KamerkringInloggen
Kamerstuk

Verslag schriftelijk overleg over reactie op verzoek commissie over de rapporten “Discriminatie in de zorg, welzijn en sport”, “Is allemaal mooi, op papier”, en “Professionaliteit te allen tijde” (Kamerstuk 36800-XVI-70)

28 mei 2026 · Tweede Kamer

Brontekst

Versie ea2a66f3fefbf241 · officiële bron

Tweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2025–202636 800 XVIVaststelling van de begrotingsstaten van hetMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn enSport (XVI) voor het jaar 2026Nr. 195 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEGVastgesteld 28 mei 2026 De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft eenaantal vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Volksge-zondheid, Welzijn en Sport over de brief van 13 februari 2026 over derapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi,op papier», en «Professionaliteit te allen tijde» (Kamerstuk 36 800 XVI,nr. 70).De vragen en opmerkingen zijn op 2 april 2026 aan de Minister vanVolksgezondheid, Welzijn en Sport voorgelegd. Bij brief van 28 mei 2026zijn de vragen beantwoord.De voorzitter van de commissie,MohandisAdjunct-griffier van de commissie,Sjerp kst-36800-XVI-195ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2026Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1951 Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van deMinister van VWS Het kabinet heeft met belangstelling kennisgenomen van de vragen enopmerkingen van de leden van de fracties van D66, GroenLinks-PvdA enPVV inzake de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Isallemaal mooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde».1 Bij debeantwoording is de volgorde van het schriftelijk overleg aangehouden.Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractieDe leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzakeReactie op verzoek commissie over de rapporten «Discriminatie in dezorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi, op papier», en «Professiona-liteit te allen tijde». Voor genoemde leden zijn de thema’s discriminatie eneen sociaal veilige werkomgeving zeer belangrijk. De bevindingen enaanbevelingen van deze onderzoeken dienen dan ook serieus te wordenopgepakt door het kabinet.De leden van de D66-fractie waarderen de inspanningen van het kabinetom het thema discriminatie beter bespreekbaar te maken. Een van deaanbevelingen uit de rapporten is echter om duidelijke gedragsnormen opte stellen. Zowel in de reactie van de Minister als in de tweede voorgangs-rapportage wordt er niet ingegaan op het instellen of stimuleren vandergelijke gedragsnormen. De leden van de D66-fractie vragen waaromdit achterwege blijft, aangezien zij onderstrepen dat conferenties engesprekken weliswaar belangrijke eerste stappen zijn, maar dat daadwer-kelijke zichtbaarheid en verandering pas ontstaan wanneer normenexpliciet worden vastgesteld en gehandhaafd.In het coalitieakkoord staat dat passende zorg ook inclusieve zorg is. Hetkabinet draagt dan ook een duidelijke norm uit op dit vlak. Het is aanzorgorganisaties om hier vervolgens invulling aan te geven. Vanuit hetministerie zijn de afgelopen jaren op meerdere manieren gesprekkengefaciliteerd en bijeenkomsten georganiseerd die hier handvatten voorbieden: Bijvoorbeeld de ronde tafels over discriminatie met de sector, deoplevering van verschillende onderzoeken over het thema, het opzettenen inzetten van een ervaringsdeskundigenpanel wat betreft discriminatiein de verschillende sectoren en een ZonMw programma over diversiteit-sensitief werken in de zorg.Het onderzoek toont aan dat er een lage meldingsbereidheid bestaat,onder meer door een gebrek aan vertrouwen in opvolging van meldingen.In de reactie van de Minister op de aanbevelingen, worden voornamelijkbestaande, uiteenlopende meldpunten opgesomd. Uit het onderzoek blijktechter niet dat slachtoffers afzien van melden vanwege een gebrek aanmeldpunten, maar juist vanwege angst voor negatieve gevolgen ofvanwege een gebrek aan vertrouwen in opvolging. De leden van deD66-fractie vragen dan ook hoe de Minister gaat waarborgen datmeldingen daadwerkelijk en adequaat worden opgevolgd en datslachtoffers meer vertrouwen in deze opvolging krijgen.Het Ministerie van BZK werkt aan de versterking van het stelsel vanantidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) met het conceptwetsvoorstel vande Wet bijstand bij discriminatie dat tot en met 1 mei 2026 open staat voorinternetconsultatie. Daarnaast worden ook de Vereniging van NederlandseGemeenten (VNG), het College voor de Rechten van de Mens (CRM), deAutoriteit Persoonsgegevens (AP) en het Adviescollege toetsing regeldruk1Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 182Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1952 (ATR) geraadpleegd voor consultatie. Het voorstel beoogt knelpunten aante pakken die zien op de inrichting, het takenpakket en de financiering vande huidige ADV’s door toe te werken naar één centrale organisatie voor deaanpak van discriminatie, met als voornaamste taak het opnemen enopvolgen van meldingen. Daarnaast worden preventie en het begeleidennaar nazorg toegevoegd aan het takenpakket. Door de nieuwe centraleorganisatie kan er efficiënter gebruik worden gemaakt van middelen. Er isdaarmee een professionaliseringsslag beoogd, waardoor meldingen nogadequater kunnen worden opgevolgd en melders de ondersteuningkrijgen waar zij behoefte aan hebben. Discriminatie.nl kan (ook nu al) opverschillende manieren opvolging geven en bijstand verlenen aanmelders. Dit kan variëren van het bieden van een luisterend oor of hetorganiseren van een bemiddelingsgesprek tot het begeleiden van eenmelding bij het CRM, dat een juridisch oordeel kan geven over een zaak.Aansluitend daarop werkt het Ministerie van BZK aan brede publiekscom-municatie ter verhoging van de meldingstoegankelijkheid van ervarendiscriminatie. De publiekscommunicatie is gericht op het vergroten vankennis van burgers over discriminatie en Discriminatie.nl, het vergrotenvan het vertrouwen in het nut van melden en het inspelen op persoonlijkebehoeften bij ervaren discriminatie. Deze insteek is gebaseerd oponderzoek dat het Ministerie van BZK heeft laten uitvoeren naarmotivaties en barrières bij