Verslag van een schriftelijk overleg over de toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Zwangerschap en Geboorte van 10 oktober 2023, over de mogelijkheden van pijnbehandeling voor zwangeren en aanbieding RIVM advies uitvoering monitoringsfunctie eerste 1000 dagen (Kamerstuk 32279-250)
Brontekst
Versie c2f10250ce554b03 · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2023–202432 279Zorg rond zwangerschap en geboorteNr. 253 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 15 april 2024 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brief van 13 december 2023 over detoezegging gedaan tijdens het commissiedebat Zwangerschap enGeboorte van 10 oktober 2023, over de mogelijkheden van pijnbehan-deling voor zwangeren en aanbieding RIVM advies uitvoering monito-ringsfunctie eerste 1.000 dagen (Kamerstuk 32 279, nr. 250).De vragen en opmerkingen zijn op 2 februari 2024 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 15 april 2024zijn de vragen beantwoord.De fungerend voorzitter van de commissie,AgemaAdjunct-griffier van de commissie,Heller kst-32279-253ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2531 InhoudsopgaveI.Vragen en opmerkingen vanuit de fracties2Vragen en opmerkingen van de leden van deGroenLinks-PvdA-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie2Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie3Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie4Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie5II.Reactie van de Minister5 I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de voorliggende brief. Zij onderschrijven het belang vangoede gesprekken over (niet-)medicamenteuze vormen van pijnbehan-deling en moedigen veldpartijen aan om zich hiervoor te blijveninspannen. De ambitie om meer inzicht te krijgen in de eerste 1.000 dagenvan zwangeren en kinderen vinden genoemde leden een hele mooie. Zijgeloven namelijk dat alle kinderen een gezonde start verdienen. Wanneerverwacht de Minister dat de monitorsfunctie in de lucht is?Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister en waarderen de inzet van de Minister om samen met debetrokken beroeps- en patiëntenorganisaties te werken aan beterekwaliteit van zorg als het gaat om pijnbestrijding tijdens de bevalling.Genoemde leden onderschrijven de noodzaak van toereikende informatieaan de zwangere om samen met de behandelaar tot weloverwogenbeslissingen te komen en deze tijdens de zwangerschap beschikbaar tehebben ter voorbereiding op de bevalling. Zij vragen de Minister ofbekend is in hoeverre hierbij voldoende tegemoet wordt gekomen aan hetwettelijk vastgelegde «samen beslissen». Daarnaast vragen zij de Ministerhoe vaak het voorkomt dat tijdens een bevalling afgeweken wordt van deeerder besproken plannen, mede doordat de bevalling hetzij anders wordtervaren hetzij medisch anders verloopt dan verwacht.Ook zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd hoe vaak het voorkomt datde afgesproken pijnbestrijding toch niet kan worden toegepast omdat debenodigde capaciteit, bijvoorbeeld van anaesthesiologen, op hetbetreffende moment niet beschikbaar is. En wat kan de Minister in haarvisie op het «verloskundig zorglandschap» doen om dergelijkemismatches tussen behoefte, afspraak en beschikbaarheid te minimali-seren?Met betrekking tot de monitoringsfunctie van de eerste 1.000 dagen lezende leden van de VVD-fractie dat de monitoringsfunctie data en informatiezowel op landelijk als ook regionaal/lokaal niveau ontsluit. Hoe wordt hettoezicht, zowel intern als extern, op deze ontsluiting georganiseerd? Datazal niet op individueel of spreekkamerniveau ontsloten worden, zo wordtgemeld. Hoe wordt geborgd dat bepaalde databestanden niet tochTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2532 gekoppeld worden waardoor er wel data op individueel niveau geabstra-heerd kan worden?Wanneer zal de werkagenda gereed zijn om te bepalen welke onder-werpen of onderzoeksvragen binnen de monitoringsfunctie wordenopgepakt?Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie waarderen het zeer dat de Minister in gesprekis gegaan om te bezien of er meer nodig is om informatie over demogelijkheden van pijnbehandeling onder de aandacht te brengen vanzwangeren. Zij zijn blij om te lezen dat partijen met concrete aanbeve-lingen zijn gekomen en soms ook al zijn gestart met het verbeteren vaninformatieverschaffing aan zwangeren.Genoemde leden hebben ook kennisgenomen van het RIVM-advies«Uitvoering monitoringsfunctie eerste 1.000 dagen» en hebben daar eenaantal vragen over.De leden van de NSC-fractie lezen dat de monitors die bij het RIVM opgebied van geboortezorg lopen, zich inhoudelijk gezien onderscheidenvan de nieuw op te zetten monitoringsfunctie, omdat zij gebruik makenvan een beperkte set van indicatoren en vaak gekoppeld zijn aan eenspecifiek programma zoals Kansrijke Start. Deze leden vragen de Ministerwaarom er niet voor gekozen is om bijvoorbeeld de indicatoren vanKansrijke Start als uitgangspunt te nemen voor de monitoring. Is er nuniet veel overlap in beide monitors? Het lijkt genoemde leden nietwenselijk om de monitor Kansrijke start te onderscheiden van de eerste1.000 dagen, aangezien Kansrijke Start juist gaat over de eerste 1.000dagen. Hoe denkt de Minister daarover? De leden van de NSC-fractievragen de Minister verder in hoeverre er binnen het RIVM-onderzoek isgekeken en gebruik gemaakt van dergelijke monitors in het buitenland.Wat zijn de ervaringen en welke knelpunten worden ervaren bij hetgebruik van de monitors? Wat kunnen we ervan leren? En hoe ziet hetgroeimodel van de monitor eruit? Op welke momenten c.q. hoe vaakwordt bijvoorbeeld in de learning community nagegaan of de monitornog naar wens is?In de visie wordt aangegeven «Een up-to-date beeld en duiding geven vande gezondheid van (aanstaande) zwangere en kind». In de missie staatgezin wel genoemd (en verderop in de visie ook). De gezondheid van derest van het gezin (onder andere de andere ouder) is ook essentieel voorhet gezond opgroeien van het kind. De leden van de NSC-fractie zijnbenieuwd waarom ook niet wordt gekeken naar de gezondheid