Nadere uitwerking Elke regio telt
Brontekst
Versie b9b6a91a3e72ca4a · officiële bronTweede Kamer der Staten-Generaal2Vergaderjaar 2024–202529 697Gebiedsgerichte economische perspectieven enRegionaal Economisch BeleidNr. 158 BRIEF VAN DE MINISTER VAN BINNENLANDSE ZAKEN ENKONINKRIJKSRELATIES Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-GeneraalDen Haag, 20 december 2024Dit kabinet gelooft in de kracht van de regio. We vinden dat «elke regiotelt!».1 Bij de gesprekken die ik overal in Nederland voer – maar ook inmijn eigen gemeente – merk ik hoe mensen zich verbonden voelen met deplek waar ze leven. Ze zijn trots op hun dorp, stad of streek en wonen ergraag.Tegelijk staan die gemeenschapszin en verbondenheid op sommigeplekken onder druk. De leefbaarheid van dorpen, buurten en gemeen-schappen verslechtert doordat winkels en scholen moeten sluiten en dehuisarts verdwijnt. Sommige mensen ontbreekt het aan geld, kennis ofinvloed om zichzelf te redden. Veel mensen hebben het gevoel dat deoverheid onvoldoende oog heeft voor hun problemen.Uit onderzoek blijkt dat er grote, groeiende en onwenselijke verschillen inwelvaart en welzijn tussen regio’s zijn ontstaan. Een rechtvaardige enmenselijke overheid moet recht doen aan mensen, waar ze ook inNederland wonen. Daarom investeren we als regio en rijk in structurelesamenwerking. Ook moeten we als rijksoverheid kritischer kijken naar demanieren waarop we de kracht van de regio kunnen stimuleren. In dezeKamerbrief geeft het kabinet nadere uitwerking aan Elke regio telt: met destart van het Nationaal Programma Vitale Regio’s en de doorontwikkelingvan de beleids- en investeringslogica.De samenwerking tussen de regio’s en het rijk moeten we niet vrijblijvendorganiseren. Het is een zaak van de lange termijn. Het sleutelwoorddaarbij is samenwerking. Samenwerking tussen rijk en regio, tussen demedeoverheden, maar ook met ondernemers, kennisinstellingen enburgers. Alleen als we samen optrekken, kunnen we recht doen aan de1Zie het Regeerprogramma; Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 36 471, nr. 96, blz. 91 kst-29697-158ISSN 0921 - 7371’s-Gravenhage 2024Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1581 regio’s. Daarbij hoort een voortdurend gesprek over (nieuw) beleid en deeffecten daarvan.In veel regio’s doen we dat dan ook al, zoals bij de uitvoering van hetprogramma NOVEX, de doorontwikkeling van de Regiodeals, de aanpakvan de sociaal-economische vitaliteit in het landelijk gebied2 en deuitvoering van het Nationaal Programma Leefbaarheid en Veiligheid(NPLV, met een looptijd van 20 jaar in twintig stedelijke focusgebieden).Uit de in maart van dit jaar aangekondigde regiodialogen blijkt dat dielangjarige samenwerking ook expliciet wordt gevraagd voor de regio’smet wie deze intensieve gesprekken zijn gevoerd.3 Dit sluit één-op-éénaan bij het rapport Elke regio telt!, waarin staat dat de focus moet liggenop een langjarige aanpak voor de regio’s aan de randen van het land meteen stapeling aan opgaven. De opgaven vragen daar om én we moetenschaarse middelen zo slim mogelijk inzetten, waar mogelijk gebundeld.Dat betekent lopende programma’s benutten en onderdelen met elkaarverbinden waar dat kan en nodig is. Hierbij willen we regio’s de ruimtebieden: zij willen dat hun ervaringen en behoeften worden gehoord enweten zelf het beste hoe zij middelen gericht in kunnen zetten.Vanuit het rijk willen we middelen inzetten voor de organisatie entotstandkoming van de aanpak van Elke regio telt, inclusief ondersteuningvan het proces om tot langjarige agenda’s te komen.4 Op dit moment zijner geen extra middelen beschikbaar gesteld voor mogelijke financiëleondersteuning bij de uitvoering van de inhoudelijke opgaven in delangjarige agenda’s. Daarom willen we een eventuele ondersteuningvanuit het rijk bepalen op basis van de specifieke opgaven in de uitvoe-ringsagenda’s. Daarbij kijken we waar we bestaand beleid anders kunneninzetten, waar we maatwerk kunnen bieden en waar we gebruik kunnenmaken van bestaande financiële stromen. Op de kortere termijn moetenwe de mogelijkheden onderzoeken om de huidige middelen meerspecifiek in te zetten voor deze regio’s.Allereerst wordt in deze brief teruggeblikt op de gevoerde regio-dialogen.5 Daarna zet ik in deze brief uiteen hoe de betreffende regio’s enrijk een gebiedsgerichte aanpak vormgeven, gericht op langjarigesamenwerking en voortbouwend op de aanpakken die al lopen.Ver-volgens beschrijf ik de inzet van het kabinet op de doorontwikkeling vanbeleids- en investeringslogica, met de ambities die geformuleerd zijn inhet regeerprogramma omtrent de regionale economie, bereikbaarheidvan essentiële voorzieningen en maatschappelijke verbondenheid. Ik sluitde brief af met een toelichting op het vervolgproces. Daar waar dat vantoepassing is, geef ik invulling aan openstaande moties en toezeggingen.1. Lessen uit gesprekken met de regio’s Uiteindelijk gaat Elke Regio Telt! over mensen. Hun perspectief en hunverhalen waren het vertrekpunt bij de regiodialogen, die het afgelopenhalfjaar zijn gevoerd in de betreffende regio’s zoals hierboven benoemd.2Begin 2025 wordt de Kamer nader geïnformeerd over de aanpak voor de sociaal-economischevitaliteit van het landelijk gebied.3Zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 697, nr. 142. Dit betreft de regio’s Kop vanNoord-Holland, Noord- en Oost-Groningen, Zuidoost-Fryslân, Noard-Fryslân, Zuid- enOost-Drenthe, Twente, Achterhoek, Noord-Limburg, Midden-Limburg, Zuid-Limburg enZeeuws-Vlaanderen. Met Groningen en Midden-Limburg staan op moment van schrijven deregiodialogen nog gepland.4Zie: Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 36 600 VII, nr. 2, blz. 38 tabel 85Als bijlage is het rapport van Twijnstra en Gudde toegevoegd met een beschrijving van hetdoel, de aanpak van en de rode draden uit deze regiodialogen en -reflecties.