betreft meer dat deheer De Hoop in zijn bijdrage en in interruptiedebatjes zei: we zitten hiervandaag vanwege één amendement. Maar dat is natuurlijk niet zo. Er zijnmeerdere amendementen die via de novelle uit de wet worden verwijderdTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2928 dan wel worden aangepast. Van de asielwetten is gelijk gezegd dat wemet een novelle komen, terwijl dat natuurlijk niet het geval is met de wetdie nu voorligt. De Minister wilde daar eerst mee naar de Eerste Kamer.Het liep daar spaak. Ik wil de heer De Hoop dus vragen of hij het frame willoslaten alsof we hier alleen maar zouden zitten vanwege éénamendement.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik denk dat de toenmalige Minister heel duidelijk zag dat er geenmeerderheid zou komen voor deze wet vanwege het amendement van deheer Mooiman, en niet vanwege die andere amendementen. Dat is eenzwaarwegend argument geweest om tegen de wet te stemmen, ook voormijn partij. Ik heb toen ook een stemverklaring afgelegd, net als de heerGrinwis en een aantal anderen, volgens mij ook mevrouw Beckerman ende heer Vijlbrief. De woorden die ik daarvoor koos, waren dat ik vond datde solidariteit uit de wet was geslopen en dat de ontmenselijking erin wasgeslopen. Daardoor zijn wij tegen die wet geweest. Die had in de EersteKamer geen meerderheid gekregen als bijvoorbeeld GroenLinks-Partij vande Arbeid niet voor was. Dat was wel de consequentie – de onverantwoor-delijkheid, vind ik – van het feit dat partijen voor dat amendementstemden, wetende dat dat wat deed met het draagvlak voor de wet in zijngeheel. Daarnaast zijn uiteindelijk ook een aantal andere amendementenuit deze wet gesloopt in een novelle. Ik ga daar nu geen groot debat vanmaken. Bij het ene vind ik het logischer dan bij het andere, zeg ik er in alleeerlijkheid bij. Maar het belangrijkste is dat deze wet nu snel aangenomenwordt.De voorzitter:Dan zijn we aan het einde gekomen van de inbreng en de beantwoordingvan het lid De Hoop, GroenLinks-PvdA. Dan ga ik naar het lid Van Leijen,D66.De heer Van Leijen (D66):Dank u, voorzitter. Vandaag kan ik kort zijn: wat D66 betreft gaat deze wetzo snel mogelijk door de Kamer. Zo kunnen we nog voor de zomer aan deslag met het bouwen van meer betaalbare woningen in alle gemeentes inNederland. Voor mij is het de eerste keer dat ik in deze Kamer over dezewet spreek. Mijn voorgangers en heel veel collega’s in deze zaal hebbenhet hier al meerdere keren uitvoerig over gehad. Wat mij betreft makenwe nu dus tempo.Voorzitter. Dat is dan ook waarover ik nog een vraag aan de Minister heb:hoe zorgen we ervoor dat we met de nieuwe afspraken over betaalbaarwonen tempo houden? Het mag namelijk niet zo zijn dat overleg tussengemeentes over hun aandeel in de enorme bouwopgave gaat leiden totvertraging. Als een gemeente vanwege goede redenen een procent meerof minder sociale huur, middenhuur, betaalbare koop of wat dan ook wil,is dat prima, maar dan moet daar wel snel een knoop over wordendoorgehakt. Als gemeentes daar onderling niet uit komen, moet eringegrepen worden. Mijn vraag aan de Minister is dan ook: hoe zorgt zijervoor dat het Rijk en de provincies kunnen ingrijpen als de afstemming telang duurt? Is daarvoor bijvoorbeeld een fallbackpercentage sociale huurin de instructieregels nodig? Zo worden gemeentes niet beloond als zij denieuwbouw vertragen. Mijn fractie kijkt ook met belangstelling naar deverdere uitwerking van het besluit en de regeling die onder de wethangen. Ik kijk met de Minister en mijn collega’s graag naar de kansen diedaar liggen om snel meer betaalbare woningen door heel Nederland tebouwen.Voorzitter. Zoals beloofd, hou ik het vandaag kort. Laten we deze wet snelaannemen. Bouwers, gemeentes, provincies, woningcorporaties,huurders, verkopers en projectontwikkelaars dringen daar allemaal opTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2929 aan. Volgens mij moeten wij als commissie dan niet de vertragende factorzijn. Die woningzoekenden kunnen niet wachten. Aan de slag.De voorzitter:Dank u wel, meneer Van Leijen van D66.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Kan de heer Van Leijen toelichten waarom zijn fractie in juli 2025 zoenthousiast voor het amendement-Grinwis/De Hoop heeft gestemd?De heer Van Leijen (D66):Ik kan mij voorstellen dat men dat toen een goed amendement vond. Ikzat er zelf niet bij. Nu wil ik vooral benadrukken dat we tempo moetenmaken. Tempo, tempo, tempo. We moeten tempo maken met dezewetsbehandeling, waar het vandaag helaas overigens vrij weinig overgaat, en met de bouwopgaven. Daarom ga ik nu niet amendementensteunen die toen misschien wel zijn gesteund. Dan krijgen we namelijkeen tweede wetsbehandeling. En waar gaat dat ten koste van? Tempo.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Dan proef ik dus dat de heer Van Leijen zegt: we vinden dat amendementnog steeds een goed idee, maar vanwege tempo zijn we nu tegen. Dat isdan het argument.De heer Van Leijen (D66):Wat u mij, volgens mij, heel nadrukkelijk hoort zeggen, is dat ik vandaaggeen amendementen ga steunen, gewoon geen enkele, omdat ik wil dater tempo gemaakt wordt. Dat vind ik het grootste goed. Als ik mijzelf devraag stel wat ik vandaag, op dit moment, kan doen om woningzoekendenhet beste te helpen, dan is het antwoord: ervoor zorgen dat deze wet zosnel mogelijk naar de Eerste Kamer gaat.De voorzitter:Helder.De heer Nobel (VVD):Ik hoor de heer Van Leijen goed. Ik ben ook blij dat hij namens D66 zegt:we gaan geen amendement steunen waardoor iedere gemeente verplicht30% sociale woningbouw moet bouwen. Als ik goed heb geluisterd, zegtde heer Van Leijen eigenlijk, in navolging van de lijsttrekker van D66Amsterdam: we willen überhaupt kritisch kijken naar gemeenten die meerdan 30% sociale huurwoningen als eis stellen, want uiteindelijk zit dat dewoningbouwontwikkeling gewoon in de weg. Heb ik dat goed gehoord?De heer Van Leijen (D66):Dat is volgens mij niet wat ik heb gezegd. Ik heb gezegd dat ik wil datgemeentes en regio’s tempo maken. Daar wil ik best flexibiliteit voorgeven. Laat ze met elkaar bespreken wie welk percentage doet. Maar alsze daar niet binnen een halfjaar uit zijn – daar maak ik me echt druk om,want dit wordt gewoon een Poolse landdag – ben ik ervoor dat deMinister of de provincie daarbij ingrijpt.De heer Nobel (VVD):Dan moet ik mijn vraag anders stellen: zit er licht tussen wat de lijsttrekkervan D66 Amsterdam zegt en wat de landelijke VVD vindt? Excuus, wat delandelijke D66 vindt.De heer Van Leijen (D66):Er zit onwijs veel licht tussen ...Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2930 De voorzitter:Meneer Van Leijen krijgt het woord, via de voorzitter.De heer Van Leijen (D66):Het gaat, denk ik, ook om de setting waarin ik vandaag bij dit debat zit. Ikblijf één ding benadrukken, eigenlijk bij elke interruptie die ik ga krijgen,namelijk dat ik tempo wil maken. Ik wil dat er woningen gebouwd worden.Ik wil dat deze wet gewoon zo snel mogelijk naar de Eerste Kamer gaat.De voorzitter:De heer Nobel, tot slot.De heer Nobel (VVD):Juist omdat de VVD ook tempo wil maken, was ik zo blij met de uitspraakvan de lijsttrekker van D66 Amsterdam, die aangaf: als wij meer blijveneisen dan wettelijk de norm is, komen die woningbouwprojectenuiteindelijk niet van de grond. Daarom vraag ik ook of de landelijke D66 delijsttrekker van D66 Amsterdam steunt, en in dit geval dus ook haarpleidooi dat we niet veel meer dan 30% sociale huurwoningen moetenbouwen, omdat dat de productie, die u wil verhogen, juist niet ten goedezou komen. Bent u dat met de VVD eens?De heer Van Leijen (D66):Je merkt wel dat er over anderhalve dag gemeenteraadsverkiezingen zijn.Even heel simpel: ik ga niet op de stoel van een gemeenteraadslid zitten.Daarom zeg ik: geef partijen een halfjaar de kans om met elkaar goedeafspraken te maken. Als dat niet lukt: landelijke instructieregels, wanttempo.De voorzitter:Tot slot, de heer Nobel van de VVD.De heer Nobel (VVD):Tot slot, voorzitter. Ik bespeur in ieder geval dat er licht zit tussen wat D66Amsterdam heeft gezegd en wat de landelijke fractie van VVD ... Nu zeg ikhet weer fout. Ik bedoel: wat de landelijke fractie van D66 vindt. Tegelij-kertijd hoor ik bij D66 ook een kleine opening om er wellicht in detoekomst, als de percentages hoger dan 30% zijn, toch landelijk naar tekijken.De heer Van Leijen (D66):Wat de heer Nobel wel en niet bespeurt, laat ik bij hem. Hij is van hartewelkom om bij de landelijke fractie van D66 te komen. Dat zeg ik altijd. Ikblijf bij mijn punt: we moeten tempo maken. Voor de rest gebruikt de heerNobel nu vooral een beetje de conclusies waar hij zelf op uit komt.De voorzitter:Nee, nee. De partijfusies doet u maar ergens anders.De heer Nobel (VVD):Persoonlijk feit!De voorzitter:Ik ga naar de heer Grinwis van de ChristenUnie.De heer Grinwis (ChristenUnie):Nog één klein vraagje. Het argument is: tempo maken. Nou is datamendement waar de heer De Hoop het over had, van collega De Hoop enmij, destijds en ook nu weer ingediend om juist het tempo te bevorderen.Zoals het nu is geregeld, gaat dit leiden tot bestuurlijke drukte en verlorenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2931 tijd bij de woningbouw. Is dat niet een overweging om vóór ditamendement te zijn, juist omdat het bijdraagt aan het door collega VanLeijen beoogde tempo?De heer Van Leijen (D66):In voorbereiding op dit debat is dat natuurlijk een overweging waar iknaar gekeken heb. Uiteindelijk heb ik de afweging gemaakt dat ik er nietvoor kies. Ik ben bang dat als we dat gaan doen en allemaal amende-menten gaan steunen, we een tweede wetsbehandeling krijgen. Dat wil ikniet. Ik wil tempo; ik wil door. In dit geval kies ik dus voor het groteregoed, namelijk dat deze wet zo snel mogelijk naar de Eerste Kamer gaat.Daar wint de woningzoekende echt het meeste mee.De voorzitter:Helder. Dan ga ik naar de inbreng van het lid Grinwis, namens deChristenUnie.De heer Grinwis (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. Zoals al een beetje duidelijk werd in mijn inter-rupties, vind ik dit een beetje een verloren maandagmiddag. Hoewel ikaltijd met plezier debatteer over volkshuisvesting, vind ik dit debateigenlijk overbodig. De Wet versterking regie volkshuisvesting had al vankracht moeten zijn. We hebben daar ook een heel goed, inhoudelijk debatmet elkaar over gehad in de Kamer. Dat was inderdaad in juni. We zittenhier louter omdat een meerderheid van deze Kamer een door en doordiscriminerend amendement heeft aangenomen. Dat moest wordengerepareerd met de novelle. Dat wisten we overigens niet pas nadat deRaad van State er wat van vond. We wisten het op die middag dat wemoesten stemmen en in de dagen daarnaartoe. Dat was ook de redenvoor de bevlogenheid destijds tijdens de stemverklaringen en ookvandaag in de interrupties. Natuurlijk steunt de ChristenUnie die novelle.Wij willen niet nog meer kostbare tijd verliezen. Hopelijk is het een lesvoor de voorstemmers van het amendement-Mooiman, die normaalgesproken wél respect hebben voor gelijke behandeling van gelijkegevallen. Met name richting partijen met een rijke geschiedenis, van wieje toch een portie verantwoordelijkheidsbesef mag verwachten, heb ikmijn verbazing uitgesproken in wat interrupties.De voorzitter:Er komen ook interrupties voor u.De heer Grinwis (ChristenUnie):Je wilt toch niet dat er door dit stemgedrag en door het ontbreken vaneen reflectie twijfels zouden kunnen ontstaan over het ontbreken van eenrechtsstatelijk of staatsrechtelijk geweten. Overigens ... Eerst eeninterruptie?De voorzitter:Als dat mag, ja.De heer Mooiman (PVV):Wat mij toch een beetje bevreemdt aan het betoog van de heer Grinwis, ishet volgende. In het debat over de Wet regie, waar het betreffendeamendement werd ingediend, had hij alle ruimte om vragen te stellenover het betreffende amendement. Maar de heer Grinwis stelde geenenkele vraag. Hij liet het aan zich voorbijgaan, om vervolgens wel allerleigrote woorden te gebruiken. Dan vraag ik mij toch af: waarom liet de heerGrinwis dat toen allemaal aan zich voorbijgaan?De heer Grinwis (ChristenUnie):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2932 Omdat ik toen in een vrij laat stadium scherp had dat dit amendementwas ingediend. Ik heb dat wel nog op tijd doorgekregen, want in mijnstemverklaring bij de stemmingen heb ik uit-en-te-na dit amendement vaneen analyse voorzien en gezegd waarom wij als ChristenUnie tegen ditamendement zouden stemmen, hoewel wij het legitiem achten om eendiscussie over urgentieverklaringen voor deze en gene te hebben. Er zijnin Nederland 250 gemeenten die geen urgentie geven aan statushouders,en 92 doen dat wel. Een ruime meerderheid van de gemeenten maakt algeen gebruik van de mogelijkheid, en je kunt het best met elkaar hebbenover de vraag of het goed is dat gemeenten die mogelijkheid wel of niethebben. De ChristenUnie vindt van wel. Het debat daarover is prima, maarik heb in de stemverklaring heel helder gemaakt wat ik, toen ik daar eenoordeel over moest vellen, van het amendement vond. Als ik inderdaadtijdens de bijdrage scherp had gehad dat het amendement met dezeinhoud was ingediend, dan had ik de heer Mooiman en verschillendecollega’s daar zeker scherp op bevraagd. Dus als de heer Mooiman daarnu nog op bevraagd kan worden: met plezier.De heer Mooiman (PVV):Ik heb zojuist mijn betoog gehouden. Daarop volgde wederom geenenkele vraag van de heer Grinwis of de heer De Hoop, helaas. Ik had u dusgraag te woord gestaan, maar dat zat er dus niet in. Ik concludeer dat deheer Grinwis op dat moment even niet heeft opgelet. Alleen, ik wil hemvragen om toch een beetje aan zelfreflectie toe te doen en niet constantmet grote woorden andere collega’s aan te spreken die gewoon ominhoudelijke redenen voor een amendement hebben gestemd. Gelet op deinterpretatie van de Raad van State en de interpretatie die het ministeriedaaraan heeft gegeven, kan je daar ook nog een politiek oordeel overvellen. Ik vraag me dan toch af waarom de heer Grinwis zich nu zo kwaadmaakt richting collega’s, terwijl hij zelf eigenlijk al had kunnen weten hoede vlag ervoor hing; dan had hij daarover zijn betoog kunnen houden.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik begrijp deze interruptie echt niet. Ik heb het net gewoon heel heldergezegd. Zodra ik het amendement van de heer Mooiman had gelezen, hadik gelijk door – daar had ik de Raad van State niet voor nodig – hoediscriminerend het was. De heer Mooiman had er in zijn amendementimmers weloverwegen voor gezorgd dat niet alleen de urgentie voorstatushouders as such werd aangepakt, maar ook dat statushouders omwelke reden dan ook, ook al zaten ze in een andere urgentiecategorie,geen urgentie konden krijgen. Precies dat punt is discriminerend en instrijd met artikel 1 van de Grondwet. Dat wisten we die dag dat we gingenstemmen. Misschien hadden we dat inderdaad allemaal scherp moetenhebben op het moment dat het werd ingediend, maar in het debat heefthet amendement als zodanig geen grote rol gespeeld. Het is wel ontradendoor de vorige Minister van VRO. Ik heb dat gelukkig op tijd door gehaden ik heb er ook heel duidelijk tegengestemd. Sterker, de heer Mooimanheeft me hiermee in een gewetensconflict gebracht, zo van: hoe moet iknou over deze wet stemmen? Deze wet over de regie is immers zóbelangrijk. Dit amendement verminkt die wet echter wel.De voorzitter:Mooiman, kort alstublieft.De heer Mooiman (PVV):Tot slot, voorzitter; ik weet niet of het kort zal zijn. Kijk, dat het discrimi-nerend wordt genoemd, daarmee ben ik het niet eens. Ik heb net metinhoudelijke redenen verdedigd waarom ik dat niet vind. Ik vind namelijkdat juist het voortrekken van statushouders ten opzichte van Nederlandersdiscriminerend is. Maar ook technisch gezien klopt het niet. Het gelijk-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2933 heidsbeginsel zegt dat mensen in gelijke gevallen gelijk behandeldmoeten worden. Laten we nou toch even kijken naar alle andere situatiesdie we in Nederland hebben waarin er wel degelijk onderscheid wordtgemaakt tussen mensen, bijvoorbeeld vanwege het feit dat iemand eenarbeidsmigrant is, of een toerist, een EU-ingezetene, een Nederlander ofeen niet-Nederlander. Op basis daarvan wordt er ook onderscheidgemaakt. Zou dan wat betreft de heer Grinwis ook een arbeidsmigrantaltijd urgentie moeten krijgen bij een sociale huurwoning, of misschienzelfs een toerist? Mag er volgens de heer Grinwis op geen enkele manieronderscheid worden gemaakt? Zo nee, waarom doen we dat dan wel inallerlei andere gevallen hier in Nederland?De heer Grinwis (ChristenUnie):Dan citeer ik maar uit de memorie van toelichting: «De strijdigheid metdeze artikelen is het gevolg van het feit dat het onderdeel ervoor zorgt dateen specifieke groep personen enkel op basis van hun nationaliteit – hetniet zijn van Nederlander of EU-burger – wordt uitgesloten van een rechtdat alle andere personen die rechtmatig in Nederland verblijven wel isgegeven. Het betreft het recht op het verkrijgen van urgentie voor eenwoning als hun situatie daartoe aanleiding geeft. Dit leidt tot directonderscheid op grond van nationaliteit onder groepen woningzoekenden.Onderscheid kan toegestaan zijn, indien het een legitiem doel dient endaarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging bestaat.» Dat is gelijkook het antwoord op de vraag. «Het doel van het benoemde onderscheidis echter in zichzelf discriminerend» – dat staat in de memorie vantoelichting, dat zeg ik niet, dat zegt de vorige Minister – «omdat het metopzet niet-Nederlanders uitsluit, en daarom niet legitiem. Een discrimi-nerend doel kan nooit gerechtvaardigd worden.»De voorzitter:Meneer Mooiman, ik zie u en ik ga u ook het woord geven, maar ik wil decollega’s er echt op wijzen dat we gigantisch uitlopen. Alstublieft, graagkortere vragen en antwoorden.De heer Mooiman (PVV):Tot slot. Ik wil af van het onterechte label «discriminatie», dat wordtopgeworpen door de heer Grinwis. Ik heb net situaties naar vorengebracht. Het is een feit dat er in heel veel gevallen ook onderscheidwordt gemaakt tussen Nederlanders en niet-Nederlanders, gebaseerd ophet staatsburgerschap. Dat is geen discriminatie. Wat de heer Grinwisdaar verder enkel nog bij aanhaalt, is het beoogde doel van hetamendement. Het beoogde doel van het amendement is denk ik echterheel duidelijk: ervoor zorgen dat Nederlanders die nu worden achterge-steld, alsnog een woning kunnen vinden. Nu vindt er heel veelverdrukking plaats. Het beoogde doel dat de heer Grinwis al invult,namelijk discriminatie, staat helemaal nergens. Het is ook zeker nooit zobedoeld en kan ook niet zo gesteld worden. Wat vindt de heer Grinwisdaarvan?De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik las zojuist niet een citaat voor uit eigen werk, maar van de ambtsvoor-ganger van deze Minister. Dat zit op het aspect dat het niet alleen deurgentie van statushouders beknot, maar ook urgentie om andereredenen. Als dat niet de bedoeling was van de heer Mooiman, dan heefthij gewoon een slecht amendement gemaakt. Dat komt omdat de heerMooiman zegt: in alle gevallen mag zo’n statushouder absoluut geenurgentie krijgen. Dat is precies het punt waar het om gaat. Dat was diemiddag heel helder bij de stemming. Dat is waarom we nu een verlorenmiddag hebben.