het melden van ervaren discriminatie en hetverhogen van de meldingstoegankelijkheid.2 Een campagne metmedia-inzet is onderdeel van de publiekscommunicatie. De lanceringdaarvan is beoogd voor het najaar van 2026.Genoemde leden merken tevens op dat in de reactie wordt gewezen op demogelijkheid om melding te doen bij discriminatie.nl. Ook hebben zijvernomen dat de regering onlangs een wetsvoorstel voor de versterkingvan het stelsel van Antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) in consultatieheeft gebracht. Zij vragen de Minister uiteen te zetten of en zo ja, hoe hetconceptwetsvoorstel bijdraagt aan de zojuist genoemde aandachtspuntenmet betrekking tot gevolgen en opvolging van meldingen.Met de nieuwe wet verwacht het kabinet discriminatie beter te kunnenbestrijden. Onder meer door:•Eén landelijk meldpunt, dat via internet of telefonisch beter herkenbaaren toegankelijker is;•Behoud van plaatselijke loketten die allemaal op dezelfde manierwerken en zo dezelfde diensten kunnen leveren;•Een andere financiering, waardoor de beschikbare financiële middelengerichter wordt ingezet;•Een hogere bereidheid om discriminatie te melden vanwege detoegenomen zichtbaarheid en de ondersteunende publiekscommunica-tie.Daarnaast laat het rapport zien dat de verantwoordelijkheid voor het doenvan meldingen nog steeds in sterke mate bij slachtoffers wordt gelegd.Hoe gaat de Minister ervoor zorgen dat deze verantwoordelijkheidnadrukkelijker bij de betrokken organisaties komt te liggen?Het kabinet onderschrijft het beeld dat het voorkomen en aanpakken vandiscriminatie en ongewenst gedrag in de zorgpraktijk nog te vaak deverantwoordelijkheid is van de getroffen individuele medewerker. Dit isonwenselijk. Het stimuleren van een veilige werkvloer is primair de2Van ervaren tot melden: motivaties en barrières bij discriminatie melden | Rapport |Rijksoverheid.nl. Zie ook de Voortgangsbrief discriminatie en racisme van (april 2025) van hetMinisterie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Kamerstukken II 2024/25, 30 950,nr. 455, p. 5.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1953 verantwoordelijkheid van werkgevers. Zo ook om een werkcultuur tecreëren waarin de verantwoordelijkheid van het doen van meldingen nietalleen bij getroffenen zelf ligt maar ook bij collega’s en leidinggevenden.Het kabinet blijft met werkgevers en bestuurders in gesprek over hunverantwoordelijkheid en biedt waar mogelijk ondersteuning aan. Zo heeftMovisie3 de opdracht gekregen om een praktisch handvat te ontwikkelendat werkgevers en leidinggevenden ondersteunt bij het herkennen enbespreekbaar maken van discriminatie en bij het bevorderen van eensociaal veilige werkomgeving. Dit handvat richt zich specifiek op de zorg-en welzijnssector, houdt rekening met de contextuele uitdagingen vandeze sector en richt zich ook op discriminatie tussen medewerkers. Ookorganiseert het kabinet samen met kennisinstituut Pharos op 30 juni eenonline webinar voor werkgevers over hoe zij discriminatie op dewerkvloer kunnen aanpakken.Daarnaast haalt het kabinet met de nieuwe wet voor de versterking vanhet stelsel van ADV’s en de aanvullende publiekscommunicatie deverantwoordelijkheid van het melden weg bij de melders en focust ze zichop de kwaliteit en toegankelijkheid van het systeem. Uitgangspunt van depubliekscampagne is dat de ondersteuningsbehoefte van de meldercentraal staat. De communicatie roept niet op om te melden, maarinformeert burgers dat zij ergens met hun ervaring terecht kunnen voor degewenste ondersteuning. En dat melden niet alleen registratie is, maarook kan dienen als veilig handelingsperspectief dat kan helpen bijverwerking.Daarnaast krijgt de landelijke organisatie een nieuwe taak met betrekkingtot preventie van discriminatie. De huidige gemeentelijke ADV’s hebbendeze taak nog niet. Deze nieuwe taak geeft de mogelijkheid om naaraanleiding van (een analyse van) de ontvangen meldingen ook metorganisaties zoals zorginstellingen en werkgevers in gesprek te gaan overhun verantwoordelijkheid om discriminatie te voorkomen en te zorgen dathet stopt.De leden van de D66-fractie wijzen erop dat het kabinet inzet op kennis-deling, praktische handvatten en het verspreiden van goede voorbeelden.Tegelijkertijd blijkt uit het onderzoek dat de verantwoordelijkheid in depraktijk nog vaak bij de individuele medewerker wordt gelegd, waardoorgetroffen medewerkers minder snel een melding maken en gevoelens vanonveiligheid toenemen. Deze leden vragen in hoeverre de voornamelijkstimulerende en faciliterende aanpak van het kabinet toereikend is omzowel deze verantwoordelijkheid te verschuiven naar organisaties als degeconstateerde kloof tussen beleid en praktijk daadwerkelijk te dichten. Isde Minister bereid om, naast deze zachte instrumenten, ook meerbindende kaders te overwegen om de sociale veiligheid in de sectorstructureel te verbeteren?Werkgevers hebben een verantwoordelijkheid om te zorgen voor eenveilige en gezonde werkomgeving. Het kabinet ziet het als zijn rol om dezeverantwoordelijkheid te stimuleren, te ondersteunen en waar nodig teagenderen en blijft in gesprek met veldpartijen en toezichthouders over devraag wat aanvullend nodig is om de kloof tussen beleid en praktijk verderte verkleinen.De stimulerende en faciliterende aanpak, gericht op kennisdeling is hierbijeen belangrijk instrument. Juist omdat sociale veiligheid sterk afhankelijkis van de werkcontext, vraagt dit om maatwerk binnen organisaties.Tegelijkertijd erkent het kabinet dat er sprake is van een kloof tussenbeleid en praktijk. Om deze kloof te verkleinen, wordt niet alleen ingezetop het vergroten van bewustwording, maar ook op het versterken van3Gereedschapskist: Discriminatie aanpakken op de werkvloer in zorg en welzijn | MovisieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1954 handelingsperspectief voor werkgevers en leidinggevenden via concreteinterventies, zoals hierboven beschreven.Het kabinet erkent het belang van duidelijke randvoorwaarden voorsociale veiligheid op de werkvloer. Werkgevers zijn volgens de Arbowetverplicht om hun werknemers te beschermen tegen psychosocialearbeidsbelasting, waaronder ongewenst gedrag en discriminatie. De inzetis gericht op het beter uitvoeren en handhaven van deze bestaandekaders, en