van deandere ouder. Zijn deze data beschikbaar of relatief gemakkelijk teverkrijgen? In aanvulling hierop: informatie over de fysieke omgeving isbelangrijk. In de figuur op pagina 18 zien genoemde leden dat dataontbreken over de fysieke omgeving. Kan de Minister hier een toelichtingop geven en tevens aangeven wat de wens en vervolgstappen zijn om weldata over de fysieke omgeving te verkrijgen?Welke concrete aanbevelingen geeft het RIVM om de dataverzameling teverbeteren? Heeft het feit dat data niet goed worden geregistreerdvolgens de Minister te maken met de beperkte tijd voor het registrerenvan verloskundigen? Heeft de Minister nagedacht over hoe bijvoorbeeldverloskundigen gefaciliteerd kunnen worden om data beter aan televeren? Doordat de monitoringsfunctie alleen gebruik maakt van wat ernu al in DIAPER gekoppeld kan worden, blijft het bij een meer beperktefocus op de periode rondom zwangerschap en geboorte. Hoe actief isTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2533 men bezig om aanvullende data te verzamelen zodat een bredere kijk opde eerste 1.000 dagen mogelijk is? En wordt hierbij rekening gehoudenmet de registratielast van degenen (vaak zorgverleners) die gevraagdworden te registreren?Tot slot vragen de leden van de NSC-fractie de Minister op welke manierwordt gezorgd voor de vertaling van de monitoringsresultaten naar depraktijk. Dus: hoe wordt ervoor gezorgd dat beleid ook daadwerkelijkwijzigt naar aanleiding van de resultaten uit de monitor? En, er zijn noggeen geschikte structurele data beschikbaar voor de hele periode van1.000 dagen. Vooralsnog wordt gebruik gemaakt van andere bronnen omtoch al iets te kunnen zeggen over de volle breedte van de eerste 1.000dagen. In hoeverre is het mogelijk en legitiem om iets te zeggen (enwellicht beleid aan te passen) op basis van een onvolledige dataset?Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister, op basis van een toezegging aan het lid Paulusma (D66). Zijhebben daarbij nog enkele vragen, aangezien zij nog niet gerustgesteldzijn over het ten alle tijde beschikbaar stellen van pijnmedicatie tijdenseen bevalling. Zeker gezien de onderzoeken waarin vrouwen aangevendat hun pijn tijdens de bevalling niet serieus werd genomen of destatistieken van vrouwen die niet of te laat een gewenste ruggenprikkregen.De leden van de D66-fractie lezen dat de KNOV en de NVOG van meningzijn dat er genoeg informatievoorziening is. Uit gesprek met de Patiënten-federatie Nederland (PFN) is echter gebleken dat er inderdaad al veelinformatie beschikbaar is, maar dat specifiek de mogelijkheden voorpijnbehandeling in de eerste lijn en/of andere vormen van (niet-medische)pijnbehandeling momenteel beperkt in beeld zijn. Kan de Minister hieropreflecteren? Welke acties zijn er nog meer mogelijk om de beschikbareinformatie ook daadwerkelijk bekend te maken bij zwangeren?Tevens lezen de leden van de D66-fractie dat de KNOV en de NVOGaangeven dat er duidelijke afspraken zijn gemaakt inzake pijnbehandelingen dat deze afspraken zijn vastgelegd in de multidisciplinaire richtlijn«pijnbehandeling tijdens de bevalling». In dezelfde richtlijn staat echterook de aanbeveling «Zorg dat epidurale analgesie 24/7 beschikbaar isvoor alle indicaties». Kan de Minister hierop reflecteren, gezien designalen dat dit niet altijd het geval is? Is de Minister het met de leden vande D66-fractie eens dat gewenste pijnbestrijding ten alle tijdenbeschikbaar dient te zijn tijdens de bevalling?De leden van de D66-fractie vernemen uit de brief van de Minister dat deKNOV momenteel bezig is met een handreiking over niet-medicinalepijnbehandeling methodes tijdens de bevalling. Ondanks dat genoemdeleden blij zijn met deze extra inzet, willen zij het belang benadrukken vande keuzevrijheid van zwangeren tussen medicinale pijnbehandeling enniet-medicinale pijnbehandeling. Wordt er in de richtlijn ook aandachtgeschonken aan de mogelijkheid om te kiezen voor medicinale pijnbehan-deling? Zijn er nog beleidsmaatregelen, anders dan gesprekken tussenveldpartijen, beschikbaar om medicamenteuze pijnbestrijding tewaarborgen, zo vragen de leden van de D66-fractie aan de Minister.Tot slot begrijpen de leden van de D66-fractie uit de brief dat ook de PFNhet taboe op pijnhandeling tijdens de bevalling onderschrijft. Hoe gaat deMinister gevolg geven aan het doorbreken van dit taboe?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2534 Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister. Zij hebben hierover nog een aantal vragen.De leden van de BBB-fractie hebben enkele vragen over de punten diegenoemd worden in de brief. Allereerst, wat wordt er precies bedoeld metde punten die te maken hebben met het vergroten van de aandacht voorpijnbehandeling tijdens de consulten? Hoe zullen deze punten wordenaangepakt om ervoor te zorgen dat zwangere vrouwen voldoendeinformatie ontvangen, naast de gesprekken tussen verschillende partijenin de sector?Volgens de NVA kunnen verloskundigen, gynaecologen en anesthesio-logen nog beter samenwerken om zwangeren tijdig van informatie tevoorzien over pijnbehandeling tijdens de bevalling en hen te begeleidenbij hun keuze en verwachtingen. Eén van de concrete aandachtpunten diezij hiervoor benoemen is het vergroten van de aandacht voor pijnbehan-deling in de consulten.Daarnaast zijn genoemde leden benieuwd naar de inhoud en het procesvan het opstellen van de richtlijn met afspraken over pijnbehandeling. Kande Minister hier de leiding in nemen en hoe wordt ervoor gezorgd dat debelangen van zowel de moeder als het kind centraal staan?Verder lijkt de invoering van een monitoringsfunctie voor de eerste 1.000dagen van het leven een belangrijk onderdeel te zijn. Wat zijn deverwachte voordelen van deze monitoringsfunctie om inzicht te krijgen inde ontwikkelingen in de geboortezorg en de gezondheid van moeder enkind op landelijk niveau? Welke partijen nemen deel aan deze «learningcommunity» om samen te werken aan het verkrijgen van gedeeldeinzichten?Graag horen de leden van de BBB-fractie meer over het proces van hetopstellen van de werkagenda voor de monitoringsfunctie en wie hierbijbetrokken