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1582 Die regiodialogen hadden als doel om als regio en rijk met elkaar over deopgaven en ook vooral over de samenwerking en interactie te spreken ominzicht te krijgen in wat er beter of anders zou kunnen en moeten.Uit die gesprekken bleek dat vergrijzing en ontgroening een bepalendeonderliggende trend zijn met effecten op bereikbaarheid, voorzieningenen de gemeenschappen. In algemene zin is bereikbaarheid van de regio,bereikbaarheid en beschikbaarheid van voorzieningen en de verbindingmet de omgeving heel belangrijk voor regionale ontwikkeling. Daarnaastzijn opgaven als de veelal kwalitatieve woningbouwopgave, belemme-ringen en onbenutte kansen in de grensoverschrijdende samenwerkingdoor de grensligging6, intergenerationele problematiek, kansen(on)ge-lijkheid en het dalende vertrouwen in de (rijks)overheid en instituties aande orde.De andere rode draad in de gesprekken, was de behoefte van regio’s omgezien en gehoord te worden. Zij doen de oproep om voorbij de cijfers tekijken en niet alleen vanuit landelijk perspectief, maar ook vanuit debeleving en ervaring in de regio. Landelijke normen, gebaseerd opgemiddelden en grote aantallen, en de sectorale manier van cijfermatigonderbouwen, sturing, (kortlopende) financiering en verantwoordingsluiten niet altijd aan bij de context en kenmerken en de samenhang enstapeling van opgaven die in deze regio’s spelen. Regio’s verschillen teveel voor een (te) generieke aanpak. Er is meer aandacht nodig voor devraag wat per regio passend is, bijvoorbeeld als het gaat om een goedbasisvoorzieningenniveau.Uit de gesprekken kwam ook het signaal van de medeoverheden dat zijregelmatig te weinig slagkracht hebben voor een goede aanpak voornationale en regionale opgaven, onder andere door krapte op dearbeidsmarkt. De krapte is in de regio nadrukkelijker voelbaar doordunbevolktheid, ontgroening en vergrijzing in deze regio’s.2. Nationaal Programma Vitale Regio’s Zoals blijkt uit het rapport Elke regio telt! en de regiodialogen kan desamenwerking met de regio’s aan de randen van het land niet vrijblijvendworden ingericht en vraagt een focus op de lange termijn. Dit omdat decomplexe stapeling van opgaven in deze regio’s niet binnen één oftwee kabinetsperiodes op te lossen is. De bestaande programma’svoorzien hier onvoldoende in. Daarbij zou er meer verbinding gemaaktmoeten worden tussen de bestaande programma’s. Dit vormt de basisvoor de vervolg-inzet, waarbij het bestaande programma «regio’s aan de grens opgaat» ineen gebiedsgericht programma onder de noemer Nationaal ProgrammaVitale Regio’s (NPVR).Met het NPVR zetten we in op langjarig commitment en samenwerkingvan het rijk voor de regio’s aan de randen van het land, met uitgangs-punten die meer passend zijn voor de specifieke context, kenmerken,kansen en uitdagingen voor deze regio’s. Dat doen we onder andere door«langjarige agenda’s» met deze regio’s tot stand te brengen. Met dezelangjarige gebiedsgerichte samenwerking tussen regio en rijk kan rechtworden gedaan aan de onderlinge verschillen en overeenkomsten in decomplexe uitdagingen in de regio’s aan de randen van Nederland. Ik zet indit kader ook de samenwerking met alle provincies en gemeenten met eengrensligging en de autoriteiten in onze buurlanden (Nedersaksen,6Waarbij beschikbaarheid van grensoverstijgende data van essentieel belang is om goed beleidte maken,Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1583 Noordrijn-Westfalen, Wallonië en Vlaanderen) onveranderd voort. Binnenhet programma voorzien we ook een belangrijke rol voor verderekennisontwikkeling en -deling. De kennis die we binnen dit programmaopdoen is voor alle regio’s in Nederland: we delen onze inzichten rondgebiedsgericht werken aan vitale regio’s.Focus blijft op de benoemde regio’sNaar aanleiding van de regiodialogen en de daaropvolgende bestuurlijkereflectiegesprekken is geconcludeerd dat er geen wijzigingen wordenaangebracht in de reeds benoemde regio’s. Dit betekent dat hetprogramma de inzet richt op: de Kop van Noord-Holland, Noord- enOost-Groningen, Zuidoost-Fryslân, Noard-Fryslân, Zuid- en Oost-Drenthe,Twente, Achterhoek, Noord-Limburg, Midden-Limburg, Zuid-Limburg enZeeuws-Vlaanderen.7In deze regio’s wordt hard gewerkt aan regionale ontwikkeling, doorgemeenten, provincies, waterschappen, maatschappelijke partners,marktpartijen en inwonerinitiatieven. Met het NPVR komt een samen-werking tussen deze regio’s en het rijk tot stand die, waar mogelijk, kanvoorzien in maatwerkoplossingen voor specifieke behoeftes en mogelijk-heden voor verdere regionale en nationale ontwikkeling. Zowel regio alsrijk moeten zich inspannen om bij knelpunten te kijken naar wat welmogelijk is. Dat kan door bijvoorbeeld af te wijken van bestaande kaders,uitzonderingsposities en (alternatieve en beter passende) oplossings-richting te bepalen. Dit zit dus nadrukkelijk niet alleen in financiëlemiddelen.Ontwikkeling in twee stappenWe willen dat in twee stappen doen: tot rond de zomer van 2025 werkenwe aan een toekomstbeeld langs drie overkoepelende doelstellingen ineen bestuurlijk gedragen plan voor de regio. Op basis daarvan ontwik-kelen regio en rijk een uitvoeringsagenda die eind 2025 gereed moet zijn.Deze twee onderdelen vormen samen de hierboven genoemde«langjarige agenda».8Het NPVR heeft drie overkoepelende doelstellingen:−Veilige en leefbare regio’s: het verbeteren van de kwaliteit en veiligheidvan de leefomgeving in regio’s met onder andere expliciete aandachtvoor een passende woningvoorraad, herstructurering en transformatieen verduurzaming van de gebouwde omgeving en een gezondegroene leefomgeving.−Een duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau dat ondersteunendis aan de vitaliteit en het beoogde toekomstperspectief van de regio’sen het behoud van de aantrekkelijkheid en leefbaarheid in deze regio’svoor inwoners.−Een gezonde en kansrijke toekomst voor inwoners in de regio’s,waaronder gezond opgroeien en oud worden, ontwikkelkansen in hetonderwijs, perspectief op werk en regionale economische ontwikke-ling.Het plan voor de regio is de basis om de inzet waar mogelijk op regionaalniveau en opgavegericht te bundelen. De regio krijgt zoveel mogelijkruimte om het plan voor de regio en uitvoering met het rijk vorm te geven7Zie Tweede Kamer, vergaderjaar 2023–2024, 29 697, nr. 142 voor een nadere toelichting voordeze regio’s.8Zie bijlage 1 voor een nadere duiding van de inhoud van het plan voor de regio en deuitvoeringsagenda.