niet op het ontwikkelen van nieuwe bindende regelgeving.De leden van de D66-fractie nemen kennis van de reactie van de Ministeren onderschrijven het belang van een veilige en inclusieve werkom-geving. Tegelijkertijd constateren deze leden dat de Minister stelt dat debestaande kennisinfrastructuur toereikend is. Gezien de bevindingen uithet onderzoek, waarin juist knelpunten in de praktijk en implementatienaar voren komen, vragen deze leden hoe het kabinet tot de conclusiekomt dat de huidige kennisinfrastructuur voldoende is. Op welke wijzewordt gemonitord of deze kennis ook daadwerkelijk de werkvloer bereikten leidt tot concrete veranderingen in de praktijk?Een organisatiecultuur waarin medewerkers zich veilig en gewaardeerdvoelen is belangrijk. Dit vormt een onderdeel van goed werkgeverschapen is primair de verantwoordelijkheid van organisaties in zorg en welzijn.Goed toegankelijke kennis ondersteunt bijvoorbeeld medewerkers in delangdurige zorg bij het leveren van persoonsgerichte zorg. De bestaandekennisinfrastructuur wordt als toereikend gezien omdat verschillendekennisinstituten, waaronder Vilans, Pharos, Kennisplatform InclusiefSamenleven (Verwey-Jonker Instituut en Movisie), gezamenlijk voorzien inhet ontwikkelen, bundelen en actief verspreiden van kennis, handrei-kingen en praktijkvoorbeelden. Deze partijen werken samen met het veld,waardoor de kennis aansluit op de praktijk en via meerdere kanalenbeschikbaar en toepasbaar is. Daarmee zijn de randvoorwaardenaanwezig om organisaties binnen de langdurige zorg in staat te stelleninclusief en professioneel te werken. Het kabinet monitort niet op hetniveau van individuele aanbieders of zij deze kennis benutten. Het isprimair de verantwoordelijkheid van zorgaanbieders zelf om beschikbarekennis te implementeren in de praktijk. Het rapport onderstreept hierbij demeerwaarde van inclusief werken, niet alleen voor cliënten, maar juist ookvoor professionals en zorgorganisaties zelf.Voorts constateren de leden van de D66-fractie dat het onderzoek wijst opbelemmeringen in wet- en regelgeving, bijvoorbeeld rondom deerkenning van buitenlandse diploma’s en beperkte bestedingsruimte vanzorgbudgetten. Deze leden vragen waarom in de kabinetsreactie nietwordt ingegaan op deze structurele knelpunten. Is de Minister bereid omte bezien of aanpassing van wet- en regelgeving noodzakelijk is omcultuursensitief werken beter te faciliteren?In het rapport wordt verwezen naar belemmeringen die worden ervarenrondom de bestedingsruimte van zorgbudgetten. Tegelijkertijd laat hetrapport ook zien dat er binnen de huidige kaders al diverse organisatieszijn die cultuursensitief (of -specifiek) werken en dit ook succesvolorganiseren. Dit wijst erop dat bestaande wet- en regelgeving in de kernruimte biedt. Door het versterken van kennisdeling en leren van goedevoorbeelden kan beter worden benut wat binnen de huidige kaders almogelijk is. Hiervoor is onder andere kennis beschikbaar via de bestaandekennisinfrastructuur.In het rapport komt naar voren dat instellingen verschillen in de matewaarin zij tegemoetkomen aan wensen en behoeften van bewoners en datTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1955 hierbij ook financiële overwegingen een rol spelen. Binnen de Wetlangdurige zorg (Wlz) is sprake van een integraal tarief, dat zorgaan-bieders ruimte biedt om zelf keuzes te maken in de inzet van middelen ende inrichting van het zorgaanbod. In de praktijk zijn er diverse goedevoorbeelden van zorgorganisaties die deze ruimte benutten omcultuursensitief of -specifiek te werken.Het rapport wijst verder ook op uitdagingen die organisaties ervaren doorwet- en regelgeving met betrekking tot de erkenning van diploma’s vanmedewerkers die hun opleiding buiten Nederland hebben afgerond. InNederland zijn er nu al diverse mogelijkheden voor buitenslandsgediplomeerden4 om aan de slag te gaan in de sector zorg en welzijn. Hetis belangrijk om te benadrukken dat voor veel beroepen geen registratienodig is in het kader van de Wet op de beroepen in de individuelegezondheidszorg (Wet BIG). Buitenslands gediplomeerden kunnen juist inveel zorgberoepen werken zonder dat er wettelijke bepalingen rondompatiëntveiligheid en kwaliteit vanuit de Wet BIG van toepassing zijn. Bijbuitenslands gediplomeerden die in een niet-gereglementeerd beroepwillen werken, moeten werkgevers ervoor zorgen dat zij bekwaam zijn envoldoende kunnen communiceren met collega’s en patiënten.Als buitenslands gediplomeerden in een beroep willen werken dat isgereglementeerd in de Wet BIG, zoals arts of verpleegkundigen, moetenzij eerst de erkennings- en toelatingsprocedure van het CIBG succesvoldoorlopen voordat zij zelfstandig aan de slag kunnen. Zoals eerder istoegelicht in de brieven aan uw Kamer van 21 juni 20215, 25 februari20226, 6 juli 20237, 12 december 20238 en 1 maart 20249 is dezeerkennings- en toelatingsprocedure voor zorgmedewerkers met eendiploma van buiten de Europese Economische Ruimte (EER) de afgelopenjaren versneld en gestroomlijnd, met behoud van kwaliteit en patiëntvei-ligheid. Zo biedt het CIBG nu meer persoonlijke begeleiding en maatwerkdoor een consulent en worden taalcertificaten geaccepteerd waardooraanvragers sneller doorstromen.Zoals ook is gemeld in de brief aan de Kamer van 25 november 202510 ishet stroomlijnen van de erkenning van buitenlandse diploma’s eencontinu proces en dit heeft alle aandacht. Een wijziging van de wet- enregelgeving inzake de erkenning van niet-Europese diploma’s acht hetkabinet niet opportuun uit het oogpunt van patïentveiligheid en kwaliteitvan de individuele beroepsbeoefenaar. Patiënten en hun naasten moetener op kunnen vertrouwen dat iedere zorgverlener die aan het bed staatvoldoet aan alle wettelijke taal- en kwaliteitseisen in Nederland, ongeachtde herkomst van het diploma. Ook wil het kabinet benadrukken datbuitenslands gediplomeerden – al dan niet in afwachting van de erken-ningsprocedure – in opdracht kunnen werken van een zelfstandigbevoegde BIG-geregistreerde zorgmedewerker. Het is dan aan deopdrachtgever om te zorgen dat deze zorgmedewerkers bekwaam zijn inde werkzaamheden die ze uitvoeren. Hiermee wordt enerzijds de kwaliteitbewaak en creëren wij anderzijds ruimte voor werkgevers om – in4Buitenlands gediplomeerden zijn zorgmedewerkers die in het buitenland zijn opgeleid enaldaar een (niet-Nederlands) diploma hebben verkregen. Dit kunnen zorgmedewerkers met eendiploma van buiten de Europese Economische Ruimte (derdelanders) of zorgmedewerkers meteen Europees diploma zijn.5Kamerstuk II 2020–2021, 29 282, nr. 441.6Kamerstuk II 2021–2022, 29 282, nr. 455.7Kamerstuk II 2022–2023, 29 282, nr. 533.8Kamerstuk II 2023/2024, 29 282, nr. 551.9Kamerstuk II 2023/2024, 29 282, nr. 560.10Kamerstuk II 2025/2026, 29 282, nr. 615.