zijn. Daarnaast zijn zij geïnteresseerd in het evaluatieproces enhoe de effectiviteit ervan wordt beoordeeld om ervoor te zorgen dat hetgoed werkt.Tot slot, op basis van welke criteria en bevindingen worden de besluit-vorming en verdere ontwikkelingen vormgegeven? Het is belangrijk omervoor te zorgen dat deze beslissingen gebaseerd zijn op gedegenonderzoek en in het belang van de gezondheid en het welzijn van moederen kind.II. Reactie van de Minister Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met interesse kennisge-nomen van de voorliggende brief. Zij onderschrijven het belang vangoede gesprekken over (niet-)medicamenteuze vormen van pijnbehan-deling en moedigen veldpartijen aan om zich hiervoor te blijveninspannen. De ambitie om meer inzicht te krijgen in de eerste 1.000 dagenvan zwangeren en kinderen vinden genoemde leden een hele mooie. Zijgeloven namelijk dat alle kinderen een gezonde start verdienen. Wanneerverwacht de Minister dat de monitorsfunctie in de lucht is?Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2535 Op dit moment is er al een monitor Kansrijke Start1, die specifiek deinvoering van het actieprogramma zelf volgt. De monitoringsfunctieeerste 1.000 dagen betreft het bredere beeld van de eerste 1.000 dagen,door gegevens uit bestaande databronnen met elkaar in verband tebrengen, ontwikkelingen en trends te signaleren en deze in samenhang teduiden. Met deze monitoringsfunctie kunnen ontwikkelingen en uitda-gingen voor gezondheidsbeleid en zorg rondom de eerste 1.000 dagen,tijdig gesignaleerd en geduid worden. Zoals aangegeven in de Kamerbriefvan mijn voorganger2 wil ik de monitor stapsgewijs laten ontwikkelen methet veld. Dit houdt in dat ik voornemens ben het RIVM de opdracht tegeven om de werkagenda voor 2025 vorm te geven. Op basis daarvan wilik besluiten over het vervolg. Dat kan bijvoorbeeld een vervolgopdrachtzijn met de vraag een onderwerp of onderzoeksvraag uit te werken. Dit isdan de daadwerkelijke monitoringsfunctie. De agenda kan naarverwachting in het najaar van 2024 gereed zijn, dus daarna zal het vervolgin gang gezet worden.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister en waarderen de inzet van de Minister om samen met debetrokken beroeps- en patiëntenorganisaties te werken aan beterekwaliteit van zorg als het gaat om pijnbestrijding tijdens de bevalling.Genoemde leden onderschrijven de noodzaak van toereikende informatieaan de zwangere om samen met de behandelaar tot weloverwogenbeslissingen te komen en deze tijdens de zwangerschap beschikbaar tehebben ter voorbereiding op de bevalling. Zij vragen de Minister ofbekend is in hoeverre hierbij voldoende tegemoet wordt gekomen aan hetwettelijk vastgelegde «samen beslissen».Daarnaast vragen zij de Minister hoe vaak het voorkomt dat tijdens eenbevalling afgeweken wordt van de eerder besproken plannen, mededoordat de bevalling hetzij anders wordt ervaren hetzij medisch andersverloopt dan verwacht.Een bevalling verloopt vaak onvoorspelbaar. In de praktijk komt hetregelmatig voor dat er, in overleg met de zwangere, afgeweken wordt hetoorspronkelijke plan omdat de bevalling anders verloopt dan verwacht.Op dit moment wordt dit niet geregistreerd en zijn er dus geen cijfers overbekend.Ik vind het belangrijk dat iedereen in Nederland passende zorg ontvangtals dat nodig is. Dat is zorg die werkt, zo dicht mogelijk bij de patiëntgeorganiseerd is en waarbij de patiënt en zorgverleners samen beslissen.Het uitgangspunt in de integrale geboortezorg is dat de cliënt centraalstaat en dat de (aanstaande) moeder gelijkwaardig partner in de zorgver-lening is. Samen beslissen is hier een nadrukkelijk onderdeel van.Beroeps- en patiëntorganisaties werken daar al jaren aan, het CollegePerinatale Zorg (CPZ) faciliteert dit. Om het mogelijk te maken dat decliënt regie kan voeren over haar zorg en beslist op gelijkwaardige basissamen met de zorgprofessional, zijn er daarom diverse hulpmiddelenontwikkeld om dit mogelijk te maken. Eind vorig jaar heeft er eenonderzoek3 plaatsgevonden om in beeld te brengen in hoeverre samenbeslissen wordt toegepast in de praktijk. Daarnaast wordt er in degeboortezorg gewerkt met Patient Reported Experience Measures (PREM)1Landelijke Monitor Kansrijke Start | RIVM2Kamerstukken II 2022/2023, 32 279, nr. 2503Kantar Public | Samen Beslissen in de Geboortezorg (patientenfederatie.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2536 waarin de ervaring van de vrouw wordt uitgevraagd. Hiervan maaktsamen beslissen ook onderdeel uit. Uit de PREM volgt dat 16.200respondenten een 9,1 geven aan samen beslissen. Naar aanleiding vanhet eerdergenoemde onderzoek werken de geboortezorgpartijen aan eennieuwe werkagenda om samen beslissen in de geboortezorg verder teverbeteren. Dit onderzoek biedt hier handvatten voor.Ook zijn de leden van de VVD-fractie benieuwd hoe vaak het voorkomt datde afgesproken pijnbestrijding toch niet kan worden toegepast omdat debenodigde capaciteit, bijvoorbeeld van anaesthesiologen, op hetbetreffende moment niet beschikbaar is. En wat kan de Minister in haarvisie op het «verloskundig zorglandschap» doen om dergelijkemismatches tussen behoefte, afspraak en beschikbaarheid te minimali-seren?Ik beschik zelf niet over deze data. Bij uitvraag aan de PFN en de Neder-landse Vereniging voor Anesthesiologie (NVA) hebben zij aangegevengeen goed beeld te hebben van de vraag hoe vaak het voorkomt dat decapaciteit niet toereikend is. Het is daarmee voor mij dus niet te zeggenhoe vaak het voorkomt dat de afgesproken pijnbestrijding niet kan wordentoegepast. In de zomer van 2023 is er door de PFN een meldpunt4opengezet waarbij ervaringen over de tekorten aan zorgverleners in degeboortezorg gedeeld konden worden. In dit meldpunt werd er door 6%van de deelnemers aangegeven dat er tekorten gemerkt zijn bij anesthe-sioloog.Dit was echter geen representatieve vragenlijst, maar een meldactiewaarbij vrouwen die zich bij patiëntenorganisaties melden met vragenen/of klachten over het tekort aan zorgverleners hun ervaringen kondendelen. Naar aanleiding van deze meldactie zullen de gevolgen van hettekort aan