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1584 op basis van drie overkoepelende doelstellingen. Het uitgangspunt hier isom zoveel mogelijk samenhang te creëren tussen en aan te sluiten bijlopende trajecten en bestaande structuren zoals NOVEX, IZA, PPLG, NPLV,Regio Deals, energyboards. Regio’s en rijk besluiten gezamenlijk hoe zijdeze benutten. De uitvoeringsagenda bevat per regio concrete inzet voorde komende vier jaar en wordt aansluitend geëvalueerd en herijkt.Voorbereiding, implementatie en uitvoering vormen een doorlopendproces.De Ministeries van BZK, VWS, OCW, SZW, JenV, IenW, VRO, LVVN, EZ,KGG, committeren zich allen aan de plannen voor de regio’s (inclusiefuitvoeringsagenda) waarbij het rijk een inspanningsverplichting aangaatvoor de komende 20 jaar. In 2025 zullen deze ministeries, mede op basisvan de komende fase waarin wordt gewerkt aan de plannen voor deregio’s, gaan onderzoeken welke inzet zij gaan plegen op de opgesteldeplannen voor de regio’s en wat deze inspanningsverplichting inhoudt. Ditom waar nodig te onderzoeken of en zo ja, wat de mogelijkheden zijn omin te spelen op de vraag en behoefte van deze specifieke regio’s.Ook economische ontwikkeling wordt in de verschillende plannen voor deregio’s meegenomen, wat door de Minister van EZ tijdens deEZ-begrotingsbehandeling van 16 en 17 oktober jl. aan Kamerlid Vermeer(Kamerstuk 32 637, nr. 617) was toegezegd in reactie op de motie vanlaatstgenoemde om krimpregio’s een langjarige economische impuls tegeven. Tijdens de recente bespreking van de EZ-begroting heeft deMinister van Economische Zaken aangegeven in gesprekken met deprovincies de mogelijkheden te verkennen voor het stimuleren vanregionaal economische ontwikkeling. In die gesprekken zal specifiekaandacht worden besteed aan de economische opgaven in deNPVR-regio’s, die aan de grenzen van het land zijn gesitueerd. En aan demogelijke bijdragen daaraan van de specifiek op de regio gerichteEZ-instrumenten als ROM’s en EFRO/Interreg. De uitkomsten van dezegesprekken worden benut voor de Visie op de ruimtelijke en economischestructuur, die ook zal ingaan op de verantwoordelijkheid van het rijk bijregionaal economische ontwikkeling en hoe die in te vullen. Deuitkomsten over de economische opgaven voor de NPVR-regio’s wordeningebracht en benut in de programmatische aanpak voor die regio’s.Hiermee maken we bewust een onderscheid tussen het generieke belangdat rijksbeleid beter rekening houdt met regionale verschillen en deaanpak voor deze regio’s die iets anders en meer vraagt, gegeven despecifieke context en kenmerken zoals dunbevolktheid, ontgroening envergrijzing en een ligging aan de grens van Nederland, waardoor er eenstapeling van opgaven en uitdagingen aan de orde is die niet zelfstandigopgelost kan worden. Denk hier onder andere aan belemmeringen in wet-en regelgeving door de nabijheid van buurlanden, opgaven rondomnetcongestie en het vitaal en aantrekkelijk houden van deze regio’s meteen voorzieningenaanbod dat sterk onder druk is komen te staan quabeschikbaarheid en bereikbaarheid.Uitgangspunten voor het plan voor de regio en voor de samenwerkingregio en rijkRegio’s en rijk hebben, tijdens en op basis van de regiodialogen,uitgangspunten geformuleerd die centraal staan bij de gebiedsgerichteaanpak. Vertrouwen en verbinding worden daarbij echt als een doel opzichzelf gezien. De uitgangspunten zijn:1.Een plan voor de regio (langjarige agenda) vraagt om een lerende enadaptieve agenda die niet in beton is gegoten, maar waarin structureelTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1585 wordt gereflecteerd en geëvalueerd wat werkt. Op basis hiervan sturenwe gezamenlijk bij.2.Omarm vertrouwen en verbinding als een doel op zich. Laat het nietafhangen van concrete projecten. Bundel middelen waar mogelijk opregionaal niveau en opgavegericht (in tegenstelling tot sectoraal) enzorg ervoor dat de agenda gebruikt kan worden als propositie om inaanmerking te komen voor middelen uit bijvoorbeeld subsidies enregelingen.3.Ga bij beleidskeuzes en investeringen niet alleen uit van financieelrendement en volume, maar heb aandacht voor regionale verschillen,maatschappelijke impact en brede welvaart. Ga op zoek naar eenandere wijze van verantwoording en onderbouwing.4.Als rijk en medeoverheden kijken we met een open blik naar deaanwezige opgaven en passende oplossingen, ook als deze op ditmoment nog niet binnen de opgestelde kaders passen.5.De departementen erkennen de specifieke context van deze regio’s enzetten zich in om te komen tot de meest passende oplossing. Waarnodig kan worden gekeken naar het maken van afwijkmogelijkhedenen een uitzonderingspositie voor deze regio’s vanuit het rijk. Dit geldtmet name voor de gevallen waar dat grote impact heeft voor deverbetering van de leefbaarheid in deze regio’s en het effectiefoppakken van de opgaven ofwel verzilveren van de kansen.6.Expliciete aandacht voor het belang van samenwerking met debuurlanden ter versterking van het oplossen van grensbelemmeringenen verzilveren van kansen.Grensoverschrijdende samenwerking met de buurlandenEen groot deel van de regio’s die centraal staan, grenzen aan één vanonze buurlanden. Met het programma NPVR zetten we in op de verdereversterking van de bestuurlijke samenwerking tussen het rijk, degemeenten en provincies aan de grens en de relevante overheden in debuurlanden en naburige deelstaten of gewesten: Vlaanderen, Wallonië,Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen. Bestaande samenwerkingsstruc-turen worden hiermee voortgezet: de Grenslandagenda Noordrijn-Westfalen, de Samenwerkingsagenda met Nedersaksen, de grensgover-nance Vlaanderen-Nederland en het Schakelpunt grensbelemmeringen.De ontwikkelingen van dit Schakelpunt zullen de komende periode nauwworden gevolgd en daarbij wordt, zoals toegezegd in het commissiedebatRegio’s en grensoverschrijdende samenwerking van 16 mei 2024(Kamerstuk 29 697, nr. 153), meegewogen welke elementen mogelijkrelevant zijn voor de samenwerkingsverbanden met de Duitse deelstaten.Op het moment van schrijven is er nog geen aanleiding om de samenwer-kingsstructuren met Duitsland anders vorm te geven, zoals eerdertoegelicht in de Voortgangsbrief van het programma Regio’s aan de grensvan 15 december 2023 (Kamerstuk 32 851, nr. 79).Het wegnemen van grensbelemmeringen en benutten van kansen blijvenbij de doorontwikkeling van de samenwerkingsstructuren centraal staan.Die structuren dragen bij aan de gezamenlijke agendavorming enprioriteitsstelling om concrete projecten of knelpunten op te pakken die ervoor inwoners echt toe doen. Als Minister van BZK speel ik bij degrensoverschrijdende samenwerking een coördinerende rol richtingandere bewindspersonen.