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1956 afwachting van de erkenningsprocedure – buitenslands gediplomeerde inte zetten.Zorgbudgetten moeten worden besteed aan de zorg zoals deze in deaanspraken is opgenomen. Daarbinnen mogen zorgverzekeraarsafspraken maken met zorgaanbieders in de zorginkoop. Daarbij zijn ze welgehouden aan regelgeving, met name aan de prestatiebeschrijvingen diede NZa afgeeft. De vraag of er ruimte is om cultuursensitief werken beterte faciliteren zit voor een deel in de ruimte die prestaties bieden en vooreen deel in afspraken die zorgverzekeraars maken. De zorgverzekeraars enzorgaanbieders zijn zich bewust van het belang om in te spelen opkenmerken van (groepen van) verzekerden, en dat belangrijke routesdaarbij goede zorginkoop en heldere communicatie zijn.Tot slot merken de leden van de D66-fractie op dat het onderzoek geenharde conclusies trekt over verminderd verzuim of personeelstekorten,maar wel positieve signalen afgeeft over werkplezier en betrokkenheid.Deze leden vragen hoe de Minister voornemens is deze veelbelovendeinzichten verder te onderzoeken en te vertalen naar breder toepasbaarbeleid, zodat ook andere zorgorganisaties hiervan kunnen profiteren.Momenteel wordt ingezet op het beter ontsluiten en toepassen vanbestaande kennis in de praktijk. Zo worden de inzichten uit het onderzoekonder andere betrokken bij het project Inclusiviteit in de langdurige zorg,een initiatief van het Nationaal Netwerk Inclusieve Zorg (NNIZ) waarvoorVWS een subsidie beschikbaar heeft gesteld. Binnen dit project werkenonderzoekers, ervaringsdeskundigen, vertegenwoordigers van zelforgani-saties, medewerkers en praktijkpartners samen in multidisciplinaire teamsaan het vertalen van onderzoekskennis naar acties in de praktijk. Daarbijwordt ook gebruik gemaakt van andere bestaande instrumenten enhandreikingen, zoals die van Pharos, om organisaties te ondersteunen bijinclusief werken. De inzet is erop gericht om deze kennis via bestaandenetwerken en kanalen breder beschikbaar te stellen, zodat andereorganisaties hiervan kunnen leren en dit kunnen vertalen naar hun eigenpraktijk. Dit gebeurt binnen de huidige middelen en kaders.Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractieDe leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomenvan de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Is allemaalmooi, op papier», en «Professionaliteit te allen tijde», en de toegezondenkabinetsreactie. Genoemde leden hebben geen verdere vragen ofopmerkingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractieDe leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van dekabinetsreactie op de onderzoeksrapporten «Discriminatie in de zorg,welzijn en sport», «Is allemaal mooi, op papier» en «Professionaliteit teallen tijde». Zij hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat de ambtsvoorgangervan de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in de aanbiedings-brief aangeeft dat de opvolging naar aanleiding van de kabinetsreactie opde rapporten aan een volgend kabinet wordt gelaten. Inmiddels is er eennieuw kabinet geïnstalleerd. Welke concrete vervolgacties zou het kabinetwillen nemen naar aanleiding van de conclusies en aanbevelingen uit dedrie onderzoeksrapporten? Kan de Minister per rapport op ieder van deTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1957 aanbevelingen kunnen aangeven of zij de aanbeveling (volledig of deels)overneemt en welke concrete vervolgacties daaruit voortvloeien?In de kabinetsreactie (bijlage 1 bij de aanbiedingsbrief11) heeft het vorigekabinet reeds uiteengezet hoe om wordt gegaan met de aanbevelingen uitde drie rapporten. Het huidige kabinet onderschrijft de eerder gegevenreactie en zal opvolging geven aan de in de kabinetsreactie aangekon-digde acties.Genoemde leden maken zich ernstige zorgen over discriminatie en degevolgen ervan voor bijvoorbeeld zorgmijdend gedrag. Deelt de Ministerdeze zorgen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, welke concrete maatregelengaat de Minister nemen om tegen te gaan dat mensen zorg gaan mijdenwegens (angst voor) ervaringen met discriminatie?In het coalitieakkoord is aangegeven dat passende zorg ook inclusievezorg is. Er wordt door veel partijen hard gewerkt om zorg, welzijn en sportinclusief en gelijkwaardig te maken voor iedereen. Mensen moeten eropkunnen vertrouwen dat het voor het ontvangen of verlenen van zorg nietuitmaakt wie je bent, waar je vandaan komt, of hoe je eruitziet. Omgelijkwaardigere toegang tot zorg en ondersteuning van goede kwaliteit tebereiken dienen zorg- en welzijnsmedewerkers oog te hebben voor deindividuele mens achter de patiënt of cliënt. Zorgmijding is in elk gevaleen ongewenst verschijnsel.De afgelopen jaren zijn vanuit het Ministerie van VWS verschillende actiesondernomen, ook om het thema bespreekbaar te maken en te agenderen.Zo zijn er bijvoorbeeld vier focusgroepen met 56 deelnemers georgani-seerd met de sectoren huisartsenzorg, ziekenhuiszorg, begeleid wonen ensport. In deze sessies zijn de bevindingen van het Verian-onderzoek –waarin zorgmijding werd benoemd – verbonden aan de dagelijkse praktijken zijn door de sectoren zelf concrete actiepunten geformuleerd. Defocusgroepen vormden daarmee een praktische basis voor verderebeleidsontwikkeling voor het Ministerie van VWS en veldpartijen.