zorgverleners voor cliënten in de geboortezorg inzichtelijkgemaakt worden door middel van een kwantitatief onderzoek. Het is deplanning om deze vragenlijst in het voorjaar van 2024 uit te zetten. Deresultaten van dit onderzoek zullen meegenomen worden in het landelijkcapaciteitsoverleg.Om mismatches te voorkomen is het met name van belang dat metzwangeren hun wensen ten aanzien van de bevalling met hun verlos-kundig zorgverlener worden besproken en vastgelegd. Dit zorgt ervoor dateen zwangere goed geïnformeerd haar bevalling tegemoet gaat en dat deverloskundig zorgverlener ook de (on)mogelijkheden van haar wensenkan bespreken. In dit gesprek kan dan ook besproken worden dat erafhankelijkheden zijn met betrekking tot bijvoorbeeld de wens voorpijnbestrijding en de beschikbaarheid van de anesthesioloog. Het is aanhet ziekenhuis om de (capaciteits)planning, gegeven het beschikbare ennoodzakelijk aanwezige personeel, optimaal in te richten. Hierbij is hetziekenhuis ervoor verantwoordelijk dat de kwaliteit en veiligheid geborgdzijn. Incidenteel komt het echter voor dat een zwangere langer moetwachten totdat zij pijnbestrijding kan ontvangen. Naar aanleiding van demeldactie heeft de PFN aangegeven niet het idee te hebben dat dit eengevolg is van de toegenomen capaciteitsproblemen, maar dat ditvoornamelijk komt door het belang dat aan pijnbehandeling toege-schreven wordt. In gevallen dat er een anesthesioloog dienst heeft in hetziekenhuis, is deze vaak aanwezig voor meerdere (spoed)situatieswaarvan de bevalling er een is. Als er op dat moment meerdere (acute)zorgvragen zijn, kan het voorkomen dat er onvoldoende piekcapaciteit is.Uiteindelijk is het een arts die hierover beslist. Om beter te kunnen sturenop acute situaties ziet de PFN meerwaarde in het hebben van een real4Cliëntenpanel Geboortezorg (dezorgvraag.nl)Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2537 time inzicht met betrekking tot de verwachte (acute) zorgvragen, delopende zorgvragen (in dit geval de gewenste pijnbehandelingen enbevallingen) en het aanbod.Zoals is toegelicht in de eerdere Kamerbrief5, ziet ook de NVA eenmogelijkheid om de organisatie van zorg, waaronder de beschikbaarheidvan anesthesiologen, nog beter aan te laten sluiten op de pijnbehandel-verzoeken van zwangere vrouwen. Dit betreft een leidraad met ketenaf-spraken over pijnbehandelverzoeken. Ik vind het belangrijk dat iedereen inNederland toegang heeft tot passende zorg. Hiervoor is het noodzakelijkdat partijen met elkaar in gesprek blijven om zo de (organisatie van) zorgverder te blijven verbeteren. Ik juich het bovengenoemde initiatief daaromvan harte toe en laat mij op de hoogte houden van de voortgang hiervan.Met betrekking tot de monitoringsfunctie van de eerste 1.000 dagen lezende leden van de VVD-fractie dat de monitoringsfunctie data en informatiezowel op landelijk als ook regionaal/lokaal niveau ontsluit. Hoe wordt hettoezicht, zowel intern als extern, op deze ontsluiting georganiseerd? Datazal niet op individueel of spreekkamerniveau ontsloten worden, zo wordtgemeld. Hoe wordt geborgd dat bepaalde databestanden niet tochgekoppeld worden waardoor er wel data op individueel niveau geabstra-heerd kan worden?In de monitoringsfunctie van de eerste 1.000 dagen worden er statistischeanalyses op verschillende databronnen uit de geboortezorg uitgevoerd.Deze gegevens worden verder verrijkt met de gegevens die het CentraalBureau voor de Statistiek (CBS) verzamelt in het kader van haar wettelijketaak. Het CBS heeft wettelijk de bevoegdheid om de verschillendedatabronnen te combineren waarbij het onthullingsrisico door pseudoni-miseren geminimaliseerd is. Met pseudonimisering worden alleherleidbare persoonskenmerken verwijderd. De pseudonimisering enanalyses gebeuren binnen de zogenoemde beveiligde omgeving van hetCBS waarbij alleen kennisinstituten, zoals het RIVM en universiteiten,toegang hebben tot deze gepseudonimiseerde en gecombineerdedatasets. Onder andere de jaarlijkse berekeningen en analyses voor demonitors Kansrijke Start en Integrale Bekostiging van de Geboortezorgworden in deze beveiligde omgeving uitgevoerd.Het CBS heeft strikte technische maatregelen genomen om de beveiligingvan de gecombineerde datasets en de privacy van de betrokken personenzo goed mogelijk te borgen. Gelet op deze maatregelen en organisato-rische procedures, brengt onderzoek van de gecombineerde data geenonthullingsrisico’s (dat wil zeggen dat data op individueel niveaugeabstraheerd worden) met zich mee.Wanneer zal de werkagenda gereed zijn om te bepalen welke onder-werpen of onderzoeksvragen binnen de monitoringsfunctie wordenopgepakt?De werkagenda zal naar verwachting in het najaar van 2024 gereed zijn.Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractieDe leden van de NSC-fractie waarderen het zeer dat de Minister in gesprekis gegaan om te bezien of er meer nodig is om informatie over demogelijkheden van pijnbehandeling onder de aandacht te brengen vanzwangeren. Zij zijn blij om te lezen dat partijen met concrete aanbeve-5Kamerstukken II 2022/2023, 32 279, nr. 250Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2538 lingen zijn gekomen en soms ook al zijn gestart met het verbeteren vaninformatieverschaffing aan zwangeren.Genoemde leden hebben ook kennisgenomen van het RIVM-advies«Uitvoering monitoringsfunctie eerste 1.000 dagen» en hebben daar eenaantal vragen over.De leden van de NSC-fractie lezen dat de monitors die bij het RIVM opgebied van geboortezorg lopen, zich inhoudelijk gezien onderscheidenvan de nieuw op te zetten monitoringsfunctie, omdat zij gebruik makenvan een beperkte set van indicatoren en vaak gekoppeld zijn aan eenspecifiek programma zoals Kansrijke Start. Deze leden vragen de Ministerwaarom er niet voor gekozen is om bijvoorbeeld de indicatoren vanKansrijke Start als uitgangspunt te nemen voor de monitoring. Is er nuniet veel overlap in beide monitors? Het lijkt genoemde leden nietwenselijk om de monitor Kansrijke start te onderscheiden van de eerste1.000 dagen, aangezien Kansrijke Start juist gaat over de eerste 1.000dagen. Hoe denkt de Minister daarover? De leden