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1586 Coördinatie en regionale alliantiesDe uitvoering op lokaal en regionaal niveau vindt plaats in publiek-privateallianties met een aanpak voor en met bewoners, die zich kenmerkt doorsamenwerking met stakeholders in de regio. Hoe deze regioalliantieeruitziet verschilt per regio, omdat de regio’s zelf verantwoordelijk zijnvoor de inrichting. Als het mogelijk is, wordt aangesloten bij bestaandestructuren.Regio’s en rijk stellen het plan voor de regio samen op. Betrokkendepartementen werken hierbij mee aan de invulling van deze agenda’s ende daaruit volgende uitvoeringsagenda’s. Zij zijn daarbij zelf verantwoor-delijk voor acties op het eigen beleidsterrein. Sommige regio’s, maar ookdepartementen zijn daar al verder in dan andere.Het rijk stelt per regio een ambtelijk regioadviseur en een rijksvertegen-woordiger als bestuurlijk aanspreekpunt aan, om de verbinding tussenregio en rijk zo goed en laagdrempelig mogelijk vorm te geven. Derijksvertegenwoordiger betreft een DG van één van de departementen diebetrokken is bij de voornaamste opgaven van de regio. De regioadviseursworden primair bemenst vanuit BZK en ondersteunen hen daarbij. Zijhebben de rol om de betrokkenheid van andere departementen aan tejagen, de samenwerking tussen regio en rijk te versterken en devoortgang te bewaken waar en wanneer dat nodig is. Daarbij wordtverbinding gezocht met of gebruik gemaakt van bestaande overlegstruc-turen tussen rijk en regio. Van de betrokken regio’s vragen we om ook eenbestuurlijk en ambtelijk trekker aan te stellen, ondersteund door eenoverleg van andere bestuurders en ambtenaren. De precieze invullinghiervan kan per regio verschillen.Binnen het kabinet neem ik als Minister van BZK de coördinatie van hetNPVR op me, waarbij ik de samenwerking opzoek met mijn collega-bewindspersonen die ook in deze regio’s actief zijn. Belangrijk is dat ereen regio-alliantieoverleg wordt georganiseerd.Kennis, innovatie en leren in deze regio’sDe inzet op kennis, innovatie en onderling leren is een belangrijke pijlerbinnen het programma. Om als regio’s regionale en nationale opgaveneffectief aan te pakken en uit te voeren, is het noodzakelijk de juiste kennisen instrumenten in handen te hebben. Er wordt ingezet op een gedeeldekennisbasis, kennisontwikkeling en -deling tussen regio’s onderling entussen regio en rijk. Er wordt waar mogelijk aangesloten bij bestaandeplatformen zoals het Nationaal netwerk brede welvaart, het versterken vande regionale leer- en kennisinfrastructuren (PLEK), en kennisbronnen zoalsZicht op wijken, Wijkwijzer, Leefbarometer, de grensstatistieken en deRegionale monitor brede welvaart van het CBS.3. Doorontwikkelen van de beleids- en investeringslogica Rijksbeleid moet werken voor alle regio’s in Nederland, zowel voor dicht-als dunbevolkte gebieden en van de kust tot aan de grens. Het Regeerpro-gramma benoemde al dat het rijk daarbij ook kritisch naar zichzelf kijkt. Opdeze manier wordt regionale ontwikkeling duurzaam gestimuleerd, metbeleid dat beter werkt voor regio’s en daarmee voor inwoners. Dit gaatniet alleen over de verdeling van geld, maar om een bredere bewegingdie departementen zelf en samen moeten maken bij het nadenken over enontwikkelen van beleid.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1587 Het is voor de departementen een gezamenlijke opgave om signalen uitde praktijk van medeoverheden of vanuit het leven van inwoners mee tenemen bij het maken en wijzigen van beleid. Het rapport Elke Regio Teltdient hiervoor als leidraad, aan de hand waarvan departementen zelf aande doorontwikkeling van eigen beleid-/investeringslogica werken. In depraktijk betekent dit ook dat departementen in samenspraak met regio’sonderzoeken wat er speelt, problemen serieus nemen en oplossingsrich-tingen afwegen. Zo werken we bij het rijk ook aan het tegengaan vanhardheden in beleid, welke ervoor kunnen zorgen dat inwoners in de knelkomen en er onrechtvaardige verschillen tussen regio’s ontstaan of instand blijven.Wat hebben we al in gang gezet?Departementen werken aan een fundamentele beweging met deaanpassing van eigen beleid en investeringen voor belangrijke regionaleopgaven, om aan te sluiten bij regionale context en verschillen. Doelhiervan is om betekenisvol en blijvend effect te sorteren op regio’s,specifiek op vitaliteit van de regionale economie, de bereikbaarheid enbeschikbaarheid van publieke voorzieningen en op sociaal-economischeontwikkeling en leefbaarheid.Vitale regionale economieDepartementen werken samen aan het versterken van de vitaliteit van deregionale economie in alle regio’s in het land. Het kabinet wil de regionalecompetitiviteit van Nederland en de concurrentiekracht van alle Neder-landse regio’s versterken. Dit krijgt vorm met de ambitie dat alleprovincies in 2030 tot de top-30 van meest competitieve regio’s in de EUbehoren, waarvan zes in de top-10. De Minister van Economische Zakenheeft bij de recente bespreking van de EZ-begroting aangegeven tewerken aan een aanpak voor realisatie van dit doel, waarbij rekeningwordt gehouden met de provinciale verantwoordelijkheid voor hetregionaal economisch beleid. Daarbij voert EZ een verkennende kansen-en knelpuntenanalyse uit voor regionaal economische ontwikkeling en deinvloed van de overheid op deze factoren.Daarnaast vraagt versterking van de vitale regionale economie in alleregio’s om aandacht voor arbeidsmarktregio’s. De huidige krapte op dearbeidsmarkt vraagt om het in samenhang afwegen van economischeambities en arbeidsmarktbeleid in regio’s – en om bij een mismatchgericht scholing of andere trajecten in te zetten. Hiertoe werken hetMinisterie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Economische Zaken enOnderwijs Cultuur en Wetenschap aan de Hervorming van de Arbeids-marktinfrastructuur.9Het kabinet wil de publieke en private dienstverlening over werk enscholing in een arbeidsmarktregio in één loket samenbrengen: hetWerkcentrum. Hierbij moet de vraag van de werkgever en de ondersteu-ningsbehoefte van de burger centraal staan. Arbeidsmarktregio’s krijgendaarbij ruimte voor maatwerk, omdat elke regio uniek