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zouden tevens graag aandachtwillen vragen voor de gang van zaken, de wettelijke kaders en definanciële regelingen omtrent vruchtbaarheidsbehandelingen voor niet-heteroseksuele stellen. Zij constateren dat vruchtbaarheidsbehandelingennormaliter vergoed worden via de basisverzekering bij een medischeindicatie. Wegens het ontbreken van een medische indicatie, komenechter alleenstaande vrouwen of vrouwen met een vrouwelijke partnerniet in aanmerking hiervoor. Middels de subsidieregeling KID (Kunst-matige Inseminatie met Donorsemen) bestaat echter wel de mogelijkheidvoor alleenstaande vrouwen of vrouwen met een vrouwelijke partner omaanspraak te maken op een vergoeding van vruchtbaarheidsbehande-lingen, zoals IVF. Zou nader toegelicht kunnen worden welke mogelijk-heden, in het bijzonder voor vergoeding, voor vruchtbaarheidsbehande-lingen er bestaan voor bijvoorbeeld alleenstaande mannen of mannenmet een mannelijke partner? Zou nader gereflecteerd kunnen worden ophet onderscheid welke gemaakt wordt in de vergoedingen voor heterosek-suele stellen en niet-heteroseksuele stellen? Zou tevens nader gereflec-teerd kunnen worden op de mate waarin niet-heteroseksuele stellen zichbewust zijn van deze mogelijkheden en de toegankelijkheid van debestaande mogelijkheden?Het klopt dat, in tegenstelling tot de situatie voor vrouwen zondermannelijke partner, er voor mannen zonder vrouwelijke partner geen11Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 70Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1958 mogelijkheden bestaan voor vergoeding van vruchtbaarheidsbehande-lingen. De situatie voor een vrouw zonder mannelijke partner is verge-lijkbaar met de situatie van een vrouw waarvan de man onvruchtbaar is(waarvoor de benodigde behandeling uit de zorgverzekering vergoedwordt). Om de zwangerschap tot stand te brengen bij een vrouw met eenkinderwens, is kunstmatige inseminatie met donorzaad aangewezen; dekosten van de intra uteriene inseminatie (IUI) en het bijbehorendeoriënterend fertiliteitsonderzoek (OFO) worden daarom vergoed op basisvan de KID subsidieregeling12. De situatie voor mannen zonder vrouwe-lijke partner is echter niet vergelijkbaar met de situatie voor vrouwenzonder mannelijke partner. Voor mannen zijn er de volgende mogelijk-heden. Er zou gekozen kunnen worden voor gedeeld ouderschap met eenlesbisch koppel, of met een alleenstaande vrouw. In deze situatie kan,omdat er een bekende donor is en er dus geen gebruik hoeft te wordengemaakt van schaars donorzaad, de behandeling in eerste instantieplaatsvinden door zelfinseminatie.Als gedeeld ouderschap met mensen uit de eigen omgeving niet wenselijkof niet mogelijk is, zijn mannen aangewezen op een draagmoeder. Dit isingrijpender dan een KID-behandeling bij een vrouw met eigenkinderwens. In het geval van draagmoederschap moet een vrouw die zelfgeen eigen kinderwens (meer) heeft, een zwangerschap uitdragen en hetkind afstaan. Bovendien geldt dat draagmoederschap op dit moment inNederland niet in de wet geregeld is.Tot slot bestaat in de praktijk vaak de wens om gebruik te maken vanIVF-draagmoederschap. De eicel is dan niet afkomstig van de draag-moeder, zodat deze niet genetisch verwant is aan het kind; daarbij kan alseiceldonor gekozen worden voor iemand met verwantschap aan een vande wensouders. Dit zijn echter bijkomende wensen, die niet noodzakelijkzijn voor de kinderwens op zich.Er kan immers ook gekozen worden voor laagtechnologisch draagmoeder-schap, dus door middel van inseminatie. Omdat er sprake is van eenbekende donor, en er daarom geen gebruik hoeft te worden gemaakt vanschaars donorsemen, kan ook in deze situatie de behandeling plaats-vinden door zelfinseminatie (en hoeft de behandeling niet in de kliniekplaats te vinden).Bij het vergoeden van vruchtbaarheidsbehandelingen wordt geenonderscheid gemaakt op basis van seksuele gerichtheid. Wel worden opgrond van de Zorgverzekeringswet (Zvw) alleen vruchtbaarheidsbehande-lingen vergoed wanneer er bij de verzekerde sprake is van een medischeindicatie, dus als sprake is van een aanwijsbare of niet-aanwijsbaremedische reden voor het uitblijven van de zwangerschap. Een vruchtbaar-heidsbehandeling komt niet in aanmerking voor vergoeding uit hetbasispakket als er geen sprake is van medische indicatie, maar van andere(biologische of sociale) factoren. Vruchtbaarheidsbehandelingen voorvrouwen zonder mannelijke partner of mannen zonder vrouwelijke partnerworden dus niet vergoed vanuit de basisverzekering, omdat er geensprake is van een medische indicatie voor het uitblijven van dezwangerschap.12In tegenstelling tot wat er in de vraag gesteld wordt, wordt via de subsidieregeling KID geenIVF-behandeling vergoed. Vanuit de Subsidieregeling KID worden enkel behandelingen vankunstmatige inseminatie met donorzaad vergoed. Als bij vrouwen zonder mannelijke partnerom medische redenen een IVF-behandeling noodzakelijk is, bijvoorbeeld omdat er meerdereinseminatiepogingen zijn gedaan die niet tot zwangerschap hebben geleid, wordt debehandeling uit de basisverzekering vergoed.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 1959 Het kabinet is zich ervan bewust dat een onvervulde kinderwens veel leedkan veroorzaken, of deze nu een medische oorzaak kent, of de oorzaak ligtin het ontbreken van een partner van de andere sekse. Hoewel in eenaantal gevallen ervoor gekozen is om de medische behandeling tenbehoeve van een onvervulde kinderwens te vergoeden, wordt het inandere gevallen (zoals toegelicht hierboven) niet als proportioneel gezienom de in de gegeven situatie gewenste zorg collectief te financieren.Belangenorganisaties zoals Freya, de vereniging voor mensen metvruchtbaarheidsproblemen, spelen een belangrijke rol bij het delen vaninformatie over rechten, subsidieregelingen en praktische stappenrondom vruchtbaarheidsbehandelingen. Zij bieden voorlichting, gevenadvies over toegang tot behandelingen en subsidies, en helpen bijvraagstukken over bijvoorbeeld donorconceptie of draagmoederschap.De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat reeds isaangekondigd dat de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansenin zorg, welzijn en sport, afgebouwd zal worden. Meerdere partijen,waaronder Pharos en de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie enRacisme hebben hierover hun zorgen geuit, waarbij zij aangeven dat deaanpak pas net op gang begon te komen en dat het nog onrijp is voorstructurele inbedding. Dit komt mede doordat zij nog niet toe zijngekomen aan de implementatie van oplossingen voor de bestaande gatenin de aanpak van discriminatie binnen de zorg. Hoe reflecteert de Ministerop het feit