van de NSC-fractievragen de Minister verder in hoeverre er binnen het RIVM-onderzoek isgekeken en gebruik gemaakt van dergelijke monitors in het buitenland.Wat zijn de ervaringen en welke knelpunten worden ervaren bij hetgebruik van de monitors? Wat kunnen we ervan leren? En hoe ziet hetgroeimodel van de monitor eruit? Op welke momenten c.q. hoe vaakwordt bijvoorbeeld in de learning community nagegaan of de monitornog naar wens is?De monitoringsfunctie eerste 1.000 dagen en de monitor Kansrijke Startzijn nauw verweven. Een kenmerkend verschil is de integrale en gezamen-lijke duiding in een zogeheten learning community met geboortezorgpar-tijen die een specifiek onderdeel is van de monitoringsfunctie eerste 1.000dagen. De bedoeling is om via de monitoringsfunctie gegevens met elkaarin verband te brengen en in samenhang onafhankelijk te duiden. Om ditmogelijk te maken wordt er als onderdeel van de monitoringsfunctie eendata-infrastructuur ingericht. Deze is ook randvoorwaardelijk voor hetuitvoeren van de diverse RIVM-monitors op het gebied van de zwanger-schap en geboorte, waaronder de huidige monitor Kansrijke Start6 enOnbedoelde Zwangerschappen7, en de monitor Passende Bekostiging vande geboortezorg8. Genoemde en toekomstige RIVM-monitors zullengebruik gaan maken van gegevens in de data-infrastructuur van demonitoringsfunctie eerste 1.000 dagen. In samenspraak met veldpartijenwordt er een werkagenda opgesteld en governance structuur ingericht.Het RIVM zal vanuit de monitoringsfunctie eerste 1.000 dagen alskennisinstituut onafhankelijk uitvoering geven aan deze werkagenda. Ditzal in nauwe samenspraak gaan met de veldpartijen.Binnen het RIVM onderzoek is ook gekeken naar voorbeelden uit hetbuitenland. Echter, door de gekozen werkwijze van een groeimodel,waarbij de werkagenda en governance in een learning community samenmet partijen in de geboortezorg worden vormgegeven, zijn dezevoorbeelden beperkt bruikbaar. Als onderdeel van het groeimodel volgtna iedere uitwerking van een onderwerp of vraag uit de werkagenda, eenevaluatie van het werkproces en de governance en, indien nodig,aanpassing hiervan. Ook zal er na een aantal jaar (bijvoorbeeld na 5 jaar)een nieuwe werkagenda gemaakt worden.6Landelijke Monitor Kansrijke Start | RIVM7Onbedoelde zwangerschappen | RIVM8Passende bekostiging van de geboortezorg | RIVMTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 2539 Het secundair gebruik van zorgdata (zoals in de data-infrastructuur van demonitoringsfunctie beoogd wordt) vindt in het buitenland ook veelvuldigplaats. Echter in mindere mate op het terrein van de geboortezorg en deeerste 1.000 dagen. De eerste aanzet voor de data-infrastructuur met dataover zwangerschap en geboorte zoals die door het RIVM gebruikt wordt,kan daarom dienen als voorbeeld voor het buitenland.In de visie wordt aangegeven «Een up-to-date beeld en duiding geven vande gezondheid van (aanstaande) zwangere en kind». In de missie staatgezin wel genoemd (en verderop in de visie ook). De gezondheid van derest van het gezin (onder andere de andere ouder) is ook essentieel voorhet gezond opgroeien van het kind. De leden van de NSC-fractie zijnbenieuwd waarom ook niet wordt gekeken naar de gezondheid van deandere ouder. Zijn deze data beschikbaar of relatief gemakkelijk teverkrijgen? In aanvulling hierop: informatie over de fysieke omgeving isbelangrijk. In de figuur op pagina 18 zien genoemde leden dat dataontbreken over de fysieke omgeving. Kan de Minister hier een toelichtingop geven en tevens aangeven wat de wens en vervolgstappen zijn om weldata over de fysieke omgeving te verkrijgen?Waar gezin staat wordt ook de andere ouder en eventuele anderegezinsleden bedoeld. De gezondheid van het gezin (waaronder de andereouder) wordt waar relevant en waar data beschikbaar zijn, ook meege-nomen. Voor veel thema’s in de figuur kunnen net als voor de moeder ookgegevens voor de andere ouder gecombineerd worden in dedata-infrastructuur van de monitoringsfunctie.In de figuur op pagina 18 van het rapport zijn data over de fysiekeomgeving opgenomen bij de preconceptionele fase (waaronder Zwanger-wijzer.nl en de Gezondheidsmonitor). Hoewel niet expliciet in de figuuropgenomen, blijven deze data ook tijdens de zwangerschap beschikbaaren relevant. Voor wat betreft vervolgstappen om hier meer data over teverkrijgen, sluit de monitoringsfunctie aan bij bestaande trajecten zoalshet Duurzaam Informatiestelsel Geboortezorg (DIG). Daarnaast loopt erreeds een traject om binnen de data-infrastructuur van de monitorings-functie gegevens over luchtkwaliteit van het RIVM te combineren metgegevens over de geboortezorg. Indien er uit de werkagenda aanvullendevragen komen in relatie tot de fysieke omgeving kan er op dat momentgekeken worden welke data opgenomen kunnen worden in dedata-infrastructuur.Welke concrete aanbevelingen geeft het RIVM om de dataverzameling teverbeteren? Heeft het feit dat data niet goed worden geregistreerdvolgens de Minister te maken met de beperkte tijd voor het registrerenvan verloskundigen? Heeft de Minister nagedacht over hoe bijvoorbeeldverloskundigen gefaciliteerd kunnen worden om data beter aan televeren? Doordat de monitoringsfunctie alleen gebruik maakt van wat ernu al in DIAPER gekoppeld kan worden, blijft het bij een meer beperktefocus op de periode rondom zwangerschap en geboorte. Hoe actief ismen bezig om aanvullende data te verzamelen zodat een bredere kijk opde eerste 1.000 dagen mogelijk is? En wordt hierbij rekening gehoudenmet de registratielast van degenen (vaak zorgverleners) die gevraagdworden te registreren?De monitoringsfunctie gaat zelf geen nieuwe data verzamelen ofactiviteiten ontplooien om kwaliteit van data te verbeteren, maar maaktgebruik van bestaande databronnen. Het gaat om zogeheten secundairgebruik van data die zorgverleners vastleggen in het kader van zorgver-lening. De monitoringsfunctie geeft dus geen extra registratielast voorzorgverleners.