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2934 De voorzitter:Ik ga naar de heer Clemminck van JA21 en daarna naar meneer Flach vande SGP. De heer Clemminck, JA21.De heer Clemminck (JA21):Ik heb al gezegd wat JA21 in retroperspectief van dat amendement vindt.Ik heb wel moeite met het gemak waarmee ook de heer Grinwis ditwegzet als discriminerend. In essentie is dit juist een poging om eendiscriminerende maatregel die nu al bestaat, weg te nemen. In de huidigesituatie worden mensen die op de objectiefste manier, namelijk op basisvan inschrijvingstijd, toegang proberen te krijgen tot een schaars goed,namelijk een sociale huurwoning, voorbijgestreefd door iemand die nieteens een wachttijd heeft opgebouwd, die misschien een of twee jaar inNederland is en die in een azc heeft gezeten. Het kan dan toch niet zo zijndat de heer Grinwis met droge ogen beweert dat het huidige systeem ookmaar enigszins tegemoetkomt aan het rechtvaardigheidsgevoel vanNederlanders?De heer Grinwis (ChristenUnie):Mijn ideaalbeeld van onze volkshuisvesting is natuurlijk een volkshuis-vesting zonder urgentie. Wat zou het fantastisch zijn als er voldoendebetaalbare woonruimte is voor iedereen die dat nodig heeft. Urgentie isnamelijk niets anders dan – hoe zal ik het zeggen? – een gemankeerdmiddel, een paardenmiddel in een tijd van schrijnende schaarste. Danmoet je gaan verdelen, waarbij je het hebt over verdelende rechtvaar-digheid. Daarom hebben we bepaalde urgentiecategorieën, zodatbijvoorbeeld beide partners een woning kunnen vinden als er eenscheiding is in een gezin, zodat daklozen wel een woning kunnen vindenof zodat, in dit geval, statushouders die een wettelijke verblijfsvergunningin Nederland hebben gekregen toch een woning kunnen vinden. Is hetideaal? Kun je twisten over welke categorie wel of niet urgentie verdient?Ja, daar kun je over twisten. In gemeenteraden die met urgentieverkla-ringen werken, wordt daar ook over gestemd. Er wordt getwist engesproken over die voorrang. Onze gemeenteraden zijn daarin heelcapabel. Ik vind het daarom prima om die discussie aan de gemeente-raden over te laten. Ikzelf wil met alle plezier een discussie over migratievoeren of over welke categorie wel of niet urgentie verdient, maar het isper definitie inderdaad een gemankeerd middel. Dat geef ik gelijk toe.De voorzitter:Helder. Dat is afdoende voor de heer Clemminck. Dan ga ik naar de heerFlach, SGP.De heer Flach (SGP):De heer Grinwis is al de hele middag vanaf een morele hoogvlakte anderecollega’s de maat aan het nemen op een manier die ik in ieder geval zelfniet plezierig vind. Hij gaat zelfs zo ver dat hij op doelenniveau meent tekunnen zeggen wat collega’s bedoeld hebben. Hij zet daar dan tegenoverdat hij dit een verloren maandagmiddag vindt. Ik heb daar geen vraagover. Ik wil alleen zeggen dat ik dat niet correct vind en ook nietrespectvol. Ik zou de heer Grinwis dus willen vragen om zich qua toon ensfeer gewoon iets anders op te stellen in dit debat.De heer Grinwis (ChristenUnie):Ik waardeer collega Flach normaal gesproken zeer en ik kan ook zeer goedmet hem overweg, maar wat hij bij mij beleeft, is dan wederzijds vandaag.Dat kan een keer gebeuren. Blijkbaar zijn we dan allebei niet zo in vorm, ofmisschien wel. Ik kan me nog heel goed de aanloop naar de stemmingherinneren. Ik vind het echt ongekend dat daar nu bij een aantal van mijncollega’s inderdaad echt geen greintje reflectie op terug te vinden is. Ja,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2935 mag dat tot een bevlogen interruptie leiden? Het hoeft toch niet altijd inde meest vriendelijke, emotieloze woorden? Daar mag bevlogenheid enemotie in doorklinken. Dat is geen morele hoogvlakte, maar een oprechtevraag of we toen als meerderheid in de Kamer niet een fout standpunthebben ingenomen. Hebben we toen wel zorgvuldig gestemd? Dat isoverigens niet uniek, want we doen dat bij meer amendementen. Bij hetandere amendement, over het kopje soep, was de wereld te klein. Ditamendement – de stemming vond plaats op dezelfde dag – is een beetjetussen neus en lippen door gebeurd. Daar vind ik nog steeds wat van. Ditis het eerste debat dat we daarover hebben sinds die stemming, dus magdaar alsjeblieft emotie in doorklinken? Het gaat over de rechten vanmensen, over huisvesting, over iets heel wezenlijks. Sorry dat de heerFlach zich aan mijn toon ergert. Morgen zal ik waarschijnlijk weer eenandere toon hebben, bij een ander debat, maar dit zijn heel wezenlijkezaken.De heer Flach (SGP):Ik ga het niet langer maken dan nodig, voorzitter. Ik heb geaarzeld of ikdeze interruptie zou doen, want het leidt af van de inhoud, waar ik hetgraag over heb. Alleen, ik vind wel dat je de Kamer geen recht doet als jepubliek op camera zegt «ik vind het een verloren maandagmiddag»,terwijl alle collega’s met hun medewerkers hard gewerkt hebben aan eenzorgvuldige bijdrage en daarin zorgen proberen te vertolken. Er zit hiereen Minister met ondersteuning. De bevlogenheid is prima, maar hou hetwel een beetje respectvol.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dit is echt ongelofelijk! Kan de heer Flach nog overdrachtelijke taalbegrijpen? Ik denk het wel. Ik heb hier met de heer De Hoop zelfs het rechtop vrije interrupties bepleit, omdat hier iets fundamenteels aan de orde is.Het punt is dat dit debat en deze middag niet nodig waren geweest als dienovelle niet nodig was geweest. We zitten hier omdat er een novelle nodigis. Dat weet de heer Flach best. Dat hij dan ... Nou ja, ik laat het even bij deheer Flach. Volgens mij is de boodschap helder.Voorzitter, ...De voorzitter:Er is nog een interruptie voor u van de heer Clemminck, JA21.De heer Clemminck (JA21):We leven niet in een utopie. Er is een tekort aan woningen en er zijnwachtlijsten. Dan moeten we naar een systeem dat zo eerlijk en recht-vaardig mogelijk is. De essentie van wat de Raad van State heeft gezegd,is het creëren van een gelijke uitgangspositie tussen mensen, maar dat isonmogelijk. Je kunt geen gelijke uitgangspositie creëren tussen mensen.Dit is niet aan de Raad van State. Dit is aan de politiek, en de politiekeopgave is onmogelijk. In essentie is de Raad van State-uitspraak er eentjedie iets doet wat eigenlijk niet kan, want dat betekent dat iemand die in2000 geboren is geen gelijke uitgangspositie heeft ten opzichte vaniemand die in 1986 is geboren. Dit is een politieke afweging, dus nietverstoppen achter een uitspraak van een aantal juristen.De heer Grinwis (ChristenUnie):Op dit punt ben ik het met de heer Clemminck eens, maar dat is niet hetpunt van het amendement dat hier vandaag wordt gerepareerd. Dat gingover het aspect dat er, als je eenmaal statushouder bent, geen urgentiekan worden verleend, in welke situatie je je ook bevindt. In de algemenediscussie over de vraag of je wel of niet urgentie moet kunnen geven aanstatushouders kiest de Raad van State inderdaad voor een perspectief,een filosofische benadering, waar je best vragen bij kunt stellen: moet jeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2936 uitgaan van hetzelfde uitgangspunt of van gelijke uitkomsten? Zij kiestinderdaad bijna voor een soort gelijke-uitkomstenmodel. Daar kun je metelkaar best een fundamentele discussie over voeren. Daar loop ik zekerniet voor weg, maar dat is niet sec een onderwerp van deze novelle; datzijn de heer Clemminck en ik met elkaar eens.De voorzitter:Vervolgt u uw betoog.De heer Grinwis (ChristenUnie):Voorzitter. Nu we er toch zijn, ga ik iets vragen over het amendement overurgentie voor dakloze gezinnen met kinderen. Dat amendement heb iksamen met een aantal collega’s ingediend en dat is gelukkig aangenomen,ook al werd het toen ontraden door de ambtsvoorganger van dezeMinister. Ik ben blij dat het is aangenomen, want het gaat om de meestkwetsbare groep mensen en kinderen in onze samenleving. Als zij geenveilig thuis hebben, gaat dat ons zeer aan het hart. Gelukkig geldt dit nietalleen voor mij, maar ook voor heel veel van mijn collega’s. De Ministergaat uitvoering geven aan het amendement. Daar ben ik blij mee.Tegelijkertijd moet ze daarbij een slag maken naar een regeling dieuitvoerbaar is. Dat snap ik, maar het amendement moet natuurlijk wel zoworden omgezet dat dat recht doet aan de doelstelling en de geest vanhet amendement. Ik heb nog wat zorgen over de gekozen criteria. Diezorgen leg ik hier op tafel.Ten eerste de weigeringsgrond als het probleem redelijkerwijs voorkomenhad kunnen worden. Die weigeringsgrond is erg breed. Hoe zorgt deMinister ervoor dat dit voor gemeenten geen vrijbrief is om een bredegroep mensen af te wijzen? Ten tweede: een andere weigeringsgrond isdat mensen niet in hun eigen bestaan kunnen voorzien. Dit dreigt eenkip-eiverhaal te worden, want veel dakloze gezinnen met kinderen hebbeneen huis nodig om in hun eigen bestaan te kúnnen voorzien. Een huis israndvoorwaardelijk. Hoeveel ruimte voor interpretatie wil de Ministergeven aan deze weigeringsgrond? Ten derde: op basis van welke criteriawordt de eis van binding aan een bepaalde woningmarktregio bepaald?Ten vierde kan urgentie geweigerd worden als het huisvestingsprobleembinnen een redelijke termijn door de betrokkenen zelf kan wordenopgelost. Wat verstaat de Minister onder «een redelijke termijn»? Tenslotte. Een van de aanleidingen van dit amendement was het verhaal vanMila en haar dochter. Tijdens haar zwangerschap vroeg zij een urgentie-verklaring voor een sociale huurwoning aan, maar die werd afgewezen.Volgens de gemeente had zij haar huisvestingsprobleem redelijkerwijskunnen voorkomen. Hoe zorgt de Minister ervoor dat mensen en kinderenzoals Mila in dit geval niet worden afgewezen? Wat is «redelijkerwijskunnen voorkomen»? Mijns inziens was dit in de casus van Mila nietredelijkerwijs te voorkomen; dat was de mening van een meerderheid vande Kamer. Wij waren het dus oneens met hoe Amsterdam omgegaan ismet deze mensen.Voorzitter. Ten slotte heb ik samen met collega De Hoop de gelegenheid tebaat genomen om nog een amendement in te dienen om de wet beteruitvoerbaar te maken en om meer voortgang te creëren, namelijk door30% sociale huur per gemeente en twee derde betaalbaar alsuitgangspunt te gaan hanteren. Ik heb best wel wat zorgen over deuitvoering van deze wet, want nu moeten we op nationaal en regionaalniveau uitkomen op 30% sociaal en twee derde betaalbaar. Het is de vraagof we dat gaan redden. Met de motie die vertaald is in een ontwerpbesluit,hebben we nu wel zes maanden toegevoegd. Daarna kan een provincie ofde Minister gaan ingrijpen. Maar ja, daarmee is de procedure op zichzelfgemaximeerd, maar hebben we nog geen zekerheid dat er daadwerkelijk30% en twee derde betaalbaar gebouwd gaan worden en met hoeveelvertraging. Bovendien gaat het hier ook over een soort van eerlijk delen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2937 Er is ook nog het risico dat we dit niet goed hebben geregeld. Daar heb ikdus nog wel wat twijfels bij. Kan de Minister reageren op die zorg? Gaatde voorgestelde systematiek leiden tot regionale onderhandelingen? Enhoe voorziet zij het moment in de tijd, na zes maanden, waarop zij of deprovincie gaat optreden? Hoe gaat dat dan in zijn werk? Dat was eigenlijkmijn vraag.Ten slotte. Om deze wet goed uit te kunnen voeren, zijn de NationalePrestatieafspraken randvoorwaardelijk. Vlak voordat dit nieuwe kabinetaantrad, kwam naar boven dat er een tekort is van bijna 20 miljard. Danheb ik de volgende vraag. Het coalitieakkoord loopt het tekort niethelemaal in, dus waarschijnlijk resteert er een tekort van 10 miljard. Hoeinterfereert dat met de uitvoering van deze wet?Tot zover, voorzitter, in mijn eerste termijn.De voorzitter:Dank u wel. Dat was de heer Grinwis, die sprak namens de ChristenUnie.Dan gaan we naar de achtste spreker van vandaag, en de eerste vrouw.Dat is mevrouw Steen namens het CDA.Mevrouw Steen (CDA):Voorzitter, dank u wel. Eens even kijken of ik vanmiddag wat aan de sfeerkan bijdragen! Korte tijd na ons debat over de staat van de volkshuis-vesting van vorige week en het debat over de Nota Ruimte hebben wevandaag weer een debat over de wooncrisis. Volgens mij waren we hetallemaal wel met elkaar eens dat we maatregelen moeten nemen, en welsnel. Juist daarom is de boodschap van de CDA-fractie vandaag helder.We moeten tempo maken met deze novelle, zodat de wet zo snel mogelijkin werking kan treden. We kunnen ons namelijk simpelweg geenvertraging meer veroorloven. Er is in Nederland een systeem ontstaanwaarin het heel makkelijk is om iets tegen te houden, maar heel moeilijkom iets mogelijk te maken. Wetten en plannen zijn uiteindelijk alleenwaardevol als ze leiden tot meer woningen op de bouwplaats. Daarvoor iséén ding essentieel, namelijk duidelijke regie, met ruimte voor samen-werking tussen de verschillende bestuurslagen, zodat we regie nemen enop een goede manier bouwen aan de gemeenschappen van vandaag enmorgen.Voor het CDA betekent dit dat het Rijk kaders stelt, maar dat de provincieen de gemeente ruimte moeten houden om die opgave in te vullen zodatdie past bij de regio. De woningmarkt in Groningen is nou eenmaalanders dan die in de Randstad, en een middelgrote gemeente staat voorandere keuzes dan de G4. Daarom vinden wij het belangrijk datgemeenten en provincies regionale afspraken kunnen blijven maken overde aantallen en het type betaalbare woningen, zodat nationale doelen ookecht aansluiten bij de regionale realiteit.Dan de snelheid van procedures, voorzitter. Versnellen betekent ook datwe gemeenten de instrumenten moeten geven om daadwerkelijk tehandelen. Het is goed dat er ruimte en ruimere mogelijkheden komen omeen voorkeursrecht te vestigen. Het CDA hoopt dat er vaker van dezemogelijkheid gebruikgemaakt wordt. Voor ons is dat recht ook echt eenmiddel om speculatieve grondprijsopdrijving tegen te gaan en gemeenteneerder grip te laten krijgen op grondposities. Ik begrijp dat de reparatiemet deze novelle moet gebeuren, maar ik zou ook graag samen op zoekgaan naar hoe we meer grip kunnen krijgen op die grondposities.De voorzitter:Als u daar even wilt pauzeren, is er een vraag voor u van de heer Flach,SGP. Wilt u uw microfoon uitdoen, mevrouw Steen?De heer Flach (SGP):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2938 Ik hoor mevrouw Steen er eigenlijk voor pleiten om de vrijheid om dieopgave te verdelen over de regio, bij de regio’s te houden. Ik denk dat datzeer terecht is. Nu is mevrouw Steen in haar vorige werkzame levenwethouder geweest, van een centrumgemeente, denk ik zomaar. Ze heeftin ieder geval een belangrijke rol gespeeld in de woonregio Twente. Zouze kunnen beschrijven hoe dat ging? Hoe gingen die gesprekken tussen degemeenten, dus tussen stad en platteland, en hoe werden tussen dieverschillende gemeenten de verdeelafspraken gemaakt?Mevrouw Steen (CDA):Zeker. Ik heb niet zelf aan de tafels gezeten, maar er is collegiaal bestuur,dus ik heb goed gemerkt en gehoord hoe dat is gegaan. Dat ging eigenlijkbest wel goed. Soms is het ook best pittig geweest, maar wij hadden ookwel een provincie die stevig in die gesprekken zat. Ik heb dus wel geziendat het instrumentarium dat de provincie heeft, er soms toe leidde datmen elkaar even recht in de ogen aankeek, en soms ook wel leidde tot eengoede, stevige discussie. Het was ook niet altijd even makkelijk, maarbesturen ís ook niet altijd even makkelijk. We hebben uiteindelijk bestgoede afspraken met elkaar kunnen maken, en het gaat in de regio Twenteheel erg goed.De voorzitter:Dat is afdoende voor het lid Flach, zie ik, maar niet voor de leden Grinwisen De Hoop. Grinwis was eerst.De heer Grinwis (ChristenUnie):In vervolg daarop: werden die afspraken ook uitgevoerd door elkegemeente? Mijn ervaring uit het verleden is namelijk dat het nog wel lukteom tot afspraken te komen in de woningmarktregio, maar dat er flagranteverschillen aan het licht kwamen bij de realisatiecijfers, dus bij hoeveelsociale huur en hoeveel betaalbare woningen uiteindelijk werdengebouwd. In de regio waarin ik zelf actief ben geweest als gemeente-raadslid, ging het om de gemeenten Westland, Den Haag, Pijnacker-Nootdorp, Delft et cetera.De voorzitter:Wilt u wel tot uw vraag komen?De heer Grinwis (ChristenUnie):Daar bleek uiteindelijk dat gemeenten die al minder sociale huur hadden,er in de praktijk toch niet in slaagden hun doelstellingen te realiseren.Mevrouw Steen (CDA):Kijk, die afspraken zijn nu ook nog steeds in uitvoering. We gaan de goedekant op in Twente. Het feit dat het goed gaat in Twente, is ook geenanekdotisch bewijs voor de rest van het land, maar ik zie wel dat ervoldoende instrumentarium is, zowel bij de provincie alsook ultimo bij deMinister, om te kunnen ingrijpen als de doelstellingen niet gehaaldworden. Ik wil dus niet zeggen ... Nou ja, ik wil eigenlijk wél zeggen datTwente het voorbeeld is voor heel Nederland! Het zou mooi zijn alsandere regio’s dat zouden volgen, maar ik denk wel dat er in essentievoldoende instrumenten zijn om dit te kunnen waarborgen. Het vraagt welwat bestuurlijke moed, links en rechts. Daar kan heus nog wel wat aanverbeterd worden. We hoeven geen verplichting op te leggen; goede,stevige, slagvaardige bestuurlijke afspraken en ultimo de dreiging dat deMinister kan ingrijpen, zijn wat het CDA betreft op dit moment gewoonvoldoende.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2939 Toch nog kort op dit punt. Dit is namelijk zwaar bevochten door juist deeigen CDA-Minister, Hugo de Jonge, die het wél heel erg belangrijk vondom dat per gemeente vast te leggen. Ik heb afgelopen tijd via de VNG metveel CDA-wethouders gesproken. Ik zag bijvoorbeeld nog een brief vaneen wethouder voorbijkomen, volgens mij uit Olst-Wijhe, waar ze heelgraag wél vast willen houden aan die 30%, omdat ze bang zijn voor eenPoolse landdag. Ik ben benieuwd hoe het CDA denkt daar dan toch aantegemoet te komen. Neem bijvoorbeeld het amendement van meneerGrinwis en mij. Er is de vorige keer tegengestemd door het CDA. Ik benwel benieuwd hoe we dan toch voldoende op dat doel uit kunnen komenen dat beter kunnen waarborgen. Zouden we daar vandaag misschien nogop een andere manier toe kunnen komen met elkaar?De voorzitter:Helder.Mevrouw Steen (CDA):Dan blijf ik toch eigenlijk bij mijn vorige antwoord. Je hebt wetten en jehebt bestuurlijke slagkracht. Ja, ik zie dat het best ingewikkeld kan zijn omaan die afspraken met elkaar te voldoen. Tegelijkertijd zie ik in het heleland, of het nou om CDA-wethouders, SGP-wethouders of GroenLinks-PvdA-wethouders gaat, het gevoel om verantwoordelijkheid te willennemen voor die 30% en de realisatie van de doelen. Het is niet gezegd datdat past in elke gemeente. Het kan dus best wel zo zijn dat de gemeentezegt: ik heb nu mijn doel gehaald; het is nu even aan een ander. Dan is hetjuist het gesprek met elkaar dat gaat helpen om uiteindelijk woningen tebouwen op de plekken waar dat het meest opportuun in. Dat gesprekmoet je met elkaar in de regio voeren. Dat kan best prima met elkaar indie bestuurlijke slagkracht. Volgens mij ziet dat er in de hele regio en inheel Nederland verschillend uit.De voorzitter:U kunt uw betoog vervolgen.Mevrouw Steen (CDA):Mooi. Ik was bezig met grondposities om die woningen daadwerkelijk tegaan bouwen. Mijn vraag aan de Minister over die grondposities is danook: hoe gaan we nou volgen dat de verruimde termijnen daadwerkelijkgaan bijdragen aan het tegengaan van speculatie in woningbouwge-bieden? Met andere woorden: hoe gaan we zien of gemeenten hierdooreerder en effectiever grip kunnen krijgen op hun grondposities en of hetniet iets op papier blijft? Daarnaast heb ik de vraag of de termijn van vijfjaar en dan nog eens vijf jaar via de omgevingsvisie of het omgevingspro-gramma in de praktijk voldoende ruimte biedt. We weten namelijkallemaal dat gebiedsontwikkeling toch vaak best wel lang kan duren. Hoegaan we in de gaten houden of dit ook daadwerkelijk werkt voorgemeenten?Voorzitter. Tot slot over de uitvoeringskracht. Een voorkeursrecht helpt omregie te houden, maar uiteindelijk moet er ook gewoon verworvenworden. Hoe kijkt de regering naar de relatie tussen dit instrument en decapaciteit van gemeenten om daadwerkelijk actief grondbeleid te voeren?Hoe voorkomen we dat dit instrument vooral goed werkt voor gemeentenmet veel financiële of organisatorische slagkracht? Het is ook van belangdat gemeenten die problemen hebben met het dekken van de risico’s inhun grondbedrijf, iets hebben waar ze op kunnen terugvallen. Mijn vraagaan de Minister is dus: wanneer kunnen we het voorstel voor hetorganiseren van een grondfaciliteit verwachten?Voorzitter. In de nota naar aanleiding van het verslag lezen we dat hetkabinet werkt aan een rijksprogramma om de uitvoeringscapaciteit teversterken. Daarbij wordt ook gewezen op het principe van parallelTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2940 plannen, waarbij dus verschillende stappen in de voorbereiding gelijk-tijdig worden doorlopen. De CDA-fractie ziet daarin een heel erg crucialestap naar versnelling. Tegelijkertijd zien we ook dat het in de praktijk nogweinig brede toepassing vindt. Mijn laatste vragen aan de Minister zijndus als volgt. Hoe gaan we ervoor zorgen dat elke gemeente in Nederlandstandaard het parallel plannen toepast? Is de Minister bereid hiernadrukkelijk werk van te maken, zodat deze aanpak niet alleen in enkelevoorbeeldprojecten wordt toegepast, maar structureel onderdeel wordtvan de manier van werken bij woningbouwprojecten?Voorzitter. Laten we tempo maken met deze novelle, zodat we sneldaadwerkelijk de regie op de volkshuisvesting kunnen hernemen.