dat de VWS-brede aanpak desondanks wordt stopgezet?Herkent de Minister de zorgen en wat is haar reactie hierop? Is de Ministereventueel bereid het programma in ieder geval te verlengen totdat het welrijp is voor structurele inbedding en hierover in gesprek treden metstakeholders? Zo nee, waarom niet? Zo nee, hoe zorgt de Minister ervoordat discriminatie in de zorg geagendeerd blijft en de aanbevelingen uit derapporten opgevolgd worden?Tijdens de looptijd van het programma is veel bereikt. Zo is het duidelijkergeworden waar er nog werk aan de winkel is én is er een flinke startgemaakt op het gebied van bewustwording en maatregelen. Voor eenvolledig overzicht verwijs ik u naar de twee voortgangsrapportages van deVWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen in zorg, welzijn ensport.13 Nu de vooraf vastgestelde looptijd van het programma isverstreken, zal het Ministerie van VWS zich blijven inzetten voor inclusievezorg. Thema’s zullen per beleidsdirectie binnen het Ministerie van VWSworden opgepakt. Het is dus niet zo dat de inspanningen op dit themaworden stopgezet. Naast werkzaamheden binnen de reguliere beleids-lijnen is er binnen het ministerie overkoepelend capaciteit beschikbaar omcoördinerende werkzaamheden te verrichten en de samenhang tebewaken. Daarnaast ligt er een rol voor het veld wat betreft de opgavevan passende, inclusieve zorg. Dankzij het programma zijn hiervoor dejuiste verbindingen gelegd, en kunnen we hier nu gezamenlijk verder aanwerken.Het kabinet concludeert hiermee dat de toezegging, gedaan tijdens debegrotingsbehandeling van VWS waarin het kabinet aangaf zich teverdiepen in en terug te komen op de VWS-brede aanpak discriminatie engelijke kansen, is afgedaan.14De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen daarnaast dat er recent inopdracht van het College voor de Rechten van de Mens onderzoek is13Kamerstukken II, 36 410 XVI, nr. 19 en Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 182.14Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport(XVI) voor het jaar 2026 (Kamerstuk 36 800 XVI)Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 19510 verricht naar antidiscriminatiebeleid bij huisartsenpraktijken. Zij lezen dathieruit is gebleken dat slechts 5% van de huisartsenpraktijken eenantidiscriminatiebeleid heeft, terwijl een meerderheid vindt dat organi-saties meer moeten doen om discriminatie en ongewenst gedrag tegen tegaan. Deelt de Minister de mening dat dit zeer verontrustend is? Hoe gaatde Minister de branche ondersteunen in het ontwikkelen van handrei-kingen om discriminatie aan te pakken?Het kabinet vindt het belangrijk dat zorg voor iedereen toegankelijk is,zonder dat er op oneigenlijke gronden onderscheid wordt gemaakt. Ookonderschrijft het kabinet het belang van een veilige en inclusievewerkomgeving voor werknemers in de zorg. Daarom vindt het kabinet hetbelangrijk dat de huisartsensector een antidiscriminatiebeleid heeft endaar ook naar handelt.Het is primair aan de huisartsensector zelf om beleid te ontwikkelen omdiscriminatie tegen te gaan. De Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV)heeft laten weten dat zij de aanbevelingen uit het rapport ter harte neemten beziet hoe hier gevolg aan kan worden gegeven, passend bij de schaalen werkwijze van de huisartsenpraktijk. De LHV geeft aan dat weinigpraktijken expliciet antidiscriminatiebeleid hebben, vanwege het klein-schalige karakter van de huisartsenpraktijk en dat dit eerder plaats krijgt inhet algemene beleid van de praktijk of in de huisregels.Vanuit het Sociaal Fonds Huisartsenzorg zijn reeds diverse toolsontwikkeld om huisartsen te helpen hun praktijk een veilige plek te latenzijn, voor patiënten en medewerkers. Daarnaast is er informatiebeschikbaar over onder meer fysieke toegankelijkheid van de praktijk,laaggeletterdheid en cultuurverandering en zijn er in de cao-afsprakengemaakt over veilig werken. De LHV bundelt deze informatie op eenaparte webpagina zodat huisartsen deze goed kunnen vinden en er directmee aan de slag kunnen. De LHV onderzoekt daarnaast of bepaaldeinformatie of ondersteuning ontbreekt, zodat deze waar nodig kan wordenontwikkeld.Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractieDe leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de reactie van deMinister op de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», «Isallemaal mooi, op papier» en «Professionaliteit te allen tijde». Deze ledenhebben hierover nog enkele vragen.De leden van de PVV-fractie vinden dat iedereen in Nederland moetkunnen rekenen op goede en veilige zorg. Discriminatie en grensover-schrijdend gedrag horen niet thuis in de zorg. Tegelijk menen deze ledendat het debat hierover met gevoel voor verhoudingen gevoerd moetblijven worden. Nederland behoort tot de meest vrije en tolerante landenter wereld en die verworvenheid mag niet worden weggezet alsof onsland in de kern onveilig of structureel vijandig zou zijn.De leden van de PVV-fractie vinden daarom dat het kabinet moet wakenvoor een benadering waarin niet elk ongemak, misverstand of stroefverlopen interactie direct in het zwaarste morele vakje wordt geplaatst.Hoe voorkomt de Minister dat onder het etiket van bewustwording,inclusie en cultuursensitiviteit een ideologische laag over de zorg en hetwelzijnswerk wordt gelegd?Vrijheid van levensovertuiging, jezelf kunnen zijn en niet beoordeeldworden op afkomst vormen de kern van wie wij zijn. Racisme endiscriminatie hebben in onze samenleving geen plek. Dit geldt ook voorde zorg- en welzijnssector. Het met de Kamer gedeelde onderzoekTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 19511 «Discriminatie in de zorg, welzijn en sport», uitgevoerd door Verian, biedtinzicht in de wijze, omvang, aanleiding en impact van discriminatie inzorg, welzijn en sport. Het onderzoek laat zien dat zorgverleners in depraktijk regelmatig te maken krijgen met discriminatie, onder anderevanuit patiënten en cliënten (maar in vergelijking nog vaker door deorganisatie, regels, leidinggevenden en collegae). Door onder meer hetdoen van onderzoek wordt het onderwerp vanuit de inhoud benaderd.De leden van de PVV-fractie vragen de Minister voorts of zij erkent dat hettegengaan van discriminatie iets anders is dan het creëren van een cultuurwaarin