is, bijvoorbeeld alshet gaat om de economische en sociale opgave en de beschikbaarheidvan voorzieningen. In een meerjarenagenda per regio wordt deverbinding gelegd tussen werk voor groepen van werkzoekenden enwerkenden in een kwetsbare positie, economische opgaven, scholing,voldoende personeel voor cruciale publieke sectoren en de economische9zie Kamerbrief: https://open.overheid.nl/documenten/5fe94231-bdd4-435e-b343-8004a65f7087/fileTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1588 transities. Met aandacht voor selectief en gericht arbeidsmigratiebeleid.10Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap werkt daarnaast aanmaatregelen om een toegankelijk kwalitatief goed en arbeidsmarktre-levant aanbod van opleidingen in de regio te waarborgen.11 Het kabinetzet ook in op een gezamenlijke beleidsagenda voor Leven Lang Ontwik-kelen (LLO), waarmee de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarktwordt verbeterd en er wordt gewerkt aan meer op-, om- en bijscholing tenbehoeve van de arbeidsmarkttekorten.Verder werken we op diverse onderwerpen aan beleidsontwikkeling terversterking van de vitaliteit van regionale economieën. Voor de specifiekeopgaven in het landelijk gebied op het gebied van water, natuur enklimaat en het toekomstperspectief voor de agrarische sector werkt hetrijk via de aanpak Ruimte voor Landbouw en Natuur aan een gebiedsspe-cifieke aanpak. Naast landelijke maatregelen zorgt de gebiedsspecifiekeaanpak voor passende ontwikkelingen in de gebieden met grote opgavenop het gebied van deze doelen. zoals agrarisch natuurbeheer en innovatie,om boeren te ondersteunen. Het Ministerie van Landbouw, Visserij,Voedselzekerheid en Natuur zet zich zo in voor het behalen van dezedoelen, met behoud van de sociaal-economische vitaliteit en draagvlakvoor beleid.Verder werkt het kabinet aan een betere spreiding van rijkswerkgele-genheid over het land, waarbij ik een coördinerende rol vervul. Ik heb uonlangs geïnformeerd over de acties om tot een betere spreiding tekomen.12 Bij keuzes voor de locatie van een rijksdienst zullen hetregiobelang en de meerwaarde van de aanwezigheid van een rijksdienstin een regio een zwaarder gewicht hebben. Hiermee vergroot het kabineteen betere regionale aanwezigheid, zichtbaarheid en directe nabijheid vande rijksoverheid, óók in regio’s buiten de Randstad. Diverse acties hiertoezijn opgepakt, zoals het openen van zogenoemde rijksontmoetingspleinenverspreid over het land. In de jaarlijkse brief over de spreiding van derijkswerkgelegenheid zal de voortgang rond deze acties worden toege-licht.Defensie is bij uitstek een overheidsorganisatie die in heel het land actiefis en verspreid over heel Nederland locaties heeft. En Defensie groeit. Inhet Nationaal Programma Ruimte voor Defensie wordt – in nauw overlegmet provincies en gemeenten – uitgewerkt waar nieuwe defensieactivi-teiten het beste een plek kunnen krijgen. Zoals in de Defensienota 2024 isaangegeven, zoekt Defensie daarbij aansluiting bij «Elke regio telt». Deactiviteiten van Defensie hebben in veel gevallen impact op de leefom-geving. Maar veel activiteiten brengen ook investeringen, werkgele-genheid en draagvlak voor andere voorzieningen met zich mee. Ook deinitiatieven vanuit Defensie om de defensie-industrie te versterken dragenhieraan bij. Op dit moment wordt met diverse regio’s, waaronder Brabant,Oost-Nederland en Limburg, gewerkt aan samenwerkingsverbanden.Toegankelijke publieke voorzieningen (gezondheid, onderwijs, bereik-baarheid)Bij publieke voorzieningen en gezondheid, onderwijs en bereikbaarheidkijkt het kabinet ook met een regionaal perspectief. Dit vraagt om hetbijeenbrengen van verschillende logica’s en beleidsthema’s.10https://www.rijksoverheid.nl/documenten/kamerstukken/2024/11/14/kamerbrief-naar-een-selectiever-en-gerichter-arbeidsmigratiebeleid11Bij het onderdeel «toegankelijke publieke voorzieningen» wordt hierop nader ingegaan.12Zie de Kamerbrief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatiesd.d. 25 oktober 2024, Kamerstuk 31 490, nr. 347Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 1589 Een belangrijke pijler hierin is het gebiedsgerichte en integrale perspectiefop gezondheid. Gezondheidsachterstanden ontstaan vaak door eenstapeling van en interactie tussen problemen op diverse leefgebieden.Gebiedsgerichte programma’s zijn belangrijk in de aanpak van dezeproblemen. Met het Integraal Zorgakkoord is onder leiding van hetMinisterie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) gewerkt aan detotstandkoming van regiobeelden, regioplannen en het opzetten van eenaanspreekbaar samenwerkingsverband in iedere (zorgkantoor-)regio.13 Devolgende fase richt zich op het borgen, faciliteren, verbinden en regis-seren van deze samenwerking in de regio, met de intentie om eenaanvullend zorg- en welzijnsakkoord af te sluiten waarin samen metveldpartijen aanvullende afspraken worden gemaakt.14 In het Gezond enActie Leven Akkoord is daarnaast afgesproken dat het Ministerie van VWShet belang van gezondheid en de aanpak van gezondheidsachterstandenagendeert bij departementen en met een samenhangende beleidsagenda«Gezondheid in alle beleidsdomeinen» komt.15 Ook wordt gewerkt aan derelatie met regio’s, met het professionaliseren van het Regionetwerk VWS,waarin teams van rijksambtenaren meedoen, -denken en -helpen bij hetfaciliteren van samenwerking in de regio en signalen/vraagstukkenophalen om deze te agenderen bij het ministerie.Daarnaast is de toegankelijkheid van gezondheidsvoorzieningen eenspeerpunt van dit kabinet. Daarom werkt VWS aan afspraken overbekostiging van de spoedeisende hulp, acute verloskunde en intensivecare, op basis van een beschikbaarheidsbijdrage; wordt ingezet opvoldoende praktijkhoudende huisartsen met het verlagen van drempelsvoor startende praktijkhouders en werkt het ministerie aan het verbeterenvan samenwerking tussen ziekenhuizen om streekziekenhuizen in zovolwaardig mogelijke vorm te behouden, om zo bij te dragen aan eengelijkwaardigere toegang tot zorg en ondersteuning.Ook streeft het kabinet naar kwalitatief goed, toegankelijk en doelmatigonderwijs in Nederland. Door demografische ontwikkelingen staan dezewaarden onder druk, met name in krimpregio’s. Het Ministerie vanOnderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) werkt