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Steen. Ik zie dat er geen interrupties meer zijn. Ikvraag de heer Grinwis om het voorzitterschap over te nemen.Voorzitter: GrinwisDe voorzitter:Met alle plezier. Ik geef graag het woord aan mevrouw Beckerman van deSP voor haar termijn.Mevrouw Beckerman (SP):Dank u wel. De wooncrisis is een betaalbaarheidscrisis, maar de wet diemoest gaan zorgen dat er meer betaalbaar gebouwd zou worden, gaatdaar helemaal niet voor zorgen. De SP heeft tegen de Wet versterkingregie volkshuisvesting gestemd. Waarom? Daar hadden we drie redenenvoor. Eén. Omdat met de versie van de wet die vorig jaar voorlag hettotaalaantal en het aandeel sociale huurwoningen zou kunnen dalen inplaats van stijgen. Twee. Omdat de wet niet ging zorgen voor regie, maarvoor bureaucratie en eindeloze strijd tussen gemeenten. Drie. Omdat dewet er niet voor zou zorgen dat de mensen die zo hard een woning nodighebben, die ook zouden gaan krijgen. De novelle die vandaag voorligt,maakt dat niet beter, maar slechter. «Twee derde betaalbare nieuwbouw»klinkt mooi, maar het lost de wooncrisis niet op zolang er aan de anderekant nog steeds sociale huurwoningen worden gesloopt en verkocht enwe onder de streep eindigen met minder in plaats van meer betaalbaresociale huurwoningen.Laat ik beginnen met een hele simpele vraag aan de Minister: mag hettotale aandeel of het aantal sociale huurwoningen van haar dalen? Datkan namelijk wel het gevolg zijn van de huidige wet in deze vorm. Dat kantoch op geen enkele manier de bedoeling zijn? Volgens de huidigeplannen slopen corporaties tot 2035 93.000 sociale huurwoningen.Bovendien staat in het nieuwe coalitieakkoord van Jetten dat er ingezetwordt op de verkoop van sociale huurwoningen. Met deze wet krijgensommige gemeenten de opdracht 30% sociale huurwoningen te bouwen,maar als je tegelijkertijd veel sloopt en verkoopt, heb je onder de streepalsnog minder sociale huurwoningen. Gemeenten die nu al iets meersociale huur hebben, krijgen de opdracht om juist minder sociale huur enmeer middenhuur te bouwen. In die gemeenten neemt het aandeelsociale huur dus sowieso af, ondanks lange wachtlijsten.De voorzitter:Ik hoor een punt. Ik geef graag het woord aan collega Nobel voor eeninterruptie.De heer Nobel (VVD):Ik heb het niet geturfd, maar ik heb erg vaak de woorden «socialehuurwoning» voorbij horen komen. Ik vroeg me af wanneer de SP hetTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2941 gaat hebben over betaalbare koop en het middensegment, want daarsnakt Nederland echt naar.De voorzitter:Mevrouw Beckerman voor een reactie op deze vraag.Mevrouw Beckerman (SP):Het is natuurlijk de vraag waar Nederland naar snakt. In mijn ideaal zou jede sociale huur juist weer als brede volkshuisvesting kunnen hebben, ookvoor mensen met een wat hoger inkomen. We halen hier vaak de stadWenen aan, waar 70% van de inwoners in een sociale huurwoning woont.Het voordeel daarvan is dat het allemaal gemengde buurten zijn. Er zijngeen achterstandswijken. Daarmee zeg je eigenlijk nog maar hetminimale. Je kunt daar gewoon een zwembad op je dak hebben, of je noueen laag inkomen of een middeninkomen hebt. Mensen zeggen daar mettrots dat ze in een sociale huurwoning wonen. Ook de dochter van depremier zegt: ik woon in een sociale huurwoning, omdat het fantastisch ismet al die voorzieningen. Dus ja, de SP noemt vaak de sociale huur,omdat wij graag terug willen naar een traditie van trotse volkshuisvesting.De VVD is die al lange tijd aan het slopen en wil daar nog steeds meedoorgaan.De voorzitter:Ik zie dat de heer Nobel het niet bij dit volkshuisvestelijke antwoord willaten zitten. In tweede instantie, de heer Nobel.De heer Nobel (VVD):Ik weet niet of het een goed idee is om woningcorporaties op te zadelenmet de bouw van zwembaden. Als mensen dat willen en daar behoefteaan hebben, moeten ze dat natuurlijk gewoon lekker zelf doen in hunachtertuin. Is de SP het met de VVD eens dat we, als we dit woningbouw-tekort willen oplossen, de markt uiteindelijk gewoon keihard nodighebben? Is de SP het ermee eens dat we niet meer, maar juist minderregels met elkaar moeten opstellen en ervoor moeten zorgen datinvesteerders, maar zeker ook bouwers, naar Nederland toe willenkomen?Mevrouw Beckerman (SP):Het gemak waarmee de VVD zegt «we moeten corporaties niet opzadelenmet de bouw van zwembaden» ... We zakken door een ondergrens inNederland qua betaalbaar wonen. We hebben een gigantische wooncrisis.Die is gigantisch. Omdat ik ook een rol heb als voorzitter, heb ik meingehouden, maar ik hoor een partij die dat veroorzaakt heeft, al de helemiddag mensen tegen elkaar opzetten. Ik hoor een partij die tegen destarter zegt: het is die ander die de woning inpikt. Ik geloof in zwembaden.Ik geloof dat we de wooncrisis kunnen oplossen met iets beters dan alleenmaar tragische, kleine hokken als nieuwbouw. Zwembaden zouden eenideaal moeten zijn van de hele Kamer. Weet u waarom? Omdat we danniet meer alleen maar zouden bouwen om mensen te huisvesten, maarook om samen te wonen en samen te leven in dit land. Dat een partij dieal zo lang aan de macht is niet verder kan komen dan aan de ene kantcorporaties uitknijpen ... We hebben een gat van 20 miljard voor deopgaven die er nu liggen. Daarvan wordt ongeveer 10 miljard gedicht.Dan nog gaat het alleen maar over de bestaande afspraken en niet overhet oplossen van de wooncrisis. Vervolgens besteden ze de hele middagaan zeggen: de ene groep wel, de andere groep niet en die groep eenbeetje. Zo zetten we mensen tegen elkaar op en lossen we de wooncrisisniet op.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2942 Ik heb zomaar het vermoeden dat de heer Nobel hier nog één keer op wilingaan. Hij krijgt die kans. Ik ben volledig onpartijdig, maar ik kan nog welverhalen dat collega Peter de Groot het zwembad waar we bij stondenprachtig vond.De heer Nobel (VVD):Ik kan me er alles bij voorstellen dat VVD’ers graag in een zwembadspringen. Even zonder gekheid, in een zwembad kun je niet wonen. Datweet de SP net zo goed als ik. Ik maak me wel zorgen over het feit dat demogelijkheid die ik de SGP ... Nee, ik bedoel de SP. Excuus, meneer Flach.Het gaat niet zo goed vandaag met de partijnamen. Ik wilde de SP demogelijkheid bieden om aan te geven dat we de markt gewoon heel ergnodig hebben, met name voor de betaalbare koop en het middenhuur-segment. Ik begrijp heel goed dat we ook sociale huurwoningen moetenbouwen. Dat heb ik in mijn eigen bijdrage ook aangegeven. Is de SP hetdan wel met de VVD eens dat we er zonder de markt uiteindelijk niet gaankomen en dat het leeuwendeel van de te bouwen woningen niet gereali-seerd gaat worden, ook niet als er meer geld gaat naar corporaties ofandere zaken die SP graag bepleit? Ze worden niet gebouwd, wantwoningen moeten uiteindelijk gebouwd worden door bouwers. Inves-teerders moeten dan wel vertrouwen hebben in de Nederlandse woning-markt. Wil de SP daar samen met de VVD naar kijken, om zo uiteindelijktoch de woningen, die zo broodnodig zijn, te kunnen realiseren?De voorzitter:Mevrouw Beckerman, ook in laatste instantie krijgt u de kans om tereageren. Ik verzoek u om daarna door te gaan met uw betoog in deeerste termijn.Mevrouw Beckerman (SP):Ik ben blijkbaar de eerste SGP-vrouw in de Kamer!Voorzitter. Ik heb een aantal punten. Het klopt helemaal dat je in eenzwembad niet kunt wonen. Een zwembad klinkt als luxe, maar het punt isdat voor hele normale mensen zelfs een woning inmiddels al een luxe isgeworden. Dat is ongelofelijk. Waar komt dat door? Dat komt niet dooreen natuurramp, maar is het gevolg van hele bewuste politieke keuzes omtrotse volkshuisvesting af te breken en steeds meer en meer aan de marktover te laten. De VVD heeft daarin vooropgelopen. We zijn daardoor ineen diepe wooncrisis terechtgekomen. We kunnen daar uitkomen. Wekunnen daar uitkomen met iets beters dan alleen maar kleine nieuwbouw-woningen. Ik geloof daarin. Waarom geloof ik daarin? Omdat Nederlandhet eerder heeft gedaan. Tijdens de diepe economische crisis van devorige eeuw werden er kathedralen voor de arbeidersklasse gebouwd. Datzijn prachtige woningen, waar we nog steeds naar teruggaan en die nogsteeds een monumentale status hebben. Die zijn namelijk zo goed. Hetwaren niet alleen woningen, maar ook voorzieningen om trots op te zijn.Ik denk dat Nederland dat kan, maar dat kan niet met een VVD die keer opkeer op keer uitknijpt wat zo van belang is voor ons allemaal.Ik ga mijn betoog vervolgen. Ik vind het dus een onbegrijpelijke logica.Een wooncrisis los je niet op met minder echt betaalbare woningen. Welkaandeel betaalbare woningen wil de Minister in de totale voorraad en hoedenkt ze daar te komen?Voorzitter. Er is al veel gezegd over de eventueel dreigende chaos tussengemeenten. Onderling moeten er afspraken worden gemaakt om het doelop regionaal niveau te kunnen halen. Waarom kiest de Minister niet vooréén duidelijke instructieregel voor alle gemeenten, zoals gemeenten,provincies, de Woonbond en corporaties zelf voorstellen, met minimaal30% aan sociale huurwoningen en twee derde aan betaalbare woningen?Voor de SP zou dat eigenlijk al een heel zwak compromis zijn. VoorTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2943 iedereen die vandaag «tempo, tempo» roept: dit is wat gemeenten,corporaties, provincies en de Woonbond zelf hebben bepleit.Het meest venijnige van de wet zijn misschien nog wel de boetes enmaatregelen die de Minister kan opleggen als een gemeente meer socialehuur bouwt. Dus een gemeente die ervoor kiest de wachtlijsten korter temaken en mensen een thuis te geven, kan een boete krijgen? Dat vragenwij aan de Minister. Hiermee geeft de Minister projectontwikkelaars diegraag duurder bouwen ook echt een machtsmiddel om te gaan vertragen.Erkent de Minister dat een boete op de bouw van sociale huur bizar is engeschrapt dient te worden?Voorzitter. Tijdens het debat over de Wet versterking regie volkshuis-vesting hebben wij een groot punt gemaakt van de aanpak vandakloosheid. Nederland heeft afgesproken dat in 2030 niemand meerdakloos hoeft te zijn, maar dit is een onzinbelofte als je niet voldoendewoningen hebt voor dakloze mensen. Ons voorstel om alle mensen diedreigend dakloos en dakloos zijn op basis van de ETHOS Light-definitieurgentie te geven, werd verworpen. Het minder vergaande voorstel omgezinnen urgentie te geven, werd wel aangenomen. Maar in de nieuweversie van de wet zwakt de Minister dat voorstel af. Waarom dat proble-matisch is, laat een aangrijpend stuk in De Groene Amsterdammer vandeze week zien. «Zwanger of ziek, wie mag de opvang in?» is de titel. Ditlaat zien hoe hard het probleem met dakloosheid escaleert. Mensenmoeten strijden, niet eens om een huis maar om een plekje in de opvang.Het is een hardvochtige strijd tegen bureaucratische regels als«zelfredzaam» en «verwijtbaar dakloos» zijn. Kinderen slapen in garagesen portieken. Het is vernederend, mensonterend. Er zijn inmiddelswachtlijsten, niet voor een plek in de opvang, maar voor wachtlijstbege-leiding. Gemeenten maken enorme kosten, maar brengen daarmee eenwoning voor deze mensen niet dichterbij.Voorzitter. «Wonen eerst. In 2030 niemand dakloos.» Dat was de belofte.Staat u voor die belofte, vraag ik de Minister. Nergens in Nederland wordtde «wonen eerst»-aanpak nu echt volledig doorgevoerd. Geen pilots,projecten en managers, maar oplossen. Wonen is een recht, geenprivilege waarvoor je eerst gemangeld genoeg moet zijn. In het coalitieak-koord ontbreekt een aanpak van dakloosheid. Wat gaat de Minister doen?Is dit een omissie? Staat zij voor de «eerst een huis»-aanpak? Waarom zijnzelfs voor dakloze gezinnen in deze wet afzwakkingen gedaan – de heerGrinwis vroeg het net ook – met echt vernederende voorwaarden? Wil deMinister die schrappen en alsnog komen tot een aanpak met urgentievoor alle dakloze mensen op basis van de ETHOS Light-definitie?Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Alvorens we gaan schorsen, geef ik graag het voorzitterschap weer terugaan mevrouw Beckerman.Voorzitter: BeckermanDe voorzitter:Dank u wel. Dan kijk ik naar de Minister: hoelang heeft zij nodig?Minister Boekholt-O’Sullivan:Een halfuur, alstublieft, voorzitter.De voorzitter:Dan schors ik de vergadering tot 17.45 uur.De vergadering wordt van 17.14 uur tot 17.45 uur geschorst.De voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2944 Ik heropen de vergadering. Welkom bij de vaste commissie voorVolkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening. Aan de orde vandaag is denovelle over de Wet regie volkshuisvesting. We hebben de eerste termijnvan de zijde van de Kamer gehad en nu is het woord aan de Minister. Wezouden wel graag eerst de blokjes willen horen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Geen enkel probleem. Ik heb een mapje betaalbaarheid, een mapjebouwen voor middeninkomens, een mapje aandachtsgroepen enurgenten, een mapje versnellen en tot slot een mapje overig.De voorzitter:Dank u wel. Ik zou in dit debat wel graag gewoon de interrupties willentoestaan zoals ze komen, want misschien helpt dat ook en zijn daarmeeook vragen die later komen direct beantwoord. Is dat akkoord?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik maak liever een mapje af.De voorzitter:Dat snap ik. Ik kijk wel even hoe het gaat met de leden. Ik zie dat ze daarheel sympathiek tegenover staan. We gaan het gewoon per mapje doen.Helemaal goed. Begint u met uw beantwoording.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dank u wel, voorzitter. Gezien mijn achtergrond denk ik bij het woord«crisis» maar aan één ding: aanpakken. Het gaat dan om een aanpak dierust, regelmaat en reinheid brengt en die leidt tot resultaten. Bij eenaanpak hoort regie en bij regie hoort een regisseur, een regisseur dieoverziet, die behartigt, die stuurt en die dirigeert en zich bij alles afvraagtof het bijdraagt aan het van tevoren afgesproken doel. Wat is de prijs enbij wie landt die prijs? De prijs landt momenteel bij te veel mensen,dusdanig verspreid dat er nauwelijks nog een ordening te bedenken is ofeen eerste dominosteen te vinden is. Om deze wooncrisis te adresseren,is er regie nodig. Dat kunnen we doen met het wetsvoorstel Wetversterking regie volkshuisvesting, dat in de Eerste Kamer ligt. Vandaagspreek ik met u over de novelle van het wetsvoorstel. Samen kunnen wetot wetgeving komen die het verschil gaat maken in mensenlevens. Ermoet duidelijkheid komen over hoeveel, waar en voor wie er gebouwdwordt: studenten, starters, mensen met een laag of middeninkomen, depolitieagent, de verpleger en onze ouderen. Het gaat over tempo maken,versnelling van procedures en gelijke kansen voor urgenten, de meestkwetsbaren van onze samenleving.Vanmorgen vroeg was ik op bezoek in een daklozenopvang. Ik heb daarmet drie jonge mensen mogen spreken, die mij openhartig hun verhalenhebben verteld. Een van hen was een jongeman afgestudeerd incomputer science met een helaas overleden Nederlandse vader. Hijverdient, ondanks dat hij afgestudeerd is aan een universiteit, niet genoegom in de vrije sector een huis te kunnen vinden. Zijn werkgever vereist dathij remote werkt. Dat betekent dat hij werkt vanuit de daklozenopvang meteen hoop lawaai om zich heen en dat hij ’s avonds om 21.00 uur binnenmoet zijn. Daardoor kan hij geen onderdeel zijn van een sociaal leven.De tweede jongeman komt uit de begeleidwonenopvang. Hij was in definanciële problemen gekomen, waardoor hij zijn huis uit moest. Hij heeftgeen familie in Nederland die hem wil en kan helpen. Hij werkt vijf dagenin de week en verdient daarmee niet genoeg om ergens in Nederland eenplek te vinden buiten de daklozenopvang. Een jongedame, in Nederlandgeboren en afgestudeerd, loopt een ziekte op, waar ze een ergonoom voornodig heeft. Maar de ergonoom mag niet in de opvang komen om haar tebehandelen. Zij heeft daar blijkbaar eerst een huis voor nodig. DrieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2945 schone, fris ruikende, leuke, welbespraakte jonge mensen op het rechtepad! Maar ze zitten in de opvang met een klok die hun leven op pauze zet.Ze zijn dankbaar dat het er is, maar het is niet de oplossing.Voorzitter, ik ben blij dat ik zo snel na mijn aantreden als Minister met u inoverleg kan gaan over een onderwerp dat zo veel mensen raakt. U heeftdit wetgevingsoverleg voortvarend geagendeerd. Dank u wel daarvoor!Dat onderstreept dat u met mij het aanpakken van het woningtekort zietals topprioriteit. We hebben vandaag gesproken over waarom versterkingvan de regie op de volkshuisvesting zo belangrijk is. En een onderdeeldaarvan is de novelle die bij u voorligt.Een novelle die regelt dat aangenomen amendementen worden geschraptof aangepast, is uitzonderlijk. Het kabinet en ik willen daarmee niet afdoenaan de belangrijke rol van de Tweede Kamer als medewetgever, maar indit geval is het noodzakelijk om te zorgen dat wetten uitvoerbaar enjuridisch houdbaar zijn. We zijn hierbij niet over één nacht ijs gegaan. Er ismet medeoverheden in de uitvoeringstoets gekeken naar de effecten opde uitvoering. De Raad van State onderschrijft de beoordeling dat hetnodig is dat het bijzondere instrument van de novelle is ingezet en vindtde toelichting toereikend. Ook is goed gekeken welke reparaties striktnoodzakelijk waren. Zo is het amendement over het voorkeursrechtaangepast en niet geschrapt. Het amendement over urgentie voorgezinnen met kinderen wordt niet gewijzigd in de novelle. Dit werk ik metoog op de uitvoerbaarheid uit in de ministeriële regeling. Uiteindelijk isvoor een woningzoekende maar één ding belangrijk: het oplossen van hetwoningtekort. Wetten die in de praktijk werken! Dat vraagt om duide-lijkheid, voorspelbaarheid en regie.Voorzitter, ik ga graag met uw Kamer in gesprek over de vragen, zorgenen suggesties die u daarbij heeft. Daarvoor ga ik naar het eerste mapje,dat over betaalbaarheid.D66 en ChristenUnie vroegen naar het tempo maken en de fallbackpercen-tages sociale huur. Tempo maken is essentieel voor de woningzoekenden.Binnen een halfjaar na inwerkingtreding moeten afspraken over deverdeling van betaalbare woningen zijn gemaakt om tijdig de volkshuis-vestingsprogramma’s te kunnen vaststellen. Ik houd de vinger aan de polsof er voortgang zit in het maken van regionale afspraken. Ik verwacht vanprovincies dat zij in actie komen als er niet tijdig afspraken wordengemaakt. Daar waar het niet lekker loopt ga ik in gesprek en spoor ik deprovincie aan om zelf knopen door te hakken. Waar nodig zal ik provinciesde opdracht geven om hierover instructies te geven. Dat zeg ik u toe. Eenterugvalpercentage voor sociaal is niet nodig. Ingrijpen doe ik wanneerbestuurlijk overleg niet lukt, want dat is nog altijd de snelste weg.Een vraag van de SP over twee derde betaalbaar en 30% sociaal pergemeente. Het ontwerpbesluit voorziet in de balans tussen sturen op hethalen van de betaalbaarheidsdoelstellingen en het laten van ruimte aangemeenten om recht te doen aan lokale verschillen. Dat doe ik door in hetbesluit te regelen dat de doelstelling van twee derde betaalbaar bouwenen 30% sociale huurwoningen moet worden gehaald op regionaal,provinciaal en landelijk niveau. Ik regel in het ontwerpbesluit dat allegemeenten daaraan moeten bijdragen. IPO, VNG, Aedes en de Woonbondstellen een doelstelling van twee derde betaalbaar en 30% sociaal pergemeente, in lijn met het amendement-De Hoop/Grinwis. Ik vind het danook onverstandig om alle gemeenten exact dezelfde opdracht te geven.Dat sluit niet goed aan bij de ruimte die gemeenten nodig hebben om tebepalen wat er lokaal nodig is.Een vraag van JA21 over regionale doelstellingen. Elke bouwregio moettwee derde betaalbaar en 30% sociaal bouwen op basis van het fairshare-principe. Niet elke gemeente binnen een regio hoeft aan dezelfde eis tevoldoen. Daarin zit juist de flexibiliteit. De ene gemeente kan bijvoorbeeldiets meer betaalbaar bouwen dan de andere. Daarvoor is regionaleafstemming nodig.