alles als problematisch wordt gezien. Deelt de Minister deopvatting dat zorgprofessionals vakbekwaam, duidelijk en weerbaarmoeten kunnen handelen, zonder voortdurend bang te hoeven zijn dateen direct gesprek of praktische afweging later als ongepast wordtbestempeld?Het kabinet erkent het belang van een professionele werkomgevingwaarin zorgverleners hun werk vakbekwaam en zorgvuldig kunnenuitvoeren. Zij moeten ruimte hebben om in contact met collega’s enpatiënten duidelijke afwegingen te maken en het gesprek aan te gaan,zonder angst voor onterechte consequenties. Een sociaal veilige werkom-geving zorgt ervoor dat zorgprofessionals zich durven uit te spreken,elkaar aan durven te spreken en respectvol met elkaar omgaan. Uitonderzoek blijkt ook dat een sociaal veilige werkomgeving de kwaliteit vanzorg verbetert.15 De inzet op sociale veiligheid is nadrukkelijk niet bedoeldom een cultuur te creëren waarin professionals voortdurend hun woordenmoeten wegen of terughoudend worden in hun handelen.De leden van de PVV-fractie vragen hoe de Minister onderscheid maakttussen daadwerkelijke discriminatie enerzijds en verschillen in beleving,communicatiestijl of interpretatie anderzijds. Hoe wordt voorkomen datsubjectieve beleving automatisch de status van objectieve vaststellingkrijgt in beleid, meldstructuren en trainingen?Het kabinet onderschrijft het belang van diversiteitsensitieve zorg, waarbijvoor discriminatie geen ruimte is. In publicaties van Pharos over dit themastaat herhaaldelijk dat een open en nieuwsgierige houding ten opzichtevan je eigen achtergrond en die van je patiënt en cliënt belangrijk is. Het isaan zorg- en welzijnsinstellingen om hier uitvoering aan te geven inbeleid, meldstructuren en trainingen.De leden van de PVV-fractie vragen daarnaast hoe wordt voorkomen dateen sterke focus op discriminatie en microagressies leidt tot wantrouwentussen collega’s, tussen zorgverlener en patiënt en binnen instellingen.Hoe wordt geborgd dat zorgprofessionals hun tijd kunnen blijvenbesteden aan zorg, in plaats van aan het voortdurend wegen vanwoorden?De inzet op sociale veiligheid is nadrukkelijk niet bedoeld om een cultuurte creëren waarin professionals voortdurend hun woorden moeten wegenof terughoudend worden in hun handelen. De interventies en instru-menten – zoals het handvat van Movisie16 – zijn praktisch en sluiten aanbij de realiteit van zorgprofessionals en leiden niet tot extra regeldruk. Hetuitgangspunt is dat de beschikbare tijd zoveel mogelijk besteed wordt aanhet leveren van goede zorg. Het kabinet ziet het versterken van socialeveiligheid als ondersteunend en niet als belemmerend omdat het juist15TER WEEL, B. A. S., DOEVE, T., KNOL, J., & Luiten, W. J. (2024). Voorkomen is beter dangenezen. SEO Economisch Onderzoek16Gereedschapskist: Discriminatie aanpakken op de werkvloer in zorg en welzijn | MovisieTweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 19512 leidt tot een veiligere en respectvollere werk- en zorgomgeving, beteresamenwerking, minder uitval en betere kwaliteit van zorg.De leden van de PVV-fractie lezen dat zorgverleners in de praktijk vooral temaken krijgen met discriminatie door patiënten en dat sommige patiëntenhulp weigeren van een zorgverlener van het andere geslacht. Kan deMinister aangeven hoe vaak dit voorkomt, in welke sectoren dit speelt enin hoeverre daarbij ook sprake is van mannelijke patiënten die vrouwelijkeartsen of andere vrouwelijke zorgverleners weigeren? Kan de Ministertevens aangeven welke norm hierbij geldt en hoe zorginstellingenhiermee omgaan?Uit het onderzoek uitgevoerd door Verian blijkt dat ook discriminatievanwege geslacht voorkomt. Dit wordt in het onderzoek niet gekwantifi-ceerd. Wel geeft Verian aan dat in de kwalitatieve verdieping respon-denten hun ervaringen uitgebreider hebben toegelicht. In deze verdie-pende interviews en open antwoorden zijn voorbeelden naar vorengekomen van patiënten die zorg of hulp weigeren van een zorgverlenervan het andere geslacht. De kwalitatieve verdieping laat tegelijk zien datdiscriminatie op grond van geslacht zich breder voordoet dan alleen in devorm van zorgweigering. Er worden bijvoorbeeld ook situaties beschrevenwaarin vrouwelijke verpleegkundigen met seksistische opmerkingenworden geconfronteerd, waarin hun professionaliteit ter discussie wordtgesteld, of waarin hun inbreng minder serieus wordt genomen inverhouding tot mannelijke collega’s. Het gaat dus om meerdere vormenvan gendergerelateerde discriminatie, waarvan weigering van zorgver-lening er één is.Het kabinet vindt het onacceptabel dat zorgverleners te maken krijgen metdiscriminatoire uitingen van patiënten of hun naasten en erkent dat heteen grote impact kan hebben op medewerkers en het werkklimaat.Zorgverleners moeten hun werk veilig en met respect kunnen uitvoeren.Als iemand zich toch discriminerend uitlaat kunnen zorginstellingenmaatregelen nemen. Zo kunnen zij gedragsregels opstellen en kenbaarmaken, het gesprek aangaan met patiënten of naasten, waarschuwingengeven of hardere maatregelen treffen zoals het overdragen of beëindigenvan de zorgrelatie. Dit laatste moet altijd gebeuren binnen de kaders vande zorgplicht en geldende wet- en regelgeving.Het kabinet vindt het van belang dat instellingen duidelijk zijn over watwel en niet acceptabel is, en dat medewerkers worden gesteund wanneerzij met dit soort situaties te maken krijgen. Tegelijk moet noodzakelijkezorg altijd doorgaan. Daarom moet per situatie goed worden gekeken watpassend is.De leden van de PVV-fractie delen de opvatting dat zorgverleners nietgeweigerd mogen worden omdat zij man of vrouw zijn. De professionelestandaard moet leidend zijn. Culturele of religieuze voorkeuren vanpatiënten of familie mogen hierin nooit leidend zijn. Deelt de Ministerdeze opvatting?In het coalitieakkoord staat dat passende zorg ook inclusieve zorg is. Datbetekent dat situaties altijd om maatwerk vragen. Zo heeft de KoninklijkeNederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG)een standaard opgesteld met betrekking tot vrije artsenkeuze voor decuratieve sector. Daarin wordt gesteld dat een instelling alleen aan hetverzoek voor een zorgverlener met een bepaalde sekse moet voldoen alsde patiënt dit tijdig (bij het maken van een afspraak) aangeeft. In