daarom aan het behoudvan een passend onderwijsaanbod in alle regio’s en werkt aan eenbeleidsbrief op het vervolgonderwijs, die in het eerste kwartaal van 2025wordt gepresenteerd. Voor het funderend onderwijs is de bekostigingrecent vereenvoudigd, zodat deze eenvoudiger en beter voorspelbaar is.Naast basisbekostiging is er voorwaardelijke aanvullende bekostiging, dieregio-onafhankelijk is. Om het onderwijsaanbod in krimpgebieden tebehouden, wordt de kleinescholentoeslag omgevormd naar een dunbe-volktheidstoeslag en wordt het systeem van opheffingsnormen herzien.Voor het voortgezet onderwijs geldt dat geïsoleerde vestigingen aanvul-lende bekostiging krijgen.Een andere fundamentele stap die we zetten is het werken aan stabielebekostiging voor het mbo, hogescholen en universiteiten. Op dit momentontvangen onderwijsinstellingen hun rijksbijdrage volledig (mbo) of vooreen gedeelte (ho) op basis van het aantal studenten en afgegevendiploma’s. Door deze systematiek kan de organiseerbaarheid, toeganke-lijkheid en kwaliteit van het onderwijs in regio’s die kampen met dalende13zie www.dejuistezorgopdejuisteplek.nl14Bekeken wordt of en hoe het aanvullend akkoord kan worden verbreed met elementen uit hetGALA en WOZO.15De eerste contouren van deze agenda zijn op 13 december 2024 uw Kamer gedeeld (TweedeKamer, vergaderjaar 2024–2025, 32 793, nr. 794). Bij de verdere uitwerking van deze aanpakworden naast gemeenten dan ook verschillende partijen, zoals sociale partners, het bedrijfs-leven en maatschappelijke organisaties betrokken.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 15810 studentaantallen op termijn onder druk komen staan. Het Ministerie vanOCW werkt samen met mbo, hogescholen en universiteiten aan eenstabiele bekostiging, zodat zij bij dalende studentenaantallen een goedonderwijsaanbod op peil kunnen houden, in het bijzonder opleidingen dievoor de regio vitaal zijn. Cruciale opleidingen worden ondersteund metkrimpmiddelen (180 miljoen, voor mbo/hbo).Daarnaast werkt OCW aan diverse concrete onderwijsopgaven diespecifieke regio’s raken. Bijvoorbeeld met integratie van de kennisketen(wo, hbo en mbo), en duurzame investeringen in onderzoek(sfaciliteiten)gericht op de specifieke behoeften van de regio. Zo wordt ook gewerktaan het beter aansluiten van de Nederlandse diploma’s op instellingenvlak over de grens, zodat jongeren hun vervolgstudies in de regio kunnendoen en daarmee behouden blijven voor de grensregio’s. Een andervoorbeeld is dat het Ministerie van OCW werkt aan een wetsvoorstel ommeer balans te brengen in de internationalisering van het hogeronderwijs. In deze wetgeving wordt expliciet aandacht besteed aan depositie van kwetsbare regio’s en de verankering daarvan in beleid. DeKamer wordt hierover in januari per brief geïnformeerd.Tot slot zetten we ook betekenisvolle stappen in het werken aan bereik-baarheid in alle regio’s. Daarvoor werkt het Ministerie van Infrastructuuren Waterstaat aan een verbreding van de eigen beleidslogica: focusver-schuiving van de grootste doorstromingsknelpunten naar logica waarinbereikbaarheid centraal staat (van maatschappelijk-economische vitalevoorzieningen). Het ministerie verkent mogelijkheden om bereikbaar-heidsdoelen op te stellen en informeert de Tweede Kamer hier begin 2025over. Hierbij worden burgers, regio’s, medeoverheden en collega-departementen betrokken. Ook worden feiten verzameld over de huidigebereikbaarheid van voorzieningen, vindt een burgerraadpleging plaats,een nulmeting en effectmeting, en worden gebiedscasussen onderzocht.Leefbaarheid (wonen en energie, cultuur, veiligheid)Het werken aan leefbaarheid is een essentieel onderdeel van de inzet vanhet rijk om regio’s te ontwikkelen. Een centrale pijler van deze inzet is hetnationale programma NOVEX, waarin departementen (onder leiding vanVRO) en regio’s gebiedsgericht samenwerken aan woningbouw, ruimte-lijke economische ontwikkeling, bereikbaarheid en mobiliteit, leefbaarheidvan stad, industrie en landelijk gebied (openbare ruimte, groen, water ennatuur) en energietransitie. Alle resultaten van programma NOVEX landenin de directe leefomgeving van bewoners, ondernemers en werkenden.Het rijk werkt samen met alle provincies om via regie consistentie in deruimtelijke ordening te bereiken. In 16 gebieden in Nederland zijn defysieke opgaven van rijk en regio zo complex gestapeld dat rijk en regiovia gezamenlijke regie tot planvorming en uitvoering komen.16 Hierworden, op basis van Ontwikkelperspectieven en Uitvoeringsagenda’s,Regionale Investeringsagenda’s door rijk en regio opgesteld. Alleoverheden werken van meet af aan samen in een NOVEX-gebied aanprogrammering, planning en financiering ten behoeve van de uitvoeringvan de opgaven tussen nu en de komende 10 á 15 jaar. Hierbij wordenstakeholders uit de regio tijdig betrokken.1716Van de 16 bestaande NOVEX gebieden zijn er vier waar doelen van Brede Welvaart en doelenvan Elke Regio Telt (ERT) concreet worden nagestreefd. Namelijk: ERT Limburg Zuid enMidden en NOVEX-gebied Zuid-Limburg; ERT Zuid-Oost Friesland en NOVEX-gebied Lelylijn;ERT Zuid- en Oost-Drenthe en NOVEX-gebied Groningen Assen; ERT Zeeuws Vlaanderen enNOVEX-gebied North Sea Port District17De programma’s ERT, NOVEX en Regiodeals werken hierbij inhoudelijk samen en versterkenelkaar door kansen, ook op gebied van financiering, in samenhang en samenloop teverkennen en te realiseren.