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2946 Een vraag van de VVD over bovenmatig betaalbaar. Dit kabinet wil meerbetaalbaar bouwen voor lage inkomens én voor mensen met eenmiddeninkomen. De ervaring leert dat bij strengere eisen projectenstilvallen doordat het niet meer rond rekent of zorgt voor eindelozediscussies. Ik wil juist tempo. Daarom is het uitgangspunt dat gemeentenniet meer dan twee derde betaalbaar programmeren en geen vastepercentages per project of wijk hanteren. Ik kan met een instructiebesluitoverheden opdragen de eisen te laten vervallen. Bij niet-tijdig uitvoerenvan die opdracht kan ik ingrijpen met interbestuurlijk toezicht.De vraag van de SP over de boete sociale huur. Dit kabinet wil meerbetaalbaar bouwen voor lage inkomens en voor mensen met eenmiddeninkomen. De ervaring leert dat bij strengere eisen projectenstilvallen doordat het niet meer rond rekent of zorgt voor eindelozediscussies. Ik wil graag tempo. Daarom is het uitgangspunt datgemeenten niet meer dan twee derde betaalbaar programmeren en geenvaste percentages per project of wijk hanteren. Via de Realisatiestimulansontmoedig ik gemeenten met hoge betaalbaarheidseisen, tenzij dezeeisen echt nodig zijn om de regionale doelen te halen. In mijn bestuurlijkeoverleggen zal ik dit aan de orde stellen. Ook zal ik dit benadrukken inmijn brief aan alle gemeenteraden in het kader van de coalitievorming.Waar nodig zal ik een-op-eengesprekken voeren. Ik kan met een instructie-besluit overheden opdragen de eisen te laten vervallen. Bij niet-tijdiguitvoeren van die opdracht kan ik ingrijpen met interbestuurlijk toezicht.Een vraag van de SGP over de kwaliteitseisen. Het is belangrijk dat wewoningen bouwen van goede kwaliteit. De kwaliteitseisen voor alle nieuwte bouwen woningen zijn daarom uitputtend vastgelegd in het Besluitbouwwerken leefomgeving. De kwaliteitseisen zijn van hoog niveau, dusook voor betaalbare woningen. De ervaring leert dat het mogelijk is omkwalitatief goede betaalbare woningen te bouwen, bijvoorbeeld doorscherp te kijken naar lokale eisen zoals parkeren of door in te zetten opindustriële bouw om tijd en kosten te besparen.Een vraag van de PVV over de instandhouding van betaalbare koop. Ikvind het belangrijk dat we niet alleen betaalbaar bouwen, maar betaalbarekoopwoningen ook betaalbaar houden. Voor betaalbare koopwoningen isde minimale instandhoudingstermijn één jaar en de maximale instand-houdingstermijn tien jaar. Dat is korter dan bij sociale huurwoningen,omdat de beperking dat de eigenaar de woning niet mag verkopen bovende bovengrens van een betaalbare woning, zwaar ingrijpt. De instandhou-dingstermijn voor een betaalbare koopwoning wijkt af van de huurcatego-rieën in verband met de bescherming van het eigendomsrecht.Een vraag van de SP over het dalen van het aantal sociale huurwoningen.We staan samen voor de taak om te zorgen voor voldoende woningen dieaansluiten bij het inkomen en de woonbehoeften van mensen. Datbetekent dat we in dit wetsvoorstel sturen op twee derde betaalbaarbouwen, waarvan 30% sociale huurwoningen. Dat zorgt voor meeraanbod voor mensen met een laag inkomen en een middeninkomen. Datwe 30% sociaal bouwen is ook zo met de gemeenten en de corporatiesafgesproken in de Nationale Prestatieafspraken. Daarin is geconstateerddat het bouwen van 30% sociale huurwoningen ertoe leidt dat de socialehuurvoorraad in absolute zin verder zal groeien. Daarbij is ook rekeninggehouden met sloop en uitponden. Daar richt ik me op, niet op hetaandeel sociale huurwoningen.Een vraag van de SP over het aandeel betaalbare woningen in debestaande voorraad. Dit wetsvoorstel is gericht op het toevoegen vanmeer betaalbare woningen in absolute zin voor middeninkomens en lageinkomens, niet op het aandeel betaalbare woningen en sociale huur in devoorraad. Dat zorgt voor meer aanbod voor mensen met een laaginkomen en middeninkomens. Dit wetsvoorstel en het besluit sturen ophet toevoegen van meer betaalbare woningen door de wettelijke opdrachtom twee derde betaalbare woningen en 30% sociale huur te program-Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2947 meren. Dit is geregeld in instructieregels aan gemeenten, provincies enhet Rijk. Deze doelstelling geldt op regionaal, provinciaal en nationaalniveau.Een vraag van de ChristenUnie over de samenhang van het investerings-tekort van corporaties. In de Nationale Prestatieafspraken hebbencorporaties afspraken gemaakt over de grote en noodzakelijke volkshuis-vestelijke opgaven, zoals de nieuwbouw van sociale huurwoningen. UwKamer is in januari geïnformeerd over de voortgang van die afspraken.Corporaties zijn goed op weg. Ze bouwen veel meer woningen en hetaantal woningen met een slecht energielabel is al bijna gehalveerd.Tegelijkertijd weten we dat de Nationale Prestatieafspraken financieel nietlanger haalbaar zijn. Corporaties lenen geld om te kunnen investeren endoor rentestijging en gestegen onderhoudskosten komt de sector tot 2034ongeveer 19 miljard tekort. Het oplossen van het tekort is daarmee ookeen belangrijke voorwaarde voor dit wetsvoorstel. Ik zal uw Kamer op eenlater moment informeren over de invulling van de maatregelen in hetcoalitieakkoord en de gevolgen voor de financiële haalbaarheid van deNationale Prestatieafspraken.Tot zover dit blokje, voorzitter.De voorzitter:Er zijn behoorlijk wat vragen aangemeld. Als eerste Grinwis, dan De Hoopen dan Nobel.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dank aan de Minister voor haar toezegging dat zij, zodra die zesmaanden-periode voorbij is, niet zal talmen om het Rijk, maar bij voorkeur deprovincies, een instructie te geven. Zo heb ik haar begrepen. De wet gaatin principe op 1 juli in, dus op 1 januari is het halfjaar voorbij. Kan detoezegging afgemaakt worden met dat wij in het eerste kwartaal vanvolgend jaar een brief krijgen over wat het resultaat is, met daarinantwoord op de vragen: Zijn er daadwerkelijk instructies gegeven? Zijnalle regio’s er in die zes maanden uitgekomen? Hoe zagen die instructieser dan uit?Minister Boekholt-O’Sullivan:Dat kan ik toezeggen.De voorzitter:Dan noteren we die. Dan ga ik naar De Hoop, GroenLinks-PvdA.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ook van mijn kant dank voor de eerste beantwoording van de Minister.Kan de Minister toelichten waarom het ministerie het in eerste instantiewel belangrijk vond om de betaalbaarheidseisen gemeentelijk vast teleggen en niet regionaal?Minister Boekholt-O’Sullivan:Daar kom ik in de tweede termijn op terug.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Dat is prima, maar die betaalbaarheidseis is natuurlijk wel het fundamentvan deze wet. Dat werd eerder al gemeentelijk vastgelegd. Ik denk dat dereden daarvoor was dat men wilde dat het aantal sociale huurwoningenook daadwerkelijk op peil zou blijven, dat iedereen zijn rol daarin nam endat men daarbij een stok achter de deur wilde hebben, of eigenlijk voor dedeur in dit geval. Daar is nu twijfel over. Ik ben dus toch wel benieuwd hoede Minister iets breder reflecteert op de signalen van de VNG, het IPO ende Woonbond, die hier grote zorgen over hebben. Wat vindt zij van diesignalen?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2948 Minister Boekholt-O’Sullivan:Uiteindelijk gaat het over flexibiliteit bij de gemeentes, die wij hierin ookhonoreren, maar ik kom er zo in de tweede termijn op terug met eenuitgebreider antwoord.De voorzitter:Dank u wel. Is dat voldoende voor u, De Hoop?De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Kan de Minister dan ook in haar beantwoording meenemen dat dieflexibiliteit er in principe nog was? Er was natuurlijk een doel voorgemeenten, maar er was ook nog ruimte om af te wijken. Wat is dan nuhet verschil dat het zo belangrijk maakt om die wet op dit punt toch aan tepassen?De voorzitter:De Minister komt daar dus op terug in de tweede termijn. Dan ga ik naarNobel en dan naar Flach.De heer Nobel (VVD):Voorzitter, dank. Laat ik vooropstellen dat ik denk dat het goed is dat dezeMinister aangeeft dat zij ook het gevaar ziet van bovenwettelijke eisen,bijvoorbeeld op het gebied van sociale huur, en dat zij met het kabinet ookziet dat de bouw daardoor kan stilvallen. Mijn vraag is de volgende. Ikhoor de Minister zeggen: ik kan ingrijpen middels een instructiebesluit.Dat klinkt wat de VVD betreft nog niet daadkrachtig genoeg. We wetennamelijk dat dit in diverse steden gewoon de regel is. Ik heb zojuistdiverse voorbeelden aangehaald. Als de Minister dus aangeeft dat zij káningrijpen, is dat nog wat zwak. Ik hoop dat zij kan toezeggen dat zij ookgáát ingrijpen, zodat we die woningbouwprojecten uiteindelijk, bijvoor-beeld ook in onze hoofdstad, van de grond krijgen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Als ingrijpen past bij het in te zetten instrument en bij mijn rol en als hetaansluit bij de inrichting van de regionale verdeling, dan zal ik ingrijpenals het nodig is. Ik heb in mijn introductietekst ook gezegd dat ik daar nietvoor zal weglopen, denk ik. Maar wat mij betreft proberen we er eerst nogmet elkaar uit te komen. We leven in een land waarin momenteel iedereeniemand kent die op zoek is naar woonruimte. Ik kan me dus bijna nietvoorstellen dat het nodig is dat ik stevige taal ga gebruiken, maar ik zal diegebruiken als dat nodig is om een doorbraak te forceren om aan dewoningen te komen die we in dit land nou eenmaal heel hard nodighebben.De voorzitter:Nobel, graag een korte vraag.De heer Nobel (VVD):Ja, een korte vraag. Regionaal wordt niet afgesproken wat ontwikkelaarsmoeten bouwen. Dat doet de gemeente. Daarom haalde ik in mijnvoorbeeld de gemeente Amsterdam aan, want die vraagt structureel meerdan wat er wettelijk is afgesproken. Vandaar mijn stellige vraag: gaat udaar dan op ingrijpen? Zij verwijst nu terug naar de regio, maar ik hoopdat de Minister gewoon ook per gemeente gaat ingrijpen. Kan zij dat danook toezeggen, dat ze dat per gemeente gaat doen?Minister Boekholt-O’Sullivan:Als het debat gaat over of ik zal ingrijpen op het moment dat het echt nietanders kan, omdat ik zie dat de woningopgave waarvoor we aan de latstaan niet wordt gerealiseerd, dan zal ik dat doen. Tegelijkertijd zeggen wijTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2949 met deze wet: we gaan niet elke gemeente overal precies numeriek opvastleggen; dat doen we in de regio. De ene gemeente zal dus misschieniets meer doen en de andere gemeente zal misschien iets minder doen.Nou, dan heb ik die gesprekken met het regionale niveau.De voorzitter:Nobel, kort.De heer Nobel (VVD):Ja, voorzitter. Dit is wel ingewikkeld in de praktijk. De Minister heeftnamelijk uiteindelijk wel een regio waarin woningaantallen wordengerealiseerd, maar het zijn specifieke gemeenten die eisen stellen. Alsgemeenten meer dan twee derde en meer dan 30% sociale huur als eisstellen, verwacht de VVD gewoon dat deze Minister ingrijpt, want dat zijnbovenwettelijke eisen.Minister Boekholt-O’Sullivan:De vraag of ik zal ingrijpen, kan ik altijd beantwoorden met: dat zal ik doenals dat nodig is. Maar ik ga eerst proberen om er bestuurlijk met elkaar uitte komen. Daar gaan we geen Poolse landdag van maken; daar gaan weniet eindeloos over doen, maar als we met elkaar afspreken dat ze in deregio de ruimte hebben om individuele verschillen te maken, zit jemisschien op een gegeven moment met z’n allen om de tafel. Maar ik gaindividuele gemeenten hier niet op sturen. Dat doe ik dan provinciaal, metde gemeenten aan tafel.De voorzitter:Ik heb Flach en De Hoop staan. Heren, echt kort. Ook Grinwis nog. Echtkort, want het is inmiddels al 18.10 uur.De heer Flach (SGP):Ja, dat zal ik doen, voorzitter. Ik heb antwoord gekregen op een vraag dieik volgens mij niet heb gesteld. Dat ging over de kwaliteitsborging, dievastgelegd zou zijn in het Bouwbesluit. Ik weet niet of dat de reactie wasop mijn zorgen over de vertragende werking van vergunningen of dat diereactie komt in het blokje versnellen, het laatste blokje. Dan zout ik dievraag op.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dit komt terug bij het mapje versnellen.De voorzitter:Helemaal goed. Dan ga ik naar De Hoop en dan Grinwis.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Voorzitter, ik heb eigenlijk meer een punt van orde, want ik vind het voorhet verdere debat belangrijk om een antwoord te hebben op de vraagover de betaalbaarheidseisen. Ik heb daar immers ook vervolgvragen overen ik zie de eindtijd. Als we daar pas in de tweede termijn antwoord opkrijgen, is dat wat ingewikkeld. Ik zou dus toch willen vragen of die vraagergens in de eerste termijn beantwoord kan worden. Anders kunnen wemisschien kort schorsen, maar ik wil het debat over die betaalbaar-heidseisen wel goed met de Minister kunnen voeren.De voorzitter:Minister, is dat mogelijk?Minister Boekholt-O’Sullivan:Oké, laten we dat proberen. Ik hecht er natuurlijk waarde aan dat iedereendit vanuit dezelfde informatiepositie kan volgen. Uit de consultatie en deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2950 Kamerbehandeling kwamen twee boodschappen naar voren: borg dedoelen en zorg voor meer lokale ruimte. Om die reden is er in hetontwerpbesluit voor gekozen niet iedere gemeente dezelfde opdracht tegeven. Daarom is het ontwerpbesluit op dit punt aangepast: borg dedoelen; meer lokale ruimte.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Helder. Ik vroeg ook nog om een reflectie van de Minister op hetstandpunt van de maatschappelijke organisaties. Die zit er deels in, maarhet IPO, de VNG en de Woonbond geven nog steeds aan dat zij dit hetliefst per gemeente vast zouden stellen. Daar heb ik, als dat mag, meteeneen vervolgvraag over: is de Minister bereid om te onderzoeken of hetwerkbaar is om die twee derde betaalbaar en 30% sociale huur pergemeente als uitgangspunt voor de regio-onderhandelingen op te nemenin het besluit?Minister Boekholt-O’Sullivan:Daar kan ik nu nog niet op vooruitlopen. Om terug te komen op uweerdere vraag over de VNG en het IPO: dat klopt en de marktpartijenwillen weer wat anders. Ik denk dat mijn belangrijkste punt is dat we dezeopgave niet van de wal af krijgen – ik ga daar nog andere taal voor vindenals ik wat langer in dit domein zit – als we overeenstemming met iedereennastreven. Er moeten dus bepaalde keuzes gemaakt worden in wat je welvolgt en wat je niet volgt. Voor mij is het allerbelangrijkste dat die huizener komen, niet alleen voor één categorie maar voor allemaal, want ikgeloof dat dat de enige manier is waarop we dit kunnen oplossen. Ja, datmoet samen met de VNG; die speelt daar een hele belangrijke rol in. Ja,we moeten naar het IPO luisteren. Ja, we moeten naar de Woonbondluisteren. Ja, we moeten luisteren naar de mensen die daadwerkelijkmoeten bouwen. We moeten naar de wooncoöperaties luisteren. Wemoeten naar iedereen luisteren en tegelijkertijd willen we parallel daaraantempo maken. We hebben het nu dus zo verwoord: we borgen het binnende gemeenten, maar er moet wel flexibiliteit zijn. Die flexibiliteit regelenwe door het regionaal te maken.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Afsluitend. Eigenlijk ben ik het heel erg eens met wat de Minister zegt,maar als je dat meeneemt, zou je dat toch juist per gemeente vast willenleggen? De Minister schetst namelijk dat ze geen Poolse landdag wil, metzowel de marktpartijen als de maatschappelijke organisaties, maar dat wedat nu toch een soort van regionaal organiseren. Terwijl, als je hetgemeentelijk vastlegt, dan doe je dat niet. Ik zou dus zeggen dat juist ditantwoord van de Minister bewijst waarom je het misschien gemeentelijkvast zou moeten leggen. Is de Minister dat met mij eens?Minister Boekholt-O’Sullivan:Nee. Ik ben het eens met mezelf dat ik denk dat het een goed idee is omeraan vast te houden de gemeenten een bepaalde flexibiliteit te geven.We borgen dat wel met voldoende instrumenten, zodat we daarop kunnensturen en ik er desnoods zelf op kan sturen. We verankeren dat regionaal.Er komt nog een invoeringstoets. Die kunnen we gebruiken om met elkaarte evalueren of dit inderdaad een succesvolle route is.De heer Grinwis (ChristenUnie):De Minister heeft antwoord gegeven op mijn vraag hoe de NationalePrestatieafspraken en het tekort dat daarbij is opgetreden, zich verhoudentot de uitvoering van de Wet versterking regie volkshuisvesting. Is datdaarvoor niet randvoorwaardelijk? Mij is niet helemaal helder hoe ditprecies gaat interfereren in de praktijk. Stel dat gemeenten vanaf 1 juli inregio’s al dan niet enorm hard aan de slag gaan om tot een bepaaldeTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2951 woningmix te komen, maar dat uit de sommen blijkt dat woningcorpo-raties hun deel van de opgave niet helemaal kunnen waarmaken insommige regio’s. Hoe gaat daar dan precies op geacteerd worden? Ofzegt de Minister: ik ga er in de tussentijd alles aan doen om de NationalePrestatieafspraken volledig gefinancierd te krijgen?Minister Boekholt-O’Sullivan:In het coalitieakkoord worden een aantal maatregelen voorgesteld, zoalshet structureel verlagen van de vennootschapsbelasting met 325 miljoenper jaar. Mijn voorlopige inschatting is dat het met dit pakket in theoriemogelijk wordt het financiële tekort van de sector op te lossen. Ik hounatuurlijk een slag om de arm, bijvoorbeeld omdat dit om een groot-schalige herverdeling tussen corporaties vraagt. Dat moet vrijwilliggebeuren en zover zijn we nog niet.De heer Grinwis (ChristenUnie):Dank voor het antwoord. De Minister zegt dus het volgende. Aanvankelijkbleek uit de sommen dat de helft van het tekort met het coalitieakkoordingelopen zou zijn. We hadden aanvankelijk 5 miljard over. Dat ging naareen tekort van bijna 20 miljard en we hebben nu nog een tekort van10 miljard, maar de Minister zegt: ik heb er nog eens naar gekeken en ikdenk dat we het hele tekort van 20 miljard kunnen inlopen. Begrijp ik datgoed? Kan ze dat verder uitwerken en onderbouwen, misschien nietvanavond, maar richting een volgend debat?Minister Boekholt-O’Sullivan:Zoals ik aangaf, hou ik een slag om de arm, maar op basis van dezeberekeningen en gesprekken met de corporaties wil ik gaan kijken hoeverwe kunnen komen.De voorzitter:Toch ga ik even de kant kiezen van de heer Grinwis, omdat we hier vorigeweek ook over gedebatteerd hebben. Kan de Minister aan de heer Grinwistoezeggen dat die berekeningen gedeeld kunnen worden? Daar kunt u zelfeen termijn aan koppelen. Ik denk namelijk dat dit een onderwerp is datanders in elk debat zal terugkeren.Minister Boekholt-O’Sullivan:Jazeker. Volgens mij heb ik de heer Grinwis in het vorige debat al een brieftoegezegd. We zullen ervoor zorgen dat het antwoord op deze vraag daarnog nadrukkelijker in wordt verwoord.De voorzitter:Dat noteren we. Wilt u nog een keer interrumperen, meneer De Hoop? Ja.