spoedsi-tuaties zijn de keuzemogelijkheden van de patiënt veel beperkter, of nietaanwezig (bron: Standpunt KNMG over vrije artsenkeuze, Utrecht,Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 19513 7 februari 2008). Vanuit het Ministerie van VWS zijn de afgelopen jaren opmeerdere manieren gesprekken gefaciliteerd en bijeenkomsten georgani-seerd om verder handvatten te bieden voor passende en inclusieve zorg.De leden van de PVV-fractie vragen voorts welke mogelijkheden zorgin-stellingen hebben om op te treden tegen patiënten of naasten die zichdiscriminerend uitlaten tegenover zorgverleners. Welke maatregelen ensancties kunnen worden ingezet, en vindt de Minister dat instellingenhierin duidelijker grenzen moeten stellen?Het kabinet vindt het onacceptabel dat zorgverleners te maken krijgen metdiscriminatoire uitingen van patiënten of hun naasten en erkent dat heteen grote impact kan hebben op medewerkers en het werkklimaat.Zorgverleners moeten hun werk veilig en met respect kunnen uitvoeren.Als iemand zich toch discriminerend uitlaat kunnen zorginstellingenmaatregelen nemen. Zo kunnen zij gedragsregels opstellen en kenbaarmaken, het gesprek aangaan met patiënten of naasten, waarschuwingengeven of hardere maatregelen treffen zoals het overdragen of beëindigenvan de zorgrelatie. Dit laatste moet altijd gebeuren binnen de kaders vande zorgplicht en geldende wet- en regelgeving.De leden van de PVV-fractie lezen verder dat veel zorgorganisaties albeschikken over gedragscodes en meldstructuren, maar dat het in depraktijk schort aan implementatie en handhaving. Waarom kiest hetkabinet dan opnieuw vooral voor handvatten en kennisdeling, in plaatsvan het versterken van handhaving en het stellen van duidelijke normen?Het kabinet herkent dat veel zorgorganisaties al gedragscodes enmeldstructuren hebben, maar dat de toepassing in de praktijk beter kan.Tegelijkertijd ziet het kabinet dat het vraagstuk van discriminatie in de zorgniet uitsluitend kan worden opgelost met verscherpte handhaving. In veelgevallen zijn de formele kaders aanwezig, maar vraagt effectievetoepassing om verandering in cultuur, leiderschap en handelingsbe-kwaamheid van professionals en organisaties. Juist daar ligt in de praktijkvaak de grootste opgave. Om die reden zet het kabinet in op hetversterken van de implementatie, onder meer via kennisdeling enpraktische handvatten. Dit richt zich juist op het versterken vannormstelling binnen de eigen organisaties en toepassing in het dagelijkshandelen.De leden van de PVV-fractie constateren dat in de kabinetsreactie vooralwordt verwezen naar bestaande trajecten en vervolgprocessen, terwijlconcrete maatregelen beperkt blijven. Kan de Minister aangeven welkeconcrete stappen inmiddels zijn gezet, welke maatregelen nog volgen enop welke termijn de Kamer hierover wordt geïnformeerd?De afgelopen jaren zijn vanuit het Ministerie van VWS verschillende actiesondernomen, ook om het thema bespreekbaar te maken en te agenderen,zoals het organiseren van conferenties en rondetafelgesprekken, hetopzetten van een ervaringsdeskundigenpanel, verschillende ZonMw-programma’s en het uitzetten van een veelvoud aan agenderendeonderzoeken. Voor een volledig overzicht verwijs ik u naar de tweevoortgangsrapportages van de VWS-brede aanpak discriminatie en gelijkekansen in zorg, welzijn en sport.17 In de kabinetsreactie (bijlage 1 bij deaanbiedingsbrief bij de drie rapporten18) heeft het vorige kabinetuiteengezet hoe om wordt gegaan met de aanbevelingen uit de drierapporten. Het huidige kabinet onderschrijft de eerder gegeven reactie en17Kamerstukken II, 36 410 XVI-19 en 36 600 XVI, nr. 182.18Kamerstuk 36 800 XVI, nr. 70Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 19514 zal opvolging geven aan de in de kabinetsreactie aangekondigde acties.Daarnaast heeft de NCDR recentelijk een advies uitgebracht wat betreftdiscriminatie in de zorg. Het kabinet zal een reactie hierop na de zomeraan de Kamer sturen.Tot slot vragen de leden van de PVV-fractie of de Minister bereid is deKamer concreet te informeren over de aard en omvang van discriminatievan zorgverleners, de opvolging van meldingen en de effectiviteit van deingezette maatregelen.Het kabinet erkent het belang van goed inzicht in discriminatie op dewerkvloer in de zorg. De aard en omvang van discriminatie van zorgver-leners is te vinden in de drie onderzoeken.Ten aanzien van de opvolging van meldingen geldt dat dit primair deverantwoordelijkheid is van zorgorganisaties als werkgever. Zij zijnverantwoordelijk voor het creëren van een veilige werkomgeving, hetinrichten van passende meldstructuren en het zorgvuldig opvolgen vansignalen en meldingen van medewerkers. Het kabinet ziet tegelijkertijd datdit in de praktijk nog niet altijd voldoende gebeurt. Daarom wordt ingezetop het ondersteunen van werkgevers bij het versterken van hun aanpak,onder andere via kennisdeling en praktische instrumenten, zoals de doorMovisie ontwikkelde toolkit gericht op het herkennen van en handelen bijdiscriminatie op de werkvloer.Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractieDe leden van de CDA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van dereactie van de Minister op de rapporten «Discriminatie in de zorg, welzijnen sport», «Is allemaal mooi, op papier», en «Professionaliteit te allentijde». Genoemde leden hebben op dit moment geen verdere vragen ofopmerkingen.Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractieDe leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzakeReactie op verzoek commissie over de rapporten «Discriminatie in dezorg, welzijn en sport», «Is allemaal mooi, op papier», en «Professiona-liteit te allen tijde». Genoemde leden hebben geen vragen aan de Minister.Vragen en opmerkingen van de leden van de Groep MarkuszowerDe leden van de Groep Markuszower hebben kennisgenomen van devoorliggende stukken en wachten de reactie van de Minister metbelangstelling af.Tweede Kamer, vergaderjaar 2025–2026, 36 800 XVI, nr. 19515

Eerdere bronversies

17 okt 2026 · a0b883c5cd2ea2a6

14 okt 2026 · 70e10fa4dbee286b

Context en discussie

Jouw reactie

Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.

Er zijn hier nog geen bijdragen.

Posts die naar deze bron verwijzen

Er zijn hier nog geen bijdragen.