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 25310 De Koninklijke Nederlandse Organisatie van Verloskundigen (KNOV) heeftonderzoek gedaan naar de kwaliteit van de data die zij aanleveren bijPerined. In dit onderzoek is gekeken naar de gehele datareis vanafregistratie door de verloskundige tot en met de verwerking bij Perined. Ditonderzoek heeft de KNOV gedaan om de invoering van de nieuweinformatiestandaard te evalueren, met als doel om de datakwaliteit teverbeteren. Uit dit onderzoek komt naar voren dat er op verschillendemomenten bij verschillende partijen ruimte is voor verbetering en deredenen daarvoor. De uitkomsten van dit onderzoek zijn door de KNOVopenbaar gemaakt en gedeeld met de geboortezorgpartijen9.De monitoringsfunctie sluit voor verdere ontwikkeling met betrekking totdata en kwaliteitsverbetering aan bij bestaande trajecten zoals hetDuurzaam Informatiestelsel Geboortezorg (DIG) met de Innovatie- enBeheercyclus Gegevensuitwisseling Geboortezorg. Vanuit de monitorings-functie kan worden aangegeven waar behoefte aan nieuwe data ligt enwaar kwaliteitsverbeteringen noodzakelijk zijn. Door de onafhankelijkepositie kan de monitoringsfunctie dus wel signaleren en aanjager zijn voorkwaliteitsverbeteringen in de bestaande dataregistraties en voor hetstructureel ontsluiten van nieuwe data/gegevens. Voor een bredere kijk opde eerste 1.000 dagen lopen momenteel al diverse pilots en onderzoek-strajecten die de ontsluiting van gegevens over kinderen na de geboorte(JGZ) binnen de data-infrastructuur van de monitoringsfunctie mogelijkzouden kunnen maken.Tot slot vragen de leden van de NSC-fractie de Minister op welke manierwordt gezorgd voor de vertaling van de monitoringsresultaten naar depraktijk. Dus: hoe wordt ervoor gezorgd dat beleid ook daadwerkelijkwijzigt naar aanleiding van de resultaten uit de monitor? En, er zijn noggeen geschikte structurele data beschikbaar voor de hele periode van1.000 dagen. Vooralsnog wordt gebruik gemaakt van andere bronnen omtoch al iets te kunnen zeggen over de volle breedte van de eerste 1.000dagen. In hoeverre is het mogelijk en legitiem om iets te zeggen (enwellicht beleid aan te passen) op basis van een onvolledige dataset?Het klopt dat opvolging van de resultaten uit de monitor buiten demonitoringsfunctie valt. Afhankelijk van de soort resultaten zijn erverschillende gremia waaraan ik denk om aanbevelingen in op te pakken,zoals de landelijke beleidscommissie, de regionale consortia geboor-tezorg, onderzoeksprogramma’s van ZonMw, de innovatie- en beheer-cyclus gegevensuitwisseling geboortezorg, het actieprogramma KansrijkeStart, etc. Het RIVM benoemt dit ook in het advies op pagina 19. Dooraanbevelingen neer te leggen bij dergelijke gremia en programma’s, kande informatie bijdragen aan beleid en praktijk.Het klopt ook dat er ten aanzien van de gewenste brede integrale blik opde eerste 1.000 dagen vooralsnog concessies gedaan moeten worden endat er daarom gebruik zal moeten worden gemaakt van andere bronnenzoals geaggregeerde (niet koppelbare) data of koppeling met data uitsteekproeven met een beperkt aantal (aanstaande) zwangere vrouwen.Daarom is de gezamenlijke duiding van de resultaten binnen de learningcommunity, waarbij ook beoordeeld wordt wat je wel en niet kuntconcluderen gezien de beperkingen in data, essentieel. Om een goedegezamenlijke duiding te borgen vind ik het belangrijk dat de werkwijze engovernance op een zorgvuldige manier wordt vormgegeven, dus stapvoor stap samen met de geboortezorgpartijen en na iedere rapportageevalueren en indien nodig aanpassen.9Gegevens in Perined-databank niet in alle gevallen betrouwbaar – KNOVTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 25311 Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister, op basis van een toezegging aan het lid Paulusma (D66). Zijhebben daarbij nog enkele vragen, aangezien zij nog niet gerustgesteldzijn over het ten alle tijde beschikbaar stellen van pijnmedicatie tijdenseen bevalling. Zeker gezien de onderzoeken waarin vrouwen aangevendat hun pijn tijdens de bevalling niet serieus werd genomen of destatistieken van vrouwen die niet of te laat een gewenste ruggenprikkregen.De leden van de D66-fractie lezen dat de KNOV en de NVOG van meningzijn dat er genoeg informatievoorziening is. Uit gesprek met de Patiënten-federatie Nederland (PFN) is echter gebleken dat er inderdaad al veelinformatie beschikbaar is, maar dat specifiek de mogelijkheden voorpijnbehandeling in de eerste lijn en/of andere vormen van (niet-medische)pijnbehandeling momenteel beperkt in beeld zijn. Kan de Minister hieropreflecteren? Welke acties zijn er nog meer mogelijk om de beschikbareinformatie ook daadwerkelijk bekend te maken bij zwangeren?In de brief van mijn voorganger10 is aangegeven dat de KNOV ooksignaleert dat er een grotere behoefte is aan meer informatie overniet-medische pijnbehandelingsopties. Daarom werkt de KNOV nu aaneen handreiking omgaan met baringspijn met daarin aandacht voorniet-medicinale pijnbehandeling tijdens de bevalling. Naar verwachtingzal deze handreiking in de tweede helft van 2024 worden opgeleverd. DePFN en NVOG lezen hierop mee.Ik vind het belangrijk dat zwangeren gedurende het gehele geboortezorg-traject toegang hebben tot heldere, betrouwbare en volledige informatie.Zij moeten in overleg met hun verloskundig zorgverlener een goedgeïnformeerde keuze kunnen maken ten aanzien van pijnbestrijdingtijdens de bevalling. Ik vind het daarom een goed initiatief van de KNOVom samen met de PFN en NVOG te werken aan de genoemde handreikingen ik roep de partijen op om de handreiking vervolgens actief onder deaandacht te brengen van hun achterban en zo te zorgen dat dezeinformatie ook daadwerkelijk bekend is bij zwangeren. Verder heeft deNVA, op 14 februari jongstleden, de Pijngids Bevalling app11 gelanceerd.In de app staat betrouwbare informatie over pijnbehandelmogelijkheden,zodat zwangeren weten wat ze kunnen verwachten en tijdig een bewustekeuze kunnen maken. De app is bedoeld als aanvulling op bestaandeinformatie die vrouwen ontvangen gedurende hun zwangerschap. Ikonderschrijf zoals gezegd de noodzaak om ervoor te zorgen dat bestaandeinformatiebronnen bekend zijn en dat zwangeren deze informatie goedweten te vinden. Ik roep de partijen daarom op om ook de PijngidsBevallingapp actief onder hun achterban te verspreiden.Tevens lezen de leden van de D66-fractie dat de KNOV en de NVOGaangeven dat er duidelijke afspraken zijn gemaakt inzake pijnbehandelingen dat deze afspraken zijn vastgelegd in de multidisciplinaire richtlijn«pijnbehandeling tijdens de bevalling». In dezelfde richtlijn staat echterook de aanbeveling «Zorg dat epidurale analgesie 24/7 beschikbaar isvoor alle indicaties». Kan de Minister hierop reflecteren, gezien designalen dat dit niet altijd het geval is? Is de Minister het met de leden vande D66-fractie eens dat gewenste pijnbestrijding ten alle tijdenbeschikbaar dient te zijn tijdens de bevalling?10Kamerstukken II 2022/2023, 32 279, nr. 25011App Pijngids Bevalling | Anesthesiologie.