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Toch even doorgaand op dit punt van de heer Grinwis: waar zit dan hetverschil? De Minister gaf vorige week namelijk aan dat er nog een tekortvan 10 miljard was en dat wordt nu niet meer zo gezien vanuit hetministerie. Dat is natuurlijk wel een heel groot verschil. Iets meertoelichting zou dus fijn zijn.Minister Boekholt-O’Sullivan:Tussen wat ik vorige week heb gezegd en wat ik nu zeg, zit wat mij betreftgeen licht, hooguit wat betreft de manier waarop ik het zeg. Ik hou eenslag om de arm. Ik zeg alleen dat we moeten kijken hoe de grootschaligeherverdeling tussen corporaties plaatsvindt. Dat zijn de gesprekken die wemoeten voeren. Dat moet namelijk vrijwillig gebeuren. Daar heb ik geeninstrumenten voor. We moeten kijken hoe zij dat instrument kunnengebruiken om dat tekort dicht te lopen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2952 De voorzitter:Ik zie dat er geen vragen meer zijn, dus u kunt door naar het tweedeblokje: bouwen voor middeninkomens.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik kreeg een vraag van de VVD over betaalbare koop. Er is niet alleen eengroot tekort aan woningen voor mensen met een laag inkomen; ook veelmensen met een middeninkomen willen graag een betaalbare woning,bijvoorbeeld een betaalbare koopwoning. Dat is precies de reden waaromhet kabinet als doelstelling 25% betaalbare koopwoningen wil realiseren,naast de doelstelling van 30% sociale huur. Bij de uitwerking om dezedoelstelling te realiseren zal ik goed kijken naar de uitvoerbaarheid in depraktijk. Aandachtspunten zijn grote lokale verschillen, de benodigdeflexibiliteit en het voorkomen van de verdringing van de middenhuurwo-ningen. Ik zal uw Kamer in ieder geval voor aanvang van het meirecesinformeren over deze uitwerking.Dan kom ik bij een vraag van de SGP over een wetswijziging ten aanzienvan betaalbare koop. Ik zie de doelstelling in het coalitieakkoord als eencontinuering van de regeling voor betaalbaar bouwen die is uitgewerkt inhet ontwerpbesluit. Er is dus geen wijziging van de wet nodig. Ik zal uwKamer op korte termijn over de exacte uitwerking informeren. Mijnvoornemen is om dat voor het meireces te doen. Bij de uitwerking kijk ikook goed naar de uitvoerbaarheid in de praktijk en de consistentie vanbeleid. Duidelijkheid hierover is ook van belang voor de medeoverheden.Met het Nationaal Fonds Betaalbare Koopwoningen, de Realisatiesti-mulans en de Woningbouwimpuls stimuleer ik de bouw van betaalbarekoopwoningen. In de praktijk worden er al betaalbare koopwoningengebouwd. WBI-projecten bevatten bijvoorbeeld gemiddeld 25%betaalbare koop.Tot slot heb ik de vraag van JA21 over het verdringen van de middenhuur.Zowel mensen met een laag inkomen als mensen met een middenin-komen belanden tussen wal en schip. Dat vind ik zorgelijk. Daaromvoorziet het ontwerpbesluit in de borging van de doelstelling van tweederde betaalbaar bouwen voor lage inkomens en middeninkomens,waarvan 30% sociaal op nationaal, provinciaal en regionaal niveau. Allegemeenten moeten bijdragen. Dat gebeurt nu niet overal. Ik stimuleer debouw van betaalbare woningen voor middeninkomens ook financieel. Ookmaak ik de middenhuur aantrekkelijker. Ik kom nog voor het meireces metde uitwerking van de doelstelling in het coalitieakkoord om in de nieuwewoondeals te streven naar 25% betaalbare koopwoningen.Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Ik kijk of er vragen zijn over dit blokje.De heer Flach (SGP):Wellicht kan er ook worden ingegaan op de schijnbare discrepantie in hetcoalitieakkoord. Daarin lijkt te staan dat er meer gestuurd gaat worden opdie percentages. Tegelijkertijd staat er dat ontwikkelaars en anderebetrokkenen ook ruimte houden om mee te bewegen met vragen vanuitde markt. Als je die passage een paar keer leest, lijkt het alsof je ereigenlijk gewoon alle kanten mee op kunt. Dan lees ik in die brief ookgraag hoe scherp dat nou uiteindelijk bedoeld is en wordt uitgewerkt.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik ben het eens met het punt dat dat op meerdere manieren te interpre-teren is. Ons eigen huiswerk daarbij is dat wij dat in de beleidsbriefvertalen naar hoe wij dat zien. Dat is een proces dat nu loopt.De heer Clemminck (JA21):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2953 Ik heb een vraag over de betaalbaarheidseisen voor alle regio’s inNederland en over stimuleringsmaatregelen zoals de WBI. Een van deproblemen van gemeenten buiten de Randstad is dat de bouwkosteneigenlijk net zo hoog zijn als in de Randstad, maar de opbrengsten eenstuk lager, waardoor zij rendementsverschillen krijgen ten opzichte van deRandstad. Dat maakt het moeilijker voor hen om toegang te krijgen totondersteuning van het Rijk, bijvoorbeeld via de WBI. Dat is natuurlijk eengevolg van de betaalbaarheidseis die u overal op legt. Op welke manierkunt u die gemeenten nog helpen als zij bouwkosten op hetzelfde niveauals in de Randstad hebben, maar de rendementen vanwege de inkomsten-verschillen veel lager zijn?Minister Boekholt-O’Sullivan:Daar kom ik graag in tweede termijn even op terug.De voorzitter:Dan kunt u naar het blokje aandachtsgroepen, denk ik.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik kreeg van de SGP een vraag over dakloze gezinnen. Ik wil zeker geenhoge drempels voor urgentiecategorieën. Niemand wil dat een kind opstraat slaapt; daar zijn we het met z’n allen over eens, denk ik. Het is weleen randvoorwaarde dat de regeling voor gemeenten uitvoerbaar is. Datwerk ik uit in een aangepaste regeling. Over deze inkadering heb ik ook aloverleg met de VNG gehad. Duidelijke voorwaarden zijn nodig om ervoorte zorgen dat de regeling in alle gemeenten uniform wordt toegepast enuitvoerbaar blijft. De regeling is tot 30 maart in internetconsultatie. Daarnakan ik de definitieve regeling opstellen, uiteraard rekening houdend metalle geluiden, en ook met dit geluid uit de Kamer.De vraag van JA21 over dakloze migranten. Die ging over het voorbeeldvan de aanpak in Rotterdam. Ik zie geen directe relatie tussen hetterugsturen van dakloze migranten en deze wet. Het terugsturen vandakloze migranten ligt op het terrein van andere leden van het kabinet.Het ligt vooral bij Asiel en Migratie en bij Sociale Zaken en Werkgele-genheid.De vraag van de SP over dakloosheid. Ik was vanmorgen in denoodopvang in Delft. Daar heb ik gesproken met dakloze jongeren, zoalsik tegen u zei. De gesprekken maakten indruk en ik wil me voor hen hardmaken. Dat is ook de reden waarom mensen die dakloos dreigen teworden, worden aangemerkt als een aandachtsgroep. Dakloze mensen diein de maatschappelijke opvang zitten en dakloze gezinnen met minder-jarige kinderen worden als urgent woningzoekend aangemerkt. Daarmeekrijgen we zicht op de opgave en worden dakloze mensen met urgentiegehuisvest, want op het moment dat je een dak boven je hoofd hebt, komtje leven uit de pauzestand. Ik begrijp dan ook de wens om zo veelmogelijk mensen met voorrang te huisvesten. Tegelijk is het ook zo dat alsiedereen urgent is, uiteindelijk niemand urgent is. In de verdeling vanschaarste is er daarom voor gekozen om de meest kwetsbare mensen tebeschermen en met voorrang te huisvesten. In de wetgeving is naar eengoeie balans gezocht. Tegelijkertijd moet er ook ruimte zijn voormaatwerk. Het staat gemeenten vrij om extra urgentiecategorieën toe tevoegen aan de regeling. Daarnaast werkt het kabinet aan het NationaalActieplan Dakloosheid, waarmee we onder andere inzetten op hetvoorkomen van dakloosheid. Ondertussen werken we aan het uitbreidenen het beter benutten van de woningvoorraad zodat er ook voor daklozemensen meer woningen beschikbaar komen. Daarmee sta ik nog steedsvoor de opgave dat er in 2030 niemand dakloos is. De Minister-Presidentheeft gezegd dat het een omissie is dat dakloosheid niet in het coalitieak-koord staat. Het is urgent en we moeten het aanpakken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2954 De vraag van de ChristenUnie over de casus-Mila. Zoals u weet, was ikvanochtend in Delft bij de daklozenopvang. Daar hoorde ik dat het voordeze groep heel moeilijk is om in aanmerking te komen voor urgentie. Datkomt doordat gemeenten allerlei verwijtbaarheidseisen stellen. Ditgebeurt zelfs in het geval van zwangerschap. Dat gaat veel te ver. Ik zal ditnadrukkelijk en uitdrukkelijk bespreken met de VNG. De ontwerpregelingis nu in consultatie. In de definitieve regeling zal ik dit uiteraardmeenemen.Een vraag van de ChristenUnie over urgentie die geweigerd kan wordenals het huisvestingsprobleem binnen redelijke termijn door de persoonzelf kan worden opgelost. Dit hangt erg af van de situatie van de woning-zoekende en van de lokale context. We kunnen dit niet van tevorenvolledig inkaderen. We willen namelijk dat de gemeente zelf degelegenheid heeft om te bepalen wat een redelijke termijn is. Om tevoorkomen dat dit toch tot willekeur leidt, zal ik in de toelichting van deregeling voorbeelden gaan opnemen. Ook bij de implementatie van dewetgeving zal ik met de VNG overleggen hoe gemeenten hier invullingaan kunnen geven, bijvoorbeeld door middel van een handreiking en deconcept-modelhuisvestingsverordening.Dan de vraag van de ChristenUnie over de bindingseis. In de regelingwordt nader bepaald wanneer een woningzoekende maatschappelijke eneconomische binding heeft met een woningmarktregio en in die regio inaanmerking komt voor urgentie. Dat is bijvoorbeeld zo wanneer iemanddrie jaar onafgebroken ingezetene in de woningmarktregio is. De regelingis zo opgesteld dat urgent woningzoekenden niet tussen wal en schipvallen. Hiermee wordt voorkomen dat gemeenten naar elkaar gaan wijzenvoor huisvesting. Uitgangspunt is namelijk dat alle regio’s hieraan hunsteentje bijdragen.Dan de vraag van de VVD en JA21 over het verbod op voorrang voorstatushouders, en over wanneer er voldoende alternatieven zijn. Devoorrang die statushouders in de praktijk vaak krijgen, knelt, en hetkabinet wil hier iets aan doen. In het coalitieakkoord hebben weafgesproken om hier via drie routes aan te werken: minder instroom,meer nieuwbouw en alternatieve huisvesting tussen COA-locaties en eenreguliere woning. Ik ga daarom vol aan de slag met het bouwen vanalternatieve huisvesting voor statushouders, Oekraïense ontheemden enandere mensen die met spoed woonruimte zoeken. Ik zal daarbij ookkijken hoe groot die opgave is en wanneer dat in voldoende matebeschikbaar is. Als die alternatieven er voldoende zijn, is voorrangwettelijk niet meer mogelijk.Zoals ik woensdag in het commissiedebat al aangaf, stuur ik voor24 maart een brief naar uw Kamer over hoe ik met het wetsvoorstelverbod op voorrang van mijn voorganger om wil gaan in lijn met deafspraken in het coalitieakkoord. Ik ga in die brief ook in op het bindendeconvenant over het snel ontwikkelen van flexibele locaties. Gunt u mijalstublieft even de tijd om dat goed op papier te kunnen zetten. Hetamendement dat bij de wetsbehandeling van de Wet regie is aangenomenstaat hier wat mij betreft los van. Het gaat veel verder dan hetwetsvoorstel verbod op voorrang dat nu bij de Kamer ligt. Dit is overdui-delijk in strijd met het discriminatieverbod in artikel 1 van de Grondwet.De novelle schrapt daarom het geamendeerde onderdeel.Een vraag van de SGP over de leeftijdsgrens van starters. Ik wijs met hetwetsvoorstel een aantal aandachtsgroepen aan van wie de woonbehoefteof de huisvesting bijzondere aandacht nodig heeft. Gemeenten enprovincies besteden hier in hun volkshuisvestingsprogramma’s aandachtaan. Niet alle starters bevinden zich in een kwetsbare positie. Daarom iservoor gekozen om de definitie van «starter» af te bakenen als «vallend inde leeftijd van 18 tot 30 jaar, die voor het eerst in een zelfstandige woningwillen wonen of al een zelfstandige woning huren met een tijdelijkhuurcontract». In het ontwerpbesluit is de leeftijdscategorie vooralsnogTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2955 tussen de 18 en 30 jaar gezet, ook gelet op de uitvoeringslast die dit vangemeenten en provincies vergt.Ik begrijp echter de vraag van de heer Flach goed om ook starters in deleeftijdscategorie tot 35 jaar te kunnen kwalificeren als starter. Ik ben danook bereid om nog eens goed te kijken naar de uitbreiding van dieleeftijdscategorie. Wat ik daarbij in overweging neem is dat de uitvoe-ringslast voor gemeenten niet te groot moet worden.Een vraag van de SGP over jongerenwoningen en starters. Het lijkt erinderdaad op dat deze groep in het ontwerpbesluit niet onder de definitievan starter valt. Het ontwerpbesluit is op dit moment bij uw Kamer invoorhang. Ik heb er nog een keer goed naar gekeken en hier lijktinderdaad sprake van een omissie. Ik zal deze groep toevoegen als blijktdat ze onterecht buiten de definitie vallen.De voorzitter:Er zijn vragen aangemeld van Grinwis, Nobel, De Hoop en de heerClemminck. Ik begin met Grinwis, ChristenUnie.De heer Grinwis (ChristenUnie):Een korte vraag. Dank voor de welwillende antwoorden van de Ministerop mijn vragen en zorgen rondom de criteria voor de uitwerking van mijnamendement. Ik hoorde de Minister verschillende keren zeggen dat ze inoverleg gaat met de VNG, voordat ze de regeling definitief maakt en deconsultatiereacties verwerkt. De VNG is best een respectabele club endaar wil ik niks negatiefs over zeggen, maar tegelijkertijd heeft zij een vrijbestuurlijk perspectief op de werkelijkheid. Is de Minister bereid om ookde belangenbehartigers van daklozen te betrekken bij dit gesprek, voordatze de regeling definitief maakt? Ik heb het dan bijvoorbeeld overDakloosheid Voorbij, Valente en het Leger des Heils.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja, dat kan ik toezeggen.De voorzitter:Perfect. Dan noteren we die ook gewoon als «voorafgaand aan deuitwerking». Dan ga ik naar Nobel, VVD.De heer Nobel (VVD):In de eerste termijn gaf ik aan dat het voor de VVD eigenlijk niet meer uitte leggen is dat jongeren zo lang bij hun ouders op de zolderkamermoeten wonen. Daarom vroeg ik hoe snel de Minister stappen kan zettenbij de alternatieve huisvesting. Ik begrijp dat de Minister aangeeft dat zenog met een brief komt, maar tegelijkertijd zijn er al tal van voorbeelden,ook gewoon in Nederland, van gemeenten die die alternatieve huisvestingwel op orde hebben. Dus ik ben wel benieuwd hoe de Minister daar dannaar kijkt. Verder ben ik benieuwd te horen wat «voldoende alternatievehuisvesting» inhoudt. Op die vraag heeft de Minister geen concreetantwoord gegeven.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik ben op de hoogte van goede voorbeelden. De vraag is of we ze kunnenopschalen naar de aantallen die we hier uiteindelijk voor nodig hebben.Dat weet ik op dit moment nog niet, maar daar kom ik wel op terug.De voorzitter:Is dat afdoende, Nobel, VVD?De heer Nobel (VVD):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2956 Nou, nee, want het zegt niets over wat de Minister als voldoende ziet. Ikga ervan uit dat de Minister daar toch wel een beeld bij heeft. De stappendie ze daarvoor moet zetten, is een tweede.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik zal de hele omvang in kaart moeten brengen, want het gaat niet alleenover één doelgroep. Het gaat over meerdere doelgroepen. We hebben deontheemden uit Oekraïne, we hebben de statushouders en er zijn nogandere groepen die ook nog onderdak in Nederland nodig hebben. Ikmoet dat allemaal bij elkaar eerst nog in beeld brengen.De voorzitter:Ik probeer te helpen: misschien kan dit worden meegenomen in de briefdie is toegezegd voor vóór 26 maart.Minister Boekholt-O’Sullivan:Nee, voorzitter, dat is echt te snel. Het kan voor de zomer.De voorzitter:Oké, we noteren dit in ieder geval als een toezegging aan de heer Nobelvoor vóór de zomer. Ik zie dat de heer Nobel nog een vraag heeft.De heer Nobel (VVD):Ik begrijp het goed. Ik ga dus ook proberen om de Minister een handje tehelpen. U noemt ook een aantal andere groepen, maar mijn vraag richtzich specifiek op statushouders. U haalt er een aantal andere groepen bij,bijvoorbeeld ontheemden en de Oekraïners. Als ik u sec vraag om tekijken naar de statushouders, heeft u dan wél in beeld wanneer diealternatieve huisvesting voldoende zou zijn?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik begrijp de vraag. Ik begrijp ook de behoefte aan een beter antwoord opdeze vraag, maar ik kan u geen antwoord geven dat ik niet heb. Het enigewat ik kan doen, is dus wat ik net zei: voor de zomer kom ik met meerduidelijkheid hierover.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik heb twee korte vragen op dit punt. Allereerst zei de Minister best welduidelijk dat de Raad van State veel harder oordeelde over hetamendement-Mooiman dan over het wetsvoorstel van de Minister: datamendement was op dat punt discriminerend. Maar in het advies dat deMinister kreeg, staat ook dat als een groep zich niet in een gelijke positiebevindt en de voorrang wordt ingetrokken, dit leidt tot ongelijke behan-deling. Het advies op dat punt is dus precies hetzelfde als bij hetamendement-Mooiman. Wat is daar anders in op dat discriminerendepunt, waarvan de Minister schetste dat daar een groot verschil in zat?De voorzitter:Helder.Minister Boekholt-O’Sullivan:Het amendement zorgt ervoor dat alle vreemdelingen in Nederland, dusniet alleen statushouders, in geen enkel geval voorrang kunnen krijgen,ook niet wanneer iemand om een medische reden dringend woonruimtenodig heeft of vanwege sloop of renovatie zijn of haar woning moetverlaten. Het verbod op voorrang regelt een verbod enkel op basis van hetfeit dat zij statushouders zijn.