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 15811 Gelijktijdig stelt het kabinet op onder coördinatie van de Minister van VROeen nieuwe Nationale Omgevingsvisie op, het voorontwerp Nota Ruimte.Deze geeft een integraal beeld van de toekomstige inrichting van defysieke leefomgeving van ons land in 2030, 2050 en 2100. De Nota Ruimtegeeft straks mede richting aan regionale ruimtelijke ontwikkeling, passendbij lokale kwaliteiten, kansen en opgaven. Dat gebeurt aan de hand vanvier strategieën: Vitaliseren, Initiëren, Stimuleren en Accommoderen. Inde Nota Ruimte worden deze strategieën verder uitgewerkt. Voor Elkeregio telt zijn vooral Vitaliseren en Initiëren relevant. Vitaliseren is gerichtop behoud en versterking van een prettige, gezonde en leefbareomgeving, met voldoende voorzieningen en opvangen van autonomebevolkingsgroei. Initiëren is gericht op onderscheidende ruimtelijk-economische ontwikkelingen die op termijn kunnen bijdragen aan eengrotere verstedelijkingsopgave in die regio’s.Het Ministerie van VRO stuurt samen met provincies en gemeenten,marktpartijen en corporaties op de uitvoering van de woondeals enondersteunt bij de uitvoering. Daarnaast wordt het financiële instrumen-tarium voor woningbouwbeleid aangepast in lijn met de uitkomsten vanElke Regio Telt. Een groot deel van de financiële middelen is voor eenzogeheten realisatiestimulans. De realisatiestimulans zal naar verwachtinggoed passen bij gemeenten met kleine kernen. Uitgangspunt is eeneenvoudige financiële regeling per gerealiseerde betaalbare woningworden zonder eisen aan het aantal woningen per project, met minimaleadministratieve lasten. Aanvullend op de realisatiestimulans zet het rijk inop locatie specifieke uitdagingen, zoals met het voorzetten van dewoningbouwimpuls en het gebiedsbudget.Het Ministerie van KGG heeft in 2023 met het Nationaal Plan Energie-systeem (NPE) een strategisch langetermijnplan opgesteld voor hetenergiesysteem in Nederland in 2050. Samen met het Ministerie van VRO,de koepels van de medeoverheden en netbeheerders werkt het Ministerievan KGG n.a.v. het NPE aan nieuwe interbestuurlijke afspraken voor hetenergiesysteem. Deze afspraken gaan over de opgave die gerealiseerddient te worden, hoe we belemmeringen in de uitvoering opschalen enover de manier waarop we als overheden onderling samenwerken. Hierbijwordt rekening gehouden met regionale verschillen en de reedsbestaande samenwerkingen tussen rijk en regio en binnen regio’s. Dezeafspraken worden binnenkort verwacht en zullen daarna gezamenlijkverder worden uitgewerkt.Daarnaast versterken we de leefbaarheid in alle Nederlands regio’s doorte werken aan de stimulering van cultuur en media in heel Nederland. HetMinisterie van OCW neemt hierin het voortouw, door aandacht te gevenaan regionale spreiding binnen de basisinfrastructuur en bij de rijkscul-tuurfondsen. Voor de periode 2025–2028 is geografische spreidingopgenomen als een van de hoofdcriteria voor de basisinfrastructuur. Erzijn vier nieuwe cultuurregio’s erkend, waarmee het totaal op negentienkomt, om regionale samenwerking en kennisuitwisseling te bevorderen.Samen met gemeenten, provincies en cultuurregio’s wordt gewerkt aancultuurconvenanten voor 2025–2028, waarin gezamenlijke afsprakenworden vastgelegd over gesubsidieerde instellingen en gedeeldeambities. Daarnaast zet OCW zich in voor de versterking van lokaleomroepen en wordt met de nieuwe bibliotheekwet beoogd dat iedereinwoner binnen redelijke afstand toegang heeft tot een volwaardigebibliotheek. Via het NOVEX-traject werkt OCW daarnaast samen metprovincies aan het behouden, benutten en versterken van cultureelerfgoed in heel Nederland, onder andere met het programma ErfgoedDeal voor initiatieven uit regio’s om erfgoed in te zetten voor actueleopgaven zoals klimaatadaptatie, natuurverbetering en energietransitie.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 15812 OCW zet in op ruimtelijk ontwerp en ontwerpend onderzoek. Met hetActieprogramma Ruimtelijk Ontwerp (ARO) is meerdere jaren ervaringopgedaan met de inzet van ruimtelijk ontwerp bij de maatschappelijkeopgaven. Hierbij is onder andere aandacht voor opgaven op de lokale enregionale schaal. In de directe leefomgeving zullen de concrete oplos-singen immers landen en worden zij ook het meest gevoeld. Ontwerpendonderzoek kan bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving.Voor regionale leefbaarheid is daarnaast de regionale veiligheid eenbelangrijk perspectief. Met het programma Preventie met Gezag zet hetMinisterie van JenV in op het voorkomen dat jongeren en jongvolwas-senen met criminaliteit in aanraking komen, daarin terecht komen, daarverder in afglijden of doorgroeien. Het uitgangspunt is om in te zetten inde gebieden met (relatief) grote omvang en ernst van de problematiek.Omdat criminaliteit niet ophoudt bij de grenzen van grootstedelijkegebieden en het niet vanzelfsprekend is dat (relatief) kleinere gemeentenmeeliften op de investeringen en ontwikkelingen in centrumgemeenten isdeze aanpak in 2024 uitgebreid. Er zijn twintig gemeenten met soortgelijkeproblematiek incidenteel toegevoegd aan het programma.18 Geleerdelessen en beschikbare aanpakken worden vervolgens voor alle gemeentenin Nederland beschikbaar en bereikbaar gemaakt. Daarnaast speelt debehoefte aan meer politiecapaciteit in heel Nederland. Daarom hebben devorige kabinetten de operationele formatie van de politie fors uitgebreid,de operationele formatie zal de komende jaren groeien en in 2029ongeveer 4.700 fte hoger zijn dan in 2017.19 De politie zet in op werving enbehoudt van medewerkers met de nieuwe ontwikkelde arbeidsmarktstra-tegie. Daarnaast wordt momenteel gewerkt aan een nieuwe sterktever-deelsystematiek voor operationele formatie over de regionale eenheden.In het Landelijk Overleg Veiligheid en Politie is afgesproken dat de nieuwesterkteverdeelsystematiek gebruikt zal worden voor toekomstigecapaciteitsuitbreidingen, en niet voor een herverdeling van de huidigecapaciteit.Werken aan samenhangVerandering van de rijksbrede beleids- en investeringslogica vindt nietvan vandaag op morgen plaats en vraagt naast concrete maatregelen eencyclisch proces met periodieke reflectie. Het is een doorlopende zoektochtnaar wanneer regionale verschillen goed of niet goed zijn, wanneer hetrijk hier wel of geen invloed op kan uitoefenen en wanneer het gerecht-vaardigd is om in algemeen beleid ongelijke gevallen ongelijk te behan-delen. Hier zet het kabinet zich de afgelopen en komende jaren insamenwerking met regio’s vol voor in, want élke regio telt.Zowel de genoemde regio’s, als medeoverheden in bredere zin, doen eenberoep op het rijk om meer samenhang in beleid aan te brengen. Zoalshiervoor beschreven zetten we daar al enige tijd op in. We maken daarbijgebruik van een gedegen (feitelijke) kennisbasis, waar alle regio’s vanNederland kunnen profiteren. Te denken valt aan de Regionale MonitorBrede Welvaart en met onderzoek door departementen naar regionaleontwikkeling van brede welvaart. Ook werken we actief aan kennisuitwis-18Deze gemeenten krijgen gedurende maximaal drie jaar, met maximaal € 500.000 per jaar pergemeente, de mogelijkheid om (meer) focus aan te brengen en impact te maken in de lokalepreventieve aanpak19Begroting en Beheerplan Politie 2025–2029. Ter achtergrond: Rutte III heeft de operationeleformatie van de politie met zo’n 2.400 fte uitgebreid. Rutte IV heeft daar nog in totaal zo’n1.600 fte aan toegevoegd, waarvan de grootste uitbreiding de 700 fte agenten voor de wijkvanuit de middelen voor de Motie Hermans (Kamerstuk 35 925, nr. 13).Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 15813 seling tussen de regio’s en het rijk, bijvoorbeeld door ontmoetingen teorganiseren.Een essentieel onderdeel hierbij is de organisatie en borging vanfeedbackloops, uit regio’s en de praktijk naar het rijk en departementen.Departementen organiseren deze feedbackloops zelf bij beleidsontwik-keling en geven hier aandacht aan binnen lopende gebiedsgerichteaanpakken. Hier zijn verschillende instrumenten behulpzaam bij, zoals hetBeleidskompas en de daaraan gekoppelde UitvoerbaarheidstoetsDecentrale Overheden (UDO) en de grenseffectentoets.Het kabinet onderschrijft het belang van deze beweging en BZK stimuleertde inzet hierop. Goede interbestuurlijke samenwerking en bestuurlijkeslagkracht van medeoverheden zijn namelijk fundamenten van onzedemocratische rechtstaat. Departementen zoeken de samenwerking opom beleid op elkaar af te stemmen en verdiepen zich samen met departners uit de regio’s. Zo ontwikkelen we onze rijksbrede beleids- eninvesteringslogica stapsgewijs door.4. Vervolg en hoe we uw Kamer informeren Op dit moment werken we samen met de regio’s aan de plannen voor deregio. In de eerste maanden van 2025 zal hier ook een bestuurlijkebijeenkomst over worden georganiseerd, die de start vormt van hetNationaal Programma Vitale Regio’s.Met het oog op de opgehaalde opgaven vervullen met name de bewinds-personen van OCW, VWS, VRO, JenV, I&W, EZ, KGG en LVVN hierin eenkernrol, samen met een coördinerende verantwoordelijkheid voor BZK.Overige departementen sluiten nadien aan indien er bij de ontwikkelingvan regionale plannen sprake mocht zijn van opgaven op hun beleids-terrein. Daarbij blijven we uiteraard kritisch kijken naar onze eigenwerkwijze en mogelijke belemmeringen van het rijk om regio’s hunkansen en krachten te laten benutten. Omdat elke regio telt.Mijn streven is om uw Kamer in de tweede helft van 2025 over devoortgang te informeren.De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,J.J.M. UitermarkTweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 15814 NADERE UITWERKING: PLAN VOOR DE REGIO TUSSEN REGIO’SEN RIJKGezamenlijk tussen regio en rijk wordt in 11 regio’s gewerkt aan detotstandkoming en uitvoering het «plan voor de regio», waarin deoverkoepelende doelstellingen van het programma (kwaliteit en veiligheidvan de leefomgeving, duurzaam en bereikbaar voorzieningenniveau,kansrijke toekomst voor inwoners) centraal staan.Het plan voor de regio vormt daarmee het toekomstbeeld voor de langetermijn, met hieraan gekoppeld een vierjaarlijkse uitvoeringsagenda. Hetplan wordt door regio en rijk opgesteld vanaf de start van het programmaen is de basis voor de uitvoeringsagenda. Hierin worden de probleem-analyse, opgaven en kansen voor de komende 20 jaar beschreven, deregionale doorvertaling van de te behalen doelstellingen (op basis van dedrie overkoepelende doelstellingen die centraal staan in het programma)en hoe deze te behalen, de al bestaande inzet hierop vanuit regio en rijken wat daarin mist.In het plan voor de regio wordt een uitwerking van de (regionale)governance opgenomen en van de benodigde wensen voor de betrok-kenheid en inzet van het rijk hierbij. Regio en rijk beschrijven de aanpakwaarin activiteiten gekoppeld worden aan resultaten en doelen gericht ophet realiseren van bovengenoemd plan voor de regio: de wijze waaropvoortgang gemeten en gemonitord wordt; de organisatie van hetprogramma, inclusief eventuele financiering vanuit de regio en het rijk.Hierbij wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van hetgeen al bestaat.Deze agenda wordt eens per vier jaar bijgesteld.Het Plan voor de regioDe UitvoeringsagendaHet plan voor de regio dient als basis voor deuitwerking van de gebiedsgerichte inzet per4 jaar in de komende twintig jaar.1. Introductie. Inleiding en achtergrond.2.Probleemanalyse huidige situatie enopgaven. Analyse van regionale uitgangssitu-atie en belangrijkste opgaven om uit derelatieve achterstandssituatie te kunnenkomen.3. Huidige inzet en handelingsperspectief.Regionaal beeld van huidige inzet en wathierin mist om uit de achterstandspositie tekunnen komen. Met mogelijkheden voorregionale inzet met activiteiten en interventies,relaterend aan de probleemanalyse.4. Organisatie. Beschrijving van organisatie ensturing per regio (bv. apart, of aansluitend bijstaande samenwerking resp. benuttingbestaande overlegstructuren), betrokkenheiddoelgroepen en partijen, planning ophoofdlijnen. Inclusief benodigde behoeftenvoor betrokkenheid en inzet van het rijk.De uitvoeringsagenda concretiseert de inzetqua activiteiten en interventies in de regio,voor de komende vier jaar.1. Introductie. Inleiding en achtergrond.2. Aanpak met beschrijving: activiteiten,verbinding aan verwacht effect op doelen,integraliteit in opgave, welke inzetten/bijdragesworden verwacht van alle betrokken partijen,concrete resultaten, hoe inwoners wordenbetrokken.3. Monitoring. Over hoe de aanpak wordtgemonitord en getoetst.4. Organisatie. Met beschrijving: organisatieen afstemming rondom realisatie (mensen enmiddelen), vormgeving regionale samenwer-king. En hoe zowel de procesmiddelen als demiddelen voor de uitvoering van de agenda’sworden besteed. BIJLAGE 1.Tweede Kamer, vergaderjaar 2024–2025, 29 697, nr. 15815
Gerelateerde bronnen
- De Kamer ontvangt de aanpak Elke regio telt! omstreeks de zomer, waarbij tevens wordt ingegaan op de mogelijkheid voor schakelpunten aan de Nederlands-Duitse gr
De Kamer ontvangt de aanpak Elke regio telt! omstreeks de zomer, waarbij tevens wordt ingegaan op de mogelijkheid voor schakelpunten aan de Nederlands-Duitse grens en de geleerde lessen uit de eerste tien kansregio's.
Context en discussie
Jouw reactie
Een contextnotitie voegt feiten of achtergrond toe, onderbouwd met minimaal één bron. Voor een mening of vraag kun je gewoon reageren.
Er zijn hier nog geen bijdragen.
Posts die naar deze bron verwijzen
Er zijn hier nog geen bijdragen.