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 25312 Ik vind het van belang dat zwangeren volledige keuzevrijheid ervaren metbetrekking tot de eventuele keus voor pijnbestrijding bij de bevalling endat er binnen de mogelijkheden rekening gehouden wordt met dezewensen. Het is daarom van belang dat zwangeren hun wensen tenaanzien van de bevalling vastleggen in een bevalplan, zodat dit explicietbesproken kan worden in de spreekkamer. Dit wordt ook gestimuleerddoor hun verloskundig zorgverlener. Tijdens dit gesprek kan de verlos-kundig zorgverlener ook de (on)mogelijkheden van haar wensenbespreken. In dit gesprek kan dan ook besproken worden dat er afhanke-lijkheden zijn met betrekking tot bijvoorbeeld de wens voor pijnbestrijdingen de beschikbaarheid van de anesthesioloog. Het is daarbij aan hetziekenhuis om de (capaciteits)planning, gegeven het beschikbare ennoodzakelijke aanwezige personeel, optimaal in te richten.Zoals aangegeven in de Kamerbrief van mijn voorganger12 ziet de NVAeen mogelijkheid om de organisatie van zorg, waaronder de beschik-baarheid van anesthesiologen, nog beter aan te laten sluiten op depijnbehandelverzoeken van zwangere vrouwen. Dit betreft een leidraadmet ketenafspraken over pijnbehandelverzoeken. Ik juich dit initiatief vanharte toe en laat mij op de hoogte houden over de uitkomst hiervan.De leden van de D66-fractie vernemen uit de brief van de Minister dat deKNOV momenteel bezig is met een handreiking over niet-medicinalepijnbehandeling methodes tijdens de bevalling. Ondanks dat genoemdeleden blij zijn met deze extra inzet, willen zij het belang benadrukken vande keuzevrijheid van zwangeren tussen medicinale pijnbehandeling enniet-medicinale pijnbehandeling. Wordt er in de richtlijn ook aandachtgeschonken aan de mogelijkheid om te kiezen voor medicinale pijnbehan-deling? Zijn er nog beleidsmaatregelen, anders dan gesprekken tussenveldpartijen, beschikbaar om medicamenteuze pijnbestrijding tewaarborgen, zo vragen de leden van de D66-fractie aan de Minister.De handreiking die op dit moment in ontwikkeling is, gaat overniet-medicinale pijnbehandeling methodes tijdens de bevalling. Dezehandreiking is een aanvulling op de huidige richtlijn pijnbehandelingtijdens de bevalling die voornamelijk over medicinale vormen vanpijnbehandeling gaat. Het doel is dat deze handreiking, samen met derichtlijn, een duidelijk overzicht biedt van zowel medicinale pijnbehan-deling als niet-medicinale pijnbehandeling.Het is aan beroeps- en patiëntenorganisaties om gezamenlijk te komen totrichtlijnen en invulling te geven aan kwaliteit van zorg. Vervolgens is hetaan de beroepsgroepen om de richtlijnen uit te voeren en de handreikingin te zetten. Ik vind het hierbij van belang dat de kwaliteit en veiligheid vandeze zorg, zoals bijvoorbeeld de medicamenteuze pijnbestrijding, geborgdzijn.Tot slot begrijpen de leden van de D66-fractie uit de brief dat ook de PFNhet taboe op pijnhandeling tijdens de bevalling onderschrijft. Hoe gaat deMinister gevolg geven aan het doorbreken van dit taboe?Het gesprek over (niet-medicamenteuze) vormen van pijnbehandelingvindt plaats in de spreekkamer. Op dit moment zijn er diverse tools enhulpmiddelen beschikbaar om de keuzevrijheid van een zwangere tefaciliteren en ervoor te zorgen dat zij goed geïnformeerd zijn over demogelijkheden. Ik vind het van belang dat (aanstaande) zwangerenvolledige keuzevrijheid hebben en op basis van gedegen informatie, eenweloverwogen keuze kunnen maken. Ik roep de partijen daarom op om12Kamerstukken II 2022/2023, 32 279, nr. 250Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 25313 gebruik te blijven maken van de tools die al ontwikkeld zijn en deze verderonder de aandacht te brengen bij (aanstaande) zwangeren. Verder kijk ikuit naar de handreiking over niet-medicinale pijnbehandeling methodestijdens de bevalling, die op dit moment ontwikkeld wordt door de KNOV.Het aanbieden van een duidelijk overzicht van alle vormen van pijnbehan-deling tijdens de bevalling faciliteert de keuzevrijheid van zwangeren.Daarnaast heeft de NVA, op 14 februari jongstleden, de Pijngids Bevallingapp13 gelanceerd. In de app staat betrouwbare informatie over pijnbehan-delmogelijkheden, zodat zwangeren weten wat ze kunnen verwachten entijdig een bewuste keuze kunnen maken.De app is bedoeld als aanvulling op bestaande informatie die vrouwenontvangen gedurende hun zwangerschap. Ik ben blij met beide initia-tieven en roep de partijen op om dit actief onder hun achterban teverspreiden.