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2957 Helder. Tegelijkertijd was het citaat dat ik aanhaalde een citaat uit hetadvies over de wet van de Minister en niet over het amendement vanMooiman. Ik heb een vervolgvraag, want de Minister gaf aan dat ze meteen brief komt, maar daarbij schetste ze wel dat ze dit wetsvoorstel in lijnmet het coalitieakkoord verder zou brengen. Ik snap dat de Minister niet indetail vooruit kan lopen op de brief, maar heb ik goed begrepen dat dezeD66-Minister het wetsvoorstel voor het verbod op voorrang voorstatushouders wel verder zal brengen in lijn met het coalitieakkoord?Minister Boekholt-O’Sullivan:Zoals ik vorige week al zei: ik wil dit ordentelijk en zorgvuldig doen en ikkom met een brief voor 24 maart.De voorzitter:Heel kort, De Hoop.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik begrijp dat de Minister dit ordentelijk wil doen en ik begrijp dat ze dat ineen brief wil doen, maar ik zeg heel eerlijk dat de Minister mij niet wijs kanmaken dat zij nog niet weet of zij dit wetsvoorstel wel of niet verder gaatbrengen. Daar wil ik dus wel graag een antwoord op.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik ga niet vooruitlopen op de brief die ik de 24ste al ga sturen.De voorzitter:Helder. Ik ga zo verder met de interrupties, maar ik moet er wel op wijzendat als we een tweede termijn willen doen, we eigenlijk nu al begonnenhadden moeten zijn, want de eindtijd voor dit debat is 19.00 uur. Dat ispuur om u wat druk op te leggen, zodat u korte vragen gaat stellen.Clemminck is eerst en dan Mooiman.De heer Clemminck (JA21):Ik heb twee vragen, want de Minister ging in op twee vragen die ik hebgesteld. De eerste vraag gaat over dakloosheid. Als de Minister zegt datdakloosheid geen betrekking heeft op dit wetsvoorstel, kan ik daarinmeevoelen. Aan de andere kant gaat het hier wel over het verklaren vaneen extra urgentiegroep. Daarmee is het dus ook van belang dat je deschaarste weer probeert te verdelen. Dan is mijn vraag volgens mij welrelevant, want het is ook zo dat die urgentiegroep minder groot wordt. Ikzou de Minister dus willen vragen om toch te reflecteren op de pilot inRotterdam. Dat hoeft natuurlijk niet nu; dat kan ook op een later moment.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dakloze migranten komen niet in aanmerking voor een status. Daaromprobeer ik aan te geven dat dit niet mijn dossier is. Zolang ze geen statushebben, hebben ze ook geen recht om in een aandachtsgroep of eenurgente groep te vallen.De voorzitter:Is dat voldoende voor u, meneer Clemminck?De heer Clemminck (JA21):Ja, en toch gaat het over dezelfde schaarse verdeling en dezelfde druk opde samenleving. Als dit het antwoord van de Minister is, dan doe ik hetermee. Ik kan altijd nog een motie indienen.De voorzitter:Helder. Ik ga naar Mooiman. O, u wilt nog een vraag stellen, meneerClemminck. Dat is helemaal goed.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2958 De heer Clemminck (JA21):Ja, excuus, voorzitter. De Minister gaf antwoord op dit deel van mijnvraag. Ik had nog een andere vraag. Die ging over de statushouders. Ikhad eigenlijk twee vragen aan de Minister gesteld. Een daarvan is nog nietbeantwoord. Die vroeg meer om een persoonlijke reflectie van de Ministerover wat zij nou eigenlijk vindt van het feit dat statushouders voorranghebben.Wat betreft de aangekondigde brief die op 24 maart moet komen, zou ikaan de Minister willen meegeven dat ik er op z’n minst van uitga dat zijparallel gaat plannen, niet wacht tot ze alles inzichtelijk heeft wat betreftde doorstroomlocaties en niet wacht met het indienen van de wet tot hetmoment dat de doorstroomlocaties gerealiseerd zijn. Zij kan de wetgewoon alvast in procedure brengen. Er zit gewoon een opschortings-termijn van één jaar in.Minister Boekholt-O’Sullivan:Er wordt altijd parallel gepland. Ik ken geen operatie die je runt terwijl jeniet parallel plant, dus daar kan ik u in geruststellen.Wat betreft mijn persoonlijke opvatting over statushouders: zodra ze doorde procedure zijn gekomen en die mensen de status van een statushouderhebben gekregen, hebben ze recht op een huis en een thuis. Dat is mijnpersoonlijke opvatting over statushouders.De voorzitter:Kort, alstublieft.De heer Clemminck (JA21):Ik had de Minister niet gevraagd om op dat deel te reflecteren. Ik had deMinister gevraagd om te reflecteren op de situatie waarin een jongebewoner in een dorp ergens in Nederland jarenlang op een wachtlijststaat en links ingehaald wordt door een statushouder, en op de vraag hoedat zich verhoudt met het rechtvaardigheidsgevoel van veel Nederlanders.Dat was de vraag die ik had gesteld.Minister Boekholt-O’Sullivan:Vandaag en in de afgelopen debatten probeerde ik over te brengen dat hetprobleem waar we met z’n allen naar kijken inmiddels zo groot en zoomvangrijk is en over zo veel groepen mensen gaat. Daarbij is heteigenlijk al erg dat we het überhaupt over groepen mensen hebben. Ikdenk dat we dat zijn gaan doen om het probleem voor onszelf wat beter tekunnen definiëren. Het is een enorm dilemma. Elk individu in dezegedefinieerde groepen heeft recht op een dak boven zijn of haar hoofd.Leef ik mee met de studenten? Ja. Leef ik mee met de instromers die nietkunnen instromen? Ja. Leef ik mee met de oudere mensen die hun grotehuis niet uit kunnen en niet naar een kleiner huis met zorg kunnen? Ja.Leef ik mee met statushouders die ergens wonen? Ja. Leef ik mee met aldie categorieën die je daartussen nog kan verzinnen? Ja. Ik leef metiedereen mee. Dat is waarom ik ja heb gezegd tegen deze post en waaromik samen met u graag met tempo oplossingen wil vinden voor dit enormeprobleem.De voorzitter:Nog één keer, meneer Clemminck. Het moet wel kort.De heer Clemminck (JA21):Sorry, hoor. Als dit, een ijskoud betoog over dat alles belangrijk is eniedereen het beste van de wereld nodig heeft, het antwoord van deMinister is naar al die Nederlanders die onterecht worden ingehaald doorstatushouders, dan ben ik echt bang dat de empathie van deze Ministerwat betreft hetgeen zich nu afspeelt in Nederland ver te zoeken is. DatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2959 belooft niet veel goeds wat betreft haar voortvarendheid en haarintrinsieke motivatie om dit onrecht ongedaan te maken.Minister Boekholt-O’Sullivan:Voor het eerst in mijn leven hoor ik dat ik onvoldoende empathie heb. Iklaat die woorden bij de spreker.De voorzitter:Helemaal goed. Ik ga naar de heer Mooiman van de PVV.De heer Mooiman (PVV):Mijn punt is inderdaad meer procedureel. Ik vind het toch wel heel lastigworden dat we het inmiddels hebben over twee verschillende brieven tenaanzien van het wetsvoorstel voor het verbod op voorrang voor status-houders. Eén brief gaat over cijfers die we eventueel zouden krijgen. Eenandere brief moet dan voor 24 maart getimed worden. Ik vraag me dantoch af waarom dit nou zo is. Waarom is er tot 24 maart nodig? Ik vind datvreemd. De Kamer probeert er al twee weken lang achter te komen watdeze Minister gaat doen met het wetsvoorstel voor het verbod opvoorrang voor statushouders. Ik vind het eigenlijk niet meer dan normaaldat de Kamer daar gewoon een antwoord op gaat krijgen.Minister Boekholt-O’Sullivan:U heeft recht op een antwoord en dat krijgt u aanstaande dinsdag.De heer Mooiman (PVV):Ik heb natuurlijk meerdere dingen gevraagd. Ik heb ook gevraagd waaromdat nou tot 24 maart moet wachten; we weten nu inderdaad dat hetaanstaande dinsdag wordt. Ik begrijp niet hoe deze Minister niet zelf alkan weten wat zij met dat wetsvoorstel van plan is. Ik kan me nietvoorstellen dat zij pas deze week met haar ambtenaren en alle betrok-kenen gaat praten en gaat zeggen of ze het al dan niet intrekt. Wat zit daarnou achter? Waarom moet dat tot 24 maart duren?Minister Boekholt-O’Sullivan:Zoals ik al meerdere malen heb gezegd: ik wil niet over één nacht ijs gaan.Ik wil dit zorgvuldig uitlopen. Dinsdag is al heel snel.De voorzitter:Meneer Clemminck, ik heb u al ruim de gelegenheid gegeven.De heer Clemminck (JA21):Excuus, voorzitter, maar ik vind het wel ingewikkeld als de brief op de24ste komt, terwijl wij die dag volgens mij nog steeds een schriftelijkoverleg over dit onderwerp hebben staan.De voorzitter:Anders kunnen we alle procedurele vragen natuurlijk in de procedurever-gadering behandelen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dan ontvangt u de brief de 23ste.De voorzitter:Helder. Ik zie dat de Minister verder kan met het blokje versnellen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dan ga ik door met het mapje versnellen.Er was een vraag van de VVD over fatale termijnen voor projecten van500 woningen of meer. Dit heeft helaas geen toegevoegde waarde, omdatTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2960 de verlening van de omgevingsvergunning voor technisch bouwen zeldenhet probleem is bij de realisatie van woningbouwprojecten. Sterker nog,uit de uitvoeringstoets blijkt dat het verschuiven van het bevoegd gezagnaar het Rijk grote organisatorische en financiële gevolgen voor het Rijken voor gemeenten heeft. De omvang van het woningbouwproject maaktdit niet anders. Ik zorg wel op een andere manier voor versnelling,namelijk door samenwerking met de markt aan de versnellingstafels,versterkte uitvoeringskracht en het versnellen van de beroepsprocedure.Als grote projecten vastlopen, zal ik eerst gezamenlijk zoeken naar eenoplossing als onderdeel van de doorbraakaanpak, zoals bijHaarlemmermeer-West. Zo houden we het tempo erin.Dan een vraag van de SGP over de noodzaak van het versnellen vanvergunningsverlening. Ik ben het met u eens dat vergunningsverleningniet de vertragende factor zou moeten zijn bij de realisatie van woning-bouwprojecten. De opdracht in het coalitieakkoord is om afspraken temaken met gemeenten om de capaciteit voor vergunningsverlening enparallel plannen op te schalen. Ik werk daarom momenteel samen met hetIPO en de VNG aan een interbestuurlijk programma om de capaciteit enkennis bij de medeoverheden te versterken. We versnellen ook op anderemanieren, namelijk door op lokaal niveau knelpunten op te lossen, doorversterking van de uitvoeringskracht en door versnelling van beroep bij derechter. We hebben in het coalitieakkoord ook afgesproken dat het kabinetjaarlijks met een vereenvoudigingswet komt om wetten en regels continute vereenvoudigen en te verbeteren. De eerste wet wordt in 2027 vankracht. Ook de uitvoering van STOER moet zorgen voor meer, goedkoperen sneller bouwen. Voor de zomer zal ik u hierover een voortgangsbriefsturen.Dan een vraag van de SGP over het verbod op onderling beroep voorgemeenten. Het amendement beperkt zelf al de reikwijdte van het verbod;dat is alleen van toepassing op aangewezen besluiten over woningbouw.Er resteert dan ook geen ruimte om de regeling in juridische zin beperkterin te voeren. Mij is bekend dat de VNG deze regeling ziet als een ontoe-laatbare inbreuk op het recht op toegang tot de rechter. Ik vind datverschillen van inzicht tussen gemeenten bij voorkeur bestuurlijk moetenworden opgelost, met samenwerken en niet met procederen. Dit sluit aanbij de Omgevingswet, waarin bepalingen staan over bestuurlijk overleg ensamenwerking tussen overheden.Tot slot de vraag van het CDA over parallel plannen. De planfase vanwoningbouw kost gemiddeld zes jaar. Die kan en moet korter om snellerhet woningtekort aan te pakken. Parallel plannen betekent dat diversezaken van het planproces gelijktijdig en samenhangend worden uitge-voerd. Iedereen kan hier vandaag nog mee beginnen. Ik zet dan ook stevigin op een expertpool van opgeleide onafhankelijke procesbegeleiders, diedirect zichtbaar zijn. Ik zet samen met de VNG en Platfom31 een expertise-centrum op om kennis te bundelen en te verspreiden. In financiëleregelingen is vastgelegd dat parallel plannen de norm moet zijn. Op basisvan de pilots is er een handreiking uitgebracht met lessen en een concreetstappenplan. Zo zetten we met elkaar de stap naar parallel plannen als denieuwe norm.Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Er zijn vragen aangemeld door Nobel, Steen en Flach.De heer Nobel (VVD):Allereerst fijn om te horen dat deze Minister werk wil maken van hetschrappen van regels of daar waar mogelijk te uniformeren om zo debouw te versnellen. Dat is hartstikke goed. Tegelijkertijd verloopt hetvergunningverleningsproces niet in alle gemeenten altijd even soepel,komt de fatale termijn op een gegeven moment toch in zicht en blijvenTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2961 woningbouwprojecten liggen. Ik begrijp het goed als de Minister zegt datzij niet elk woningbouwproject van een gemeente op haar bureau wilkrijgen, dat zij die enkele woning die aan de dijk wordt gebouwd niet ophaar bureau wil zien. Daarom vroeg ik specifiek of de Minister iets kanzeggen over grootschalige woningbouwprojecten die de fatale termijnoverschrijden. Ik noemde ter illustratie 500 woningen of meer. Daar zie ikmogelijk meerwaarde voor de Minister, gelet op haar bevoegdheid.De voorzitter:Minister, grote projecten.Minister Boekholt-O’Sullivan:Bij grootschalige projecten kijk ik sowieso mee. Dat laten we niet bij degemeenten alleen. Ik heb nog het instrument van de instructie om knopendoor te hakken als we zien dat projecten vastlopen.Mevrouw Steen (CDA):De Minister noemde net in haar beantwoording de versnellingstafels alsinstrument om procedures te versnellen. Dat vind ik een heel mooiinstrument. Ik hoor terug dat de versnellingstafels in de verschillenderegio’s allemaal op een andere manier werken, de ene beter dan deandere. Ook verschilt het wie er aan tafel zitten. Zit de vraagkant aan tafel?Zit de overheid aan tafel? Wie zitten er allemaal aan tafel? Hoe een enander verloopt, verschilt ook. Ik weet dat er gewerkt wordt aan eenmonitor, maar ook dat lijkt nog niet al te snel te gaan. Kan de Minister mijdaarover iets vertellen? Wanneer is die monitor klaar? Wanneer krijgt deKamer daar iets van te zien?Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik ben het met u eens dat verschillen niet per se erg zijn, als ze uiteindelijkmaar wel tot iets leiden. Dan gaat het om de inrichting van de tafel, maarook om de inhoud. Ik begrijp uw vraag over de monitor goed. Met diemonitor kunnen we immers gaan sturen. Rond de zomer moeten we daareen beeld van hebben. Dan kunnen we de Kamer ook informeren.Mevrouw Steen (CDA):Mogen we dan voor de zomer een terugkoppeling aan de Kamerverwachten?Minister Boekholt-O’Sullivan:Na de zomer is realistischer, omdat we dan ook iets hebben om naar tekijken.De voorzitter:Bent u daar gelukkig mee, mevrouw Steen?Mevrouw Steen (CDA):«Na de zomer» kan ook 2027 zijn. Ik zou zeggen, laten we er septembervan maken.Minister Boekholt-O’Sullivan:September is akkoord. Van dit jaar.De voorzitter:Meneer Flach, kunt u het ook zo kort en bondig als mevrouw Steen?De heer Flach (SGP):Dat ga ik zeker proberen. Ik heb wel twee punten. Het eerste gaat over hetinperken van de rechten van gemeenten om bezwaar te maken bij deburen. Je zult maar na veel jaren vijven en zessen een kerncentraleTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2962 gepland hebben en dan komt er 100 meter verder, over de gemeente-grens, een woonwijk. Dan wil je wel kunnen ingrijpen. Dat is een heelextreem voorbeeld. De VNG gaf aan dat dit wordt gezien als een inperkingvan de rechten van gemeenten. Is de Minister bereid om te kijken of ertoch iets gedaan kan worden om de gang naar de rechter ook voorgemeenten mogelijk te maken?Minister Boekholt-O’Sullivan:Het aangenomen amendement dat beroep tussen gemeenten belet, sluitdaarbij aan. Waar een gemeente te weinig rekening heeft gehouden metbelangen van de buurgemeente, kan de provincie bemiddelen endesnoods ingrijpen met een instructie. Als dat niet voldoende is, komtmen bij mij uit.De heer Flach (SGP):Dan is dat voldoende voor dit punt. Het andere punt betreft de vergun-ningverlening. Het antwoord van de Minister snap ik. Mijn vraag was nogiets breder. Het zit namelijk niet alleen op capaciteit, het zit ook op hettoevoegen van allerlei lokale koppen op vergunningen en regels. Mijnvraag was of de Minister kan toezeggen dat ze in kaart brengt waar degrote obstakels zitten. Ik hoor daar namelijk heel veel klachten over.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ja.De voorzitter:Kijk! Dat ging bijna net zo concreet als bij mevrouw Steen. Dan kan deMinister naar het blok overig.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dan begin ik met de vraag van JA21 over de taskforce. Ik ben dol op hetwoord «taskforces», want dat is een beetje de rode draad door mijnloopbaan heen. Ik was dus juist heel blij dat ik bij een nieuw departementkwam waarvan ik dacht dat ik alle taal moest leren, maar dat dit woordgewoon weer terugkwam. Hier is een taskforce een ministeriëlecommissie; dat klinkt al ietsje minder powerful dan ik taskforces ken, maarwe gaan daar met veel power in zitten. We bundelen de krachten in hetkabinet om tot doorbraken te komen. Dat gaat integraal en daar hebbenwe verschillende bewindspersonen voor nodig. De taskforce heeft deopdracht gekregen om versneld 100.000 woningen per jaar te bouwen.Ten opzichte van het regeerakkoord is er een duidelijke focus aangebrachtop drie blokken: het blok bouwen, bouwen, bouwen, het blok van eenoverheid die helpt en niet in de weg zit, en het blok van schrappen,versoepelen en versimpelen.Binnen zes maanden zal de taskforce een integraal programma voor hetversnellen van de woningbouw opleveren, met concrete voorstellen,acties en afspraken. Dit programma zal in samenwerking en afstemmingworden gemaakt met relevante partners, zoals medeoverheden, marktpar-tijen en corporaties. De kracht van de taskforce is dat er een duidelijkefocus is en er een opdracht ligt bij de bewindspersonen die nodig zijn omdoorbraken te creëren voor de versnelling van de woningbouw. Ik zal deKamer regulier op de hoogte houden van de voortgang van dezetaskforce.Dan kom ik bij de vraag van de VVD over de woonlasten door de ozb. Hetvaststellen van de onroerendezaakbelasting is een taak en verantwoorde-lijkheid van de betreffende gemeente. Hier ga ik niet over. Op dit momentneem ik geen maatregelen om een eventuele stijging te compenseren. Bijde berekening van de maximale hypotheek wordt namelijk rekeninggehouden met de lasten die woningeigenaren krijgen, zoals onderhoud enTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2963 de ozb. Woningeigenaren zijn gemiddeld en in vergelijking met huurdersin de sociale en vrije sector relatief het minste kwijt aan hun woonlasten.Dan kom ik bij de vraag van de VVD over doorstroming. Ik stimuleergemeenten en corporaties om in te zetten op doorstroming door middelvan bijvoorbeeld verhuiscoaches en doorstroommakelaars. Dat doe ik viade Wet regie door hier in de volkshuisvestingsprogramma’s aandachtvoor te vragen. Ook kijk ik naar de mogelijkheden voor eendoorstroombank of doorstroomhypotheek, om doorstroming ookfinancieel mogelijk en aantrekkelijk te maken. Ik zal u voor de zomerverder informeren over mijn aanpak om doorstroom te stimuleren.Dan kom ik bij de vraag van de heer Mooiman. De wet vraagt gemeenteneen volkshuisvestingsprogramma op te stellen. Hiervoor is goede enbetrouwbare data nodig. Gemeenten en provincies baseren zich bij hetopstellen van hun programma op het door mij opgestelde overzicht vangegevens- en databronnen, dat ik periodiek beschikbaar stel. Dit overzichtis minimaal op woondealregioniveau of, indien beschikbaar, op gemeen-teniveau. Het is aan de gemeenten zelf om te beslissen of zij cijfersuitsplitsen en gebruiken tot op wijk- of buurtniveau. Met de term «regio»wordt inderdaad de woondealregio bedoeld.Een aanvullende vraag van de PVV ging over de financiële gevolgen. DeFinanciële-verhoudingswet regelt dat de financiële gevolgen bij een nieuwwetsvoorstel in kaart worden gebracht voor gemeenten en provincies. Ditonderzoek, een zogeheten artikel 2-onderzoek, is gedaan. Daarna hebbener echter wijzigingen plaatsgevonden. Die vergen dus aanvullendartikel 2-onderzoek. Ik ben met medeoverheden in overleg over dereikwijdte daarvan. Het gebeurt dus.Dan kom ik bij een vraag van het CDA: hoe gaan we volgen of deverruimde termijnen daadwerkelijk bijdragen? BNR rapporteerde begindeze maand dat er een grote stijging is van het aantal voorkeursrechtendat wordt gevestigd. Het instrument wordt goed gebruikt. Met de novellewordt de effectieve inzet van het voorkeursrecht bovendien vergroot.Daarnaast ben ik bezig met de inrichting van een grondfaciliteit. Dezegrondfaciliteit gaat gemeenten ook helpen om eerder en effectiever grip tekrijgen op grondposities. Hierover is uw Kamer in juli 2025 geïnformeerd.Het streven is om deze faciliteit in 2026 operationeel te hebben, zodatgemeenten hier in 2027 een beroep op kunnen doen.Dan kom ik bij de vraag van het CDA over de verruimde termijnen. BNRrapporteerde begin deze maand dat er een grote stijging is van het aantalvoorkeursrechten dat ... Dit is hetzelfde antwoord, of niet?Dan heb ik hier nog een vraag van het CDA over de grondfaciliteit. In juli’25 is een brief aan uw Kamer verzonden over maatregelen ter onder-steuning van gemeenten in het voeren van grondbeleid voorwoningbouw. Ik vergat te drinken; dat is bijna nog belangrijker dan eenwoning! Maar in die brief is uw Kamer ook geïnformeerd over deverkenning die is uitgevoerd naar de mogelijke inrichting van dezegrondfaciliteit. Voor de grondfaciliteit is reeds 390 miljoen gereserveerdvoor de jaren 2026–2029. De regeling hiervoor wordt op dit momentverder uitgewerkt. Het streven is om deze in ’26 operationeel te hebben,zodat gemeenten hier in 2027 een beroep op kunnen doen.Tot zover, voorzitter.De voorzitter:Dank u wel. Voordat ik ga kijken of er nog vragen zijn, krijg ik te horen datwij, aangezien de eindtijd 19.00 uur is, gaan stoppen. Nee hoor, maar wemoeten officieel besluiten dat we doorgaan. Ik hoop wel dat we een vrijsnelle tweede termijn kunnen doen, maar we gaan dit debat dusvervolgen. We maken ’m af, maar ik doe een beroep op u allen om kort enbondig te zijn in de tweede termijn, tenzij er nog vragen zijn over hetrondje overig van de Minister. Mevrouw Steen, CDA.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2964 Mevrouw Steen (CDA):Zeker. Ik wil nog even doorgaan op de Wvg, de Wet voorkeursrechtgemeenten. Kijk, het vestigen van zo’n voorkeursrecht ... «Het wordt goedgebruikt» is een prachtige kwalificatie, maar wat is dan «goed» en is hetgoed genoeg? Dat is natuurlijk uiteindelijk de vraag die voorligt: gaat ditgemeenten helpen om dit sneller te doen? Ik zie namelijk een hele hoopgemeenten in het land die het heel erg spannend vinden om dit te doen.Die kunnen dit nog veel vaker doen om strategisch grond aan te kunnenkopen en om zelf regie te kunnen houden op de plekken waar gebouwdwordt. Mijn vraag is dus: hoe gaan we ervoor zorgen dat we hiernaarkunnen kijken en inzicht kunnen houden in hoe dit instrument daadwer-kelijk werkt voor gemeenten?De voorzitter:Heldere vraag voor de Minister.Minister Boekholt-O’Sullivan:Wat ik zal doen, is het opnemen als een vast bespreekpunt met de VNG.Als daar iets uitkomt wat de moeite waard is, zal ik daarmee terugkomen.De voorzitter:Dank u wel. Dan zijn we bij de tweede termijn aangekomen. De heerNobel, VVD.De heer Nobel (VVD):Dank, voorzitter. Ik zal het snel doen. Ik wil de Minister bedanken voorhaar antwoorden en voor het toevoegen van een kopje betaalbare koopen middensegment; dat wordt enorm gewaardeerd vanuit de VVD.Dan heb ik twee moties naar aanleiding van de antwoorden van deMinister.De eerste motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat statushouders in veel gemeenten voorrang krijgen bijde toewijzing van sociale huurwoningen;overwegende dat in het coalitieakkoord is vastgesteld dat voorrang voorstatushouders bij sociale huurwoningen in veel gemeenten steeds meerknelt doordat veel Nederlanders langdurig op een wachtlijst staan;overwegende dat in het coalitieakkoord is vastgesteld dat het kabinet devoorrang voor statushouders wil verbieden op het moment dat ervoldoende alternatieve huisvesting voor statushouders is;overwegende dat sommige gemeenten inmiddels alternatieve huisves-tingsoplossingen voor statushouders realiseren en dat deze aanpak kanbijdragen aan het verminderen van de druk op de sociale huurmarkt enaan een eerlijkere verdeling van schaarse woningen;verzoekt de regering te onderzoeken hoe gemeenten kunnen wordengestimuleerd en beloond om alternatieve huisvesting voor statushoudersen andere doelgroepen die flexibele woningen nodig hebben terealiseren,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2965 en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Nobel en Flach.Zij krijgt nr. 9 (36 881).Er is een vraag voor u van het lid De Hoop, GroenLinks-PvdA.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Ik begrijp niet zo goed waarom de heer Nobel de noodzaak voelt om dezemotie nu in te dienen. De Minister gaf namelijk zelf aan dat ze volgendeweek met een brief komt. Dit loopt daar behoorlijk op vooruit. Het staatnota bene ook nog in het regeerakkoord. Dus wat maakt de heer Nobel zoonzeker over de voortgang dat hij toch de noodzaak voelt om deze motiein te dienen, terwijl de Minister heeft aangegeven volgende week met eenbrief op dit punt te komen?De voorzitter:De vraag is helder.De heer Nobel (VVD):Omdat de Minister aangaf dat zij met een brief zou komen, heb ik ook heelbewust aan de Minister gevraagd of zij bekend was met voorbeeldge-meenten. Daar was zij wel mee bekend, maar ik heb onvoldoendeantwoord gekregen op de vraag wanneer er sprake is van voldoendealternatieve huisvesting. Ook op de vraag of we gemeenten die het nu aldoen verder zouden kunnen stimuleren en belonen, heb ik geen antwoordgekregen. De VVD wil gewoon zo snel mogelijk van die voorrang af endaarvoor hebben we die alternatieve huisvesting nodig. Vandaar dezemotie.De voorzitter:U vervolgt uw betoog in tweede termijn.De heer Nobel (VVD):Ja, voorzitter.De tweede motie.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,overwegende dat er een groot tekort is aan betaalbare koopwoningen inNederland en dat de woningbouwdoelstellingen niet gerealiseerd worden;overwegende dat jonge kopers steeds moeilijker een woning kunnenfinancieren en op dit moment gemiddeld € 100.000 bruto moetenverdienen om een gemiddelde woning te kunnen kopen;constaterende dat er eerder een motie-Peter de Groot/Welzijn (36 512,nr. 102) is aangenomen om in instructieregels voor woningbouwprojectenop te nemen dat binnen het aandeel van twee derde betaalbare woningenminimaal 25% aan betaalbare koopwoningen moet worden gebouwd;constaterende dat provincies en gemeenten die wel minimaal 25%betaalbare koopwoningen realiseren niet beloond worden;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2966 verzoekt de regering om gemeenten die wel de doelstelling van minimaal25% betaalbare koopwoningen behalen voorrang te geven op bestaanderegelingen, zoals de Woningbouwimpuls,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Nobel en Steen.Zij krijgt nr. 10 (36 881).Dank u wel. Dat was de heer Nobel. Hij sprak namens de VVD. Dan ga iknaar de heer Flach. Hij spreekt namens de SGP.De heer Flach (SGP):Ook van mijn kant dank richting de Minister voor de beantwoording.Kortheidshalve beperk ik me tot twee moties. De eerste.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat als gevolg van het aangenomen amendement-Flach/Vijlbrief (Kamerstuk 36 512, nr. 32) gemeenten de woonbehoefte vanstarters in kaart moeten brengen;constaterende dat in het ontwerpbesluit Versterking regie volkshuis-vesting starters onder andere gedefinieerd worden als woningzoekendepersonen tussen de 18 en 30 jaar;overwegende dat starters veelal gedefinieerd worden als personen tussende 18 en 35 jaar, zoals in de startersvrijstelling in de overdrachtsbelasting;verzoekt de regering de definitie van «starters» te harmoniseren, en in hetBesluit versterking regie volkshuisvesting het leeftijdscriterium teverruimen naar personen tussen de 18 en 35 jaar,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Mooiman.Zij krijgt nr. 11 (36 881).De heer Flach (SGP):Dan de tweede. Het gold ook al wel een beetje voor de eerste: ik heb eenaarzeling in het geval van een toezegging. De tweede gaat over devergunningstrajecten. Ik heb daar kortheidshalve een toezegging van deMinister op gehad. Ik lees de motie voor en ik laat het aan de Ministerover of ze die beantwoordt met een «oordeel Kamer» of dat ze zegt «datbedoelde ik ook met mijn toezegging». De motie luidt als volgt.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2967 overwegende dat tijdige en adequate vergunningverlening essentieel isom voldoende woningen te realiseren;overwegende dat termijnen soms niet gehaald worden, vergunningstra-jecten om allerlei redenen lang duren of knelpunten ontstaan tussen deverschillende bestuurslagen;verzoekt de regering knelpunten bij vergunningverlening in (wo-ning)bouwprojecten te inventariseren, mogelijke oplossingen in kaart tebrengen, en de Kamer daarover voor de zomer 2026 te informeren,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Flach en Nobel.Zij krijgt nr. 12 (36 881).Dank u wel, collega Flach. Ja, als u de microfoon uitdoet, geef ik hetwoord aan de heer Mooiman van de PVV.De heer Mooiman (PVV):Dank u wel, voorzitter. Ook ik heb een aantal moties, waarvan de eerstenadrukkelijk gaat over een woning waarvan de maximumprijs in eenomgevingsplan is opgenomen.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat in het Besluit versterking regie volkshuisvesting voormiddenhuur en sociale huur de start van de minimale instandhoudings-termijn ligt vanaf de ingebruikname van een woning;overwegende dat voor betaalbare koopwoningen de start van deminimale instandhoudingstermijn is gekoppeld aan het sluiten van dekoopovereenkomst, waardoor deze woningen korter beschikbaar zijn voorde betreffende doelgroep;verzoekt de regering om vast te leggen dat ook bij betaalbare koop deminimale instandhoudingstermijn start vanaf de ingebruikname van eenbetreffende woning,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.Zij krijgt nr. 13 (36 881).De heer Mooiman (PVV):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2968 constaterende dat starters een nieuwe aandachtsgroep zijn voor hetvolkshuisvestingsprogramma en woningzoekenden omvat tussen de18 en 30 jaar die voor het eerst een zelfstandige woning zoeken of dieuitstromen uit een woning met een tweejaars- of campuscontract;overwegende dat huurders die uitstromen uit een jongerenwoning buitenbeschouwing blijven, terwijl ook deze categorie te maken heeft met eentijdelijk huurcontract;verzoekt de regering om vast te leggen dat ook uitstromende huurdersvan jongerenwoningen behoren tot de aandachtsgroep «starters»,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden Mooiman en Flach.Zij krijgt nr. 14 (36 881).De heer Mooiman (PVV):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het Rijk woongerelateerde gegevens verzamelt en dezebeschikbaar stelt op landelijk, provinciaal en regionaal niveau;overwegende dat verzamelde gegevens zo veel als mogelijk bruikbaarmoeten zijn voor gemeenten;verzoekt de regering om vast te leggen dat door het Rijk verzameldewoongegevens ook op gemeentelijk niveau, en waar mogelijk op wijk- enbuurtniveau, beschikbaar worden gesteld,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.Zij krijgt nr. 15 (36 881).De heer Mooiman (PVV):Voor die laatste motie refereer ik ook naar het besluit zelf, waargemeenten dus inderdaad niet in staan.Voorzitter. Tot slot.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de uitvoeringscapaciteit van veel Nederlandsegemeenten op het gebied van woningbouw onder druk staat;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2969 overwegende dat de uitvoeringscapaciteit van Nederlandse gemeentenmogelijk kan verbeteren als wordt samengewerkt met Vlaamsegemeenten en dat eventuele ruimte voor samenwerking nog niet isonderzocht;verzoekt de regering een haalbaarheidsonderzoek te houden naarmogelijkheden voor samenwerking tussen Nederlandse en Vlaamsegemeenten inzake de versterking van uitvoeringscapaciteit omwoningbouw te versnellen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Mooiman.Zij krijgt nr. 16 (36 881).De heer Mooiman (PVV):Over dit laatste hebben wij in de vragenronde over het wetsvoorstelantwoorden van de Minister gevraagd. Daarin gaf zij ook aan dat het nogniet was onderzocht, maar dat het een interessant idee was. We hopendus dat de Minister positief kan adviseren.De voorzitter:Dank u wel, meneer Mooiman. We gaan naar de heer Clemminck, JA21.De heer Clemminck (JA21):Voorzitter, dank u wel. Dank uiteraard aan de Minister voor het beant-woorden van de vragen. Voor mijn partij gelden twee dingen. Eén. Wijhebben toch wat zorgen over de betaalbaarheidseis in relatie tot hetvlottrekken van de woningbouw. Het tweede is de teleurstelling dat er bijhet schrappen van het amendement niks voor in de plaats gekomen is alshet gaat om de voorrang van statushouders.Voorzitter. Ik heb drie moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het vorige kabinet het voornemen heeft uitgesprokenom de mogelijkheid voor gemeenten om statushouders voorrang tegeven bij de toewijzing van sociale huurwoningen te schrappen;constaterende dat hiermee wordt beoogd dat statushouders bij woning-toewijzing dezelfde positie krijgen als alle andere woningzoekenden;overwegende dat in veel gemeenten statushouders in de praktijk nogsteeds voorrang krijgen via de huisvestingsverordening, terwijl de druk opde sociale huurmarkt groot is en wachtlijsten voor reguliere woningzoe-kenden vaak vele jaren lang zijn;overwegende dat het schrappen van deze voorrang bijdraagt aan eengelijkere behandeling van woningzoekenden en meer draagvlak voor hetasiel- en huisvestingsbeleid;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2970 verzoekt de regering het wetsvoorstel dat de mogelijkheid tot voorrangvoor statushouders bij sociale huurwoningen beëindigt, voortvarend doorte zetten en zo spoedig mogelijk bij de Kamer in procedure te brengen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.Zij krijgt nr. 17 (36 881).De heer Clemminck (JA21):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het huidige rijksbeleid voor woningbouwprogram-mering uitgaat van een norm waarbij twee derde van de nieuwbouwbetaalbaar moet zijn, waaronder ten minste 30% sociale huur;overwegende dat deze vaste verhouding in sommige regio’s en bijsommige projecten leidt tot knelpunten in de financiële haalbaarheid vanwoningbouwprojecten;overwegende dat er in veel regio’s een groot tekort bestaat aan woningenin het middensegment, zoals middenhuur en betaalbare koop;overwegende dat meer ruimte voor het middensegment kan bijdragenaan doorstroming op de woningmarkt en daarmee ook de beschik-baarheid van sociale huurwoningen kan vergroten;verzoekt de regering om in het Besluit volkshuisvesting en bijbehorendeinstructieregels op te nemen dat bij nieuwbouwprogrammering tweederde van de woningen betaalbaar is, waarvan 25% sociale huur, zodat ermeer programmeerruimte ontstaat voor middenhuur en betaalbare koop,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.Zij krijgt nr. 18 (36 881).Dank u wel. Of had u er nog een? Ja, hoor.De heer Clemminck (JA21):Nog één, voorzitter. Dank u.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het Rijk in het Besluit volkshuisvesting landelijkebetaalbaarheidseisen heeft vastgesteld voor woningbouw;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2971 overwegende dat sommige gemeenten boven op deze landelijke normenaanvullende of zwaardere betaalbaarheidseisen stellen, waardoorwoningbouwprojecten financieel moeilijker uitvoerbaar worden;overwegende dat dergelijke lokale koppen op nationale normen kunnenleiden tot vertraging van de woningbouw en een hogere onrendabele topin projecten;overwegende dat het onwenselijk is dat het Rijk via subsidies of andererijksbijdragen projecten ondersteunt die door aanvullende lokale eisen zelffinancieel moeilijk uitvoerbaar worden gemaakt;verzoekt de regering geen rijksbijdragen voor woningbouwprojecten toete kennen aan gemeenten die in hun woningbouwprogrammeringverdergaande betaalbaarheidseisen hanteren dan de landelijke normenzoals vastgelegd in het Besluit volkshuisvesting,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Clemminck.Zij krijgt nr. 19 (36 881).Dank u wel, meneer Clemminck namens JA21. Dan ga ik naar De Hoop,GroenLinks-PvdA.De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Dank aan de Minister voor de beantwoording. We bespraken deWet regie volkshuisvesting en de Nota Ruimte en we hadden eencommissiedebat de afgelopen week. Ik benijd de Minister niet in haareerste week, wil ik toch ook even gezegd hebben.Voorzitter. Allereerst een motie van mijn kant, samen met de heer Grinwis.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de betaalbaarheidseisen voor de nieuwbouw zijnafgezwakt ten opzichte van het originele voorstel;overwegende dat er een risico is dat de bouw van betaalbare woningenwordt uitgesteld door lange regionale overleggen;overwegende dat grote gemeenten met veel betaalbare huurwoningenminder sociale huur mogen bouwen;verzoekt de Minister om, wanneer binnen een halfjaar na inwerking-treding van de wet nog geen afspraken zijn gemaakt in een woningbouw-regio en daar ook geen zicht op is, erop te sturen dat iedere gemeente inde betreffende woningbouwregio 30% sociale huur en 37% woningen inhet middensegment moet gaan programmeren;verzoekt de Minister daarbij ruimte te bieden om lokaal af te wijken omvolkshuisvestelijke redenen;verzoekt de Minister hiervoor indien nodig het ontwerpbesluit aan tepassen,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2972 en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door de leden De Hoop en Grinwis.Zij krijgt nr. 20 (36 881).De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):Voorzitter. Dan zeg ik ook maar gelijk dat mijn fractie voor deze wet gaatstemmen, omdat wij het ontzettend belangrijk vinden dat er snel meerbetaalbare woningen bij komen, maar het allerbelangrijkste is datcorporaties meer financiële slagkracht en ruimte krijgen. Wat dat betreftwas ik positief verrast door de beantwoording van de Minister, waarin zijaangaf dat zij denkt dat we dat laatste gat van 10 miljard ook kunnendichten met elkaar. Ik ben heel benieuwd hoe dat ingevuld gaat worden,maar daarover krijgen we nog een brief van de Minister, dus die zien wegraag tegemoet.Ten slotte over de voorrang voor statushouders. Ik vind het toch welingewikkeld dat op het moment dat de Minister zelf in een brief aangeeftterug te komen op hoe ze dat wetsvoorstel verder brengt, nota bene eencoalitiepartij alweer een motie indient om daar keihard op te duwen endoor te denderen. Dat lijkt me onverstandig. Ik zou de Minister er echt toewillen oproepen om het wetsvoorstel gewoon in te trekken, zodat we zosnel mogelijk meer betaalbare woningen kunnen realiseren en ons met dehoofdzaken kunnen bezighouden, om de woningnood daadwerkelijk op telossen met elkaar.Tot zover.De voorzitter:Dank u wel. Dat was het lid De Hoop namens GroenLinks-PvdA. Dan ga iknaar Van Leijen, D66.De heer Van Leijen (D66):Voorzitter, dank. Ik heb geen moties voor nu. Ik denk dat de woningzoe-kende het meest geholpen is als we deze wet zo snel mogelijk aannemen,dus ik hoop dat we heel snel dat heuglijke feit kunnen vieren met elkaar.De voorzitter:Dank u wel. De heer Grinwis, ChristenUnie.De heer Grinwis (ChristenUnie):Voorzitter, dank u wel. Dank aan de Minister voor alle antwoorden entoezeggingen. Ik sluit me aan bij wat collega De Hoop zei: dit is in eenkleine week toch wel een behoorlijk diepe duik in dit prachtige onderwerpen dossier, met al zijn variëteit. De toezeggingen die de Minister heeftgedaan, besparen weer moties, dus die houd ik vandaag op zak.Ik heb nog wel zorgen over de toezegging inzake de volledige financier-baarheid van de volledige Nationale Prestatieafspraken. We krijgen er eenbrief over, maar hoe kun je via onderling bijspringen 10 miljard resterendtekort wegtoveren? Dat is toch onmogelijk te doen met projectsteun? Hoedan wel? Ik zie uit naar die brief. Hopelijk is die er snel.Afrondend. Ik zal mijn fractie adviseren om voor deze novelle te stemmen,niet omdat de Wet versterking regie volkshuisvesting daarmee perfect isgeworden, maar wel omdat deze wet heel hard nodig is om bij te dragenaan het lenigen van de grote nood aan betaalbare huizen en omdat dezenovelle voorkomt dat we verder gaan rondbanjeren in een staatsrechte-lijke modderpoel.Tot zover.De voorzitter:Dank u wel, meneer Grinwis. Mevrouw Steen, CDA.