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief van deMinister. Zij hebben hierover nog een aantal vragen.De leden van de BBB-fractie hebben enkele vragen over de punten diegenoemd worden in de brief. Allereerst, wat wordt er precies bedoeld metde punten die te maken hebben met het vergroten van de aandacht voorpijnbehandeling tijdens de consulten? Hoe zullen deze punten wordenaangepakt om ervoor te zorgen dat zwangere vrouwen voldoendeinformatie ontvangen, naast de gesprekken tussen verschillende partijenin de sector?Het gesprek over (niet-)medicamenteuze vormen van pijnbehandelingvindt plaats tussen de zwangere en de verloskundig zorgverlener. Ditonderwerp is onderdeel van het gesprek in de spreekkamer en er isvoorlichtingsmateriaal over beschikbaar in de vorm van een keuzehulp14.De NVA is van mening dat er tijdens de consulten meer aandacht aanpijnbehandeling geschonken mag worden, door bijvoorbeeld dekeuzehulp meer in te zetten en ruim van te voren de verwachtingen tebespreken. Zij zijn van mening dat verloskundigen, gynaecologen enanesthesiologen dan nog beter kunnen samenwerken om zwangerentijdig van informatie te voorzien en hen te begeleiden bij hun keuze. Ookde PFN signaleert dat deze keuzehulp meer aandacht behoeft.Ik vind het van essentieel belang dat (aanstaande) zwangeren goedgeïnformeerd zijn en voldoende keuzevrijheid ervaren. Ik vind het daaromnoodzakelijk dat de partijen met elkaar in gesprek blijven over alle vormenvan pijnbehandeling tijdens de bevalling en de voorlichting daarvan. Ikheb er vertrouwen in dat zij dit gesprek gezamenlijk zullen blijven voeren.Verder is het, om ervoor te zorgen dat zwangeren voldoende informatieontvangen, ook van belang dat de bestaande informatiebronnenvoldoende in beeld zijn. Ik heb daarom de partijen opgeroepen om dehuidige informatiebronnen nog meer onder de aandacht te brengen, omhiermee de bekendheid te vergroten en ervoor te zorgen dat zwangerende diverse hulpmiddelen goed weten te vinden.Het gesprek over (niet-)medicamenteuze vormen van pijnbehandelingvindt in de spreekkamer plaats tussen de verloskundige zorgverlener ende zwangere. De zwangere wordt aangespoord om haar wensen ook vastte leggen in haar bevalplan.13App Pijngids Bevalling | Anesthesiologie.nl14Omgaan met pijn tijdens de bevalling (keuzehulp) | Thuisarts.nlTweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 25314 Daarnaast zijn genoemde leden benieuwd naar de inhoud en het procesvan het opstellen van de richtlijn met afspraken over pijnbehandeling. Kande Minister hier de leiding in nemen en hoe wordt ervoor gezorgd dat debelangen van zowel de moeder als het kind centraal staan?Het uitgangspunt van de integrale geboortezorg is dat de wensen enbehoeften van de (aanstaande) ouder(s) en hun (ongeboren) kind centraalstaan en dat zij ondersteund worden in het gehele proces van kinderwens,zwangerschap, bevalling en kraamperiode. De kennis, expertise endaarmee ook de verantwoordelijkheid voor het opstellen van richtlijnen,ligt bij het zorgveld. De partijen zullen dit gesprek hierover gezamenlijkblijven voeren.Verder lijkt de invoering van een monitoringsfunctie voor de eerste 1.000dagen van het leven een belangrijk onderdeel te zijn. Wat zijn deverwachte voordelen van deze monitoringsfunctie om inzicht te krijgen inde ontwikkelingen in de geboortezorg en de gezondheid van moeder enkind op landelijk niveau? Welke partijen nemen deel aan deze «learningcommunity» om samen te werken aan het verkrijgen van gedeeldeinzichten?Duiding van ontwikkelingen binnen de geboortezorg en in de eerste 1.000dagen is momenteel gefragmenteerd en niet structureel. Door de komstvan een dergelijke monitoringsfunctie wordt hiervoor een cyclischedata-infrastructuur ingebouwd. Hierdoor kunnen ontwikkelingen tijdigergesignaleerd worden en kunnen trends onafhankelijk geduid worden. Deverwachting is dat je hierdoor op verschillende beleidsterreinen ookgestructureerder en tijdiger aan verbeteringen in de geboortezorg en deeerste 1.000 dagen kan werken.Er zal in 2024 eerst aan een werkagenda en governance worden gewerktdoor het RIVM samen met het veld. Ik kan daarom nog niet aangevenwelke partijen in de learning community gaan deelnemen.Graag horen de leden van de BBB-fractie meer over het proces van hetopstellen van de werkagenda voor de monitoringsfunctie en wie hierbijbetrokken zijn. Daarnaast zijn zij geïnteresseerd in het evaluatieproces enhoe de effectiviteit ervan wordt beoordeeld om ervoor te zorgen dat hetgoed werkt.Ik ben voornemens het RIVM dit voorjaar nog de opdracht te geven om dewerkagenda voor 2025 vorm te geven. De agenda kan naar verwachtingnajaar 2024 gereed zijn.Om te komen tot een gezamenlijk vastgestelde werkagenda zal het RIVMeen aantal bijeenkomsten organiseren met vertegenwoordigers vancliënten/patiënten, zorgprofessionals, koepelorganisaties, en onderzoekers(zie betrokkenen zoals benoemd in het Advies uitvoering monitorings-functie eerste 1.000 dagen, p 31). Deze vormen met elkaar de learningcommunity. Tegelijkertijd met het opstellen van de werkagenda zal metdeze partijen de governance worden ingericht. Dat betekent onder andereafspraken maken over rollen, taken en verantwoordelijkheden. Het RIVMis penvoerder en faciliteert het proces.Als onderdeel van dit proces zullen regelmatig evaluatiemomentenplaatsvinden om te bepalen of het werkproces en de governance moetenworden aangepast, wat de volgende stappen zijn en wat hiervoor nodig is.Door stapsgewijs te werken kan gaandeweg een passende werkwijzevorm krijgen. Ook kan hierdoor geanticipeerd worden op de ontwikke-Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 25315 lingen binnen de geboortezorg. Op deze wijze wordt ervoor gezorgd datde monitoringsfunctie zo effectief mogelijk kan functioneren.Tot slot, op basis van welke criteria en bevindingen worden de besluit-vorming en verdere ontwikkelingen vormgegeven? Het is belangrijk omervoor te zorgen dat deze beslissingen gebaseerd zijn op gedegenonderzoek en in het belang van de gezondheid en het welzijn van moederen kind.De monitoringsfunctie zal leiden tot een data-infrastructuur die als basisdient voor de individuele monitors die we nu al kennen (zoals de monitorKansrijke Start, Onbedoelde Zwangerschappen, en Passende Bekostigingvan de geboortezorg), wetenschappelijk onderzoek en de onafhankelijkeduiding van ontwikkelingen. Hiermee kunnen op termijn beter geïnfor-meerde beleidsbeslissingen worden genomen om de gezondheid enwelzijn van (aanstaande) ouders en kind te verbeteren. Het RIVM zalperiodiek rapporteren aan het Ministerie van VWS over de voortgang vande ontwikkeling van de monitoringsfunctie eerste 1.000 dagen. Op basisdaarvan en consultatie van veldpartijen omtrent de werkwijze enfunctioneren van de monitoringsfunctie kan verdere besluitvorming overde inrichting van de monitoringsfunctie worden genomen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 32 279, nr. 25316
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.