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2973 Mevrouw Steen (CDA):Voorzitter, dank. Ook dank aan de Minister voor haar beantwoording, detoezeggingen en het uitstralen van urgentie. De versnellingstafels, hetparallel plannen en de Wvg zijn voor ons echt van belang.Ik dien samen met de heer Nobel een motie in over een positieve prikkelvoor betaalbare koop.Ik moedig de Minister hierbij aan om niet schuw te zijn met het inzettenvan haar bestuurlijk instrumentarium en de aanwijzingen. Het is namelijkwel gewoon echt nodig. Ik vind ook dat we moeten laten zien dat het onsmenens is wat betreft de afspraken rond die 30% en twee derdebetaalbaar, anders dan dat we misschien in het verleden hebben gedaan.De voorzitter:Dank u wel, mevrouw Steen namens het CDA. Meneer Grinwis, zou u hetvoorzitterschap kunnen overnemen?Voorzitter: GrinwisDe voorzitter:Maar natuurlijk, mevrouw Beckerman. Aan u het woord.Mevrouw Beckerman (SP):Dank u wel. Ik heb vier moties.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat het kabinet in het Nationaal Actieplan Dakloosheid alsdoel heeft gesteld om dakloosheid in 2030 te beëindigen;verzoekt de regering de doelen van het Nationaal Actieplan Dakloosheidongewijzigd na te streven en een plan te presenteren aan de Kamer hoe zijde doelen voor 2030 alsnog gaat halen,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.Zij krijgt nr. 21 (36 881).Mevrouw Beckerman (SP):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat de Kamer heeft besloten dat dakloze gezinnen metminderjarige kinderen recht moeten hebben op urgentie bij de toewijzingvan sociale huurwoningen;Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2974 constaterende dat verschillende uitsluitingsgronden en aanvullendevoorwaarden ertoe kunnen leiden dat dit recht in de praktijk moeilijktoepasbaar wordt;overwegende dat dakloosheid zich in verschillende vormen voordoet,waaronder mensen die feitelijk dakloos zijn, tijdelijk bij anderen verblijvenof dreigen hun woning te verliezen;overwegende dat de Europese ETHOS-definitie een breed en internati-onaal erkend kader biedt voor het definiëren van dakloosheid;verzoekt de regering de uitsluitingsgronden die het recht op urgentie voordakloze gezinnen beperken te schrappen en een nieuw voorstel voor tebereiden dat urgentie mogelijk maakt voor mensen die volgens deETHOS-definitie dakloos zijn of dreigen te worden,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.Zij krijgt nr. 22 (36 881).Mevrouw Beckerman (SP):Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,constaterende dat er een groot tekort is aan betaalbare huurwoningen enwachttijden voor sociale huur in veel gemeenten jarenlang zijn;overwegende dat in een periode van woningnood het aantal en aandeelsociale huurwoningen niet verder mag afnemen;verzoekt de regering te waarborgen dat het aantal en het aandeel socialehuurwoningen niet afneemt en maatregelen te treffen om te voorkomendat verkoop of sloop zonder voldoende vervangende nieuwbouw leidt toteen verdere afname van de sociale woningvoorraad,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.Zij krijgt nr. 23 (36 881).Mevrouw Beckerman (SP):De laatste.Motie De Kamer,gehoord de beraadslaging,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2975 constaterende dat sommige gemeenten meer sociale huur willen bouwendan het landelijke minimum en dat dit juist kan bijdragen aan hetoplossen van de wooncrisis;overwegende dat gemeenten die meer sociale huur willen bouwen daarinniet belemmerd of ontmoedigd moeten worden;verzoekt de regering te waarborgen dat gemeenten die meer socialehuurwoningen realiseren dan het landelijke minimum niet wordengesanctioneerd of financieel worden benadeeld,en gaat over tot de orde van de dag.De voorzitter:Deze motie is voorgesteld door het lid Beckerman.Zij krijgt nr. 24 (36 881).Mevrouw Beckerman (SP):Dat was het, voorzitter.De voorzitter:Dat deed u in sneltreinvaart, mevrouw Beckerman. Het begin van eenmotie luidt iedere keer «de Kamer gehoord de beraadslaging», maar datkennen we inmiddels wel. Dank dus voor uw sneltreinvaart en de viermoties. Ik geef het voorzitterschap bij dezen weer terug.Voorzitter: BeckermanDe voorzitter:Dank u wel. Ik kijk naar de Minister om te zien of er behoefte is aan eenschorsing of dat we meteen doorkunnen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Nee, ik heb behoefte aan een schorsing van ongeveer een kwartier.De voorzitter:Dat snap ik. Een kwartier dus. Ik schors de vergadering tot 19.30 uur.De vergadering wordt van 19.14 uur tot 19.30 uur geschorst.De voorzitter:Ik heropen de vergadering van de vaste commissie voor Volkshuisvestingen Ruimtelijke Ordening. Aan de orde is de tweede termijn van de zijdevan het kabinet. Ik wil alvast mijn complimenten uitdelen aan de Minister,maar vooral aan alle ambtenaren die ik rond zag rennen om al onzemoties zo snel te kunnen beoordelen. Het woord is aan de Minister.Minister Boekholt-O’Sullivan:Dank u wel. Natuurlijk ben ik het helemaal met u eens.Voordat ik op de moties kom: ik heb nog twee openstaande vragenwaarop ik zou terugkomen in tweede termijn, namelijk een vraag van deChristenUnie en een vraag van JA21. De vraag van JA21 gaat over deWBI. Wij helpen gemeenten met de WBI en de Realisatiestimulans. Dehoogte van de WBI is afhankelijk van het tekort op een project. Daarmeewordt indirect rekening gehouden met verschillen in opbrengsten. Degrondprijzen verschillen ook per regio.Dan de vraag van de heer Grinwis van de ChristenUnie over hoe de10 miljard bij elkaar te brengen is met onderlinge solidariteit. Ik snap en ikdeel de zorg van de heer Grinwis. Dit is een uitdagende opgave. Ik kom inde brief hier uitgebreider op terug, maar alvast twee dingen. Eén. Met deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2976 verlaging van de vpb en de ruimte die vanuit Brussel ontstaat, verkleinenwe het tekort en kopen we vooral tijd. Ik vind het belangrijk dat onderlingesolidariteit wordt benut en ga bezien wat er mogelijk is en wat er dan nogoverblijft. Zoals woensdag al is toegezegd, ga ik onafhankelijk deskundigadvies vragen over een duurzame financiële positie op de lange termijn.Dan de moties. De motie op stuk nr. 9, van de heer Nobel van de VVD,over het stimuleren van gemeenten: oordeel Kamer.De motie op stuk nr. 10, ook van de VVD, over de voorrang op de 25%betaalbare koop: oordeel Kamer.De motie op stuk nr. 11, van de SGP, over het leeftijdscriterium ten aanzienvan starters uitbreiden naar personen tussen 18 en 35 jaar, in plaats vantussen 18 en 30 jaar: oordeel Kamer.De motie op stuk nr. 12, van de SGP, over knooppunten bij vergunningver-lening inventariseren. Als ik uw motie zo mag lezen dat ik uw Kamer ophoofdlijnen informeer over de knelpunten en de oplossingen daarvoor,dan geef ik deze motie oordeel Kamer.De motie op stuk nr. 13, van de PVV, over de instandhoudingstermijnkoop: die ontraad ik, want die leidt tot uitvoeringsproblemen in verbandmet de aftrekbaarheid van de hypotheekrente.De motie op stuk nr. 14, van de PVV, over de starters: oordeel Kamer. Datis een omissie. We gaan dit toevoegen.Dan de motie op stuk nr. 15. Als ik die zo mag lezen dat het gaat over hetgemeentelijk niveau, dan is het oordeel Kamer. Als de motie ook gaat overwijk- en buurtniveau, dan is het oordeel: ontraden.De motie op stuk nr. 16, ook van de PVV, over samenwerking met Vlaamsegemeenten. Als ik die zo mag lezen dat ik met die gemeenten in gesprekga, dan is het oordeel Kamer.Dan de motie op stuk nr. 17, van JA21, over het doorzetten van hetafschaffen van de voorrang voor statushouders. Die is ontijdig. Ik heb ueen brief toegezegd vóór 24 maart, waar ik zojuist 23 maart van hebgemaakt.De motie op stuk nr. 18, van JA21, over meer ruimte middensegmentwoningbouw, ontraad ik. We moeten betaalbare woningen bouwen voorzowel lage als middeninkomens. Er is behoefte aan 30% sociale huur. Ditblijkt uit onderzoek van ABF. Meer ruimte voor het middensegment kanniet ten koste gaan van de bouw voor lage inkomens. Daarom ontraad ikdeze motie.De motie op stuk nr. 19, over geen rijksbijdrage bij extra lokale betaalbaar-heidseisen, moet ik ontraden, want die is te absoluut.De motie op stuk nr. 20, van GroenLinks-PvdA, over tijdige verdelingregionale afspraken betaalbaar bouwen: oordeel Kamer.De motie op stuk nr. 21, van mevrouw Beckerman van de SP, over hetNationaal Actieplan Dakloosheid, is ontijdig. Ik ga in gesprek met mijncollega-Minister Mirjam Sterk en zij informeert uw Kamer voor de zomerover de concrete maatregelen.De motie op stuk nr. 22, van de SP, over dakloze gezinnen: ontraden. Degroep wordt hierdoor te groot. In de verdeling van schaarste moeten erkeuzes worden gemaakt. Er is voor gekozen om de groep zo goedmogelijk te objectiveren, zodat het ook uitvoerbaar is.De motie op stuk nr. 23, over het tekort aan betaalbare huurwoningen,ontraad ik. Ik richt mij niet op het aandeel, maar op absolute toename.De motie op stuk nr. 24, over sommige gemeenten meer sociale huur,ontraad ik. Ik vind het belangrijk dat woningbouwprojecten niet stilvallen.Daarom ontmoedig ik bovenmatige betaalbaarheidseisen via financiëleregelingen.Voorzitter: GrinwisDe voorzitter:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2977 Ik geef als waarnemend voorzitter graag het lid Beckerman degelegenheid om even te interrumperen naar aanleiding van de oordelenover haar moties.Mevrouw Beckerman (SP):Ik heb een vraag over de motie op stuk nr. 21. Daarvan zei de Minister datdie ontijdig was. Ik wil de Minister erop wijzen dat het inmiddels 2026 is.In het Nationaal Actieplan Dakloosheid is afgesproken dat in 2030niemand meer dakloos hoeft te zijn. Dat is dus al heel snel, maar we zienjuist dat het aantal dakloze mensen niet afneemt, maar aan het toenemenis. Ik vind het toch wat makkelijk om te zeggen: ontijdig. Zij kan nunamelijk ook zeggen: ik ga met mijn collega overleggen en ik zorg dat ervoor de stemming een oordeel is. Ontijdig vind ik eigenlijk niet passen bijhet tempo dat er gemaakt zou moeten worden.Minister Boekholt-O’Sullivan:Ik wil graag eerst met mijn collega-Minister hierover afstemmen, dus ikhou het nog even op ontijdig.Mevrouw Beckerman (SP):Maar het is gebruikelijk dat Ministers onderling afstemmen. Ik zougewoon willen vragen of de Minister voor de stemmingen van volgendeweek dinsdag een brief daarover zou willen sturen met een echt oordeel,want ik vind ontijdig best ingewikkeld om mee te leven. We hebbeninmiddels gezien dat de Minister heel snel kan zijn met brieven schrijven.Ik zou deze Minister ook willen oproepen, net als we bij de vorige Ministerhebben gedaan: als je zegt «wonen eerst», dan moet de Minister vanWonen ook eerst aan de slag, want anders halen we het gewoon niet. Dusnogmaals, de oproep aan de Minister is: kom in overleg met een goedoordeel via een brief.De voorzitter:Een oproep aan de Minister. Als de Minister vindt dat haar collega Sterkprimair verantwoordelijk is om hier een oordeel over te sturen, dan kan devraag ook zo worden opgevat, als het oordeel er maar is voor destemmingen van volgende week dinsdag. Dat is de vraag van mevrouwBeckerman.Minister Boekholt-O’Sullivan:U dacht waarschijnlijk: zo kijkt een hert in de koplampen. Dan moet ik ’mvolgens mij ontraden, omdat mijn collega-Minister hier voor de zomer opgaat terugkomen.De voorzitter:Oké. Wie ben ik om hierover als waarnemend voorzitter de strijd met deMinister aan te gaan? Het kan zo, maar het hoeft niet. Het kan ook zijn datde Minister zegt: ik leg het even neer bij Minister Sterk, de Minister vanLangdurige Zorg et cetera, zodat zij kan afwegen of zij voor destemmingen met een oordeel kan komen.Minister Boekholt-O’Sullivan:Voorzitter, dank. Ik ga voor die optie.De voorzitter:Dank aan de Minister. Dan is bij dezen dus afgeconcludeerd dat deMinister van VRO aan haar collega vraagt of zij bereid is voor destemmingen van volgende week dinsdag een brief met een oordeel overdeze motie te sturen. Vooralsnog staat er bij deze motie wel «ontijdig» endoen we het daarmee. Ja? Dan heeft elke motie een oordeel. MevrouwBeckerman, heeft u nog over een andere motie een vraag?Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2978 Mevrouw Beckerman (SP):Nee, ik wou het voorzitterschap terug.De voorzitter:Oké, dan geef ik het hierbij terug, maar dan heb ik zelf nog een kleinevraag aan u.Voorzitter: BeckermanDe voorzitter:Helemaal goed, meneer Grinwis.De heer Grinwis (ChristenUnie):Wij wisselen hier vloeiend van rol, voorzitter. Ik heb namelijk nog wel eenvraag over de motie op stuk nr. 23, van collega Beckerman. De Ministerzegt: wij doen niet aan aandeelsturing; ik stuur op aantallen. CollegaBeckerman vraagt echter ook om te waarborgen dat het aantal socialehuurwoningen per saldo niet afneemt. Wat vindt de Minister dan van datdeel van de oproep in de motie? Zit het echt vast op het woordje«aandeel»? Mevrouw Beckerman heeft het over beide. De Minister zaltoch ook niet willen uitdrukken dat ze deze motie ontraadt omdat hetaantal sociale huurwoningen prima kan afnemen?Minister Boekholt-O’Sullivan:Volgens mij gaat deze hele wet erom dat we doelen vaststellen en dat wedie willen halen, maar dat gaat wel om een absolute toename van deaantallen. Dat staat nu niet zo in deze motie. Als dat anders in deze motiehad gestaan, was het antwoord anders geweest, maar dat staat er nu niet.De voorzitter:Dan geef ik het voorzitterschap weer aan de heer Grinwis.Voorzitter: GrinwisMevrouw Beckerman (SP):Als we simpelweg het stukje «en het aandeel» schrappen, komt de motiete luiden: «verzoekt de regering te waarborgen dat het aantal socialehuurwoningen niet afneemt». Verandert dat het oordeel?Minister Boekholt-O’Sullivan:Dan kan ik de motie oordeel Kamer geven.De voorzitter:Kijk aan, dat is dan mooi opgelost. Ik geef het voorzitterschap met plezierweer terug aan mevrouw Beckerman.Voorzitter: BeckermanDe voorzitter:Dank u wel. De Minister was aan het einde gekomen van de beoordelingvan de moties. Daarmee zijn we bijna gekomen bij het einde van devergadering. Maar ik sluit niet voordat ik nog even de toezeggingen met uheb doorgenomen en ... Ah, de amendementen moeten nog beoordeeldworden! Excuses. Omdat dit een novelle is, vragen we de Minister ookdirect een oordeel te geven over de ingediende amendementen. Er is nogmaar één amendement dat u van een oordeel hoeft te voorzien, Minister.Er wordt heel hard «oordeel Kamer» gefluisterd, maar ik denk niet dat datgaat lukken.Minister Boekholt-O’Sullivan:Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2979 Voorzitter, mijn oor aan de linkerkant begint in kwaliteit af te nemen. Erligt een amendement van de ChristenUnie, GroenLinks en de PvdA opstuk nr. 45. Dat amendement ontraad ik, want een vast betaalbaarheids-percentage per gemeente op sociaal en betaalbaar geeft onvoldoenderuimte om rekening te houden met verschillen tussen gemeenten,verschillen in behoeften en de bestaande voorraad. De aanvulling met«ten minste» is niet wenselijk, omdat te veel betaalbare woningenprogrammeren ervoor zorgt dat projecten stagneren of uitmonden ineindeloze discussies. Ik wil juist vaart maken met de woningbouwopgave.Door de betaalbaarheid op besluitniveau te blijven regelen in plaats van inde wet, zoals nu wordt voorgesteld, kan dit sneller aangepast worden alsdat noodzakelijk is vanwege een gewijzigde opgave. De betrokkenheid vanuw Kamer is via de verplichte voorhang op grond van de Omgevingswetgeborgd, evenals bij iedere wijziging van dit besluit.De voorzitter:Dank u wel. Dan ga ik de toezeggingen met u doornemen.–Dit voorjaar ontvangt de Kamer een brief over de invulling van demaatregelen die zijn aangekondigd in het coalitieakkoord metbetrekking tot de financiële situatie van woningcorporaties en hetkunnen uitvoeren van de Nationale Prestatieafspraken. In deze briefneemt de Minister tevens de onderbouwing/berekening van de stellingop dat het financiële tekort voor de uitvoering van de NationalePrestatieafspraken met de maatregelen die het kabinet aankondigt, kanworden opgelost.Die toezegging lijkt wel heel sterk op die toezegging van vorige week,maar er zit nu een stukje bij vanaf «In deze brief neemt de Ministertevens ...». Dit is een toezegging aan het lid Grinwis.–In het eerste kwartaal van 2027 stuurt de Minister de Kamer een briefover de inzet van de mogelijkheid die de Minister heeft om eeninstructiebesluit te nemen.–Voor het meireces ontvangt de Kamer een beleidsbrief over deuitvoering van de gewijzigde motie-Peter de Groot/Welzijn (36 512,nr. 102) over 25% betaalbare koop bij nieuwbouw.–De Minister zal voor de uitwerking van de regeling met betrekking tothet aangenomen amendement (36 512, nr. 9) over de urgentie voordakloze gezinnen met kinderen in overleg treden met belangenbeharti-gers voor daklozen, zoals Valente en Dakloosheid Voorbij.Dit is een toezegging aan het lid Grinwis. Hier staat nog geen datum bij,anders dan «voor de uitwerking».Minister Boekholt-O’Sullivan:Dat is dan kort na 30 maart.De voorzitter:«Kort na 30 maart» is mooi. Oké.–Uiterlijk 23 maart ontvangt de Kamer de reeds gevraagde brief over deWet nieuwe regels inzake huisvesting vergunninghouders.–Voor de zomer volgt een brief over hoe de Minister gaat zorgen voorvoldoende alternatieve huisvesting.Dat is een toezegging aan het lid Nobel.–In september 2026 ontvangt de Kamer een brief over de ervaring metparallel plannen en de handreiking snelheid in proces aan de versnel-lingstafels.Dat waren zo te zien de toezeggingen. Daarmee zijn we echt aan het eindegekomen van deze vergadering. Ik dank u allen voor uw soms hoogoplo-pende bijdrages. Wel thuis!Sluiting 19.44 uur.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 881, nr. 2980
Gerelateerde bronnen
- Wetsvoorstel novelle Wet versterking regie volkshuisvesting (TK 36881)
Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 16 maart 2026, over wetsvoorstel novelle Wet versterking regie volkshuisvesting (TK 36881)
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.